gahetNA in the National Archives

Gezantschap V.S., 1814-1940

2.05.13
J.C. Beth, A.M. van Loo, R. Kramer, J.A. Poulisse, A.C. van der Zwan
Nationaal Archief, Den Haag
1991
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.13
Author: J.C. Beth, A.M. van Loo, R. Kramer, J.A. Poulisse, A.C. van der Zwan
Nationaal Archief, Den Haag
1991
CC0

Periode:

1814-1940
merendeel 1814-1940(1946)

Omvang:

25,80 meter; 1239 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Inventaris bestaat uit drie archiefblokken van het Gezantschap in de Verenigde Staten van Amerika. Veel series ingekomen en minuten van uitgaande brieven. Ook een aantal stukken betreffende bijzondere onderwerpen, en politieke en economische zaken. Daarnaast o.a. stukken inzake de regeling van geschillen; en inzake het consulaat en het personeel; protocollaire aangelegenheden; staatkundige en militaire zaken; financiële en monetaire zaken; en de behartiging van de belangen van Nederlanders, Luxemburgers en Duitsers. Tevens zijn twee inventarisnummers gereserveerd voor bescheiden afkomstig van het Nederlands consulaat te Baltimore.

Archiefvormers:

  • Gezantschap in de Verenigde Staten van Amerika
  • Consulaat Baltimore

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis en organisatie.

"Dat een bequaam en gequalificeert persoon met het karakter van minister plenipotentiaris hoe eerder so beter na America worde afgesonde".

Woorden gesproken in de vergadering van de Staten-Generaal (

Archief Staten-Generaal inventaris nr. 3840, folio 37

), kort nadat in 1782 het eerste verdrag van vriendschap en handel tussen de Verenigde Staten en de Republiek was gesloten. In 1783 werd het Nederlandse gezantschap in de Verenigde Staten opgericht en P.J. van Berckel als minister plenipotentiaris uitgezonden. In 1802 werd het gezantschap opgeheven, nadat het jaar daarvoor de Amerikaanse regering haar vertegenwoordiger had teruggeroepen (

Westermann, The Netherlands and the United States, blz. 17

)
.

In 1814 werd F.D. Changuion, als gezant naar Amerika gezonden om de relatie tussen het Amerikaanse gouvernement en de Nederlandse regering te herstellen. Zijn missie werd geen succes, mede omdat de Secretary of State [minister van Buitenlandse Zaken], J. Monroe, zich niet meer gebonden achtte aan het oude verdrag van 1782. Overigens werd dit verdrag in de jaren 1815 tot 1820 nog nageleefd, hoewel zich in de praktijk geen gevallen voordeden, die de kracht ervan op de proef stelden.

De eerste kwestie die Changuion te behandelen kreeg was die van de vordering die Amerikaanse zakenlieden op de Nederlandse regering meenden te hebben, tengevolge van het inbeslagnemen van hun goederen in Nederland in de jaren 1807-1813, Amerika hield de Nederlandse regering verantwoordelijk voor alles wat had plaats gehad gedurende deze periode. De zaak sleepte zich voort tot 1820, toen er tussen het Franse en het Amerikaanse gouvernement een schadevergoedingsregeling tot stand kwam.

Een tweede belangrijke kwestie was het sluiten van een nieuw handelstractaat. De onderhandelingen hierover vorderden echter niet, mede door een in 1817 ontbrande tarievenoorlog, waarin Nederland uiteindelijk de overwinning behaalde doordat in het volgende jaar de wederzijdse invoerrechten en tonnagegelden op hetzelfde niveau kwamen (

Hoekstra, Thirty seven years, blz. 142

). In 1822 vaardigde Nederland een nieuwe tariefwet uit met voorrechten voor de Nederlandse handelsvloot.

In 1815 en volgende jaren werden een aantal consulaten en vice-consulaten opgericht onder meer te: Baltimore, Boston, Philadelphia en New Orleans. Te New York werd een consul-generaal gestationeerd, die we soms tijdens afwezigheid van de gezant diens functie zien waarnemen, zoals P.G. Leichleitner in 1818. De consuls ressorteren onder het gezantschap en konden alleen via de gezant met de Amerikaanse regering in kontakt treden.

Van 1815 tot 1818 was J.W. ten Cate (

Zie bijlage I, lijst van gezanten

) zaakgelastigde bij de Nederlandse legatie, na eerst secretaris te zijn geweest onder Changuion. In 1818 was P.G. Leichleitner tijdelijk zaakgelastigde tot A. burggraaf de Quabeck als zaakgelastigde werd aangesteld [1818-1822]. Zijn opvolger zou J.D.B.A. baron van Heeckeren van Enghuyzen zijn, maar deze werd plotseling naar Rusland uitgezonden en de plaats te Washington bleef tot onbezet.

Ook tijdens de ambtsperiode van C.D.E.J. Bangeman Huygens [1825-1833], aan wie weer de titel van gezant werd toegekend, kwam een nieuw handelstractaat niet tot stand. In een geheime instructie werd hem opgedragen om mede over de in opstand gekomen Spaanse koloniën te rapporteren (

Archief Buitenlandse Zaken, inv. nr. 1743, 19 april 1825 nr. 73a en 73 b

). In deze periode bleek dat de Amerikaanse regering de buitenlandse politiek van Nederland voldoende onafhankelijk van Engeland beschouwde, want in het geschil tussen Engeland en de Verenigde Staten [grensverloop tussen New Brunswick en Maine] werd Koning Willem I als arbiter aangezocht. De koning deed een compromisvoorstel waarmee Engeland zich akkoord verklaarde, maar de staat Maine niet (

Van der Meiden, Brieven van Bangeman Huygens, blz. 27 en 44

)
. Het grensverschil werd pas in 1842 opgelost, op een wijze die sterk overeenkwam met hetgeen de Nederlandse vorst had voorgesteld.

Onder Bangeman Huygens opvolger E.M.A. Martini, zaakgelastigde van 1833-1842, kwam in 1839 eindelijk een tractaat tot stand, waarbij de partijen aan elkaars schepen in de directe vaart dezelfde behandeling als aan de nationale schepen waarborgden. In 1842 rezen er moeilijkheden omdat werd bepaald dat alleen de invoer in de Verenigde Staten hetzij direct uit het land van produktie, hetzij op Amerikaanse schepen vrij zou zijn. Dit was nadelig voor de Nederlandse havens. Hier werd het protectionisme van de Amerikaanse politiek duidelijk(

Kloos, Handelspolitieke betrekking, blz. 39

).

Er kwam echter een nieuwe tariefwet in 1846, tijdens het optreden van Mr. F.M.W. baron Testa, zaakgelastigde van 1845-1854, waarbij alle specifieke rechten in de Verenigde Staten werden afgeschaft en de goederen in klassen ingedeeld.

De jaren vijftig brengen meer toenadering door de opkomende liberale idieeën: zo werd in 1852 een additionele overeenkomst bij die van 1839 gesloten, waarin de gelijke behandeling van schepen zich zou uitstrekken tot de Nederlandse koloniën en de indirecte vaart. Omgekeerd stond Nederland in 1855 toe dat Noord-Amerikaanse consuls krachtens een overeenkomst in de Nederlandse koloniën werden toegelaten. Ten tijde van de Amerikaanse burgeroorlog [1861-1865], herleefde het protectionisme. Zo werd in 1862 de "Monrill-Act", uitgevaardigd, een nieuwe tariefwet met hogere rechten.

Mr. T.M. Roest van Limburg, de Nederlandse gezant van 1857-1867, zag in 1859 (

Schulte Nordholt, brieven, blz. 210

) het gevaar van een naderende burgeroorlog nog niet in. Nog tijdens de verkiezingen van Lincoln meende hij dat een burgeroorlog te vermijden was. In zijn idieeën over de opheffing van de slavernij deelde Roest het standpunt van de Zuidelijken. Van een directe volksdemocratie, waarvan Lincoln de belichaming was, moest deze liberaal niets hebben (

Schulte Nordholt, brieven, blz. 219 en 224

)
.

Pas in 1864 is het hem duidelijk geworden, dat het Zuiden aan het kortste eind zal trekken. Was haar vertegenwoordiger in de Verenigde Staten persoonlijk een sympathisant van het Zuiden, de Nederlandse regering zelf waakte in de jaren 1861 tot 1865 angstvallig over de handhaving van de neutraliteit.

Tijdens het gezantschap van Mr. B.O.T.H. Westenberg [1871-1874] verkeerden de diplomatieke betrekkingen korte tijd in een delikaat stadium na het uitbreken van de Atjeh-oorlog. Het streven van de Nederlandse regering elke buitenlandse interventie in Atjeh te voorkomen, vereiste van haar vertegenwoordiger te Washington de nodige manoeuvreerkunst om te vermijden, dat de visie van de Amerikaanse consul te Singapore, dat Nederland de Amerikanen uit Indië wilde weren, door het State Department zou worden overgenomen.

Minister-resident Jhr. Von Pestel [1874-1882] heeft een actieve rol gespeeld bij de oplossing van het al jaren slepende conflict tussen Nederland en Venezuela: in 1876 voerde hij oriënterende betrekkingen met zijn Venezolaanse ambtgenoot Dalla Costa. De Verenigde Staten waren in deze kwestie een zeer belangstellend toeschouwer; tot een bemiddeling door de V.S. of enig ander land was de Nederlandse regering echter niet genegen (

Woltring, Buitenlandse politiek 1874-1880, blz. XIV

).

In de jaren 1870 is voorts onderhandeld over een surtaxe van 10% ad valorem, geheven van goederen afkomstig uit landen ten Oosten van de Kaap de Goede Hoop, maar ingevoerd in de Verenigde Staten door landen ten Westen van de Kaap. Deze tariefwet was vooral nadelig voor invoer van koffie en thee uit Nederlands-Indië. De Nederlandse schepen een uitzondering zou worden gemaakt, daarbij verwijzend naar het handelsverdrag van 1852 en de liberale Nederlandse tariefwet van 1872. Pas in 1882 zou het komen tot afschaffing van deze 10% surtaxe.

In 1878 werd tussen beide staten een verdrag gesloten, waarbij de wederzijdse rechten en plichten van consuls werden vastgelegd.

Lijst van Gezanten
  • 1814-1815 F.D. Changuion. Buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister.
  • 1815-1818 W. ten Cate. Zaakgelastigde.
  • 1818 P.G. Leichleitner. Tijdelijk zaakgelastigde.
  • 1818-1822 A. burggraaf de Quabeck. Zaakgelastigde.
  • 1823-1824 Vacature.
  • 1825-1833 C.D.E.J. Bangeman Huygens. Buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister.
  • 1833-1842 Jhr. E.M.A. Martini. Zaakgelastigde.
  • 1842-1845 Jhr. J.C. Gevers. Zaakgelastigde.
  • 1845-1854 Mr. F.M.W. Baron Testa. Zaakgelastigde.
  • 1854-1856 Jhr. J.C. Gevers. Buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister.
  • 1856-1857 Mr. H.C. du Bois. Minister Resident.
  • 1857-1867 Mr. T.M. Roest van Limburg. Minister Resident.
  • 1867-1871 J.A. Mazel. Minister Resident ad interim.
  • 1872-1874 Mr. B.O.T.H. Westenberg. Minister Resident.
  • 1874-1881 Jhr. Mr. R.A.A.E. von Pestel. Minister Resident.
Gezanten vanaf 1910

Tussen 1910 en 1940 werd de Nederlandse regering van de Verenigde Staten vertegenwoordigd door de volgende gezanten:

  • Jonkheer J. Loudon, benoemd 17 april 1908, tevens geaccrediteerd bij de regering van Mexico.
  • W.L.F.C. ridder van Rappard, benoemd 24 oktober 1913, tevens geaccrediteerd bij de regeringen van Mexico, Cuba en Panama.
  • J.T. Cremer, benoemd 17 oktober 1918, tevens geaccrediteerd bij de regeringen van Mexico, Cuba en Panama.
  • J.C.A. Everwijn, benoemd 6 juli 1921, tevens geaccrediteerd bij de regering van Cuba.
  • Jonkheer A.C.D. de Graeff, benoemd 16 november 1922, tevens geaccrediteerd bij de regering van Cuba.
  • J.H. van Rooijen, benoemd 29 september 1926, tevens geaccrediteerd bij de regering van Cuba.
  • Jonkheer H.M. van Haersma de With, benoemd 3 november 1933, tevens geaccrediteerd bij de regering van Cuba.
  • A. Loudon, benoemd in 1938, tevens geaccrediteerd bij de regering van Cuba.

Het gezantschap leidde een omvangrijke consulaire dienst die behalve in de Verenigde Staten, Mexico, Cuba en Panama ook in andere Middenamerikaanse en Caraïbische staten gevestigd was.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: