gahetNA in the National Archives

Ned. Emigratie Dienst / voorlopers

2.15.30
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
1989
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.15.30
Author: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
1989
CC0

Periode:

1913-1953

Omvang:

3,60 meter; 139 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nederlandse regering stimuleerde begin 20e eeuw actief emigratie als middel ter bestrijding van werkloosheid. Het archief van de Nederlandse Vereniging Landverhuizing, en zijn opvolgers de Emigratie Centrale Holland, en de Stichting Landverhuizing Nederland is geordend naar organisatie, onderwerp en correspondent. Het archief bevat o.a. jaarverslagen, notulen, correspondentie, rapporten betreffende emigratielanden, documentatie, oprichtingsverslagen, circulaires, en voorlichtingsmateriaal.

Archiefvormers:

  • Nederlandse Vereniging Landverhuizing, 1913-1931
  • Emigratie Centrale Holland, 1923-1931
  • Stichting Landverhuizing Nederland, 1931-1953

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

In de jaren voor de eerste wereldoorlog wilde de Nederlandse regering een oplossing vinden voor de toegenomen werkloosheid. In 1910 werd een staatscommissie ingesteld met als taak zich over dit probleem te buigen. Toen in 1914 de commissie haar eindverslag uitbracht, werd landverhuizing als een van de middelen ter bestrijding van de werkloosheid genoemd. De regering vond het echter niet op haar weg liggen te bemiddelen in emigratieaangelegenheden. Bij het mislukken van de emigratie zou zij immers verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Veel liever zag de regering dat de verantwoordelijkheid voor allerlei emigratietaken bij een centrale emigratievereniging kwam te liggen. Een particuliere vereniging verdiende daarbij de voorkeur boven een openbare, want een rijksinstelling zou zich met name in het buitenland veel minder Vrij kunnen bewegen. Intussen was op 12 december 1913 de Nederlandse Vereniging Landverhuizing (NVL) opgericht. Volgens de statuten had de NVL als doel:

  1. het geven van voorlichting aan hen, die er over denken als landverhuizer Nederland te verlaten;
  2. het verlenen van bijstand bij de uitvoering van dit voornemen;
  3. het houden van voeling met hen die geëmigreerd zijn; een en ander in aansluiting op propaganda voor landverhuizing en op financiële hulp aan emigranten. (

    Inventarisnummer 8

    )

De vereniging had meteen de aandacht van de regering. Toen de NVL aanklopte voor regeringssubsidies werd een bedrag van f 10.000,- voor het jaar 1914 en een zelfde bedrag voor de volgende jaren ter beschikking gesteld. Voorwaarde hiervoor was wel dat een regeringscommissaris werd aangesteld, zodat er controle op het beleid van de NVL kon worden uitgeoefend.

De eerste jaren had de NVL vrijwel niets te doen. De oorlogstoestand en de geringe belangstelling onder de Nederlanders om te emigreren waren hiervan de oorzaak. Hierbij kwam dat de activiteiten van particuliere emigrantenwervers het er voor de NVL niet beter op maakte. De emigratiewetgeving, daterend uit 1861 en aangevuld in 1869 en 1885, was volstrekt onvoldoende om daadkrachtig tegen wervers op te treden. Zo maakten vooral de wervers van de Canadese spoorwegmaatschappijen het de NVL erg lastig. Pas met de invoering van de Landverhuizerswet 1936 werden de activiteiten van emigratiebemiddelaars enigszins aan banden gelegd.

De eerste directeur van de NVL werd J. Maurer. Hij maakte in 1915 een reis naar Canada om de vestigingskansen voor Nederlanders te bekijken.(

Inventarisnummer 18

) Ook nam hij contact op met reeds gemigreerde Nederlanders. In 1917 werd hij opgevolgd door J.C.C. Sandberg. Onder zijn leiding werden de eerste correspondenten in Canada aangesteld, die de NVL van waardevolle inlichtingen voorzagen.(

Inv.nrs. 19 en 20

)

De NVL deed dan wel zijn best om onpartijdige voorlichting te geven, maar van een actieve emigratiepolitiek was geen sprake. Toen na 1921 de werkloosheid sterk toenam werd de roep om een organisatie die de emigratie zou bevorderen dan ook groter. A.G. Mörzer-Bruyns, ondervoorzitter van de NVL, en Walrave Boissevain, ondervoorzitter van de Nederlandse maatschappij voor nijverheid en handel, ijverden samen voor de oprichting van zo'n organisatie.

Hun besprekingen leidden ertoe dat op 1 november 1923 de Emigratie Centrale Holland (ECH) werd opgericht. Zij was een stichting met een college van curatoren als bestuur en een directie voor de uitvoering. Walrave Boissevain werd benoemd tot voorzitter van het college van curatoren. A.G. Mörzer-Bruyns was tot zijn vertrek in 1925 directeur. Hij werd opgevolgd door J.A.A. Hartland. In de stichtingsakte werd als doelstelling aangegeven het bevorderen van de landverhuizing en het verrichten van alle handelingen welke middellijk of onmiddellijk konden strekken om dit doel te bereiken, teneinde hiermede de economische belangen van Nederland en zijn bevolking te dienen. De ECH wenste op commerciële basis te werken, voor haar bemiddeling zou een bepaald bedrag moeten worden betaald. Volgens de statuten mocht de ECH geen winst maken (

Inv.nr. 31

). Het was de bedoeling van de ECH om mensen die wensten te emigreren en daartoe de geschiktheid doch niet de middelen hadden een voorschot te verlenen. Voor de gelden die hiervoor nodig waren ontving de ECH van het rijk f 75.000,--en van het bedrijfsleven f 86.000,--als voorschotten. De werkzaamheden zoals de ECH zich die had voorgesteld, werden belemmerd door de crisis waardoor vele landen hun grenzen voor emigranten sloten. Slechts Canada bleef ten opzichte van emigranten een soort open deur-politiek voeren. Dit was stellig de reden dat de ECH ondanks de moordende concurrentie van de Canadese spoorwegmaatschappijen zich vooral op dit land richtte(

Inv.nr. 47

)
. Te Winnipeg werd een raad van advies opgericht waar onder andere de Nederlandse consul L.F.J. Riemsdijk zitting in had(

Inv.nr. 45

)
. Ook werden enige vertegenwoordigers aangesteld waar- onder J.J. Snor die reeds als correspondent voor de NVL werkte. De samenwerking met de WL in Nederland verliep aanvankelijk goed, maar er ontstonden problemen over het afbakenen van elkaars werkgebied. Bovendien moest de NVL niets hebben van emigratiebevordering, een standpunt dat de ECH wel voor ogen stond. Allereerst werd getracht de WL en de ECH in één gebouw onder te brengen om de problemen op te lossen. De NVL maakte hiertegen bezwaar omdat ze vond dat de ECH te veel aan de leidraad van de vervoersmaatschappij- en liep. Na langdurig overleg en na bemiddeling van de Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid werd besloten om tot een fusie over te gaan. Dit leidde ertoe dat op 23 juni 1931 de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN) werd opgericht(

Inv.nr 78

)
. De NVL trad direct na de fusie in liquidatie. Haar fondsen werden gebruikt voor het personeelsfonds waar personeelsleden die in financiële moeilijkheden geraakt waren uit konden worden betaald. De ECH ging niet dadelijk in liquidatie. De raad van beheer van de SLN trad tot de definitieve opheffing in 1951 op als curatorium. Van de renteloze voorschotten die het Rijk aan de ECH had verstrekt kon slechts 25% worden terugbetaald. Van dit geld vormde het Rijk het emigratiefonds. Het geld van dit fonds zou voor speciale emigratiebevorderende doeleinden moeten worden gebruikt. Volgens de stichtingsakte stelde de SLN zich tot doel: "Het verrichten van alle handelingen welke middellijk of onmiddellijk kunnen strekken om leiding te geven aan de landverhuizing uit Nederland.

In de eerste plaats door:

  1. het geven van voorlichting omtrent landverhuizing;
  2. het verleenen van bijstand bij landverhuizing;
  3. het houden van voeling met de landverhuizers;
  4. het voortdurend en stelselmatig doen van onderzoek naar de mogelijk- heden, die andere landen voor vestiging en loonenden arbeid aan onze landgenooten bieden."(

    Inv.nr. 78

    )

Het bestuur van de SLN werd gevormd door de raad van beheer. De directeur van de ECH, J.A.A. Hartland, werd tot directeur van de SLN benoemd en de directeur van de NVL, J.C.C. Sandberg, tot secretaris van de raad van beheer. Deze raad, die bij de oprichting bestond uit negen leden, beheerde tevens de gelden van het personeels- en emigratiefonds. De overheid was evenals bij de NVL en de SCH ook betrokken bij de SLN. In de raad van beheer hadden bij de oprichting zitting de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw en een vertegenwoordiger van de Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid. Na 1933 werd dit een vertegenwoordiger van het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid benoemde de voorzitter van de raad van beheer. Na 1933 deed de Minister van Sociale Zaken dit. Voorts hadden oud-leden van de NVL en van de ECH alsmede vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), van de vakbeweging, van confessionele emigratie-organisaties en van de centrale landbouworganisaties zitting in de raad van beheer.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw had zitting in de raad van beheer omdat vele emigranten boeren waren die door de geringe bestaansmogelijkheden in Nederland elders een nieuw bestaan wilden opbouwen. In de statuten van de SLN werd ook bepaald dat de raad van beheer zou worden bijgestaan door een commissie van bijstand. Uit deze commissie, waarin naast alle leden van de raad van beheer ook vertegenwoordigers van enkele ministeries zitting hadden, werd een vijftal sub-commissies gevormd. De sub-commissies kwamen slechts een enkele keer bijeen. De commissie van bijstand werd geen succes wegens het gebrek aan financiële middelen en het gebrek aan onderwerpen om over te vergaderen. In 1936 werd besloten de commissie op te heffen. In datzelfde jaar vond een statutenwijziging plaats(

Inv.nr. 86

). Nu werd het zo dat de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, van Landbouw en Visserij en van Sociale Zaken ieder één lid in de raad van beheer benoemden. De Minister van Sociale Zaken bleef de voorzitter benoemen. Verder werd de raad van beheer vergroot doordat men ook vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties opnam. Ook werd uit de raad een dagelijks bestuur gekozen. Na 1945 werden alle leden van de raad van beheer, behoudens degenen die een ministerie vertegenwoordigen, door de Minister van Sociale Zaken benoemd. De SLR startte haar werkzaamheden in een economisch ongunstige tijd. Het rijksbudget werd getroffen door verminderde belastingopbrengsten en zware werkloosheidslasten. Hierdoor moesten drastische bezuinigingen worden doorgevoerd. Het personeelsbestand van de SLN werd al snel ingekrompen, zodat in 1933 nog slechts de directeur, de adjunct-directeur en twee typistes waren overgebleven. De raad van advies in Canada, een orgaan dat nog uit de tijd van de ECH stamde en de aan emigranten verstrekte voorschotten inde, werd op 1 januari 1933 opgeheven. De SLN kreeg aanvankelijk weinig overheidsmiddelen voor financiële ondersteuning van emigranten.

De regering stelde zich namelijk op het standpunt dat emigratie wel een middel ter bestrijding van de werkloosheid was, maar dat de emigrant zelf moest zorgen dat hij de benodigde middelen bijeenkreeg. Het heeft tot 1939 geduurd, voordat de regering naast de gelden van het emigratiefonds een bedrag van f 41.000,- beschikbaar stelde voor de emigratiebevordering.

Tegen het einde van de jaren dertig kwam de emigratie langzaam op gang. Veel Nederlanders vertrokken toen naar Zuid-Afrika en Canada. Na de Tweede Wereldoorlog zette de emigratie pas goed door. Australië en Nieuw-Zeeland werden tezamen met Canada de populairste emigratielanden. De SLN heeft in deze emigratie steeds zo goed mogelijk trachten te bemiddelen. De grote emigratiedrang noopte echter tot een ver doorgevoerd regeringsingrijpen. Als gevolg hiervan werd het emigratiebeleid gereorganiseerd. Dit resulteerde in de Wet op de Organen voor de Emigratie van 1952 (

Wet op de Organen voor de Emigratie d.d. 24 mei 1952, Stb. 279

) Door deze Wet Werd de SLN buiten werking gesteld. In 1953 ging de SLN in liquidatie. De taken van de SLN werden ondergebracht bij de nieuw ingestelde Nederlandse Emigratiedienst (NED) van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: