gahetNA in the National Archives

Justitie, 1813-1876

2.09.01
J.C. Beth
Nationaal Archief, Den Haag
1933
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.01
Author: J.C. Beth
Nationaal Archief, Den Haag
1933
CC0

Periode:

1800-1951
merendeel 1813-1876

Omvang:

670,00 meter; 5230 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands en in het Frans. Een klein gedeelte is gesteld in talen als Duits en Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bestaat voor het grootste deel uit een chronologisch verbaal, dat toegankelijk is met behulp van indices en alfabetische namenklappers. Voor bepaalde beleidsterreinen, zoals gratieverlening, gevangenissen, politie, jacht en visserij, adelszaken en erediensten, zijn er aparte series en soms ook aparte indices.
Een niet onbelangrijk gedeelte is buiten verbaal gehouden en op onderwerp geordend. Deze stukken betreffen onder meer: kerkelijke armenzorg; Nederlanderschap (naturalisatie); notariaat; openbare orde en veiligheid (met nogal uiteenlopende onderwerpen als: bestrijding van bedelarij, krankzinnigen (gestichten), toezicht op maten en gewichten, toezicht op middelen van vervoer); politie; rechterlijke macht; rechtspraak; vreemdelingen; wetgeving. In een Supplement zijn voorts opgenomen: bezoldigingsregisters, stukken betreffende naamsaanneming of naamswijziging en dossiers inzake uitleveringen. In een bijlage van de inventaris is een klapper op de uitleveringsdossiers opgenomen (zie toegang 2.09.03).
In het deel geheim archief zijn er uit de jaren 1815-1830 veel stukken over personen en instanties in de Belgische provincies, die zich tegen het regeringsbeleid keerden.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Justitie 1815-
  • Eerste president van het Hooggerechtshof 1813-1815
  • Commissie tot Ontwerp van de Nationale Wetgeving
  • Commissie van Redactie voor de Nationale Wetgeving
  • Eerste President van het Hoog Gerechtshof der Verenigde Nederlanden
  • Ministerie van Justitie / Algemeen Secretariaat
  • Ministerie van Justitie / Derde Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Eerste Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Tweede Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Vierde Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Vijfde Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Zesde Afdeling
  • Raad van Administratie over de Burgerlijke en Militaire Gevangenhuizen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Na de aanvaarding van het Algemeen Bestuur door de Prins van Oranje werd bij besluit d.d. 1 december 1813, nr. 26 het bestuur der Binnenlandse Zaken geregeld. Art. 6 daarvan luidde:

'Het Justitiewezen blijft, ingevolge het besluit, op heden door het Algemeen bestuur genomen, provisioneel geconserveerd, alle voordrachten, welke door hetzelve aan den Groot-Regter-Minister van Justitie plegen te geschieden, en nu aan het Gouvernement zullen moeten plaats hebben, zullen gaan door het intermediair van den Commissaris-Generaal voor de Binnenlandsche Zaken'.

Dit besluit was echter nauwelijks afgekondigd, of er volgde op 7 december 1813 (nr. 13) reeds een nieuw, dat luidde:

'Bij alteratie van het besluit van het Algemeen Bestuur in dato 1 December 1813 nr. 26, art. 6, zal de Eerste President van het Hooge Gerechtshof der Vereenigde Nederlandsen onmiddellijk met den Vorst arbeiden. Alle voordrachten, het Justitiewezen betreffende, welke tot dus verre aan den Groot-Regter-Minister der Justitie pleegden te geschieden, zullen ons voortaan gedaan worden door voormelden Eersten President. De Eerste President van het Hooge Gerechtshof zal voornamelijk zorgen, dat overeenkomstig het Besluit van het Algemeen Bestuur d.d. 1 December 1813 en behoudens de daarbij uitgedrukte bepalingen de Justitie bij voortduring behoorlijk en op den thans bestaanden voet wordt geadministreerd. Hij zal zich, hoe eer hoe liever, met den Commissaris-Generaal tot de Binnenlandsche Zaken en den Procureur-Generaal concerteeren tot het doen van een gemeenschappelijke voordracht aan Ons, omtrent den tegenwoordigen staat der gevangenissen en de voegzaamste middelen om de onmenschlievende verwaarlozing te doen ophouden, die daaromtrent in de laatste drie jaren plaats gevonden heeft.'

Bij Soeverein Besluit van 12 augustus 1814, nr. 1 zijn de provisionele bepalingen vastgesteld voor de 'spoedige en rigtige behandeling der zaken in de Belgische provinciën'. Hierbij zijn ingesteld vier administratieve departementen onder leiding van commissarissen-generaal, terwijl aan ieder departement een commissaris kon worden benoemd, belast met een of meer gedeelten van de dienst.

  • Art. 20 van genoemd besluit zegt: 'De Commissaris-generaal van Justitie is belast met de rigtige administratie der Justitie. Hij adviseert op alle verzoeken om abolitie, om dispensatie of om brieven van naturalisatie, op de quaestiën van competentie en op de verschillen tusschen burgerlijke en militaire rechtbanken.
  • Art. 21. Hij draagt Ons de personen voor ter vervulling van opengevallen plaatsen in de Hoven, rechtbanken en vredegeregten, als mede tot aanstelling van procureurs en notarissen.
  • Art. 22. Aan het Departement van Justitie is mede verbonden de algemeene zorg voor de Policie, zoo verre dezelve betrekking heeft tot het voorkomen van delicten, tot de surveillance van vagabondeerende en het onderzoek der papieren van reizende personen.
  • Art. 23 Ter bereiking van de doeleinden hierboven gemeld zal de Commissaris-Generaal van Justitie zich moeten verstaan met de Departementale en andere administratiën en met de procureurs-generaal bij de Opperste Gerechtshoven te Brussel en te Luik, en zich door middel van derzelver geregelde en sedert lang gevestigde correspondentie met de officieren van Justitie die kennis verschaffen van al hetgeen hij voor de behoorlijke waarneming van zijn ambt noodig heeft.
  • Art. 24 Bij een nader te nemen besluit zal bepaald worden in hoeverre de dienst der Marechaussee tot dit Departement zal behooren.'

Het beheer van de politie berustte verder bij de op 30 november 1813 benoemde commissaris-generaal van politie, wiens functie en archieven bij Koninklijk Besluit d.d. 9 maart 1818, nr. 74 overgegaan zijn aan de procureur-generaal van het Hooggerechtshof. Deze archieven zijn dus daarheen overgegaan om eventueel in de inventaris van diens archieven te worden beschreven.

Bij de definitieve regeling van het bestuur in de Nederlanden bij Koninklijk Besluit d.d. 16 september 1815, nr. 61 (La. H.) werd de heer Van Maanen minister van Justitie, wiens werkzaamheden zich over 'al de gedeelten van het Rijk uitstrekken' zouden. Te dien einde moest hij zich onverwijld in betrekking stellen met de opperste gerechtshoven van Brussel en Luik en met de procureurs-generaal aldaar.

Te Brussel moesten voor de ministers en commissarissen-generaal hotels of woningen worden gekocht of gehuurd, die niet alleen voor woningen bureaus moesten dienen, maar vooral ook voor 'deftige huisvesting der hoofden van de verschillende Departementen'. Aan toelage wegens reis- en verblijfkosten van Den Haag naar Brussel of omgekeerd ontvingen de ministers vijfduizend gulden per jaar.

De minister van Justitie zond 4 oktober 1815 aan de Hoge Gerechtshoven, procureurs-generaal en advocaten-fiscaal een circulaire, meldende de aanvaarding van zijn werkzaamheden. 'Die werkzaamheden', zegt hij, 'brengen mij meer bijzonder in betrekking tot de eerwaardige en aanzienlijke lichamen en ambtenaren van Staat, aan welke de bedeeling en handhaving van het Recht in het opperste rechtsgebied is toevertrouwd en ik reken het mij tot een zonderlinge eer en genoegen aan die allen, bij de aanvaarding mijner werkzaamheden te mogen betuigen, dat even gelijk ik mij verzekerd en overtuigd houde van hunne rechtvaardigheid, oprechtheid, ervarenheid en hartelijken ijver voor de belangen der Justitie, en voor den dienst van den koning en van het vaderland, het mij evenzeer eene aangename plichtsbetrachting zal zijn, de waardigheid, achtbaarheid, luister en onafhankelijkheid der Justitie te mogen helpen vestigen en bevorderen.
Ik heb gemeend, Mijne Heeren, dat deze zeer oprechte uitdrukking mijner gevoelens, aan Ulieden wellicht niet ongevallig zoude zijn; voor mij was zij eene behoefte, en geeft mij tevens de meest geschikte aanleiding, om Uwe goede medewerking, hulp en vertrouwen in te roepen in de behandeling van alle zoodanige onderwerpen, waarin ik ten dienste van den koning, en ter verzekering van een goeden en regelmatigen loop van zaken, het verkieselijk of hoofdzakelijk zal rekenen Uwe voorlichting en gedachten te verzoeken, welke door mij op zeer hoogen prijs worden gesteld.'

Van Maanen werd tevens bij besluit van 6 oktober 1815, nr. 38 'tot op de organisatie van de Regterlijke magt' opgedragen de functies van het tot dus verre bij hem beklede ambt van eerste president van het Hooggerechtshof in 's-Gravenhage te blijven waarnemen. 10 oktober 1815 stelde de minister aan de koning een provisionele regeling der werkzaamheden voor, uit te voeren door de daarbij voorgedragen ambtenaren, luidende voor de noordelijke Nederlanden:

'Hoezeer de ondervinding zal moeten uitwijzen, of en in hoeverre ik moge geslaagd zijn om in mijne berekeningen te dezen aanzien een juiste of genoegzame evenredigheid te treffen tusschen den omvang van den werkkring en de zamenstelling der hulpmiddelen en hoezeer ik daarom gemeend heb voor als nog tot het ontwerpen en voordragen van provisioneele schikkingen te moeten bepalen, is het mij evenwel voorgekomen, dat om aan de zaken eenen geregelden gang te geven, ook bij de meest mogelijke simplificatie, onmisbaar vereischt worden:
In de eerste plaats, een hoofdambtenaar, belast met het toezigt op de geregelde orde van dien dienst in deszelfs geheel, en met het afdoen van zoodanige zaken, welke daarmede in verband staan, of welke , uit hoofde van derzelver gewicht of om andere redenen, geoordeeld worden meer bijzonderlijk of op eene meer convenabele wijze aan zulk een ambtenaar te moeten of te kunnen worden opgedragen.
De verdeeling der gewone werkzaamheden van dezen ambtenaar zoude hoofdzakelijk deze moeten zijn:

  • 1e. Het vak der Comptabiliteit;
  • 2e. Het werk der expeditie;
  • 3e. De zorg voor de bewaring der archieven en het houden van eenen behoorlijken index op dezelve.
Voor elk van welke drie vakken de orde en regelmatigheid van den inwendigen dienst een minderen ambtenaar onder de benaming van commies schijnen te vereischen.
In de tweede plaats is mijn noodzakelijk voorgekomen de aanstelling van ten minste twee hoofdambtenaren, gelijkelijk belast met de behandeling en bewerking van alle zoodanige zaken, welke tot de dagelijksche en gewone onderwerpen, waarmede het Departement van Justitie zich moet bezighouden, een rechtstreeksche betrekking hebben.
Eindelijk is het mij toegeschenen, dat aanvankelijk zal vereischt worden een getal van niet minder dan zes klerken benevens 2 à 2 boden en een concierge of kamerbewaarder.'

De minister had in de bureaus van de voormalige commissaris-generaal van Justitie te Brussel ruim dertig hogere en lagere geëmployeerden gevonden, welke in verschillende divisies verdeeld waren en van welke de staatsminister de Thiennes aan zich verbonden had diegenen, welke hij meende voor het 'aan zijn directie aanbevolen vak der politie' noodzakelijk en meest bruikbaar te zijn. Aan de overigen der geëmployeerden gaf de minister voorlopige instructies omtrent de behandeling der zaken, die nog te Brussel mochten voorkomen, en vooral omtrent zodanige zaken, die niet dadelijk vatbaar waren voor een gelijke behandeling in de zuidelijke en in de noordelijke provincie, opdat aanvankelijk geen stagnatie in enig gedeelte van de dienst mocht plaatsvinden. Ofschoon het de minister voorkwam, dat aldaar aanmerkelijke inkrimping van personeel kon plaatshebben, oordeelde hij het beter zich daarmede vooralsnog niet bezig te houden, opdat daardoor geen stremming veroorzaakt zou worden in de noodzakelijke werkzaamheden, waarover hij de zorg en het toezicht had opgedragen voor zoveel betreft het vak der Justitie aan de commissaris-speciaal Van Hoogten, en voor zoveel betreft het vak der Comptabiliteit aan de commissaris-speciaal Wacken, die geregeld met de minister over elk der vakken corresponderen.

Voorlopig konden geen van deze geëmployeerden naar Den Haag verplaatst worden, vermits deze niet alleen geheel onbekend waren met de vormen en met de behandeling van zaken, die in de noordelijke provincies zijn aangenomen, maar ook omdat slechts weinigen daarvan de Hollandse taal voldoende machtig waren om zich daarin op een duidelijke wijze uit te drukken, zodat het noodzakelijk was alhier ambtenaren te hebben, die genoegzaam bekend waren met de wijze van behandeling in de noordelijke provincies en die tevens in de gelegenheid gesteld werden om langzamerhand een volledige kennis van het geheel te krijgen.

De instructie voor de Brusselse ambtenaren luidde als volgt:

'Le Ministre de la Justice désirant prendre les déterminations nécessaires pour règler la marche des affaires dans les Bureaux à Bruxelles, et tout ce qui est relatif aus service, arrête ce qui suit.

Les fonctionaires de toutes classes, employés jusqu'ici au commissariat-général de la Justice à Bruxelles, y continueront provisoirement l'exercice de leurs fonctions, de la manière qui sera détaillée ci après, à l'exception de ceux qui Son Excellence M. Le Comte de Thiennes jugera convenable de choisir et désigner exclusiviement pour le service de ses bureaux; - ces derniers fonctionaires et employés cesseront desuite à être considerés comme faisant partie des bureaus du Ministère de la Justice; Son Excellence sera priée de vouloir avoir la bonté de m'en adresser un état nominatif.

Les fonctionaires et employés qui continueront provisoirement l'exercie de leurs fonctions dans les bureaux de la Justice, s'occuperont:

a. De tout la partie de la comptabilité sans exception; ils continueront à observer les règles, qui sont été suivies à cet égard jusqu'à ce moment. Monsieur Wacken, Chef de cette administration correspondra avec moi sur tout ce qui y a rapport; il m'adressera les mandats et autres pièces quelconques, qui devront être revêtue de ma signature; ainsi que les minutes des rapports ou propositions à faire à Sa Majesté qui pourraient encore être nécessaires dans cesse classe d'affaires.

b. De toutes les affaires actuellement pendantes au Département de la Justice à Bruxelles, c'est à dire de celles, qui déjà y ont reçues un commencement d'exécution, on qui pourraient avoir été renvoyées préalablement au rapport d'une autorité quelconque. Ces affaires continueriont à y être traitées de la manière suivie jusqu'ici, elles continueront également à être portées notées sur les répertoires ou régistres du Déepartement. Monsieur Van Hoochten correspondra avec moi sur tout ce qui lui ont été confiées. Son Excellence Mr. le Comte de Thiennes ayant eu l'extrême bonté de m'offrir son assitance à cet égard, j'invite monsieur Van Hoochten et Wacken de vouloir traiter ces affaires sous les auspices de Son Excellence et de m'adresser les minutes des rapports ou propositions qui pourraient en resulter, ainsi que celles des lettres ou autres pièces, qui pourraient être nécessaires pour terminer ces affaires.

c. De toutes les affaires nouvelles qui ne parviendront et que le jugerai propre à être traités dans les bureaux à Bruxelles - je correspondrai à cet égard avec mr. Van Hoochten, et lui communiquerai mes intentions au sujet de chaque affaire nouvelle que je lui renverrai.

Toutes les nouvelles affaires quelconques seront traitées dorénavant, dès le commencement dans les bureaux à la Haye; - je ferai insérer dans les papiers publiés une notifications pour avertir les autorités constitées, et cous ceux àqui il appartiendra, de faire parvenir et adresser ces dépechêches au ministère à la Haye, afin que je puisse en prendre imméediatement connaissance et afin de m'en occuper ou de faire exécuter sous mes yeux le travail nécessaire, ce qui cependent ne m'empêchera pas d'en renvoyer quelques unes dans mes bureaux à Bruxelles, pour y être examinées, travaillées et soumises ensuite à ma décision, comme a été dit ci dessus.'

Verder vermeldt deze instructie enige tijdelijke bepalingen omtrent de behandeling der zaken tot 1 november, terwijl daarna volgt: 'toutes dépêches quelconques, qui pourraient être adressées encore à moi, on à mon Département à Bruxelles me seront envoyées par monsieur Van Hoochten à la Haye mais closes, l'examen et le tirage en sera fait par moi même après la dite époque.

J'invite M.M. van Hoochten et Wacken à Wacken à rédiger ou faire rédiger dans mes bureaux sous leur surveillance des listes exactes de toutes les affaires non terminées, et actuellement pendantes au Département de la Justice, avec indication très sommaire de l'état, dans lequel ces affaires se trouvent, ils m'adresseront une expédition de ces listes: il s'entend, que ceci ne s'applique pas aux affaires ordinaires de la comptabilité, qui se renouvellent mois pour mois et périodiquement.

Je charge mr. Van Hoochten de la surveillance général du travail, qui se fera dans mes bureaux à Bruxelles et de celle sur la conduite, la moralité et l'application des fonctionaires et employés, - je suis persuadé qu'il y mettra tout le zêle et toute le franchise possible.

Je désirerais enfin, que la correspondence avec moi, et les rapports à faire au Roi, fussent écrits et rédigés en langue hollandaise ou flamende pour autant que cela sera possible. Je charge mr. Van Hoochten de communiquer aux fontionaires et employés dans mes bureaux à Bruxelles les points et articles de la présente instruction et ordonnance pour autant qu'elle les concerne.'

Bij Koninklijk Besluit van 13 oktober 1815 nr. 48 werden in afwachting van de finale organisatie van het Ministerie van Justitie provisioneel aangesteld:

  • N. Olivier, tot secretaris, belast met het toezicht op de geregelde orde van de dienst in zijn geheel.
  • A. Muller, hoofdcommies, belast met 'het vak der comptabiliteit'.
  • Mr. A.A. Meerman van de Goes, tot commies, belast met de expeditie.
  • Mr. M. Bonte, tot commies, belast met de bewaring der archieven en het houden van de index.
  • Mr. C. Asser en F. Nolst tot hoofdambtenaren, belast met de behandeling en afdoening der zaken, rakende de administratie der Justitie; terwijl het overige benodigde personeel als klerken enz. werd aangesteld bij Koninklijk Besluit d.d. 4 november 1815, nr. 8.
De minister had voor dit personeel voorlopig in gebruik genomen een enkel vertrek, dat vroeger door hem als eerste president in het hotel van de Hoge Raad op het Binnenhof was gebruikt. Al spoedig bleek echter de noodzakelijkheid, dat hierin op een andere wijze en meer overeenkomstig het getal ambtenaren en de verschillende aard hunner werkzaamheden behoorde te worden voorzien.

1 november 1815 (nr. 10) stelde hij de koning voor om voor het ministerie aangewezen te krijgen het gebouw, staande in de Poten, waarin vroeger de Staatsdrukkerij en vervolgens het kledingmagazijn van Oorlog was gevestigd geweest, daar volgens de controleur van 's Rijks gebouwen dit het enige was, waarover te beschikken viel.

De minister zegt tot het bereiken van zijn doel:

'De dagelijks toenemende werkzaamheden laten niet toe om deze langer op de tegenwoordige plaats te laten verrichten, of dat de geëmployeerden ten hunnen huize blijven werken, gelijk thans bij velen nog moet plaatshebben, maar het belang van de dienst vordert integendeel dringend, dat zij zo spoedig mogelijk naar elders worden overgebracht.'

Dientengevolge verzocht hij het gebouw aan de Poten ten gebruike van zijn ministerie te willen bestemmen, nadat daarin de vereiste reparaties waren verricht, overeenkomstig de bijgevoegde memorie, waarop deze waren aangegeven. Inzonderheid het gebruik, dat daarvan was gemaakt voor de drukkerij, had vooral de binnenbetimmering in een zodanige toestand gebracht, dat grondige reparatie dringend nodig was, die op een bedrag van achtduizend gulden werd begroot. Het Koninklijk Besluit d.d. 3 november 1815, nr. 16 stelde het bedoelde gebouw ter dispositie van de minister van Justitie ten einde daarin de bureaus van het departement in te richten.

De hoofdzetel der werkzaamheden van het Departement van Justitie bleef te 's-Gravenhage gevestigd en in Brussel werd telkens zitting gehouden door de minister, geassisteerd door enige ambtenaren en bedienden uit 's-Gravenhage, waarmede dan het bureau te Brussel werd uitgebreid. De werkzaamheden te Brussel betroffen zaken, welke door dezelfde gewicht of uit hoofde van de spoed, waarmede zij moesten worden behandeld, of om enige andere uit de aard en het belang der zaak ontleende reden minder vatbaar waren om ter bewerking naar 's-Gravenhage te worden gezonden. Tijdens 's ministers verblijf te Brussel werden de werkzaamheden te 's-Gravenhage door de aldaar achtergebleven ambtenaren verricht onder leiding van de secretaris.

Op deze provisionele regelingen werden de werkzaamheden bij het Departement van Justitie verricht. Een besluit, waarbij deze definitief zijn geregeld, is niet gevonden. De heer Beth heeft daarom uit de correspondentie een globaal overzicht gegeven van de meest voorkomende ontwerpen, die aan dat departement werden behandeld(

Zie ook de inleiding van J.C. Beth (Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven 1814 dl. I, Bijlage IV), welke inleiding wel uitvoeriger die werkzaamheden opsomt, maar niet, wanneer de toestand zo was, en evenmin de bron, waaruit die opgave is afgeleid.

). Hoe de zaken zich aan dat departement hadden ontwikkeld, heeft de minister zoveel mogelijk getracht op een volledige wijze weer te geven door een beschrijving van de omvang der werkzaamheden en de wijze van uitvoering in een rapport aan de koning d.d. 22 september 1821, nr. 286. Dit rapport diende ter beantwoording der vragen, gesteld door de Staatscommissie, benoemd bij secreet besluit van de 1e augustus 1818 La. T.T., in het Koninklijk Besluit d.d. 31 juli 1821, nr. 67. Volgens dit rapport bestonden die werkzaamheden toen in de behandeling van de volgende onderwerpen:

Ten eerste zaken betrekkelijk een of ander punt van wetgeving, van civiele of criminele justitie, zaken tot de administratie der justitie in het algemeen en de correspondentie daarover met de rechterlijke autoriteiten, tot hetgeen raakt het werk der politie, de surveillance der vreemdelingen, het toezicht op de dagbladen en dergelijke zaken van algemene aangelegenheden.

  • Voor de overige meest gewone objecten noemde het rapport:
  • a. de verzoeken om gratie, remissies of commutatie van straffen;
  • b. de verzoeken om dispensaties van wettelijke bepalingen;
  • c. de verzoeken om benoemingen tot notaris of procureur;
  • d. de verzoeken en voordrachten ter benoeming tot rechterlijke ambten, posten of bedieningen zowel burgerlijk als militair(

    De benoemingen van auditeurs-militair behoorden aan het Departement van Justitie ingevolge KB d.d. 26 augustus 1816, nr. 50.

    )
    ;
  • e. de verzoeken tot het bekomen van 'breven' van naturalisatie en tot kwijtschelding of vermindering der daartoe staande rechten;
  • f. de verzoeken om surséance van betaling, procedures en executies, mitsgaders tot ratificatie van akkoorden, met schuldeisers aangegaan;
  • g. de verzoeken om ontslag of conversie van fideicommissaire verbanden;
  • h. de verzoeken om begeving of bekrachtiging der collatie van vicarieën, praebenden en andere beneficiën;
  • i. het beheer der werk-, tucht- en spinhuizen en der gevangenissen in het algemeen;
  • j. het beheer der comptabiliteit en het werk der betalingen.
In de bijlagen tot dat rapport geeft de minister nauwkeurig weer, hoe de werkzaamheden werden verricht. Onder het onmiddellijk bestuur van de secretaris werden de inkomende stukken gebracht op een algemeen register, hetwelk in verschillende rubrieken of respecten was ingedeeld. Dit register (agenda), dat kolomsgewijze was ingericht, bevatte behalve een aanwijzing van de dag van het inkomen en een doorlopend volgnummer, een omschrijving der stukken met de korte inhoud, de naam van de naam van de ambtenaar, die het ter bewerking kreeg, terwijl de laatste kolom bestemd was om aan te wijzen, welk gevolg aan de zaken is gegeven en onder welke dagtekening en nummers de stukken in het archief geborgen zijn, met verwijzing naar de vroegere en volgende desbetreffende stukken.

Voor het gemakkelijk terugvinden der in het algemeen register vermelde stukken, werd daarop ook onder leiding van de secretaris een alfabetische index op de namen en zaken gehouden.

Voor zover de bewerking en afdoening der stukken en de behandeling der zaken niet door de minister aan zich zelf wordt voorbehouden, wordt die bewerking, afdoening en behandeling opgedragen aan de secretaris, aan de referendaris der 1e klasse en aan de beide commissarissen, die, hetzij rechtstreeks met de minister, hetzij rechtstreeks met de secretaris in alle gevallen, waarin zulks dienstig kan zijn, te werk gaan, gelijk ook in zaken, welke van een bijzondere aard zijn, onmiddellijk met de minister wordt te rade gegaan.

Te Brussel was voortdurend een commies aanwezig ook inzonderheid voor vertaalwerk, die door zijn voormalige betrekking bij het gewezen commissariaat-generaal aldaar in staat was de minister behulpzaam te zijn en de nodige voorlichting te geven in Brusselse aangelegenheden.

Verder waren enige ambtenaren belast met de expeditie, terwijl aan een archivist speciaal was opgedragen om voor en aleer de bij hem van de expediteur ontvangen stukken in het archief te rangschikken, de bij die stukken behorende bijlagen aan elkaar te bevestigen en toe te zien, dat geen stukken werden gelicht dan door de daartoe bevoegde ambtenaar tegen reçu. Het financieel beheer werd gevoerd door één commissaris, één commies en zes klerken, die verschillende registers hebben gehouden.

Aldus is in het kort weergegeven de algemene wijze van werken aan het departement, zoals die blijkt uit het bovengenoemde rapport van de minister d.d. 22 september 1821 nr. 286. De volgende besluiten hebben nadien nog wijziging in de werkzaamheden van het departement gebracht en reorganisatie ten gevolge gehad. Helaas is het dossier betreffende het Departement van Justitie(

Oud dossiernr. 106.

) niet bij de overname aangetroffen. Pogingen om het alsnog op het departement te vinden hebben gefaald, zodat het dus mogelijk is, dat enkele wijzigingen niet zijn vermeld.

Bij Koninklijk Besluit van 17 september 1823, nr. 12 werd het beheer over de gevangenissen, met ingang van 15 oktober daaraanvolgend opgedragen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat.

Ingevolge Koninklijk Besluit d.d. 4 september 1823, nr. 7, waarbij de inrichting der bureaus van alle Departementen van Algemeen Bestuur opnieuw werd geregeld en voorschriften werden gegeven omtrent de behandeling der zaken, het aanleggen en bijhouden van agenda's enz., had op 1 december 1823 een reorganisatie der administratie aan het Departement van Justitie plaats.

Bij Koninklijk Besluit d.d. 30 maart 1826, nr. 101 is met ingang van 1 april daaraanvolgend het werk der vicarieën, kanonisiën, praebenden en dergelijke beneficiën, dat bij Koninklijk Besluit 3 november 1815, nr. 25 van het Departement van Binnenlandse Zaken was overgenomen, weer daarheen teruggebracht.

De administratie van de Nationale Nijverheid werd bij Koninklijk Besluit d.d. 4 februari 1841, nr. 101 opgeheven en de behandeling der zaken over verschillende departementen verdeeld. Het Departement van Justitie ontving het beheer over de naamloze vennootschappen.

Het beheer over de gevangenissen is bij Koninklijk Besluit d.d. 25 mei 1842, nr. 98 wederom van Binnenlandse Zaken aan het Departement van Justitie overgegaan.

De algemene of rijkspolitie werd bij Koninklijk Besluit d.d. 17 december 1851 (Staatsblad nr. 166) met ingang van 1 januari 1852 onder het oppertoezicht op de uitvoering der Wet op de kerkgenootschappen van 10 september 1853 (Staatsblad nr. 102) aan deze minister werd opgedragen.

Bij Koninklijk Besluit d.d. 8 augustus 1856, nr. 54 werd het beheer over de jacht en visserij van Binnenlandse Zaken overgebracht naar het Departement van Justitie met ingang van 1 januari 1857. De ambtenaren, die die zaken tot die tijd hadden behandeld, werden mede overgeplaatst.

De zaken betreffende de adelstand werden bij Koninklijk Besluit van 6 juli 1859, nr. 46 m.i.v. 1 januari 1860 van het Departement van Binnenlandse Zaken overgenomen en de Hoge Raad van Adel in gelijke betrekking gebracht tot de minister van Justitie, als dat college voor die tijd tot de minister van Binnenlandse Zaken had gestaan.

Ook is de minister van Justitie tussen 1862 en 1870 met het beheer van de erediensten belast geweest, doch die administratie is afzonderlijk gehouden en in de inventarisatie erediensten(

Inventaris 2.07.01.

) opgenomen, waar in de inleiding ook de juiste gang van zaken tot 1870 is beschreven.

Tot bij Koninklijk Besluit d.d. 29 oktober 1870 (Staatsblad nr. 173) met ingang van 1 januari 1871 die departementen geheel werden opgeheven, kwam de uitvoering en toepassing van de bepalingen ten aanzien van alle kerken, godsdienstige gestichten en kerkelijke instellingen van weldadigheid aan het Departement van Justitie, terwijl de uitvoering der financiële bepalingen aan dat van Financiën werd opgedragen.

Nog werd bij Koninklijk Besluit d.d. 22 december 1863 (Staatsblad nr. 149) aan de minister van Justitie de zorg voor de uitgave van het Staatsblad opgedragen terwijl bij Koninklijk Besluit d.d. 10 september 1874, nr. 14 het beheer van de bedelaarsgestichten te Ommerschans en Veenhuizen van het Departement van Binnenlandse Zaken werd overgenomen.(

Bij deze inleiding is een zeer dankbaar gebruik gemaakt van de inleiding, door J.C. Beth gegeven bij zijn 'inventaris van archief, overgenomen van het Departement van Justitie 1813-1830' (Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven 1914, dl. I, bijlage IV).

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • Ten einde meer eenparigheid in de behandeling van de zaken betreffende de gevangenissen te brengen en tevens vermindering in de kosten van verpleging te verkrijgen werd bij Koninklijk Besluit d.d. 12 december 1820, nr. 97 een commissie benoemd om een onderzoek in te stellen naar de toestand van de tucht- en gevangenhuizen, zowel militair als civiel, die zich in het bijzonder zou bezighouden met na te gaan de mogelijkheid en doelmatigheid van de invoering 'eener regie of van een eigen beheer' voor al die gestichten.

    Deze commissie, bestaande uit baron J. Fagel, president, baron C.L.G.J. van Keverberg van Kessel, J. de Snellinck, mr. P.J. de Bije en mr. A.P. de Moor, leden, bracht 29 juni 1821 (nr. 1) een zeer uitvoerig rapport uit aan de koning, waarop de minister van Justitie 9 oktober 1821 (nr. 168) een memorie indiende, hetgeen ten gevolge had, dat bij Koninklijk Besluit d.d. 26 oktober 1821, nr. 38 die commissie werd ontbonden en een raad van administratie over de burgerlijke en militaire gevangenhuizen aan het Departement van Justitie werd toegevoegd, onder de opperdirectie van de minister, ten einde de verdere inrichtingen, welke ten dezen nuttig worden geoordeeld voor te bereiden en in werking te brengen. Tot leden van de raad werden aangesteld mr. P.J. de Bije, N. Olivier, F. de Macar, I.L.M. Gobart en A. Muller en tot secretaris mr. D.F. Gevers.

    Op 5 november 1821 hield deze raad zijn eerste zitting, waarin o.a. aan de heren De Bije en Olivier werd opgedragen een instructie te ontwerpen, die bij Koninklijk Besluit d.d. 28 april 1822, nr. 136 werd vastgesteld. Daarbij werd de raad o.a. opgedragen om binnen de kortst mogelijke tijd de dienst van de gevangenissen te regelen overeenkomstig de Koninklijke Besluiten d.d. 26 oktober 1821, nr. 38 en 4 november 1821, nr. 16, ten einde het daarbij aangenomen nieuwe stelsel successievelijk voor te bereiden en daarover de nodige voorstellen te doen en toezicht te houden over al hetgeen de dienst van de gevangenissen betreft. Verder had de raad zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van alles, wat op de dienst van de gevangenissen betrekking had, toe te zien op de naleving van de desbetreffende voorschriften en verordeningen en zoveel mogelijk voorstellen te doen tot verbetering en vereenvoudiging van die dienst. De minister kon de leden committeren tot het doen van de daarvoor nodige inspecties in loco enz.

    De secretaris werd belast met het houden van de notulen, voeren van de correspondentie, bewaren van de archieven enz.

    Bij de algemene reorganisatie van de Departementen van Algemeen Bestuur in 1823 werd, daar vereniging van het oppertoezicht en bestuur over de instellingen ten behoeve van de armen en van de gevangenen, voor die instellingen wederkerig nuttig en voordelig zijn kon, het beheer van de gevangenissen met dat van het armwezen onder een administrateur bij Binnenlandse Zaken gebracht en de Raad van Administratie van de gevangenissen bij het Departement van Justitie met ingang van 15 oktober 1823 (Koninklijk Besluit 17 september 1823, nr. 12) opgeheven.

    Omtrent de archieven van die commissie en van de raad blijkt het volgende. Het eerste besluit van de raad (5 november 1821 nr. 1b) hield in, 'dat ten dienste van de raad behoren te worden verzameld alle respectieve stukken betrekkelijk het nieuwe werk der gevangenhuizen, 't welk het onderwerp zijner deliberaties uitmaken moet. Dat tot deze verzameling in de eerste plaats zullen moeten behoren alle stukken, notulen en papieren van de commissie, benoemd bij Zr. Mts. besluit van 12 december 1820, nr. 97, waarvan de overgave aan de minister van Justitie bij art. 15 van het K.B. d.d. 26 oktober l.l., nr. 38 is gelast en in de tweede plaats alle stukken tot 's raads werkzaamheden betrekkelijk, bij het Ministerie van Justitie voorhanden en tot genoemd einde uit dat archief gelicht. En is de secretaris verzocht en geautoriseerd om van genoemde stukken, mitsgaders van de zodanigen, welke in het vervolg nog daarbij zullen behoren, te formeren een bijzonder archief, van dat van het Ministerie van Justitie geheel onderscheiden en afgezonderd.'

    Van de dientengevolge aan de raad overgegeven stukken zijn overeenkomstig de raadsbesluiten d.d. 5 november 1821, nrs. 1, 2 en 3 lijsten opgemaakt, maar helaas zijn de originele Koninklijke Besluiten, die de commissie had gebruikt, alsmede de notulen, rapporten en bijlagen van die commissie niet meer bij het archief van de raad aanwezig, ofschoon zij alle overgenomen waren volgens besluit d.d. 5 november 1823, nr. 2. Ook zijn die Koninklijke Besluiten niet weder op hun originele plaats teruggekeerd, maar nog steeds liggen daar de reçu's, waaruit blijkt, dat ze aan de commissie zijn afgegeven. Wel zijn de stukken, gelicht uit het archief van de minister van Justitie, daarbij teruggevonden (inventaris nr. 5277). Bij de opheffing van de raad in 1823 werd bepaald, dat de archieven bij het Ministerie van Justitie zouden worden gedeponeerd, hetgeen op 7 en 14 oktober 1823 plaats had onder overlegging van een behoorlijke inventaris in duplo, die nog in het archief berust. De indeling van deze inventaris is ook vrijwel gevolgd bij de hierna volgende beschrijving, voor zover de stukken nog aanwezig waren. De op die inventaris vermelde 'grote houten kist, houdende het archief van de commissie, benoemd bij besluit van 12 december 1820' nr. 97', is evenwel, zoals boven reeds blijkt, niet meer aangetroffen evenals enkele verzamelingen, reglementen, staten enz. niet meer zijn teruggevonden. De secretaris had zeer terecht de stukken, die hij verzameld had en waarop geen eindbeslissing was gevallen, niet bij de bijlagen ingevoegd, maar afzonderlijk daar achter geplaatst. Later zijn sommige van die verzamelingen, tabellen enz. weder tussen de bijlagen ingevoegd op de plaatsen, waar de circulaires om die opgaven toe te zenden waren uitgegaan. Waar uit de inventaris van de secretaris blijkt, dat deze niet tussen de bijlagen behoren, doch oorspronkelijk afzonderlijk zijn geborgen geweest, zijn ze nu ook weder afzonderlijk beschreven.

  • In de dossiers van het Departement van Justitie, overgenomen in 1921, ('Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven' 1921, deel 1 blz. 91) zijn aangetroffen, vermengd met stukken van de minister, de archiefjes, gevormd door de commissies van redactie voor de Nederlandse wetboeken. Deze commissie-archieven, die niet in het departementsarchief behoren, doch geheel op zich zelf gevormd zijn, zijn dus ook nu weder als zodanig beschreven. Hoe de samenstelling van die commissies is geweest, blijkt uit de navolgende korte uiteenzetting. Om inzake de totstandkoming van de wetboeken een volledig beeld te geven zou te ver voeren. Daarvoor zij verwezen naar het werk van mr. J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandse Wetboeken, Utrecht 1837.

    Bij Soeverein besluit d.d. 18 april 1814, nr. 6 werd een commissie benoemd, om de nationale wetgeving te ontwerpen, bestaande uit de heren J.M. Kemper, buitengewoon Staatsraad (Hoogleraar in de rechten te Leiden) A.W. Philipse (advocaat-generaal bij het hooggerechtshof) A. van Gennep, A.L. Farjon, C. Bijleveld (presidenten bij het hooggerechtshof) B.P. van Wesele Scholten, F.H. Moorrees, H. van der Burgh, D. Westenbergh (raden in het hooggerechtshof) en J. Walraven (advocaat te Amsterdam). Deze moesten binnen een maand na hun eerste bijeenkomst (22 april) bij de koning een rapport inleveren, bevattende de gronden tot het samenstellen van het justitiewezen en de manier van procederen, en binnen drie maanden, nadat de beslissing van de koning dienaangaande bij de commissie was binnengekomen, het voltooide ontwerp aanbieden. De ontwerpen van de civiele, criminele en commerciële wetten moesten voor 1 oktober bij de koning inkomen. Mr. G.C. Hageman, advocaat te Leiden, werd bij besluit d.d. 27 april 1814, nr. 91 aan de commissie toegevoegd als secretaris.

    In de eerste vergadering werden vier sub-commissies gekozen, waaraan het ontwerpen van de verschillende wetboeken op de volgende wijze werd opgedragen: voor het ontwerpen van het Burgerlijk Wetboek de heren Van Wesele Scholten, Moorrees en Westenbergh met toevoeging van de heer Kemper; voor het ontwerp-wetboek van koophandel de heren Van Gennep (ontslagen 12 augustus 1814, nr. 14 en in diens plaats benoemd J.E. Reuvens bij besluit van 20 augustus 1814, nr. 27) en Walraven; voor het ontwerp van een lijfstraffelijk wetboek de heren Kemper en Philipse en voor het ontwerp wet op de organisatie van de rechterlijke macht en de manier van procederen zo in civiele als criminele zaken, de heren Farjon, Bijleveld en Van der Burgh met toevoeging van de heer Philipse. In deze sub-commissie nam de heer Farjon de bewerking op zich van het ontwerp ener wet op de rechterlijke macht, de heer Bijleveld dat van een wetboek op de manier van procederen in civiele zaken, de heer Van der Burgh dat van een wetboek van strafvordering. Bij de vereniging van de Belgische provincies met de Noordelijke Nederlanden in 1815 werd bij Koninklijk besluit d.d. 5 september 1815, nr. 19 besloten de gedrukte ontwerpen van wetboeken te doen onderzoeken door rechtsgeleerden uit de zuidelijke gedeelten van het Rijk en wel: de organisatie van de rechterlijke macht en het wetboek van burgerlijke rechtspleging door een commissie, bestaande uit de procureur-generaal Daniëls en de heren Wantelée en De Brabandere; het lijfstraffelijk wetboek en het wetboek van strafvordering door de heren De Kerswaker, Willemsz en Calmeyn; het wetboek van koophandel door de heren De Martinelli en Van Cutsem en Palmaert. Tot het geven van inlichtingen aan die Belgische leden werden de heren Van Gennep en Philipse 'voor geruime tijd' naar Brussel overgeplaatst.

    Bij Koninklijk Besluit d.d. 16 maart 1816, nr. 105 werd het ontwerp Burgerlijk Wetboek gesteld in handen van een Belgische commissie, bestaande uit de heren Lammens, De Guchteneere en Nicolaï, waaraan toegevoegd waren tot het geven van inlichtingen de heren Kemper en Reuvens.

    Op 20 augustus 1817 (nr. 3) benoemt de koning de Staatsraad Kemper, de president Bijleveld, mr. J.T. van der Meersch en mr. J.C. Sontag in de gecombineerde commissie, belast om de ontwerpen van Wet op de hypotheek en zegelrechten met het ontwerp van een Burgerlijk Wetboek en dat van burgerlijke rechtspleging te vergelijken en in verband te brengen. De verschillende ontwerpen gingen daarop naar de Raad van State, die in zijn vergadering van 28 augustus 1818 een commissie van redactie benoemde, bestaande uit de heren Lammens, Kemper, Raoux en Membrède. Deze commissie werd ingevolge Zr. Ms. besluiten van 15 en 25 mei 1818 bijgestaan door de referendarissen aan het Departement van Justitie Asser en Laubry.

    De door haar samengestelde ontwerpen werden bij Koninklijke boodschap d.d. 15 maart 1821 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden. Hieruit benoemde de koning bij besluit van 28 april 1821, nr. 72 een Commissie van redactie voor de Nationale wetgeving, bestaande uit de heren J.H. baron Mollerus, A.C. Membrède, A.G. Raoux, jhr. J.M. Kemper, J.F. Gendebien, J. van Combrugge en P.F. Nicolaï, met assistentie van de heren referendarissen C. Asser en A.P.A. Laubry. Deze commissie van redactie had haar werkzaamheden 22 juli 1828 beëindigd, doch de behandeling van de ontwerpen in de Kamers duurde tot 2 juni 1830, terwijl de invoering der wetboeken bij Koninklijk Besluit d.d. 5 juli 1830, Staatsblad nr. 41, werd bepaald op 1 februari 1831. Bij de opening der zitting van de Tweede Kamer op 18 oktober 1830 gewaagde de koning van de onmogelijkheid door de tijdsomstandigheden om de nationale wetgeving op het bepaalde tijdstip in te voeren en 5 januari 1831 (Staatsblad nr. 1) werd de invoering opgeschort.

    Bij Koninklijk Besluit d.d. 24 februari 1831, nr. 19 werd besloten de reeds aangenomen wetboeken van burgerlijk recht, van koophandel, van burgerlijke rechtsvordering en van strafvordering alsmede de Wet op de samenstelling der rechterlijke macht en het beleid der justitie nader te doen herzien, door de leden der commissie van redactie van de nationale wetgeving, alsnog bestaande uit de heren mr. T. Sypkens, jhr. Beelaerts van Blokland, mr. H.J. Dijckmeester en mr. C. Asser, met toevoeging van de heren mr. H.M.A.J. van Asch van Wyck, mr. W.B. Donker Curtius van Tienhoven, jhr. M.W. de Jonge, mr. F. Frets en mr. J. op den Hooff, welke vijf laatstgenoemden bij deze tot medeleden der commissie werden benoemd. Mede door de werkzaamheden van deze commissie zijn eindelijk de Nederlandse wetboeken tot stand gekomen en in 1838 ingevoerd.

    De nagelaten ontwerpen enz. van de genoemde commissies zijn indertijd geordend naar de aard van de verschillende wetboeken en niet alles van elke commissie bijeen. Hoewel archivalisch deze ordening niet de juiste is, is toch, omdat de totstandkoming van elk wetboek op deze wijze het overzichtelijkst blijkt, die oude ordening zoveel mogelijk gehandhaafd.

    Zie ook de archieven van Kemper en van Van Maanen en inv.nrs. 5203-5245 van deze inventaris.

  • Terwijl deze inventaris reeds ter perse was, werd bij het ontruimen van de kelders van het Departement van Justitie ten behoeve van het archief, welke kelders tot opslagplaats voor brandstoffen hadden gediend, onder vuil bedolven nog aangetroffen de hierna volgende collectie bezoldigingsregisters. Wegens de verregaande staat van ontbinding van deze registers is er over gedacht deze te vernietigen, doch gezien het grote gemak, dat zij kunnen opleveren bij eventuele nasporingen, omdat er in vermeld zijn nevens de salarissen ook de volledige namen van alle rechters, ambtenaren, beambten enz. met de data der besluiten van aanstelling en ontslag en de reden, die daartoe hebben geleid, is besloten ze te bewaren en in deze inventaris op te nemen. Ter voorkoming van grote omnummering zijn ze geheel achteraan de inventaris als supplement geplaatst, hoewel ze eigenlijk onder A behoren.

    De dossiers betreffende naamsveranderingen en de dossiers betreffende uitlevering van verdachte personen, waren evenmin zonder grote omnummering in het archief te passen en zijn daarom ook als supplement achter het archief geplaatst.

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
CAPTCHA
This question is for testing whether you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: