gahetNA in the National Archives

Raad voor het Rechtsherstel / Rechtspraak - Zoeken: arnhem

10 Results found, click on a tab to show the results.

2.09.48.02
H.A.J. van Schie
Nationaal Archief, Den Haag
1997
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.48.02
Author: H.A.J. van Schie
Nationaal Archief, Den Haag
1997
CC0

Periode:

1945-1967
merendeel 1945-1967(1971)

Omvang:

90,75 meter; 933 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

In het archief van de centrale griffie - het centraal administratief orgaan - bevindt zich de neerslag van voorbereiding, vaststelling, controle, voorlichting en verantwoording van het zich in de praktijk ontwikkelende rechtsherstelbeleid: notulen van afdelingsvergaderingen, adviezen over wetswijzigingen, periodieke rapportages en desbetreffende correspondentie met de kamers, andere afdelingen van de Raad en derden. Een deel van de correspondentie heeft betrekking op organisatie en personeel van de afdeling. Voor toezicht op de procesgang zijn speciale hulpmiddelen vervaardigd: Alle ingekomen rekesten zijn op rekestnummer (R-nummer) ingeschreven in een register waarin gegevens genoteerd zijn over partijen, de eis, verwijzing naar een kamer en de wijze van afhandeling. Op dit register is een alfabetische naamindex (klapper) gemaakt op de namen van appellanten, rekwestranten en gerequestreerden. Register en klapper hebben de vorm van een kaartsysteem. De centrale griffie ontving van alle kamers twee afschriften van de vonnissen. Een exemplaar is opgeborgen op rekestnummer, het andere op kamer en datum van de uitspraak.

Archiefvormers:

  • Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel te Tilburg 1944-1945
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Centrale griffie 1945-1967
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Kamer te Amsterdam 1945-1967
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Kamer te Arnhem 1945-1958
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Kamer te 's-Gravenhage 1945-1967
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Kamer te Groningen 1945-1958
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Kamer te 's-Hertogenbosch 1945-1958
  • Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, Kamer te Utrecht 1945-1954
  • Gerechtshof te Amsterdam 1967-1971
  • de laatste rekestdossiers (zie o.a. inv.nrs. 929-931).

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Administratieve geschiedenis
Wettelijke basis

Bij het Londense Besluit herstel rechtsverkeer van 17 september 1944 Staatsblad E 100, is de Raad voor het Rechtsherstel ingesteld. Doel van dit besluit was het door de Duitsers tijdens de bezetting 1940-1945 gepleegde onrecht van het zich toeëigenen, liquideren en doen verloren gaan van vermogensbestanddelen van bepaalde bevolkingsgroepen en instellingen zoveel ongedaan te maken. De Raad was verdeeld in zes afdelingen: Rechtspraak, Effectenregistratie, Beheer - waarvan het bij het Besluit Vijandelijk Vermogen van 20 oktober 1944 Staatsblad E 133 ingestelde Nederlandse Beheersinstituut deel uitmaakte -, Voorzieningen voor Rechtspersonen, Voorzieningen voor Afwezigen en Onroerende Goederen. De voorzitter van de Raad vormde met de voorzitter van de verschillende afdelingen het Dagelijks Bestuur van de Raad. De Raad voor het Rechtsherstel was gevestigd in Den Haag. Op 1 juni 1967 trad de Rijkswet van 9 maart 1967 in werking, houdende het regelen inzake de opheffing van de Raad voor het Rechtsherstel. Dit had als gevolg, dat de Raad met zijn afdelingen en organen werd opgeheven met uitzondering van de Afdeling Effectenregistratie, die per 1 oktober 1971 bij wet werd opgeheven.

Instelling, organisatie en opheffing van de Afdeling Rechtspraak

Binnen de Raad van het Rechtsherstel nam de afdeling Rechtspraak een aparte positie in. Om de doelstelling - 'het ongedaan maken van onrecht' in het spanningsveld van de tegenstrijdige belangen van oude en nieuwe eigenaren en het algemeen belang van economisch en financieel herstel en wederopbouw - te kunnen realiseren diende de onafhankelijkheid van rechtspraak verzekerd te zijn. Met het oog hierop bevatte het Besluit E 100 een aantal speciale bepalingen. Voorzitter en leden van de afdeling Rechtspraak werden door de Kroon benoemd en waren onafzetbaar gedurende de werkingsduur van het Besluit herstel rechtsverkeer. De overige leden van de Raad konden altijd worden geschorst of ontslagen. De griffier van de afdeling en de substituut-griffiers van de kamers werden benoemd door de minister van Justitie. De bepaling dat de Raad de aanwijzingen van de betrokken ministers diende te volgen, gold niet voor de afdeling Rechtspraak. De afdeling was bevoegd om zelf haar interne organisatie te regelen en zo nodig verschillende meervoudige of enkele kamers in te stellen. In tegenstelling tot de andere afdelingen van de Raad hadden de leden van de afdeling Rechtspraak verder een groot aandeel in de uitvoerende taak. De vonnissen van de kamer werden in openbare zittingen uitgesproken en waren bindend tussen alle partijen, ook al waren zij niet alle verschenen.

Van eind 1944 tot aan de feitelijke instelling van de Raad voor het Rechtsherstel op 9 augustus 1945 voerde het Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel de taken uit welke aan de Raad voor het Rechtsherstel waren opgedragen. De afdeling Rechtspraak kwam op 20 augustus 1945 voor het eerst in vergadering bijeen. Het college telde zestien leden, van wie er een optrad als voorzitter. In de loop der tijd zou het ledental groeien tot 65, exclusief de plaatsvervangers. De college werd bijgestaan door een griffier. De leden kwamen slechts een aantal malen in gezamenlijke vergadering bijeen ter bespreking van de beleid, organisatie en werkwijze van de afdeling als geheel (

Zie inv.nr. 1.

). De afdeling was bevoegdheid om uit haar leden zoveel kamers te vormen als voor de taakuitoefening nodig werd geacht. De eerste afdelingsvergadering was vrijwel geheel gewijd aan de vraag of er ook kamers buiten Den Haag moesten worden ingesteld. Het organisatieplan van de Raad, opgesteld op verzoek van het Militair Commissariaat Rechtsherstel, raadde decentralisatie af, omdat de desbetreffende rechtspraak nog in haar kinderschoenen stond (

Drs. Dekking en dr.mr. Schrijvers, Rapport nopens de organisatie van de Raad voor het Rechtsherstel te 's-Gravenhage, 6 augustus 1945, in: archief van het Secretariaat van het Rechtsherstel, voorlopig inv. nr. 344.

)
. Door het ontbreken van jurisprudentie en op grond van de ruime bevoegdheden van de Raad moest geoordeeld worden naar redelijkheid en billijkheid. Dat leverde het gevaar op van onderling afwijkende beslissingen. De kwestie van eenheid van rechtspraak was van temeer betekenis, daar beroep, noch cassatie mogelijk waren. Uit praktische overwegingen werd - in overeenstemming met de aanbevelingen van Eggens - niettemin besloten tot decentrale rechtspraak, waarbij een centrale griffie belast werd met ontvangst en registratie van alle ingekomen verzoekschriften en toewijzing aan een behandelende kamer. Alleen verzoeken om beslaglegging en om voorzieningen bij voorraad in kort geding moesten rechtstreeks bij de voorzitter van de afdeling Rechtspraak of de voorzitters van een der kamers worden ingediend (

Zie Besluit E 100, art. 147-150, herzien bij Besluit F272.

)
. Afschriften van alle vonnissen moesten worden toegezonden aan de centrale griffie (

Archief van het Secretariaat van de Raad voor het Rechtsherstel, voorlopig inv. nr. 35.

)
.

In 1946 waren kamers ingesteld op acht verschillende plaatsen, Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Groningen, 's-Hertogenbosch, Leeuwarden, Middelburg en Utrecht. In verband met de hoeveelheid werk, werden de kamers Amsterdam en Den Haag weer onderverdeeld in respectievelijk 9 en 7 sub-kamers, wat het totaal op 22 bracht. De kamers waren enkelvoudig, bestaande uit één lid of meervoudig, bestaande uit een oneven aantal leden. Elke kamer werd bijgestaan door een substituut-griffier en er werden zonodig waarnemend griffiers benoemd.

Aanvankelijk verwees de centrale griffie zaken uitsluitend op basis van de woonplaats van partijen naar een bepaalde kamer. Ten behoeve van efficiëntie en om tegenstrijdigheden in de rechtspraak te voorkomen kwam men al gauw tot een zekere specialisatie. Effecten- en zogenaamde Distex-zaken werden voornamelijk verwezen naar Amsterdam, ontvijandings- en levensverzekeringszaken naar Den Haag. Pacht- en landbouwzaken werden vooral behandeld in Arnhem, zeevaart- en onroerend goed-zaken in Groningen.

Het aantal rechtsherstelprocedures bleek groter dan verwacht. Op de afdelingsvergadering van 9 oktober 1945 had de voorzitter, Cleveringa, het aantal te behandelen zaken geschat op 5000. Eind 1950 waren er echter al meer dan 20.000 verzoeken bij de afdeling Rechtspraak ingediend. In totaal werden ca. 30.000 zaken aanhangig gemaakt, waarvan ongeveer 11.000 behandeld werden door de Haagse kamer, 14.000 door de kamer te Amsterdam en 5000 door de zes overige kamers. De behandeling vergde met name door het ontbreken van jurisprudentie veel tijd. Bij de bespreking van de Justitiebegroting voor 1949 werd in de Tweede Kamer geklaagd over traagheid en groeiende achterstand. De minister van Justitie maande daarom tot spoed, een meer efficiënte aanpak en beperking van het personeelsbestand. Op 6 maart 1950 werd door de Ministerraad besloten tot het maken van liquidatieschema's van alle diensten met een aflopend karakter. In de daarop volgende jaren werd verschillende keren geprobeerd een streefdatum vast te stellen voor opheffing van het dure rechtsherstelapparaat met zijn duizenden medewerkers. Uiteraard zou de afdeling Rechtspraak - als beroepsinstantie voor uitspraken van de andere afdelingen van de Raad - niet eerder dan de andere afdelingen kunnen worden opgeheven (

Zie inv.nrs. 30-35 en 40, alsmede archief van het Secretariaat van de Raad voor het Rechtsherstel, voorlopige inv. nrs. 36-39.

). Wel kon bezuinigd worden door vereenvoudiging, samenvoeging en standaardisering van procedures en door in te grijpen in de vergoedingen voor de leden - voor wie het lidmaatschap overigens een nevenbetrekking was (

Zie Wet van 19 maart 1954, S. 105.

)
. Toen nog slechts kleine aantallen nieuwe verzoeken werden ingediend en tal van zaken op grond van de ontwikkeling van de jurisprudentie meer routinematig konden worden afgehandeld, werd geleidelijk aan inkrimping mogelijk. Achtereenvolgens werden in de periode 1952-1958 de werkzaamheden beëindigd van de kamers Middelburg, Utrecht, Leeuwarden, Groningen, Arnhem en 's-Hertogenbosch. De vermindering van werkzaamheden maakte het mogelijk dat de functie van griffier van de afdeling Rechtspraak in de jaren 1960-1967 werd vervuld door de griffier van het gerechtshof te Den Haag. Eind mei 1967 was het aantal nog resterende zaken zeer gering (

Bij de Amsterdamse kamer waren op dat moment nog slechts elf zaken aanhangig. De Haagse kamer deed op 31 mei 1967 zijn laatste uitspraak. Zie inv.nrs. 81 en 575.

)
. De afdeling Rechtspraak werd opgeheven per 1 juni 1967 (S. 163). Nog resterende zaken ten aanzien van effectenregistratie - specialiteit van de Amsterdamse kamer - werden overgedragen aan het gerechtshof te Amsterdam. Alle overige zaken, inclusief de beroepszaken van de voorzitter van de Raad, gingen naar het gerechtshof te Den Haag.

Taken en taakuitoefening

Het totaal aantal rechtsherstelzaken waarmee de overheid bemoeienis heeft gehad, kan alleen geschat worden. Tot op heden ontbreekt elke gedegen studie van het functioneren van de Raad voor het Rechtsherstel en van de afdeling Rechtspraak in het bijzonder. Het vermoeden bestaat dat veel goederen en vermogensbestanddelen rechtstreeks - zonder tussenkomst van de Raad - zijn teruggegeven. Waarschijnlijk hebben belanghebbenden dikwijls om financiële of andere redenen afgezien van een rechtsherstelprocedure. Bij de helft van de in totaal bij de afdeling Rechtspraak ingediende rekesten - ca. 30.000 - werd geen uitspraak gedaan. Daarvoor waren verschillende redenen: een verzoekschrift kon niet in behandeling worden genomen wegens vormfouten; de afdeling verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar een competente instantie, bijvoorbeeld een andere afdeling van de Raad, de Schade Enquêtecommissie of de gewone rechter; een zaak werd geroyeerd omdat de rekwestrant niet meer reageerde op brieven van de griffier; of - wat het meest voorkwam - een zaak werd ingetrokken omdat inmiddels een schikking getroffen was.

De bevoegdheden en taken van de afdeling Rechtspraak waren vastgelegd in de - enkele malen herziene en aangevulde - Besluiten E 100 en E 133. De afdeling Rechtspraak bepaalde - door haar jurisprudentie (

Zie inv.nr. 131: Register op de jurisprudentie van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (Den Haag 1957).

) en door advisering inzake herzieningen en aanvullingen van de Londense rechtsherstelbesluiten - in grote mate het beleid inzake rechtsherstel. De afdeling beschikte daarnaast over een grote mate van vrijheid in de vormgeving van de organisatie en regeling van de rechtsgang. De hoofdtaak van de afdeling, rechtspraak, werd uitgevoerd door de kamers. Het omvatte rechtspraak in eerste aanleg inzake rechtsbetrekkingen, rechtspraak in hoger beroep van beslissingen van andere afdelingen van de Raad voor het Rechtsherstel en beslissingen in kort geding- en beslagleggingszaken. Goede vervulling van de hoofdtaak vereiste de nodige ondersteunende en voorwaardenscheppende activiteiten, die voornamelijk werden uitgevoerd door de centrale griffie en de griffies van de kamers. Naast de zorg voor organisatie en personeel ging het om regeling van de rechtsgang, voortgangscontrole, bevordering van de eenheid van rechtspraak en voorlichting.

Rechtspraak in eerste aanleg

Rechtspraak in eerste aanleg en tevens hoogste ressort inzake rechtsherstel van rechtsbetrekkingen was geregeld in art. 20-38 van Besluit E 100. De afdeling Rechtspraak was bevoegd ten verzoeke van elke belanghebbende of ambtshalve in iedere tijdens de bezetting totstandgekomen, gewijzigde of tenietgedane rechtsbetrekking in te grijpen, als zij dit op grond van bijzondere omstandigheden billijk vond. Tegen desbetreffende uitspraken stond geen hoger beroep of cassatie open. Wel kon herziening van een vonnis worden verzocht in het licht van nieuwe feiten of omstandigheden (art. 143).

Het ingrijpen in rechtsbetrekkingen impliceerde de volgende handelingen:

  • Tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa tot stand gekomen of gewijzigde rechtsbetrekkingen geheel of gedeeltelijk nietig verklaren, gewijzigd vaststellen of de inhoud ervan te bepalen, als deze onbepaald is (art. 23 lid 1);
  • Tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa te niet gegane rechtsbetrekkingen geheel of gedeeltelijk, al of niet in gewijzigde vorm, te doen herleven (art. 23 lid 2);
  • Rechtshandelingen, welke het ontstaan, de wijziging of het te niet gaan van deze rechtsbetrekkingen hebben veroorzaakt, geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren of daarvan de inhoud gewijzigd vast te stellen (art. 24);
  • Regeling van de gevolgen van de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring, de gewijzigde vaststelling, de bepaling van de inhoud of de herleving der rechtsbetrekkingen en van de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring of de vaststelling van de inhoud der rechtshandelingen (art. 26);
  • Bevelen dat zaken of rechten waarvan het bezit door of tengevolge van zodanige rechtshandeling voor de eigenaar is verloren gegaan aan hem worden teruggegeven en tevens nietig verklaring van de zakelijke rechten die sedert het verlies van het bezit door de eigenaar daarop zijn gevestigd (art. 27 lid 1, art. 28);
  • Vaststellen van een schadevergoeding bij teruggave van te goeder trouw en onder bezwarende titel verkregen recht of zaak, die voor de eigenaar een grotere waarde heeft dan voor de bezitter (art. 27 lid 2);
  • Bepalen in hoeverre en eventueel onder welke voorwaarden bij de teruggave persoonlijke rechten, door derden te goeder trouw onder bezwarende titel verkregen, in stand blijven (art. 29);
  • Bepalen in hoeverre teruggave zal plaatsvinden van de vruchten van de zaken of de rechten die worden teruggegeven (art. 30);
  • Toewijzen van een schadevergoeding als teruggave van zaken, rechten of vruchten niet mogelijk is, omdat deze tenietgegaan of onvindbaar zijn, of als teruggave plaatsvindt met instandhouding van daarop rustende zakelijke rechten, of als zij waardevermindering hebben ondergaan (art. 34);

Met 'bijzondere omstandigheden' die ingrijpen rechtvaardigden werd bedoeld dat rechtsbetrekkingen waren ontstaan als gevolg van deelname van Nederland aan de oorlog, gewijzigd of vernietigd door dwang, bedreiging of onbehoorlijke invloed van de vijand of door personen die door de vijand met macht waren bekleed. Ook werd gedoeld op handelingen verricht zonder geoorloofde oorzaak of op basis van bezettingsmaatregelen die met terugwerkende kracht waren ingetrokken. Er werden daarmee een aantal tot dan toe in de Nederlandse wetgeving onbekende elementen ingevoerd: invoering van een vierde wilsgebrek ('onbehoorlijke beïnvloeding') als grond om in te grijpen in rechtsbetrekkingen; geen onderscheid tussen vrijwillig en onvrijwillig bezitsverlies; toekenning terugkooprecht aan de beroofde eigenaar (

J.C.E. van den Brandhof, De besluitwetgeving van de kabinetten De Geer en Gerbrandy (Deventer 1986), p. 412.

).

Bij het bepalen van de vraag of ingrijpen billijk was en zo ja welke uitspraak in concreto gedaan zou moeten worden, bezat de afdeling Rechtspraak een grote mate van vrijheid. Deze vrijheid, bijvoorbeeld bij het gewijzigd vaststellen van de inhoud van een rechtsbetrekking, maakte de precieze uitkomst van een geding voor eiser en gedaagde bij voorbaat onzeker (

Van den Brandhof, p. 310, 311, 323.

).

De bevoegdheden van de afdeling waren ook anderszins ruimer dan van de gewone rechter. In afwijking van de regels van het burgerlijk procesrecht had de rechtsherstel-rechter geen lijdelijke rol. Er konden belanghebbenden, getuigen en deskundigen worden opgeroepen. De afdeling kon iedereen gelasten inlichtingen en bescheiden te verstrekken. Zaken konden worden samengevoegd of gesplitst. Ook kon de rechtsgang vereenvoudigd worden door het horen van partijen achterwege te laten (

Van den Brandhof, p. 308-310.

).

Rechtspraak in hoger beroep

Voor een belangrijk deel bestonden de werkzaamheden van de afdeling uit behandeling in hoger beroep van beslissingen van de andere afdelingen van de Raad voor het Rechtsherstel: Effectenregistratie, Beheer - inclusief het daaronder ressorterende Nederlandse Beheersinstituut (NBI) - en Onroerende Goederen. Uitzondering vormden de beroepszaken over NBI-beheersbeslissingen die aan de voorzitter van de Raad voor het Rechtsherstel waren opgedragen krachtens art. 11, lid 4 van Besluit Vijandelijk Vermogen E 133, gewijzigd bij art. XIII van Besluit F 272.

Bij de behandeling van zaken in hoger beroep traden belangentegenstellingen tussen de partijen, die bij de rechtsherstelprocedures betrokken waren, scherp aan het licht. De onafhankelijke positie van de afdeling Rechtspraak bleek van cruciale betekenis.

Effectenregistratie

Het bepalen van de eigendomsrechten op effecten veronderstelde de nodige voorbereiding door de afdeling Effectenregistratie. Het ging om numerieke registratie en het bepalen van de rechtsverhoudingen van alle binnenlandse effecten in binnen- en buitenland en alle buitenlandse effecten in Nederland. Uitvoering van de opdracht werd bemoeilijkt door de eenvoudige verhandelbaarheid van effecten.

Tijdens de bezetting hadden Joden al hun roerende goederen, waaronder effecten, moeten in leveren bij een door de bezetter daarvoor speciaal opgerichte bank, de zogenaamde 'roofbank' Lippmann Rosenthal en Co. (LiRo), gevestigd aan de Sarphatistraat te Amsterdam. Deze 'besmette' effecten werden - vaak onder de prijs - verkocht via de Amsterdam effectenbeurs. Op grond van het Besluit E 100 kwamen ze in aanmerking voor teruggave aan de oorspronkelijke eigenaren of hun nabestaanden. De commissionairs die ze destijds op de beurs hadden gebracht waren echter bang dat de nieuwe eigenaren bij teruggave schadevergoeding zouden eisen. De regering zwichtte voor druk van de beurswereld en paste E 100 bij Besluit F 272 zo aan dat aankoop in regelmatig beursverkeer als verwerving te goeder trouw gold. Gedupeerden gingen vervolgens - met name gesteund door de advocaat mr H. Sanders (

Zie het archief van de Commissie tot bescherming der aanspraken van gedepossedeerden 1950-1957, nummer toegang 2.19.42.56.

) - tegen beslissingen van de afdeling Effectenregistratie in beroep bij de afdeling Rechtspraak en werden enkele malen in het gelijk gesteld. Cruciaal was een uitspraak van de Amsterdamse Kamer van de afdeling Rechtspraak van 19 mei 1952. Uit protest schorste de Vereniging voor de Effectenhandel de beursnoteringen. De hele kwestie bleek zo ingewikkeld dat in de pers al geopperd werd dat geen rechtsherstel van effecten te verwachten was vóór het jaar 2000. Met ingang van 12 juni 1953 ging echter een compensatieregeling van start, waarbij gedepossedeerden 90 % van de waarde van de geroofde effecten ontvingen te betalen uit het Waarborgfonds Rechtsherstel mits zij instemden met een schikking en dus afzagen van een beroepszaak. De middelen werden verkregen door heffingen te betalen bij elke effectentransactie en kapitaal gestort door de beurs en de staat (

J. Michman, H. Beem, D. Michman, Pinkas: Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Ede/Antwerpen 1992), p. 215.

)
.

Beheer

Op het gebied van het beheer van de vermogens van 'landverraderlijke' organisaties, politieke delinquenten, vijandelijke staten en onderdanen en aan de staat toegevallen vermogens krachtens de Markenwet (H 251) had het Nederlandse Beheersinstituut vergaande bevoegdheden. Het aantal beheren van vaak aanzienlijke vermogensbestanddelen was zeer groot. Op 1 mei 1946 ging het al om 160.000 beheren. Beheer impliceerde uitoefening van alle uit dat vermogen voortvloeiende rechten, zoals vervreemding en liquidatie van goederen, handelszaken of bedrijven in het belang van het beheerd vermogen of de schuldeisers daarvan, maar ook in het algemeen belang of voor de juiste verhoudingen in een bepaalde bedrijfstak of beroepsgroep. Voor de gevoerde beheren werden kosten in rekening gebracht die betaald werden uit de betreffende vermogens.

Tegen het door de NBI gevoerde beheer werden veel klachten ingediend. Tegen beschikkingen inzake vervreemding en liquidatie van onder beheer staand vermogen stond echter conform artikel 11 van E 133 geen beroep open bij de afdeling Rechtspraak, maar bij de voorzitter van de Raad voor het Rechtsherstel. Bij kwesties die deels tot de competentie van de Raadsvoorzitter en deels tot de bevoegdheid van de afdeling Rechtspraak behoorden besliste de voorzitter (

Zie inv.nr. 46, alsmede archief van het Secretariaat van de Raad voor het Rechtsherstel, voorlopig inv.nr. 118.

). In de jaren 1947-1948 - toen de meeste politieke delinquenten weer in vrijheid werden gesteld, nam het aantal klachten dermate toe dat besloten werd om - tijdelijk - speciale commissies te belasten met het onderzoek van de gegrondheid van de klachten (

Deze commissies vervulden in de jaren 1948-1953 vooral een verwijzende rol voor allerlei onrecht naar Schade Enquêtecommissie, ministerie van Oorlog, Stichting Toezicht Politieke Delinquenten etc. De archieven van deze commissies berusten in de rijkarchiefbewaarplaatsen in de provincies. Zie voor de archieven van de commissies te 's-Gravenhage en Rotterdam de toegangen 3.05.21.01 en 3.05.21.02.

)
.

Voor de uit de kampen teruggekeerde statenloze - voorheen Duitse en Oostenrijkse joden - was het een bittere ervaring dat zij in eerste instantie door de Raad voor het Rechtsherstel beschouwd werden als vijandelijk onderdaan. De Nederlandse wetgever had overigens - ondanks aandrang van bijvoorbeeld de Nederlandse Joodse Coördinatiecommissie in Genève - nadrukkelijk vermeden in de Londense wetsbesluiten specifieke aandacht te geven aan het anti-joodse karakter van de bezettingsmaatregelen en een collectieve regeling voor economisch rechtsherstel van Joden in Nederland van de hand gewezen. Het gevolg was dat iedere betrokkene verplicht was een individuele aanvraag in te dienen bij het NBI om niet langer als vijand beschouwd te worden. De behandeling van deze verzoeken vergde soms jaren, terwijl voormalige landverraders intussen alweer in vrijheid en in het bezit van hun eigendommen waren gesteld (

Zie archief van het Secretariaat van de Raad voor het Rechtsherstel, voorlopig inv. nr. 54.

). Het NBI moest rekening houden met de belangen van onder beheer gestelde vermogens, eisen van redelijkheid en rechtvaardigheid, waken voor rechtsherstelverzoeken van profiteurs en rekening houden met het economisch belang van de staat. Eigenlijk wilde het NBI dat het vijandelijk vermogen zoveel mogelijk aan de staat toeviel (

D. Mulder, Overzicht nopens de geschiedenis van het ontvijandingsbeleid voorzover het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) erbij betrokken is geweest (Den Haag 1962).

)
.

Dit bleek ook bij het treffen van voorzieningen voor de bewindvoering voor rechtspersonen en afwezigen en onbekende eigenaren. Die joden hadden hun geld en bezittingen moeten inleveren bij de eerder genoemde LiRo-bank. Uit dit vermogen waren onder andere de transportkosten van hun eigen deportatie betaald. Een bedrag van 400 miljoen gulden werd overgedragen aan de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA). Na uitvoerig onderzoek bleek dat er 70.000 rekeninghouders geweest waren. Eind 1948 werd 30 % van de ingediende vorderingen uitgekeerd. De regering wilde het resterende bedrag aan de staat doen vervallen. De benadeelden gingen echter in beroep bij de afdeling Rechtspraak. Door een uitspraak van deze onafhankelijke rechter werd het voorstel geannuleerd (

Michman, p. 214-217.

).

Onroerende goederen

Rechtsherstel op dit terrein impliceerde het terugdraaien van de - vaak gedwongen - verkoop van huizen, bedrijfspanden en landerijen. De afdeling Onroerende Goederen moest in eerste instantie proberen om bij geschillen met hulp van notarissen-bemiddelaars een minnelijke schikking te treffen. Wanneer dit niet lukte, kon het geschil worden voorgelegd aan de afdeling Rechtspraak. Bij spoedeisende zaken kon de voorzitter van de afdeling Onroerende Goederen een onmiddellijke voorziening bij voorraad geven, waartegen eveneens beroep kon worden ingesteld bij de afdeling Rechtspraak. In de praktijk verliep de afwikkeling van deze kwesties traag door geringe belangstelling van de notarissen-bemiddelaars, tegenzin van de kopers van joods onroerend goed aan een minnelijk rechtsherstel mee te werken en het ontbreken van leidinggevende jurisprudentie. De betekenis van deze factoren verminderde naarmate meer zaken werden door verwezen naar de afdeling Rechtspraak (

Zie archief van het Secretariaat van de Raad voor het Rechtsherstel, voorlopige inv.nrs. 56, 396.

). In 1959 waren alle zaken over onroerende goederen afgehandeld.

In gevallen waarin volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering conservatoir beslag is toegelaten, kon zodanig beslag worden gelegd in verband met gedingen die tot de competentie van de afdeling Rechtspraak behoorden. Dit behoorde tot de bevoegdheid van de voorzitter van de afdeling of de voorzitter van een van de kamers (

Besluit E 100, art. 147-150.

). Bij herziening van Besluit E 100 bij art. XI van Besluit F 272 werd het ook mogelijk gemaakt om bij zaken van onverwijlde spoed voorzieningen bij voorraad in kort geding te treffen door de voorzitter van de afdeling of van de kamers of hun vervangers met de mogelijkheid van hoger beroep bij de afdeling. Op deze wijze werd een beperkt aantal zaken versneld afgedaan.

Regeling van de procesgang

Regeling van de rechtsgang had betrekking op het in behandeling nemen van een zaak, verwijzing naar een van de kamers, het stellen van termijnen, samenvoegen of splitsen van zaken en uitbreiding of vereenvoudiging van behandeling. Omdat de afdeling een tijdelijk karakter had, moest een uiterste datum voor het indienen van verzoeken om rechtsherstel worden vastgesteld, dat werd 1 september 1946. Bij Besluit van 16 januari 1947 S. H 22 werd de Raad echter bevoegd verklaard zelf een einddatum te bepalen. Aanvankelijk werd gekozen voor 1 januari 1948. Daarna volgde een aantal keren verlenging met een half jaar. Ook verzoeken om behandeling in hoger beroep en om herziening van beslissingen werden aan termijnen gebonden (

Dr L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12, p. 655-656.

).

De procedure voor de afdeling Rechtspraak was geregeld in art. 121-146 van Besluit E 100. Zonodig kon de afdeling zelf nadere regelen stellen (

Zie b.v. Handleiding (voor de werkzaamheden van de griffie van de Amsterdamse kamer) in inv.nr. 30; Overzicht van de werkzaamheden ter Haagse Griffie in inv.nr. 42.

). Een zaak moest worden aangebracht via een schriftelijk verzoekschrift bij de centrale griffie. Uitzondering vormden de rekesten om uitspraak in kort-geding en beslaglegging, die rechtstreeks bij een van de kamers werden ingediend. De verzoekschriften moesten voldoen aan bepaalde formele eisen, bijvoorbeeld toevoeging van afschriften voor alle gerequestreerden.

De centrale griffie bepaalde welke kamer competent was en verwees de zaak ter behandeling daarheen. De substituut-griffier van de kamer oordeelde of het verzoekschrift aan de formele vereisten voldeed, vroeg eventuele nadere gegevens op en wees de zaak toe aan een sub-kamer als de kamer een dergelijke onderverdeling kende. De substituut-griffier zond de stukken aan de gerequestreerden met vermelding van de termijn waarbinnen schriftelijke antwoorden, voldoend aan bepaalde vormvereisten, moesten worden ingediend bij de kamer.

Zoals hiervoor werd aangegeven konden de kamers verschillende rekesten samenvoegen of een geding splitsen in verschillende zaken. Ook kon het geding geschorst worden als bleek dat bij de gewone rechter of bij een van de andere afdelingen een kwestie aanhangig was gemaakt waarvan de uitslag van invloed kon zijn op de uitkomst van het voorliggende geding. De kamer kon verder niet in het geding betrokken belanghebbenden, al of niet op hun verzoek als partij oproepen of toelaten, bij zaken in hoger beroep inlichtingen inwinnen bij de andere afdelingen van de Raad en in openbare zitting getuigen of deskundigen horen.

Na ontvangst van het antwoord of na verstrijking van de daarvoor gestelde termijn bepaalde de substituut-griffier in overleg met de voorzitter van de kamer of een nadere mondelinge toelichting ter zitting van de kamer nodig was, stelde eventueel een dag daarvoor vast en riep partijen op.

Wanneer werd afgezien van mondelinge behandeling, maakte een der leden een concept-uitspraak en zond deze naar de andere leden van de kamer. Na goedkeuring werden partijen opgeroepen voor de uitspraak. Wanneer nog geen definitieve uitspraak gedaan kon worden, werd per zogenaamd interlocutoir vonnis nadere informatie verzameld, bijvoorbeeld door andere partijen op te roepen, deskundigen uit te nodigen en getuigen te horen.

Uitspraak geschiedde in openbare zitting. Iedere partij had recht op afgifte van een afschrift van het vonnis. Binnen drie maanden na de uitspraak konden partijen op grond van nieuwe feiten en omstandigheden herziening vragen.

Voortgangscontrole

De centrale griffie had tot taak alle afzonderlijke rekesten in ontvangst te nemen, te verwijzen naar een behandelende kamer en voortgang van behandeling en wijze van afdoening te registreren. Daarnaast werd de griffie geacht de voortgang van de werkzaamheden van de afdeling als geheel in het oog te houden, de nodige statistische overzichten te vervaardigen en daarover verslag uit te brengen aan ministerie van Justitie. De griffies van de kamers en sub-kamers leverden daartoe periodiek de nodige rapportages.

Bevordering van de eenheid van rechtspraak

Om de eenheid te bevorderen was de centrale griffie het registratiepunt van behandeling van alle zaken, met uitzondering van de kort geding-procedures. Kopieën van vonnissen van de verschillende kamers - die voor de jurisprudentievorming van belang waren - werden door de centrale griffie in de afdeling verspreid tezamen met desbetreffende mededelingen, instructies e.d. ; één exemplaar ging naar de uitgever ter publicatie (

Zie hieronder "Voorlichting".

). De centrale griffie maakte de gepubliceerde vonnissen toegankelijk door het opzetten van een kartotheek (

Ook elders bestond behoefte aan dergelijke 'naslagwerken'. Het NBI vervaardigde bijvoorbeeld een kaartsysteem op alle uitspraken in hoger beroep over beslissingen van het NBI. Zie: Rapport inzake een onderzoek ingesteld naar de personeelsformatie van het Hoofdkantoor van het Nederlands Beheersinstituut p. 119.

)
. In 1957 werd op basis daarvan een gedrukt register uitgebracht over de 1946-1956 (

Zie inv.nr. 131.

)
.

Voorlichting

Door onbekendheid met de rechtsherstelwetgeving deden aanvankelijk tal van rechtzoekende burgers een beroep op de Raad voor het Rechtsherstel voor zaken die niet tot de competentie van de Raad behoorden. Ook meldden zich geregeld bezoekers bij de griffies van de verschillende kamers met mondelinge verzoeken om informatie. Vaak betrof het mensen die geen weg wisten in de desbetreffende wetgeving en geen juridische bijstand konden bekostigen (

Zie inv. 39.

).

Deze situatie bracht het Dagelijks Bestuur van de Raad er toe om vanaf juni 1946 het tijdschrift Rechtsherstel te publiceren met mededelingen over organisatie, samenstelling en werkwijze van de Raad, alsmede samenvattingen van besluiten van de afdelingen (

Zie archief van het Secretariaat van de Raad van het Rechtsherstel, voorlopige inv.nrs. 46, 160-172.

).

Ook in kringen van juristen bestond onduidelijkheid over de rechtsherstelbesluiten, met name over de interpretatie van bepaalde artikelen. Dit was deels te wijten aan het feit dat de toelichtingen op deze besluiten pas na de oorlog en slechts ten dele werden gepubliceerd (

Van den Brandhof, p. 312, 411; Archief van het Secretariaat van de Raad voor het Rechtsherstel, voorlopig inv. nr. 342; Archief van de afdeling Rechtspraak, inv.nr. 94; Enige wetten en besluiten betrekking hebbende op de werkzaamheden van de Raad voor het Rechtsherstel. Uitgegeven door de Raad voor het Rechtsherstel ca. 1948.

). Een en ander gaf tot ver in de vijftiger jaren aanleiding tot het verschijnen van honderden - vaak zeer kritische artikelen - in juridische tijdschriften (

Zie: Overzicht van de rechtspraak: rechtsliteratuur administratieve beslissingen, verzameld voor de gebruikers van het Weekblad van het Recht en van Léons Rechtspraak 1925-1951 (Den Haag), voortgezet als Klapper op de rechtspraak en de rechtsliteratuur 1952-1987 (Zwolle): trefwoorden: Herstel rechtsverkeer, Vijandelijk vermogen.

)
. In deze literatuur wordt ingegaan op het karakter van de Londense noodwetgeving, de taken, bevoegdheden en werkwijze van de Raad en zijn onderdelen en worden talloze vonnissen in detail besproken. Aan de hand hiervan kan enig idee verkregen worden van de omvang en gecompliceerdheid van de rechtsherstelprocessen.

Om voor de burger duidelijkheid te scheppen over het functioneren van de Raad werd de belangrijkste jurisprudentie gepubliceerd. Vonnissen van de afdeling Rechtspraak werden van februari 1946 tot eind 1950 opgenomen in het tijdschrift Tribunalen in Nederland en andere Na-oorlogse Rechtspraak (NOR) tezamen met vonnissen van Tribunalen en arresten van Bijzondere Gerechtshoven en van de Bijzondere Raad van Cassatie. De uitspraken van al deze instanties werden in NOR doorlopend genummerd van 1 t/m 1791 (

Zie inv.nrs. 120-124.

). In de jaren 1948-1951 was de uitgave nagenoeg geheel gewijd aan uitspraken van de afdeling Rechtspraak. Vanaf 1 januari 1951 werden deze opgenomen als bijlage bij Rechtsherstel. Met deze nieuwe uitgave werd tevens gestart met een nieuwe doorlopende nummering: Elk nummer werd bovendien voorafgegaan door het jaar van publicatie, dus bijvoorbeeld 51/1 en 56/560. Een vonnis zónder voorafgaand nummer is derhalve te vinden in NOR en mét voorafgaand nummer in Rechtsherstel.

In september 1957 werd publicatie van uitspraken van de afdeling Rechtspraak gestaakt (

Laatst gepubliceerde vonnis 57/589.

). Doordat inmiddels de nodige jurisprudentie ontwikkeld was en het aantal zaken sterk was afgenomen, was de noodzaak van deze informatieverstrekking vervallen. Naar schatting werd in totaal 10 % van de vonnissen gepubliceerd.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: