Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Bevrijding van een dorp aan de IJssel

09-1944 tot 13-04-1945, Een dorp aan de IJssel

Even leek het erop dat we bevrijd zouden worden. Ik fietste zo hard mogelijk over de dijk naar huis en keek af en toe achterom of ze er al aan kwamen, de Canadezen. Maar bij Arnhem stokte de opmars. Eerst een lange strenge winter, met veel ellende, vooral in het westen.

Wij woonden in een dorp aan de IJssel. Elke dag zagen we de mensen komen, met fietsen zonder banden, karretjes en kinderwagens om voedsel bij elkaar te scharrelen bij de boeren in deze streek. Vaak belden er 's avonds mensen aan om te vragen of ze een nacht bij ons mochten slapen. Ze waren altijd welkom en mijn moeder zorgde dat ze niet met honger naar bed gingen. 

En elke avond kwamen de bommenwerpers. Het was een angstaanjagend geluid. Ik kon er niets aan doen, mijn benen begonnen te trillen en dat hield pas op als de laatste vliegtuigen waren overgevlogen. In Zwolle, twintig kilometer noordelijker,  lag een meisje ook elke nacht te bibberen in haar bed. Zij vertelde dat veel later, toen we getrouwd waren.

Maar nu zou het echt gebeuren. De Canadese troepen waren al dicht bij ons dorp, daar waren de mensen al bevrijd. Op een middag hoorden we dat er een Canadese tank in het dorp was, een verkenningseenheid. We holden erheen, de straat uit, de hoek om en ja hoor. Ik was 13 jaar en we beseften niet hoe gevaarlijk de situatie was. Er waren nog Duitsers in het dorp. De tank keerde en reed weer weg. Mijn oudere broer en ik en andere kinderen uit de straat gingen terug naar huis, maar tot onze grote schrik lagen in onze straat al Duitse soldaten achter hun machinegeweren. Zo vlug we konden doken we tussen de huizen door en gingen er achter langs door de tuinen terug.

Het duurde nog een paar dagen. Niemand werkte meer. Wij zaten in de zon onder de bloeiende perenboom en wachtten af. Het was prachtig lenteweer maar er hing een vreemd gevoel van spanning en verwachting in de lucht. Zou er hard gevochten worden? Het was een onwerkelijke sfeer.

Op vrijdag 13 april hoorden we 's morgens schoten, mitrailleurgeratel. Het ging beginnen. Mijn vader was nog in de schuur maar toen het even stil was liep hij vlug van schuur naar huis. Op het moment dat hij de deur achter zich sloot sloeg een kogel een halve meter naast hem in het kozijn. Dat was de tweede keer dat hij bijna de bevrijding niet had beleefd, want een paar dagen eerder fietste hij over een van de toegangswegen naar het dorp en was er gelukkig een Duitser die hem adviseerde aan de kant te blijven want er waren landmijnen gelegd.

We hadden maar een klein keldertje en daar hebben we, mijn ouders, broer en een jongen uit Rotterdam die bij ons was gekomen om aan te sterken, geluisterd naar de doffe ploffen van het afschieten van de raket en even daarna een gierend geluid en de daverende klap van de inslag. Waar zou hij neerkomen, wie zou getroffen worden? Als het ons huis was had zeker mijn vader het alsnog niet overleefd, want hij moest op de trap bij de kelderingang zitten. Zo klein was de ruimte. Zo zaten we daar, wachtend op onze bevrijding, maar in grote angst dat we die niet meer zouden beleven.

Eindelijk, eindelijk werd het stil en bleef het stil. Mijn vader stelde voor dat we maar eens moesten gaan kijken. En daar, aan de overkant, vlak langs de huizen, liepen achter elkaar met het geweer in de aanslag, de Canadese bevrijders. Dát moment, de herinnering daaraan is nog steeds emotioneel. Voor ons was de oorlog voorbij.

We wachtten nog even af wat er verder zou gebeuren, net als de andere mensen in onze straat. Maar toen barstte het los. Vlaggen werden uitgestoken, iedereen kwam naar buiten. Dit werd een feest zoals we nooit eerder hadden gehad en zoals we ook nooit meer zouden hebben. Allerlei militaire voertuigen kwamen het dorp binnenrijden. We zagen hoe de Canadese soldaten prachtig witbrood aten, brood dat we in geen jaren meer hadden gezien.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in