gahetNA in the National Archives

VOC - Zoeken: voc

17219 Results found, click on a tab to show the results.

1.04.02
M.A.P. Meilink-Roelofsz, R. Raben, H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
1992
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.04.02
Author: M.A.P. Meilink-Roelofsz, R. Raben, H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
1992
CC0

Periode:

1602-1811
merendeel 1602-1795

Omvang:

1269,60 meter; 15013 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands, sommige stukken zijn in andere talen, o.a. Maleis, Chinees, Japans, Perzisch, Armeens, Portugees, Frans, Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Bevat archieven van de Heren XVII en de kamer Amsterdam (onderling sterk vermengd), de kamers Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Het archief van de Heren XVII en de kamer Amsterdam bestaat voornamelijk uit resoluties, verbalen van het Haags Besogne, brieven naar en overgekomen stukken uit de koloniën (aparte series voor de Kaap en China), en na 1700 boekhoudkundige stukken en monsterrollen en na 1700 scheepssoldijboeken. De briefwisseling binnen Europa, scheepsjournalen, financiële stukken vóór 1700, monsterrollen en scheepssoldijboeken vóór 1700, en de stukken van de departementen in Amsterdam zijn geheel of voor een groot gedeelte verloren gegaan. Van het archief van de kamer Zeeland zijn ongeveer dezelfde bestanden bewaard gebleven, hierin echter nog enige Europese briefwisseling, doch minder boekhoudkundige stukken. Van de archieven van de overige kamers zijn slechts fragmentarische resoluties, scheepssoldijboeken na 1700 (alle kamers), en boekhouding (vooral Hoorn en Enkhuizen) bewaard. Een deel van de briefwisseling met de koloniën zou te reconstrueren zijn m.b.v. de in het Arsip National in Jakarta bewaarde stukken.
Introduction in English.

Archiefvormers:

  • Verenigde Oost-Indische Compagnie

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het archiefbeheer

J.C.M. Pennings

Introduction in English.

1. Tijdens het Compagniesbewind (1602-1795)

De werkzaamheden in de kamers van de Compagnie leidden tot de produktie van grote hoeveelheden papier. Aangezien de administratie (en de meeste andere activiteiten) door de zes kamers afzonderlijk werd verricht, bestond er geen centrale archiefbewaarplaats en was er geen uniform archiefbeheer. Iedere kamer droeg zorg voor zijn eigen papieren. Bovendien waren die papieren nog over verschillende afdelingen van een kamer verdeeld. Hoe groter en complexer de organisatie van een kamer was, hoe talrijker de plaatsen in de stad waren waar men archiefstukken kon aantreffen. De kamer Amsterdam bijvoorbeeld was verdeeld in vier departementen, waaronder enkele comptoiren (kantoren) stonden, die alle hun eigen papieren beheerden. De grootste massa stukken berustte bij de secretarie, een bureau dat in iedere kamer, hoe klein ook, bestond.

De archieven van de verschillende kamers bevatten niet alleen stukken van de Compagniesadministratie in de Republiek. Alle kamers konden ook rekenen op een gestage stroom papier uit het octrooigebied. Ieder jaar arriveerden met de retourschepen journalen, missiven, resoluties, dagregisters, monsterrollen en andere stukken van de gouverneur-generaal en raden in Batavia en van de andere vestigingen in Azië en aan Kaap de Goede Hoop. De Heren Zeventien verwachtten van de gouverneur-generaal en raden dat zij alle voor de bewindhebbers belangrijke stukken lieten kopiëren en in zesvoud naar patria stuurden, voor iedere kamer een exemplaar. Het kopieerwerk stapelde zich in de generale secretarie in Batavia echter zo op, dat nooit alle kamers konden worden voorzien. Dat leidde tot een aanhoudende reeks van klachten van de Heren Zeventien aan het adres van de gouverneur-generaal en raden, overigens zonder effect. In de praktijk konden alleen de kamers Amsterdam en Zeeland rekenen op een regelmatige toezending (

VOC, inv. nrs. 312-344, kopieboek van uitgaande brieven [...] van de Heren XVII en de kamer Amsterdam aan de kantoren in Indië.

). Toch werden door de gouverneur-generaal en raden wel pogingen ondernomen hier iets aan te doen. In 1725 was de achterstand in het schrijfwerk op de generale secretarie in Batavia zo hoog opgelopen dat de gouverneur-generaal en raden voorstelden om de resolutieboeken en dagregisters te laten drukken. Reeds een paar dagen later zag men echter van het plan af vanwege een gebrek aan drukletters. Zo bleef alles bij het oude en werd er alleen afgeschreven voor de kamers Amsterdam en Zeeland (

Zie VOC, inv. nr. 741, kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden, met name van 5 en 8 juni 1725.

)
.De Compagnie streefde ernaar haar administratie voor de buitenwacht zorgvuldig geheim te houden. VOC-ambtenaren konden er wel gebruik van maken; dikwijls lieten bewindhebbers dan ook voor eigen gebruik afschriften vervaardigen, die nu nog in hun particuliere archieven kunnen worden aangetroffen. Tegenover buitenstaanders nam de VOC over haar werkzaamheden en interne bedrijfsvoering een strikte geheimhouding in acht. De VOC was hierin strenger dan de Westindische Compagnie. Zo was het werk van de VOC-advocaat Pieter van Dam, de 'Beschryvinge van de Oostindische Compagnie' (1701), dat geheel gebaseerd was op de originele papieren, alleen bedoeld voor intern gebruik. Het werd pas in de twintigste eeuw gepubliceerd. Joannes de Laet, de auteur van het 'Jaerlijck Verhael van de West Indische Compagnie', kon daarentegen zijn werk in 1644 in druk doen verschijnen.

Kamer Amsterdam

Van de zes kamers van de VOC beheerde de kamer Amsterdam zonder twijfel het grootste archief. Dit kwam in de eerste plaats door de omvang van het Amsterdamse Compagniesbedrijf. Volgens het octrooi nam de kamer Amsterdam immers de helft van alle activiteiten op zich. Verder hing de omvang van het archief ook samen met de bestuursinrichting van de Compagnie. De Heren Zeventien bezaten geen eigen ambtelijk apparaat, maar maakten gebruik van de administratie van de voorzittende kamer. Drie kwart van de tijd was dit Amsterdam, de resterende tijd Zeeland. Voorts was de advocaat van de Compagnie niet alleen in dienst van de Heren Zeventien, maar ook van de kamer Amsterdam. Zijn zetel was in Amsterdam. In de praktijk betekende dit alles dat in het archief van de kamer Amsterdam zich ook de meeste archiefstukken van de Heren Zeventien bevonden. Brieven gericht aan de Heren Zeventien werden bijvoorbeeld in dezelfde band gebonden als die aan de bewindhebbers van de kamer Amsterdam. Gedurende enkele jaren hield men ook een gemeenschappelijk kopieboek van uitgaande brieven bij.

Tekening van het Oostindisch Huis te Hoorn door Cornelis Pronk, 1727 (Collectie Westfries Museum te Hoorn):

Bladzijde uit de inventaris van documenten uit Indië naar de kamer Zeeland gestuurd, 1688-1703 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 13863):

Het archief van de kamer Amsterdam werd op verschillende plaatsen in de stad gevormd en bewaard. De belangrijkste plek was het schrijf- of klerkenkantoor in het Oostindisch Huis aan de Oude Hoogstraat. Het oudste bekende reglement voor de klerken op het schrijfkantoor dateert van 1666 (

Pieter van Dam, Beschryvinge van de Oostindische Compagnie eerste boek, deel I. F.W. Stapel ed. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie 63 ('s-Gravenhage 1927) 395.

). Hierin is sprake van een eerste klerk, aan wie dertien klerken ondergeschikt zijn. In een reglement uit 1703 wordt gesproken over twee eerste klerken (

VOC, inv. nr. 360, instructies van de kamer Amsterdam voor haar ambtenaren; VOC, inv. nr. 7229, kopie-reglement voor de klerken op het schrijfkantoor van de kamer Amsterdam d.d. 1763 april 25.

)
. Op het schrijfkantoor werden alle papieren en geschriften gekopieerd die door bewindhebbers of Compagniesadvocaten werden voorgelegd. De klerken werkten afwisselend onder supervisie van de bewindhebbers van het departement van de rekenkamer of van een van de advocaten.

Tot de dagelijks terugkerende activiteiten op het schrijfkantoor, zoals is beschreven in enkele bewaard gebleven aantekeningen uit de achttiende eeuw, behoorde onder andere het bijwerken van de kopieboeken van uitgaande brieven van de kamer Amsterdam aan de andere kamers, de resolutieboeken van de kamer, de kopie-resolutieboeken van de Heren Zeventien, de indices op de resoluties en de uitgaande brieven van de Heren Zeventien, en de indices op de resoluties van de kamer. Dit is slechts een willekeurige greep. Zeer drukke dagen kenden de klerken op het schrijfkantoor in maart en september, wanneer de vergaderingen van de Heren Zeventien plaatsvonden, en in juni of juli, wanneer het Haags Besogne bijeenkwam. Voor de bijeenkomsten van dit laatste college droegen de klerken er zorg voor dat de bewindhebbers van alle kamers over de vergaderstukken beschikten en dat na afloop stukken zoals de verbalen van het Haags Besogne en de kopieboeken van uitgaande brieven aan de gouverneur-generaal en raden aan de kamers werden gezonden (

VOC, inv. nr. 7230, concept-aantekeningen betreffende de werkzaamheden van de klerken op het schrijfkantoor van de kamer Amsterdam.

).

Door alle werkzaamheden nam het archief van de kamer Amsterdam snel in omvang toe, te meer daar ieder jaar ook nog een flinke hoeveelheid archiefstukken uit het octrooigebied met de retourschepen arriveerde. Met name het uitdijende aantal van deze zogenoemde 'overgekomen brieven en papieren' begon in de loop der tijd de bewindhebbers van de kamer Amsterdam zorgen te baren. In 1695 besloten zij een charterkamer in te richten, aangezien '... de boeken en papieren, van tijt tot tijt, uyt Indien overgekoemen, tot sodanige quantiteyt bereyts waeren gegroeyt, en 't welck alle jaaren nogh meerder stont toe te neemen ...' (

VOC, inv. nr. 244, resoluties van de kamer Amsterdam.

).

In deze jaren toog ook Pieter van Dam aan het werk. Hij kreeg in 1693 van de Heren Zeventien de opdracht een beschrijving te maken van de VOC, op basis van de archiefstukken. Het is niet duidelijk of de werkzaamheden van Pieter van Dam een rol hebben gespeeld bij de aanstelling van de eerste bibliothecaris van de charterkamer, in 1699. Gezien de jaartallen zou men het wel vermoeden.

Deze bibliothecaris, Pieter van Rijn genaamd, kreeg als taak de charters en papieren van de Compagnie te beheren en te inventariseren (

VOC, inv. nr. 245, resoluties van de kamer Amsterdam.

). Hiervoor ontving hij jaarlijks een tractement van 200 gulden. Pieter van Rijn werkte al sinds 1680 bij de kamer Amsterdam als boekhouder op het liquidatiekantoor. Ook na zijn benoeming in 1699 als bibliothecaris bleef hij die functie vervullen. Hetzelfde geldt voor zijn opvolgers: voor allen was het ambt van bibliothecaris een nevenfunctie. Pieter van Rijn overleed in 1726. Pas in 1742 werd een opvolger benoemd, Dirk ten Brink, die sinds 1714 als permanente klerk van de eerste advocaat van de Compagnie in dienst was (

VOC, inv. nr. 129, kopie-resoluties van de Heren XVII; VOC, inv. nr. 259, resoluties van de kamer Amsterdam.

)
. In 1759 werd hij op zijn beurt opgevolgd door Cornelis Heyligendorp, die evenals Ten Brink de functie van permanente klerk bij de eerste advocaat bekleedde (

VOC, inv. nr. 131, kopie-resoluties van de Heren XVII; VOC, inv. nr. 269, resoluties van de kamer Amsterdam.

)
. In 1778 werd Heyligendorp benoemd tot supercarga en opperhoofd in China. De wanorde in de charterkamer nam na zijn vertrek snel toe. Dit was een doorn in het oog van de bewindhebbers van de rekenkamer, die een goed beheer van de boeken en papieren van groot belang achtten. Op de vergadering van de bewindhebbers van de kamer Amsterdam van 20 oktober 1779 stelden zij voor de Compagniesadvocaat Meerman van der Goes als bibliothecaris te benoemen (

VOC, inv. nr. 287, resoluties van de kamer Amsterdam.

)
. De vergadering sloot zich bij dit voorstel aan. Desondanks bleven er klachten bestaan over de staat waarin de charters en papieren verkeerden. Volgens de bewindhebbers van het Vijfde Departement, opgericht in 1786 en voorlopig gehuisvest in de charterkamer, sprong men zeer slordig met de stukken om. Het kwam vaak voor dat stukken na gebruik niet werden teruggezet en niet meer terug te vinden waren (

VOC, inv. nr. 294, resoluties van de kamer Amsterdam.

)
.

Behalve door de klerken op het schrijfkantoor in het Oostindisch Huis werden ook door andere VOC-beambten stukken ontvangen en geschreven. Zo maakte de opperboekhouder van de kamer Amsterdam, geassisteerd door klerken, rekeningen en balansen op en hield hij onder andere journalen, memorialen, grootboeken en aandelenregisters bij. Daarnaast had de kamer Amsterdam op het soldijkantoor boekhouders in dienst, die de scheepssoldijboeken bijwerkten. Boekhouders legden overigens bij hun indiensttreding een speciale eed af; zij zwoeren niemand inzage te verlenen in hun boeken en papieren, tenzij zij hiervoor toestemming kregen van de bewindhebbers. Op uitdrukkelijk verzoek van de boekhouders zelf werd het hen echter wel toegestaan extracten uit papieren te verstrekken zolang dat niet ten nadele van de VOC was (

Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 371-388, 412, 413.

). Het formeren van monsterrollen was de taak van een klerk van het departement van de equipage (

Ibidem, 394.

)
. Tenslotte waren er nog boekhouders en klerken werkzaam op het pakhuis en op de scheepstimmerwerf.

Het archief dat aldus werd gevormd, werd niet alleen in de charterkamer aan de Oude Hoogstraat bewaard. Waarschijnlijk bevonden zich ook papieren van de kamer Amsterdam in het Zeemagazijn of Oostindisch Buitenhuis op Oostenburg. Rondom dit grote magazijn lagen immers de meeste werven, pakhuizen en andere gebouwen van de VOC (

J.C. Overvoorde en P. de Roo de la Faille ed., De gebouwen van de Oost-Indische Compagnie en van de West-Indische Compagnie in Nederland (Utrecht 1928) 44. Volgens Overvoorde had de berging van een deel van de VOC-archieven in het Oostindisch Buitenhuis als bezwaar dat de afstand naar het vergaderlokaal aan de Hoogstraat te groot was.

).

In het bedrijf nam de kaartenmaker een speciale positie in. Hij voorzag niet alleen de schepen van de kamer Amsterdam van kaarten en stuurmansgereedschappen, maar ook die van de andere kamers. Alleen de kamer Zeeland liet zelf ook wel kaarten vervaardigen. De kaarten werden samengesteld op basis van de scheepsjournalen die werden meegevoerd door de retourschepen. Bij aankomst van deze schepen was de kaartenmaker gerechtigd de journalen op te eisen. Journalen en kaarten werden in een speciale ruimte in het Oostindisch Huis bewaard, waar zij regelmatig door de kaartenmaker geïnventariseerd moesten worden (

VOC, inv. nr. 360, instructies van de kamer Amsterdam voor haar ambtenaren; Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 402-404.; G. Schilder, 'Het cartografisch bedrijf van de VOC' in: Patrick van Mil en Mieke Scharloo ed., De VOC in de kaart gekeken: cartografie en navigatie van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602-1799 ('s-Gravenhage 1988). Zie verder hoofdstuk 5.

).

Kamer Zeeland

De situatie in de kamer Zeeland stak vrij gunstig af tegen die in Amsterdam. Zo kende Zeeland een commissie voor de charterkamer, die toezicht uitoefende op het beheer van het archief door de chartermeester. De eerste vermelding van een chartermeester dateert van 1737. In dat jaar werd een instructie voor de chartermeester Thomas Cunnegam (of Cunningham) 't Hooft opgesteld (

In 1737 werd de bewindhebber Radermacher tot een van de commissarissen benoemd. In zijn persoonlijk archief is een aantal stukken betreffende deze commissie voor de charterkamer bewaard gebleven. Archief Radermacher, inv. nrs. 190 en 354.

). Hierin werd onder andere bepaald dat boeken en papieren uit de charterkamer alleen tegen een ontvangstbewijs aan bewindhebbers en dienaren mochten worden uitgeleend. De bewindhebbers van het Vijfde Departement in Amsterdam waren op de hoogte van deze regeling. In 1786 stelden zij voor het Zeeuwse systeem in Amsterdam over te nemen; waarschijnlijk is het bij een voorstel gebleven.

Een andere bepaling in de instructie voor de chartermeester luidde dat alle kisten met brieven en papieren die jaarlijks met de retourschepen uit Indië werden gebracht door de chartermeester geopend en de inhoud door hem geregistreerd moest worden. Daarna moesten de papieren voor dagelijks gebruik worden neergelegd in de charterkastjes van de vergaderkamer van de bewindhebbers. Van deze stukken hield de chartermeester het 'generaal register van alle de Compagniesboeken die uyt India naar Patria herwaart werden gesonden' bij. Dit register is de oudste inventaris van archiefstukken van de kamer Zeeland die bewaard is gebleven. De hierin beschreven stukken lopen van 1612 tot 1794 en zijn alfabetisch ingedeeld naar aard van de stukken, zoals 'acteboeken', 'brieven en papieren ontvangen uit Indië', 'cassaboeken' enzovoort (

VOC, inv. nrs. 13862-13865 en 14924-14926, (kopie-)inventarissen van stukken in het archief van de kamer Zeeland, 1612-1794.

)

Kamers Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen

Over de archiefzorg in de kamers Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen is veel minder bekend. Gemiddeld hadden de kleine kamers niet meer dan twintig ambtenaren in dienst (

J.E. Heeres, 'De Oost Indische Compagnie' in: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië I (2e druk; 's-Gravenhage en Leiden 1917) 505.

). Het beheer van het archief was in sommige gevallen de taak van een van deze ambtenaren, bijvoorbeeld de boekhouder, maar het kwam ook voor dat de bewindhebbers zelf zich hiermee bemoeiden. Dit was het geval in Enkhuizen. In 1800 schreef de substituut-secretaris van de voormalige kamer Enkhuizen, de heer Rant, aan de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen onder andere dat '... bewindhebbers in der tijd, het werk der boeken en charters, alleen, en zonder jemand anders daar in te employeeren hadden beheert ...'. Naar zijn zeggen verkeerde de archiefkamer in Enkhuizen hierdoor in de grootste wanorde en ontbraken lijsten van de VOC-archivalia (

Archief van de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen (hierna: Archief Aziatische Raad), inv. nr. 87, 20 december 1800.

)
. Op de voormalige kamers Delft en Hoorn waren dergelijke lijsten van de oude Compagniesarchieven wel aanwezig (

De lijsten van archieven van de kamer Hoorn werden op 29 februari 1796 opgemaakt. Zie VOC, inv. nr. 14927.

)
. Met name het register van de kamer Delft, vervaardigd door de klerk David Vallensis, is zeer uitgebreid en laat zien hoe omvangrijk het archief ten tijde van de Compagnie moet zijn geweest. Het archief werd in Delft op drie plaatsen bewaard: op de charterkamer, op het kantoor van de opperboekhouder en op het soldijkantoor (

'Register van de klerk Valensis van alle de boeken, charters, missiven, documenten enz. welke voorhanden zijn geweest bij het kantoor der voormalige Oostindische Compagnie ter Kamer Delft ...'[c. 1802]; VOC, inv. nr. 14928.

)
. Van het archief van de kamer Rotterdam weten we helaas niets meer dan dat het Oostindisch Huis aan de Boompjes een charterkamer bezat (

Overvoorde en De Roo de la Faille ed., Gebouwen, 98; Roelof van Gelder en Lodewijk Wagenaar, Sporen van de Compagnie. De VOC in Nederland (Amsterdam 1988) 111.

)
. Hoewel ongedocumenteerd, is het aannemelijk dat ook in Den Haag, in het logement waar het Haags Besogne bijeenkwam, archiefstukken berustten.

2. Bataafs-Franse tijd (1796-1813)
Intensieve bemoeienis met de VOC-archieven

In 1795 kreeg de VOC een nieuwe directie. De bezittingen van de Compagnie gingen met haar schulden èn haar archieven aan de staat over. Op last van de Staten-Generaal werden alle papieren van de VOC die zich in Amsterdam bevonden op 30 januari 1796 overgegeven aan het Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen, kortweg het Oostindisch Comité genaamd.

Het Oostindisch Comité nam het beheer van de VOC-archieven serieus op. Door toedoen van B.F. van Liebeherr, een van de leden van het Comité, werden al vrij snel de 'secrete' papieren uit het voormalige VOC-logement in Den Haag naar Amsterdam overgebracht (

Archief van het Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen (hierna: Archief Oostindisch Comité), inv. nr. 11, resoluties comité, 11 april 1796; Idem, inv. nr. 139a, notulen van het departement van huishoudelijk bestuur in Indië en Kaap de Goede Hoop, 26 april 1796.

). Op voorstel van de bekende patriot S.I. Wiselius werd in 1796 een onderzoek ingesteld naar de boeken en papieren van de VOC en werd een chartermeester benoemd (

Archief Oostindisch Comité, inv. nr. 11, resoluties Comité, 31 maart 1796; Idem, inv. nr. 154, notulen departement commercie en equipage, 31 maart 1796.

)
. Diens instructie vertelde hem niet alleen het archief te beheren, maar ook een geschiedkundig werk over de Compagnie te schrijven. Met deze opdracht werd een voormalig boekhouder van de factorij in Noord-Java, Jan La Pro, belast. Dat men in die dagen vooral geïnteresseerd was in de politieke en militaire geschiedenis van de VOC en niet zozeer in haar economische geschiedenis blijkt uit de stukken die La Pro voor zijn studie van belang achtte en in het Oostindisch Binnenhuis liet plaatsen: de verbalen van het Haags Besogne, de resoluties van de Heren Zeventien, van de kamer Amsterdam en van de gouverneur-generaal en raden, de uitgaande brieven van Heren Zeventien naar Indië enzovoort. Duplicaten hiervan werden naar het Buitenhuis op Oostenburg in Amsterdam overgebracht, waarheen ook de series die financiële en economische zaken betroffen, verhuisden. Deze stukken werden omschreven als '... eene partij overtollige en veelal nutteloze boeken en papieren van de vorige eeuw ...' (

Archief Oostindisch Comité, inv. nr. 11, resoluties Comité, 14 april en 9 mei 1796; Idem, inv. nr. 12, resoluties Comité, 4 juli 1797. Volgens Overvoorde en De Roo de la Faille ed., Gebouwen, 44, werden meer dan duizend kisten met archiefstukken van de VOC hier geborgen.

)
.

Centralisatie van bestuur en archieven

Het Oostindisch Comité werd in 1800 opgevolgd door de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen, of Aziatische Raad. Het streven van de Raad was zijn bestuur zoveel mogelijk in Amsterdam te concentreren. De kamers buiten Amsterdam werden sindsdien buitencomptoiren (-kantoren) genoemd. In 1802 werden de buitenkantoren Hoorn, Enkhuizen en Delft opgeheven; alleen de lopende zaken - meest soldijaanspraken - werden hier nog afgehandeld. De kantoren Rotterdam en Middelburg bleven bestaan.

Ten aanzien van de archieven van de voormalige VOC was het beleid van de Aziatische Raad erop gericht zoveel mogelijk papieren naar de 'generale charterkamer' in het Oostindisch Binnenhuis in Amsterdam te laten overbrengen. Dit gold voor papieren die zich nog op de buitenkantoren of elders in Amsterdam bevonden. De secretarissen of opperboekhouders van de buitenkantoren werd verzocht om binnen drie maanden registers van bij hen berustende VOC-archivalia aan de chartermeester van de Aziatische Raad op te sturen (

Archief Aziatische Raad, inv. nr. 28, resoluties, 18 september 1800.

). Geen van de buitenkantoren kwam tegen deze maatregel in verzet. Wel tekenden sommige bezwaar aan tegen de korte termijn. In de loop der tijd leverden de kantoren Enkhuizen, Delft en Rotterdam lijsten van hun VOC-archief in (

Archief Aziatische Raad, inv. nr. 87, missiven van de buitenkantoren, 20 december 1800; Idem, inv. nr. 34, resoluties, 29 augustus en 18 september 1804.

)
. Alleen de inventaris uit Delft is bewaard gebleven, (

VOC, inv. nr. 14928, inventaris van de klerk Vallensis.

)
.

Nergens blijkt dat bij die gelegenheid archiefstukken zijn overgedragen. Dat gebeurde pas in 1804, toen de Aziatische Raad de buitenkantoren aanschreef om vóór 1 november van dat jaar hun soldijboeken naar Amsterdam op te sturen, waar een centraal soldijkantoor gevestigd zou worden (

Archief Aziatische Raad, inv. nr. 34, resoluties, 25 september 1804.

). De eerste die hieraan gehoor gaf was J.C. de Blocquery, oud-opperboekhouder van de VOC en belast met het waarnemen van de nog lopende zaken bij de opgeheven kantoren Hoorn en Enkhuizen. Behalve 101 kisten met soldijboeken zond hij ook zogenoemde liquidatieboeken en actie- en afgifteboeken naar Amsterdam (

Idem , resoluties, 25 oktober en 23 november 1804; Idem, inv. nr. 35, resoluties, 18 januari en 5 maart 1805.

)
. Het kantoor Delft zond ruim een jaar later, tegen het einde van 1805, monsterrollen en 'soldijkohieren' naar Amsterdam (

VOC, inv. nr. 14928, inventaris van de klerk Vallensis.

)
.

Een deel van het Delftse archief was reeds in 1803 naar Rotterdam gezonden. De rest volgde enige jaren later, toen in 1807 het Oostindisch Binnenhuis in Delft werd afgestaan aan het geneeskundig bestuur over de Armee. Dit betekende dat er een oplossing moest worden gezocht voor de aanmerkelijke hoeveelheid boeken en papieren ter plaatse. Het ministerie van koophandel en koloniën gelastte hierop de opperboekhouder Smits van het kantoor in Rotterdam om de charters en papieren die in het Oostindisch Binnenhuis in Delft berustten naar Rotterdam over te brengen. Smits stelde zelf als alternatief voor ingeval de nieuwe eigenaren in Delft geen gebruik wilden maken van de charterkamer, deze eenvoudigweg te sluiten om zo de transportkosten te besparen. De Aziatische Raad nam dit idee niet van hem over (

Archief van het ministerie van Koophandel en Koloniën (hierna: Archief min. K. & K.), inv. nr. 35, net-verbaal van de chef der Eerste Divisie van het ministerie, 12 februari 1807.

).

In de reeds genoemde Delftse inventaris van de hand van de klerk Vallenis staat precies aangetekend welke stukken op 3 maart 1807 in Rotterdam arriveerden. Dit blijkt het grootste deel van het archief van de kamer Delft te zijn. In Rotterdam werden de stukken op drie plaatsen geborgen: in de zogenoemde Delftse kamer, in de grote charterkamer en op de foeliezolder.

Het voormalige kantoor Hoorn bleef tot 1809 in zijn oude gebouw gehuisvest. In dat jaar moest men plaats maken voor de raad en rentmeester-generaal van de domeinen in Noord-Holland. Bij deze gelegenheid droeg De Blocquery een deel van de boeken en papieren van de oude kamer Hoorn aan de Aziatische Raad over, namelijk die van het commerciekantoor (

Archief van het ministerie van Marine en Koloniën (hierna: Archief min. M. & K.), inv. nr. 72, verbaal 29 en 31 maart 1809.

).

In Amsterdam werden de stukken uit Hoorn en Enkhuizen in het pakhuis Batavia (op Rapenburg) geplaatst. De overige VOC-stukken berustten in die tijd in de charterkamer van het Oostindisch Binnenhuis, in het Oostindisch Buitenhuis en in het magazijn de Oude Werf (

VOC, inv. nrs. 14929 en 14930, Inventaris van de koloniale archieven berustende bij het departement van Marine en Koloniën te Amsterdam.

). Enige systematiek valt in de toenmalige verdeling van de VOC-archieven niet te ontdekken. Zo lagen de net-resoluties van de vergaderingen van de Heren Zeventien in de charterkamer, terwijl de minuut-resoluties in het magazijn de Oude Werf en de kopie-resoluties in het pakhuis Batavia lagen.

Tegenwerking uit Zeeland

Een verhaal apart vormen de lotgevallen van het archief van de kamer Zeeland. Ook het kantoor Middelburg werd in 1800 gevraagd om registers op te sturen van de daar berustende VOC-archivalia en in 1804 om de soldijboeken over te dragen. Het kantoor voldeed aan geen van beide verzoeken. Wel werd in 1804 een aantal door de Aziatische Raad gevraagde registers, charters en 'papieren tot de negotiatien' overgeleverd (

Archief Aziatische Raad, inv. nr. 34, resoluties, 4 oktober 1804.

). In deze en daaropvolgende jaren verzette het kantoor Middelburg zich hevig tegen het inkrimpen van zijn bevoegdheden ten gunste van Amsterdam. Het wilde kost wat kost zijn aandeel in de Oostindische handel behouden en trachtte zijn autonome positie uit de tijd van de Compagnie te handhaven. Ook Middelburg moest uiteindelijk buigen voor de wens de handelsactiviteiten in Amsterdam te concentreren. Zo werden in 1808 de oude kantoren van de VOC in Middelburg in één etablissement verenigd, met aan het hoofd commissaris-directeur N.C. Lambrechtsen. Van hem was het voorstel afkomstig de zogenaamd nutteloze papieren van de voormalige Oostindische en Westindische Compagnieën te verkopen. Hij zag zich hiertoe genoodzaakt doordat de charters en papieren van het Westindisch naar het Oostindisch Huis verplaatst moesten worden, waardoor een ernstig gebrek aan ruimte zou ontstaan. Lambrechtsen kreeg van het ministerie toestemming voor het plan, maar het is niet zeker of het ooit tot een verkoop is gekomen (

Archief min. M. & K., inv. nr. 110, minuutverbaal van de chef der 7e, later 4e divisie van het ministerie, 11 maart 1809.

)
.

Ondanks herhaald aandringen van de zijde van Amsterdam, bleef Middelburg volharden in zijn weigering het oude VOC-archief over te dragen. Pas in 1851 zwichtte Middelburg uiteindelijk. In deze touwtrekkerij speelde de ambtenaar P. Pous een bepalende rol. In 1797 was hij door het Oostindisch Comité aangesteld als substituut-secretaris. Ruim een halve eeuw bleven de papieren van de Compagnie onder zijn hoede. Hij waakte erover alsof het zijn eigen kinderen waren. Een voorbeeld van Pous' toewijding is zijn actie, in 1809, om het archief uit handen van de Engelsen te houden.

Het verhaal begint in 1809 met de bezetting door de Engelsen van het eiland Walcheren, waarbij beslag werd gelegd op het Oostindisch Huis en de zich daar bevindende papieren. De commissaris-directeur Lambrechtsen werd door twee Engelse prijscommissarissen benaderd met de vraag '... of ik genegen zou zijn van hen te koopen alle de boeken, charters en papieren die zig op het Oostindisch Huis bevinden, in de onderstelling dat het Engelse gouvernement dezelve nutteloos oordeelde voor dienst van de Engelse Oostindische Compagnie en zulks alzoo zij voor hadden een ander gebruik te maken van het huis, dan dusver was ...' (

Archief min. M. & K., inv. nr. 111, minuutverbaal van de chef der 7e, later 4e divisie, 30 september 1809, nr. 249.

). Het ministerie van marine en koloniën gelastte hem de Engelsen te antwoorden dat er van hun zijde geen belangstelling bestond. Aangezien er van bijna alle Middelburgse archiefstukken in Amsterdam duplikaten aanwezig waren, was er geen enkele reden om de vijand te verrijken, zo luidde de redenering van het ministerie (

Archief min. M. & K., inv. nr. 65, minuutverbaal van de minister, 17 oktober 1809.

)
. Het stelde Lambrechtsen voor dat wanneer het archief eenmaal als scheurpapier door de Engelsen was verkocht, hieruit alsnog de belangrijkste stukken te selecteren en deze terug te kopen. Zover is het echter nooit gekomen. Pous wist, volgens eigen zeggen, de Engelse prijsmeester, generaal Sontny, die bij Pous' zwager logeerde, te overreden de boeken en papieren uit het VOC-archief op de charterkamer achter te laten. Alleen de stukken betreffende Ceylon werden door de Engelsen meegenomen (

Archief van het ministerie van Koloniën (hierna: Archief min. Kol.), inv. nr. 57, verbaal 9 december 1850, litt. A, nr. 5.

)
. Het grootste deel van het archief bleef voor Middelburg behouden, ofschoon de Engelsen de grote charterkamer als een puinhoop achterlieten. Volgens Lambrechtsen was de charterkamer '... voor de komst der Engelschen een pronkstuk van netheid en ordre; een monument van der voorouderen vlijt en van de uitgestrektheid van den handel en bezittingen der voormalige Oostindische Compagnie' (

M.A.P. Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar. Een historiografische verkenning (Leiden 1970) 12.

)
. Waarschijnlijk ging door toedoen van de Engelsen een groot deel van het zeventiende-eeuwse archief verloren (

M.A.P. Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar. Een historiografische verkenning (Leiden 1970) 12.

)
.

De Engelsen vertrokken in december van het jaar 1809; in mei 1810 kwamen de Fransen. Pous leidde in hoogst eigen persoon keizer Napoleon rond op het eiland Walcheren, waarbij hij ook het Oostindisch Huis liet zien: '... hij kwam toen ook op de charterkamer in welk groot en schoon locaal hij dadelijk zin had niet om de daar aanwezige boeken, maar om er een ziekenzaal van te maken ...'. Pous raadde het hem af omdat de charterkamer op de derde verdieping was gelegen en bovendien in de winter zo koud was. Het gevaar leek geweken totdat in januari 1814 zesduizend Franse militairen zich op Walcheren terugtrokken en zij uit geldgebrek het archief als scheurpapier wilde verkopen. Volgens Pous is er inderdaad veel door de Fransen vernietigd en verkocht (

Archief min. Kol., inv. nr. 57, verbaal 9 december 1850, nr. 5; Idem, inv. nr. 841, verbaal 28 mei 1831, nr. 17.

).

Oprichting van een centraal archiefdepot in Parijs

Niet alleen de Zeeuwse archieven, maar ook die in Amsterdam hadden onder de Fransen te lijden. Het was de wens van Napoleon een centraal depot te stichten voor alle archieven van de door hem bezette landen. Dit zogenoemde ijzeren paleis zou in Parijs op het Champ de Mars worden gebouwd.

In juni 1811 arriveerde in Parijs de eerste en, wat later zou blijken, enige lading koloniale archiefstukken uit Amsterdam (

Buiten beschouwing blijft hier de verzameling kaarten, die sedert 1806 in het depot-generaal van oorlog berustten en die in 1810 grotendeels naar het Franse Depot de la Marine werden overgebracht. Zie hoofdstuk 5.

). Het ging de Fransen vooral om stukken die nuttig konden zijn voor de lopende dienst. In de 21 kisten die voor verzending naar Parijs werden klaargemaakt, zaten dan ook nauwelijks stukken van de VOC. Alleen de 'Beschryvinge van de Oostindische Compagnie' van Pieter van Dam, een aantal verdragen met Aziatische vorsten en memories van overgave maakten deel uit van het transport. Deze stukken zijn echter nooit verstuurd. In Parijs kwamen namelijk slechts dertien kisten en een ijzeren doos aan (

Archief min. K. & K., inv. nr. 216; bevat onder andere een nota uit het jaar 1811 van de heer Dozy, chef van de derde divisie van het ministerie van koophandel en koloniën en toekomstig chef van de Hollandse divisie bij het ministerie van marine en koloniën in Parijs, over de wenselijkheid om de koloniale archieven naar Parijs te verplaatsen. Hierbij voegde hij een lijst van stukken betreffende de Oost die zich op dat moment in Nederland bevonden en daar ook zouden blijven. Deze lijst somt in totaal 8372 delen op; niet meegerekend zijn 7028 delen 'betreffende vestigingen'. Op een andere lijst gaf hij aan welke stukken reeds voor Parijs waren verpakt. Dit betreft de genoemde 21 kisten. Archief van de Hollandse divisie bij het ministerie van Marine en Koloniën te Parijs, inv. nr. 6.

)
De commissaris van het departement van koophandel en koloniën, H. Vollenhoven, verklaarde dit in 1815. Volgens hem werden in totaal zo'n veertig banden naar Parijs verstuurd, waartoe niet de genoemde VOC-werken behoorden. (

Archief min. Kol., inv. nr. 111, verbaal 2 september 1815, nr. 1252. Bevat een overzicht van de daadwerkelijk in 1811 in Parijs gearriveerde stukken.

)

In 1812 werd een tweede operatie gepland. Hierbij betrof het heel wat meer stukken. Het Franse rijksarchief zond één van zijn ambtenaren naar Nederland, Tourlet genaamd, die de opdracht kreeg de meest interessante stukken uit de Nederlandse archieven te selecteren en naar Parijs te zenden. Voor de koloniale archieven werd hij te woord gestaan door Vollenhoven, die toen 'chef der divisie tot de liquidatie der zaken van de

koloniën' was. Op 2 juni 1812 nam Tourlet afscheid van Vollenhoven, na een verklaring te hebben getekend welke archiefstukken van het oude ministerie van marine en koloniën naar Parijs moesten worden overgebracht. In totaal ging het om 3955 delen betreffende de Oost. Deze stukken zijn niet verder gekomen dan het archiefmagazijn op de Turfgracht bij de Joodse synagoge in Amsterdam. Het transport naar Parijs vond nooit plaats (

Archief van de Hollandse divisie bij het ministerie van Marine en Koloniën te Parijs, inv. nr. 6; Archief van de generale intendance voor de Financiën en der Publieke schatkist, inv. nr. 955, minuut-notulen, 17 april 1812; Idem, inv. nr. 1032, brief van de transporteur Bruynseraede, 23 november 1813; Archief van het Algemeen Rijksarchief (hierna: Archief ARA), inv. nr. 3, nrs. 270, 271, 274, 274a en 295; nr. 274a geeft een overzicht van de stukken die volgens Tourlet naar Parijs zouden moeten worden getransporteerd.

).

In 1813 herwon Nederland zijn onafhankelijkheid. Koning Willem I besloot kolonel M.J. de Man, de voormalige onderdirecteur van het depot-generaal van oorlog, te belasten met het terugbrengen van de Nederlandse archieven uit Parijs. De Man zorgde er voor dat in de winter van 1815/1816 twee kisten met archiefstukken afkomstig van het departement van koophandel en koloniën naar Nederland werden teruggebracht. Zoals gezegd bevatten deze kisten waarschijnlijk nauwelijks of geen VOC-stukken, afgezien van enige kaarten (

Archief ARA, inv. nr. 4, nr. 37; Archief min. Kol., inv. nr. 119, verbaal 16 februari 1816, nr. 966; Archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Legatie Frankrijk, inv. nr. 80: bevat een lijst van de teruggebrachte stukken en een catalogus van de kaarten die zich in 1810 in Nederland bevonden en waarvan een deel naar Parijs werd overgebracht.

).

3. Ten tijde van het ministerie van Koloniën (1813-1856)
Verhuizingen en grootscheepse vernietigingen

In de zomer van 1816 werden op last van de directeur-generaal van het departement van koophandel en koloniën, J. Goldberg, de uit Parijs teruggehaalde stukken samen met andere charters, boeken en papieren van het departement overgebracht naar de charterkamer op het Binnenhof in Den Haag. In 1815 droeg het depot in Amsterdam achttien kisten met archivalia, onder andere resoluties van de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam, over aan het departement. Ook deze stukken werden in de charterkamer op het Binnenhof bewaard. Van de daar aanwezige stukken werd een inventaris opgemaakt, waaruit blijkt dat het voornamelijk stukken uit de laatste periode van de achttiende eeuw betrof (

Collectie Goldberg, inv. nr. 124: bevat onder andere een 'inventaris der charters, boeken en papieren toebehoorende aan het Departement van Koophandel en Koloniën, welke in de charterkamer van het zelve Departement op het Binnenhof in 's-Hage zijn overgebragt, den 28 augustus 1816'; Archief min. Kol., inv. nr. 37, verbaal 11 september 1816, nr. 5452a: bevat dezelfde inventaris.

). Enige decennia later bleek een groot deel van deze stukken weer in Amsterdam te berusten. Het is niet duidelijk wanneer zij naar Amsterdam werden teruggebracht.

In Amsterdam werd het VOC-archief op verschillende plaatsen bewaard. Een van die plaatsen was nog steeds het Oostindisch Binnenhuis, waar de boeken en papieren van het soldijkantoor berustten. Een aanzienlijk deel van de daar opgeslagen archivalia werd in de winter van 1821/1822 door het ministerie aan de hoogste bieder verkocht. Het betrof zo'n 9500 à 10.000 banden, voornamelijk daterend van de zeventiende eeuw (

Archief min. Kol., inv. nr. 300, verbaal 27 november 1821, nr. 26/1; Idem, inv. nr. 302, verbaal 17 december 1821, nr. 25/1. Het ging om 28.920 kilo papier, wat volgens een aantekening van mevrouw Meilink-Roelofsz 9500 à 10.000 banden betrof.

).

In 1832 werd het ministerie van koloniën verzocht het Oostindisch Binnenhuis te ontruimen, aangezien dit gebouw was aangewezen als onderkomen van de administratie van de directe belastingen en accijnzen. Men vatte het plan op alle papieren van de VOC in het Westindisch Slachthuis onder te brengen. Dit pakhuis van de voormalige Westindische Compagnie was gelegen aan de IJkant in Amsterdam. Hier lagen reeds archiefstukken van de VOC. Aangezien de in het Westindisch Slachthuis berustende papieren in grote wanorde verkeerden, liet de minister eerst een inventaris vervaardigen door de klerk P.L. de Munnick, alvorens het startschot voor de verhuizing van de resterende VOC-archieven uit het Oostindisch Binnenhuis te geven. Blijkens die inventaris bevonden de papieren zich op de eerste en tweede charterzolder van het Westindisch Slachthuis (

VOC, inv. nr. 14931, 'Inventaris van het Oost Indische Archief berustende in het Westindische Magazijn te Amsterdam opgemaakt ingevolge resolutie van den Minister voor de Marine en Koloniën, 6 dec. 1828, litt. G&H, nr.46'.

).

Van meet af aan was duidelijk dat het Westindisch Slachthuis de omvangrijke VOC-archieven niet kon herbergen. In 1830 werd door de commissaris voor de koloniën, J. van der Velden, een onderzoek ingesteld welke boeken en papieren zonder bezwaar vernietigd of verkocht konden worden. De Munnick, inmiddels gepromoveerd tot magazijnmeester, zette dit onderzoek in 1832 voort. Beiden kwamen tot de conclusie dat twee derde van de aanwezige soldijboeken zonder bezwaar gemist kon worden. In eerste instantie was men van plan alleen de boeken en papieren van vóór 1750 op te ruimen, maar aangezien dit te weinig opleverde, zouden ook de 'landboeken' van na 1750 eraan moeten geloven (

Archief min. Kol., inv. nr. 841, 28 mei 1832, nr. 17. Bevat onder andere gedetailleerde lijsten van de aanwezige en de op te ruimen boeken en papieren van het soldijkantoor.

). Uiteindelijk werd bij koninklijk besluit van 8 juni 1832 bepaald dat bij openbare inschrijving de volgende stukken verkocht moesten worden: de registers die bij het soldijkantoor van de VOC onder naam van landboeken en thuisreisboeken bekend stonden, de liasdozen met de betaalde documenten tot het jaar 1750, minuut-notulen en financiële stukken zoals onder andere grootboeken, bankboeken en negotiatieregisters. Het aantal banden dat opgeruimd moest worden bedroeg 5136, het aantal liasdozen 1851. In totaal bleven er 3160 banden en 587 liassen van het soldijkantoor bewaard (

Archief min. Kol., inv. nr. 841, verbaal 16 juni 1832, nr. 18.

)
.

Wat overbleef van het omvangrijke bestand waren de monsterrollen en de scheepssoldijboeken, ook wel uitreisboeken genaamd. Van de zogenoemde landboeken en thuisreisboeken is niets bewaard gebleven. Het is dan ook moeilijk te bepalen wat de inhoud van deze stukken was (

Thuisreisboeken waren waarschijnlijk een soort scheepssoldijboeken, gehouden op de retourreis naar patria. Van de landboeken is alleen bekend dat zij, althans in de kamers Amsterdam en Zeeland, per vestiging waren ingericht en dat zij onder andere testamenten, en boedelinventarissen en -rekeningen van VOC-personeel bevatten.

). Reeds in vroeger dagen moeten deze landboeken en thuisreisboeken ten prooi zijn gevallen aan de opruimwoede van het ministerie van koloniën. Vóór de grote opruiming in het jaar 1832 waren er namelijk nog maar weinig van dergelijke stukken van vóór 1750 op het soldijkantoor in Amsterdam aanwezig. Het is mogelijk dat deze stukken deel uitmaakten van de grote massa VOC-papier die in de winter van 1821/1822 was verkocht.

De criteria die men bij deze opruimingen hanteerde, waren vooral van praktische aard. In principe bewaarde men datgene wat voor nog lopende zaken van belang was, zoals de salarisadministratie die men nodig had voor het afwikkelen van salarisaanspraken. Tot de overige stukken die werden vernietigd behoorden onder andere het gehele geheime archief van de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam en het grootste deel van de stukken van het beheer van de Compagnie in de Republiek.

Plan tot inrichting van het Oostindisch Huis te Amsterdam voor het Ministerie van Marine en Koloniën met onder de letters I, K en L de charterkamer, ca.1825 (ARA Afdeling Kaarten en Tekeningen, MTSH, inv.nr. 889):

Portret van Pieter Pous, beheerder van de archieven van de voormalige kamer Zeeland der VOC door Cornelis Kimmel (Privécollectie):

Verplaatsing van het archief van de kamer Zeeland naar Amsterdam in 1851

Het grootste deel van het archief van de kamer Zeeland bleef voor vernietiging gespaard, dank zij de hardnekkige weigering van de Zeeuwen, in het bijzonder van Pous, om het archief aan Amsterdam over te dragen (

Desalniettemin werden ook in Zeeland stukken door de administratie opgeruimd, zoals brievenboeken, dagregisters, resoluties en verbalen uit Batavia. Archief min. Kol., inv. nr. 74, verbaal 27 februari 1851, nr. 13.

). Uiteindelijk werd in 1851 Pous eenvoudigweg gedwongen zijn archief naar Amsterdam te zenden. Na een halve eeuw soebatten besefte men in Amsterdam dat '... de heer Pous, een stokoud man, ongaarne van die papieren, welke hij sedert de ontbinding der Kompagnie onder zijne hoede schijnt te hebben zou scheiden ...' (

Archief min. Kol., inv. nr. 49, verbaal 2 november 1850, litt. A, nr. 6.

)
.

In de loop der jaren had Pous telkens andere beletsels tegen overdracht naar voren gebracht wanneer Amsterdam liet weten het Middelburgse archief te willen ontvangen. Zo schreef Pous in 1830 dat zijn hoofd op dat moment niet stond naar het overbrengen van de papieren, in een tijd '... waarin ik in ons eiland zelfs reeds aan de overzijde de vlag van oproer en ondankbaarheid kan zien wapperen ...'. Hierbij beriep hij zich op de wensen van de gewone man: 'Want om dat alles in massa in te laden, daartoe zoude ik tenminste in dezen tijd ongaarne de hand leenen; de gemeene man toch, en deze classe is het, die zoo hier als elders de meeste onrust kan veroorzaken, is aan den ouden naam van de Oost Ind.Compagnie nog te veel verbonden, om niet met droefheid te zullen aanzien, dat men de Compagnies boeken en papieren, voor welke het, als het ware, nog een heiligen eerbied koestert, in massa vervoerde ...' (

Archief min. Kol., inv. nr. 841, verbaal 28 mei 1832, nr. 17.

). In 1851 deed hij nog een laatste poging een algehele verhuizing te verhinderen. Bij deze gelegenheid stelde hij voor uit te zoeken welke stukken zowel in Middelburg als in Amsterdam voorkwamen en alleen die Zeeuwse stukken op te sturen die in Amsterdam niet al in duplikaat aanwezig waren (

Archief min. Kol., inv. nr. 64, verbaal 13 januari 1851, litt. A, nr. 1.

)
. Amsterdam wenste echter het complete archief en kreeg dit ook. In september 1851 arriveerde in het Westindisch Slachthuis in totaal 6250 kilo archief uit Middelburg (

Archief min. Kol., inv. nr. 74, verbaal 27 februari 1851, nr. 13.

)
.

Ontstaan van de historische belangstelling voor de VOC-archieven

Het grote publiek was in die dagen volstrekt onkundig van de inhoud en waarschijnlijk zelfs van het bestaan van de VOC-archieven. Dit lag voor de hand aangezien op het departement nog steeds het oude stelsel van geheimhouding werd gehanteerd, waarbij de archieven slechts dienden tot eigen voorlichting. Bezoekers werden nauwelijks tot de depots toegelaten. Dit stond in tegenstelling tot de praktijk in het rijksarchief, waar overheidsarchieven sinds 1829 beperkt openbaar waren. In die dagen was de historische belangstelling voor de VOC-archieven echter niet erg groot.

Dit veranderde in de jaren veertig van de negentiende eeuw, toen uit Indië de wetenschappelijke belangstelling voor Nederlands-Indische betrekkingen overwaaide. Men begon de historische waarde van de VOC-archieven te ontdekken en vroeg het departement om onderzoek op de archiefzolders te mogen verrichten. De grote opruimingen in de Compagniesarchieven en de wijze waarop de stukken werden beheerd,werden in die jaren bekend en wekten verontwaardiging (

Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar, 12-14.

). De Amerikaanse historicus J. Romeyn Brodhead, die in 1841 het Westindisch Slachthuis bezocht, schreef hierover: 'In applying in Amsterdam at West India House, I was to my infinite surprise and mortification informed by Mr. de Munnick, the keeper, that all the books, documents and papers of every kind belonging to the Old East and West India Comp. of a date prior to 1700 had been sold at public auction in 1821 by order of the Government of the Netherlands' (

J. Romeyn Brodhead, Documents relative to the colonial history of the State of New-York, [1603-1678], procured in Holland, England and France I. E.B. O'Callaghan ed. (Albany 1856) xxv.

)
.

Ook de bekende antiquaar Frederik Muller, een regelmatig bezoeker van het Westindisch Slachthuis, maakte zich boos over de wijze waarop de VOC-archieven werden beheerd. Tijdens één van zijn bezoeken kwam hij het eerste aandeelhoudersregister van de VOC op een ongebruikelijke plaats tegen: 'Dit boek werd daar bij wijze van grendel gebruikt om het gedurig opengaan der deur te beletten!' (

Fred. Muller, 'Ervaringen in Nederlandse archieven', De Nederlandse Spectator 11 juli 1874, 225-229.

). In 1853 verscheen een overzicht van het archiefwezen in Nederland van de hand van J.J.F. Noordziek. Het beeld dat hij schetst van de toestand van de VOC-archieven is weinig rooskleurig. De zolders van het Westindisch Slachthuis lieten 'wat licht, zindelijkheid, droogte en afsluiting betreft, veel te wenschen over'. De beste ruimtes van het gebouw waren afgestaan aan de Nederlandse Handelmaatschappij tot berging van balen met koloniale waren. De archiefstukken lagen over vier zolders verspreid, waarvan de beste zolder het archief van de kamer Zeeland herbergde (

J.J.F. Noordziek, Archiefwezen 1826-1852. Met eene korte opgave van den inhoud van eenige boekerijen ('s-Gravenhage 1853) 66-71.

)
.

Dat Noordziek in staat was een overzicht te geven van de inhoud van de koloniale archieven had hij geheel te danken aan één man, de jurist L.C.D. van Dijk. Hij was de eerste Nederlandse academicus die voor zijn proefschrift een onderwerp uit de Nederlandse koloniale geschiedenis koos en hiervoor origineel bronnenonderzoek verrichtte (

L.C.D. van Dijk, Specimen Politico-juridicium Inaug, continens Historiam inquisitionis in delicta a praefectis atque officialibus in India cum orientalitum occidentali commissa (Utrecht 1847).

). Bij zijn onderzoek ontmoette hij van de zijde van het departement grote tegenstand. Van Dijk liet zich hieraan echter niets gelegen liggen. Volkomen gefascineerd door het materiaal dat hij op de archiefzolders in Amsterdam ontdekte, bood hij het departement zelfs kosteloos zijn diensten aan tot bewerking van de bronnen. In 1852 werd hij door de minister van koloniën benoemd tot wetenschappelijk archivaris, speciaal belast met de bewerking en ordening van het uit Middelburg overgebrachte archief van de kamer Zeeland. Onderzoekingen van administratieve aard bleven de taak van de agent van het departement van koloniën, De Munnick. (

Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar, 14-16; Archief min. Kol., inv. nr. 152, verbaal 22 januari 1852, nr. 4.

)
Overigens betekende deze nieuwe constructie niet dat bezoekers van het Westindisch Slachthuis nu op een bevredigende wijze werden geholpen. Volgens Frederik Muller was het toezicht wel verbeterd, maar was men nu in een ander uiterste vervallen: 'Twee ambtenaren van hooge geboorte zijn achtereenvolgens aangesteld, die vele bezoekers op de meest beleedigende wijze wantrouwden en alle onderzoek bemoelijkten.' (

Muller, 'Ervaringen', 228. Frederik Muller kan niemand anders dan Van Dijk en De Munnick hebben bedoeld.

)

4. Het archief van de VOC en het Rijksarchief
Overdrachten

Erg lang duurde deze situatie niet. Ondanks verzet van de minister van koloniën Ch.F. Pahud werden in 1856 de VOC-archieven aan het rijksarchief in 's-Gravenhage overgedragen. De tijd was er rijp voor. In de voorafgaande jaren was door de openbare behandeling van Indische aangelegenheden in de Tweede Kamer het publiek geattendeerd op het bestaan van de oude koloniale archieven en begon men zich hiervoor te interesseren. In deze bewustmaking speelde de Bataviase predikant W.R. van Hoëvell, oprichter van het historisch getinte Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, een belangrijke rol. Samen met de pas benoemde rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink pleitte hij voor toegankelijkheid van de VOC-archieven. Het was hun stellige overtuiging dat de openbaarheid het best gewaarborgd zou zijn in de nieuwe behuizing van het rijksarchief aan het Plein in Den Haag. Bakhuizen achtte de toegankelijkheid van de op het ministerie berustende koloniale stukken namelijk volstrekt onvoldoende. Voor hem was de overdracht van de Compagniesarchieven aan het rijksarchief een soort testcase voor de openbaarheid van archieven. Zijn nieuw te ontwerpen archiefwet zou ook de overname van de nog onder de departementen berustende archieven moeten regelen (

Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar, 16-19; R. Fruin, De gestie van R.C. Bakhuizen van den Brink als archivaris des Rijks, 1854-1865 ('s-Gravenhage 1926) 65-78.

). Overigens kwam de eerste archiefwet pas in 1918 tot stand, lange tijd na het rijksarchivariaat van Bakhuizen van den Brink.

Van de overdracht van de VOC-papieren aan het rijksarchief, in 1856, werden enige stukken uitgezonderd. Een aantal zogenoemde dubbelen werd aan het gemeentearchief in Amsterdam in bruikleen gegeven, onder andere de resoluties van de Heren Zeventien afkomstig van de kamer Zeeland (

Fruin, Gestie, 76-77. Volgens Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven (hierna: VROA) 16 (1893) 7 werden deze stukken op een gegeven moment weer met de Compagniesarchieven op het Rijksarchief verenigd.

). Verder bleven op verzoek van De Munnick de soldijboeken bij het departement van koloniën in Amsterdam berusten, aangezien hij deze nog regelmatig nodig had voor het afhandelen van aanspraken van nakomelingen van VOC-dienaren. Bakhuizen van den Brink stemde hier van ganser harte mee in. Volgens hem dienden archiefstukken alleen bewaard te worden indien zij voor de wetenschap interessant waren. Hij stelde zelfs voor soldijboeken en soortgelijke stukken, die voor geschiedwetenschap en staatsbelang in zijn ogen volstrekt nutteloos waren, op termijn te vernietigen (

Archief ARA, inv. nr. 18, uitgaande brieven 1856, nr. 118. Bakhuizen van den Brink schrijft dit als reactie op het voorstel van De Munnick aan de minister van binnenlandse zaken. Archief min. Kol., inv. nr. 540, 10 september 1856, litt. A/1.

)
. De minister van binnenlandse zaken, onder wie het rijksarchief ressorteerde, bepaalde echter anders. Op diens bevel werden in 1884 de nog overgebleven soldijboeken - in de tussenliggende jaren was nog het een en ander vernietigd (

Zo werd in 1862 nog een groot aantal registers opgeruimd. Zie verslag over de inventarisatie van de financiële bescheiden van de VOC op het Rijksarchief door Van Meurs: VROA 12 (1889) 6.

)
- overgedragen aan het rijksarchief. In totaal ging het om zo'n 4037 banden, waaronder 3000 scheepssoldijboeken. (

Archief ARA, inv. nr. 64, nrs. 151, 183 en 224; VROA 7 (1884) 2.

)

Van de archieven van de kleine kamers was niet veel bewaard gebleven. In het oud archief van de gemeente Rotterdam en het oud archief van de gemeente Hoorn bleek zich nog wel een aantal archiefstukken van respectievelijk de kamers Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te bevinden. Deze stukken werden in 1901 aan het rijksarchief afgestaan (

Archief ARA, inv. nr. 83, nr. 341; Idem, inv. nr. 113, nr. 333; VROA 24 (1901) 11-14.

).

Bewerking van de VOC-archieven

Met het beschrijven en ordenen van de VOC-archieven hielden zich op het Algemeen Rijksarchief in de loop der jaren vele archivarissen bezig. Na de overdracht in 1856 werd op het rijksarchief J.K.J. de Jonge als eerste met het beheer van de VOC-archieven belast. Hij bezorgde zijn opvolgers veel werk door banden met overgekomen brieven en papieren uit Indië aan de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam, tot het jaar 1690 uit elkaar te halen. Vanaf 1690 was het pas regel geworden inhoudsopgaven te vervaardigen op de overgekomen brieven en papieren. Teneinde het raadplegen van de stukken van voor 1690 te vergemakkelijken, sloopte De Jonge alle banden tot 1659 en de banden uit de Westerkwartieren van 1660 tot 1690. Vervolgens herordende hij de gelichte stukken per vestiging, waardoor de herkomst en het onderlinge verband van de stukken niet meer te onderkennen waren. Rond de eeuwwisseling werd dit werk door J.E. Heeres en H.T. Colenbrander ongedaan gemaakt (

VROA 12 (1889) 4-5; VROA 21 (1898) 6.

).

De eerste inventaris werd in de jaren zeventig van de negentiende eeuw vervaardigd door de oud-marineofficier P.A. Leupe. Een inventaris mag men deze eigenlijk niet noemen. Het was meer een catalogus van stukken uit niet alleen de VOC-archieven, maar ook uit andere Oostindische archieven. De stukken werden willekeurig gerangschikt naar onderwerp. Zo stelde Leupe uit archiefstukken van de kamer Amsterdam en van de Staten-Generaal een verzameling journalen samen, bestaande uit beschrijvingen van ontdekkingstochten, scheepsjournalen, instructies enzovoort (

VOC, inv. nr. 14932, catalogus van losse stukken, bijeengebracht uit de Oostindische archieven door Leupe, ca. 1875.

). Ook hij verstoorde in sommige gevallen de oorspronkelijke eenheid van banden door er stukken uit te scheuren en deze vervolgens naar onderwerp te ordenen. Heeres bracht naderhand deze stukken weer op hun plaats terug en herstelde de oorspronkelijke ordening (

VROA 14 (1891) 7; VROA 17 (1894) 6.

)
. Dit gebeurde niet met de kaarten en tekeningen die Leupe uit de overgekomen brieven en papieren had gehaald. Deze berusten nu nog steeds in de indertijd door Leupe samengestelde verzameling buitenlandse kaarten op de afdeling kaarten en tekeningen van het Algemeen Rijksarchief.

Na Leupe bewerkten Heeres en P.A.N.S. van Meurs tegelijkertijd de VOC-archieven. Van Meurs hield zich bezig met het beschrijven van de personeelsadministratie van de Compagnie. Hij maakte een overzicht van de series scheepssoldijboeken, die in 1884 met de overdracht van papieren uit het depot van het ministerie van koloniën in Amsterdam behoorlijk waren uitgebreid. Van Meurs maakte tevens een uitgebreide beschrijving van de aard en inrichting van de scheepssoldijboeken (

VROA 11 (1888) 11; VROA 12 (1889) 5-6. Het overzicht bevindt zich in VOC, inv.nr. 14933.

).

In de jaren tachtig nam Heeres de bewerking van het grootste deel van de VOC-archieven op zich. Van duidelijk afgebakende VOC-archieven was in feite geen sprake, omdat de stukken vermengd waren geraakt met andere koloniale archiefbestanden. Heeres begon zijn inventarisatiewerkzaamheden met het afsplitsen van stukken van particuliere herkomst van de eigenlijke archiefstukken van de VOC. Vervolgens beschreef hij eerst de archieven van de zogenoemde voorcompagnieën, waarna hij de inventarisatie van de VOC-archieven aanvatte. Bij de afbakening van het archief nam hij 1602, het oprichtingsjaar van de VOC, als begindatum en 1795, het jaar waarin het bestuur in staatshanden overging, als einddatum. In 1891 rondde hij de voorlopige inventarisatie van het archief van de kamer Amsterdam af en twee jaren later die van de kamer Zeeland. Van beide archieven had hij met name de overgekomen brieven en papieren beschreven. Tijdens de definitieve bewerking van de archiefstukken die bij de secretarie van de kamer Amsterdam hadden berust, werd Heeres in 1897 benoemd tot hoogleraar bij de Indische Instelling in Delft.

Zijn taak werd overgenomen door H.T. Colenbrander, die de inventarisatie van het secretarie-archief van de kamer Amsterdam voltooide. In de categorie ingekomen stukken uit Indië bracht Colenbrander een cesuur aan tussen de stukken van vóór en na 1614. De stukken van vóór 1614 werden per scheepstocht gerangschikt, identiek aan de wijze van inventarisatie van de archieven van de voorcompagnieën door Heeres. De stukken van na 1614, toen er een meer permanent centraal Indisch bestuur ontstond en de kamers in de Republiek op een meer gestage papierstroom uit Batavia kon rekenen, werden chronologisch geordend (

VROA 21 (1898) 5-6.

).

Vervolgens bewerkte Colenbrander het archief van de kamer Zeeland. Allereerst ordende hij de ingekomen stukken per factorij en niet per jaar, zoals bij de kamer Amsterdam. Verder beschreef Colenbrander de stukken afkomstig van de drie departementen van de kamer Zeeland: die van de equipage, van de koopmanschappen en van de thesaurie. Een beschrijving van de financiële stukken ontbrak vooralsnog in deze inventaris.

In de jaren 1898-1902 voerden Colenbrander en de toenmalige rijksarchivaris Th.H.F. van Riemsdijk zeer regelmatig schriftelijk overleg over de wijze waarop de VOC-archieven moesten worden geïnventariseerd. Beiden waren van mening dat de inventaris zoveel mogelijk een afspiegeling moest vormen van de inrichting van het bestuur van de VOC, maar dat er te weinig archiefstukken bewaard waren gebleven om hieraan recht te kunnen doen. Het streven bleef, geheel in de geest van Heeres, archiefstukken zoveel mogelijk naar hun plaats van herkomst terug te brengen en stukken die niet in de VOC-archieven thuishoorden eruit te verwijderen. Zo werden stukken afkomstig uit de sinds 1856 willekeurig gevormde collecties van de Oostindische afdeling van de koloniale archieven, die niet tot de eigenlijke VOC-archieven behoorden, door Colenbrander herleid tot archieven van bijzondere VOC-commissies (

Zoals de Hollands-Zeeuwse Staatscommissie van 1790 en het Commité van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland tot de zaken van de Oostindische Compagnie van 1795. Deze archieven zijn beschreven in de Inventaris van de Gewestelijke Besturen Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802 III ('s-Gravenhage z.d.) 545-609.

) of tot particuliere archieven van bewindhebbers. Tevens herenigde Colenbrander de bijlagen bij de generale missiven van de gouverneur-generaal en raden aan de kamer Zeeland met de VOC-archieven; deze bijlagen waren een tijdlang van het archief gescheiden geweest (

VROA 24 (1901) 8-10.

)
.

Tekening uit het reisjournaal van het schip Gelderland, ca.1602 (ARA Eerste Afdeling, Voorcompagnieën, inv.nr. 135):

Mevr. M.A.P. Meilink-Roelofsz (r) met de minister van C.R.M. dr. M.A.M. Klompé in het depot van het Algemeen Rijksarchief aan het Bleyenburg, 1970 (Privécollectie):

In 1902 werd de commissie van advies voor 's-Rijks Geschiedkundige Publicatiën ingesteld, waarvan Colenbrander secretaris werd. J. de Hullu nam de beschrijving en de ordening van de financiële registers van de VOC van Colenbrander over. In 1905 bracht De Hullu in de inventarissen van Colenbrander een doorlopende nummering aan, de zogenoemde K.A.-nummering (

Deze K.A.(Koloniaal Archief)-nummering is tot de recente herinventarisatie en hernummering in gebruik gebleven.

). Vanuit zijn nieuwe functie werkte Colenbrander verder aan het herstellen van de door De Jonge verstoorde oorspronkelijke orde van de overgekomen brieven en papieren. In 1912 rondde hij deze werkzaamheden af.

Daarna werd het stil rondom de VOC-archieven. De archieven van de voorcompagnieën en van de zes kamers waren in die tijd allemaal voorzien van een inventaris in manuscriptvorm. Als wij enige werkzaamheden die R. Bijlsma verrichtte aan het archief van de kamer Amsterdam buiten beschouwing laten, was het pas mevrouw M.A.P. Meilink-Roelofsz die in 1937 de stilte verbrak. Zij werd belast met een nieuwe inventarisatie van het archief van de kamer Zeeland. Doordat bij de verhuizing van het rijksarchief van het Plein naar het Bleijenburg in 1901 de VOC-archieven niet volgens de inventaris van Heeres en Colenbrander waren genummerd, was de raadpleging van met name het Zeeuwse archief aan de hand van de bestaande inventaris zeer moeilijk geworden. Herinventarisatie was hierdoor gewenst. De meeste arbeid verrichtte mevrouw Meilink-Roelofsz aan de beschrijving van de series ingekomen stukken van de kantoren in Indië in het archief van de kamer Zeeland. Daarnaast bewerkte zij de manuscript-inventaris van Heeres en Colenbrander van het archief van de kamer Amsterdam, en (her)inventariseerde zij de financiële stukken en de zogenoemde losse stukken van beide kamers. In 1963 waren haar inventarisatiewerkzaamheden aan de VOC-archieven afgerond. Ruim honderd jaar nadat de bescheiden naar het Algemeen Rijksarchief waren overgebracht, was een integrale inventaris op de VOC-archieven beschikbaar. Enkele jaren later kregen de archieven, op basis van de nieuwe inventaris, een doorlopende nummering. De inventaris - negen delen in typoscript - heeft de toegankelijkheid van de VOC-archieven aanzienlijk vergroot en het onderzoek naar de Nederlandse overzeese en Aziatische geschiedenis een impuls gegeven.

Een belangrijk bestanddeel van de VOC-archieven, de overgekomen brieven en papieren, werden verder ontsloten. In de kamer Amsterdam waren deze bescheiden ten tijde van de VOC al toegankelijk gemaakt met behulp van inhoudsopgaven. Deze ontbraken echter vaak in de banden van vóór 1690. Mevrouw Meilink-Roelofsz liet deze vervaardigen. Zij droeg er ook zorg voor dat de inhoudsopgaven op alle overgekomen brieven en papieren in het archief van de kamer Amsterdam werden uitgetypt en aan het publiek ter beschikking werden gesteld.

Op 1 januari 1971 verliet mevrouw Meilink-Roelofsz het Algemeen Rijksarchief, nadat zij aan de Rijksuniversiteit van Leiden het ambt van bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de West-Europese expansie overzee had aanvaard. Hoewel zij zich ook toen intensief bleef bezighouden met de vroege Nederlands-Oostindische geschiedenis, heeft zij een boek over de organisatie van de VOC en een algemene inleiding op de inventaris van de VOC-archieven niet kunnen voltooien. Zij overleed in 1988, kort nadat de werkzaamheden aan de publikatie van haar inventaris waren aangevangen.

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend

Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.

De verwerving van het archief

Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: