gahetNA in the National Archives

Kantongerecht Rotterdam, 1838-1979

3.03.63
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2003
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.63
Author: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2003
CC0

Periode:

1838-1979
merendeel 1838-1979(1983)

Omvang:

511,10 meter; 8954 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat tekeningen.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat registers van strafzaken en vonnissen in strafzaken, audiëntiebladen en minuten van vonnissen in burgerlijke zaken, processtukken betreffende pachtzaken, huurzaken en arbeidszaken. In de afdeling Buitengerechtelijke Zaken zijn er stukken betreffende voogdijzaken (voogdijregisters met klappers), plaatsing in krankzinnigengestichten, inschrijving van akten van coöperatieve verenigingen en vennootschappen, processen-verbaal van schadeopnemingen aan ladingen van schepen alsmede een collectie scheepsjournalen.

Archiefvormers:

  • Kantongerecht, Rotterdam

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Organisatie van de rechterlijke macht

In 1827 kwam de "Wet op de samenstelling der regtelijke magt en het beleid der justitie voor het koningrijk der Nederlanden" (Staatsblad (Stb.) 20) tot stand. Deze wet (afgekort: wet R.O.) werd de grondslag van de nieuwe rechterlijke organisatie. De (nu nog geldende) wet R.O. bepaalt in hoofdzaak welke soorten rechterlijke instellingen er zijn en in welke zaken deze bevoegd zijn. In vele andere wetten staan bepalingen die bepaalde rechterlijke instanties in zekere zaken bevoegd verklaren. Bij de wet R.O. behoorden vier "reglementen van openbaar bestuur", regelende de eedsaflegging en de inwendige dienst, de titulatuur en het ambtskostuum, de orde en discipline voor de advocaten en procureurs en de organisatie van de deurwaarders en andere rechtsbedienden. De Belgische opstand maakte het onmogelijk om de nieuwe rechterlijke organisatie en de wetboeken op 1 februari 1831 in te voeren.

De wet R.O. onderging vervolgens wijzigingen bij wet van 28 april 1835, Stb. 10. Uiteindelijk traden de gewijzigde wet R.O. en de wetboeken in werking op 1 oktober 1838 (ingevolge het Koninklijk Besluit (KB) van 10 april 1838 en het KB van 19 mei 1838). Het Hoog Nationaal Geregtshof werd vervangen door de Hoge Raad der Nederlanden en de provinciale gerechtshoven kwamen in plaats van de hoven van assisen. De negen provinciale gerechtshoven waren gevestigd in Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle, Arnhem, Utrecht, Den Haag, Middelburg en Den Bosch. Naast de gerechtshoven werd in Amsterdam een criminele rechtbank voor het noordelijk deel van Noord-Holland ingesteld. De arrondissementsrechtbanken vervingen de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel. De kantongerechten kwamen in plaats van de vredegerechten en rechtbanken van enkele politie. In 1841 werden nog twee gerechtshoven, in Maastricht en in Amsterdam, en een aantal arrondissementsrechtbanken ingesteld. Met de instelling van de arrondissementsrechtbank in Amsterdam werd de criminele rechtbank opgeheven.

Met de "Wet tot opheffing van Provinciale Geregtshoven en Instelling van nieuwe Gerechtshoven" van 10 november 1875, Stb. 204, werden de provinciale gerechtshoven opgeheven en werden vijf regionale gerechtshoven ingesteld. De nieuwe gerechtshoven waren gevestigd in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden. Bij de wetten van 9 april 1877, Stb. 74-78, werden de rechtsgebieden van de nieuwe gerechtshoven nader bepaald. Een groot aantal rechtbanken en kantongerechten werd opgeheven. De rechterlijke organisatie telde nog 5 gerechtshoven, 23 rechtbanken en 106 kantongerechten. In de volgende jaren werd het aantal arrondissementsrechtbanken en kantongerechten nog aanzienlijk verminderd. De vijf wetten uit 1877, Stb. 74-78, werden op 17 november 1933 ingetrokken bij vijf nieuwe wetten, Stb. 601-605. Deze wetten traden in werking op 1 januari 1934, Stb. 623, en stelden de rechtsgebieden van de gerechtshoven en de zetels van de arrondissementsrechtbanken en kantongerechten vast.

Het merendeel van de strafzaken en burgerlijke zaken valt onder de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbanken. Bij de strafzaken onderscheidt men overtredingen en misdrijven. De berechting van overtredingen, met uitzondering van de overtredingen van bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij is opgedragen aan de kantongerechten. De berechting van de misdrijven met uitzondering van stroperij, en van de overtredingen bedelarij en landloperij behoort tot de competentie van de arrondissementsrechtbanken. De rechtbanken vonnissen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken van de kantonrechter. Daarnaast nemen de rechtbanken in eerste en tevens hoogste ressort kennis van alle jurisdictiegeschillen tussen de kantongerechten binnen haar arrondissement.

In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve competentie.

Absolute competentie geeft antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is (hoofdregel: de arrondissementsrechtbank; in uitzonderingsgevallen: de kantonrechter). De relatieve competentie geeft antwoord op de vraag welke bepaalde rechter van die soort bevoegd is (hoofdregel: de rechtbank of de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde).

Bij absolute competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken. In strafzaken is de kantonrechter bevoegd alle overtredingen, met uitzondering van de overtredingen bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij te berechten. In burgerlijke zaken is de competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. Tenslotte behandelt de kantonrechter ook verschillende buitengerechtelijke zaken.

Ook bij relatieve competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken. In het burgerlijk procesrecht kent men twee procestypen: het proces, dat met een dagvaarding begint en het proces, dat met een verzoekschrift begint. De dagvaarding is een document waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van de deurwaarder tot de tegenpartij wendt. Het verzoekschrift is een document, waarmee een partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt.

Een groot deel van de door de kantongerechten behandelde burgerlijke zaken bestaat uit arbeids- en huurkoopzaken alsmede pachtzaken. Bij wet van 13 juli 1907, Stb. 193, werden de artikelen 125 a-f ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betreffende artikelen golden aanvankelijk alleen voor arbeidszaken en gaven de procedureregels in de volgende zaken:

  • een arbeidsovereenkomst;
  • een agentuurovereenkomst;
  • een collectieve overeenkomst;
  • algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO;
  • aanneming van werk

De kantonrechter was bij uitsluiting bevoegd in bovengenoemde zaken, ongeacht de som van de vordering. Hoger beroep was mogelijk als de vordering meer dan f 2500,- bedroeg. Bij wet van 23 april 1936, Stb. 202, werden de artikelen 125 g-j aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening toegevoegd. Deze artikelen regelden de procedure inzake huurkoopzaken.

De Crisispachtwet van 17 juni 1932, Stb. 301, omschreef begrippen als "pachter", "pachtovereenkomst" en "pachtprijs". Volgens de Crisispachtwet kon de pachter een verzoek doen tot ontheffing van de verplichting tot betaling van de pachtprijs. De verzoeken tot ontheffing werden behandeld door de kamers voor crisispachtzaken. Deze kamers bestonden uit de kantonrechter als voorzitter en twee leden, die niet tot de rechterlijke macht behoorden. De Pachtwet van 31 mei 1937, Stb. 205, regelde onder meer:

  • de pachtovereenkomst moest "op straffe van nietigheid" schriftelijk worden aangegaan;
  • de pachtrechters, bij de kantongerechten en het Gerechtshof te Arnhem, moesten de verplichtingen van de pachter toetsen;
  • een tussentijdse wijziging van de bepalingen in de pachtovereenkomst werd mogelijk;
  • pachtovereenkomsten golden voor onbepaalde tijd, slechts bij uitzondering was een termijn van 1 tot 3 jaar mogelijk.

De pachtkamer bestond uit een voorzitter, de kantonrechter en twee deskundigen ten aanzien van de verhoudingen op het pachtgebied. Deze deskundigen behoorden niet tot de rechterlijke macht. Door de Pachtwet 1937 werden zogenaamde pachtbureaus ingesteld. Deze waren bevoegd beslissingen te nemen over de duur van pachtovereenkomsten. De beslissingen hadden dezelfde rechtskracht als die van de pachtkamers. De Crisispachtwet 1932 en de Pachtwet 1937 werden met ingang van 25 november 1941 buiten werking gesteld en vervangen door het Pachtbesluit. Het Pachtbesluit kende een aantal nieuwe regelingen:

  • men kon schriftelijke vastlegging van een mondeling aangegane pachtovereenkomst vragen bij de grondkamers;
  • de toetsing van de pachtovereenkomsten werd voortaan door de grondkamers verricht;
  • de pachtovereenkomst moest worden aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk twaalf jaar voor een hoeve en zes jaar voor "los land";
  • naast de grondkamers bleven de pachtkamers bij de kantongerechten en bij het Gerechtshof Arnhem bestaan.

Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken alsmede taak, samenstelling en werkwijze van de rechtbanken en kantongerechten wordt verwezen naar het "Werkboek rechterlijke archieven 1838-1940" onder redactie van R. Huijbrecht en "Berecht en gestraft: een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en de strafinstellingen, 1811-1993" van G. Beks en H.J.Ph.G. Kaajan (zie de literatuurlijst).

Geschiedenis van het kantongerecht te Rotterdam

Het gebied en de indeling van het arrondissement Rotterdam zijn tussen 1828 en 1979 nogal eens gewijzigd. Zo omvatte het op 1 oktober 1838 de volgende kantons: Rotterdam 1, Rotterdam 2, Vlaardingen, Schiedam, Hillegersberg en Schoonhoven(

Wet van 28 april 1835, Stb. 46. Zie voor een overzicht van de gemeenten in het arrondissement Rotterdam bijlage 2.

). In 1877 werden de kantons Brielle en Sommelsdijk toegevoegd, terwijl de kantons Vlaardingen en Hillegersberg werden opgeheven en de overige kantons werden vergroot(

Wet van 9 april 1877, Stb. 76 en 79.

)
. Door uitbreiding van de gemeente Rotterdam werd in 1895 een kanton Rotterdam 3 toegevoegd(

Wet van 20 juli 1895, Stb. 133, en KB van 21 september 1895, Stb. 163.

)
. Per 1 januari 1911 werden de drie kantons Rotterdam weer tot één verenigd(

Wet van 5 juli 1910, Stb.181, en KB van 1 november 1910, Stb. 312.

)
. Door opheffing van het kanton Schoonhoven in 1933 werd het kanton Gouda flink vergroot(

Wet van 17 november 1933, Stb. 603, en KB van 2 december 1933, Stb. 650.

)
.

Evenals de arrondissementsrechtbank vestigde het kantongerecht zich in 1838 in het paleis van Justitie, dat in 1822 op de plaats van de voormalige Sint Joris Doelen aan het Haagscheveer. Het paleis, dat eigendom der gemeente was, werd per 1 januari 1891 door de gemeente aan het Rijk verhuurd. De voornoemde uitbreiding van het ressort van het arrondissement in 1877 (Staatsblad no's 76 en 79) bracht een vermeerdering van het personeel met zich mee, wat tot een ruimtegebrek bij het kantongerecht leidde. Een verzoek aan Burgemeester en Wethouders van Rotterdam voor huisvesting elders leverde niets op, daar het ministerie vanwege de hoge koop- en huurprijs niet op het aanbod van het pand aan de Baan no. 1 wilde ingaan. In 1882 werd een voorstel gedaan tot aankoop van een terrein in de nabijheid van het Centraal Station voor de stichting van een nieuw Paleis van Justitie. Zes jaar later werd een ander ontwerp besproken, dat was gesitueerd op het terrein vóór de strafgevangenis aan de Noordsingel. Van beide plannen ging de uitvoering niet door. Met de vorming van een derde kantongerecht in 1888 werd de toestand feitelijk onhoudbaar. Doordat de minister van Waterstaat niet wilde meewerken lukte het al evenmin in 1893 om de gronden bij 's Rijks entrepot te verkrijgen om daar een rechtsgebouw benevens Huis van Bewaring te stichten. In 1895 bood de gemeente Rotterdam een aan de Oostzeedijk over de Nieuwe Plantage gelegen bouwterrein aan het Rijk aan, maar de minister aanvaardde dit bod niet.

In plaats daarvan werd het plan uit 1888 het daarop volgende jaar opnieuw bestudeerd. Bij de behandeling in de Tweede Kamer in 1897 werd ondermeer de samenvoeging van de rechtbank met de kantongerechten als één van de voordelen genoemd. De bouw van het gerechtsgebouw werd nog dat zelfde jaar gestart om eind 1899 te worden opgeleverd. Reeds in 1920 kampten het kantongerecht met ruimtegebrek. Een drietal elders in Rotterdam gele-gen bouwterreinen werden mede vanwege de excentrisch ligging en het lawaai van bedrijven en een rangeerterrein afgewezen. Daarom werd besloten een aanbouw te realiseren op het niet bebouwde stuk grond vóór de woning van de directeur van de strafgevangenis. Dit doorkruiste een ander plan van de arrondissementsrechtbank om op dat terrein een noodgebouw te laten bouwen. Als gevolg van de toestand van 's Rijks schatkist werden beide plannen niet verwezenlijkt. Desondanks werd het plan voor de uitbouw voor het kantongerecht in de beginjaren twintig verder uitgewerkt en werd in 1929 geïnformeerd naar de wenselijkheid om hiervoor alsnog geld te reserveren. In 1934 werd het vertrek van de griffie en van de expeditie-afdeling tot één vertrek verenigd. In 1939 werd overgegaan tot het verbouwen van twee bergplaatsen voor brandstoffen tot schuilkelders in het rechtsgebouw, waarvan één in het kantongerecht. In 1940 liepen het gerechtsgebouw, de strafgevangenis en het Huis van Bewaring als gevolg van het bombardement op Rotterdam ernstige schade op. Bij het herstel van het gerechtsgebouw werden ook verbeteringen aan het pand aangebracht. In 1949 werd de zolderruimte boven het kantongerecht ten behoeve van de economische rechtbank van de arrondissementsrechtbank verbouwd(

Kort overzicht van de Geschiedenis der Gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding van de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen (uitgave Departement van Justitie, Archief, 's-Gravenhage, 1912) pp. 44-45. J.W. Mulder, de Rechtbank Rotterdam van 1811 tot 1900, Rotterdam 1900, pp. 51-55 en op pp. 58-59 een beschrijving van de vertrekken van de kantongerechten. Voor de latere periode aangevuld met gegevens uit: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Justitie, Gebouwen, dossier 103.

). In de periode die deze inventaris beslaat hield het kantongerecht, dat inmiddels elders in Rotterdam is gehuisvest, nog aan de Noordsingel kantoor.

Lijst van gemeenten, behorende tot het rechtsgebied van het kanton Rotterdam

    • Het gedeelte van Rotterdam aan de rechter-Maas oever gelegen aan de westzijde van het water dat, onder den naam van de Schie, vervolgd in de Delftsche vaart, door de Vlasmarktsluis, den Steiger, onder door de Groote Markt, de Kolk en de Oude Haven tot aan de Maas, de gemeente doorsnijdt.
    • Het gedeelte van Rotterdam aan den rechter Maasoever gelegen aan de oostzijde van het hiervoren genoemde water, met dat water zelf.
    • Capelle aan den IJssel
    • Bergschenhoek
    • Hillegersberg
    • Schiebroek
    • Het gedeelte van Rotterdam aan den linker Maas oever met de nieuwe Maas zelve, daaronder begrepen de Oost- en Westkous.
    • Rhoon
    • Poortugaal
    • Hoogvliet
    • Pernis
  • Rotterdam
  • Capelle aan den IJssel
  • Bergschenhoek
  • Hillegersberg
  • Schiebroek
  • Rhoon
  • Poortugaal
  • Hoogvliet
  • Pernis
  • Krimpen aan den IJssel
  • Krimpen aan de Lek
  • Lekkerkerk
  • Ridderkerk
  • IJsselmonde
  • Nieuw-Lekkerland
  • Alblasserdam
  • Barendrecht
  • Heerjansdam
  • Rotterdam
  • Barendrecht
  • Bergschenhoek
  • Capelle aan den IJssel
  • Heerjansdam
  • Krimpen aan de Lek
  • Krimpen aan den IJssel
  • Lekkerkerk
  • Poortugaal
  • Rhoon
  • Ridderkerk

(Zie: Werkboek Huijbrecht, p. 122, 144, 173 en de Wet van 10 augustus 1951 (Stb. 347).)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: