gahetNA in the National Archives

Raadpensionaris Cats - Zoeken: munster

3 Results found, click on a tab to show the results.

3.01.15
W.E. de Boer-Meiboom
Nationaal Archief, Den Haag
1977
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.01.15
Author: W.E. de Boer-Meiboom
Nationaal Archief, Den Haag
1977
CC0

Periode:

1634-1651

Omvang:

0,40 meter; 137 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van Jacob Cats (1577-1660) bestaat uit stukken opgemaakt uit hoofde van de door hem beklede functies bij de Staten van Holland en West-Friesland en de Staten-Generaal. Het bevat onder meer enkele kladnotulen van vergaderingen van de Staten van Holland en West-Friesland, uittreksels uit resoluties, rekeningen, begrotingen en financiele rapporten inzake belastingen en (militaire) uitgaven van het gewest Holland, onderzoeksrapporten met betrekking tot fraude in de admiraliteitscolleges. Daarnaast zijn er stukken te vinden met betrekking tot geschillen tussen de zeven provinciën; voornamelijk conflicten inzake het inkrimpen van het leger na de Vrede van Munster en stukken betreffende de rechtsopvolging van de stadhouder Willem II.

Archiefvormers:

  • Jacob Cats (1577-1660)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

I. Korte levensschets

Jacob Cats werd op 10 november 1577 in Brouwershaven geboren als zoon van Adriaan Corneliszoon Cats en Leenken Jacob Jan Breydersdochdochter. Toen zijn vader, na de dood van zijn moeder in 1579, hertrouwde met de Waalse Jolente de Grande, nam een zuster van zijn moeder Jacob in haar huis in Zierikzee op. Hier volgde hij van 1591 tot 1594 de Latijnse school. Daarna ging hij voor vier jaar naar Leiden om rechten en Grieks te studeren. Hij rondde in 1598 zijn studie af met het behalen van de doctorsgraad in het Romeins recht aan de universiteit van Orleans (

Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau, Den Haag, 1974; dl 28, blz. 258-266 (hierna genoemd: Jaarboek 1974). Molhuysen, P.C. en Blok, P.J., Nieuw Nederlands biografisch woordenboek, Leiden, 1924; dl 6, blz. 279-286. Aa, A.J. van der, Biografisch woordenboek der Nederlanden, (Haarlem, 1858); dl 6, blz. 75-78.

).

Na zijn terugkeer in Nederland in 1599 vestigde hij zich eerst in 's-Gravenhage als advocaat, daarna in Brouwershaven. Op 13 december 1603 werd hij advocaat van de stad Middelburg, welke functie hij tijdens het bestand neerlegde om zich verder te kunnen bezighouden met landontginning in Zeeuws-Vlaanderen en Engeland (

Stoppelaar, J.H. de, Jacob Cats te Middelburg en zijn huis aldaar, ook in betrekking tot de vroegere en latere bewoners, Middelburg, 1860; blz. 1-9.

) . Op 26 april 1605 trouwde hij met Elisabeth van Valckenburg. Van de kinderen die ze kregen bleven maar twee dochters in leven. De oudste trouwde op 9 juni 1630 met Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk en de tweede dochter trouwde op 11 juni 1636 met Mr.Cornelis Musch, griffier van de Staten-Generaal (

Zie noot 1. Voor Cornelis van Aerssen zie: Aa, A.J. van der, Biografisch woordenboek der Nederlanden, (Haarlem, 1858); dl A, blz. 33-34. Voor Cornelis Musch zie: Fruin, R., Overblijfsels van geheugchenis van C. Droste, Leiden, (1897); blz. 407-420. Japikse, N., C. Musch en de corruptie van zijn tijd, in: de Gids, (Amsterdam, 1907); blz. 498 e.v. Poelhekke, J.J., Kanttekeningen bij enige pamfletten uit 1650, in: Bijdrage voor de geschiedenis der Nederlanden, 's-Gravenhage, 1954; dl VIII, blz. 202-237.

)
.

Jacob Cats werd twee keer aangezocht om een professoraat in de Rechtsgeleerdheid in Leiden te vervullen. De eerste maal, in 1621, wees hij het af om pensionaris van Middelburg te worden. De tweede maal, in 1635, om pensionaris van Dordrecht te blijven.

Wel aanvaardde hij het curatorschap van de Leidse Universiteit; deze functie vervulde hij van 1635 tot 1644 (

Siegenbeek, M., Geschiedenis der Leidse Hogeshool van hare oprigting in den jare 1575 tot het jaar 1825, Leiden 1829-1832, dl I, blz. 131, dl II, blz. 13.

).

In mei 1645 werd hij naast raadpensionaris, ook registermeester en stadhouder der lenen van Holland en West-Friesland en grootzegelbewaarder der Staten van Holland en West-Friesland. Deze erefuncties bleef hij tot vlak voor zijn dood in 1660 uitoefenen (

Archief van de Staten van Holland, inventarisnummer 78, resoluties van 9, 12 en 13 mei 1645.

).

II. Bemoeiingen van Jacob Cats, pensionaris van Dordrecht, met het bestuur van de Staten van Holland en West-Friesland (1623-1636)

Na in 1621 een professoraat in de Rechtsgeleerdheid aan de Leidse Universiteit te hebben geweigerd, werd Jacob Cats op 30 oktober 1621 benoemd tot 2e pensionaris van de stad Middelburg. Al in 1623 legde hij dit ambt neer om Johan Berck op te volgen als pensionaris van Dordrecht (

Smilde, H., Jacob Cats in Dordrecht, leven en werken gedurende de jaren 1623-1636, Groningen-Batavia, 1938; blz. 1-3. Kan, A.H., Het vertrek van Jacob Cats van Middelburg naar Dordrecht, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, nieuwe reeks, 23e deel, Leiden, 1912; blz. 1-35.

). Hij legde op 13 april 1623 de pensionariseed af (

Over Jacob Cats in de periode 1623-1636, als raadpensionaris van Dordrecht, raadplege men: Smilde, H., Jacob Cats in Dordrecht, leven en werken gedurende de jaren 1623-1636, Groningen-Batavia, 1938. Archief van de daagvaarten en besoignes van de stemhebbende steden, Dordrecht, inv.nrs. 2-3, particuliere notulen van Jacob Cats als pensionaris van Dordrecht van 28 juni 1623-1627 (hierna genoemd: Cats particuliere notulen).

)
. Daar de pensionaris van Dordrecht tevens de plaatsvervanger was van de raadpensionaris van Holland en West-Friesland, legde hij op 27 juni 1623 ook de eed van trouw aan de Staten van Holland en West-Friesland af (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 56, resolutie van 28 juni 1623.

)
.

Na conflicten over de scheepvaart tussen Engeland en het gewest Holland stelde een commissie van gecommitteerden uit de Staten van Holland en West-Friesland op 25 november 1626 voor, een afgevaardigde naar Engeland te sturen om de onenigheid uit de weg te ruimen. Op 1 december 1626 werd Jacob Cats hiervoor gekozen (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 59, resoluties van 25 november, 2 en 7 december 1626. Cats particuliere notulen; 12 december 1626. Aitzema, L. van, Saken van staet en oorlogh in ende omtrent de Verenigde Nederlanden, beginnende met het jaer 1621 en eindigende met het begin van het jaer 1669, 's-Gravenhage, 1669-1672, folio, dl I, blz. 651 (hierna genoemd: Aitzema, Saken).

). Ondanks tegenstand van Dordrecht, die Cats alleen maar als extra-ordinaris ambassadeur en dan nog voor slechts drie maanden wilde laten gaan (

Archief van de Staten-Generaal, inv.nr. 51, resolutie van 18 december 1626.

)
, besloten de Staten-Generaal op 18 december 1626 hem als extra-ordinaris ambassadeur naar Engeland te zenden "tot reparatie van de klachten van koopluiden". De Staten van Holland en West-Friesland zelf konden hem niet in deze functie zenden, aangezien dit tot de competentie van de Staten-Generaal behoorde (

Basis voor deze competentie van de Staten-Generaal is artikel 10 van de Unie van Utrecht.

)
.

De besprekingen in Engeland vorderden moeizaam. Cats moet dan ook voldaan geweest zijn toen hij tijdens de slotconferentie, op 26 juli 1627 een overeenkomst betreffendede vrije handel wist te sluiten (

Archief van de Staten-Generaal, inv.nr. 5890I, brieven uit Engeland van Jacob Cats van 15, 23 maart en 2 april en 29 mei 1627 en inventarisnr. 7354 "verbael van de heer pensionaris Cats", 23 augustus 1627. Aitzema, Saken; dl II, blz. 652-655.

). Tijdens ernstige troebelen tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten in het jaar 1629 over een nieuw bestand met Spanje, overleed, op 13 september 1629, plotseling Anthony Duyck, de raadpensionaris van Holland en West-Friesland (

Jaarboek genealogie 1974; blz. 242-246, genealogie van Anthonie Duyck.

)
.

Jacob Cats werd door de Staten verzocht deze functie tijdelijk op zich te nemen (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 62 resoluties van 19 september 1629.

).

Er rezen grote problemen over het opstellen van een nieuwe instructie en het benoemen van een nieuwe raadpensionaris. Op 5 juni 1630, toen de instructie bijna gereed was, namen de Staten van Holland en West-Friesland het besluit dat iedereen voor de functie van raadpensionaris kon worden voorgedragen (

Basis voor deze instructie is de instructie gegeven aan Anthonie Duyck op 25 juli 1626. Beraadslagingen over deze instructie en de te kiezen personen in 1630: Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 63, resoluties van 14, 15 mei, 5, 8, 13 juni en 5, 6, 10 december 1630.

). Aangezien de Staten van Zeeland echter een resolutie had uitgevaardigd waarin gesteld werd dat niet-Zeeuwen niet voor hoge Zeeuwse functies in aanmerking konden komen, protesteerde Amsterdam in december 1630 tegen het besluit van 5 juni 1630. Dit protest fundeerden ze op een privilege van 1555 (

Groot placcaetboek, 1664, dl II, blz. 2072.

)
.

Het bezwaar werd in eerste instantie verworpen en op 14 december werden als kandidaten Adriaan Pauw, rekenmeester van de Staten van Holland en West-Friesland, Jacob Cats, pensionaris van Dordrecht en Rochus van den Honaert, raadsheer in de Hoge Raad, voorgesteld (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 63, resolutie van 14 december 1630.

). Toen de verkiezing uit deze drie kandidaten echter moeilijk bleek en prins Frederik Hendrik geen voorkeur zei te hebben, sprak Dordrecht vanwege de Zeeuwse resolutie alsnog het veto uit over de kandidatuur van Cats (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 63, resolutie van 21 december 1630.

)
, waarop deze zich terugtrok uit de verkiezingen. Nadat op 9 april 1631 alle gedeputeerden hadden ingestemd met de bezwaren van Amsterdam en Dordrecht werd op dezelfde dag Adriaan Pauw gekozen. Hij was Amsterdammer en had al talrijke belangrijke functies bekleed. Hij was tegen het verdrag met Frankrijk, wat echter de jaarlijkse continuatie van het op 17 juni 1630 gesloten subsidieverdrag niet in de weg stond (

Voor Adriaan Pauw zie: Jaarboek genealogie 1974, blz. 247-256, Elias, J.E. Geschiedenis van het Amsterdamse regentenpatriciaat, 's-Gravenhage, 1925, blz. 91. Fouw, A. de jr., Onbekende raadpensionarissen, 's-Gravenhage, 1946; blz. 45-90. Waddington I, blz. 53 e.v., 124-137. Tekst van het verdrag: Aitzema, Saken, dl II, blz. 976-983.

)
; prins Frederik Hendrik daarentegen wilde verdere aansluiting bij Frankrijk en voortzetting van de oorlog tegen Spanje. Toen op 29 januari 1634 de ambassadeur in Frankrijk, Gideon, baron van den Boetzelaer, heer van Langerak, overleed, greep de prins dit als gelegenheid aan om Adriaan Pauw samen met een voorstander van nauwere samenwerking, Johan de Knuyt, als buitengewoon gezanten naar Frankrijk te zenden om een aanvalsverdrag te sluiten (

Instructie voor Adriaan Pauw en Johan de Knuyt: Waddington I, blz. 413-435. Tekst van dit aanval- en verdedigingsverdrag: Aitzema, Saken, dl II, blz. 92-106.

)
.

Hoewel de onderhandelingen over dit verdrag met Frankrijk snel vorderden, werd op aandrang van Prins Frederik Hendrik, Adriaan Pauw verzocht als buitengewoon gezant in Franrijk te blijven, ook nadat Johan de Knuyt op 10 maart 1635 het aanvalsverdrag ter ratificatie aan de Staten-Generaal had aangeboden.

Op deze wijze wist de prins Adriaan Pauw in Frankrijk te houden, tot in april 1636 zijn termijn als raadpensionaris afliep (

Archives ou correspondence inédité de la maison d'Orange-Nassau, publiées par G. Groen van Prinsterer, Utrecht, 1857-1860; 2ième série, tôme III, blz. 80-81. (Hierna genoemd: Groen III of IV). Reigersbergh, N. van, Brieven aan H. de Groot, uitg. door Rogge, H.C., Historisch Genootschap, 3e serie, no. 15, 's-Gravenhage, 1901. Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 68, resoluties van 30, 31 maart, 27 september, 3 oktober, 10, 22 december 1635.

). Pauw verzocht in maart 1636 in een brief aan de Staten van Holland en West-Friesland om zijn ontslag als raadpensionaris en als buitengewoon gezant in Parijs. Zijn ontslag als raadpensionaris werd hem op 30 april 1636 verleend, maar hij bleef tot 1 juni 1636 buitengewoon gezant in Parijs (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 69, resoluties van 12, 14 maart, 5, 30 april 1636. Aitzema, Saken, dl II, blz. 318-319.

)
.

III. Jacob Cats als raadpensionaris van de Staten van Holland en West-Friesland

Na het ontslag van Adriaan Pauw op 30 april 1636, werd op 29 mei 1636 een voordracht opgesteld van kandidaten voor het raadpensionarisschap. Daar Zeeland in 1631 de gewraakte resolutie had ingetrokken, bestond de voordracht uit: Jacob Cats, pensionaris van Dordrecht en sinds 30 mei 1634 vervangend raadpensionaris voor Adriaan Pauw, Nanning van Foreest, secretaris van Alkmaar en Gilles de Clarges, pensionaris van Haarlem. Met algemene stemmen werd Jacob Cats op 4 juni 1636 (

De instructie van Jacob Cats is gebaseerd op de instructie van Anthony Duyck van 25 juli 1626 en van Adriaan Pauw van 30 december 1630. Over het ambt en de instructie van de raadpensionarissen, raadplege men: Archief van P. Buys, Inleiding, blz. X-XIII, door H.J.P.G. Kaajan, 1976. Greve, H.E., Het ambt en de instructies van de raadpensionaris in: Bijdragen voor Vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, vierde reeks, 's-Gravenhage, 1902; dl II, blz, 367-390. Antheunissen, W., De raadpensionaris van Holland, eene staatsrechtertijke- historische schets in: Tijdschrift voor geschiedenis, landen volkenkunde, 's-Gravenhage; 34e jrg, 1919, blz. 306-339. Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 69, resoluties van 29, 30 mei, 4, 7 juni 1636.

) voor een termijn van vijf jaar gekozen, waarna hij op 7 juni 1636 de eed voor de ridderschap, waar hij ambtshalve pensionaris van was, aflegde. Op 2 augustus 1636 werd zijn verzoek, om na het verstrijken van vijf jaar zitting te mogen nemen in de Hoge Raad, door de Staten van Holland en West-Friesland goedgekeurd (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 69, resoluties van 7 juni en 2 augustus 1636.

)
. Toen op 12 maart 1640 de secretaris van de Staten, Cornelis van der Wolf, overleed, werd Jacob Cats verzocht tijdelijk diens functie op zich te nemen.

Er werd een nieuwe instructie voor de secretaris opgesteld en op 28 april 1640 werd Herbert van Beaumont voor deze functie gekozen. Cats droeg zijn tijdelijke bevoegdheden aan hem over (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 73, resoluties van 12 maart, 25, 27, 28 april 1640. Voor de instructie van de secretaris van de Staten van Holland: Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 73, resolutie van 27 april 1640.

).

Na het verstrijken van de termijn van vijf jaar als raadpensionaris verzocht Cats op 15 maart 1641 om zijn ontslag. Dit verzoek werd echter niet ingewilligd en nadat een nieuwe instructie voor de raadpensionaris was opgesteld, werd hij op 20 maart 1641 voor een tweede termijn benoemd als raadpensionaris (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 74, resoluties van 15, 19, 20, 26 maart l641. Aitzema, Saken, dl II, blz. 319.

). Na het beëindigen van deze tweede termijn verzocht Cats op 5 mei 1646 opnieuw dringend om zijn ontslag, maar ook ditmaal werd het hem niet verleend. Toen in maart 1647 een mislukte aanslag op zijn huis werd gepleegd, voerde Cats voor zijn ontslagaanvrage aan dat hij te oud werd om alle belangrijke staatspapieren onder zich te houden. Op 19 april 1647 wezen de Staten zijn ontslagaanvrage echter opnieuv af (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 79, resoluties van 5 mei, 16 juni 1646 en inv.nr. 80, resolutie van 19 april 1647.

)
, zodat het tot 27 september 1651 duurde voor hij de functie van raadpensionaris van de Staten van Holland en West-Friesland kon neerleggen (

Voor het ontslag van Cats zie: Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 84, resolutie van 27 september 1651.

)
.

Jacob Cats zag zich als raadpensionaris gesteld voor de taak om een oplossing te vinden voor de drie navolgende problemen, die in het kort besproken zullen worden:

  1. De financiële toestand van het gewest Holland;
  2. De conflicten rond de afdanking van de troepen na het sluiten van de vrede van Munster;
  3. De kwestie van de Unie, Religie en Militie actueel na het zonder geschikte opvolger overlijden van prins Willem II op 6 november 1650. Deze zaken kwamen in de Grote Vergadering aan de orde.
1. De financiële toestand van het gewest Holland

De financiën van het gewest Holland stonden er zeer slecht voor toen Jacob Cats op 30 mei 1634 Adriaan Pauw verving als raadpensionaris. De voortdurende oorlog en een zeer slechte interne organisatie in de Staten van Holland en West-Friesland waren hiervan de oorzaak. Het gewest Holland droeg 58% bij aan de oorlogslasten van de Republiek der Verenigde Nederlanden, bovendien sprong het die gewesten bij die zelf hun aandeel niet konden betalen. Daarnaast werd er op grote schaal misbruik gemaakt van de zwakke financiële organisatie. Op 13 december 1634 werd bij resolutie in de Staten besloten een "commissie van mesnage" in te stellen om de financiën te onderzoeken (

Zie voor de leden van de "commissie van mesnage", een commissie, ingesteld om Hollands Financiën te bestuderen en rapporten over mogelijke wijzigingen in het systeem der financiën uit te brengen, ingesteld op 11 oktober 1635, Archief van Jacob Cats, inv.nr. 32. Zie ook voor de financiën in het gewest Holland in 1634: Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 1 en 31.

). De volgende zaken werden in deze commissie aan de orde gesteld:

  • de comptabelen die verantwoording schuldig waren aan de Raad van State, bleken nauwelijks hun rekeningen te laten afhoren. Voorstellen om deze comptabelen verantwoording schuldig te doen zijn aan de Generaliteitsrekenkamer werden niet aangenomen (

    Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 7-10, 74-78.

    )
    ;
  • In de Admiraliteit heersten ernstige misstanden; kapiteins en commissarissen pleegden fraude, de particuliere convooimeesters van de admiraliteitscolleges droegen slechts een gedeelte van het geld af en de scheepsbouw was een chaos (

    Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 38-41.

    )
    ;
  • Een gedeelte van de oorlogslasten was niet beschreven in de "drie Staten van Oorlog". Deze drie Staten van Oorlog waren door de Raad van State opgestelde defensiebegrotingen van de jaren 1621, 1626 en 1628. In het begin van de oorlog stelde de Raad van State ieder jaar een nieuwe begroting op die, na goedkeuring van de zeven gewesten, voor het daaropvolgende jaar gold. Vanaf 1621 echter bleef de Staat van Oorlog van dat jaar gelden tot 1648, de andere twee Staten waren hierop een soort aanvulling. Toch vielen zoals gezegd nog veel posten buiten deze drie Staten van Oorlog, bovendien bleek dat veel geld verdween in fictieve posten (

    Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 42-45.

    )
    .

Jacob Cats, die de op 13 december 1634 ingestelde commissie voorzat, schreef in 1635 en 1636 vele rapporten over deze misstanden. Dat er weinig veranderde bleek uit de rapporten en resoluties van 1640-1642, toen over dezelfde problemen vrijwel dezelfde rapporten opnieuw geschreven werden (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 1-6, 31-46. Archief van de Staten van Holland: inv.nr. 67, resoluties van 13, 16 december 1634; inv.nr. 68, resoluties van 20, 21 december 1635; inv.nr. 73, resoluties van 6, 13, 18 oktober 1640; inv.nr. 74, resoluties van 14, 21 december 1641; inv.nr. 75, resoluties van 22 januari, 1 augustus 1642.

). De beëindiging van de oorlog was door deze financiële problemen voor het gewest Holland van zeer groot belang, waardoor de belangen van dit gewest botsten met die van prins Willem II.

2. Het afdanken van de troepen na de vrede van Munster

Op 14 maart 1647 overleed prins Frederik Hendrik. Alle gewesten hadden in 1631, op het gewest Friesland na dat het in 1641 verleende, aan de zoon van prins Frederik Hendrik, prins Willem II, de survivance (het recht van opvolging) verleend. Hoewel de opvolging in theorie dus geen probleem was, werd zij dit wel door de inmiddels sterk gewijzigde politieke situatie (

Kernkamp, G.W., Prins Willem II (uitg. in de serie Patria, vaderlandsche cultuurgeschiedenis in monografiëen dl 33), Amsterdam, 1943, blz. 16-19 (hierna genoemd: Kernkamp, Willem II). Betreffende de survivanceverlening van Holland: Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 63 resoluties van 23 januari, 12 november 1630, inv.nr. 64, resoluties van 24 januari, 15 maart, 3, 10 april 1631.

). De vredesonderhandelingen in Munster waren in 1647 al in een ver gevorderd stadium en aangezien prins Willem II een verklaard tegenstander van deze vrede was, probeerde vooral het gewest Holland de bevestiging van het recht van opvolging van prins Willem II zo lang mogelijk te vertragen.

Pas op 20 december 1647, toen de vrede al bijna getekend, maar nog niet geratificeerd was, bevestigde het gewest Holland dit recht (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 80, resolutie van 20 december 1647.

). Willem II kon de vrede, die op 5 juni 1648 geproclameerd werd, toen immers niet meer tegenhouden.

Al op 22 juni 1648 moest de Raad van State op alle gewesten een beroep doen om niet overhaast en zonder overleg troepen af te danken, want het gewest Holland wilde nu het vrede was meteen een gedeelte van de troepen afdanken om de zeer benarde financiën te redden. Op 8 december 1648 stelden de Staten van Holland en West-Friesland een lijst op met het aantal soldaten, dat beschikbaar moest zijn in oorlogstijd en het aantal dat tijdens de vrede in dienst gehouden moest worden. Het verschil wilde de Staten afdanken (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 55-56.

).

De Staten van Holland en West-Friesland weigerden dan ook op 21 januari 1650 de Staat van Oorlog voor 1650, opgesteld door de Raad van State, die niet aan de verlangens van het gewest Holland over de afdanking van de troepen tegemoet kwam, goed te keuren (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 57-62. Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 82, resoluties van 10, 11, 17 december 1649, inv.nr. 84, resoluties van 21 januari 1650. Aitzema, L. van, Herstelde leeuw of discour over 't gepasseerde in de Vereenighde Nederlanden in 't jaer 1650 ende 1651, 's-Gravenhage, 1652, blz. 1-8 (hierna genoemd: Aitzema, Herstelde leeuw). Wijnne, J.A., De geschillen over de afdanking van het krijgsvolk in de Vereenigde Nederlanden in de jaren 1649 en 1650 en de handelingen van prins Witlem II, toegelicht met behulp van ongedrukte stukken uit het huisarchief van Z.M. den Koning in: Werken van het historisch genootschap, nieuwe serie no. 41, Utrecht, 1885, 2 dl. (Hierna genoemd: Wijnne, geschillen).

).

Willem II wilde echter het verbond met Frankrijk, verbroken door de tegen het verdrag met Frankrijk in gesloten vrede tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en Spanje onderling, weer herstellen (

Kernkamp, Willem II, blz. 53-63, 70-73. Poelhekke, J.J., De vrede van Munster, 's-Gravenhage, 1948; blz. 421-542. Waddington II, blz. 206-251, 367-371.

).

Bovendien wilde hij de Stuarts weer op de Engelse troon brengen en aan Spanje de oorlog verklaren. Hij was om deze redenen een fel tegenstander van het afdanken van troepen. In feite vormde het conflict een competentiestrijd tussen prins Willem II en het gewest Holland over de macht binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden. De afdanking van de troepen was de aanleiding hiertoe (

Kernkamp, Willem II, blz. 117-118.

).

De Staten van Holland en West-Friesland verdedigden het afdanken van de troepen op grond van pogingen hiertoe in 1626 door de Staten van Zeeland gedaan (

Archief van Jacob Cats, inv.nr. 64. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 20-21. Wijnne, geschillen, dl I, blz. CLXXIII-CLXXVI.

). De Staten van Holland besloten dan ook bij resolutie van 1 juni 1650 dat zij, hoewel zij officieel geen troepen konden afdanken omdat dit immers tot de competentie van de Raad van State behoorde, wel de betaling van een gedeelte van de troepen stop konden zetten.

Hierop gaven de Staten op 4 juni 1650 de Gecommitteerde Raden opdracht een aantal compagnieën in deze zin aan te schrijven (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 83, resoluties van 1, 3 en 4 juni 1650.

). Een reactie van prins Willem II bleef niet uit. Hij stelde de volgende dag, 5 juni 1650, in de vergadering van de Staten-Generaal drie resoluties voor:

  1. Er zou een bezending van een aantal gecommitteerden van de Staten-Generaal langs de Hollandse steden gaan om hen ertoe te brengen het afdanken van de troepen weer ongedaan te maken;
  2. Prins Willem II zou deze bezending regelen;
  3. De prins zou zorgen dat de openbare rust en orde gehandhaafd bleven.

Deze resoluties werden, met een onbekende meerderheid, alle drie aangenomen (

Kernkamp, Willem II, blz. 109-110. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 9-12. Wagenaar, J., Vaderlandse historie, Amsterdam, 1759, dl 12, blz. 67-77 (hierna genoemd: Wagenaar, historie).

). De volgende dag, 6 juni 1650, deelde prins Willem II mee, dat hij zelf de bezending zou leiden en dat de bezendingscommissie verder zou bestaan uit vier leden van de Staten-Generaal, twee leden van de Raad van State en de thesaurier-generaal, Govert Brasser (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 110 e.v. Capellen, A. van der, Gedenkschriften, beginnende met den jaare 1621 en gaande tot (1654) uitg. door: Capellen, R.J. van der, Utrecht, 1777-1778, I, blz. 455-456; II, blz. 288-289. (Hierna genoemd, Capellen).

)
.

De bezending had vrijwel geen resultaat. Alle steden handhaafden hun beslissing. Medemblik weigerde zelfs de deputatie te ontvangen. Amsterdam had tweemaal aan de prins verzocht niet te komen en toen hij op 21 juni 1650 toch in Amsterdam aankwam, weigerden ze hem toe te laten tot de vroedschap, zelfs in functie van stadhouder, wanneer hij zijn kwaliteit als lid van de bezendingscommissie niet wilde afleggen. Nadat op 25 juni 1650 de bezending in Leiden geëindigd was, bracht Alexander van de Capellen op 27 juni 1650 hierover verslag uit aan de Staten-Generaal (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 33-37. Capellen, II, blz. 287-314, 438-458. Wiquefort, M., Histoire des Provinces Unies, La Haye, 1743, dl I, blz. 233-241, 434-454. (Hierna genoemd: Wiquefort, I of II). Kernkamp, Willem II, blz. 114-116.

). Op 30 juni 1650 verzocht de prins genoegdoening van de stad Amsterdam te krijgen voor de hem aangedane beledigingen (

Archief van Jacob Cats, inv.nr. 136. Wijnne, geschillen, dl II, blz. 44-45. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 37-39. Groen, IV, blz. 368.

)
. Hiertegen werd in een in druk uitgebracht tegenbetoog door de Staten van Holland en West-Friesland protest aangetekend (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 56-57.

)
.

Ten aanzien van deze ontwikkelingen zij hierbij aangetekend dat de houding en de positie van Cats tijdens en na de bezending uit in dit archief aanwezige archiefstukken alsmede uit andere bronnen niet duidelijk is op te maken.

Na deze turbulente ontwikkeling van de kwestie van de afdanking van troepen trad er ogenschijnlijk een periode van rust in. Maar op 30 juli 1650 deed prins Willem II aan Cats het verzoek bij hem te komen en deelde hem mede dat Amsterdam door troepen werd ingenomen (

Over de aanslag op Amsterdam: Cats, J., Tweeentachtig-jarig leven. Groenveld, S., De prins voor Amsterdam, reakties uit de pamfletten op de aanslag van 1650, Bussum, 1967. Groen, IV, blz. 373, 374, 378-384, 386, 387, 393, 394. Wijnne, geschillen, dl II, blz. 145-156, 221, 222. Wagenaar, historie, dl 12, blz. 89-107.

) en dat zes Hollandse regenten gevangen genomen waren. Deze mededeling kwam als een volkomen verrassing. Alleen Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, en kardinaal Mazarin van Frankrijk waren van tevoren van deze plannen op de hoogte gesteld. Willem Frederik had over een mogelijk beleg voor Amsterdam al gewag gemaakt in brieven van december 1649 (

Groen, IV, blz. 336, 337, 359.

)
Cornelis van Aerssen was belast met het plaatsen van de troepen voor Amsterdam en kardinaal Mazarin was door Willem II in mei 1650 al verzocht hem ter zijde te staan wanneer het conflict met Holland al te dreigende vormen zou gaan aannemen (

Groen, IV, blz. 298-300. Léger, A. de Saint, Un chapitre des relations entre la France et les Provinces Unies au milieu de XVIIe siècle; d'Estrades et le prince Guillaume II, in: La revue du nord, février et mai 1924, no. 37 et 38, Paris; blz. 15 veronderstelt volgens Kernkamp terecht dat deze instructie, door Groen op februari 1649 gesteld, op omstreeks mei 1650 moet worden gedateerd (Kernkamp, Willem II, blz. 197, noot 446).

)
. Ondanks al deze voorbereidingen mislukte de aanslag op Amsterdam. Toen Willem II dit vernam, schreef hij aan de zes andere gewesten een rechtvaardiging voor zijn houding en vertrok op 1 augustus 1650 naar Amsterdam (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 70-71. Kernkamp, Willem II, blz. 130.

)

De belangrijkste eisen van prins Willem II tijdens de nu volgende onderhandelingen met Amsterdam waren:

  1. Het goedkeuren van de Staat van Oorlog voor 1650;
  2. Het herroepen van het afdankingsbevel;
  3. Het ontnemen van alle regeringsposten aan Andries en Cornelis Bicker.

Amsterdam zwichtte hiervoor, zodat op 3 augustus 1650 een verdrag tussen de prins en Amsterdam gesloten kon worden (

Wijnne, geschillen, dl I, blz. CXLV-CXLVI. Kernkamp, Willem II, blz. 132-143. Groen, IV, blz. 392-393. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 75-78.

). De op 30 juli 1650 gevangen genomen regenten waren overgebracht naar slot Loevestein, waar ze zouden moeten blijven, tot de Staten van Holland en West-Friesland de Staat van Oorlog voor 1650 hadden goedgekeurd en zijzelf afstand hadden gedaan van hun ambt.

Toen Holland op 13 augustus 1650 de Staat van Oorlog goedkeurde en zo op 18 augustus 1650 de Staat van Oorlog met algemene stemmen door de Staten-Generaal kon worden aanvaard, werden de regenten vrijgelaten (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 412, 469, 474, 476, 477, 479. Wijnne, geschillen, dl II, blz. 71-83, 156-162, 165, 166. Kernkamp, Willem II, blz. 145-149. Keyser, N., Waerachtich verhae1 van 't geent mij is bejegent. Uitg. door Kernkamp, G.W. in BMHG dl XVIII, 's-Gravenhage, 1897, blz. 342-407.

). Willem II dacht nu de machtsstrijd gewonnen te hebben en op 26 augustus 1650 deed hij een poging het verdrag met Frankrijk te herstellen en de oorlog met Spanje te hernieuwen. Hij liet de voorzitter van die week in de Staten-Generaal, de Fries Sybrand van Osinga, een voorstel doen om de Republiek te laten bemiddelen in de oorlog tussen Frankrijk en Spanje. Hierbij zou dan van Spanje worden geëist, dat ze binnen zes weken de verplichtingen jegens het huis van Oranje zouden nakomen en bovendien de Spaanse troepen niet verder in Frankrijk zouden laten oprukken, aangezien zij anders ook met de Republiek der Verenigde Nederlanden in oorlog zouden komen. Het gewest Holland had echter bij de aanvaarding van dit voorstel op 30 augustus 1650 de eisen aan Spanje eruit geschrapt weten te krijgen, zodat het voorstel een gewoon bemiddelingsvoorstel werd (

Fruin, R., Over de oorlogsplannen van Willem II na zijn aanslag op Amsterdam in 1650, in: Verspreide geschriften, dl IV, 's-Gravenhage, 1901, blz. 122-194. Poelhekke, J.J., Geen blijder maer in tachtigh jaer, verspreide studiën over de crisisperiode, 1648-1650, Zutphen, 1973, blz. 163-179.

)

Voordat echter weer nieuwe conflicten tussen Holland en prins Willem II konden oprijzen, overleed de prins op 6 november 1650.

3. De Grote Vergadering

Op 12 november 1650 besloten de Staten-Generaal toen, op een voorstel van de Staten van Holland en West-Friesland, om een speciale vergadering te houden over de Unie, de Religie en de Militie (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 99, 100.

)

De Staten van Holland en West-Friesland zonden aan alle gewesten afgevaardigden om hen over te halen met voltallige deputaties naar Den Haag te komen voor deze bijzondere vergadering, zodat geen ruggespraak behoefde te worden gehouden.

De Staten van Holland en West-Friesland namen zelf nog voor de opening van de Grote Vergadering maatregelen om het stadhouderschap overbodig te maken en verzochten de overige gewesten dit ook te doen; Groningen en Drenthe aanvaardden echter prins Willem Frederik, stadhouder van Friesland, als hun stadhouder (

Groen, IV, blz. 5-6. Wagenaar, historie, dl 12, blz. 131.

). Op 8 december 1650 trokken de Staten van Holland en West-Friesland de magistraatsbestelling aan zich, waarbij de stemhebbende steden om vergunning konden verzoeken om zelf hun magistraten te bestellen. Op 10 december 1650 namen ze een resolutie aan, waarbij de Staten de stadhouder in diens functie als kapitein-generaal opvolgden in het vergeven van patenten; ook trokken ze het recht om politieke en militaire ambten te verlenen en het recht van gratie aan zich. Aangezien Holland 58% van de lasten opbracht en dus 58% van de militie betaalde, vergrootten deze resoluties de macht van het gewest Holland aanzienlijk (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 107-108. Fruin, R. Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den val der Republiek, uitg. door H.T. Colenbrander, 's-Gravenhage, 1922, blz. 275, 276. Wagenaar, historie, dl 12, blz. 134-136.

)
.

Op 18 januari 1651 werd in 's-Gravenhage een bijzondere vergadering der Staten-Generaal, daarom Grote Vergadering genoemd, door Pibo van Donia, de voorzitter van die week, geopend. Hoewel Jacob Cats niet de voorzitter der Grote Vergadering was, aangezien het voorzitterschap bleef rouleren zoals tijdens alle vergaderingen van de Staten-Generaal, verwelkomde hij wel na de opening der gedeputeerden met een rede waarin de belangrijkste punten werden genoemd die volgens de Staten van Holland en West-Friesland behandeld zouden moeten worden (

Opening der Grote Vergadering: Archief van Jacob Cats, inv.nr. 94. Aitzema, Herstelde leeuw blz. 126-133. Litteratuur over de Grote Vergadering: Wiquefort, II, blz. 238-267. Wagenaar, historie, dl 12, blz. 151-198. Over het gedrag van de Staten van Gelre en Zutphen tijdens de Grote Vergadering: Poelhekke, J.J., Geen blijder maer in tachtigh jaer, verspreide studiën over de crisisperiode 1648-1651, Zutphen, 1973, blz. 180-250.

).

De zes andere gewesten gaven hierna schriftelijk hun visie over Unie, Religie en Militie (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 95-100. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 134-147, 159-174, 228-232.

). Op 27 januari 1651 werd een advies over de Religie, dat was ingediend door de gedeputeerden van Holland, aangenomen door de Grote Vergadering. Op 17 juli 1651 werd dit besluit ondanks protesten van predikanten nogmaals bekrachtigd (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 157-158, 411-416.

)
.

Op 30 januari 1651 dienden de Staten van Holland en West-Friesland een rapport in over de militie. De volgende dag bracht Zeeland advies uit over drie in dit rapport genoemde punten: het vergeven van militaire ambten, het verleggen van garnizoenen en het vergeven van patenten (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 102-103. Aitzema, Herstetde leeuw, blz. 175-199.

).

De Staten van Holland, en West-Friesland stelden aan de hand van de voorstellen door de verschillende gewesten gedaan, een lijst met discussiepunten op. Op 13 februari 1651 dienden zij deze lijst in bij de Grote Vergadering en gaven meteen aan welke punten alleen van gewestelijk belang waren en dus niet in de Grote Vergadering behandeld zouden moeten worden. Door het aannemen van dit voorstel verdwenen een groot aantal problemen van de agenda van de Grote Vergadering en werd de souvereiniteit der gewesten benadrukt (

Archief van Jacob Cats, inv.nr. 101. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 233-236.

).

Alle gewesten gaven op 22 maart 1651 hun adviezen over het oppergezag, over de militie, het vergeven van patenten en het verleggen van garnizoenen. Tot nadere regeling van de problemen hierover werd een commissie ingesteld, waarvan ook Cats deel uitmaakte, om een "advies concilatoir" (voorlopig advies) op te stellen (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 305, 306. Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 107-113.

).

Aangezien het ambt van kapitein-generaal vacant was en het krijgsvolk officieel haar eed niet meer gestand kon doen, hadden de Staten van Holland en West-Friesland, na een rapport van Dordrecht, Amsterdam en Alkmaar op 1 maart 1651 al concept-eedsformulieren opgesteld. Voor het opstellen vandefinitieve formulieren van eed voor het krijgsvolk, geldend voor alle gewesten, werd op 24 maart 1651 ook een commissie ingesteld. Ook hier maakte Jacob Cats deel van uit (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 114-119. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 306-313.

). Op 20 mei 1651 werden de resultaten van de commissie betreffende het advies concilatoir en het opstellen van formulieren van eed, in de Grote Vergadering gebracht, om pas op 16 juni 1651 te worden aangenomen, aangezien de gedeputeerden van Friesland en Groningen, sinds eind februari afwezig om een landdag te houden, toen pas met de voorstellen in konden stemmen (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 383-394.

)
.

Naar aanleiding van een brief van kolonel Van Wijnbergen, gouverneur van Sluis, werd een formulier van commissie, te geven aan gouverneurs en commandanten van plaatsen ressorterend onder de Staten-Generaal, opgesteld. Dit formulier werd op 22 mei 1651 goedgekeurd en aangenomen (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 120-123. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 381-383.

).

Begin juli 1651 dacht men er ernstig over de Grote Vergadering te sluiten en de rest van de problemen in gewone vergaderingen van de Staten-Generaal verder te behandelen toen de conflicten rond de troebelen in 1650 weer hoog opliepen.

Jacob Cats, die al sinds 20 mei 1651 om zijn ontslag verzocht had en het besluit hierover steeds zag uitgesteld, kwam, om de ontslagprocedure te versnellen, op 15 juni 1651 in de Staten van Holland en West-Friesland met een brief, die prins Willem II op 9 augustus 1650 had geschreven. Willem II had Cats verzocht deze brief onder zich te houden. Jacob Cats deelde aan de Staten van Holland en West-Friesland mee, dat hij, nu hij toch zijn ontslag als raadpensionaris zou krijgen, deze brief niet langer onder zijn beheer wilde houden. Op 16 juni 1651 besloten de Staten van Holland en West-Friesland de brief te openen en te lezen (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 84, resoluties van 15 en 16 juni 1651.

).

De brief was getiteld: "Redenen ende motiven die sijn Hoogheydt hebben bewogen by der hant te nemen soo ten regarde van de gearresteerde heeren, als van 't-geen aengevangen is aen, bij, ende ontrent der stede Amsterdam". Jacob Cats werd verzocht een ondertekende verklaring onder de brief te zetten (

Archief van Jacob Cats, inv.nr. 137.

). Bovendien werd hij langdurig ondervraagd over de manier waarop hij deze brief in zijn bezit had gekregen. Tijdens de besprekingen in de Staten van Holland en West-Friesland volgend op deze ondervraging werd voortdurend de naam van Cornelis van Aerssen genoemd. Deze verzocht zichzelf tegen de tegen hem ingebrachte beschuldigingen te mogen komen verdedigen. Dit werd toegestaan, waarna hij op 13 juni 1651 een verklaring aflegde, waarbij hij ook de betrokkenheid van prins Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, in de troebelen van 1650 toelichtte (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 459-468.

)
.

De Staten-Generaal stelden naar aanleiding van deze verklaring een onderzoek in naar de gebeurtenissen in 1650. De staten van Friesland, bevreesd dat prins Willem Frederik door deze zaak in opspraak zou komen, verzochten op 20 juli 1651 om een algemene amnestie voor iedereen betrokken bij de troebelen van 1650 (

Archief van Jacob Cats, inv.nr. 124. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 446, 447.

). In antwoord op het verzoek van de Staten van Friesland werd door de Staten-Generaal een concept-akte van amnestie opgesteld en op 17 augustus 1651 stemden de Staten van Holland en West-Friesland in met dit concept. Bovendien verzochten ze de Staten-Generaal ook alle resoluties en akten over de troebelen in 1650 te herroepen. Dit hadden zij in hun eigen algehele amnestie, afgekondigd op 28 juni 1651, ook gedaan. Cornelis van Aerssen was de enige die, om onder deze amnestieregeling van de Staten van Holland en West-Friesland te vallen, al zijn officiële functies op moest geven (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 65, 66.

)
.

Tegen het verzoek om alle resoluties en akten te herroepen tekenden de Staten van Friesland op 18 augustus 1651 bezwaar aan, maar de volgende dag werd dit verzoek toch goedgekeurd en een algemene amnestie, met herroeping van akten en resoluties betreffende de troebelen in 1650, afgekondigd (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 125-127.

).

In juli werd ook nog een regeling tot het beslechten van geschillen tussen de verschillende gewesten in de Grote Vergadering behandeld. Nadat de gewesten Holland, Friesland en Groningen hierover nadere adviezen hadden gegeven werd op 19 augustus 1651 ook deze regeling aanvaard (

Archief van Jacob Cats, inv.nrs. 128-132. Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 519-522, 534-536.

).

De Grote Vergadering werd vervolgens op 21 augustus 1651 door Jacob Cats met een afscheidsrede gesloten (

Aitzema, Herstelde leeuw, blz. 539-543.

).

IV. De functies van Jacob Cats na zijn ontslag als raadpensionaris, 1651-1660

Cats had nog steeds zijn gevraagd ontslag niet gekregen, maar op 27 september 1651 werd hem, zoals gezegd, dit eindelijk verleend, en werd Adriaan Pauw in zijn plaats gekozen.

Toch was hiermee Cats' politieke loopbaan nog niet beëindigd. Op 9 november 1651 werd hij verzocht als lid van een extra-ordinaris ambassadeur naar Engeland te gaan, samen met Gerrit Schaap Pieterszn. en Paulus van der Perre. Johan van Mattenesse verving hem toen als registermeester en stadhouder van de lenen en bewaarder van het grootzegel (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 84, resoluties van 8, 9 en 10 november 1651.

).

Voor zijn vertrek naar Engeland verzocht Cats de registers en papieren van de Staten van Holland en West-Friesland, die hij thuis bewaarde, onder de hoede van de Staten te mogen brengen. Op 2 december 1651 keurden de Staten dit verzoek goed, mits hij er een inventaris van zou maken. Op 5 december 1651 leverde hij deze samen met de registers en de papieren bij de Staten in (

Archief van de Staten van Holland, inv.nr. 3004, resoluties van de Gecommitteerde Raden van 2, 5, 8 december 1651.

). (Zie bijiage I).

Na zijn terugkeer uit Engeland op 15 juli 1652 nam hij tot 1660 de functies van registermeester en stadhouder van de lenen en grootzegelbewaarder weer op zich. Hij trok zich toen terug op zijn buitenhuis "Zorghvliet", gelegen buiten 's-Gravenhage (het huidige Catshuis), waar hij zich weer aan het schrijven wijdde. Hier overleed hij, 82 jaar oud, op 17 september 1660 (

Jaarboek genealogie, blz. 258-266.

).

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: