gahetNA in the National Archives

Lammens

2.21.183.45
J. Voorhoeve
Nationaal Archief, Den Haag
1960
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.183.45
Author: J. Voorhoeve
Nationaal Archief, Den Haag
1960
CC0

Periode:

1815-1836

Omvang:

3,00 meter; 24 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De kopieën van de handschriften van mr. A.F. Lammens bevatten zijn mémoires met betrekking tot die perioden waarin hij officiële ambten bekleedde, en kopieën van de stukken die voor het uitoefenen van zijn functies van belang waren. Daarnaast bevat het archief losse aantekeningen en manuscripten, onder meer van Lammens zelf. In deze geschriften bevindt zich een grote hoeveelheid gegevens met betrekking tot Suriname, waar Lammens President van het Hof van Civiele Justitie is geweest. De verzameling is onvolledig.

Archiefvormers:

  • Lammens, mr. A.F. [levensjaren, 1767-1847]

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Summary: The manuscripts of Adriaan François Lammens

The present article is the first result of the author's research in the collection Surinamica of the 'Surinaams Museum'. It deals with the manuscripts of Mr. Adriaan François Lammens, who was President of the Civil Court of Surinam in the beginning of the 19th century.

A concise description of the seventeen volumes is given. According to the author the manuscripts contain a wealth of valuable material about Surinam, throwing much light on various phases of the political, judicial, and social life of the country at the period concerned.

De Surinamica van het Surinaams Museum

In opdracht van de "Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Suriname-Nederlandse Antillen, Wosuna" verrichtte Dr. J. Voorhoeve bibliografisch onderzoek in de collectie Surinamica van het Surinaams Museum. Het volgende verslag aan Wosuna is het eerste resultaat van dit onderzoek.

Het oordeel der erfgenamen over de geschriften van Lammens is weinig hoopgevend (zie Geschiedenis van het archiefbeheer). Toch menen wij dat het oordeel van Lammens zelf, als zouden deze geschriften (belangrijke) bouwstoffen bevatten voor de kennis en geschiedenis van Suriname, juister was. Zij bevatten een schat aan gegevens, die echter gedoemd zijn ongebruikt te blijven liggen, wanneer zij niet op enigerlei wijze voor groter publiek toegankelijk worden gemaakt. Dit is dan ook het doel van deze publicatie.

De levensloop en mémoires van Mr. Adriaan François Lammens

Mr. Adriaan François Lammens werd 9 jan. 1767 geboren uit het huwelijk van Adriaan François Lammens (schepen van Vlissingen) en Catharina Maria Keetlaer. Hij ontving een degelijke regentenopleiding en bezocht onder meer in 1783 de hogeschool te Utrecht, waar hij 1785 promoveerde in de beide rechten. In 1788 huwde hij met Suzanna Cornelia Moggepous (een twee jaar jongere vrouw). Uit dit huwelijk werden één dochter en drie zoons geboren. In 1799 scheidde hij van haar en huwde in 1800 Maria de Gelder. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren. Zijn tweede vrouw stierf in 1825. In 1827 hertrouwde hij met de 23-jarige Surinaamse Carolina Maria Schouten. Zij was waarschijnlijk een Creoolse, familie van de satiricus Hendrik Schouten en de schilder Gerrit Schouten. (

Over de Surinaamse schilder en tekenaar G. Schouten zal hopelijk in ? publicatie nader bericht worden.

)

Indeling mémoires

Lammens heeft zijn mémoires ingedeeld in vier tijdvakken:

  • 1e tijdvak: 3 april 1788-16 febr. 1795 ten tijde van de Republiek;
  • 2e tijdvak: 16 febr. 1795-9 aug. 1796 ten tijde der revolutie;
  • 3e tijdvak: 15 nov. 1806-19 oct. 1815 onder keizer Napoleon; en
  • 4e tijdvak: 19 oct. 1815-18 nov. 1835 in de kolonie Suriname.

1788-1796

De twee eerste tijdvakken worden behandeld in deel I. Deel Ibis is het klad handschrift, dat hij waarschijnlijk na zijn pensionering met geringe wijzigingen copieerde in deel I. De officiële stukken over deze periode verzamelde hij in deel II. Het is opvallend, dat de overgrote meerderheid van die stukken handelen over het korte tweede tijdvak. De eerste drie delen (I, Ibis en II) beslaan dus tezamen het tijdvak 1788-1796.

Het eerste tijdvak is de onrustige periode voor de vestiging van de Bataafse republiek. Deze tijd werd gekenmerkt door een verbitterde strijd tussen de fransgezinde patriotten (waartoe ook Lammens gerekend moet worden) en de prinsgezinden (waartoe vooral de baljuw van Vlissingen behoort). Als zeer jong ambtenaar komt Lammens al duidelijk voor zijn mening uit. Hij beschrijft zichzelf als een rondborstig mens, die juist hierdoor dikwijls in moeilijkheden kwam. Uit zijn wijze van schrijven blijkt dit overigens niet. Wij zouden hem eerder een ietwat formeel mens willen noemen, hoewel het hem zeker niet aan zedelijke moed ontbrak. Als ambtenaar in Vlissingen komt Lammens in ieder geval herhaaldelijk in botsing met de prinsgezinden in de regering. Deze botsingen zijn dikwijls komisch. Wanneer men een onecht kind de doopnamen Egalité en Liberté wil schenken en de kerkeraad hiertegen protesteert bij het stadsbestuur, verdedigt Lammens de naamskeuze en bestrijdt het recht van de kerkeraad om deze namen te weigeren (I, p. 62-66). De dames Abrahams hadden getracht een patriottisch bakker te benadelen door het gerucht te verspreiden, dat hij vergif door zijn brood bakte. Het wordt een hele rechtzaak, die de dames zelfs in de gevangenis brengt. De baljuw en Lammens staan hierbij duidelijk tegenover elkaar (I, p. 70-106). Het is een roerige tijd. Rijke ingezetenen worden geplunderd en de baljuw laat het volgens Lammens oogluikend toe. Met de capitulatie voor de Franse troepen wordt dit tijdvak tenslotte afgesloten.

Hierna kunnen dan de zegeningen komen van het nieuwe bestuur. De oude regering blijft onder een nieuwe eed nog twee maanden aan het bewind. Lammens is nu duidelijk een belangrijker personage geworden. Ook de discussies in de raad worden belangrijker. Men sprak over het nieuwe reglement op het stadsbestuur, over de staat van defensie, het muntwezen en de Oost-Indische Compagnie. Lammens blijft ondanks zijn patriottische sympathieën de aristocratische regent. Hij verzet zich bijvoorbeeld, wanneer de volkssociëteit zich te veel gezag begint aan te matigen. Wanneer een nieuw bestuur wordt geïnstalleerd, blijft Lammens zitting houden. Hij klimt nu snel op tot hoge posten en moet in Den Haag de belangen van Zeeland behartigen. Reeds in 1796 krijgt hij op eigen verzoek ontslag. Naar de redenen kunnen wij slechts gissen. In de ontslagaanvrage zegt hij de zaken van zijn oude vader te moeten gaan behartigen. Hij vertrekt echter spoedig naar het buitenland en trekt zich verder terug op een bezitting van zijn vader in Axel. Pas 10 jaar later laat hij zich overhalen weer een openbare post te bekleden. Het is mogelijk, dat wij de oorzaak dienen te zoeken in zijn huwelijksmoeilijkheden omstreeks die tijd.

1806-1815

In 1806 laat hij zich door vrienden overhalen de post van burgemeester van Axel te aanvaarden. Hiermee openen de mémoires over het derde tijdvak. Wij vinden deze in deel III van Lammens' geschriften. Hierbij behoren ook de stukken verzameld in deel IV en deel V.

De post van maire te Axel heeft Lammens weinig voldoening geschonken. Hij treft een administratieve en financiële chaos aan, waar hij plichtsgetrouw enige orde in tracht te brengen. Tot zijn verbazing zijn zijn superieuren hier weinig in geïnteresseerd. Evenmin vindt hij steun bij zijn optreden tegen de autoritaire gendarmes in het belang van de bevolking. Lammens wil met veel idealisme iets voor de hem toevertrouwde bevolking bereiken, maar merkt al spoedig, dat zijn superieuren alleen aandacht hebben voor het opsporen van deserteurs en voor de hoofdelijke omslag voor het onderhoud van de kannonniers kustbewaarders. En juist deze maatregelen moeten hem impopulair maken bij de bevolking. Tenslotte wordt Axel onder zijn bestuur nog geteisterd door een stormramp, wat hij zo goed mogelijk tracht op te lossen. Hij komt tot de bittere ontdekking, dat de regering geen enkel vertrouwen heeft in het eigen initiatief van de hogere ambtenaren.

Hij grijpt dan ook gretig de kans aan om maire te worden van zijn vaderstad Vlissingen. Vlissingen staat direct onder Frankrijk en zal hem dus meer kansen bieden tot ontplooiing van eigen initiatief. Dit valt hem echter buitengewoon tegen. Frankrijk wenst slechts soldaten en belastingen. De burgemeester is aangesteld om de staat te behouden ten koste van de leden. Lammens komt nu tot een veel principiëler critiek.

In 1809 wordt Vlissingen door de Engelsen genomen. Lammens laat in 1810 een werkje verschijnen onder de titel Rapport des Evenemens qui ont eu lieu avant, pendant en après le bombardement de la ville de Flessingue depuis de 29 juillet jusquau 26 septembre 1809, délivré au Gouvernement par Adriaan Francois Lammens, Maire de la ville.

Lammens wordt naar Parijs geroepen om zich te verantwoorden. Er wordt hem niets ten laste gelegd. Hij verblijft verder in Goes, tot Walcheren weer door de Engelsen wordt geëvacueerd. Hij keert nu terug naar Vlissingen, maar het ambt van burgemeester begint hem steeds meer tegen te staan. De houding van de burgerij zal hieraan niet vreemd geweest zijn. Nog in 1810 legt hij zijn ambt neer. Hij wordt dan benoemd tot ontvanger particulier van het arrondissement Goes. In 1814 wordt hij door de Nederlandse vorst in zijn ambt gehandhaafd. Dit ambt wordt door nieuwe regelingen echter weinig winstgevend en hierom vertrekt hij dan tenslotte naar Suriname.

Tot dit besluit zal hij mede gekomen zijn door de tegen hem geuite beschuldigingen. Men beweerde namelijk dat hij schuldig was aan Franse représsailles tegen enkele heren uit het Engelse tussenbestuur en tegen de burgemeester van Vlissingen. Volgens Lammens heeft de Franse generaal zichzelf willen vrijpleiten door de schuld op Lammens te schuiven. Het copiebrievenboek (deel V) moet aantonen, dat Lammens integendeel steeds in het belang van de gevangen genomen heren heeft gewerkt.

Lammens wordt nu benoemd tot lid van het Hof van Civiele Justitie in Suriname. Bij het in werking treden van het nieuwe reglement op de regering van Suriname werd een onafhankelijk gerechtshof ingesteld met uitsluitend gegradueerde leden. Er werden dus in Nederland enkele hoge ambtenaren aangeworven. Door een bestuurswisseling kort na zijn aankomst in Suriname moest Lammens al spoedig optreden als president van het Hof ad interim. Later werd hij ook tot president benoemd.

1815-1835

In deel VI beschrijft Lammens in weinige bladzijden de volledige vierde periode. Hij doet dit echter veel te summier om dit deel van wezenlijk belang te doen zijn. Belangrijk zijn echter wel de vele stukken, die in enkele delen verzameld zijn. De delen VII tot en met XII bevatten alle (systematisch gerangschikt) stukken en papieren uit zijn Surinaamse tijd. Wij kunnen deze echter niet langer beschouwen als bijlagen bij de mémoires. Het heeft meer het karakter van een zelfstandige verzameling documenten, die wij dan ook per deel zullen moeten bespreken.

Deel VII zou men eventueel nog kunnen beschouwen als relatieven bij de mémoires in deel VI. Na zijn vertrek uit Nederland vervulde Lammens de post van proviandmeester aan boord van het schip Iphigeneia. De stukken hierover werden verzameld in deel VII, afdeling 1. 10 juli 1816 wordt Lammens officieel aangesteld als lid van het Hof van Civiele Justitie. Veertien dagen later treedt hij op als president ad interim. In 1821 lijdt hij groot verlies bij de brand van Paramaribo. Hij verzoekt een commerciële betrekking te mogen aanvaarden, maar dit wordt hem geweigerd. Als vergoeding wordt hem in 1822 een benoeming aangeboden als rechter in het gemengd gerechtshof tot wering van de slavenhandel. In 1832 wordt hij bovendien benoemd als president van het militaire gerechtshof. De stukken bij deze aanstellingen vindt men in deel VII afdeling 2. En in afdeling 4 van dit deel de stukken bij zijn pensioenaanvrage. Deel VI handelt ook uitvoerig over moeilijkheden, die hij als rechter ondervonden heeft. De stukken hierbij vindt men in deel VII, afdeling 3. Deze stukken geven een boeiender kijk op het leven in Suriname en de persoon van Lammens.

De jonge en onervaren gouverneur Vaillant was gouverneur Van Panhuys opgevolgd. Lammens heeft grote bezwaren tegen het optreden van Vaillant (zie vooral de delen XIV en XV), die hij wispelturig, eigenzinnig en vals noemt, brutaal tegenover zachtmoedigen en weerlozen, gedwee tegenover brutalen. Het is dus geen wonder dat Lammens als president van een onafhankelijk college in botsing komt met de gouverneur. Vaillant wenst in 1817, dat twee pas benoemde leden van het Hof in rang boven de reeds zittende leden worden geplaatst. In onderlinge verstandhouding regelt het Hof deze zaak anders. De gouverneur voelt zich hierdoor persoonlijk beledigd. De hooglopende ruzie wordt beschreven in dl. VI, p. 13-19. In 1822 moet Lammens zich verdedigen tegen beschuldigingen van een zekere Gotlieb (VI, p. 58-60). De verdediging is zeer interessant. Hij schrijft onder meer over de "enthusiasmus waardoor de zwarte Africaan, vooral als hij slaaf is, deugden worden toegekent, die nimmer door den braafsten blanken bezeten worden". Vervolgens sprekend over de beschuldiging van partijdige rechtspraak: "zonder dat er een Regtbank van alleen zwarten, en kleurlingen word daargesteld, word deze laatste aantijging altoos, als afdoende bij de Geestdrijvers aangevoert". Hij noemt ook andere beschuldigingen van gekleurden, die niet dan als schandschriften moeten worden beschouwd, die de uiterste verachting verdienen. Straks moeten wij hier op terug komen bij de bespreking van het geval Koopman.

Later, in 1827, ontstaat een hevig conflict in de familie van gouverneur A. de Veer. Diens schoonzoon J. Ringeling wordt door zijn vrouw verlaten en tot opluchting van vele inwoners uit alle betrekkingen ontslagen. Hij schrijft een request aan de koning (een gedrukt stuk, deel VII, afdeling 3 stuk 17), waarop advies van Lammens wordt gevraagd. In 1832 breekt een hevig conflict uit tussen Faerber (landdrost van het opperdistrict Nickerie, dus het huidige Coronie) en het Hof. Faerber verzuimde een plantage op te geven als onderdeel van een erfenis en wordt hierom door het Hof vervolgd. Faerber vat dit op als een belediging. Hij is een invloedrijk man en weet zich ondershands door de gouverneur gesteund. Hij durft zich dan ook zeer beledigend over het Hof uit te laten, wat Lammens niet wenst te laten passeren. (Zie VI, p. 105-117). In alle opzichten blijkt men in Suriname weinig respect voor het Hof te hebben. De invloedrijke Europeanen kunnen zich niet schikken onder een onafhankelijk rechtscollege en de slaven en kleurlingen begrijpen de rechtsprocedures niet en nemen bij voorbaat aan, dat zij geen recht kunnen krijgen.

Deel VIII heeft al een veel losser band met de mémoires in deel VI. Het journaal uit afdeling 1 is belangrijk om het anecdotische der aantekeningen. Hier spreekt niet de ambtenaar, maar de geïnteresseerde burger. Het journaal beslaat de jaren 1816 tot 1828. Zie ook hierbij de kronieken 1795 tot 1815, 1816 tot 1822 en 1833 tot 1835 in deel XII (afdeling 1, stukken 2-5). Het hier gegeven journaal is echter veel uitvoeriger, al blijven de aantekeningen op zichzelf summier. Regelmatig worden de binnengevaren slavenschepen genoteerd met het aantal slaven aan boord. Door het verbod van de slavenhandel op Afrika was een intensieve inter-Caraïbische handel ontstaan. In 1820 bijvoorbeeld liepen 22 schepen binnen met tezamen een getal van 2938 slaven, afkomstig van Martinique (12 schepen), Cayenne (2 schepen), St. Thomas (2 schepen), Brazilië (1 schip), Guadeloupe (4 schepen) en St. Eustatius (1 schip). Verder vindt men aantekeningen over slavenmishandelingen en de daarop volgende processen, en aantekeningen over slavenopstanden (o.m. de grote samenzwering in Nickerie van 11 sept. 1821). Het journaal geeft een levendig beeld van het Surinaamse leven uit die tijd.

Oorspronkelijk stonden in Suriname naast elkaar het Hof van Civiele Justitie (een rechtscollege) en het Hof van Politie en Criminele Justitie (hoofdzakelijk een bestuurscollege). In 1828, in de loop dus van Lammens' ambtsperiode, werd een Hof van Civiele en Criminele Justitie gevormd, waarvan Lammens president werd. Dit verklaart dat hij in later jaren ook toegang kreeg tot de notulen van het Hof van Politie en Criminele Justitie (zie deel VIII, afdeling 2 en 4). De wisseling van bestuursindeling verklaart ook de eigenaardige opbouw van deel VIII.

De civiele processen uit deel VIII (afdeling 3 in het bijzonder) moet men lezen in verband met deel IX. Het belangrijkste voor het tijdsbeeld zijn wel de processen van vrije kleurlingen tegen blanken. In de slavenkolonie Suriname hadden de vrije kleurlingen in naam dezelfde rechten als de blanken. Het valt echter te betwijfelen of zij ook metterdaad dezelfde rechten konden laten gelden. Illustratief is het geval van een zekere kleurling Willem Adriaan Koopman, die wel het meest hardnekkig op zijn recht heeft gestaan. Hij schijnt omstreeks 1816 als handelaar en ondernemer snel vooruit gekomen te zijn, ten dele met geleende gelden. Hij begon met transacties, die voordien alleen door blanken werden gedaan. Toen hij op een gegeven moment niet in staat was enkele schulden op korte termijn te betalen, vroeg hij surséance van betaling aan. Dit werd door het Hof geweigerd. Toen men tot executie wilden overgaan, bleek hij rechtsgeldige papieren te bezitten, die aantoonden dat een deel van zijn bedrijfskapitaal behoorde tot het vermogen van zijn huishoudster Maria Magdalena Schweikart. Het Hof weigerde deze bewijzen te erkennen en wilde toch tot executie overgaan. Koopman en zijn huishoudster procederen verder tot bij de Hoge Raad in Nederland en de minister van Koloniën. Zijn vrij gebrekkig geschreven brieven (VIII, afd. 3, folio 108ro-113vo, IX no. 41 en 45) zijn bijzonder interessant. De laatste brief van 41 pagina's aan de president van de Hoge Raad bevat de volledige petite histoire van Paramaribo, o.m. over de afgodische praktijken van blanken en vrije kleurlingen. Koopman schrijft over het bestaan van "een geduchte Cabaal partij ... welke de Mulat Koopman om verre willen smijten en vernietigen omdat hij als Een Couleurling onderneming doet welke men hier van geen Couleurling wil hebben".

Het is moeilijk en wellicht ook onmogelijk, om alleen uit deze gegevens een juiste indruk te krijgen van het juridisch aspect van de zaak Koopman. Koopman lijkt mij een handig zakenman die niet voor minder oorbare praktijken terug schrok om zich te bevoordelen. Inderdaad schijnt men zijn snelle opkomst met lede ogen gezien te hebben. Ook uit andere processtukken kan men opmaken, dat de gemiddelde Europeaan weinig oog had voor het recht van een kleurling tegenover een blanke. Dit wil echter niet zeggen, dat de rechters van de letter van de wet behoefden af te wijken. Koopman kan zijn raadsman niet vertrouwen en maakt grote fouten. Hij richt zich tot de verkeerde instanties op een verkeerd moment in een moeilijk verstaanbaar Nederlands en met onjuiste (emotionele) argumenten. Een handig jurist moet gemakkelijk spel met hem gehad hebben. Maar evenzeer is waar, dat de onbevooroordeelde lezer de indruk krijgt, dat hier inderdaad onrecht geschiedde, zij het misschien minder duivels geraffineerd dan Koopman het zich inbeeldde. Zie ook nog een brief van Koopman in deel XI afd. 2, no. 21.

Lammens heeft zijn ambtsperiode als rechter bij het gemengd gerechtshof tot wering van de slavenhandel uitvoerig geadstrueerd in deel X. Bij het verdrag met Engeland na de Franse tijd was men overeengekomen de slavenhandel met Afrika te verbieden. Wij weten dat er wel een inter-Caraïbische handel bleef bestaan. Gemengde Engels-Nederlandse gerechtshoven werden ingesteld om de overtreders te straffen. De samenwerking tussen Nederland en Engeland liep op dit gebied niet altijd even soepel. Engeland verdacht de Nederlandse rechters van weinig hartelijke sympathie voor hun streven. In Sierra Leone kwam het zelfs tot een openlijk conflict, waarin Lammens moet hebben bemiddeld. Engeland voelde zich de grote kampvechter voor de vrijheid der slaven en wantrouwde iedere samenwerking. Lammens schijnt echter loyaal te hebben samengewerkt, al hield hij er allerminst abolitionistische ideeën op na. Deel X no. 16 geeft de eerste veroordeling, namelijk van de schoener Las Nievas, waardoor 28 negers en 18 negerinnen als vrije mensen Suriname binnen kwamen.

Boeiend voor de ideeënstrijd is vooral de briefwisseling tussen Lammens en de Engelse rechter C. E. Lefroy, sedert 12 mei 1819 rechter in dit college. In deze correspondentie worden problemen van velerlei aard aangesneden betreffende slavenhandel en slavernij. Lefroy is een brandend idealist met weinig oog voor realiteiten, daarbij bijzonder trots op de houding van Engeland als voorvechter voor de rechten der negerslaven. De realist Lammens wijst hem op de houding van Engeland tegenover Oost-Indië en de daar wonende mensen. Lefroy verwijt Lammens, dat hij in deze zaken niet als mens, maar als blanke redeneert. Toch blijft de briefwisseling bijzonder hartelijk. Lefroy is een zeer geïnteresseerd man. Hij tracht Nederlands te leren en vraagt herhaaldelijk gehouden redevoeringen te lezen, waarop hij dan zijn critiek levert.

Lefroy wordt door de Encyclopaedie van West-Indië genoemd als de vermoedelijke schrijver van Outalissi, a tale of Dutch Guiana. Londen, 1826. In 1827, in een aanspraak tot het Departement tot nut van 't algemeen, fulmineert Baron van Heeckeren tegen dit anoniem verschenen geschrift. In de correspondentie van Lefroy bevindt zich nu een geestige anonieme verdediging tegen deze aanval. De geest van Outalissi verdedigt zich tegen Baron van Heeckeren. Wij kunnen de veronderstelling van de Encyclopaedie dus wel als bewezen beschouwen. Lefroy heeft dit stuk ter publicatie aangeboden aan het Departement. Bij mijn weten is het echter nooit gepubliceerd. In 1829 wordt Lefroy wegens zijn roman terug geroepen naar Engeland.

De delen XI en XII bevatten in tezamen 6 afdelingen een schat aan gegevens over Suriname. Het is niet mogelijk de aandacht te vestigen op alle belangrijke punten en wij moeten dus maar een vrij subjectieve keuze doen. Deel XI afd. I bevat de namen en bijzonderheden van alle ambtenaren en advocaten bij het Hof van Civiele Justitie in Suriname. In deze afdeling vindt men ook de stukken over de affaire John Bent. John Bent had gedurende het Engelse tussenbestuur een hoge positie ingenomen, zeer tot ongenoegen van vele planters. Hoewel zelf een vooraanstaand planter, bezat hij geen wantrouwen tegen het gemengde gerechtshof. Hij klaagde George Nicholson aan bij de Engelse rechter Lance, (

Lance was benoemd in de plaats van de reeds genoemde rechter C. E. Lefroy, die zich met zijn roman Outalissi het ongenoegen van het Nederlandse gouvernement op de hals had gehaald en door Engeland terug geroepen werd.

) omdat Nicholson plannen smeedde om met geweld twee weggelopen slaven uit Berbice te laten terug halen. Lance stond op het punt naar Engeland te vertrekken en gaf de aanklacht door aan de gouverneur als vallend buiten zijn bevoegdheid. Het gouvernement beschuldigt Bent er nu van de Engelse jurisdictie te willen invoeren en een Engelse surveillance over inwoners die op Engels grondgebied zijn geboren. Alle weerzin tegen de Engelse bemoeienis met de slavenhandel en alle vrees tegen de vroeger zo machtige positie van Bent ontlaadt zich nu in een vreemde actie. Het burgerrecht van Bent wordt ingetrokken en hij wordt met uitzetting bedreigd. Nu hij als het ware vogelvrij is, wordt hij ook door anderen aangevallen. Tenslotte wordt hij zelfs met arrest bedreigd. Bent noemt de daad van de gouverneur onwettig en wordt tenslotte ook weer in rechten hersteld.

Deel XI afd. 2 no. 6 bevat de interessante kwestie rondom reverend Richard Austin. (

Deze kwestie moet in Suriname grote indruk hebben gemaakt. De pijnbank van Austin wordt genoemd in de roman Outalissi en ook M. D. Teenstra noemt hem in zijn Bijdrage tot de ware beschouwing van de zoo hoog geroemde uitbreiding des Christendoms onder de heidenen in de kolonie Suriname, toegewijd aan alle philantropen (Amsterdam, 1844), op p. 8v. Hij vertelt daarbij ook, dat Lammens dit geval had willen noemen in zijn aantekeningen over de kolonie Suriname, maar dit niet deed op verzoek van enkele ingezetenen, die predikanten onfeilbaar achtten. In een noot hierbij (p. 9-13) geeft Teenstra een vrij uitvoerige biografie van Lammens. Het is aardig hierin de zeer critische Lammens beoordeeld te zien door de even critische Teenstra, die bovendien nog geheel anders dacht over de slavernij. Dat dit meningsverschil geen afbreuk deed aan zijn waardering voor Lammens, moge het volgende citaat bewijzen: "Hij [Lammens] was in mijn tijd een der eerlijkste en verdienstelijkste ambtenaren der kolonie, doch tevens een der meest miskende, omdat hij gebreken onbewimpeld durfde bestrijden. ... Hoe kan het ook anders zijn dan dat de stijve, eigenzinnige L. bij de meer buigzame vleijers niet in den smaak viel? - Doch wij zullen den grijzen patriot steeds bijzonder hoog blijven achten, ook dáár waar wij in denkwijze mogen verschillen".

) Deze was in 1816 door gouverneur Van Panhuys uit het beheer over zijn plantages ontzet wegens ongeregeldheden en veelvuldige desertie op de plantage. Hij verzoekt na 3 maanden weer tot de administratie van zijn plantages te worden toegelaten, nu namelijk weer orde op zaken is gesteld. De ware reden van dit verzoek zal de dood van Van Panhuys zijn geweest. Op 18 sept. 1816 wordt nu door het Hof van Civiele Justitie een onderzoek ingesteld op de plantage naar de oorzaak der ongeregeldheden. Deze commissie stelt uitdrukkelijk vast, dat zij ongaarne in gaat op klachten van slaven en een dergelijke procedure over het algemeen afkeurt. Hier moet de commissie echter verklaren met afgrijzen de gevolgen van de strenge regering van Austin te hebben aanschouwd. Zij acht het onbegrijpelijk hoe deze uitgeteerde slaven nog enig werk kunnen verrichten. In 1823 wordt Austin bij wijze van proef weer tot de administratie toegelaten, hoewel hij volgens de gouverneur op grond van het rapport van 1816 vervolgd had kunnen worden.

In dezelfde afdeling (no. 11) vindt men een rechtszaak naar aanleiding van het dansen van de Congo Tombée. Een vriend van de eigenaar sloeg een verklede negerslaaf dood, denkende dat hij een watramama (watergodin) voor zich had. Afdeling 3 van deel XI bevat o.m. zeer uitvoerige aantekeningen van verschillende zijden over de agio (het verschil in waarde tussen het Nederlandse en Surinaamse geld). Zie de stukken 24-33. Afdeling 4 bevat gegevens over zeer verschillende onderwerpen. Stuk no. 4 bevat een sleutelnovelle over een reis naar Berg en Dal in 1825, waarbij enige heren een eigenwijs en hoogmoedig heertje op zijn nummer hebben gezet. No. 7 bevat interessante gegevens over de Creoolse schilder G. Schouten.

Deel XII bevat vooral statistische gegevens. In afdeling 1 vindt men uitvoerige aantekeningen voor een journaal van de belangrijke gebeurtenissen over een groot aantal jaren. Verder statistieken van overledenen te Paramaribo, van de uitvoer van producten over verschillende jaren, overzichten van de bevolking met preciese onderverdeling naar de godsdiensten, verder verkooprekeningen, etc. Afdeling 2 geeft o.m. een uitvoerige lijst van placcaten. Onder no. 6 vindt men in deze afdeling de instructies aan de posthouder bij de Aucaners in 1805, met het rapport van de posthouder. In dit rapport vindt men een opgave van alle dorpen met hun kapiteins en geschatte bevolking en aantekeningen over hun levenswijs en godsdienst. Ook vindt men hier lijsten van Saramaccanerdorpen en Moesingadorpen. Verder nog een preciese lijst van de uitdeling aan de bosnegers in 1811 met opgave van de kosten der geschenken.

Overige stukken

Met deze delen zijn de mémoires en bijgevoegde stukken afgesloten, tenzij men de portefeuille met losse stukken (zie deel XVII) hier nog toe wil rekenen. Deze portefeuille bevat stukken, die om enige reden niet in het overige werk werden opgenomen. Meestal vindt men hierin losse aantekeningen van Lammens zelf, bijvoorbeeld over gelezen boeken. Interessant is een dertig pagina's tellend manuscript getiteld Van de Indianen door Johannis Sneebeling, wellicht dezelfde als de directeur van een plantage in de Para tijdens het verblijf van Lammens in Suriname. Hij is zeer nauw in contact gekomen met de Indianen, die zich gevestigd hadden op de verlaten plantage Belair (in de tijd van Lammens reeds een militaire post geworden). De schrijver noemt het jaar 1755. Zeker schrijft hij uit eigen directe ervaring, zeer uitvoerig over de practijken van een Indiaanse medicijnman, die hij 's nachts in het bos is gevolgd en bij diens geestenbezweringen heeft bespied. Wij weten niet hoe Lammens aan dit geschrift (een afschrift in de hand van Lammens) is gekomen.

In dezelfde portefeuille bevindt zich ook een manuscript Houtvelling in Suriname, geschreven door een zekere Van Cleef. Tenslotte de reeds genoemde correspondentie tussen W. P. van Stockum en Lusac over de nalatenschap van Lammens en een afschrift van het testament van Lammens.

Deel XIII en de delen XIV-XVI bevatten twee manuscripten van Lammens, die hij voor de druk had gereed gemaakt. De correspondentie tussen de heren Van Stockum en Lusac handelt bijna geheel over een mogelijke uitgave van deel XIII. Dit deel komt ook nu nog wel voor uitgave in aanmerking. Het bevat een beschrijving van Suriname in 5 afdelingen. De eerste afdeling is het belangrijkst en bevat Geographie, Statistica, zeden en gewoonten vooral van Paramaribo. De tweede afdeling bevat een beschrijving van diverse expedities naar het binnenland. De derde afdeling behandelt de natuurlijke historie van Suriname in het kort; de vierde afdeling handelt over koloniale belangen en in de vijfde afdeling worden enkele gehouden redevoeringen in extenso meegedeeld. In hetzelfde manuscript vindt men nog, opnieuw gepagineerd, een bundel Voorlezingen in het nut van 't algemeen, gevolgd door een rede getiteld De Surinamer, waarvan niet blijkt of hij ooit gehouden werd.

In de Surinaamsche Almanak van het jaar 1820 vindt men onder het mengelwerk op p. 17-28 een rubriek: 'Plaats-beschrijving, zoomede over de zeden en gewoonten van Suriname'. Deze rubriek wordt voortgezet in de Surinaamsche Almanak voor het jaar 1821 (Mengelwerk, p. 1-26) onder de titel: 'Plaats-beschrijving, alsmede over de zeden en gewoonten van Suriname'. Uit de voorrede tot deel XIII blijkt Lammens de schrijver van deze rubriek. Het was zijn bedoeling deze rubriek in 1822 te vervolgen. Het manuscript ging echter bij de brand van 1821 verloren. Lammens schijnt toen het idee opgevat te hebben tot een uitvoeriger bewerking van dezelfde stof in een afzonderlijk boekwerk.

Het eerste hoofdstuk van deel XIII is het uitvoerigste en het belangrijkste. Wij bezitten slechts beschrijvingen van Suriname uit de 18de eeuw. Na Pistorius is dit de enige volledige beschrijving uit later tijd. Lammens was bovendien een bijzonder goed opmerker met een brede belangstelling. Hij beschrijft zelfs de handbeweging der negerinnen te Paramaribo bij het groeten. Verder beschrijft hij de bouw van Paramaribo, de bouw en inrichting van de verschillende typen huizen. Interessant is vooral zijn beschrijving van de kleurspanningen in Paramaribo. De blanken stellen over het algemeen de neger boven de mulat (Lammens zelf wegens zijn huwelijk natuurlijk niet). De kleurling voelt zich echter boven de neger verheven: hoe lichter van kleur, hoe hoger hij zich voelt. Vrije negers voelen zich echter verheven boven de kleurlingen. Lammens geeft een uitvoerig en bij mijn weten eerste verslag van deze kleurspanningen in de samenleving.

Hij schrijft verder over het ook uit andere werken bekende systeem van huishoudsters, de beleefdheidscoden in Paramaribo, de begrafenisgewoonten van de verschillende groepen, de dagindeling, de prijzen van eetwaren, de betekenis van kralen, sieraden en hoofddoeken, de doe, het sociale leven, de naamgeving der slaven, hun godsdienst, kleding en taal. Deze kleine opsomming moge voldoende zijn om aan te tonen, dat dit eerste hoofdstuk uitermate belangrijk is voor de nadere kennis van het vroegere leven in Paramaribo.

In het tweede hoofdstuk worden enkele uitstapjes naar het binnenland beschreven: 1. naar de Commewijne en omliggende kreken (hierin een zeer preciese beschrijving van een danspartij met gebruikte instrumenten), 2. naar de Aloesoebanjaval in de Suriname-rivier (met beschrijving van het gezang in de boten en een feest op Berg en Dal), 3. naar de Para (met beschrijving van een Indiaanse dans), 4. naar Coronie, Nickerie en Demerara (met vergelijking tussen Demerara en Suriname in het voordeel van eerstgenoemde), 5. naar de beneden Saramakka (met o.m. beschrijving van de post Groningen), 6. naar de boven Saramakka.

Het derde en vierde hoofdstuk zijn niet bijzonder belangrijk naast wat toen reeds over Suriname bekend was. Het vijfde hoofdstuk bevat vier in het Departement tot nut van 't algemeen gehouden redevoeringen over Surinaamse problemen. Lammens spreekt hier over de sterfte onder de negerbevolking van Suriname, over Europese kolonisatie, over de brand van 1821 en over een spreuk van Horatius. Behalve de tweede redevoering zijn deze ook gedrukt in de Berichten van het Nut.

De delen XIV-XVI vormen één geheel. Deel XIV geeft in twee afdelingen een vrijmoedige critische beschouwing over het bestuur van Suriname gedurende twee opeenvolgende tijdperken. Deel XV bevat relatieven tot de eerste afdeling, deel XVI relatieven tot de tweede afdeling. Deze relatieven zijn nu echter door verwijzing in voetnoten geheel in de tekst opgenomen en niet slechts los bij de tekst gevoegd, zoals in de mémoires. Het is heel boeiend om te zien, hoe een onafhankelijk man als Lammens de bestuurders beoordeelde. Hij bezat als tijdgenoot natuurlijk niet alle gegevens. Hij had bijvoorbeeld geen inzage van de correspondentie tussen de gouverneur en de minister van Koloniën en moest dus maar gissen, wat deze correspondentie kon bevatten. Aan de andere kant kende hij de bewindhebbers persoonlijk, kende hun kracht en zwakheid. Vooral om deze persoonlijke opmerkingen over de bewindhebbers en hun beleid, lijken ons deze vrijmoedige aanmerkingen voor ons van belang. (

Frater M. F. Abbenhuis (die het werk van Lammens geraadpleegd had in verband met zijn opstellen over de missiegeschiedenis) zond een afschrift van Lammens' beoordeling over de bestuursperiode van gouverneur Van Panhuys aan diens nazaat L. C. van Panhuys, die dit afschrift publiceerde en besprak in een artikel 'Mr. Lammens over het bestuur van Suriname in 1816', W.I. Gids 16, 1934. P. 151-162.

)

Uit het voorgaande is wel gebleken hoe weinig waardering Lammens bezat voor de persoon van gouverneur Vaillant. In dit werk blijkt Vaillant zijn zeer speciale zondebok te zijn. Hij raakt niet uitgesproken over het verwerpelijk karakter van de man. Bijzonder grote waardering voor zijn medeambtenaren had Lammens ook niet. Van de fiscaal Van Meerten weet hij weinig goeds te vertellen. Zo passeren alle hoge ambtenaren de revue: een waarlijk zelfstandig man met eigen oordeel en persoonlijke moed vindt Lammens daar niet onder. Deze voortdurende critiek doet vermoeden, dat Lammens in het ambtenaarlijke een teleurgesteld mens is geweest, die zich tot hogere posities geroepen voelde, maar door mensen van volgens hem geringere capaciteit voorbij is gestreefd. Dit wil natuurlijk ook weer niet zeggen, dat hij volkomen ongelijk had en deze aantekeningen onbetrouwbaar zijn. Ook deze aantekeningen lopen tot het jaar 1835.

Pensioen

In 1835 namelijk kreeg Lammens eervol ontslag. Hij vertrok naar Nederland, waar hij in 's-Gravenhage van zijn pensioen genoot tot zijn dood in 1847. Over deze laatste periode vindt men in zijn aantekeningen geen nadere gegevens.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: