Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Het stille vertrek van de NSB'er aan de dijk

1945, Goudeark

Mijn vader was 21 jaar toen de oorlog uitbrak en toen vijf dagen later de bezetting begon. De oorlog zat tijdens mijn jeugd niet bij ons als vaste gast aan tafel. Er werd wel eens wat verteld, maar dat was altijd heel feitelijk. Hoe dingen waren geregeld: persoonsbewijzen, het bonnenstelsel. Vrijwel nooit speelden mensen een echte rol. Het waren verhalen zonder acties of dialogen. Vandaar dat dit verhaal zo bij mij is blijven hangen. Hij heeft het meerdere keren verteld.

Mijn grootvader had een tuinderij in Gouderak. Door ziekte was mijn vader, timmerman, ervan gevrijwaard om in Duitsland te gaan werken. Met zijn broers werkte hij mee op de tuinderij en waren inmiddels van groot belang voor de voedselvoorziening.

‘Zodra er iets geoogst was’, schamperde mijn vader, ‘kwamen de moffen langs om het te vorderen. Maar mijn vader was wel zo slim ook een klein deel achter te houden voor zijn gezin. Nee, in de oorlog hebben wij nooit honger geleden.’ Dit was hét moment waarop mijn moeder hem in de rede viel om verontwaardigd te zeggen dat zij wél suikerbieten had gegeten.

Mijn vader keek dan even opzij, zweeg, maakte een sussend gebaar met zijn hand en vertelde  verder. ‘Aan de dijk woonde één NSB'er. Voor de oorlog was het een gewone vent, wel wat stil, maar die was dus NSB'er. Hij werd door de jongens langs de dijk uitgejouwd, maar ik deed daar niet aan mee. ‘Let wel’, haastte mijn vader zich dan om te zeggen, ‘ik groette hem ook niet. Ik liep straal langs hem heen.’ Mijn vader mocht, zelfs ruim dertig jaar na de oorlog niet aangezien worden als iemand die sympathie had gehad voor die NSB'er.

‘In de laatste maanden waren er wilde razzia’s. Mannen werden gewoon van straat opgepakt en moesten meteen de vrachtwagen in. Zo ook die ene dag. Ik werd aangehouden door een felle mof. Hij trok aan mijn arm. Maar ik bleef stevig staan. Ik wilde niet naar Duitsland en liet mijn vrijstelling zien. 'Nichts mit zu tun!' schreeuwde de mof en begon weer aan me te trekken.

Een beetje afzijdig stond de NSB'er van de dijk. Die hoorde en zag wat er gebeurde. Een moment keken wij elkaar strak aan. Hij kwam naar ons toe, rukte de vrijstelling uit mijn handen en keek ernaar. Even aarzelde hij. Ik zag dat hij me herkende. Toen maakte hij een onverschillig gebaar naar de mof: 'Ist in ordnung. Lass ihm gehen.' Verbijsterd liet die mof me gaan.

Ik heb het thuis niet verteld. Een paar maanden later kwam de bevrijding. Buren van verderop kwamen het aan de deur vertellen. We snelden naar zolder, waar de radio verstopt stond. Ja, het was echt waar. Op het dorp scheerden ze het hoofd kaal van een paar meiden die met de moffen geheuld hadden. De NSB-er is daarna met stille trom vertrokken......

‘Ja, dan krijg je dat hè’, besloot mijn vader zijn verhaal. Hij zat dan altijd in dezelfde houding. Ellebogen steunend op zijn knieën, handen in elkaar gevouwen, lichaam licht voorover gebogen. Na de laatste zin liet hij dan zijn hoofd vallen en herhaalde dan met een aparte combinatie van hardheid en zachtheid: ‘Ja. Dat krijg je dan.’   Mijn moeder herinnerde zich de bevrijding met tanks, Canadezen en feest. Mijn vader herinnerde zich de bevrijding door een stil vertrek van een stille man, die NSB'er was.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in