gahetNA in the National Archives

OCW / CL, OR, RBK - Zoeken: vingboons

1 Results found, click on a tab to show the results.

2.14.76
PWAA
Nationaal Archief, Den Haag
2008
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.14.76
Author: PWAA
Nationaal Archief, Den Haag
2008
CC0

Periode:

1922-1999
merendeel 1949-1997

Omvang:

11,30 meter; 536 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten. Geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit archief is gevormd door diverse culturele instellingen, waaronder de Rijksdienst voor de Beeldende Kunst. Het bevat dossiers bestaande uit rapporten, notulen, correspondentie en inkomende en minuten van uitgaande stukken inzake collectiebeheer en mobiliteit, advisering over cultuurhistorische waardestelling en behoud van voorwerpen en collecties, het verzamelen van kennis over materieel behoud van cultuurgoederen en het geven van onderwijs. Er zijn tevens stukken over het tentoonstellingsbeleid bij musea (inclusief affiches), waaronder agenda's en notulen van het Directeurenconvent en van de Programmeringscommissie.

Archiefvormers:

  • Centraal Laboratorium (CL), 1963-1997
  • Opleiding Restauratoren (OR), 1978-1997
  • Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK), 1985-1997
  • Dienst voor 's Rijks verspreide Kunstvoorwerpen (DRVK), 1949-1975
  • Dienst verspreide Rijkscollecties (DVR), 1975-1985
  • Bureau van de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten (IRM) 1949-1987

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Deze inventaris betreft het archief van de voorgangers van het Instituut Collectie Nederland (ICN) 1949-1997 van het Directoraat-Generaal Cultuur en Media (DGCM), dat ressorteerde onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW). Het ICN is tot stand gekomen in 1997 als een fusie van het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap (CL) 1963-1997, de Opleiding Restauratoren (OR) 1978-1997 en de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) 1985-1997. Taakvoorgangers van de RBK en indirect van het ICN zijn de Dienst voor 's Rijks verspreide Kunstvoorwerpen (DRVK) 1949-1975, de Dienst verspreide Rijkscollecties (DVR) 1975-1985 en het Bureau van de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten (IRM) 1949-1987. ICN heeft hiernaast nog drie taakvoorgangers: de Nederlandse Kunststichting (NKS) 1955-1985, de Adviescommissie voor de Programmering van Collecties van Tentoonstellingen in Nederland (de Programmeringscommissie) 1972-1982 en het Bureau Beeldende Kunst Buitenland (BBKB) 1974-1985.

De voorgangers van ICN waren opgericht om de kunstwerken van de Staat der Nederlanden te beheren. De activiteiten van deze instellingen zijn te onderscheiden in vijf taken. De eerste taak was collectiebeheer, het beheer van dat deel van de Collectie Nederland dat niet vermeld stond in de inventarissen van rijksmusea. De tweede taak was collectiemobiliteit, waaronder werd verstaan: het inzetten van de collectie ter ondersteuning van onder andere musea via bruiklenen. Bruiklenen konden kortlopend of langdurig zijn. Een derde taak was het adviseren over cultuurhistorische waardestelling en behoud van voorwerpen en collecties. Het verzamelen van kennis over het materiële behoud van cultuurgoederen was een vierde taak. De vijfde taak: het geven van onderwijs. Deze taak werd alleen uitgevoerd door de OR. Zij leidde restauratoren op en gaf bijscholing aan medewerkers van musea en andere collectiebeherende instellingen.

Het ICN heeft een lange voorgeschiedenis. In 1932 had de minister van Cultuur de Rijkscommissie van Advies voor Opdrachten aan Beeldende Kunstenaars opdracht gegeven om kunstwerken en kunstnijverheidsvoorwerpen te verwerven. Het doel van de verkregen objecten was uitsluitend om (rijks)gebouwen te decoreren, zowel het interieur als het exterieur, hoewel in de loop van de jaren ook wel eens een kunstvoorwerp gekocht werd zonder vooropgezette bestemming. Tevens werden gelegenheidsaankopen gedaan bij festiviteiten en herdenkingen. Voor zover de kunstwerken niet werden uitgeleend aan hoogwaardigheidsbekleders, Nederlandse ambassades in het buitenland of musea, werden ze opgeslagen in depots.

Voor het beheer van deze collectie richtte het voormalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappers in 1949 een speciale buitendienst op, genaamd DRVK (later werd deze naam veranderd in DVR, de taken bleven hetzelfde). De DRVK inventariseerde alle aan het Rijk toebehorende kunstvoorwerpen, die niet in de inventaris van een (rijks) museale instelling waren ingeschreven. Daarnaast gaf de dienst deze voorwerpen in bruikleen en hield zij hierop toezicht. Ook de voorwerpen die langer dan een jaar in bruikleen waren gegeven en in de inventaris van een rijksmuseale instelling waren opgenomen vielen hieronder. De DRVK werd bij de IRM, die tevens in 1949 ingesteld was, ondergebracht. De IRM bestond uit slechts één persoon: de Rijksinspecteur. Deze was tevens hoofd van de DRVK. De IRM adviseerde over subsidieaanvragen, rijksbijdragen, conservering, behoud en in- en uitvoer van kunstvoorwerpen. Daarnaast voerde de Rijksinspecteur inspecties uit om de staat van kunstwerken of andere voorwerpen van het Rijk te controleren en organiseerde hij tentoonstellingen van reproducties van kunstwerken voor leerlingen van middelbare scholen.

De eerste Rijksinspecteur, D.F. Lunsingh Scheurleer (1949-1973) was tevens secretaris van de Rijkscommissie voor de Musea te Den Haag en de Rijkscommissie van Advies inzake de Musea. Deze commissies gaven voorlichting en advies aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen betreffende reorganisaties, restauraties en het oprichten van Nederlandse musea na de oorlog, alsmede het voorbereiden van tentoonstellingen en het inventarisateren van collecties.

In 1963 werd het CL opgericht. Het CL stelde normen op voor (museale) bewaarplaatsen en bij conservering gebruikte materialen, daarnaast verzorgde de organisatie praktische en voorlichtende publicaties over conservering. De oprichting van onderzoekslaboratoria en daarna de komst van een specifieke opleiding zijn een belangrijke stimulans geweest voor de uiteindelijke ontwikkeling van het beroep restaurator en de scholing van restauratoren. De OR is in 1978 opgericht. Deze opleiding bestond in beginsel uit een driejarig curriculum dat is uitgegroeid tot een vierjarige hbo-opleiding in de disciplines textiel, boek en papier, leer, meubelen en metaal. Er werd les gegeven in conservering en restauratie. Conservering betekent terughoudendheid en is gericht op het in stand houden en stabiliseren van objecten. Restauratie omvat verdergaande ingrepen en stuit op de moeilijke keuze tussen het behouden van het huidige uiterlijk of restaureren tot dat wat wordt beschouwd als het oorspronkelijke.

In 1972 werd de Programmeringscommissie ingesteld. Zij deed geen losse aankopen, maar alleen voorstellen voor tentoonstellingsonderwerpen. Kunstenaars konden hiervoor werk inzenden die de NKS in een expositie zou omzetten. De Programmeringscommissie adviseerde de minister van Cultuur over het opstellen van het tentoonstellingsbeleid en de collectievorming. De Programmeringscommissie werd in 1984 opgeheven omdat de beoogde doelstellingen niet gerealiseerd werden wegens omslachtige bureaucratie en praktische problemen.

Het BBKB werd in het leven geroepen in 1974 en dit bureau organiseerde tentoonstellingen in het buitenland en internationale museale uitwisselingen met werk van beeldende kunstenaars of vormgevers die in nederland woonden of werkten of een bijdrage leverden aan het kunstklimaat in ons land. Het doel was om meer bekendheid te geven aan de Nederlandse museale collecties en daardoor de belangstelling voor de kunst te vergroten.

De DVR, het BBKB en de NKS fuseerden in 1985 tot de RBK. De RBK kende verschillende onderdelen. De afdeling Presentatie Binnenland en Buitenland, later de afdeling Presentatie, die tentoonstellingen organiseerde. De afdeling Collectiebeheer, die verantwoordelijk was voor het beheer en behoud van voorwerpen in rijkseigendom, die niet tot de inventaris van de verzelfstandigde rijksmuseale instellingen behoren. De afdeling Inspectie, later genaamd de afdeling Inspectie Cultuurbezit. Deze afdeling ging in 1995 verder als een zelfstandig onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De inspectie hield toezicht op het behoud en beheer van de aan de verzelfstandigde rijksmuseale instellingen in bruikleen gegeven rijkscollecties en op de voorwerpen waarop de Wet tot behoud van cultuurbezit betrekking had, alsmede een aantal kleinere taken. De afdeling advies richtte zich op het bepalen van de cultuurhistorische waarde van voorwerpen en collecties.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: