gahetNA in the National Archives

Gouv.-Gen. West-Indische Bezittingen

1.05.08.01
E. Hoogendijk
Nationaal Archief, Den Haag
1932
cc0
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.05.08.01
Author: E. Hoogendijk
Nationaal Archief, Den Haag
1932
CC0

Periode:

1814-1846
merendeel 1828-1845

Omvang:

76,00 meter; 941 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit archief bevat correspondentie afkomstig van de Gouverneur-Generaal der West-Indische Bezittingen, te weten Suriname en het gebied van de Nederlandse Antillen, van 1828-1845. Het bevat onder meer journalen. minuten, besluiten, in-en uitgaande brieven naar de Departementen van Kolonien en Marine, grootboeken, notulen van de Raden van Justitie van de diverse West-Indische eilanden en Reglementen betreffende het Regeringsbeleid. Het materiaal omvat aspecten van civiel en militair bestuur (meer in het bijzonder het Bureau van het Militair Commandement met stukken over militie, schutterij en marine), civiele en criminele justitie, slavernij, de bewoning van Paramaribo (wijkregisters) en registers van geboren en overleden personen in andere districten van Suriname.

Archiefvormers:

  • Gouverneur-Generaal der Nederlandse West-Indische Bezittingen/Algemene Secretarie 1828-1832;
  • Gouverneur-Generaal der Nederlandse West-Indische Bezittingen/Gouvernementssecretarie 1833-1845;
  • Bureau van het Militair Commandement (Militair Bureau) 1828-1845

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

BEVOEGDHEDEN GOUVERNEUR-GENERAAL

Bij Koninklijk Besluit van 12 oktober 1827 nr. 96 is generaal-majoor J. van den Bosch, administrateur voor de zaken der nationale militie en schutterijen bij het Departement van Binnenlandse Zaken, benoemd tot commissaris-generaal voor de Nederlandse West-Indische bezittingen om het stelsel van bestuur aldaar op een vaste voet te brengen. Daartoe zijn bij besluit(

Voor de besluiten of reglementen van de commissaris-generaal wordt verwezen naar diens notulen, aanwezig in het archief van het Ministerie van Kolonien.

) van de commissaris-generaal van 21 juli 1828 nr. 222 o.a. gearresteerd het 'Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische bezittingen (

De volledige tekst kan men vinden onder de bijlagen van de Surinaamsche almanak voor het jaar 1830, blz. 104 e.v.

)
en het 'Reglement op het beleid der regeering, het justitiewezen, den handel en de scheepvaart voor de Kolonie Suriname (

De volledige tekst kan men vinden onder de bijlagen van de Surinaamsche almanak voor het jaar 1830, blz. 104 e.v., blz 207 e.v. en mr. dr. H.W.C. Bordewijk, Ontstaan en ontwikkeling van het Staatsrecht van Curacao, 's-Gravenhage, 1911. Bijl. XIX, blz. 300 e.v.

)
. Beide reglementen zijn 1 augustus 1828 in werking getreden. Artikel 1 van eerst gemeld reglement (dat 137 artikelen telde) bepaalde dat het hoogst uitvoerend gezag over alle 's Rijks bezittingen, forten, etablissementen en ambtenaren in de Nederlandse West-Indische bezittingen berustte in de persoon van de gouverneur-generaal, die ook opperbevelhebber over de land- en zeemacht aldaar zou zijn. Het bestuur over alles, wat tot verdediging dier bezittingen of tot afbreuk van de vijand dienen kon, was ingevolge art. 4 aan hem overgelaten. Hij had de macht om aan civiele of militaire ambtenaren voor een bepaalde tijd verlof te verlenen om zich naar Europa of elders te begeven en om de nodige schikkingen te maken, tot de waarneming hunner bedieningen gedurende de afwezigheid (art. 6). Hij kon, krachtens artikel 9, in het algemeen belang een ambtenaar of officier (de leden van de Hoge Raad en van het Hof van Justitie in Suriname uitgezonderd) onverwijld in hunne bediening schorsen, mits kennis gevende aan 's konings gouvernement en diens beslissing afwachtende. Ook kon hij (art. 11), in het algemeen belang, iemand uit een der koloniën verwijderen. Artikel 12 bepaalde dat hij verzoeken om gronden, aan het gouvernement behorende, te verkopen of als vast eigendom te hebben, ter dispositie des konings moest opzenden naar diens gouvernement. Ingevolge art. 13 mocht hij, zonder toestemming des konings, geen consuls of agenten van vreemde mogendheden in de koloniën toelaten. Art. 15 bepaalde dat hij verzoeken tot inwoning of tijdelijk verblijf in de West-Indische bezittingen kon verlenen of weigeren. Aan hem werden krachtens art. 21 vier raden toegevoegd die met hem zouden uitmaken de regering der Nederlandse West-Indische bezittingen, onder de benaming van de Hoge Raad. Hem stond de algemene secretaris ten dienste die bij de Hoge Raad was (art. 23).

Bij besluit van de commissaris-generaal van 17 mei 1828 nr. 63 werd schout-bij-nacht P.R. Cantz'laar, gouverneur van Curaçao, tot gouverneur-generaal der West-Indische bezittingen aangesteld en aan generaal-majoor A. de Veer, als gouverneur van Suriname, eervol ontslag verleend, met opdracht om 20 mei 1828 het bestuur dier kolonie over te geven aan Cantz'laar.(

De publicaties betreffende het aftreden van gouverneur De Veer en het aanvaarden zijner betrekking als gouverneur-generaal der West-Indische bezittingen door Cantz'laar, vindt men onder de bijlagen van de Surinaamsche almanak voor het jaar 1830, blz. 92-96.

) Voornoemde gouverneur-generaal ontving zijn instructie bij besluit van de commissaris-generaal van 31 juli 1828 nr. 320. Artikel 1 bekleedt hem met het hoogst gezag in de West-Indische koloniën, dat hij in 's konings naam uitoefent. Hem is (art. 2) in die koloniën het opperbevel over de zee- en landmacht opgedragen. Alle civiele en militaire ambtenaren zijn hem ondergeschikt (art. 3). Voor het tot stand komen van algemene wetten en verordeningen, zomede administratieve verrichtingen, heeft hij de medewerking van de Hoge Raad nodig (art. 4). Ingevolge de artikelen 9-19 heeft hij het opperbestuur over en zorg voor het onderhoud van alle fortificaties, magazijnen en wat daartoe behoort; zorgt voor stamboeken der troepen en zendt afschrift daarvan aan het Departement van Koloniën; zorgt voor naleving der verordeningen van de geneeskundige dienst en het maken van sterftelijsten der militairen; en zendt elk jaar aan het Departement van Koloniën een staat en beschrijving van de toestand der fortificaties en wat daaronder begrepen is. Hij geeft verloven en regelt het bevaren der Suriname-rivier, de ontscheping der passagiers en het onderzoek hunner papieren. De artikelen 21-25 handelen over zijn verhouding tot de Hoge Raad en de rechterlijke macht. Ingevolge art. 31 zorgt hij dat niemand Suriname verlaten zal zonder nodige pas en, volgens art. 32, voor de verantwoording van de ontvangsten door alle comptabele ambtenaren. De artikelen 36-39 dragen hem de zorg op, onderscheidenlijk voor: de vrije uitoefening van de godsdienst en behoorlijk onderwijs; het tegengaan van slavenhandel, het bevorderen van de eerbied der Indianen voor het gouvernement en het vrede houden met de bosnegers. De artikelen 41-43 verplichtten hem onderscheidenlijk tot: het houden van een exact-journaal van alle voorvallen die het gouvernement raken; het zenden jaarlijks aan het Departement van Koloniën van een verslag met de bijlagen over de toestand der koloniën met voorstellen tot hare verbetering; en het in goede orde onderhouden van 'alle besluiten, brieven en papieren', die hem als gouverneur-generaal worden toegezonden en alle 'minuten van stukken, brieven en andere papieren' rakende het gouvernement verzamelen, om ze bij vacature aan zijn opvolger over te geven.

Artikel 1 van het voormelde reglement op het beleid der regering, enz. voor de kolonie Suriname droeg het hoogst uitvoerend gezag in die kolonie op aan de gouverneur-generaal der West-Indische bezittingen, tevens zijnde bevelhebber over de land- en zeemacht en schutterij aldaar, geassisteerd wordende door de Hoge Raad. Ingevolge art. 2 moet hij zijn residentie te Paramaribo houden en (art. 3) tweemaal in de week publieke audiëntie verlenen. Artikel 4 bepaalt dat hij voorziet in binnen Suriname vacerende rijksambten; verloven geeft aan civiele en militaire ambtenaren en ambtenaren in hun bediening kan schorsen, uitgezonderd de leden van de Hoge Raad en van het Hof van Civiele en Criminele Justitie. Art. 5 geeft de zaken aan die de gouverneur-generaal met de naam hem toegevoegde Hoge Raad, van welke hij president is, behandelt. Volgens art. 34 mogen van 's landswege bezoldigde ambtenaren zich niet uit de hoofdplaats verwijderen zonder toestemming van de gouverneur-generaal en moeten onbezoldigde landsambtenaren hem daarvan kennis geven.

In de hier voren geschetste toestand kwam verandering toen op 1 januari 1833 in werking trad het 'Reglement op het beleid der Regeering in de Kolonie Suriname', vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 9 augustus 1832 nr. 89.(

Opgenomen onder de bijlagen van de Surinaamsche almanak voor het jaar 1834, blz. 149 e.v.

) Het bracht o.a. dit mede dat in plaats van de Hoge Raad aan de gouverneur-generaal een Koloniale Raad werd toegevoegd.

Een instructie voor de gouverneur-generaal der Nederlandse West-Indische bezittingen werd opnieuw, bij Koninklijk Besluit van 26 februari 1833 nr. 104, vastgesteld.(

Met bijbehorende stukken in het archief van het Kabinet der Koningin.

)

Uit deze nieuwe instructie waarin veel voorkomt, al is het met andere woorden, wat ook in de vorige staat, wordt nog het volgende aangetekend. Ingevolge art. 1 oefent hij in 's konings naam het hoogste gezag uit, heeft het algemeen beheer over de Nederlandse West-Indische bezittingen en kan van een ieder aldaar eerbied en gehoorzaamheid vorderen. Hij moet (art. 2) zijn residentie te Paramaribo in Suriname houden; voor het gaan buiten dit gewest heeft hij 's konings autorisatie, door tussenkomst van het Departement van Koloniën, nodig. Krachtens art. 8 had hij voor de totstandkoming van nieuwe wetten, reglementen enz. die Suriname betroffen het advies van de Koloniale Raad nodig, terwijl dat en het volgend artikel de totstandkoming verder bepalen. Artikel 14 regelt zijn bevoegdheid om ambtenaren en officieren in het algemeen belang te schorsen, waarvan de leden van het gerechtshof in Suriname zijn uitgezonderd. Ingevolge de artikelen 21-27 heeft hij het opperbestuur over en zorgt voor het onderhoud der fortificaties en wat daartoe behoort; doet alle drie maanden de comptabiliteit der korpsen opnemen en sluiten; voorziet in de kleding en wapenen; zendt zijn verzoeken om defensiematerialen aan het Departement van Koloniën en zorgt voor de verantwoording in de boeken; zorgt voor het maken van stamboeken der troepen en het zenden van afschriften daarvan aan het Departement van Koloniën; de inspectie van hospitalen en het naleven der bepalingen voor de geneeskundige dienst; het zenden aan dat departement, op bepaalde tijden, van duplicaten der generale driemaandelijkse verantwoordingsstaten der hospitaalregisters, en van gedetailleerde sterftelijsten der militairen, zo ook elk jaar van een staat en beschrijving van de toestand der fortificaties c.a., met opgaaf der vereiste voorzieningen en kosten. Krachtens art. 29-31 geeft hij verloven, regelt het bevaren der Suriname-rivier en zorgt voor de gezondheid van garnizoen en schepelingen. Hij zorgt, ingevolge art. 35, dat alle comptabele ambtenaren hun ontvangsten verantwoorden en de boekhouder-controleur hem elke maand een staat, met inlichtingen, geeft over de financiële toestand der verschillende kantoren. Artikel 38 draagt hem op te bevorderen dat de koloniën uit hun eigen middelen worden onderhouden, zonder subsidies van het moederland en regelt de afwijking van deze regel. Hij zorgt voor de vrije uitoefening van de godsdienst en behoorlijk onderwijs, mits geen godsdienstige leerstellingen, maar alleen algemene godsdienstige beginselen worden onderwezen; het tegengaan van slavenhandel (art. 40); het bevorderen van de eerbied der indianen voor het gouvernement (art. 41) en het vrede houden met de bosnegers (art. 42). Hij moet een exact journaal houden van alle voorvallen die het gouvernement raken en daarvan alle drie maanden een afschrift, van een register voorzien, aan het Departement van Koloniën zenden (art. 44). Elk jaar zal hij ingevolge art. 45 aan dat departement zenden een statistiek, politiek en financieel verslag met bijlagen van de toestand der koloniën en voorstellen tot hun verbetering. Dit artikel geeft dan nader aan wat onder die bijlagen bepaald behoort te zijn, als: bevolkingsstaten, staten van in- en uitvoer, staten der plantages, gronden enz. en wat die alle moeten bevatten. Verder draagt artikel 46 hem op om de hem toegezonden stukken in goede orde te onderhouden en alle minuten van stukken in kohieren te verzamelen, om bij vacature aan zijn opvolger te worden overgegeven.

OPHEFFING AMBT GOUVERNEUR-GENERAAL

Bij Koninklijk Besluit van 9 april 1845 nr. 8 is het in 1828 ingestelde gouvernement-generaal over 's Rijks West-Indische bezittingen en het daarmede in verband staande Algemeen Regerings Reglement opgeheven. Op nader vast te stellen tijd zou de kolonie Suriname weer worden beheerd door een gouverneur; de gezaghebber van Curaçao en onderhorige eilanden in rechtstreekse betrekking staan tot het Departement van Koloniën; en het bestuur van de gezaghebber van Curaçao en onderhorigheden zich, behalve tot Bonaire en Aruba, ook uitstrekken tot de eilanden St. Eustatius, Saba en St. Maarten (Nederlands gedeelte). Bepalingen die in de betrokken regeringsreglementen behoorden te worden opgenomen zouden nader worden aangewezen. Dit Koninklijk Besluit is door de gouverneur-generaal op 11 juni 1845 (Gouvernementsblad nr. 6) gepubliceerd. Was alzo de administratieve afscheiding der kolonie Suriname van de overige Nederlandse West-Indische bezittingen door de koning bij zijn gemeld besluit bepaald, de aanvulling en wijziging van het regeringsreglement dier kolonie van 1832 is geschied bij 's Konings Besluit van 14 mei 1845 nr. 43.

In verband met het voorgaande verscheen 17 juli 1845 (Gouvernementsblad nr. 7) een publicatie van de gouverneur-generaal der West-Indische bezittingen waarin hij weer mededeling doet van 's Konings Besluit van 9 april 1845 nr. 8 omtrent de administratieve afscheiding der kolonie Suriname en dat hem bij Koninklijk Besluit van 21 april 1845 nr. 38 in genoemde hoedanigheid eervol ontslag is verleend, met benoeming van R.F. baron van Raders, gezaghebber van Curaçao en onderhorigheden, tot gouverneur van Suriname en van R.H. Esser tot gezaghebber van Curaçao en onderhorigheden. Voorts zegt de gouverneur-generaal in zijn publicatie dat, na de Koloniale Raad(

Zie notulen Koloniale Raad van 12 juli 1845, 1.05.11.02.

) te hebben gehoord, door hem was bepaald dat de meergemelde afscheiding van Suriname zou ingaan met de dag van zijn vertrek uit Suriname; dat vanaf dat tijdstip het bestuur dier kolonie zou overgaan op baron Van Raders, dat van Curaçao en onderhorigheden en van St. Eustatius, Saba en St. Maarten (Nederlandse gedeelte) op R.H. Esser en dat, tot de komst van Van Raders in Suriname, de dagelijkse behandeling der zaken, bij afwezigheid van de gouverneur van Suriname, zou zijn opgedragen aan de procureur-generaal dier kolonie, als oudste lid van de Koloniale Raad.

Op 16 juli 1845 vangt in het journaal het verhandelde van de waarnemend gouverneur der kolonie Suriname aan en wordt geconstateerd dat de gouverneur-generaal aan boord is gegaan, de administratieve afscheiding is ingetreden en het gouvernement der kolonie is overgegaan op de nieuwbenoemde gouverneur van Suriname, baron Van Raders.

Op 31 juli 1845 verschijnt een publicatie (Gouvernementsblad nr. 8) van de waarnemend gouverneur mr. Ph. de Kanter waarin hij zegt dat toen de gouverneur-generaal hem met de dagelijkse behandeling van zaken belastte, deze de spoedige aankomst van de benoemde gouverneur Van Raders op het oog heeft gehad en deze voorziening maar enige dagen zou duren. Daar Van Raders nog enige tijd afwezig zou blijven heeft, in overleg met de Koloniale Raad ingevolge art. 17 van het regeringsreglement van Suriname, het oudste lid van de Koloniale Raad, het bestuur als waarnemend gouverneur tijdelijk op zich genomen totdat de benoemde gouverneur het bewind zou kunnen aanvaarden. Deze bestuursaanvaarding door R.F. baron van Raders als gouverneur van Suriname had plaats op 13 oktober 1845, blijkens zijn publicatie daarvan op die dag (Gouvernementsblad nr. 10). De afkondiging van het Koninklijk Besluit van 14 mei 1845 nr. 43 waarover hier voren is gehandeld, had plaats op 30 oktober 1845.(

De publicatie, met de volledige tekst van het Koninklijk Besluit, is opgenomen onder de bijlagen van de Surinaamsche almanak voor het jaar 1846, blz. 167 e.v.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Comments by visitors

Post new comment
Fields marked with an asterisk sign (*) are obligatory fields
The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Allowed HTML tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
gahetNA is a website of the Society for the Nationaal Archief in cooperation with the Nationaal Archief and Spaarnestad Photo.
Advanced
Search in collections
Search in: