Baljuw en Vierschaar ZH
- Archive inventory
- Archive description
- Archive elements
- Files
- All scans (0)
3.03.08.224
G.F. van der Ree-Scholtens en H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1990
This finding aid is written in Dutch.
Beschrijving van het archief
Naam archiefblok:
Rechterlijke Archieven in Zuid-Holland: Baljuw en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, 1574-1811 (1813)
Baljuw en Vierschaar ZH
Periode:
1574-1813
Omvang:
37,60 meter; 249 inventarisnummers.
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Nederlands
Soort archiefmateriaal:
Het gehele archief is verfilmd.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Samen met het college van welgeboren mannen vormde de baljuw een gerecht of Hoge Vierschaar. Zij waren competent tot het doen van uitspraken in zowel halszaken - waarop lijf- of doodstraffen waren gesteld - als boetstraffelijke zaken. In civiele zaken trad de Hoge Vierschaar op als college van hoger beroep. Ook had de baljuw - al dan niet samen met welgeboren mannen - taken op bestuurlijk gebied, zoals het handhaven van de openbare orde, het maken van keuren, de belastinginning en (rooms-katholieke) godsdienstzaken. Hett archief is gevormd door baljuw en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland en door de baljuw. Het is onderverdeeld in een algemeen deel, met notulen, missiven, rekesten, en een bijzonder deel, waarin ondermeer zijn ondergebracht stukken betreffende (voor)onderzoeken, procedures en tenuitvoerleggingen in criminele zaken, papieren betreffende boetstraffelijke zaken, processtukken en financiële afwikkelingen in civiele zaken (contentieuze en voluntaire zaken). Verder zijn er documenten op het gebied van regelgeving, openbare orde, belasting- en religieuze zaken en enige losse stukken.
Archiefvormers:
- Baljuw en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, 1574-1811 (1813)
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Algemene geschiedenis van de baljuwschappen
Tot de bevoegdheden van de graven van Holland behoorde van oudsher de uitoefening van rechtspraak en bestuur. Naargelang het landsheerlijk territorium van de graven zich uitbreidde en de bevolking in aantal toenam, waren de graven steeds minder in staat hun bevoegdheden alleen uit te oefenen en ontstond de behoefte aan decentralisatie. Dit leidde in de loop van de dertiende eeuw tot de instelling van een aantal districten, baljuwschappen genaamd, met aan het hoofd een 'ambtenaar', de baljuw, die namens de graaf rechtspraak en bestuur uitoefende. (
In het algemeen gaat men ervan uit, dat de ontwikkeling van de baljuwschappen in Holland en Zeeland onder invloed van Vlaanderen heeft gestaan, zie bijvoorbeeld H.J. Smit, De rekeningen der graven en gravinnen uit het Henegouwse huis, dl. 3: Inleiding (Utrecht, 1939) p . 134. Voor de veronderstelling, dat de ontwikkeling in Holland meer overeenkomst vertoont met die in Brabant zie H.M. Brokken en H. de Schepper, 'Beheer en controle van de overheidsfinanciën in de Nederlanden tot omstreeks 1600', in: P.J. Margry, E.C. van Heukelom en A.J.R.M. Linders, red., Zes eeuwen Rekenkamer. Van 'camere van der rekeninghen' tot algemene rekenkamer ('s-Gravenhage, 1989) pp. 15-56.
In 1252 vinden we de eerste vermelding van een baljuw, van wie het ambtsgebied zich over heel Holland (ballivus tocius Hollandiae) uitstrekte; iets eerder was er een soortgelijke baljuw voor Zeeland. Reeds in 1252 had de baljuw voor Holland een onderbaljuw voor Zuid-Holland onder zich. Dit gebied werd niet lang daarna een zelfstandig baljuwschap. In 1254 zien we een baljuw in Kennemerland en in 1260 een baljuw in wat toen Noord-Holland werd genoemd, welk gebied vervolgens omstreeks 1275 werd verdeeld in de baljuwschappen Rijnland, Delfland en Schieland. (
R. Fruin, Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den val der republiek. Uitgegeven door H.T. Colenbrander ('s-Gravenhage, 1901) pp. 66-67. Zie voor nuancering van de ontstaansdata van Delfland en Schieland en voor de omvang van Delfland, Th.F.J.A. Dolk, Geschiedenis van het hoogheemraadschap Delfland ('s-Gravenhage, 1939) en J.F. Niermeyer, Delft en Delfland. Hun oorsprong en vroegste geschiedenis (Leiden, 1944). Zie tevens: J.G. Kruisheer, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, dl. 2: 1222-1256 (Assen/Maastricht, 1986) nrs. 841, 917 en 1019; L.Ph.C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, 2 dln. (Amsterdam/Den-Haag, 1867-1873) dl. 2, nrs. 67 en 250; J. de Fremery, Supplement Oorkondenboek van Holland en Zeeland (Den-Haag, 1902) nr. 182. Rijnland, Delfland en Schieland werden later hoogheemraadschappen genoemd. Zie voor de betekenis van deze terminologie J . Ph. de Monté VerLoren en J. E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling (Deventer, 1982; 6e druk) p. 181, en J.V. Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, een studie over Hollandsche Staatsbouw tijdens de Republiek (Leiden, 1937) pp. 281-283. De waterschappen hebben afzonderlijke archieven gevormd.
De ontwikkeling van de waterschappen Rijnland, Delfland en Schieland liep niet geheel parallel met die van de baljuwschappen. Het waterschap Rijnland bestond vermoedelijk al omstreeks 1220. (
Zie bijvoorbeeld S.J. Fockema Andreae, Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 (Leiden, 1934) p. 38; Dolk, Hoogheemraadschap Delfland, p. 17. S.Hzn. Muller, Over de oudste geschiedenis van Schieland (Amsterdam, 1914) p. 57. Dolk, Hoogheemraadschap Delfland, p. 16. Zie voor deze ontwikkeling S.J. Fockema Andreae, 'Aanteekeningen omtrent het baljuwschap Rijnland' in: Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XI (1932) pp. 247-251. Fockema Andreae, 'Aanteekeningen', p. 242. De laatste gegevens zijn van het baljuwschap Zuid-Holland niet bekend.
Vanaf hun ontstaan tot aan het einde van het Ancien Régime bleven organisatie en taken van de baljuwschappen niet steeds dezelfde. Tot een duidelijke laag tussen de grafelijkheid en de dorpen hebben ze zich evenwel niet kunnen ontwikkelen. De baljuwen hebben veel van hun macht moeten prijsgeven. Daarbij deden zich wel eens problemen voor. Bekend is de poging van baljuw Foy van Brouchoven en secretaris Jan van Hout (omstreeks 1580) om voor wat betreft het baljuwschap Rijnland de bevoegdheid tot het maken van keuren en het toezicht op de dorpsbesturen uit te breiden. Dit leidde al spoedig tot een conflict met het Hof van Holland, toen een door baljuw en welgeboren mannen van Rijnland uitgevaardigde keur betreffende boedelscheidingen niet aan het Hof ter approbatie werd toegezonden. De ruime interpretatie, die baljuw en welgeboren mannen hier aan hun competentie hadden gegeven, werd door het Hof van Holland niet geaccepteerd. In diezelfde tijd leidde een keur betreffende de wezen (zie verder) tot een geschil met een aantal ambachtsheren, die voor hun eigen ambacht al in deze materie hadden voorzien. (
Fockema Andreae, 'Aanteekeningen', pp. 261-263.
Door de Franse Revolutie en de daarop in de Republiek gevolgde Bataafse omwenteling in 1795 maakte men hier in brede kring kennis met de door de Verlichting geïnspireerde ideeën over machtenscheiding. Voor de baljuwschappen had dit op papier wel gevolgen, maar in de praktijk bleven baljuwen en welgeboren mannen hun taken uitoefenen als voorheen, zij het dat er een gedeeltelijk nieuwe colleges werd samengesteld. (
Zie A.H. Martens van Sevenhoven, De Justitieele Colleges in de steden en op het platteland, 1795-1811 (Utrecht, 1912) p. 253 e.v. Ibidem, p. 301. De transformatie en de 'uiteindelijke opheffing van de hoge vierscharen in de jaren 1795-1811 zijn uitvoerig beschreven door Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges.
Organisatie
De baljuw
De baljuw werd als vertegenwoordiger van de landsheer benoemd door de graaf of diens vertegenwoordiger (stadhouder). Na de Opstand en het 'Plakkaat van Verlatinghe' (
Het besluit van de Staten-Generaal der opstandige Nederlandse gewesten, waarbij Philips II, naar aanleiding van zijn tiranniek bewind, vervallen werd verklaard van de heerschappij over die gewesten. S. van Leeuwen, Keuren ende Ordonnantiën van het Baljuwschap ende lande en Rijnland (Leiden/Rotterdam, 1667) p. 53. J.H.W. Unger, De Regeering van Rotterdam, 1328-1892 (Rotterdam, 1892) p. XXXV.
Dordrecht bezat als hoofdstad van Zuid-Holland in dat district bijzondere voorrechten. Zo mocht het ambt van baljuw van Zuid-Holland alleen door inwoners van Dordrecht vervuld worden. Ook had Dordrecht het recht van voordracht in de benoeming van de Zuid-Hollandse baljuwen. (
In de Handvesten van Dordrecht werd in 1494 vastgelegd dat Dordrecht en het Land van Zuid-Holland 'ten eeuwige dage een onverscheiden lichaam zullen blijven', P.H. van de Wall, Handvesten, Privilegiën, Voorregten en Costumen der stad Dordrecht, dl. 2 (Dordrecht, 1790) p. 744.
De benoeming geschiedde in Rijnland, Delfland en Zuid-Holland voor onbepaalde tijd, in Schieland vanaf 1624 voor de tijd van vijf jaar, maar gezien de ambtsduur was hier verlenging mogelijk. Een baljuw kon overigens ook worden afgezet. Na de benoeming van de baljuwen moest door hen een eed worden afgelegd. Deze werd door de baljuwen van Rijnland, Delfland en Zuid-Holland aanvankelijk aan de landsheer afgelegd, daarna aan de Rekenkamer en vervolgens, na de opheffing van de Rekenkamer in 1728, aan de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. Voor de baljuw van Schieland gold tot de verkoop van het baljuwschap aan Rotterdam in 1576 hetzelfde, daarna werd de eed afgelegd in handen van de Vroedschap van Rotterdam. (
Martens van Sevenhoven, Justitiee1e Colleges, p. 211. Voor Rijnland bijvoorbeeld die uit 1582, uitgevaardigd door de Grafelijkheidsrekenkamer (Rijksarchief in Zuid-Holland, Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer, inv.nr. 622); voor Delfland een instructie, eveneens uitgevaardigd door de Grafelijkheidsrekenkamer (Rijksarchief in Zuid-Holland, Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer, inv.nr. 493); en voor Schieland één uit 1624, uitgevaardigd door de Vroedschap van Rotterdam, zie Unger, Regeering Rotterdam, p. XXXV. Voor Zuid-Holland is geen instructie gevonden.
Wat de sociale herkomst van de baljuwen betreft is in de loop der tijden een verschuiving te constateren. (
Zie hierover H.M. Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (Zutphen, 1982) pp. 161-165. Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, p. 216.
De baljuwen genoten niet alleen een vaste bezoldiging, maar zij mochten bovendien twee/derde deel van de boeten die zij inden behouden, terwijl de rest aan de grafelijkheid toekwam. Daarnaast verkregen zij inkomsten uit compositiebedragen (
Compositie was de mogelijkheid strafvervolging af te kopen voor een aan de baljuw te betalen bedrag. Van het baljuwschap Rijnland zijn ruim twintig rekeningen uit de veertiende eeuw en twee uit het begin van de zeventiende eeuw bewaard gebleven; van Delfland en Schieland is uit de veertiende eeuw een vijftiental bewaard gebleven en van Delfland verder nog een aantal rekeningen uit de zestiende (ongeveer veertig) en uit de zeventiende eeuw (twaalf). Van Zuid-Holland zijn twee rekeningen uit de veertiende eeuw bewaard gebleven en tientallen uit de volgende eeuwen. De veertiende eeuwse rekeningen bevinden zich in het Archief van de Graven van Holland (Rijksarchief in Zuid-Holland, inv.nrs. 1861-1886, 1902-1916, 1918-1927 en 1945-1947), de overige in het Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer (Rijksarchief in Zuid-Holland, inv.nrs. 3575-3576, 3592- 3632, 3643 en 3647-3684). Degene die rekening en verantwoording aflegde werd vaak de rendant genoemd. Hij kreeg zelf een kopie van de rekening. Om een voorbeeld te noemen: in Zuid-Holland waren onder andere W. Zuylen van Nyevelt, J. Muys van Holy en P. de Roovere tevens schout van Dordrecht, zie bijlage VIII.
Welgeboren mannen
De colleges van welgeboren mannen vormden samen met de baljuw het gerecht, ook wel hoge vierschaar of hof genoemd. (
De term 'hof' voor de hogere rechtscolleges zou volgens Martens van Sevenhoven verklaard kunnen worden uit het feit, dat de vierschaar vroeger gespannen werd in het versterkte huis of het hof van de graaf of de heer, Justitieele Colleges, p. 219. Zie over leden van deze colleges: Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, m.n. pp. 250-257, en Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, pp. 214-219.
Hoewel de welgeboren mannen de ingezetenen vertegenwoordigden, werden zij niet door hen gekozen. (
Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, p. 253. Zie voor informatie over de verkiezingen van mansmannen in het baljuwschap Zuid-Holland de inv.nrs. 49-52. Overigens moest de baljuw van Zuid-Holland jaarlijks 'opten Meydag' een nominatie van 33 'mannen' opstellen, waarvan 'twee deelen wesen sullen uytten lande van Zuyd-Hol1andt geen land-poorters zijnde, en 't derdendeel uyt onse stad van Dordrecht', M. Balen Jansz., Beschrijvinge der Stad Dordrecht, dl. I (Dordrecht, 1667) p. 22.
Aanvankelijk was het aantal welgeboren mannen in de baljuwschappen ongelimiteerd. In 1559 werd door Filips II een vast aantal ingesteld. De baljuw zou voortaan een aanbeveling opmaken van vijfentwintig welgeboren mannen, waaruit de graaf door middel van het Hof van Holland er dertien zou kiezen tot uitoefening van de civiele jurisdictie. In 1613 werd voor de criminele rechtspraak een zelfde aantal vastgelegd. (
Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, pp. 254-255. Zie ook R. Fruin, Staatsinstellingen, pp. 124-125, en S.J. Fockema Andreae, Bijdragen tot de Neder1andsche Rechtsgeschiedenis, dl. IV (Haarlem, 1900) pp. 370-371.
In Delfland werd de nominatie niet door de baljuw alleen, maar door baljuw en welgeboren mannen gezamenlijk opgemaakt. (
Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, p. 218. Unger, Regeering Rotterdam, p. XXXVI. Balen Jansz., Beschrijvinge Dordrecht, dl. I, p. 22.
Secretaris en klerken
De baljuw, welgeboren mannen en schepenen werden in hun werkzaamheden bijgestaan door een aantal functionarissen. De secretaris was hiervan de belangrijkste. Hij was aanwezig bij alle zittingen, zowel van het voltallige college als van commissies uit de hoge vierschaar en diende aantekening te houden van alles wat zich daar voordeed. Ter ondersteuning van de werkzaamheden van de secretaris kon de baljuw een aantal klerken in dienst nemen. Daarnaast had de baljuw verschillende boden en dienaren van justitie in dienst. Met uitzondering van de secretaris moest de baljuw al deze functionarissen zelf betalen.
Zetels der gerechten
Hoewel Leiden, Delft, Rotterdam en Dordrecht hun eigen schout en schepenen hadden en, zoals we eerder zagen, niet onder de competentie van de baljuwen vielen, waren de vier hoge vierscharen wel in deze steden gevestigd. Zij hielden hun zittingen daar doorgaans op het stadhuis. (
Zie pp. xviii, xxi en xxii.
Taken
De oorspronkelijke taak (
Zie vooral Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, passim. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, werd een scheiding van machten, in de zin van toedeling van de verschillende overheidsfuncties aan onafhankelijke organen, in de Nederlanden pas in de Franse tijd ingevoerd.
Rechtspraak
Op het terrein van de rechtspraak hadden de baljuwen en hoge vierscharen in hun ambtsgebied verschillende bevoegdheden. Allereerst kan de uitoefening van de hoge jurisdictie genoemd worden. Dit hield in dat baljuw en welgeboren mannen in strafzaken alle misdaden mochten berechten waarop lijf- of doodstraffen waren gesteld, de zogenaamde hals(straffelijke) zaken. De steden en hoge heerlijkheden binnen het gebied van de baljuwschappen hadden echter hun eigen hoge jurisdictie en waren onttrokken aan de competentie van baljuw en hoge vierscharen. (
Deze hoge heerlijkheden, die dus zelf de halszaken in hun gebied berechtten, werden vanwege die bevoegdheid ook wel halsheerlijkheden genoemd. De galg was het teken van hun hoge rechtsmacht.
Naast de halszaken vielen ook verschillende boetstraffelijke zaken onder de competentie van baljuw en welgeboren mannen. Boetstraffelijke zaken waren in het algemeen overtredingen, waarop een boete was gesteld. Kleine overtredingen met geringe boeten vielen onder de competentie van de plaatselijke ambachtsgerechten. Enkele zwaardere vergrijpen, zoals bijvoorbeeld overtreding van de ordonnanties op 'het vegten ende quetsen' waren aan baljuw en hoge vierschaar voorbehouden. (
S. van Leeuwen, Handvesten ende Privilegien van den Lande van Rijnland, met den Gevolge van dien, (Leiden/Rotterdam, 1667) p. 260; Fockema Andreae, Bijdragen, IV, p. 370, en Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, p. 255.
In civiele zaken traden de hoge vierscharen vooral op als instantie in hoger beroep van uitspraken van de ambachtsgerechten. Van vonnissen gewezen door de stedelijke schepenbanken, ging men dadelijk in appèl bij het Hof van Holland. Daarnaast waren de hoge vierscharen in eerste instantie bevoegd in bepaalde civiele zaken, bijvoorbeeld bij kwesties tussen edelen en welgeboren mannen of leenmannen. Voor deze laatste zaken kon men overigens ook in eerste instantie bij het Hof van Holland terecht. Ook bestond de mogelijkheid dat partijen de lagere instantie oversloegen en bij overeenkomst meteen naar de hoge vierschaar gingen, de zogenaamde prorogatie van rechtspraak. (
Van Leeuwen, Handvesten, p. 260; Fockema Andreae, Bijdragen, dl. IV, p. 370.
Naast deze zogenaamde contentieuze jurisdictie, de jurisdictie in geschillen op tegenspraak, speelde ook de voluntaire jurisdictie of vrijwillige rechtspraak een rol. Hoewel op dit terrein vooral de ambachtsgerechten bevoegd waren, bijvoorbeeld voor het passeren van allerlei akten met betrekking tot onroerend goed, viel een aantal zaken onder de competentie van baljuw en hoge vierscharen. Zo hielden zij zich onder andere bezig met ondercuratelestelling en het benoemen van curators over desolate boedels. Voor dergelijke specifieke taken waren de hoge vierscharen in verschillende commissies verdeeld.
De baljuw trad bij alle genoemde zaken niet op als rechter, doch als rechtsvorderaar. In strafzaken leidde hij het vooronderzoek. Hij was verder voorzitter van het gerecht en vroeg op de zitting aan de welgeboren mannen om een vonnis te formuleren. Nadat de laatsten het vonnis hadden gewezen zorgde de baljuw dat dit ten uitvoer werd gelegd. Voor de voltrekking van doodvonnissen en lijfstraffen maakte hij gebruik van de diensten van een beul of scherprechter. Voor Rijnland, Delfland en Schieland trad doorgaans de beul van Haarlem op, die in heel Holland en Zeeland bevoegd was. (
G.J. Gonnet, De meester van den scherpen zwaarde te Haarlem (Haarlem, 1917) p. 6.
Door de veelheid van rechtskringen in Holland (baljuwschappen, steden, hoge en ambachtsheerlijkheden) was samenwerking in veel gevallen noodzakelijk, bijvoorbeeld bij het opsporen van verdachten en bij de controle van informatie verkregen uit verhoren. (
Zie Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, m.n. pp. 69-73, en A.F. Zwaardemaker, 'De interjurisdictionele verhoudingen in het strafrecht van de Republiek der Verenigde Nederlanden', in: Tijdschrift voor Strafrecht, XLIX (1939) pp. 221-267.
Het recht dat werd toegepast was het landrecht, aangevuld met de eigen keuren. De oudst overgeleverde keuren dateren uit de zestiende eeuw. (
Van Leeuwen, Handvesten, p. 471, en de Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Delfland, inv.nr. 8. De Monté VerLoren, Hoofdlijnen, p. 199; zie ook J. Gilissen, Historische inleiding tot het recht, dl. II (Antwerpen, 1989) pp. 50-52. J. Gilissen, 'Les phases de la codification et de l'homologation des coutumes dans les XVII provinces des Pays-Bas', in: Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XVIII (1950) pp. 264-265.
Bestuur
De bestuurlijke taak van baljuw en welgeboren mannen omvatte in ruime zin datgene wat nu bestuur en wetgeving wordt genoemd. Dit behelsde niet alleen het daadwerkelijk handhaven van de openbare orde en rust in het baljuwschap, maar ook het toezicht op de naleving van de ordonnanties van het hogere gezag en het zelf maken van keuren. Voorts droeg de baljuw zorg voor de levering van heervaartcontingenten (
Een heervaartcontingent was het verplichte aandeel aan bijeen te brengen krijgsvolk; later vaak afgekocht met een som geld, waarmee huursoldaten werden betaald.
Tot de handhaving van de openbare orde behoorde een aantal facetten. Zo hadden vroedvrouwen, chirurgijns, tappers, bakkers en andere neringdoenden toestemming nodig om hun beroep te mogen uitoefenen. Zij legden ter verkrijging van een akte van admissie, een eed af in handen van de baljuw. (
Zie bijvoorbeeld de Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Rijnland, inv.nrs. 26 en 149-153, en idem van Schieland, inv.nrs. 128 en 132. Zie voor een opsomming van taken ook Van Leeuwen, Handvesten, p. 53; Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, p. 231.
De zorg voor een goede justitie hield tevens toezicht in op de schouten in de ambachten. Dezen moesten in handen van de baljuw de eed afleggen, voordat zij in functie konden treden. (
Van Leeuwen, Handvesten, p. 53, en Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Rijnland, inv.nr. 146.
Belastingzaken
Naast rechtspraak en bestuur had de baljuw (zonder welgeboren mannen) nog een taak op het terrein van de belastingen. Gecommitteerde Raden hadden sedert het einde van de zestiende eeuw het opperbestuur over de belastingen en hadden tot de uitoefening daarvan een aantal districten ingesteld. In deze zaken werd recht gesproken door Gecommitteerde Raden zelf of door de door hen gedelegeerde schepen-commissarissen in de steden. De Generale Ordonnanties op de verpachting van de imposten gaven hiervoor naast materiële regelingen, ook regels van procesrecht. (
Groot Placaet-Boeck, vervattende de placaten, ordonnantien ende edicten vande Doorluchtige Hoog Mog. Heeren Staten Generael der Vereenighde Nederlanden ende vande Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Hollandt en West-Vrieslandt, mitsgaders vande Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt, dl. III ('s-Gravenhage/Amsterdam, 1683) 808, dl. VII ('s-Gravenhage/Amsterdam, 1770) 1005 en 1011. J.V. Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, pp. 185-186 en 277-278.
Rooms-katholieke godsdienstzaken
Ook bij zaken op het terrein van de rooms-katholieke godsdienst trad de baljuw alleen op en hadden de welgeboren mannen geen bevoegdheden. Deze stukken zijn eveneens in het archief van de baljuw opgenomen.
Als gevolg van de Opstand was de positie van de rooms-katholieke kerk veranderd van enig erkende tot vervolgde kerk. Ze was geen Staatskerk meer. Het proces van de overgang van de rooms-katholieke naar de gereformeerde godsdienst verliep langzaam en moeizaam en was niet overal succesvol. In het kader van deze calvinisering van de bevolking werd sedert het einde van de zestiende eeuw in de noordelijke Nederlanden door plakkaten iedere vorm van katholieke godsdienstuitoefening verboden, tenzij binnen de eng huiselijke kring. De baljuw had de taak gekregen om toe te zien op naleving van de plakkaten van de Staten van Holland inzake rooms-katholieke godsdienstzaken. Hij moest de gereformeerde religie als zijnde de enige ware religie beschermen.
Vanaf het einde van de zestiende eeuw, omstreeks 1590, verrichtten steeds meer ordegeestelijken, waaronder de Jezuïeten, zielzorg. De uitoefening van de katholieke godsdienst, in de zeventiende eeuw langzamerhand feitelijk geduld, werd in de loop van de achttiende eeuw formeel aanvaard. De plakkaten hielden niet langer onderdrukking, maar voorwaardelijke erkenning en intomende controle in. Zo regelde het Hollandse plakkaat van 21 september 1730 (
Dit was het 'Placaat tegens de Roomsche Priesters, den 21 september 1730', Groot P1acaet-Boeck, dl. VI ('s Graven-Hage, 1746) pp. 367-369.
De Weeskamer van Rijnland
Als apart archief valt dat van de weeskamer van Rijnland aan te merken, zij het dat het archief uit nog slechts één deel bestaat. De zorg voor wezen en halfwezen was in Holland van oudsher in handen van de graven geweest. Vanaf de vijftiende eeuw werd de wezenzorg doorgaans behartigd ofwel door de plaatselijke gerechten, meestal onder oppertoezicht van de graaf of diens vertegenwoordiger (baljuw of schout), ofwel door de weeskamers. (
Zie hierover J. Smit, De Zuidhollandsche weeskamers (Alphen aan den Rijn, 1946) pp. 1-9.
De baljuwschappen Rijnland, Delfland, Schieland en Zuid-Holland kenden ieder een weeskeur, zij het dat de strekking daarvan verschilde. De weeskeuren van Schieland en Zuid-Holland waren weliswaar door baljuw en vierschaar uitgevaardigd, maar deze legden de weeszorg bij de plaatselijke schouten en gerechten; het waren keuren voor het platteland. De Delflandse weeskeur kwam tot stand door de samenwerking van enige Delflandse plaatselijke gerechten, waarbij baljuw en welgeborenen geen rol speelden. (
Smit, Zuidhollandsche weeskamers, pp. 31-33.
Anders was het gesteld in Rijnland. Daar hadden baljuw en welgeborenen door middel van een weeskeur in 1586 een centrale weeskamer voor het gehele baljuwschap opgericht. (
Smit, Zuidhollandsche weeskamers, p. 7. Fockema Andreae, 'Aanteekeningen', pp. 262-263. Smit, Zuidhollandsche weeskamers, pp. 7-8. Van Leeuwen, Costumen van Rijnland, p. 372.
Globaal overzicht van de dorpen, behorend tot het baljuwschap Zuid-Holland, aan het einde van de achttiende eeuw
(zie kaartje)
| Alblas en Alblasserdam | de Mijl |
| deel Bergambacht | Mijnsherenland van Moerkerken en Heinenoord |
| Berkenwoude en Achterbroek | |
| Bezooien en Sprang | Molenaarsgraaf |
| Bleskensgraaf | Naaldwijk |
| Brandwijk en Gijbeland | Nederveen-Kapel |
| Dubbeldam | Niemandsvriend |
| Dussen-Muilkerk en Drimmelen en Stanthazen | Nieuw Lekkerland |
| Oost-Barendrecht | |
| Dussen Munsterkerk | Oost-IJsselmonde |
| Giessendam | Ouderkerk |
| Giessen-Ouderkerk | Puttershoek |
| 's-Gravenduin-Kapel | Raamsdonk |
| de Groote Lind | Ridderkerk |
| Groot-Waspik | Rijsoord |
| 's-Heerarendsberg | Sliedrecht (Lokhorst) |
| Heerjansdam | deel Stolwijk en Stormpolder |
| Heer-Oudelandsambacht | Streefkerk |
| Hendrik-Ido-Ambacht en de Oostendam met Schildmanskinderenambacht | Strevelshoek en Sandelingenambacht |
| Vrijhoeven-Kapel | |
| Kijfhoek | Werkendam |
| de Kleine Lind | West-Barendrecht en Karnisse |
| Klein-Waspik | West-IJsselmonde |
| Krimpen aan de IJssel | Wieldrecht en deel Merwedepolder |
| Krimpen aan de Lek | |
| Maasdam | Zuidewijn-Kapel |
| Meerdervoort | Zwijndrecht |
[Ontleend aan Egmond, 'Hoge jurisdicties', pp. 148-149, 154, 157-158 en 160-161, Dolk, Delfland, pp. 6 en 31-33, Fockema Andreae, 'Aantekeningen', pp. 240-251, Gosses, 'Vorming Holland', p. 295, Van Leeuwen, Handvesten, pp. 15-19 en Muller, Schieland, p. 8.]
Voor de vroege periode wordt geen opgave van dorpen gedaan. Tijdrovend en gedetailleerd onderzoek zal eerst moeten plaatsvinden alvorens een verantwoord overzicht te kunnen geven. Als gevolg van grote watervloeden en veranderingen in het rivierenstelsel vonden in de dertiende eeuw belangrijke wijzigingen plaats in de gebieden van het baljuwschap. Zuid-Holland werd toen verdeeld in een aantal waarden of riviereilanden, namelijk de Zuid-Hollandse Waard, de Tieselenswaard (beide grotendeels verdronken en thans Biesbosch, Eiland Dordrecht en Hoeksche Waard), de Zwijndrechtse Waard, de Riederwaard, de Alblasserwaard en de Krimpenerwaard.
Baljuws van Zuid-Holland, 1574-1811
| 1574-1580 | jhr. W. Zuylen van Nyevelt |
| 1580-1583 | J. Wentsen Jacobsz. |
| 1583-1592 | mr. J. Muys van Holy |
| 1593-1620 | dr. A. Muys van Holy |
| 1620-1629 | P. de Roovere |
| 1629-1653 | mr. P. de Roovere |
| 1653-1673 | M. Pompe van Slingelandt |
| 1673-1721 | P. de Roovere van Slingelandt |
| 1673-1721 | P. de Roovere van Hardinxveld |
| 1721-1728 | mr. J. Hallingh |
| 1728-1753 | mr. J.H. Hallingh |
| 1753-1770 | mr. F. van den Brandeler |
| 1770-1784 | mr. B. van den Santheuvel |
| 1784-1793 | mr. A.A. Tets van Goudriaan |
| 1793-1795 | mr. L.P. van Tets |
| 1795-1811 | mr. A. Hoynck van Papendrecht |
| 1797-1798 | D.W. Nibbelink (ad interim) |
[Ontleend aan het archief van de Grafelijkheidsrekenkamer (1305) 1446-1812 en aan de Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Zuid-Holland 1574-1811 (1813).]



Comments by visitors