gahetNA in the National Archives

Gouverneur Suriname, 1952-1975

2.10.26
J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
1982
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.26
Author: J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
1982
CC0

Periode:

1952-1975

Omvang:

48,50 meter; 3078 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Enkele stukken zijn in het Engels, Frans of Spaans gesteld.

Soort archiefmateriaal:

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief wordt thans (2011) voorbereid voor overdracht naar het Nationaal Archief van Suriname. Het is niet meer voor raadpleging beschikbaar. Op basis van het in 1954 tot stand gekomen statuut waarin de verhouding tot Nederland werd geregeld, voerde het Kabinet van de Gouverneur de volgende taken uit: Toezicht op de organisatie van het algemeen bestuur; de politie; de rechtsspraak; de defensie; de Landbouw; openbare werken; verkeer; onderwijs; sociale zaken en buitenlandse betrekkingen.
In het archief van het kabinet van de Gouverneur van Suriname uit de periode 1951-1975 zijn stukken te vinden die betrekking hebben op deze terreinen. Zo is er veel materiaal over koninkrijksaangelegenheden, buitenlandse betrekkingen (internationale organisaties, Latijnsamerikaanse organisaties) en binnenlandse bestuursaangelegenheden (regeringsinstellingen, landsfinanciën, ontwikkelingsprojecten, voorlichtingsmateriaal). Een deel van de Kabinetsbescheiden geldt als vertrouwelijk.
Ook zijn er documenten die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog, zoals stukken over Surinaamse veteranen, het Oorlogsherinneringskruis, acties van de Bond van Surinaamse Oorlogsveteranen voor betere pensioenen, uitkeringen aan oorlogsinvaliden, weduwen van omgekomen koopvaardijpersoneel en oorlogsslachtoffers uit Nederlands-Indië. Daarnaast zijn er door voormalige gouverneurs archieven gedeponeerd die een meer persoonlijk karakter dragen.

Archiefvormers:

  • Gouverneur van Suriname: Kabinet (1934)
  • Gouvernementssecretarie van Suriname

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Suriname als deel van het Koninkrijk der Nederlanden

Op 20 januari 1950 kwam in afwachting van de definitieve vaststelling van de staatsrechtelijke verhoudingen tussen het Rijksdeel Suriname en Nederland een Interimregeling tot stand. De regeling was een uitvloeisel van de verhouding tussen de rijksdelen, die sedert de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië in 1945 - in 1949 vond uiteindelijk de soevereiniteitsoverdracht plaats - aanzienlijk was gewijzigd. De voornaamste bepalingen behelsden de invoering van een autonome Surinaamse regering, die in beginsel slechts verantwoording aflegde voor de Staten van Suriname, een rechtstreeks uit het volk gekozen afvaardiging. Hierdoor was de autonomie van Suriname een feit; het besluit van een meerderheid van de Nederlandse Tweede Kamer om op een eerste ontwerp amendementen op het gebied van onderwijs en huwelijksrecht in te brengen leidde tot een unaniem verzet van de Staten van Suriname en uiteindelijk tot intrekking van dit wetsontwerp onder aandrang van de Nederlandse Eerste Kamer. Een nieuwe regeling kwam niet dan met uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten tot stand. Ondertussen werden de reeds in 1948 aangevangen onderhandelingen over een definitieve vaststelling van de onderlinge staatkundige verhoudingen voortgezet. Hierbij kwam vooral de vraag aan de orde, of de Surinaamse autonomie binnen koninkrijksverband ook een recht tot secessie (afscheiding) impliceerde.

De oplossing werd gevonden in de vaststelling van de mogelijkheid tot wijziging of opzegging van het Statuut. Op 16 juni 1954 werd het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden door de Nederlandse Tweede Kamer aangenomen, op 27 oktober 1954 door de Staten van Suriname. Op 15 december 1954 werd het Koninklijk Besluit getekend en op 29 december daaraanvolgende vond in alle rijksdelen de plechtige afkondiging plaats. Om het Statuut symbolisch te bestendigen bracht het staatshoofd koningin Juliana in 1955 een statiebezoek aan Suriname.

De politieke zelfstandigheid van Suriname diende te worden bevestigd in een zelfstandige economische ontwikkeling. Hiertoe ontbraken vooralsnog de mogelijkheden. Hoofdmiddelen van bestaan waren de bauxietproduktie en de bosbouw, maar deze waren voornamelijk in particuliere (buitenlandse) handen.

De bauxiet werd gewonnen door de Surinaamse Bauxite Maatschappij, een dochteronderneming van de Aluminium Company of America, later Suralco, en de Billiton Maatschappij Suriname.

Hun werkzaamheden kwamen vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog de landskas ten goede maar leverden slechts ten dele een bijdrage tot de ontwikkeling van het land. De bosexploitatie geschiedde in samenwerking met de dienst Lands Bosbeheer door de Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij, een in 1947 opgerichte dochteronderneming van een meubelfabriek in het Nederlandse Zaandam.

Deze maatschappij specialiseerde zich behalve op houtexport ook op de fabricage van triplex, spaanplaat en prefabricated woningen. De Surinaamse regering was genoodzaakt om voor deze grote ondernemingen de noodzakelijke infrastructurele voorzieningen te treffen: hiervan was de aanleg van een aantal stuwdammen, zoals de Brokopondodam bij Afobaka (voor de Suralco) de belangrijkste.

De Nederlandse regering nam echter vanaf 1946 de verplichting op zich om Suriname bij te staan in de ontwikkeling van een eigen economische produktie van consumptiegoederen en van een uitbreiding van een infrastructuur, die in eerste instantie de bevolking ten goede kwam. Reeds werd bij rijkswet van 1 augustus 1947 (Stbl. 285) het Surinaams Welvaartsfonds ingesteld met het doel, projecten ter hand te nemen of te financieren, die de ontwikkeling van Suriname zouden bevorderen.

Het fonds financierde ontwikkelingsprojecten overeenkomstig een nader op te stellen werkplan, resultaat van continu overleg tussen Nederlandse regeringsinstellingen, het Surinaamse gouvernement en de Staten. Allengs bleek deze planning te beperkt; geregeld overleg tussen Nederland en Suriname diende geïnstitutionaliseerd te worden met respect van de interne zelfstandigheid van Suriname. Hiertoe diende de oprichting van het Surinaams Planbureau op 30 juli 1951 (G.A.B. 63), dat als eerste opdracht kreeg de voorbereiding van een nationaal tienjarenplan.

Coördinatie van de planning bleek bovendien noodzakelijk door de ontwikkelingsplannen van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties. De Surinaamse ontwikkeling werd ingepast in het Marshall-plan en de Verenigde Staten verklaarden zich bereid om, onafhankelijk van Nederlandse bijdragen, technische hulp te verlenen in het kader van ontwikkelingsprojecten van de Verenigde Naties. Hiertoe werd in 1953 een contract gesloten. Op 10 juni 1952 werd het Tienjarenplan bij de gouverneur van Suriname ingediend; op 22 december 1954, een week na de ondertekening van het Statuut door de Koningin, werd het beginselakkoord over het plan tussen de regering van Suriname en de Nederlandse regering ondertekend. Omdat het door gekozen Staten was goedgekeurd geldt het als het eerste nationale ontwikkelingsplan; op 23 januari 1956 trad het in werking.

Bij de beëindiging van het Tienjarenplan, dat vooral bijdroeg tot infrastructurele voorzieningen in het Surinaamse binnenland door de uitbreiding van luchthavens en dat behalve de economische ontwikkeling op agrarisch terrein ook de sociale ontwikkeling van de bevolking beoogde, werd een planning op langere termijn noodzakelijk. Op 2 november 1965 stelde de Surinaamse ministerraad het Nationale Ontwikkelingsplan Suriname vast, dat zou worden uitgewerkt in elkaar opvolgende vijfjarenplannen. De Nederlandse regering zegde aan de uitvoering van deze plannen op gelijke wijze haar steun toe. De planontwerpende en controlerende instanties van het Tienjarenplan bleven in functie. Blijvende resultaten van deze ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname zijn de uitgestrekte gemechaniseerde rijstpolders in het district Nickerie: de Prins Bernhardpolder en het Wageningenproject. Zij dragen in aanzienlijke mate bij aan de voedselvoorziening in Suriname. Gunstige factoren zijn ook de export van citrusvruchten en van produkten van de sedert 1960 opgekomen garnalenvisserij, die vanaf 1974 door de regering wordt geëxploiteerd.

In het in 1971 ingegane Tweede Vijfjarenplan kwam de ontwikkeling van een groot gebied in West-Suriname aan de orde. De aanleg van dammen in de Saramacca, de Kabalebo-dam gaf niet alleen mogelijkheden voor elektriciteitsvoorziening en irrigatie van de vruchtbare gebieden in het district Nickerie, zij leverde ook infra-structurele mogelijkheden voor de bouw van een industriegebied rond het plaatsje Apoera, waar in de omgeving gewonnen metaal zou worden verwerkt.

Van betekenis voor de economische ontwikkeling was ook de bijzondere band met de Europese Economische Gemeenschap, waarvan het rijksdeel Nederland vanaf de oprichting in 1957 lid was.

Op 1 september 1962 werd Suriname als geassocieerd lid toegelaten; in februari 1962 kwam het verdrag van Yaoundé tot stand, waarbij 17 Afrikaanse landen toegang kregen tot de Europese markt, en waarbij Suriname zich in 1964 aansloot. Door deze associatie had Suriname in ruil voor vrije invoer van Europese produkten de mogelijkheid om rijst en citrusvruchten naar de Europese markt te exporteren; vanuit een Europees Ontwikkelingsfonds kon steun worden verleend aan de Surinaamse regering voor een aantal specifieke projecten.

Allengs begon Suriname zich echter ook op het Latijnsamerikaanse continent te oriënteren. Reeds in 1948 nam L. Lichtveld als Surinaamse afgevaardigde deel aan de negende Pan-Amerikaanse conferentie in Bogotá; Lichtveld vertegenwoordigde Suriname daarna ook als afgevaardigde van een autonoom gebiedsdeel in de tiende conferentie in Caracas (1954).

In 1948 trad ook het in 1946 door Nederland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten gesloten verdrag inzake de oprichting van een Caribische Commissie in werking. Deze commissie omvatte alle gebiedsdelen in de Caribische zee en had tot doel de samenwerking in het Caribische gebied te bevorderen door gemeenschappelijk onderzoek op economisch, sociaal, wetenschappelijk en technologisch terrein. Surinaamse afvaardigingen namen in de commissie actief deel. In de in 1948 opgerichte Organisatie van Amerikaanse Staten had Suriname geen zitting; wel werd het in 1960 opgenomen in het hulpverleningsprogramma van de Verenigde Staten, de Alliance for Progress. Hierdoor werd Suriname erkend als een Latijnsamerikaans ontwikkelingsland, weliswaar met een eigen etnische structuur, maar met gelijkaardige problemen en belangen als de omringende landen.

De interne politieke ontwikkeling van Suriname werd in hoge mate bepaald door de complexe bevolkingsstructuur. De belangrijkste politieke partijen werden in 1946 reeds opgericht: de Nationale Partij Suriname, die zich ontwikkelde tot een voornamelijk Creoolse partij en de V.H.P., die onder verschillende benamingen, maar met de zelfde initialen, voornamelijk de Hindostanen verenigde. Als kleinere partij handhaafde zich de Kaum Tani Persatuan Indonesia, die de belangen van de Javanen vertegenwoordigde. Binnen deze verbanden deden zich scheuringen voor, die aanvankelijk aansluiting vonden bij een in hoofdzaak Creoolse Partij van Sociale Vooruitgang. De aanvankelijke tegenstellingen tussen de "protestantse" N.P.S.-aanhang en de "Roomse" P.S.V. maakten coalitie-regeringen van de N.P.S. en de V.H.P. of van hun tegenstanders (het "eenheidsfront", 1955-1958) mogelijk. Suriname leek in de jaren 1950 een paradijs van interraciale samenwerking. Na het aan de macht komen van een voornamelijk Creoolse regering onder leiding van J. Pengel in 1967 nam de polarisatie tussen de landsaarden toe.

Daarnaast bleef de sociale situatie precair: het in de jaren 1930 ontstane arbeidsoverschot, paradoxaal gevolg van het tekort aan arbeidskrachten in de voorafgaande jaren die voor het ondernemersklimaat nadelig waren, groeide in de jaren 1960 door de toeneming van de transmigratie van bosbewoners naar de grote stad Paramaribo. Na 1950 werd de oude plantagecultuur vervangen door gemechaniseerde landbouw, die echter weinig arbeidsintensief was; ook de mechanisatie van de bauxietwinning droeg weinig bij tot de leniging van de werkloosheid.

De polarisatie tussen Creolen en Hindostanen werd mede verscherpt door de uitbreiding van het aantal ambtenarenbetrekkingen en de vermeende invloed van de heersende politieke partij daarin. Het gevolg was, dat sociale conflicten nagenoeg altijd in het voordeel van de oppositie werkten: de val van de NPS-regering Pengel was het gevolg van een onderwijsstaking in 1969, de val daarop van de VHP-regering Sedney van een algemene ambtenarenstaking in 1973. Doordat steeds meer inwoners hun toevlucht namen tot emigratie naar Nederland, nam de onderbevolking toe.

In 1970 zag de regering Sedney zich ter uitvoering van het verkiezingsprogram van de V.H.P. genoodzaakt om onderhandelingen met de andere koninkrijkrijksdelen aan te knopen om ter vergroting van de Surinaamse zelfstandigheid tot wijziging van het Statuut te komen. Ook van Nederlandse zijde werd hierop aangedrongen: de sociaal-democratische Partij van de Arbeid noemde zelfs in zijn verkiezingsprogram "Keerpunt 1972" een termijn voor de onafhankelijkheid van Suriname. Een Koninkrijkscommissie ving besprekingen aan, die tot perspectieven leidden, meer in het algemene zelfstandigheidsstreven nam de V.H.P. slechts een gematigd standpunt in; zij wenste eerst vermindering van de rassenpolarisatie. Na een kabinetswisseling werd echter het roer omgegooid.

De in hoofdzaak Creoolse regering Arron legde op 15 februari 1974 in zijn regeringsverklaring de Koninkrijkscommissie een termijn op, waarbij hij de onafhankelijkheid vóór eind 1975 gerealiseerd wenste te zien. Na zeer intensieve onderhandelingen tussen de regeringspartijen en oppositie over de manier, waarop na de onafhankelijkheid een raciale hegemonie kon worden voorkomen, en na het aangaan van een akkoord met de Nederlandse regerlng over een door deze te financieren Meerjaren Ontwikkelingsplan, werd op 25 november 1975 de onafhankelijkheid van Suriname plechtig uitgeroepen.

Het Statuut was beëindigd.

2. De Gouverneur

De positie van de gouverneur vond zijn grondslag in het in 1954 aangenomen Statuut voor het Koninkrijk (Stb. 1954 nr. 596, Gouv. bl. No. 172). Zijn taak en bevoegdheden werden vastgesteld in de Staatsregeling van Suriname van 29 maart 1955 (Stbl. 133, G.B. No. 53) en het Reglement voor de Gouverneur van diezelfde datum (Stbl. 134, G.B. No. 54). Daarvóór werd zijn positie ten opzichte van de koloniale periode belangrijk gewijzigd bij de Interimregeling voor Suriname van 1949 (Stbl. J 575, G.B; 1950 No. 10).

Het beeld van "onderkoning van Suriname" heeft zich vanaf 1946 gewijzigd in dat van een constitutionele vertegenwoordiger van de monarchie. De gouverneur was sedert 1950 zowel orgaan van het Koninkrijk als landsorgaan. Voor zijn daden als vertegenwoordiger van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden was hij verantwoordelijk aan de Koninkrijksregering als principaal. Hij volgde haar aanwijzingen op bij onderwerpen, die het Koninkrijk in het algemeen aanbelangen. Het Reglement van 1955 stelde zijn bevoegdheden en plichten limitatief vast en schreef de gouverneur bindend voor wanneer hij mocht ingrijpen in het Surinaamse regeringsbestel. In bepaalde gevallen was hij daartoe zelfs verplicht. Reeds tijdens de Interimregeling van 1950 werd trouwens voor het binnenlands beleid de positie van de gouverneur als hoofd van een parlementaire democratie vastgesteld: "de Gouverneur is het hoofd van de landsregering. De landsministers zijn verantwoordelijk voor de Staten".

De gouverneur had dus een tweeslachtige positie. Hij was hoofd van de Surinaamse Regering (na 1954 vertegenwoordiger van de Koningin in Haar hoedanigheid van hoofd van de landsregering) én vertegenwoordiger van de Regering van het Koninkrijk. "Deze tweeslachtigheid brengt wel eens verwarring, omdat de Gouverneur als Surinaams Orgaan onschendbaar is, maar als Koninkrijksorgaan toch wel verantwoordelijk is aan het Koninkrijk der Nederlanden". (

Aldus C.D. Ooft in het schoolboek "Kort begrip van de staatsinrichting van Suriname". 4e druk, Paramaribo 1973, pag. 22-23.

) Tevens had hij tesamen met de verantwoordelijke landsministers volgens het Statuur "de zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden". Concrete bevoegdheden, die de gouverneur mogelijkheden gaven om in te grijpen in de wetgeving door het samenspel van Surinaamse Staten en landsministers staan met name beschreven in het Reglement van de Gouverneur van 1955. De gouverneur "waakt over het algemeen belang van het Koninkrijk" (art. 18). Hij zorgt voor de afkondiging en uitvoering van Rijkswetten, algemene maatregelen van Rijksbestuur en de voor Suriname geldende overeenkomsten van het Rijk met andere mogendheden en volkenrechtelijke organisaties (art. 19). Wel had hij de bevoegdheid "om gewichtige redenen" de afkondiging van deze wetten etc. op te schorten, waarna hij dan een voordracht doet aan de Koning; bij afwijzing van deze voordracht is de gouverneur alsnog aan afkondiging gehouden (art. 20). Bij de totstandkoming van Koninkrijkswetten was beraadslaging van de Staten van Suriname noodzakelijk en de Gevolmachtigde Minister van Suriname beschikte bovendien over bevoegdheden om zonodig de aanneming van bepaalde rijksregelingen te voorkomen; als het er echter op stond, voorzag het Statuut echter wel in mogelijkheden voor Nederland om een rijkswet of algemene maatregel van Rijksbestuur tot stand te doen komen.

Het toezicht van de gouverneur op naleving van de afgekondigde rijkswetten, A.M.v.R.B.'s en internationale overeenkomsten, leidde niet alleen tot eventuele voordrachten aan de Koning (art. 23), maar ook tot de bevoegdheid om de vaststelling van door de landsregering voorgedragen (en door de Staten aangenomen) landsverordeningen of landsbesluiten te weigeren. "Hij geeft hiervan terstond kennis aan de Koning als hoofd van de Regering van het Koninkrijk", die dan een uiteindelijke beslissing tot schorsing neemt. Bij hem berust dan de beslissing of een landsverordening of landsbesluit in strijd is met "het Statuut, een internationale regeling, een Rijkswet of een algemene maatregel van Rijksbestuur, dan wel met belangen, welker verzorging of waarborging aangelegenheid van het Koninkrijk is".

De Kroon kon op voordracht van de Raad van Ministers van het Koninkrijk en op advies van de Raad van State ook zelf landsverordeningen vernietigen. Een dergelijk conflict tussen landsverordening en Rijkswet heeft zich echter in de praktijk niet voorgedaan; conflictsituaties op formeel terrein werden reeds van tevoren vermeden door onderling beraad tussen gouverneur en landsregering.

De verhouding tussen de gouverneur en de landsministers werd reeds in de periode tussen Interimregeling en Statuut in concreto vastgesteld door op eigen initiatief van de gouverneur vastgestelde landsverordeningen. In het Gouvernementsbesluit van 3 augustus 1951, No. 90 worden alle grondwettelijk neergelegde bevoegdheden van de gouverneur, met name die op het gebied van de benoeming van ambten, aan de landsministers gedelegeerd. Op 27 januari 1970 werd dit landsbesluit herzien, omdat het geen constitutionele basis had. Er werd een verordening uitgevaardigd inzake de instelling en taakomschrijving van departementen van algemeen bestuur. Zo is, aanvankelijk door delegatie, een praktijk tot stand gekomen, waardoor de gouverneur (vertegenwoordiger van de onschendbare koning als hoofd van de landsregering) in toenemende mate bevoegdheden tot handelen aan de (politiek en strafrechtelijk verantwoordelijke) landsministers heeft overgelaten.

In concreto beperkte de rechtstreekse bemoeienis van de gouverneur met de landspolitiek zich tot de uitoefening van zijn bevoegdheid om leden van de Regeringsraad, sedert 1954 Ministerraad, de Raad van Advies en de Rekenkamer te benoemen.

Na gehouden Statenverkiezingen of ter oplossing van een kabinetscrisis benoemde hij een kabinetsformateur. Ook had hij de macht om de Staten te ontbinden: in 1951 en 1958 is hij hiertoe overgegaan op verzoek van de landsministerraad. Over het algemeen is zijn gedragslijn dezelfde geweest als die van een constitutionele monarch in een parlementaire democratie. De hoofdwerkzaamheden van de gouverneur bepaalden zich vooral tot zaken, die in het Statuut expliciet als Koninkrijksaangelegenheden omschreven zijn, namelijk:

1) de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk.

Hiermee bemoeide hij zich actief in samenwerking met de Gevolmachtigde Minister van Suriname, die echter in de loop der jaren het initiatief tot zich nam.

De gouverneur beperkte zich in toenemende mate tot het spelen van doorgeefluik inzake door het Koninkrijk te sluiten, dan wel gesloten verdragen, waarover door landsregering resp. de Staten moest worden beraadslaagd.

2) de defensie, zowel met betrekking tot het Surinaamse grondgebied als tot de kosten van de verdediging van de onafhankelijkheid van het Koninkrijk

De gouverneur was opperbevelhebber over een hem ter beschikking gestelde krijgsmacht: De Landmacht in Suriname, sedert 1961 de Troepenmacht in Suriname.

Volgens art. 28 van het Reglement voor de Gouverneur beschikt hij hierover "zodanig als hem in het belang van het Koninkrijk in het geheel en van Suriname in het bijzonder oirbaar dunkt. Hij kan bevelhebbers en officieren van de krijgsmacht schorsen en delen van de krijgsmacht ter beschikking stellen aan de Landsregering ter handhaving van de openbare orde".

De dagelijkse leiding over de troepen berustte bij de commandant, die door de Koning op voordracht van de Koninkrijksminister van Defensie werd benoemd. Defensie-aangelegenheden binnen het Koninkrijk werden echter niet zelden door de Gevolmachtigde Minister in overleg met het Nederlandse departement van Defensie afgehandeld.

3) regelingen van internationaal recht, nationaliteit e.d., inclusief naturalisaties van personen woonachtig in Suriname.

De gouverneur bemiddelde bij aanvragen om naturalisatie van in Suriname woonachtigen tot Nederlander. Naturalisatie geschiedde pas krachtens Rijkswet.

Tevens verleende de gouverneur de voor overschrijding van de grenzen van koninkrijksdelen vereiste visa, beschikte hij over verzoeken om toelating van vreemdelingen en de uitreiking of intrekking van paspoorten.

4) Grondwetswijzigingen, houdende bepalingen betreffende het Koninkrijk, zulks in overleg met landsregering en Staten.

In theorie lag de hoogste beslissingsmacht in deze bij de Staten-Generaal van het Koninkrijk; de Landsregering en de Staten bezaten evenwel zekere bevoegdheden om invloed te kunnen uitoefenen op deze wijzigingen van de Nederlandse Grondwet, en sedert de Interimwet van 1950 werden zij nimmer "gepasseerd".

5) behartiging van buitenlandse betrekkingen van Koninkrijksdelen, waarbij belangen van Suriname zijn betrokken.

De gouverneur stimuleerde in overleg met de landsminister van Algemene Zaken de uitzending van Surinamers als leden van het diplomatiek personeel, dat binnen het Nederlandse Corps Diplomatique met name de Surinaamse belangen behartigde. De vertegenwoordiging van het Koninkrijk in internationale lichamen kreeg Surinaamse afgevaardigden. Hun rapportage richtte zich echter in eerste instantie tot de Gevolmachtigde Minister van Suriname, die zelf rechtstreekse contacten met de Koninkrijksminister van Buitenlandse Zaken onderhield.

De rol van de gouverneur beperkte zich in toenemende mate tot informeel overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken en formele diplomatieke vertegenwoordiging. Voorts werden reizen van landsfunctionarissen naar het buitenland door het Koninkrijk bekostigd; voor officiële missies was derhalve toestemming van de gouverneur vereist.

6) Nederlandse aangelegenheden, of aangelegenheden van Koninkrijksdelen, die naar zijn mening Koninkrijksaangelegenheden zijn.

Onder deze aangelegenheden vallen protocollaire aangelegenheden als vlag, volkslied, organisatie van statiebezoeken, officiële reizen e.d., het decoratiebeleid van de Koning, maar ook het koninkrijksoverleg inzake de Nederlandse bijdrage tot de Surinaamse economische ontwikkeling.

Met name in deze variëteit van bemoeienissen is de gouverneur zeer actief geweest. Eigenhandig stelde hij de gewenste decoratievoorstellen op, hierbij eerst sedert 1968 bijgestaan door een speciale commissie, maar in hun voorstellen bracht hij drastische wijzigingen aan. Nauw was hij betrokken bij de totstandkoming van plannen van economische bijstand en bij de uitvoering van enkele facetten, ofschoon het zwaartepunt hiervan kwam te liggen bij het overleg tussen de landsregering en de Nederlandse departementen.

De gouverneur was zelf beheerder van het in 1947 opgerichte Surinaams Welvaartsfonds, dat in 1956 werd geliquideerd. Hierna behield hij de beschikking over gelden, voortkomend uit het batig saldo van dit fonds, die hij bestemde voor voornamelijk "niet-commerciële" projecten. In 1954 kwam het Tienjarenplan tot stand. De gouverneur was rechtstreeks betrokken bij het overleg en de voorbereiding. Maar toen in 1956 dit plan in werking trad, berustte de uitvoering bij instellingen, die onder de competentie van de Landsministerraad vielen (de Stichting Planbureau Suriname) en werd vanuit Nederland de controle op de besteding van Nederlandse gelden uitgeoefend door een speciaal daartoe aangewezen missie van deskundigen. De gouverneur werd van de vorderingen op de hoogte gehouden, evenals van het overleg inzake het nationaal ontwikkelingsplan en de uitvoering van de daarop volgende vijfjarenplannen, maar had hierin geen zeggenschap. De Nederlandse missie van deskundigen voor het Tienjarenplan voor Suriname bestendigde zich als overlegorgaan en controle-orgaan in een Vertegenwoordiging voor de Nederlandse Ontwikkelingshulp in Suriname. De gouverneur werd slechts als adviseur betrokken bij verzoeken om goedkeuring van z.g. "niet-commerciële" projecten van sociaal-economische en/of opvoedkundige aard (de zogenaamde S.E.O.A.-projecten).

Daarnaast bemiddelde de gouverneur bij de uitzending van Nederlandse deskundigen naar Suriname, die door Nederlandse departementen worden betaald overeenkomstig een door de Verenigde Naties opgestelde regeling inzake technische bijstand. Hij adviseerde de Nederlandse regering bij verzoeken van de landsregering om technische bijstand, rapporteerde over het verloop van de werkzaamheden door uitgezondenen en adviseerde desgewenst over handhaving of terugroeping. Verder voerde hij de beschikkingen van de Nederlandse regeringsinstanties uit inzake benoeming, bezoldiging en ontslag van de uitgezondenen. In hoeverre hij zijn invloed kon uitoefenen op de economische ontwikkeling van Suriname was dus in toenemende mate afhankelijk van informele contacten en adviezen, dan wel aan de nevenactiviteiten, die bepaalde functionarissen van zijn Kabinet uit hoofde van hun functie verrichtten.

In de praktische gang van zaken is er, anders dan in de Nederlandse Antillen, geen fundamenteel conflict geweest tussen de onschendbare gouverneur en de verantwoordelijke landsministers. Naar buiten toe hield de gouverneur een traditie van constitutionele afzijdigheid hoog. Toen in 1962 voor het eerst een uit Suriname geboortige tot gouverneur werd benoemd, ging deze afzijdigheid welhaast in lijdelijkheid over; verschillende zaken, die door zijn voorganger nog van eigen adviezen worden begeleid, werden thans in hun geheel aan de landsministers overgelaten.

Het gouverneurschap ten tijde van het Statuut was de laatste fase van een ontwikkeling: hield zij aanvankelijk nog ten dele de vertegenwoordiging van het Nederlandse gezag in Suriname in, zij evalueerde zich meer en meer naar een vertegenwoordiging van Suriname zelf binnen het Rijksverband, totdat de gouverneur zich niet anders manifesteerde dan als plaatsvervangend staatshoofd van Suriname. Deze primaire verbondenheid met Suriname kwam wel zeer manifest tot uiting, toen na de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname de aan het bewind zijnde gouverneur, dr J.H.E. Ferrier automatisch tot President van de Republiek werd benoemd.

3. Het Kabinet van de Gouverneur

Van de oprichting van een los van de Landsregering staand bureau van de gouverneur was al sprake in de Memorie van Toelichting op de Rijksbegroting voor 1950. Reeds hier werd aan de hand van de Staatsregeling van 1948 betoogd, dat "aan de landsorganen en de landsdienaren niet de behandeling kan worden opgedragen van ... zaken (als) zorg voor het algemeen belang van het Koninkrijk, opperbevel over de (de Gouverneur) ter beschikking gestelde krijgsmacht, e.d. Daarvoor dient de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk een afzonderlijk apparaat, een kabinet te bezitten". (

Zie over het ontstaan van het Kabinet van de Gouverneur in het archief van de Gouverneur van Suriname, Kabinet Geheim, 1885-1951, inventarisnummer 173.

)

Deze scheiding van werkzaamheden werd nog noodzakelijker door de Interimregeling van 1950 en door de voorbereiding van de landsverordeningen inzake de overdracht van enkele constitutionele bevoegdheden van de gouverneur aan de landsregering.

Op 14 juli 1951 werd het Kabinet geïnstalleerd. (

Mededeling van de gouverneur in een artikel in De Tijd, archief van het Kabinet van de Gouverneur, 1952-1975, inventarisnummer 175. Over de formatie van het Kabinet in het begin: zie noot 2).

) De leiding bestond uit een directeur en een referendaris, die zijn plaatsvervanger was; voorts was er een commies voor de codedienst, een stenotypiste-codiste en een telefoniste, allen personeelsleden van de voormalige gouvernementssecretaris. Reeds in hetzelfde jaar bleek, dat de personeelsformatie ontoereikend was voor de verwerking van alle administratieve werkzaamheden: met name documentatie en archlef kwamen ernstig in het gedrang. (

De hierna en in de volgende bladzijden beschreven gegevens over de formatie en taken van het personeel zijn ontleend aan de individuele personeelsdossiers van de functionarissen, archief van het Kabinet van de Gouverneur van Suriname, 1952-1975, inventarisnummers 184-186 en de organisatie-overzichten van het bureau van het Kabinet, inventarisnummer 181.

)

Op 4 augustus 1952 werd een adjunct-commies naar Suriname uitgezonden voor comptabiliteitswerkzaamheden. Deze comptabele kreeg door de uitbreiding van zijn takenpakket weldra een stafpositie binnen het gestaag uitbreidende Kabinet. In 1969 werd in opdracht van de toenmalige vice-minister-president een inventarisatie van het takenpakket van het inmiddels qua personeelssterkte uitgebreide Kabinet opgemaakt.

Deze taken omvatte de directe werkzaamheden van het Kabinet, zonder de diverse nevenfuncties, die aan deze werkzaamheden verbonden waren. Aan de hand hiervan zal worden gepoogd om een taakomschrijving van enige functionarissen te geven.

a. De Directeur van het Kabinet

De Directeur van het Kabinet had formeel tot taak de gouverneur te adviseren als orgaan van het Koninkrijk en opperbevelhebber van de strijdkrachten. Daarnaast adviseerde hij in de praktijk de gouverneur ook in diens hoedanigheid van hoofd van de Landsregering. Dit hield volgens zijn eigen omschrijving in: "a. Het leveren van commentaar op aan de gouverneur ter tekening voorgelegde ontwerp-landsverordeningen of ontwerplandsbesluiten; b. Het plegen van overleg met de Landsregering omtrent de opening en sluiting van de gewone of buitengewone zittingen der Staten van Suriname; c. Het voeren van besprekingen en het onderhouden van contacten met diverse autoriteiten, het concipiëren van correspondentie, toespraken enz. ..." Hierbij is inbegrepen de voorbereiding van persconferenties van de gouverneur bij officiële gelegenheden. Tot 1962 was hij ook plaatsvervanger van de gouverneur bij diens tijdelijke afwezigheid. Tegelijkertijd kreeg de directeur rechtstreeks instructie van de minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen om desgevraagd rapport uit te brengen over de situatie in Suriname. Deze rapportage diende in 1951 maandelijks, na het inwerkingtreden van het Statuut periodiek te geschieden; tevens diende de directeur "tussentijdse rapporten" uit te brengen, 'wanneer er zich zaken voordeden, waarvan hij meende dat de Nederlandse regering daar onverwijld van op de hoogte moest worden gesteld. De "politiek-economische rapportage", een samenvatting van inlichtingenrapporten, werd in 1962 gestaakt, omdat deze manier van advies uitbrengen aan de Nederlandse regering haar politiek met betrekking tot de Overzeese Rijksdelen wel eens zou kunnen beïnvloeden, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met de constitutionele beleidslijn van de gouverneur. (

Inventarisnummer 2863.

) De directeur was rechtstreeks betrokken bij de verlening van adviezen inzake technische hulp van Nederlanders aan Suriname, totdat de Nederlandse vertegenwoordiging inzake de ontwikkelingshulp zijn taak overnam; zelf bleef hij echter betrokken bij het verlenen van advies over technische hulp door de Verenigde Staten. Vanaf 1955 vertegenwoordigde hij ook tal van Nederlandse organisaties van culturele samenwerking in Suriname: het Prins-Bernhardfonds Suriname (vanaf 1955), de Stichting Culturele Samenwerking tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen (vanaf 1956) en de daaronder vallende culturele organisaties (Stichting Volkslectuur Suriname, Stichting Taalonderzoek).

In verband hiermee verstrekte hij sedert de aanvang van de vijfjarenplannen adviezen over de z.g. "niet-commerciële projecten" (van sociaal-economische en opvoedkundige aard). Tenslotte had de directeur de algemene leiding over de door zijn ondergeschikten te voeren administratie van werkzaamheden, die rechtstreeks onder de competentie van de gouverneur lagen.

b. De referendaris - adjunct-directeur

De adjunct-directeur trad in eerste instantie als rechterhand van de directeur op en verving hem bij zijn afwezigheid of wanneer deze op zijn beurt de gouverneur verving.

Aanvankelijk had hij geen andere specifieke taak dan juridisch adviseur; voor zijn functie was een academische opleiding in de rechten vereist. Hij verzamelde gegevens voor de rapportage voor het Kabinet aan de Nederlandse regering en had derhalve rechtstreeks contact met de inlichtingendienst van politie en leger. Vanaf 1954 was hij tevens Rijksvoorlichtingsambtenaar, een functie, waarvoor hij een aparte administratie voerde.

Bij de in 1969 opgestelde taakomschrijving blijkt, dat de directeur enkele vaste taken aan hem delegeerde: de leiding over het secretariaat en de comptabele, de correspondentie over aanvragen van door Nederland te verstrekken financiële hulp aan ontwikkelingsprojecten en technische bijstand, de behandeling van visa en transitvisa, de organisatie van persconferenties en de berichtgeving door de gouverneur, en veiligheidsaangelegenheden. Ook stond hij de gouverneur bij met de motivering van decoratievoordrachten. Uit een analyse van het secretariaat zal blijken, dat de uitvoering van het merendeel van deze taken bij administratieve krachten berustte.

c. De ambtenaar voor financiële en personele zaken

De comptabele was niet alleen verantwoordelijk voor het financiële beheer van de gouverneur en het Kabinet, hij behandelde ook alle aangelegenheden van de rechtspositie van het rijkspersoneel in Suriname en de materiële aangelegenheden van de gouverneur en zijn staf. Zijn financiële taak beperkte zich echter niet tot het Kabinet als zodanig, maar omvatte alle financiële beheerstaken van de gouverneur: de voormalige Welvaartsfondsgelden, de gelden van de Nederlandse vertegenwoordigingen inzake ontwikkelingshulp, de financiële aangelegenheden van uitgezondenen in het kader van technische bijstand, en van de vertegenwoordigingen, waaraan de directeur van het Kabinet deel had. Ook stelde hij de ontwerp-begroting op en bewaakte hij de gegeven kredieten. Verder was hij aangewezen om de belangen te behartigen van personen, die zich tot de gouverneur konden wenden om, krachtens een rijkswet, bijstand te ontvangen. Zijn personeelsbeleid omvatte alle Nederlandse rijksambtenaren inclusief uitgezondenen in het kader van de Technische Hulp of Sticusa-projecten.

Hij inde de vorderingen die door de Staat der Nederlanden op particulieren werden opgesteld, ook ten behoeve van derden; indien hiertoe paspoorten werden ingehouden beschikte hij over eventuele restitutie. Hiernaast beheerde hij de administratie van de gewezen burgerlijke en militaire landsdienaren uit Indonesië, die in Suriname verbleven (Stichting Administratie Indische Pensioenen) en behandelde hij pensioenzaken van gewezen militairen van de Troepenmacht in Suriname. Ook was hij comptabele voor de civiele rijksuitgaven in Suriname voor de Directie Financiële en Materiële Zaken van het landsministerie van Landbouw, Visserij en Veeteelt. Voor de uitvoering van zijn taak had hij in 1969 reeds vier secretaressen nodig.

d. Het secretariaat

Bij de instelling van het secretariaat, dat van meet af aan uit louter vrouwelijke krachten bestond, werd de leiding gegeven aan een "commies voor de codedienst", die tevens de titel had van secretaresse van de gouverneur. Deze functie behelsde reeds in de jaren 1952-1954 de leiding over het gehele bureau weldra werd zij dan ook omschreven als "chef de bureau". Onder deze chef stonden weldra een eerste secretaresse (adjunct-commies) en een tweede secretaresse (klerk, later adjunct-commies) met elk een aantal specifieke, mondeling opgedragen taken, waarover de chef het directe toezicht had. Omstreeks 1960 had deze chef verantwoordelijkheid over het geheim archief, de codering en decodering van de post en de behandeling van geclasseerde stukken; de eerste secretaresse was verantwoordelijk voor het beheer van het archief, de tweede voor het coderen en decoderen van telegrammen.

Zij hadden respectievelijk vier en zes "kantoorbedienden" onder zich. Buiten dit personeelsbestand stonden nog de krachten, die onder verantwoording van de comptabele vielen en daar een deeltaak hadden (bijvoorbeeld het beheer van de administratie van Indische pensioenen) en de secretaresse van de Rijksvoorlichtingsambtenaar.

De in 1969 opgestelde taakanalyse van de verschillende functionarissen geeft een nog verdergaande verdeling aan als gevolg van het toenemende aantal routinewerkzaamheden bij het uitschrijven van paspoorten en visa en de verwerking van naturalisatie-aanvragen.

In 1969 had de chef de bureau vier administratieve krachten onder zich, die naast het hun opgedragen steno- type-, codeer- en collationeerwerk de volgende takenpaketten kenden:

  1. Het archief en de behandeling van aanvragen om naturalisatie en visa.
  2. De administratie van stichtingen, de werkzaamheden voor de vertegenwoordiging van de Sticusa in Suriname, de registratie van schulden van Surinamers aan het Koninkrijk en Nederlandse gemeenten, en het bijhouden van de documentatie ("stencilarchief, wijzigingen in wetboeken, inbinden van jaarverslagen en tijdschriften").
  3. Het secretariaat voor de pensioenregistraties (voor de Stichting Administratie Indische Pensioenen, voor de TRIS e.d.) en van de Rijksvoorlichtingsambtenaar.
  4. De assistentie van de comptabele: de verantwoording over de uitvoering van het interne financiële beheer van het Kabinet van de Gouverneur en over de controle van de administratie van niet-commerciële projecten uit de Vijfjarenplannen.

In 1975 was het personeelsbestand ondanks de door de Nederlandse regering in 1971 ingevoerde tijdelijke personeelsstop met twee personen uitgebreid. De werkzaamheden waren toen als volgt verdeeld:

  • de chef de bureau was verantwoordelijk voor de algemene leiding en het toezicht, de behandeling en distributie van de ingekomen post, het geheime archief, de behandeling van de diplomatieke mail, het beheer van de codedienst, de registratie van koninklijke onderscheidingen, van diplomatieke en dienst-paspoorten, de tijdschriftenbibliotheek, het beheer van de overheidspublicaties en het semistatische archief;
  • een administratieve kracht was verantwoordelijk voor de agendering en registratie van het "open archief" van het Kabinet en van het archief van het Prins Bernhardfonds Suriname. Tevens assisteerde zij de codedienst en de koerier en verving zij de chef de bureau;
  • een administratieve kracht was verantwoordelijk voor de registratie van de naturalisatie-aanvragen en nationaliteitsonderzoeken, alsmede voor de registratie van het archief van de vertegenwoordiger van de Sticusa. Zij verving voor het werk aan de balie en als telefoniste;
  • een assistent-comptabele was verantwoordelijk voor de financiële administratie van het Kabinet, van de technische bijstand en van de z.g. niet-commerciële projecten uit de vijfjarenplannen; zij was de secretaresse van de comptabele en verving voor het werk aan de balie en als telefoniste;
  • een administratieve kracht was verantwoordelijk voor de correspondentie inzake projecten van de Nederlandse ontwikkelingshulp en de technische bijstand, en de Stichting Experimentele Landbouwbedrijven. Tevens was zij verantwoordelijk voor het beheer van de Indische pensioenen, van de bestelbonnen, voor de abonnementen op kranten en tijdschriften, voor het kaartsysteem van de bibliotheek. Zij assisteerde de koerier met verpakking, en verving voor het werk aan de balie als telefoniste;
  • twee telefonistes en receptionistes waren tevens verantwoordelijk voor het archief van de Rijksvoorlichtingsambtenaar, de expeditie van de poststukken en kleine interne verteringskassen.

De functionarissen bestonden in hoofdzaak uit door de Nederlandse regering uitgezonden personen, die soms voor een beperkte periode een arbeidscontract aangeboden kregen. Het gehele personeelsbestand werd na de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname naar Nederland teruggeroepen, overgeplaatst of gepensioneerd.

Overzicht van de belangrijkste functionarissen, werkzaam bij het Kabinet van de Gouverneur

  • Gouverneurs van Suriname:

    1949-1955 1949-1955
    1955-1962 1955-1962
    1962-1964 1962-1964 (

    Benoemd in 1963.

    )
    1965-1968 1965-1968
    1968-1975 1968-1975
  • Directeuren van het Kabinet van de Gouverneur:

    1951-1961 1951-1961
    1961-1966 1961-1966
    1966-1975 1966-1975
  • Adjunct-directeuren van het Kabinet van de Gouverneur:

    1952-1959 1952-1959
    1959-1961 1959-1961
    1961-1966 1961-1966
    1966-1975 1966-1975
  • Ambtenaar voor financiële en personele zaken:

    1953-1975 1953-1975
  • Secretaresse van de Gouverneur (Chefs de bureau van het Kabinet):

    1952-1955 1952-1955 (

    (Oorspronkelijk: commies voor de codedienst.)

    )
    1954-1958 1954-1958
    1958-1961 1958-1961
    1961-1969 1961-1969
    1969-1975 1969-1975

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: