Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)
2681 resultaten gevonden
Zoekresultaten: 2681 gevonden
SamenvattingGeschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
In tegenstelling met de meeste andere grotere steden van ons land is er vóór de reformatie van de XVIe eeuw in 's-Gravenhage geen minderbroe-dersklooster geweest. De stad bood wel verblijf aan gezanten van vreemde mogendheden en het waren de gezanten van katholieke landen die, toen hier de katholieke kerken gesloten moesten worden, hun ambassade-kapellen voor het publiek openstelden tot ergernis van de predikanten. Dat gold met name voor Frankrijk, Venetië, Portugal en later -na de vrede van Munster- ook voor het duitse keizerrijk en Spanje. Veelal bedienden de paters jesuiten de ambassade-kapellen, maar in de XVIIIe eeuw brak er in bijna alle landen een hevige vervolging van de Sociëteit los. In 1708 werden de jesuiten door de Staten van Holland verdreven en zo werd in Den Haag de zolderkerk aan de Nobelstraat gesloten. De Staten hadden echter niets te vertellen over de ambassadekapellen, maar in 1767 ondertekende de koning van Spanje het verbanningsdecreet waardoor de jesuiten ook de spaanse kapel in 's-Gravenhage moesten verlaten en in 1768 moesten de leden van de Sociëteit ook de franse ambassade aan de Casuariestraat verlaten. De minderbroeders die sinds 1710 aan de keizerlijke kapel van de duitse ambassade waren verbonden, werden gevraagd voor beide genoemde ambassadekapellen. De keizerlijke kapel van de duitse ambassade hebben de minderbroeders bediend tot 1803, het jaar dat het duitse keizerrijk werd opgeheven. Aan de overname van de spaanse kapel had de kerkelijke overheid-zoals trouwens bij de meeste aanstellingen van plaatsvervangers voor de verdreven jesuiten - de clausule toegevoegd: tot de jesuiten in het rustig bezit van de statie kunnen terugkeren; in 1807 namen de jesuiten de statie weer over. Hieruit is de latere Theresia van Avila parochie ontstaan. De franse kapel bestond in de XVIIe eeuw uit slechts één kamer binnen het zg 'hotel' van de gezant; hier werden voor hem en zijn huisgenoten kerkdiensten gehouden, maar ook stadsgenoten werden in die tijd toegelaten. In 1711 kocht de gezant voor zijn regering een uitgebreid terrein rond de huidige Casuariestraat en Prinsessegracht, waar hij voor zijn gevolg in een naburig straatje huizen liet bouwen, terwijl in zijn ambtswoning een nieuwe kapel werd ingericht. Hierheen kwamen echter zoveel mensen ter kerke, dat reeds in 1712 een nieuwe kapel moest worden ingericht. De buitengewone toeloop van kerkgangers deed de jesuiten pogingen ondernemen om hun gesloten kerkje in de Nobelstraat weer voor kerkelijke diensten te heropenen, maar de pogingen mislukten telkens. Daarna zochten de nog aan de ambassade verbonden jesuiten naar middelen om de ambassadekapel te verruimen, maar het franse hof was niet genegen in de behoefte van een grotere kerkgelegenheid te voorzien. Ten einde raad namen de jesuiten en de gelovigen zelf het werk ter hand. De nog steeds gesloten jesuitenkerk in de Nobelstraat werd uitgebroken en de materialen en ornamenten gebruikt voor de bouw en inrichting van de nieuwe ke rk die in 1763 gereed kwam. Uitwendig leek het niet op een kerk, doch inwendig was het een stichtend bedehuis. De ingang was in de Casuariestraat, vandaar kwam men op een binnenplaats waar links de toegang tot de kapel was. Toen -zoals we reeds zagen- in 1768 de jesuiten de statie van de franse ambassade moesten verlaten, vroeg de gezant aan de provinciaal van de minderbroeders te Mechelen om twee paters voor de bediening van zijn kapel. Zo kwamen de eerste minderbroeders Joannes Langestraat en zijn medewerker Joannes de Bitter naar de Franse ambassade te 's-Gravenhage, Aan de kapel bediend door de minderbroeders werden al in 1769 alle aflaten en voorrechten geschonken welke aan andere kerken van de Orde verleend waren; de broederschap van de Zalige Dood werd nieuw leven ingeblazen en een afdeling van de Derde Orde van St. Franciscus werd opgericht. De werkkring van de paters breidde zich uit: het aantal dopelingen en bekeerlingen nam toe zoals uit de boeken blijkt. Reeds in 1770 werd hun door de provinciaal der minderbroeders een tweede medewerker gegeven en in 1782 zelfs een derde 'kapelaan'. Bij de grote brand van de franse legatie in de nacht van 26 op 27 maart 1782 bleef de kapel gelukkig gespaard. Onheilspellender werd de toestand toen in 1789 de franse revolutie uitbrak: het heidendom werd staatsgodsdienst, de koning onthoofd, priesters gekerkerd en verdreven, kerkelijke goederen geconfisceerd. In 1795 vertrok de franse gezant uit Den Haag en in 1795 werd de kapel voor het publiek gesloten, terwijl de koster de opdracht kreeg om het kostbaar zilver alsmede drie kostbare kazuifels en de antipendia aan Frankrijks zaakgelastigde af te geven. Het decreet van de Nationale Konventie liet echter de mogelijkheid open om de kapel te huren, waartoe de paters en enkele burgers van 's-Gravenhage hun toevlucht namen; en de kerkelijke overheid gaf verlof om de kapel als statie te openen. Voor de paters braken de magere jaren aan: ontvingen zij eerst als 'kapelaans' van de franse gezant een jaarlijks traktement, nu waren ze zelfs verplicht fl. 1000,- aan huur op te brengen; dit was ook een van de redenen waarom mgr Ciamberlani, vice-superior van de Hollandse Zending, de statie de pastoorsrechten van dopen en huwelijksinzegening schonk. In 1802 gelukte het pastoor Joannes de Bitter om van de zware huursom af te komen: de uitoefening van de katholieke godsdienst zou voortaan geschieden onder toezicht van de franse legatie, de kapel was toegankelijk voor burgers, aan het eind van de diensten moest een vastgesteld gebed worden gebeden zoals dat door het konkordaat voor de republiek en de konsuls was bepaald en overeenkomstig deze beschikkingen hoefde men voor het gebruik van de kapel geen enkele vergoeding meer te betalen. De paters woonden in die tijd afzonderlijk in verschillende huizen: van pater Langestraat weten we bv. dat hij gewoond heeft op de Fluweele Burgwal naast Maasdam. In het jaar 1804 schreef pater Joannes de Bitter aan de franse gezant, dat de paters binnen vier maanden van woonplaats moesten veranderen en vroeg daarom de leegstaande gebouwtjes, de keukens misschien, welke van het in 1782 afgebrande hotel van de gezant nog restten, te mogen bezetten en tot een geschikt woonhuis te verbouwen op kosten van de paters. Na ongeveer een half jaar kreeg hij van de zaakgelastigde antwoord: dat het de paters door de gezant de Semonville werd toegestaan het lokaal aangrenzend aan de kapel te bewonen, met uitzondering van de stallen en het gedeelte dat door de portier gebruikt werd. Zij zouden echter dan verplicht zijn een trap te laten maken welke zou leiden naar de tribune van de gezant in de kapel; voorts moesten zij het lokaal in goede staat onderhouden en alle onkosten dragen. Aldus geschiedde en in 1806 was de nieuwe pastorie gereed: het gebouw stond links van de poortingang in de Casuariestraat. Ondertussen waren de grond en de opstallen van het afgebrande ambassadehotel in 1805 door de Commissarissen van het Gedeputeerde Bestuur van Holland verkocht aan timmerman P. Bodinot die het terrein in 1822 weer aan pastoor Lochman verkocht die er een prachtige pastorietuin van liet maken. In 1824 kocht de gezant de tuin weer terug, waarin de paters uiteindelijk maar toestemden om de goede verhoudingen niet te schaden; in 1826 gaf de gezant echter het vruchtgebruik van de tuin weer aan de paters. In die tijd was pastoor Lochman al jaren op zoek naar een geschikt terrein voor een nieuwe en grotere kerk, maar hij kon nergens slagen. Tenslotte besloot hij alles te beproeven om het eigendom van het gehele ambassadeterrein met alles wat er op stond te verkrijgen; zo kon er tevens een einde komen aan een al jaren durende onzekere rechtstoestand. Het zou echter tot 1840 duren voor een overeenkomst bereikt kon worden. Toen machtigde de koning zijn gezant het terrein bij notariële akte te verkopen onder de volgende voorwaarden: de R.K. Gemeente moest de koopprijs ( fl. 19.200,- ) en alle verdere kosten betalen; er moest een gang gemaakt worden ter breedte van 1,13 meter langs de gehele lengte van de kanselarij met een ingang aan de Casuariestraat (de gang zou eigendom zijn én van de kerk én van de kanselarij); in de kerk moesten twee tribunes worden ingericht voor de franse gezant; en zou er eventueel de katholieke godsdienst niet meer worden uitgeoefend, dan keerde alles zonder schadeloosstelling terug in het bezit van Frankrijk. In de notariële akte van 9 maart 1842 wordt het terrein als volgt omschreven: de tuin aan de Prinsessegracht, de binnenplaats met ingang en Roetpoort, het koetshuis op de plaats, een gebouwtje, de pastorie, de kerk en nog een koetshuis met stal gelegen aan de overzijde van de Casuariestraat (welke tegen de betaalde koopprijs van fl. 7.500,- aan prins Frederik der Nederlanden in eigendom moest worden overgedaan). Pastoor Lochman had nu zijn handen vrij en begon aanstonds met de uitvoering van zijn plannen voor een nieuwe kerk aan de Prinsessegraoht. Nadat bij beschikking van de minister van Staat, directeur-generaal voor de zaken van de R.K. Eeredienst, op 8 april 1843 vergunning voor de bouw was verleend, werd de bouw van de kerk, naar ontwerp van architect W. van der Horst, aanbesteed en opgedragen aan de aannemers Dolman en Perquin voor een bedrag van fl. 112.600,-; als opzichter bij de werkzaamheden fungeerde de heer Gaillard. In sommige boeken Waar Hagenaars kerkten. Geschiedenis van de haagse kerken gebouwd vóór 1900. Boekencentrum bv 's-Gravenhage, 1983; blz. 134. E.H, ter Kuile, e.a., Duizend jaar bouwen in Nederland, dl II, 1957. H.P.R. Rosenberg, De 19e eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland. 1972. wordt architect Suys uit Brussel als bouwmeester van de kerk vermeld. Dit is in dit archief niet te vinden: er is steeds alleen maar sprake van architect W.v.d. Horst, die ook de tekeningen en het bestek zou hebben gemaakt. Wel heeft architect Suys blijkens brieven aan de pastoor (inv. nr. 391) aanwijzingen geg even en detailtekeningen gemaakt voor de klokkentoren, de communiebanken en de altaren. Ook is van elders bekend dat architect Suys met toezicht op de bouw door architect V.van der Horst voor franciscaanse pastoors heeft gebouwd: Mozes en Aaron te Amsterdam (1837-1841) en de H. Antonius te Haarlem (1842-1844). Minstens had architect W. van der Horst het toezicht op de uitvoering. Een bouwkommissie die door de regering was geëist en waarvan de pastoor president was, zou bij de bouw de belangen der parochie behartigen en de finantiële zaken regelen. Om aan het benodigde geld te komen werd een geldlening uitgeschreven, een plan gemaakt voor het verhuren van zitplaatsen in de nieuwe kerk en bedelbrieven geschreven aan de koning, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, de gemeenteraad en zelfs aan de keizer van Oostenrijk, Op 13 juni 1843 (de feestdag van de H. Antonius, patroon van de nieuwe kerk, terwijl men voorheen sprak van Frankrijkskerk) werd een houten kruis opgericht op de plaats waar het hoofdaltaar zou komen en de eerste steen gelegd door mgr. Innocentius Ferrieri, vice-superior van de Hollandse Zending. Op 14 juli 1844 werd de eerste dienst in de toen half-voltooide kerk gehouden; 20 juli 1845 was de kerk geheel gereed en 7 oktober 1846 werd de kerk plechtig geconsacreerd door mgr. van wijokersloot. De sculpturen van de altaren waren van marmer met verguld koperen belegsels en echt zilveren drijfwerken; ze kwamen uit de werkplaatsen van de firma Te Poel en Stoltefus. Tijdens de bouw van de kerk werd de pastoor met zijn bouwcommissie voor de koning van Frankrijk gemachtigd om ook als bouwcommissie voor de bouw van een nieuwe kanselarij op te treden, welk bouwwerk ook aan aannemer Dolman werd gegund. Na al die bouwperikelen werd de aandacht weer volledig op de zielzorg gericht, wat zich o.a. uitte in de oprichting van de broederschap van de H. Kruisweg (1847) en wat later van het Genootschap van de H. Kindsheid (1852). In 1853 werd in Nederland de kerkelijke hiërarchie hersteld; hetgeen tot gevolg had dat de staties werden opgeheven en de bisschop van Haarlem in 's-Gravenhage vier parochies oprichtte: de H. Jacobus in de Oude Molstraat, De H. Antonius van Padua, de H. Willebrordus en de H. Theresia, terwijl in Soheveningen de H. Antonius Abt parochiekerk werd. De parochies kregen in tegenstelling met voorheen in de staties nu duidelijke grensomschrijvingen en een officieel kerkbestuur voor het beheer van de materiële zaken. Hoezeer de mensen hun pastoor Opdenkamp waardeerden, bleek in 1862 duidelijk bij zijn onverwacht overlijden: artikelen in verschillende kranten en een aktie voor een marmeren monument op zijn graf. Maar toen het bestuur van het kerkhof zo'n groots grafmonument ontraadde, besteedde men het bijeengebrachte geld voor een gevelversiering van de kerk en liet men in het kerkportaal een marmeren steen inmetselen met een latijns opschrift van de volgende inhoud: Ter dankbare herinnering aan de zeereerwaarde pater H,A. Opdenkamp hebben zijn erkentelijke parochianen en vrienden, in het derde jaar na zijn overlijden, op 27 juli 1865 de beelden geplaatst van de Goede Herder en van de beschermheiligen de H. Antonius van Padua en de H. Lodewijk IXe. Bij de bouw van de kerk was de H. Antonius van Padua tot patroon gekozen en wegens de connecties met de franse ambassade was daar de patroon van Frankrijk, de H. Lodewijk, aan toegevoegd; de oude ambassadekapel had in de volksmond altijd 'Frankrijks kerk geheten, maar ook nu gaven de mensen een eigen naam aan de kerk 'Boschkant', omdat hij toen aan de rand van het Haagse Bos was gebouwd. In 1868 werd de heer W. Rütter te Kevelaer opdracht gegeven een nieuw orgel te leveren; het oude werd verkocht aan pastoor Groen te Middelburg. Pastoor B. Schoonbeek was een man die geen gelegenheid voor het vieren van een jubileum liet voorbijgaan; Klooster-, priester-, pastoorsjubilea en het halve eeuwfeest van de kerk. Hy spaarde ook moeite noch kosten om de kerkschatten te vermeerderen: veel zilverwerk stamt uit zijn pastoorstijd. Ook de verbouwing van de kerk en de pastorie die beiden uitbreiding behoefden, nam hij energiek ter hand. Na vele moeizame pogingen lukte het hem grond voor de nodige uitbreiding te bemachtigen. Uiteindelijk stemde de franse regering er mee in hun kanselarij in de Casuariestraat 44 te ruilen met het huis Nieuwe Uitleg 10 dat het kerkbestuur daarvoor had gekocht. Toen kon aan architect W.B. Liefland de opdracht gegeven worden om de tekeningen voor de verbouwing te maken. De bouw werd in maart 1896 gegund aan aannemer J.P.J. Lorrie. De verbouwing -die in mei 1897 voltooid was- bestond hoofdzakelijk in het achterwaarts uitbouwen van het priesterkoor met tribunes en de daarbij behorende trappenhuizen, alsmede de bouw van de sacristie, de doopkapel en het repetitielokaal. In 1905 werd een stal die grensde aan de absis van de kerk aangekocht, aanvankelijk voor tuin, maar later zou dit stukje grond opgaan in het Bethlehemcomplex. 's-Gravenhage breidde zich uit en het territorium van de paroohie groeide mee. Men liep met plannen voor een hulpkerk en na gesprekken met de provinciaal van de franciscanen, werd kapelaan Gilissen in 1910 al min of meer aangesteld tot bouwheer van de nieuw te stichten kerk. In 1911 had men het oog laten vallen op een terrein aan de Koningskade, maar deze plaats werd door de bisschop van Haarlem niet goedgekeurd, uiteindelijk na veel praten met o.a. het gemeentebestuur die aanvankelijk de grond alleen in erfpacht wilde geven - werd in 1918 het terrein aan de Wassenaarseweg (later hoek Neuhuyskade) gekocht, precies aan de andere kant van het Haagse Bos dan de moederkerk. Architect A.J. Kropholler begon de tekeningen te maken, De bouwkommissie ontving in 1919 van enkele firma's de opgave betreffende de onkosten voor de bouw van een kerk met toren en tijdelijke pastorie. De bouwkommissie besloot -na diverse discussies en ruggespraak met de architect- dat de tijdsomstandigh eden een uitvoering van het werk in eigen beheer wettigde, Pastoor A. Bulters van de moederkerk legde op 12 augustus 1920 de eerste steen van de kerk die als patroon kreeg de H. Paschalis van Baylon. De kerk werd in mei 1922 plechtig geconsacreerd door mgr. A.J. Callier, bisschop van Haarlem. De hulpkerk viel aanvankelijk onder het kerkbestuur van de Boskant, maar werd in mei 1922 al tot zelfstandige parochiekerk verheven, waarbij een regeling voor de bezittingen en de schulden werd getroffen. De moederkerk zat nog een jaar verwikkeld in een proces dat architect Kropholler tegen haar had aangespannen in verband met vermeend te weinig uitgekeerde provisie; de Commissie van Geschillen der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst deed op 22 november 1923 uitspraak. Pastoor Bulters betreurde het zeer dat de parochie geen eigen scholen had. Er was wel een jongensschool in het parochiegebied, maar die stond onder het beheer van de Bijzondere Raad der Vereniging van de H. Vincentius te 's-Gravenhage, Toen de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in 1921 aankondigden dat de de school aan de Zuid-Oost Binnensingel 66 (later Uilebomen wegens personeelsgebrek gingen verlaten, kreeg pastoor Bulters in januari 1923 de kans bij de reorganisatie de school te kopen. Meteen werden aangrenzende panden aan de Zuid-Oost Binnensingel 67, 68, 69 en 70 aangekocht en werd de school uitgebreid en grondig verbouwd met ook een ingang aan de Hekkelaan waar de meisjesschool gevestigd zou worden. In de vijftiger en zestiger jaren ontvolkte de binnenstad steeds meer, hetgeen de scholen leerlingen ging kosten. De jongens- en meisjesscholen werden samengevoegd en leegstaande lokalen aan derden verhuurd. Enige tijd later werden nog meer leerkrachten ontslagen en klassen samengevoegd. In 1966 -er waren toen nog maar drie leerkrachten aan de school verbonden- werd de school opgeheven en de gebouwen aan de gemeente verkocht. Voor de Boskantkerk aan de Prinsessegracht was de tweede wereldoorlog fataal. Eerst op 10 mei 1940 werd de kerk en de pastorie ernstig gehavend door enkele bommen die in de onmiddellijke omgeving neervielen; en later op het eind van de oorlog zijn kerk en pastorie geheel uitgebrand bij het bombardement van het Bezuidenhout op 3 maart, waarbij het Korte Voorhout werd getroffen en de brand naar de kerk oversloeg. Gelukkig konden kerk en pastorie ontruimd worden, zodat het kerkzilver, het archief, het huisraad, e.d. gered konden worden. Tijdelijk kon men van het bestuur van de Nederlandse R.K. Centrale Vereniging ter Bescherming van Meisjes de panden Nieuwe Havenstraat 74 en 76 huren voor noodpastorie. Maar na enkele jaren probeerde het bestuur de paters er weer uit te krijgen om de panden voor de vereniging te kunnen gebruiken. Aanvankelijk wilde het kerkbestuur het Rosa-patronaat aan de Zwarteweg 15 voor pastorie inrichten, maar toen de provincie van de franciscanen eind 1951 de beschikking kreeg over het huis Rijnstraat 16, ging het kerkbestuur onderhandelen met de firma die de helft van het huis als kantoor huurde. De firma verhuisde met hun kantoor naar de Zwarteweg 15 en het huis Rijnstraat 16 werd van de franciscanen gehuurd en begin 1955 als pastorie in gebruik genomen. Ondertussen kerkte men in kapellen en keek men uit naar overname van een kerk of nieuwbouw. In 1946 kreeg het kerkbestuur de gelegenheid op de Fluwelenburgwal een tijdelijk stenen noodkerkje te bouwen, dat tot eind 1983 dienst zou blijven doen. Voor een definitieve nieuwe kerk zijn er allerlei plannen geweest; nieuwbouw op de oude plek aan de Prinsessegracht, huur van de Duits-Evangelische kerk aan het Bleijenburg en koop van de gereformeerde Oosterkerk aan de Zuid-Oost Buitensingel (later Oranje Buitensingel geheten). In 1983 werd met de bouw van een nieuwe kerk gestart op de Fluwelenburgwal, deels op het terrein van de noodkerk. De ruine aan de Prinsessegracht moest begin 1952 wegens instortingsgevaar gedeeltelijk worden gesloopt: de voorgevel van de pastorie aan de Casuariestraat en de Prinsessegracht tot en met de eerste etage, de binnenmuren tot een schuine lijn onder 45° naar de voorgevel en de kerktoren een meter verlagen. Zo bleef de ruine staan tot op 20 maart 1954 de inspectie der Domeinen van de Staat der Nederlanden de grond met de opstallen kocht voor de bouw van het ministerie van finantiën. Op 2 februari 1956 werd de kerkelijke indeling van Nederland van vijf op zeven bisdommen gebracht, waarbij het haarlemse diocees werd verdeeld in het bisdom Haarlem en het bisdom Rotterdam. Voortaan viel 's- Gravenhage onder het bisdom Rotterdam. De herbouw van de Boskantkerk werd ook enigszins doorkruist door de enorme woningbouw in het zuid- oosten van Den Haag. Een rapport van het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut kwam tot de conclusie dat de herbouw van een grote door de franciscanen bediende kerk beter in die stadsuitbreiding kon plaats vinden. Toen zekerheid was verkregen dat de franciscanen in de binnenstad middels een rectoraat de zielzorg zouden kunnen blijven uitoefenen en daar ook te zijner tijd een kloostertje mochten bouwen, stemde de provinciaal van de franciscanen in met het voorstel van de bisschop. Eerst zou het de wijk Leyenburg worden, maar al gauw verzocht de bisschop van Haarlem om de grotere nieuwe wijk Morgenstond te nemen. Eind september 1953 verhuisde pastoor Em. Pompen met zijn kapelaans J. Kwaaitaal en C. Lindenhoff naar de Morgenstond. Nog datzelfde jaar begon men met de bouw van een houten noodkerk. De nieuwe kerk in Morgenstond werd ontworpen door ir. Wouters uit Wassenaar met m edewerking van prof. ir. F. Peutz uit Heerlen, terwijl ook architect Dom. Böhm invloed heeft gehad bij de tot standkoming van het ontwerp. In de zomer van 1956 werd de bouw gegund aan aannemer W. Thunissen uit Heemstede. De eerste steen werd gelegd op 7 juli 1957 door mgr M.A. Jansen, bisschop van Rotterdam, die op donderdag 13 november 1958 de kerk plechtig consacreerde. In verband met de oprichting en bouw van de nieuwe parochiekerk in de wijk Morgenstond werd op 30 oktober 1955 de status van de moeder- en dochterkerk gewijzigd: de Boskantkerk in de binnenstad werd een zelfstandig rectoraat en heette voortaan het rectoraat van St. Antonius van Padua (waar het bisdom de titel pastoor handhaafde), terwijl de kerk in de wijk Morgenstond parochie werd en als titel kreeg: de H.H. Antonius en Lodewijk. Deze naamsverwisseling gebeurde omdat men meende dat het nodig was om de oorlogsschade- uitkering voor de bouw van de kerk in Morgenstond te mogen bestemmen. Reeds in 1954 was het bestuur van de St. Willibrordus Vereniging begonnen in de wijk Morgenstond met de bouw van een dubbele Ulo-school in de Exlostraat en een dubbele meisjesschool aan de Maartensdijklaan (later St. Caeciliaschool geheten) ten gunste van de nieuwe parochie. In 1957 nam het gezamelijk kerkbestuur van de Boskant en Morgenstond -na enige jaren huur betaald te hebben- de dubbele jongensschool (Kardinaal de Jongschool geheten) in de Tinaarlostraat van de gemeente over. Dit gezamelijke kerkbestuur fungeerde in 1958- 1959 ook nog als bouwkommissie voor de lagere en kleuterscholen in de wijk Bouwlust. De definitieve scheiding tussen de parochies Boskant en Morgenstond had in augustus 1960 met bisschoppelijke goedkeuring plaats door een definitieve scheiding van bezittingen en schulden van beide kerken.
Eeuwenlang is de naam Chabot in de Rotterdamse zakenwereld een begrip geweest. De naam van een Hugenootse familie, die na de opheffing van het Edict van Nantes in het gastvrije Holland neergestreken was. Het familiebedrijf van de Chabots heeft zich toegelegd op de kassierderij en de assurantiemakelaardij, waarvoor de grondslag gelegd werd toen David Chabot (1739-1818) in 1769 van Rotterdams stadsbestuur een aanstelling tot 'extra-ordinaris makelaar in de wissel en assurantie' ontving. Een uitbreiding met de makelaardij 'in de losse en vaste effecten' volgde in 1772. Hoewel het aantal Rotterdamse makelaars op een vast getal gefixeerd was, gebeurde het meermalen dat boventallige (of extra-ordinares) aangesteld werden. Zodra een plaats opengevallen was, werden zij gewoon makelaar. Zo David Chabot in 1780. De makelaardij van David was vooral gericht op de assurantie, wat in de dagen van de Republiek zo veel wilde zeggen als zeeassurantie. Brandassurantie kwam wel voor, maar was van veel geringer betekenis. Met name in een havenstad als Rotterdam gaf de zeeverzekering op de beurs veel bedrijvigheid. Zeeverzekeringen werden in den regel ter beurze gesloten door tussenkomst van makelaars. Schip en lading, waarbij vaak meerdere personen geïnteresseerd waren, vertegenwoordigden zulk een grote waarde, dat een assuradeur het niet aandurfde deze in zijn geheel voor eigen rekening te nemen. Daarom moesten meerdere assuradeuren tot deelneming bewogen worden, om in geval van grote schade-met al de gevaren ter zee destijds bepaald geen uitzondering-het verlies gezamenlijk te kunnen dragen. De makelaar, bekend als hij was met zowel de risico's van de zeevaart als de soliditeit van assuradeuren, was de aangewezen persoon om. al die partijen tot elkaar te brengen. Naast assurantiemakelaar was David makelaar in wissels en effecten. De wisselmakelaardij is van betekenis geweest, hetgeen niet van de effectenmakelaardij gezegd kan worden. Wisselmakelaars bemiddelden bij het verhandelen en disconteren van wissels. Dan was David ook nog eens kassier. Kassiers waren aanvankelijk personen die tegen een zeker loon (provisie) gelden van derden in bewaring namen om daarmee voor hen betalingen te verrichten en geld te incasseren. Betaling binnen de kring van cliënten kon plaats vinden in de vorm van overschrijving van de ene rekening op de andere. De technische middelen voor overdracht van gelden waren assignaties en kwitanties. Van lieverlee ontstond bij kassiers het gebruik om aan hun meest solide cliënten voorschotten te geven, tegen onderpand of zelfs blanco. In tegenstelling tot Amsterdam schijnt het particuliere kassierswezen in Rotterdam tijdens de Republiek niet echt tot ontwikkeling gekomen te zijn. In de Maasstad bestond hieraan minder behoefte, omdat de stedelijke Wisselbank-anders dan de Amsterdamse-kassiersdiensten verrichtte. Op het eerste gezicht lijkt het een merkwaardig samenstel van bedrijfsactiviteiten: makelaardij in assurantiën plus wisselmakelaardij plus kassierderij. Niet alleen Chabot verenigde deze functies overigens in zijn bedrijf, maar ook de firma's R. Mees en Zoonen en lan Havelaar en Zoon. De kassier-makelaar lijkt een typisch Rotterdamse verschijning te zijn geweest, die elders niet voorkwam. De combinatie van assurantie- en wisseImakelaardij lijkt mij sterk gestimuleerd te zijn door de Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam, bij welke instelling een logische samenhang bestond tussen inkomsten van premies enerzijds en belegging in disconto's anderzijds. Daar de maatschappij in Rotterdam een machtige positie innam, zullen met haar in betrekking staande makelaars de bezorging van assurantiën en wissels -bovendien effecten voor belening-allicht gecombineerd hebben, ook al was de samenhang tussen de werkzaamheden als zodanig niet rechtstreeks aanwezig. De Maatschappij van Assurantie etc., kon in de achttiende eeuw zofn centrale positie innemen vanwege de relatief geringe kapitaalkracht van de Rotterdammers. Op de combinatie van makelaardij en kassierderij kan de volgende verklaring licht werpen. De assurantiemakelaar had voor zijn cliënten uitbetalingen en ontvangsten te verrichten met betrekking tot premies. Kassiersdiensten dus eigenlijk. Het moet niet uitgesloten worden geacht dat zich bij de wisselmakelaardij een soortgelijke situatie voorgedaan heeft. Wanneer een cliënt regelmatig van makelaarsdiensten gebruik maakte en in dat verband dus uitbetalingen en ontvangsten aan de makelaar opdroeg, was de stap om kassiersdiensten ook voor andersoortige transacties aan dezelfde bemiddelaar over te laten niet zo groot meer. Kortom, de makelaardij de primaire bedrijfsfunctie, de kassierderij een afgeleide. Hieraan kan toegevoegd worden dat de werkterreinen van wisselmakelaar en kassier in elkaars verlengde lagen, waar de kassier wisselbrieven als betaal- en kredietmiddelen te behandelen kreeg en de wisselmakelaar bij het wisselverkeer als bemiddelaar optrad. Vervolgens kon de kassierderij in de Franse Tijd tot volledige ontplooiing komen door het vacuüm op te vullen dat een wegkwijnende Wisselbank achterliet. Voordien was de makelaardij veruit het belangrijkste bedrijfsonderdeel van Chabot geweest, de kassierderij speelde slechts een rol van ondergeschikte betekenis. Toen kon de kassierderij echter langszij komen om vervolgens de makelaardij de loef af te steken en achter zich te laten. Ondanks, tegenspoed alom namen Chabots zaken in de Franse Tijd toe als nooit tevoren. In 1799 kwam zoon Jean Joseph (1772-1850) de gelederen versterken: de firma werd David Chabot en Zoon. In deze tijd kwam niet alleen de kassierderij maar ook de brandassurantie sterk naar voren, hetgeen bijzonder goed uitkwam aangezien de zee-assurantie het door de achteruitgang van de scheepvaart zwaar te verduren had. Toen David in 1818 het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde was de firma Chabot en Zoon stevig in het Rotterdamse Bedrijfsleven verankerd. Jean Joseph bleef het bedrijf onder de firmanaam David Chabot en Zoon uitoefenen, maar het was hem aan het eind van zijn leven niet gegeven om op een even succesvolle loopbaan van kassier en makelaar als zijn vader terug te kunnen zien. Daarop was een donkere schaduw geworpen. De 19de januari 1836 had hij namelijk na een run op zijn kantoor de uitbetalingen moeten staken, omdat niet genoeg liquide middelen aanwezig bleken. Dat moet een bijzonder schokkende gebeurtenis in het Rotterdam van die jaren geweest zijn! Jean Joseph trad daarop als firmant terug en zijn zonen Isaac Jacques (1804-1872), Jean Jonas Taudin (1809-1885) en Sébastien Abraham (1810-1887) namen het roer in handen. De firma David Chabot en Zoon werd geliquideerd, de zonen namen de firmanaam Gebroeders Chabot aan. De firma David Chabot en Zoon kon het zakenleven zonder uitstaande schulden verlaten, vooral dankzij enkele familieleden die bereid waren van hun vorderingen af te zien. Welk een hechte positie het kassiers- en makelaarskantoor Chabot ondertussen in het Rotterdamse bedrijfsleven innam, blijkt nergens beter uit dan uit het feit dat de cliënten van David Chabot en Zoon met zegge en schrijve één uitzondering alle naar Gebroeders Chabot overgingen. Tot in het jaar 1921 waren de firmanten uitsluitend leden van de familie Chabot en bleef de firmanaam ongewijzigd. Isaac Jacques trad in 1851 uit de vennootschap. In 1869 werden Jean Joseph Marie Taudin (1859-1909), zoon van Jean Jonas Taudin, en Abraham Sebastien (1842-1928), zoon van Sébastien Abraham, als vennoten in de firma opgenomen. Jacob Louis (1845-1921), eveneens een zoon van Sebastien Abraham, volgde in 1879. In het jaar 1880 waren er dus vijf aansprakelijke vennoten. Jean Jonas Taudin werd in 1884 commanditair vennoot, maar overleed reeds het jaar daarop. Sebastien Abraham stierf in 1887, zodat er rond het jaar 1886, vijftig jaren na de oprichting, in de leiding van de zaak een generatiewisseling plaats vond. Tot 1905 waren er drie aansprakelijke vennoten, welk gezelschap dat jaar versterkt werd met een zoon van Abraham Sebastien, Abram (1871-1953) en een zoon van Jacob Louis, Jacques (1876-1921). Jean Joseph Marie Taudin werd na zijn overlijden in 1909 opgevolgd door zijn zoon Marius Taudin (1884-1966). Tussen 1905 en 1910 kreeg de leiding dus opnieuw een andere samenstelling, maar de ervaring bleef in de personen van Abraham Sebastien en Jacob Louis. De firmanten bleven met hun vijven tot 1921, het jaar van de overname van de kassiers- en bankiersafdeling door de Nederlandsche Handel-Maatschappij, gezamenlijk leiding aan het bedrijf geven. Wel werden in 1919 vijf personeelsleden tot procuratiehouder benoemd. Bij contractswijziging van 1911 is vastgesteld dat bij het overlijden van firmanten hun weduwen automatisch commanditaire vennoten werden. Voorts traden Jean Jonas Taudin Chabot (vanaf 1911) en de firma Dikema en Chabot (vanaf 1918) als commanditaire vennoten op. De meeste firmanten waren zowel kassier als makelaar. Blijkens de vennootschapscontracten werd over zaken van groot gewicht, zoals het geven van grote kredieten, niet anders beslist dan 'met gemeen overleg en met eenparig goedvinden van de meerderheid der vennoten'. De werkzaamheden werden onderling zoveel mogelijk naar ieders geschiktheid verdeeld. In de praktijk schijnt de Taudin-tak, dus Jean Taudin Chabot en zijn nakomelingen, zich vooral op de makelaardij in wissels eerst en later op de wisselarbitrage toegelegd te hebben, terwijl de makelaardij in assurantiën in het bijzonder door Sébastien Abraham Chabot en zijn nageslacht behartigd werd. De andere broeder van het eerste uur, Isaac Jacques, verliet de firma in 1851 en hem ontbrak een zoon om zijn plaats in de vennootschap over te nemen. Zo ontstond min of meer een natuurlijke, voor het samenwerkingsverband bevorderlijke werkverdeling tussen de twee overgebleven takken. Hierdoor laat zich gedeeltelijk de opmerkelijke continuïteit in bedrijfsvoering verklaren. Daaraan werd ook een bijdrage geleverd door de soepele wijze waarop de vennootschapscontracten samengesteld werden. Diverse aanpassingen bij gewijzigde omstandigheden en inzichten laten zich aanwijzen. In dit verband zijn ook bepalingen die er op gericht waren het bedrijfskapitaal zoveel mogelijk bijeen te houden van betekenis. De continuïteit in bedrijfsvoering moet ook geschraagd zijn door de combinatie van verschillende bedrijvigheden, die elkaar over en weer voedden en stimuleerden. Bovendien was er daardoor een spreiding van het ondernemersrisico. Een toenemende voorspoed was enerzijds een stimulans voor de continuïteit in bedrijfsvoering, anderzijds een gevolg daarvan. Na een gestadige groei vanaf 1836 brachten de zestiger jaren een bloeiperiode die zich in de eerste jaren van het volgend decennium voortzette. Onder invloed van de economische crisis en toenemende concurrentie trad daarna een daling van de winsten op, die uiteindelijk op een lager niveau gestabiliseerd werden. De bedrijfsomvang vertoonde weldra echter een herstel, hetgeen tegen de achtergrond van een zich dynamisch ontwikkelend Rotterdam niet uit had mogen blijven. In 1905 moest Abraham Sebastien echter constateren dat de uitbreiding van de stad en de toename van de scheepvaartbeweging niet tot nieuwe relaties van enig belang geleid hadden. Hij drong aan op een actieve opstelling; de zaken tegemoet in plaats van af te wachten. Een nieuwe geest werd vaardig over het aloude kantoor. Door de concurrentie van de banken genoopt ging men zich op initiatief van Jean Joseph Marie Taudin Chabot op de wisselarbitrage toeleggen. Zijn zoon Marius zond hij naar het buitenland om zich met deze materie vertrouwd te maken. In de vaderstad teruggekeerd drukte de jonge Marius van meet af aan zijn stempel op bedrijf en beleid. Het getij was verlopen, de bakens werden verzet. Met name de handel in buitenlandse wissels nam een hoge vlucht, maar ook het inkomen uit intrest steeg met sprongen. De Chabots hadden zich tot echte bankiers ontwikkeld. De ontwikkelingsgang in het tweede decennium van de twintigste eeuw, een korte spanne tijds in de lange geschiedenis van het bedrijf, was er één van ongekende groei. In 1913 was het peil van het derde kwart van de negentiende eeuw weer bereikt. Chabot had kennelijk aansluiting gevonden bij de versnelling in economische ontwikkeling, waar Nederland en Rotterdam in terecht gekomen waren. De oorlogsjaren brachten het kantoor in een situatie waarin op een nog hogere versnelling overgeschakeld moest worden. Op een te hoge. De zaken namen zo toe, dat het bedrijfskapitaal naar verhouding te gering werd. Vanaf 1915 werden pogingen in het werk gesteld om tot een reorganisatie te komen. Uiteindelijk ging men er in 1921 toe over de kassiers- en bankiersafdeling geheel van de assurantieafdeling los te koppelen. De assurantieafdeling, het oudste bedrijfsonderdeel, ging onder de naam Gebroeders Chabot en Co. een zelfstandig bestaan leiden, het kassiers- en bankiersbedrijf werd met de firmanaam Gebroeders Chabot overgenomen door de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Be nieuwe firma Gebroeders Chabot kende als aansprakelijke vennoten de Nederlandsche Handel-Maatschappij zelf en Marius Taudin Chabot. Na eerst agent van de Nederlandsche Handel-Maatschappij geweest te zijn bracht Marius het in 1929 tot directeur en trad terzelfdertijd uit de firma Gebroeders Chabot. Met de liquidatie van de zaken van de oude firma had men in 1921 dezelfde Chabot belast. Met de zaken mee groeide de personeelssterkte. In de achttiende eeuw was er minstens één kantoorbediende, in 1815 werd vier personen salaris uitgekeerd, rond 1840 was dat aantal tot zeven aangegroeid. In 1885 had het personeel het aantal van 25 bereikt, dat zich daarna uitbreidde, eerst geleidelijk, met de bloei van de zaak sneller: in 1910 waren er 34 personen werkzaam, 72 waren het in 1920 geworden. In 1913 was het personeel al zo talrijk geworden, dat een kantoorvoetbalvereniging luisterend naar de naam 'Uitspanning Na Inspanning' (UNl) opgericht kon worden. Men kan gevoeglijk aannemen dat zich met de toename van de zaken en de groei van het personeelsbestand in de werkzaamheden een specialisatie voltrokken heeft. Immers, de bedrijfsfunctie bleef dezelfde, zij het dan dat in het laatste decennium nieuwe bankiersactiviteiten ontplooid werden. Een aantal schema's, alle uit de twintigste eeuw, laten ons een aantal bedrijfsafdelingen zien. Eén is er die de volgende noemt: kas, binnenlandse correspondentie, buitenlandse correspondentie, buitenlandse wissels, binnenlandse wissels, binnenlands incasso, boekhouding, effecten en assurantie. Er zijn schema's die hiervan afwijken. Januari 1884 werd ten behoeve van het personeel een spaarfonds ingesteld, waaraan de firma jaarlijks een bedrag van f. 1000 schonk. Minstens eenmaal per jaar kwamen firmanten en personeel bijeen om de financiële situatie van het fonds te bespreken. Eén der Chabots kenschetste de relatie met de cliënten in 1911 aldus: 'Het bedrijf der firma in den wisselenden loop der tijden bleef getrouw aan de oude kassierstraditie, gekenteekend door den engelschen koningsspreuk 'ich dien', d.w.z. zocht meer zijne verdienste in het hulpvaardig volgen dan in het zelf spelen van een leidende rol'. Blijkens de boekhoudkundige registers had Chabot als vaste cliënten en correspondenten met een eigen rekening in 1772 een aantal van 41; in 1778 t/m 1791 was dit 102, 172 in 1836; in 1879 een aantal van 334 en in 1913 een totaal van 368. Klein als het aantal cliënten in onze ogen al was, had Chabot een groot deel van zijn inkomen ook nog eens te danken aan een zeer kleine kern daarbinnen. Veel zakenrelaties waren familieleden of aanverwanten. Bij grote gezinsomvang, zoals bij de gegoede stand in Rotterdam eerder regel dan uitzondering was, moesten veel jongelui een werkkring buiten het familiebedrijf zoeken. Zo waren Chabots firmanten van o.a. Hoogewerff en Chabot, reders en wijnhandelaars, Chabot en Andres, veembedrijf en koffiepellerij, Dikema en Chabot, handelaars in ijzer. Niet zelden huwden vrouwelijke Chabots belangrijke zakenrelaties en mannelijke Chabots vrouwen uit dezelfde kring. Men kan er niet omheen: bedrijfsgeschiedenis in negentiende-eeuws Rotterdam is tevens familiegeschiedenis. In het binnenlands betalingsverkeer heeft Amsterdam steeds een centrale positie ingenomen, zodat in 's lands hoofdstad Chabots belangrijkste correspondenten gezocht moeten worden. In de eerste helft van de negentiende eeuw was dat J.H. Schuymer en Zoon, daarna Lippmann Rosenthal en Co. Rond 1865 had Chabot een net van correspondenten opgebouwd dat geheel Nederland overdekte. Buitenlandse correspondenten, met wie een zeer langdurige relatie onderhouden is, waren in Parijs Mallet frères et Cie., in Frankfort, a/d Main Johann Mertens. In de negentiende eeuw waren de omzetten op de buitenlandse rekeningen naar verhouding gering, maar in de volgende eeuw namen zij spectaculair toe, vooral dank zij de handel in buitenlandse wissels. Het bedrijf werd uitgeoefend in een kantoor in de oude 'waterstad', het van leven bruisende handels- en scheepvaartkwartier, dat de 14de mei 1940 van de aardbodem weggevaagd werd * . David Chabot was zijn zaak begonnen aan de Glashaven Wz., in het derde huis vanaf de Wijnhaven. In 1782 kocht hij het pand aan de Leuvehaven dat later het nummer 80 zou krijgen. Dit pand liep van de Leuvehaven tot aan de Scheepmakershaven, waarbij aan de Leuvehaven-zijde het woonhuis stond en aan de kant van de Scheepmakershaven een pakhuis met de naam 'de Wijnstok'. David richtte de parterre van het pand aan de Leuvehaven in tot kantoor en de bovenste verdieping tot woonhuis. In 1861 werd een belendend woonhuis aan de Leuvehaven aangekocht. Na verbouwingen kwam in 1896 het kantoor aan de zijde van de Scheepmakershaven (nr. 66) te staan. In 1888 hebben de erven van Sebastien Abraham Chabot en zijn vrouw aan wie de panden overgegaan waren een NV opgericht met de naam 'De Wijnstok', Maatschappij tot aankoop en beheer van onroerende goederen te Rotterdam, waarin de panden Leuvehaven 78 en 80 ingebracht werden. De firma Gebroeders Chabot nam de aandelen hiervan a pari over. Abraham Sebastien Chabot werd administrateur van de maatschappij.
Tweehonderd jaar geleden werd de basis gelegd van de cargadoorsfirma, die tegenwoordig bekend is onder de naam Hudig Veder & Dammers B.V. In het gedenkwaardige jaar 1795 richtte Jan Hudig (1769-1858) met zijn zwager Cornelis Gerbrand Blokhuyzen (1773-1857) de firma Hudig & Blokhuyzen op. De originele oprichtingsakte is waarschijnlijk verloren gegaan. Het is zeker dat beide heren eerder, in 1794, met elkaar in zaken waren, want op een overgeleverde rekening-courant met een Engelse kapitein staan Hudig & Blokhuyzen vermeld. De oudste akte in het notarieel archief, waarin Hudig en Blokhuyzen genoemd worden, dateert van 9 mei 1795. Het betreft een charterpartij en Hudig en Blokhuyzen traden op als scheepsmakelaars bij de bevrachting van het brigantijnschip Industrie (140 ton laadvermogen). Al gauw trad een derde firmant toe, Christiaan van der Eb (geb. 1771, ov. ?). Zijn toetreding in mei 1795 blijkt uit de enig overgebleven akte van compagnieschap d.d. 29 december 1796. Na 1819, toen Van der Eb uittrad, zou de firmanaam Hudig & Blokhuyzen luiden. Wie waren deze ondernemers, die in het jaar van de Franse inval in de Nederlanden en het einde van de Republiek het risico van een nieuw bedrijf aandurfden? Alle drie waren geboren Rotterdammers en hadden patriotse sympathieën. Ze woonden bij elkaar in het havenkwartier; Van der Eb op de Zuidblaak, Blokhuyzen op de Geldersekade en Hudig op de hoek van de Geldersekade en Wijnhaven. Van der Eb had naast de compagnieschap met Hudig en Blokhuyzen, compagnieschappen in meekrap en verfwaren met resp. Dirk van der Eb en Adriaan Blom. Zowel Hudig als Blokhuyzen stamden uit koopmansgeslachten. Volgens de akte van compagnieschap d.d. 29 december 1796 hadden Jan Hudig en Christiaan van der Eb beiden een kapitaal van f. 4.000,- in de firma ingebracht. Het kantoor van Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb was gevestigd in het monumentale pand van de familie Hudig op de hoek van de Geldersekade en Wijnhaven. In dit huis was ook de firma Ferrand Whaley & Jan Hudig gevestigd, een bedrijf met belangen in Suriname en opgericht door de vader van Jan Hudig. J. Hudig en C.G. Blokhuyzen waren naast zakelijke partners bovendien zwagers. Op 4 april 1796 huwde C.G. Blokhuyzen met Johanna Vis (1770-1838) en bijna 2 jaar later, op 2 april 1798, werd J. Hudig met Francina Vis (1778-1853) in de echt verbonden. De vader van Johanna en Francina was Dirk Vis, een boekhandelaar met patriotse sympathieën. De verwantschapsrelatie tussen firmanten kwam in die tijd vaak voor. Begin 1819 trok Chr. van der Eb zich op eigen verzoek terug uit de compagnieschap. Op grond van de bestaande vriendschap en harmonie tussen de drie firmanten zou Van der Eb gedurende 8 jaar vanaf januari 1819 een jaarlijks aandeel van 15% van de netto-winst uit het cagadoorsbedrijf genieten tot een maximum van f. 2.500,-. Van der Ebs rol in de firma was niet helemaal uitgespeeld, zo blijkt uit de bepaling dat hij wel gedurende die 8 jaar bij de cargadoorsfirma moest blijven, anders zou de uitkering ophouden. Voor de nieuwe onderneming moeten de beginjaren moeilijk zijn geweest. Na de inlijving bij Frankrijk was de directe handel met Engeland vrijwel onmogelijk. De aantallen bij Brielle en Hellevoetsluis binnenvarende en uitvarende schepen daalden dramatisch. Na 1810 was de handel met het buitenland slechts mogelijk met keizerlijke licentie. Op allerlei manieren trachtten ondernemingen het hoofd boven water te houden en de contacten met Engeland te laten voortduren. J. Hudig had juist sterke banden met Engeland en veel handelsrelaties in dat land. Via Engeland bleef Hudig & Blokhuyzen handelen met Suriname dat in de jaren 1799-1802 en 1804-1816 onder Engels bewind was gekomen. Hudig & Blokhuyzen hadden zelfs een naam opgebouwd in het ontduiken van het Continentale Stelsel. De Franse ambtenaar Marivault verdacht een door Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb gebouwde schokker ervan dat die gebruikt werd voor het smokkelen van brieven en passagiers naar Engeland. Bij een ander incident werd de bediende van de firma ondervraagd en concludeerde Marivault dat Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb 'peuvent être placés au nombre des négociants de Rotterdam dont les relations avec Angleterre ont été les plus constantes'. Na de voor de handel moeilijke Franse tijd kwam de firma tot bloei. In Rotterdam waren nogal wat cargadoorsbedrijven, die elkaar flink beconcurreerden. Desondanks rekende R. Mees Hudig & Blokhuyzen in 1830 tot het één na belangrijkste cargadoorsbedrijf van Rotterdam. Uit de bijna dagelijks geplaatste advertenties van Hudig & Blokhuyzen in de Rotterdamsche Courant blijkt dat de zaken goed gingen. Sinds 1825 was Hudig & Blokhuyzen ook bij de scheepsrederij betrokken. In dat jaar begon Anthony van Hoboken zijn 'rederij van vier schepen', een intitiatief waaraan verschillende Rotterdamse firma's en particulieren deelnamen. Als boekhouders van de rederij fungeerden Vink & Co., D. Blankenheijm, Kuijper Van Dam & Smeer en Hudig & Blokhuyzen, ieder voor een schip. Hudig & Blokhuyzen hadden een aandeel van f. 10.000,- in de rederij, F.W. Hudig ( de oudste zoon van Jan Hudig) een aandeel van f. 1.000,-. Zelfs koning Willem I toonde zijn belangstelling voor de onderneming met een deelname van f. 20.000,-. Rond 1847 telde Rotterdam ca. 25 grote en kleine rederijen, die hun kantoren dicht bij elkaar aan de Wijnhaven, Scheepmakershaven, Leuvehaven, Nieuwehaven en Boompjes hadden. Tot de grotere rederijen behoorden C. Balguerie & Zoon, A. van Hoboken & Zonen, Hudig & Blokhuyzen, H. van Rijckevorssel, C. Serruijs, E. Suermondt & Zoonen, J.R. Veder en C. Vlierboom & Zoon. Behalve lading vervoerde Hudig en Blokhuyzen in de tweede helft van de negentiende eeuw passagiers, en wel emigranten naar de Verenigde Staten. Rotterdam was van oudsher een belangrijke haven voor landverhuizers. In de jaren 1846-1848 vertrokken ca. 9500 buitenlandse (meest Duitse) en ca. 8600 Nederlandse landverhuizers via Rotterdam naar Noord-Amerika. Op de heenreis vervoerden de schepen passagiers en als teruglading werd meestal graan ingeladen. De firma Wambersie was de belangrijkste cargadoor in dit opzicht, maar Hudig & Blokhuyzen nam ook een groot aandeel. Van de 145 schepen die in 1846-1848 vanuit Rotterdam op weg naar Noord-Amerika het Voorns kanaal passeerden, stonden 64 op naam van Hudig & Blokhuyzen als cargadoor (tegen 53 schepen op naam van Wambersie!). Tevens voer Hudig & Blokhuyzen zelf als reder op Noord-Amerika met schepen als de schoener Tropicus, de brigantijn Koophandel, de schoener Zodiac, de schoener Amphitrite en de schoener Polaris. J. Hudig was op 2 manieren betrokken bij de landverhuizers: als cargadoor en als lid van de in 1838 door de gemeente benoemde Commissie van Toezicht op de landverhuizers. Alle betrokken reders, scheepsmakelaars en cargadoors waren aan de commissie verantwoording schuldig. In 1850 trachtte Hudig & Blokhuyzen samen met andere firma's, die zich bezighielden met het vervoer van landverhuizers, een nieuwe markt aan te boren door een lijndienst met stoomschepen op Amerika op te zetten. Een comité gevormd door Wm Ruys JDzn., Corn. Balguerie & Zn., Wambersie & Crooswijck en Hudig & Blokhuyzen deed een beroep op Rotterdamse handel. Hudig & Blokhuyzen schreef zich in voor f. 20.000,-. Dit was tegen de zin van J. Hudig sr., die vond dat het steunen van een dergelijke onderneming tegen de belangen van Hudig & Blokhuyzen indruiste. Reders van Amerikaanse zeilschepen zouden zich immers afkeren van een firma die belangen had in de Rotterdamsch Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij. De nieuwe maatschappij werd op 13 november 1850 opgericht. Een kapitaal van f. 1.200.000,- was nodig voor het welslagen van de onderneming, maar dit kwam financieel niet rond. De plaatsing van de laatste f. 140.000,- vormde het struikelblok. Daarom werd op de vergadering van 17 november 1855 het besluit genomen het plan te stoppen. Hudig & Blokhuyzen had al vroeg het belang van stoomschepen onderkend en hadden een stoomsleepbootje De Zuid-Holland in bedrijf 'tot het slepen van zeeschepen op de vaarwateren van Zuid Holland en Zeeland en tot het slepen van zoodanige schepen in & uit de zee'. Van koning Willem I hadden ze in 1839 vergunning gekregen het schip in het buitenland aan te schaffen. Zelfs de vice-admiraal inspecteur-generaal van het loodswezen, A.C. Twent, informeerde bij J. Hudig of hij De Zuid-Holland kon bezichtigen in verband met haar bruikbaarheid voor het loodswezen. In 1851 trad de bejaarde Jan Hudig terug uit de firma, die werd voortgezet door zijn twee zoons Jan en Dirk Hudig. Zwager Blokhuyzen had zich al eerder in 1845 uit de firma teruggetrokken, maar had toestemming gegeven zijn naam te blijven voeren. Pieter Hudig, een kleinzoon van Jan Hudig sr., had op 15 november 1856 met G.S. Pieters, de vroegere hoofdkassier van Hudig & Blokhuyzen, een concurrerende cargadoorsfirma opgericht onder de naam Hudig & Pieters. Deze daad van P. Hudig werd begrijpelijkerwijs niet door iedereen in de familie gewaardeerd. Op 16 april 1857 nam Jan Hudig jr. zijn 19-jarige zoon Jan Jzn. als firmant in Hudig & Blokhuyzen op. De jonge firmant moest al wel heel snel op eigen benen staan, want op 28 mei 1857 overleed zijn vader. Om zijn positie te versterken ging J. Hudig met ingang van 1 september 1857 een compagnieschap aan met L.W. Veder, waarbij de vertrouwde naam van Hudig & Blokhuyzen gehandhaafd bleef. Van de familie Blokhuyzen werd toestemming verkregen hun familienaam in de firma te houden. In 1877 werd door J. Hudig en L.W. Veder een Amsterdams filiaal opgericht onder de naam Hudig & Blokhuyzen, later Hudig, Veder & Co geheten. Mogeljk trad Hudig & Blokhuyzen in 1887 als cargadoor op voor de Schotse bark Highland Forest, het schip, waarmee de schrijver J. Conrad naar Semarang vertrok? Rond 1880 was Hudig & Blokhuyzen actief als charterer in de vaart op Spanje. De firma huurde een stoomschip voor een aantal maanden en liet het in Spanje (Bilbao) bevrachten met ijzererts voor Rotterdam, dat in die tijd snel opkwam als doorvoerhaven voor het Duitse achterland. Naar Spanje werden via Engeland kolen vervoerd. Via Pinkney Sons & Clare werden meestal schepen gecharterd, waarvan het essentieel was dat ze 'light draft, strenght and speed' hadden. De rederijactiviteiten kregen nieuw leven toen J. Hudig en L.W. Veder in 1882 een rederij oprichtten onder de naam Hudig & Veder. Het eerste schip was het stoomschip Echo, dat gebouwd werd op de scheepswerf van Fop Smit te Slikkerveer. In 1884 volgde de te water lating van het s.s. Ino. De groei van de rederij zette door; zo schreef J. Hudig in 1888: 'Over de zaken mag ik in dit en het vorige jaar niet klagen: de crisis die zoo lang heeft geduurd is over (...) ik houd mij overtuigd dat voor de stoomvaart een betere tijd aanbreekt; dit heeft Veder en mij dan ook doen besluiten een schip van 2400 ton dat te Sunderland in aanbouw is aan te koopen; het zal 9 juni afloopen en Callisto heeten: hoofdzakelijk zullen wij er mede op de Zwarte Zee en Spanje varen.' De rederij was de in de achttiende en tot ver in de negentiende eeuw gebruikelijke 'partenrederij', waarbij een aantal investeerders een schip kocht of liet bouwen en deelde in winst of verlies. Hudig en Veder waren de boekhouders, de directeuren, en bezaten 8 van de 35 aandelen. Onder de andere aandeelhouders bevonden zich bevriende bedrijven of familie of relaties zoals J.R. Veder & Zonen (het koopmans- en redersbedrijf van Veders vader), het kassiersbedrijf Jan Havelaar & Zoon, Hendrik Veder (L.W. Veders oom), Ferrand Whaley Hudig (Hudigs broer) en directeur van gemeentewerken G.J. de Jongh. Hudig & Blokhuyzen, in 1795 opgericht als kleine firma door een paar compagnons, floreerde en schaalvergroting diende zich aan; in de kapitaalbehoefte werd voorzien, doordat verwanten of bekenden geld in de onderneming belegden. Aan het eind van de negentiende eeuw werd overgegaan tot de naamloze vennootschap als bedrijfsvorm. In 1899 vormden J. Hudig, zijn zoon W.C. Hudig en J.C. Veder (reders en cargadoors), mr. Ian Havelaar (kassier en makelaar) en Anthony Veder (toen agent der Crediet-Vereeniging en de oprichter van de Anthony Veder groep) de N.V. Hudig & Veder's Stoomvaart-Maatschappij. In 1912 werd naast bovengenoemde rederij de N.V. Maatschappij Zeevaart opgericht. J.C. Veder en W.C. Hudig waren directeuren en J. Hudig, A. Veder en mr. J. Havelaar commissarissen. Doel van de Maatschappij was het 'kopen, huren en verhuren en in het algemeen de exploitatie, in de meest ruime zin, van eigen of gehuurde schepen, alsmede het deelnemen in zaken van anderen die ditzelfde doel beogen'. De Maatschappij Zeevaart liet verscheidene schepen bouwen bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Haar eerste schip, het s.s. Arundo, werd in 1912 gebouwd, in 1914 volgde de levering van het s.s. Leto. In 1914 ging de N.V. Hudig & Veder's Stoomvaart-Maatschappij op in de N.V. Maatschappij Zeevaart, toen haar schepen, het s.s. Callisto en Themisto, door de N.V. Maatschappij Zeevaart werden overgenomen. De firmanaam Hudig & Blokhuyzen bleef tot 1903 gehandhaafd; vanaf dat jaar werden de zaken gevoerd onder de naam Hudig & Veder. Met gevoel voor traditie is in het telegramadres van Hudig & Veder c.q. Hudig Veder & Dammers, 'Blokhuyzen', is de band met een van de vroegere oprichters behouden gebleven. De Amsterdamse vestiging ging verder onder de naam Hudig, Veder & Co. Procuratiehouder J. Vink van het Amsterdamse kantoor schreef over deze naamsverandering aan de firmanten 'dat de firma Hudig & Blokhuyzen geheel zal verdwijnen, om plaats te maken voor Hudig & Veder, is wellicht voor u een punt van overweging geweest, maar de omstandigheden in aanmerking genomen, is het wellicht (...) een goede oplossing. Indien nu de firma Hudig & Veder de naam die de firma Hudig & Blokhuyzen steeds overal had, weet hoog te houden, dan zal het succes, zoodra weder betere tijden aanbreken ook wel volgen.' In 1919 richtte Hudig, Veder & Co. te Amsterdam samen met B.J. van Hengel, de wed. Jan Salm & Meijer, D. Burger & Zoon het Vereenigd Cargadoorskantoor (V.C.K.) op, dat werkte als reders, cargadoors, expeditie, assurantie te Amsterdam en Zaandam. Als cargadoors werd Hudig & Veder in de vooroorlogse jaren agent voor een aantal vooraanstaande maatschappijen, zoals de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij n.v., het Italiaanse '"Adria" soc. anon. di navigazione marittima' te Fiume, John. Holt & Co. ltd. te Liverpool, de Holland-Amerika Lijn te Rotterdam, de Holland-Ierland Lijn te Rotterdam, Illinois Central System te Chicago en The Ulster Steamship Cy Ltd. (G. Heyn & Sons ltd.) te Dublin. Als een van de weinige onder de cargadoorsbedrijven exploiteerde Hudig & Veder een eigen sleepboot, de Ino. Daartoe was op 30 juli 1923 door W.C. Hudig, J.C. Veder en J. Hudig de N.V. Maatschappij Riviervaart opgericht. De Maatschappij Riviervaart was een van de kleinste maatschappijen, die lid was van de Vereeniging van sleepdienstondernemers te Rotterdam. Ter ondersteuning van de cargadoorswerkzaamheden was in 1937 het Coöperatief Havenbedrijf "Korte Vaart", gevestigd aan de Merwehaven tot stand gekomen. Het was een samenwerking tussen P.A. van Es & Co., Hudig & Veder en Phs. van Ommeren Scheepvaart Bedrijf N.V. Bij de oprichting hadden zij direct economisch voordeel door samenwerking voor ogen en de mogelijkheid om in de toekomst een concentratie van de korte lijnvaartbedrijven te realiseren, waardoor reductie van de plaatsingskosten zou plaatsvinden en Rotterdam als haven sterker zou worden. Doel van dit stuwadoorsbedrijf was 'de gemeenschappelijke uitoefening van het bedrijf van haar leden in het laden en lossen van schepen in de korte vaart, het verwerken, opslaan en afleveren van lading van die schepen en de gemeenschappelijke exploitatie van de terreinen en hulpmiddelen'. In 1963 werd Korte Vaart geliquideerd. Ierland was vanouds een belangrijk vaargebied voor Hudig & Veder. In 1864 begon Hudig & Blokhuyzen regelmatig op Ierland te varen in een lijndienst met een frekwentie van één soms twee maal per week en deze lijndienst werd tot ver in deze eeuw onderhouden. Niet zonder reden was het consulaat van de Ierse Republiek in Rotterdam gevestigd in het pand van Hudig & Veder aan de Willemskade. Ook in de vaart op Amerika was Hudig & Blokhuyzen en later Hudig & Veder actief. Vanaf 1886 tot 1906 was de firma agent voor de Neptune Line of Steamships, die opereerde tussen Rotterdam en Baltimore, Antwerpen en Baltimore en Wear & Tyne en Baltimore. In 1903 werd met twee schepen aan de Hammond Line, een lijndienst New Orleans - Rotterdam, deelgenomen. Een vrij grote expertise werd opgebouwd, gezien dit citaat over Hudig & Blokhuyzen 'the brokers to undertake American consignments, seeing they have had the exclusive agency of the 'Neptune' Line & other American Lines for so many years'. Samen met de Holland-Amerika Lijn (Stoomvaart Maatschappij Amsterdam) exploiteerde Hudig & Veder met de schepen Callisto en Themisto vanaf 1905 een lijndienst op Florida (Savannah) onder de naam Burg Line. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een onderbreking van de lijndienst, maar aan het eind van de oorlog werd de Burg Line hervat. De laatste vaarten vonden plaats in 1921, toen de niet renderende lijn werd afgestoten. De in 1938 opgerichte motorbootmaatschappij Bynia was een zustermaatschappij van de N.V. Maatschappij Zeevaart. Haar eerste schip was het m.s. Koert, dat echter na vordering door de Duitsers in 1942 vergaan is. Hudig & Veder N.V. was in de jaren '60 tevens manager van de N.V. Ertslijn (N.V. Scheepvaartmaatschappij Zodiak i.s.m. Hüttenwerk Oberhausen A.G.), waarvoor de schepen Tweelingen en Kreeft voeren op ertshavens met thuishaven Rotterdam. Toen in mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen, lag het s.s. Theano in Rotterdam en waren de overige schepen van de Maatschappij Zeevaart buitengaats. De zetel van de Maatschappij Zeevaart was net op tijd verplaatst naar Batavia; in 1946 werd de vestigingsplaats weer Rotterdam. De door Nederlandse reders te Londen opgerichte Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie (N.S.H.C.) werd door de Nederlandse regering in ballingschap belast met het 'custodianship' over rederijen, wier directies in bezet gebied waren. De schepen werden tot na afloop van de oorlog op timecharter genomen door het Engelse Ministry of Shipping, later Ministry of War Transport. Aanvankelijk exploiteerde de N.S.H.C. de schepen voor rekening en risico van de rederijen, maar in juni 1942 werd de Nederlandse handelsvloot door de Nederlandse regering gevorderd. Aan de rederijen werd een vaste verbruiksvergoeding toegekend. Tot in maart 1946 bleef de vordering gehandhaafd; in dat jaar werd de United Maritime Authority (U.M.A.) opgeheven, die als doel had te zorgen voor een efficiënt gebruik van de scheepsruimte ten behoeve van de oorlogvoering en van de hulpverlening aan de bevrijde gebieden. Voor Hudig & Veder en Maatschappij Zeevaart heersten na de Tweede Wereldoorlog uiterst moeilijke omstandigheden. Het verlies van 41 bemanningsleden telde zwaar. De haven van Rotterdam was aan het eind van de oorlog door de Duitsers verwoest. Vier schepen van de Maatschappij Zeevaart waren in de oorlog verloren gegaan, te weten het s.s. Arundo (b.j. 1930; 9300 ton, getorpedeerd 28-4-1942 op de kust van New Jersey), het s.s. Leto (b.j. 1929, 8680 ton, getorpedeerd 11-5-1942 in de Golf van St. Laurens), het s.s. Trito (b.j. 1921, 1515 ton, verloren 27-9-1940 in het Kanaal) en het s.s. Theano (b.j. 1920, 1515 ton, gevorderd door de Duitsers januari 1942 en verloren december 1942). Dit liet de Maatschappij slechts de beschikking over het s.s. Themisto (b.j. 1928, 8615 ton) en het s.s. Colytto (b.j. 1926, 7450 ton). Na enkele wederopbouwjaren brak een periode van expansie aan. De vloot breidde zich weer uit, zodat zij in 1951 weer het vooroorlogse aantal van zes schepen telde, waarbij bovendien nog twee motorschepen in aanbouw waren. De Maatschappij was direct na de oorlog niet vrij in het bepalen van de te maken reizen. Het door de Nederlandsche Reedersvereeniging in het leven geroepen Allocatiebureau deelde in samenwerking met de betrokken ministeries de beschikbare tonnage in. Hudig & Blokhuyzen was aanvankelijk gevestigd in een pand op de hoek van de Geldersekade en de Wijnhaven, het woonhuis van de familie Hudig. In 1869 verhuisde de firma naar het Willemsplein nr. 8, waar ook de in 1882 opgerichte rederij Hudig & Veder was gevestigd. In 1912 is een nieuw pand aan de Willemskade 23 betrokken dat bij het bombardement van Rotterdam beschadigd werd. In de oorlogsjaren was het kantoor tijdelijk gevestigd aan de Westerkade 5, het huis van de familie Veder, terwijl de Willemskade gerestaureerd werd. Op 15 mei 1945 bestond Hudig & Veder 150 jaar, welk jubileum vanwege de oorlogsomstandigheden niet gevierd is. Wel keerde de firma in juli 1945 terug in het pand aan de Willemskade 23. Nauw verbonden met Hudig & Veder was John Hudig & Son B.V., dat sinds 1818 als agent van de verzekeringsmarkt Lloyd's te Londen optrad en ondermeer ook het Institute of London Underwriters vertegenwoordigde. De familie Hudig en de familie Veder traden deze eeuw uit de firma. In 1925 vond J.G.A. Fontein (1894-1977) als firmant een plaats in het bedrijf. Zijn zoon G.A. Fontein werd in 1951 mededirecteur van N.V. Hudig & Veder en firmant van John Hudig & Son. Inmiddels hebben de de zonen van G.A. Fontein de leiding overgenomen.
Oprichting van het R.K. Parochiaal Armbestuur Met het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853 werd een periode van intensieve bemoeienis van bovenaf met het kerkelijk leven van de Rooms Katholieken ingeleid. Op het gebied van het armwezen is de bisschop van Haarlem -onder wiens diocees Rotterdam was komen te vallen- spoedig ingrijpend opgetreden. Reeds op 22-1-1855 werd een 'Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid in het bisdom van Haarlem' afgekondigd. Hiermee werd de basis gelegd voor een omvangrijke controle door de bisschop van het armwezen in zijn diocees. Een grotere centralisatie zou dit slechts kunnen bevorderen, waartoe in dit reglement was voorzien, doordat de mogelijkheid was geschapen, dat verschillende parochiale armbesturen zouden kunnen worden samengevoegd. Na uitgebreid overleg met de armbesturen der vier afzonderlijke Rooms Katholieke gemeenten van Rotterdam, werd met het bisschoppelijk besluit van 9-5-1857 nr 1849 het Rooms Katholiek Parochiaal Armbestuur van Rotterdam, afgekort tot R.K.P.A., opgericht. Hiermee was in korte tijd veel tot stand gebracht, waar vroegere pogingen hadden gefaald de afzonderlijke armbesturen van Rotterdam te verenigen. Hoe was nu voor de oprichting van het R.K.P.A. de Rooms Katholieke armenzorg te Rotterdam georganiseerd? Er bestonden naast elkaar vier afzonderlijke armbesturen, te weten: die van de R.K. gemeenten aan het Steiger, de Leeuwenstraat, de Houttuin en Onze Lieve Vrouw (aan de Wijnhaven), waarbij het eerste het belangrijkst was gezien de omvangrijke fondsen, waarover het beschikken kon. Elk armbestuur verzorgde zijn wezen en oude lieden in een eigen wees- en armenhuis en bedeelde daarnaast de schamele en huiszittende armen en behoeftigen. Voorts werd onderwijs gegeven aan de wezen en kinderen van bedeelden. Bij dit alles gaven de Steigerse en Leeuwenstraatse gemeenten de toon aan. Vanzelfsprekend heeft het enige tijd gevergd, voordat het R.K.P.A. goed was ingewerkt. De bisschop heeft bij de constituering van het R.K.P.A. de leden daarvan benoemd uit de armmeesters der voormalige armbesturen. Om een zo eerlijk mogelijke verdeling over de vier afzonderlijke parochiën te waarborgen heeft hij bepaald, dat in het vervolg uit elke parochie vier armmeesters uit de vooraanstaande parochianen van onberispelijk gedrag behoorden te worden verkozen. Voorts heeft hij het R.K.P.A. doen opdelen in vier armbestuurssectiën als opvolgers van de voormalige armbesturen, echter uitdrukkelijk bepalend, dat deze sectiën in al hun handelen verantwoordelijk zouden blijven aan het R.K.P.A. De sectiën kregen het toezicht toegewezen over de schamele en huiszittende armen en behoeftigen. Men had 'de plicht toe te zien op het godsdienstig en zedelijk gedrag der armen en hulpbehoevenden op het door deze bijwonen der openbare godsdienstoefeningen en op de godsdienstige en zedelijke opvoeding en onderwijzing hunner kinderen'. De controle van bovenaf bleef gewaarborgd, doordat voor alle belangrijke rechtshandelingen van het R.K.P.A., zoals vervreemding van eigendommen, aanvaarding van legaten etc., toestemming van de bisschop vereist was. Organisatie van het R.K. Parochiaal Armbestuur Na de benoeming door de bisschop bij de constituering van het R.K.P.A. in 1857 werden de armmeesters gekozen door de 'vergadering in verenigde zitting van de commissiën uit de R.K. Parochiale kerkbesturen en het R.K.P.A. van Rotterdam'. Op de functie van deze vergadering wordt in een aparte afdeling van deze inleiding dieper ingegaan, omdat zij een eigen archief heeft nagelaten, waarvan de inventaris in het hoofdstuk gedeponeerde archivalia van de inventaris van het R.K.P.A. is opgenomen. De leden van het R.K.P.A. vervulden hun functie met veel bekwaamheid en toewijding veelal tientallen jaren achtereen. Om slechts één voorbeeld te nomen: mr L.C. Driebeek is gedurende 45 jaar tot zijn dood in 1911 lid geweest van het R.K.P.A., waarvan 33 jaar voorzitter. Nog jaren na zijn overlijden werd binnen het R.K.P.A. met grote lof gesproken over zijn inzet voor de R.K. wezen en armen van Rotterdam. Uit de Algemene Vergadering werden jaarlijks de leden van het dagelijks bestuur gekozen. Dit werd gevormd door een voorzitter, een ondervoorzitter, een secretaris en een penningmeester. Het werd bijgestaan door een bureau, dat op 1-10-1857 werd ingesteld. Eerst in 1862 werd een directeur benoemd, die hiervan het hoofd werd. Tevens kreeg hij de functie van kassier van het R.K.P.A. toegewezen. Om zijn handelen in deze te controleren werden speciale registers aangelegd. Naast de gewone leden had een der pastoors uit de parochiën zitting in de Algemene Vergadering. Daartoe werd deze benoemd door de bisschop en had de titel van bisschoppelijk commissaris. Hij had de opdracht aanhoudend toezicht uit te oefenen over de handelingen van het armbestuur en te waken over de aangelegenheid van het parochiaal armwezen in verband met zijn pastorale zorgen. Deze functie was kort na de oprichting van het R.K.P.A. van betekenis, vooral omdat zij werd vervuld door pastoor Raken. Deze was vroeger president van het Steigers armbestuur geweest en uit die tijd bekend om zijn militant optreden. In de praktijk -nadat Raken van het toneel was verdwenen- verloor de functie van bisschoppelijk commissaris aan invloed. Naast de bisschoppelijk commissaris hadden ook de pastoors uit de andere parochiën toegang tot de Algemene Vergadering, evenwel slechts met raadgevende stem. Uit de presentielijsten blijkt echter dat deze heren van dit recht weinig gebruik hebben gemaakt. Het hoogste bestuursorgaan werd gevormd door de Algemene Vergadering. Aanvankelijk bestond deze uit 16 leden; uit elke parochie werden er 4 verkozen. Het ledental groeide tot 25 door de oprichting der parochiën H. Antonius van Padua (1874) en Allerheiligst Hart van Jezus (1882) en door de aparte positie die de voorzitter vanwege zijn grote belangrijkheid kreeg toegewezen. Voor deze laatste werd een eigen zetel in de Algemene Vergadering ingeruimd. Er werd maandelijks vergaderd. Daarnaast kwamen de leden bij bijzondere gelegenheden nog een aantal malen per jaar bijeen in een zogenaamde buitengewone vergadering. Zo werden in een dergelijke vergadering de begroting voor het komende jaar vóór 15 november opgesteld en de jaarrekening in of vóór juli vastgesteld over het verlopen jaar. Administratief gezien mag gesteld worden, dat het bureau de spil was waarom het gehele bouwwerk van het R.K.P.A. draaide. Alle inkomende stukken kwamen hier binnen, alwaar zij door de voorzitter werden geopend. De belangrijke stukken werden van de minder belangrijke gescheiden om later door de voorzitter ter bespreking aan de Algemene Vergadering te worden voorgelegd. De concepten van de uitgaande stukken werden hier opgesteld en na te zijn ondertekend door de voorzitter en de secretaris verzonden. Op het bureau werden de boekhouding van het R.K.P.A. gevoerd en alle registers bijgehouden, zodat elk lid van het R.K. P.A. op zijn verzoek de mogelijkheid kreeg tot onmiddellijke inzage. Naast de Algemene Vergadering, het dagelijks bestuur, het bureau en de armbestuurderssectiën waren er nog speciale commissies gevormd uit de leden van het R.K.P.A., die zich in het bijzonder bezighielden met een der facetten van het werkterrein van het R.K.P.A. Die commissies en armbestuurderssectiën brachten maandelijks van hun handelen verslag uit in de Algemene Vergadering, waar deze rapporten in een vaste volgorde aan de orde kwamen. Deze korte schets zou ik willen besluiten met de opmerking dat de organisatie van het R.K.P.A. voortreffelijk was en dat deze zijn weerslag heeft gehad op de eveneens voortreffelijke archiefvorming. Taken en taakuitoefening De taken, die het R.K.P.A. van zijn vier voorgangers had geërfd waren de volgende: wezen- en oude liedenzorg, onderwijs en bedeling. Reeds in 1857 had de bisschop bepaald, dat de gelden van het R.K.P.A. in eerste instantie moesten worden aangewend aan de wezen- en oude liedenzorg. De geschiedenis van het R.K.P.A. overziende kan gesteld worden, dat aan de uitvoering van deze taak door het R.K.P.A. bij de beleidsvorming steeds de voorkeur is gegeven. Het R.K.P.A. stelde zich ten doel enerzijds de aan zijn zorgen toevertrouwde wezen op te leiden tot plichtbewuste en vrome mensen in de maatschappij en anderzijds de in de weeshuizen verpleegde oude lieden een ongestoorde oude dag te verzekeren. Aan de wezen werd onderwijs gegeven en aan de oudere wezen werd de gelegenheid geboden bij een werkgever arbeidservaring op te doen. Het door hen verdiende geld werd door het R.K.P.A. beheerd op een klein gedeelte na, dat als zakgeld aan de wezen ter hand werd gesteld. Van het overige werd een gedeelte ingehouden om de kosten van de verpleging te dekken; het resterende gedeelte vormde, tezamen met een som geld door het R.K.P.A. uit te betalen als uitkering in eens, de uitzet, die de wezen bij het bereiken van de meerderjarigheid als steun in de maatschappij werd meegegeven. De bisschop van Haarlem had het nodig geoordeeld de geestelijke leiding der weeshuizen toe te vertrouwen aan een rector. Op 7-9-1865 werd als eerste daartoe benoemd mgr J. Bos. Zijn werkterrein werd ingeperkt door de parochiale rechten van de pastoor van de H. Dominicus (voorheen Steigerse gemeente), onder wiens parochie de weeshuizen vielen. De Zusters-Dominicanessen aan wie het dagelijks toezicht was opgedragen -naast enkele broeders, die hen daarbij behulpzaam waren-, zouden hun eigen biechtvaders behouden. Wat betreft de andere twee taken van het R.K.P.A.: onderwijs en bedeling, kan gezegd worden, dat het eigenlijk altijd een beleidsvraagstuk is geweest aan welke de voorkeur gegeven moest worden. Aan de ene kant was men van oordeel, dat het geven van armenonderwijs aan kinderen van bedeelde ouders op den duur tot meer ontwikkeling van de armen zou leiden. De kinderen zouden hun pas verworven kennis, wanneer zij in hun oude milieus terugkeerden, aan minder ontwikkelde ouderen kunnen overdragen. Aan de andere kant evenwel betekende dit dat voor de directe hulpverlening aan de behoeftigen minder geld vrij zou komen. De lezer krijgt enig idee om welke bedragen het ging, als de verschillende posten voor de begroting van het R.K.P.A. met elkaar worden vergeleken. Als voorbeeld heb ik de begroting voor 1893 gekozen. De gewone uitgaven voor de weeshuizen waren begroot op f 61.300,- en voor bedeling en onderwijs werd respectievelijk f 46.734,- en f 23.700,- uitgetrokken. Reeds in het onderdeel 'reorganisatie' van deze inleiding werd gesproken van de verbouwing door het R.K.P.A. van het scholencomplex 'Concordia'. Hier, aan de van Oldenbarneveldtstraat en Nieuwe Kerkstraat, werd het armenonderwijs in het westen van de stad geconcentreerd. Spoedig na de ingebruikname van 'Concordia' werd een soortgelijke behoefte gevoeld om het armenonderwijs in het oosten van de stad op één plaats samen te brengen. Daartoe werd in 1863 aan de Lange Warande een pand met bouwterrein aangekocht met het doel het pand te verbouwen en uit te breiden voor het geven van armenonderwijs aan circa 600 kinderen. Op 4-1-1864 werd het gebouw in gebruik genomen. Het voormalig Houttuins weeshuis werd daarop ingericht als bewaarschool. Tevens werd in 'Concordia' op 9-1-1865 een naai- en breischool geopend. De derde taak van het R.K.P.A. werd gevormd door de bedeling. Hiermee hield zich in het bijzonder bezig de 'commissie belast met de regeling van de onderstand en de bedeling aan behoeftigen', in de praktijk de klachtvergadering genoemd. Jaarlijks werd een rooster opgesteld volgens welke de leden van het R.K.P.A. bij toerbeurt in die commissie zitting zouden nemen. Voor deze commissie verschenen de armen die voor bedeling in aanmerking wensten te komen. Aan bedeling waren door het R.K.P.A. een aantal voorwaarden verbonden. Zo dienden de bedeelden jaarlijks te voldoen aan de Paasplicht, dat wil zeggen in de Paastijd ter communie te gaan. De afzonderlijke parochiën kregen de opdracht hierop nauwkeurig toe te zien. Derhalve werd hiermee aan de ene kant voorkomen, dat de bedeelden zich van de ene parochie naar de andere begaven en op die wijze dubbele bedeling genoten en aan de andere kant betekende de Paasplicht een waarborg dat de bedeelden hun godsdienstige plichten vervulden. Voorts had het R.K.P.A. als voorwaarde gesteld, dat de kinderen van bedeelde ouders naar één der armenscholen onder beheer van het R.K.P.A. gingen en er werd op toegezien, dat deze plicht werd nagekomen door het schoolverzuim te controleren. Bovendien diende het zedelijk gedrag der bedeelden geen aanstoot te geven: aan dronkaards, luiaards etc. werd geen bedeling gegeven. Het R.K.P.A. had een aantal armbezoekers in vaste dienst, die dagelijks bij de bedeelden op bezoek gingen om toe te zien op de naleving der godsdienstige en zedelijke plichten. De bedeling vond wekelijks plaats en geschiedde meestal in de vorm van brood en geld. Bij voorkeur werd echter met brood bedeeld: het R.K.P.A. had een eigen bakkerij, die hiervoor het nodige brood verschafte. In bepaalde gevallen werden ook andere artikelen als kleding en beddegoed uitgereikt. Kraamvrouwen hadden het recht op een extra bedeling. Soms kwam het voor dat een grote partij van die artikelen als gift werd ontvangen om onder de armen verdeeld te worden. Voorts kende het R.K.P.A. het onderscheid tussen winter- en zomerbedeling: sommige armen kwamen wel in aanmerking voor bedeling in de winter maar niet voor die in de zomer. Jaarlijks, rond de eerste april na de winterbedeling gingen enkele leden van het R.K.P.A. alle in de registers vermelde bedeelden langs. Dit werd de Algemene Revue genoemd. De bevindingen werden in registers opgetekend. Deze bevatten een schat aan gegevens omtrent behuizing, gezondheid etc. van de R.K. paupers van Rotterdam. Veranderingen, eind 19e/begin 20e eeuw In de 90-er jaren van de 19e eeuw was het R.K.P.A. in grote financiële moeilijkheden geraakt. Op de begrotingen kwamen aanzienlijke tekorten voor. Dit was te wijten aan daling van de opbrengst der landerijen en vermindering van de overige bronnen van inkomst. Daar kwam nog bij, dat de weeshuizen aan de Schiedamsedijk niet langer voldeden wegens de slechte behuizing en de te groot wordende weeshuizenbevolking. De Algemene Vergadering had daarom op 21-4-1891 besloten tot aankoop van een bouwterrein tussen de West Kruiskade en de Binnenweg. Hiermee was een bedrag gemoeid van f 100.500,-. Vanwege de rentederving betekende dit een extra zware financiële last. Bovendien was in juni 1892 aan het licht gekomen, dat de directeur van het bureau gefraudeerd had, waardoor het R.K.P.A. voor een bedrag van f 22.000,- was benadeeld. Aan deze zaak heeft men geen ruchtbaarheid gegeven, naar mijn idee om toekomstige legateurs en begunstigers niet af te schrikken. Zoals de zaken stonden moest er dringend worden gesaneerd. Daarop heeft het R.K.P.A. met de bisschop en de vicaris-generaal uitgebreid overleg gevoerd omtrent de middelen, waarmee de problemen zouden kunnen worden opgelost. Dit was des te dringender omdat vanwege de financiële moeilijkheden met de bouw der nieuwe weeshuizen geen begin kon worden gemaakt. Het R.K.P.A. kwam tot de conclusie, dat het onderwijs afgestoten moest worden. Als men bedenkt, dat op de begroting voor 1893 de uitgaven voor het onderwijs geraamd waren op f 23.700,- en het tekort begroot werd op f 24.000,-, dan was het voorstel van het R.K.P.A. zeker het overwegen waard. In afwachting van een besluit van de bisschop in deze was het R.K.P.A. reeds in overleg getreden met de Vereniging voor Katholiek onderwijs om te trachten aan die instelling het onderwijs over te dragen. De bisschop beschikte echter anders. Hij bepaalde, dat de bedeling aan het R.K.P.A. zou worden onttrokken en opgedragen aan nieuw op te richten parochiale armbesturen. Het heeft het R.K.P.A. zeer teleurgesteld dat het werd geplaatst voor een oplossing, die niet de zijne was, maar het heeft zich er tenslotte bij neergelegd. De bisschop heeft de nadere uitwerking van zijn besluit aan de deken van Rotterdam overgelaten en deze is tenslotte op 11-7-1893 met het R.K.P.A. tot een vergelijk gekomen. Met invoering van de nieuwe regeling werd gewacht tot na de winterbedeling van 1893/1894. Zij trad in werking op 18-3-1894. De klachtvergadering had nu zijn bestaansrecht verloren; zij kreeg een andere functie. Voortaan hield zij zich bezig met de opname van wezen en oude lieden in de weeshuizen. Voorts werd het ledental van het R.K.P.A. verminderd doordat een belangrijk deel van zijn werkterrein was weggevallen. Een en ander heeft er toe geleid, dat de financiële moeilijkheden, waarmee het R.K.P.A. te kampen had, inderdaad verminderden, maar het beschikte nog niet over voldoende liquide middelen om de bouw van de nieuwe weeshuizen aan te vangen. Daarom werd besloten eerst het voormalig Houttuins weeshuis met enige naburige panden te verkopen. Later werden de oude weeshuizen verkocht, welke uiteindelijk f 138.257,75 opbrachten. De kosten van de bouw van de nieuwe weeshuizen waren begroot op f 389.900,-. Na de lange vertraging vanwege de financiële moeilijkheden kon hiermee eindelijk worden begonnen, toen een kapitale gift van f 100.000,- van een onbekende was binnengekomen. Op 18-4-1901 werd de eerste steen gelegd en op 25-8-1902 vond de plechtige inzegening door de deken van Rotterdam plaats. Nu dan tenslotte de bouw van de nieuwe weeshuizen achter de rug was, kon een aanvang worden gemaakt met de verbouwing van het scholencomplex aan de Lange Warande. Reeds in 1897 had de onderwijscommissie van het R.K.P.A. hiervan de urgentie bepleit, vanwege nodig geworden technische verbeteringen, te verrichten reparatiewerkzaamheden en aanleg van gaslicht. Het R.K.P.A. had echter besloten hiermee te wachten tot de nieuwe weeshuizen zouden zijn opgeleverd. Op 3-7-1905 werd een begin gemaakt met de verbouwing en op 27-12-1905 werd het nieuwe scholencomplex aan de Lange Warande in gebruik genomen. Ontwikkelingen tussen de wereldoorlogen In tegenstelling tot de financiële moeilijkheden in de jaren kort voor de eeuwwisseling verkeerde het R.K.P.A. na de eerste wereldoorlog in een aanmerkelijk gunstiger positie. Zo was er in de 20-er jaren een overschot op de begroting en daar dit gegeven natuurlijk uitlekte werd het R.K.P.A. van de zijde van andere Rooms Katholieke instellingen regelmatig als geldschieter aangezocht voor omvangrijke leningen. In deze periode heeft het werkterrein van het R.K.P.A. een belangrijke wijziging ondergaan. Op het gebied van het onderwijs werd het accent langzaam verlegd van het armenonderwijs naar het buitengewoon lager onderwijs. Hoewel de meningen hierover binnen het R.K.P.A. aanvankelijk verdeeld waren, werd hier toch voor gekozen, toen bleek dat het leerlingenaantal van de armenscholen belangrijk afnam. Dit teruglopen was voor een groot deel te wijten aan het feit, dat langzamerhand in de maatschappij het volgen van armenonderwijs als minderwaardig werd beschouwd. Bovendien was aan subsidie van de zijde van de gemeente de voorwaarde verbonden van een minimum van 25 kinderen per school. Als uitvloeisel van genoemde verschuiving werd op 12-4-1926 de R.K. St. Theresia meisjesschool voor B.L.O. geopend en ondergebracht in het scholencomplex 'Concordia'. Op 15-7-1930 vond de opening van een zelfde school voor jongens plaats, eveneens gehuisvest in 'Concordia'. Het R.K.P.A. overwoog nu zelfs deze trend voort te zetten door het gehele gewone lager onderwijs af te schaffen en zich te concentreren op het buitengewoon lager onderwijs. Hiermee werd een aanvang gemaakt met de opheffing op 1-11-1934 van de school voor gewoon lager onderwijs aan de West Kruiskade. Ook op het gebied van de wezen- en oude liedenzorg kan in deze periode een verschuiving in het werkterrein van het R.K.P.A. worden waargenomen, zij het dat hier meer sprake is van een belangrijke aanvulling. Zo werden in de Algemene Vergadering van 13-12-1921 voor het eerst besprekingen gehouden omtrent het inrichten van een tehuis voor kosteloze opname van gehuwde armlastige oude liedenparen. Besloten werd het terrein aan de Gouvernestraat, gelegen naast de weeshuizen aan de West Kruiskade en in eigendom van het R.K.P.A., met een dergelijk tehuis te bebouwen. Het tehuis moest de capaciteit hebben om aan 25 echtparen onderdak te verlenen. De bouw werd voor een bedrag van f 53.645,- opgedragen aan de Rotterdamse Aannemers Maatschappij. Reeds op 4-10-1922 werd de eerste steen gelegd en op 23-9-1923 werd het plechtig ingewijd. Het kreeg de naam St. Mattheushuis. Ontwikkelingen na 1940 Wat betreft de beschrijving van de geschiedenis van het R.K.P.A. tijdens de tweede wereldoorlog en daarna moet ik kort zijn, omdat het archief over deze periode slechts ten dele in bewaring is gegeven. Om te beginnen werd door het bombardement van mei 1940 het scholencomplex 'Concordia' met de grond gelijk gemaakt en gingen ook andere panden van het R.K.P.A. verloren. Gelukkig bleven de weeshuizen aan de West Kruiskade voor het oorlogsgeweld gespaard. De ruimten die in deze gebouwen beschikbaar waren werden daarop ingericht voor het onderwijs. Zo kwam het dat nagenoeg alle activiteiten van het R.K.P.A. tijdens de oorlog in deze gebouwen geconcentreerd werden. Na de oorlog werd het buitengewoon lager onderwijs in noodgebouwen ondergebracht, waar dikwijls onder erbarmelijke omstandigheden onder grote inzet der leerkrachten gewerkt moest worden * . Doordat overheidssubsidies voor nieuwe huisvesting lang op zich lieten wachten, heeft het nog geruime tijd geduurd, voordat in deze situatie verandering kwam. Wat betreft de wezen- en oude liedenzorg kan gezegd worden, dat met name de opvoeding der wezen verandering had ondergaan. De strenge dicipline uit de 19e eeuw had plaats gemaakt voor een soepeler opvoeding, die meer aan de tijdsomstandigheden was aangepast. In 1950 werden de verschillende facetten van het werkterrein van het R.K.P.A. aan aparte stichtingen toevertrouwd, waarbij het R.K.P.A. een overkoepelende taak kreeg toebedeeld. Aangenomen mag worden, dat het sterk toegenomen werk dat op de schouders van het R.K.P.A. kwam te rusten hierbij een rol heeft gespeeld. Tenslotte is het R.K.P.A. op 1 januari 1966 opgeheven en opgevolgd door het Sint Laurens-instituut.
1. DE PAROCHIE 1.1. Oprichting, grondgebied In de parochie Tilburg (H. Dionysius) - ressorterend onder het vicariaat van 's-Hertogenbosch, maar bediend door priesters van de Norbertijnenabdij van Tongerlo - bestonden sinds de 17e eeuw twee schuurkerken. Voor het noordelijk deel van de parochie diende de kerk in het Goirke; daar bevond zich ook de pastorie van de norbertijnen. Vandaaruit werd een tweede kerk - gelegen in de buurtschap het Heike - bediend voor de parochianen van de wijken Oerle, Broekhoven, Korvel, Laar, Berkdijk, Kerk en Heuvel. Begin 1797 werd door 173 parochianen namens de ruim 3000 'zielen' van dit zuidelijk deel van de parochie een verzoekschrift ingediend bij de abt van Tongerlo om een al eerder geuite wens gerealiseerd te zien: de aanstelling van een afzonderlijke pastoor (en kapelaans) voor de kerk van het Heike. Met het aanbod van de abt om meer mankracht voor de zielzorg in Tilburg ter beschikking te stellen werd geen genoegen genomen. Er volgden moeizame onderhandelingen tussen de Norbertijnen en 'gecommitteerde' parochianen in verband met de plichten van de abdij die aan haar patronaats- en tiendrechten verbonden waren, zoals het levensonderhoud en de huisvesting van de parochiegeestelijken. Dank zij de steun die de parochianen kregen van de vicaris werd een overeenstemming bereikt: de abt zou voortaan geestelijken ter beschikking stellen voor een zelfstandig pastoraat en twee kapelaniën op het Heike, elk met een jaarlijkse uitkering uit de tiendbelasting; de parochianen zouden voor geschikte huisvesting zorgen. Met ingang van 1 mei 1797 werden door de vicaris van 's-Hertogenbosch de door de abt voorgedragen geestelijken aangesteld en de parochie St. Dionysius-Heike canoniek opgericht. De nieuwe parochie omvatte de wijken die van oudsher op de schuurkerk van het Heike waren aangewezen. De wijken Korvel, Laar en Berkdijk, en het noordelijk deel van Oerle werden per 1 januari 1852 van de parochie Heike afgescheiden: op die datum werd de kerk van de 'dochterparochie' Korvel in gebruik genomen. Een tweede afsplitsing volgde in 1873 met de totstandkoming van de parochie Heuvel die o.a. de wijk Heuvel, de wijk Loven (waaronder delen van het latere Koningshoeven) en grote delen van Veldhoven (tot aan Gasthuisstraat-Lange Nieuwstraat) omvatte. Bij die gelegenheid werd ook de tot dan toe nooit precies omschreven grens tussen de parochies Heike en Goirke na lang onderhandelen van betrokken geestelijken vastgesteld: in westelijke richting vanuit de fraterskerk aan de Gasthuisstraat: via de spoorlijn Tilburg-Breda, de (latere Boomstraat) en de spoorlijn Tilburg-Turnhout tot op 100 m. van de Bredaseweg; de huizen aan de Bredaseweg vanaf het kerkhof in westelijke richting werden bij die gelegenheid overigens aan de parochie Korvel toegevoegd. Bij herderlijke brief aan de parochianen dd. 31 mei 1898 werd de derde dochterparochie opgericht in de Noordhoek. Het noord-westelijk deel van de parochie, ten noorden van de lijn Willem II-straat-Karrestraat etc. t/m de Vincentiusstraat, werd daarmee afgescheiden. In 1917 werd op last van het bisdom nog aan de parochie Noordhoek afgestaan het blok Willem II-straat-Poststraat-Karrestraat. In 1913 werd uit delen van de parochies Heike en Heuvel de parochie Broekhoven I gevormd. Een gedeelte van de Koningswei dat tot dan toe bij de parochie Heuvel behoorde, werd bij die gelegenheid aan de parochie Heike toegevoegd. Tenslotte werd in 1921 de zuidwesthoek tussen Veestraat en Nieuwstraat deel van de toen opgerichte parochie Trouwlaan. De zuidgrens van het Heike wordt sindsdien gevormd door Primus v. Gilsstraat-Veestraat-Den Haenstraat; het was de laatste wijziging van het grondgebied van de parochie. Met ingang van 1 januari 1971 hield het Heike, dat toen nog slechts ca. 1700 parochianen telde, op te bestaan als zelfstandige parochie: met de buurparochies St. Anna (noot 86: De parochie St. Anna, een afscheiding van de parochie Korvel, was opgericht in 1899. Tot deze nieuwe buurparochie behoorde sindsdien het bovengenoemde deel van de Bredaseweg.) en Noordhoek ging zij op in de parochie Binnenstad die bij herderlijke brief van 23 december 1970 was opgericht. De parochie Heike behoorde tot 1865 tot het dekenaat Hilvarenbeek, van 1865 tot 1872 tot het dekenaat Oirschot. In 1872 werd voor de parochies van de stad Tilburg een afzonderlijk dekenaat gevormd (in 1896 uitgebreid met de parochie Goirle). 1.2. Pastoraat Het pastoraat van het Heike bleef in handen van de Norbertijnen tot 1832; de pastoors Beke en Duchamps waren tevens prior van de verspreide kloosterlingen van de door de Franse regering opgeheven abdij van Tongerlo. Apostolisch vicaris A. van Alphen, die de patronaatsrechten van Tongerlo door het concordaat van 1801 als vervallen beschouwde, benoemde vanaf 1817 priesters van het vicariaat op de openvallende parochieposten. Een der eerste 'wereldheren' op het Heike was J. Zwijsen als assistent in 1818, die overigens nog in hetzelfde jaar secretaris van de vicaris (en tevens kapelaan) te Schijndel werd. Na het overlijden van pastoor Duchamps in 1832, werd Zwijsen - inmiddels pastoor te Best - tot diens opvolger benoemd. Duchamps had, als prior nooit bezwaar gemaakt tegen de benoeming van seculieren op vrijgekomen 'norbertijnenposten', maar zijn opvolger wilde de patronaatsrechten van de ontheemde kloosterlingen zoveel mogelijk doen gelden en Rome liet kort na de benoeming van Zwijsen aan apostolisch vicaris H. Den Dubbelden weten dat de kerkelijke rechten van de civiel opgeheven abdijen gehandhaafd dienden te blijven. De vicaris vond echter voldoende argumenten om de vervanging van de reguliere door seculiere zielzorgers zonder grote moeilijkheden door te zetten. In 1856 besloot Rome de toen bestaande toestand kerkrechtelijk te legaliseren. Kort na de benoeming van Zwijsen werd de functie van assistent omgezet in een derde kapelanie. De pastoor besloot toen om het plan voor de bouw van een nieuwe pastorie, waarvoor het kerkbestuur al in 1810 grond had aangekocht, door te voeren. In 1834 betrokken de geestelijken de nieuwe "in hoofdzaak door pastoor Zwijsen ontworpen" (noot 89: Aldus J.A. van Spaendonk in zijn Herinneringen aan mgr. Zwijsen huisvesting (thans pastorie van de parochie Binnenstad). Het aantal kapelaans werd uitgebreid tot vier in 1842. In dat jaar werd pastoor Zwijsen tevens coadjutor van de apostolisch vicaris (noot 90: Hij wordt in de stukken dan ook wel aangeduid met de daaraan verbonden titulaire waardigheid van 'bisschop van Gerra', of kortweg 'mgr. (monseigneur)'.) en vanaf 1851 zelf vicaris, later bisschop, van 's-Hertogenbosch. Hij resideerde in de pastorie van het Heike tot 1 mei 1854, toen hij het pastoraat overdroeg aan kapelaan J. van Schijndel, die vanaf 1851 als plaatsvervangend pastoor was opgetreden. J. van der Lee, sinds 1849 kapelaan, was al door bisschop Zwijsen bestemd tot (bouw) pastoor van een nieuwe parochie toen hij vanaf februari 1871, tijdens de ziekte en na het overlijden van pastoor Van Schijndel, het pastoraat van het Heike moest waarnemen. Nadat onder zijn leiding door de parochie Heike in 1873 de parochie Heuvel was opgericht, werd Van der Lee alsnog aangesteld tot pastoor van het Heike (noot 91: Belangrijke bronnen voor de kennis van de parochie en de stedelijke cultuur in de 19e eeuw zijn het al in noot 3 genoemde 'dagboek' dat Van der Lee in 1872 aanlegde (in eerste instantie om de gang van zaken bij de oprichting van de Heuvelparochie vast te leggen) en vooral het later door hem zo genoemde eerste dagboek, in 'Annalen der H. Familie' (inv. nr.m 10 van archiefnr. 521) die hij als secretaris van dit kerkelijk genootschap schreef.) F.L. van Oort was vanaf het begin van zijn pastoraat (1956) tot 1969 tevens deken van het dekenaat Tilburg en Goirle. Na experimenten, in de jaren '60, met samenwerkingsverbanden van priesters van verschillende parochies, de zgn. pastorale 'rayons', besloot de bisschop bij schrijven van 14 januari 1970, het autonome parochiepastoraat te vervangen door rayonteams. In juli van dat jaar werd de officiële start afgekondigd van deze gecentraliseerde zielzorg voor de parochies Heike, St. Anna en Noordhoek (rayon Binnenstad). Het priesterteam werd gehuisvest in de pastorie van het Heike. 1.3. Kerkbestuur Voor het kerkbestuur en het beheer van het parochievermogen tot ca. 1930 geldt mutatis mutandis wat daarover vermeld is met betrekking tot het Goirke. Hoewel de regenten voor de invoering van het Algemeen Reglement op de Parochiale Kerkbesturen (1854) nog niet door de apostolisch vicaris benoemd werden, was deze sinds 1797 wel betrokken bij de samenstelling van het college. Door de initiatiefnemers van de oprichting van de parochie was tevergeefs gepoogd een democratische verkiezing in te voeren, de vier regenten van de voormalige parochie Tilburg (waarvan twee vanwege de schuurkerk van het Heike) en de pastoors van de inmiddels ontstane twee parochies hielden zich echter aan de bestaande gewoonte. Op 7 juli 1797, na de scheiding en deling van kapitaal tussen parochie Goirke en de parochie Heike, werden - onder protest van parochianen, maar "met voorkennisse en aanraad van de vicarius" - door pastoors en kerkregenten voor elke parochie nog twee regenten aangesteld. Sindsdien werd de keuze van nieuwe leden ter goedkeuring voorgelegd aan de vicaris. Van de bestuursvergaderingen van vóór 1854 zijn geen notulen bewaard gebleven. Wel is b.v. bekend dat "in de vergadering der regenten" (o.w. de pastoor) van 22 maart 1829 was besloten om "voortaan alle besluiten die van eenig belang kunnen zijn in eenen bijzondere register" aan te tekenen; bij die gelegenheid werd regent F. Suijs daartoe als secretaris aangesteld. Er zijn echter slechts drie afzonderlijk door pastoor Zwijsen vastgelegde bestuursbesluiten (betreffende het gasthuis en het weeshuis) en de besluitenlijst van een vergadering in 1853 in het parochiearchief aangetroffen. De boekhouding werd van ca. 1896 tot ca. 1936 volledig door de pastoors verzorgd. "Duistere punten ... in de boekhouding" noopten de pastoor in 1937 een boekhoudkundige, A. van der Aa, in te schakelen, die het jaar daarop wordt aangesteld tot financieel administrateur van het kerkbestuur. Vanaf 1946 werd de financiële administratie van parochies, w.o. die van het Heike, verzorgd door een centraal 'Parochiebureau' in samenwerking met de pastoor. In september 1950 al zegde het kerkbestuur het 'lidmaatschap' op en werd van der Aa weer aangesteld, ditmaal in een gesalarieerde functie, vanaf 1952 als penningmeester van het kerkbestuur. De financiële administratie van kerkdiensten wordt vanaf eind 1949 door de pastoor (of een kapelaan) gedaan. In 1957 wordt voor overige administratie, zoals die van het kerkhof, een parochiesecretaresse aangetrokken. De pastoor trad in de praktijk veelal ook op als secretaris, inclusief als notulist van de vergaderingen (1940-1955). Eerst in 1956 werd ook het secretariaat weer een volwaardige functie, overigens gecombineerd met het penningmeesterschap. Behalve de notulen verzorgde deze functionaris sindsdien ook de dagelijkse correspondentie. De gevolgen voor de kerkfinanciën van de ontvolking van de binnenstad en toenemende ontkerkelijking in de jaren '60 noopten het bisdom tot centralisering van het beheer van kerkelijke gebouwen en financiën en tot sluiting van overtollig geworden kerkruimte. Daartoe besloot het bisdom o.a. de bestaande parochiale kerkbesturen te vervangen door één kerkbestuur voor alle parochies van een rayon. De parochies van het rayon Heike-Noordhoek-St.Anna kozen voor een andere oplossing. Het voorstel van een interim-commissie van leden van de drie kerkbesturen, in overleg met het bisdom, om per 1 januari 1971 een nieuwe parochie op te richten voor het gehele grondgebied van de drie oude parochies die daarmee zouden ophouden te bestaan, leidde tot de oprichting van de parochie Binnenstad, waarvan het kerkbestuur werd gevormd door twee leden van elk der oude besturen. 1.4. Kerkgebouw en kerkhof De schuurkerk in het Heike deed dienst als parochiekerk tot 1829. De oude parochiekerk van Tilburg, gelegen in het centrum van de parochie Heike, was in 1633 door de overheid ter beschikking gesteld van de gereformeerde gemeente. Vanaf 1795 hadden katholieken pogingen gedaan dit gebouw weer in het bezit te krijgen. Het positieve besluit dienaangaande van de Eerste Kamer in 1801 bleef door de verandering van de staatsregeling in september van dat jaar zonder gevolg. Met een rekest aan de koning werd in 1807 een nieuwe poging ondernomen. Bij Koninklijk Besluit van 4 mei 1809 werd bepaald dat voor de hervormde gemeente een nieuwe kerk zou worden gebouwd, waarna de katholieken over de oude kerk zouden kunnen beschikken. Voor de uitvoering van die besluiten moesten de parochianen opnieuw in het geweer komen. Hun commissie werd echter in 1814 door Gedeputeerde Staten verwezen naar de geëigende instantie om verzoeken tot restitutie in te dienen: pastoor en kerkregenten. Deze stonden, in de lijn van de apostolisch vicaris, op het standpunt dat de regering, die tiendheffer was geworden en dus de plicht had tot onderhoud van de kerk, de teruggave gepaard diende te laten gaan met een subsidie om het slecht onderhouden gebouw geschikt te maken voor de katholieke kerkdiensten. Bij Koninklijke Besluiten van 19 november 1821 en 1 april 1825 werden de restitutie (per 1 januari 1823) en de subsidiëring geregeld. In 1827-1829 werd de kerk vervangen door nieuwbouw, met uitzondering van de toren, die eigendom van het gemeentebestuur was gebleven. Een in de parochie al lang bestaande behoefte aan een representatiever kerkgebouw leidde in 1894 tot het besluit om de voorgevel te verbouwen. Daartoe werd, in dat jaar, de toren met uitzondering van het uurwerk door het gemeentebestuur overgedragen aan het kerkbestuur. Vanaf 1832 beschikte de parochie over een eigen kerkhof, waarvan ook de parochies Noordhoek (1897) en Gasthuisstraat (1917) gebruik maakten. Sinds 1952 wordt het beheer van het kerkhof van het Heike, later van de parochie Binnenstad, behartigd door een commissie, waarvan twee kerkbestuursleden lid zijn. Op voorstel van de commissie besloot het kerkbestuur in 1957 de exploitatie meer rendabel te maken door ook de parochie St. Anna van het kerkhof gebruik te laten maken. 1.5. Scholen 1.5.1. Onderwijs voor meisjes (zustersscholen) Voor het door pastoor Zwijsen opgestarte onderwijs aan arme meisjes liet het kerkbestuur in 1833 een schoolgebouw met twee lokalen bouwen aan de Oude Dijk. Dank zij een ruime financiële bijdrage van een der leden (G. Bogaers) kon men een jaar later bij de school een klooster laten bouwen voor de Congregatie der Zusters van Liefde, die - aanvankelijk met lekenhulp - het onderwijs verzorgden. De zusters waren daarvoor - ook in financiële aangelegenheden - verantwoording schuldig aan pastoor Zwijsen, die tot het einde van zijn pastoraat de leiding van het klooster hield. Het kerkbestuur is nooit als bestuur van de meisjesschool opgetreden. Wel bleven de school- en kloostergebouwen voorlopig (tot 1871) eigendom van het kerkbestuur. Volgens een overeenkomst met de zusters in 1838 zouden de kosten van het onderwijs gedragen worden "uit de fondsen der school"; in ieder geval is het meisjesonderwijs na de eerste jaren vrijwel niet meer ten laste van de kerkekas geweest. Op grond van een bepaling bij de oprichting van de parochie Korvel (1850) - die later ook voor de parochie Heuvel gold - konden de meisjes van de 'dochterparochie' gebruik blijven maken van de scholen aan de Oude Dijk totdat het kerkbestuur van Korvel in 1891 een eigen zustersschool oprichtte (waartoe door de bisschop, met een beroep op genoemde bepaling, van het kerkbestuur van het Heike een financiële bijdrage werd geëist). De meisjes uit de parochie Heuvel (1874) konden de bewaarschool en de school voor l.o./m.u.l.o in 1908, resp. 1912 ontruimen. 1.5.2. De armenschool In 1844, en opnieuw in 1846, hadden de pastoors van het Heike en het Goirke van het gemeentebestuur toestemming gekregen voor oprichting van bijzondere scholen 'der 1e klasse voor arme en minvermogende jongens'. Eind 1849 had Zwijsens fraterscongregatie pas voldoende leden om met het onderwijs te beginnen en beschikte het kerkbestuur van het Heike, daarbij gesteund door de Conferentie van de Vincentiusvereniging, over de middelen voor het bouwen van de school, die in 1850 officieel geopend werd als St. Vincentiusschool (aan de later zogenoemde Schoolstraat). Het schoolbestuur werd gevormd door het kerkbestuur, dat zijn taak vrijwel beperkte tot het beheer van de schoolgebouwen, financiering van leermiddelen. Zaken betreffende het onderricht, de discipline etc. werden aan de Congregatie der Fraters (aanvankelijk in feite pastoor Zwijsen) overgelaten. Later werden door het kerkbestuur formele overeenkomsten met de fraters aangegaan; het oudst vermeld gevonden is het ("nieuw") contract van 1891, n.a.v. de toekenning van rijkssubsidie aan de bijzondere scholen. In 1908-1910 werd de Vincentiusschool vervangen door de grotere St. Josephschool, nieuw gebouwd op een daartoe door het kerkbestuur gekocht terrein aan de Oude Dijk. Behalve als 'armenschool' o.i.d., werden deze scholen ook wel aangeduid als 'parochieschool' (in onderscheid met de St. Denisschool). Bij de afsplitsing van nieuwe parochies was bepaald dat deze gebruik konden blijven maken van de parochiescholen van het Heike, zolang het eigen kerkbestuur nog niet over een school beschikte. In 1868 zag het kerkbestuur van het Heike zich genoodzaakt een begin te maken met de bouw van een school in de parochie Korvel (1850), zodat althans de eerste twee klassen van de overvolle jongensschool ontlast konden worden. Pas in 1885, toen het kerkbestuur weigerde nog kinderen van Korvel op te nemen, voltooide het kerkbestuur van Korvel zijn jongensschool en werd het onderwijs van beide parochies geheel gescheiden. Bij de oprichting van de parochie Heuvel (1874) werden wederzijdse rechten en plichten m.b.t. de school uitvoeriger vastgelegd, evenals later bij de oprichting van de parochie Noordhoek (1897). In 1886 konden de leerlingen uit de Heuvelparochie naar een eigen parochiële fratersschool. Het kerkbestuur van de Noordhoek (H. Hart) kreeg in 1910 een eigen jongensschool, toen het Heike de gebouwen van de voormalige St. Vincentiusschool aan de 'dochterparochie' overdroeg. 1.5.3. Burgerschool St. Denis De oprichting van een katholieke school voor (lager en) meer uitgebreid lager onderwijs werd in 1875 door het kerkbestuur aan de orde gesteld. Er bleken echter geen fraters voor beschikbaar en pastoor van der Lee "vreesde voor leekenonderwijs". Uiteindelijk liet de pastoor de uitvoering van het plan over aan de overige bestuursleden, die - als 'commissie' - het schoolbestuur zouden vormen; in de beginfase van de oprichting beperkte hij zijn medewerking tot het aanbevelen van een collecte. De ruime opbrengst daarvan en de schenking van een bouwterrein aan de Antoniusstraat door A.A. Bogaers, kon in 1878 in een nieuwgebouwde school het onderwijs, met 180 leerlingen en 5 lekenonderwijzers, beginnen. Deze school stond in principe open voor kinderen van alle parochies. Toen er moeilijkheden ontstonden met het schoolhoofd en deze eind 1882 ontslag vroeg, waren de fraters inmiddels in staat en bereid om het onderwijs over te nemen, te beginnen met twee klassen, volgens een overeenkomst dd. 15 augustus 1882, waarbij o.a. "de regeling van het onderwijs" en het schoolgeld (vanaf 1891 ook de rijkssubsidie) aan de fraters gelaten werden. Het kerkbestuur belastte zich met het materile beheer (m.u.v. de leerboeken) en met het regelen van de toelating van kinderen uit andere parochies. In 1895 vestigden de fraters die aan de school verbonden waren zich in de Antoniusstraat, in het zgn. schoolhuis, dat vroeger bewoond werd door het hoofd. Volgens het contract, in dat jaar vernieuwd, bleven het schoolgebouw en het 'fraterhuis', eigendom van het kerkbestuur, dat in 1898 een kloosterkapel liet bijbouwen. Voor buitenschools jeugdwerk werd in 1906 de bovenverdieping van het schoolgebouw ingericht tot patronaat. Toen de fratercongregatie in 1917 besloot het patronaatswerk, met uitzondering van het inmiddels daaraan verbonden avondonderwijs, af te stoten, werden de jeugdlokalen omgebouwd tot klaslokalen voor de 'handelsavondschool' (later handelsulo voor het zuiden van de stad). 1.5.4. Mgr. Zwijsenschool voor b.l.o. In 1924 vond de Inspectie voor het lager onderwijs het kerkbestuur van het Heike bereid gelegenheid te bieden "om de gewone lagere scholen der stad van ca. 50 achterlijke jongens te ontlasten". In september 1925 werd in enkele leegstaande lokalen van de parochieschool aan de Oude Dijk de 'mgr. Zwijsenschool voor b.l.o.' geopend voor kinderen van alle gezindten. Het onderwijs werd gegeven door de fraters, met wie het kerk(-school)bestuur daartoe een overeenkomst had gesloten, waarin o.a. bepaald was dat de 'superior' van de fraters de secretariaatswerkzaamheden m.b.t. de school zou behartigen. Per 1 januari 1953 droeg het kerkbestuur het bestuur van de b.l.o.-school over aan de fraters. De lokalen, die eigendom bleven van de parochie, deden nog tot 1956 als zodanig dienst. 1.5.5. De scholen na 1955 Oorlogsschade aan de parochieschool (Oude Dijk) en behoefte aan een afzonderlijke accommodatie voor het patronaats- of jeugdwerk, werden ca. 1950 aanleiding tot plannen om het jongensonderwijs in de parochie te reorganiseren, zó dat de schoolgebouwen van de St. Dionysius- of Denisschool (Antoniusstraat) vrij zouden komen voor andere doeleinden. Nadat het kerkbestuur er eindelijk in geslaagd was de jongensschool aan de Oude Dijk geheel te laten renoveren en uitbreiden, werden daarin in 1956 de St. Josephschool en de lagere school van de Antoniusstraat samengevoegd tot St. Dionysius- (of Denis-)school Oude Dijk. De 'handelsulo' bleef eveneens St. Dionysius-(of Denis-)school heten en werd gehuisvest in een pand van het kerkbestuur in de Bisschop Zwijsenstraat. Toen deze school in 1963 experimenteerschool voor m.e.a.o. werd, droeg het kerkbestuur het bestuur van de school over aan een afzonderlijk schoolbestuur (waarin overigens aanvankelijk twee leden van het kerkbestuur zitting hadden). Voortdurende daling van het aantal leerlingen leidde in 1965 tot een nieuwe fusie van het lager onderwijs in de parochie: de jongensschool van het kerkbestuur en de meisjesschool van de Congregatie der Zusters van Liefde vormden vanaf dat jaar "de ene gemengde parochiale lagere school" onder de leiding van het hoofd (frater) van de jongensschool. De helft van het achttal personeelsleden bestond toen uit leken. Ondertussen werd door het kerkbestuur, m.n. het lid J. Pontzen, - speciaal belast met zaken betreffende het beheer van de scholen - een afzonderlijk schoolbestuur geformeerd en ondergebracht in een stichting, waaraan m.i.v. 1 januari 1966 alles wat op de parochiële jongensschool betrekking had gehad werd overgedragen.
De inwoners van Made vielen niet alleen op bestuurlijk gebied onder Geertruidenberg, maar ook op kerkelijk gebied. Waren zij op de kerk in die stad aangewezen. Aan het begin van de 16e eeuw was het bevolkingsaantal zo toegenomen dat de bouw van een kapel te Made mogelijk werd. In 1512 verrees aldaar een kleine bijkerk van Geertruidenberg, die toegewijd werd aan deH. Maagd Maria en later aan de H. Adrianus. Een kapelaan uit Geertruidenberg deed er op zon- en feestdagen diensten. In 1519 stond er in de kapel nog slechts een draagbaar altaar. In afwijking van de regel dat een altaar geheel van steen en vastgemetseld diende te zijn, was dit een houten altaar met een losse steen. Het toedienen van de sacramenten zoals doop en huwelijk mocht niet in de kapel gebeuren, daarvoor bleven de parochianen aangewezen op de kerk te Geertruidenberg, waarheen zij zich met de dopelingen dienden te begeven. Uit een in 1558 afgelegde verklaring door de priester Peter de Wolf en enkele anderen blijkt dat de kapel niet over een doopvont beschikte. Met de pasgeboren kinderen moesten de Madenaren naar Geertruidenberg en dat ondanks stormen, dijkbreuken, inundaties of sneeuwstormen. Het is toen voorgekomen dat borelingen tengevolge van het koude weer en de emoties onderweg overleden. Ook gebeurde het wel eens dat een baker met een pasgeborene op de arm over een sloot moest springen. De weg naar Geertuidenberg liep nog niet over de Steelhovensedijk, maar over de Rijakkers. Het is niet bekend of de in 1558 ingestelde pogingen om een doopvont in Made te krijgen gelukt zijn. De in 1512 gebouwde kerk stond op de plaats van de huidige Nederl. Hervormde kerk aan de Adellaan. Dat gebouw bevat nog wel bestanddelen uit die tijd. Tengevolge van oorlogshandelingen rond de vesting Geertruidenberg tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd de kapel zwaar beschadigd. Reeds in 1589 kon de katholieke eredienst er niet meer in uitgeoefend worden. Nadat Geertruidenberg in 1539 voorgoed in Staatse handen overgegaan was, werd het zelfs onmogelijk voor een priester openlijk diensten in dit deel van het gewest Holland te doen. Voor hun eredienst waren de Madese katholieken aangewezen op de kerken en de pastoors van de Brabantse parochies Oosterhout en Terheijden. De oorspronkelijke kapel te Made werd in 1609 herstelde en ter beschikking gesteld van de protestanten, die in 1610 hun eerste officiële predikant kregen. Dit geschiedde in de periode van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), dat de oorlogshandelingen onderbrak, maar waarbij in dit deel van Holland de laatst overgebleven pastoors moesten verdwijnen. In de Brabantse buurgemeenten duurde het nog tot de Vrede van Munster in 1648 eer ook daar de pastoors verdreven werden en de tot dan nog door hen gebruikte kerken aan de protestanten moesten overgegeven worden. Intussen was er in de Hollandse stad Geertruidenberg in 1645 een pastoor teruggekeerd, die oogluikend werd toegelaten door de stedelijke overheid, die er ook de inrichting van een schuurkerk duldde. Na dat jaar treft men in de boeken van de Bergse pastor nogal wat inschrijvingen van dopelingen uit Made en andere dorpen uit de wijde omgeving aan. Vermoedelijk was al in 1669 de in Oosterhout geboren priester Wijnant Olijslagers te Made om er de parochianen te gaan bedienen. Zijn parochie strekte zich uit over Made, Drimmelen en Standhazen, Hooge en Lage Zwaluwe en Moerdijk. Niet lang na zijn komst verrees een schuurkerk in de buurtschap van Made, die daaraan de naam Oude kerk heeft ontleend, namelijk aan de Kerkdijk en oude Kerkstraat, daar waar de weg van Zwaluwe naar Made liep. De vestiging van deze priester deed nogal wat stof opwaaien. De Madese predikant Samuel Pistorius klaagde in de Dordtse synode van 1671 dat “sekere mispaep Winant Olijslagers” het bestaan had in te kruipen in het dorp Made. Hierover was een schriftelijke klacht ingediend bij het stadsbestuur van Geertruidenberg, dat wel getracht had de voorschriften op dat punt te doen naleven, doch dat had weer tot gevolg gehad dat de predikant door “die van ’t Pausdom” niet alleen was bedreigd, maar ook werkelijk was beschadigd. Volgens de klachten van de predikant waren bomen op zijn erf afgehouwen, zijn vee losgemaakt en verdreven en zijn water vergiftigd. Hoewel over de moedwil en de “stoutichheden des Pausdoms” niet alleen te Made, maar ook te Breda en te Culemborg nog in de synodes van 1672 en 1673 geklaagd wordt, is de zaak niet meer teruggedraaid. De overheid had trouwens wel iets anders aan het hoofd na de inval van de Fransen in het rampjaar 1672. De Franse legers trokken in snel tempo op naar Utrecht een spoor van vernietigingen achterlatend. Nog jarenlang was de bevolking tot Franse contributies verplicht en als er niet snel betaald werd dan voerden de Fransen hun bedreigingen met brandschatting snel uit, zoals o.a. de inwoners van Dongen en ’s Gravenmoer in 1672 ondervonden. Ds. Pistorius overleed te Made in 1674. Sedert de komst van pastoor Olijslagers is de parochie Made blijven bestaan. De reden dat ook Drimmelen en Standhazen, Hooge en Lage Zwaluwe en Moerdijk daartoe behoorden was gelegen in het feit dat die dorpen ieder afzonderlijk niet in staat waren een parochiekerk te bouwen en een geestelijke te onderhouden. De schuurkerk toegewijd aan de H. Bernardus was een rechthoekige houten schuur bedekt met een rieten zadeldak van 12 x 13 Rijnlandse roeden (ruim 45 x ruim 11 meter). Een eeuw na de bouw voldeed deze kerk niet meer aan de behoeften. Het gebezigde materiaal maakt dat niet vreemd, maar ook het aantal parochianen in deze uitgestrekte parochie was zeer aanzienlijk toegenomen. Daar kwam nog bij dat ook bewoners van Stuivezand en Wagenberg zich voor de vervulling van hun zondagsplicht naar de Madese schuurkerk begaven. Veelal moesten talrijke kerkgangers de diensten buiten voor de deur van de kerk volgen. Om die redenen verzochten pastoor Berkmans en het Kerkbestuur in januari 1765 aan de overheid toestemming om de schuurkerk met een stenen aanbouw van 16 Rijnlandse voeten (ongeveer 5 m.) te mogen verlengen en dit nieuwe gedeelte te voorzien van een pannen dak met wolfseind. Na de ambtelijke molen doorlopen te hebben kwam de toestemming op 15 mei van dat jaar af, doch kort nadien overleed de pastoor. Zijn opvolger, Adriaan de Veth, aanvaardde het pastoraat van Made op 30 juli 1765. Terstond stelde hij openlijk pogingen in het werk om het bedehuis fraaier en hechter te maken en heimelijk trachtte hij ook een groter gebouw te maken. Vooral dat laatste leidde ertoe dat de overheid zich in haar wiek geschoten achtte en de parochie moest uiteindelijk genoegen nemen met het oorspronkelijke plan. In de tweede helft van 1766 ving de verbouwing aan, die voor half juli 1767 gereed kwam. Na de inspectie stemden de Gecommitteerden Raden van de Staten van Holland op 27 oktober 1767 in met de weder in dienst stelling van de schuurkerk, mits de noodkerk in een nabijgelegen schuur terstond gesloten zou worden. Intussen was het aantal katholieken in het Zwaluwse gedeelte van de parochie zo toegenomen, dat de behoefte aan de stichting van een eigen parochie aldaar meer en meer gevoeld werd. Reeds in 1768 stelden de Zwaluwse katholieken tevergeefs pogingen in het werk, doch hoewel de houding tegenover de katholieken en hun godsdienstuitoefening sedert het Hollandse plakkaat van 21 september 1730 wat soepeler geworden was, werd de stichting van nieuwe parochies niet toegestaan. De inwoners van de Zwaluwe haalden dus nul op hun rekest, ook bij de hernieuwde pogingen die zij in 1776-1777 deden. Na de opkomst van de eerste patriottenbeweging van 1780 tot 1787 wijzigde zich de opstelling van de patriottische regenten, die in Holland allengs de overhand kregen, tegen over de katholieken. De katholieken van Zwaluwe hebben van deze gunstige politieke situatie gebruik gemaakt en wisten ondanks verzet van verschillende zijden gedaan te krijgen dat hen de stichting van een eigen parochiekerk werd toegestaan. De kapelaan van made Matthijs van Hooff werd hun eerste pastoor, die in december 1787 zijn eerste mis in het nieuwe bedehuis te Zwaluwe celebreerde. Dit was enige maanden na de Restauratie van de Oranjegezinden, die echter de zaak niet meer hebben teruggedraaid. Pastoor de Veth, had zich aanvankelijk negatief opgesteld tegenover het Zwaluwse streven, vooral vanwege de te verwachten financiële consequenties. Nadat de gunstige besluiten voor de Zwaluwse parochiestichting genomen waren, wordt niets meer over een eventueel verzet van de pastoor vernomen, doch de overeenkomsten tussen beide parochies blijken voor Made niet onvoordelig te zijn uitgevallen. Voor de ingekrompen parochie Made stond de kerk nu wel erg uit het centrum en vooral voor de bewoners van Standhazen, Rijakkers en Voorstraat was de weg daarheen wel erg lang. Veel parochianen zullen het dan ook als een uitkomst beschouwd hebben, dat de schuurkerk op 5 juni 1795 door de bliksem getroffen werd en tot de grond toe afbrandde. De kerkmeesters reisden naar Den Haag om de overheid in kennis te stellen van het ongeluk en toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk te verzoeken. Vooral dit laatste was gemakkelijker omdat juist in 1795 de Fransen hun “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” hadden gebracht en overal de vroegere patriotten op het paard hielpen. Ook op bestuurlijk gebied had made zich in dat jaar losgemaakt van Geertruidenberg en had een eigen zelfstandig gemeentebestuur verkregen. Pastoor De Veth liet een nieuwe kerk bouwen op een plaats iets ten noorden van de huidige. Enkele parochianen hadden zich tegen deze plaats verzet en wilden een nieuwe kerk op de plaats van de afgebrande. Aangetoond werd dat een verzoek hiertoe mede door een aantal inwoners van omliggende gemeenten en zelfs door enkele protestanten ondertekend was. De nieuwe kerk gelegen aan de huidige Kerkstraat werd in 1796 door de Deken van Geertruidenberg ingezegend. Niet lang daarna kwam Made met de rest van het Hollandse gebied ten zuiden van de grote rivieren tot Brabant te behoren en werd de in 1795 ontstane gemeente in 1810 met die van Drimmelen verenigd. De in 1796 gebouwde kerk werd voor de groeiende parochie Made langzamerhand te klein. In 1841 werd het gebouw verfraaid en vergroot, maar ook dat bleek maar enkele decennia voldoende. In 1870 legde de neef van pastoor M. van de Zwaluw, de architect Jan Verheijen de fundamenten van de huidige kerk.. Het Rijk bood voor de nieuwbouw een subsidie van fl. 3.000,-- op voorwaarde dat het werk publiek zou worden aanbesteed onder toezicht van de genie. De architect achtte het meer gewenst dit aanbod niet aan te nemen, omdat het voordeliger zou zijn de kerk zonder subsidie in dagloon te laten bouwen. Hij had gelijk. De nieuwbouw werd in augustus 1871 ingewijd. Ter gelegenheid van het zilveren pastoraat van L. van Doremalen werd hem op 14 april 1024 door zijn parochianen een blijvende herinnering aangeboden in de vorm van een nieuw uurwerk in de toren en een luidklok en een angelusklokje. In 1936 werden het torentje en gedeelten van het kerkdak hersteld. Nog in hetzelfde jaar liet het Kerkbestuur 50 nieuwe kerkbanken tegen de zijwanden plaatsen naar het voorbeeld van de banken in de middengang. Het volgende jaar kreeg de kerk een lang verwachte verbetering n.l. de aanbouw vaan een doopkapel ten oosten aan de kerk en van een portaal met drie ingangen. De ene uitgang van de kerk had steeds tot veel gedrang aanleiding gegeven. De nieuwe doopvont kon pas op 8 maart 1938 in gebruik genomen worden. De ramen van de doopkapel en in de middengang van de kerk werden door de glazenier Toon Berg uit Dordrecht geleverd. Dezelfde die ook de 7 medaillons voor het parochiehuis in 1939 vervaardigde. Tijdens de Duitse bezetting zag het Kerkbestuur toch kans in 1941 – 1942 een centrale verwarming in de kerk te laten aanleggen. De oorlog berokkende de kerk de schade toen op bevel van de bezetter op 2 februari 1943 de grote klok uit de kerk gehaald en op 13 februari d.a.v. weggevoerd werd. Deze klok keerde niet terug. Het eveneens uit 1924 daterende angelusklokje mocht als alarmklok blijven hangen. Na de oorlog bracht een collecte voldoende op om B. Eijsbouts te Asten opdracht te geven een nieuwe klok te gieten. Deze werd op 7 december 1947 ingewijd. Reeds in 1935 bestonden er plannen een H. Hartbeeld in de parochie te plaatsen, waartoe de plaatselijke dokter Dr. J.H. Klijn het initiatief nam. Het grootste gedeelte van de benodigde gelden was bijeengebracht toen de oorlog roet in het eten gooide. De steen om het beeld te vervaardigen werd reeds in maart 1941 aangekocht, doch het duurde nog jaren eer de plannen verwezenlijkt konden worden. De initiatiefnemer, die intussen van zijn welverdiende rust was gaan genieten, overleed 31 januari 1945 te Dolder, doch zijn plan is uitgevoerd. Op zondag 20 juli 1948 vond de intronisatie van het H. Hartbeeld op de hoek van Kerkstraat – Kloosterstraat – Stationsstraat plaats. Het voltallig gemeentebestuur en alle katholieke godsdienstige en sociale verenigingen gaven daarbij acte de présence. Het beeld is vervaardigd door de beeldhouder H. Jonker uit ’s-Hertogenbosch. Pastoor Deken Jos van den Hout herdacht 24 mei 1952 zijn gouden priesterfeest en bij die gelegenheid verwierf de kerk een nieuw orgel met 23 registers, gebouwd door de Gebr. Vermeulen uit Weert. De parochianen maakten deze aanschaf via hun vrijwillige bijdragen mede mogelijk. Toen deze pastoor het volgende jaar zijn zilveren pastoraat vierde, tastte zijn parochianen wederom stevig in de buidel om de kerk van een geluidsinstallatie te voorzien. Deze werd op Tweede Paasdag 6 april 1953 in gebruik genomen. De vernieuwingsdrang in het midden van de zestiger jaren, die ook de Bernarduskerk niet ongemoeid liet, leidde tot verwijdering van bijna alle beelden, de drie altaren, de vrij zwaar beschadigde kruisweg en kruisbeeld en de niet al te fraaie wandbeschilderingen. Voor veel parochianen was er weinig sfeer, symboliek en warmte overgebleven. Gelukkig was niet alles vernietigd of verkocht, zodat toen het getij keerde het mogelijk was de beelden van de zolder te halen en weer op de sokkels langs de zijwanden te plaatsen. Het oorspronkelijke kruisbeeld werd tegen een nieuw kruis voor in de kerk teruggehangen en geflankeerd door twee beelden. Er werd wederom een middenpad aangebracht en op het podium zijn een altaar, een preekstoel en een lezenaar, vervaardigd uit gedeelten van de vroegere communiebank, in ere hersteld. Ook kwam er een nieuwe wat bescheidener kruisweg. Een en ander was in 1993 gereed, terwijl in dat jaar ook de toren een opknapbeurt kreeg met nieuwe leien en de haan met bol met bladgoud werden belegd. Zusters van Liefde. In 1853 vestigden zich in de parochie van Made vier zusters van de Congregatie van O.L. Vrouw van barmhartigheid uit Tilburg. Een klooster kon gebouwd worden uit verscheidene liefdegiften en bijdragen o.a. van pastoor Mattheus van de Zwaluwe. Zuster Angelina was de eerste overste. Haar wereldlijke naam, Lucia Eijcken, is aan een der Madese straten verbonden. De zusters begonnen met het geven van handwerkles en godsdienstonderricht. In 1861 openden zij een lagere school voor meisjes. Een bewaarschool werd ingericht in de oude pastorie. In 1869 startten de zusters met een internaat, dat uitgroeide tot het bekende Sint Josephpensionaat met MULO-school en zelfs een modevakschool voor meisjes uit het gehele land, waaronder veel schippersdochters. In 1897 vingen de zusters ook aan met de huisvesting en verpleging van ouden van dagen. Door het steeds toenemend aantal pensionaires en het aantal schoolgaande meisjes in de parochie moest het Kerkbestuur in 1901 besluiten tot een flinke uitbreiding. Namelijk de stichting van een nieuw gebouw voor zusters en pensionaires. Bestemming van het oude gebouw tot lagere school voor meisjes en tot oudenvrouwenhuis en inrichting van de oude pastorie, die als bewaar- en naaischool in gebruik was, tot oudenmannenhuis. Architect L. Goijaerts uit Tilburg ontwierp het nieuwe hoofdgebouw dat door Th. Blijlevens voor fl. 60.000,- werd gebouwd. Het gehele complex werd op 19 juli 1902 plechtig ingezegend door pastoor L. van Doremalen. Bij het eeuwfeest van de zusters in deze parochie op 24 oktober 1953 klonk al door dat er ter weinig nieuwe roepingen waren, zodat kloosters dreigden opgeheven te worden, doch in Made waren er toen nog geen tekenen die daarop wezen. Zo werd zelfs het pensionaat in 1965 nog uitgebreid met een nieuw hoofdgebouw. Men kon toen nog niet vermoeden dat deze instelling op 1 augustus 1976 definitief zijn poorten zou moeten sluiten. Nadat de Zusters van Liefde hadden laten weten dat zij eerlang verplicht zouden zijn om de bejaardenzorg in Made geheel van zich af te schuiven om zich nog alleen aan het onderwijs te wijden, verscheen in november 1957 een eerste rapport over de bejaardenzorg te Made. Op 3 november 1960 volgde de oprichting van de Stichting “De Wijngaerd”. Van een bejaardencentrum met dezelfde naam werd in januari 1964 de eerste steen gelegd. De officiële opening vond plaats in mei 1965. De bejaarden in het klooster van de Zusters van Liefde bleven aldaar verpleegd, doch nieuwe verpleegden werden niet meer toegelaten. Onderwijs. De invoering van de Wet op het Lager Onderwijs in 1920 opende de mogelijkheid voor de oprichting en exploitatie van scholen voor het bijzonder onderwijs overheidsbijdragen te verkrijgen. Tot dan hadden de meeste parochies slechts kans gezien het onderwijs aan meisjes door zusters te bekostigen en moesten noodgedwongen het onderwijs aan jongens aan openbare scholen overgelaten worden. Zoals reeds gemeld was het te Made niet anders. Evenals elders maakte het Kerkbestuur ook hier gebruik van de mogelijkheid en kwam een nieuwe R.K. jongensschool tot stand, waarvoor in 1924 van de gemeente 8 van de 10 lokalen van de openbare lagere school en de onderwijzerswoning aan de Marktstraat – Schoolstraat werden overgenomen. Na aanpassingen kon deze school op 12 augustus 1924 door de pastoor ingezegend worden. Een R.K. Huishoudschool werd 1 oktober 1948 ingewijd. Over de verdere lotgevallen van het katholieke onderwijs kunnen we in deze inleiding kort zijn. De regeling van het bijzonder lager onderwijs zowel aan meisjes als jongens, dat intussen al geïntegreerd was, werd in 1965 geheel door de Stichting R.K. Schoolbestuur te Made van het Kerkbestuur overgenomen. Dezelfde Stichting nam in 1970 ook de scholen in de Blasiusparochie over. Weliswaar bleven nog zusters te Made in het onderwijs werkzaam, doch hun aantal nam, steeds meer af. Patronaat en parochiehuis. De zorg voor de opgroeiende jeugd manifesteerde zich in de oprichting van een jongerenpatronaat. De nieuwbouw van dit patronaat, toegewijd aan de H. Aloysius, kostte ongeveer fl. 12.500,-- en werd op 10 augustus 1913 ingezegend. Op 5 augustus 1928 richtte Mgr. Frencken een Katholieke Jeugdvereniging voor meisjes op. Deze vereniging, waarvan eerst een aantal meisjes werkzaam op de Hollandsche Kunstzijde Industrie te Breda lid van werden, ontwikkelde zich langzamerhand met het gevolg dat het vergaderlokaal bij de zusters niet meer voldeed. Na aanvankelijke plannen tot de aankoop van een pand, viel het besluit een verdieping te plaatsen op het jongenspatronaat. Tevens kocht het Kerkbestuur eind 1931 een stuk grond in de Patronaatstraat om tot speelplaats te dienen. De nieuwbouw werd 3 juli 1932 door de pastoor- Deken van Made ingezegend. Een parochiehuis bestaande uit een vergaderzaal voor de R.K. Werkliedenvereniging en een bovenzaal voor de vergaderingen van de Jonge Werkman en de Jonge Boerenstand, werd in 1938 en 1939 gebouwd. De Werkliedenvereniging nam, haar vergaderzaal, hoewel nog niet afgewerkt, op 30 april 1939 in gebruik. Het beheer van dit parochiehuis kwam in 1968 in handen van een afzonderlijke Beheerscommissie. DE H. BLASIUSPAROCHIE. Om een goed inzicht in de situatie te verkrijgen is een nadere omschrijving van de ligging van de parochie noodzakelijk. De buurtschappen Stuivezand en Hoogerheide, ook wel de duin genoemd, strekten zich ten tijde van de stichting der parochie nog uit onder Den Hout in het noordwestelijk deel van de gemeente Oosterhout en onder Made in het zuidwestelijk deel van die gemeente, terwijl er ook nog een oostelijk gedeelte van Wagenberg onder de gemeente Terheijden toe gerekend werd. De bewoners van dit gebied waren parochianen van de H. Cornelius te Den Hout, de H. Gummarus te Wagenberg en de H. Bernardus te Made. De beide eerste parochies ressorteerden onder het Bisdom Breda en de laatste onder het Bisdom ’s-Hertogenbosch. De gemeentegrens en tevens de grens tussen de Bisdommen liepen midden over de grote doorgaande weg door het gehucht Stuivezand n.l. Haasdijk – Antwerpsestraat – Zuideindsestraat. In vroeger eeuwen vormde dat tevens de grens tussen het gewest Holland en het generaliteitsland Brabant. Verandering in deze situatie kwam er toen per 1 januari 1956 het gebied van het Dekenaat Geertruidenberg w.o. de parochie van de H. Bernardus te Made ressorteerde, aan het Bisdom Breda werd toegevoegd en toen na meer dan twintig jaar onderhandelen de Oosterhoutse gehuchten Stuivezand en Hoogerheide in 1964 door de gemeente Made en Drimmelen konden geannexeerd worden. Evenals in Made nam de parochie van de H. Cornelius te Den Hout in 1925 de openbare school aldaar van de gemeente Oosterhout over om er een R.K. Jongensschool in te richten. Deze school was kort tevoren uitgebreid met twee lokalen, voornamelijk ter tegemoetkoming aan het verzoek der inwoners van Stuivezand en Hoogerheide om hun veraf wonende kinderen tijdens de middagpauze een geschikt onderdak te bieden. De parochie nam niet de gehele school over, doch liet de gemeente met twee lokalen zitten. Ondanks de overblijfmogelijkheid bleven de ouders van de afgelegen gehuchten de dagelijkse weg door weer en wind naar en van school voor hun kinderen bezwaarlijk vinden. Op 6 februari 1926 ondertekenden een aantal heren uit Stuivezand wonende onder Oosterhout, Made en Terheijden, een akte van oprichting van een Stichting ter bevordering van R.K. Bijzonder Onderwijs te Oosterhout. Het Stichtingsbestuur nam 18 februari 1926 reeds het besluit tot oprichting van een school voor gewoon lager onderwijs te Stuivezand van 6 of 7 klassen voor minstens 250 leerlingen. Dit besluit voorzien van de wettelijke voorgeschreven bijlagen en een door 71 gezinshoofden ondertekend verzoek verzond het stichtingsbestuur op 2 maart aan het gemeentebestuur van Oosterhout. Er ontstond nu een “schoolkwestie” tussen gemeentebestuur en stichtingsbestuur. De gemeente wees telkens de twee openstaande lokalen te Den Hout voor Stuivezandse school aan, waar het stichtingsbestuur natuurlijk geen genoegen mee kon nemen. In een later stadium wordt opgeworpen dat het onderwijs aan meisjes toch aan zusters opgedragen diende te worden en dat dus eigenlijk een parochie tot stand zou moeten komen. Het Stichtingsbestuur zat niet stil en wist te bereiken dat de bisschop van Breda bereid was een parochie te stichten, indien het gemeentebestuur een school zou bouwen. Intussen bleek hoe de kwestie in Stuivezand leefde, want bij de gemeenteraadsverkiezingen in mei 1927 behaalde de smid C.A. Klaassen, die lid van het stichtingsbestuur was, voldoende stemmen om een raadszetel in Oosterhout te bemachtigen. Hij was in die raad een ferme voorspraak, doch vond er weinig bijval. Het gemeentebestuur begon in te zien dat het op den duur de schoolbouw niet meer zou kunnen tegenhouden en knoopte daarom in augustus 1927 onderhandelingen aan met het gemeentebestuur van Made om de gehuchten Stuivezand en Hoogerheide te laten annexeren en dus een grenswijziging tot stand te brengen. Made voelde niets voor annexatie, omdat het dit alleen een afwenteling van de financiële consequenties van de schoolbouw achtte. Natuurlijk doorkruiste deze zaak weer de acties van het stichtingsbestuur, die daardoor weer wat langer opgehouden konden worden. Intussen had de bisschop van Breda de paters Passionisten bereid gevonden een klooster en open kerk te Stuivezand te bouwen, waardoor daar een rectoraat zou ontstaan, doch later had hij het beter geacht toch een parochie te stichten. De Madese pastoor had reeds toegezegd een gedeelte van zijn parochie te zullen afstaan, hetgeen door de bisschop van ’s-Hertogenbosch was goedgekeurd. Van de kerkelijke overheid van beide Bisdommen waren dus geen moeilijkheden te verwachten, toch bleef het gemeentebestuur van Oosterhout via tal van spitsvormigheden de zaak traineren. Het laatste redmiddel dacht het gevonden te hebben in de medewerking aan de bouw van een school afhankelijk te stellen van de benoeming van een pastoor waarmee overlegd zou moeten worden. Het wist dat de bisschop eerst de zekerheid van een te stichten school wilde alvorens een bouwpastoor te benoemen. Uiteindelijk wist het stichtingsbestuur via een bezwaarschrift van de Minister een gunstige beschikking d.d. 14 juni 1929 te verkrijgen. De gemeenteraad kon op 25 juni van dat jaar niet anders meer dan inwilligen van het verzoek van het stichtingsbestuur van 21 oktober 1926 om medewerking aan de stichting van een R.K. bijzondere school te Stuivezand en tot beschikbaarstelling van de benodigde gelden. De bisschop van Breda loste zeer spoedig zijn belofte in. Op 8 juli 1929 benoemde hij Petrus Johannes Rombouts, kapelaan van de St. Antoniusparochie te Roosendaal, tot bouwpastoor en stelde hem een ruime gift van fl. 15.000.- ter beschikking. Als eerste kerkmeester benoemde de bisschop de heren Th. Van Lange en C.A. Klaassen, die beiden deel uitmaakten van het stichtingsbestuur. Met de pastoorskeuze zal de bisschop de diplomatieke weg gevolg hebben, want pastoor Rombouts was een zoon van een welvarend parochiaan van de Houtse parochie van de H. Cornelius. Pastoor Van Breugel van deze parochie had nogal wat bezwaren gehad tegen de oprichting van een nieuwe parochie te Stuivezand. Op zijn 37e verjaardag begaf de nieuwbenoemde pastoor zich op 11 juli 1929 naar pastoor Van Breugel, die ondanks zijn eerdere bezwaren zijn volle sympathie en medewerking gaf aan de nieuwe parochie. Tezamen gingen zij naar pastoor Van den Hout te Made en met smid Klaassen bezochten zij de mogelijke bouwterreinen. Later voegde zich ook de heer van Lange zich bij het gezelschap. De keuze viel op een terrein dat toebehoorde aan mr. H.J.C.M. Allard, steenfabrikant en oud-burgemeester van Geertruidenberg , die al eerder grond voor een te bouwen kerk had toegezegd. De bouwpastoor had voor de patroonheilige van zijn parochie zijn keuze bepaald op de H. Blasius, patroon tegen keelziekte. Hij had zich hierbij laten leiden door de vele gevallen van difterie en keelaandoeningen die de afgelopen jaren in Oosterhout waren voorgekomen. Als architecten koos hij de Gebroeders Oomen te Oosterhout, die opdracht kregen een eenvoudige, doelmatige kerk met pastorie en toebehoren te ontwerpen. De grenzen van de parochie waren in overleg met de pastoor van Made en toestemming van de bisschop van ’s-Hertogenbosch al voor de benoeming van de bouwpastoor vastgesteld, die met Den Hout en Wagenberg werden nog op 11 juli 1929 in goede harmonie door de pastoors onderling geregeld en reeds de volgende dag door de bisschop van Breda bevestigd. De bouw van kerk en pastorie werd 28 oktober 1929 aanbesteed aan de laagste inschrijvers de aannemers P. Moll en Jos. Leijten uit Oosterhout en Raamsdonk. Het werk ving aan op 11 november onder toezicht van de opzichter Christ Nuijten uit Breda. De eerste steenlegging van kerk en pastorie vond onder grote belangstelling plaats op de feestdag van de H. Blasius, maandag 3 februari 1930. Het werk vlotte, zodat de pastoor al op 29 september 1930 zijn intrek kon nemen in de nieuwe pastorie. Op maandag 6 oktober 1930 verrichte Mgr. Hopmans, besschop van Breda, de wijdingsplechtigheden onder grote belangstelling van kerkelijke en wereldlijke autoriteiten en vele genodigden. De plechtige inleiding van de pastoor geschiedde op 7 oktober. Het intussen tot vierleden uitgebreide Kerkbestuur vergaderde voor het eerst op 11 oktober in de pastorie en stelde toen een reglement voor de zitplaatsenverpachting vast. Deze verpachting geschiedde op 15 oktober, waarbij ongeveer 80 plaatsen verpacht werden aan 60 buiten de parochie wonende gelovigen. De eerste doop werd in de kerk toegediend op 29 oktober en een nieuwe begraafplaats kon op 9 november worden ingewijd. Veel kon bekostigd worden uit de gift van de bisschop, uit een collecte in alle kerken in het Bisdom, uit giften en schenkingen door particulieren o.a. van grond, toch moest het Kerkbestuur in de jaren 1929 – 1931 nog ruim fl. 35.000,-- lenen. Klooster en scholen. De bouw van kerk en pastorie liep nagenoeg parallel met die van klooster en scholen. De bisschop wenste dat het Kerkbestuur tevens als schoolbestuur zou fungeren, waarop de ledenvergadering van de meermalen genoemde stichting op 21 juli 1929 haar verkregen rechten overdroeg aan het Kerkbestuur en de stichting ontbond. De bisschop had ook reeds de zusters Penitenten-Recollectinen te Etten om exploitatie van de te stichten meisjesschool verzocht. Pastoor Rombouts verkreeg na een persoonlijk bezoek aan ’t Withof te Etten op 23 juli 1929 de schriftelijke bevestiging van mère Josephine dat de congregatie de zorg voor de nieuwe school te Stuivezand op zich wilde nemen. Nadien zijn een aantal punten overeengekomen betreffende de bouw en de eigendom van de gebouwen en de te ontvangen overheidsvergoedingen voor het onderwijs. Op 16 oktober 1929 willigde de raad het verzoek in om medewerking te verlenen aan de bouw van een jongens- en meisjesschool. Het Kerkbestuur verstrekte de architecten van de kerk opdracht een jongensschool te ontwerpen op een door Th. Van Lange gratis ter beschikking gesteld terrein. De aanbesteding van de vierklassige jongensschool vond plaats op 15 mei en de bouw ving aan op 2 juni 1930. De Zusters van ’t Withof te Etten lieten de bouw van een vierklassige meisjesschool op 13 mei 1930 aanbesteden. De bouw van het klooster met twee bewaarschoollokalen en een lokaal voor naai- en knipschool werd onderhands gegund aan de aannemers van de kerk. De nieuwe jongensschool werd 3 november 1930 in gebruik genomen. De zusters ondervonden wat moeilijkheden door het faillissement van de aannemer, doch aan het eind van het jaar op 29 december deden zij haar intrede in het nieuwe klooster. Zij startten het onderwijs in de meisjes- en bewaarschool op 8 januari 1931. De plechtige inzegening van beide scholen geschiedde op 9 februari 1931. Verdere lotgevallen. Ter gelegenheid van het koperen priesterfeest van hun pastoor op 14 december 1931 werd een nieuw torenuurwerk aangeboden. Dit kwam tot stand door aan de goede gaven van de parochianen een eerdere schenking voor een angelus-luidapparaat met toestemming van die schenker toe te voegen. Ook hier betekende de Tweede Wereldoorlog een verdwijning van de klokken, die op 9 februari 1943 werden weggehaald. Een lichtpuntje in deze moeilijke dagen vormde een dubbel feest n.l. het koperen pastoraat van Pastoor Rombouts en tevens het koperen bestaan van de parochie, die op 2 mei gevierd werden. De meistaking van dat jaar liet slechts toe dat het feest in de kerk gevierd kon worden. Bij die gelegenheid verkreeg de pastoor de gelden, die hij bestemde voor een marmeren Maria-altaar met beeld. Het Mariabeeld vervaardigt door de beeldhouwer Jac. Sprenkels uit Hillegersberg kon pas in februari 1946 geplaatst worden. De pastoor had bij de herdenking van zijn zilveren priesterfeest in juni 1944 van vele zijden gelden tot verfraaiing van het kerkinterieur ten geschenke ontvangen, doch kon die niet besteden omdat er niets te koop was. De bevrijding van Stuivezand bracht veel leed in de parochie. De geallieerden hadden de Duitsers op 30 oktober 1944 al teruggedrongen tot over het Markkanaal, doch het duurde nog tot 4 november eer zij ook uit Stuivezand verdreven waren. De zware gevechten veroorzaakten dat de parochie 9 slachtoffers telde, waaronder twee zusters. Ongeveer 60 boerderijen en arbeiderswoningen waren vernield of zwaar beschadigd. Ook de kerktoren en de scholen hadden schade geleden. In de jongensschool kon het onderwijs pas na de paasvakantie in 1946 hervat worden. Van de geroofde klokken kwam het angelusklokje, dat in 1930 door de fa. Eijsbouts geleverd was, in mei 1945 terug. Een nieuwe klok geleverd door de firma Eijsbouts Lips te Asten werd op 10 september 1950 gewijd en de dag erna in de toren gehangen. Met het oog op het zilveren parochiefeest vormde zich reeds in 1952 een comité om gelden bijeen te garen voor een orgel. Het orgel vervaardigd door de firma B. Pels en Zoon te Alkmaar werd 8 oktober 1955 ingewijd. Er was in dat jaar veel te vieren, want niet alleen bestond de parochie 25 jaar, maar ook de pastoor, twee kerkmeesters, een armmeester, het hoofd van de jongsschool, een onderwijzer en een lid van het kerkkoor vierden hun zilveren jubileum. Bovendien waren ook de scholen even oud en herdachten ook de zusters het 25 jarig bestaan van het Stuivezandse Elisabethgesticht. Terstond nadat de parochie van de H. Bernardus tot het Bisdom Breda was gaan behoren stelden een aantal parochianen, die dichtbij de Blasiuskerk woonden, pogingen in het werk de parochiegrenzen te laten wijzigen. Zij hadden succes, want op 16 mei 1957 stelde de bisschop een nieuwe grens vast, waardoor 346 parochianen van de H. Bernardus aan de H. Blasius werden toegevoegd. Bij de viering van het veertigjarig priesterschap van pastoor Rombouts op 14 juni 1959 bood de parochie hem een geluidsinstallatie voor de kerk aan. Deze eerste pastoor ging in 1965 met emiraat. Hij nam zijn intrek in het nieuwgebouwde bejaardencentrum “De Wijngaerd”, waar hij de geestelijke verzorging van de bejaarden op zich nam. De zorg voor het onderwijs in deze parochie is in 1970 ook overgedragen aan de Stichting R.K. schoolbestuur te Made. De nieuwe pastoor de Graauw kreeg te maken met een sterke stijging van het aantal gezinnen in zijn parochie, omdat het gemeentebestuur van Made de woningbouw in Stuivezand en de Ligne concentreerde. Ook maakte hij na het tweede Vaticaans Concilie de snelle veranderingen in de katholieke kerk mee. Hij verkreeg om gezondheidsredenen per 1 februari 1975 zijn ontslag. Zijn kapelaan Oomen nam drie weken later afscheid, omdat hij het wenselijk achtte zijn plaats af te staan aan het nieuwe pastorale team van drie geestelijken, dat voor de gezamenlijke parochies van de H. Bernardus en H. Blasius zou gaan werken. Aan dit team werd pastoor Maas speciaal voor de zielzorg in de H. Blasius parochie toegevoegd. Het gehele pastorale team vond huisvesting in de pastorie van de H. Bernardusparochie, zodat de pastorie met tuin aan de Zuideindsestraat verkocht kon worden. Koper werd het waterschap De Ham, dat eind 1975 de voormalige pastorie als kantoor in gebruik nam. Uit de opbrengst van de verkoop konden in 1975 de nodige reparaties aan de kerk en toren bekostigd worden. Door de verbouwing van een gedeelte tussen de kerk en pastorie ontstond een lokaal voor vergaderingen en koorrepetities, dat tevens als dagkerk kon fungeren. Het tijdens de weekdagen sterk teruglopend kerkbezoek maakte dit ter besparing van verwarmings- en verlichtingskosten noodzakelijk. In 1979 is het interieur van de kerk op ingrijpende wijze aangepast aan de liturgieviering. Het gouden feest van de parochie is nog op grootse wijze in 1980 herdacht.
Voor zover valt na te gaan komt de eerste vermelding van de naam Grootebroek voor in een bul van paus Innocentius IV (1243-1254) uit omstreeks 1250. In zijn bul bevestigde de paus het nonnenklooster van St.Nicolaas te Hemelum in het bezit van goederen gelegen te Grootebroek, Hoogkarspel, Sijbekarspel, Wervershoof, Oostwoud, Midwoud, Twisk en Zwaag. De vermelding dateert van vóór de opmerkelijke verlening van stadsrechten aan dorpen en dorpencombinaties, die uiteindelijk het hele Westfriese platteland tot stad verhieven. Alvorens op die ontwikkeling in te gaan is het voor een goed begrip dienstig om een blik te werpen op de daaraan voorafgaande bestuursorganisatie. In de literatuur bestaat geen eenduidige opvatting over de geografische benaming West-Friesland. Ze varieert van het gebied tussen "Fli en Sincfalam" (Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en een deel van Vlaanderen), de huidige provincie Friesland, de provincie Noord-Holland boven het Noordzeekanaal, de "tota communitas Westfrisiae" (Tessel, Wiron en Westflinge), tot het gebied dat wordt omringd door de Westfriese zeedijk (met enkele buitendijkse landen). Wij zullen in navolging van De Roever uitgaan van het door de zeedijk afgebakende gebied, Westflinge. Westflinge was verdeeld in vier ambachten, te weten Drechtingher ambocht, Houtwoudingher ambocht, Niedorpingher ambocht en Gheestmanner ambocht, elk met een eigen bestuur. Ieder ambacht was onderverdeeld in vier koggen, de koggen op hun beurt weer in bannen. In de bannen gold het burenrecht of Swannotsrecht. Genoemde indeling vond men tot voor kort nog terug in de waterstaatkundige administratie. Het is bekend dat de Westfriezen na jarenlange strijd tegen de Hollandse graven uiteindelijk in 1287 het onderspit hebben gedolven en op 21 maart 1289 in Den Haag vrede sloten met Floris V. In het vredesverdrag was aan de ambachten toegezegd dat ze ieder onder een rechter en schepenen zouden worden gesteld. Of deze toezegging gestand is gedaan is niet bekend; reeds enkele jaren later vinden we het Houtwoudingher ambocht en Drechtingher ambocht verenigd onder het baljuwschap van Medemblik, ook Oosterbaljuwschap genaamd. De twee andere ambachten vormden samen het Westerbaljuwschap, terwijl het Noorderbaljuwschap uit Tessel bestond. In de baljuwschappen berustte de rechtspraak in handen van de vierschaar, waarvan de baljuw als vertegenwoordiger van de graaf deel uitmaakte. Blijkbaar hebben de Westfriezen deze bestuursinrichting ervaren als iets dat tegen hun zelfstandigheidsgevoel indruiste, gewend als men was om tot in de kleinste rechtsgebieden, de bannen, zijn eigen zaken te regelen. Bij privilege van 24 augustus 1346 kregen de inwoners van het baljuwschap van Medemblik het recht om in elke banne schepenen te kiezen zoals men vanouds gewoon was geweest. Om de feodale verhouding tussen graaf en leenmannen tot stand te brengen ging de graaf er toe over om land in leen te geven. Toch heeft de leenpolitiek hier geen succes gehad en is ze op het eind van de 14de eeuw verlaten om plaats te maken voor stadsrechtverleningen. Reeds in 1289 had Medemblik stadsrechten gekregen, gevolgd door Enkhuizen in 1355 en Hoorn in 1357. Over het algemeen was de verlening van stadsrecht de staatsrechtelijke bevestiging van een in feite reeds door economische of sociologische omstandigheden gegroeide toestand. Voor Medemblik school de reden waarschijnlijk in haar strategische ligging, geschikt om als uitvalsbasis te dienen bij de voorgenomen verovering van Friesland. De twee andere steden onderscheidden zich behalve door hun strategische- ook door hun in economisch opzicht gunstige ligging. Bij de daarop volgende stadsrechtverleningen moeten echter geheel andere faktoren een rol hebben gespeeld. In 1364 voegde Albrecht van Beieren Grootebroek en Bovenkarspel samen tot de stede Broec, waaraan hij in 1402 en 1404 ook Lutjebroek en Hoogkarspel nog toevoegde. In 1402 kreeg Schellinkhout stadsrechten, gevolgd door een reeks andere dorpen en dorpencombinaties, zodanig, dat in een tijdsbestek van ruim tien jaar het hele Westfriese platteland tot stad was verheven. Over de redenen voor deze opmerkelijke gang van zaken,hebben verschillende onderzoekers zich het hoofd gebroken. Ongetwijfeld zal het chronische geldgebrek van de graaf, verwikkeld in de Friese- en Hanzeoorlogen, een rol hebben gespeeld. Stedelijke rechten werden immers gekocht. Een andere reden kan zijn dat er door de gevoerde leenpolitiek een overvloed aan schouten was ontstaan, wat grote verschillen in de door hun gevoerde praktijk te zien moet hebben gegeven. Ook kan het op den duur aan voor deze ambten geschikte personen hebben ontbroken. Het gebod dat men in alle stadsrechtverleningen van na 1414 en in afzonderlijke verordeningen vindt, om misdrijven binnen een jaar te berechten (daarna zouden ze "verjaren") kan wijzen op misstanden. In de stede Grootebroek, zoals de stad al vrij snel in de stukken wordt genoemd, trad één bestuur op terwijl de dorpen een zekere mate van autonomie behielden. In de akten waarbij Lutjebroek en Hoogkarspel in het stedelijk verband werden opgenomen, stelde de graaf de omvang van de plaatselijke vroedschap op tien respectievelijk twaalf personen, die jaarlijks één respectievelijk twee schepenen ten behoeve van het stadsbestuur mochten kiezen. De "gemene stede", het stadsbestuur als geheel, koos uit de vroedschappen de raden. Diverse zaken behoorden tot de competentie van de plaatselijke vroedschap. Overigens is de opname van Lutjebroek en Hoogkarspel in het stedelijk verband niet zonder moeilijkheden verlopen. Nadat de graaf daartoe bij akten van 14 oktober 1402 en 20 april 1403 had besloten, volgde een klacht van de schout van Lutjebroek en Hoogkarspel, Wouter Gherritsz., dat een aantal inwoners de handvesten had gekocht zonder toestemming van de "gemeente". De klacht werd toegewezen en de betrokken personen tot zware boeten veroordeeld, waarschijnlijk om met dat geld de schout uit te kunnen kopen. Een jaar later was de samenvoeging met de stede Grootebroek een feit. * Regest nummer 11. Behalve de in bovenvermelde hypothesen gegeven verklaringen omtrent de vele stadsrechtverleningen in West-Friesland zal voor wat Grootebroek betreft ook de rivaliteit een rol hebben gespeeld die er tussen haar en Enkhuizen bestond, en die nog in onze tijd op bepaalde punten zichtbaar is. In het handvest van 1355 waarbij Enkhuizen stadsrechten had gekregen was bepaald, dat de stad de graaf op zijn heervaart met 30 man moest dienen, en dat Grootebroek en Bovenkarspel haar daartoe, met manschappen en goederen naar verhouding moesten bijstaan. Deze verplichting zal het streven van de streekdorpen naar dezelfde rechten zeker hebben versterkt. Nadat Grootebroek stad was geworden, bleef de verhouding met Enkhuizen gespannen. Ofschoon Grootebroek reeds in 1415 het recht had gekregen om een haven aan te leggen duurde het tot 1449 voor de plannen concrete vorm aannamen. Ook het bevel van de graaf, in 1425 aan een aantal Westfriese dorpen gegeven, om Enkhuizen desgewenst bij de versterking van de stadswallen te helpen, zal niet met gejuich zijn ontvangen. Of het alleen de naijver jegens Enkhuizen is geweest die de partijkeuze van Grootebroek heeft bepaald in het conflict tussen Jacoba van Beieren en Philips van Bourgondië is onzeker; feit is dat Grootebroek de Kennemers een steunpunt in West-Friesland aanbood nadat Enkhuizen de kant van Philips had gekozen. Een noodlottige beslissing die uiteindelijk tot het verlies van alle privileges heeft geleid. De kroniekschrijvers van Enkhuizen en Hoorn beschrijven uitvoerig de veldtocht van de Kennemers die Enkhuizen wisten in te nemen maar voor Hoorn vernietigend werden verslagen. Zes Westfriese steden verloren al hun rechten en werden tot betaling van zware boeten veroordeeld. Onmiddellijk begon Grootebroek onderhandelingen over een betalingsregeling, en toonde ondertussen haar goede wil door aktieve deelname aan de oorlogshandelingen. Uiteindelijk kreeg zij bij akte van 23 juni 1436 al haar privileges terug. Van de oorspronkelijke boete van 20.000 kronen zijn er tenslotte 9.000 betaald. Ruim een eeuw later had de partijkeuze van Enkhuizen voor de Prins van Oranje verstrekkende gevolgen voor Grootebroek. Het optreden van de vanuit Enkhuizen oprukkende huurlingen stuitte op verzet van de bevolking. Religieuze faktoren moeten het innemen van een standpunt inzake de vrijheidsoorlog hebben bemoeilijkt. Bovenkarspel, Grootebroek en Lutjebroek zijn immers overwegend katholieke dorpen gebleven. Het gevolg was dat op de vergadering van 19 juli 1572 in Dordrecht, Grootebroek onder de afgevaardigden van de Westfriese steden ontbrak. De daar wel aanwezige steden uit West-Friesland en het Noorderkwartier gingen na de val van Haarlem in 1573 het bestuur vormen over het van de rest van Holland gescheiden gebied. Grootebroek heeft diverse vruchteloze pogingen gedaan om haar rechten als stad te doen gelden. Weliswaar bevestigde de Prins in een akte van 1 juni 1573 de privileges van Grootebroek, maar toch leidde dat niet tot een plaats in het bestuur. In de zitting van 7 maart 1575 van de Staten van Holland gaven de zeven steden van West-Friesland en het Noorderkwartier tekennen dat zij Grootebroek tot het platteland rekenden, aangezien het geen bemuurde stad was. Hier werd dus een geheel nieuw criterium ontwikkeld, namelijk dat niet het bezit van stadsrechten een stad kenmerkte, maar het bezit van wallen en muren. Dit standpunt had ook economische consequenties. In een plakkaat van 1 juli 1575 ordonneerden de zeven steden dat alleen binnen bemuurde steden goederen mochten worden ontscheept en gewogen, en bier mocht worden opgeslagen. Weliswaar mislukte de poging om Grootebroek op deze manier buiten spel te zetten, maar toch bereikten de steden hun doel. In het antwoord op de missive van de Prins, om de privileges van Grootebroek onverlet te laten, werd de zaak gebagatelliseerd en gewezen op het scheppen van precedenten. En zo bloedde de zaak dood. Het poortrecht van de stad strekte zich, nadat de stad haar definitieve omvang had bereikt, 50 roeden ten noorden en zuiden van de heerstraat uit. De oostelijke grens lag 100 roeden voorbij de kerk van Bovenkarspel, de scheiding met de banne Westwoud vormde de westelijke grens. Binnen dit gebied, de "vrijheid", woonden de eigenlijke poorters. Daarbuiten, in het noorden tot aan de Zuiderzee, in het zuiden tot de Wijsend, in het oosten tot de stad Enkhuizen, woonden de z.g. "uutpoorters". Uit de keuren blijkt dat de "uutpoorters" (anders gezegd: zij die woonden in de banne van Grootebroek, Bovenkarspel, Lutjebroek of Hoogkarspel) niet dezelfde rechten hadden als zij die in de "vrijheid" woonden. Dat men tussen het een en ander een nauwkeurig onderscheid maakte blijkt ook uit de akte waarbij men het recht kreeg om een haven te maken. De "vrijheid" werd daarvoor uitgebreid met een strook grond van 32 roeden breed die van de heerstraat zuidwaarts liep tot de plaats die men voor de aanleg geschikt achtte. (De tegenwoordige Broekerhavenweg.) Het was immers noodzakelijk om de poorters, die zich bij de haven vestigden, en de goederen, die er gelost zouden worden, bescherming te bieden. Ik wil nog even ingaan op de oostelijke grens. Buiten de precies aangegeven grens van de "vrijheid" van de stede Grootebroek, 100 roeden ten oosten van de kerk van Bovenkarspel, strekte de banne van Bovenkarspel zich uit tot de stad Enkhuizen. In het stadsrecht van 1355 wordt de westelijke grens van de "vrijheid" van Enkhuizen beschreven als grenzend aan de banne van Bovenkarspel. In 1387 kreeg Enkhuizen het recht, nadat aan de zeezijde veel land was weggeslagen, haar "vrijheid" 95 roeden westwaarts te verleggen. Dat moet dus ten koste zijn gegaan van de banne van Bovenkarspel. Noordeloos ziet de grens die in 1387 werd verkregen, aangegeven door de stadswal die tussen 1590/1600 is aangelegd. Het westelijk daarvan gelegen gebied van Enkhuizen, het Westeinde, moet later zijn geannexeerd ten koste van de banne van Bovenkarspel. Hiervoor is reeds het bestaan van plaatselijke besturen in de vier dorpen, waaruit de stad bestond, aangestipt. De taken van deze dorpsbesturen lagen voornamelijk op waterstaatkundig gebied: het schoon en op diepte houden van sloten, zorg voor wegen en bruggen, en de heffing van de grondlasten. Voor dat laatste telde men de eigen kosten op bij hetgeen verschuldigd was voor het onderhoud van de Westfriese zeedijk, de Hondsbosse, en aan de Uitwaterende Sluizen. Het totaalbedrag werd bunder-bunder gewijs omgeslagen. Pas de instructie voor de gemeentebesturen van 9 juni 1800 heeft geprobeerd een scheiding aan te brengen tussen deze taken en de overige gemeentelijke taken. Artikel 51 van de instructie gebood dat de landeigenaren, de landrijken, uit hun midden een bestuur voor de regeling van dergelijke zaken zouden kiezen. De banne zou voortaan slechts een waterstaatkundige eenheid vormen. Het doorvoeren van deze scheiding van taken is echter een werk van jaren geweest. Officieel zijn de administraties pas bij de invoering van de gemeentewet van 1851 gescheiden, waarna ook de bannen zijn gereglementeerd. In de grafelijke tijd bezat de landsheer talloze rechten die zowel voortvloeiden uit het vredesverdrag van 1289 als uit het "heer" zijn. Immers, teneinde in West-Friesland een stand van wel geborenen te creëren (een eis die voor de toelating tot bepaalde functies gold) gaf de landsheer goederen in leen die hem tevoren door de eigenaars waren aangeboden. Ook door verbeurdverklaringen kwam de graaf in het bezit van talloze huizen, landerijen en renten. Nadat de Staten van Holland en West-Friesland in de rechten van de graven van Holland waren getreden hebben zij, evenals trouwens eerder de graven hadden gedaan, af en toe een deel van deze rechten verkocht. Dit gebeurde enerzijds vanwege de constante geldnood, anderzijds om verlost te zijn van de enorme administratie die het beheer van de bezittingen, en de controle op de inning van rechten daarover, met zich mee brachten. Zo verkochten de Staten in 1722 de nog in hun bezit zijnde tienden in Kennemerland en West-Friesland. Daarna hebben zij, krachtens resolutie van 19 december 1721, in 1722, 1724, 1730 en 1740 ambachtsheerlijke rechten te koop aangeboden. Behalve de reeds bestaande heerlijkheden vielen in West-Friesland de drie stemhebbende steden Hoorn, Enkhuizen en Medemblik buiten de aanbieding. De overige combinaties zouden niet meer als stad maar als platteland worden aangemerkt. De ambachtsheerlijkheden werden verkocht met de civiele- en de lage jurisdictie. Nu bezat Grootebroek als stad tevens de hoge jurisdictie. Anders gezegd, zij was gerechtigd om zowel halsmisdrijven als minder zware misdrijven en overtredingen, en tevens geschillen van civielrechtelijke aard te berechten. De splitsing van de hoge- en lage jurisdictie zou van Grootebroek dus een ambachtsheerlijkheid maken. Onder verwijzing naar het privilege van 26 maart 1575 vroeg Grootebroek de Staten daarom haar rechten als stad te erkennen. Hierop zijn de Staten ingegaan. Grootebroek zou gerekend worden tot de kleine steden zoals Woerden, Naarden en Geertruidenberg. Alleen de jaarlijkse betalingen aan de domeinen zijn vervolgens voor fl. 25.000 afgekocht. Een hoge prijs als men ziet dat de stad daarmee jaarlijks fl. 518 bespaarde. Ze kreeg daarvoor de visserijrechten ter waarde van fl. 500, het vendumeesterschap, dat meestal fl. 15 per jaar opleverde, en een recognitie van fl. 3 voor de eendekooi in handen. De bevoegdheid van de schepenbank om misdadigers ter dood te veroordelen bleef op die manier behouden. De in het begin van de 15de eeuw vastgelegde grenzen van de stad zijn tot 1812 blijven bestaan, ondanks pogingen om ze eerder te veranderen. Uit een aantal buurtschappen aan de Noorderdijk (Bangert, Krimpen, Munnikij, Broekoord en Geuzenbuurt) was inmiddels namelijk het huidige Andijk ontstaan. Op grond van de publicaties van 31 januari 1795 en 6 maart 1795 van de provisionele representanten van het volk van Holland liet Andijk aan de stede Grootebroek weten dat het een eigen municipaliteit had gevormd, en dat het uit het stedeverband wilde treden. Op een bespreking tussen vertegenwoordigers van Andijk en het stadsbestuur (1 mei 1795) bleek echter dat men intern verdeeld was. Eén Andijker zag zijn dorp graag als vijfde kwartier in het stadsverband van Grootebroek opgenomen. De anderen wensten volledige zelfstandigheid. De bijeenkomst leverde tenslotte het principebesluit op om zich te conformeren aan de uitspraak van het Comité van Voorlichting uit Den Haag, aan wie men het geschil zou voorleggen. Op 22 juli vonden in het logement "De Valk" in Medemblik besprekingen plaats tussen Grootebroek en Andijk ten overstaan van genoemd Comité van Voorlichting. Opnieuw bleken de vertegenwoordigers van Andijk verdeeld, zodat het Comité niets anders kon doen dan de zienswijze van Grootebroek onderschrijven, en de Andijkers adviseren om zich, wanneer ze het onderling eens waren geworden, rechtstreeks tot de "representanten van het volk van Holland" te richten. Vooralsnog veranderde er daardoor weinig. De burgerij van elk van de vier kwartieren had zes vertegenwoordigers uit haar midden gekozen, die samen de municipaliteit van de stad vormden. Deze zes municipaliteitsleden traden in het eigen dorp als plaatselijk bestuur op. In de z.g. grote municipaliteit vertegenwoordigde Lutjebroek tevens Andijk. Toch heeft er in Andijk eveneens, zij het niet officieel erkend, een municipaliteit bestaan. Op 8 maart 1796 meldde de secretaris in de vergadering van het stadsbestuur dat hem door "zich municipaliteit van Andijk" noemende personen was verboden om nog langer huizen of landerijen onder Andijk te transporteren, aangezien men zich als afgescheiden beschouwde. De regeerders van Grootebroek droegen de secretaris echter op dit pseudo-bestuur te negeren en op de oude voet met zijn werk verder te gaan. Een paar jaar later informeerde de predikant van Andijk of hij zich voor bepaalde zaken nu moest houden aan de voorschriften van de stadsmunicipaliteit of aan die van de "zich noemende municipaliteit van de Bangert". In mei 1797 ontving de stede Grootebroek van het Provisioneel Bestuur van Holland een missive van de municipaliteit van Andijk, met het verzoek om over de daarin aangeroerde kwestie van afscheiding te adviseren. Het bestuur van Andijk meldde dat het reeds op 25 januari 1795 een request aan het stadsbestuur van Grootebroek had gericht, en dat de besprekingen die daarop waren gevolgd op niets waren uitgelopen. Vandaar dat Andijk het Provisioneel Bestuur van Holland verzocht om de stede Grootebroek te gelasten een commissie in te stellen die de grensscheiding zou onderzoeken, en tevens toe te staan dat het zich met een andere gemeente, in casu Wervershoof, zou verenigen. Door het onbeantwoord laten van de missive hoopte Grootebroek het initiatief van Andijk te laten mislukken. Een nieuw verzoek om advies, vijf maanden later, kon men echter niet negeren. Uit het advies blijkt hoe zeer men erop gebrand was het oude stadsverband intact te laten. Achtereenvolgens passeren de volgende argumenten de revue: - Andijk was niet, zoals de vier kwartieren, door de graaf tot stad verheven. Het was geen eenheid maar bestond uit een reeks gehuchten die onder de kwartieren Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel vielen. - De oude octrooien hadden tot op de huidige dag hun geldigheid behouden. - De Staten van Holland hadden bij resolutie van 16 december 1738 de heerlijke rechten aan Grootebroek verkocht. In artikel 16 van de resolutie stond met zoveel woorden dat de jurisdictie onverdeeld zou blijven. - Men trok in twijfel of de publicaties van 31 januari 1795 en 6 maart 1795 wel een grondslag vormden om zich af te scheiden. Dit was immers geheel iets anders dan de bevoegdheid, waarvan in de publicaties sprake was, om als ingezetenen van een stad of dorp de regering te veranderen, d.w.z. andere personen daarin te benoemen. - Tenslotte vestigde men de aandacht op een aantal praktische bezwaren. De verpondingskohieren, de dijksverstoeling en de verdeling van de dijkslasten zouden wijziging behoeven, en Andijk zou tevens een deel van de stadsschuld op zich moeten nemen. De aangevoerde argumenten hebben de bestuurders in Den Haag kunnen overtuigen. Bij decreet van 12 december 1797 werd het verzoek om afscheiding, dat was ingediend door Claas Vreecksz. c.s. aan de Noorderdijk, afgewezen. Grootebroek werd evenwel gelast om met de ingezetenen van Andijk een schikking te treffen teneinde "inconvenienten" weg te nemen. Van dat laatste is niets terecht gekomen. Vanuit het standpunt van Grootebroek gezien, waren er immers geen problemen. Andijk had teveel gevraagd en verloren. Wellicht had men door vanaf het begin eensgezind aan te dringen op erkenning als vijfde kwartier binnen het stadsverband, meer kunnen bereiken. Op 9 juli 1810 lijfde Napoleon het koninkrijk Holland bij Frankrijk in. De indeling in departementen, ringen en gemeenten, vastgelegd in elkaar snel opvolgende constituties van de Bataafse Republiek, werd ongedaan gemaakt. De decreten van 13 september en 18 oktober verdeelden het land in zeven departementen, die weer waren onderverdeeld in arrondissementen. Het Département du Zuiderzee, waartoe West-Friesland behoorde, telde er zes. De arrondissementen kenden een onderverdeling in kantons, de kantons weer in mairies. Voor ons is van belang dat het kanton Grootebroek volgens het decreet van 21 oktober 1811 uit de volgende mairies zou bestaan: - Grootebroek (Grootebroek + Lutjebroek) - Bovenkarspel - Andijk (Andijk + Wervershoof) - Hoogkarspel (Hoogkarspel + Westwoud + Oudijk + Binnenwijsend) - Venhuizen (Venhuizen + Hem)
De eerste uitingen van geloofsbeleving in Hoorn vonden plaats in een schimmig verleden, waaruit geen archiefstukken bewaard zijn gebleven. Als we afgaan op wat de doorgaans goed ingelichte kroniekschrijver Velius meedeelt dan zou de eerste kerk in 1323 zijn gesticht op een plaats, die tegenwoordig buitendijks ligt in het verlengde van de Vijzelstraat. Men heeft er niet lang gebruik van kunnen maken. Reeds in 1328 verbrandde de aan St. Cyriacus gewijde kerk die van hout was gebouwd en met riet gedekt. Waarschijnlijk heeft men zich daarna beholpen met het vieren van de liturgie in huizen van particulieren. Pas 40 jaar later begon de herbouw, op de plaats waar thans de Grote Kerk staat, toen een moerassig terrein dat eerst met koemest e.d. moest worden opgehoogd. Opnieuw was de kerk van hout, zoals trouwens alle andere bouwsels in de stad. Geleidelijk is het stadsbestuur in de 15de eeuw door middel van keuren en het verstrekken van subsidies het gebruik van steen als bouwmateriaal gaan bevorderen om het brandgevaar in de steeds in omvang toenemende stad te beperken. Ook de kerk is vanaf 1405 in die zin bij stukjes en beetjes aangepast en in 1532 geheel vernieuwd geconsacreerd. Inmiddels waren er ook andere kerken verrezen: de Lieve-Vrouwe-kerk of Noorderkerk aan het Kleine Noord (1426) waaraan het visioen van Claes Molenaer inzake de stichting is verbonden, de St. Antoniuskerk of Oosterkerk aan het Grote Oost (1453) voor de zeevarenden en de kapel van St. Cornelis aan het Grote Oost bij de Bagijnensteeg (1450). Hoorn telde aan het begin van de 16de eeuw tevens zes nonnenkloosters en een mannenklooster. De Reformatie had in Hoorn aanvankelijk geen drastische gevolgen. Pas toen het religieuze element met het politieke werd verbonden raakte de zaak in een stroomversnelling. In 1566 sloot het stadsbestuur de kerken enige tijd uit angst voor onlusten. Enkele jaren later, nadat Enkhuizen de kant van de Prins van Oranje had gekozen, kwam het ook in Hoorn tot een uitbarsting. Op 13 juni 1572 openden de burgers de stadspoorten voor de Enkhuizers. De Geuzen, anti-Spaans en dus anti-Rooms, wisten beslag te leggen op de Grote Kerk, ofschoon het stadsbestuur hen met het oog op hun geringe aantal aanvankelijk alleen de Oosterkerk had toegewezen. Van de afspraak om zonder vernielingen de beelden en altaren uit de kerk te verwijderen kwam niets terecht. Velius heeft ons de reactie beschreven van burgemeester Jan Binnenblijf die naar dit werk kwam kijken en reeds van verre het rauwe gezang hoorde van de voor een deel dronken mannen die zich daarmee hadden belast. Toen hij de vernielingen zag smeet hij in woede zijn muts op de grond onder de vertwijfelde uitroep: "Is het nu zover gekomen dat men van een besluit van de vroedschap geen werk meer maakt?". Clemens Maertens, voormalig pastoor van de Oosterkerk, die enkele jaren eerder naar Emden was uitgeweken, werd de eerste hervormde predikant in de Grote Kerk. Ook de andere kerken kwamen in handen van de gereformeerden. De kloosters werden gesloopt (St. Clara, St. Maria Magdalena) of kregen een andere, wereldse, bestemming. De eerste jaren na de omwenteling waren een tijd van verdrukking. Priesters waren genoodzaakt om in het geheim hun zielzorg te verrichten. We weten dat zich in Hoorn en omgeving omstreeks 1600 behalve verscheidene seculieren ook jezuïeten ophielden: Arboreus, Clingerus, Romeus enz., tot pater Gerardus Florentius in 1608 een statie stichtte, Het Klooster. Hij ontleende die naam waarschijnlijk aan het feit dat het kerkje op de plaats stond van het voormalige Agnietenklooster, aan de noordzijde van de Peperstraat. In 1623 stichtte de socius van deze statie, Engelbertus de Hollander, een tweede jezuïetenstatie in de woning van een zekere Thecla Klaassen, die De Kapel genoemd werd. De Kapel bleef in gebruik tot 1656. Op kosten van beide jezuïetenstaties bouwde pater Joannes Neeffs in dat jaar een nieuw kerkje aan de noordzijde van het Gerritsland, Het Witte Lam. Gewoonlijk sprak men echter over de Lamskerk in de Peperstraat omdat daar, via het Lamspoortje, de ingang was. De kerk bezat veel huizen aan de zuidkant van de Peperstraat en aan het Kerkhof, achter de Grote Kerk. Op grond van de resolutie van de Staten van Holland van 6 januari 1708 moesten de jezuïeten binnen drie maanden de provincie verlaten. Waarschijnlijk zijn de paters na enige tijd heimelijk teruggekeerd om hun werk voort te zetten. Hetzelfde gebeurde na de uitvaardiging van het plakkaat van 25 mei 1720. Vanaf 1611 bestond er in Hoorn ook een statie van de seculieren. In dat jaar stuurde apostolisch-vicaris Sasboud Vosmeer de priester Gerardus Eenhuysen naar Hoorn die het pand De Drie Kalfjes aan de oostkant van het Nieuwe Noord tussen de Duinsteeg en het Breed als kerk inrichtte. Omstreeks dezelfde tijd verbouwde Nicolaus Lonius op last van Vosmeer een huis of pakhuis aan de zuidzijde van de Slijksteeg tot kerk. De bijbehorende pastorie stond aan het Kleine Noord, het tweede huis bezuiden de Slijksteeg. De laatste twee seculiere kerkjes bleven tot 1827 in gebruik. Tenslotte moeten wij nog de vijfde statie, die van de franciscanen, noemen. Wanneer zij zich hier precies hebben gevestigd is onzeker. In 1638 ontving pater Jacobus Tyras uit het land van Luik toestemming van het stadsbestuur om zich hier te vestigen. Hij was echter met tussenpozen al veel eerder in de stad werkzaam, namelijk vanaf 1622. In 1636 en 1637 bediende hij de kerk De Drie Tulpen aan het Achterom dat toen nog Burgwal heette. Het belendende perceel, de Passementen genaamd, werd in 1680 aangekocht en wellicht eveneens als kerkje ingericht. Vanaf 1689 woonde er in elk geval een pater franciscaan die een afzonderlijk kerkje bediende. Na 1715 is men verschillende aangrenzende huizen die op het Achterom uitkwamen gaan aankopen. In 1755 kon de kerkruimte van De Drie Tulpen daardoor aanzienlijk worden uitgebreid. Zakelijke transakties zoals de koop van onroerend goed geschiedde steeds op naam van particuliere personen. De oorsprong van deze handelwijze ligt waarschijnlijk in de breven van paus Urbanus VIII van 1 mei 1623 en paus Alexander VII van 1 oktober 1663, die het priesters verboden kapitaal of sieraden van de staties te bezitten. Slechts het vruchtgebruik ervan was hun toegestaan. In de loop van de 17de eeuw hebben de katholieken daarom een kollege van kerkvoogden gevormd bestaande uit 24 personen (sinds 1731: 12 personen) dat hun belangen moest behartigen. Het was bijvoorbeeld belast met het betalen van salarissen aan de priesters, het aanvragen van de akten van admissie bij het stadsbestuur, met de armenzorg. Het betaalde elk jaar aan de schout een bedrag van fl. 1.000 om zeker te zijn van een vrije uitoefening van de eredienst. Een aanzienlijke som waartegen het voordeel dat de priesters geen admissiegeld hoefden te betalen enigszins schril afstak. Het kollege van kerkvoogden vulde zich zelf bij vakatures aan en werkte geheel zelfstandig, zonder inspraak ook van de geestelijken. Drie van hen, de zogenaamde kistjesvoogden, beheerden de bezittingen; vier anderen, de regerende voogden, traden jaarlijks op als dagelijks bestuur. In 1712 ontstond er een konflikt over de betaling van de salarissen aan de priesters, vanouds fl. 300 per jaar voor elk van hen. De kerkvoogden beweerden dat zij door de teruglopende inkomsten genoodzaakt waren om het salaris tot de helft terug te brengen. Het verzoek van de apostolisch-vicaris om hun bewering aan de hand van een rekening en verantwoording te staven legden ze eenvoudigweg naast zich neer. Uiteindelijk werd het konflikt in 1722 in die zin opgelost dat de priesters uit de offergaven van de gelovigen elk fl. 300 mochten nemen, en het eventueel overschietende geld gelijkelijk onder elkaar verdelen of desgewenst aan de armen schenken. Al snel bleek dat de kerkvoogden een verkeerde voorstelling van zaken hadden gegeven. Nadat de franciscaner pater Cox in 1730 zo onvoorzichtig was geweest om rond te vertellen dat zijn kerk zoveel had gekollekteerd dat het de vroegere salarissen van de paters ver overtrof, vernietigden de kerkvoogden de overeenkomst van 1722 en wilden ze herstel van de toestand van vóór 1712. De franciscanen weigerden echter en voerden aan dat zij het geld reeds aan een nieuw orgel hadden besteed. Daarop is het kontrakt van 1722 in 1731 in zoverre aangescherpt dat de priesters verplicht werden de inkomsten die na betaling van de salarissen resteerden aan de armen te schenken. De regeling zou alleen de kerken betreffen die voor de eredienst waren toegestaan, met andere woorden alleen die van de seculieren en de franciscanen. De jezuïeten kregen nu niets meer aangezien zij sedert 1707 in het geheim werkten. Toch achtten de kerkvoogden zich blijkbaar belast met het toezicht op hun financiën. Toen zij in 1771 ontdekten dat een aantal bezittingen van de Lamskerk op naam stond van wijlen Pieter van Zanen uit Hoorn en dat de erfgenamen ze hadden verkocht aan de Amsterdamse koopman Willem van Brienen stelden ze direkt alles in het werk om dat bezit terug te krijgen. In 1821 wilde de aartspriester Kramer het kerkje De Drie Kalfjes op het Nieuwe Noord sluiten vanwege de bouwvallige staat. Op dringend verzoek van de gemeenteleden trok hij zijn besluit in op voorwaarde dat zij zowel kerk als pastorie zouden restaureren. Acht leden uit de gemeente vormden daarop een bestuur dat het nodige geld voor de restauratie bijeenbracht. Men kan dit als het begin van een geregeld kerkbestuur beschouwen. Nadat de verbouwing was voltooid en pastoor Steinbach zijn intrede had gedaan vormden enkele personen van dit achttal een kerkbestuur dat de zaken van de statie zou gaan behartigen. Ook na de restauratie bleek echter dat het gebouw in slechte staat verkeerde en bovendien te klein was voor het steeds toenemend aantal gelovigen. In juli 1825 richtte pastoor Steinbach daarom een verzoek tot het gemeentebestuur om het Arsenaal van West-Friesland in de Achterstraat met de aan de zuidzijde daarvan aangrenzende gebouwen (het ene eertijds muntmolen, het andere de woning van de muntmeester) die in de Muntstraat uitkwamen als kerk en pastorie te mogen inrichten. Het Arsenaal was de vroegere kapel van het Mariaklooster (later protestants weeshuis), het pand waarin de muntmolen was gevestigd een restant van de kapel van het Catharinaklooster. Na moeizame onderhandelingen kwam men uiteindelijk overeen dat het Arsenaal en de muntmolen gratis in gebruik werden afgestaan, en dat voor het huis van de muntmeester fl. 2.000 betaald moest worden. Het Arsenaal is daarna tot kerk verbouwd, de zolder van de muntmolen als kapel en sacristie ingericht. Op 16 mei 1827 kon men het geheel officieel in gebruik nemen. In hetzelfde jaar 1827 stierf de pastoor van de statie Slijksteeg, F.X. van Crimpen. Deze statie is vervolgens opgeheven en de bezittingen en schulden zijn verenigd met die van de statie in de Achterstraat. De opheffing was echter in het geheel niet naar de zin van de gelovigen van die statie. Men schreef ze toe aan het drijven van pastoor Steinbach die het aanzien van zijn eigen statie zou willen vergroten. Ofschoon kerk en pastorie al vrij kort nadat het besluit tot opheffing was gevallen werden gesloten legde men zich er pas bij neer nadat de gebouwen waren verkocht, wat de kerk in de Achterstraat fl. 2.026,95 opleverde. Uit frustratie over de gang van zaken sloot het grootste deel van de gelovigen zich aan bij de statie van St. Franciscus aan het Achterom. Zo bestonden er in Hoorn bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853) twee parochies, die van de H. Cyriacus aan de Achterstraat en van de H. Franciscus aan het Achterom. In de loop van 1867 vroeg pater Van Ewijk zijn provinciaal ontslag uit zijn betrekking. Dat werd hem toestaan en in februari 1868 vertrok hij naar de Boomskerk in de Kalverstraat te Amsterdam. Om onbekende redenen stuurde de orde van de franciscanen geen opvolger voor pater Van Ewijk naar Hoorn maar bood de bisschop van Haarlem aan om de parochie over te nemen. Op 25 juni 1868 vaardigde de bisschop een dekreet uit waarbij hij beide parochies samenvoegde. Pastoor Scheefhals heeft in het liber memorialis uitvoerig de problemen beschreven die gepaard gingen met de vorming van het kerkbestuur van de nieuwe parochie. Problemen die voortkwamen uit het ongenoegen van het kerkbestuur van de parochie van St. Franciscus over de opheffing, maar ook uit hun onwil om met de leden van het andere kerkbestuur, van lagere sociale stand, samen te werken. Uit de volkstelling die enkele jaren later (1870) werd gehouden blijkt dat de stad 3.008 katholieken telde, ongeveer een derde deel van de bevolking. Maatschappelijk gezien behoorden de katholieken in grote meerderheid tot de lagere klasse. Volgens pastoor Scheefhals waren slechts enkelen (procureur Faber en notaris Lippits) vermogend te noemen, een twintigtal welvarend, terwijl de rest bestond uit handwerkslieden en arme middenstanders. Van hen ontving ongeveer een derde deel regelmatig of voortdurend onderstand. Wat hun godsdienstige en zedelijke houding betrof roemde hij vooral het werk van pastoor Does. Verzuim van kerkelijke plichten kwam nauwelijks voor, gemengde huwelijken waren een zeldzaamheid. Does had tijdens zijn meer dan 25 jaar durend pastoraat de "echt katholieke geest" doen ontwaken. Zijn nagedachtenis werd door de parochie dan ook in hoge ere gehouden. Instellingen op kerkelijke grondslag van katholieke signatuur bestonden er in het midden van de vorige eeuw nauwelijks. Alleen het R.K. Wees- en Armenhuis en het armbestuur waren als zodanig aan te merken. De invloed van de kerkelijke autoriteiten op de respektievelijke besturen was echter uiterst gering. Het Wees- en Armenhuis had een burgerlijk bestuur; tot in onze eeuw zou het geschil met de gemeente voortduren over het kerkelijk dan wel burgerlijk karakter van de instelling. Het armbestuur bestond uit leken die een geheel onafhankelijk beleid voerden. In 1872 werd het een parochiaal armbestuur. In 1863 richtte pastoor Van Oorte een afdeling van de St. Vincentiusvereniging op die zich vestigde aan het oosteinde van de Muntstraat noordzijde en na enkele jaren werd verplaatst naar het pand aan de zuidzijde van de Muntstraat op de hoek van de Gravenstraat. Een jaar later kwamen Van Oorte, pater Van Ewijk van de St. Franciscusparochie en het bestuur van de Vincentiusvereniging overeen om voor gezamenlijke kosten een bewaarschool te beginnen. Op 4 november 1865 kwamen drie zusters van de congregatie van Tilburg naar Hoorn om de school te gaan leiden. De school bleek weldra in een grote behoefte te voorzien. Na enkele verplaatsingen vond ze in 1868 onderdak in een pand aan de Ramen; het aantal zusters was inmiddels tot zes uitgebreid. In juni 1870 volgde de oprichting van een rooms-katholieke lagere school. Het initiatief hiertoe was genomen door de Vincentiusvereniging; de eerste klas van 30 leerlingen waarmee de school begon had dan ook onderdak gevonden in het gebouw van de vereniging aan de Gravenstraat. Na enkele jaren bleek de belangstelling zo groot dat men het woonhuis aan de Ramen, grenzend aan de bewaarschool, aankocht en als lagere school inrichtte. De pastoor betaalde de koopsom van het pand, fl. 6.200, uit eigen zak om, zoals hij schrijft in het liber memorialis "een goed voorbeeld te geven". Aanvankelijk ontvingen in de school zowel jongens als meisjes onderwijs; de splitsing in afzonderlijke scholen zou pas later komen. Op 1 oktober 1874 werd de school plechtig ingezegend en werd tegelijk de eerste steen gelegd voor de bouw aan de achterzijde van een nieuw onderkomen voor de Vincentiusvereniging. Dit pand kreeg zijn ingang aan het Nieuwe Noord. Intussen waren er, ofschoon er één parochie was, nog steeds twee kerken in gebruik. Naar de mening van pastoor Scheefhals viel voorlopig uit financieel oogpunt niet aan een nieuwe kerk te denken, al waren beide kerken ook bouwvallig en klein. Hij rekende het in de eerste plaats tot zijn taak om de schuld van de parochie zo snel mogelijk te verkleinen. Zijn opvolger zou dan eventueel met de bouw van een nieuwe kerk kunnen worden belast. De parochianen echter dachten er heel anders over. Bij het 25-jarig priesterjubileum van de pastoor, op 6 juni 1877, overhandigde een comité van notabelen hem als geschenk van de parochie een lijst waarop de intekenaren zich hadden verplicht om binnen de vijf eerstvolgende jaren in totaal f 30.380 bijeen te brengen, op voorwaarde dat het kerkbestuur uiterlijk op 1 augustus 1880 nieuwbouwplannen gereed zou hebben. Als startkapitaal schonken zij de pastoor fl. 3.000. Toen deed zich plotseling een gebeurtenis voor die de realisatie van de plannen snel dichterbij bracht. Op de laatste zondag van juni herdacht de parochie het feit dat 50 jaar eerder de kerk aan de Achterstraat in gebruik was genomen. De zondag daarop, 1 juli, brandde de kerk af. Een "deugniet uit het naburige weeshuis" die bezig was vogelnesten uit te halen was op het dak van de kerk geklommen en daar door wespen gestoord. Het nest bleek achter de goot onder het dakhout te zitten. Om het te verdelgen had hij het zonder meer in brand gestoken waarna het vuur zich een weg naar de kurkdroge kap kon vreten. Naar aanleiding van de brand ontstond er een langdurig juridisch gevecht met de gemeente over de uitkering van de verzekeringsgelden. De gemeente was immers eigenaar van het pand, dat aan de katholieken in gebruik was gegeven. Zij echter hadden jarenlang de premies betaald en waren van mening dat de stad niet "mocht maaien waar zij niet gezaaid had". Uiteindelijk bereikte men een kompromis: de stad kreeg de grond met puinhopen terug en ontving fl. 4.000 (van de totale uitkering van fl. 18.500) toe. In 1880 kochten de gereformeerden de ruïne en stichtten er hun kerk. Op 23 december 1877 viel het besluit om een geheel nieuwe kerk te bouwen op de plaats van de St. Franciscuskerk die op dat moment intensief werd gebruikt. Tijdens de bouw zou men gebruik maken van een noodkerk die op een terrein aan het Achterom naast het Wees- en Armenhuis op de plaats van de huidige St. Jozefschool door J. Peereboom werd neergezet. De in Hoorn geboren en getogen architekt A.C. Bleijs kreeg opdracht om de nieuwe kerk te ontwerpen. De geschiedenis van de bouw is uitvoerig beschreven door Jan Onstenk in het ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan in 1982 verschenen boekje "De bouwers van de H. Cyriacus en Franciscus". Wij willen hier daarom volstaan met de vermelding van de naam van een op dat ogenblik ook voor het kerkbestuur onbekende weldoenster. Pastoor Smeulders, die na het vertrek van Scheefhals en een kort pastoraat van Michael van Rijn het grote werk tot voltooiing moest brengen financierde de bouw met een schenking van fl. 83.000 op een totale bouwsom van ongeveer fl. 250.000 voor kerk en inrichting. Pas bij haar dood in 1898 bleek dat dit geld was geschonken door zuster Maria Magdalena van de franciscanessen, in de wereld jonkvrouwe Louise Antoinette Gijsberta Melort, ambachtsvrouwe van Middelharnis, vermoedelijk een oud-parochiane van pastoor Smeulders. Op 30 oktober 1882 kon de kerk door bisschop Snickers, oud-pastoor van Lutjebroek, worden geconsacreerd. Reeds tijdens de bouw had men geconstateerd dat de sterkte van de fundering van een van de vier hoofdpijlers te wensen overliet, een euvel dat blijkbaar niet afdoende was verholpen. In augustus 1933 ontdekte men, verontrust door scheurvorming in de muren, dat de funderingsbal ken onder twee kolommen waren gebroken. De konklusie was dat de fundering eigenlijk veel te licht was voor de zware koepel. Het moeilijke en riskante herstelwerk, het metselen van nieuwe bogen onder de bestaande pijlers, vergde fl. 35.000 en is onder leiding van de architekten J.A. Huydts uit 's-Gravenhage en S. Langius uit Hoorn van september 1933 tot juni 1934 uitgevoerd.
De noodzaak van de aanleg van dijken in het Zeeuwse deltagebied werd onderkend in de 11de en 12de eeuw na de vele overstromingen. Het beschermen van nederzettingen door middel van plaatselijke dijkjes en het afdammen van kreken werd al veel eerder ter hand genomen. De aanleg van een ringdijk om het gehele eiland Schouwen te beschermen werd mede mogelijk door de voortschrijdende techniek en de toeneming van de bevolking. De ringdijk van Schouwen is wellicht aangelegd in de tweede helft van de 12de eeuw. Evenals elders in het Zeeuwse en Vlaamse kustgebied is de stormramp van 1134 wellicht de directe aanleiding geweest tot de aanleg van een aaneengesloten zeewering. Van die eerste ringdijk moeten we ons geen grote voorstellingen maken; het waren nog lage dijken met veel voorland. Het werk dwingt niettemin groot respekt af wanneer men bedenkt hoeveel grond verzet moest worden en welke primitieve middelen men tot zijn beschiking had. Met name bij de vele stormvloeden, die het land teisterden, bleek de zwakte van de lokale dijkbeheerders. Ingrijpen vanwege de graaf werd dan ook noodzakelijk. Op die wijze konden regels worden gegeven om de schade te beperken en belanghebbenden te verplichten de dijken te herstellen voor gezamenlijke rekening en in dat kader voorzorgsmaatregelen te nemen door de aanleg van inlaagdijken. Reeds in het begin van de 13de eeuw werd de noodzaak van afzonderlijke instellingen voor de behartiging van waterstaatszaken ingezien. Tot die tijd was de waterstaatszorg een zaak van de lokale overheid, de ambachtsvierscharen. De regeling van de waterstaatszorg is, voor wat Schouwen betreft, vermoedelijk reeds in de 12de eeuw of het begin van de 13de eeuw ter hand genomen. De graaf bepaalde dat Schouwen in zes zesdedelen werd verdeeld waarvan er één niet dijkplichtig was, omdat dit deel aan de duinen grensde. Met deze verdeling beoogde de graaf een regeling van de lasten van het dijkonderhoud. Deze regeling was geheel afwijkend van die in Walcheren en Zuid-Beveland. Elk van de delen had zijn eigen bestuur. De verdeling in zes delen van het eiland was gekunsteld en weinig doelmatig. Toen dan ook, door de vloed van 1288, Schouwen overstroomde voelde de graaf zich verplicht een overman en een aantal gezworenen aan te stellen, belast met het herstel en het onderhoud van alle dijken van Schouwen. Dit college heeft slechts kort gefungeerd. Naar aanleiding van gerezen verschillen over de lastenverdeling benoemde graaf Floris V in 1291 een college van zes gezworenen, uit de vijf dijkplichtige delen elk één en uit het zesdedeel van Koudekerke twee. Een dergelijk college, met permanente bevoegdheden voor het gehele eiland, was iets geheel nieuws in die tijd, voor wat betreft Zeeland. Het jaar 1291 moet beschouwd worden als het geboortejaar van het latere Waterschap Schouwen. In de eerste helft van de 14de eeuw werden dijkgraafschappen ingesteld voor de Zuid- en Noordzijde van Schouwen en voor het Poortambacht. Groot zijn de verliezen, die de polder leed tijdens de vele overstromingen. Door het steeds weer terugtrekken op nieuw aangelegde inlaagdijken en het prijs geven van doorgebroken dijken ging veel land verloren. Toonde Schouwen nog een ovale vorm, dat veranderde met name in het laatste kwart van de 15de en het eerste kwart van de 16de eeuw. De zuidkust schoof circa 4 kilometer op in noordelijke richting. Een gebied van ongeveer 3000 hectare, met een groot aantal dorpen, verdween in de Oosterschelde. Aan de noordelijke zijde van de polder bleef het verlies beperkt tot circa 100 hectare. Schouwen is dan ook, met Zuid-Beveland, de zwaarst getroffen polder geweest in het zuidwestelijk deltagebied. De grote stormvloeden van onder andere 1418, 1477 en met name van 1530/1532, toen het gehele eiland onderliep, zijn berucht. Niet alleen stormvloeden brachten schade teweeg, ook de vele dijkvallen en oeverafschuivingen dwongen het waterschap tot de aanleg van nieuwe inlaagdijken. De laatste van de vele inlaagdijken aan Schouwen's zuidkust werd gelegd in 1797. Nog steeds zijn de inlagen de stille getuigen van de voorzorgen, die men nam om de gevolgen van overstroming te bestrijden. Na 1532 en de Allerheiligenvloed van 1570 volgde de inundatie van het eiland tijdens het beleg van Zierikzee door de Spaanse troepen in 1575/1576. Eerst in 1578 waren de dijken weer dicht. Tijdens de stormvloeden van 1682 en 1715 overstroomde weer het gehele eiland. Minder grote schade brachten de stormvloeden van 1808 en 1825. Bij de laatste inundeerde Schouwen gedeeltelijk. De stad Zierikzee, wier bloeiperiode ligt in de 14de en 15de eeuw, had groot belang bij het welvaren van het eiland. Vanuit die visie was een greep op het waterschapsbestuur van het gehele eiland gewenst. Reeds in 1320 kreeg de stad het recht de dijkgraaf van het Poortambacht, het gebied rond de stad in 1303 in eigendom verkregen van de graaf, voor te dragen. In 1483 volgde het privilege om dijkgraven en gezworenen aan te stellen in drie van de overige zes delen. In 1511 kreeg het stadsbestuur de bevoegdheid alle dijkgraven en gezworenen te benoemen. Zij mochten tot deze benoeming alleen overgaan na een voordracht, die opgesteld werd door 50 of 60 van de meest aanzienlijke ingelanden. Het is het eerste signaal van een rechtstreekse invloed van de ingelanden op het waterschapsbestuur. Later, nog in de 16de eeuw, kwam het recht van benoeming bij de opperdijkgraaf. Door het voortdurende verlies van grond aan de zuidzijde van Schouwen werd de verdeling van het waterschap van zes delen in vier delen gewijzigd in 1558. Het deel bij de duinen werd niet langer bij Schouwen gerekend * . Het restant van het zesdedeel aan de zuidzijde werd bij de overige delen gevoegd. Sinds 1558 waren er dan ook vier vierendelen: het Westervierendeel, het Oostervierendeel, het Zuidervierendeel en het Poortambacht. De polders Oosteren- en Westerenban omvatten ongeveer dit zesdedeel. De colleges van dijkgraven en gezworenen over de vier vierendelen waren belast met het bijzonder bestuur over hun deel waaronder begrepen werd de uitoefening van het dijkrecht, onderhoud en toezicht op de dijken, enz. Dit werd nader geregeld in verordeningen op het dijkrecht, vastgesteld in 1675 en 1756. Onenigheden tussen de verschillende delen over de verdeling van lasten en de daaruit voortvloeiende verwaarlozing van de dijken maakten de instelling van één centraal bestuur boven de colleges van dijkgraven en gezworenen gewenst. Bij privilege van 13 maart 1425 schonk Philips de Goede dan ook aan de stad Zierikzee, gelet op de "lastige dijckage", het privilege om zeven heemraden te kiezen. Zij zouden, samen met de gemeente-burgemeester, die als voorzitter van het nieuwe college fungeerde, het centrale bestuur op zich nemen. Naast het college van heemraden stond een apart college, aangeduid als de Staten van de Lande van Schouwen. Deze Staten bestonden uit de gemeente-burgemeester, de heemraden, de opperdijkgraaf, de rentmeester-generaal Beoosten Schelde, de (onder)dijkgraven en gezworenen, schepenen en raden van Zierikzee en de brede geërfden (vermoedelijk de reeds eerder genoemde 50 of 60 aanzienlijke ingelanden). De Staten kwamen bijeen bij zware dijkvallen en afschuivingen en voor het goedkeuren van de rekening. Door middel van de opperdijkgraaf had de graaf zijn vertegenwoordiger binnen het waterschapsbestuur. Het recht om deze funktionaris aan te stellen berustte van 1510-1520 tijdelijk bij de stad Zierikzee. Daarna hield Keizer Karel V de benoeming aan zich. De opperdijkgraaf was in hoofdzaak belast met de aanstelling van de (onder)dijkgraven en gezworenen, behalve in het Poortambacht, en had voorts een adviserende stem in alle zaken van het waterschap. Het waterschap had een aantal ambtenaren in dienst. De secretaris of heemraden-klerk stond het waterschapsbestuur op administratief gebied bij. De penningmeester was belast met het beheer van de financiën. De landmeester droeg zorg voor alle dijkmaterialen. Onder hem stonden de onderlandmeesters, de latere dijkbazen. Na de verovering van Nederland door de Franse troepen in 1795 stelden de Vertegenwoordigers van het Volk van Zeeland, de opvolgers van de Staten, een reglement voor het bestuur vast (1796). Ingesteld werd een nieuw college van heemraden bestaande uit zeven leden. Vier daarvan werden per vierendeel benoemd door de stemhebbende ingelanden en drie door de Zeeuwse Volksvertegenwoordigers, die van deze drie er één tot President benoemden. De vierendelen kozen, behalve een heemraad, tevens een dijkgraaf en vijf gezworenen voor hun gebied. In plaats van de landmeester kwam de oppercommies, die werd aangesteld door de Zeeuwse Volksvertegenwoordigers. De Staten van het Land van Schouwen werden geheel afgeschaft. Door deze nieuwe wijze van bestuur werd aan de stad Zierikzee alle invloed ontnomen. Het ambt van opperdijkgraaf werd afgeschaft. Na de inlijving bij het Franse keizerrijk, in 1811, werden nieuwe voorschriften uitgevaardigd. Volgens het dekreet van 28 december 1811 kreeg Schouwen een centrale directie met vijf leden: een president benoemd door de Keizer op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en vier heemraden gekozen door diezelfde Minister. Het ambt van secretaris werd met dat van penningmeester verenigd. Deze funktionaris werd gekozen door de 20 grootste ingelanden. Ingesteld werd een algemene vergadering van ingelanden, die het algemeen bestuur uitoefende. Het nieuwe bestuur werd geïnstalleerd op 9 augustus 1812. Na het vertrek van de Fransen bleven de Franse dekreten hun werking behouden. In 1822 trok de Koning aan zich de benoeming van de president en heemraden, de laatsten op voordracht van de 20 grootste ingelanden door middel van een drietal. In 1841 kwam een nieuw reglement op de administratie van de polders tot stand. Het bestuur van Schouwen bleef, overeenkomstig dit reglement, ongewijzigd. In 1871 kreeg Schouwen een nieuw, eigen reglement voor haar bestuur. Volgens dit reglement werd een algemene vergadering ingesteld bestaande uit een voorzitter, vier heemraden en 18 hoofdingelanden. De voorzitter en de heemraden vormden het dagelijks bestuur. De funkties van ontvanger en griffier bleven verenigd, welke situatie tot de concentratie in 1959 voortduurde. De hoofdingelanden werden voor zes jaar gekozen door de stemgerechtigde ingelanden. Stemgerechtigd waren zij die twee hectare in eigendom, erfpacht of vruchtgebruik bezaten of hun vertegenwoordigers. De Koning benoemde de voorzitter en de heemraden voor vijf jaar op voordracht van de hoofdingelanden door middel van een drietal. Nieuwe bijzondere reglementen voor het bestuur volgden in 1923, 1940 en 1950, met tussentijdse wijzigingen. Deze nieuwe reglementen brachten geen ingrijpende wijzigingen. De wijziging van het reglement uit 1929 had wel vergaande konsekwenties. Volgens deze wijziging werd de mogelijkheid geopend dat in de algemene vergadering drie hoofdingelanden voor het gebouwd eigendom werden gekozen, naast de vertegenwoordigers van het ongebouwd eigendom. Het in 1812 ingestelde bestuur was tevens werkzaam voor Burgh en Westland. Reeds vanaf 1791 werden de werken van deze polder beheerd door Schouwen. In 1836 werd Schouwen, Burgh en Westland calamiteus verklaard. Bij de inwerkingtreding van de wet op de calamiteuze polders van 29 juli 1870 werd het waterschap de vraag voorgelegd of men al of niet calamiteus wenste te blijven. Met 204 tegen 18 stemmen besloot men de vrijverklaring aan te vragen, hetgeen geschiedde in 1872. Burgh en Westland bleef wel een calamiteuze polder en werd daardoor weer een afzonderlijke bestuurseenheid. Bij de polder Schouwen behoorden de kleinere polders Zuidernieuwland (bij Zierikzee), Groot St. Jacobs (bij Brouwershaven), Christoffel, Geest of Willem Gijsen, Keet en Noordernieuwland (allen ten noordwesten van Brouwershaven). Zuidernieuwland werd per 1 januari 1842 verenigd met Schouwen. Groot St. Jacobs behoorde sedert 1715 bij Schouwen. Noordernieuwland en Christoffel sinds 1694, de Keetpolder sinds 1720. Het bestuur van Schouwen had een lange en gerenommeerde reputatie waar het de toepassing van nieuwe technologische vindingen betrof. Reeds in 1639 wordt melding gemaakt van een zinkwerk langs de Schouwse oevers, de oudste vermelding van zo'n werk in Nederland. Met het zetten van Vilvoordse steen op de dijkglooiingen in 1827 was Schouwen de eerste in Zeeland. Ook basalt werd aan de Schouwse dijken in 1858 voor het eerst in Zeeland gebruikt. Eén van de vele bekwame ingenieurs van Schouwen, jhr. ir. R.L.L. de Muralt, pastte voor het eerst beton toe bij zinkwerken vanaf 1908. De zinkwerken, met name langs de oevers van Schouwen's zuidkust, waren van grote omvang. Kontrole van de oevers en van de neergelaten zinkwerken vond sinds 1873 plaats door middel van duikonderzoek. Schouwen was ook daarmee de eerste in Zeeland. Jhr. ir. De Muralt was ook de ontwerper van het systeem voor gewapend betonglooiingen, in 1905 voor het eerst toegepast in Schouwen. Het meest bekend werd De Muralt met zijn dijksverhogingen door middel van betonmuren, voor het eerst gebruikt in 1906 aan de zeedijk van Zuidernieuwland bij Zierikzee. Dit systeem De Muralt vond toepassing op grote schaal elders in Zeeland en daarbuiten. Een goede beheersing van het binnenwater was van groot belang met name voor de landbouw. Aanvankelijk zocht men de oplossing in watermolens waarvan er in Schouwen in de 17de eeuw reeds werden gebouwd. In 1895 werd een stalen molen met een centrifugaalpomp geplaatst in het Prunjegebied. In 1900 werd een stalen molen met hevelinrichting gebouwd in de Zuidhoek. Deze molens waren de eerste van hun soort in Zeeland. De molens hadden echter een beperkte kapaciteit. Om tot een meer afdoende oplossing te komen van beheersing van het binnenwater werd in 1845 een lange dijk aangelegd, die Schouwen in tweeën verdeelde, de zogenaamde Ringdijk. Op die wijze konden extreem lage waterstanden tijdens droogteperiodes worden voorkomen. Voor de afwatering van het polderwater op zee werden een groot aantal suatiesluizen gebouwd. In 1875 werd besloten tot het bouwen van een stoomgemaal, het eerste in Zeeland, volgens plannen van de waterbouwkundige P. Labrijn Dz. Twee jaar later was dit gemaal "Schouwen" gereed. Het stoomgemaal "Schouwen" stond aan de zuidzijde van het eiland. Aan de noordzijde kwam in 1927 het motorgemaal "Den Osse" gereed. Ook voor de andere, kleinere gebieden werden gemalen verwezenlijkt. Om tot een definitieve oplossing te komen voor een goed funktionerende afwatering werd in 1946 een ontwateringsplan vastgesteld. In dat kader werd het gemaal Schelphoek gebouwd, dat in 1951 in gebruik werd gesteld. Schouwen werd in 1944 op last van de Duitsers geheel onder water gezet door het stopzetten van de afwatering en het binnenlaten van zeewater. Na de bevrijding werd de bemaling hervat en op 8 september 1945 was het normale polderpeil weer bereikt. De watersnoodramp van 1 februari 1953 zorgde voor een totale ommekeer, ook op waterschapsgebied. Schouwen liep tijdens de ramp geheel onder. Circa 16200 hectare kwam onder water te staan. De polder stroomde vol via doorbraken aan de zwakste zijde: de zuidkant. Bij de Schelphoek ontstond het grootste gat van het gehele rampgebied, bijna een halve kilometer breed. Voorts ontstonden doorbraken in de havendijken van Zierikzee en bij Burghsluis. Het gat bij de Schelphoek werd het laatste gedicht door de aanleg van een grote ringdijk rond de doorbraak. Deze ringdijk werd voltooid door het laten zinken van caissons. De operatie werd voltooid op 27 augustus. Hierna kon het water - de andere doorbraken waren inmiddels ook gedicht - worden weggepompt waardoor nog in hetzelfde jaar 1953 Schouwen weer droog viel. De ramp van 1953 bracht vele veranderingen met zich mee. Geheel Schouwen onderging een herverkaveling. Reeds in 1952 was een begin daarmee gemaakt in het gebied van de Schelphoek. In het kader van de herverkaveling werden drie grote nieuwe gemalen gebouwd: Den Osse (1956/1957), Prommelsluis (1956/1958) en 't Sas (1957). In het kader van de herverkaveling werden verschillende binnendijken afgegraven. Een geheel nieuwe, grote binnendijk werd aangelegd in 1958/1960: de Delingsdijk, die Schouwen in tweeën deelde; ze loopt vanaf de Ringdijk bij de Schelphoek naar Brouwershaven. De dijk kwam er, ondanks felle tegenstand van het Waterschap Schouwen, die eerste de zwakke plaatsen in de zeedijken hersteld wilde zien. De zorg voor de wegen heeft het waterschap reeds vroeg aan zich getrokken. Dit duurde tot het begin van de 19de eeuw toen de gemeenten werden belast met het wegentoezicht. In 1852 stelden Provinciale Staten renteloze voorschotten beschikbaar voor verbetering van het wegennet. Het werd aanleiding tot de oprichting van de Commissie voor de Grindwegen in 1864, in hoofdzaak een initiatief van het Waterschap Schouwen waarin de polders Zonnemaire en Bloois en verschillende gemeenten participeerden. Een groot aantal wegen werd door de Commissie opnieuw aangelegd en verhard. Hierdoor ontstond een voor die tijd modern net van wegen. Per 1 januari 1947 werd de Commissie opgeheven en nam het Waterschap Schouwen de wegen, met een lengte van bijna 239 km. over. Ook dit wegennet onderging grote veranderingen in het kader van de herverkaveling. Vele wegen verdwenen, nieuwe werden aangelegd en een deel van de oude verbeterd en zonodig rechtgetrokken.
Ten zuiden van de rivier de Lek in de Alblasserwaard tussen de dwergstadjes Ameide en Nieuwpoort ligt langs een recht stuk rivier ("het lange rak") Langerak. De geografische situatie is hier sedert de ontginning van dit gebied in de 11e en 12e eeuw en de aanleg van de ringdijk rond de Alblasserwaard weinig veranderd. Alle bebouwing is geconcentreerd langs de Lekdijk. Vanaf het oosten op de grens met Tienhoven, waar het huis Langestein lag, tot in het westen tegen Nieuw-poorts wallen aan liggen de boerderijen in variërende dichtheid langs de dijk. In het westen is een duidelijk centrum: de kerk, de school, het raadhuis; vroeger ook het kasteel en het rechtshuis. Evenwijdig aan de Lekdijk loopt beneden in de polder de Tiendweg. Zijn naam verraadt zijn oorsprong en zijn zuiver agrarische functie. De percelen ("weren") lopen van de Lek de polder in tot de grens met de polders Oud-Goudriaan en Noordzijde. De bevolking bestond afgezien van wat vissers (smid, timmerman en andere ambachtslieden woonden te Nieuwpoort) uit boeren. Het belangrijkste product, geteeld op de "voorhoofden" (de hoogstgelegen delen der weren), was de hennip. Hiernaast verbouwde men natuurlijk granen en sedert het einde van de 13e eeuw ook aardappelen. In het lager gelegen gedeelte der polder lagen de weide- en hooilanden. De ligging aan een schoordijk (geen uiterwaarden) bracht veel ellende. Een aantal wielen getuigt hier nog van. Maar niet alleen dijkdoorbraken te Langerak zelf, ook doorbraken elders in de Alblasserwaard zetten de polder onder water (voor het laatst in 1820). De talloze aanvragen tot vermindering of kwijtschelding van belastingen brengen goed tot uitdrukking hoe zwaar de lasten van deze ellende op de bevolking drukten. De Lekdijk, een onderdeel van de ringdijk van de Alblasserwaard, beschermt de polder tegen het rivierwater. Langerak wordt mede aangeslagen in de kosten van dit hoogheemraadschap ("dijklasten"). Het onderhoud van de Lekdijk is thans bij het hoogheemraadschap, maar geschiedde tot in de vorige eeuw door de dijkgeslaagden (particulieren die verplicht waren een bepaald gedeelte dijk te onderhouden). Naast een aandeel in de dijklasten onderhield Langerak nog een slag (stuk dijk) op de Bazeldijk (Zouwedijk). De heer van Langerak benoemde een hoogheemraad in het college van dijkgraaf en hoogheemraden. Sedert 1856 (nieuw reglement van het hoogheemraadschap) benoemd door de koning op voordracht van de hoofdingelanden, die worden gekozen door de stemgerechtigde ingelanden. In het oosten wordt de polder tegen het water uit de hoger gelegen polders Tienhoven, Ameide en Meerkerksbroek beschermd door de Langesteinse kade; in het westen loopt de Scheikade (ook wel Postkade) langs de Nieuwpoortse vliet. Dit is de grens niet het oude Liesveld (polders Gel-kenes, Ammers-Graveland, Achterland en Peulwijk). De oude afwatering van Langerak liep door het stadje Nieuwpoort naar de Lek. Sedert 1366 watert men af op de boezem van de Overwaard. De lasten van dit waterschap ("watergravegeld") worden door Langerak mede gedragen. Het onderhoud van de kaden langs de boezem was verdeeld over de afwaterende polders. Op vier plaatsen lagen de slagen door Langerak te onderhouden. In het begin van deze eeuw is het onderhoud overgegaan op het waterschap. In het college van watergraaf en waterheemraden benoemde de heer van Langerak tot 1851 (nieuw reglement) een waterheemraad. De drie molens waarmee Langerak op de boezem van de Overwaard afwaterde, lagen in de zuidwesthoek, het laagste deel van de polder. In 1939 werd er één vervangen door een electrisch gemaal, terwijl een tweede het jaar daarop door oorlogshandelingen in vlammen opging. Zoals gewoonlijk in de Alblasserwaard vormt de polder één heerlijkheid. Echter met deze uitzondering dat in de noordwesthoek van de polder het stadje Nieuwpoort voor de helft in de polder ligt. De heren van Langerak en het aangrenzende Liesveld geven in 1283 een handvest aan de poorters van Nieuwpoort, dat voor de helft op Langeraks en voor de helft op Liesvelds gebied ligt. De heer van Langerak is dan ook heer van half-Nieuwpoort. In de 13e eeuw is Langerak in het bezit van de heren van Langerak. Tot 8 augustus 1657. Op deze datum verkoopt Frederik Hendrik van den Boetzelaer, heer van Langerak, Carnisse en half-Nieuwpoort, aan Justus van de Ven half-Nieuwpoort. De geschiedenis van Langerak in de middeleeuwen is buiten beschouwing gelaten. Het weinige dat wij uit deze periode aantroffen staat in de regesten. Door het huwelijk van de erfdochter Elburg van Langerak met Rutger van den Boetzelaer komt Langerak in dit geslacht. (1457). Tot 1590 blijft het in de hoofdtak van de Van den Boetzelaers die tevens heren van Asperen zijn. Dan gaat Langerak naar een jongere zoon, Gideon van den Boetzelaer. De heerlijkheid is een stichts leen, maar in navolging van naburige heren verwerft de heer van Langerak zich de facto een zelfstandige positie. Hij is echter niet machtig genoeg om dit tegenover de Staten van Utrecht tot een goed einde te brengen. In de 16e eeuw zijn er eindeloze processen. In 1599 komt er een accoord tot stand tussen de Staten en Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen en Langerak, optredende voor zijn zoon Gideon. De Staten geven Gideon de hoge jurisdictie van Langerak "gelegen in den lande van Utrecht op die zuydtsijde der riviere van der Lecke, daar die halve Nijpoort meede op staat ende onder begreepen is, in ende tot een onversterffelijk erfleen". Nadrukkelijk wordt bepaald, dat "die placcaten in den lande van Utrecht gepu-bliceert en noch te publiceeren meede tot Langeraeck voornoemt sullen werden gepubliceert en achtervolcht". Ook al noemen de heren van Langerak zich "vrijheer" en hun heerlijkheid een "vrije", de souvereiniteit berust bij de Staten van Utrecht. Slechts door het bezit van de hoge jurisdictie onderscheidt de heer van Langerak zich van de heren der lage heerlijkheden. Sedert 1599 worden achtereenvolgens door de Staten van Utrecht met de hoge heerlijkheid beleend (de belening met de lage en middelbare jurisdictie vond meestal enige dagen eerder door de Staten plaats): 1599 juli 25 Gideon van den Boetzelaer, heer van Langerak. 1654 juni 6 Rutger Wessel van den Boetzelaer, heer van Langerak; zoon van Gideon. 1654 juni 8 Frederik Hendrik van den Boetzelaer, heer van Langerak; broer van Rutger Wessel. 1675 sept. 10 Frederik Gideon van den Boetzelaer, heer van Langerak; zoon van Frederik Gideon. 1711 nov. 14 Frederik Hendrik van den Boetzelaer, heer van Langerak; zoon van Frederik Gideon. 1721 aug. 30 Franco Pauw en Anna Constantia Schaep, heer er-vrouwe van Langerak; door koop van Frederik Hendrik van den Boetzelaer, gehuwd met hun dochter Elisabeth. 1725 juni 5 Anna Constantia Schaep, vrouwe van Langerak; na de dood van haar man. 1728 febr. 11 Elisabeth, barones van den Boetzelaer, geboren Pauw; na de dood van haar moeder. 1736 mei 15 Mr. Cornelis Trip, heer van Oud- en Nieuw-Goudriaan, heer van Langerak; door koop. 1753 sept. 22 Maria le Seutre, vrouwe van Langerak; weduwe van mr, Cornelis Trip. 1775 nov. 11 Maria Trip, vrouwe van Langerak; na de dood van haar grootmoeder. 1775 nov. 11 Mr. Arnold Adriaan van Tets, heer van Goudriaan en Langerak; door koop van mr. Willem Boreel, echtgenoot van Maria Trip. 1795 juli 17 Mr. Lambertus Pieter van Tets, heer van Langerak; zoon van mr. Arnold Adriaan. Na de franse tijd zijn de bezitters der heerlijkheid te vinden in de inventaris. Op 1 augustus 1929 koopt ir. Hero Berend (Struivig) de Groot de heerlijkheid en op 1 november 1955 de Levensverzekerings-Bank te Rotterdam. Het kasteel van Langerak met 12 morgen land is leenroerig aan de grafelijkheid van Holland. De bezitter wordt beschreven in de ridderschap van Utrecht. Tot 1707 zijn kasteel en heerlijkheid in één hand. Het wordt uit de boedel van Frederik Gideon toegewezen aan Helena Velters, weduwe van de heer van Kruiningen.28). Na in 1722 door Samson de l'Homme, heer van La Chevellière, gekocht te zijn komt het kasteel via testamentaire beschikking eerst in handen van de burggraven van Dohna en vervolgens door koop in het bezit van Philips Jacob, graaf van den Boet-zelaer, heer van Asperen. Het kasteel is nu (1737) teruggekeerd in de hoofdtak, die zich nu weer tooit met de titel "heer van Langerak". In 1773 erft een jongere zoon, Benjamin, het kasteel. Hij laat nogal het een en ander afbreken rond het kasteel. Zijn dochter Elisabeth Henriette, de laatste telg uit deze tak, overlijdt in 1815 te Langerak. Zij was sedert de dood van haar vader (1807) eigenaresse. Haar moeder Agatha Maria Isabella Catharina Anna, barones Sulyard de Leefdael (overl. 1832) erft het kasteel (beter kunnen we nu spreken van het huis). Sedert 1832 komt het door koop in handen van plaatselijke families (De Ruiter, Rozendaal en Slob). Rond 1640 worden de overblijfselen van het oude kasteel afgebroken. Op het terrein staat sedertdien de boerderij "Het Slot". In 1929 koopt ir Hero Berend (Struivig) de Groot de boerderij. De Nationale Levensverzekerings-Bank te Rotterdam is de huidige eigenaar. Behalve een kasteel stond er te Langerak nog een ridderhofstad genaamd Langestein. Oorspronkelijk een arkels leen wordt Langestein met 24 morgen land na de arkelse oorlogen een leen van de grafelijkheid van Holland. Tot 1642 heeft het dezelfde eigenaren als het kasteel en de heerlijkheid. Het wordt uit financiële nood verkocht aan Willem Ploos van Amstel, raadsheer te Utrecht. Deze doet moeite om als bezitter van de ridderhofstad beschreven te worden in de ridderschap van Utrecht. Ook vroeger schijnen de heren van Langerak hier voor geijverd te hebben. In 1699 wordt de plaatselijke familie Maath eigenaar, in 1769 de plaatselijke predikant: ds. Willem van der Burgt. In 1800 koopt de rotterdamse familie Herrewijn Langestein. Het is nu een voorname boerenhofstede. De erven Herrewijn verkopen in 1873 het huis met het land aan de familie Van Zessen. De tienden te Langerak (behalve die van het kerkeblok) werden door de heren van Willige Langerak in leen gegeven. Sedert 1681 wordt de amsterdamse familie De Graaff van Zuid-Polsbroek hiermee beleend.38). In de jaren 1844-1049 werden de tienden door het polderbestuur van Langerak gekocht en door de ingelanden afgekocht.39). De rechten, die de heren van Langerak naast het recht op overheidsgezag bezaten, (zogenaamde ambachtsgevolgen) worden in de verleibrieven niet gespecificeerd. Gegevens over een veerrecht, een visrecht en een jachtrecht vindt men in Ie archieven.40). In de franse tijd zijn de heerlijke rechten afgeschaft. Wel herstelde Willem I in 1814 de heerlijke rechten, maar in getemperde vorm. Bij de grondwet van 1848 verdween het laatste spoor van eigenlijk gezegd heerlijk recht (van over-heidsgezag als zaak in de handel). Heerlijke rechten als jacht- (tot 1923), veer- en visrecht bleven bestaan. Het polderbestuur van Langerak heeft van het bestaan van een heerlijk jacht- en visrecht nog moeilijkheden genoeg ondervonden. Hoe werkte nu het bestuur? Er is geen scheiding tussen dorps- en polderzaken. Een college van schout en zeven schepenen, ook wel waarsman en gerechten genaamd (oorspronkelijk heemraden), voert het bestuur geassisteerd door een secretaris onder de supervisie van de heer (of diens gecommitteerde/rentmeester). De schout (waarsman) is een belangrijk man. Hij wordt evenals de schepenen door de heer benoemd. Hij onderhoudt de contacten met de Staten van Utrecht, met de Alblasserwaard en de Overwaard. De schepenen (gerechten) assisteren hem. Samen oefenen zij ook de lage rechtspraak uit. De hoge vierschaar, samengesteld uit (een vertegenwoordiger van) de heer en leenmannen, spreekt recht in beroep en bij zware delicten. DG inning der "ongelden" (dijk- en water-gravegeld, binnenlandse lasten en belastingen van de provincie Utrecht) geschiedt ook door de schout en schepenen. Door het systeem van de "overmorgens" (extra-inning) is dit lucratief. Een college van "achtmannen" (gekwalificeerde ingelanden) wordt gehoord bij belangrijke financiële zaken. Ook in Langerak zien wij de ontwikkeling dat de ambtenaren van de heer de belangrijkste posten in het dorpsbestuur aan zich trekken. Dat de rentmeester van Langerak tevens secretaris is, is niet zo verwonderlijk. Maar wanneer in plaats van een rentmeester een drossaard zijn intrede doet (midden 17e eeuw) en deze tegelijk schout wordt, dan verliest de bevolking de greep op het dorpsbestuur (althans dat deel van de bevolking dat er greep op had). Wel blijft er een waarsman (ook wel burgemeester) als hoofd van de schepenen fungeren, maar zijn invloed is gering. Ook de financiële administratie komt in handen van de drossaard. Sedert 1723 wordt hij tot gadermeester aangesteld ondanks hevig verzet van de bevolking. De zwakke financiële positie van de Van den Boetzelaers doet hen deze ambten te gelde maken. De bevolking toch al zwaar getroffen door de vele overstromingen ondervindt hier de nadelen van. Een triest voorbeeld is Carel van Belle: drossaard, schout, secretaris, gadermeester en stadhouder en griffier van de lenen. De door hem veroorzaakte chaos in de administratie, samenvallend niet het vertrek van de Van den Boetzelaers, doet de Staten van Utrecht veel directer in het plaatselijk bestuur ingrijpen. Dit gaat ten koste van de horen (bv. het afhoren van de rekening geschiedt nu door de Staten). De tweede helft van de 18e eeuw brengt rust. Het gaat de bevolking weer wat beter, maar zwaar blijft de hoge rentelast door de vele "negotien" (leningen) op de omslagen drukken. Zonder enig bloedvergieten wordt ook te Langerak de vrijheidsboom geplant, op 19 februari 1795. Onder leiding van de uit ballingschap teruggekeerde schoolmeester Andries Kooiman worden de oude bestuurders afgezet en een municipaliteit gevormd. De eerste president is Benjamin van den Boetzelaer. Gelaten ondergaat men de vele elkaar snel opvolgende veranderingen in het bestuur. In 1811 wordt Langerak samengevoegd met Ottoland en Goudriaan tot de gemeente Goudriaan. Bij K.B. van 7 maart 1816 wordt het hersteld als zelfstandige gemeente in de provincie Zuid-Holland. Langerak is nu via de indelingen in de franse tijd haast ongemerkt losgemaakt uit de provincie Utrecht, waarvan het een wel zeer afgelegen uithoek was, een enclave in de Alblasserwaard. De gemeente Langerak (1.000 inwoners) heeft natuurlijk niet veel om het lijf. Het is een rustig boerendorp zonder enige andere bedrijvigheid. Een apart polderbestuur (wel met dezelfde personen bemand als het gemeentebestuur) behartigt de waterschapsbelangen. Een polderschout en drie heemraden bijgestaan door een secretaris en penningmeester oefenen het polderbestuur geheel volgens de richtlijnen van hogerhand uit. De rechtspraak is overgegaan naar de rechtbank van eerste aanleg te Gorin-chem, later het kantongerecht te Sliedrecht. Tot 1848 draagt de heer van Langerak bij benoemingen nog personen voor aan de koning; dan is ook de laatste band tussen heerlijkheid en burgerlijk bestuur verdwenen. De burgemeester, tevens secretaris, is tegelijk burgemeester van Nieuwpoort en Groot-Ammers, Het raadhuis te Nieuwpoort is de zetel van het bestuur. Behalve een bode heeft de gemeente Langerak geen personeel. Pas na 1851 komen er meer ambtenaren, altijd tevens in dienst van Nieuwpoort en Groot-Ammers. De gemeenteraad bestaat tot 1851 uit vier leden; daarna uit zeven. Twee wethouders staan de burgemeester bij (voor 1851 assessoren). Het zijn rustige jaren: behoudens enige epidemiën onder het vee gaat het de boeren goed. Men bouwt een eigen gemeentehuis en na veel aandrang van hogerhand ook een nieuwe school. Rond 1900 zal ook hier, zij het aarzelend, de moderne tijd zijn intree doen. De huidige nederlandse hervormde kerk van Langerak dateert grotendeels uit de 15e eeuw. Het tijdstip van stichting is evenals de patroonsheilige onbekend. De enige gegevens over het kerkelijk leven te Langerak voor de hervorming leren wij kennen ui o het verslag, dat Matheus Ricaldi, pastoor van Langerak, doet over de toestand van zijn parochie in 1567. In dat jaar blijkt bijna de gehele bevolking, met de heer van Langerak en zijn zoons voorop, ketters. Na de roerige eerste jaren van de opstand is Petrus Valkius; (Valck) de eerste predikant die wij kennen (1600), Langerak behoort tot de synode van Zuid-Holland, classis Gouda. Lang duurt dit niet, want in 1012 valt het onder de synode van Utrecht, classis Utrecht. De kerkelijke toestand der gemeente Langerak in den Alblas-serwaard-Anno 1567, 27 januari. Sedert 1816 (nieuwe kerkorde) behoort het weer tot de classis Gouda. De heren van Langerak oefenden het collatie-recht uit tot het begin van deze eeuw. Het kerkelijk leven te Langerak onderscheidt zich niet van dat van andere dorpen tijdens de Republiek. Isaac Insen, een amsterdamse metselaar, laat ook de kerk van Langerak delen in zijn rijkdom. In 1756 schenkt hij fl. 5.000,-- voor de bouw van een nieuwe pastorie en aan de diaconie f 2.000,--. Na de invoering van de nieuwe kerkorde heeft men het maar moeilijk met het hoger kerkelijk gezag. Men houdt vrij beheer. Ook het diaconie-armbestuur ondervindt de inmenging van bovenaf. Sedert 1777 zorgde het samen met het burgerlijk armbestuur voor alle armen te Langerak. Dit wordt in 1852 verboden. De reden voor dit verbod is duidelijk: niet alle inwoners van Langerak behoren meer tot de nederlandse hervormde kerk. Er is een christelijk-afgescheiden gemeente en bij de doleantie zullen nog meer lidmaten de kerk verlaten. Rond 1900 is de toestand van het kerkgebouw zo slecht, dat men aan nieuwbouw denkt. Gelukkig besluit men tot restauratie. In 1969 is een nieuwe restauratie voltooid. De toren was in 1953 reeds door de gemeente gerestaureerd.
De Alblasserwaard in vroege tijden Toon details van deze beschrijving Hoewel er al eerder bewoning mogelijk was, op de oeverwallen en stroomruggen, was de huidige Alblasserwaard tot aan de 10e eeuw een door de natuur gevormd deltagebied. Resten van de eerste bewoning zijn gevonden op de Hazendonk onder Molenaarsgraaf en later op de Donk bij Brandwijk. In de 10e en lle eeuw is de Alblasserwaard vanuit de randgebieden ontgonnen, waarbij door de bisschop van Utrecht stukken land in leen werden gegeven aan de leenheren. Op hun beurt gaven die de 'hoeven', zoals de stukken land werden genoemd, weer in leen aan de leenmannen. Dit waren de eerste boeren, die de grond in cultuur brachten en er de eerste eenvoudige boerderijtjes bouwden. Door inklinking van de bodem kregen de eerste boeren steeds meer te maken met wateroverlast. In 1277 werd de Alblasserwaard op last van Graaf Floris V bedijkt. Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk bleven hier in eerste instantie buiten, maar werden later toch in de dijkring opgenomen. 1.1.2. De hoge heerlijkheid Hardinxveld Hardinxveld is een van de oudste dorpen van de Alblasserwaard waar al in 1105 een pastoor, dus ook een kerk, was. Deze kerk zal gestaan hebben op de Boven-Hardinxveldse Buurt. Hardinxveld was sinds 1282-na erkenning door Floris V- een zogenaamde hoge heerlijkheid, die het halsrecht (rechtspraak, waarbij de doodstraf kon worden uitgesproken) had. De heerlijkheid was eigendom van de heren van Brederode, die in de buurt een huis bezaten dat als voorganger kan worden gezien van het latere kasteel De Giessenburg. In 1399 verleende Albrecht van Beieren Hardinxveld een belangrijke tolvrijheid voor de handel en scheepvaart. In 1412 waren de kosten van het aan de heerlijkheid verbonden dijkonderhoud zo hoog geworden dat de toenmalige eigenaar Walraven van Brederode ze niet meer kon betalen. De enige mogelijkheid om dan van het eigendom af te komen was 'de spade in de dijk steken'. Oorspronkelijk gebeurde dit door op het moment dat de dijkgraaf en de (hoog)heemraden ter schouwing van de dijk langskwamen, barrevoets en gekleed in een hemd een spade in de dijk te steken. In de praktijk kwam het er op neer dat men alle bezittingen verloor en tevens werd verbannen. Samen met veel andere plaatsen werd Hardinxveld door de graaf in leen gegeven aan Arent van Gent, die aan zijn eigendommen een aantal voorrechten verstrekte. De rechtszittingen vonden sindsdien op zondag plaats en ze werden de zondag ervoor in de kerk afgekondigd. Zo kon men in de kerk horen wie er nog geld schuldig was aan de tappers. Als de schuld voor dinsdag betaald was, kreeg men geen boete. In 1454 kwam Hardinxveld aan de schildknaap Bruisten de Jeude, die de heerlijkheid opdroeg aan Philips de Goede ten behoeve van diens zoon, de latere Karel de Stoute. Hierbij werd bepaald dat de stad Gorkum Hardinxveld nooit zou mogen belasten tegen de wil van de inwoners. Hardinxveld heeft ook geleden onder de verschillende oorlogen. Toen de Spanjaarden in 1572 Gorkum belegerden bouwden ze in Hardinxveld een schans op de dijk. Een jaar later werd de dijk doorgestoken om de Spanjaarden te verdrijven. Het heeft echter zes jaar geduurd alvorens het zover was. Rond 1605 was het Jan de Jeude die het onderhoud van de dijk niet meer kon betalen en overging tot 'spadesteking'. Er was toen niemand die de heerlijkheid wilde overnemen, zodat de hoogheemraden het aan zich hielden. In 1625 werd de heerlijkheid in het openbaar verkocht aan de Dordtse schout Pompejus de Roovere. Diens nazaten bezaten de heerlijkheid tot in de 18e eeuw. De Franse Tijd is over het algemeen vrij rustig verlopen. Alleen aan het einde ervan had Hardinxveld te lijden van het beleg van Gorkum. Voorts valt nog te vermelden dat er vóór 1572 een latijnse school was. Hardinxveld had ook een graanmolen die stond op de plaats waar zich thans het raadhuis van de gemeente Hardinxveld-Giessendam bevindt. 1.1.3. De rivier de Merwede Hardinxveld heeft haar ontstaan te danken aan de ligging aan de rivier de Merwede. Later bleek die ligging echter ook veel nadelen met zich mee te brengen. Ter hoogte van Boven-Hardinxveld, waar de Boven-Merwede overgaat in de Beneden-Merwede, komt het zand van de bovenrivieren tot rust en bezinkt. Dit komt mede doordat de rivier ter plaatse minder breed is en doordat sinds 1275 ook de Maas bij Woudrichem op de rivier uitkomt. Hierdoor ontstonden er zandbanken, die niet alleen het scheepvaartverkeer hinderden. In de winter hielden die zandbanken het met de stroom meegevoerde ijs tegen, waardoor er een ijsdam ontstond. Het is verschillende malen voorgekomen dat hierdoor de dijken overstroomden en doorbraken, waardoor de Alblasserwaard onder water kwam te staan, wat op maatschappelijk en economisch gebied veel ellende veroorzaakte. Bij dergelijke overstromingen zijn de wielen in de Peulenstraat en in Boven-Hardinxveld ontstaan. Ook het Kromme Gat was destijds een wiel, waaromheen aan de binnenkant een nieuwe dijk is gelegd. De dijk bij Hardinxveld stond bekend als bijzonder zwak. Dit is ook de reden dat men destijds tussen Hardinxveld en Gorinchem de dijk een stuk binnenwaarts legde, de Nieuwe Wolpherense dijk, waardoor de Avelingen is ontstaan, een gebied dat bij hoog water nog steeds onderloopt. Voordien liep de dijk in 'Den Bout' gewoon rechtdoor in de richting van Wolpheren, een dorp dat tussen Gorkum en Hardinxveld heeft gelegen. Ten zuiden van Hardinxveld en Giessendam was jarenlang een zogenaamde binnenzee, ontstaan in 1421 toen de Sint Elizabethsvloed ten zuiden van de Merwede gelegen Grote Waard overstroomde, waarbij veel dorpen in de golven zijn verdwenen. Pas eeuwen later is op de plaats van dit grote meer de Biesbosch ontstaan. Om de gevaren voor overstroming van de Alblasserwaard tegen te gaan werd in 1739 besloten als slaperdijk de zogenaamde Groenendijk aan te leggen vanaf de nieuwe Wolpherense dijk (bij Gorkum) naar de rivierdijk, ongeveer op de scheiding tussen Boven-en Neder-Hardinxveld. De terreinen waar men de grond voor de dijk weghaalde worden sindsdien 'De Putten' genoemd. Door aanleg van deze dijk ontstond er een buffergebied zodat bij doorbraken van de zwakke dijk alleen Hardinxveld zou overstromen en de rest van de Alblasserwaard gespaard zou blijven. De praktijk was echter anders. Bij de grote overstromingen (1740, 1744, 1809 en 1820) stond de gehele Alblasserwaard onder water en bleef Hardinxveld gespaard, omdat het water via de Lek- en Lingedijken binnenstroomde. De Hardinxveldse dijk en polder was toen een toevluchtsoord voor mensen en vee uit het hele rampgebied. In 1818 groef men ten behoeve van de Linge-uitwatering aan de noordkant langs de Groenendijk het Kanaal van Steenenhoek. Waar het kanaal op de rivier uitkwam werd tevens een stoomgemaal gebouwd, dat in 1942 werd vervangen door het huidige Mr.Dr. Kolffgemaal. De laatste overstroming, waarbij alleen een deel van Giessendam last van het water had, dateert van 1953, toen onder andere de dijk bij Giessendam doorbrak. 1.1.4. Middelen van vervoer De rivier de Merwede was vroeger vrijwel de enige vervoersmogelijkheid van en naar elders. Voor het vervoer over land konden de tiendwegen worden gebruikt. Daarnaast kon men over de slecht begaanbare rivierdijk naar de beide aangrenzende plaatsen. Die dijk op zich stelde vroeger maar heel weinig voor. Eigenlijk was er slechts sprake van een lage aarden wal, waaraan woningen waren gebouwd. In 1634 werden de beide dorpskernen, de Buurt en de latere Peulenstraat, van een klinkerbestrating voorzien. De rest van de dijk werd met een zandlaag afgedekt. Eens reed over deze dijk de postkoets. Sinds 1835 was er een passagiers- en goederendienst met Dordrecht en Rotterdam, en later ook met Nijmegen. Deze dienst werd onderhouden door de stoomboten van de Rederij Fop Smit & Co. In 1885 werd de spoorlijn Dordrecht-Gorkum geopend, die enkele jaren later werd doorgetrokken naar Geldermalsen. Uit die tijd stamt ook de Parallelweg, die nodig was om het station voor Hardinxveld en Giessendam te bereiken dat men precies in het midden tussen de beide dorpen had gebouwd, op de plaats waar nu Giessenzoom is. Dit betekende tevens dat de achterdijk (de achterste dijk van de Hardinxveldse polder, grenzend aan de Giessen) zijn functie van 'verkeers'weg kwijtraakte. Door de aanleg van de spoordijk dreigde het gevaar dat de beide windmolens, de Pauwtjesmolen en de Spindermolen, die de Hardinxveldse polder bemaalden, onvoldoende windvang zouden hebben. Er werd een schadevergoeding van f 12.000, ¿ bedongen, bedoeld voor het verhogen van de molens. Die verhoging werd echter niet uitgevoerd, omdat men de molens ging vervangen door gemaaltjes. Later bouwde men een nieuw station nabij de overweg naar Binnendams. Als een van de crisiswerken werd in de jaren dertig de rijksweg A15 aangelegd. Hierdoor kwam de Peulen binnendijks te liggen en kreeg Buitendams de functie van slaperdijk. 1.1.5. Kerkelijke historie Als in 1591 Boven-Hardinxveld haar eerste predikant krijgt (Reinier Reiniersz). van Dortmund blijkt ook de reformatie in Hardinxveld zijn intrede te hebben gedaan. In 1597 werd een oude vervallen kapel, staande 'op het beneden einde van Hardinxveld', dus bij de grens met Giessendam, ingericht voor de erediensten van de inwoners van Giessendam en Neder-Hardinxveld. Vanaf dat moment werd hier elke zondagmiddag dienst gehouden. De ene week door de predikant van Boven-Hardinxveld, de andere week door die van Giessen-Oudekerk. De kerk van Boven-Hardinxveld is bij een vijandelijke inval bijna geheel afgebrand en rond 1723 weer herbouwd. De toren, die bij de brand gespaard bleef en los stond van de kerk, is in 1845 afgebroken. Nadien onderging de kerk enkele ingrijpende verbouwingen. In de kerk bevond zich een statige graftombe ter ere van Pompejus de Roovere, die in 1935 is overgebracht naar de Grote Kerk van Dordrecht waar deze Hardinxveldse heer begraven ligt. De hiervoor genoemde kapel werd in 1698 afgebroken en vervangen door een nieuwe kerk. In 1729 werden de zelfstandige kerkelijke gemeenten Giessendam en Neder-Hardinxveld samengevoegd. De toren werd in 1821 vernieuwd en het kerkgebouw in 1843. Na de Afscheiding van 1834 ontstond er in Giessendam een Gereformeerde Kerk. In 1841 bouwde men in Buitendams een eigen kerkgebouw. Ook na de Doleantie (1886) ontstonden in Hardinxveld enkele nieuwe kerkgenootschappen. 1.1.6. Groei en ontwikkeling In verband met een belastingheffing werd er in 1514 in alle dorpen van Holland een inventarisatie gehouden. In Hardinxveld stonden toen 75 huizen ('haardsteden') en zeker een derde van de bevolking leefde toen in armoede. De middelen van bestaan waren visvangst, terwijl er ook landbouw werd bedreven, er koeien werden gehouden en er werd gewerkt aan de dijken. In Giessendam bestonden toen al grienden. In 1622 had Hardinxveld 641 en Giessendam 711 inwoners. Nadien is de groei van Hardinxveld sneller gegaan, zodat het groter werd dan de buurgemeente Giessendam. In 1875 telde Hardinxveld 483 weerbare mannen van 18 tot 60 jaar. 120 hiervan hielden zich bezig met de zalmvisserij. Daarnaast werd er ook op andere vissoorten gevist. In 1789 waren er 285 huizen en zes jaar later bedroeg het aantal inwoners 2.109. In 1890 telde Hardinxveld 4.854 inwoners (Giessendam 3.548). Eind 1956 waren deze aantallen 8.205 voor Hardinxveld en 5.082 voor Giessendam. Door de structuur was de grond in Hardinxveld minder geschikt voor veeteelt -in tegenstelling tot de grond in Giessendam- en werd dan ook veel gebruikt voor de teelt van griendhout. Ook waren er enkele tuinderijen. De riviervisserij, die met name in Boven-Hardinxveld werd uitgeoefend, bleef lange tijd de belangrijkste bestaansbron. Boven-Hardinxveld was rond de eeuwwisseling een van de belangrijkste visafslagen van ons land, waar o.a. zalm, steur, houting, fint en elft werd verhandeld. De visserij werd uitgeoefend met behulp van drijverschuiten. In beide dorpen was de aannemerij van betekenis. Griendhout werd gebruikt voor de vele dijkwerken; wilgehout werd ook gebruikt voor de fabricage van hoepels in de vele hoepmakerijen. Vooral Giessendam kende in het begin van de 20e eeuw veel hoepmakerijen. Door verschillende oorzaken, waarvan de kanalisatie van de Rijn de belangrijkste was, liep de visstand terug en was deze vorm van bestaan niet meer lonend. De vissers vonden ander werk op scheepswerven en in aannemingsbedrijven. En als er voldoende geld was kon er een klein binnenvaartscheepje worden gekocht. Door de stijging van de arbeidslonen zocht en vond men een alternatief voor de hoepen. Om de vele tonnen en kuipen werden voortaan ijzeren hoepels gedaan en de vroegere hoepmakers gingen werken in de timmerfabrieken in Giessendam. Dit was het begin van de industrie in Giessendam. In Hardinxveld waren al eerder fabrieken, zoals de reeds voor de eeuwwisseling gestichte ijzergieterij en de in 1902 gestichte scheepswerf Van Vliet Co., de huidige Schipyard Merwede. Nadien zette de ontwikkeling tot industriegemeente goed in. De groei en ontwikkeling van de dorpen Hardinxveld en Giessendam kwam pas goed op gang na de samenvoeging in 1957. Die groei startte toen in het begin van deze eeuw de Nieuweweg werd aangelegd en er eveneens huizen werden gebouwd aan de Buldersteeg, de huidige Koningin Wilhelminalaan. Toen er later nieuwe uitbreidingen volgden was de samenvoeging van de liberale aannemersgemeente Hardinxveld met de anti-revolutionaire gemeente Giessendam (de situatie zoals die rond 1990 nog gekend werd) al volop in voorbereiding. Aanleiding tot de samenvoeging van de gemeente Hardinxveld met de gemeente Giessendam was de Peulen. In 1917 was al sprake geweest om een deel hiervan bij Giessendam te voegen. De met realisatie van woningbouw in dit gebied gemoeide kosten waren er de oorzaak van dat dit niet doorging. Dit veranderde na de aanleg van de rijksweg, toen de Peulen een binnengedijkt gebied werd. Er ontstond een -papieren- strijd om het gebied, wat in 1949 leidde tot een voorstel tot samenvoeging. Het agrarische deel van Giessendam, het voormalige Giessen-Oudekerk, zou echter bij Giessenburg worden gevoegd, wat tot tal van protestacties leidde. Desondanks is het voorstel van destijds met enkele kleine grenswijzigingen uitgevoerd. Nieuwbouwwijken werden gebouwd. In Boven-Hardinxveld verrezen in de naoorlogse jaren twee wijken: Boven-Hardinxveld-West en Boven-Hardinxveld-Oost. Nadien werd de Peulen gebouwd, gevolgd door de Wielwijk. Toen daar geen bouwmogelijkheden meer waren begon men met bouwrijp maken Giessendam-West en Tienmorgen. Intussen waren er ook industrieterreinen gekomen: En de noord-oost hoek van de Peulen, rondom de Havenstraat, in het westelijk gedeelte van de Peulen en tenslotte tussen de Sluisweg en de Nieuweweg. Voorts mogen drie facetten van de 20e eeuw niet ontbreken. Allereerst de Tweede Wereldoorlog. Ook voor Hardinxveld had dit bijzondere betekenis. Afgeworpen bommen (inv.nr. 1597), het vestigen van een uitkijkpunt in de toren van de Ned. Herv. Kerk (inv. nr. 660), het huisvesten van geëvacueerde inwoners van Batenburg (inv.nr. 1845), doch evenzeer het vertrek van de joodse familie meiboom uit deze plaats aan de Merwede (inv.nr. 1145). Gedurende de periode 1940-1945 was er geen sprake van taakuitoefening door de gemeenteraad resp. het college van burgemeester en wethouders, maar door de burgemeester. Deze beraadslaagde over een aantal gemeentelijke zaken met de wethouders. Als gevolg daarvan zijn alleen van de laatste 'bestuurlijke' vergaderingen notulen aanwezig. Niet voor niets was men in 1945 In Hardinxveld verheugd dat burgemeester K. de Boer weer in volle rechten zijn burgemeesterambt kon uitoefenen. De watersnood heeft in de gemeente Hardinxveld beperkte schade toegebracht (inv.nrs. 1612-1617). Het laatste facet in de geschiedenis van Hardinxveld is de samenvoeging met de buurgemeente Giessendam per l januari 1957. Dit was een gevolg van de Wet van l augustus 1956 tot hierziening van de grenzen van de gemeente Giessendam, Giessen-Nieuwkerk, Hardinxveld, Peursum, Schelluinen en Sliedrecht, Staatsblad 426. De samenwerking tussen de beide gemeenten ging, zo kan wel eens worden geconstateerd, beter ten tijde van hun volledige zelfstandigheid dan ten tijde van besprekingen over politieke besluitvorming van de samenvoeging van Hardinxveld met Giessendam. 1956 was in dit verband een markant jaar. Over geschiedkundige zaken uit de periode van het zelfstandige Hardinxveld en dito van Giessendam kan men thans onderzoek doen evenals dat in de toekomst het geval zal zijn met zaken uit de periode na 1956 van de huidige gemeente Hardinxveld-Giessendam.
De Gereformeerde kerken in Nederland zijn in 1892 ontstaan door de vereniging van de Christelijke gereformeerde kerk, voortgekomen uit de kerken van de afscheiding van 1834 en de Nederduits-gereformeerde kerk dolerend van de doleantie (1886). De Gereformeerde kerk van Dordrecht vormt hierop geen uitzondering, zij het dat de daadwerkelijke eenwording hier eerst in 1903 plaats vond. Afscheiding en doleantie, twee begrippen die onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis van de Gereformeerde kerken, zowel landelijk als in Dordrecht. Het reglement, dat koning Willem I in 1816 de Nederlands-hervormde kerk oplegde, bracht aanvankelijk wel de noodzakelijke rust, maar werd later de bron van grote interne kerkelijke onenigheid. Enerzijds de straffe hiërarchische organisatie met grote macht voor de synode en provinciale kerkbesturen en grote invloed van de koning, maar anderzijds vooral de ruimte die aan rationalisten werd gegeven, onder andere in de soepele proponentsformule, deed bij confessionelen, die vast wilden houden aan de belijdenisgeschriften, het verzet tegen de in feite wezensvreemde reglementen toenemen. Religieuze bewegingen als het reveil verbonden gelijkgestemden in steeds sterkere mate met elkaar, talloze eenvoudige, orthodoxe gelovigen zochten hun heil in conventikelen. In 1834 kwam het tot een openlijke botsing tussen confessionelen en de verlichte hogere kerkbesturen. In Ulrum werd de rechtzinnige predikant H. de Cock eerst geschorst en later afgezet wegens zijn hardnekkig verzet tegen de invoering van de evangelische gezangen, zijn doopsbediening aan kinderen uit andere, liberale gemeenten en het geven van orthodox godsdienstonderwijs aan leerlingen uit omliggende plaatsen. En toen zijn medestander H.P. Scholte van Doeveren, Genderen en Gansoijen zonder verlof van de consulent in Ulrum preekte en daarvoor geschorst werd, kwam het in het Friese Ulrum en het Noordbrabantse Genderen tot de akte van afscheiding of wederkering (31 oktober 1834). Andere gemeenten en personen volgden zonder dat er overigens sprake was van een algemene, massale uittocht. Velen van de leidende figuren in confessionele en orthodoxe kringen vonden afscheiding niet de juiste weg naar kerkherstel en keurden de handelwijze van De Cock en Scholte scherp af. Scherp was ook het optreden van de overheid, die zich beriep op de artikelen 291 - 294 van het Wetboek van strafrecht. Wel werd de mogelijkheid van registratie en erkenning geopend bij Koninklijk besluit van 5 juli 1836, nummer 42, maar dan moesten de afgescheidenen uitdrukkelijk het predikaat 'gereformeerd' laten vallen, wat door de meeste gemeenten pertinent geweigerd werd. Maar zonder die registratie en erkenning waren hun samenkomsten van twintig of meer personen verboden en volgde soms felle vervolging. Kaart van kerkelijk Nederland. door C.N. Impeta, 1970. Voor het algemene gedeelte is vooral hieruit geput. In Dordrecht is aanvankelijk weinig te merken van neigingen tot afscheiden. Pas eind 1835 gaven enkele, zeer onaanzienlijke gemeenteleden te kennen dat zij zich geschrapt wilden zien uit de lidmatenboeken, waaraan de Kerkeraad zonder veel ophef gevolg gaf. In de volgende jaren volgden anderen hun voorbeeld, maar het totale aantal bleef tamelijk beperkt, een schamel groepje slechts. In de loop van 1836 hadden zij zich evenwel zodanig verenigd, dat op de Provinciale vergadering van de afgescheidenen op 19 februari van dat jaar er sprake kon zijn van een gemeente te Dordrecht. Maar volgens Hervormde bronnen telde de Ring Dordrecht, dat is stad en Dubbeldam, nog slechts zeventien afgescheidenen, en alle deze personen zijn voorts menschen van zeer gebrekkige kennis; met eene uitzondering van lagen stand en van geringen invloed. Die ene uitzondering was de koekenbakker A. de Visser in wiens huis in de Prinsenstraat op 11 april 1837 de eerste kinderen in de gemeente door dominee H.P. Scholte werden gedoopt. Een Kerkeraad werd in dat jaar wel gekozen, maar schijnt niet voor 1838 bevestigd te zijn. Betreft waarschijnlijk alleen diegenen, die zich schriftelijk of op een andere wijze openlijk hadden afgescheiden, geen kinderen. Toen de kerk in 1839 een beroep op De Cock uitbracht, telde zij 87 zielen. De diensten werden soms wel, naar schatting van omwonenden, door 4 à 500 mensen bijgewoond. In of omstreeks 1840 kreeg de kleine gemeente de beschikking over een eigen gebouw, de leegstaande houten manege aan het Kromhout, die gehuurd werd van J. Sterk van de Weg, die overigens zelf nog geen lid was. De gemeente telde toen nog geen honderd lidmaten, maar de diensten trokken soms toch enkele honderden belangstellenden of nieuwsgierigen. Die samenkomsten waren echter verboden. Het Koninklijk besluit van 5 juli 1836 verbood ten eerste de naam 'gereformeerd' en ten tweede de samenkomsten van afgescheidenen zolang wettelijke erkenning niet was verkregen. Als er in een plaats een eenigzins aanmerkelijk aantal personen was, dat een afgescheiden gemeente zou willen vormen, dan dienden dezen zich met een individueel getekend adres tot de koning te wenden. Ondertussen was bij samenkomsten van meer dan twintig personen, onder toepassing van de artikelen 291 - 294 van het Wetboek van strafrecht, toestemming van het plaatselijk bestuur noodzakelijk. In mei 1841 vroeg A. de Visser met 32 anderen de koning om erkenning als Christelijke afgescheiden gemeente, het woord 'gereformeerd' hadden ze al laten vallen. Door de gouverneur van Zuid-Holland om advies gevraagd reageerde de Dordtse burgemeester, ondanks bedenkingen positief. Maar de minister van staat voor de Hervormde eredienst, die uiteindelijk over de toelating moest beslissen, was niet tevreden en vroeg nadere inlichtingen. In een uitvoerige toelichting schetste de burgemeester nu de armetierige kudde: er is er eigenlijk maar één van enige welstand, alleen die koekenbakker A. de Visser, de rest is nauwelijks in staat de eigen naam foutloos te schrijven. Het gebouw was een voormalige houten manege en over de financiële toestand van de gemeente gaf hij bepaald niet hoog op. Hij betwijfelde of ze wel de eigen armen zouden kunnen ondersteunen. De minister beschikte uiteindelijk in november afwijzend. Een viertal processen wegens ongeoorloofde godsdienstoefeningen waren het gevolg, processen die overigens weinig fanatiek door justitie gevoerd werden: steeds acht gulden boete en de kosten. Op 9 januari 1841, Willem II had inmiddels zijn vader als koning opgevolgd, werd het Koninklijk besluit van 5 juli 1836 gewijzigd en werden de toelatingsnormen versoepeld. Maart daarop volgend zond A. de Visser het verzoekschrift opnieuw in. De burgemeester adviseerde weer niet negatief, mits uitdrukkelijk vermeld werd, dat de afgescheidenen geen aanspraak zouden maken op vergoeding voor hun armen uit de stadskas. De minister besliste tenslotte eveneens positief. Een zeer kleine groep afgescheidenen weigerde erkend te worden en ging als Gereformeerde gemeente onder het kruis zijn eigen weg. De komende jaren zijn voor de jonge Dordtse gemeente zeer moeilijk geweest. De eerste predikant, de nog onervaren 27-jarige P.M. Dijksterhuis, werd geconfronteerd met conflicten over de kerkorde, vooral nadat de gemeente op 15 augustus 1842 in navolging van de synode van Amsterdam (1840) de Dordtse kerkorde weer had aangenomen. Op een gemeentevergadering in de koude decembermaand van 1842 ging het er zo verhit aan toe, dat de heftig aangevallen predikant onder politiebescherming de kerk moest verlaten. Een geschorst Kerkeraadslid wist zich meester te maken van de sleutels van het orgel en steun van de Kerkmeester. Een proces moest uiteindelijk uitsluitsel geven over de vraag wie de wettelijke Kerkeraad was. Zaterdag 24 december, op kerstavond, werd de kerk opengebroken door de politie ten behoeve van Dijksterhuis en de meerderheid van de gemeente. De zinsnede in de notulen de godsdienst in de Kersttijd met veel stigting mogen gehouden worden moet met de nodige twijfels gelezen worden! Het waren vooral de sympathisanten van dominee Scholte, voorvechter van het eerste uur, maar nu in eigen kringen in de contramine, die dwars lagen. Pas toen Scholte met een groot deel van zijn aanhang aan het eind van de jaren veertig naar de Verenigde Staten (Pella, Iowa) emigreerde, keerde de rust weer. Financiële problemen teisterden de kleine gemeente en de lange kerkdiensten putten de leraar uit en belemmerden grote opkomst. Moe en toch wel teleurgesteld nam Dijksterhuis in 1848 een beroep aan naar Genderen, lauwheid van de gemeente en financiële perikelen: het traktement in Dordrecht was te laag om een redelijke staat te kunnen voeren die passend was voor zijn ambt. Zijn opvolger, dominee S. Flesch, arriveerde een jaar later. Nieuwe problemen volgden in zijn kielzog. Eind 1850, toen een grote meerderheid van Kerkeraad en gemeente zich van hem had afgewend, werd hij door de Classis geschorst en in maart 1851 afgezet. Hij sloot zich aan bij de kruisgezinden, maar verliet hen in november 1853 na hevige ruzies. De rust keerde weer, de kerk kon aan de opbouw beginnen. In 1869 sloten de kruisgemeente en afgescheidenen zich bij elkaar aan onder de naam Christelijke gereformeerde kerk. De beide Dordtse gemeenten volgden het landelijke voorbeeld, zij het dat beide groepen hun afzonderlijke kerken bleven behouden: Afdeling Kromhout en Afdeling Kuipershaven, later Lindengracht. Tot werkelijke eenwording kwam het niet en in 1896 zouden beide weer huns weegs gaan. Niet alle rechtzinnigen hadden in 1834 de Nederlands-hervormde kerk verlaten, integendeel, het merendeel bleef binnen de oude kerk de strijd tegen het modernisme en vrijzinnigheid voortzetten. Een strijd, die in Abraham Kuyper een veldheer vond die in 1886 een nieuwe grotere afscheiding teweeg bracht: de doleantie. De rechtzinnige krachten die de Dordtse orthodoxen in de doleantie hadden moeten leiden, hadden in 1880 een gevoelige nederlaag tegen de synode geleden en daarin moet een oorzaak gezocht worden voor het feit dat predikanten als Eigeman, Hoogenhuijze en Kromsigt in 1886 de beslissende stap niet durfden te wagen. Daarbij kwam dat de plaatselijke Hervormde Kerkeraad vrijwel geheel orthodox was en nog slechts twee van de acht predikanten modern. Het was dan ook een betrekkelijk kleine groep van omstreeks driehonderd leden die zich in april 1887, tevergeefs, tot de Kerkeraad wendde met het verzoek tot reformatie van de kerk over te gaan. Kort daarvoor had de Klundertse predikant Van Veelo in zaal 'Van der Horst' een lezing gehouden over de reformatie der kerken (16 maart) en op 28 maart dominee F.P.L.C. van Lingen uit Zetten om hier propaganda te maken voor het doleeren. In korte tijd organiseerden de dolerenden zich. Op een vergadering, weer in lokaal 'Van der Horst' stelde een van de voortrekkers, Herngreen, voor naast een Kerkeraad een financiële commissie te benoemen. Dominee Van Veelo, die als consulent fungeerde, verduidelijkte dat we eigenlijk gezamenlijk een soort financiële vereeniging moeten vormen, terwijl de benoemde Kerkeraadsleden tevens leden zijn van het bestuur dier vereeniging. Als Kerkeraad werd nog geen rechtspersoonlijkheid aangevraagd, omdat de Kerkeraad in feite als de wettige Dordtse (Hervormde) Kerkeraad beschouwd werd. De dolerenden koesterden aanvankelijk de hoop, in tegenstelling tot de afgescheidenen in 1834, dat de breuk niet definitief zou zijn en dat de Hervormde kerk tot inzicht en reformatie zou komen. Die financiële vereniging waar dominee Van Veelo op doelde, de Vereniging 'De kerkelijke kas', met inderdaad in de eerste jaren de Kerkeraadsleden als bestuur, verkreeg nog in 1887 rechtspersoonlijkheid en startte met de bouw van een houten noodkerk, de Westerkerk, die begin 1888 al in gebruik genomen kon worden. Toen ook landelijk bleek dat van terugkeer naar de Hervormde kerk of van reformatie van die kerk geen sprake kon zijn, werd toenadering gezocht tot de afgescheidenen ten einde aan de verdeeldheid onder de gereformeerden een einde te maken. Niet zonder problemen vond in 1892 de eenwording van de Christelijke gereformeerde kerken en de Nederduits-gereformeerde kerken dolerend op synodaal en classicaal niveau plaats. De lokale samensmelting werd aan de kerken zelf overgelaten. Binnen het nieuwe synodale verband noemden de Dordtse gemeenten zich na 1892 Gereformeerde kerk van Dordrecht met als toevoeging voor de Afdeling Kromhout A, Lindengracht, de voormalige kruisgemeente dus, B en de dolerenden van de Westerkerk C. In 1896 besloot op dogmatische gronden de grote meerderheid van B het kerkverband te verlaten en zich te voegen bij hen, die zich steeds Christelijke gereformeerde kerken waren blijven noemen. De daadwerkelijke samensmelting van A en C liet dan nog zeven jaar op zich wachten. Bij de afgescheidenen heerste wantrouwen tegenover de dolerenden, die vijftig jaar langer onder het synodale juk hadden geleefd, wantrouwen jegens die vroegdopers en de nodige scepsis ten aanzien van de financiële positie. Aan de andere kant moesten de dolerenden niet zoveel hebben van de meer bevindelijke gereformeerden van het Kromhout en de bouw van hun nieuwe kerk, de Wilhelminakerk, op stapel gezet zonder enig vooroverleg met de dolerende broeders in hun tochtige, koude houten noodkerk aan de Muijs van Holijstraat, viel niet in goede aarde. Maar na elf jaar overleg en oeverloos discussiëren in steeds weer nieuwe commissies kwam in september 1903 de definitieve eenwording tot stand.Notulen van de Gereformeerde kerk A en C over deze periode. Toen in 1903 de ene Gereformeerde kerk van Dordrecht een feit werd, telde de gemeente ruim 2500 leden, wat een verdubbeling betekende van de som van de beide kerken omstreeks 1890. De periode van spectaculaire groei was toen echter definitief voorbij, consolidatie en geleidelijke groei kenmerkten de volgende perioden. De eerste jaren werden bepaald door organisatorische problemen. Verschillen in organisatie in beide samenstellende delen, diverse kassen en verenigingen uit de doleantietijd moesten in het nieuwe kader gepast worden. Een conflict rond de Bouwkas 'De hoop' omstreeks 1925 voerde nog terug tot de tijd van voor 1903. Deze kwestie kwam pas tot oplossing toen de Kerkeraad besloot de houten Westerkerk te vervangen door een permanent gebouw. De gelden zijn door de voor-zitter van de Orgelcommissie uiteindelijk afgedragen aan de Commissie van administratie en beheer. In 1927 werd de Julianakerk gebouwd. Toen in 1937 het aantal leden de 4000 begon te naderen, werd een derde predikant en een derde kerk wenselijk. Een predikant werd in 1939 beroepen, maar de bouw van een nieuwe kerk werd door de Tweede Wereldoorlog voorlopig verhinderd. Sinds 1940 werden in het gebouw 'Irene' aan het Stek onregelmatig diensten gehouden als er een predikant beschikbaar was. Na de oorlog werd een gehuurd gebouw 'Helpt elkander' voor hetzelfde doel in Dubbeldam gebruikt. Dit gebouwtje, in 1947 van de werkliedenvereniging aangekocht, werd in 1949 tenslotte na een ingrijpende verbouwing veranderd van een min of meer obscuur zaaltje met schreeuwerige coulissen en reclames in een vriendelijk kerkje en herdoopt in de Rehobothkerk. Nadat de plannen voor de bouw van een betonnen noodkerk aan de Twintighoevenweg door de gemeentelijke overheid getorpedeerd waren, in 1958 aan de Staart de Petruskapel in gebruik genomen werd, kon tenslotte op 13 mei 1960 de eerste paal voor de Stephanuskerk in de grond geheid worden als fundament voor de wijk Crabbehof - Wielwijk. Een half jaar later, op 1 januari 1961, werd Dubbeldam zelfstandig. Inmiddels was het predikantenkorps tot vijf man uitgebreid, mede noodzakelijk geworden door een vernieuwde taakopvatting. De evangelisatie, waarvoor in 1942 besloten was een kandidaat te benoemen, zonder uitzicht op beroep overigens, en de verwante Stichting 'Jeugdhaven' groeiden te zamen uit tot een semi-zelfstandige prosparochie 'Zeehavenlaan' met dominee Bonda in 1956. De Gereformeerde kerk van Dordrecht ontwikkelde zich tot een complexe stadskerk, waarvoor de oude organisatie met een Kerkeraad, Diaconie en Commissie van administratie en beheer, niet meer volledig functioneerde en reorganisatie volgens model van de vernieuwde kerkorde noodzakelijk maakte (1 januari 1962). Dit jaartal is dan ook als afsluiting voor de inventarisatie gekozen. 1.2 Organisatie De Gereformeerde kerken kennen drie soorten ambtsdragers: predikanten, ouderlingen en diakenen. Ouderlingen en predikanten vormen samen de smalle Kerkeraad voor de uitoefening van tucht, herderlijke zorg, lidmatenadministratie en toelating tot avondmaal en doop, met de diakenen vormen zij de brede Kerkeraad voor stoffelijke zaken, beroeping van predikanten, benoeming en kandidaatstelling van ambtsdragers. Diakenen vergaderen daarboven nog afzonderlijk als Diaconie voor de bedeling, tegenwoordig vooral maatschappelijke zorg en werelddiaconaat. Voor de uitvoering van bepaalde taken kan de Kerkeraad zich laten bijstaan door commissies, die geen deel van de Kerkeraad behoeven uit te maken. Wanneer het aantal ouderlingen en diakenen beperkt is, behoeft geen splitsing in smalle - brede Kerkeraad en Diaconie plaats te vinden. Het is opvallend dat de afgescheidenen, die klein, met vier ouderlingen en twee diakenen ongescheiden begonnen, ook later, toen de aantallen vergroot waren, als een college bleven optreden. De diakenen hadden wel de eigen specifieke taak, maar vergaderden niet afzonderlijk. Ook de stoffelijke zaken werden geheel door de Kerkeraad afgedaan, een Kerkeraad die bovendien nog van 1868 - 1894 als schoolbestuur fungeerde. De dolerenden kenden een meer geavanceerde organisatie. Kerkeraad, Diaconie en tot 1898 lag de zorg voor stoffelijke zaken en het beheer van de goederen in handen van de Vereniging 'De kerkelijke kas', die in feite de rechtspersoon van de kerk was. Toen in 1903 de Gereformeerde kerken A en C zich verenigden, B was sinds 1896 zijn eigen weg gegaan, met een Kerkeraad, werd in grote trekken het organisatiemodel van de dolerenden gevolgd: Kerkeraad, in smal en breed verband vergaderend, Diaconie en Commissie van administratie en beheer. Vanaf 1927 vergaderden de ouderlingen, voorafgaand aan de smalle Kerke- raadsvergadering, sectiegewijs. In 1950 werd dit zodanig gewijzigd dat de smalle Kerkeraad de eerste donderdag van de maand in vier secties vergaderde, de tweede donderdag collegiaal. Na 1952 werden de vergaderingen van de smalle Kerkeraad beperkt ten gunste van een wat grotere zelfstandigheid van de secties, zonder dat dit grote invloed had op de totale organisatie.Jaarboekje 1950. Eerst in 1962 werd de structuur gewijzigd in afzonderlijke wijkraden en een Kerkeraad algemene zaken, maar die periode valt buiten het bestek van deze inventaris. Evangelisatie en zending, taken van de Kerkeraad, worden behartigd door afzonderlijke commissies. De Commissie van administratie en beheer draagt zorg voor de stoffelijke belangen namens de Kerkeraad: inning van vrijwillige bijdragen, beheer van onroerende goederen en financiële administratie. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld de bouw of restauratie van een kerk, de aanschaf van een orgel, kan de Kerkeraad besluiten ad hoc een speciale commissie in te stellen ter ontlasting van de werkzaamheden van de Commissie van beheer. Wel blijft deze zich intensief met die werkzaamheden bemoeien, levert doorgaans een groot deel van de leden en neemt na opheffing de taken en archief over.
De verhouding van het Leeuwarder Stadsbestuur tot de voogden van het bij testament van 14 november 1534 door Auck Pieters gefundeerde Weeshuis was zeer wisselend. Herhaaldelijk waren er langdurige onenigheden, met name op het vlak van de financiën en de opname van wezen met wier onderhoud de stad bezwaard was, waartoe het Weeshuis zich in 1596 had verplicht. Het aantal dezer "stadswezen" was vooral na de oorlogshandelingen van 1672 zeer toegenomen. Het bleek onmogelijk hen in het bestaande Weeshuis opgenomen te krijgen. Daarom werden zij uitbesteed, hetgeen hoge kosten met zich meebracht terwijl er nauwelijks toezicht op de opvoeding was. Op 10 maart 1674 besloten Magistraat en Vroedschap derhalve tot het oprichten van een eigen Stads Weeshuis, waar de c.200 stadswezen "bequemer in de ware gereformeerde religie christelijck moghen worden opgevoedet". Tot verkrijging van de hiertoe benodigde fondsen werden "Versoeck reedenen tot een Vrijwilligen ende Liberalen Gifte tot Stichtinge van een Weeshuis voor de Weezen der Stadt Leeuwarden" verspreid en de navolgende inzameling onder de burgerij bracht ruim f.28.000 op, net iets meer dan nodig was. Op 11 januari 1675 besloot het Stadsbestuur "dat 't teghenwoordighe Pesthuys ... sal worden geapproprieert ende opgevyselt, nae 't concept van de vier meesteren timmerluyden ..." tot een Weeshuis. * Een Commissie uit Magistraat en Vroedschap kocht diverse panden en terreinen aan, gelegen aan Jacobijnerkerkhof, Nieuweburen en Schoenmakersperk, in de onmiddellijke omgeving van dit Pesthuis, en in maart 1675 werd met de bouw begonnen, die nog in hetzelfde jaar werd voltooid. In januari 1676 betrokken de eerste wezen het (Nieuwe) Stads Weeshuis. Het "Oude Weeshuis" beperkte zich sindsdien tot het opnemen van burgerkinderen en werd naderhand "Old Burger Weeshuis" genoemd. Een proces in 1758/59 over het recht op een legaat aan het "Old Stads Weeshuis" gaf mede de stoot tot het gebruik der onderscheidende namen. Het Stads Weeshuis was financieel bijna geheel afhankelijk van door de Magistraat toegekende subsidies. Als financiële basis kende het Stadsbestuur het Weeshuis enkele bijzondere bronnen van inkomsten toe. Zo besloot de Raad op 17 september 1675, dat de opkomsten van het verhuren van stoelen en banken in de drie Gereformeerde kerken, de Jacobijner-, Wester- en de Galileërkerk, aan het Weeshuis ten goede zouden komen. Tevens werden op 17 december 1675 (onder protest der "gewone" diakenen, die voor hun eigen inkomsten vreesden) door de Raad tien "weesdiakenen" verkozen om in de Gereformeerde kerken een tweede kollekte te houden ten behoeve van het Stads Weeshuis. Deze beide inkomstenbronnen vervielen in 1799, ten gevolge van de scheiding van kerk en staat. Ter compensatie mochten de maandelijks kollekterende buitenvoogden van de Stads Armenkamer nu (tot 1826) ook inzamelen voor het Weeshuis. Nog meer opschudding veroorzaakte het besluit om de leverantie van doodkisten in de stad bij uitsluiting toe te kennen aan het Weeshuis (1676). Ondanks felle protesten der betrokken ambachtsgilden werd ook dit plan doorgezet: in het klokhuis van de kerk van Nijehove werd een timmerwerkplaats gevestigd om de doodkisten te vervaardigen. Dit alleenrecht werd in 1807 opgeheven. De gewone kollekte, die ook voor de stichting van het Weeshuis al jaarlijks in de stad ten behoeve van de arme wezen mocht worden gehouden, bleef bestaan (tot 1826). Verder stond het Stadsbestuur in de beginjaren van het Weeshuis de opbrengst van enkele kleine stedelijke belastingen af. Een aanvullende inkomstenbron meende het bestuur van het Weeshuis in 1752 aan te boren met de exploitatie van de Bank van Lening, waarvoor op 1 december 1752 octrooi van het Stadsbestuur werd verkregen. De winsten bleken echter danig tegen te vallen en in 1771 besloot de voogdij de Bank aan Magistraat en Vroedschap over te doen. Nog twee ontvangstposten van het Weeshuis tenslotte waren niet direkt van het Stadsbestuur afkomstig: de verdiensten der wezen en de makingen en schenkingen van partikulieren. Bij de inkomsten van het Weeshuis treffen wij tot in de 19e eeuw de post "verdiensten der weeskinderen" aan: het door de wezen met binnen of buiten het Weeshuis verrichte werkzaamheden verdiende geld vloeide toe aan de weeshuiskas. Sinds begin 19e eeuw werd dit geld gedeeltelijk uitgekeerd aan de wezen als zakgeld en voor de rest voor hen vastgezet op de Spaarbank. Alleen de winsten van de naaikamer kunnen dan nog onder de ontvangsten van het Weeshuis worden geboekt. Vrijwel van aanvang af heeft het Weeshuis inkomsten genoten uit talloze makingen en schenkingen van partikulieren. Enkele malen hebben aanzienlijke erfenissen het voortbestaan van het Weeshuis zeker gesteld. Toen in de jaren 1740 leningen afgesloten moesten worden om de exploitatie van het instituut te verzekeren, bracht de erfenis van de oud-voogdes Sjucke Huber (+1749) uitkomst. Ook het legaat van de voormalige rentmeester Gerard Jacob Voorda (1805) kwam op een moment dat het Weeshuis er financieel slecht voorstond. Aan de door de overheid afgedwongen opzending van alle wezen uit gesubsidieerde weeshuizen naar de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid in Veenhuizen ontkwam het Weeshuis door de grote erfenis die het in 1823 toeviel van de voormalige wees Jacobus Martinus Baljée, die in Nederlands-Indië fortuin had gemaakt. Ter nagedachtenis aan enkele weldoeners werden feesten voor de wezen ingesteld (b.v. Huberdag, Voordadag), men bestelde portretten (van G.J. Voorda, B. Dorhout) en richtte een monument op voor Baljée, op de binnenplaats van het Weeshuis. Tot in de 19e eeuw volgden de wezen uit erkentelijkheid de lijkstoet van overleden begunstigers. Sommige erflaters stelden voorwaarden aan de besteding van hun legaten of erfenissen, Eelco van Haersma regelde bij testament * de instelling van het Eelco Susanna van Haersmafeest, waarbij naast lekkernijen prijzen voor vlijt en gedrag aan de wezen werden uitgereikt. Baljée stelde beloningen wegens goed gedrag in, uit te keren bij het verlaten van het gesticht en twee jaar daarna, de zogenaamde 1e en 2e Baljée-beloning, groot respectievelijk 40 tot 60 en 20 tot 60 gulden. Daartoe aanleg bezittende wezen moesten uit zijn nalatenschap in staat worden gesteld een predikantenopleiding te volgen. Ook bestemde hij jaarlijks f.1000,- voor verpleging aan het Blindeninstituut te Amsterdam van blinden, bij voorkeur afkomstig uit het NSW of andere liefdadige instellingen te Leeuwarden. De oud-voogdes C.W.F.J. Driessen-van Limburg Stirum (+1872) bestemde de jaarlijkse renten van haar legaat van f.2000,- voor de aanschaf van mutsen en oorijzers voor de weesmeisjes, benevens verdeling der overblijvende gelden onder de keuken-, werk-, en ziekenmeiden. Het nieuwe Stads Weeshuis was een vierkant gebouw met binnenplaats en met de ingang aan het Jacobijnerkerkhof. De achterzijde grensde aan de gracht op het Schoenmakersperk, welke afscheiding, na de demping, in 1865 werd vervangen door een hek. Ingrijpende verbouwingen hebben tot ver in de 19e eeuw niet plaats gevonden. In 1847 konden door een gift van de voogd B. Dorhout de zolders van het gesticht gerepareerd worden. Een schenking van dezelfde bij zijn 40-jarig voogdschap in 1867 maakte het aanbrengen van een nieuwe vleugel in plaats van de gaanderij aan de Perkstraat mogelijk. De achterzijde van het gebouw bleek in 1884 aan vernieuwing toe. Men besloot tot een uitgebreide verbouwing, die in 1888 werd aanbesteed en waarbij de gehele westelijke vleugel van het gesticht werd vernieuwd en tegelijk centrale verwarming, waterleiding e.d. werden aangebracht. In juni 1889 werd de nieuwbouw in gebruik genomen. In het Weeshuis waren verblijfs- en verzorgingsruimten voor de wezen en het inwonend personeel ingericht, benevens een regentenkamer. Ook waren in het complex een bakkerij, brouwerij, schoenmakerij en spin- en breikamer gevestigd, die in 1793 om financiële redenen werden afgeschaft. Tenslotte vond er tot in de 20e eeuw de school onderdak, evenals de in 1753 opgerichte naaischool (ook genoemd: naaiwinkel of naaikamer). Bij de oprichting van het Weeshuis werden er 177 kinderen ondergebracht. De aantallen in het NSW verzorgde wezen fluctueerden in de loop der eeuwen onder invloed van vooral maatschappelijke en medische omstandigheden. Zo waren er in 1685 al meer dan 200, in 1730 ca. 220. Vele der in de 17e en 18e eeuw opgenomen kinderen waren soldatenwezen, wier vaders in Friese regimenten hadden gediend en vaak niet uit Leeuwarden afkomstig waren, zodat de voogden niet tot hun onderhoud verplicht waren. Voor deze verpleging van "militaire wezen" ontving het Weeshuis subsidies van Gedeputeerde Staten. Na 1734 werd het tal wezen nog hoger, toen het Stadsbestuur om de Stads Armenkas te ontlasten besloot armlastige halve wezen, waarvan dus nog een der ouders in leven was, in het Weeshuis te laten opnemen. Protest van de voogden (die slechts volle wezen wensten op te nemen) bij het Hof van Friesland werd afgewezen, zodat er in de jaren 1740 zo'n 270 kinderen in het tehuis verpleegd moesten worden. Dit aantal liep terug tot ca. 100 in 1800 en bleef in de 19e eeuw aanvankelijk vrij stabiel (over 1825-1860 gemiddeld 132 per jaar). Sedert 1875 kwamen er langzamerhand minder wezen: in 1900 waren er 56, in 1940 nog 37 en in 1960 werden 9 kinderen op kosten van het NSW verpleegd. Tot 1953 was het NSW het onderkomen voor de stadswezen, zij het met enige onderbrekingen. De eerste vond plaats in 1795. De Municipaliteit bestemde het Weeshuisgebouw voor de kazernering van de Franse troepen en droeg de voogdij op het Weeshuis onmiddellijk te laten ontruimen. De 120 wezen werden uitbesteed. De voogdij zag uit naar een ander gebouw en huurde de voormalige R.-K. Statie aan de Sacramentsstraat, waar echter slechts een klein aantal wezen kon worden ondergebracht. Daar de kerk in 1797 werd verkocht, moest ook dit onderkomen weer ontruimd worden. Het Provinciaal Bestuur stond de voogden toen toe een gedeelte van het Stadhouderlijk Hof, de vroegere woning der Friese stadhouders, te betrekken. Op 1 november 1797 vonden daar alle 112 wezen een, zij het gebrekkig, tehuis, waar zij bleven tot hun werd toegestaan opnieuw in het oude gesticht aan het Jacobijnerkerkhof te gaan wonen. Dit geschiedde in 1802, nadat het gebouw op staatskosten weer bewoonbaar was gemaakt. Voor de tweede maal moest het Weeshuis ontruimd worden in juli 1941, toen het gebouw door de Duitse Wehrmacht werd gevorderd. Koortsachtig werd naar een ander gebouw gezocht en te rechter tijd verkreeg de voogdij van de familie Van Harinxma thoe Slooten, eigenaresse van de leegstaande Fogelsangh-state te Veenklooster, toestemming om aldaar, om niet, de wezen onder te brengen. Het Weeshuis werd als lazaret in gebruik genomen en na de bevrijding werden er kinderen van politieke gevangenen in ondergebracht, zodat de wezen pas in december 1945 weer in het Weeshuis konden worden verzorgd, gedurende enige tijd nog tezamen met de "oorlogspleegkinderen". Eind 1946 hadden de wezen het Weeshuis weer voor zich alleen. Maar voor het steeds kleiner wordende groepje was het gebouw veel te groot en in het voorjaar van 1953 besloten Burgemeester en Wethouders het Weeshuis te sluiten. De kinderen werden in gezinnen of in andere inrichtingen ondergebracht en de Voogdij droeg het Weeshuisgebouw voor de symbolische som van f.1,- over aan de Gemeente Leeuwarden. Men kocht het pand Emmakade 42 aan als vergaderruimte voor de voogdij, voor het eventueel tijdelijk opnemen van kinderen en voor het onderbrengen van voorraden en archivalia. Een huisbewaarders-echtpaar werd aangesteld. Naar aanleiding van de in-werking-treding van de Algemene Bijstandswet per 1 januari 1965, waarbij de bijstandsverlenende taak op Burgemeester en Wethouders overging, verloor het NSW de hoedanigheid van burgerlijke instelling van weldadigheid. In 1966 stelde de Gemeenteraad nieuwe statuten vast voor de "Stichting Het Nieuwe Stads Weeshuis", die als doel kreeg: "Het behartigen -door het verlenen van financiële steun- van a. in de eerste plaats de belangen van Leeuwarder jeugd, b. in de tweede plaats op sociaal of maatschappelijk gebied liggende algemeen Leeuwarder belangen". Op 16 mei 1967 benoemde de Raad het bestuur van de nieuwe stichting. Het bestuur van het Weeshuis werd in het reglement van 1677 opgedragen aan vijf voogden en vier voogdessen. In dit bestuur had de stedelijke overheid grote invloed: drie van de voogden waren politiemeesters, behorend tot de Magistraat, twee werden gekozen uit de "Breede Gemeente", de burgerij. Al in 1679 werd het aantal voogden met één vermeerderd en in januari 1688 werd het bestuurscollege gebracht op vijf voogden (één uit de Vroedschap en vier uit de burgerij), vier voogdessen plus de drie politiemeesters. Het aantal voogdessen werd in oktober 1688 tot vijf uitgebreid. Deze dertien personen tezamen werden ook wel de Regenten van het Huis genoemd (1768). De grootste verandering in de samenstelling van het Weeshuisbestuur die daarna nog plaatsvond, was het verdwijnen van de drie politiemeesters: rond 1811 werd hun aantal teruggebracht tot één en in 1827 stelde de Raad een nieuw reglement vast, waarin het bestuur van het Stads Weeshuis, onder oppertoezicht van B & W, wordt toegekend aan de vijf voogden en vijf voogdessen. In het reglement van 1855 ten nadele der laatsten gewijzigd in: "Het bestuur wordt ... uitgeoefend door vijf Voogden. Deze worden bijgestaan door vijf Voogdessen". Voogden werden aanvankelijk voor een jaar door de Raad aangesteld en konden daarna opnieuw worden benoemd. De politiemeesters kwamen door een jaarlijkse loting in het Weeshuisbestuur. In 1687 werd bepaald, dat de politiemeesters langer in funktie zouden blijven (en wel zolang zij in de Magistraat funktioneerden) en bij resolutie van 13 januari 1688 stelde de Magistraat de zittingsduur der voogden op vijf jaar. Tot 1768 werden de voogdessen voor het leven benoemd, behalve in de tijd tussen 1693 en 1722 toen haar funktie ambulatoir, d.w.z. tijdelijk was. Ieder jaar op 1 januari diende de langstzittende voogd af te gaan en de Raad uit een door de voogden opgemaakte voordracht in zijn plaats een nieuwe voogd te benoemen. Evenzo ging het na 1768 bij de voogdessen. Aan voogden, voogdessen en politiemeesters was opgedragen "regeeringe en bestier" van het stads Weeshuis. Zij beheerden de goederen en fondsen. Zij zagen erop toe dat de wezen zo goed mogelijk werden verzorgd, onderwezen en in een vak opgeleid. Zij zorgden ervoor, dat de leveranties aan het Weeshuis ten voordeligste geschiedden en zij namen personeelsleden aan. Om dit alles te regelen werd iedere twee weken een vergadering van voogden en voogdessen gehouden. Eens per maand woonden de politiemeesters deze vergadering bij en beoordeelden de besluiten. Belangrijke zaken konden niet buiten hen om beslist worden. Sinds 1827 werden besluiten door voogden en voogdessen bij meerderheid van stemmen genomen. Bij het reglement van 1855 verloren de voogdessen veel invloed. Belangrijke taken werden aan de voogden alleen opgedragen. Zij beslissen, na vooraf "het gevoelen der voogdessen te hebben gehoord". Een der voogden was als rentmeester voor de tijd van één kalenderjaar belast met de "algemene directie en comptabiliteit". In het reglement van 1855 werd de rentmeester tevens met het voorzitterschap bekleed, een der andere voogden werd secretaris. De rentmeester/ voorzitter ontvangt en opent ingekomen stukken, brengt ze in de eerstvolgende vergadering ter tafel, tekent uitgaande stukken en belegt de vergaderingen. De secretaris ondertekent mede de uitgaande stukken. Alle overige werkzaamheden werden geregeld door de voogden en voogdessen onderling: taken als toezicht op het dagelijks huishoudelijk bestuur, toezicht op de "ambachtsjongens", op het onderwijs, op de naaikamer enz. werden aan afzonderlijke voogd(ess)en toegedeeld. Eind 1915 werd besloten, dat de voogden de diverse funkties binnen het bestuur meer permanent zouden kunnen bekleden. Ook werd een penningmeester aangesteld om de taak (en de macht) van de rentmeester te verlichten. Bij de uitoefening van zijn taken werd het NSW-bestuur bijgestaan door een aantal personeelsleden. Het eerste reglement noemt: schoolmeester, keuken- en bovenmoeders, bakker, brouwer, schoen- en kleermaker "en de verdere diergelijke bedieningen", die ter verkiezing van de voogden en voogdessen vervuld zullen worden. Uit het reglement van 1768 blijkt, dat tot die tijd de binnenvader en -moeder, de medicus, chirurgijn, catechiseermeester en naaivrouw door de gezamenlijke voogdij werden benoemd, terwijl de funkties van bakker en brouwer, kleermaker, schoenmaker, breimeester en spin- of linnenmoeder tot dan bij toerbeurt door een der voogd(ess)en werden vergeven. Sinds 1768 moesten ook deze personeelsleden door voogden en voogdessen gezamenlijk worden aangesteld. De afschaffing van het toerbeurtensysteem trof de voogden onaangenaam en werd niet zonder tegenstibbelen geaccepteerd. Alleen de stoelbewaarsterplaatsen (en de vacante stoelen) in de drie kerken bleven volgens toerbeurt ter begeving der regenten. Een aantal der genoemde personeelsfunkties verviel in de loop der tijd (bakker/brouwer, breimeester en de stoelbewaarsters eind 18e eeuw), nieuwe funkties kwamen er bij (ondernaaivrouw, portier, hulpportiers en haarsnijder in de 19e, een onderportier en een 2e onderwijzer(es) in de 20e eeuw). Sinds 1855 werd bij de reglementen een tabel gevoegd, waarop de vaste traktementen dezer "beambten en bedienden" zijn aangegeven, goedgekeurd door de Gemeenteraad. Van 1912-1925 was er een directrice aangesteld in plaats van de binnenvader en -moeder. Een voor het voortbestaan van het Weeshuis belangrijke taak der voogdij was het beheer van de bezittingen van het gesticht. Voor de belegging van verkregen gelden behoefde de voogdij tot 1855 de toestemming van het Stadsbestuur. Daar dit alleen akkoord ging met belegging in waardepapieren (met name Landschapsobligaties) en beleggingen in onroerend goed afwees, bezat het Weeshuis behalve het gestichtsgebouw slechts enkele onroerende goederen, die door vererving waren aangekomen. Zo verkreeg het Weeshuis uit de nalatenschap van Sjucke Huber landerijen en boerenplaatsen in o.a. Birdaard, Dronrijp en Hijlaard. Toen in 1796 en 1797 het in financiële moeilijkheden verkerende Provinciaal Bestuur de verkoop t.b.v. 's Lands kas beval van gedeelten van de zogenaamde publieke corporagoederen, was het Weeshuis gedwongen om behalve een groot deel der obligaties ook deze onroerende goederen te verkopen. In 1871 was het kapitaalbezit door een aantal aanzienlijke schenkingen dermate toegenomen, dat het Weeshuis ter belegging een sate onder Ysbrechtum en land onder Tirns aankocht. Overigens bleef men voornamelijk beleggen in staatsleningen. In 1925 ging men zich zorgen maken over de lager wordende renten en zocht andere wegen om de inkomsten veilig te stellen. Tegen het advies van Gedeputeerde Staten -die goedkeuring dienden te verlenen- doch, na juridische strijd, met goedkeuring van de Kroon werden in de 30er jaren de 2 1/2 en 3% Grootboek Nationale Schuld-inschrijvingen omgezet in 4% leningen en weer later belegd in onroerend goed. Er werden sate's en landen gekocht in Blija (1938), Genum (1940), Cornjum (1947), Raard (1947) en Wijnaldum (1947). De zorg van de weesvoogdij en alle aangestelde funktionarissen gold de "arme stadswezen", onvermogende wezen van "protestantse" religie wier onderhoud ten laste van de stad kwam. Het ging hierbij om kinderen waarvan beide ouders overleden waren, om onechte kinderen, waarvan de moeder overleden en de vader onbekend was, alsmede om door hun ouders verlaten kinderen, indien die ouders in 7 jaren niets van zich hadden laten horen. Voorwaarde was tevens, dat de wezen te Leeuwarden onderstandsdomicilie hadden. Dit was een algemeen principe in de armenzorg: alimentatieplichtig waren de armbesturen van de plaats waar de behoeftige de laatste 4 jaar had gewoond en aan zijn belastingplichten voldaan, of anders diens geboorteplaats. Voor minderjarige kinderen is het onderstandsdomicilie dat van hun vader, voor "onechte" minderjarigen dat van hun moeder. Na 1870 werd de feitelijke woonplaats als onderstandsdomicilie beschouwd. Een reglementswijziging in 1913 maakte de opname in het NSW mogelijk van "te Leeuwarden wonende arme kinderen ... die een onvoldoende verzorging genieten". Niet opgenomen werden, behalve degenen die niet aan bovengenoemde eisen voldeden, wezen jonger dan 6 jaar en wezen ouder dan 17 jaar. Wezen wier ouders Leeuwarder burgerrechten bezeten hadden gingen naar het Old Burger Weeshuis. In de 19e eeuw werd lichamelijke en/of geestelijke gebrekkigheid een reden om een wees niet op te nemen. De jongste weesjes werden tot hun opname in het gesticht op 6-jarige leeftijd, op kosten en onder toezicht van de weesvoogdij uitbesteed. In 1866 nam het St. Anthony Gasthuis deze taak over van het NSW. Sinds 1869 bezat dit Gasthuis een speciaal "St. Anthony Weeshuis" aan het Perkswaltje om deze kleintjes te verzorgen. De Magistraat besliste over de opname van wezen. Bij haar werd een request tot opname ingediend door of voor de wezen. Zij liet de feiten onderzoeken door de Bedienaar der Armen, een stedelijke funktionaris. Later (19e eeuw) lieten de voogden een onderzoek instellen door de binnenvader. Het NSW-bestuur bracht advies uit aan de Magistraat, waarop deze dan al of niet last tot opname gaf. Na 1795 kwam deze beslissingsbevoegdheid achtereenvolgens bij de Municipaliteit (1795-1797), Raad (1797-1802), Gemeentebestuur (1802-1808), Burgemeester (1808-1811), Maire (1811-1814), Burgemeesteren (1814-1824), Burgemeester & Wethouders (1824-1941), Burgemeester (1941-1945) en Burgemeester & Wethouders (1945-1953). Van de nagelaten bezittingen der overleden ouders van kinderen die voor opname in het Weeshuis in aanmerking kwamen, maakte de Bedienaar der Armen een inventaris. In overleg met de rentmeester liet hij de goederen publiekelijk verkopen. De opbrengsten vielen, na aftrek der doodschulden, toe aan het Weeshuis. Evenzo geschiedde met door de wezen uit anderen hoofde verkregen vermogens. Op 24 mei 1824 besloot het bestuur van het NSW "dat de gelden door erfenis als anderzints den wezen aankomende mede door den Rentemeester in den Spaarbank, met bijvoeging der namen van kinderen die dit aanbelangt zullen worden geplaatst". Dit eigen vermogen werd de wezen op hun 23e jaar overhandigd. Sinds 1827 werden de renten ervan, gedurende het verblijf van de rechthebbende wezen in het Weeshuis getrokken, onder de ontvangsten van het gesticht gebracht. Was een wees eenmaal opgenomen, dan diende hij te worden verzorgd: hij werd voorzien van kleding en voedsel, onderwezen in lezen, schrijven, rekenen en "de gronden van onze waare Gereformeerde Godsdienst". Een passend handwerk werd voor hem gezocht, zodat hij, wanneer hij op zijn 20e jaar voorzien van een uitzet het Weeshuis verliet, in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien. De wezen gingen herkenbaar gekleed, aanvankelijk in effen blauwe costuums, vanaf 1741 in verschillende kleuren, eerst half blauw, half zwart, later (1760) half licht- en half donkerblauw. Sinds 1796 gingen de kinderen in egaal donkerblauw gekleed. Een beschrijving uit 1822 geeft aan voor de weesjongens: een buis en broek van donkerblauw karsaai, vest van lichtblauw karsaai, hemd, blauwe en witte das, blauwe wollen kousen, een ronde zwarte hoed en schoenen. Voor de weesmeisjes: een japon van donkerblauw karsaai, blauw baaien onderrok, blauwe en witte doek, mutsjes, hemd, blauwe kousen van wol en schoenen. Sinds 1830 droegen de oudere weesmeisjes een smal oorijzer, aanvankelijk van tin, later (1847) van zilver, waarvan de kosten werden voorgeschoten uit het fonds Lint. Pas in de jaren 1920 kwam er belangrijke wijziging in de wezenkleding, mede door het gebruik van goedkopere (en dunnere) stoffen, al bleef de kleur blauw gehandhaafd. De meisjes kregen een mantel en de jongens een blauw colbert-costuum met 's winters een blauwe jekker. Het oorijzer voor de meisjes bleef (tot 1945). Wegens de kleur van hun kleding werden de wezen uit het NSW wel "blauwe wezen" genoemd, die uit het OBW, in wier dracht de kleur rood voorkwam "rode wezen". Na de 2e wereldoorlog kregen de kinderen meer moderne, zij het uniforme kledij. De stoffen voor de kleding werden door de voogdij zo voordelig mogelijk ingekocht, waarna de kleren door de eigen kleermaker werden vervaardigd. Vanaf 1828 tot 1902 werd een groot deel der wezenkleding in de gevangenis geconfectioneerd. Hoeden en petten werden afzonderlijk aangekocht. Schoeisel werd, zolang er een schoenmaker in het Weeshuis was aangesteld (tot 1793) door deze gemaakt en hersteld, daarna werden leverantie en lapwerk aanbesteed bij inschrijving: de laagste inschrijver werd de opdracht gegund. Bij het verlaten van het Weeshuis kreeg de wees als uitzet enige kledingstukken mee. Sinds 1827 mocht de waarde hiervan niet hoger zijn dan 60 gulden. Het voedsel dat de wezen kregen voorgezet was eenvoudig: roggebrood met boter, peulvruchten, knollen, kool, karnemelkse pap, brij e.d., later ook aardappelen. De wezen dronken bier, hetgeen in 1813 werd vervangen door put- of regenwater. Tot 1793 kwamen brood en bier uit de eigen bakkerij en brouwerij in het Weeshuis. Daarna werden deze produkten in de stad aangeschaft, evenals na 1818 het vlees. Voordien kocht de voogdij iedere herfst een aantal koeien en varkens voor de slacht. De leverantie van levensmiddelen werd eveneens aanbesteed bij inschrijving. De medische verzorging der wezen werd in 1675 opgedragen aan de Stads Medicus en Chirurgijns, wier taak door het groeiende aantal wezen steeds omvangrijker werd. Daarom waren er sinds 1683 één medicus en aanvankelijk twee, sinds 1713 één chirurgijn op jaargeld aan het Weeshuis verbonden voor de genees- respectievelijk heelkundige verzorging van wezen en personeel. Het reglement van 1768 vermeldt, dat de bedieningen van medicus en chirurgijn zoals reeds gebruikelijk ook in de toekomst door de gezamenlijke regenten zullen worden vergeven. Medici en chirurgijns kwamen alleen voor "echte" ziekten. Kleine ongemakken als hoofdzeer en winterhakken werden door de linnen- en ziekenmoeder behandeld. Deze diende ook als ziekenoppas. Benodigde medicijnen werden aangeschaft bij de apotheker die volgens de rangorde van een daartoe opgestelde lijst van stedelijke apothekers dat jaar tot de leverantie van medicijnen tegen vastgestelde prijzen was aangewezen. Tot het begin der 19e eeuw was de binnenvader tevens verantwoordelijk voor het onderwijs aan de weeskinderen. Hij diende de schoolkinderen "met alle neerstigheyt t' onderwijsen in 't leesen en schrijven" en hen "neerstigh te catechiseren en onderwijsen in de Gereformeerde Christelijcke Godsdienst". Buitendien kregen de kinderen catechisatie van een der Leeuwarder predikanten. 's Zondags gingen zij (tot c.1860 twee maal) ter kerke, waar apart banken voor de wezen waren gereserveerd. De binnenvader werd in het lesgeven bijgestaan door een "ondermeester", een door hemzelf opgeleide weesjongen. De resultaten waren echter vaak bedroevend en in 1752 nam de voogdij, geschokt door de "diepe onkunde" van hun pupillen maatregelen ter verbetering van het onderwijs. Onder andere mochten de kinderen niet eerder op een handwerk worden geplaatst, dan wanneer zij behoorlijk konden lezen en althans hun naam konden schrijven. Bovendien werd het onderwijs in de avondschool (bedoeld als herhalingslessen) gereorganiseerd. In 1768 werd rekenles ingevoerd, begin 19e eeuw gevolgd door onderricht in vakken als taalkunde, aardrijkskunde, geschiedenis en zang. Het onderwijs werd nu ook alleen aan de ondermeester overgelaten. Aan het eind van 1816 nam het Stadsbestuur een eerste besluit om te komen tot een betere en doelmatiger regeling van het onderwijs ter stede. Als uitvloeisel der plannen werden twee Stadsarmenscholen opgericht, bij Raadsbesluit van 1 oktober 1827 gevolgd door een derde, die werd ondergebracht in het lokaal van het Weeshuis * en waar ook niet in het gesticht verpleegde kinderen moesten worden toegelaten. De kosten van deze school kwamen voor rekening van de Gemeente, die ook een onderwijzer aanstelde. Het NSW-bestuur bleef verantwoordelijk voor het toezicht. De Weeshuisschool werd als Stadsschool opgeheven in 1864 en werd per 1 januari 1865 een "Bijzondere school van de 1e klasse" (d.w.z. uitgaand van een charitatieve instelling), dus weer op kosten van de weesvoogdij en alleen bezocht door de wezen. Het lesprogramma werd nog uitgebreid met tekenlessen voor de grote jongens (1871), gymnastieklessen (1866 voor de jongens, een paar jaar later ook voor de kleine meisjes) en zwemles voor de jongens (1873). Door een wijziging in de Wet op het Lager Onderwijs kon in 1907 nog een onderwijskracht worden aangesteld. Er werden nu ook weer leerlingen van buiten het Weeshuis aangenomen om de school te kunnen behouden ondanks het afnemend aantal wezen. In 1930 werd de school toch opgeheven en de wezen volgden voortaan de lessen op de Arendstuinschool. Opdat de wezen na hun ontslag uit het gesticht in hun eigen onderhoud zouden kunnen voorzien werden zij "besteed op sodanige goede handwerken, als bij de Regenten best zal geoordeeld worden, na de gesteldheit van ieders lichaam en gesondheit, of vermogens en bekwaamheit". De jongens kwamen in de leer bij een der in het Weeshuis werkzame ambachtslieden, in de timmerwinkel, of bij een baas in de stad. De meisjes gingen uit naaien of waren als zodanig in de leer. Ook verrichtten zij huishoudelijk werk. In 1753 werd op voorstel der voogdessen een naaiwinkel in het Weeshuis ingericht, waar de weesmeisjes door een bekwame naaivrouw opgeleid konden worden, terwijl het geheel ook nog tot financieel voordeel van het Gesticht strekte. * Daartoe geschikte weesjongens werden door de binnenvader opgeleid tot ondermeester, in later tijd door de meester voorbereid op het onderwijsexamen. Overigens bleef de opleiding tot een intellectueler beroep een uitzondering. De mogelijkheid, die de nalatenschap van Baljée de wezen bood om een predikantenopleiding te volgen, bracht hierin geen verandering. Tot begin 19e eeuw vloeiden de verdiensten der weeskinderen toe aan de Weeshuiskas. Dit bleek een nadelige invloed te hebben op het moreel der kinderen en aanleiding te geven tot knoeierijen. Daarom ging men er langzamerhand toe over de wezen een direkter voordeel van hun arbeid te geven. Het resulteerde in 1824 in een besluit van het NSW-bestuur, dat bepaalde de "ambachtsjongens" een gedeelte der verdiensten, afhankelijk van de hoogte van het loon, als zakgeld te laten behouden. De rest diende op spaarbankboekjes gezet en de wees, mits hij van goed gedrag was, bij het verlaten van het Gesticht te worden overgedragen. De weesmeisjes werkten in 1824 voornamelijk in de naaiwinkel, waarvan de opbrengst aan het Weeshuis toeviel. Hieruit werd nu de meisjes een kleinigheid aan zakgeld toegekend. Zij kregen tevens gelegenheid om in vrije ogenblikken met naaiwerk enig zakgeld te verdienen, 's Zaterdags konden zij als dienstmeisje bij een werkgeefster in de stad gaan werken, waarvan de verdiensten op een spaarbankboekje werden gezet, eveneens tot uitkering na het verlaten van het Weeshuis. In geval van slecht gedrag vervielen de spaarbankboekjes aan het NSW. Tussen 1891 en 1904 moesten de wezen de helft hunner eigen verdiensten afstaan aan het Weeshuis, i.v.m. de slechte financiële toestand van het tehuis. Om de dagelijkse gang van zaken in het Weeshuis goed te laten verlopen, waren de wezen aan bepaalde door de voogdij vastgestelde gedragsregels gebonden. * Hielden zij zich hier niet aan, dan volgde er straf. De binnenvader kon in de lichtere gevallen een reprimande uitdelen, maar hij diende ernstige overtredingen te rapporteren aan de rentmeester, waarna de wees op de eerstvolgende voogdijvergadering werd binnengeroepen en een straf kreeg toegemeten. In het Weeshuisarchief bevinden zich twee registers, waarin de straffen die in de jaren 1725-1779 aan "delinquerende" kinderen werden opgelegd zijn aangetekend. De vergrijpen variëren van baldadigheid en brutaliteit tot spijbelen, diefstal, dronkenschap en weglopen uit het tehuis. Om de delicten te bestraffen had de voogdij keuze uit verschillende middelen: geseling met de roede of de bullepees, al dan niet in bijzijn der overige wezen; opsluiting (vaak op water en brood) in een donker hok of "op het rooster", dat is een hok waarvan de vloer door een rooster was vervangen; bevestiging d.m.v. een ketting van een blok aan het been; huisarrest. Vaak werden combinaties van straffen opgelegd: geseling, enkele dagen rooster, een paar maanden blok. In de 19e eeuw vond een verschuiving plaats van lijfstraffen naar huisarrest. Ook hok en rooster raakten in onbruik. In de ergste gevallen van wangedrag werd een wees uit het Gesticht verwijderd. "Alle kinders ... sullen op gesette tijden haer ruste moogen hebben ende sich diverteeren op de Plaets en onder de Gaelderije met soodanige Kinderspeelen als geoorloft zijn ..." * heet het al in de 17e eeuw. Voor de werkende kinderen, die daarnaast ook de avondschool moesten volgen, bleef er echter niet zoveel tijd voor verstrooiing over. De binnenvader diende erop toe te zien, dat de kinderen zich niet met gevaarlijke of ongewenste spelletjes (als dobbelen en spelen om geld) bezig hielden. Om het lezen als verantwoorde vrijetijdsbesteding te stimuleren, werd in het Weeshuis een bibliotheek aangelegd (1870), die bij het 250-jarig bestaan van het Weeshuis met een kast met 400 boeken werd uitgebreid, geschonken door de oud-wezen. 's Zondagsmiddags kregen de kinderen enige gelegenheid om uit te gaan. Soms werd verlof gegeven tot een bijzonder uitstapje, b.v. naar de kermis. Hoogtepunten in het Weeshuis-leven waren de feesten: feesten ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen (jubilea, koninklijke bezoeken e.d.) en vaste jaarlijkse feesten, meestal ter ere van begunstigers van het tehuis (Huber, Voorda, Baljée, Dorhout). De feestdagen waren vooral herkenbaar aan de bijzondere spijzen die bij de maaltijden werden verstrekt (rijstebrij met suiker en kaneel, een pof enz.). Er was (een idee uit 1765) in de maand juli een speciale "aardbeiendag" waarop de kinderen wittebrood met aardbeien kregen. Verder werden op enkele feesten premies uitgeloofd of kregen de wezen een halve dag vrij. Sinds de 80er jaren der 19e eeuw maakten de wezen op de "Buitendag" een reisje naar Tietjerk, Oranjewoud e.d. Als de wezen het Gesticht verlaten hadden konden zij (sinds 1926) lid worden van de Vereeniging van Oud-Weezen, die ten doel had "het bevorderen van een vriendschappelijken band onder de oud-verpleegden van het NS Weeshuis en, waar noodig, zooveel mogelijke zedelijken en stoffelijken steun te verleenen". Verantwoordelijk voor de financiële administratie was de rentmeester, in onderdelen geassisteerd door de binnenvader. De rentmeester legde jaarlijks van zijn administratie rekening en verantwoording af aan de stedelijke overheid. In 1827 ging deze verplichting over op voogden en voogdessen, na 1855 berustte zij bij de voogden. De afhoring van de rekening geschiedde 1686-1794 door gecommitteerden uit de Magistraat en Vroedschap (ten bijwezen van twee der Weesdiakenen), 1795-1796 door gecommitteerden uit de Municipaliteit, 1797-1802 door gecommitteerden uit de Raad, 1803-1808 door gecommitteerden uit het Gemeentebestuur, 1809-1810 door Burgemeester en Wethouders, 1812-1814 door de Maire, 1815-1823 door President-Burgemeester en Burgemeesteren, 1824 door Burgemeester en Wethouders, 1825-1851 door de Financiële Commissie uit de Raad, sindsdien door de Raad. Sedert 1815 leverden de voogden jaarlijks (in september) een begroting voor het volgende jaar in, die dan door de Raad al dan niet gewijzigd werd vastgesteld. Zij waren verplicht zich aan de vastgestelde begrotingsposten te houden, behoudens toestemming van de Raad voor eventuele wijzigingen. De inrichting van rekening en begroting werd met elkaar in overeenstemming gebracht. Na de verhuizing naar Veenklooster (1941) werd een administrateur aangesteld om het tot dan door de weeshuisvader verrichte deel der administratie tegen beloning te voeren. Gedurende de 2e Wereldoorlog werd controle van de cijfers door een deskundige verplicht gesteld (1942-1945). Een wijziging van de Gemeente- en Armenwet in 1950 schreef wederom een dergelijke controle voor. In 1951 wordt dit in Leeuwarden ingevoerd. De rekeningen van het Weeshuis worden sindsdien gecontroleerd door het Hoofd van de afdeling Financiën en Belastingen ter Secretarie, waarvan verslag wordt gedaan aan B & W, die voor doorzending aan de Raad zorgdragen. Een aantal der getesteerde fondsen is apart geadministreerd. Het "Fonds Lint" komt voort uit een erflating van ruim f.5500,- van Janke van Hallum, wed. Jacobus Lint (+1818), die bij testament bepaalde, dat de revenuen ten meeste nutte der wezen dienden te worden aangewend, zonder dat de voogden aan wie dan ook van hun beheer verantwoording zouden behoeven af te leggen. De gelden werden o.a. gebruikt voor het aanschaffen van gereedschappen voor weesjongens bij het verlaten van het Gesticht en voor onvoorziene uitgaven. Apart beheerd werden ook het "Fonds Schoonlingen", een schenking van f.10.000,- door de voormalige wees Aleidus Schoonlingen in 1929 gedaan, waaruit de opleidingskosten van begaafde pupillen zouden moeten worden bestreden, de "Erflating Schoonlingen" van dezelfde ter waarde van ca. f.40.000,-, die het Weeshuis in 1942 toeviel en de helft van de nalatenschap plus een legaat van mej. Sytske Smitz samen ad ca. f.8.700,- (per 1-1-1956 gevoegd bij de "Erflating Schoonlingen"). Zelf stelden de voogden nog enige bijzondere fondsen in, zoals het "Pensioenfonds" t.b.v. het personeel (1915) en het "Fonds voor Oud-Wezen"(1918), waarvan de namen voor zich spreken. Uit het 19e-eeuwse "Fooienpotje" * werden kleine bijzondere uitgaven voor b.v. uitstapjes en traktaties betaald. In 1959 werd dit fonds gevoegd bij een "potje" van onbekende herkomst, dat op zijn beurt opging in het "Fonds Lint".
Bij de nieuwe indeling der bisdommen in 1559, waarbij alle onder Habsburgs bewind staande provincies onder eigen (aarts)bisdommen werden gebracht, werd Leeuwarden, voordien onder Utrecht en Keulen behorende, tot zetel van een nieuw bisdom aangewezen en de St. Vituskerk van Oldehove tot kathedraal. Maar toen in 1564 Remigius Diritius tot bisschop van Leeuwarden werd benoemd verklaarden met de niet Roomsen ook de gewestelijke en stedelijke overheden van Friesland zich tegen het bisdom en waarschuwden zij de koning voor de te verwachten moeilijkheden. Het gevolg was dat de benoemde bisschop niet verscheen en later het bisdom Brugge aanvaardde. Nu werd in een vergadering van de Raad met de bevelhebber der Schutterij op 6 september 1566 besloten, mede op aandrang van de voorzittende burgemeester Tjerk Walles, de "oude eeredienst" af te schaffen en de Hervormde daarvoor in de plaats te stellen. De magistraat gelastte de pastoors der drie parochiekerken hun particuliere eigendommen uit de kerken weg te nemen, liet de beelden verwijderen en muurschilderingen overwitten, terwijl verder de kerken voor de Hervormde eredienst geschikt werden gemaakt. Door deze "geordende beeldenstorm" werden grotere vernielingen aan de kerken voorlopig voorkomen. De uitreiking van het Heilig Avondmaal vond voor het eerst in de St. Vituskerk plaats op 15 sept. 1566 door de dominees A. Nicolai en M. Eliacus. Bij de invoering van de Hervormde eredienst werd de uitoefening van die der Roomsen verboden terwijl vele priesters uit eigener beweging tot de Hervormde kerk toetraden. Deze eerste reformatie bleek echter slechts tijdelijk; op last van de Landvoogdes Margaretha van Parma moesten de Hervormde leraren worden afgezet en de Rooms Katholieke kerkdienst hersteld. Ondanks hevig verzet van de magistraat moest wel worden toegegeven toen de stadhouder, de hertog van Aremberg, vergezeld van een krijgsmacht orde op zaken kwam stellen. De vrije uitoefening van de Hervormde eredienst werd verboden, de kerken werden weer in hun oude luister hersteld en op 24 jan. 1567 kon de St. Vituskerk weer door de Rooms Katholieken in gebruik worden genomen. Na de komst van Alva in 1567 werden hernieuwde pogingen in het werk gesteld de Bisschopsstoel in Leeuwarden te bezetten. Dit had succes toen door Paus Pius V op 15 september 1569 Cunerus Petri tot Bisschop te Leeuwarden werd aangesteld. Op 1 februari 1570 aanvaardde hij zijn ambt, waarna hij eerst in het patershuis van het Grauwe Bagijnenklooster zijn onderdak vond en later in het abtshuis van het Bergumerklooster (tegenwoordig de Provinciale Griffie) zijn intrek nam. Eerst na 1577 werd opnieuw de vrijheid van godsdienst onder enkele beperkingen mogelijk. De religie-vrede van 1578 te Antwerpen gegeven, werd op 3 augustus van datzelfde jaar door de Raad van Leeuwarden aangenomen. De Hervormden kregen door bemiddeling van de magistraat gelegenheid om de kloosterkerk der dominikanen (de Grote kerk) te huren teneinde daar op 13 augustus 1578 hun eerste godsdienstoefening te kunnen houden, terwijl de Rooms Katholieken gebruik bleven maken van de drie parochiekerken en voor de dienst van het klooster tevens van de Grote kerk. De restauratie van de oude kerk die in 1567 was ingezet liep hiermede af en vond haar definitieve einde na het verraad, van Rennenberg in 1580, toen bij Staatsbesluit de Roomsen verboden werd hun erediensten te houden en de Gereformeerde kerk als de ware Christelijke kerk werd erkend. Bisschop Cunerus Petri werd op 22 maart 1578 te Harlingen gevangen gezet en vandaar met een vast inkomen naar Bergum verbannen. In 1580 is hij vertrokken naar Munster en korten tijd later in Keulen overleden. Bij het verbod tot uitoefening van de godsdienstoefeningen der Rooms Katholieken kregen de gereformeerden de volledige beschikking over de Grote of Jacobijner kerk en de St. Vituskerk van Oldehove. De parochiekerken van Nijehove en Hoek werden aan hun bestemming onttrokken. Wel werd c. 1590 door de overheid de in 1940 afgebroken kerk van het Minderbroedersklooster (Galileërkerk) aan de hervormden gegeven en in 1637 kon ook de kapel van het klooster der Grauwe Bagijnen (Westerkerk) door hen in gebruik worden genomen. Tenslotte werd nog de uit 1530 daterende kapel van het dominicanessenklooster der H. Apostelen (het z.g.n. Witte Nonnenklooster) in 1659 opengesteld voor de gereformeerde godsdienstoefeningen. Eerst voor de Waalse gemeente na welker opheffing in 1888 de kerk op 6 dec. volgens contract van 26 maart 1799 (zie inv. nr. 1705, 226) aan de Ned. Herv. Gemeente Leeuwarden werd overgedragen. Nu de Rooms Katholieke eredienst was verboden kreeg het stadsbestuur krachtens de resolutie van gedeputeerde staten van 31 maart 1580 het beheer over de Patroons-of kerkegoederen van o.a. de drie parochiën Oldehove, Nijehove en Hoek. Het werd uitgeoefend door de rentmeester der Geestelijke goederen en zo gescheiden gehouden van de eigen inkomsten der Stad. Van deze inkomsten moesten de traktementen der predikanten etc. en het onderhoud der kerken worden betaald. Ook kwam de Stad in het bezit van de gebouwen en goederen der vier kloosters, waarvan in 1583 op zekere voorwaarden weder afstand werd gedaan ten behoeve van het St. Anthony Gasthuis, het Old Burger Weeshuis en de Stadsarmen. Het laatstgenoemde deel bleef onder het beheer van het Stadsbestuur in een afzonderlijke rekening, de quotisatie rekening. In de latere jaren is er nog veel te doen geweest over al deze geestelijke en kerkegoederen. Een laatste rapport werd in 1921 opgemaakt door Prof. mr. L.J. van Apeldoorn-diens dissertatie was hiervoor de aanleiding-waarna een proces over het eigendomsrecht met de gemeente Leeuwarden volgde. Het werd in 1935 door de kerkvoogdij beëindigd nadat het proces in twee instanties verloren was,werd de dagvaarding in cassatie ingetrokken,daar een positief resultaat niet mogelijk bleek. Werden aanvankelijk vier predikanten door de Stad betaald, spoedig bleek dit te weinig zodat er in 1628 een vijfde en bij het in gebruik nemen van de Westerkerk een zesde predikant werd beroepen. Het stichten van een zevende predikantsplaats bracht meer moeilijkheden met zich mee. Eerst behielp men zich ter verlichting van de taken der zes predikanten met hulppredikanten en pas op 7 maart 1791 werd door de Raad, met goedkeuring van de Staten, besloten een zevende predikant aan te stellen. Toen er in 1796 echter één stierf verbood de municipaliteit de vervulling der vacature. Ook het aanstellen van een hulppredikant werd niet meer toegestaan. Toen moesten ter verlichting van de zes overige predikanten de predikbeurten worden verminderd. Dit besluit bracht vele protesten en ook spanningen in de kerkelijke gemeente met zich mee, waarbij verwijten aan de predikanten als zouden zij zich niet naar behoren voor de kerk willen inspannen onredelijk lijken. Daar tijdens het Franse bewind toch geen mogelijkheid aanwezig was tot het verkrijgen van een zevende predikant,moest worden gewacht op een gunstiger tij. Dit kwam met Koning Willem l en een verzoek aan deze werd dan ook op 24 december 1816 verzonden (inv. nr. 1492). De motivering was dat meerdere van de nu dienstdoende predikanten reeds ouder waren dan zeventig jaren, reeds eerder een zevende predikant was toegestaan en dat het aantal lidmaten, bij de telling in 1814 12491, slechts weinig minder was dan het aantal benodigd voor een zevende predikant. Het resultaat was dat de gemeente sinds 1819 weder zeven predikantsplaatsen telde. Deze benoeming van een predikantsplaats was slechts één van de moeilijkheden van de kerk ten gevolge van de omwenteling. Scheiding van Kerk en Staat, gelijkheid in rechten van alle godsdienstige gezindten enz. waren besluiten die de Hervormde kerk gevoelig troffen. In 1798 werd bepaald dat elk kerkgenootschap voortaan zelf voor zijn gebouwen moest zorgen en ook zijn erediensten, predikanten enz. zelf zou moeten bekostigen. De Geestelijke goederen en de fondsen werden tot nationaal bezit verklaard terwijl de kerkgebouwen, voorzover ze geen eigendom waren van een kerkelijke gemeente, gemeenschappelijk eigendom van alle kerkgenootschappen werden. De Hervormde Gemeente Leeuwarden bezat geen kerkgebouwen in eigendom. Haar drie kerkgebouwen waren het eigendom van de Stad,terwijl die der Waalse gemeente de provincie toebehoorde. De gebouwen moesten worden getaxeerd en werden aldus geschat: de Grote kerk f 18682,-, de bijbehorende kosterij f 2925,--, de Galileërkerk f 6366,-, de Westerkerk f 10597,--en de Waalse kerk op f 3415,--, zonder het orgel, dat eigendom der kerkelijke gemeente was. Het totale bedrag moest over het zielental der respectievelijke kerkgenootschappen worden omgeslagen. Dat betekende dat de Rooms Katholieken, Israëlieten, Doopsgezinden, Waalsen en Jansenisten ieder in verhouding van hun lidmaten een aandeel in deze kerkgebouwen van de Hervormden konden vorderen. Dat deze reeds door het Stadsbestuur goedgekeurde verdeling ,die de Hervormde Gemeente hier in zeer grote moeilijkheden zou hebben gebracht, niet is doorgegaan is te danken aan de andere kerkgenootschappen die, met uitzondering van de Jansenisten die voor hun tien zielen f 24,50 beurden, van hun aandeel afzagen. Zo kon op 26 maart 1799 door het Stadsbestuur een akte van afstand worden opgemaakt,waarbij de Hervormde Gemeente van Leeuwarden in het bezit werd gesteld van de kerkgebouwen, zij het zonder de torens die tot 24 april 1902 eigendom van de burgerlijke gemeente bleven. Het Algemeen Reglement van 7 januari 1816 bij K.B. uitgevaardigd door koning Willem l bracht vele veranderingen in het kerkelijk bestuur met zich mee. Ook werd een tijdperk van betrekkelijke chaos afgesloten. Het systeem van kerkelijke vergaderingen volgens de Dordtse kerkorde van 1618/19-niet door Friesland aanvaard dat zich formeel hield aan de Middelburgse van 1581-verdween en de leiding werd gelegd in handen van besturende colleges, waarin hoofdelijk werd gestemd. De invloed van de Staat op de kerk bleef. Na de omwenteling was ook nog in de Franse tijd een sterke binding tussen de overheid en de kerk gebleven. Het Algemeen Reglement van 1816 bracht hierin niet veel verandering. Zowel Lodewijk Napoleon als Koning Willem I namen na 1798 weer financiële verantwoordelijkheid op zich, nadat was gebleken dat met name in Holland de predikanten zonder inkomsten waren komen te zitten. Met de nieuwe grondwet in 1848 kwam er een duidelijke uitspraak over de scheiding die verder werd uitgewerkt in de kerkorde van 1852, waarin de kerk zich een eigen bestuurselement schiep. Toch lijkt het er op,dat pas met de kerkorde van 1951 een nieuwe periode is aangebroken. Misschien kan het veranderen van het kiessysteem-niet meer door coöptatie-een der oorzaken zijn geweest van het zich ontwikkelen van een "partijenkerk". Door de getrapte verkiezingen werden de kiescolleges belangrijk zodat de verschillende richtingen in de kerk kiesverenigingen gingen oprichten. De "kiesmannen" hadden door dit systeem grote invloed op de kerkelijke bestuurders en "partijstrijd" was dan ook niet zeldzaam. Het uitdelen van pamfletten en ander propaganda-materiaal tegen de tijd dat de "kiesmannen" moesten worden gekozen was, evenals bij de politieke strijd, gewoon. Dat deze gang van zaken niet bevorderlijk was voor de invloed der kerk in de samenleving laat zich raden. Van de richtingen binnen de Nederlands Hervormde kerk kende de Leeuwarder gemeente er drie, confessionelen, evangelischen en vrijzinnigen. Op de eerste en laatste komen wij later terug bij de beschrijving harer archieven, maar bij gebreke daaraan moge hier een enkel woord over de evangelische volgen. De Evangelische of Groningse richting, in Leeuwarden lange tijd de belangrijkste, ontstond in de eerste helft der negentiende eeuw aan de universiteit te Groningen en was de eerste die als organisatie optrad. De op een vergadering te Zwolle in 1946 ontbonden stroming is met de te Leeuwarden weinig voorkomende ethische in de z.g.n. midden-orthodoxie opgegaan. Archivalia van de landelijke vereniging en van enkele afdelingen zijn op de Groninger Universiteitsbibliotheek terechtgekomen maar zijn daar niet toegankelijk. Het archief van de afdeling Leeuwarden waar laatstelijk in 1939 werd genotuleerd is onvindbaar en wellicht verloren gegaan. Tot 1951 is deze wijze van getrapte verkiezingen gebleven, maar de richtingsstrijd begon te verflauwen. In het laatst der dertiger jaren kwamen zelfs de candidaten der drie partijen op één lijst uit, wat overigens de opkomst der stemgerechtigden minder bevorderde. De oorlogsellende bracht de mensen nog dichter bij elkaar en men bezocht vaker diensten van andere richtingen. In 1945 vonden de vertegenwoordigers van de verschillende richtingen elkaar in het z.g.n. kerkelijk gesprek. Hiermede bereikte men dat de richtingsstrijd overging in de fase van het gesprek. Dit alles droeg er toe bij om tot een betere onderlinge verstandhouding te geraken. Er werd ernst gemaakt met een aanvaardbare wijkindeling voor de gemeente. Vooral ds. F.H. Bruins, zelf vrijzinnig, zette zich hiervoor in en naar zijn idee werd Leeuwarden één van de eerste Hervormde gemeenten in Nederland waar op deze wijze de richtingsstrijd kon worden beslecht. Hij deelde de stad op in drie sectoren, elk weder onderverdeeld in drie wijken. ledere sector (buurtschap) zou drie predikanten krijgen, zo mogelijk behorende tot elk der drie richtingen. Op de vergadering van de Algemene Kerkeraad van 19 juni 1945 werd aldus besloten. Bij de invoering van de nieuwe kerkorde van 1951 bleek dat er geen enkele organisatorische verandering in deze opzet nodig was. De buurtschappen werden wijkgemeenten met eigen wijkkerkeraden. Wel werden bij die gelegenheid de kiescolleges opgeheven, wat op 28 mei 1951 gebeurde. De ouderlingen en diakenen worden van dat moment af rechtstreeks gekozen door de lidmaten, waarbij in Leeuwarden voor de candidaatstelling het convent van kiesverenigingen werd ingeschakeld. Al deze veranderingen, die natuurlijk ook hun neerslag hebben gekregen in de administratie,gaven ons aanleiding de inventaris bij de invoering van de nieuwe kerkerde af te sluiten, hoewel het niet altijd mogelijk bleek om hierin volmaakt consequent te zijn. De archieven van kerkeraad en kerkvoogd ij werden door ons aangetroffen op verschillende plaatsen in de kosterij Achter de Grote Kerk. Een groot gedeelte was beveiligd tegen brand maar helaas niet tegen vocht, daar de kluis, die de belangrijkste bestanddelen bevatte, slecht geventileerd kon worden, met alle nare gevolgen van dien. De lang verbeide verhuizing van het gemeentearchief bood de mogelijkheid om in een betere bergplaats voor het archief te voorzien. In overleg met de kerkelijke bestuurders werden de archivalia van kerkvoogdij en kerkeraad in 1970 op het gemeentearchief gedeponeerd. Met het diakoniearchief was het juist andersom gesteld. Dit was opgeborgen op de zolder van het diakoniehuis. Na te voren te zijn geborgen in een uiterst vochtig hokje in de tuin van het diakoniehuis, stond het er nu wel droog, maar erg stoffig en brandgevaarlijk. Ook deze archivalia werden door het college van diakenen in 1970 in bewaring gegeven aan het gemeentearchief waar nu de archieven der Hervormde Gemeente, met inbegrip der daartoe behorende verenigingen e.d. c. 38 strekkende meter beslaan. Mede door de vele omzwervingen van de archieven-zo werd ook nog in 1935 een gedeelte opgeborgen in het z.g: "Spookkamertje" van de kosterij-liet ook de materiële toestand veel te wensen over. In onze eigen restauratieafdeling werden reeds vele delen en stukken onderhanden genomen en we hopen dit in de loop der jaren te kunnen voortzetten. Helaas was ook de orde in de archieven ernstig verstoord. Vele nog in oude inventarissen voorkomende stukken zijn niet meer terug te vinden; portefeuilles met losse stukken waren uiteen gevallen en totaal doorelkaar geraakt en werden in een enkel geval als een hoop oud papier teruggevonden. Gebonden delen waren later weer uiteen genomen en de inhoud elders ondergebracht. Bundels van stukken betreffende bepaalde onderwerpen waren door onderzoekers gevormd. Het bleek, dat in een lange reeks van jaren ieder eigenlijk toegang had tot het oud archief en daaruit kon lenen wat hij op dat moment nodig had. Wanneer het dan terug kwam werd het vaak te willekeurig opgeborgen. Een voorbeeld vormen de stukken betreffende de orgels. In 1847 werd er door het college van kerkvoogden een commissie van twee leden benoemd voor het toezicht op de kerk-orgels en de organisten. Dr. L. Proes was één hunner en in 1881 zond deze het archief der nooit officieel opgeheven commissie aan de kerkvoogden. Het was een portefeuille met o.a. stukken betreffende het plaatsen van nieuwe orgels in de Westerkerk 1844-1847 en in de Galileërkerk 1828-1832. Deze stukken zijn slechts gedeeltelijk en verspreid teruggevonden. Hieruit blijkt dat deze portefeuille later weer uiteen is gehaald, maar dat ook dr. L. Proes oudere stukken uit het archief van de kerkvoogdij had geleend en niet op hun plaats terug bracht. Er is wel vaak geprobeerd orde op zaken te stellen, o.a. nog in de vijftiger jaren door de heren Brolsma en Oprsal, maar het gebrek aan een goede bewaarplaats met een deskundige beheerder stonden een blijvende goede orde der archieven in de weg. Ook heeft deze orde in het verleden veel geleden door al diegenen die het erg goed meenden maar dan ook ieder voor zich een ander systeem inbrachten en het werk van hun voorgangers wilden verbeteren. Met deze inventarisatie heeft de geschiedenis zich in feite herhaald. Toen in 1867 H. Eilers-amanuensis van de provinciale bibliotheek en het rijksarchief-van de kerkvoogdij de opdracht tot inventarisatie van de archieven kreeg, klaagde hij ook over het verspreid zijn van de stukken. Aankomsttitels van eigendommen b.v. waren lang niet alle meer te vinden. Er is toen geïnventariseerd zonder het inzicht dat later werd verworven inzake het ordenen en beschrijven van archieven. Zo valt het te betreuren, dat hij de opzet van het archief totaal heeft veranderd en adviezen aan de kerkvoogden heeft gedaan over het uiteennemen van banden om beter rubriekdossiers te kunnen vormen. Inhoudsbeschrijvingen heeft hij in ruime mate gemaakt en het zou tegenover de maker niet fair en voor de gebruiker een handicap zijn als deze arbeidsintensieve bewerking van het archief zonder meer aan kant was gezet als in strijd met de handleiding. De gebruiker van onderstaande inventaris zal dan ook meermalen naar deze uitvoerige indices worden verwezen. Wat de acquisitie der archieven betreft hebben wij getracht door persoonlijke contacten, oproepen in "Hervormd Leeuwarden" enz. de archivalia zo compleet mogelijk te verkrijgen. Wij vleien ons niet met de gedachte alles te hebben gekregen wat o.m. nog in particulier bezit is. We hebben veel medewerking gehad maar toch zijn alle toezeggingen niet gehonoreerd. De misvatting dat archief gevormd door b.v. een commissie particulier bezit is moest weer worden bestreden.
Het bestuur van Harderwijk bestond van ouds uit 18 leden, namelijk 12 Schepenen (2 zestallen) en 6 Raden. In 1490 zijn hieraan Gemeenslieden toegevoegd waarover hieronder bijzonderheden worden medegedeeld. Het eene zestal Schepenen verwisselde het eerste jaar, het andere het volgende jaar zijn functie met de Raden, zoodat de Schepenen na 2 jaren aftraden, doch als Raden tot het bestuur bleven behooren. De Schepenen vergaderden op Maandag, Woensdag en Vrijdag. Zij werden door klokluiding daartoe opgeroepen. De Raden, die in bijzondere gevallen werden gehoord, liet men mondeling tot het bijwonen eener vergadering uitnoodigen. Vier keer in het jaar hielden de Schepenen, telkens gedurende 14 dagen, vacantie. De voorzitter kon evenwel ook in dien tijd, zoo dikwijls hij dit noodig achtte, vergaderingen beleggen. Van de 12 schepenen waren beurtelings één lid van het oudste en één lid van het jongste zestal, burgemeesters. Jaarlijks kozen de schepenen op Sint Paulsdag (25 Januari) op de plaats van hun gestorven of om andere redenen afgetreden ambtgenooten, nieuwe confraters. Het bestuur behartigde de zaken van politie, justitie en financiën. De recht- of schepenbank bestond uit 7 leden. Tengevolge van de overgave van de stad in 1528 aan keizer Karel, ontsloeg en verving hertog Karel van Egmond het volgende jaar haar bestuur en behield aan zich de bevoegdheid het elk jaar geheel of gedeeltelijk te ontslaan of te bevestigen en de 2 burgemeesters of voorzitters te kiezen. Dit aan de stad opgedrongen recht van hertog Karel, duurde tot zijn overlijden in 1538. Op Zaterdag 18 Mei kozen de gecommitteerden van de Staten van Gelderland, die de na te noemen geschillen over de keur en de bestemming van de boetegelden, ontstaan tusschen de schepenen t.e. en de burgerij t.a. zijde, moesten oplossen, weder 12 Schepenen en 6 Raden die, voorloopig tot den eerstvolgenden keurdag hunne functies verdeelden, doch van af dien dag de oude, bovengemelde bestuursinr ichting weder zelf regelden. De burgemeesters leidden de vergaderingen, voerden alle binnen de stad en het schependom voorkomende of de stad betreffende zaken uit en hadden het recht in lastige of zeer belangrijke gevallen, zich door een van de andere schepenen te laten adviseeren en bijstaan. Bovendien waren zij belast met en verantwoordelijk voor de invordering der boeten, die gedurende hun presidium aan bekeurden waren opgelegd. In 1568 werd het bestuur door 's konings stadhouder in Gelderland, door roomschgezinde- en in Juli 1578 door zijn opvolger Johan, graaf van Nassau, door staatsgezinde burgers vervangen. In Augustus 1673 week de geheele magistraat voor de fransche terreur uit de stad. Hierdoor ontstond een anarchistische toestand, welke aanleiding was dat een aantal ingezetenen den 23en November van dat jaar een tijdelijk bestuur koos. Deze regeering (ad interim) werd in Juni 1674 door gecommitteerden van den prins-stadhouder Willem III, voorloopig vervangen door een schout en 8 regenten, waarna Zijne Hoogheid, krachtens de hem bij het regeeringsreglement van Gelderland d.d. 9 Februari 1675 gegeven bevoegdheid, zelf aanstelde 2 burgemeesters, die elk jaar in hun ambt zouden worden bevestigd of vervangen en 10 schepenen, die 3 jaren in functie moesten blijven en daarna, of tusschentijds, door hem, zonder nominatie, gedurende denzelfden termijn, konden worden herbenoemd of ontzet. Te dien einde moest de Magistraat 14 dagen vóór den keurdag aan Zijne Hoogheid een lijst zenden van de nog in functie zijnde regenten. Doch indien een Schepen of Raad binnen het driejarig tijdvak overleed, mochten zijn ambtgenooten een dubbeltal nomineeren, waaruit Zijne Hoogheid dan een plaatsvervanger koos. Na het overlijden van den Prins op 19 Maart 1702 ontstonden in Gelderland de onder den naam plooierijen bekende regeeringsgeschillen, die in Harderwijk leidden tot het ontslag van de oude- en de aanstelling van nieuwe regenten door de gildemeesters en de gecommitteerden van de burgerij op 10 April 1703 en die aldaar werden gesloten met een regeeringsreglement dat den 17en Januari 1706 werd aangenomen. Dit reglement legde de keur van nieuwe schepenen in handen van de gemeenslieden en gilden en stelde den zittingsduur van de regenten op 3 jaren. Na afloop van dien termijn waren zij aan een nieuwe keur onderworpen. Riddermatige, ten landdage geadmitteerde personen en, volgens eene ampliatie van 22 October 1715 pausgezinde burgers, waren niet verkiesbaar. Dit en dergelijke aan de regenten van andere steden in Gelderland opgedrongen reglementen, leidden tot onr egelmatigheid in de zaken van politie, justitie en financiën, hetgeen de provinciale staten deed besluiten, bij plakkaat van 21 October 1717, de triënnale zitting van de magistraatsleden door een perpetuëele te vervangen. Ook de secretaris, die volgens het reglement slechts 3 jaren in functie mocht blijven, moest, voorbehoudens bijzondere gevallen, weder levenslang in zijn ambt worden geduld. De schepenen werden van hunnen eed, aan de burgerij gedaan, ontslagen en deden een nieuwen eed volgens het formulier dat vóór de stadhouderlijke regeering had bestaan. Het reglement van 1706 en dit plakkaat zijn den 5en October 1720 tot een nieuw regeeringsreglement van de stad verwerkt. Den 17en Januari 1748 droegen de Staten van Gelderland de stadhouderlijke waardigheid erfelijk, zoowel in de mannelijke als vrouwelijke linie, op aan Willem Carel Hendrik Friso, prins van Oranje. Voorloopig bevestigde Zijne Hoogheid bij schrijven van 3 April 1748, den in 1675 vastgestelden regeeringsvorm, doch kort daarna ontwierp hij een nieuw provinciaal reglement, dat de Staten den 17en October 1750 aannamen. Voor zoover de artikelen Harderwijk betreffen is deze ordonnantie woordelijk gelijkluidend met het reglement van 9 Februari 1675. Prins Willem IV overleed in October 1751. Krachtens het reglement van tutele dd. 13 Juni 1754, vulden, na het overlijden zijner gemalin op 12 Juni 1759, de Staten van Gelderland als plaatsvervangende voogden over den minderjarigen erfprins, de vacant gekomen schepenstoelen aan uit eene door de gemeenslieden en gilden den Magistraat aangeboden nominatie. De electie van de driejarige keur handhaafden de Staten, naar het schijnt, niet. In ieder geval eindigde hun recht hierop bij de meerderjarigheid van den prins-erfstadhouder Willem V op 8 Maart 1766. De voordracht van een dubbeltal, ingeval van vacatures, werd aan de gemeenslieden en gilden, ondanks hun protest, ontnomen en, althans sedert 1783, door den Magistraat zelf gedaan. Ten slotte werd het reglement van 1750 den 28en Juni 1788 geampliëerd en door het stedelijk bestuur opnieuw beëedigd. De schepenen paarden zich jaarlijks bij loting in commissiën of afdeelingen die met bijzondere werkzaamheden waren belast. Er waren waardijns, werkmeesters, weidemeesters, straatmeesters, serviesmeesters, beekmeesters, pootmeesters, keurmeesters, proefmeesters, schoolarchen, over-havenmeesters, over-kerkmeesters en over-provisoren van het gasthuis, het weeshuis, het pesthuis, het leprozen- of melatenhuis en andere stichtingen. Behalve het eigenlijke stadsbestuur bestond er te Harderwijk van 1490 tot 1795 een gezworen gemeente of college van gemeenslieden, dat in het eerstgenoemde jaar, toen de stad door den oorlog met schulden beladen was, ontstond. Den 18en Januari 1490 gaf de Magisstraat aan de burgerij het recht 24 personen te kiezen, die steeds, geroepen zijnde, in den Raad zouden verschijnen en volgens hun eed, het bestuur over zaken, de stad betreffende, moesten adviseeren. Zonder hunne toestemming mochten de schepenen geen oorlog voeren, noch de bezittingen der stad bezwaren of vervreemden en evenmin belastingen verhoogen of invoeren. Over de bevoegdheden van de gemeenslieden in bestuurszaken en de bestemming der boetegelden, ontstonden, onmiddellijk na het overlijden van hertog Karel van Egmond, geschillen tusschen dit college en Schepenen en Raden, welke door gecommitteerden van Ridderschap en Steden den 17en Mei 1538 werden geregeld. De gecommitteerden verminderden het aantal gemeenslieden tot 12 personen, bestemden de eene helft van de boeten voor de stad en de andere helft voor de schepenen en gaven aan de gemeenslieden de bevoegdheid, indien daarvoor gegronde redenen bestonden, verkozen schepenen te wraken. Aan deze regeling hielden de twistende partijen zich niet, tengevolge waarvan zij door den nieuwen landsheer, hertog Willem van Gulik en gecommitteerden van Ridderschap en Steden den 9en October 1539 werd geinterpreteerd en geampliëerd. Volgens deze uitspraak moesten de schepenen hunne vacatures zelf aanvullen, doch de gildemeesters van de in de stad bestaande gilden kregen het recht jaarlijks 24 burgers te nomineeren, waaruit de Hertog of zijn bevelhebber binnen de stad, 12 gemeenslieden zou kiezen, die, daartoe uitgenoodigd, Schepenen en Raden in zaken die de stad en haar burgerij betroffen, met raad en daad moesten bijstaan, doch zich niet mochten bemoeien met zaken die tot de competentie van hunne tegenpartij behoorden. De aldus gekozen gemeenslieden bleven één jaar in functie en waren in de eerstvolgende 2 jaren niet herkiesbaar. In bijzonder moeilijke gevallen, b.v. tijdens de vervolging van Schepenen en Raden wegens hunne bevordering van de kerkhervorming in 1567, lieten zij zich bijstaan door alle 24 genomineerden. Het electierecht van den landsheer of zijn bevelhebber ging in 1542 of 1543 over op den Magistraat, doch bij het regeeringsreglement van 9 Februari 1675 verviel het aan den Stadhouder van Gelderland. Dit reglement zegt verder, dat de gemeenslieden levenslang in functie konden blijven, dat de Stadhouder vacatures, zonder nominatie zou aanvullen en dat Schepenen en Raden binnen 14 dagen na het ontstaan van een open gekomen zetel, hiervan aan Zijne Hoogheid bericht moesten zenden. Bij het regeeringsreglement van 17 Januari 1706 werd de levenslange zitting van de gemeenslieden weer tot één jaar beperkt en hunne verkiezing uit eene door gequalificeerde gilden voorgestelde nominatie van een dubbeltal aan den Magistraat opgedragen. Verder lezen wij in dit reglement, dat de gemeenslieden den christelijk gereformeerden godsdienst moesten belijden, dat zij en de gequalificeerde gilden zouden voorzien in de tusschentijds openvallende schepenzetels en in de benoeming van den stadssecretaris, ingeval diens ambt binnen zijn driejarigen diensttijd vacant kwam en dat Schepenen en Raden evenals vroeger, hunne toestemming behoefden tot het zenden van vertegenwoordigers naar lands- en kwartiersvergaderingen. Het reglement van 5 October 1720 bracht in deze regeling geen verandering, doch den 17en October 1750 herstelde de stadhouder, prins Willem IV, de verkiezing en de perpetueele zitting van de gemeenslieden weder op den door zijn voorganger in 1675 voorgeschreven voet. Uit de 12 gemeenslieden werden, krachtens de hooger vermelde uitspraken van 1538 en 1539, jaarlijks 2 rentmeesters gekozen, 1 door Schepenen en Raden en 1 door de Gemeenslieden (anders dan vóór 1538, toen de rentmeesters door de schepenen alleen werden aangewezen) welke met de 2 van het vorige jaar de stadsinkomsten invorderden, op last van den Magistraat de schulden van de stad betaalden en jaarlijks van hun beheer rekening en verantwoording deden aan den Magistraat tot 1706 en daarna in tegenwoordigheid van 2 van de 8 andere gemeenslieden. Op dezelfde wijze leverde dit college 2 keurmeesters van droge- en 2 proefmeesters van natte waren. De hierboven meermalen genoemde gequalificeerde gilden waren ingesteld bij de uitspraak van 9 October 1539. Zij nomineerden, uitgezonderd ten tijde van de stadhouderlijke regeering, 24 gemeenslieden, namelijk de smeden en de mandenmakers ieder 1, de wol wevers, snijders of kleermakers, bijlhouwers, linnenwevers, visschers, dragers, kramers en het Barbaragilde ieder 2 en het Sint-Jorisgilde, dat de meeste leden telde, 6, zoodat er destijds 11 gequalificeerde gilden bestonden. Het linnenweversgilde bleek echter opgeheven te zijn, waarom in zijn plaats de schoenmakers bevoegd werden verklaard 2 gemeenslieden te nomineeren. Later nomineerden de smeden en mandenmakers ook ieder 2 gemeenslieden, kregen de linnenwevers een nieuwen gildebrief en vervielen de wolwevers- en Barbaragilden. Wanneer deze veranderingen plaats hadden is mij niet gebleken. Anders staat het met het Sint Jorisgilde. Door zijne vereeniging met andere broederschappen werd dit gilde feitelijk reeds in 1679 officieel opgeheven, doch eerst in 1706 hebben Schepenen en Raad zijn nominatierecht van 6 gemeenslieden verdeeld onder de schippers, voerlieden en de niet in een gilde vereenigde burgers. De stadhouderlijke regeering werd in 1795 afgeschaft. Bij de komst van het fransche leger vergaderde de burgerij den 30en Januari 1795 in de burgerzaal, zijnde het koor van de groote of hervormde kerk. Aldaar droegen zij aan eene commissie van 9 personen op de oude regenten en de gemeenslieden te ontslaan en eene nieuwe regeering. bestaande uit voorstanders der beginselen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, aan te stellen. Krachtens deze opdracht benoemde, installeerde en beëedigde de commissie den 2en Februari d.a.v. een college van Provisioneele Volksvertegenwoordigers, bestaande uit 13 personen, die uit hun midden zelf een secretaris kozen. Vervolgens ontwierp het lid van de commissie B. Nieuhoff een regeeringsreglement, dat, gewijzigd door de representanten, de burgers den 9en December 1795 goedkeurden. Het reglement was geldig, totdat eene algemeene grondstelling en een daaruit voortvloeiende andere regeeringsvorm in de republiek zou zijn ingevoerd. Het was gegrond op de rechten van den mensch en burger, zooals deze den 6en Februari waren afgekondigd door de vertegenwoordigers van het volk van Gelderland en die Harderwijk aannam den 2en Maart 1795. Het voorzag in de keuze, door stemgerechtigde burgers, op 20 Maart, van twee colleges, namelijk van Burgervertegenwoordigers (Raad, magistraat of gemeentebestuur) en Burgergecommitteerden. De Burgervertegenwoordiging of gemeenteraad bestond uit 12 leden, die na 2 jaren hun zetel voor 12 nieuw gekozen burgers moesten inr uimen. In de Burgercommissie zaten 8 personen, die 2 jaren in functie bleven, doch waarvan, na het eerste jaar de helft, bij loting aan te wijzen, door nieuwe leden moest worden vervangen Zij koos uit haar midden een voorzitter en een secretaris en vergaderde des Woendags in de gemeensmanskamer van het raadhuis en op andere dagen, zoo dikwijls als de voorzitter het noodig vond. De Burgercommissie installeerde en beëedigde de op hun voordracht, in tegenwoordigheid van eenige leden van den burger-krijgsraad, door de stemgerechtigde burgers gekozen raadsleden. De werkzaamheden van de Burgervertegenwoordigers of gemeenteraad bestonden uit de bevordering van rust, veiligheid en het algemeen welzijn van stad en land, de behartiging van de belangen der burgerij, de handhaving van wetten en instellingen, de zorg voor de stadsfinanciën en de rechtspraak. Evenals voor 1795 verdeelden zij de commissiën van werkmeesters, weidemeesters enz. De voorzitter of zijn plaatsvervanger was tevens politiemeester en hoofdofficier. De Raad bleef bevoegd de ambtenaren te benoemen die ter secretarie en elders in het raadhuis en het gericht werkzaam waren, doch in vacante andere ambten voorzag hij in overleg met de burgercommissie op voordracht of na goedkeuring door de stemgerechtigde burgers. De stemgerechtigden zelf kozen voor onbepaalden tijd 2 rentmeesters uit de hun door de Burgercommissie voorgestelde personen en 2 deskundige weidemeesters, die verantwoordelijk waren aan de uit en door den Raad aangewezen Overweidemeesters. Alle ambtenaren en bedienden werden door den Raad geïnstrueerd en beëedigd. Tot de taak van de Burgercommissie behoorden kort samengevat: a. de handhaving van de nieuw gevestigde volksvrijheid; b. de regeling der verkiezing van het gemeentebestuur; c. de regeling en leiding der vergaderingen en stemmingen van de burgerij en de uitvoering van de door haar genomen besluiten en d. de handhaving van de rechten die aan de voormalige gemeenslieden, ten aanzien van de vertegenwoordiging der stad op land- en kwartierdagen, het maken van oorlog en vrede en het invoeren van nieuwe belastingen, waren toegekend. Eenige dagen na de aanneming van dit reglement legden de den 2en Februari gekozen Provisioneele volksvertegenwoordigers hun ambt neer met de verklaring dat zij waren teleurgesteld in hunne verwachting van samenwerking, hier en elders in de republiek, tot doorvoering der beginselen waarop in het begin van dit jaar de omwenteling was tot stand gekomen, tengevolge waarvan zij gedeeltelijk den 28en en gedeeltelijk den 31en December werden vervangen door 12 Representanten van het Volk van Harderwijk. Dit nieuw bestuur bleef, met afwijking van de desbetreffende bepalingen van het reglement, in zijn geheel in functie tot 20 Maart 1797. Het presidium verwisselde bij toerbeurten om de twee maanden, doch de eerstaangewezen voorzitter bleef leider der vergaderingen tot 20 Maart 1796. De titel van het bestuur veranderde 11 Januari 1796 in Wethouders en Raden. Het plan van een provinciaal volksbestuur werd door de stemgerechtigden te Harderwijk den 16en September 1796 verworpen, aangezien zij den bestaanden regeeringsvorm wenschten te behouden tot tijde en wijle de verwachte algemeene constitutie daarin verandering zou brengen. In Maart 1797 had de eerste verkiezing volgens het reglement van 5 December 1795 plaats. Eerst kozen de stemgerechtigde ingezetenen in plaats van de aftredende leden 4 nieuwe burgergecommitteerden, waarna dit voltallig college met afgevaardigden van den burgerkrijgsraad en gecommitteerden uit de hoofddirectie der wijkvergaderingen, den 20en Maart den Raad ontsloeg en door nieuwe leden verving. Van de gekozenen namen er slechts 4 dadelijk en 1 later de benoeming aan; de anderen bedankten, welk voorbeeld den 21en April door nog één lid werd gevolgd, doch 4 dagen later koos men in hunne plaats 6 en den 18en Mei nog 2 leden, zoodat de Raad toen eerst weder voltallig was. Hierbij wordt opgemerkt, dat men de vergaderingen der burgers en de verkiezingen niet meer in de burgerzaal hield. De stad en haar schependom (Tonsel en Hierden) waren den 7en December 1796 in 5 wijken verdeeld. De bewoners dezer wijken vergaderden en stemden in afzonderlijke door den Raad aangewezen lokalen, volgens een den 2en Januari 1797 aangenomen reglement. De titel Wethouders en Raden veranderde den 25en April 1797 in Raad der gemeente. Den 22en Januari 1798 had te 's Gravenhage een staatsgreep plaats. Een Nationale Vergadering wierp zich op als het eenig Wetgevend lichaam van de eene en ondeelbare Bataafsche republiek. Zij decreteerde dat de gewestelijke besturen voortaan slechts administratieve colleges zouden zijn, ondergeschikt en verantwoordelijk aan het centraal bestuur. Verder continueerde zij o.a. alle gemeentebesturen in hunne bevoegdheden totdat eene geregelde en met het algemeen belang strookende maatregel daarin verandering zou brengen, benoemde 29 Januari d.a.v. een Uitvoerend Bewind en droeg dit op de provinciale en plaatselijke besturen te ontbinden en te reorganiseeren. Tevens gelastte zij aan de plaatselijke besturen het Uitvoerend Bewind te erkennen en zijn orders te gehoorzamen. Aan de zelfstandigheid van de gemeentebesturen was dus een einde gekomen. Tengevolge van deze gebeurtenissen en besluiten ontsloeg de Constitueerende vergadering den 29 Januari de departementale besturen en liet deze door agenten van het Uitvoerend Bewind vervangen door Intermediair administratieve besturen. Een commissie uit dit bestuur in Gelderland, ontsloeg daarop den 6en April den Raad en de Burgercommissie te Harderwijk en stelde op hunne plaats een gemeentebestuur, dat voorloopig uit 6 leden bestond. De secretaris, Mr. J. J. Elsevier, behield zijn ambt, doch de Burgercommissie werd opgeheven. Eerste voorzitter van dit nieuw bestuur was het lid J. H. Wiesell. Richters waren de vice-voorzitter en het op hem volgend lid. Alle ambten werden los verklaard, doch de gemeenteraad kreeg het recht de stadsofficianten te benoemen, terug. Al deze maatregelen waren evenwel van voorloopigen aard. Zij waren genomen om verwarring in de verschillende aan het Centraal gezag ondergeschikt gemaakte gewestelijke- en plaatselijke besturen te voorkomen totdat de reeds lang verwachte constitutie zou zijn aangenomen. Deze wet of staatsregeling werd den 23en April door het volk goedgekeurd en bekrachtigd en den 1en Mei 1798 geproclameerd. Door haar werden de beginselen der omwenteling van 1795 tot een geheel gebracht en geregeld voorgedragen en de veranderingen in de vroegere orde van zaken, welke tengevolge der heerschende begrippen reeds waren ingevoerd, verkregen door haar een staatsrechterlijken grondslag. Zij droeg aan het Uitvoerend Bewind op bij elk departementaal bestuur één en voor alle gemeentebesturen in één departement hoogstens drie commissarissen te benoemen, die moesten toezien en zorgen dat de wetten behoorlijk werden uitgevoerd. Zij regelde verder de centrale-, gewestelijke- en plaatselijke besturen en hunne bevoegdheden, verplichtingen en onderlinge verhoudingen, ontnam aan de gemeentebesturen de bevoegdheden en rechten die aan het einde van dit hoofdstuk afzonderlijk worden besproken en bepaalde aangaande de samenstelling van deze besturen dat het aantal en de jaarwedden der leden en de tijd en wijze hunner verkiezing, door het Vertegenwoordigend Lichaam, op voordracht van het Uitvoerend Bewind zouden worden gereglementeerd, dat van elk gemeentebestuur jaarlijks een derde gedeelte zou aftreden in eene, de eerste keer door het lot en verder naar ouderdom van dienst aangewezen volgorde, dat de aftredende leden éénmaal dadelijk en daarna 3 jaren na hunne aftreding herkiesbaar zouden zijn. Naar aanleiding van deze wettelijke regeling verving het Intermediair administratief bestuur van Gelderland, dat bij besluit van 15 Juni 1798 (no. 9) door het Uitvoerend Bewind was gereorganiseerd, bij resoluties van 3 en 19 Juli 1798 den president en 3 gewone raadsleden van Harderwijk en continueerde het 2 andere bestuursleden benevens den secretaris Elsevier, krachtens eene van het Uitvoerend Bewind bekomen machtiging dd. 19 Juni 1798 (nr. 28). Dit nieuw bestuur koos tot zijn eersten president het lid J. B. Heydendaal en verdeelde evenals vroeger, de commissies van werkmeesters, weidemeesters, enz. De secretaris Mr. Elsevier kreeg, op zijn verzoek, den 6en Juli eervol ontslag. In zijn plaats koos het gewestelijk bestuur den 19en Juli uit een door het gemeentebestuur opgemaakte voordracht, F. M. Raeber. In den 1en titel van de staatsregeling was het grondgebied van de Bataafsche republiek verdeeld in 8 departementen. Het 2e was het departement van den Ouden IJssel met de hoofdplaats Zwolle. Elk departement zou zoo spoedig mogelijk ten dienste der verkiezingen van departementale- en gemeentebesturen, worden verdeeld in 7, zooveel mogelijk gelijk bevolkte ringen en elke ring in gemeenten. Bovendien moest de geheele republiek worden gesplitst in grondvergaderingen en districten, geschikt tot algemeene verkiezingen en werkzaamheden des volks. Volgens den 2en titel (art. XVIII) bestond elke grondvergadering uit ongeveer 500 ingezetenen, die woonden in naast elkander gelegen wijken, buurten of huizen en vormden 40 grondvergaderingen één district. De verdeeling in grondvergaderingen en districten kwam tot stand bij decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam dd. 13 Mei 1799. Harderwijk met 7 grondvergaderingen werd hoofdplaats van het 28e district, dat verder bestond uit de gemeenten Nunspeet, Ermelo, Putten, Doornspijk, Heerde, Epe, Oenen, Vaassen, Nijbroek, Apeldoorn en Beekbergen. Het in de staatsregeling aangekondigd reglement voor de gemeentebesturen en de verdeeling der gemeenten in departementen en ringen werden door de 2e Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam gearresteerd 3 April (nr. 17) en door het Uitvoerend Bewind gepubliceerd 9 Juni 1800. Harderwijk kreeg een plaats in den 5en ring van het departement van den Ouden IJssel. Volgens het reglement, moest in de gemeenten met 6 tot 9 grondvergaderingen elke grondvergadering één raadslid kiezen. Het gemeentebestuur van Harderwijk zou dus bestaan uit 7 leden. Het reglement bevestigde de reeds in de staatsregeling voorkomende vereischten om tot lid van een gemeentebestuur verkiesbaar te zijn, de wijze van aftreding zijner leden en, ingeval van plichtsverzuim, hun schorsing door het departementaal bestuur en ontslag door het Uitvoerend Bewind. Het Uitvoerend Bewind zou jaarlijks op den 2en Dinsdag in October de grondvergaderingen oproepen tot vervulling van de opengevallen raadszetels. Op den laatsten Dinsdag in October moesten de aftredende raadsleden hun zetels aan de nieuw gekozen leden afstaan. In hunne eerste bijeenkomst moesten de leden een president kiezen.Hij behield deze functie 3 maanden, was direct herkiesbaar, doch daarna eerst weder 6 maanden na zijne aftreding. De Raad koos zelf een secretaris, wiens verplichtingen en werkzaamheden ook in het reglement zijn opgenomen, benevens de secretarieambtenaren en boden, doch de aanstelling van andere officianten en hunne bezoldiging moesten de hierna genoemde gevolmachtigden van de stemhebbende burgers goedkeuren en, indien deze de benoeming weigerden, beslistte het departementaal bestuur. Het gemeentebestuur riep het volk op volgens de wet, bepaalde uur en plaats van de te houden grondvergaderingen en zorgde voor de inschrijving van de stembevoegde burgers in een stemregister. Op den genoemden 2en Dinsdag in October kozen de grondvergaderingen ook plaatsvervangende raadsleden en een gelijk aantal (te Harderwijk dus 7) gevolmachtigden van de stemmende burgers. Over de bevoegdheden van deze gevolmachtigden is hooger reeds het een en ander gezegd. Er kan nog worden bijgevoegd, dat zij toezicht hielden op het beheer der geldmiddelen en jaarlijks op een door het departementaal bestuur te bepalen dag in Mei, aanwezig moesten zijn bij de rekening en verantwoording van de rentmeesters. Zij kregen dus bevoegdheden die de in 1798 niet herkozen burgergecommitteerden en de vroegere gemeenslieden hadden bezeten. Bij het reglement, dat eigenlijk instructie heet, was als bijlage A gevoegd een reglement op de verkiezing der gemeentebesturen en van de gevolmachtigde burgers, dat echter eerst den 20en October 1800 werd aangenomen en gepubliceerd. De artikelen van dit reglement behoeven hier niet afzonderlijk te worden besproken. In verband met hetgeen hooger gezegd is wordt alleen vermeld dat artikel 32 voorschreef dat de voorzitter en secretaris van de kiezersvergadering onmiddellijk na afloop eener verkiezing den uitslag ervan aan de municipaliteit en aan het departementaal bestuur moesten bekend maken . en dat dit bestuur het Uitvoerend Bewind er bericht van zou zenden. Ter voldoening van de in het reglement voor de gemeentebesturen aan den Raad opgelegde verplichting werden te Harderwijk aan de 7 grondvergaderingen ieder een apart lokaal of plaats van samenkomst aangewezen. Bij de nadere verdeeling van de departementen en ringen in gemeenten, welke het Uitvoerend Bewind den 22en Januari 1801 publiceerde, behield Harderwijk haar plaats in den 5en ring van het departement van den Ouden IJssel en de geringe veranderingen in de instructie en het reglement van 9 Juni 1800 door het Wetgevend Lichaam den 6en Februari 1801 gearresteerd en gepubliceerd zijn te onbelangrijk om er hier bij stil te staan, te meer omdat de centrale regeering op voordracht van het Uitvoerend Bewind, besloot de staatsregeling door eene nieuwe wet te vervangen. Deze nieuwe constitutie door het volk in de eerste dagen van October 1801 goedgekeurd en bekrachtigd, werd den 16en October door het Uitvoerend Bewind afgekondigd. Ingesteld werd een Staatsbewind met een algemeenen secretaris en Secretarissen van Staat voor de binnenlandsche zaken, financien en andere takken van het centraal bestuur. De artikelen 63 en 71-75 schreven voor, dat in elk departement een commissie van ingezetenen de inr ichting van zijn bestuur ontwerpen en ter onderzoek aan het Staatsbewind zenden moest waarna het ter goedkeuring aan de stemgerechtigden zou worden aangeboden; dat de departementale besturen, na de aanneming van het ontwerp-reglement, zoo spoedig mogelijk de gemeentebesturen moesten inr ichten op zoodanigen voet als de steden en dorpen hun zouden voorstellen, mits hun voordracht gegrond was op het beginsel van volkskeuze en eene geregelde afwisseling; dat de gemeenten de vrije beschikking hadden over hare huishoudelijke belangen en daarover plaatselijke voorschriften mochten maken. De inr ichting van de gemeentebesturen werd dus weder aan de plaatselijke keuze overgelaten, doch de departementale besturen konden haar goed- of afkeuren. Het ontwerp-reglement van Gelderland werd, nadat het den 29en April aan de gemeenten ter goedkeuring was gezonden en deze er in hadden toegestemd (te Harderwijk had de stemming plaats van 17 tot 24 Mei door het Wetgevend Lichaam bij besluit van 3 Juni 1802 (nr. 64) gearresteerd en den volgenden dag gepubliceerd. Aan de hand van de staatsregeling bepaalt het ten aanzien van de gemeenten o.a. dat het departementaal bestuur zou voorzien in de eerste keuze van de gemeentebesturen; dat deze aan het departementaal bestuur zouden voorstellen op welke wijze in het vervolg de keuze van- en de vervulling der vacatures in hun college zouden geschieden en dat van elk gemeentebestuur alle 3 jaren een gedeelte moest aftreden, doch dat de aftredende leden telkens weder herkiesbaar waren. De magistraat van Harderwijk zou bestaan uit 8 leden. Ter voldoening aan artikel 22 van de staatsregeling verdeelde het Wetgevend Lichaam den 18en Februari 1803 het Bataafsch gemeenebest in departementen, ringen en gemeenten, waarbij Harderwijk geplaatst werd in den 2en ring van het kwartier Veluwe in het departement Gelderland. Hooger is gezegd, dat het departementaal bestuur de eerste keuze van de magistraatsleden zou doen. Uit krachte van dien, benoemde het den 1en October 1802 te Harderwijk een nieuw bestuur van 8 leden en installeerde deze den 8en November d.a.v. Op denzelfden dag kozen de benoemden tot hun president het lid A. Schilders, tot zijn plaatsvervanger F. H. A. P. van Erckelens en tot gemeentesecretaris Mr. J. C. F. de Vries. De president of voorzitter was, volgens resolutie van 17 December 1802, tevens schout. Ter voldoening aan artikel 105 van het departementaal reglement droeg het gemeentebestuur, in zijne vergadering van 11 Februari 1803, aan 2 leden en den secretaris op een stadsregeeringsreglement te concipiëeren. Het opgesteld ontwerp werd, nadat het op verlangenvan het departementaal bestuur eenigszins was gewijzigd, goedgekeurd en den 29en Juni 1804 gepubliceerd. Overeenkomstig het departementaal reglement regelt het de verkiezing van 8 Schepenen en Raden, de vervulling van vacatures die langer dan 6 maanden zouden duren en de aftreding, telkens van 2 leden, in de jaren 1806, 1809, 1812 en 1815. De oude keurdag op 25 Januari, werd weder hersteld en de voorzitter herkreeg den titel van burgemeester. Den 26en November kozen de in de grondvergaderingen daarvoor aangewezen kiezers de in het reglement bedoelde 8 gecommitteerden uit de stemgerechtigde burgers. De nieuwe staatsregeling welke den 26en April 1805 werd gepubliceerd. stelde de Uitvoerende macht in handen van een Raadpensionaris als vertegenwoordiger van Hun Hoog Mogenden in alle zaken het gouvernement van den Staat betreffende. Hij werd bijgestaan o.a. door de hooger genoemde Secretarissen van Staat voor de departementen van algemeen bestuur. * Deze constitutie bevat ten aanzien van de gemeentebesturen nagenoeg dezelfde voorschriften als de wet van 1801. De departementale besturen, bij artikel 62 voorloopig in hunne inr ichting en gezag gehandhaafd, werden den 19en Juli 1805 door Hun Hoog Mogenden gereorganiseerd. De gemeentebesturen en hunne verkiezing bleven voorloopig op den bestaanden voet ingericht, doch de departementale besturen waren bevoegd dienaangaande de noodige algemeene bepalingen voor te dragen, met inachtneming van de constitutioneele wet en de uit krachte van dien gemaakte besluiten en verordeningen. O.a. werd bij de staatsbesluiten van 25 September 1805 (nr. 7) en 15 November 1805 (nr. 8) geordonneerd, dat van dringende vacatures in gemeentebesturen kennis behoorde te worden gegeven aan het departementaal bestuur en door dit college aan den Raadpensionaris teneinde in de opengevallen zetels te voorzien en dat de departementale besturen ook van de gewone en op vaste tijden bepaalde aftreding der leden van gemeentebesturen bericht moesten ontvangen. Den 20en December 1805 werd een algemeen reglement voor de gemeentebesturen gearresteerd, dat, volgens resolutie van den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken van 3 Januari 1806, vooral ten aanzien van de financien, zonder uitstel in werking moest treden. Het bevat een algemeen stelsel van belastingen en bevestigt de bevoegdheden van de gecommitteerden der stemgerechtigde burgers i.h.b. ten aanzien van de jaarlijksche rekening en verantwoording van de ontvangsten en uitgaven en het onbezwaard behouden van de vaste goederen der gemeenten. Geschillen die hierover ontstonden waren onderworpen aan de uitspraak van het departementaal bestuur. Den 5en Juni 1806 maakte de Bataafsche republiek plaats voor het koninkrijk Holland tengevolge waarvan den 7en Augustus d.a.v. weder eene nieuwe constitutie werd afgekondigd. Zij handhaafde de verdeeling van het Rijk in departementen, ringen en gemeenten en liet de regeling van het stemrecht en de wijze waarop het zou worden uitgeoefend over aan de wet. De kroon van Holland werd opgedragen aan Lodewijk Napoleon en zijn wettige mannelijke afstammelingen. De koning had bij uitsluiting en zonder restrictie, de volledige uitvoering der regeering en de macht om de uitvoering der wetten van den Staat te verzekeren, waarin hij werd bijgestaan door Ministers van Staat en andere dignitarissen. De gemeentebesturen waren bevoegd hunne huishoudelijke belangen te regelen op den voet en de wijze bij de wet bepaald. Naar aanleiding van de circulaire van den Minister van Binnenlandsche Zaken d.d. 8 Augustus 1806, noodigde het departementaal bestuur van Gelderland den 26en Augustus d.a.v. het gemeentebestuur van Harderwijk uit om vóór of op 1 November in te zenden een project-reglement van bestuur, dat gegrond moest zijn op het algemeen reglement van 20 December 1805. De gemeenteraad droeg de uitvoering van deze aanschrijving op aan eene Commissie, die daarop een regeeringsreglement ontwierp, dat men den 31en October 1806 verzond. Van dit ontwerp is in het gemeentearchief geen exemplaar te vinden. Ook is het mij niet gebleken dat het werd goed- of afgekeurd, wèl, dat naar aanleiding van het koninklijk besluit van 27 October 1806 (nr. 12) Harderwijk bericht kreeg, dat de periodieke aftreding der leden van plaatselijke besturen voorloopig was opgeschort en dat vacatures onvervuld moesten blijven, doch dat men in dringende gevallen zich met een voordracht kon wenden tot het departementaal bestuur. Deze provisioneele regeling bevestigde de Koning bij decreet van 30 Januari 1807 (nr. 33.) Zijne Majesteit verlangde dat de gemeentebesturen op denzelfden voet zouden blijven voortbestaan, totdat zij overeenkomstig de constitutioneele wetten opnieuw zouden zijn georganiseerd. De verwachte suppletoire wet is, ter voldoening aan Zijner Majesteits besluit van 7 April (nr. 1) gepubliceerd 13 April 1807. Zij verdeelde het Rijk in 10 departementen, die nader zouden worden onderverdeeld in kwartieren en gemeenten. In elk departement werd het bestuur opgedragen aan een Landdrost, met Assessoren en een Secretarisgeneraal. Onder den landdrost stonden kwartierdrosten. Landdrost en assessoren behartigden de zaken van politie en gedeeltelijk ook de justitie. De plaatselijke besturen waaraan de administratieve politie werd overgelaten, waren verplicht de orders en bevelen van den landdrost betrekkelijk zaken, waarover aan hem en zijn assessoren de beschikking en het toezicht was opgedragen, te respecteeren en te doen respecteeren, zoomede hen en den drost in hun kwartier te dienen van bericht, consideratien en advies op alle te dien einde in hunne handen gestelde stukken. De kwartierdrosten hadden het oppertoezicht op het bestuur van alle in hun ambtskring gelegen gemeenten en assisteerden, indien zij zulks noodig achtten en dan als voorzitter, in de vergaderingen der gemeentebesturen. De gemeenten werden in twee klassen verdeeld. Tot de eerste klasse behoorden de steden met meer dan 5000 inwoners. Het bestuur in de gemeenten der tweede klasse, waartoe Harderwijk behoorde, bleef ingericht op den bestaanden voet, voorhehoudens de veranderingen die de Koning noodzakelijk mocht achten. De jaarlijksche rekening en verantwoording van de rentmeesters moest den kwartierdrost worden aangeboden, die haar onderzocht en, indien hij er termen voor vond, aan den landdrost zond. Op een nader te bepalen dag zouden de departementale besturen worden ontbonden en de landdrosten c.s. hun ambten aanvaarden. Deze suppletoire wet en eene regeling der werkzaamheden van deze nieuwe bestuursambtenaren, ingediend 13 Februari 1807 heeft de Koning bij decreet van 29 April 1807 (nr. 3) bekrachtigd. Tevens verdeelde Zijne Majesteit de departementen in kwartieren en gemeenten waarbij Harderwijk een plaats kreeg in het eerste kwartier van het departement Gelderland. De landdrosten, assessoren en kwartierdrosten kregen hunne benoeming bij Kon. decreet van 8 Mei 1807 (nr. 40). Den 20en van Grasmaand 1809 werd weder eene nieuwe wet gepubliceerd. Zij verdeelde, door toevoeging van Oost-Friesland, het Rijk in 11 departementen en in kwartieren en gemeenten die de Koning nader zou bepalen en rangschikken. Ten aanzien van de gemeentebesturen wordt hierin gezegd, dat zij bestaan uit een burgemeester, benevens wethouders en vroedschappen; dat de burgemeester alleen belast en verantwoordelijk is voor de uitvoering van alle aan hem gezonden wetten en bevelen en de personeele politie; dat burgemeester en wethouders te zamen de plaatselijke belangen en geldmiddelen behartigen en beheeren en dat zij het oppertoezicht over de comptabiliteit moeten houden. De Koning zou later de wijze waarop burgemeester en wethouders plaatselijke keuren en reglementen konden maken en de bevoegdheden van de vroedschappen regelen. Deze schikking bleef evenwel onuitgevoerd. Den 3en Juli 1810 deed Lodewijk Napoléon afstand van den troon, waarna de Keizer den 9en Juli Holland inlijfde bij Frankrijk. Deze vereeniging had tengevolge, dat in 1810 en 1811 hier te lande fransche wetten aangaande het gemeentewezen executoir zijp verklaard. Met de vervanging der bestaande staatsinstellingen door de fransche werd de hertog van Plaisance, als gouverneur-generaal of Prins-algemeen stedehouder van den Keizer, belast. De hertog moest zijn taak volbrengen vóór 1 Januari 1811. Den 18en October 1810 verscheen het keizerlijk decreet nr. 6043, bevattende een algemeen reglement ter organisatie der hollandsche departementen van het fransche keizerrijk. Préfecten, Raden van préfecture en Onderpréfecten vervingen de Landdrosten, Assessoren en Kwartierdrosten. Het bestuur der gemeenten werd opgedragen aan burgemeesters, die in steden met meer dan 5000 inwoners door den Keizer en in plaatsen met een lager bevolkingscijfer, door de Préfecten werden benoemd. Het decreet verdeelde het grondgebied van Holland (zonder het gedeelte gelegen aan den linker Rijnoever, dat reeds 24 April 1810 bij Frankrijk was ingelijfd) in 7 departementen. Het derde in de rij, genaamd L'Issel Superieur, bestond uit het voormalig gewest Gelderland, waarvan een klein stuk bij het departement der Monden van den Rijn was gevoegd. Het had Arnhem tot hoofdplaats en was verdeeld in de arrondissementen Arnhem, Zutphen en Tiel. Naar aanleiding van artikel 30 verdeelde de Prins- algemeen stedehouder den 7en December 1810 de arrondissementen in kantons, waarbij hij Harderwijk aanwees als hoofdplaats van het gelijknamig kanton, waarin ook de gemeenten Ermelo en Nunspeet gelegen waren en besloot hij 25 December 1810 (nr. 5) dat de gemeenteraden na 1 Januari 1811 hunne functies moesten blijven bedienen, totdat de Keizer anders had geordonneerd. Intusschen veranderde hij de titels burgemeester in maire, wethouder in adjunct-maire, vroedschap in conseil-municipal en secretaris in griffier. De omschrijving der departementen in arrondissementen en van de arrondissementen in kantons en gemeenten heeft de Keizer bij decreet van 21 October 1811 (nr. 7378) definitief vastgesteld. Ter uitvoering van de hooger genoemde fransche decreten en besluiten werden te Harderwijk op last en aanschrijving van den Prefect a. den 13en Maart 1811 de den 4en Maart (nr. 16), bij eene gelijktijdige verdeeling van het departement in mairies, door hem aangestelden maire Mr. J. C. F. de Vries en de adjunct-maires Mr. J. Steenwinkel en R. W. H. baron van Broeckhuysen, door het gelijktijdig gedemitteerd gemeentebestuur geïnstalleerd. b. de den 18en April 1811 door den Keizer, op eene jaarwedde van 2400 francs, aangestelden commissaris van politie Pieter Albert van Dahne beëedigd c. den 8en Mei 1811 de den 19en April door den maire genomineerde en den 1en Mei door den Prefect benoemde 20 municipale raden geïnstalleerd en beëedigd * en d. den 20en September 1811 opdracht ontvangen de doopboeken en andere acten van den civielen staat van de predikanten en andere bezitters over te nemen. Verder benoemde de Préfect den 27en Maart 1811 tot adjunct-maire A. Schilders in de plaats van Mr. J. Steenwinkel die, als zijnde vrederechter, gelijktijdig geen ander ambt mocht bekleeden, den 1en Juni 1812 tot maire Jan Weijer van Overmeer Visscher, in plaats van Mr. De Vries, die, op verzoek, eervol ontslag had bekomen, den 22en Juni 1812 tot adjunct-maire Dr. Joh?. Jac?. van Loenen in plaats van A Schilders, die had bedankt en den 19en Augustus 1812 uit eene door den maire opgemaakte nominatie van 3 personen, tot gemeenteontvanger den oud-rentmeester en provisioneelen ontvanger Hendrik Verbeek, wiens jaarwedde bedroeg 5% van de ontvangsten beneden en 1% van hetgeen hij beurde boven de 20.000 francs. De municipale raad werd ter vergadering geroepen door den maire op order of met machtiging van den Préfect en slechts om over zekere urgente onderwerpen te beraadslagen. De maire was tevens secretaris. Hij of een zijner adjuncten teekenden de besluiten en uitgaande stukken en regelden alles, doch zij stonden onder controle van den préfect en den onder-préfect. Na de omwenteling in November 1813 bleven de fungeerende gemeentebesturen op denzelfden voet bestaan, totdat de grondwet van 29 Maart 1814 hunne samenstelling en bevoegdheden opnieuw regele. De titels maire en adjunct-maire waren echter den 21en December 1813 veranderd in burgemeester en vice-burgemeester. Tenslotte volgen nog de op blz. 19 toegezegde inlichtingen over de door de Staatsregelingen en daarop steunende reglementen aan de gemeentebesturen onttrokken bevoegdheden. Het kerkelijk toezicht De ap- en improbatie van de predikanten en de zorg voor hunne jaarwedden door de gemeentebesturen zijn door de den 5en Augustus 1796 geproclameerde scheiding van Kerk en Staat afgeschaft. Artikel 21 van de staatkundige grondregels der Staatsregeling van 1798 bepaalt, dat elk kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijn eeredienst, deszelfs dienaren en gestichten. Dientengevolge en voornamelijk krachtens de additioneele artikelen droeg het gemeentebestuur zijn toezicht op de kerk en haar beheer, leeraren en bedienden over aan de Commissie tot de zaken van het gereformeerd kerkgenootschap, dat in de stad was opgestaan. Dit genootschap kreeg vervolgens den eigendom van het kerkgebouw bij contract, gesloten tusschen de gereformeerde, roomsche en joodsche gemeenten den 22en October 1798. Aangezien echter eene nadere algemeene regeling van de kerkelijke zaken door de Centrale regeering uitbleef, hernam het gemeentebestuur, krachtens artikel 107 van het departementaal regeeringsreglement dd. 3 Juni 1802, den 25en November 1803, het oppertoezicht en droeg het op aan 2 raadsleden. Ook het verloren toezicht op de kerk en haar leeraar en bedienden te Hierden heeft de Magistraat den 14en December 1804 hernomen. Bij koninklijk besluit van 2 Augustus 1808 (nr. 26) werden eindelijk de betaling der jaarwedden van de predikanten door het Rijk en van de kosters en andere kerkdienaren door de kerkgenootschappen, zoomede den overgang van het beheer der kerkgebouwen aan de kerkelijke gemeenten, definitief geregeld, waardoor de Magistraat gedwongen was den 1en Januari 1810 voor goed van zijn toezicht op de kerken en kerkbesturen in de stad en te Hierden afstand te doen. Het eigendomsrecht van het kerkgebouw te Hierden, droeg de stad den 19en Januari 1810 over aan de kerkelijke gemeente aldaar Het toezicht op het armbestuur Artikel 48 der algemeene beginselen voor de Staatsregeling van 1798 gebood het regelen van het armbestuur in de geheele republiek door een bijzondere wet, welke den 15en Juli 1800 werd gepubliceerd. Aangezien echter de leden van het in deze wet genoemd algemeen bestuur nimmer zijn benoemd, er verschil van meening ontstond over de vraag of het in artikel 15 vermeld verbod der acten van borgtocht of indemniteit al of niet moest worden nagekomen en de publicatie van 8 Maart 1802 bekend maakte, dat dit verbod beschouwd moest worden als niet in werking te zijn, is deze wet nimmer geïntroduceerd. Te Harderwijk had dit tengevolge, dat de Magistraat den 9en. April 1802 het armbestuur in de stad en haar schependom terugbracht op den voet zooals het tot 1795 had bestaan, d.w.z. dat de diakenen hunne jaarlijksche rekening en verantwoording en alle andere armenzaken, weder moesten afleggen en behandelen ten overstaan van of met de Overprovisoren die het gemeentebestuur daarvoor uit zijn midden had aangewezen. Inmiddels had zich het armbestuur te Hierden (vóór Mei 1801) afgescheiden van dat der stad, doch de Magistraat hernam ook het oppertoezicht in deze buurtschap den 11en Februari 1805. De oude beginselen aangaande de verzorging van armen en de daarvoor bestaande inr ichtingen zijn bij de vereeniging van Holland en Frankrijk gehandhaafd en het souverein besluit van 17 Augustus 1814 liet de ondersteuning van behoeftigen nog over aan de plaatselijke armbesturen.
INSTITUTIONELE ASPECTEN VAN DE SCHEPENBANK a. De samenstelling van de schepenbank - De schepenrichters Het Zutphense stadsrecht schakelde in de loop van de dertiende eeuw over op het systeem van de schepenrichters. Deze rechters in oude zin - de term "richter" wordt in de Gelderse rechtshistorische literatuur bij voorkeur gebruikt om het onderscheid met de moderne rechter aan te geven - werden steeds paarsgewijs voor een periode van twee opeenvolgende maanden uit het schepencollege gekozen. Over het hele zittingsjaar (lopende van 22 februari tot en met 21 februari) kwamen zo alle schepenen voor de vervulling van dit ambt aan de beurt. Vanwege deze tweemaandelijkse roulatie werden de schepenrichters dan ook veelal "richters in der tijd" genoemd. Zij werden de ambtsopvolgers van de grafelijke schout uit de twaalfde eeuw en de volgens Harenberg mogelijk reeds bij de stadsrechtverlening van 1191/1196 aangestelde stadsrichter (iudex civitatis). De schepenrichters vormden de top of "hoogste magistrature" binnen de stedelijke ambtelijke hiërarchie. Zij presideerden als voorzitters alle gerechts- en schepenvergaderingen, vorderden de vonnissen van de ter rechtzitting verschenen schepenen, doch velden deze niet zelf. Elke richter was gehouden niet alleen de stadsburgerzaken maar ook alle vreemde (niet door het stedelijk gerecht gewezen) oordelen te klaren. Ze moesten alle boeten ("breuken") in civiele en criminele kwesties innen en aan de schepenen ter klaring brengen, op straffe van verbeuring van hun toelage voor het zogenaamde breuken klaren. Boeten die na verloop van hun ambtsperiode nog nog niet of niet volledig waren geïnd moesten door hen alsnog worden afgehandeld. Een keur uit 1462 bepaalde onder meer dat de richters met de beide marktmeesters op de vlees- en vismarkt toezicht moesten houden. Voorts moesten zij er op letten dat het binnensteeds gebakken brood goed van kwaliteit was en volgens gewicht werd verkocht. Ze waren daarom ook verplicht binnen hun ambtsperiode tweemaal het brood te wegen. Ook moesten zij gedurende deze periode binnen het schependom of vrijheid woning houden en alleen in noodgevallen mochten zij de stad verlaten. Een resolutie uit 1623 bepaalde dat hun ambt bij absentie zou worden waargenomen door de volgende in rangorde (sequens). - De schepenen Bij de stadsrechtverlening in 1191-1196 werd de bestuurs- en rechtsmacht van Zutphen door graaf Otto in handen van een college van twaalf schepenen gelegd. Wie de schepenen verkoos wordt in de stadsbrief niet vermeld, maar in een akte uit 1330 bekrachtigde graaf Reinald een overeenkomst tussen schepenen waarin zij onderling hadden afgesproken dat zij zichzelf zouden kiezen zoals zij dat ook voorheen hadden gedaan ("dat dye scepene, dye dear yarlyks yarlyks scepene siin, alle yare eenewerve hoer scepene setten ende kyesen soelen by hem selven, also als sye hiirtho hebben ghedaen"). In hetzelfde schepenverdrag werd ook bepaald dat schepenen tot in de vierde graad geen naaste bloedverwanten van elkaar mochten zijn. De praktijk leert echter dat in verloop der eeuwen de verzwagering van de magistraatsgeslachten dermate toenam, dat deze bepaling steeds moeilijker viel te handhaven en derhalve ook geregeld werd geschonden. Er waren meerdere middeleeuwse voorwaarden waaraan men moest voldoen om tot schepen te worden benoemd. Zo mocht men geen horig of anderzins onvrij persoon zijn en bovendien was het omwille van de onafhankelijkheidsgedachte "zedelick ende gewoenlic" om geen beëdigde dienaren van de hertog of van een andere heer te kiezen. Uit 1589 dateert als gevolg van de benoeming tot schepen van de zijn burgerschap verwoond hebbende Berndt Horstinck, een besluit dat men deze weer kon verkrijgen om de schepeneed af te kunnen leggen. En later, in 1652, werd naar aanleiding van de verkiezing tot schepen van de buiten Zutphen geboren dr. Henrick van Lochteren besloten dat in gevallen waarbij iemand niet in Zutphen geboren was, deze eerst de burgereed zou moeten afleggen alvorens hij de schepeneed kon doen. Een deductie uit 1705 bepaalde dat men voor een schepenfunctie een geboren burger moest zijn, of al minstens twaalf jaar het burgerschap moest hebben en gedurende al die tijd in de stad een vaste woonplaats hebben gehad. De kandidaat-schepenen dienden bovendien minstens 24 jaar oud te zijn en de gereformeerde religie toegedaan te zijn. Jaarlijks trad de helft van het schepencollege af. De zes oud-schepenen werden dan raad (raadsvriend), terwijl over het algemeen de zes oude leden van de raad weer tot schepen werden gekozen. De schepenverkiezing had plaats op Petri ad Cathedram (22 februari) en was een geheime aangelegenheid waarbij niemand buiten de magistraat aanwezig mocht zijn. Volgens overlevering had de plechtigheid 's morgens om negen uur precies plaats; en als dit om een of andere reden niet exact op dit tijdstip mogelijk was, werd de klok op negen uur stilgezet. De bevestiging als schepen geschiedde nadat de nieuw gekozenen door de roededragers vanuit de kanselarij voor de gerichtsbank in de raadhuiszaal waren geleid en zij in aanwezigheid van de overige schepenen hun eed afgelegd. Iedere nieuwe schepen behoorde vervolgens zijn collega's een feestmaal ("de roetert") aan te bieden in de plaatselijke taveerne Vreden, het latere Wijnhuis. Benoeming in de magistraat gold in de praktijk voor het leven; want wie eenmaal op het kussen zat werd bijna altijd herkozen. Dit impliceerde dat men na twee jaar als schepen te hebben gefungeerd een jaar raad werd en vervolgens weer twee jaar schepen, enz. Het college van raden, in 1320 als zodanig voor het eerst vermeld, oefende geen bestuurlijke macht uit, maar had zoals de naam al aangeeft een adviserende taak. Haar leden werden - als oud-schepenen - vaak in onderscheidene aangelegenheden door die van de zittende schepenbank geconsulteerd. Op het gebied van rechtspraak speelden de raden een uiterst kleine rol. Alleen bij mondeling gevoerde civiele kwesties, waarbij het ging om bedragen tot 30 gulden en waarin geen afdoening door het schepengericht plaatsvond, werden zij ingeschakeld. Schepenen konden niet onder alle omstandigheden hun functie blijven bekleden. Hun waardigheid vereiste een onberispelijk gedrag. Overtredingen van de keuren op overspel, vechten met en uitschelden van collega's konden leiden tot hoge boeten en uitzetting uit hun functie. Maar een schepen verloor ook zijn zetel door vertrek uit de stad, bij het aannemen van een nieuwe functie elders en bij verschijving in de ridderschap. Een uiterst moeilijke tijd gold de periode 1572-1591, waarin Zutphen tweemaal door de Spanjaarden werd bezet. In dit tijdvlak wisselden roomsgezinde en hervormingsgezinde magistraten elkaar af; verlieten velen van hen - als ze al niet waren vermoord - de stad, en hadden de achtergebleven schepenen bestuurlijk nauwelijks of niets in te brengen. Eerst in 1591, na de herovering van de stad door prins Maurits, werden de oude gezagsverhoudingen hersteld. Nieuwe crisisjaren waren 1672-1674 tijdens de Franse bezetting. Na het vertrek van de Fransen kon de stadhouder Willem III in februari 1675 door de instelling van een regeringsregelement, waarbij hij zich de benoeming van de schepenen zonder voordracht of nominatie voor telkens drie jaar voorbehield, grote invloed uitoefenen op de samenstelling van het schepencollege. Na de afschaffing van dit reglement, op 8 april 1702, ontstonden er ongeregeldheden; de zgn. Plooierijen (1703-1705), tussen de aanhangers van de richting die herstel van de invloed van de gilden en burgercompagnieën op de magistraatskeuze eisten en diegenen die dit niet wilden. Hoe groot de invloed van de gilden en burgercompagnieën op de magistaatskeuze in het verleden was geweest is niet geheel duidelijk. Uit hun midden bestond reeds in 1330 een vertegenwoordigd lichaam, het college van gemeenslieden, dat aanwijsbaar vanaf de oproeren van 1526 en 1538 tot belangrijkste taak had de stedelijke financiën te controleren en te beheren. Bovendien was de invloed van de gemeenslieden op de verkiezing der schepenen tussen 1538 en de komst van Karel V in 1543 onmiskenbaar. Nadien is hun positie echter aanzienlijk verzwakt. Tussen 1702-1717 hadden de democratische Nieuwe Plooiers in Zutphen het heft in handen. De door hen gewenste volksinvloed op de magistraatskeuze resulteerde in een bepaling waarbij de schepenen tussen 1704-1717 dan ook steeds voor de duur van drie jaar werden gekozen. Een Statenplakkaat van 21 oktober 1717 dat de stedelijke regenten weer voor het leven aanstelde werd heftig aangevochten en de tussenkomst van het gemeensliedencollege bleef bij de schepenverkiezing gehandhaafd totdat de stadhouder hieraan op de Landdag van 9 oktober 1750 persoonlijk een einde aan maakte. In februari 1795, tijdens de bezetting door het Franse revolutionaire leger, werden in Zutphen verkiezingen voor een nieuw stadsbestuur georganiseerd, welke op 25 februari 1795 als College van representanten van de burgerij (Municipaliteit) voor het eerst aantrad. Het aloude schepencollege was daarmee definitief opgehouden te bestaan. In de daaropvolgende periode tot 1813 traden vele bestuurlijke veranderingen op; burgerrecht en stadsprivileges werden afgeschaft en de stedelijke rechtspraak werd toevertrouwd aan commissies uit de steeds onder andere namen optredende Municipaliteiten. b. Functionarissen van de schepenbank - De secretarissen In de Zutphense overrentmeestersrekening van 1378 komen we de eerste secretaris tegen. Aanvankelijk werd hij nog "scriver", "statsscriver" of "averste scriver" genoemd. Het is echter niet altijd uit de rekeningen op te maken welke van de twee functies de hierin genoemde lieden bekleden. In de late middeleeuwen moet het ambt nog niet zo erg veel om het lijf hebben gehad en zullen de schrijvers ter completering van hun inkomsten nog andere betrekkingen hebben gehad of was het schijversambt zelf een nevenbetrekking. Zo vernemen we over de onderschrijver Wilhelmus op het eind van de veertiende eeuw, dat hij bovendien apotheker en toezichthouder op de klok is geweest. En van de tussen 1430-1459 optredende secretaris Henricus van Sedem is bekend dat hij tevens priester was. In later eeuwen werd het secretarisambt steeds arbeidsintensiever. Het aantal gelijktijdig in functie zijnde stadssecretarissen schommelt dan tussen de twee, na 1593 drie, een enkele keer zelfs vier personen. Het ambt van secretaris werd dan ook een gebruikelijk maatschappelijk opstapje naar een magistraatsfunctie. Niet alleen de protokolleerden en schreven zij de akten van de stedelijke administratie en het gerecht, maar ook schreven zij alle akten en schrifturen van de Land- en Kwartiervergaderingen en van het Hoge Appellationsgericht. Tot 1644 waren de voornoemde bovenregionale aktiviteiten voorbehouden aan de oudste secretaris en werden de daaruit vloeiende emolumenten gelijkelijk over alle secretarissen verdeeld. Vanaf 1644 kwamen deze inkomsten alleen de oudste secretaris ten goede. Deze ongelijkheid werd in 1653 weer deels te niet gedaan door een resolutie die bepaalde dat voortaan niet meer automatisch de oudste secretaris de Land- en Kwartiervergaderingen en het Hoge Appellationsgericht zou waarnemen. De secretarissen moesten beurtelings wekelijks de raad- of schepenkamer en de kanselarij waarnemen en mochten daar niet eerder uit vertrekken totdat het gericht uiteenging. - De roededragers De roededragers van Zutphen kunnen we het beste omschijven als stedelijke gerechtsdeurwaarders. Zover tot nu toe gebleken is werden roededragers eerst vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw onder deze naam in de Zutphense bronnen aangetroffen. De stad heeft sedertdien altijd twee van deze door haar benoemde en betaalde ambtenaren in dienst gehad. De langst in functie zijnde werd eerste en de andere tweede roededrager genoemd. Bij beëindiging van zijn dienstverband (door dood of ontslag) van een eerste roededrager werd de tweede roededrager automatisch eerste. Een nieuwe aanstelling betrof dan ook altijd die van tweede roededrager; behoudens gevallen waarin beide functies tegelijk kwamen te vaceren. Een oude instructie op hun werkzaamheden is niet bekend. De inhoud van functies dienen we derhalve af te leiden uit losse aantekeningen en kleinere bepalingen, zoals die -over vele jaren verspeid- in de Memoriën en Resolutiën der magistraat zijn opgetekend. Daarnaast beschikken we over een instructie voor de beide exploiteurs/roededragers uit 1804, waarin de vervatte bepalingen waarschijnlijk voor het overgrote deel reeds van eeuwen her dateren. Aan de hand hiervan kunnen we constateren dat de eerste roededrager voor de uitoefening van zijn ambt de leeftijd van 25 jaar moest hebben bereikt; burger der stad en van goed zedelijk gedrag zijn en de Nederduitse taal kunnen lezen en schrijven. Hij exploiteerde alle akten, memoriën, wetten die van buiten in kwamen (vanaf de Franse tijd), geapostilleerde (van kantbeschikkingen voorziene) rekesten en alle andere stukken waarop moest worden gereageerd uitgezonderd die ten aanzien van panding en pandkering. Verder deed hij alle mondelinge en schriftelijke arresten en deed hij de aanpeil ten behoeve van de pachters der generale middelen over de stad en haar jurisdictie. Hij moest aanwezig zijn bij het zegelen van de transportbrieven op Petri (22 februari) en stond de secretarissen bij in het afschrijven van stukken. Hij deed zijn opwachting bij de gerichtsbank om op de aangegeven tijden de opening der zitting uit te roepen. Mede omdat hij en zijn jongere ambtgenoot een ordetaak binnen de gerechtskamer hadden werden zij ook wel kamerdienaren genoemd. Bij verschillende gelegenheden droegen zij als waardigheidstekens een notenhouten roede (staf) met zilverbeslag en met het ingegraveerde wapen van Gelderland. De thans nog bestaande roeden dateren uit de jaren 1573 en 1574. Deze werden gedragen bij de inleiding van executeurs-testamentair in een sterfhuis; tijdens de gerechtelijke uitspraken en bij de tenuitvoerlegging van criminele sententies en ter assistentie van de magistraat tijdens festiviteiten. Voorts lezen we in een resolutie van 13 november 1629 dat ze ook werden gedragen bij het doen van allerlei exploiten en bij het aanzeggen en uitnodigen van personen voor een begrafenis van iemand die het vergund was "met de roeden" te worden begraven. Een resolutie uit 1607 bepaalde dat voor een dergelijke begrafenis, waarbij de roededragers met de roeden in de lijkstoet voor de dode liepen - mogelijk zoals zijn Arnhemse collega, in het gaan naar de kerk met neerhangende roede en bij het huiswaarts keren met de roede omhoog - alleen overleden magistraatsleden, edelen uit de Graafschap en (in bijzondere gevallen) geestelijken in aanmerking kwamen. Niet alleen de roeden dienden tot hun distinctie, maar ook een bepaald embleem dat duidelijk zichtbaar op hun mantels bevestigd diende te zijn. Dat met dit laatste nogal de hand werd gelicht blijkt uit een verordening uit 1679, waarin de kamerdienaren, maar ook de boden te voet en te paard, werden aangezegd voortaan te zullen worden beboet als zij niet met duidelijk zichtbare 'litteren' op hun mantels het schepenhuis zouden betreden. De eerste roededrager mocht volgens de instuctie uit 1804 geen nevenfunties bekleden. Ook mocht hij zich op geen enkele manier in rechtsaangelegenheden mengen. Verder moest hij tijdens de magistraats- en gerechtsvergaderingen op het raadhuis aanwezig zijn. Tenslotte was hij verplicht van bepaalde werkzaamheden een register bij te houden. Aan de tweede roededrager werden dezelfde eisen gesteld. Zijn belangrijkste taak was het aanzeggen en bedienen der magistraatsvergaderingen, welke hij vanaf 1804 met de pander in onderling overleg mocht regelen. Hij diende voorts het dagelijks gericht bijeen te roepen en op te wachten en moest de Weeskamer en Desolate Boedelkamer assisteren. In 1625, kort na de instelling van de Weeskamer deden de beide roededragers dit nog gezamenlijk; en in de achttiende eeuw was het nog de taak van de eerste roededrager alleen om "op de Weeskamer te passen en partijen daartoe te citeren". Hij assisteerde de commissarissen van huwelijkszaken, deed de afroeping der huwelijksproclamaties en gaf daarvan de secretaris schriftelijk kennis. Bij diverse gelegenheden ging hij met de roede de magistraat vooruit en vroeg de assistentie in van de hellebaardiers bij de tenuitvoerlegging van criminele vonnissen. Hij assisteerde de eerste roededrager bij het exploiteren en verzorgde de verspreiding van publikaties en de vrijwillige verkopingen van onroerende goederen. Tenslotte moest hij in voorkomende gevallen de stadsboden assisteren en kreeg hij naast de gewone roede ook de kleine stadsroeden uitgereikt, waarvan hij er altijd een van bij zich moest hebben als er van gerechtswege een of andere akte werd gepasseerd. Naast een vast basissalaris kregen de beide gezworen roededragers (zij legden bij hun ambtsaanvaarding een eed af) toelagen voor dienstkleding, huishuur en voor het hebben van een stadswaar (=het recht om op de gemeenschappelijke stadsgronden twee stuks rundvee te mogen weiden). Verder genoten zij inkomsten uit de inning der boeten, bezegelingen, vredeverkondigingen, verpachtingen van stadslanderijen, domeinen, tienden en garvezaden, alsmede de afhoring van rekeningen; terwijl de tweede roededrager apart nog inkomsten genoot uit de berichtgevingen van vestenissen en royementen en uit alle voor het gerecht gepasseerde vrijwillige akten. - De pander Tot in de zeventiende eeuw werden de stadspanders tot de kamerdienaren gerekend. Regelmatig werden zij tegelijk met hun aanstelling tot stadspander ook tot cipier of kastelein aangesteld. Deze gecombineerde functie vormde met die van roededrager de top van de kleine groep van lagere gerechtsdienaren, dat volgens een hiërarchische lijn van voetboden (drie personen), rijdende boden (twee personen), pander (een persoon) en roededragers (twee personen) van onder naar boven was opgebouwd. Regelmatig waren de latere roededragers en panders eerst voetbode en daarna rijdende bode geweest. Elke bevordering bracht dan ook een financiële verbetering met zich mee. Als voorbeeld noemen we hier de standaardsalarissen uit een willekeurig gekozen jaar uit de achttiende eeuw; een eeuw waarin de salarissen overigens lange tijden op hetzelfde peil bleven steken. In 1743/44 ontving een voetbode ƒ 60,=, een rijdende bode ƒ 70,=, een pander in totaal circa ƒ 110,= en de beide roededragers in totaal circa ƒ 160,= (exclusief de emolumenten uit allerlei werkzaamheden). Een strakke bevorderingsregeling bestond er echter niet. Om het hoogste ambt te bereiken behoefde men niet verplicht eerst alle lagere functies te hebben bekleed. Evenzo behoefde een overstap van roededrager naar pander niet als degradatie te worden beschouwd. De extra emolumenten die uit het met het cipierschap gecombineerde panderambt konden worden verkregen konden de ogenschijnlijke financiële achterstand op de beide roededragers waarschijnlijk redelijk verkleinen. Het officie van stadspander behelsde het exploiteren van alle de voor het gerecht gepasseerde akten van panding en pandkering. Voorts deed hij de zogenaamde opbadingen inzake de met panding aangevangen rechtsvorderingen, maakte korte aantekeningen van bepaalde verrichtingen, bracht gepande personen de wethen van verwin en haalde bij hen de panden op. Bij dit laatste liet hij zich assisteren door zowel de rijdende- als de voetboden, en indien deze niet beschikbaar waren stuurde het gerecht hem de beide roededragers mee. Bij het afhalen (vorderen) van de panden droeg hij een roede die in zoverre van die van de roededragers afweek, dat deze - in 1602 - was bezet met een leeuwtje, houdende het stadswapen op een schildje. Tot 1689 werden de door de pander gevorderde goederen ook door hem in het openbaar verkocht. Daarna geschiedde dit door een vendumeester. Ook verrichtte de pander de openbare verkopingen van niet-verwonnen goederen; doch rond 1660 werd deze boedelverkopers- of erfhuismeesterstaak door een ander overgenomen. Voorts inde de pander bepaalde boeten en dagvaardde hij vanwege het gerecht burgers en andere ingezetenen van de stad en haar schependom. Maar volgens een ordonnantie uit 1612 mocht hij ook lieden van buiten het voornoemde territorium voor het gerecht dagen. Dit laatste recht wordt elders ook wel het recht van ingebod genoemd. Daarnaast bediende hij samen met de tweede roededrager de magistraatsvergaderingen, welke in 1804 tevens in toerbeurt met de laatste onderling mocht worden geregeld. Een veelal met het panderambt gecombineerd ambt was dat van gevangenbewaarder (cipier) of kastelein. Reeds in de stadsrekening van 1445 wordt melding gemaakt van een peinder (=pander) die een vergoeding genoot voor het verstrekken van voedsel aan een gevangene en voor het schoonmaken van de gevangenis de Apenstert. In 1603 kreeg de pander op stadskosten de beschikking over de "calenkamer" en de bewoning van een annex gelegen huisje. Daarmee verzekerde de magistraat zich niet alleen van een permanente bewaking van de gedetineerden in de calenkamer - een cel of cellencomplex in het stadshuis -, maar ook van een nachtelijke bewaking van her stadshuis zelf. Naast de wisselende inkomsten, verkregen uit ambtshalve verrichte werkzaamheden, ontving de pander een vast salaris dat werd aangevuld met een vergoeding voor dienstkleding, het hebben van een waar, het uitdelen van stro aan de stad passerende militie, het schoonhouden van het stadhuis, het vullen van de daar aanwezige stoven en (sinds 1710) het opwinden van het horlogie dat in dat jaar in de scheidingsmuur tussen de raadkamer en gedeputeerdenkamer in het stadhuis was aangebracht. Over de achtergronden van de benoeming van de pander is weinig bekend. Als stedelijk ambtenaar werd hij door de magistraat aangesteld, maar opmerkelijk is het feit dat in de eerste helft van de zestiende eeuw het landsheerlijk gezag nog pogingen ondernam om bepaalde kandidaten bij het openvallen van het pandersambt genomineerd te krijgen. In 1510 probeerde hertog Karel dit met de Zutphense burger Wessel van Groullo en in 1520 hertogin Elizabeth met een zekere Johan Scherenbeeck. Maar evenzovele malen besliste de Zutphense magistraat anders. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat in vroeger tijden de rol van het landsheerlijk gezag in de keuze van de panders - en mogelijk van andere stadsdienaren - groter was dan dat men op basis van het onafhankelijke beeld van Zutphen zou denken. - De scherprechter De Zutphense scherprechter (beul) is waarschijnlijk door zijn lugubere werkzaamheden een dankbaarder onderzoeksthema geweest dan bijvoorbeeld de roededragers en de pander. Er bestaat althans voldoende literatuur over deze stadsfuctionaris om een helder beeld van hem en zijn arbeid te kunnen vormen. Wij kunnen hier dan ook volstaan met het kortelijk aangeven van de belangrijkste aspecten van het scherprechtersambt. Tot 1464 had Zutphen geen eigen scherprechter in loondienst maar leende zij hem regelmatig van andere steden. Nadien volgde een hele reeks van veelal kortstondig optredende lieden die oorsponkelijk van elders - meest Duitsland - afkomstig waren. Het grote verloop van deze dienaren der justitie hing nogal eens samen met hun betrouwbaarheid, die over het algemeen niet groter was dan die van de personen die zij met hun beulswerktuigen hadden te berechten. De scherprechter trad op in criminele of strafrechtelijke procedures, tijdens de fase waarin een voor een zogenaamd "halsmisdrijf" in hechtenis genomen verdachte bleef ontkennen. De tortuur (pijnbank; ook wel: "quaed examen" genoemd) werd in verschillende graden toegepast om een hardnekkig ontkennende verdachte toch aan het praten te krijgen. Pijniging was overigens niet vaak nodig; alleen het tonen van de martelwerktuigen leidde meestal tot een bekentenis. Niet alleen tijdens de verhoren, maar ook aan het eind van het strafproces kwam ten gevolge van een lijfstraffelijke uitspraak de scherprechter in aktie. Veelvuldig voorkomende lijfstraffen waren geselen en brandmerken; met garden of roeden omhangen en aansluitend levenslang verbannen uit stad en schependom; onthoofden en aan de schandpaal stellen. Een enkele keer luidde het vonnis: vierendelen, verbranden, radbraken, verdrinken, oren afsnijden, ogen uitsteken en levend begraven. De tortuur vond plaats in de stadsgevangenis de Apenstert, een toren in de stadsmuur aan de Berkel bij de Barlheze. In de zestiende en zeventiende eeuw worden meerdere gevangenisplaatsen genoemd: de Drogenapstoren, de calenkamer en de Rutenberchskelder (beide laatste in het raadshuis) en de schultenstok op de markt (ten behoeve van het scholtambt Zutphen). De scherprechter genoot een vast salaris van de stad en ontving bovendien toeslagen voor zijn handelingen. Hoezeer deze in detail geregeld werden toont bijvoorbeeld een rekenig van de berechting van een zekere Jan Meulenkamp in 1671. Daarvoor ontving de scherprechter afzonderlijk vastgestelde bedragen voor het ter plaatse van de justitie brengen van de genoemde persoon, voor het dragen van de pot om het brandijzer te verhitten, voor de garden, voor het geselen, voor het tonen van het brandijzer in plaats van het brandmerk te zetten, voor het uit de stad leiden van de misdadiger en voor de toelage voor zijn assistent (de zogenaamde goltgrever). Het laatste door het schepengerecht gewezen vonnis dat door de scherprechter ten uitvoer moest worden gebracht, dateert van 19 juli 1794. In het volgende jaar brak met de komst van de Bataafse Republiek een overgangstijd aan die de strafrechtpleging op meerdere punten van gedaante deed veranderen. Zo verdween in Gelderland nog in het jaar 1795 de schavotstraf en pijnbank, terwijl dat voor de gehele Republiek eerst bij de staatsregeling van 1798 geschiedde. DE WERKZAAMHEDEN VAN DE SCHEPENBANK ALS STADSGERECHT VAN ZUTPHEN a. Het ressort van de schepenbankAan het eind van de twaalfde eeuw bepaalde het rechtsgebied van Zutphen zich nog alleen tot de oude stadskern. Na de stadsrechtverlening breidde de stad zich echter snel uit en ontstond in de loop van de dertiende eeuw over de Berkel aan de noordzijde van de oude stadskern de nieuwe stad of Nieuwstad. In 1312 verenigde graaf Reinald de Nieuwstad en de oude stad onder één gericht en schependom, zodat van toen af aan het rechts- en het bestuursgebied van Zutphen de oude en de Nieuwstad omvatte. In dezelfde tijd vormde zich bovendien aan de oostzijde van de stad de zogenaamde Spittaalstad, die lange tijd een landelijk karakter bleef houden. Daarnaast breidde de stad zich uit door aankoop in 1319 van het over de IJsel gelegen goed de Mars. En in 1321 verkreeg de stad uit handen van graaf Reinald het landgoed Wesse in de parochie Warnsveld. Deze en andere uitgestrekte landerijen en weiden om de stad, zoals Helbergen, de Worf en Zutphener enk, werden in 1372 door hertog Willem van Gulik en zijn vrouw bevestigd als rechtsgebied der schepenen van Zutphen. In deze hoedanigheid werd het gebied buiten de stadspoorten van Zutphen het schependom of ook wel de vrijheid der stad genoemd. Zo waren aan het einde der veertiende eeuw de grenzen van de stedelijke jurisdictie bereikt zoals die tot 1811 hebben gegolden. Buiten deze grenzen lagen binnen het overige deel van het Kwartier van Zutphen nog vier steden met eigen schepengerichten (Doesburg, Doetinchem, Groenlo en Lochem), terwijl het platteland in bestuurlijke en juridische zin was opgedeeld in vier districten; de scholtambten van Zutphen en van Lochem; het landdrostambt Zutphen en het richterambt Doesburg (zie bijlage IV). De oud-rechterlijke archieven van deze steden en territoria bevinden zich deels ter plaatse en deels in het Rijksarchief te Arnhem. b. Competentie en zitting van de schepenbank Het college van schepenen had een groot takenpakket. In de eerste plaats droeg zij zorg voor het bestuur van de stad en voorts oefende zij de wetgevende macht binnen de stad en haar schependom uit, alsmede de rechtspraak over de ingezetenen in cieviele (vanaf de twaalfde eeuw) en in criminele zaken (met zekerheid vanaf de zestiende eeuw). Bovendien certificeerde zij bij ontstentenis van het notariaat rechtshandeligen van voluntaire aard (vrijwillige rechtspraak). Tenslotte fungeerde zij als hoger rechts- en appèlcollege voor een aantal binnen en buiten de directe omgeving liggende steden. Door de arbeidsintensieve werkzaamheden waren binnen het schepencollege de taken zodanig verdeeld, dat de leden steeds paarsgewijs bepaalde functies uitoefenden. Zo kende men onder meer de ambten van richter, burgemeester/zegelaar, rentmeester, timmermeester, politiemeester en weg- en weidemeester. De meeste hiervan behoeven hier niet nader te worden toegelicht, doch op enkele zal in het kort worden ingegaan. De burgemeester, voor het eerst vermeld in 1378, vormden een klein college dat meestal uit twee personen (de twee oudste schepenen) bestond. Ieder voor zich trad om de twee jaar af. Blijkens een overeenkomst tussen schepenen, raden en gemeenslieden uit 1414 werden de werkzaamheden der burgemeesters zo geregeld, dat zij voortaan werden belast met het toezicht op verkeer, waterstaat en de verkoop van levensmiddelen. In 1462 kwam daar nog een representatieve taak bij, namelijk het ontvangen van gasten en brieven en het verstrekken van geleide aan boden en anderen. De burgemeesters waren als drager van de sleutel van de zegelkast tevens zegelaars. Als zodanig waren zij verantwoordelijk voor de beoorkondiging van juridische transacties, die opgespaard over het hele afgelopen ambtsjaar, tijdens de veertien dagen voorafgaande aan Petri ad Cathedram (22 februari) bezegeld werden. Daarnaast zat de oudste of president-burgemeester van Zutphen de vergaderingen van de Staten van het Kwartier van Zutphen voor. Ook werden jaarlijks uit de schepenen twee politiemeesters gekozen die toezicht moesten houden op de waag, gewichten, ellen en maten. Bovendien dienden zij minstens éénmaal per jaar in de stad visitatie te verrichten. De twee timmermeesters werden in de zestiende eeuw nog uit de schepenen gerecruteerd, maar reeds uit het stadsrecht van 1615 blijkt dat er "twee uyt den raede ghekoren" werden om toezicht te houden op de stedelijke bouwwerken, houtopstanden en overige begroeiingen. De weg- en weidemeesters tenslotte, waren belast met het toezicht op en het onderhoud van de stadsdomeinen die voornamelijk buiten de stadsmuren waren gesitueerd. Ten aanzien van de zittingen der schepenen kan het volgende worden opgemerkt. Behoudens zon- en christelijke feestdagen en tijdens recessen (waarop echter weer uitzonderingen bestonden) vergaderde het schepencollege naar eigen goeddunken. Veel over hun werkrooster is ons niet bekend. We weten alleen dat sedert 1554 pandingsprocedures op zaterdag geregeld werden. Vonnissen werden onder klokgelui en met open deuren op donderdag (marktdag), de oorspronkelijke rechtszittingdag, uitgesproken. Blijkens een klad-regelement op het houden van het gerecht, uit 1699, visiteerde het gerecht op dinsdag alleen processen en werden de - mogelijk - dagelijkse zittingen van 10 uur 's morgens naar 9 uur verschoven. In de veertien dagen voorafgaande aan 22 februari (de start van het nieuwe ambtsjaar) werden de stedelijke wetten (keuren) aangepast, nieuw ontworpen of buiten verwerking gesteld. In deze drukke tijd was het schepencollege dan ook in permanente vergadering en mocht er dan ook niemand van hen de stad verlaten. Wanneer deze werkzaamheden waren volbracht werden de privileges en de stadskeuren in het openbaar aan de Zutphense bevolking voorgelezen, opdat men zich er dan later nooit op kon beroepen van bepaalde regels geen weet te hebben. c. Opmerkingen over de procesgang te Zutphen - Het gastrecht De berechting van gasten (lieden van buiten Zutphen) was blijkens het privilege van graaf Reinald uit 1330 aan hemzelf of diens plaatsvervanger, de schout binnen en buiten Zutphen voorbehouden. Uit allerlei bepalingen in het Kondichboek blijkt dat de stad zich met het oog op dit grafelijke - later hertogelijke - recht, dan ook zoveel mogelijk buiten rechtskwesties met gasten hield. Als gevolg hiervan verhinderde het schepencollege gasten de mogelijkheid om zich enige invloed binnen de stad te verwerven, zoals door middel van een bepaling uit 1373 waarbij het de inwoners van Zutphen zonder toestemming van schepenen werd verboden om huizen binnen de stad aan gasten te verkopen of anderszins te vervreemden. In zaken van civiel recht mocht de gast wel voor de schepenbank verschijnen. Het zogeheten gastrecht typeerde zich als snelrecht. Een gast die een burger van Zutphen om schuld gerechtelijk wilde laten vervolgen kon de procedure zelfs binnen de "vacanciën" laten aanvangen. Op een eerste dagvaarding van de burger moest deze binnen drie dagen 's morgens om 11 uur voor het gerecht verschijnen. De gast formuleerde dan zijn aanklacht, waarop de burger met ja of nee moest antwoorden. Bekende de laatste enige of alle schuld, dan moest hij binnen drie dagen betalen. Wanneer hij dit niet deed mocht de gast aan hem panden voor hetgeen de burger aan schuld had bekend. Deze panden werden dan na drie dagen verwonnen. Indien de burger op eerste termijn verstek liet gaan, moest hij ongedaagd op de eerstvolgende werkdag en dezelfde tijd voor het gerecht verschijnen. Hij kreeg voor zijn wegblijven dan wel een boete. Verscheen hij echter wederom niet, dan volgde een nieuwe dagvaarding (exploit) van de roededrager voor een derde richtdag, wederom op hetzelfde tijdstip en in de regel drie dagen na de vorige verschijningsdag. Bleef de burger dan nog weg, dan had hij het gerecht gecontumaceerd (letterlijk: veracht) en mocht de gast zijn eis (intendit) overleggen. Wanneer deze voldoende was gestaafd werd de eis toegewezen - Rechtsingangen tot het civiel recht Om een proces te starten kende het Zutphense stadsrecht een viertal rechtsingangen, namelijk die volgens het erfhuisrecht; arrest of bezaat; panding en tenslotte bading. Rechtsvordering volgens het erfhuisrecht mocht vanwege het feit dat het een "summier" en "possessoir" (tot voorlopig eigendom) recht was, alleen plaatsvinden als er geen sprake was van aanspraken op grond van een testament, donatie, opvolging in horige (keurmedige), allodiale of leengoederen, of wanneer een goed tijdens het leven van de overledene op bijzondere titel of jaar en dag in rouwelijk (passief) gebruik was geweest. In overige gevallen mochten degenen die meenden erfgenaam te zijn of anderzins een erfhuis (nalatenschap) dachten te mogen opeisen, zich laten inleiden in het erfhuisrecht. De vorderaar moest dit recht binnen één jaar, zes weken en drie dagen na de dood van de erfhuisbezitter laten gelden, anders verloor hij definitief dit recht. Het erfhuisrecht moest plaatsvinden in de woonplaats van de overledene; dus niet in de plaats van overlijden als deze niet dezelfde als de woonplaats was. Een uitzondering gold voor studenten, koopmansgezellen, knechten, dienstmaagden en anderen die geen vaste woning binnen Zutphen hadden. Voor hen gold dan de plaats van overlijden. Lieten zij echter nog één of twee ouders na, dan moest het erfhuisrecht in de woonplaats van de laatste(n) plaatsvinden. De rechtsvorderaar moest zich voor het gerecht der stad borgstellen voor het maken van een redelijk testament en een overzicht der erfhuisschulden. Het gebeurde echter regelmatig dat iemand anders zich tegen zijn inleiding in dit recht te weer stelde en daartegen zogenaamde 'uitleiding' deed, of dat een mogelijk aanwezige erfuiter (de langstlevende huwelijkspartner, of de oudste zoon of dochter) de eiser niet alleen als erfgenaam wilde erkennen en daardoor weigerde behoorlijke erfuiting te doen. In dat geval kon op verzoek van partijen een gerichtsdag in het erfhuis worden gehouden, of met wederzijdse instemming, in de raadkamer voor het gericht en gezamenlijke schepenen. De rechtsvorderaar trad dan op als aanlegger (eiser), de wederpartij als verweerder. Een gerichtsdag resulteerde meestal in een daadwerkelijk proces, dat in grote lijnen overeenkwam met de hierboven geschetste procesgang. De gerichtsdagen voor de onderscheidene zaken lagen in de regel veertien dagen na elkaar. Christelijke feestdagen werden in deze termijnen inbegrepen, maar als een gerichtsdag op een dergelijke dag viel verschoof het gerecht de zitting naar een eerstvolgende werkdag. Expliciet vermeldt het stadsrecht dat na een ingediend dupliek het gerecht aanleiding kon vinden om de procedure te verlengen. Er kon dan nog in twee termijnen worden gediend van tripliek (door de aanlegger) en van quadrupliek (door de verweerder). Bezetting van of beslaglegging (arrest/bezaat) op roerende of onroerende goederen, of de aanhouding van in gebreke blijvende schuldenaren binnen de stad of het schependom van Zutphen mocht niet door eigenrichting van de schuldeiser plaatsvinden. Behalve wanneer de betrokkene voortvluchtig was of op het punt stond om onder meeneming van zijn goederen te vertrekken, moest de magistraat altijd van arrest of bezaat voorkennis hebben en toestemming hebben verleend. Deze vorm van rechtsvordering vond ingang met de overlevering van een gerechtelijke "wethe" (aanzegging) aan de geadresseerde zelf of diens huisgenoten. De gerechtsbode deed daarvan aantekening in het zogenaamde Gichtenboek. Als de betrokkene onvindbaar was en hij geen beheerder over zijn goederen had achtergelaten, werd de edictale dagvaarding of wethe gedaan in de laatst aangetroffen woonplaats. De klokken werden dan geluid en de afschriften van de wethe werden aan de stadspoorten of kerkdeuren geslagen, terwijl daarin tot driemaal toe de tijd werd vermeld binnen welke de schuldenaar zijn recht moest verdedigen ("ontzaat" doen). Beslaglegging geschiedde door de gerechtsdienaar die deze opdracht niet mocht weigeren op straffe van een boete ter hoogte van het bedrag waarvoor de beslaglegging geschiedde. Bij afwezigheid van een gerechtsdienaar mocht de beslaglegging worden gedaan door twee daartoe aangewezen burgers. Ook zij mochten deze opdracht niet weigeren op straffe van de voorgenoemde boete. Bezatigde personen konden hieruit worden ontslagen door het doen van behoorlijk ontzaat en borgtocht (betaling der schulden en bijkomende kosten). Indien de vrees bestond dat de bezatigde persoon zonder borgstelling uit het arrest zou ontsnappen, stond het de tegenpartij vrij om de arrestant op eigen kosten door de gerechtsdienaren in gijzeling te laten nemen. Was de schuldeiser geen geërfde of gegoed ingezetene der stad, dan moest hij zich zelf voor de onkosten borgstellen. Werd hij bovendien in het ongelijk gesteld, dan was hij tevens verplicht de verweerder voor alle onkosten schadeloos te stellen. Rechtsingang op basis van panding (ook: peinding) gold voor aanspraken op grond van schulden of renten, vastgesteld in zegel en brief; pacht en huur; schulden, bekend volgens gerichtsboeken of door eigenhandige ondertekening; in akten van huwlijkse voorwaarden en magescheiden vastgelegde financiële verplichtingen; verdiend loon; alle soorten etens- en drankwaren (magenaas), alsmede geconsumeerde waren (verteerde kosten). Panding (beslaglegging) als conservatoir middel van bewaring van het recht had als kenmerk dat de pandeiser eerst aan onroerende goederen van de schuldenaar moest panden en pas daarna aan (pandbare) roerende goederen. Omdat rechtsgedingen aangevangen met panding voorrang op andere zaken hadden, werd door een overeenkomst tussen schepenen van 21 februari 1554 geregeld, dat pandingen en pandkeringen op de zaterdag gestart en voltrokken zouden worden. De procedure kon als volgt verlopen: De pandeiser die op grond van één of meerdere van de hierboven genoemde aanspraken panding verlangt op bijvoorbeeld roerende en onroerende goederen van een in gebreke blijvende schuldenaar, liet zijn advocaat een akte van panding opstellen. Deze 'aanpeinding' werd dan door de pander (of bij ontstentenis daarvan, een andere gerechtsbode) aan de schuldenaar meegedeeld. Daarna voorzag de pander de akte van een korte opmerking over zijn bezoek aan de schuldenaar en het daarbij ontvangen antwoord. Vervolgens kon de schuldenaar opponeren. Vóór zonsondergang op donderdagavond moest hij dan een akte van pandkering hebben laten opstellen (waarin de reden van oppositie niet vermeld hoefde te worden) en aan het gerecht hebben overhandigd. Voor niet te Zutphen wonende, maar wel inlandige (= Gelderse) pandverweerders gold een oppositietermijn van veertien dagen. Uitlandige pandverweerders kregen hiervoor zes weken de tijd. Vond er echter geen pandkering plaats, dan kon de pandeiser de procedure laten vervolgen met een eerste opbading (bekendmaking dat tot gerechtelijke verkoop van roerend goed zal worden overgegaan) op de dag nadat pandkering had moeten plaatsvinden; dus op vrijdag. Deze eerste opbading werd in een apart register geprotokolleerd. Betaalde de schuldenaar dan nog niet of gaf hij nog geen pand, dan volgde een tweede opbading. Deze geschiedde volgens regel veertien dagen na de eerste opbading, doch de praktijk wijst uit dat dit ook na langere termijn kon plaatsvinden. In het protokol werd hiervan een marginale aantekening gedaan naast de akte van de eerste opbadingsakte. Dit gebeurde eveneens met de gerechtelijke aanzegging (wethe) van verwin, door de pander; één of enkele dagen na de tweede opbading. Enkele weken na de wethe van verwin werd de derde opbading van de schuldeiser voorgelezen, waarna wederom marginale aantekening in het protokol plaatsvond. Kort na de derde opbading ging de pander klein pand bij de schuldenaar ophalen en maakte men daarvan wederom notitie. Omdat in dit voorbeeld ook gepand werd aan onroerend goed is de procedure nog niet ten einde. Zoals gezegd mag pas in het laatste geval aan onroerend goed gepand worden. De procedure werd dan voortgezet met het voorlezen van een vierde opbading, nu dus inzake onroerend goed, en wel enkele dagen tot weken na het halen van klein pand. Weer werd daarvan notitie in het protokol gemaakt. Over het algemeen volgde een dag na de vierde opbading een wethe van verwin van onroerend goed, waarvan tenslotte eveneens marginale aantekening werd gemaakt. Een vierde rechtsingang was die volgens de badingsprocedure. Net als bij de pandingsprocedure was deze erop gericht om schuldvorderingen en gederfde inkomsten op een schuldenaar te verhalen door bepaalde delen van diens bezittingen via een gerechtelijke uitspraak te kunnen verkopen. De badingsprocedure onderscheidde zich evenwel van de andere doordat het zich uitsluitend richtte op de niet-pandbare goederen van de schuldenaar. Bading werd dan ook alleen gedaan aan erfgronden die de schuldenaar in eigendom of gebruik had; mits deze binnen de stad woning hield. De procedure startte met een dagvaarding van de schuldenaar, welke minstens drie dagen vóór een aanstaande gerichtsdag moest worden gedaan. Als deze verstek liet gaan volgde na veertien dagen een tweede dagvaarding. Indien de gedaagde wederom niet verscheen werd hij na veertien dagen voor de laatste maal gedagvaard. De gerechtsbode nam dan twee burgers als getuigen ("tot oirconde") mee naar de woning van de gedaagde. Als de laatste pas op de tweede of derde termijn verscheen werd hij niet eerder gehoord voordat hij bepaalde gerechtskosten had betaald. Bovendien moest hij tijdens de zitting directe antwoorden (stante pede in Judicio) geven. Aan deze restricties kon hij evenwel ontkomen indien hij kon aantonen dat hij op het eerste termijn was vehinderd door lijfs- of watersnood of door herengebod. Bleef een gedaagde ook op de derde termijn weg, dan mocht de aanklager zijn conclusie van eis, omkleed met behoorlijk bewijs, aan het gerecht overleveren, waarna bij toewijzing executoriale inwinning kon plaatsvinden. d. Desolate Boedelkamer In de loop van de zeventiende eeuw ontstond ten gevolge van de steeds ingewikkelder wordende afhandeling van met schulden en hypotheeklasten bezwaarde boedels en de daarmee gepaard gaande verhoging van de werkdruk, een toenemende behoefte aan een commissie die zich speciaal met executies van door het gerecht desolaat (failliet) verklaarde boedels zou gaan bezighouden. Derhalve werd in 1668 de Desolate Boedelkamer in het leven geroepen welke werd gecombineerd met de reeds vanaf 1624 bestaande Weeskamer. Volgens het daartoe dienende reglement ging de nieuw gevormde Kamer bestaan uit twee commissarissen die uit de magistraat werden gecommiteerd. Deze werden bijgestaan door een der twee jongste stadssecretarissen. In gevallen waarbij sprake was van gefailleerde of overleden debiteuren werden door de commissarissen twee van de belangrijkste, bekwaamste en meest geïnteresseerde schuldeisers tot curatoren aangesteld, of werd bij ontstentenis daarvan door hen zelf ex officio gehandeld. Daartoe hielden de commissarissen elke eerste vrijdagmorgen van de maand speciale zitting. De tot curatoren aangestelde personen moesten in de eerste plaats een iventaris van alle roerende en onroerende goederen uit de desolate boedel opmaken en deze aan de commissarissen overleggen, ten einde de bepande roerende goederen door de pander, de onbepande roerende goederen door de boedel- of erfhuismeester en de mogelijk aanwezige onroerende goederen ten overstaan van het gerecht op het Wijnhuis openbaar te kunnen verkopen. Vervolgens moesten de curatoren d.m.v. publikaties en muurbiljetten alle overige schuldeisers oproepen tot het overleggen van hun rekeningen. Deze moesten zich dan binnen de tijd van zes weken aanmelden, of - zoals het reglement uit 1742 bepaalde - indien het een omvangrijke boedel betrof of wanneer er crediteuren in het buitenland woonden, zes weken nadat een derde oproep in een van de couranten was geplaatst. Nadat deze zich hadden aangemeld moesten de curatoren binnen een termijn van drie weken een definitieve boedelinventaris opmaken, waarbij zij tevens een scheiding moesten aanbrengen tussen de zogenaamde geprivilegeerde crediteuren en de personele crediteuren. Onder de eersten werden de schuldeisers bedoeld met betrekking tot de kosten van het overlijden en begraven van de debiteur; de ontvangers van de stads- en landlaste (o.a. de verponding, het schoorsteengeld en het wachtgeld), alsmede - volgens het reglement van 1742 - de dienstboden van de overleden of gevluchte debiteur, wegens hun achterstallige loon tot uiterlijk twee jaar na dato. Onder de personele crediteuren genoot de stad, haar rentmeesters en de pachters van de stadspachten, schulden en accijnzen voorrang (preferentie). Dit gold tevens voor alle crediteuren met vorderingen op onderpand. Indien de opbrengst van de boedelverkoop niet toereikend was om de gehele schuldenlast aan de crediteuren van gelijke preferentie te voldoen moesten deze personen "missen pond- en schellings- wyse", dat wil zeggen zij ontvingen dan een aandeel in het totaal der schuldvorderingen. In de praktijk kon het ook gebeuren dat iemand zich tot erfgenaam van een desolaat verklaarde boedel verklaarde. De procedure was dan zo dat de erfgenaam een borgsom moest betalen en plechtig moest beloven dat hij een waarheidsgetrouwe boedelinventaris zou opstellen. Vervolgens moest hij binnen 30 dagen tegenover de door de secretaris ontboden crediteuren aantonen dat hij daarmee een aanvang had genomen. Daarna had hij nog 30 dagen de tijd om deze te voltooien. Als het dan zover was moest hij, nu hij wist hoe het er met de erfenis voorstond, verklaren of hij de erfenis accepteerde of van zijn aanspraak hierop afzag. Bij acceptatie nam hij dus niet alleen de lusten maar ook alle hierop rustende lasten op zich. In gevallen waarbij de debiteur of debitrice een weduwe of weduwnaar achterliet die tevens erfuiterse of erfuiter was, moest deze zelf een behoorlijke boedelinventaris opmaken. Indien deze om welke reden dan ook weigerde of naliet moest hij of zij gedogen dat op een door de erfgenamen en/of crediteuren bij het gerecht gedeponeerde aanklacht, na verloop van zes weken door de laatsten zelf een inventaris onder de hierboven vermelde voorwaarden werd opgemaakt. De praktijk wijst uit dat levende debiteuren dikwijls een deel van hun boedel trachtten te redden door deze te verbergen of door hun administratie (schuldbrieven, koopmansboeken) geheel of gedeeltelijk te laten verdwijnen. Naar aanleiding daarvan werd in 1775 besloten dat het de pandeisers voortaan vrij zou staan om hun frauduleuze schuldenaren van gerechtswege te laten ingijzelen op zes stuivers per dag. De gegijzelde werd dan net zolang vastgehouden totdat hij had bekend waar hij de verduisterde goederen en bescheiden had gelaten. Eventuele medeplichtigen en diegenen die de gezochte waren en bescheiden onderdak hadden verschaft konden tevens rekenen op een hoge boete. DE SCHEPENBANK ALS HOOFDGERECHT IN HOOFDVAART EN APPELZAKEN Landsvorsten die een plaats het stadsrecht verleenden ontwierpen daarvoor niet steeds volledig op de plaatselijke situatie toegesneden stadsrechtbrieven, maar volstonden nogal eens met een grotendeels herschreven tekst - en dus het recht - van een reeds bestaande stad. Deze praktijk stoelde meestal op de goede ervaring met de stadsrechtbrief van een "oudere" stad, maar het kon ook zijn dat beider plaatsen onder dezelfde heren vielen en/of dat er bijzondere betrekkingen van economische aard tussen de reeds met stadsrechten begiftigde stad en de nieuweling bestonden. Zutphen ontving als eerste Gelderse plaats stadsrechten en haar verlengbrief werd zodoende het model voor de brieven van een aantal andere plaatsen die in latere tijden het stadsrecht ontvingen. Op deze manier werd Zutphen in stadsrechtelijke zin de 'moederstad' van plaatsen als Arnhem, Amersfoort, Wageningen, Harderwijk, Doesburg, Elburg, Gendt, Doetinchem, Lochem, Emmerik, Nieuwstadt en Montfort, die binnen deze terminologie als dochtersteden kunnen worden bestempeld. Waarschijnlijk door de inmiddels opgebouwde kennis van en de ruime ervaring met het stadsrecht kwam het in 1312 zover, dat Reinald I in zijn hernieuwde stadsrechtverlening de hofvaart van verscheidene steden uit het graafschap Zutphen, het Kwartier van Veluwe en het Overkwartier op Zutphen voorschreef. Met hoofdvaart (of: hofvaart) wordt bedoeld, dat schepenen van de rechtzoekende dochterstad - soms ook kleindochterstad -, indien zij aangaande een ingewikkeld proces twijfelden over een te vellen vonnnis (zich als het ware 'niet wys genoech' achtten) dan verplicht waren "te hoofde" te gaan en de Zutphense schepenen om een uitspraak in het problematisch geding te vragen. De vaste werkwijze was dan zo, dat twee schepenen - voor elk der partijen een - de processtukken naar Zutphen moesten brengen en later de bezegelde en besloten 'vondenisse' konden komen afhalen om die in de eigen woonplaats aan partijen bekend te maken. Van een in hoofdvaart gewezen oordeel was geen beroep mogelijk, maar men kon wel in dezelfde zaak voor een tweede maal te hoofde gaan wanneer nieuwe bewijzen of getuigenissen boven water kwamen. In tegenstelling tot de overige genoemde plaatsen had het Overbetuwse Gendt naast hoofdvaart ook appèl op de Zutphense schepenbank. Het appèlrecht of hoger beroep onderscheidde zich van de hoofdvaart, doordat bij hoofdvaartzaken nog geen vonniswijzing door schepenen had plaatsgevonden en de plaatselijke magistraat zèlf om een vonnis verzocht; maar bij appèl waren het de procesvoerende partijen zelf die op een reeds afgewikkelde zaak een nieuw vonnis wensten. In verloop van de zeventiende eeuw is door de toegenomen behoefte aan een gerechtelijke autoriteit voor het hele gewest de hoofdvaart op Zutphen gaandeweg in ongebruik geraakt en vervangen door het appèl op het Hof van Gelderland te Arnhe
Nadat in 1609 te Antwerpen het twaalfjarig bestand was gesloten, brak in de Baronie van Breda een periode van rust en verademing aan, die de uiteindelijke mogelijkheid bood tot de stichting van verschillende hervormde gemeenten in deze streek. Vóór die tijd was immers de Baronie en met name de stad Breda, voortdurende de inzet van oorlogshandelingen, waarbij de stad met wisselend succes door de opstandelingen en door de Spanjaarden werd belegerd en veroverd. Dat de omliggende dorpen van Breda onder deze krijgshandelingen sterk te lijden hadden hoeft geen betoog. begrijpelijk is het daarom temeer, dat het protestantisme op het platteland rond de stad, - Breda zelf bezat reeds in 1566 een hervormde gemeente - geen opgang kon vinden, wegens de herhaalde aanwezigheid van Spaanse troepen, die zelfs de katholieke kerken en bezittingen niet spaarden. Na de inname van Breda door Maurits in 1590, was het klimaat al gunstiger geworden voor de uitbreiding van het protestantisme. Reeds in 1610 deden inwoners van Leur hun belijdenis binnen de stad Breda. Dat het aantal hervormden te Leur een niet te verwaarlozen groep vormden, blijkt uit het feit dat de drie predikanten van Breda, van wie zij hun geestelijke verzorging ontvingen, per toerbeurt de predikatie te Leur waarnamen. Zij waren de hervormden te leur in hun streven naar een zelfstandige gemeente zozeer behulpzaam, dat reeds op kerstdag 1612 een kerkeraad gekozen werd, bestaande uit vier ouderlingen en twee diakenen. Eerst in 1614 werd een eigen predikant beroepen. Tot dat jaar zijn de Bredase predikanten de gemeente Leur eidere week voorgegaan in de dienst. Op 10 juni 1614 werd de eerste predikant te Leur, Ds. Gualterus Gerbrandi Pomeranus, in het ambt bevestigde. Als dank voor de bewezen diensten otnvingen de drie predikanten uit Breda elk een tonnetje boter, buiten de vergoeiding van reiskosten, terwijl Ds. Boshornius een raam voor zijn huis ten geschenke kreeg. Ds. Pomeranus zette onmiddellijk alles in het werk om tot de bouw van een eigen kerk te koemn. Voorheen werden de diensten gehouden in een schuur, zoals blijkt uit een van de kerkerekeningen van die tijd. Hij en een ouderling ondernamen verschillende collectereizen door de gwesten van het land en verzamelden op die wijze, het voor die tijd aanzienelijke bedrag van 1819 gulden en 8 stuivers. Prins Maurits verleende hulp door toe te staan, dat het voor de bouw van de kerk benodigde hout werd gekapt in het nabijgelegen Liesbos. Zelf wisten de hervormden een stuk grond in bezit te krijgen, waarop voorheen een kapel had gestaan. Volgens het "Ghedichtsel aengaende de kerck van de Leur" op pagina 2 van het oudste acteboek, werd deze kapel in 1284 gebouwd, maar hiervoor is tot nu toe geen enkel bewijs gevonden. In 1584 werd zij echter door de Spanjaarden, tijdens de bezetting van Breda verwoest. Bovendien kochten de hervormden een aangrenzend huis met erf en begon men met de bouw, die in 1615 werd voltooid. mede doordat de jonge gemeente gespaard bleef voor de kerkelijke twisten, die elders in het land uitbraken, waren de eerste decennia van haar bestaan een voorspeodige tijd. Haar territoir omvatte niet alleen het dorp Leur met zijn omgeving, maar ook uit Etten, Hoeven, sprundel, Prinsenhage en Beek kwamen de hervormden naar Leur, waar zij hun kinderen lieten dopen, hun doden begroeven en huwelijken sloten. In een adres aan de Raad van State, van 20 november 1621, verklaarde de kerkeraad, dat er te Leur wel 200 kinderen waren die behoefte hadden aan onderwijs. Dit getal mag overdreven zijn, maar het staat vast, dat de hervormde gemeente te Leur een van de belangrijkste, zo niet dé belangrijkste gemeente was in de Baronie. Mede hiervoor getuigde de grootte van de kerk, ongeveer 20 bij 11 meter, alsook de vele geschenken waarmee de kerk werd vereerd, waaronder drie grote geschilder wandborden, met de Tien Geboden, de Twaalf Artikelen des Geloofs en het Onze Vader, die tot op heden toe nog bewaard zijn gebleven. Kort na het taalfjarig bestand werd de stad Breda opnieruw ingenomen door de Spanjaarden onder bevel van Spinola. De gevolgen bleven ook ditmaal niet uit. Ook de kerk in Leur was het doelwit voor de Spanjaarden, zodat Ds. Pomeranus in 1625 wederom een collectereis moest ondernemen, om de geleden schade te kunnen herstellen. Tijdens de bezetting van Breda door Spinola, weken veel hervormden uit naar het platteland, om daar hun geestelijke verzorging te kunnen ontvangen. Om die reden treft men zoveel aantekeningen aan betreffende dopen, huwelijken en begrafenissen van inwoners van Breda, in het oudste actaboek. Na 1637 verbeterde de toestand aanzienlijk. Frederik Hendrik heroverde in dat jaar de stad Breda op de Spanjaarden en sedertdien stonden de hervormde gemeenten weer onder bescherming van de heer van Breda. Van een toenemende welstandin de hervormde gemeente van Leur getuigt de aankoop van een pastorie in 1642. Na het sluiten van de vrede van Munster in 1648, vaardigden de Staten-Generaal een plakkaat uit, waarbij de katholieken hun kerken moesten ontruimen om deze over te dragen aan de hervormde gemeenten. Dit had tot gevolg, dat de dorpen, die aanvankelijk tot de Leurse gemeente behoord hadden, nu tot zelfstandige gemeenten verheven werden. De gemeente Leur was in het vervolg beperkt tot de dorpskern Leur en de wijken Attelaken, de Baai en het Slagveld. Toch bleef zij een belangrijke plaats onder haar zustergemeenten innemen. geheel onafhankelijk van het burgerlijke bestuur behartigde zij haar eigen belangen, onderhield zij haar kerk en pastorie en beheerde zij zelf haar fondsen. vanaf 1661 echter is er sprake een zekere afhankelijkheid van het burgerlijk bestuur. In dat jaar werd een overeenkomst gesloten waarbij werd bepaald, dat - overeenkomstig het op 1 april 1660 door de Staten-Generaal uitgevaardigde Plakkaat op de Politieke Reformatie - schout en schepenen het recht verkregen om kerkmeesters aan te stellen. De voordracht van de kerkmeester werd echter steeds beschouwd als een formaliteit en nooit ontstond er enig bezwaar, terwijl op de jaarrekeningen van de kerkmeester geen aanmerkingen werden gemaakt, daar de gemeente zelf in haar onderhoud voorzag. Zoals in elke gemeenschap, hebben zich in de hervormde gemeente van Leur wel geschillen voorgedaan, die echter steeds in der minne konden worden geschikt. Deze periode van vrede en rust werd in 1712, ten tijde dat Cornelis Corncoper schout van Etten was, krachtdadig onderbroken. Corncoper, een zeer heerszuchtig figuur, vond in het Plakkaat op de Politieke Reformatie en in het Reglement van de Staten-Generaal van 16 maart 1700, voldoende aanleiding, om de kerk van Leur geheel afhankelijk van zijn bewind te maken. De druk die Corncoper op de hervormde gemeente uitoefenede was zo sterk, dat de kerkeraad moest zwichten. Wel wist deze te bereiken dat, - omdat de burgerlijke overheid alle gezag opeiste - zij ook de verplichting op zich nam om de kerk en pastorie te restaureren en te onderhouden. Reeds in 1714 voltooide men de restauratie van de kerk. Van binnen werd zij geheel vernieuwd. Eveneens werd een gewelf aangebracht, wat voorheen nooit aanwezig was geweest, zodat hitte in de zomer en koude in de winter zich niet langer op hinderlijke wijze deden voelen. De verbeterde akoestiek verlichtte de predikatie in hoge mate. De inmiddels bouwvallig geworden toren werd afgebroken en een nieuwe op het dak geplaatst. Uit 1717 dateert het fraaie orgel, dat nog grotendeels ion zijn oorspronkelijke staat aanwezig is. De hervormde gemeente daarentegen moest het beheer van zijn goederen overlaten aan het burgerlijk bestuur, alsmede de benoeming van kerkmeesters. Enerzijds betreurde de kerkeraad deze situatie, die tot 1790 zo zou blijven, maar van de andere kant bood het ontegenzeggelijk grote voordelen. Hoewel het zuivere kerkelijke inkomen ten behoeve van de kerk moest komen en in latere jaren kerk en pastorie niet naar behoren werden onderhouden, bleven de bijdragen van de gemeenteleden onaangeroerd, omdat ook de armen geheeld oor het burgerlijk bestuur werden onderhouden. Deze bijdragen, zoals schenkingen en legaten werden gekapitaliseerd en van dit kapitaal werden landerijen aangekocht, waarvan er vele in het bezit van de hervormde gemeente zijn gebleven. Dat in de latere jaren kerk en pastorie niet naar behoren werden onderhouden, kwam door het feit dat het gemeentebestuur zich beriep op het Plakkaat van de Staten-Generaal van 16 januari 1778, waarbij bepaald was, dat in alle gemeenten, waar door geestelijke instellingen tienden geheven werden, de kerkgebouwen door die tiendheffers onderhouden moesten worden. Uit een missive van 13 junli 1790, blijkt dat een grondig herstel van de kerk, meer dan nodig was. Ds. Boot somt in deze missive de gebreken op, die zich in en aan de kerk voordeden, nl.: "dat eenige balken en houte pilaren verrot zijn dat door openen gaaten in het verwulfsel de stoelmatten ende zitmatrassen verrotten dat wanneer het onder de predikatie reegent, veele van de gemeente genootsaakt werden van zitplaats te veranderen". Tenslotte betuigt Ds. Boot dat "datreeds vele onzer gemeente beschroomt werden om in dese bouwvaillige kerk tot den godsdienst op te komen, nadien men een doorzakking bespeurt onder dent ooren en afwijking van muren". Nog in hetzelfde jaar werd het geld voor de restauratie van de kerk door het Stift van Thorn, dat geestelijke tiendheffer was, ter beschikking gesteld. Reeds op 6 december 1791 kon de eerste godsdienstoefening in de geheel vernieuwde kerk worden gehouden. Een verzoek om tevens te voorzien in een "vuurplaats" kon nog niet worden ingewilligd. Inmiddels verslechterde de situatie op internationaal niveau zozeer, dat de kerkeraad, bevreesd voor de naderende Franse troepen, besloot het kerkelijk archief op te bergen in een kist en deze mee te geven aan schipper Johannes van Wasbeek, om het naa elders in veiligheid te brengen. Weer werd Breda belegerd en weer werd in de kerk niet gepredikt, nu vanwege de aanwezige troepen. Spoedig trokken de Franse troepen terug, om in 1794 onder leiding van Pichegru een nieuwe aanval te ondernemen. Staats-brabant werd bezet en er werd een einde gemaakt aan het Ancien Regime. enkele maanden later trokken de Fransen de bevroren rivieren over en werd de Betaafse Republiek geproclameerd. Nu brak er voor de hervormden een zware tijd aan. Bijna een eeuw lang hadden zij onder bescherming van het burgerlijk egzag gestaan en afgezien van enkele geschillen met de overheid, hadden zij in rust en vrede hun reiligie kunnen uitoefenen. Echter de bepalingen die door de Bataafse regering werden uitgevaardigd, en de verwarring die bij deze omwenteling was ontstaan, boden aan de burgerlijke besturen en aan andersdenkenden, waaronder vooral de rooms katholieken, de gelegenheid om de macht, respectievelijk de ondervonden nadelen, dubeel en dwars uit te breiden of teniet te doen. Zo trachtten de katholieken de kerk der hervormden in handen te krijgen ingevolge het zesde additionele artikel, dat kort samengevat bepaalde, dat de kerkgebouwen, die in gebruik waren geweest bij de "voormaals heerschende kerk", ter beschikking zouden komen van het burgerlijk bestuur ter plaatse, dat omtrent de verdeling een vergelijk moest treffen tussen onderscheiden kerkgenootschappen naar evenredigheid van het aantal zielen. In kleine gemeenten, waar slechts één kerkgebouw stond, kon het grootste kerkgenootschap daarop aanspraak maken onder de verplichting echter van een schadeloosstelling aan de andere kerkelijke gemeenten, naar arto van het aantal zielen. Ds. Nadler en de ouderling H. van Kuy, wisten met kennis van zaken de pastorie en het kerkgebouw voor de hervormden te bewaren. Zelfs een tijdelijke sluiting zoals op veel andere plaatsen werd doorgevoerd, konden zij voorkomen. Nauwelijks echter waren zij aan deze overname ontsnapt of het burgerlijk bestuur poogde, met een beroep op de grondwet van 1798, zich de toren en de klok toe te eigenen. Opnieuw wist ds. Nalder deze poging te verijdelen, door aan te tonen dat toren en klok particulier eigedom van de hervormde gemeente waren. Ook de eis van de rooms katholieken, om bij de begrafenissen van hun overledenen vrije en onvoorwaardelijke beschikking te hebben over de klok van de hervormde kerk, kon hij in een minnelijke schikking regelen. Nogmaals moest Ds. Nadler in het geweer komen, toen het burgerlijk bestuur in 1800 de fondsen van de hervormde gemeente wilde brengen onder de Armenwet van 15 juli 1800. Tenslotte werden ook deze pogingen verijdeld. Inmiddels werden de kerk en apstorie niet meer door de burgerlijke gemeente nocht door het kapittel van Thorn onderhouden. Ook de aanstelling van de kerkmeesters was sinds 1790 niet meer gedaan noch het afhoren van de jaarrekeningen door het burgerlijk bestuur. De kerkeraad zag zich daarom genoodzaakt, zelf over te gaan tot het aanstellen van een kerkmeesters. In 1698 kwam een reglement op het beheer van de kerkelijke goederen tot stand. als kerkmeesters werd de ouderling H. van Kuyk gekozen, mede om zijn verdiensten voor de hervormde gemeente in de voorgaande jaren. De opvolger van Ds. Nalder overleed reeds in 1811. Door de vermindering van het predikantstraktement en het later geheel uitblivjen van staatssubsidie kwam het, dat de predikantsplaats gedurende de volgende drie jaren onbezet bleef. Een grote wanorde trof Ds. Kamerman aan, toen h ij in 1814 bevestigd werd. Hij stelde onmiddellijk alles in het werk om de slechte staat waarin de gemeente verkeerde, te verbeteren. Zijn pogingen om de gasthuisfondsen uitsluitend voor de hervormden te doen aanwenden, mislukten. Wel wist hij te bereiekn dat het rijk een som ter beschikking stelde om de retauratie van de kerk, toren en pastorie te bekostigen. Bovendien otnving de hervormde gemeente een inschrijving van 8.000 gulden uit ''s-rijks kas op het Grootboek der Nationale Schuld, opdat zij uit de rente daarvan de jaarlijkse onderhoudskosten zouden kunnen financieren. Ingevolge het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en kosten van de redienst bij de hervormde gemeenten in de provincie Noord-Brabant van 2 juli 1820, werd in hetzelfde jaar een kerkvoogdij ingesteld, die vanaf dat jaar zorg draagt voor de kerkelijke adfministratie en het beheer van de goederen. Na 1820, toen men zich hersteld had van de woelige jaren, die sinsds de inval van de Franse troepen het leven hadden beheerst, brak er voor de hervormd egemeente een rustige en voorspoedige tijd aan. Een zilveren doopbekken werd aan de kerk geschonken. Door giften en collecten kon de gemeente zich verrijken met twee zilberen schotels voor de viering van het Avondmaal. Bovendien werd er een consistoriekmaer ingericht en de buitenzijde van de kerk werd verfraaid met een ijzeren hek. Tevens werd in deze jaren aandacht geschonken aan het archief van de hervormde gemeente. Tijdens de ambtsperiode van Ds. Broekman werd besloten, om een verbod voor het begraven van lijken in de kerk uit te vaardigen. Men kocht ten oosten van de dorpskom een stuk grond van ca. 70 m2, dat als kerkhof werd ingericht (1830). In 1886 kwamen de kerkeraad en het college van kerkvoogden en notabelen in een gecombineerd evergadering bijeen om de toestand van kerk, toren en pastorie te bespreken. Vooral de pastorie bleek zou bouwvallig, dat het rendabeler scheen te zijn, om deze te verkopen en de opbrengst daarvan gevoegd bij een lening die men zou sluiten, aan te wenden voor het bouwen of kopen van een nieuwe pastorie. Men besloot tot het bouwen van een nieuwe, die in 1888 werd voltooid (thans de woning Van bergenplein 50). De kerkvoogdij, die zich diep in de schulden had moeten steken om de bouw van een nieuwe pastorie te realiseren, kon dankzij de goede welstand van het diakoniefonds, waaruit aan deze ieder jaar een som geld geschonken werd, op zeer korte termijn de lening aflossen, die zij voor de bouw van de pastorie was aangegaan. Nauw verbonden met de ontwikkeling van de hervormde gemeente te Leur na 1820 zijn de familie Van der Poest Clement en Heerma van Voss. Tot de eerste helft van de 20e eeuw hebben leden van deze families verschillende ambten bekleed in het bestuur van de hervormde gemeente en kosten noch moeiten gespaard om hun gemeente in welstand en aanzien te laten groeien. Een van de belangrijkte gebeurtenissen was de stichting van ghet Fonds Van der Poest Clement. Op 12 oktober 1892 werd tijdens een gecombineerde vergadering van kerkvoogden, notabelen en kerkeraad bekend gemaakt, datd oor tussenkomst van de heer Andries van der Poest Clement te Zevenbergen, oud-lidmaat van de hervormde gemeente, een schenking aan deze gemeente werd gedaan van 10.000 gulden door twee broers en twee zusters van hem en namens een overleden zuster. Dit geld moerst ten goede komen aan het diakoniefonds en het kerkfonds, elk voor de helft. Besloten werd om deze gelden niet in beide genoemde fondsen te splitsen, maar het gehele kapitaal in één fonds onder te brengen, nl. het Fonds Van der Poest Clement. Dit fonds moest beheerd worden door de kerkeraad en het college van kerkvoogden en notabelen. Het geld mocht alleen worden belegd in onroerende goederen, gebouwen uitgesloten, en in inschrijvingen in het Grootboek der Nederlandse Werkelijke Schuld of in binnenlandse hypotheken op landerijen. Voor iedere belgging moest goedkeuring verkregen worden van het Classicaal Bestuur of het Provinciaal College van Toezicht. Tevens werd bij deze schenking bepaald, dat vooreerst slechts de helft van de rente van het kapitaal mocht worden aangewend, voor wat betreft het diakoniefonds, ten bate van de huiszittende armen en voor wat ebtreft het kerkefonds ten behoeve van het onderhoud aan kerk, toren, pastorie en begraafplaats. Onder huiszittende armen verstaat men diegene die buiten hun schuldin tijdelijke nood verkeren, en niet hen die gedurende het gehele jaar of een groot gedeelte daarvan in de termen van de bedeling vallen. De andere helft van de rente moest tot kapitaalvorming worden aangewend en bij het bestaande kapitaal worden toegevoegd. Dit kapitaal blijft echter onder toezicht van het Classicaal Bestuur en het Provinciaal College van Toezicht. Mocht de hervormde gemeente zich afscheiden of ophouden te bestaan, dan moest het fonds aan voornoemde instanties ter beschikking worden gesteld. Van deze 10.000 gulden werden vijf percelen bouwland aangekocht om te verpachten. Jaarlijks werd van dit pachtgeld en van de rente van het kapitaal, 1/4e deel uitgekeerd aan het diakoniefonds, 1/4e deel aan het kerkfonds terwijl 2/.4e werd aangewend aan kapitaalvorming. Een van de voorwaarden immers bij de schenking was, dat wanneer het kapitaal verdubbeld was, dus 20.000 gulden bedroeg, de gehele rente ten goede mocht komen aan diakoniefonds en kerkefonds. Deze verdubbeling van het kapitaal bereikte men in 1927. Enige jaren later werd de hervormde gemeente nogmaals met enkele forse schenkingen verrijkt. In de kerkeraadsevrgadering van 2 mei 1912 werd aan de aanwezige leden bekend gemaakt, dat mej. Alida van der Poest Clement, die op 14 maart van dat jaar was overleden, bij testamentaire beschikking haar huis, staande aan de Vaartkant, thans Lichttorenhoofd, aan de hervormde gemeente aldaar had geschonken, met de bepaling dat dit huis ten alle tijden door mej. P. van der Poest Clement , voor 2.000 gulden per jaar kon worden gehuurd. Deze laatste zag vrijwillig van dit aanbod af. Op voorstel van de heer S.C.J. Heerma van Voss besloot men dit pand aan te wenden als "gemeenteowning", om op deze wijze ruimte te verschaffen aan diverse activiteiten binnen de geemente, die tot dusver in de kerk moesten plaatsvinden, zoals cathechisatie, zondagsschool, vergaderingen, bijeenkomsten van diverse verenigingen, bibliotheek en bijbels museum. Een bezwaar echter vormden de lasten, die uit de kerkekas zouden moeten bekostigd worden, om het gebouw aan te passen aan het bestemde doel en om het te onderhouden. Dankzioj de bemoeienis van de heer Sijbrand Caspar Jan Heerma van Voss, kon men deze moeilijkheid overwinnen. Hijs chonk de gemeente namelijk een fonds om uit de opbrengst daarvan de nieuwe "gemeentewoning" te kunnen exploiteren. Dit fonds bedroeg 20.000 gulden die belegd werden in effecten. Bovendien liet S.C.J. Heerma van Voss een zaal bijbouwen aan het bestaande gebouw, om grote vergaderingen te kunnen houden. Dit fonds, waarvan huis en effecten op naam van de hervormde gemeente stonden, kreeg de naam "Sursum Corda, stichting tot verhoging van geestelijk leven der hervormde gemeente te Leur". Op tweede Kerstdag 1912, werd het gebouw "Sursum Corda" bij gelegenheid van het 300-jarig bestaan der gemeente plechtig geopend. Een bestuur, bestaande uit zeven personen werd door de kerkeraad en kerkvoogdij gekozen en belast met de zorg voor de financiën van het fonds en het onderhoud van het gebouw, geheel onafhankelijk van de gemeente. Tenslotte werd in dit gebouw een speciaal vertrek ingericht voor het houden van kerkeraadsvergaderingen en voor de opberging van het archief van de hervormde gemeente. Nauwelijks twe ejaar later op 5 juni 1914, schonk S.C.J. Heerma van Voss een villa aan de hervormde gemeente te Leur en riep hij een stichting in het leven, genaamd "Ad Pios Usus". Het doel van deze stichting was, het verschaffen van een onderdak aan de protestantse vereniging "Kinderzorg" voor Noord-Brabant en Limburg. Om het doel van deze stichting te bereiken, stelde S.C.J. Heerma van Voss deze villa ter beschikking, gelegen aan het Lichttorenhoofd 2 te Leur. Bij de oprichting bepaalde Heerma van Voss dat het bestuur van de stichting moest bestaan uit drie regenten, te weten: de predikant van de hervormde gemeente te Leur, de president-kerkvoogd van die gemeente en de administrateur van de Fonds van der Poest Clement. De stichting mocht voor deze huisvesting geen huur rekenen, maar anderzijds waren de kosten van onderhoud van het pand voor rekening van de huurder. Tenslotte bepaalde Heerma van Voss dat, indien de protestantse vereniging "Kinderzorg"haar werkkring te Leur zou opheffen, dit pand aan een andere protestantse filantropische instelling ter beschikking moest worden gesteld. In zijn testament bedacht hij de stichting met een legaat van 1.000 gulden om de rente daarvan te besteden aan het St. Nicolaasfeest voor de kinderen, die in het tehuis verpleegd werden. In 1914 vestigde de protestantse vereniging "Kinderzorg" voor Noord-Brabant en Limburg zich in het pand en bleef daar gevestigd tot 1940. Sinds 1940 werd het huis verhuurd aan verschillende personen in verband met de heersende woningnood, die zijn oorsprong vond in de oorlogshandelingen. vanaf 1 februari 1947 tot 1 februari 1950 heeft de Vereniging voor de verpleging van lijders aan vallende zeikten te Heemstede, zij het dan tegen betaling van huur, er onderdak gevonden. Vanaf 1950 tot 1958 is het wederom als woning verhuurd geweest aan verscheidenen personen. Daarna stond het een tiental jaren leeg, gedurende welke tijd het welhaast tot een ruïne verviel. Ook in latere jaren heeft Heerma van Voss bij herhaling financiële steun verleend aan de hervormde kerk. Mede door de hulp van Heerma van Voss kon in 1927 een restauratie van het kerkgebouw doorgang vinden. Na het overlijden van de heer Heerma van Voss (1934) is de toestand van de hervormde gemeente te Leur langzaam achteruitgegaan. Het feit dat enkele gefortuneerde en vooraanstaande leden van deze kleine gemeente een zo dominerende rol gespeeld hebben, had ten dele tot gevolg, dat aan de afbakening van de bevoegdheden van de kerkeraad, kerkvoogdij en diakonie niet voldoende aandacht werd ebsteed. Er ontstond te Leur in dit opzicht een unieke situatie, die veel overeenkomst vertoonde met de bestuurlijke vorm en het financieel beheer uit de eerste decennia van haar bestaan. In 1949 trad de hervormde gemeente van leur in overleg met die van Etten om gezamenlijk tot het oprichten van een hervormde lagere school te komen. Eerdere pogingen hiertoe waren ondernomen in 1921 en 1930, maar mislukten door de geringe medewerking van de leden van beide gemeenten. Een derde poging in 1950 had succes./ De 2e september van het jaar begon men het onderwijs in de voormalige openbare lagere school aan het Lichttorenhoofd. In 1952 werd een nieuw schoolgebouw in gebruik genomen, dat in 1956 reeds met enkele lokalen moest worden uitgebreid. Door het Provinciaal College werd aangedrongen op een combinatie van beide financieel zwakke gemeenten. Op 30 juni 1952 wordt in een gecombineerde vergadering van kerkeraden en kerkvoogdijen van Etten en Leur met algemene stemmen besloten over te gaan tot de combinatie van de predikantsplaats. Aanvankelijk werd deze combinatie aangegaan voor de periode van 5 jaren. Daarna werd zij echter stilzwijgend verlengd. Het samengaan van de beide gemeenten, vond tenslotte zijn bekroning in een volledige samenvoeging tot de ene hervormd egemeente Etten-Leur met ingang van 1 september 1965. 2. Organisatie van het bestuur en de administratie De eerste kerkeraad van de hervormde gemeente te Leur bestond uti vier ouderlingen en twee diakenen. Ieder jaar werden twee nieuwe ouderlingen en één nieuwe diaken gekozen, die de plaats innamen van diegenen, die het langst zitting hadden in een van beide besturen. In alle actaboeken en registers van notulen is nauwgezet aantekening gehouden van de verkiezing van deze personen. Reglementen betreffende de aanstelling van ouderlingen en diakenen in de eerste decennia van de hervormde gemeente, worden in het archief niet aangetroffen. Van de aanstelling van predikanten is evenmin een reglement te vinden, zodat aangenomen moet worden, dat de aanwijzing van predikanten, ouderlingen en diakenen geschiedde volgens de regels zoals zij gesteld zijn bij de Emdense Synode in 1571. De administratie van de hervormde gemeente berustte tot 1654 bij de administrerend diaken. Deze beheerde zowel de gelden bestemd voor de eredienst en het onderhoud van de kerk en pastorie, alsook de gelden die werden besteed voor het onderhoud van de armen. Er was slechts één gezamenlijke kas, zodat men in de eerste diakonierekeningen allerlei posten van uitgaven door elkaar aantreft op datum van betaling. Echter in de loop van de jaten ontving de hervormde gemeente diverse schenkingen en legaten, waaraan een bepaalde bestemming was gegeven door de schenkers. Zodoende ging men de behoefte gevoelen om een scheiding aan te brengen in de uitgaven van de diakoniezorg en de uitgaven voor het onderhoud van de kerk en de pastorie. In 1643 wordt voor de eerste maal een afhoring van de kerkrekening gedaan, gescheiden van de diakonierekening. De predikant werd belast met het beheer van die gelden. Dese regeling werd in de daarop volgende jaren niet consequent doorgevoerd, zodat omstreeks 1648 alle inkomsten en uitgaven weer op één rekening voorkwamen, die werd bijgehouden door de diaken. Eerst in 1654 besluit de kerkeraad tot het aanstellen van een kerkmeester, die de administratie moet voeren over de gelden, die "tot andere kerckelijcke nootsaeckelijckheden" dan de armenzorg moeten worden aangewend. vanaf dat jaar worden regelmatig de jaarrekeningen van de kerkmeesters afgehoord, waarvan een deel in het archief bewaard is gebleven. In 1712 krijgt de burgerlijke overheid zo grote invloed op de hervormde gemeente, dat de kerkeraad de aanstelling van de kerkmeester en het afhoren van de rekening meost overlaten aan de schout en schepenen. De kerkerekningen van de periode 1711/12-1781-82 bevinden zich daarom ook in het oud-archief van de gemeente Etten-Leur. Daarna stelde de burgerlijke overheid, met een beroep op het meergemelde plakkaat van 1778, zich op het standpunt, dat het stift vanThorn, als geestelijke tiendheffer in de gemeente Etten-Leur, ook het kerkgebouw te Leur moest onderhouden. Het stift werd daarom verplicht de kosten van de reparatie en verbouwing van de kerk in 1790-1791 te dragen. Na 1795 wordt de hervormde gemeente geheel aan zichzelf overgelaten. De kerkeraad benoemde weer een kerkmeester en probeerde uit de verkoop van zit plaatsen en het innen van begrafenisgelden een fonds te vormen, tot onderhoud van kerk en pastorie. De uitgaven voor het onderhoud overtroffen de inkomsten zozeer, dat de diaknoie, gedurende de periode 1795-1820, 7.119,50 1/2 gulden aan de hervormde gemeente heeft uitgegeven, ten behoeve van kerk en pastorie en het in stand houden van de openbare eredienst. Ingevolge het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en kosten van de eredienst, bij de hervormde gemeente in de provincie Noord-Brabant, werd in 1820 een kerkvoogdij aangesteld, die sindsdien de zorg draagt voor de administratie en het beheer van de kerkeklijke goederen. Het colleghe van notabelen heeft in de hervormde gemeente van leur altijd een belangrijke plaats ingenomen. Op 8 april 1867 wordt ingevolge artikel 23 van het Algemeen Reglement op de benoeming van ouderlingen en diaken en de beroeping van predikanten, een College Stemgerechtigden ingesteld, dat de benoeming van ouderlingen en diaken en de beroeping van predikanten al of niet zou regelen. In de vergadering van 8 april 1867 besloten de stemgerechtigden, om de benoemingen en beroepingen niet aan de kerkeraad over te laten, maar deze steeds in eigen hand te houden. Sinds 1956 lieten de stemgerechtigden de benoemingen over aan de kerkeraad.
Organisatie van het stadsbestuur Toen Alkmaar in 1254 van roomskoning Willem II stadsrechten ontving, had het reeds een geschiedenis van eeuwen achter zich. De naam Alkmaar wordt voor het eerst vermeld ter gelegenheid van een schenking van twee hoeven "inn villa Allecmere vocitatur", door graaf Dirk I van Holland aan de nieuw-gestichte abdij van Egmond, welke schenking vóór 939 - het jaar van overlijden van graaf Dirk - moet hebben plaatsgevonden. Uit een verdrag van 1063 tussen de abt van Echternach en de bisschop van Utrecht blijkt, dat de kapel van Alcmere nog niet was gewijd en nog geen van de moederkerk te Heiloo afgebakend gebied had ontvangen. In 1083 echter verwierf de abt van Egmond van de graaf van Holland "judiciariam potestate in Alcmere, que ambach vocatur teutonice". Indien wij mogen aannemen, dat in Kennemerland de grenzen der parochies overeenkwamen met die der wereldlijke gebieden, dan is het mogelijk het ontstaan van het parochiegebied en dus ook van de jurisdictie van Alkmaar vrij nauwkeurig te bepalen, namelijk tussen 1063 en 1083. In 1174 is sprake van de schout van Alkmaar, doch verder is over de bestuursorganisatie in de vroegste periode zeer weinig bekend. Duidelijk is, dat Alkmaar zich in de 12e eeuw ontwikkelde tot haven- en marktplaats en tevens van strategische betekenis was in verband met de oorlog van de graaf van Holland tegen de West-Friezen. Op 5 november 1248 deed de abt van Egmond ten behoeve van de grafelijkheid afstand van de helft van Alkmaar, alsmede van de tol en de mudpenning aldaar. Uit een gegeven van 1251, waaruit blijkt dat de abdij van Egmond de tienden "bij Alcmar in Secgleghe" behield, concludeert Cordfunke dat het huidige centrum van Alkmaar aan de grafelijkheid kwam. Dit gebied kreeg in 1254 stadsrechten en in dit stadsrechtprivilege is behalve van de schout ook sprake van schepenen. Het is niet meer na te gaan of in die begintijd de graaf van Holland de schepenen aanstelde, of dat ze door zijn ambtman - de schout - werden benoemd, doch in 1440 geschiedde dit zeker door de schout. Oudtijds is zowel de taak van de schout als die der schepenen omvangrijker geweest dan in latere eeuwen het geval zou zijn, aangezien schout en schepenen zowel het bestuur als de rechtspraak uitoefenden. Tevens viel in de 14e eeuw het schoutambt samen met het kasteleinschap van het kasteel de Torenburg, al blijft het uiteraard de vraag in hoeverre deze grafelijke ambtenaar, die tot de adellijke leenmannen van de graaf van Holland behoorde, zelf deze ambten waarnam. Tevens lijkt het voor de hand te liggen dat, naar mate de betekenis van de Torenburg afnam - omstreeks 1400 verdween het geheel - de nadruk des te meer op het schoutambt kwam te liggen. Over de schouten van vóór 1328 is weinig bekend en ook de naamlijst van schouten uit de tweede helft van de 14e eeuw en uit de 15e eeuw lijkt verre van compleet. Uit de gegevens bij Bruinvis laat zich afleiden dat het schoutambt door de grafelijkheid werd verpacht, doorgaans voor zeer korte perioden. In 1454 kwam hierin verandering, aangezien Willem heer van Egmond en zijn nakomelingen het ambt voor 50 jaren in leen kregen. In die jaren werd het ambt door substituten bediend, een situatie, die zich ook na het verstrijken van de pachttermijn in 1504 herhaaldelijk voordeed. Aangezien de grafelijkheid ook bij substitutie haar goedkeuring moest verlenen, zullen zowel de schouten als hun substituten, alsook de door hen aangestelde schepenen, doorgaans tot de aanhangers van het grafelijk gezag hebben behoord. In tijden van zware belastingdruk bleven botsingen met de bevolking dan ook niet uit en met name ontstonden gespannen situaties als de schouten zich aan knevelarijen schuldig maakten. Zoals in andere steden het geval was, heeft ook de Alkmaarse stadsregering getracht invloed te krijgen op de schoutsbenoemingen. Tot aan de opstand tegen Spanje is dit nimmer gelukt. Toen echter in 1572 de vervanging van de bejaarde en vermoedelijk Spaansgezinde Augustijn van Teylingen gewenst was, verzocht de stadsregering aan de Prins van Oranje het schoutambt voor 20 jaar aan de stad af te staan en een schout te willen kiezen uit een door burgemeesters opgestelde nominatie. Op 11 december stond de prins toe dat een voordracht van drie personen werd opgesteld. Benoemd werd Jan van Foreest, die op 5 maart 1573 in functie trad, doch in 1576 ontslag verzocht. Toen op 2 oktober 1576 het stadsbestuur evenals drie jaar tevoren een nominatie inzond, benoemde de prins buiten de voordracht om ene Jonker Jan van Loenersloot, die evenwel door de stad werd geweigerd. Een dreigend geschil kon worden voorkomen door de fungerende substituut te nomineren, die vervolgens van de Rekenkamer zijn commissie ontving voor de tijd van drie jaren. Herhaaldelijk herbenoemd, bleef hij in functie tot 6 december 1605. Na deze lange ambtsvervulling was de driejaarlijkse nominatie kennelijk gewoonterecht geworden, want tot aan de omwenteling van 1795 kwam er geen verandering in. De gewone gang van zaken was, dat een lid van het stadsbestuur als schout werd voorgedragen en na zijn benoeming als vroedschap aftrad. Bij resolutie van 1 februari 1616 werd uitdrukkelijk bepaald, dat een schout niet in de vroedschap kon worden gekozen zolang zijn commissie duurde, tenzij hij afstand deed van het schoutambt. Bij resolutie van 8 april 1690 werd dit bevestigd, doch op 18 november 1708 werd bepaald dat een vroedschap, die tot schout werd gekozen, lid van de vroedschap mocht blijven. Hij mocht echter slechts het lezen der privileges en de verandering der Wet bijwonen. Na de regeringsverandering van 1749 was het de schout toegestaan de vergaderingen van de vroedschap bij te wonen, doch niet qualitate qua, maar als vroedschap. Het stadsrecht van 1254 maakt melding van schepenen, die, zoals gezegd, aanvankelijk met de schout zowel de stad bestuurden als recht spraken. Burgemeesters en raden waren er immers nog niet. Het ambt van schepen zou van Frankische oorsprong zijn en via 's-Hertogenbosch en Haarlem - aan welke steden Alkmaar zijn stadsrecht ontleent - in het gebied der Kennemers en West-Friezen zijn doorgedrongen. Aangesteld door de landsheer - of namens deze door de schout - zullen zij ongetwijfeld geconfronteerd zijn geworden met het streven van de bevolking naar meer invloed. In de Hollandse steden ziet men dan ook in de 14e eeuw colleges van raden ontstaan, die als vertegenwoordigers van de burgerij fungeerden en uit wier midden de burgemeesters werden gekozen. De colleges van vroedschappen komen eerst op in de Bourgondische tijd. Dit heeft ertoe geleid dat het bestuur aan de schepenen werd onttrokken. Hoe een en ander zich te Alkmaar heeft toegedragen is bij gebrek aan gegevens niet bekend. In een oorkonde van 1389 is sprake van "borghemeyster, scepen, raet ende gemene poirte", waaruit blijkt dat er althans toen burgemeesters en een raad waren. Bruinvis oppert - m.i. ten onrechte - dat deze raad dezelfde was als het college van 16 hoofdmannen, dat in 1426 door Jacoba van Beieren werd erkend. Juister lijkt mij, dat dit college zich formeerde na een democratische volksbeweging, hetgeen o.m. blijkt uit het feit dat deze hoofdlieden het recht hadden om samen met de dekens der 9 gilden de burgemeesters en schepenen te kiezen. Deze situatie bestond in de 14e eeuw zeker niet en het is zeer de vraag, of de raad toen reeds het gereglementeerde en uit een vast aantal personen bestaande college was, zoals in later eeuwen het geval zou zijn. Wellicht heeft zich eenzelfde ontwikkeling voorgedaan als b.v. in Kampen, waar schout en schepenen bij belangrijke beslissingen de steun vroegen van de rijkste en machtigste burgers. Deze burgers verbonden zich bij ede de genomen besluiten te zullen handhaven en uit dit wisselend gezelschap ontstond langzamerhand de gezworen gemeente, die te vergelijken is met de raad en later de vroedschap in de Hollandse steden. Het ligt voor de hand, dat de invloed van de vroedschap zeer afhankelijk was van de politieke situatie van het ogenblik. Toen Jacoba van Beieren in 1428 een nederlaag leed en haar rivaal Philips van Bourgondië de stad Alkmaar zwaar strafte, zal zijn hand ook zwaar hebben gedrukt op het stadsbestuur en het is wel zeker dat het college van hoofdmannen verdween. Het bestuur ging integendeel sterk oligarchische trekken vertonen, want aan het samenroepen van de mannelijke bevolking bij bijzondere gelegenheden kwam een einde en er werden colleges van vroedschappen ingesteld, die zichzelf door coöptatie aanvulden. Het lijdt geen twijfel dat deze regeerders tot de trouwe aanhangers van de graaf behoorden 26), alsook, dat zij de zaak in het honderd lieten lopen. In een oorkonde van 1431 is sprake van "schout, schepenen, raad en vroedschap" en ook nog in 1434 trad de schout mede op, ten bewijze dat de landsheer zich door middel van zijn ambtman een dominerende positie voorbehield. Op 24 april 1436 bepaalde hertog Philips echter dat, aangezien door kwaad regiment de stad dagelijks meer met schulden werd belast, 33 van de rijkste en notabelste burgers de regering zouden vormen. Zij zouden drie burgemeesters aanwijzen, die jaarlijks ten overstaan van hen rekening moesten doen. Dit privilege - zoals het genoemd werd - werd op 15 maart 1437 vernieuwd, ditmaal met de bepaling dat het voor vier jaar zou gelden en daarna tot wederopzegging toe. Omtrent de benoeming van schepenen werd niets bepaald, doch uit de commissiebrief voor de schout Claes van Torenburg van 15 oktober 1440 blijkt, dat deze schout "als costumelic" de jaarlijkse benoeming van schepenen had. Het privilege van hertog Albrecht van 18 mei 1376 bepaalde trouwens, dat de graaf of diens gemachtigde jaarlijks op Kerstavond de schepenen zou vernieuwen. In 1451 waren er opnieuw moeilijkheden en het privilege van hertog Philips van 26 maart van dat jaar gewaagt van ontstane geschillen tussen de gemene rijkdom en de vroedschap over de naleving van zeker door zijn gemalin gegeven en door hem bevestigd privilege. Bedoeld privilege is niet meer aanwezig en naar de inhoud kan men slechts gissen. In alle geval werden in 1451 31 personen aangesteld, die gezamenlijk de stad zouden regeren en het gerecht kiezen. In 1518 wendden burgemeesters, schepenen en raad zich bij request tot de koning, waarin zij stelden dat de stad ten tijde van hertog Philips een privilege had ontvangen, inhoudende dat een vroedschap van 40 personen enige dagen voor de keurdag een lijst presenteerde, waaruit de schout vervolgens de burgemeesters, schepenen en thesauriers koos. Zij verzochten een vroedschap van 40 personen, die jaarlijks bij loting 7 kiesmannen zou aanstellen, welke kiesmannen de dubbeltallen moesten opstellen, waaruit de schout 3 burgemeesters, 7 schepenen en 2 thesauriers zou kiezen. Mogelijk luidde aldus het verloren gegane privilege van hertogin Isabella; mogelijk ook beriep men zich - gelijk Kluit veronderstelt - op een privilege van Philips de Schone van 1495, aangezien het aanwijzen van de burgemeesters door de schout in strijd lijkt met het gestelde in alle bekende oudere oorkonden. Hoe het ook zij, Karel V maakte aan alle onzekerheid een einde door op 4 september 1518 te bepalen, dat alle privileges ten aanzien van de vroedschap vernietigd waren en dat voortaan een vroedschap van 16 leden door hem of zijn stadhouder zou worden benoemd en aangevuld. Deze vroedschap zou dubbeltallen opstellen t.b.v. de aanstelling van burgemeesters, schepenen en thesauriers (eveneens door hem of zijn stadhouder). Bedoeld privilege was verleend voor 12 jaar en op 26 september 1530 stond Karel V toe, dat de vroedschap tot 24 personen werd uitgebreid. In 1560 werd bij overeenkomst tussen burgemeesters en vroedschap een ordonnantie op de vroedschap vastgesteld, doch in de bestuursorganisatie kwam tussen 1530 en de overgang van Alkmaar naar de zijde van de opstand in 1573 geen verandering meer. Op 6 december 1588 stonden de Staten van Holland toe het getal burgemeesters van drie op vier en het getal thesauriers van twee op een te brengen. Meer gebeurde er voorlopig niet en eerst de godsdienstige geschillen van de jaren 1609-1610 zouden ook de bezwaren ten aanzien van de bestuursorganisatie actueel maken. In de loop der tijd waren vele misbruiken ingeslopen en men beklaagde zich o.m. over de nauwe verwantschap tussen de regeringsleden. Aangezien men om tot burgemeester of schepen gekozen te worden geen lid van de vroedschap behoefde te zijn, kende men burgemeesters in en buiten de vroedschap, alsook schepenen in en buiten de vroedschap. Bij vroedschapresolutie van 24 november 1579 hadden de burgemeesters en schepenen buiten de vroedschap het recht gekregen over bepaalde zaken in de vroedschap mee te stemmen. Ten aanzien van de schepenen werd dit bij resolutie van 29 december 1579 ongedaan gemaakt, maar reeds op 28 januari 1580 kregen zij opnieuw admissie, mits zij de vroedschapseed aflegden. Bij resolutie van 9 mei 1586 mochten zij zelfs over alle zaken meebeslissen, waardoor in feite de vroedschap met 7 leden werd uitgebreid. Een en ander lokte een opstand uit van de Schutterij, die het stadhuis bezette. Het liep zo hoog, dat op 22 februari 1610 door commissarissen uit de Staten van Holland het stadsbestuur werd ontslagen, waarna de volgende dag een nieuw bestuur werd aangesteld. Op 15 maart d.a.v. werd de gang van zaken door de Staten van Holland goedgekeurd. De vroedschap zou voortaan bestaan uit 27 leden, die jaarlijks de dubbeltallen zouden opstellen, waaruit de Staten burgemeesters, schepenen en thesaurier zouden kiezen. Schepenen, die geen vroedschap waren, hadden geen stemrecht en tevens werd het privilege van Philips van Bourgondië van 1452, inhoudende, dat de regeringsleden niet in de derde graad of nauwer aan elkaar verwant mochten zijn, in ere hersteld. Deze vroedschap kreeg het recht zichzelf door coöptatie aan te vullen. De veranderingen waren echter van korte duur, want op 10 oktober 1618 stuurde prins Maurits de - remonstrantsgezinde - stadsregering naar huis en benoemde een nieuwe in haar plaats. De vroedschap werd wederom op 24 personen gesteld. De keuze uit de door haar opgemaakte dubbeltallen, alsmede de aanstelling van nieuwe vroedschappen, wilde de Stadhouder aan zichzelf behouden. De stad Alkmaar had hier terecht weinig oren naar en aanvankelijk dreigde een geschil, doch op 20 november 1620 besloot het stadsbestuur "uit dankbaarheid" de electie der vroedschappen toch aan de Stadhouder op te dragen, waardoor het recht van coöptatie verloren ging. Een kroniekschrijver meldt: "Op dit jaer heeft de vroetschap haer de vrijheit laten benemen dat sij haer eigen vroetschap mochte kiesen, zo dat sij dit bij dubbeld getal uit het Hof moeten halen". De Staten van Holland hadden zich alreeds met de gang van zaken accoord verklaard bij resolutie van 12 december 1619. In 1650 - men bevond zich in het eerste stadhouderloze tijdperk - besloten de Staten van Holland de electies aan zich te trekken, doch onder bepaling dat de stemhebbende steden octrooi konden verzoeken om zelf hun magistraten aan te stellen. Hierop zonden burgemeester en vroedschap van Alkmaar een request naar de Staten, waarin zij, zich beroepend op de privileges van Jacoba van Beieren en Philips van Bourgondië, verzochten zelf de burgemeesters, schepenen en thesaurier te mogen kiezen. Reeds eerder, namelijk na de dood van stadhouder Frederik Hendrik, had de vroedschap besloten de electie van nieuwe vroedschappen niet meer aan de stadhouder op te dragen, waaraan Willem II niets had kunnen veranderen. De Staten bewilligden op 9 december 1650 in het verzoek, onder bepaling, dat elke vroedschap dubbeltallen zou opmaken en dat degene, die de meeste stemmen had, gekozen zou zijn; alsook dat personen, die tot in de derde graad aan elkaar verwant waren, niet tegelijk als burgemeester of schepen mochten fungeren. Aldus verkreeg Alkmaar de volledige vrijheid in het kiezen van zijn eigen stadsbestuur. Laatstgenoemd privilege werd zelfs nog uitgebreid bij resolutie der Staten van 18 december 1669. Aangezien gebleken was dat op de dubbeltallen namen stonden, die niet serieus waren bedoeld (als tweede naam werd veelal die van een willekeurige persoon ingevuld), werd bepaald, dat de vroedschappen voortaan een enkel getal zouden inleveren. In hetzelfde jaar werd tevens besloten vier vacante vroedschapsplaatsen niet meer te vervullen, maar het getal te beperken tot 20. Hoe het bestuur tussen 1650 en 1672 werkte en wat de verschillende taken waren, blijkt uit een kroniekaantekening van 1652. In 1672 was het eerste stadhouderloze tijdperk ten einde en op 1 oktober van dat jaar werd besloten de vroedschap weer op 24 leden te brengen en de stadhouder de electie van nieuwe vroedschappen op te dragen. Na het overlijden van Willem III in 1702 brak het tweede stadhouderloze tijdperk aan, dat duurde tot 1747. Op 6 augustus 1702 besloot de vroedschap terug te keren tot de praktijk van voor 1672, met dien verstande, dat de vroedschap uit 24 leden bleef bestaan. In de komende jaren verslechterde de verstandhouding in de vroedschap zeer, aangezien een meerderheid gemakkelijk de overige leden haar wil kon opleggen. Sedert 1713 was een groep van 16 leden door het inleveren van gelijkluidende nominatiebiljetten in staat de minderheid van 8 buiten spel te zetten, hetgeen in 1718 tot een openlijk geschil leidde. Het geschil werd geplooid, doch een oplossing kwam er niet, aangezien het kwaad in het systeem zelf zat. De stadsregeringen waren verworden tot oligarchieën welker leden de winstgevende ambten onder elkaar verdeelden. De representanten dezer stadsregeringen, die de Staten van Holland vormden, voelden er weinig voor het systeem te veranderen. Men kwam zelfs van kwaad tot erger, aangezien de Staten op verzoek van het stadsbestuur van Alkmaar bij resolutie van 26 mei 1728 goedvonden, dat men om lid van de vroedschap te worden niet zes maar drie jaar poorter moest zijn en dat iemand, die een burgemeestersdochter huwde, onmiddellijk verkiesbaar was. Voorts mochten in het vervolg vaders en schoonzoons, ooms en neven, alsmede zwagers, tegelijk lid van de vroedschap zijn. Toen in 1747 Willem IV stadhouder werd, benoemde hij in hetzelfde jaar een nieuw lid van de vroedschap in een ontstane vacature. De vroedschap verloor derhalve het recht van coöptatie weer, doch verder deed de stadhouder zowel hier als elders weinig om de misstanden te verbeteren. Onder het volk, dat de stadhouder aan de macht had gebracht en kennelijk meer van hem had verwacht, groeide de ontevredenheid. Toen in het volgend jaar in verschillende steden volksoplopen en relletjes ontstonden, zag de stadhouder zich genoodzaakt handelend op te treden. Gewapend met de authorisatie van de Staten-Generaal van 21 september 1748 verschenen op 21 mei 1749 zijn commissarissen in Alkmaar om de stadsregering af te zetten en een nieuwe te installeren. De verandering was overigens weinig ingrijpend, want slechts acht vroedschappen werden vervangen. Van verbetering der ingeslopen misbruiken kwam weinig terecht, zodat velen uit de burgerij zich van de stadhouder afwendden. De situatie spitste zich toe onder zijn opvolger Willem V. De ontevreden burgers zochten aansluiting bij de anti-oranjegezinde regenten en aldus ontstond de patriottenbeweging, die met name te Alkmaar in de komende jaren voor veel beroering zou zorgen. Bij resolutie van 24 februari 1783 besloot de vroedschap de stadhouder zijn benoemingsrecht te ontnemen en voortaan zelf weer de openvallende plaatsen te vervullen. Willem V nam dit uiteraard niet in dank af, maar beklaagde zich bij de Staten van Holland. Op 16 december 1783 besloten de Staten de stad Alkmaar te verzoeken de benoeming van nieuwe vroedschappen door de Staten te laten verrichten, zolang zij in het geschil met de stadhouder geen besluit hadden genomen. Dit gebeurde en - aangezien de kwestie slepende bleef - zijn in de jaren 1783-1787 enige vroedschappen door de Staten van Holland benoemd. De restauratie van het stadhouderlijk gezag in 1787 had tot gevolg, dat op 30 mei 1788 de stadsregering ingevolge de resolutie van de Staten van Holland van 31 oktober 1787 ontslagen werd. Van de 24 vroedschapszetels werden er 20 bezet door aanhangers van de stadhouder, waaronder 11 vreemdelingen. Vier plaatsen bleven open. Het uit 1783 daterende geschil met de stadhouder over diens recht van benoeming werd door de Staten van Holland afgedaan bij resolutie van 10 december 1788, welke de stadhouder in zijn recht herstelde. Hiermede was - zeer tegen de zin van het overwegend patriottische Alkmaar - de restauratie van de stadhouderlijke macht een feit. De positie van Willem V, die met hulp en morele steun van resp. Pruisen en Engeland zijn functie had herkregen, was evenwel bijzonder wankel, hetgeen leidde tot een defensieve alliantie tussen de Republiek en genoemde landen. Deze alliantie was natuurlijkerwijs tegen Frankrijk gericht, zodat een gevaarlijke situatie ontstond toen in 1789 in dat land een revolutie uitbrak. In 1792 geraakte Frankrijk in oorlog met Pruisen en Oostenrijk en op 1 februari 1793 verklaarde het ook de oorlog aan Engeland en de stadhouder der Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Aanvankelijk verliep de oorlog voor Frankrijk ongunstig, maar in de zomer van 1794 keerden de kansen. Op 10 september overschreden Franse troepen de grenzen der Republiek en rukten op naar het Noorden. De grote rivieren vormden aanvankelijk een barrière, doch op 16 december viel de vorst in en konden zij verder oprukken. Op 15 januari 1795 capituleerden de Staten van Utrecht en op 19 januari nam in Amsterdam een Comité Revolutionair het stedelijk bestuur over. Dezelfde dag formeerde zich ook te Alkmaar een Comité, dat de beschikking kreeg over de aanwezige wapenen. Op 22 januari werden 19 provisionele representanten gekozen, die twee maanden zouden aanblijven. Zij benoemden, eveneens voor twee maanden, 4 burgemeesters en 7 schepenen. Op 21 maart werden op grond van het nieuw regeringsreglement, dat de vorige dag was vastgesteld, 22 representanten (municipaliteit) door de burgerij gekozen. Zonder strubbelingen was het regeringsreglement niet tot stand gekomen, aangezien zich verschil van inzichten had geopenbaard tussen de provisionele representanten en de patriotten, die plachten bijeen te komen in de sociëteiten "Broederschap" en "Eendracht". De nieuwe municipaliteit benoemde een president, alsmede een maire (schout), die daarop ingevolge art.15 van het reglement zijn plaats in de municipaliteit afstond aan een plaatsvervangend lid. Voorts koos men een Comité van Justitie, waarvan de 7 leden niet behoorden tot de municipaliteit, alsmede een Comité van Algemeen Welzijn van 4 leden. De president maakte deel uit van dit laatste Comité, dat te vergelijken is met de vier burgemeesters van voor 1795. De representanten fungeerden bij loting een half jaar of een jaar, zodat regelmatig nieuwe verkiezingen nodig waren. Op 5 mei 1796 besloten zij de naam aan te nemen van Raad der gemeente Alkmaar en het Comité van Algemeen Welzijn noemde zich sedertdien Commissie van Algemeen Welzijn. Na de unitaristische staatsgreep in de Nationale Vergadering van 22 januari 1798 werden commissarissen naar Alkmaar gezonden, die op 15 maart het stadsbestuur bijeen riepen en ontsloegen. Ingesteld werd een Administratief Bestuur van 10 leden en een Commissie van Algemeen Welzijn van 4 leden. Op 12 juni 1798 volgde een nieuwe staatsgreep, ditmaal door de gematigde vleugel der unitarissen. Het onlangs aangestelde bestuur van Alkmaar werd ongemoeid gelaten. De staatsgreep van 1801, die gesteund werd door Napoleon, had een reactionair karakter. De provincies werden gedeeltelijk in hun oude macht hersteld en ook streefde men naar verzoening met de oranje-aanhangers. Van verkiezingen door de burgerij was geen sprake meer. Op 24 december 1802 keurde het Departementaal Bestuur van Holland het door Commissarissen der burgerij ontworpen regeringsreglement van Alkmaar goed en benoemde op 5 januari 1803 de uit 12 leden bestaande Raad der Gemeente. Het oude bestuur trad op 10 januari af en op dezelfde dag kwam het nieuwe bestuur in functie. Het verdeelde zich in vier kamers, te weten die der Wethouders (4), van Financiën (2), van Fabricatie en Plantsoenen (3) en tot de Weeszaken (3). Op 5 april d.a.v. benoemde het Departementaal Bestuur 7 schepenen uit door de Raad ingezonden dubbeltallen. De stichting van het Koninkrijk Holland in 1806 bracht opnieuw veranderingen. Ingevolge het regerings- reglement van 23 oktober 1807 benoemde koning Lodewijk op 20 januari 1808 een vroedschap van 12 leden, die op 4 februari werden beëdigd. Tevens werden benoemd een burgemeester en vier wethouders. Het college van schepenen was niet vernieuwd. Bij K.B. van 30 januari 1807 was bepaald, dat de schepenen voorlopig zouden aanblijven totdat de nieuwe rechterlijke organisatie een feit zou zijn. Op 28 februari 1811 werd de rechtbank van Eerste Aanleg in het ressort Alkmaar geïnstalleerd waarmee een einde kwam aan de rechtspraak door Alkmaarse schepenen. De inlijving bij Frankrijk in 1810 had tot gevolg, dat keizer Napoleon Bonaparte op 19 mei 1811 een maire, twee adjuncten en een Municipale Raad van 30 leden aanstelde.
1.1. Raaksmaatsboezem De Heerhugowaard en de met dit binnenmeer verbonden wateren vormde voor een groot deel van westelijk Westfriesland een gemeenschappelijke waterberging of boezem. Deze boezem kwam bekend te staan als de Raaksmaatsboezem.(.. De benaming "Raaksmaatsboezem" is naar alle waarschijnlijkheid afgeleid van het woord "raak" of "raaks". Dit is de oude naam voor een meetketting gebruikt door landmeters.) In de loop van de 13e en 14e eeuw groeide de Heerhugowaard snel door afslag van de slappe, venige oevers. In samenhang hiermee werd de Waard als waterberging voor het omliggende land steeds belangrijker. De Heerhugowaard stond door sluisjes in de Huigendijk, een onderdeel van de Westfriese Omringdijk, in verbinding met de Schermeer. Die stond op zijn beurt weer in open contact met de Zuiderzee. Toen plannen om de grote meren in het Noorderkwartier van Holland -inclusief de Schermeer- van zee af te sluiten concreter werden, kwam de lozing door de sluizen in de Huigendijk onder druk te staan. Het water kon immers niet meer vrij op de Zuiderzee afstromen. Willem III bepaalde dan ook in 1326 de sluiting van de sluizen in de Huigendijk. Het ambacht raakte nu in principe aangewezen op afwatering in noordelijke richting. Hiervoor werd ondermeer de Wisene gebruikt, een stroompje uit de Heerhugowaard dat westelijk van Aartswoud in zee mondde. In 1386 verleende hertog Albrecht vergunning tot het graven van een nieuw afwateringskanaal vanuit de Heerhugowaard naar Aartswoud. Dit project is echter naar alle waarschijnlijkheid niet met voldoende energie aangepakt. In 1396 werd namelijk alweer om sluisjes in de Huigendijk verzocht met als argument dat de Heerhugowaard geen afwateringskanaal had. De belanghebbende dorpen verzochten in 1458 opnieuw permissie om de Wisene te mogen vergraven tot afwateringskanaal. Het werk kwam in 1461 klaar. Aan het uiteinde van het nieuwe kanaal -dat bekend werd als de Langereis- werden uitwateringssluizen gebouwd, de Geestmerambachtssluizen. Het gereedkomen van de Langereis betekende niet dat de problemen met de boezem definitief waren opgelost. Na 1461 werden de sluisjes in de Huigendijk weer diverse malen in gebruik genomen. Nog in 1516 legde het ambacht bij het gehucht Rustenburg in de zuidoosthoek van de Heerhugowaard een duikersluis die op de Schermeer uitkwam. In de loop van de 16e eeuw nam de belasting van de boezem flink toe. Oorzaak hiervan was de landaanwinning. Na de geslaagde droogmaking van de Achtermeer bezuiden Alkmaar in 1533 zagen ondermeer enkele vooraanstaande Alkmaarse families winstkansen in de landaanwinning. Zij bedijkten in hoog tempo vrijwel alle meertjes in de regio. De waterberging nam hierdoor belangrijk in omvang af. Tegelijkertijd werden de overgebleven boezemwateren door het uitmalen van de molens van niet alleen de nieuwe droogmakerijen, maar ook van het inmiddels in polders gelegde oude land juist zwaarder belast. Deze problemen werden acuut met de bedijking van de Heerhugowaard waarvoor in maart 1625 octrooi werd verleend. Het wegvallen van de Heerhugowaard werd opgevangen door de boezem -die nu uit een aaneenschakeling van vaarten bestond- met windmolens te bemalen. Natuurlijk liepen de meningen van de bedijkers en het Geestmerambacht over het aantal noodzakelijke strijkmolens -boezembemalende molens- uiteen. Uiteindelijk bepaalden commissarissen van de Staten van Holland dat de Heerhugowaard 12 strijkmolens moest bouwen en het Geestmerambacht twee. Zes van deze molens stonden aan de Zeswielen bij Alkmaar. Dan waren er vier achter Oudorp, twee van de Waard en de twee van het Ambacht. De derde groep van vier molens stond bij Rustenburg. Allen maalden uit op de in 1544 tot stand gekomen Schermerboezem bezuiden de Huigendijk. Pas in de loop van de 19e eeuw is er sprake van een nieuwe bedreiging van de waterhuishouding van de Raaksmaatsboezem. In 1842 verzochten H. Koomen, kandidaat-notaris te Winkel, en C.J.L. Portman, kunstschilder te Beverwijk, aan de Koning een concessie tot bedijking van de Waard- en Groetgronden buiten de Westfriese Omringdijk. Hierdoor dreigde de uitwatering door de sluizen te Aartswoud in gedrang te komen. Het plan van Koomen en Portman c.s. leidde daarom tot de nodige discussies met het ambacht. In december 1842 werd er een overeenkomst bereikt. Deze hield opname van de Geestmerambachtssluis in de droog te maken gronden in. Het water zou voortaan via een kanaal langs de zeedijk van de polder naar Kolhorn worden geleid waar het door een nieuwe sluis via de buitenhaven van dit dorpje op de Zuiderzee kon afvloeien. Alle kosten kwamen ten laste van de bedijkers. Het bestuur van het ambacht kreeg tenslotte het schouwrecht over de genoemde werken. De hoofdpunten van dit accoord werden ook opgenomen in de concessie, welke in augustus 1843 werd verleend. 1.2. Westfriese Omringdijk De Westfriese Omringdijk dijk kreeg vermoedelijk halverwege de 13e eeuw voorgoed gestalte en beschermde Westfriesland tegen het water van de Noordzee, Zuiderzee en enkele grote binnenwateren. Na 1300 lag de Omringdijk er verzwakt bij. De crisis in het centrale gezag na de moord op Floris V zal hier zeker het nodige aan hebben bijgedragen. Pas onder Willem III werden de zaken weer met stevige hand aangepakt. Hij stuurde in 1320 de wijbisschop Jacob van Zuden naar Westfriesland. Deze stelde precies vast welk gedeelte van de dijk ieder ambacht moest onderhouden. Voor het Geestmerambacht kwam dit neer op het beheer van: - de dijk tussen Oterleek en Alkmaar (Huigendijk) met de daarop aansluitende Oudorper- of Omloopdijk die doorliep tot de veste van Alkmaar. - De Zuiderrekerdijk vanaf het Friese bolwerk van de stad Alkmaar tot de Bergersluis bezuiden Koedijk. - De Noorderrekerdijk vanaf de Bergersluis tot Krabbendam. - De Zeedijk van Krabbendam tot de Schagerpaal even benoorden Sint Maarten waar het dijkvak van de Schager- en Niedorperkoggen begon. Deze verstoeling werd in 1326 aangepast. Het Geestmerambacht werd toen ontlast van een gedeelte van de Huigendijk. Een dijkvak ter lengte van 400 roeden (ca. 1500 m) gerekend vanaf Oterleek werd ten laste van de Schager- en Niedorperkoggen gebracht. Dertien jaar later, in 1339, werd de verstoeling nog een laatste keer gewijzigd. Voor het Geestmerambacht bleef toen echter alles op de oude voet. Het onderhoud van de bovengenoemde dijkvakken werd vanaf het einde van de 16e eeuw belangrijk vereenvoudigd door diverse landaanwinningsprojecten. Om te beginnen werd met de definitieve droogmaking van de Zijpe in 1597 de Zeedijk tot binnendijk gemaakt. Reeds in maart 1551 verleende Karel V een octrooi aan de kunstschilder Jan van Scorel tot droogmaking van de Zijpe. In dit octrooi werd bepaald dat het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen een vergoeding aan de bedijkers verschuldigd waren als tegenprestatie voor de ontlasting van hun dijken. Beide ambachten legden zich hier echter niet bij neer en er volgde een proces. De Hoge Raad bepaalde tenslotte in 1608 dat het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen niets aan de Zijpe waren verschuldigd. Ook de droogmaking van de Heerhugowaard en de Schermer pakte na de nodige verwikkelingen gunstig voor het ambacht uit. De twee genoemde wateren werden van elkaar gescheiden door de Huigendijk. Deze dijk verloor voortdurend aan voorland en werd steeds moeilijker te houden. De bedijkers van de Heerhugowaard bleken echter genegen de dijk over te nemen en tot onderdeel van hun ringdijk te maken. Commissarissen van de Staten van Holland openden in oktober 1628 inderdaad voor de bedijkers een mogelijkheid om de dijk over te nemen. Het ambacht diende de dijk in goede staat op te leveren en er zou een jaarlijkse subsidie moeten worden betaald. De commissarissen bepaalden verder dat in het geval van bedijking van de Schermeer de Huigendijk weer aan het ambacht terug kwam. Uiteindelijk zagen de bedijkers van de Waard echter van de overname van de Huigendijk af. Zij legden zelf een nieuwe ringdijk aan, die bekend werd als de Nieuwe Huigendijk. Bij de drooglegging van de Schermeer keerden de zaken zich echter toch nog ten goede voor het ambacht. In 1631 verleenden de Staten een bedijkingsoctrooi voor de Schermeer. De bedijkers maakten in tegenstelling tot hun collega's van de Waard wel van de oude Huigendijk gebruik. Zij vorderden eerst van het ambacht een vergoeding omdat door de droogmaking van de Schermeer de Huigendijk binnendijk zou worden. Na jaren onderhandelen verklaarden de bedijkers zich bereid de dijk compleet over te nemen, mits er door het ambacht een vergoeding zou worden betaald. Commissarissen van de Staten besloten in juli 1635 in deze zin. Dat de dijken van het ambacht door de bedijkingen allemaal tot eenvoudig en goedkoop te onderhouden binnendijken waren geworden, vormde aanleiding tot het "Groote Proces" met de twee ambachten in de oostelijke helft van Westfriesland, Drechterland en de Vier Noordkoggen, waarover later meer. In dit proces koos het dorp Ursem -gelegen binnen Drechterland- de kant van het Geestmerambacht c.s. Na de eerste provisionele uitspraak van de Hoge Raad in 1650 kwam het dorp bij het Geestmerambacht. Dit betekende dat het ambacht de dijkvakken van Ursem in de Westfriese Omringdijk erbij kreeg. Het ging om een gedeelte van de Walig- of Walingsdijk bezuiden Ursem en een park van 36 roeden lengte (ruim 100 m) in de Drechterlandse Winkelerdijk langs de Zuiderzee bij het dorp Winkel. 1.3. Oosterdijk en poldermolens De Oosterdijk loopt langs de oostzijde van de Langedijk langs de Heerhugowaard. De dijk werd waarschijnlijk al in het begin van de 13e eeuw aangelegd na een doorbraak van de zeedijk tussen Schagen en Sint Maarten. Hij beschermde de landen van de Langedijk tegen het opdringende water. Door de aanleg van de Oosterdijk ontstond een polder, welke bekend werd als de polder Geestmerambacht. In de dijk lagen spuisluisjes waardoor overtollig water uit deze polder op de Heerhugowaard kon worden geloosd. Aan het begin van de 16e eeuw was de dijk sterk verwaarloosd. Er zaten diverse gaten in en voorts stonden de sluisjes dikwijls continu open om te vissen. Wateroverlast was het gevolg. Aan het begin van jaren dertig van de 16e eeuw werd daarom besloten de dijk over de volle lengte te repareren. Meteen wilde men een serie watermolens plaatsen om de herstelde polder te bemalen. Dit bracht de nodige moeilijkheden tussen de betrokken dorpen met zich mee. Reinier Brunt, raad en procureur-generaal van het Hof van Holland, en Adriaan Stalpaert, rentmeester van Kennemerland en Westfriesland, traden regelend op. Het herstel van de dijk kwam in de loop van 1533 gereed. Op de dijk werden voorts vier molens gebouwd. Het aantal molens werd in de loop der tijd tot 11 stuks in 1864 uitgebreid. 1.4. Langereisdijk In 1675 werd Westfriesland door een zware overstroming getroffen. Op de eerste november van het genoemde jaar begaf de Omringdijk het in de buurt van Scharwoude. Veertien dagen later had men het gat bijna dicht, maar al het werk werd door een nieuwe storm te niet gedaan. Op 4 december 1675 sloeg de zee nog eens toe. Doordat nu ook nog enkele belangrijke binnendijken braken, kwam heel oostelijk Westfriesland onder water te staan. Het gat bij Scharwoude werd tenslotte pas op 22 januari 1676, ondermeer met behulp van een dijkleger uit het Geestmerambacht, gesloten. In het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen werden direct na de doorbraak de relevante sluisjes en molenkolken gedicht om het overstromingswater buiten te houden. Daarna besloten de regenten van het ambacht tot het verstevigen van de dijken langs de Heerhugowaard vanaf Rustenburg en verzwaring van de aansluitende kade langs de Langereis tot Aartswoud. Hiertoe werd een ettelijke duizenden manschappen groot dijkleger opgeroepen. Na de storm van 4 december was de situatie weer kritiek. Het dijkleger kwam opnieuw in actie. Met vereende krachten slaagde men er in het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen droog te houden. De opluchting onder de bevolking was groot. De toenmalige secretaris van het ambacht, Dirk Harksz. Heijnen, dichtte zelfs een vers over de gebeurtenissen uit 1675-1676. Dit nam hij op in een door hem over de watersnood aangelegd "memoriael". Het luidt als volgt: "Als d'oceaen verwoet, blies uijt sijn holle kaecken 't water op Zuijderzee, waer door veel dijcken braecken dat juijst Westvrieslants ringh, oock jammerlijck besuert soo dat gantsch Drechterlandt, met sijn gebuere treurt Bewaert heeft mij de Heer, als dese overstroomde wanneer hij in sijn gunst, des waters krachten toomde en sprack comt vorder niet, keert weder, neemt de wijck houdt aff, het is genoegh, staet* voor d'Langereijs-dijck" * stopt Nadien besloten de regenten van het ambacht en de Schager- en Niedorperkoggen de Langereisdijk en aansluitende Veenhuizerkade definitief tot noodwaterkering geschikt te maken en te houden. In de Langereis werden verder keersluisjes gelegd om eventueel overstromingswater te stoppen. De Staten van Holland verleenden in 1677 een octrooi waarbij bepaald werd dat het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen respectievelijk 7/12 en 5/12 deel van de kosten op moesten brengen. Verder stelden de Staten naar aanleiding van de ramp een superintendentie of oppertoezicht over de zeedijken van het Noorderkwartier in. Deze bestond uit de Gecommitteerde Raden van Westfriesland en het Noorderkwartier aangevuld met een lid van de ridderschap. Het bestuur van het ambacht Het bestuur van het Geestmerambacht was tot de reglementering van 1864 weinig doorzichtig georganiseerd. Het kende een college van dijkgraaf en heemraden, een college van waarschappen, een college van molenmeesters en ook nog de zogenaamde "volgers ten plattelande". Daarnaast had het ambacht recht op een serie zetels in de besturen van andere waterschappen. 2.1. Dijkgraaf en heemraden Het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen stonden onder één college van dijkgraaf en heemraden. Zoals reeds medegedeeld vloeide dit gemeenschappelijk dijkgraafschap voort uit het feit dat de twee ambachten samen deel hadden uitgemaakt van het door Floris V ingestelde baljuwschap van Kennemerland en Westfriesland. Nadat er moeilijkheden rond het dijkonderhoud waren gerezen, vernieuwde Willem III het college van dijkgraaf en heemraden in 1431 geheel. Allereerst stelde hij op 2 mei een nieuwe dijkgraaf aan waarbij hij de macht om heemraden te benoemen aan zichzelf hield. Voorheen had de dijkgraaf dit recht bezeten. Twee dagen later volgde de benoeming van vier heemraden waarbij de stad Haarlem gelegenheid werd geboden nog een vijfde aan te stellen. Doordat de benoemingsrechten als onderpand bij leningen werden gesteld, raakten ze echter al spoedig weer uit handen van de graaf. Pogingen om ze terug te krijgen mislukten. In de 17e eeuw was de situatie als volgt: - dijkgraaf : benoemd door de Staten van Holland voor het leven. - heemraden : bleven een jaar in functie, herbenoeming mogelijk. Een werd er gesteld door de kerkmeesters van Warmenhuizen, een door de burgemeesters van Alkmaar, een door de vooraanstaande burgers van Schagen en een door de regenten van Winkel. Het college van dijkgraaf en heemraden vormde niet het dagelijks bestuur van het ambacht. De heemraden schouwden samen met de dijkgraaf de Omringdijk. Zij controleerden of die wel aan de ieder voorjaar door de dijkgraaf en de waarschappen -waarover hieronder meer- opgestelde keuren voldeed. In deze keuren werd het aan de dijk uit te voeren werk omschreven. Naast deze, ieder jaar opnieuw vastgestelde keuren, kende men ook nog de zogenaamde "generale" keuren. Hierbij gaat het om verordeningen op het weiden van vee op de dijken, het versperren van sluizen, de visserij etc. 2.2. Waarschappen Het dagelijks beheer van de werken was een zaak van de waarschappen. Bij de waarschappen gaat het om vertegenwoordigers van de verschillende bannen. Zij waren betrokken bij het opstellen van de keuren en moesten vervolgens zorgen voor de tenuitvoerlegging van de in de keuren omschreven werkzaamheden. In de dorpen was het waarschapsambt niet populair. Hij was immers degene die de boodschap van kostbaar en tijdrovende werk kwam brengen. Daarom stuurden de dorpen vaak totaal ongeschikte personen. Het kwam zelfs wel voor dat de aannemers die het werk moesten uitvoeren tot waarschap werden gemaakt. Filips de Goede greep in 1439 in. Hij ontnam de dorpen de aanstelling van waarschappen. Voortaan zouden er nog slechts zes zijn, twee aan te stellen door de graaf zelf uit zijn dorpen (Noord- en Zuid-Scharwoude en Broek op Langedijk), een door de moeder van Filips, Margaretha van Bourgondië, uit haar dorpen (Sint Maarten en Eenigenburg), twee door de heer van Egmond uit zijn dorpen (Warmenhuizen, Oudkarspel en Harenkarspel) en een door Roeland van Uytkerken uit zijn dorpen (Koedijk en Oudorp). De ambtstermijn werd op een jaar gesteld. In de loop der tijd wisten de dorpen de benoeming van de waarschappen weer te herwinnen. Het aantal bleef echter ongewijzigd. In het derde kwart van de 17e eeuw was de benoeming van de waarschappen als volgt geregeld: - Warmenhuizen : stelde een waarschap. - Sint Maarten en Eenigenburg : stelden samen een waarschap, benoeming bij toerbeurten. - Noord- en Zuid-Schar- woude en Broek : stelden samen twee waarschappen, benoeming bij toerbeurten. - Koedijk en Sint Pan- cras : stelden samen een waarschap, benoeming bij toerbeurten. - Oudkarspel en Haren- karspel : stelden samen een waarschap, benoeming bij toerbeurten. De waarschappen vormden in zekere zin het dagelijks bestuur van het ambacht. Zij regelden niet alleen het onderhoud van de Omringdijk, maar ook van de Oosterdijk, de Langereisdijk en de werken behorende tot de Raaksmaatsboezem. Er werd daarbij volgens de gebruikelijke procedure van beraming of opneming van de uit te voeren werken, aanbesteding en schouw te werk gegaan. Samengevat vormden de waarschappen de spil waar alles in het ambacht om draaide. De eerder genoemde secretaris D.H. Heijnen omschreef dit in 1674 als volgt: "...de voorsz. warschappen met den heere dijckgraeff sullen helpen keuren alle dijcken en[de] dammen, sluijsen ende sluijstochten, hoofden en o[ver]toomen, inwegen, inwateringen en uijtwateringen en alles wat den dijckgraeff van rechten wegen schuldich is te beschouwen etc. Soo dat het collegie van warschappen heeft de geheele directie ende regeeringe vant gemeene lant van geestmeramb[ach]t" 2.3. Volgers ten plattelande Vanaf 1439 was er door het ingrijpen van Filips de Goede geen eigenlijke vertegenwoordiging van de dorpen meer. Dit leidde ertoe dat er voor het afhoren van de rekeningen van de waarschappen jaarlijks door de dorpen gecommitteerden of volgers werden afgevaardigd. Reeds in 1547 is van deze volgers ten plattelande sprake. 2.4. Molenmeesters en heemraden van de Oosterdijk Bij de regeling van het herstel van de Oosterdijk en de bouw van de eerste watermolens in 1533 stelden Brunt en Stalpaert meteen een bestuur om deze werken te beheren. Dit bestuur bestond uit 5 molenmeesters, één te benoemen door de rentmeester van de vroonlanden van keizer Karel V, de 's graven- of koningsmolenmeester, één te benoemen door Warmenhuizen, één roulerend tussen Alkmaar en Oudkarspel, één roulerend tussen Noord- en Zuid-Scharwoude en Broek op Langedijk en de laatste roulerend tussen Koedijk, Kalverdijk, Eenigenburg, Sint Pancras en Oudorp. De verkiezing van de molenmeesters van de dorpen geschiedde door de schepenen. De ambtstermijn was een jaar. De molenmeesters waren belast met het beheer van de molens van de polder Geestmerambacht. Ook hielden zij toezicht op het peil in de polder en het inlaten van water tijdens droogte in de zomer. Verder waren de molenmeesters tevens heemraden van de Oosterdijk. Zodoende schouwden zij samen met de dijkgraaf deze dijk. 2.5. Vertegenwoordiging in andere waterschappen Het ambacht was gerechtigd leden in het bestuur van drie andere waterschappen te benoemen. Het had om te beginnen een heemraad in de besturen van het Hoogheemraadschap van de Hondsbossche en Duinen tot Petten en het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. Er werd hiertoe een nominatie gedaan aan de grafelijkheid en later de Staten van Holland. De heemraden werden voor het leven benoemd. Het ambacht had voorts in beide hoogheemraadschappen ook twee hoofdingelanden. Die voor de Hondsbossche werden steeds aangewezen door de vertrekkende waarschappen en wel uit hun midden. De verkiezing van de hoofdingelanden van "Uitwaterende Sluizen" was een zaak van de volgers. Daarnaast kende het ambacht een vertegenwoordiging in het college van hoofdingelanden van Westfriesland. De oorsprong van dit college ligt in het al even ter sprake gekomen Grote proces. We hebben reeds gezien dat het beheer van de dijken van het ambacht en de aangrenzende Schager- en Niedorperkoggen door de landaanwinning veel eenvoudiger en goedkoper was geworden. De twee andere ambachten, Drechterland en de Vier Noorderkoggen, bleven echter belast met het beheer van een lang stuk Omringdijk dat nog wel het geweld van de zee had te weerstaan. Deze begonnen dan ook in de loop van de jaren dertig van de 17e eeuw aan te dringen op een meer rechtvaardige verdeling van de onderhoudslasten van de Omringdijk. Die beschermde immers geheel Westfriesland en daarom waren alle ambachten verplicht naar redelijkheid aan de instandhouding van de dijk bij te dragen. In het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen dacht men hier anders over. Het resultaat was een tientallen jaren durend juridisch gevecht. Het ambacht c.s. stelden zich op het standpunt dat bij herziening van verdeling van de dijkslasten ook de verponding, de belasting op onroerend goed, moest worden bijgesteld. Bij het vaststellen van de huurwaarde van de landerijen was namelijk met de dijkslasten rekening gehouden. Veranderden die dijkslasten, dan was eveneens aanpassing van de verponding geboden. De kwestie werd er hierdoor niet eenvoudiger op. Het duurde tot 1648 voordat de Hoge Raad in een eerste voorlopige uitspraak Drechterland en de Vier Noorderkoggen in het gelijk stelde. Twee jaar later bepaalde de Hoge Raad provisioneel de gemeenmaking van het beheer van de Omringdijk. Ieder ambacht moest voortaan een bepaald quotum in de totale onderhoudskosten van de dijk opbrengen. Dit maakte een boven de afzonderlijke ambachten geplaatst toezicht op het beheer noodzakelijk. In hetzelfde jaar volgde daarom een sententie waarbij het college van hoofdingelanden van Westfriesland werd ingesteld. Dit bestond uit negen leden waarvan het ambacht er twee aanwees. De hoofdingelanden stelden de aan de Omringdijk uit te voeren werken definitief vast, waren aanwezig bij de aanbesteding en controleerden de uitvoering van de werken door het doen van een naschouw. In figuur 1 is de complete procedure samengevat. figuur 1: procedure van vaststelling, aanbesteding en controle van werken aan de Omringdijk na 1650 (31. Het beheer van de Walingsdijk was iets anders geregeld. De beraming geschiedde hier door de hoofdingelanden en de besteding door de schepenen van het dorp. Schout en schepenen dreven ook de schouw.) loze beraming, vooropneming van de uit te voeren werken door dijkgraaf en waarschappen definitieve beraming door de hoofdingelanden van Westfriesland vaststelling van de keur door dijkgraaf en waarschappen aanbesteding van de werken door de waarschappen ten overstaan van de hoofdingelanden van Westfriesland afschouw door dijkgraaf en heemraden naschouw door de hoofdingelanden van Westfriesland Het proces was overigens met de provisionele uitspraken van 1648 en 1650 nog niet voorbij. Het Geestmerambacht c.s. zetten de strijd onverminderd voort. De meergenoemde secretaris Heijnen vergeleek Drechterland en de Vier Noorderkoggen zelfs met een stel honden die de kas van het ambacht wilden plunderen: "Geestmerambachts dijck spreeckt. Al ben ik swart, 'k heb juffrouws handen Maer die U bijt met wollefs tanden heet Noordcogh, ja Drechter hondt Springt in de cas, o boose vondt*" * list, streek De quota werden in 1657 iets bijgesteld. Op 12 oktober 1695 -na een mensenleven procederen- kwam de Hoge Raad tenslotte met zijn einduitspraak. De gemeenmaking van de dijk en het college van hoofdingelanden bleven gehandhaafd. Het geschil tussen de vier ambachten laaide in 1714 opnieuw op. De sententie van 1695 verschafte namelijk de mogelijkheid om na 20 jaar eventuele grieven kenbaar te maken. De Schager- en Niedorperkoggen ging hier inderdaad toe over. In de jaren na 1775 werd er vervolgens nog eens uitgebreid geprocedeerd naar aanleiding van de vraag of de regelingen van 1695 wel van toepassing waren op buitengewone dijkskosten. Het Geestmerambacht in de 19e en 20e eeuw 4.1. De Bataafs-Franse tijd Na de val van de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in januari 1795, werd het onrustig in het Geestmerambacht. Een serie ingelanden begon een actie die tot doel had hen meer greep op de samenstelling van het bestuur te geven, een en ander in overeenstemming met de relevante publicaties van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland van 6 maart en 7 oktober 1795. Bij dit alles speelde ook onvrede over de hoge huishoudelijke kosten mee. Reeds in 1789 was geprobeerd die onder controle te krijgen middels een Reglement ofte poincten van mesnage voor de regeeringe van't cavel Geestmer-ambacht. In maart 1796 namen de regenten een besluit. Indien een belangrijk deel van de ingelanden inderdaad voor verandering van het bestuur was, zou er een speciale commissie worden ingesteld tot opstelling van een nieuw reglement. Dit bleek het geval te zijn. In mei 1796 lag een concept-reglement gereed. Gezien de gecompliceerde organisatie van het bestuur van het ambacht was de commissie er niet in geslaagd overal vast te houden aan met name de publicatie van 7 oktober 1795. Deze gaf allerlei regels inzake de verkiezingen, de oproeping van de stemgerechtigde ingelanden etc. Toch werd het reglement op 12 mei 1796 door het "Dyks- en Water-Collegie van Geestmerambagt ende Raaxmaat" met ruime meerderheid aangenomen. Men besloot het vervolgens ter inzage van de ingelanden te leggen. In juli 1796 werd het definitief vastgesteld. Daarna werd een begin gemaakt met de uitvoering. De in mei overstemde minderheid liet het er echter niet bij zitten. De tegenstemmers klaagden bij het Provinciaal Bestuur, dat herhaaldelijk de in het nieuwe reglement voorgeschreven verkiezingen opschortte. Het Bestuur stelde zich verder op het standpunt dat strikt aan de publicaties van de Provisionele Representanten moest worden vastgehouden. Door hiaten in het bronnenmateriaal is niet helemaal duidelijk hoe de kwestie precies afliep. In ieder geval werd in oktober 1798 op aandrang van het Geestmerambacht een scheiding met de Schager- en Niedorperkoggen tot stand gebracht. Beide ambachten sloten vervolgens twee jaar later een accoord inzake het beheer van de Langereisdijk. De scheiding was niet van lange duur. In 1802 werd van het Departementaal Bestuur een lastgeving tot het indienen van een overzicht van de bestuursinrichting ontvangen. De lastgeving hing samen met de werkzaamheden van de Commissie van de Dijken en de Waterstaat welke tot taak had te adviseren over het 37e artikel van het reglement voor het Departementaal Bestuur. In het bewuste artikel werd het Departementaal Bestuur opgedragen te zorgen voor zodanige herziening van de inrichting van de waterschappen als het beste met de belangen van de ingelanden strookte. De Commissie had in september 1804 een concept-reglement voor het "Dykgraafschap van Geestmer-Ambacht, de Schager- en Niedorper-Coggen" gereed dat door het Departementaal Bestuur werd aangenomen. Het reglement kwam neer op een compleet herstel van de organisatie zoals die vanouds had bestaan. In artikel 1 werd bijvoorbeeld in niet mis te verstane bewoordingen de scheiding van de twee ambachten teruggedraaid. Deze maatregel werd vooral ingegeven door de wens kosten te besparen. 4.2. Het Bijzonder Reglement van Bestuur van 1864 Pas in de loop van de jaren zestig van de 19e eeuw is werkelijk sprake van verandering van het bestuur van het ambacht. In 1854 kwam het Provinciaal Bestuur van Noord-Holland met een Algemeen Reglement van Bestuur voor de waterschappen in Noord-Holland. Vervolgens ontving het ene waterschap na het andere een eigen Bijzonder Reglement van Bestuur. De provincie stelde zich bij deze hervorming ondermeer tot taak de invloed van de ingelanden te verzekeren en tot een helder financieel beheer te komen. In 1862 begonnen de Staten met de herziening van de oude reglementen van bestuur van de hoofdingelanden van Westfriesland en de vier ambachten. De nieuwe reglementen kwamen in 1864 gereed. Dat van het "ambacht van Westfriesland genaamd het Geestmerambacht" werd op 14 september in het Provinciaal blad afgekondigd. Het trad op de eerste januari 1865 in werking. Op diverse punten brak het nieuwe reglement totaal met de oude situatie. Allereerst werd het beheer van de Oosterdijk met de poldermolens ondergebracht in een nieuw waterschap, de polder Geestmerambacht (Oosterdijk en molengeersen) geheten. De taken van het ambacht kwamen nu dus nog slechts neer op het beheer van een gedeelte van de Westfriese Omringdijk, de Raaksmaatsboezem en de Langereisdijk. Een tweede belangrijke verandering was de hectaars-hectaarsgewijze -naar evenredigheid van de grootte van het landbezit- omslag van de lasten. Het oude systeem waarbij ieder dorp, polder of droogmakerij op een bepaald quotum geersen stond, werd dus verlaten. Ten derde werd het bestuur geheel anders ingericht. De band met de Schager- en Niedorperkoggen werd opnieuw -en nu voorgoed- verbroken. Het Geestmerambacht en de koggen kregen ieder een eigen bestuur. Het dagelijks bestuur in het ambacht kwam in handen van een dijkgraaf en zes heemraden. Verder was er een algemeen bestuur van 21 hoofdingelanden. De koning benoemde de dijkgraaf uit een door de hoofdingelanden opgestelde nominatie. De vergadering van hoofdingelanden koos verder zonder bemoeienis van hogerhand de heemraden. De verkiezing van de hoofdingelanden lag bij de stemgerechtigde ingelanden van de 16 bannen of polderdistricten en de polders Heerhugowaard, Berkmeer, Wogmeer en Schagerwaard. Iedere banne of polder wees een hoofdingeland aan ( Bij de Westfriese bannen of polderdistricten gaat om locale, door Provinciale Staten gereglementeerde waterschapjes die verantwoordelijk waren voor: -de regeling van de inning van de omslagen van de hogere waterschappen; -regeling van verkiezingen van leden van besturen van hogere waterschappen; -soms: enig sloot- en/of wegenonderhoud.) De Staten lieten in 1864 de regeling omtrent de verrekening van de Westfriese dijkskosten onverlet. Ook het college van hoofdingelanden van Westfriesland bleef bestaan en zette zijn controlerende werkzaamheden voort. Het gemeenschappelijk onderhoud van de Langereisdijk met de Schager- en Niedorperkoggen bleef ook op de oude voet. De twee ambachten lieten eerst een soort dagelijks bestuur, de Commissie voor de zaken van de Langereis- en Veenhuizerdijken, het beheer regelen. De gedeelde zorg voor de genoemde dijken beviel echter niet meer. In 1882 werd een voorlopige regeling getroffen waarbij bepaald werd dat ieder ambacht de direct aan het eigen grondgebied grenzende dijkvakken zou onderhouden. Zeven jaar later werd een en ander definitief gemaakt door middel van een reglementswijziging. 4.3. Ontwikkelingen rond de werken van het ambacht Aan het einde van de jaren zestig van de 19e eeuw kreeg het bestuur te maken met klachten van de ingelanden over de slechte afwatering van de Raaksmaatsboezem. Deze was er door de verlenging van de uitwatering door de Groetpolder naar Kolhorn niet beter op geworden. Er werd naar aanleiding van de klachten in de bestuursvergaderingen diverse malen over de bouw van een stoomgemaal gesproken. Hier kwam het echter niet van. Wel besloten de hoofdingelanden in 1883 tot de bouw van een nieuwe uitwateringssluis in de Groetdijk bij Aartswoud. Het als voorboezem dienende kanaal door de Groetpolder kon dan vervallen. Het werd aan de polder Waard en Groet overgedaan. Voorts liet men de suatiesluis bij Kolhorn dempen. Op den duur kwam het ambacht echter niet onder de bouw van een stoomgemaal uit. In diverse polders -waaronder de Heerhugowaard- was men hier al toe overgegaan. Door de nieuwe gemalen kon het overtollige water sneller worden uitgemalen waardoor de belasting van de Raaksmaatsboezem toenam. Steeds vaker werd het peil bereikt waarbij de polders hun molens en gemalen moesten stilzetten met alle gevolgen van dien. Het bestuur nam tenslotte de architect van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen, A.H.D. Rups, in de hand. Deze stelde een rapport over de waterlozing van de Raaksmaatsboezem op, waarin de bouw van een stoomgemaal werd aanbevolen. Rups werkte verder ook de bouwplannen voor een dergelijk gemaal uit. In november 1893 werd definitief tot de bouw van een stoomgemaal aan het einde van de Langereis in de Omringdijk besloten. Dit gemaal kwam in mei 1895 gereed. Het ambacht bleef gelukkig gevrijwaard van overstromingen tijdens de rampzalige stormvloed van januari 1916. Tijdens deze ramp braken de dijken van Waterland en van de Anna Paulownapolder door. De ramp vormde voor de provincie aanleiding om het beheer van de zeedijken en de belangrijkste binnendijken in één hand te brengen. Er werd hiertoe een nieuw waterschap gesticht, het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier. Dit nam op 20 december 1921 het onderhoud en beheer van de bedoelde waterkeringen -inclusief de complete Westfriese Omringdijk- daadwerkelijk over. Het Geestmerambacht bleef nog slechts verantwoordelijk voor de in de Omringdijk gelegen kunstwerken als sluizen en duikers. Met de overname van de zorg voor de Omringdijk door "Noordhollands Noorderkwartier" was het ook gedaan met de gecompliceerde, uit 1650 stammende regeling inzake de verdeling van de onderhoudskosten van de dijk tussen de vier Westfriese ambachten. In de nieuwe constellatie was verder het college van Hoofdingelanden van Westfriesland overbodig. Het werd opgeheven. Naast de gevolgen van de stormramp kreeg het ambacht tijdens de eerste wereldoorlog ook betrokken bij de aanhoudende klachten over de slechte scheepvaartverbindingen in Westfriesland. Vanaf 1890 was er zelfs een speciale vereniging, de Westfriese Kanaalvereniging, actief die voortdurend op de aanleg van nieuwe vaarwegen aandrong. Het was echter in 1917 het gemeentebestuur van Ursem dat bij het ambacht aanklopte met het verzoek te Rustenburg een schutsluis te bouwen. Al het verkeer over water van en naar westelijk Westfriesland moest namelijk door de krappe Zeswielensluis benoorden Alkmaar. Het bestuur van het ambacht verklaarde zich inderdaad genegen de sluis te bouwen mits de overige belanghebbenden financieel over de brug kwamen. De nieuwe sluis kon meteen de oude duiker te Rustenburg vervangen. Men hoopte het onderhoud en de terugbetaling van voor de bouw voorgeschoten gelden uit de opbrengsten van de sluisgelden te dekken. Bovendien gaven diverse gemeenten garanties voor een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de exploitatie van de sluis af. Om die exploitatie te verantwoorden, werd er een aparte financile administratie van de in 1919 gereedgekomen schutsluis opgezet. 4.4. Nieuwe vaarwegen en opheffing In de jaren twintig van deze eeuw kwam de verbetering van de vaarwegen in Westfriesland in een stroomversnelling. In 1920 besloten Gedeputeerde Staten een speciale commissie in het leven te roepen die hen moest adviseren omtrent de vragen: "Welke werken zullen moeten worden uitgevoerd en welke regelingen van waterstaatkundigen, administratieven en financieelen aard zullen moeten worden getroffen, teneinde te geraken tot een stelsel van goede waterwegen op het vasteland van het noordelijk deel van Noord-Holland, voornamelijk in Westfriesland". Deze commissie bracht in 1925 verslag uit. Voorgesteld werd ondermeer een ingrijpende wijziging van de boezems in Westfriesland. Het zuidelijke deel van de Raaksmaatsboezem kon bij de Schermerboezem worden getrokken en het noordelijk deel bij de boezem van de Niedorperkogge. Het beheer -ook over de te vormen Verenigde Raaksmaats- en Niedorperkoggeboezem- diende te worden opgedragen aan het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen met gelijktijdige opheffing van het ambacht van Westfriesland genaamd het Geestmerambacht. Provinciale Staten besloten in januari 1933 in deze zin. Het ambacht kwam vervolgens in een soort schemerzone terecht. Er was tot opheffing besloten, maar het door Gedeputeerde Staten te nemen besluit tot het in werking brengen van de beslissing van januari 1933 bleef maar uit. Hiermee werd gewacht totdat de met de wijziging van de boezems samenhangende werken voltooid waren. Op 15 september 1941 was het zover. De kade tussen de Raaksmaats- en de Schermerboezem werd op die dag doorgraven en de Zeswielensluis benoorden Alkmaar opengedraaid. In het najaar van 1941 opende men ook het Niedorperverlaat waardoor de Verenigde Raaksmaats- en Niedorperkoggeboezem ontstond. Op 12 november 1941 verscheen dan eindelijk in het Provinciaal Blad het langverwachte besluit tot bepaling van het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe beheersregeling voor de boezems en de opheffing van het ambacht. Dit tijdstip werd op de eerste januari 1942 gesteld. Alle werken die nog in het beheer van het ambacht waren en het saldo van de rekening kwamen aan het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen.
Algemeen Het Hoogheemraadschap van de Hondsbossche heeft reeds in de vorige eeuw uitgebreid de aandacht van historici getrokken.( .. Zie Huet (A.), De Zeeweringen aan den Hondsbossche en bij Petten (Amsterdam 1866); Faber (J.G.A.), De Hondsbossche en Duinen tot Petten (Purmerend 1869), zie archief Hondsbossche (Hdb) inv. Nrs. 844, 845; Iets over het Hoogheemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot Petten [door P. van Akerlaken] (Hoorn 1856), zie archief Hdb inv. Nr. 841; Vries Az. (G. de), `Het Hoogheemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot Petten; oorsprong en geschiedenis van de inrigting des bestuurs', Nieuwe bijdragen voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, deel V, stuk 3 (1855) pp. 401-485; idem, `Nieuwe bijdrage tot de geschiedenis van de Hondsbossche en Duinen tot Petten', Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, dl. XII (1869) pp. 337-420; idem, `De Rijndijk in de duinen te Petten', Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, 3e reeks, dl. 3 (1887) pp. 7-35. Bij verwijzingen naar pagina's in de twee eerstgenoemde werken van De Vries is hieronder steeds de nummering van overdrukken aangehouden.) Daarnaast publiceerde het hoogheemraadschap zelf in 1857 een door dijkgraaf Kluppel samengestelde bronnenuitgave, de Verzameling van stukken betrekkelijk den Hondsbossche. Naderhand verscheen een Nalezing op dit werk, eveneens door Kluppel, en tenslotte in 1881 nog een Vervolg op de Nalezing, verzorgd door de eminente waterschapshistoricus G. de Vries Az.( .. Kluppel (J.A.), ed., Verzameling van stukken betrekkelijk den Hondsbossche en Duinen tot Petten, de Sluizen daartoe behoorende en de Dijken daarmede in verband staande 1388-1598 (Alkmaar 1857); idem, ed., Nalezing tot de verzameling van stukken, van 1388 tot 1598, betrekkelijk het hoog-heemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot Petten, bijeengebragt door den dijkgraaf Mr. J.A. Kluppel (Alkmaar [1862]), [G. de Vries Az.], ed., Vervolg op de nalezing tot de Verzameling van stukken van 1388 tot 1598, betrekkelijk het Hoog-Heemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot Petten bijeengebracht door den Dijkgraaf Mr. J.A. Kluppel (Alkmaar 1881), zie archief Hdb inv. Nrs. 842, 843, 846.) De belangstelling voor de geschiedenis van het hoogheemraadschap nam na het verschijnen van de laatstgenoemde uitgave sterk af.( .. Dit wil niet zeggen dat er niets meer verscheen. Dijkgraaf A.F. Kamp wijdde in de oorlogsjaren in twee toespraken aan de algemene vergadering van het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier flink uit over facetten uit de geschiedenis van het hoogheemraadschap, zie zijn `Van Foreest, Conrad en de Hondsbossche', Waterschapsblad van Noordhollands Noorderkwartier 2e afd. nr. 1 (1942) pp. 13-45 en `Mr. Jan Andries Kluppel; Dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot Petten', Waterschapsblad van Noordhollands Noorderkwartier 2e afd. nr. 1 (1943) pp. 9-40. Verder zijn van belang Brouwer (J.A.), `Iets over de bouw der Hondsbossche sluis te Zaandam en de daarbij verkregen vrijdom van schutgeld, De Zaende 4 (1949) pp. 225-248 en Boltje (W.G.), `De Hondsbossche zeewering door de eeuwen heen' en idem, `De Hondsbossche Zeewering onder beheer van "Noordhollands Noorderkwartier"', beide in Land en Water 14 (1970) nr. 2 resp. pp. 28-40 en 52-65.) Pas aan het begin van de jaren tachtig van deze eeuw leefde de interesse weer op. In 1981 kwam J.J. Schilstra ter gelegenheid van het op deltahoogte brengen van de zeewering met een nieuwe studie over het hoogheemraadschap.( .. Schilstra (J.J.), De Hondsbossche (uitgave Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier, 1981).) In het- zelfde jaar werd de Kring van `Vrienden van de Hondsbossche' opgericht. Deze Kring laat met de regelmaat van de klok nieuwe bijdragen over het hoogheemraadschap en de zeewering in al zijn facetten verschijnen.( .. Tussen 1982 en 1995 bracht de kring 12 cahiers uit. De belangrijkste op het gebied van de geschiedenis van het Hoogheemraadschap komen hieronder ter sprake. Naast deze cahiers wil ik nog wijzen op Answaarden (R. van), `De lasten van `het Hondsbossche' in de oude jurisprudentie', Tijdschrift voor waterstaatsgeschiedenis 1 (1992) nr. 1 pp. 59-69; Streefkerk (C.), `Haarlem in de Hondsbossche; de rol van het stadsbestuur van Haarlem in het Hoogheemraadschap van de Hondsbossche en Duinen tot Petten, ca. 1388-1873', in: H. Brokken e.a., red., Hart voor Haarlem; Liber Amicorum voor Jaap Temminck (Haarlem 1996) pp. 101-112; ) Bij de samenstelling van deze inleiding is dankbaar van de zojuist genoemde literatuur gebruik gemaakt. Als algemene leidraad werden de werken van G. de Vries aangehouden. De grafelijkheid en de duinen bij Petten (1422-1555) Dr. Henk Schoorl rekende in een bijdrage in de serie van de Vrienden van de Hondsbossche uit 1983 voor dat tussen het einde van de 13e eeuw en het begin van de 16e eeuw de Noordzeekust met circa 1000 meter afnam. Bij Petten leidde dit tot grote problemen. In 1295-1296 telde deze plaats nog drie buurten en wel van zuid naar noord Petten in Nolmerban, Petten aan het Hondsbos en Petten bij de Zijpe. Het Hondsbos was een restje van een bos langs de duinen ter lengte van 400 meter. Petten en het Hondsbos lagen achter een weliswaar smalle, maar toch nog voldoende sterke duinenrij. In het laatste kwart van de 14e eeuw groeide het strand benoorden Petten in Nolmerban zelfs nog zo snel aan dat het mogelijk was er een dijk over aan te leggen naar Callantsoog. De situatie verslechterde echter snel. Na 1388 werd de dijk naar Callantsoog verlaten. Er bleef slechts een reeks van door de wind verwaaide duinen van over. Tijdens de Sint Elizabethsvloed van 18 op 19 november 1421 sloeg de zee vernietigend toe. De duinen ter hoogte van Petten bij het Hondsbos braken door. De kerk van het buurtje stortte in en 400 mensen kwamen in het water om. Graaf Jan van Beieren greep direct in. De duinen behoorden immers tot het grafelijke domein. Het was daarom aan hem actie te ondernemen. Voor het herstel van de duinen maakte graaf Jan gebruik van de heervaart, oorspronkelijk een oproep voor het verrichten van krijgsdienst. In juni 1422 riep hij de Kennemer dorpen op om de duinenrij te herstellen. De situatie bleef desondanks zorgwekkend en gedurig toezicht was gewenst. Jan van Beieren belastte Willem van Egmond hiermee. Willem kwam in 1430 met het plan achter de zwakke duinenrij een slaperdijk te leggen. Na de nodige onderhandelingen reisden in 1432 Rijnlanders naar Petten om de nieuwe dijk te leggen, die als de Rijndijk bekend werd. De Kennemers namen het kaal maken van het duin voor de dijk op zich zodat deze door het met westenwind aanstuivende zand versterkt zou worden. Reeds omstreeks 1440 waren de buitengedijkte duinen hier en daar alweer zover afgenomen dat de Rijndijk direct van de zee te lijden had. Dit werkte natuurlijk ongunstig op de onderhoudskosten uit. Nadat de graaf in juli 1446 nog eens een grote som ter beschikking had gesteld om de dijk te verbeteren, begon zijn rentmeester vraagtekens bij de grafelijke verplichtingen te stellen. Er waren immers geen duinen en dus ook geen domeinen meer over. Zijn opmerkingen brachten de Raad of het Hof van Holland ertoe op 16 augustus 1446 een hoorzitting te beleggen te Egmond. Naast vertegenwoordigers van de steden Haarlem, Alkmaar en Beverwijk gaven een serie kustdorpen acte de présence. Op zondag 21 augustus vond verder overleg te Den Haag plaats, terwijl enige leden van het Hof van Holland ook nog persoonlijk te Petten een inspectie uitvoerden. De rentmeester wist het tenslotte zover te brengen dat de dijk gesmaldeeld of verhoefslaagd werd. Met de acceptatie van een deel van het onderhoud door een serie dorpen was de eerste stap naar de vorming van een gemeen land van de werken bij Petten gezet. De grafelijkheid behield nog wel een aandeel, maar was nu niet langer alleen verantwoordelijk. De schikking van 1446 was eenmalig. Bij stormschade trof de grafelijkheid iedere keer weer nieuwe maatregelen. Aan het einde van de jaren zeventig van de 15e eeuw kon men met dit ad hoc beleid niet meer verder. Het was de hoofdstad van Kennemerland, Haarlem, die de stoot gaf tot de instelling van een geregeld toezicht. In 1478 verkreeg de stad op haar verzoek een octrooi waarin het herstel van de zeewering bij Petten en de omslag van de kosten over de landen die bij doorbraak gevaar liepen werd bevolen. De burgemeesters van Haarlem kregen de bevoegdheid eventuele onwilligen tot betaling te dwingen. Een dergelijke regeling is natuurlijk zonder een of ander permanent bestuur onuitvoerbaar. In 1499 blijken er inderdaad een dijkgraaf en enige heemraden te zijn. Zij werden op advies van het Hof van Holland door de graaf benoemd. Hetzelfde gold voor de rentmeester, die belast was met de financiën. De rol van het Hof in het beheer van de werken bij Petten was met het aantreden van dijkgraaf en heemraden nog lang niet uitgespeeld. Het was het Hof van Holland dat jaarlijks dijkgraaf en heemraden samen met de prelaat en de graaf van Egmond, de heer van Assendelft en mogelijk ook nog de heer van Brederode en verder vertegenwoordigers van de steden Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik uitnodigde om naar Petten te komen. Samen met commissarissen van het Hof werden dan de werken geïnspecteerd en vastgesteld wat er het komende jaar moest gebeuren. Daarna reisde men via Alkmaar, waar de besprekingen werden afgerond, naar Den Haag om de rekening te horen. De commissarissen deden van de inspectie en beraadslagingen verslag aan het Hof. Dat gaf vervolgens bevel tot uitvoering van de werken en stelde de omslag vast. Voor dijkgraaf en heemraden restte dan de daadwerkelijke regeling van de door het Hof bepaalde werken. Het omslagplichtig gebied was in 1478 niet precies omschreven. Dit wil niet zeggen dat daadwerkelijk heel Noord-Holland moest betalen. De baljuwschappen Waterland en de Zeevang waren vrijgesteld omdat men daar al zoveel dijken te te onderhouden had.( .. De landen onder de heerlijkheid Oosthuizen waren weer wel schuldplichtig, Deze heerlijkheid besloeg een flink deel van de Zeevang.) Verder blijkt er in 1499 een differentiatie te bestaan naar hoogste, middelste en laagste contributie voor het wel aangeslagen gebied. De landen in de hoog- gelegen duinstreek (Duinkavel), vrij van dijkonderhoud, werden met de volle omslag belast. Het land onder West- en Oostzanen, Assendelft, Wormer, Jisp, Graft, Schermer en Oosthuizen (bekend als het kavel Waterland) en in het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen betaalden 25% minder. Voor de landerijen in Drechterland en de Vier Noorderkoggen, belast met het onderhoud van tientallen kilometers moeilijk te houden Zuiderzeedijk, lag de contributie op slechts 50% van die in het Duinkavel. De rentmeester sloeg niet direct de landeigenaren aan. Hij stuurde slechts een aanslag naar de dorps- en stadsbesturen. Die moesten hun quotum verder zelf maar over de schuldplichtige landerijen omslaan. Bleven de plaatselijke regenten in gebreke, dan konden zij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. De dorpsbesturen probeerden natuurlijk op alle mogelijke manieren het morgental land of zetting waarop hun plaats werd aangeslagen te verkleinen.( .. In 1539 werd de zetting nog eens door het Hof van Holland vastgesteld. Deze zetting bleef van kracht tot het reglement van bestuur van 1873.) Problemen rezen er ook met de droogmakerijen. Zij stelden van alles in het werk om buiten het omslagplichtige gebied te blijven. Diverse droogmakerijen slaagden na eindeloze juridische procedures inderdaad in deze opzet. In de jaren na 1506 werden de Hondsbossche lasten flink opgevoerd. Dit vloeide voort uit een besluit van het Hof van juni 1506 om af te stappen van het voortdurende wijken voor de zee. Tot dan toe had men de door de kustafname bedreigde duinreep in stand gehouden door middel van aanvulling aan de landzijde. Het Hof besloot nu echter tot actieve strandverdediging door middel van met steen en rijs gevulde hoofden. Deze hoofden werden door paalwerken met elkaar verbonden. Het aantal hoofden werd in de loop van de eerste helft van de 16e eeuw steeds verder zuidwaarts uitgebreid omdat aan de zuidzijde van de werken steeds ontgrondingen plaatsvonden. De aanvoer van voor de hoofden benodigd hout en steen stelde dijkgraaf en heemraden voor grote problemen. Het bleek noodzakelijk de vaarwegen naar de zeewering ingrijpend te verbeteren. Allereerst nam men in 1531 de Rekere, een oude zeearm van Alkmaar langs de Westfriese dijk naar de Zijpe, onder handen. Het zo ontstane kanaal werd bekend als de Pettemer- of Hondsbossche vaart. Ideaal was de aanvoerweg hiermee nog niet. De schepen met Vilvoordse steen voeren over de grote binnenvaartroute door het Zuiderkwartier van Holland. Bij Sparendam kwamen zij in het IJ. Dan moesten ze helemaal buitenom over de Zuiderzee naar de sluis te Edam om de binnenwateren van Holland benoorden het IJ in te kunnen komen. Om aan deze moeilijkheid een einde te maken riep het Hof in 1533 te Petten het bestuur van de Hondsbossche en gedeputeerden van de dorpen om de Hogedam aan het zuideinde van de Zaan in vergadering bijeen. Doel van de besprekingen was te komen tot de bouw van een nieuwe schutsluis in de genoemde dam. Op deze manier zou het Noorderkwartier een nieuwe toegangspoort vanuit het IJ krijgen, iets waar de Hondsbossche het grootste belang bij had. De voortdurende oorlogstoestand met Gelre maakte dat van de uitvoering van het plan voorlopig niets terecht kwam. Nadat in 1543 voorgoed een einde aan de Gelderse dreiging was gekomen, werd er echter vaart gemaakt. In 1544 verleende Karel V aan "die Ingelanden ende Ingeërffden contribueerende in de onderhoudenisse van de Duijnen van Petten ende Hontsbossche" een octrooi tot het leggen van een nieuwe sluis in de Hogedam. Een aantal dorpen en de stad Alkmaar betaalden mee in ruil voor vrijdom van schutgeld. De sluis kwam in het najaar van 1547 gereed. In de loop van de jaren vijftig van de 16e eeuw maakte zich bij een flink deel van de ingelanden onvrede breed over de gang van zaken op bestuurlijk en financieel terrein. De ontevredenheid nam een dusdanige vorm aan dat er in 1553 een rekest aan Karel V werd gepresenteerd waarin hevig werd geklaagd over allerlei misstanden, ongeregeldheden en onnodige kosten. De misnoegde ingelanden verzochten daarom een verstoeling van de dijk waarbij ieder kavel een eigen dijkdeel in onderhoud kreeg. Er was een uitgewerkt plan voor de verstoeling bijgesloten. De edelen en steden wilden hier evenwel niets van weten. Zij wezen Karel uitgebreid op de risico's verbonden aan een smaldeling. Die kwamen er op neer dat: ",volgende die pretense smaldeelinge een heemraad met een schot- vanger ofte waarsman een sestendeel soude regeren, alleenlijk na sijne goedduncken,soodat consecutivelicken 't geheel land in die toesigt ofte slappigheijt van twee luijden staan soude". Na nadere informaties te hebben ingewonnen, kwam Karel V op 15 mei 1555 met een ordonnantie waarin een compromis tussen de wensen van de ingelanden en de bezwaren van de edelen en steden werd getroffen. De ordonnantie van 1555 bepaalde namelijk: - dat de dijk gesmaldeeld moest worden in zes parken of perken, voor iedere kavel één. Bij de bepaling van de grootte van de parken diende rekening te worden gehouden met de bestaande verschillen tussen de kavels in de omslag. - de instelling van een bestuur van een dijkgraaf en zes heemraden, uit ieder kavel een, over de zeewering. De heemraden werden gekozen door de vorst uit een door de kavels ingediende nominatie. Dijkgraaf en heemraden kregen uitgebreide bevoegdheden. Ieder jaar bepaalden zij met de gedeputeerden van de steden en de waarschappen, de door de kavels met de daadwerkelijke uitvoering van het onderhoud belaste personen, welke reparaties er nodig waren, hoeveel hout en steen men daarvoor benodigde en hoeveel er moest worden omgeslagen om de materialen en arbeidslonen te betalen. - dat de waarschappen gehouden waren de materialen in te kopen en tijdig op het werk te leveren. Op de maandag na beloken pasen (de zondag na pasen) dienden zij dan in bijzijn van dijkgraaf en heemraden de werken aan te besteden. Die hielden ook toezicht op de voortgang. Als er iets mis was, waarschuwden zij de waarschap. Bleek het werk bij de afschouw toch niet in orde, dan volgde herbesteding door dijkgraaf en heemraden ten laste van de waarschap. Bij een eventuele doorbraak diende de dijk op gemeenschappelijke kosten te worden gerepareerd. - dat de plaatselijke schotgaarders in de kavels de invordering van de omslag moesten doen. Zij dienden de ontvangsten in handen te stellen van de waarschappen. Die legden op hun beurt weer rekening en verantwoording af op het stadhuis van Alkmaar aan dijkgraaf, heemraden, gedeputeerden van de steden en door de plaatselijke besturen in de kavels afgevaardigde gecommitteerden. Karel ging dus weliswaar over tot een smaldeling, maar probeerde de daaraan verbonden nadelen door een scherp toezicht zoveel mogelijk te vermijden. Toch zullen de kavels niet ontevreden zijn geweest. Hun invloed op de gang van zaken werd immers sterk vergroot. Zij domineerden het dagelijks bestuur. Verder regelden hun waarschappen de inkoop van de materialen en de uitvoering van de werken. Zeer belangrijk is verder de beëindiging van de bemoeienis van het Hof van Holland. Dit wordt in de ordonnantie van 1555 in het geheel niet meer genoemd.( .. Ook van vertegenwoordiging van de adel en de geestelijkheid is geen sprake meer. Desondanks stelden de graaf en prelaat van Egmond in 1561 pogingen in het werk om tot de vergadering van hoofdingelanden te worden toegelaten. Die liepen echter op niets uit.) Dijkgraaf, heemraden, waarschappen en de gecommitteerden van de steden en kavels regelden het beheer van de zeewering voortaan zonder inmenging van hogerhand. Bestuurlijke ontwikkelingen tussen 1555 en 1795 De tenuitvoerlegging van de ordonnantie van 1555 is ondanks de naspeuringen van De Vries nog steeds een vrij duistere zaak. De verstoeling heeft in ieder geval plaats gehad en ook staat vast dat de waarschappen het beheer over hun park hebben aanvaard. De regelingen van 1555 bleken echter al snel niet goed te voldoen. Er rezen bijvoorbeeld moeilijkheden met de leveranciers van de materialen die hun geld van verschillende personen moesten zien te krijgen. In 1558 werd daarom de ontvangst en betaling van steen, rijs, hout etcetera aan de in Alkmaar woonachtige waarschap Claes Adriaensz. Opgedragen. Deze verzocht in 1566 of 1567 aan Filips II om ontslag. Dijkgraaf, heemraden en waarschappen hadden het overigens niet altijd even gemakkelijk in deze tijd. In 1569 dienden zij een verzoek in bij Filips II om in zijn speciale bescherming te worden genomen. De reden hiervoor was dat ondermeer "aerbeyders vanden wercken vande Hontsbosche" zich niet ontzagen hen "te dreygen, hinderen ende grieff te doene, met woerde, opstekers ende blooten messen…". Dijkgraaf Sebastiaen Craenhals was onlangs nog door twee personen zodanig beschimpt en bedreigd met een "mes ofte opsteker" dat hij zijn toevlucht in het gemenelandshuis had moeten nemen. Zelfs daar was hij niet veilig want een van de twee had "hem niet ontsyen, een mes inde handt opde doere te stoeten omme daer inne te geraken". Filips verleende op 21 oktober 1569 de gevraagde sauvegarde In 1581 blijkt voorts van een centrale inkoop van de materialen sprake te zijn. In dat jaar werd er namelijk een huishoudelijk reglement vastgesteld dat bepaalde: "dat alle de materialen van hout, rijs, steen en anders sullen gecoft wordden bij eenen heemraet, en twee waersluijden die elcke jaers bijden hooftingelanden daer toe sullen gedeputeert wordden". In een situatie waarbij de inkoop van de materialen centraal werd geregeld kan gemeenschappelijk onderhoud van de zeewering natuurlijk niet ver weg zijn geweest. Tegen 1630 blijken de waarschappen weliswaar nog ieder apart een rekening in te dienen van inkomsten uit de omslag en uitgaven aan arbeidslonen, materialen, helmbeplanting, verteringen etcetera, maar daarna volgde een verrekening tussen de kavels. Degene die teveel had betaald ontving dit terug van kavels die te weinig hadden bijgedragen. In 1649 zien we verder dat de hoofdingelanden als vanouds de hoogte van de omslag met onderscheid naar een hoogste, middelste en laagste contributie bepalen. Kortom, de dijk was weer gemeen. In het reglement van 1581 is ook nog sprake van een rentmeester, een functionaris waarvoor in de ordonnantie van Karel V in het geheel geen plaats was ingeruimd. Aan deze functionaris werd de betaling van de materialen en de vacatiegelden opgedragen. Twee weken voordat hij rekening moest doen, diende hij alle bescheiden bij de burgemeesters van Alkmaar in te leveren. Die voerden dan een controle uit aan de hand van de door de kastelein van het gemenelandshuis aan de zeewering bijgehouden registers. De rentmeester groeide allengs uit tot de financiële spil van de organisatie. In 1671 is er al sprake van dat hij samen met de kastelein de rekeningen van de waarschappen samen moest nemen op één blad ter bevordering van de overzichtelijkheid. Tegen 1765 blijkt de rol van de waarschappen zo goed als uitgespeeld. Zij waren nog slechts belast met de invordering van de omslag van de lokale schotgaarders en stortten die dan weer in de kas van de rentmeester. Die verantwoordde alle inkomsten en uitgaven in zijn rekening. Bij de rekening dienden volgens de ordonnantie van 1555 gecommitteerden van de kavels aanwezig te zijn. Zij werden al spoedig als integraal onderdeel van het bestuur beschouwd. Zo ontstond een college van vierentwintig hoofdingelanden, twee uit iedere stad en twee uit ieder kavel. Hierbij moet evenwel niet uit het oog worden verloren dat de steden en de kavels de eigenlijke hoofdingelanden waren. Zij lieten zich ieder door twee personen vertegenwoordigen. Zodra de afgevaardigden rapport hadden gedaan hield hun commissie in het bestuur van de Hondsbossche op. Het opstellen van voordrachten voor de benoeming van heemraden was zoals gezegd in handen van de kavels. In de vier Westfriese kavels regelden de besturen van de Westfriese ambachten de voordracht. Deze kavels vielen namelijk samen met het Geestmerambacht, de Schager- en Niedorperkoggen, de Vier Noorderkoggen en Drechterland, die ieder verantwoordelijk waren voor het onderhoud van een deel van de Westfriese Omringdijk. In het Duinkavel en de Waterlandse dorpen kon niet van bestaande structuren gebruik gemaakt worden. Daar regelden de dorpen onderling welke plaats de voordracht voor de heemraad mocht opstellen. De benoeming van hoofdingelanden en de waarsman was ook een punt waarover onderling overleg noodzakelijk was. In het Duinkavel hield een secretaris, meestal tevens de secretaris van het heemraadschap, goed aantekening van de besluiten omtrent de roosters van de toerbeurten, de voordrachten, de lastgeving aan de afgevaardigden naar de vergaderingen etcetera. Zo ontstond een eigen archiefje. In de tweede helft van de 17e eeuw werd het beheer van de zeewering in een vaste routine afgehandeld volgens de in 1555 door Karel V vastgelegde data. Rond letare (de vierde vastenzondag aan het einde van maart) vond de grote vergadering van hoofdingelanden plaats. De dijkgraaf presenteerde dan een eis of petitie van de werken die naar zijn mening uitgevoerd dienden te worden. Verder besloot men over de ingekomen verzoekschriften en werd de zeewering bezichtigd. De volgende dag reisde het gezelschap af naar het stadhuis van Alkmaar ter controle van de rekeningen van de waarschappen en de rentmeester. Verder werden er bij toerbeurt gedeputeerden aangewezen voor de aanbesteding van de werken van beloken pasen (de zondag na pasen), iets wat steeds aan het einde van april werd afgehandeld. Tenslotte volgde nog de afschouw van de werken van jacobi (25 juli) aan het einde van juli of begin augustus. Het dagelijks beheer was een zaak van dijkgraaf en heemraden. Deze traden ook als dijkgerecht op als een aannemer zijn zaakjes niet op orde had. Dijkgraaf en heemraden konden de nalatige dan voor hen dagen en eventueel overgaan tot herbesteding op dubbel gewin naar dijkrecht op kosten van de nalatige aannemer. Bij diefstal van materialen of gekrakeel in het gemenelandshuis traden dijkgraaf en heemraden eveneens als rechters op. Deze bevoegdheden werden scherp bewaakt. In 1639 brak er bijvoorbeeld een geschil uit tussen het bestuur van de Hondsbossche en de dijkgraaf van de Zijpe nadat deze het had bestaan zich te bemoeien met ongeregeldheden in het gemenelandshuis. De vergaderingen en schouwen waren een kostbare zaak. Het was namelijk gewoonte geworden vrouw en kinderen en vrienden mee te nemen naar de zeewering. De Amsterdamse regent Hans Bontemantel, die in 1653 aan de afschouw van jacobi deelnam, verhaalt bijvoorbeeld dat er wel zestig personen aan het schouwmaal aanzaten. In 1654 probeerde men hier door middel van een nieuw huishoudelijk reglement paal en perk aan te stellen. Dit reglement bepaalde nadrukkelijk: "datter van nu voortaen geen hoofdingelanden ofte regenten eenige pleijsieren ofte uijt reijden, sal mogen doen anders als op haer luij- den eijgen costen, ende ooc geen geselschap medebrengen".(Een hoogtepunt tijdens de maaltijd was het ledigen van de hengst- of hensbeker door nieuwe bestuursleden. De beker van de Hondsbossche stond bekend als de Albrecht naar hertog Albrecht van Beieren. De fraai gegraveerde achtkantige zilveren beker kon een hele kan wijn bevatten. Verder was er rond de vergaderingen gelegenheid tot jagen. Het complete bestuur genoot namelijk het recht van vrije jacht in de duinen tot Velsen toe.) Meteen maakte men een einde aan het doen van de rekening in het stadhuis van Alkmaar met bijbehorende extra onkosten. Aangezien er nauwelijks twintig jaar later, in 1671, een nieuw huishoudelijk reglement werd vastgesteld, heeft het reglement van 1654 zeker niet aan de verwachtingen beantwoord. In 1717 werd er nogmaals een huishoudelijk reglement vastgesteld. Doel was wederom een einde te maken aan "die excessive verteringen, de extraordinaires depances, en andere ongeregeltheden ter occasie van de bijeenkomsten dagelijks gepleegt wordende". Naar alle waarschijnlijkheid om zich te onderscheiden van de vele kleine heemraadschapjes in Noord-Holland begonnen de heemraden zich aan het einde van de 17e eeuw hoogheemraden te noemen. Zij maten zich in hun resoluties genomen op 5 november 1693 voor het eerst de nieuwe titel aan. Stadhouder Willem III erkende een en ander stilzwijgend in een in december 1695 te Kensington genomen besluit. Hierin sprak ook hij van een "hooghheemraadt van den Hondsbossche ende Duijnen tot Petten". De grootmogende heren van de Staten van Holland bleken minder plooibaar. Zij bleven gewoon van heemraden spreken. De Staten protesteerden echter niet tegen het gebruik van de benaming van hoogheemraad en hoogheemraadschap. De zeewering en overige werken tijdens de Republiek In de jaren vijftig van de 16e eeuw bleken de na 1506 aangelegde strandhoofden niet meer te handhaven. De nadruk kwam steeds meer op de krebbingen te liggen. Zo ontstond, om de woorden van P.C. Hooft te citeren, "een bolwerk van eyke paalen, met metale blooken gehayt, met yzer geankert, met zwaare keysteenen belast" Voor het onderhoud van het genoemde ijzerwerk zorgde de eigen smid van het heemraadschap. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 brak het zuidelijk gedeelte van de zeewering op drie plaatsen door. Gelukkig hield de Slaperdijk het. Na deze ramp bleek terugtrekken voor de zee onvermijdelijk. Men poogde te redden wat er te redden viel door een korte inlaagdijk te leggen naar een gespaarde pluk duinen. Deze inlaag bleek echter niet te houden. Men moest nog verder terug. De in 1577 voltooide nieuwe inlaag, de Nieuwe Slaper of Dromer, lag zo'n 250 meter achter de in 1570 verlaten stelling. Aan het begin van de 17e eeuw lag deze dijk echter ook al weer direct aan zee. Hij was tot duin verstoven en werd aan de voet beschermd door uitgebreide paalwerken. Aan het einde van de jaren dertig van de 17e eeuw blijken de paalwerken in staat van ontbinding te verkeren. Uiteindelijk keerde men terug naar een flexibele kustverdediging zoals die voor het leggen van de eerste hoofden in zwang was. De zeewering kreeg het aanzien van een wal van zand, die men door verstuiving van het strand gecombineerd met het planten van helm en stroschuttingen zoveel mogelijk probeerde te versterken. Bleek het strand in het voorjaar te veel afgenomen en de zeewering door stormen beschadigd, dan werd deze door aanvulling aan de achterzijde teruggenomen. Naast de eigen zeewering bemoeide het heemraadschap zich al in de 16e eeuw met de duinen aan de noordzijde voor het dorp Petten. De dorpelingen zelf waren niet of nauwelijks in staat deze duinen in goede staat te houden. In 1560 sloeg de zee een gat in het Pettemer duin. De regenten besloten daarop het dorp een aantal eiken palen te geven, echter "sonder dat men will hebben dat het hontsbosch den naem heeft, vant selve gadt dicht te maicken". In de tweede helft van de 17e eeuw schoten de Gecommitteerde Raden Petten voortdurend financieel te hulp om de duinen voor het dorp in stand te houden. De kustafname ging echter onverminderd door. In 1697 berichtten de regenten van de Hondsbossche aan de Staten van Holland dat het strand te Petten veel te smal was. De duinen moesten door middel van verstuiving naar binnen worden teruggenomen. In 1701 waarschuwden hoofdingelanden, dijkgraaf en hoogheemraden opnieuw. De zeereep voor het dorp was niet meer dan dertig voet (ca. 10 meter) breed. Er was kans dat hij bij de eerste de beste vloed doorbrak. Het water zou de Hondsbossche Zeewering dan van achter bespringen. De Gecommitteerde Raden stelden na deze klachten opnieuw fondsen voor het herstel van de duinen ter beschikking. De kastelein en de rentmeester van het Hoogheemraadschap betaalden de aannemers. Naderhand volgde er een verrekening. De bemoeienissen met het aan het zuideinde van de zeewering grenzende Kamperduin gingen veel verder. Op 24 juli 1657 besloten de Staten tot aanleg van een inlaag achter het sterk afgenomen Kamperduin ter lengte van 125 roeden (ca. 450 m). Deze dijk moest door het aanplanten van helm in combinatie met verstuiving van het voorliggende duin en strand worden versterkt. De Staten droegen de uitvoering van het werk op aan dijkgraaf en heemraden van de Hondsbossche. De kosten dienden zij over het aan de zeewering schuldplichtig gebied om te slaan. Het verdere onderhoud kwam ten laste van Schoorl en Kamp. In de kavels wilde men niet van leggen van de dijk door de Hondsbossche met bijbehorende lastenverzwaring weten. Als gevolg van de protesten gebeurde er niets. In 1659 lieten de Gecommitteerde Raden de meest noodzakelijke werken uitvoeren. Toch ontsnapte de Hondsbossche niet aan het onderhoud van het Kamperduin. In het voorjaar van 1682 riepen de Gecommitteerde Raden dijkgraaf en heemraden op voor een bespreking. De Raden probeerden het Kamperduin bij de Hondsbossche onder te brengen. De hoofdingelanden van Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen waren het met het voornemen van de Gecommitteerde Raden eens omdat het "…Camper duijn van soo grooten ongelegentheit was, dat het gantsche [Noorder]Quartier, ja het geheele Landt daar door peryckel quam te loopen". In augustus 1862 brachten de Staten het Kamperduin inderdaad onder de Hondsbossche. De kavels liepen opnieuw te hoop, maar legden zich uiteindelijk bij de extra lasten neer. Naast de zeewering, de duinen voor Petten en het Kamperduin vroeg ook de Hondsbossche sluis te Zaandam voortdurend om aandacht. Na de openstelling in 1547 ontwikkelde de sluis zich tot de belangrijkste toegangspoort voor het scheepvaartverkeer op het Noorderkwartier. Dit stelde niet alleen hoge eisen aan het onderhoud, maar ook gedurig toezicht op de gang van zaken rond het schutten. Tegenover deze inspanningen stonden de niet geringe opbrengsten van de verpachting van de sluis met bijbehorende visserij. Om alles goed te kunnen regelen bezat het heemraadschap een gemenelandshuis op de Hogedam. Nieuwe ingrepen in het bestuur en opheffing Tijdens het bewind van dijkgraaf Van Foreest werd ook de hiervoor al even aangestipte herziening van het reglement doorgevoerd. Voor de diepere achtergronden van deze reglementswijziging moeten we terug naar de grondwet van 1848. Hoofdpunten van deze grondwet waren ondermeer de volledige ministeriële verantwoordelijkheid, onschendbaarheid van de Koning, vergroting van de bevoegdheden van de Tweede Kamer en expliciete erkenning van de vrijheid van vereniging en vergadering. De democratische geest van de grondwet stond op gespannen voet met de bestuursinrichting van niet alleen het Hoogheemraadschap van de Hondsbossche, maar ook van vele andere waterschappen. Daar zag men vaak nog structuren die rechtstreeks uit de middeleeuwen stamden. Bij de Hondsbossche kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de vertegenwoordiging van de steden. Directe aanleiding voor Gedeputeerde Staten om in 1866 te beginnen aan een nieuw reglement voor de Hondsbossche waren de moeilijkheden met de inning van de omslag te Oosthuizen. Daarnaast speelde mee "...dat de zamenstelling van het bestuur van den Hondsbossche niet geschiedde naar de regelen in den laatsten tijd voor de zamenstelling van waterschapsbesturen algemeen aangenomen". De opstelling van een nieuw reglement bleek een moeizame zaak. Vooral de regeling van de omslag en invordering van de lasten vormde een struikelblok. Gedeputeerde Staten besloten tenslotte de verdeling van de lasten over de schulplichtige landerijen zoveel mogelijk op oude voet te laten. Zo werd vermeden dat deze of gene meer zou moeten gaan betalen dan voorheen. Het nieuwe reglement werd op 8 november 1872 door Provinciale Staten vastgesteld en op 12 maart 1873 in het Provinciaal Blad afgekondigd. Het reglement bepaalde de instelling van een bestuur bestaande uit een dijkgraaf, 8 hoogheemraden en 18 hoofdingelanden. Van de hoogheemraden moesten er twee worden benoemd uit het Duinkavel, twee uit het kavel Waterland en één uit de overige vier kavels. De benoeming van de dijkgraaf en de hoogheemraden geschiedde door de Koning uit door het bestuur voorgedragen drietallen. De hoofdingelanden werden in het Duinkavel en het kavel Waterland direct door de stemgerechtigde ingelanden gekozen. Deze kavels kregen respectievelijk vier en drie hoofdingelanden. De verkiezingen werden door dijkgraaf en hoogheemraden geregeld. Dit betekende het einde van de vergaderingen van vertegenwoordigers van de dorpen in het Duinkavel. De dorpen waren overigens nog op 22 april 1870 bij elkaar gekomen ter verkiezing van een nieuwe hoofdingeland.( .. De dorpen waren nog op 22 april 1870 samen gekomen om een nieuwe hoofdingeland aan te wijzen) Het kavel Drechterland kreeg evenals Waterland drie hoofdingelanden, maar daar was het de vergadering van hoofdingelanden van het ambacht die de keuze maakte. In de overige drie Westfriese ambachten gold dezelfde regeling, behalve dan dat zij ieder maar twee hoofdingelanden in het bestuur van de Hondsbossche kregen. De steden verdwenen nu dus eindelijk uit zowel het dagelijks als het algemeen bestuur. De ambtstermijn van de dijkgraaf en hoofdingelanden bedroeg zes jaar. De hoogheemraden bleven vier jaar in functie. Zoals gezegd werd inzake de verdeling van de lasten alles zoveel mogelijk op de oude voet gelaten. Het kwam er op neer dat men de bestaande situatie bevroor. Het reglement bepaalde exact welk percentage ieder kavel in de lasten had op te brengen. Vervolgens werd tot drie decimalen achter de komma vastgelegd hoeveel iedere gemeente, polder, banne of polderdistrict weer in het aandeel van het kavel waarvan het deel uitmaakte moest betalen. In het Duinkavel, waar vanwege de hoge ligging waterschappen ontbraken, en in de gemeente Oosthuizen kwam de inning direct aan het hoogheemraadschap. De problemen met Velsen en Oosthuizen werden door artikel 7 van de slotbepalingen van het nieuwe reglement opgelost. Het bewuste artikel verplichtte b. en w. van beide gemeenten een lijst van de achterstalligen te overleggen zodat het hoogheemraadschap deze zelf kon aanpakken. Zodra hieraan was voldaan hield hun aansprakelijkheid op. Nadat de aanloopproblemen met het nieuwe reglement achter de rug waren en de reconstructie van de zeewering in 1877 was afgerond, kwam het hoogheemraadschap in rustiger vaarwater. Hieraan werkte in belangrijke mate mee dat de zeewering nu eindelijk in staat bleek de zwaarste stormen te kunnen doorstaan. In 1884 deed het hoogheemraadschap verder de Hondsbossche schutsluis te Zaandam over aan het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. Aanleiding hiervoor was een verzoek van de gemeente Zaandam om de sluis te mogen kopen in verband met plannen om een nieuwe, grotere schutsluis ter plaatse te bouwen. Het bestuur vond echter dat de sluis beter aan "Uitwaterende Sluizen", belast met het beheer van de Schermerboezem, kon worden verkocht. Dit hoogheemraadschap bleek inderdaad genegen de sluis over te nemen. De betrekkelijk kalme gang van zaken werd pas aan het begin van de 20e eeuw verstoord. In de nacht van 28 op 29 april 1904 ging het gemenelandshuis in vlammen op. Voor dijkgraaf Pieter van Foreest vormde dit aanleiding een buitengewone vergadering van de hoofdingelanden bijeen te roepen. Die besloten tot bouw van een nieuw gemenelandshuis. Het imposante gebouw, kosten exclusief inrichting f21.165,-, werd in het voorjaar van 1905 in gebruik genomen. (Het gemenelandshuis werd tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met het dorp Petten op last van de bezetter in verband met de aanleg van de "Atlantikwall" gesloopt.) In de Eerste Wereldoorlog kreeg het hoogheemraadschap te maken met ernstige arbeidsonrust. Reeds in de herfst van 1914 verzochten de in de Centrale Bond van Bouwvakarbeiders georganiseerde dijkwerkers en steenzetters uit Petten om een loonsverhoging in verband met de gestegen prijzen. Hier bleek het bestuur nog toe bereid. In het voorjaar van 1915 volgde echter een nieuwe looneis. Ook wensten de arbeiders verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Dit ging dijkgraaf en hoogheemraden te ver. De gebruikelijke ontslagronde aan het einde van het zomerseizoen deed de spanningen nog verder oplopen. Op 3 januari 1916 brak er een staking uit. Het bestuur bleef het been stijf houden. Het besloot de werken aan te besteden en probeerde ook wel elders arbeiders te werven. Vooral dit laatste viel in Petten geheel verkeerd. Er moest in 1918 zelfs politie aan te pas komen om een 24-tal werklustige Sliedrechters te beschermen. Pas aan het einde van de oorlog namen de spanningen af, ondermeer omdat het bestuur eindelijk de Bond als vertegenwoordiger van de arbeiders erkende en bereid bleek collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten. Vlak na het uitbreken van de stakingen in januari 1916 werd de zeewering ook nog door een geweldige storm getroffen. Dijkgraaf Pieter van Foreest rapporteerde naderhand aan de algemene vergadering dat: "...de golfoploop zoo hoog [werd] opgestuwd, dat deze overal op de zee- wering de dijkskruin bereikte en zelfs in de nabijheid van den Haze- dwarsdijk een watermassa over den dijk deed vloeien, die medegevoerde rijsbossen aan de binnenteen van de dijk bijeen deed drijven...". De dijk met de steenglooiing hield zich evenwel uitstekend en liep geen schade op. Met de hoofden lag het anders. Zij waren in de herfst van 1915 al beschadigd geraakt en door aanhoudend slecht weer was er geen gelegenheid tot herstel geweest. De januaristorm van 1916 kon daarom hier verwoestend toeslaan. Van Foreest rapporteerde dat de hoofden in een "...zeer ontredderden toestand kwamen te verkeeren en wel het meest het hoofd G, dat bijna geheel...vernield werd...". De schade aan de hoofden was echter niets vergeleken met de ellende elders. De Zuiderzeedijken braken namelijk op diverse plaatsen door en het zuidoostelijk deel van Noord-Holland liep onder. Deze overstroming vormde voor het Provinciaal Bestuur aanleiding het complete dijkbeheer kritisch onder de loep te nemen. Binnenskamers werd een plan ontwikkeld om het beheer van de Noordhollandse zeedijken en de belangrijkste binnendijken in één hand samen te ballen. De Hondsbossche Zeewering was nadrukkelijk in dit plan begrepen. Bij het bestuur van het hoogheemraadschap viel het plan van de provincie totaal verkeerd. Men besloot krachtig te protesteren en Provinciale Staten op te roepen het ontwerp-besluit tot opheffing van het hoogheemraadschap niet aan te nemen. Dit leidde echter tot niets. Vervolgens werd er een adres bij de Koningin ingediend. Het resultaat was opnieuw negatief. Gedeputeerde Staten stelden de opheffingsdatum uiteindelijk vast op 20 december 1921. Op die dag ging het hoogheemraadschap op in het nieuwe Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier. Dijkgraaf en hoogheemraden kwamen daarna in januari 1922 nog eenmaal in vergadering bijeen om enkele lopende zaken af te handelen.
Burgemeester en raad Ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1805) had Bathmen al een kleine twee eeuwen van gemeenschappelijke bestuurshoofden met Holten achter de rug. Ook de benoeming van J. Pakkert in 1804 tot 'verwalter schout' (waarnemer) betrof beide schoutambten. In de volgende dertig jaar wijzigde de centrale overheid, - waaronder dat van Frankrijk van maart 1811 t/m nov. 1813-, Pakkert's titel en bestuursgebied (Bathmen met of zonder Holten) tenminste vijfmaal en werden vanaf 1813 de aanduidingen schout en burgemeester door elkaar gebruikt. Bij besluit van 24 april 1834 no. 129 verleende Zijne Majesteit hem eervol ontslag als burgemeester van Holten. In hetzelfde besluit werd hij benoemd tot secretaris van de raad van Bathmen. Staande de raadsvergadering legde hij op 3 mei 1834 de eed af (Reglement op het bestuur ten plattelande, 1816/1825. Art. 107). Materieel gezien was de dubbelfunctie van burgemeester en secretaris de voortzetting van die van de bestuurstaken van de schout. Ook de gemeentewet van 1851 liet gemeenten tot 5000 zielen de vrijheid voor de dubbelfunctie te kiezen. Tot de combinatie behoorde tot 1885 bovendien de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand. Zo ook bestond deze bestuursfiguur in Bathmen, al werd hier in 1882, 1905 en 1916-1918 van afgeweken. De financiële voordelen van de combinatie staken schril af tegen de nadelen (machtsophoping). Hoewel de eerste burgemeesters als geboren en getogen Bathmenaren de mentaliteit van de ingezetenen kenden kwamen zij niettemin enige malen onder vuur te liggen en probeerden zij in de notulen buiten beeld te blijven. Bij deze gelegenheden (1821, 1858, 1862, 1864, 1888), konden zij er niet onderuit de incidenten te vermelden omdat de raad niet schroomde om herschrijving van de notulen te vragen. Vanaf 1882 brachten burgemeesters van buiten de gemeente enige verandering. De toon van de vergaderingen werd zakelijker, de notulen schraler. Ondertussen bleef de informering van de raad mager en meer dan eens kregen de raadsleden slechts een deel van de correspondentie te zien. Zo kon het gebeuren dat tijdens een vergadering in 1921 (stroomlevering) de burgemeester (Hemminga) eerst brieven voorlas nadat de raad hier uitdrukkelijk om had gevraagd. Na de benoeming in 1916 van een jonge secretaris en dito burgemeester, met kwaliteiten, deden GS een poging beiden voor Bathmen te behouden. Een aanbeveling van GS aan de raad in november 1918 om de wedde van burgemeester, secretaris en ontvanger met resp. 25%, 33% en 25% te verhogen, werd door de raad weggestemd, waarna de burgemeester ontslag nam. In maart 1919 vertrok ook secretaris De Boer. Hierop ging de functie van secretaris als voorheen naar de burgemeester.In de 18e en begin 19e eeuw vertegenwoordigden de raadsleden geen politieke partij. Verkiezing van raadsleden uit politieke groeperingen waren er voor het eerst in 1923. Er werden toen drie lijsten ingediend onder de namen van de respectieve lijsttrekkers. In het archief wordt noch over de politieke kleur noch over verkiezingsprogramma's gerept. Kennelijk dachten alle groeperingen min of meer gelijk over het algemeen belang en lieten de notulen a-politieke raadsvergaderingen zien. Dit bleef ook zo bij de verkiezingen van 1927 en 1931. Bij de verkiezingen van 1935 bleek lijst Vos gelieerd aan de SDAP wat ook uitwerking had op de discussies in de vergaderingen. Nog duidelijker werd dit bij de behandeling van de begroting voor 1937 toen de partij Gemeentebelang de SDAP betichtte van stemmingmakerij en belastende voorwaarden rond SDAP-steun voor een eventuele wethouderszetel voor Gemeentebelang. Als derde was er de lijst Blankena. Secretarie Het grootste deel van de 19e eeuw kende Bathmen geen gemeentehuis. De ontvanger en af en toe de burgemeester trof men al in 1814 aan in de gemeentekamer in het huis van J. van Ark. Het was mogelijk het zelfde pand dat vanaf de jaren twintig de tapperij en gemeentekamer van Hendrikus Lubbers en zijn zoon Jan herbergde (Klaverblad, tot 1882). In 1882 na beëindiging van de huur van de kamer in het Klaverblad week men uit naar de Beekhof, de door burgemeesters Wentholt en Vitringa tussen 1882 en 1888 gehuurde privéwoning. Ook voor raadsvergaderingen werd de gemeentekamer gebruikt. Een groot deel van zijn werkzaamheden deed de burgemeester thuis. Na aankoop en verbouw van het Westerhuis in 1888 kregen secretarie en vergaderruimte een plaats in het nieuwe gemeentehuis annex ambtswoning. In 1935 werd de secretarie bemand door de gemeenteontvanger, twee ambtenaren ter secretarie, een volontair en de gemeenteopzichter. Financiën Ten aanzien van de financiën voerde de raad een strak, zuinig beleid. Onderliggende redenen waren de geringe financiële draagkracht van de bevolking en de ongeschreven wet van een batig saldo op de winst - en verliesrekening. Elk B&W-college moest met deze beperking besturen. Een subsidie onder Pakkert jr. in 1881 van fl 6000 voor de aanleg van de spoorlijn Apeldoorn-Almelo was strijdig met genoemd gebod. Vreemd was het dan ook allerminst dat bij zijn installatie in 1905 burgemeester Bontekoe de boodschap meekreeg bovenal zuinig te zijn. Een batig saldo op de winst- en verliesrekening betekende zuinig zijn met het aangaan van leningen en alle mogelijkheden voor opcenten te benutten. Opcenten bestonden uit een toeslag op de aanslagen van rijksbelastingen, uit te keren aan de gemeente (de gemeente 'lift' mee met rijksbelastingen). Zo waren er opcenten op gedistilleerd, op de rijksgrondbelasting, op de rijkspersonele belasting, op opcenten op wijn (1828), op de belasting op ingevoerd vlees (1828). Andere inkomsten bestonden onder meer uit leges en schoolgeld. De begroting werd sluitend gemaakt door het tekort over de ingezetenen om te slaan (hoofdelijke of personele omslag). Midden 19e eeuw zag de burgemeester in het heffen van hondenbelasting een mogelijkheid het begrotingstekort verder te verminderen. Aldus notuleerde hij bij het wijzigen van de begroting voor 1 854 'Eindelijk werd door den voorzitter aan den raad voorgesteld of het ook als belangrijk zoude kunnen worden beschouwd de invoering eener belasting op de honden, eensdeels tot stijving der gemeente kas en anderdeels om daardoor het grootte getal der honden zelfs bij zeer veele minvermogende ingezetenen, te doen verminderen'. De raad wilde hier echter niet aan en wist de hondenbelasting tot 1888 tegen te houden. Als illustratie volgt het aandeel van de hoofdelijke omslag in de ontvangsten van de begroting van 1882 (bevolking 1403 zielen). Vaste rijksbijdragen fl. 7.264,90 Opcenten op rijksbelastingen - 911,00 Schoolgeld, accijns, begraafrecht - 459,00 Ontvangst vroegere dienstjaren - 644,00 Interest, tol, pacht, houtverkoop - 390,00 Subsidies provincie en rijk - 143,00 Hoofdelijke omslag - 2.600,00 Totaal fl. 7.264,90 De post van fl. 2600 werd omgeslagen over 217 belastingplichtigen als volgt: - hoogste aanslag fl. 125 - laagste aanslag fl. 0,50 - aantal aanslagen beneden fl. 25,00 179 (voor een totaal van fl. 1012,80) - percentage huishoudens aangeslagen onder fl. 25,00 80% - percentage belastingopbrengst van bovenstaande 80%: 39% van fl. 2600,00 = fl. l .012,80. Genoemde fl. 25 was de minimale belastingaanslag om voor de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht in aanmerking te komen. De Financiële Verhoudingswet van 15 juli 1929 S388 veranderde de grondslagen van de gemeentefinanciering ingrijpend. Het nieuwe complexe stelsel met koppeling van verschillende rijks- en gemeentelijke belastingen alsmede de instelling van de Gemeentefondsbelasting (rijksinkomstenbelasting particulieren), - met de mogelijkheid om met keuzevariabelen de gunstigste verhouding tussen rijksuitkering en gemeentelijk belastingregiem te berekenen -, betekende voor Bathmen vanaf 1930 netto een bescheiden verbetering van de financiën. De blijvende begrotingsproblemen maakten echter de heffing van opcenten noodzakelijk (1938). Onderwijs Van de gemeentelijke taken was onderwijs er een waaraan veel aandacht werd besteed. Kwamen de kosten aanvankelijk geheel voor rekening van de gemeente, sedert de wet van 1878 S127 subsidieerde het rijk de onderwijskosten voor 30 %. Niettegenstaande de subsidie bleef de gemeente schoolgeld heffen, zij het dat voor kinderen van minvermogenden het onderwijs gratis was. Er kwam een school in 1818, vergroot in 1855. In 1885 werd een nieuwe school betrokken. Het personeel van de driemansschool kreeg in 1883 versterking van een onderwijzeres met de akte nuttige handwerken. Zeer divers waren de educatieve en culturele initiatieven die van de school vanaf ca. 1860 gebruik maakten. Zo gaf in de jaren zestig onderwijzer Moll voor een groot aantal geïnteresseerde kinderen les in bijbelse geschiedenis en zang. De raad bevorderde de cultuur door vanaf 1878 'Bathmens Vriendenkring' (toneel, later ook zang) 's avonds het gebruik van een schoollokaal toe te staan. Met tussenkomst van de burgemeester gaven vanaf 1890 in de school landbouwdeskundigen (Wageningen) lezingen voor de Bathmensche Landbouwvereniging. De tweede lagere school ging in 1912 in Loo open (tweemansschool). In hetzelfde jaar volgde er een contract met Deventer inzake de toegang van Bathmense leerlingen tot opleidingsscholen, die toegang tot HBS en MMS gaven. Voorts werd de dorpsschool vanaf 1912 's avonds ook gebruikt voor wintercursussen door een onderwijzer met landbouwaantekening. Tenslotte waren er in de jaren twintig cursussen aanvullend avondonderwijs voor volwassenen met de vakken "regels van den weg" en " beginselen boekhouden". Met extra rijksbijdragen werden in 1921 vergrotingen van de scholen gerealiseerd in het dorp en Loo, waarna in 1932 de bouw van een lokaal voor lichamelijke oefening in het dorp volgde. Armenzorg Armenzorg was een wettelijke taak van de gemeente. Toch hoefde de raad zich weinig met armoede in te laten. De door GS in 1830 aanbevolen instelling van een algemene armenraad wees de raad als overbodig af, omdat de diaconie de verzoeken om steun opving. Het gemeenteverslag van 1851 maakte melding van huisvesting van vele inwoners in hutten en kleine huisjes. En verder: "In de gemeente Bathmen bevinden zich een aanmerkelijk getal behoeftigen. Gedurende den zomer hebben die welke willen werken nogal meesten tijd werk, maar in den winter wegens gemis aan vermogende ingezetenen veelal niet, en moeten dan van den onderstand leven, waartoe geen anderen gelegenheid is, dan van de eene in den gemeente bestaande Hervormde Diaconie, (en) wier inkomsten na aftrek der menigvuldigen uitgaven voor kostgeld en kamerhuur niet voldoende zijn om behoorlijk in de behoeften te kunnen voorzien, en alzo veelen der bedoelde huisgezinnen armoedig moeten leven." Enige malen verwees de diaconie chronisch zieken door, daar de kosten van levensonderhoud van deze categorie voor rekening van de gemeente kwamen. Dat de gemeente de jaartoelage van de vroedvrouw, het vervoer van gestrande, zieke reizigers en een toelage voor de plaatselijke artsen belast met de armenpraktijk betaalde was derhalve allerminst een luxe. Bij afwezigheid van zwervers, daklozen en buitenkerkelijken leidde de invoering van de Armenwet in 1854 in Bathmen niet tot toename van het aantal steunaanvragen bij de gemeente. Wie steun nodig had klopte als voorheen bij de diaconie aan. Katholieke ingezetenen konden terecht bij het armbestuur van hun parochie in Schalkhaar, later bij dat van Lettele. Ook de instelling van een Sociale Raad, voorgeschreven door de Armenwet van 1912, bleef achterwege. Het was de omvang van de financiële nood in het begin van de jaren dertig die leidde tot een gedeeltelijke herschikking van de armenzorg tussen diaconie en gemeente en vanaf 1934 plaatste de raad een post werklozensteun op de begroting. Volksgezondheid In 1828 vroeg de raad ontheffing van het GS-besluit uit 1827 om het begraven in de kerk en in de bebouwde kom te verbieden en vervolgens nieuwe begraafplaatsen in te richten buiten de kom. Zo kon de oude begraafplaats, net buiten de bebouwde kom, nog lang in gebruik blijven. Eerst in 1900 werd besloten een nieuwe begraafplaats te stichten. Een ander punt van gemeentelijke zorg betrof besmettelijke ziekten. Zo behoorde tot de taken van de geneeskundige belast met de armenpraktijk het kosteloos vaccineren van kinderen tegen pokken. Velen woonden opeengepakt in kleine ruimten. De geringe draagkracht van de inwoners kan reden voor de provinciale gezondheidscommissie zijn geweest om GS in 1904 te adviseren Bathmen vijf jaar uitstel te verlenen van toepassing van art 3 v.d. Woningwet van 1901 (regelende het maximale aantal bewoners per m2 vloeroppervlak van een huis of een kamer en eventueel onbewoonbaarverklaring). Af en toe braken besmettelijke ziekten met fatale afloop uit: 1887 tyfus; 1901 twee gevallen van tbc. In zulke omstandigheden ging de gemeente over tot vernietiging van kleding en beddengoed en ontsmetting van het huis. Voor de behandeling en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten sloot de gemeente eerst in 1931 een contract met het Oude en Nieuwe Gasthuis in Zutphen. Infrastructuur Met de begaanbaarheid van de wegen was het slecht gesteld. Ook de staat van de houten bruggen over de Schipbeek en Dortherbeek liet veel te wensen over. Zo was de Bonte Os- of Landeweersbrug in 1827 zo deplorabel dat de ingezetenen er niet met paard en wagen over konden om brandhout en plaggen te halen, mest naar het bouwland te brengen en doden te begraven. Bovendien stremde de slechte brug het verkeer tussen Munster en Deventer (via Markelo), met als gevolg minder klandizie voor de neringdoenden. De brug, die in 1861 met steun van Deventer en de provincie een ingrijpende reparatie onderging, verkeerde in 1921 opnieuw in slechte staat. Ook andere overgangen zoals de Pothaarsbrug en Varinksbrug waren er weinig beter aan toe. In 1844 nam de raad een modelverordening op de hand- en spandiensten aan. Juridisch heette dit een belasting in natura tot levering van tijdelijke arbeid, alsmede het gebruik van paarden met werktuigen (gemeentewet 1851; art 239 juncto193). Doel: begaanbaar houden van wegen op het platteland door ingezeten mannen van 18 tot 60 jaar. In Bathmen functioneerden de hand- en spandiensten per buurtschap, voor het overige ontbreken gegevens. Wettelijk moest de gemeente de mogelijkheid bieden de dienst af te kopen, waarvoor zij jaarlijks het kohier handen spandiensten ter goedkeuring aan GS opzond. Uit de bewaard gebleven exemplaren over 1885-1917 blijkt dat niemand van deze mogelijkheid gebruik maakte. Evenmin vermelden de raadsnotulen bezwaren van de civiel dienstplichtigen tegen hun plaatsing op de lijst. Na 1923 verdween het instituut van de begroting. De zorgen om slechte wegen werden nog vergroot doordat de gemeente in 1856 ook het onderhoud van wegen en bruggen van de marken Dortherhoek en Zuidloo overnam en van die in Loo in 1864. Verreweg het belangrijkste besluit uit de 19e eeuw was dat uit 1851 om de weg van de Bathmense molen naar het dorp met oer, puin en grind te verharden. Begrote kosten fl 11.300. De gemeente droeg hieraan bij f3500, waarvoor een lening werd aangegaan. Op 12 maart 1853 werd met 4 tegen 3 stemmen besloten de puinweg vanaf het dorp naar de grens met Gorssel door te trekken. Na vele vergaderingen was er in juli 1853 een conceptovereenkomst tussen aannemer mr A.Werndly en G. Koersen enerzijds en de gemeente anderzijds en in april kwamen de voorwaarden en bestek voor de bouw van het tolhuis. Vervolgens had het kiezen van de plaats voor een op te richten tolhuis buitengewoon veel voeten in de aarde (belangen van aanwonenden, kerkgang). Met vier tegen twee stemmen werd besloten de tol niet bij de Dorthermolen maar bij de Schipbeek te heffen (1854). Vrijgesteld van tol werd graan- en meelvervoer naar molens, resp. bakkers, alsmede kerkgang. Geschiedde vanaf 1855 de tolheffing in eigen beheer, met ingang van 1886 verpachtte de gemeente de tol. De tweede weg die werd verhard was die door de Bathmense Enk en de Spitdijk naar de Bannink (l 869). In 1915 besloot de raad geen verlenging van de tolconcessie meer aan te vragen. Het isolement van de gemeente was ondertussen sterk verminderd door de opening van de spoorlijn in 1888. De aansluiting van het post- en telegraafkantoor op het telefoonnet in 1909 zette het venster op de wereld nog verder open. Vanaf 1911 sloot de gemeente vaker leningen voor de verbetering van wegen met als eerste de aanleg van een straatweg naar Loo (tot Pakkert) en Zuidloo (tot Littiskamp). De aanwonenden betaalden 50% van de kosten en ook de zuivelfabriek leverde een bijdrage. Bestrating en verharding van meerdere wegen volgde in de periode 1928-1933, o.a. Braakmansteeg en Oxersteeg. Zijdelings kreeg de gemeente te maken met de normalisatie van de Schipbeek. Ter bestrijding van de crisis kwam er in 1930 een rijkswerkverschaffingsproject voor verlegging, verbreding en bedijking van de Schipbeek, bouw van betonnen bruggen en van stuwen. Hiervoor werden werklozenkampen ingericht (deelname uit Bathmen 14 werklozen.) Industrie en nijverheid Hoewel particuliere commerciële bedrijven buiten de gemeentelijke organisatie vallen, geven de volgende opmerkingen over enkele fabrieken en werkplaatsen en hun krachtbronnen enig inzicht in de plaatselijke economie. Naast de landbouw als hoofdmiddel van bestaan, kwamen in de periode 1845-1851 een paar commerciële initiatieven tot ontwikkeling. Zo bouwde de Goorse fabrikant Arntzenius, nadat hij zijn belofte een weefschool in het dorp op te richten niet gestand deed, in 1845 een calicot- weeffabriek bij de Oude Molen (gem. Diepenveen) waar 21 personen (waaronder 8 kinderen) uit Bathmen werkten. Vanaf 1851 werd ook melding gemaakt van koopman Koersen die handel dreef in geslachte varkens, bomen, hakhout en bouwmaterialen. Hij was de eerste die in Bathmen een stoommachine aanschafte (1880) voor zijn slachterij. Sinds 1891 beschikten de twee molens in het dorp (J. te Winkel en wed. Cellarius) ook over een stoommachine en vanaf 1895 was de molen in Dortherhoek (wed. te Winkel) voorzien van een petroleummotor. Het initiatief tot oprichting van de eerste particuliere stoom-boterfabriek kwam in 1901 van N.S. Modderman. Het bedrijf sloot reeds in 1906. Op een perceel in de directe nabijheid startte in hetzelfde jaar de Coöperatieve Zuivelfabriek (opgericht 1905) een nieuw bedrijf, eveneens op stoom. Vooral de slachterij van Koersen drong aan op een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf (GEB). Koersen's bedrijf bood bij de start van het GEB in 1918 onderdak aan een dynamo met motor (aggregaat). Het GEB kampte in 1918 en 1919 zo vaak met stroomuitval, dat het aggregaat naar het pand van de Coöperatieve Aankoopvereniging (opgericht 1895) verhuisde. Vanaf 1921 zorgde de IJsselcentrale voor betrouwbare stroomlevering. Een nieuwe transformator in 1930 voorzag de zuivelfabriek, de slachterij van Koersen en de molens van krachtstroom. Tegelijk begon het GEB aan de zwakstroombekabeling van het dorp. Ook de zuivelfabriek deed haar voordeel met stroom voor licht en voor een boterpers(1925). In dezelfde periode volgden nog de oprichting van een bedrijf voor houtbewerking en van een machinale klompenmakerij, beide met elektromotoren. In lijn met het gevoelen van althans een deel van de ingezetenen waren de ideeën van burgemeester Boreel over nieuwe bedrijvigheid toen hij bij de opening van de nieuwe raadszaal in 1917 waarschuwde voor chaos, onrust, ontevredenheid en geweld als bijverschijnselen van een snelle industriële ontwikkeling en hij een lans brak voor een "ontwikkeling langs de lijnen, die Uwe vaderen en Uwe voorvaderen U hebben aangegeven. Langs dezen weg voortgaande kan Bathmen in groei en bloei toenemen en de vruchten van een rustige welvaart genieten". Brandweer Van 1828-1849 wees de raad ieder jaar het verzoek van GS om een brandspuit aan te schaffen af op grond van ver uiteen gelegen woningen en geen water in de zomer. In zo'n situatie, aldus de raad, waren brandhaken het meest effectief om een geïsoleerde brand te bestrijden. In het midden van de 19e eeuw lagen de woningen in het dorp zo verspreid dat aanschaf van een brandspuit geen zin had. Alleen bij dichte bebouwing zou het lonen belendende percelen met een spuit voor afbranden te behoeden. Daar de aanschaf van leren brandemmers in 1851 te duur was kwam men uit bij goedkopere houten kuipen. Basis voor het bestrijden van brand waren 20 brandhaken (om muren van brandende huizen om te trekken). In de jaren dertig en veertig van de 19e eeuw ontbreekt een post voor brandbestrijding (alleen 1843 fl 15). Nadat in 1849 de burgemeester tevergeefs probeerde een brandspuit te kopen, kwam hiervoor het jaar daarop fl 330 op de begroting. Van 1853 /m 1881 moest de brandweer het weer doen met fl 10 tot fl 25 per jaar, afgezien van vervanging van de houten door 20 blikken emmers in 1879. Pas in 1882, plaatste de nieuwe burgemeester Wentholt de brandweer op de agenda en werd voor reparatie van de spuit en tegemoetkoming van vrijwilligers fl 154 gevoteerd. Onder opvolger Vitringa kwam er in 1890 een nieuwe brandspuit van fl 1100. Het dorp kreeg 2 nieuwe brandpompen in 1911. De afwezigheid van bluswater in het overgrote deel van de gemeente in 1930 was voor de raad geen reden om voor het voorstel van aanschaf van vier schuimblussers voor de buurtschappen stemmen. Oorlogs- en crisismaatregelen Blokkade van Deventer Op 12 november 1813 maakte een Kozakkeneenheid kwartier bij de Oude Molen (gem. Diepenveen).Vanaf die dag t/m 27 november 1813 was de schout van Bathmen dag en nacht in touw om de vreemde troepen op een ordelijke wijze van voedsel, licht, brandhout en paardenvoer te voorzien. Eind 1813 kwam er versterking van inderhaast geformeerde Nederlandse militaire eenheden. Op bevel van de provisioneel gouverneur werden de laatstgenoemden in Bathmen (dorp) en in Diepenveen (Weteringen) ondergebracht om deel te nemen aan de blokkade van Deventer dat nog in Franse handen was (27 nov. 1813-16 april 1814). Ook voor de Nederlandse eenheden werden goederen gevorderd, met name kaarsen en brandhout. Wereldoorlog I De gevolgen van WO I werden in Bathmen merkbaar door de Verordening op het vervoer en verbruik van rogge, roggemeel en roggebrood (1914), alsmede de verordening op de samenstelling en het gewicht van brood (1915). Op 22 sep. 1916 volgde de inwerkingtreding van de Distributiewet, die de boeren verplichtte rogge in te leveren, waarbij zij voor elke hectoliter een mud maïs terug kregen. Dit leverde de gemeente een batig saldo op (zgn. roggepotje). Anderzijds legde de gemeente geld toe op de broodvoorziening. Op de wet volgde nog in 1916 de Verordening op het beheer van het gemeentelijk levensmiddelen en -distributiebedrijf. Zowel de wet als de verordening bezorgden de burgemeester en de veldwachter veel werk. In het kader van de wet distribueerde het Gemeentelijk Levensmiddelenbedrijf reeds in 1916 aanmerkelijke hoeveelheden spek, vis, bak- en braadvet, peulvruchten, groenten, rijst, havermout en boter vanuit de secretarie. Tegelijk huurde het bedrijfin 1918 grond van de Coöperatieve Aankoopvereniging voor de verbouw van bonen en aardappelen. Het einde van de eerste wereldoorlog betekende geenszins beëindiging van de distributie van voedingsmiddelen en brandstof. In het tijdvak 1919-1921 moest de begrote post voor volksvoeding en -distributie met een factor 4 tot 5 vermenigvuldigd worden tot fl 20.000 a fl 25.000. Verkoop van deze artikelen spekte de kas van het levensmiddelenbedrijf (lees gemeentekas).
Inleiding op de verzamelinventaris Archieven Jordens (Deventer, 1977) De inleiding op een inventaris van een familiearchief behoort te beantwoorden aan het algemene principe n.l. dat de inleiding de noodzakelijke kennis moet bevatten voor de onderzoeker, die de documenten denkt te kunnen gebruiken. De verleiding is echter groot om bij families, waarvan de betekenis in voorgaande eeuwen zeer aanzienlijk is geweest, van dit principe af te wijken. Evenwel hoopt de samensteller van deze publicatie met de navolgende passages gewijd aan de lotgevallen van de familie Jordens in Deventer en omgeving redelijk binnen de grenzen van de archieftheoretische opvattingen gebleven te zijn. Daarbij kan in dit verband gewezen worden op een artikel van de hand van dr. A.C.F. Koch over het Jordenshofje, waardoor de aandacht voor deze instelling van weldadigheid beperkt kan blijven 1. Door de naamgeving van het Jordenshofje in de Kleine Overstraat en van het Jordenshuis in de Papenstraat blijft de herinnering aan de oude regentenfamilie Jordens in Deventer levend, ook nu er geen naamgenoten meer wonen. Door het besluit van mr. C.G. Jordens (1896-1977) om het familiearchief in bewaring te geven bij de gemeente Deventer is aan die herinneringen een monument van andere orde, een "papieren" monument toegevoegd. De maatschappelijke positie van de leden der familie en hun bezittingen in en buiten Deventer bepalen de grote waarde van dit archief, dat naar de mening van de samensteller van de inventaris zeker voor het laatst deel van de 18de en de gehele 19de eeuw veelvuldig geraadpleegd zal worden voor de bestudering van de lokale en regionale geschiedenis. De familie Jordens De stamvader van de familie Jordens te Deventer is - naar recent onderzoek heeft uitgewezen 2 - Hendrik Seemsmaker, die komende van Havixbek in Westfalen in 1493/94 het burgerrecht in deze stad verwierf. Bij de verlening van het burgerschap stelde zich tot borg Johan Jordens, zadelmaker in de Korte Bisschopstraat. Voorts is bekend dat Hendrik Seemsmaker vóór 1500 gehuwd is met Stijne, de dochter van Johan Jordens 3, hetgeen de relatie bij de burgerrechtverlening verklaart. In het nageslacht is in de derde tot vierde generatie de voornaam Jorden tot eigennaam geworden. Oudtijds liep de spelling van de letters J en I doorelkaar. De officiële schrijfwijze 1 . A.C.F. Koch, De Keysersplaats of Iordenshof te Deventer, in: Verslagen en Mededelingen v.d. Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 75-e stuk (1960) p. 59-68. 2 R.C.C. de Savornin Lohman, De herkomst van het Deventer geslacht Jordens, (mededeling) in: De Nederlandsche Leeuw jrg. 94 (1977) k. 112-113. 3 Genealogie van het geslacht Jordens, in: Nederland#s Patriciaat jrg. 52 (1966) p. 208 - 234. Uitgebreider in oudere generaties is de publikatie van H. Kronenberg en H.H. Roëll, in: De Nederlandsche Leeuw jrg. 47 (1929). van de naam Jordens is, zeker sedert de invoering van de burgelijke stand in 1811, behoudens een uitzondering, met de letter J. Die spelling wordt in deze publicatie aangehouden. Voor de geschiedenis van het geslacht in de 16de en een deel van de 17de eeuw zijn we aangewezen op de algemene archiefbronnen, met name die delen uit het rechterlijk archief van de stad, waarin gegevens vermeld worden over het wonen en werken van de leden van de familie zoals de attestatie- en renunciatie-registers 4. Zeer informatief zijn twee akten uit de attestatieregisters gedateerd 2 en 3 februari 1570. Daaruit blijkt dat de drie eerste generaties Jordens - met de voornamen Hendrik, Jorden, Hendrik - een bedrijf voor de bereiding van zeemsleer hebben uitgeoefend vanaf ongeveer 1520; dit bedrijf is gevestigd geweest, naar we uit andere bron weten, in de Grote Overstraat 5. Volgens de familieoverlevering was aan dit huis een uithangbord bevestigd met de afbeelding van een dorstig hert. Dit is bepaald niet onwaarschijnlijk; het familiewapen bevat vanaf de 17de eeuw een hert. In de derde generatie, dus die van Hendrik Seemsmaker of Hendrik Jordens (overleden in 1581), is de band tot stand gekomen tussen de familie Jordens en een kleine instelling van weldadigheid, toen en tot in de 19de eeuw, bekend onder de naam de Keysersplaats, sindsdien bekend onder de naam het Jordenshofje. Gesticht door Ewolt Keyser vóór 1538 achter zijn woning in de Lange Bisschopsstraat met een ingang aan de Pontsteeg lagen daar vier kleine huisjes bestemd voor de huisvesting van bejaarde en behoeftige vrouwen. in 1571 droeg Johanna de weduwen van Joachim Keyser het beheer van de "Keysersplas" over aan haar familieleden Hendrik Jordens en zijn zwager Ewolt Buser. Na de dood van laatstgenoemde in 1622 kwam het beheer van de fundatie geheel in handen van leden van de familie Jordens 6. In de eerste helft van de 17de eeuw splitste de Jordensfamilie zich in twee te Deventer woonachtige takken middels Gerhard en Hen(d)ri(c)k Jordens zonen van de brouwer Jan of Joan Jordens, die op zijn beurt weer de jongste zoon was van de hiervoor vermelde zeemsbereider Hendrik Jordens. Zowel Gerhard (1603-1670) als Hendrik (1605-1667) blijken opgenomen in de bestuurslaag van de stad Deventer, waar zij verschillende functies bekleedden. Zij beiden zijn daarmee de stichters van een regentendynastie, die invloed op het openbare leven heeft behouden tot in het begin van de 20ste eeuw. Vooral de nazaten van Hendrik Jordens zijn te Deventer in een relatief groot aantal woonachtig gebleven. De archieven die in deze publicatie beschreven worden, hebben vooral op die tak van de familie betrekking. Daarbij dient opgemerkt te worden, dat van de leden der familie Jordens vóór het midden der 18de eeuw in de meeste gevallen slechts fragmenten van persoonlijke archieven bewaard gebleven zijn. Enigszins een uitzondering op die regel vormt Rudolf Jordens (1671-1748) van wie over een vrij grote periode bescheiden betrekkelijk de door hem vervulde stedelijke functies van financiële aard aanwezig zijn. De geschiedenis van de herkomst van deze stukken is echter apart. Ze zijn eerst in 1941 door aankoop aan het familiearchief toegevoegd 7. Eén en ander doet ons samenvattend opmerken, dat de kern van het familiearchief afkomstig is van de kinderen van Herman Joan Jordens (1706-1756) en Rudolphina Johanna Daendels (1700-1768) alsmede hun verdere nazaten. In de 18de eeuw werd het ongebruikelijk, dat leden van het geslacht die overheidsfuncties bekleedden nog een beroep uitoefenden. Voor de Deventer jongelieden was de gebruikelijke 4 J. Acquoy, Inventarissen van de rechterlijke archieven der stad Deventer, van het schoutambt en de ambtmannie Colmschate, in: Verslagen van s#Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1911, p. 449-500, #s-Gravenhage 1912. Hierin invent. nr. 6 attestatieregisters en nr. 55 renuntiatieof transportregisters. 5 Deze inventaris nr. 5 en Koch o.c. p. 62. 6 Koch, o.c. p. 62. 7 Deze inventaris nr. 358. levensloop het bezoek aan het Athenaeum en vervolgens de studie aan een universiteit, vrijwel altijd in de juridische faculteit. Daarna zorgde het systeem van onderlinge afspraken tussen de regentenfamilies er voor, dat de afgestudeerde van één of meerdere betrekkingen voorzien werd. Men kan voor wat betreft de Jordensen geen caesuur ontdekken tussen de stadhouderloze tijdperken en de periodes waarin de Oranjes invloed op het vergeven der benoemingen uitoefenden. Het kohier van de duizendste penning te Deventer van 1734 8 bevat in totaal 19 leden van de familie Jordens, waarvan het getaxeerde bezit d.w.z. alleen het bezit in de stad, een bedrag van f. 197.000 opleverde. Van deze 19 familieleden bekleedden er zeker zes een overheidsfunctie in Deventer of daarbuiten; acht van de negentien waren weduwen of ongehuwde vrouwen. Ook de reeds vermelde Herman Joan Jordens maakte deel uit van het stadsbestuur van Deventer en van het bestuur van het gewest Overijssel. Zijn echtgenote stamde uit het Veluwse geslacht Daendels. Ten gevolge van deze verbintenis geraakte de buitenplaats de Borchgreve te Heerde in het bezit van de familie Jordens. Uit een andere tak van de familie was Georg Jordens (1722-1776) van 1746 tot aan zijn overlijden een verdienstelijk hoogleraar in de juridische faculteit aan het Deventer Athenaeum. Met de nazaten van het echtpaar Jordens-Daendels zijn we in de roerige tweede helft van de 18de eeuw aangekomen. De Patriottentijd stond voor de deur en het einde van de Republiek naderde. Herman Joan#s zoon Gerrit David Jordens (1734-1803) maakte een uitermate interessante carrière door. Als niet al te uitgesproken partijganger maar wel met patriotse sympathieën deed hij onder stadhouder Willem V heel wat moeite om op de geijkte wijze aan betrekkingen te komen 9. In de jaren 1780-1787 schaarde hij zich echter volledig aan de patriotse zijde; tengevolge daarvan was hij van 1788-1794 ambteloos. In 1795 werd hij direct gekozen in het voorlopige stadsbestuur en zelfs afgevaardigd naar de centrale volksvertegenwoordiging in Den Haag. Het meer radicale gedeelte uit de Franse tijd in 1798 bekwam hem slecht en met zijn plaatsgenoot mr. G. Dumbar jr. vertoefde hij na de Jacobijnse staatsgreep een half jaar als gevangene te Honselaarsdijk 10. Tenslotte werd hij in 1801 benoemd tot lid van het Hoge Nationale Gerechtshof te `s-Gravenhage. De regelmatige verandering van politiek systeem tussen 1795 en 1815 heeft niet betekend dat de invloed van de oude regentenfamilies, of zij nu in het voorafgaande tijdvak patriots dan wel oranjegezind waren, is verdwenen. Typerend voor die situatie is een overzichtje van leden van de familie Jordens in 1835 te Deventer werkzaam: mr. C.A. van Munster Jordens, officier van justitie en lid van de gemeenteraad; mr. H.J. Jordens, griffier van de rechtbank; zijn zoon mr. W.H. Cost Jordens, vrederechter, auditeur bij de krijgsraad van de schutterij en gemeenteraadslid; mr. D.J.R. Jordens, advocaat en notaris, lid van Provinciale Staten van Overijssel en mr. H.W. Jordens, advocaat en procureur. De laatste Jordens die aan het bestuur van stad en provincie deelnam was Herman Joan Jordens (1868-1928). Na een wethouderschap te Deventer van 1902-1906 werd hij lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel tot aan zijn overlijden in 1928. De grote concentratie van functies in het openbare leven, waartoe we ook de kerkgenootschappen en verenigingen kunnen rekenen, veroorzaakte dat men te Deventer in de 19de eeuw vrijwel overal leden van de familie Jordens tegenkwam. De maatschappelijke positie van de familie berustte evenzeer op een redelijke tot grote mate van welvaart, die tot uitdrukking gebracht werd in de verwerving of vererving van onroerende goederen. 8 Stadsarchief Deventer, afd. Repubiek I nr. 600. 9 J.I. van Doorninck, Gerrit David Jordens 1772-1778, in: Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, dl VII (1883) p. 1-20. 10 Collectie Dumbar, gemeentearchief Deventer, voorlopige inventaris nr. 96 en 97 "Dagverhaal van het aan mij (d.i. mr. Gerhard Dumbar jr.) gebeurde in de eerste zes maanden des jaars 1798" met bijlagen. Het landgoed de Bannink onder Colmschate is van 1682 tot omstreeks 1800 in het bezit van de familie Jordens geweest. Na Rudolf Jordens (1732-1797) vererfde het buitengoed tweemaal vrij snel in de vrouwelijke lijn, waardoor het in het bezit geraakte van de familie Sandberg tot Essenburg. In de voorgevel van het oude huis (zie de foto), dat kort na 1890 werd afgebroken en vervangen door de huidige in 1895 gebouwde villa, bevonden zich de familiewapens van het echtpaar Hendrik Jordens (1667-1715) en Elisabeth Mechteld Roelinck (1668-1715). Van de buitenplaats de Borchgreve onder Heerde maakten we reeds in het kort melding. Deze bezitting werd door de erven D.J.R. Jordens in 1861 verkocht. Via zijn echtgenote Anna Maria Metelerkamp deelden D.J.R. Jordens en de kinderen uit dit echtpaar in de grote bezittingen van de familie Metelerkamp, die eensdeels gelegen waren in de provincie Groningen en het aangrenzende gebied van Oost-Friesland en voor een ander gedeelte in Amsterdam. Dit bezit werd door de erven Metelerkamp, waartoe ook de president van de rechtbank te Deventer mr. G. Nilant Bannier hoorde, verkocht in de jaren 1850. Mr. H.J. Jordens kwam via zijn schoonvader mr. W.H. Cost in het bezit van boerenerven te Epse (gemeente Gorssel). Van zijn kinderen bleef Johanna Aleida Jordens ongehuwd; zij bewoonde de door haar verbouwde buitenplaats Matance te Terwolde (gemeente Voorst). Haar broer mr. W.H. Cost Jordens was bouwheer van Het Schol te Wilp (gemeente Voorst); hij erfde van zijn vader de erven te Epse. Cost Jordens was wel gehuwd, maar hij overleed kinderloos. Het bezit van hem en zijn zuster werd verkocht in de jaren 1876-1877. Met name het beheer van het onroerend goed heeft in het familiearchief een belangrijke hoeveelheid waardevolle archiefbescheiden nagelaten, van betekenis ook voor de geschiedbeoefening van de plaatsen waarin deze goederen gelegen waren. In de 20ste eeuw verminderde het aantal te Deventer woonachtige leden van de familie Jordens snel. Van het grote gezin van D.J.R. Jordens bleven alleen de kinderen van zijn oudste zoon in het herenhuis in de Papenstraat wonen. Daartoe behoorde ook Herman Joan Jordens die bij zijn overlijden in 1929 geen kinderen naliet. Sindsdien was alleen de tak van mr. H.W. Jordens (1807-1881) te Deventer vertegenwoordigd in de persoon van mr. dr. H.W. Jordens (1881-1966). Deze Jordens was slechts kort lid van de gemeenteraad, daar hij voor die positie bedankte toen hij drie jaar na zijn verkiezing in 1922 benoemd werd tot secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Deventer. Maatschappelijke functies bleef hij tot op hoge ouderdom vervullen, zoals het (president)curatorschap van het Alexander Hegius gymnasium van 1921-1957. Het Notariskantoor van D.J.R. Jordens en G.E. Jordens Het notarisambt dat in Overijssel in de middeleeuwen veelvuldig voorkwam, vaak gekoppeld aan geestelijken of secretarissen, is na de opstand tegen Spanje vrij spoedig na het jaar 1600 verdwenen. Voorzover het opmaken van publieke akten niet gemist kan worden, diende de burger zich te richten tot de schepenbanken of de secretarissen van het lokale bestuur. In Deventer waren er van oudsher drie stadssecretarissen ten dienste van de stedelijke rechtspraken het stedelijk bestuur. In het rechterlijk archief van de stad treft men hun protocollen aan, met afzonderlijke registers ter registratie van testamenten. Handelsakten vindt men na 1600 in een vrij gering aantal in de memorieboeken, terwijl het handelsleven in de 17de en 18de eeuw in die gewesten, zoals Holland, waar het notariaat zich handhaafde, veel duidelijker naspeurbaar is in de notariële protocollen 11. De uniformering van het openbare leven bracht in de Franse tijd voor Overijssel de wederinvoering van het notariaat. De introductie van het ambt in 1811-1812 viel samen met 11 Acquoy, o.c. invent. nr. 105 protocollen; inv. nr. 106 en 107 testamenten; inv. nr. 124 memorieboeken. de afsplitsing van de rechterlijke bevoegdheden uit het stedelijk apparaat, dat zich sinds dat jaar uitsluitend met het bestuur had bezig te houden 12. De rechtspraak, de indeling van de rechterlijke organisatie, het notariaat en zijn organisatie werden door de toepassing van de Franse wetgeving centraal geregeld. Verkreeg het personeel voor de rechtspraak de status van ambtenaar, de notarissen werden alleen benoemd door de centrale overheid en waren gebonden aan wettelijke voorschriften, maar oefenden hun beroep voor eigen risico uit. In 1811 was mr. H.J. Jordens één der drie stadssecretarissen; door zijn benoeming tot griffier aan de rechtbank van eerste aanleg alhier behield hij een ambtelijke functie. Zijn halfbroer mr. D.J.R. Jordens voerde een particuliere praktijk als advocaat en procureur en vervulde een bezoldigde nevenfuctie als secretaris van de Commissie van Landbouw in het Departement Overijssel. Hij behoorde op 27 februari 1812 tot één van de drie gelukkigen die hier tot notaris benoemd werden; behalve Jordens verkregen mr. J. Chr. van der Linde en mr. W.H. van Marle een dergelijke aanstelling. Alleen de werkzaamheid van Van Marle gaat terug tot 1811, aangezien hij als griffier van het toen ingestelde Vredegerecht reeds als waarnemend notaris mocht optreden 13. In het kanton Deventer, dat de plaatsen Bathmen, Deventer, Diepenveen, Holten en Olst omvatte, resideerde buiten Deventer alleen te Olst een notaris. Het gevolg was dat de inwoners van de toen vrij dun bevolkte plattelandsgemeenten veelal gebruik maakten van een notaris te Deventer. Het is D.J.R. Jordens in zijn praktijk als notaris niet slecht gegaan. Hij had veel cliëntèle, zij het ook veel van de kleinere zaken 14. Daarnaast bleef hij als zaakwaarnemer of rentmeester voor enkele grondbezitters fungeren, die uiteraard bij verkopingen e.d. ook van zijn notariële bevoegdheden gebruik maakten. De degelijk opgebouwde praktijk werd door Jordens eerst op hoge leeftijd in 1855 aan zijn zoon mr. G.E. Jordens overgedragen. Deze zette de zaken op dezelfde voet voort. Slechts met moeite daartoe bewogen legde hij na een ernstige ziekte in 1900 op 87 jarige leeftijd het notarisambt neer. De notariële praktijk bleef niet in de familie; wel hield H.J. Jordens een aantal beheerszaken aan, zodat het archief van het kantoor nog doorloopt tot 1913. De heren Jordens hebben steeds kantoor gehouden in het grote huis van de familie in de Papenstraat. Van meet af aan behoorde het tot de verplichtingen van de notaris, dat er een goed archief bijgehouden werd. De series minuten van de akten met als toegang daarop de repertoria dienden op gezette tijden overgedragen te worden aan de centrale bewaarplaats van alle notarissen in het arrondissement. De overige bescheiden bestaande uit de boekhouding, correspondentie, dossiers en andere toegangen dan de repertoria, vallen buiten de voorschriften. Deze inventaris laat zien hoe omvangrijk en nuttig die archivalia zijn. De vraag moet gesteld worden, in aansluiting op het standpunt van de Archiefraad 15, of het geen aanbeveling verdient om dit gedeelte van de notariële archieven eveneens onder werking van de wettelijke voorschriften te brengen, zodat bij de uiteindelijke overdracht der minuten en repertoria aan de beheerders van de archiefbewaarplaatsen in de zin der archiefwet ook deze bescheiden beschikbaar komen voor het archiefonderzoek. Het Jordenshofje Hiervoor is verhaald hoe de stichting van Ewolt Keyser uit het begin van de 16de eeuw spoedig na 1600 beheerd werd door leden van de familie Jordens, zoveel mogelijk uit iedere tak van 12 D.P.M. Graswinckel, De archieven der notarissen, die op het grondgebied der tegenwoordige provincie Overijssel gefungeerd hebben van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 16 oktober 1842, in: Verslagen van 's Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1921, stuk 2, p. 276-329, 's-Gravenhage 1923. 13 D.P.M. Graswinckel, De archieven der notarissen, die op het grondgebied der tegenwoordige provincie Overijssel gefungeerd hebben van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 16 oktober 1842, in: Verslagen van 's Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1921, stuk 2, p. 280. 14 Deze inventaris nr. 631. 15 Verslag 1974 (van de) Archiefraad, p. 21, 's-Gravenhage 1975. de familie één. Deze beheerscontinuiteit is tot op de dag van heden gebleven, al wonen de provisoren, zoals de bestuurders genoemd worden, niet meer in Deventer. Het hofje bevond zich vanaf de stichting tot in het midden van de 19de eeuw op een binnenterrein achter de Lange Bisschopsstraat met de ingang aan de Pontsteeg. De provisoren hebben in 1856 een nieuw binnenterrein aangekocht tussen de Grote en de Kleine Overstraat met een woonhuis aan laatstgenoemde straat. In 1857 werden hier nieuwe huisjes in gebruik genomen, die in 1929/30 geheel verbouwd zijn. De oude benaming van het hofje "de Keysersplaats" is sinds het midden van de 19de eeuw definitief vervangen door die van "het Jordenshofje". Het doel van deze liefdadige instelling was steeds het verschaffen van bewoning en zonodig verdere ondersteuning aan oudere onbemiddelde vrouwen ten getale van vier of vijf. Aan een ongedateerde ordonnantie van omstreeks 1635 kunnen de volgende bepalingen ontleend worden. 16. Eerst de verplichtingen aan de bewoonsters. Bij de intrede moesten ze in het bezit zijn van een bescheiden som geld en waren ze verplicht om aan ieder der aanwezige bewoonsters zes stuivers uit te reiken en hen te trakteren op brandewijn. De bewoning van de huisjes was om niet, maar de bewoonsters moesten elkaar bijstaan in het bijzonder in geval van ziekte. Alleen wanneer de verpleging te zwaar werd, overwogen de provisoren naar bevind van zaken bijstand te verlenen. Na het overlijden van de bewoonsters vervielen hun boedeltjes aan de instelling. Het bestuur stelde hiertegenover zijn verplichtingen, die onder meer bestonden uit het op gezette tijden beschikbaar stellen van bier, turf en boter en het uitreiken van geld te weten zes stuivers met Kerstmis en negen stuivers met Pasen, waarvan drie bestemd voor het kopen van eieren. Al deze bepalingen werden de bewoonsters voorgelezen, zoals blijkt uit de notitie op de achterzijde van dit reglement: " Dijt is de ordonantij van ons vronden plaes de men de luden voorlest als zij op de armenplaes irst commen, gesgreften doerg mij - John Jordens". Het realiseren van de doelstelling van de stichting is niet altijd gemakkelijk geweest. De vaste inkomsten waren bescheiden en in feite ontoereikend voor het goed onderhouden van de woningen en het uitvoeren van de verplichtingen van het reglement. De wisselvallige inkomsten konden bestaan uit de opbrengst van de boedeltjes of het bijspringen middels een schenking door een provisor. Zo werd de vernieuwing der woninkjes in 1644 mogelijk gemaakt door een relatief hoge opbrengst van een nalatenschap van één der bewoonsters. In 1680 verviel er een huis in de stad tengevolge van een gerechtelijke openbare verkoop aan het bestuur van het hofje. Dit bezit moest in 1793 weer verkocht worden uit gebrek aan middelen. Omstreeks 1800 bedroegen de inkomsten nog geen honderd gulden per jaar; de helft van dit bedrag werd ontvangen als rente uit obligaties ten laste van overheidslichamen. De tiërcering van de rente in de Franse tijd was derhalve een zware slag voor de instelling. Noodgedwongen moesten de provisoren overgaan tot verhuur van de huisjes. Een zeer efficient beheer na 1813 bracht herstel. In dit kader paste ook overplaatsing van het hofje naar de Kleine Overstraat en de beëindiging van het verhuren der huisjes. Sindsdien is door de veranderde maatschappelijke omstandigheden het belang van de instelling hoe langer hoe meer komen te liggen op het verstrekken van de vrije bewoning.
Tot het midden van de 19e eeuw bleef het inwonertal van Deventer jarenlang vrijwel ongewijzigd, totdat met de industriële revolutie ook Deventer omhoog werd gestoten in de vaart der volken. De oude stad herbergt sinds die tijd een groot aantal ondernemingen waarvan er vele meer dan landelijke faam kregen en nog steeds hebben. Al die bedrijvigheid lokte een groot aantal nieuwe inwoners die een goede woon- en werkplaats vonden. Ze waren afkomstig uit alle delen van het land. Na de oorlog werden de grenzen nog verder verlegd en bleek de stad als een magneet te werken op veel mensen van elders in Europa en zelfs ver daarbuiten. Het gevolg is dat Deventer vandaag de dag niet alleen een prachtige oude en goed geconserveerde historische binnenstad heeft, maar ook een veelkleurige bevolking. Een rijk geschakeerde groep die langzaam groeit tot een harmonische eenheid. Al die nieuwkomers uit binnen- en buitenland moeten goed kunnen wonen. Recent ontwikkelde Deventer in het stadsdeel Colmschate een aantal nieuwe stadswijken die een voorbeeld zijn voor de rest van het land als het gaat om verantwoorde, fraaie, gerieflijke en moderne architectuur. Wijken als De Vijfhoek, Op den Haar en straks ook Steinvoorde zijn een voorbeeld van bijdetijdse en comfortabele woningbouw waar men graag wil verblijven. 1 Deventer in cijfers: Op 1 januari 1945 telde Deventer 45607 inwoners. Door een gemeentelijke herindeling zijn per 1 januari 1999 de gemeenten Deventer, Diepenveen en een deel van Bathmen (Oxerveld) samengevoegd tot één gemeente: Deventer. Met ingang van 1 januari 2000 is een deel van de gemeente Gorssel (Epse-Noord) toegevoegd aan de gemeente Deventer. Mede door bovenstaande grenswijzigingen is het aantal inwoners van de gemeente Deventer de afgelopen jaren flink gegroeid. Op 1 januari 1994 bedroeg het aantal inwoners ruim 69.000. Tien jaar later, op 1 januari 2004, bedraagt het aantal inwoners ruim 89.100. De bevolking in Deventer is in die 10 jaar toegenomen met 29%. 2 Eerste periode: wederopbouw naar vooroorlogs model (1945-1960) De Tweede wereldoorlog was ook voor Deventer een ingrijpende periode met veel malheur. Toen men in 1945 eindelijk vrij was, werd in het openbaar bestuur aanvankelijk een sterke communistische stem gehoord; later werd deze beweging geboycot. Het naoorlogse leven kenmerkte zich door distributie en brandstofgebrek. Er waren de eerste tekenen van verzuiling, ontzuiling en herzuiling. In de stad werd met het Wederopbouwplan de oorlogsschade hersteld en de stadsvernieuwing aangepakt. Uitbreidingen kwamen tot stand: Zandweerd, Tuindorp, de Bekkumer, Rivierenwijk. 1 Ontleend aan de Website van de gemeente Deventer (mei 2004): http://www.deventer.nl/Txt/Introductie-Geschiedenis.html tekst van de noot. 2 Ontleend aan de Website van de gemeente Deventer (mei 2004): http://www.deventer.nl/Txt/Kengetallen-Kengetallen.htmltekst van de noot. Het industrieterrein werd uitgebreid en sluizen en havens werden aangelegd. Een onderzoek uit 1954 van het NEI (Nederlands Economisch Instituut) voorspelde een inwonersaantal van 80.000 rond 1980. In 1959 ging men een stuk verder getuige het rapport 'Deventer, stad van 250.000 inwoners', opgesteld door het Nederlandsch Technologisch Instituut in opdracht van de gemeente Deventer, het zogenaamde Dubbelstadplan. Deventer was tot zijn grenzen volgebouwd. Met de gemeente Diepenveen was er een grenswijziging in 1960, waarbij het huidige Platvoet, Borgele, de Keizerslanden, de Rielerenk en het gebied rondom Brinkgreven en de Rivierenwijk per 1 januari 1960 bij Deventer kwamen. Deventer was tot zijn grenzen volgebouwd. Met de gemeente Diepenveen was er een grenswijziging in 1960, waarbij het huidige Platvoet, Borgele, de Keizerslanden, de Rielerenk en het gebied rondom Brinkgreven en de Rivierenwijk per 1 januari 1960 bij Deventer kwamen. Het bedrijfsleven maakte een snel herstel door, waarbij gedacht kan worden aan de fabriek van Thomassen en Drijver en de komst van de Fittingfabriek. De vestiging van een girokantoor in Deventer ging helaas niet door. De fabriek van Bussink verliet de binnenstad. Er werden ideële investeringen gedaan door het bedrijfsleven in cultuur (de Schouwburg), in maatschappelijke dienstverlening (Stimadizwo en haar voorgangers), recreatie en sport (betaald voetbal: Go Ahead / Go Ahead Eagles; de Kunstijsbaan) en woningbouw. Daardoor ontstond mede een rijke infrastructuur, die ook vroeg om aanzienlijke gemeentelijke subsidies. Deventer begon de zestiger jaren met veel elan, ambities en optimisme: - een ambitieuze nieuwe burgemeester Bolkestein - een zojuist uitgebreid grondgebied - plannen voor sanering van de binnenstad - unaniem positieve adviezen aan de regering tot vestiging in de gemeente van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs - een harmoniemodel in het bestuur, met stabiele politieke verhoudingen en consensus over de te bereiken doelstellingen Tweede periode: samenleving in beweging (1960-1975) De jaren zestig waren roerige jaren, met een golf van een beweging naar democratisering in openbaar bestuur, in instellingen en in bedrijven. Er was revolte in het jeugdwerk, Deventer kende zijn voorhoede in de Zambar, de Kartuut in de Keizerslanden en een bloeiende popcultuur. De Pedagogische Academie maakte een staking en bezetting mee. Politiek gezien zag men de opkomst van de Boerenpartij en Binding Rechts. De eerder verketterde communisten raakten weer in de gratie. Intergemeentelijk waren de eerste aanzetten voor de vorming van een Gewest Deventer, later Gewest Midden IJssel, en van de Stedendriehoek. De gemeente Deventer had enige tijd de status van artikel 12-gemeente en was daardoor financieel gezien onder curatele van het Rijk gesteld. Het dagelijkse leven maakte grote veranderingen door, de opbouw van de verzorgingsstaat, loonexplosie en sociale voorzieningen, de komst van meer en meer huishoudelijke apparaten, de toename van de vrije tijd. Het miljoenste televisietoestel in Nederland stond in Deventer . De ambitieuze dubbelstadplannen bleken in 1967 niet haalbaar. Wel bouwde Deventer grotere nieuwe wijken bouwen: Deltawijk, Rivierenwijk, Keizerslanden, Borgele, Platvoet. De plannen voor de annexatie van de gemeente Diepenveen gingen uiteindelijk niet door, wel werd Colmschate op 1 juli 1974 bij Deventer gevoegd. Een plan voor de sanering van de binnenstad werd opgesteld, maar de uitvoering ging traag van start. Het Bergkwartier werd hersteld op initiatief van de NV Maatschappij tot Stadsherstel. Buiten de stad werd de E8 / A1 aangelegd en werd een 2e IJsselbrug gebouwd. De plannen voor een universiteit, een technische hogeschool en een medische faculteit mislukten. Op het gebied van sport en recreatie was er nog steeds het betaald voetbal en met de kunstijsbaan kreeg Deventer internationale schaatswedstrijden op zijn grondgebied. Er kwam een overdekt zwembad en de sporthal Zandweerd. Derde periode: zakelijke benadering met nieuw elan 1975-1990 Overal manifesteren steden zich met een hernieuwde trots, zo ook Deventer. Maatschappelijk gezien stabiliseert de democratiseringsgolf zich, worden inspraak en samenspraak geïnstitutionaliseerd en treedt een verzakelijking in maatschappelijke verhoudingen op en is er sprake van een politieke verrechtsing. Verkiezingsuitslagen leiden tot program- en meerderheidscolleges en tot verstoorde verhoudingen, ook in politieke zin. Dit resulteerde in de opkomst van een politieke groepering als #Deventer Belang#. Het aantal buitenlanders, vluchtelingen en asielzoekers nemen toe. Er komt lokale radio en televisie. Het straatbeeld verandert negatief en positief door uiteenlopende ontwikkelingen: druggebruik, buitenlandse eetgelegenheden. Colmschate, waar de eerste bouwactiviteiten al waren gestart in Oostrik, wordt verder uitgebreid. Een grotere differentiatie in nieuwbouw vindt plaats en er is ruimte voor duurdere complexen en voor experimentele architectuur. In plaats van stadssanering wordt restauratie, renovatie en aangepaste nieuwbouw toegepast. Het herstel van het Bergkwartier boekt voortgang en met het herstel van het Noordenbergkwartier wordt begonnen. In de binnenstad verrijzen zowel grote complexen (Hema, Peek & Cloppenburg, Scapino, Dixons en diverse banken) als kleinschalige bouw met kwaliteit (Talamini, Husselman). Veel kleine maatschappelijke middenstandsbedrijven verdwijnen, al blijft er wel ruimte voor speciaalzaken, zoals in de Walstraat. In Deventer vestigen zich steeds meer filiaalbedrijven van grote ondernemingen, met name in de City Promenade; de Korte en Lange Bisschopstraat. De uitbouw van het HBO (hoger beroepsonderwijs) vindt plaats en het rijkgeschakeerde culturele leven beleeft een grote bloei. Aan het eind van de periode begint Deventer in 1990 een nieuwe periode met optimistische toekomstverwachtingen: - ambitieuze stadsbestuurders - plannen voor grensoverschrijdende activiteiten - een vernieuwde binnenstad en vernieuwde oude wijken - grote bouwprojecten - bestuurlijke en sociale vernieuwing; regionale samenwerking - grotendeels overwonnen politieke tegenstellingen door afspiegelingscolleges Overzicht van de organisatie van de gemeente over de periode 1950-1990. De ambtelijke organisatie van de secretarie onderging in de periode 1950-1990 de nodige veranderingen. Zo waren er op 1 januari 1950 slechts 4 afdelingen. Tabel: Veranderingen in organisatie secretarie 1950-1990 1950 1972 1983 1989 Algemene Zaken Adviseur Coördinatie & Planning Bureau Organisatie en Management Bureau Organisatie en Management Personeel en Organisatie Bureau Juridische Zaken Bestuurlijke en Juridische Zaken Bestuurlijke en Juridische Zaken Sociografisch bureau Onderzoek, Statistiek en beleidsplanning Onderzoek, Statistiek en beleidsplanning Afdeling Ruimtelijke Ordening, Volkshuisvesting Afdeling Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Afdeling Welzijn Afdeling Welzijn Welzijn Afdeling Kabinetszaken en Voorlichting Voorlichting en Economische Zaken Voorlichting Afdeling Interne Zaken Interne Zaken Interne Zaken Huishoudelijke dienst en inkoop Huishoudelijke dienst en inkoop Automatiseringscentrum Sociaal-Economisch Bureau Bevolking, Burgerlijke stand en Militaire zaken Bevolking, Burgerlijke stand, Verkiezingen en Militaire zaken Bevolking Bevolking, Burgerlijke stand en Militaire zaken Financiën Financiën en Belastingen Financiën Onderwijs Onderwijs Onderwijs Onderwijs 1950 Algemene Zaken Bevolking, Burgerlijke stand en Militaire zaken Financiën Onderwijs 1972 Adviseur Coördinatie & Planning Bureau Organisatie en Management Bureau Juridische Zaken Sociografisch bureau Afdeling Ruimtelijke Ordening, Volkshuisvesting Afdeling Welzijn Afdeling Kabinetszaken en Voorlichting Afdeling Interne Zaken 1983 Bureau Organisatie en Management Bestuurlijke en Juridische Zaken Onderzoek, Statistiek en beleidsplanning Afdeling Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Afdeling Welzijn Voorlichting en Economische Zaken Interne Zaken Huishoudelijke dienst en inkoop Bevolking Onderwijs 1989 Personeel en Organisatie Bestuurlijke en Juridische Zaken Onderzoek, Statistiek en beleidsplanning Welzijn Voorlichting Interne Zaken Huishoudelijke dienst en inkoop Automatiseringscentrum Sociaal-Economisch Bureau Bevolking, Burgerlijke stand en Militaire zaken Financiën Onderwijs Op 1 januari 1952 werd de afdeling Personeelszaken gevormd en op 1 januari 1961 werd het een dienst. De afdeling Interne Zaken werd op 1 juni 1954 ingesteld en afgesplitst van afdeling Algemene Zaken. In 1955 werd de afdeling Verificatie ingesteld en afgesplitst van afdeling Financiën. De afdeling Kabinetszaken en Voorlichting bestond al in 1966 en in 1975 werd het bureau Sociaal Economische Zaken toegevoegd. In 1969 werd het Sociografisch Bureau ingesteld. De afdeling algemene zaken werd in 1972 opgesplitst in: a) afdeling Algemene en Juridische Zaken (J.Z.), b) Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (ROV). In 1972 werden de nieuwe afdelingen Welzijn en O&M (organisatie en management) gevormd. In dat jaar bestond de secretarie uit 11 afdelingen (zie tabel Veranderingen in organisatie secretarie 1950-1990) Projectorganisatie en opdeling in sectoren. In 1971 en 1972 ontstond het uit 62 pagina's tellend Paarse Rapport 3 (inventaris secretarie 1950-1980, onderdeel I.1, inventarisnummer 1160), dat diverse tekortkomingen constateerde in de gemeentelijke organisatie. Vooral door de groei van gemeentelijke taken en personeel ontstonden coördinatie- en afstemmingsproblemen die men dacht op te lossen door projectorganisatie en opdeling van de taken in sectoren (zie onderstaande tabel sectorindeling 1975). De volgende termen werden in het rapport gebruikt die de genoemde coördinatieproblemen illustreren: versnippering, overlapping, eenheid van beleid, pakken papier, grote variatie zonder enkele samenhang, integratie, onoverzichtelijkheid, tegenstrijdigheden, totaal visie, integraal beleidsplan, gezichtsverruiming. In 1975 werd de initiatiefgroep Organisatieontwikkeling in het leven geroepen die tot taak had voorstellen te ontwikkelen met het doel de structuur en het functioneren van de organisatie van het ambtelijk apparaat meer doelgericht en efficiënt te maken. 3 De volledige titel luidt: Beslissingen en beschouwingen over organisatie, taak en werkwijze gemeentesecretarie. In 1977 kwam de groep met de eindrapportage: Structuurmodel voor het ambtelijke apparaat van de gemeente Deventer. Het model had tot doel de overlappingen en competentiever-schillen weg te nemen en daarnaast coördinatie in beleid door verdergaande en betere samenwerking van afdeling en diensten te bewerkstelligen. Sector-indeling 1975 Sector I Betrekkingen Bestuur/bestuurden 1.Voorlichting en Informatie 2. Economische bedrijvigheid 3. Bevolking, burgerlijke stand, verkiezingen, militaire zaken Sector II Openbare orde en veiligheid 1. Politie 2. Brandweer 3. Bescherming bevolking 4. Toezicht op openbare eigendommen Sector III Stedenontwikkeling 1. Ruimtelijke Ordening 2.Volkshuisvesting 3. Aanleg, verbetering en onderhoud van wegen en pleinen 4. Beheer van gemeente eigendommen 5. Verkeer en vervoer 6. Restauraties Sector IV Maatschappelijke aangelegenheden 1. Sociale Voorzieningen 2. Maatschappelijk Welzijn 3. Gezondheidszorg 4. Hygiëne van het milieu Sector V Onderwijs 1. Kleuter- en lageronderwijs 2. Techn. en economisch adm. onderwijs 3. Alg. voortgezet en wetenschappelijk onderwijs 4. Tertiair onderwijs Sector VI Vorming en Ontspanning 1. Culturele Zaken 2. Sportzaken 3. Jeugd- en Jongerenwerk 4. Contacten met buitenland 5. Muziekschool Sector VII Gem. apparaat en bestuurlijke organisatie 1. Alg en bestuurlijke zaken en bestuurlijke coördinatie 2. Samenwerkingsverbanden met andere gemeenten 3. Het gemeentelijk apparaat 4. Huisvesting gemeentelijk apparaat Sector VIII Openbare Diensten en voorzieningen 1. Gem. Energie- en Waterleidingbedrijven 2. Gem. Plantsoen en reinigingsdienst 3. Markt- en Havendienst 4. Openbaar Slachthuis en Keuringsdienst Sector IX Financiën 1. Fin. verhouding tussen Rijk en Gemeente 2. Plaatselijke belastingen en heffingen 3. Financiële controle 4. Verzekeringen De gemeentelijke organisatie in de jaren tachtig. Naast het overleg in sectoren en hoofdaandachtsvelden bleef de staande organisatie gehandhaafd. In 1983 bestond de secretarie uit 10 afdelingen (zie tabel Veranderingen in organisatie secretarie 1950-1990 en onderstaand schema). Diensten en bedrijven: Archiefdienst Atheneumbibliotheek Brandweer Energie- en Waterleiding-bedrijven Financiën Landerijen Markt- en Havendiensten Musea Openbare Werken Personeelsdienst Plantsoen- en Reinigingsdienst Politie Sociale Dienst Sportdienst Staffunctionaris Bijzondere Opdrachten Vleeskeuringsdienst Woonruimteverdeling Secretairie: Bestuurlijke en Juridische Zaken Bevolking Huishoudelijke Dienst en Inkoop Interne Zaken Onderwijs Onderzoek, Statistiek en Beleidsplanning Organisatie en Management Raden- secretariaat Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Voorlichting en Economische Zaken Welzijn Instellingen: Gemeentelijke Woningstichting Begin januari 1985 werd de leidraad bij organisatieveranderingen, in het bijzonder gericht op personele verschijnselen vastgesteld. Hierin werd o.a. geregeld dat medezeggenschapscommissies en Georganiseerd Overleg inspraak kregen. In januari 1985 werd secretarieafdeling ROV geïntegreerd bij de dienst Openbare Werken en kreeg de dienst kreeg de naam ROW (Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken). Op 25 februari 1985 werd de Gemeentelijke Personeelsdienst weer een secretarieafdeling. In maart 1987 werd besloten tot instelling van een Sociaal Economisch Bureau en in juni 1987 werden de afdelingen P.Z. (personeelszaken) en O&M (Organisatie en Management) samengevoegd tot de afdeling P&O (Personeel en Organisatie). 4 Totaaloverzicht Opbouw Gemeentelijke Organisatie 1989 Diensten en bedrijven: Archiefdienst Atheneumbibliotheek Brandweer Grondbedrijf Landerijen Musea Natuur- en Milieubeheer Politie Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken Sociale Dienst Sportdienst Waterleidingbedrijf Woning bedrijf Secretarie: Automatiseringscentrum Bestuurlijke en Juridische Zaken Bevolking, Burg. Stand en Mil. Zaken Financiën Huishoudelijke Dienst en Inkoop Interne Zaken Onderwijs Onderzoek, Statistiek en Beleidsplanning Personeel en Organisatie Sociaal-Economisch Bureau Voorlichting Welzijn Totaaloverzicht bezetting Organisatieonderdelen 1989 Formatieplaatsen; tussen haakjes aantal personeelsleden 4 Ontleend aan een notitie van de heer Theo de Jong van de gemeente Deventer d.d. 21 september 1999. 01 Archiefdienst: 7,2 (9) 02 Atheneum(stads)bibliotheek: 10,7 (13) 03 Brandweer: 35 (32 beroeps en 50 vrijw.) 04 Grondbedrijf: 12,5 (13) 05 Landerijen: p.m. ( p.m.) 06 Musea: 9,3 (11) 07 Natuur- en Milieubeheer: 158,7 (164) 08 Politie: 137,7 (139) 09 Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken: 107,9 (119) 10 Sociale Dienst: 99,9 (111) 11 Sportdienst: 41,2 (45) 12 Waterleidingbedrijf: p.m (p.m.) 13 Woningbedrijf: 25,9 (27)
De familie Nourij en de familie van der LandeDe familie Nourij Jean Baptiste Lenourrij uit Saint Remy des Landes, een plaatsje aan de Normandische kust, is de oudst bekende voorvader van de familie Nourij. Samen met zijn oom Jacobus Lenourrij vertrok hij in 1741 uit zijn dorp naar elders op zoek naar werk. Waarheen hij vertrok en verbleef tot aan zijn huwelijk is niet bekend. In de lijst van Deventer huisgezinnen uit 1748 komt zijn naam niet voor. Zijn zuster Maria trouwde in 1760 met Jacob Aziv de la Rivière en woonde daarna op het nu nog bestaande kasteel Taillefer bij Saint Remy des Landes. De familienaam Nourij bleef tot het uitsterven van het geslacht in 1879 door het overlijden van Franciscus Gustavus Nourij gewoonlijk met een ij geschreven. Vanaf de oprichting van de firma in 1838 spelde men in het bedrijf de naam, doorgaans in samenstelling met Van der Lande, met een y. Op 12 april 1751 trouwde Jean Baptiste Lenourrij, onder zijn Nederlandse naam Jan Nourij, te Deventer met Johanna Erica Meijer(s). Het paar vestigde zich in de Nieuwstraat op de hoek van de Tibbensteeg in een huis dat eigendom was van Anna Tiers, de ongetrouwde tante van Johanna. Johanna of Janna was op 19 januari 1723 katholiek gedoopt als dochter van Wijte Meijer en Geertruid Tiers. Uit de nalatenschap van haar in 1749 overleden tante werd Johanna het hoekhuis en pakhuis aan de Nieuwstraat toegewezen. Haar tante had het huis in 1728 van Janna's vader overgenomen. Anna Tiers verkocht er koffie en thee. Jan en Johanna zetten de winkel voort en begonnen daarnaast ook te handelen in katoenen garens, omdat op koffie, thee, cacao en tabak accijns werd geheven. Deze genotmiddelen werden als luxeartikelen beschouwd waarop een heffing of impost gerechtvaardigd was. Maar Jan had de inning van de accijns gepacht en de zaken verliepen voorspoedig, zodat hij rond zijn winkel verschillende panden kon kopen. Geleidelijk kwam hij zo in bezit van een gesloten complex gebouwen tussen de Nieuwstraat, de Tibbensteeg en de Bruynssteeg. Verspreid over de stad bezat hij nog meer onroerend goed. De familie zou tot aan haar uitsterven in de Nieuwstraat blijven wonen. Jan en Johanna kregen vijf kinderen. Antonius Jacobus (1762-1810) zou als jongste zoon de zaak van zijn vader overnemen. In hun testament van 1789 hadden zijn ouders vastgelegd dat Antonius aan zijn twee broers en twee zusters in totaal 1900 gouden Carolus guldens moest betalen om de winkel en de handel te mogen overnemen. Antonius Jacobus trouwde in 1790 te Weerselo met Catharina Johanna Kock, dochter van Theodorus Bernardus Kock, een vermogend wijnkoopman en handelaar in leer te Oldenzaal. Toen Catharina in 1795 overleed had zij haar man twee kinderen geschonken: Anna Baptista (1791-1852) en Derk Theodorus Bernardus (1792-1868). Antonius trouwde op 10 september 1796 voor de tweede keer met Maria Elisabeth Seegers (1768-1821), schoondochter van de burgemeester van Elten. Bij haar zou hij vijf kinderen krijgen, de latere Erven A.J. Nourij. Zijn vader Jan Nourij overleed enkele maanden later en werd 23 december 1796 begraven. Met de komst van de Fransen verdwenen voor de katholieken de vroegere beperkende bepalingen voor deelname in het openbaar bestuur. Zo werd Antonius al in 1794 opgenomen in het college van provisoren (bestuur) van het Grote Gasthuis. Tot zijn dood in 1816 zou hij "Opziender en bestierder van de godshuizen" blijven. De winkel en de handel in katoenen garens werden na zijn dood door zijn vrouw Maria overgenomen tot zij in 1821 overleed. De kinderen uit het eerste huwelijk van Antonius Jacobus, Anna Baptista en Derk Theodorus Bernardus, verhuisden naar familie in Oldenzaal. Anna Baptista bleef ongehuwd; haar broer trouwde in 1838 met Johanna Christina Essink (1818-1891), dochter van Anna Catharina van Coevorden. De vijf kinderen uit het tweede huwelijk, de Erven A.J. Nourij, bleven in de Nieuwstraat wonen. Naast de handel in garens begonnen zij zich ook te specialiseren in het verven van de katoen. Voor de fabricage van de verfstoffen werd een pakhuis in de Tibbensteeg ingericht. Door vermenging van het blauwe poeder, gemaakt door vermaling van de kristallen die ontstaan door indamping van zwavelzuurkoper, met lijnolie verkreeg men een uitstekende donkere verf. De benodigde lijnolie bracht hen in contact met Gerardus Johannes Lebuinus van der Lande. Uit de samenwerking tussen de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande ontstond zo in 1839 de firma Noury en Van der Lande. De familie Van der Lande De oudst bekende voorvader van de huidige familie Van der Lande, waarvan het bestaan en de identiteit met zekerheid bewezen kan worden, is Frerick Willemsen. Van hem stammen alle latere katholieke Van der Landes in Deventer af in rechtstreekse lijn. Van alle andere dragers van de achternaam Van der Lande kan dit niet bewezen worden. Frerick was omstreeks 1640 geboren en kocht op 24 juli 1663 het kleinburgerrecht van Deventer. Op 23 augustus van dat jaar trouwde hij met Marritge Dirx (Derks, Dircks), weduwe van Henrick Pieters. Het echtpaar woonde in de Smedenstraat. In het register van namen van de groot- en kleinburgers van Deventer is zijn inschrijving terug te vinden onder "Frerick Willemsz van der Laen, van Delden geboortich". Pas in 1675 wordt hij in het kohier van hoofdgeld vermeld als "Frederick van der Lande en sijn Vrouwe in de Smedenstraat". Vergelijking van bijnamen, woonplaats, leeftijd en naam van de echtgenote moeten in deze tijden van naamsveranderingen en spellingswisselingen uitsluitsel geven over de ware identiteit van de betrokkene. Frederik was katholiek en kon dank zij het verworven burgerschap zijn beroep (blijven) uitoefenen. Aan katholieken kon officieel geen burgerschap verleend worden, zodat zij geen lid van een gilde konden worden en dus hun beroep niet mochten uitoefenen. Op 2 augustus 1727 werd Frederik begraven op het kerkhof naast de Broederenkerk. Zijn oudste zoon Willem (1672-1755) was reeds uurwerkmaker van beroep. Hij trouwde op 20-2-1701 met Lijsbeth Berghuijs van de Stromarkt. Toekenning van het burgerschap was een voorwaarde om aan het openbare leven en het stadsbestuur te kunnen deelnemen. Het recht van openbare godsdienstuitoefening zou te Deventer pas in 1751 worden toegestaan. Tot die tijd moesten de katholieken zich behelpen met schuilkerken. Deze onderdrukking door de kerk van de ware religie maakt het begrijpelijk dat de katholieke Van der Landes sympathie ontwikkelden voor de patriottenbewegingen aan het einde van de achttiende eeuw. Deze beloofden een einde te maken aan de discriminatie van de katholieke gemeenschap in het openbare leven. Zo zetten Gerrit van der Lande (1722-1792) en zijn zoon Willem (1758-1820) hun handtekeningen onder de petities aan het stadsbestuur voor opname van meer bevolkingsgroepen in de magistraat. Willem van der Lande trouwde in 1791 met de rijke Berendina Olthof uit Heeten in het kerspel Raalte. Hij had vertrouwen in de toekomst en kocht in 1793 van de familie Outhuis een huis en erf aan de Brink, het eeuwenoude, grote marktplein in Deventer. Tot dan toe had de familie Van der Lande steeds aan de Smedenstraat gewoond. Met de komst van de Fransen in 1795 verdwenen de beperkende bepalingen voor de katholieken en kwam er een einde aan hun achterstelling bij de gereformeerden. In 1796 werden eindelijk alle godsdiensten voor de wet gelijkgesteld en kwam de scheiding tussen kerk en staat tot stand. In 1799 kregen de katholieken de Broederenkerk toegewezen. De oudste zoon van Willem, Gerrit Johannes Lebuinus (1792-1854), zou de eerste Van der Lande worden met de naam van de stadspatroon van Deventer in zijn doopnamen. Vele latere zonen en ook dochters zouden gedoopt worden met de naam Lebuinus. Willem verkocht in zijn winkel aan de Brink kruidenierswaren, tabak en sterke drank en leverde en repareerde daarnaast ook uurwerken. Later handelde hij tevens in hout en was vooral gespecialiseerd in doodskisten. Hij behoorde duidelijk tot de maatschappelijke bovenlaag van de bevolking, want na zijn overlijden in 1820 werden zijn bezittingen gewaardeerd op 7400, wat een heel kapitaal was in die tijd. De akte van scheiding en deling van zijn nalatenschap geeft het oudste bewaarde overzicht van de bezittingen van de familie Van der Lande. Zijn zoon Gerrit zette de winkel voort en trouwde nog in het jaar van het overlijden van zijn vader op 31 augustus 1820 met de molenaarsdochter Wilhelmina Rensen uit Heeten. Ook hij repareerde uurwerken en breidde het assortiment handelswaren uit met granen, peulvruchten, specerijen en veevoeders. Anders dan zijn vader, die een slordige boekhouding bijhield, was Gerrit veel nauwkeuriger in het administreren van de financiën. Overal waar hij kwam maakte hij aantekeningen van de prijzen van zijn handelswaar. De klantenkring breidde zich gestaag uit buiten Salland, Twente, de Veluwe en de Achterhoek toen hij de eerste handelscontacten met Duitsland en de Aanstreek legde. Toch speelde de economische malaise ook hem parten en zag hij zich gedwongen zijn handelswaar gedeeltelijk zelf te produceren. In 1834 kocht hij daarom met een hoge hypotheek van de gezusters Van Calker een pakhuis en vier woonhuizen in de Bergstraat. Met de paardenmolen perste hij hier uit zaden raapolie voor de olielampen en lijnolie. Dit laatste product bracht hem in contact met de Erven A.J. Nourij, die al langere tijd handelden in verfstoffen. Toen de Erven ook zelf de verfstoffen wilden fabriceren door middel van uitdamping van zwavelzuurkoper, wat grote blauwe kristallen opleverde, die - na vermalen en gemengd te zijn met lijnolie - een uitstekende donkere verfstof opleverden, keken zij uit naar een geschikte handelspartner die hen deze olie kon leveren. In het kleine Deventer moesten beide katholieke families elkaar wel tegenkomen en lag samenwerking tussen hen voor de hand. In 1838 kochten G.J.L. van der Lande en de Erven A.J. Nourij de twee olie-, pel- en cementmolens De Eendragt en De Hoop van Pieter van Delden voor slechts 19.300. Aan de Brink werd het monumentale pakhuis "De drie vergulde Haringen" uit 1575 gekocht om als kantoor te dienen. Op 6 februari 1839 passeerde voor notaris D.J.R. Jordens de oprichtingsakte van de firma Noury en van der Lande. Door de samenwerking met de Erven Nourij verbeterde Gerrit zijn boekhouding en profiteerde hij van de vele handelscontacten die de familie Noury hem verschafte. Johannes Petrus Noury zou zijn handelspartner worden; hij liep stad en land af als handelsreiziger. Zijn technische belangstelling en passie voor wiskunde deden Gerrit al vroeg het grote belang van de nieuwe stoommachine inzien. In 1848 werd dan ook de eerste kolengestookte stoommachine met een vermogen van 19 pk aangeschaft. Dankzij de aanleg van spoorwegen konden in Deventer vanaf 1865 vanuit Arnhem en in 1888 vanuit alle richtingen per trein kolen aangevoerd worden, onafhankelijk van de lage waterstand van de IJssel. G.J.L. van der Lande overleed op 11 oktober 1854 en werd in de firma opgevolgd door zijn oudste zoon Antonius Lebuinus. Antoon stootte de uurwerkhandel af en was, anders dan zijn vader, meer internationaal georiënteerd. Hij maakte vele buitenlandse reizen en was hierdoor goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op handelsgebied. Zo reisde hij in 1855 met zijn vriend, de eerste commies en locosecretaris Jan Poelhekke, naar de wereldtentoonstelling in Parijs waarvan hij een uitgebreid reisverslag maakte. In 1858 was Antoon getrouwd met Anna Maria Borgmeijer uit Zwolle en een jaar later had hij zijn drie zusters uit de firma gekocht. Op 10 juni 1870 was hij reeds voor de helft eigenaar van het bedrijf. In 1871 werd de akte van oprichting van de firma uit 1839 ontbonden en werd een nieuwe firma opgericht. Het aantal vennoten moest verminderd worden. Van de Erven Nourij was alleen Theresia Apolonia Catharina op 33-jarige leeftijd getrouwd met Hermanus Rooseboom. Op 6 oktober 1842 werd hun dochter Hermanna Maria Elisabeth geboren en het liet zich aanzien dat zij de enige erfgenaam van de Erven Nourij zou worden. Op 8 juli 1868 trouwde zij met Everhardus Theodorus Jacobus Wilhelmus Krepel, maar overleed kinderloos in 1871. Toen tussen 1871 en 1875 drie van de vier Erven Nourij kinderloos overleden bleef Franciscus Gustavus Nourij, de Deventerse huisarts, als enige over. Van de beide kinderen uit het eerste huwelijk van zijn vader met Catharina Johanna Kock waren hem vele bezittingen toegekomen. In 1877 maakte hij zijn testament en benoemde A.L. van der Lande als universeel erfgenaam. Toen F.G. Nourij op 26 maart 1879 overleed was Antoon van der Lande voor 19/20 deel eigenaar van de firma. Voor het resterende deel kocht hij de familie Krepel uit op 17 januari 1880. Antoon was nu de enige firmant. In het zakenleven kende hij grote successen en werd hij een rijk man. In zijn huwelijksleven kende hij echter vele tegenslagen. Zo stierven zeven van zijn tien kinderen voor ze de leeftijd van zes jaar hadden bereikt; sommigen stierven al na enkele dagen of maanden. Een dergelijke hoge kindersterfte was heel normaal in deze tijd. Antoon was maatschappelijk actief in de gemeenteraad, de Kamer van Koophandel en de Commissie van Toezicht voor de gemeentelijke gasfabriek. Hij nam deel aan het werk van de Commissie inzake het slopen van de vestingwerken. Daarnaast was hij nog collectant en kerkmeester in de Broederenkerk, regent van het St. Jozef Gesticht en bemiddelde bij de verkoop van grond aan de Cisterciënzer-monniken van de latere abdij Sion bij Diepenveen. Zijn vrouw Anna Maria voerde correspondentie met Mgr. Henricus van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, over de vorming van een tweede parochie in Deventer. In 1904 kwam zodoende de parochie van het Heilig Hart van Jezus tot stand. Antoon had zijn in 1866 geboren zoon Johannes Christiaan Lebuinus voorbestemd om hem in het bedrijf op te volgen. In 1886 deed Johannes (Jan) zijn intrede en toonde zich een ijverige leerling, bewust van zijn toekomstig leiderschap. Zijn jongere broer Wilhelmus Antonius Lebuinus was door zijn vader niet geschikt bevonden leiding te geven aan de firma. Het jaar 1888 werd voor de familie Van der Lande een rampjaar en een keerpunt voor het bedrijf. Terwijl zijn vader in een kuuroord te Wiesbaden probeerde te herstellen van een zenuwontsteking in zijn hoofd, brandden in juli van dat jaar de olie- en meelfabriek in Deventer tot de grond toe af. Jan was net door zijn vader op 11 april 1888 gemachtigd namens hem alle wissels en graancontracten te tekenen en hij moet dan ook met lood in de schoenen naar Wiesbaden zijn vertrokken om het slechte nieuws te vertellen. Op dezelfde plek verrees een grotere en meer moderne meelfabriek dan voorheen. Pas per 1 mei 1894 werd Jan naast zijn vader medevennoot in de firma en mocht hij na diens dood de firma alleen voortzetten. Antoon moest zich in augustus 1895 wegens gezondheidsredenen moest terugtrekken en hij stierf op 19 maart 1896. A.L. van der Lande had een persoonlijk vermogen opgebouwd van bijna 1,5 miljoen gulden, terwijl hij na het overlijden van zijn vader in 1854 maar ruim 8000 had geërfd. J.C.L. van der Lande was op 2 oktober 1889 in Schiedam getrouwd met Wilhelmina Elisabeth Maria Jansen. In 1890 werd hun eerste zoon geboren en tot 1908 zou zijn vrouw nog elf kinderen ter wereld brengen, waarvan er geen enkele op jonge leeftijd zou overlijden, zoals in de vorige generatie. Bij de scheiding en deling van de nalatenschap van zijn vader tekende Jan een schuldbekentenis van 150.490,62 voor zijn jongere broer Willem, die zo uit de firma werd gezet. Jan ergerde zich aan de inzet van zijn broer in het bedrijf. Willem raakte door zijn verkwistende manier van leven ondanks zijn vele geld toch nog in ernstige financiële problemen, zodat hij op verzoek van zijn vrouw Christina Helena Hendrika ten Pol in 1901 onder curatele werd gesteld. Zijn broer Jan en notaris Theodoor George ten Pol, broer van Christine, werden tot curatoren benoemd. Tot zijn dood op 16 augustus 1909 zou Willem in hotel-pension Holtzem te Kleef verblijven onder het waakzame oog van Theodor Sievert. Na het overlijden van zijn moeder op 29 september 1913 werden aan J.C.L. alle roerende zaken van het bedrijf toegewezen, zoals vastgelegd in de akte van scheiding en deling tussen A.L. van der Lande en zijn vrouw. Zijn broer zou een kwart ontvangen, dat aan zijn beide dochters Anna Maria (1895-1977) en Carolina Clotilda Maria (1898-1992) werd toegewezen. Christine hertrouwde in 1914 met Raymond Marquis de Laâge de Meux en verhuisde met haar kinderen naar Bordeaux. J.C.L. van der Lande vervulde in zijn leven tal van maatschappelijke functies. Zo was hij van 1908 tot 1915 voorzitter van de Vereeniging voor de Verbetering van den IJssel. Van 1913 tot 1916 en van 1920 tot 1932 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal voor de Roomskatholieke Staats Partij en hij werd in 1924 benoemd tot voorzitter van de Staatscommissie inzake het Drankvraagstuk. Voor deze verdiensten werd hij in 1926 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Groot was zijn inspanning voor de overbruggingen van de IJssel bij Deventer, van de Waal bij Nijmegen en de Rijn-Schelde-verbinding van Antwerpen. Na het huwelijk van zijn tweede zoon Petrus Lebuinus Maria in 1918 te Tilburg met Maria Justina Straeter maakte Jan met zijn vrouw op de terugweg naar Deventer een tussenstop bij Nijmegen en zagen zij in het nabij gelegen Ubbergen een mooie villa te koop staan. Al langere tijd speelden zijn vrouw en hij met de gedachte te verhuizen uit Deventer naar een plek in Nederland waar hun kinderen meer kans hadden een geschikte katholieke huwelijkskandidaat te ontmoeten. Jan had een afkeer van de omgang van zijn kinderen met andersdenkenden en ongelovigen. Het echtpaar werd het eens en kocht de villa Waalheuvel in Ubbergen van de aan het einde van de Eerste Wereldoorlog geruïneerde Duitse bankier Alfred Hethey. De miljonair had vanaf 1916 de vroegere villa Eik en Berg en pleisterplaats Het Roode Hert grondig verbouwd, uitgebreid en uitermate luxueus ingericht. Het kleine paleis lag ideaal onder aan een beboste heuvelrug langs de Rijksstraatweg van Nijmegen naar Kleef met een prachtig uitzicht over het Nijmeegse rivierenlandschap. Hun dochter Maria Hubertina Wilhelmina trouwde van hier uit in 1927 met Jan Eduard de Quay, de latere minister-president en president-commissaris van Noury en Van der Lande. Na haar zouden nog vele kinderen van Jan en Mina bij hun huwelijk op het bordes van Waalheuvel gefotografeerd worden. Tot hun verhuizing in 1940 naar het pand Oranjesingel 41 in Nijmegen zouden J.C.L. en zijn vrouw er blijven wonen. In 1941 verkocht hij de villa voor de spotprijs van ( 40.000 aan de Nijmeegse aannemers Berntsen en Braam, die het kapitale pand als tussenpersoon voor dezelfde prijs doorverkochten aan de Congregatie van de Zusters van de Choorstraat. Nadat hij in 1935 als directeur was afgetreden vierde Jan in 1936 op grootse wijze zijn 70e verjaardag. Bij die gelegenheid werd hij tot ereburger van Deventer benoemd en onderscheiden als Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Bij hun gouden huwelijksfeest in 1939 telde het echtpaar Van der Lande-Jansen meer dan 50 kleinkinderen. Vanaf 1941 was J.C.L. vaak langere tijd aan zijn bed gekluisterd en op 20 februari 1943 overleed hij te Nijmegen. Zijn stoffelijk overschot werd na de uitvaartdienst in Nijmegen per trein naar Deventer vervoerd, waar onder grote belangstelling vanaf het kantoor aan de Brink een lange rouwstoet vertrok naar de Roomskatholieke begraafplaats, waar zijn lichaam werd bijgezet in het familiegraf. J.C.L. van der Lande is zonder twijfel de belangrijkste man in de geschiedenis van het bedrijf Noury en Van der Lande geweest. Onder zijn leiding groeide de NV uit tot een groot wereldwijd bekend concern. Na zijn overlijden werd door de Duitse autoriteiten M.H.H. Franssen aangesteld als Verwalter en belast met het beheer van het vermogen van de deelgerechtigden in de boedel van J.C.L. van der Lande die in de vijandelijke gebieden woonden. De afwikkeling van de boedelscheiding zou nog jaren op zich laten wachten omdat de preferente B-aandelen, die recht gaven op een bindende voordracht bij de benoeming van directieleden en commissarissen, tot de onverdeelde boedel gingen behoren. Na het overlijden van W.E.M. van der Lande-Jansen op 17 maart 1954 werden deze aandelen gelegateerd aan de naar haar genoemde Stichting. Op 1 juli 1958 kon de boedelscheiding worden afgerond met de oprichting van de NV Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen. Van de zonen van J.C.L. van der Lande heeft Petrus Lebuinus Maria (1891-1979) de meeste stukken in het familiearchief nagelaten. Hij trad vooral in de voetsporen van zijn vader en kwam al in 1913 in het bedrijf te werken. Al spoedig werd Piet directeur van de Overijselsche IJzergieterij. Van 1916 tot 1919 vervulde hij deze functie bij de NV Bergerode. In 1919 werd hij in de directie van Noury en Van der Lande opgenomen en was vanaf 1921 belast met de leiding van de olie- en meelsector. Tussen de beide Wereldoorlogen was hij o.a. directeur van Novadel Deventer en de Handelsmaatschappij en commissaris van vele andere NV's. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij een volledige volmacht van de NV bij de leiding van de wederopbouw van de verwoeste Oelwerke in Emmerich. Van 1952 tot 1957 steeg het aantal werknemers bij de Oelwerke van 10 naar 220. Evenals zijn vader was Piet in zijn 43-jarige loopbaan bij Noury en Van der Lande lid van talrijke verenigingen en commissies op sociaal-economisch gebied. Een greep uit de vele functies die hij bekleedde laat dit zien: medeoprichter van de Jonge Katholieke Werkgeversvereniging, lid van de gemeentelijke Commissie voor de Volksconcerten, bestuurslid van de Deventer Oranje Vereniging, vicevoorzitter van het Centrum voor Katholiek Sociaal Werk. Belangrijk voor het bedrijf waren zijn bestuursfuncties bij de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten en de Vereniging voor Inheemse Tarweafnemers. Op 13 mei 1931 werd hij door Koningin Wilhelmina benoemd in de Commissie van Advies voor de uitvoering van de Tarwewet 1931. Voor al deze verdiensten werd hij in 1938 bij het 100-jarig bestaan van het bedrijf benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. In 1957 nam Piet op 65-jarige leeftijd afscheid van de NV. De W.E.M. van der Lande-Jansen Stichting Na het overlijden van J.C.L. van der Lande op 20 februari 1943 werden de in totaal 3000 gewone A-aandelen eigendom van zijn vrouw en zijn twaalf kinderen. W.E.M. van der Lande- Jansen erfde 58 B- of preferente aandelen. Aan de 60 B-aandelen was het recht verbonden van het opmaken van een bindende voordracht van twee personen bij de benoeming van een directeur of een commissaris. De AVA was verplicht uit de voordracht te kiezen. Daarnaast waren besluiten van de AVA over het aantal directeuren, commissarissen en wijziging van de statuten onderworpen aan de goedkeuring van de houders van B-aandelen. In 1932 had J.C.L. van der Lande al twee B-aandelen overgedragen aan de commissarissen J.C.Th. Resius en H. Kronenberg. Deze oligarchische clausule in de statuten was door Van der Lande bedoeld om zich zelf en na zijn overlijden zijn vrouw een zekere zeggenschap te geven bij de benoeming van de directeuren van de NV. Wanneer er na het overlijden van beiden geen (groep van) personen of stichting zouden zijn, die een natuurlijk recht op het bezit van de preferente aandelen konden laten gelden, dan zou hun bestaansrecht ophouden. Om dit te voorkomen en om haar kinderen toch te verzekeren van een grote zeggenschap over deze aandelen moest er tijdens het leven van W.E.M. van der Lande-Jansen een stichting opgericht worden waaraan de B-aandelen gelegateerd konden worden. Op deze manier kon worden voorkomen dat de aandelen gelijk over de twaalf kinderen verdeeld raakten en in de toekomst mogelijk door verkoop in handen van derden zouden raken. In 1945 kwam er een J.C.L. van der Lande Fonds tot stand. In de stichtingsakte van de Nijmeegse notaris H.C.W. van Schaik uit 1946 was bepaald dat W.E.M. van der Lande-Jansen gedurende haar leven enige bestuurster zou zijn en dat de stichting niet vóór haar dood opgeheven kon worden. Doel van de stichting was "de maatschappelijke handhaving van het geslacht Van der Lande en behartiging hunner moreele en finantieele belangen" (art. 2). Na het overlijden van mevrouw Van der Lande zou het bestuur berusten bij een college van vijf natuurlijke personen bestaande uit twee commissarissen, een directeur van NL en twee A-aandelenhouders, die tevens bloedof aanverwanten van de stichteres moesten zijn (art. 13). De grote macht die aan de kleine hoeveelheid van 60 B-aandelen toekwam maakte het noodzakelijk dat ze in stand gehouden moesten worden om in de toekomst NL uit handen van derden te houden. De stichting moest de aandelen beheren en vóór de vergaderingen van aandelen B-houders bepalen hoe er gestemd diende te worden door de leden. Een voorstel van de heer Resius uit 1947 het aantal bestuursleden van de stichting uit te breiden tot 17 (twaalf kinderen en vijf commissarissen werd niet door notaris Van Schaik overgenomen in zijn nieuwe ontwerp voor een stichtingsakte. Bij deze op 14 april 1948 verleden akte werd door de inmiddels 79-jarige mevrouw Van der Lande de Van der Lande Stichting opgericht. De doeleinden van de stichting waren onveranderd gebleven. Gedurende het leven van de stichteres en zolang zij houdster van de B-aandelen was kon de stichting niet opgeheven worden. Na het overlijden van de heer Resius in 1951 werd zijn aandeel B een jaar later overgedragen aan commissaris B.H.A. van Kreel. In 1953 gaf een driemanschap bestaande uit de heren P. van Berkum, B.J.M. van Spaendonck en J. Kraayenhof mevrouw Van der Lande op haar verzoek het advies opnieuw een stichting op te richten waarvan het bestuur ditmaal uit zeven personen zou bestaan: twee directeuren van NL, twee vertegenwoordigers van de twaalf staken en drie complete buitenstaanders, die ook niet aan de familie verwant mochten zijn. Lid van een staak was ieder kind van J.C.L. van der Lande en de gezamenlijke afstammelingen van dat kind in rechte lijn en de echtgenoot van dat kind of afstammeling. De bedrijfsjurist van NL, de heer R.M. Lievaert, maakte vervolgens een ontwerp voor een stichtingsakte, die op 8 juli 1953 passeerde bij notaris Van Schaik. Een door de familievergadering ingestelde commissie bestaande uit Prof. Dr. J.E. de Quay, Mr. L.N. Deckers, Ir. W.H.F. Coebergh en P.L.M. en W.J.L. van der Lande besloot op 17 augustus 1953 mevrouw Van der Lande te verzoeken artikel vier te laten wijzigen, zodat uit de Raad van Commissarissen drie leden benoemd zouden worden in het bestuur van de stichting. Omdat W.E.M. van der Lande-Jansen op 85-jarige leeftijd haar einde voelde naderen drong zij aan op eensgezindheid onder haar kinderen. B.L.M. van der Lande wilde zelfs de rechter vragen de nietigheid van de stichting uit te spreken. Na een volgende familievergadering op 17 december 1953 besloot mevrouw Van der Lande weer enkele nieuwe bepalingen in de nieuwe stichtingsakte op te nemen, die op 20 januari 1954 werd verleden. Het doel van de W.E.M. van der Lande-Jansen Stichting was nu volgens artikel 2: "1. De bevordering van de bloei en de welvaart van de ondernemingen van de Koninklijke Industrieele Maatschappij Noury & Van der Lande NV [...] en [...] gelieerde en onderhorige maatschappijen; 2. te bevorderen, dat de mannelijke nakomelingen van wijlen de heer J.C.L. van der Lande [...], die zelf de naam Van der Lande dragen, zoveel mogelijk in de leiding van de vennootschap worden opgenomen, echter alleen voor zover zulks mede bevorderlijk is voor het bereiken van het onder 1. genoemde doel." Het College van Bestuurders bestond nu uit zeven leden: drie commissarissen van NL, twee directieleden en twee leden aangewezen uit de houders van de elf stichtingsbewijzen die leden van de staken zijn en waarvan geen lid tevens directeur is van de vennootschap. Uitgezonderd A.L.M. van der Lande, de oudste zoon van mevrouw Van der Lande, werden alle kinderen van J.C.L. van der Lande en de weduwe van de in 1949 overleden J.A.L. van der Lande ingeschreven in het stichtingsregister. Op 17 maart 1954 stierf W.E.M. van der Lande-Jansen en werd J. Kraayenhof aangesteld als executeur-testamentair in haar nalatenschap. Na het overlijden van de heer Kronenberg in hetzelfde jaar bood zijn weduwe het aandeel B no. 59 ter overname aan bij de Stichting. Met ingang van 1 januari 1957 trad de Wet op de Stichtingen in werking. Een stichting mocht voortaan niet meer als doel hebben het schenken van uitkeringen aan de oprichters, tenzij deze uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Artikel 14 van de statuten, waarin geregeld werd dat het batig saldo van een kalenderjaar uitgekeerd moest worden aan de stichtinghouders, diende aangepast worden vóór 1 januari 1960. Na de statutenwijziging van 1959 kon het batig saldo voortaan ook bestemd worden aan "doeleinden, overeenstemmend met de godsdienstige of maatschappelijke overtuiging, welke de oprichtster heeft aangehangen." Het aandeel B van de heer Van Kreel werd in 1959 aangekocht zodat de Stichting nu alle preferente aandelen in haar bezit had. Voor de uitwerking van artikel twee van de statuten werd Prof. Dr. J.E. de Quay, getrouwd met een dochter van J.C.L. van der Lande, gevraagd een gedragslijn te ontwerpen voor de beoordeling van de geschiktheid van de mannelijke nakomelingen van J.C.L. van der Lande voor een leidinggevende topfunctie bij NL. In 1961 werd de richtlijn vastgesteld. In het vervolg bracht de beoordelingscommissie van de Stichting over elke sollicitant uit de familie Van der Lande een niet bindend advies uit aan de directie over de geschiktheid van de kandidaat voor een leidinggevende functie binnen het bedrijf. Dragers van de familienaam Van der Lande kregen bij gelijke geschiktheid voorrang boven anderen. Afstammelingen van J.C.L. van der Lande die niet de naam Van der Lande droegen werden gelijk gesteld met alle andere sollicitanten. Hoofddoel van deze richtlijn was het voorkòmen van de benoeming van minder geschikte leden van de familie op belangrijke posten binnen de NV. De Quay werd na de beëindiging van zijn minister-presidentschap voorzitter van de beoordelingscommissie, waarbij hem zijn kennis van de psychologie goed van pas kwam. In 1979 werden de statuten van de Stichting geheel gewijzigd en opnieuw vastgesteld door het enig overgebleven bestuurslid De Quay. Gelijktijdig met de benoeming van Petrus Bernardus Lebuinus Maria, Erik Johannes Petrus Lebuinus en Maarten Louis Bernard van der Lande in het bestuur zou De Quay aftreden. Het dienen van de familiebelangen van de nakomelingen van mevrouw W.E.M. van der Lande- Jansen door het bevorderen van de onderlinge familiebanden zou voortaan het doel van de Stichting zijn. Zij tracht dit te bereiken door het bijhouden van een familieregister en het verzamelen en in stand houden van het familiearchief. P.B.L.M. van der Lande werd door de andere bestuursleden aangewezen als voorzitter van de Stichting en hij heeft deze functie tot zijn dood in 1998 vervuld. Geschiedenis van het bedrijfDe Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande De firma Noury & Van der Lande werd 6 februari 1839 opgericht. Op deze datumpasseerde voor notaris D.J.R. Jordens te Deventer de akte van oprichting van de firma. Nourij werd voortaan geschreven met een y. Als begindatum werd 6 september 1838 aangemerkt omdat op deze dag door de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande de olie-, pel- en cementmolens "De Hoop" en "De Eendragt" op gezamelijke rekening werden aangekocht voor slechts ( 19.300. Beide molens lagen buiten de Deventer vestingmuren ten zuiden van de stad op de Teuge langs de Koerhuisbeek. "De Eendragt" zou al spoedig worden verkocht, afgebroken en herbouwd te Dordrecht. Met de pel- en oliemolen "De Hoop" werd uit raap- en lijnzaad olie geperst. Het restprodukt verwerkte men tot veekoeken. Daarnaast werd er gerst gepeld en Andernacher steen tot cement vermalen. De aanleiding tot het aangaan van een samenwerkingsverband tussen de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande vormde de wederzijdse belangstelling voor de productie van lijnolie. De Erven hadden een winkel en dreven handel in katoenen garens. In verband met de economische crisis, die ook Deventer teisterde in de jaren twintig van de 19e eeuw, besloten de Erven andere mogelijkheden te onderzoeken. Ze begonnen handel te drijven in verfstoffen en startten al spoedig met de fabricage daarvan. In hun pakhuis in de Tibbensteeg te Deventer werd begonnen met uitdamping van zwavelzuurkoper, ook blauwe vitriool genoemd. Er ontstond door dit proces een blauw poeder dat vermengd met lijnolie een waterbestendige verfstof opleverde die uitstekend geschikt was voor het bewerken van scheepsrompen tegen de aangroei van algen en schelpdieren. Het was hun wens naast de productie van de verfstof ook de verf te gaan maken met zelf geproduceerde lijnolie. De behoefte aan het ontbrekende product lijnolie bracht hen zo in contact met G.J.L. van der Lande. Hij bezat een winkel in kruidenierswaren gunstig gelegen aan de Brink, het grote marktplein in Deventer. Al snel verkocht hij ook allerlei artikelen als lijn- en raapkoeken, maïs, grutten, bloem, bonen en aardappelen. Rond 1825 begon hij op de markten in de omtrek van Deventer graan, oliezaden, bonen e.d. te kopen met de bedoeling deze producten te verhandelen. Ook G.J.L. ondervond hinder van de economische crisis. Door de dalende koopkracht van de boeren en burgers was het handeldrijven niet meer rendabel genoeg en moest ook hij naar andere inkomstenbronnen omzien. In 1834 kocht Van der Lande aan de Bergstraat een pakhuis met erf en twee ernaast gelegen woonhuisjes. Met een primitieve paardenmolen werden raap- en lijnzaden verwerkt tot respectievelijk raap- en lijnolie en werden van het overblijvende schroot veekoeken vervaardigd. De Erven en G.J.L. besloten samen de gok te wagen. Buiten de pel- en oliemolens kochten zij het op de Brink te Deventer gelegen monumentale historische pand "De drie vergulde Haringen" om er hun kantoor in te vestigen. De Nourij's brachten ruime administratieve kennis in en hadden veel Duitse handelscontacten. G.J.L. was de technicus en pragmaticus en tevens degene die het grootste stempel op de onderneming drukte. Hij was een veelzijdig man en behield zijn kruidenierswinkel, waar hij ook het beroep van horlogemaker uitoefende. Zijn privéhandel bleef bestaan, hoewel zijn aandacht steeds meer door de firma in beslag werd genomen. Om de arbeiders bij aanhoudende windstilte aan het werk te houden kocht de firma in 1846 bij Haarle in de gemeente Hellendoorn 45 bunder heide, woeste grond en bos die zij dan konden ontginnen. Het probleem van de niet draaiende molen werd opgelost door de aanschaf van een stoommachine in 1848. G.J.L. van der Lande toonde hiermee zijn vooruitziende blik in een tijdperk waarin de stoommachine nog als een werktuig van de duivel werd gezien! In Aken werd een tweedehands stoommachine van 19 pk gekocht die met paard en wagen naar Deventer vervoerd moest worden in deze tijd zonder spoorwegen. De firma bezat nu een der eerste door stoomkracht aangedreven olieslagerijen en meelfabrieken in Nederland. Het bedrijf kon nu onafhankelijk van de wind tarwemeel malen, het personeel beter aan het werk houden en zodoende de productie sterk uitbreiden. Op het terrein naast de molen "De Hoop" werd een fabrieksgebouw gevestigd. De firmanten noemden zich geen molenaar meer maar fabrikant. Iedere fabrikant had in die tijd een eigen afzetgebied; Nederland was in regio's verdeeld en men respecteerde elkaars klantenkring. Het was een ongeschreven wet dat men geen klanten probeerde te winnen buiten het eigen gebied. Er bestond geen keiharde concurrentie en de fabrikanten gingen dan ook vriendschappelijk met elkaar om. Door onderlinge huwelijken werden de banden nog nauwer aangehaald. In dit kleine wereldje zou de volgende generatie Van der Lande het roer overnemen. De Erven A.J. Nourij en A.L. van der Lande Van 1838 tot 1854 werd het bedrijf hoofdzakelijk geleid door J.P. Nourij en G.J.L. van der Lande. In 1853 had de firma 6 man personeel. De toekomstperspectieven voor de zoon van G.J.L. van der Lande waren nog steeds niet erg gunstig: de IJssel zorgde door zijn lage waterstand al tientallen jaren voor problemen. Hierdoor bleven de Rijn en het Duitse achterland slecht bereikbaar. De aanleg van de eerste spoorwegen zou nog lang op zich laten wachten, zodat het vervoer grotendeels over de slechte wegen moest geschieden. Op 11 oktober 1854 overleed G.J.L. van der Lande en werd zijn zoon Antonius Lebuinus firmant. Onder zijn leiding breidde het bedrijf zich sterk uit. Hij had het geluk echter aan zijn kant toen in 1855 de accijns op het gemaal werd afgeschaft. Meteen besloot hij over te gaan op het malen van tarwemeel. Meer dan zijn vader was hij internationaal georiënteerd en maakte vele buitenlandse reizen. Zo was hij goed op de hoogte van nieuwe handelsgebruiken, marktprijzen en technieken. Ook had A.L. van der Lande zijn tijd mee toen eindelijk werd besloten de IJssel tot een groter vaardiepte uit te baggeren. In 1859 liet hij de eerste door hem gecharterde graanschepen naar Dantzig varen. Het onderhouden van de contacten met commissionairs en handelaren liet hij voortaan over aan zijn vertegenwoordigers. In plaats van persoonlijke gesprekken met zijn afnemers gaf hij eigen prijscouranten uit en voerde eigen handelsmerken in. Toch bleef hij zeker de eerste decennia meer handelaar dan fabrikant. Rechtstreeks of via importeurs werd graan uit Amerika ingevoerd en werden contracten gesloten met firma's in Amsterdam, Antwerpen, New Orleans, Philadelphia en New York. In 1868 brandden de meelfabriek en de molen tot de grond toe af. De molen werd niet meer herbouwd. Een grotere fabriek, die nu uitsluitend werd aangedreven door stoomkracht, verrees op dezelfde plek en in 1876 had de firma 25 man in dienst. De meelfabriek zou in de komende decennia nog ettelijke keren worden uitgebreid. In 1871 kocht Anton zijn drie zusters uit de firma en ging een nieuw vennootschapscontract aan met de Erven A.J. Nourij. In dit contract werd bepaald dat hij na het overlijden van het laatste lid van de Erven Nourij de firma alleen mocht voortzetten. Toen in 1879 F.G. Nourij als laatste mannelijke nazaat der Nourij's stierf werd hij aldus de enige firmant. Wel zou de naam Noury in het bedrijf blijven voortleven in produkt- en bedrijfsnamen. De privéhandel ging vanaf dat moment geheel in de firma op. In 1878 werd het pand Brink 13 uitgebreid en verbouwd tot een groot winkel-woonhuis annex graanpakhuis. De omzet van de handel in granen, zaden en veevoeder nam zo sterk toe dat Anton in 1887 op het Pothoofd te Deventer aan het Overijssels Kanaal een groot pakhuis liet neerzetten. Tevens werden er in Zutphen, Zwolle en Groningen graandepots aangelegd. Hij werd een vermogend man en behoorde tot de aanzienlijke burgers van Deventer. In de zomer van 1888 sloeg echter het noodlot opnieuw toe. Zowel de olie- als de tarwemeelfabriek werden geheel in de as gelegd. Na deze ramp besloot Anton tot herbouw van de meelfabriek in Deventer op de Teuge. De oliefabriek werd echter in Kleef in Duitsland opnieuw gebouwd. Tot de bouw van de oliefabriek "Hollandia" in Kleef aan het Spoykanaal, net over de Duitse grens, werd besloten omdat in Nederland een grote concurrentie op het gebied van olieproductie en -afzet was ontstaan en de buurlanden de eigen markt gingen beschermen door het heffen van hoge invoerrechten. De afdeling veevoederfabricage werd overgebracht naar een nieuw ingerichte fabriek aan de Handelskade te Deventer. Hier werd het restproduct van het vermalen lijnzaad, dat vanuit de Duitse oliefabriek werd aangevoerd, tot veekoeken verwerkt. Samengevat kan gezegd worden dat A.L. van der Lande, als eerste echte moderne industrieel, het degelijke fundament heeft gelegd onder NL. Zijn zoon zou hierop het bedrijf tot volle ontwikkeling brengen. J.C.L. van der Lande De zoon van A.L. van derLande werd op 4 april 1894 door middel van een onderhandse akte tot medevennoot van de firma verklaard. Johannes (Jan) kwam in 1886 in de firma te werken tegen het salaris van een klerk, maar was door zijn vader voorbestemd de leiding van de onderneming over te nemen. Jan was sinds de tweede helft van de jaren tachtig gemachtigd zijn vader bij afwezigheid te vervangen. Op 19 maart 1896 stierf Antoon en werd Jan directeur van het bedrijf. Door de opkomst van de coöperatieve in- en verkoopverenigingen konden de boeren voortaan gezamenlijk grote hoeveelheden granen en veevoeders inkopen en zodoende lagere prijzen bedingen, waardoor de graanhandel weinig lucratief meer was geworden voor de firma. In 1905 besloot J.C.L. dan ook de handel in granen af te stoten, zodat het accent nu geheel kwam te liggen op de olieproductie, het malen van graan en het veredelen van graanprodukten. Het graanpakhuis aan het Pothoofd werd in 1912 verkocht aan de firma Kappelle. Een directe kanaalverbinding van de meelfabriek met de IJssel kwam in 1898 gereed. De schepen konden nu in de eigen haven gelost worden met elevators die het graan rechtstreeks via de transportband in de opslagsilo's brachten. In dit jaar werkten er 42 arbeiders in de meelfabriek. Zij maakten lange dagen van 's morgens 8 uur tot 's avonds 7 uur met een lange pauze van twee uur in totaal. Pas in 1902 kreeg het kantoorpersoneel drie vakantiedagen per jaar en in 1922 werd de vrije zaterdagmiddag ingevoerd. Rond de eeuwwisseling kon er 67 ton tarwe per dag gemalen worden en hadden de silo's een totale opslagcapaciteit van 2.500.000 kilo. Automatische brandmeldings- en blusinstallaties moesten vanaf 1907 rampzalige branden voorkomen. In 1905 werd besloten tot de bouw van een oliefabriek te Emmerik aan de Rijn in Duitsland, die op 1 maart 1908 in gebruik werd genomen. Aangezien het bedrijf te Kleef danig uit zijn voegen begon te barsten en het stadsbestuur bovendien niet erg bereidwillig reageerde op verzoek van NL het Spoykanaal op een grotere vaardiepte te brengen was de maat vol voor J.C.L. van der Lande. Door de lage waterstand in het kanaal was de fabriek immers meerdere keren per jaar onbereikbaar voor de schepen. Voor het vervoer van de olie had de firma de twee tankschepen Taventa en Embrica in de vaart. Later werden daar nog de Alhena en de Davo aan toegevoegd. Deze schepen werden ingezet om het hoofdafzetgebied in Zuid-Duitsland te kunnen bevoorraden. In 1897 werden er in Mannheim aan de Neckarhaven en in 1907 aan de haven van Karlsruhe oliedepots gebouwd. Van firma naar naamloze vennootschap en multinational Het jaar 1911 vormt een mijlpaal in de geschiedenis van het bedrijf Noury & Van der Lande. In dat jaar werd de firma omgezet in twee afzonderlijke N.V.'s. Het bedrijf te Deventer heette vanaf dat moment de N.V. Industriële Maatschappij Noury & Van der Lande. De oliefabriek te Emmerik werd voortgezet onder de naam Oelwerke Noury & Van der Lande GmbH. Organisatorisch veranderde er niet zo veel, want J.C.L. bleef directeur over beide fabrieken. Vóór 1911 was er al sprake van een omvangrijke uitbreiding van het bedrijf, maar na 1911 kwam de onderneming pas echt in een ware stroomversnelling terecht. Vanaf die tijd werden er allerlei dochtermaatschappijen in het leven geroepen en werd het toch wat eenzijdige pakket aan producten sterk uitgebreid. In 1913 vierde het bedrijf zijn 75-jarig bestaan en werd er een jubileumboek uitgegeven. Ook kwamen er in 1911 acht silo's bij de meelfabrieken waarmee de opslagcapaciteit steeg tot zestig miljoen kilo graan. De nieuwe B-molen bij de meelfabriek kwam in 1915 gereed. De productie steeg tot 180 ton gemalen graan per dag. Het personeelsbestand groeide na de Eerste Wereldoorlog sterk, zodat in december 1918 de drie ploegendienst werd ingevoerd, tegelijk met de achturige werkdag. In dit jaar schafte het bedrijf ook de eerste vrachtwagens aan. Met hun ijzeren banden veroorzaakten zij veel geluidshinder en daarom mocht er vaak niet sneller dan 10 kilometer per uur mee gereden worden over de nog steeds gebrekkige wegen. Het wachten was op een goede spoorwegaansluiting van het bedrijf. Na jarenlange onenigheid met de gemeente Deventer over de financiering van de aansluiting van de meelfabriek op het spoorwegennet kwam in 1928 de spoorlijn tot stand. De fabriek in Emmerik was al in 1926 met de Gelderse Stoomtram vanuit Deventer via Zutphen, Doetinchem en 's-Heerenberg bereikbaar geworden. In de periode 1913-1938 maakte de onderneming een enorme groei door. In Nederland werd de bruinkoolgroeve Bergerode in 1917 verworven en tot exploitatie gebracht ter voorziening in het dreigende brandstoftekort. De stoomolie- en veekoekenfabriek "Friesland" werd opgericht. Er werden een hele serie dochterondernemingen opgericht: de Overijselsche IJzergieterij, de Handelsmij., Novadel, Mercator, ECI Roermond, Trecma, Nourypharma en Demba Deventer. In België begon de verkooporganisatie Demba België haar werkzaamheden en in Duitsland ontstond Oxydo als volle dochter- onderneming van de Oelwerke. In Engeland begon NL met een verkoopkantoor Novadel Ltd. te Londen dat al snel werd uitgebreid met een fabriek en laboratorium te Gillingham. In Frankrijk werd in 1931 te Venette aan de Oise (bij Compiègne) de oliefabriek La Nourylande opgericht, die twee jaren later werd uitgebreid met de gistfabriek Socine en een perboraatfabriek. J.C.L. van der Lande had voor iedere zoon een bedrijf in gedachten waar deze directeur kon worden. In de Verenigde Staten en Canada was NL in die jaren actief met het bouwen van fabrieken voor de productie van meelverbeteringsmiddelen. In 1938 had het bedrijf ongeveer 25 dochterondernemingen in binnen- en buitenland, wat een goede reden vormde het 100-jarig bestaan in dat jaar op grootscheepse manier te vieren. Er werd opnieuw een jubileumboek uitgegeven en het personeel en de zakenrelaties vermaakten zich op een speciale feestdag. De directie kreeg van het personeel een serie door Joep Nicolas ontworpen gebrandschilderde ramen aangeboden, die in de hal van het Deventer hoofdkantoor werden aangebracht. Op de plaats waar de vroegere molen had gestaan werd een bronzen gedenkplaat onthuld, het tastbare resultaat van een inzamelingsactie onder het gehele personeel. Ook werd een startkapitaal gestort in het bedrijfspensioenfonds. In 1939 werd NL het predicaat "Koninklijke" verleend. Samenvattend kan gesteld worden dat in de periode tussen de twee wereldoorlogen de bedrijfstakken van de olie- en meelindustrie werden uitgebreid en de chemische tak opkwam en zich sterk uitbreidde. J.C.L. van der Lande was zich goed bewust van het grote belang van het baanbrekend onderzoek door bekwame chemici in de eigen laboratoria van NL. Onder zijn bezielende leiding was NL uitgegroeid tot een groot concern en multinational. De Tweede Wereldoorlog kwam NL niet zonder kleerscheuren door. Op 25 augustus 1940 werd de meelfabriek getroffen door een gericht Engels bombardement dat grote schade aanrichtte. De fabriek was namelijk gedwongen tarwemeel aan Duitsland te leveren en als zodanig een strategisch doelwit geworden. In de latere oorlogsjaren bleef de meelfabriek gespaard en kreeg zij een belangrijke rol bij de voedselvoorziening. De Oelwerke te Emmerik werden toen door de geallieerden wel als een vijandig object beschouwd. Op 14 juni 1944 werd de oliefabriek bij een aanvalsgolf door een bommenregen voor een groot deel verwoest. Van de 50 aanwezige arbeiders vonden er 22 de dood in het puin en de vlammenzee. J.C.L. van der Lande maakte dit niet meer mee; hij overleed op 20 februari 1943. Enkele personeelsleden van NL moesten hun actieve deelname aan verzetshandelingen met de dood bekopen: zij werden als saboteurs terechtgesteld. Bij de bevrijding van de omgeving van Roermond zagen de wegvluchtende Duitsers nog kans op 28 februari 1945 de waterkrachtcentrale van de ECI op te blazen. Pas op 10 mei 1948 kon de herbouwde centrale weer in gebruik genomen worden. Van Noury naar AKZO De veranderde omstandigheden na de oorlog noodzaakten NL tot diverse aanpassingen in de organisatie van het bedrijf. De chemische bedrijfstak werd steeds belangrijker. Er kwamen nog enkele dochter-NV's bij zoals Lispin in Herkenbosch en OCI in Deventer, gehuisvest in de gebouwen van de inmiddels opgeheven Overijselsche IJzergieterij bij de meelfabriek. Andere dochtermaatschappijen veranderden van naam: de Handelmaatschappij werd ECI Deventer en de Exploitatiemaatschappij ging verder onder de naam Kemias, toen de productie en verkoop van insecticiden en onkruidverdelgers gestopt werd. Verder werden er enkele joint-ventures aangegaan, zoals Noury-Baker, Noury-Rumianca en Noury-Fluminenze. Deze joint-ventures worden opgericht wanneer er aan de bedrijfsvoering bij toepassing van nieuwe technieken grote risico's zitten. De betrokken partijen richten in zo'n geval een gemeenschappelijke dochteronderneming op waarin de benodigde technische kennis en financiën samengebracht worden. In 1958 werd een belangrijke reorganisatie doorgevoerd op basis van het rapport Luyck. Om de aandelen van de vennootschap in het bezit van de familie Van der Lande te regelen werd de NV Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen NL opgericht. Het 125-jarig bestaan van NL in 1963 werd gevierd met een feestelijke bijeenkomst in de Deventer Schouwburg en diverse plaatselijk culturele instellingen werden gesteund door donaties. Er werd een geldinzamelingsactie georganiseerd voor de bouw van een Rode Kruisgebouw aan de Calcarstraat. Er kwam een bedrijfsfilm tot stand getiteld "Facetten van een veelzijdig bedrijf. 125 jaar Noury en van der Lande" en de gemeente Deventer schreef het bedrijf bij in het Gulden Boek van de stad. Medewerkers in binnen- en buitenland boden een staande klok aan; de vergaderkamer van directie en commissarissen werd opnieuw ingericht in het nieuwe hoofdkantoor bij de meelfabriek. Vele jubileumgeschenken hebben tegenwoordig een plaats gekregen in het stadhuis of het museum "De Waag" aan de Brink. Toen de heer X.F. Walboomers zich in 1962 tot de directie van NL richtte met het verzoek om in het kader van zijn studie geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een doctoraalscriptie te schrijven over de ontwikkeling van NL tot 1900 kreeg hij hiervoor al gauw toestemming. Men liep bij NL al enige tijd met de gedachte rond de geschiedenis van het bedrijf op schrift te stellen. Toen de heer Walboomers zijn doctoraalexamen behaalde in 1964 besloot de Raad van Beheer op 14 mei 1965 hem toestemming te verlenen tot het schrijven van een proefschrift over de geschiedenis van NL in de periode 1838 tot 10 mei 1965 (datum besluit tot fusie van NL met KZO), gezien tegen de achtergrond van de sociaaleconomische verhoudingen in Nederland in het algemeen en Deventer in het bijzonder. Overeengekomen werd dat de studie over het bedrijf tot 1965 verricht zou worden. Tot een promotie van de heer Walboomers op de geschiedenis van NL is het echter niet gekomen. In 1970 verscheen er van zijn hand een boekje getiteld De familie Nourij en de familie Van der Lande, dat verzonden werd aan alle familieleden boven de 14 jaar (inv. nr. 403). De veranderingen in de organisatie van bedrijven volgden elkaar in steeds sneller tempo op in de jaren vijftig en zestig. De economische groei en de groeiende concurrentie dwongen tot een proces van steeds verder gaande samenwerking en schaalvergroting om het hoofd boven water te kunnen houden. NL was in 1965 een groot concern geworden met een totaal personeelsbestand van 845 mensen. 10 mei 1965 fuseerde NL met de NV Koninklijke Zwanenberg-Organon groep (vleeswaren en geneesmiddelen; KZO I), waarin ook de wasmiddelenfabrikant Kortman & Schulte was opgegaan. Er ontstond een Chemische Divisie NL, waarin alle chemische activiteiten van KZO werden ondergebracht. De farmaceutische activiteiten werden overgebracht naar Organon Chemical Oss en Apeldoorn. De familievennootschap ruilde haar aandelen om voor KZOaandelen en was dus opgegaan in een open vennootschap waarvan de aandelen voortaan op de Beurs verhandelbaar waren. Op 1 mei 1966 traden W.J.L. en J.P.L. van der Lande af als lid van de Raad van Bestuur, terwijl L.A.L. van de Lande zijn functie als adviseur van de Raad van Bestuur neerlegde. Zij namen plaats in de Raad van Commissarissen van de divisie NL. In 1967 kwam een volgende fusie tot stand tussen de KZO-groep en de Koninklijke Zout- Ketjen groep genaamd Koninklijke Zout-Organon (KZO II). Samen met Ketjen, Hoesch- Chemie (Düren) en Pure Chemicals Ltd. (Liverpool) vormde NL in het vervolg de Chemische Divisie KZO. De aparte Raad van Commissarissen voor NL werd opgeheven en daarmee kwam een einde aan de rechtstreekse band van 130 jaar van vier opeenvolgende generaties Van der Lande met het bedrijf NL. De derde fusie in augustus 1969 tussen KZO II en de Algemene Kunstzijde Unie (AKU) werd het begin van het concern AKZO. NL werd onderdeel van AKZO Chemische Divisie locatie Deventer. Nourypharma werd onderdeel van AKZO-Pharma. Research en productie bleven grotendeels in Deventer geconcentreerd, terwijl de verkoopactiviteiten in april 1980 naar het hoofdkantoor van AKZO-Chemie te Amersfoort werden verplaatst. De leegstaande meelfabriek was in 1965 al verkocht aan Cebeco-Handelsraad te Rotterdam. De haven bij de meelfabriek bleef nog tot 1987 in gebruik voor de aanvoer en opslag van granen in de silo's. Omdat de IJsseldijken in het kader van de Deltawet op grotere hoogte gebracht moesten worden werd de haven na dit jaar gesloten. Het markante kolossale gebouw en de silo's kwamen leeg te staan en raakten in verval. In 1986 was AKZO Chemie reeds eigenaar geworden van het gebouwencomplex en in september 1987 werden de enorme groen verlichte letters "CEBECO-HANDELSRAAD", die 's avonds al van ver te zien waren voor het verkeer op de A-1 snelweg, van het dak van de meelfabriek verwijderd. Op 4 januari 1988 werd begonnen met de sloop van het gebouw, waarvan het oudste gedeelte was gebouwd na de grote brand in 1888. Enkele maanden later was deze plaats veranderd in een grote vlakte. Ter herdenking van het 150-jarig bestaan van de locatie Deventer van AKZO Chemische Divisie verscheen op 6 september 1988 voor de derde keer een gedenkboek geschreven door A. Leemans, bijgestaan door een redactiecommissie met o.a. G.J.J. van der Laan (tot eind 1963 directeur van de Meelfabrieken) onder de titel Van Molen tot Moleculen. Van Noury tot AKZO. De ontwikkeling van de verschillende bedrijfstakken Met de meel- en oliefabricage als basis ontplooide NL vanaf 1911 vele activiteiten behorende tot verschillende bedrijfstakken. Ten eerste de bedrijfstak van de olieproductie. De verf- en vernisindustrie was de voornaamste afnemer van lijnolie. NL specialiseerde zich in het maken van deze olie als grondstof voor deze industrie en van olie voor de fabricage van onder andere drukinkt, wasdoek, linoleum en lakleder. Langzamerhand werden steeds meer technici aangetrokken voor research en voorlichting aan de klanten. Later werden er ook industriële oliën geproduceerd bij de Oelwerke, Friesland, Nourylande en Novadel Ltd. NL was dus bekend met de verfindustrie en had zelf de nodige onderzoeksmogelijkheden in huis. Naast lijnolie ging het bedrijf in 1938 ook andere grondstoffen voor de verfindustrie maken zoals loodwit, titaanwit en siccatieven (versnellers van het droogproces van verf). Met deze producten belandde NL vanuit de olieproductie in de chemische bedrijfstak. De tweede bedrijfstak kwam voort uit de meelproductie, die in 1848 startte en door ging tot 1966. In dit laatste jaar kon er door de grote concurrentie niet meer lonend gewerkt worden. In de 118 jaren die de meelfabriek bestond werden er op het laatst allerlei meelproducten gemaakt van zelfrijzend bakmeel tot puddingpoeder. De winstperspectieven waren door fusies van grote meelfabrieken in Nederland sterk teruggelopen, terwijl ook de broodconsumptie geleidelijk verminderd was. Nadat in 1965 NL was samengegaan met KZO behoorden de werkzaamheden in de meelfabriek niet meer tot de kernactiviteiten van het nieuwe concern. Aan de concurrentie werd het afzetcontingent voor bloem voor de Nederlandse markt en de inventaris verkocht. De silo's werden verhuurd en in 1988 werd het markante gebouwencomplex van de meelfabriek gesloopt. Vanuit de bedrijfstak olie belandde NL onvermijdelijk in de chemische bedrijfstak. De latere ontwikkeling van de toepassing van peroxiden ontstond uit de kennis die men ontwikkelde bij het bleken van plantaardige oliën, zoals lijnolie. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de Engelse chemicus J.G. Sutherland door NL van het laboratorium te Emmerich overgeplaatst naar Deventer, waar hij de opdracht kreeg een methode te ontwikkelen die het vergelen en het teruglopen in kwaliteit van tarwebloem moest tegengaan. Door de oorlogsomstandigheden moest er voornamelijk met inlandse tarwe en andere graansoorten van mindere kwaliteit gewerkt worden en kon men niet meer over de superieure Amerikaanse en Canadese tarwe beschikken. Het kwaliteitsverschil tussen de graansoorten kwam met name aan het licht bij de vergelijking van de geïmporteerde Amerikaanse tarwebloem met de bloem die in Nederland uit Amerikaans graan werd geproduceerd. De geïmporteerde bloem was blanker van kleur en er kon mooier wit brood van gebakken worden. Witbrood was al lang zeer gewild bij velen en geleidelijk aan een soort statusvoedsel geworden, waarmee de rijken zich konden onderscheiden van de volksmassa, die vooral het goedkopere donkere (rogge) brood at. Omdat de geschiktheid van de bloem uit alle werelddelen steeds constant moest zijn voor het bakken van brood van gelijke kwaliteit, werd er ijverig gezocht naar een meelverbeteraar, die de teruggang in de kwaliteit van de bakaard van de bloem kon stoppen en witter brood als resultaat zou opleveren. Onderzoek wees uit dat de Amerikaanse bloem na het malen een lange tijd per schip onderweg was naar Europa en in die tijd een verouderingsproces onderging, dat men bij NL tevergeefs probeerde na te bootsen met een warmtebehandeling. In die tijd herinnerde J.C.L. van der Lande zich een voorval uit omstreeks 1900, toen een bakker hem vertelde dat deze door het bijmengen van wat zure bloem zulk mooi blank deeg had gekregen. Dit leidde tot de ontdekking dat oxydatie door zuurstof in de lucht grotendeels verantwoordelijk was voor het verouderingsproces van de bloem. Na enige experimenten zag Sutherland in 1920 dat benzoyl-peroxide, ook toegepast bij het bleken van plantaardige oliën, in een lage concentratie met het meel vermengd, de natuurlijke gele kleurstof in het meel omzette in een kleurloze verbinding, die geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid had, terwijl ook de bakaard van de bloem nog verbeterd werd. Door de oxyderende werking van het bij splitsing van benzoyl-peroxide vrijkomende zuurstof (oxygenium) wordt het meel gebleekt, terwijl de onschadelijke natuurlijke stof benzoëzuur overblijft. Dit procédé werd verder uitgewerkt en wereldwijd geoctrooieerd. Op de markt verscheen het meelbleekmiddel Novadelox (Noury & Van der Lande Oxygenium), waarvoor in verschillende landen verkooporganisaties werden opgericht (Novadel, Novadel Ltd., Novadel Agene Corporation). Omdat benzoylperoxide in zuivere toestand zeer explosief is, (vergelijkbaar met buskruit) moest het met meelvriendelijke stoffen als voedingszouten of zetmeel vermengd worden tot een ongevaarlijk product. In Emmerik vielen in 1934 twee doden bij een explosie in de peroxidefabriek en in 1952 stierf een medewerker op het laboratorium aan de Emmastraat te Deventer bij een enorme ontploffing. In de jaren zeventig vielen bij meerdere incidenten nog diverse slachtoffers. De enorm gestegen omzet van het benzoylperoxyde-preparaat op de grote Noord-Amerikaanse markt noodzaakte het eigen verkoopkantoor van NL in Buffalo tot het starten van een eigen productie op dit continent. In 1926 werden de Novadelox-patenten voor de Verenigde Staten en Canada verkocht aan een groep Amerikaanse bedrijven verenigd in de Novadel Agene Corporation te Newark in New Jersey. De uitvinding werd in alle richtingen onderzocht om de toepassingsmogelijkheden te vervolmaken. In Deventer ontstond een Chemisch Laboratorium als onderdeel van de meelfabriek, later als zelfstandige afdeling. De grondstoffen voor de meelverbeteringsmiddelen werden rond 1920 nog aangekocht, later ging NL er toe over deze zelf te produceren in de eigen chemische bedrijven (Oxydo, ECIRoermond, Novadel Ltd., Noury-Italia). Dit onderzoek naar bakverbeteraars resulteerde in het product Multaglut dat in 1923 op de markt werd gebracht. Multaglut werkt specifiek in op de tarwe-eiwitten (gluten) en verbetert zonder bleken de bakkwaliteit van het meel. Als chemisch product mocht het in enkele landen niet aan het meel worden toegevoegd en om die reden kocht NL in 1935 van de Dansk Gearings Industri het octrooi voor het product ascorbinezuur (vitamine C), dat ook de eigenschap bezit de bakaard van het meel te verbeteren, een uitvinding van de Deen Holger Jörgensen. Onder de naam Multafort werd het verkocht in België, Frankrijk, Zwitserland en in Zuid-Amerika. Zie voor vervolg de website van het stadsarchief van Deventer (www.stadsarchiefdeventer.nl).
De naam Steenwijkerwold duidt waarschijnlijk op de bosrijke gebieden (het wold), die rond Steenwijk zijn gelegen. De gemeente bestond uit een hoger gelegen deel bestaand uit zandgrond en leem en een lager gedeelte van veengrond. Het grondgebied van de gemeente besloeg circa 10.000 hectare, waarin verschillende buurtschappen en gehuchten liggen. De buurtschappen in het lager gelegen gebied zijn ontstaan ten tijde van de turfontginning, terwijl de buurtschappen op het hoger gelegen gedeelte al veel langer zijn bewoond. In de dertiende eeuw behoort Steenwijkerwold kerkelijk tot Steenwijk. In 1285 vragen de inwoners van Steenwijkerwold het kerkbestuur van de St. Clemenskerk om toestemming tot het bouwen van een kapel te Thij. In 1381 wordt Steenwijkerwold een zelfstandige parochie, hoewel een aantal kernen op Steenwijk blijven georiënteerd. Voor gerechtelijke aangelegenheden blijft Steenwijkerwold tot het begin van de 16e eeuw behoren tot het schoutambt Steenwijk. In 1811 worden de schoutambten opgeheven en hun taken overgenomen door de vredegerechten en rechtbanken van eerste aanleg. Kort na 1811 ontstond ook de zelfstandige gemeente Steenwijkerwold. Steenwijkerwold tussen 1923 en 1972 Steenwijkerwold was een plattelandsgemeente. Er was geen grootschalige industrie te vinden. Een deel van de bevolking leefde van het turfsteken, anderen van landbouw en veeteelt. In het begin van de 20e eeuw waren er slechts zeven fabrieken in Steenwijkerwold, alle zuivelfabrieken: de stoomzuivelfabriek "De Eendracht" te Thij, de zuivelfabriek met verplaatsbare stoommachine te Willemsoord, de stoomzuivelfabriek te Gelderingen, de coöperatieve stoomzuivelfabriek te Zuidveen, de stoomzuivelfabriek te Eesveen, de coöperatieve zuivelfabriek met handkracht te Wetering en de coöperatieve stoomzuivelfabriek Deli te Willemsoord. In 1911 was in Tuk de coöperatieve zuivelfabriek "Ons belang" opgericht, die in de jaren erna alle andere zuivelfabrieken zou opslokken Een belangrijke periode in de geschiedenis van de gemeente Steenwijkerwold is de periode van ontginning en inpoldering van een groot gebied in het Land van Vollenhove. Het plan had twee doelen: 1.Herstel van de welvaart in de regio, waar geen bestaan meer kon worden gevonden in onder meer de veehouderij en 2. het vormde een groot werkverschaffingsproject waar vele werklozen aan de slag konden. De werkzaamheden begonnen in 1928 en eindigden in de jaren vijftig. Het werk werd uitgevoerd door werklozen uit de omgeving, die werden ingezet door het "Comité ter bestrijding van Werkloosheid voor Steenwijk en Omstreken" een samenwerking van plaatselijke gemeentebesturen. Er waren ook werklozen uit andere delen van het land werkzaam. Zij woonden in kampen aan de rand van de polders. Na de oorlog waren het vooral de DUW-arbeiders (DUW: Dienst Uitvoering Werken. Tijdens de werkzaamheden ontstonden onder meer de polder Gelderingen en de polder Giethoorn, waarvan een klein deel onder de gemeente Steenwijkerwold vielen. In 1937, toen een aantal polders gereed waren, gingen de gronden in eigendom over naar de Dienst der Domeinen, die voor de boerderijbouw, verkoop en verpachting zou zorgen. In tegenstelling tot andere gebieden, is de landinrichting in deze polders bedacht aan de tekentafel. Het aantal en de grootte van de boerderijen, werd vastgesteld en er werd zelfs een heel dorp, Scheerwolde, ontworpen. In de gemeente werden twaalf kleinere boerderijen gebouwd, aan het Steenwijkerdiep, de Hesselingendijk en de A.F. Stroinkweg. In de jaren zestig begonnen discussies over een gemeentelijke herindeling van Noordwest Overijssel. Dit leidde in 1973 tot een herindeling waarbij Steenwijkerwold grotendeels opging in de nieuwe gemeente Steenwijk. De kernen Scheerwolde en Weteringen werden toegevoegd aan de nieuwe gemeente IJsselham. Tijdens de discussies over de herindeling werd in 1972 besloten om de buurtschappen Kerkbuurt en Gelderingen om te dopen tot Steenwijkerwold, om zo de naam Steenwijkerwold te behouden. De plaatsnaam Thij werd ook opgeheven, maar werd in 1993 weer in gebruik genomen. Vóór 1959 kende de gemeente nog geen straatnamen. Op grond van een raadsbesluit van 7 april 1911 was de gemeente tot dat moment in acht wijken verdeeld, te weten: Wijk ISteenwijkerwold, waartoe behoorden de buurten Tuk, Oosterhoek, de Berg, Oosterlage, Egge, Ten Broeke, Groenesteeg, Thij, Kwikkelo, Kerkbuurt, Gelderingen, Molenhoek, Gerritshoek, Westerlage, Vossehoek, Uvinge, Vels, Basse, Westenwold, Wolterholten, Achterbuurt (in 1947 veranderd in Witte Paarden), Marijenkampen, de Pol, de Eese, Baars, Braauwringen en 't Goor. Wijk IIZuidveen, met de buurten Zuidveen en Verlaat Wijk IIIOnna Wijk IVKallenkote Wijk VEesveen, bestaande uit de buurten Eesveen en de Bult Wijk VIScheerwolde, omvattende de buurten Wetering en Nederland Wijk VIIMuggenbeet Wijk VIIIWillemsoord In de volgende alinea's zijn de belangrijkste buurten en kernen kort omschreven. Tuk In 1890 werd Huize Oostwold aangekocht als gemeentehuis voor Steenwijkerwold. Voorheen bevond het gemeentehuis zich in het gemeentehuis van Steenwijk. Door de aankoop kwam het bestuur in Tuk te liggen, dat tot 1900 uit enkele huizen bestond, die net buiten de Steenwijkse poorten lagen. Pas na 1920 werd begonnen met de bouw van meerdere huizen. De naam Tuk verwijst naar de weideplaats voor jong vee. Het deel van de Meenthen dat hiervoor was aangewezen werd de "Tukkers" genoemd of "Op den Tuck". De inwoners vonden hun bestaan vooral in de landbouw en veeteelt. In1911 werd de coöperatieve zuivelfabriek "Ons Belang" opgericht, dat in de loop der tijd de meeste zuivelfabrieken in de gemeente zou overnemen. Later fuseerde het bedrijf enkele malen met de zuivelfabrieken uit de regio en hieruit ontstond uiteindelijk NOVAC, Nieuw(land) en Oud voor Agrarische Concentratie. Vooral na de oorlog breidde Tuk zich sterk uit. Thij Thij werd in de twaalfde eeuw gesticht op de plaats waar de landweg een beekje kruiste. De naam is afgeleid van Tie of Thying, "de plaats waar de buurrichters de samenkomst van de buren leiden". In 1285 kregen de inwoners toestemming van de pastoor van Steenwijk om een eigen kapel te bouwen en in 1368 werd het een zelfstandige parochie, gewijd aan St. Andreas. In 1401 werd de kapel vervangen door een kerk. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond er een buurtschap rondom de kerk, dat de naam Kerkbuurt kreeg. Kerkbuurt Tot aan het begin van de 20e eeuw stonden er nauwelijks huizen in Kerkbuurt, maar na de Tweede Wereldoorlog breidde de buurt zich sterk uit en werd het een woonkern met scholen, een bibliotheek en een sportpark. Gelderingen In het gebied van Steenwijkerwold lagen in de middeleeuwen verscheidene hoeven. Om sommige hoeven heen vormden zich kleine nederzettingen. Zo ontstonden Gelderingen, De Basse, Westenwold, Achterbuurt (later Witte Paarden), Baars en de Pol. Door de bouw van slot Croeve kon Gelderingen uitgroeien tot een wat grotere plaats. Na de Reformatie en vooral na het beleg van Steenwijk door Prins Maurits in 1592, vluchtten veel katholieken naar Gelderingen. De katholieke eredienst was verboden, maar er werd in het geheim gekerkt. Pas in 1830 kon er een kerk worden gebouwd op de plaats van het slot. Ook deze kerk werd gewijd aan St. Andreas. Op de plaats van de vroegere hoeve Gelderingen werd de pastorie gebouwd. In 1913 werd de kerk vervangen door het huidige gebouw. In 1893 stichtte pastoor C.G. Muiteman de "Voorzienigheid", een instelling, die tehuizen voor bejaarden en hulpbehoevende kinderen bouwde in Geldringen. Het complex groeide uit tot een scholencomplex met een ULO, een kweekschool, een huishoudschool, een lagere school en een kleuterschool met ruim duizend leerlingen uit het hele land. Aan de school was dan ook een internaat verbonden. De explosieve groei van het scholencomplex had ook zijn weerslag op het dorp Gelderingen, dat in omvang toenam en langzamerhand aan Kerkbuurt vastgroeide. De Basse en Westenwold In de middeleeuwen werden de boerderijen aan de westzijde van de Hesselingendijk aangeduid als staande in het Westenwold, letterlijk het westelijke deel van het Wold. Deze naam komt al in de 14e eeuw voor en stond voor het einde van de bebouwing, waarna het landschap overging in veel lager gelegen weiden, tevens de grens met het schoutambt IJsselham. Basse is vernoemd naar een boerderij die ooit op die plek stond. De naam Voshoek in het buurtschap Basse is ontstaan door twee erven, die de namen Grote en Kleine Vos droegen naar de hierop staande boerderijen, die lange tijd in het bezit van de familie Vos waren. Marijenkampen De naam Marijenkampen is nog niet zo oud. Tot het begin van de twintigste eeuw werd gesproken van Huttenberg. Het gebied was tot 1900 nog bedekt met heide. Marijenkampen ontstond toen de Maatschappij van Weldadigheid Willemsoord stichtte. De kolonie was een gesloten dorp en degenen die toch meer vrijheid wilden, bouwden in de nabijheid een hut en leidden een zelfstandig leven. Zo ontstond Marijenkampen. De naam Marijenkampen werd afgeleid van de kampen die een zekere Marij van Essen had gebouwd. De gemeente Steenwijkerwold heeft de naam later officieel vastgelegd. De Eese Het gebied rondom de Eese is het oudst bewoonde deel van de regio. De naam verwijst naar de vele bomen en struiken die daar voorkwamen. De naam kwam al in 1235 voor. De heren van De Eese namen in het verleden een machtige positie in, vooral toen hun gebied in de vijftiende eeuw tot "Heerlijkheid" werd verheven. Dit hield in dat het gebied een apart schoutambt werd met eigen bestuur en rechtspraak. De Heer of Vrouwe van het gebied werd daarmee eigen baas. Hoewel de Eese al in 1602 juridisch onder Steenwijk kwam, trokken de heren van de Eese zich daar niets van aan. Pas na de komst van de Fransen aan het eind van de 18e eeuw veranderde dit. Het landgoed kwam in de loop der eeuwen een aantal keren in andere handen. Sinds 1923 is het in handen van de familie van Karnebeek. De Baars De Baars bestond al in 1340, toen werd geschreven over hoeve "De Baars". Baars zou "open plek in het bos" betekenen. Ook stond er een molen waar de boeren uit de regio hun graan lieten malen. Rondom het buurtschap liggen de bezittingen van Het Heideveld, een instelling die in 1819 was ontstaan met het doel om de aanwezige heidegrond in cultuur te brengen. Zuidveen Er is vanaf circa 1386 sprake van een nederzetting, vermoedelijk afkomstig van bewoners uit Friesland. Het merendeel van de bewoners was doopsgezind en bestond uit boeren en turfstekers. In 1797 brandden het grootste deel van het dorp af, waarna het qua ligging enigszins verschoof. In het nieuwe dorp woonden de boeren aan de Hoevendijk, de latere Burgemeester Stroinkweg; de turfstekers aan de zijtak van de Steenwijker Aa of de Langesloot. De naam "Zuidveen" is afgeleid van het turfgebied de "Zuidervenen" dat tussen Steenwijk en Giethoorn in lag. Toen de vervening ten einde liep, trokken de turfstekers weg, maar de boeren bleven en breidden hun boerderijen uit. In de loop der jaren groeide het dorp, maar ook Steenwijk breidde steeds meer uit richting Zuidveen, waardoor het uiteindelijk aan elkaar vast kwam te liggen. Verlaat Het dorp Verlaat is rond 1500 ontstaan rond een sluis, vandaar ook de naam dat "kleine sluis" betekent. Rond 1850 waren er vier scheepswerven in Verlaat gevestigd, die hun bestaan vonden in de reparatie van schepen die door de sluis voeren en turf vervoerden. Het einde van de vervening betekende echter ook het einde van de bedrijvigheid in Verlaat en het gebied ontvolkte meer en meer. Onna Het dorp Onna is ontstaan rond 700. De herkomst van de naam "Onna" is onduidelijk. Het zou "geen water" kunnen betekenen. Het dorp zou naar hoger gelegen gronden zijn verhuisd om geen last meer te hebben van overstromingen. Andere mogelijke betekenissen van de naam zijn onder meer "weide" en "glooiend landschap". De inwoners waren vooral turfgravers en boeren; zo werd er al in 1724 graan verbouwd. Het is nooit een grote gemeenschap geweest. Kallenkote Het dorp Kallenkote bestaat al sinds de dertiende eeuw. De naam is afkomstig van de inwoners, een groep arme kleine boeren, door de edelen en stadselite ook wel keuterboeren of koters genoemd. Het woord "kallen" kan drassig terrein betekenen, maar ook slaan op het feit dat de arme boeren niets te "kallen" of te wel niets te vertellen hadden. Nog een andere uitleg stelt dat Kallenkote "kale huizen" betekent. Hoe dan ook, het dorp was arm. Het aantal inwoners groeide door de jaren heen, waarbij de veenderij een belangrijke bron van inkomsten vormde. Na de vervening werd het land in cultuur gebracht en tegenwoordig zijn de bewoners dan ook vooral agrariërs. Eesveen Op de woeste gronden die behoorden bij de Eese ontstond Eesveen. In 1340 werden de pachten die de bewoners van het gebied aan de heer van de Eese schuldig waren kwijtgescholden, waardoor het als het ware werd afgescheiden van de Eese. Door turfwinning veranderde het landschap. Bos en heide veranderden in cultuurlandschap. Het dorp bleef echter altijd klein. De Bult Landgoed De Bult vormt in feite een geheel met de bossen van De Woldberg en De Eese. Bij het landgoed hoorden een aantal boerderijen. Toen in 1908 de eigenaar stierf werd het landgoed in delen verkocht. In de periode erna veranderde de omgeving aanzienlijk door de bouw van een café, het doopsgezinde Broederschapshuis "Fredeshiem" en vele woningen en bungalows. Ook werden twee kampeerterreinen geopend. Scheerwolde In 1275 duikt de naam voor het eerst op als Scaerwold(e). De naam betekent iets als "zoom van het woud" ofte wel rand van het bos. De inwoners van het dorp trokken achter het werk aan en daardoor veranderde het dorp verschillende malen van locatie. In de loop der tijd verdween het. In 1952 werd een nieuw dorp Scheerwolde gesticht op basis van het plan van de Overijsselse Planologische Dienst. Het dorp was bedoeld voor de 58 landarbeiders en 95 verzorgers, die nodig zouden zijn voor de 187 boerderijen die in de omgeving zouden komen. Na de start van de bouw, bleek echter dat door de snelle en niet voorziene mechanisatie van de landbouw er niet meer zoveel arbeiders nodig waren als voorheen. Hierdoor kon Scheerwolde niet de groei en bloei doormaken die verwacht was. Het aantal voorzieningen is beperkt gebleven, maar de ligging van het dorp nabij het Nationaal Park Weerribben - Wieden is gunstig, waardoor het dorp in de toekomst kan profiteren van de groeiende stroom toeristen. Wetering Wetering en Nederland waren veenkoloniale buurtschappen die ontstonden toen de turfwinning op gang kwam in de zeventiende eeuw. Wetering ontstond vermoedelijk toen het kanaal de Wetering was gegraven en bewoners van Scheerwolde zich aan het vaarwater gingen vestigen. Nederland Nederland ontstond in het begin van de zestiende eeuw, vermoedelijk aan de Steenwijker Aa. Nederland was een vrij omvangrijk buurtschap, met een eigen school. Nadat de vervening eindigde, moesten de inwoners verhuizen of overschakelen op andere activiteiten als veehouderij, visserij en rietcultuur. Muggenbeet Muggenbeet is vermoedelijk ontstaan door de vestiging van vroegere bewoners van Scheerwolde. Oorspronkelijk werd de naam gespeld als Muchenbeek en zou zijn afgeleid van een beekje dat in de buurt stroomde. Muchenbeek zou "klein beekje" betekenen en later zijn verbasterd tot Muggenbeet. Het plaatsje was in het verleden groter en vormde een zelfstandig kerspel, de middelnederlandse benaming voor een kerkgemeente of parochie. In latere jaren ontvolkte het. Willemsoord In 1820 wordt in de gemeente begonnen met de bouw van een nieuw dorp. In eerste instantie Kolonie 3 genoemd, werd Willemsoord gesticht als vrije kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid. De kolonie was bedoeld om arme mensen uit het westen van het land de gelegenheid te bieden een nieuw bestaan op te bouwen. De mannen werden vaak te werkgesteld als turfsteker, de vrouwelijke bewoners hielden zich vooral bezig met spinnen en weven. De gebouwen en voorzieningen waren opvallend. Er waren een kerk, school, postkantoor, café en zelfs een spoorwegstationnetje. Ook ontstonden een paar winkels, een bakkerij, smederij, een zuivelfabriekje, molen, mandenmakerijen en vestigden een dokter en vroedvrouw in de kolonie, dat zijn eigen koloniegeld kende. Maar ook een verenigingsgebouw gewijd aan onderwijs en ontspanning dat in de volksmond "Ons Gebouw" werd genoemd, werd opgericht. Veel aandacht was er in Willemsoord voor onderwijs. Vanaf 1920 werden de bezittingen van de Maatschappij verkocht. Na de Tweede Wereldoorlog werden er bovendien nieuwe woningen gebouwd, waardoor het aanzicht van het zo strak geplande dorp met zijn uniforme koloniehuisjes, veranderde.
Delfshaven De geschiedenis van het bedrijf is verweven met het vroegere Delfshaven. In 1886, toen Rotterdam naar uitbreiding zocht, is Delfshaven na lange en moeizame onderhandelingen door Rotterdam geannexeerd. Voor het echter zo ver was, had zich een belangrijke wijziging ten opzichte van de rivier voorgedaan. Oorspronkelijk lag Delfshaven onmiddellijk aan de rivier. In de loop der jaren had zich echter in de rivier een grote zandplaat gevormd, die een hinderlijk beletsel voor de scheepvaart betekende. Dit was de zogenaamde Ruige plaat. In de jaren zeventig besloot Delfshaven deze plaat gedeeltelijk in te polderen. Daartoe werd vanaf de Havenstraat een dijk gelegd naar de Plaat. Deze dijk ging vervolgens westwaarts en boog dan om naar de Schans. Ongeveer op de helft van deze dijk werden sluiswerken gemaakt. Tussen de oevers van Delfshaven en de gemaakte dijk bleef een vrij brede strook water over, de Oostkous en de Westkous genaamd. Wij maken hiervan melding, omdat, zoals later blijken zal, een en ander grote invloed heeft uitgeoefend op de plaatsen, waarop het bedrijf zich heeft gevestigd. 2. Het begin Op de eerste algemene vergadering van aandeelhouders van de N.V., gehouden op 8 februari 1930, heeft de voorzitter, de Heer P.Mak, gesproken over het prille begin van het bedrijf. Hij meende dit te moeten doen uit piëteit tegenover de oprichters. De geschiedenis van de onderneming is niet eenvoudig te reconstrueren. Dit heeft verschillende oorzaken. In de eerste plaats is het bedrijf meer geleidelijk gegroeid dan gesticht. Voorts zijn er weinig administratieve gegevens over de jaren 1860 tot 1870. In die jaren liepen scheepsmakerij en houthandel dooreen, terwijl de administratie vrij primitief werd gevoerd en tussen deze beide takken geen duidelijk onderscheid maakte. Men moet het dus stellen met betrekkelijk weinig vastliggende gegevens. Zo bestaat er een dagboek van aangebragte en verkogte houtwaren over een partij aangebragt per "Broederschap" uit 1869 en 1870 (inv. nr. 69). Hierin komen verschillende namen voor van kopers, maar tevens van door de gebroeders Van de Wetering gebruikte houtwaren. Vermoedelijk is een gedeelte der administratie uit die jaren onder berusting gebleven van de Gebr. van de Wetering, nadat de Scheepmakerij en Houthandel definitief zijn gescheiden, maar deze scheiding had pas veel later plaats. Voorts zijn bij de twee branden in 1896 en 1900, waarover straks meer, waarschijnlijk Gemeentearchief Schiedam 502 - 4 - veel bescheiden vernietigd en tenslotte is het zeer wel mogelijk, dat bij de verschillende verplaatsingen van het bedrijf een en ander is zoek geraakt. Gelukkig zijn we wel in het bezit van een geregelde administratie vanaf het jaar 1870. Na veel speuren en zoeken en vooral dank zij de medewerking van het Gemeentearchief van Rotterdam, waar het archief van de voormalige gemeente Delfshaven tot 1886 is ondergebracht, hebben wij meer inzicht gekregen in de gang van zaken tussen 1860 en 1870. Wij vonden in de eerste plaats een lijst, vermeldende de aanslagen in de toen bestaande patentbelasting. Deze belasting werd per beroep geheven. Iemand, die meer dan één beroep uitoefende, werd dus ook meer dan eens in de patentbelasting aangeslagen. In 1860 nu werd de Heer W.S. van de Wetering aangeslagen, omdat hij het beroep van scheepmaker uitoefende. Het begin van de scheepmakerij ligt dan ook naar alle waarschijnlijkheid in 1860. In 1863 werd hij, behalve als scheepmaker, nu ook aangeslagen als koopman. In hoeverre dit de houthandel betreft, is niet met zekerheid te zeggen, maar het ligt wel voor de hand. De voorzitter van de eerste algemene vergadering, hierboven vermeld, deelde mede dat zijn schoonvader, de Heer C. van de Wetering, hem wel eens had verteld dat, omstreeks 1866, reeds hout uit Rusland werd aangevoerd en gelost op het Lage Erf, om aldaar door de deurwaarder Lach te worden geveild. Dit wordt bevestigd door een uittreksel van de notulen van een vergadering van Burgemeester en Wethouders van Delfshaven van 30 oktober 1868, waarin sprake is van een verzoek van de Gebr. Van de Wetering om twee schepen op het Lage Erf te mogen lossen en opslaan. Uit een oud journaal van de Heer J.M. van Dam (inv. nr. 69?) blijkt, dat deze in 1868 een aandeel had in een per Broederschap aangevoerde partij hout. Voorts blijkt uit een uittreksel van de notulen van B & W van Delfshaven van 5 Januari 1869 dat de Gebr. Van de Wetering verzocht hadden om, naast hun scheepswerfloods aan de Schie, een houtloods te mogen plaatsen. Al deze gegevens samengevoegd, mogen wij aannemen dat in 1868 de Houthandel zijn eigenlijke aanvang nam, terwijl de houttransacties in de daaraan voorafgaande jaren als een aanloop mogen worden beschouwd. 3. Van 1870 tot 1968 Zoals wij hebben gezien, werden reeds vóór 1870 belangrijke houtzaken gedaan. De zaak werd toen gedreven onder de naam Gebrs. van de Wetering. Intussen was het houtbedrijf zo gegroeid, dat per 1 januari 1870 een afzonderlijk contract van vennootschap werd aangegaan onder de naam W.S. van de Wetering & Co. Dit contract stond dus los van Gebr. van de Wetering, al werden beide zaken door dezelfde personen geleid. Aangezien dit contract per 31 december 1870 nog niet in kannen en kruiken was, zijn in de administratie de jaren 1870 en 1871 in één Gemeentearchief Schiedam 502 - 5 - rekening samengevoegd. De eerste Balans is, zoals het contract het vereiste, door alle firmanten ondertekend (inv. nr. ... In de jaren 1870/'71 werd voor een waarde van fl. 39.000,- (inclusief assurantiën en vrachten) aangevoerd. Verder werden betaald fl. 4236,45 voor arbeidslonen, binnenvracht en Patentbelasting. Voorts kwam ten laste dezer jaren fl. 530,82 voor reis- en verblijfkosten. De Heer W.S. van de Wetering maakte namelijk een reis naar St. Petersburg en Riga.( inv. nr. ...) Tenslotte kwam een bedrag van fl. 1043,46 ten gunste van de Heren van de Wetering en van Dam, zijnde 2½ % van het bedrag der verkochte houtwaren, groot fl. 41.730,23½. Aan de gezamenlijke deelgenoten bleef ter verdeling over fl. 3203,64. De per 31 december 1871 onverkochte voorraad bedroeg volgens taxatie door de Heren van de Wetering fl. 6702,75. In de daarop volgende jaren breidde het bedrijf zich meer en meer uit. Reeds in 1872 werd besloten tot aankoop van een stoomzaagmachine, zodat wij naast het gezaagde hout nu ook balken konden aanvoeren. In die jaren heeft de Heer W.S. van de Wetering nog een tweede reis naar Rusland gemaakt. 4. De bedrijfsterreinen Over de verschillende plaatsen, waar het bedrijf is uitgeoefend, het volgende. Gemeentearchief Schiedam 502 - 6 - 4.1 Binnenwerf te Delfshaven Dit terrein is oorspronkelijk bestemd geweest voor het verrichten van scheepsreparaties. Het was grotendeels eigendom en voor een klein gedeelte recognitie-grond. Lang heeft dit niet geduurd: de Schie werd steeds ondieper, terwijl bovendien de te repareren schepen groter werden. Wel heeft de Heer K. van de Wetering voor eigen rekening nog enige jaren het scheepmakerbedrijf daar uitgeoefend, maar door de reeds genoemde toenemende bezwaren bleek dit op de duur niet meer mogelijk. Er werden dan ook naast de scheepstimmerloods enige andere loodsen gebouwd voor opslag van hout, hoofdzakelijk aangevoerd geschaafd en geploegd hout. Op dit terrein stond een woning, waarvan een gedeelte bewoond werd door een der vennoten, de Heer V.N. Metz. Het andere gedeelte werd door de firma W.S. van de Wetering & Co. als kantoor gebruikt. Na het overlijden van de Heer Metz en het vertrek van Mevrouw Metz en haar kinderen naar Veur werd, op een achterkamer en de bovenverdieping na, de rest van het huis door het kantoor in gebruik genomen. In 1926 werd het gehele terrein onteigend en verhuisden zij naar het pand Mathenesserdijk 231 (tegenover de werf Spangen). Dit was een tijdelijke oplossing, omdat toen reeds bekend was, dat ook Spangen zou worden onteigend. (Zie inv. nr. ...) Gemeentearchief Schiedam 502 - 7 - 4.2 Werf Westzeedijk te Delfshaven-Schoonderloo Uit hetgeen wij schreven over de vestiging van het bedrijf aan de Mathenesserdijk blijkt wel, dat dit terrein zowel voor de scheepmakerij als voor de houthandel te weinig ruimte bood voor een verdere expansie. Hiervoor werd een afdoende oplossing gevonden door het in gebruik nemen van een terrein, gelegen aan de Westzeedijk/Schoonderloo. Dit terrein was reeds in de jaren 1860 eigendom van de Gebr. van de Wetering. Het op dit terrein gelegen woonhuis was eigendom van de Heer C. van de Wetering, terwijl het daarachter liggende perceel grond toebehoorde aan de Heer W.S. van de Wetering. Het geheel was een vrij breed en diep stuk grond, dat doorliep tot aan de Kous. Uit de notulen van de vergadering van B. & W. van Delfshaven bleek reeds in 1862, dat het in handen van de onderneming was. In een van deze vergaderingen kwam aan de orde een rapport van Rooimeesters d.d. 2 augustus 1862 over het adres van Gebr. van de Wetering tot het afbreken en opbouwen van het pand wijk 73 te Schoonderloo. Het verzoek werd toegestaan behoudens het regt van derden, onder gewone bepalingen. Daar in het adres niet was aangegeven, of het voornemen bestond, het nieuwe gebouw als woon- of pakhuis in te richten, werd besloten, adressanten te herinneren aan artikel 41 van de politieverordening, voor het geval namelijk een pakhuis zou worden ingericht. Op een vergadering van 30 januari 1867 werd een rapport van de Generale Brandmeesters behandeld naar aanleiding van een verzoek van Gebr. van de Wetering, een vuurwerk met een ketel op hun werf te mogen bouwen. Dit betekende, dat toen op het terrein de scheepsreparatie werd uitgeoefend. Op het verzoek werd gunstig beslist. Behalve de scheepmakerij heeft zich daar ook de houthandel gunstig ontwikkeld. Dit blijkt uit de notulen van de vergadering van B. & W. van 24 mei 1872, waarin een verzoek van Gebr. van de Wetering behandeld werd, om op het terrein te Schoonderloo een stoomwerktuig tot het zagen van hout te mogen plaatsen. De verdere ontplooiing van het houtbedrijf ondervond een ernstige belemmering door het gedeeltelijk inpolderen van de in het begin van ons overzicht gememoreerde Ruige Plaat. Het terrein van Gebr. van de Wetering viel hier echter buiten. In de vergadering van B. & W. van 5 oktober 1873 werd een missive van de Heer C. van de Wetering besproken, waarin deze voorstelde, wijzigingen te brengen in de werken aan de Ruige Plaat en bij de Hoge Overheid stappen dienaangaande te ondernemen. Het wijzigingsplan van de Heer C. van de Wetering vertoonde veel overeenkomst met de later door de gemeente Rotterdam uitgevoerde sanering. Het plan werd echter afgewezen. De gevolgen van de inpoldering waren voor het bedrijf zeer ongunstig. Gemeentearchief Schiedam 502 - 8 - Allereerst voor de Scheepmakerij, doordat het gedeelte van de Kous vóór ons terrein steeds ondieper werd. Daar bovendien de Houthandel steeds meer ruimte vereiste, moest een andere plaats gezocht worden voor de Scheepmakerij. Deze werd aan de Oostkousdijk, dus binnen de sluizen. Maar ook de Houthandel zelf moest tenslotte het historische Schoonderloo verlaten, doordat het terrein onteigend werd. Gememoreerd moet nog worden de ramp, die het bedrijf daar heeft getroffen door de grote brand in mei 1900. Deze brand verwoestte praktisch het gehele complex gebouwen, zagerij, schaverij en de loodsen. Er zijn toen nog enige loodsen en een hulpgebouw voor de zagerij gebouwd, omdat het bedrijf uiteraard niet jaren stil kon liggen. Gemeentearchief Schiedam 502 - 9 - 4.3 Oostkousdijk In 1879/'80 werd de Scheepmakerij overgeplaatst van Schoonderloo naar een terrein aan de Oostkousdijk, maar ook dit was ondanks de grotere ruimte, die de Houthandel nu verkreeg, onvoldoende voor de opslag van steeds grotere voorraden. Voor de Scheepmakerij werd toen een terrein gevonden aan de Westkous. Hierdoor kon dit bedrijf zich verder ontplooien en verkreeg het gelegenheid, naast de scheepsreparatie nu ook tot nieuwbouw over te gaan. Dit betrof in hoofdzaak de bouw van loggers voor een visserijbedrijf te Scheveningen. Later werd de Scheepmakerij weer verplaats naar de Waaldijk. De voor de Houthandel verkregen ruimte aan de Oostkousdijk bleek toch nog te klein en daarom werd een iets westelijk gelegen terrein van de Heer J.J. Becker in huur genomen. Dat zal mede veroorzaakt zijn door de grote brand, die in 1896 loodsen en houtvoorraden verwoestte. Een aangrenzende hooipakkerij, die in vlammen opging, bracht het vuur naar ons terrein over. Loodsen en voorraden waren verzekerd voor een bedrag van # 80.000,-. Nadat de Heer van de Wetering in 1890 was overleden, moest een nieuw contract van vennootschap worden aangegaan. Men heeft toen het besluit genomen, de beide bedrijfstakken onafhankelijk van elkander te maken. In 1894 werden twee contracten van vennootschap gesloten, namelijk één voor Gebr. van de Wetering en één voor W.S. van de Wetering & Co. Bepaald werd, dat W.S. van de Wetering & Co. de door Gebr. van de Wetering betrokken houtwaren tegen kostprijs plus 5% zou leveren. Een verplichting tot leveren, respectievelijk tot betrekken van houtwaren is evenwel niet gemaakt (Zie inv. nr. ...) Voor Gebr. van de Wetering kregen bevoegdheid tot tekenen de vennoten W.S. van de Wetering en Jacobus van de Wetering Czn. Deze bevoegdheid had uitsluitend betrekking op zaken het doel der vennootschap rakend. Na het overlijden van de Heer W.S. van de Wetering was nu ook deze band verbroken. Gemeentearchief Schiedam 502 - 10 - 4.4 Spangen Vanaf 1901 was het bedrijf in Spangen gevestigd. Hier heeft het tot 1930 ongestoord en met goed resultaat kunnen werken. Maar ook hier doemde in de loop der jaren het spook der onteigening op. Van de gemeente Rotterdam kreeg van de Wetering een aanbieding voor een terrein aan de Waalhaven, maar daarvan werd geen gebruik gemaakt. Gemeentearchief Schiedam 502 - 11 - 4.5 Schiedam Van de gemeente Schiedam ontvingen van de Wetering een aanbieding voor een terrein aan de Westerhaven. Moeizame onderhandelingen volgden, waarin de Heer P. Mak, een geboren Schiedammer met goede relaties in het gemeentebestuur, een actief aandeel had en die tenslotte tot een acceptabel einde leidden. Met de bouw kon spoedig een begin worden gemaakt en in 1930 kon het eerste hout in het nieuwe bedrijf worden opgeslagen en de eerste balk worden gezaagd. Tot op heden [=1968] blijft het terrein in alle opzichten voldoen. Wel zijn in verband met de gewenste modernisering, zowel voor de aanvoer als voor de opslag van hout, belangrijke en kostbare maatregelen genomen in het vertrouwen, dat de daarin geïnvesteerde gelden op de duur hun rente zullen opbrengen. Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat, om tot een uitbereiding van de omzet te geraken aan het bedrijf een afdeling "Keukens" is toegevoegd. De resultaten, tot op heden verkregen, vertonen een regelmatige stijging en wettigen de hoop, dat het nieuw betreden gebied waardevolle perspectieven zal openen. 5. Overzicht van de gang van zaken Reeds eerder is er op gewezen dat over de jaren vóór 1870 slechts weinig concrete gegevens ter beschikking staan. Bovendien waren de zaken van de Houthandel en die van de Scheepmakerij zó nauw met elkander verweven, dat over in de Houthandel behaalde resultaten maar weinig is te zeggen. Alle zaken werden gedaan onder de naam van Gebr. van de Wetering. Per 1 januari 1870, zoals ook reeds vermeld, werd besloten, de Houthandel geheel te scheiden van de Scheepmakerij. Weliswaar stonden beide zaken onder leiding van dezelfde personen, maar de boekhouding van de firma Gebr. van de Wetering en die van W.S. van de Wetering & Co. Werden gescheiden gevoerd. Vanaf 1870 werden dadelijk behoorlijke resultaten geboekt, met uitzondering van het jaar 1879, toen een verlies werd geleden van circa # 5000,-. Dit verlies werd veroorzaakt door de exploitatie van de eigen zeilschepen, waarmee het voor het bedrijf bestemde hout uit de Oostzee werd aangevoerd. In de wintermaanden was dit niet mogelijk vanwege de ijssituatie in dat gebied, zodat dan naar ander emplooi voor de schepen gezocht moest worden, wat niet altijd het gewenste rendement opleverde. Toch was in latere jaren de Houthandel sterk genoeg, om deze verliezen op te vangen. Ook de panden, die (meestal noodgedwongen) in het bezit van de onderneming kwamen, veroorzaakten meermalen verliezen. De jaren 1891 en 1892 waren weer verliesgevend, maar dit moet worden toegeschreven aan een toenmaals heersende crisis in het bedrijfsleven. In deze jaren bedroeg het verlies circa # 19.000,-. Inmiddels was, zoals reeds eerder vermeld, de Heer C. van de Wetering in 1890 overleden. Na de scheiding en Gemeentearchief Schiedam 502 - 12 - verdeling van diens boedel werden als nieuwe firmanten opgenomen de Heren Jacobus van de Wetering, Dirk van de Wetering, M.J. van Dam, H. van de Wetering, W. van de Wetering en mejuffrouw Van de Wetering. Beherende vennoten bleven de Heer W.S. van de Wetering, belast met de werkzaamheden in de Houthandel, en de Heer J.M. van Dam, die het administratief gedeelte verzorgde. Na het verliesjaar 1891/'92 werd steeds met behoorlijke winst gewerkt. In 1899 overleed de Heer W.S. van de Wetering. Het nieuwe contract (Zie inv. nr. ...), dat als gevolg daarvan moest worden gemaakt, kwam pas in 1905 tot stand. De oorzaak van deze vertraging was gelegen in het feit, dat het terrein aan de Westzeedijk door de gemeente Rotterdam was onteigend, terwijl bovendien, zoals reeds gemeld, in 1900 praktisch het gehele gebouwencomplex door brand werd vernield. Tot het nieuwe contract, dat in 1905 werd gesloten, traden niet meer toe de Heer J.M. van Dam (de laatste van de oprichters) en voorts de Heren J. van de Wetering en D. van de Wetering (Zie inv. nr. ...). Wèl traden toe de kinderen van de Heer W.S. van de Wetering, namelijk de Heren C. van de Wetering, J. de Groot, V.N. Metz en Mevr. de Wed. K. van de Wetering. Deze laatste trad uit ten behoeve van haar kinderen, de Heer W.S. van de Wetering Kzn. en Mej. C. van de Wetering. De Heer J.H. Vermeyden trad aanvankelijk wel toe, maar trok zich reeds in 1906 uit het bedrijf terug. Vóór 1905 had in 1904 het bedrijf een verlies geboekt van bijna 39.000 gulden maar dit was een gevolg van de hertaxatie van de nieuwe gebouwen op Spangen. Nadien werd met steeds zeer behoorlijke winst gewerkt tot de oprichting van de N.V. in mei 1929. De nieuwe N.V. had al dadelijk met tegenwind te kampen. Allereerst kreeg zij te doen met overplaatsing van het bedrijf naar Schiedam. Dit betekende dat men, zij het tijdelijk, genoodzaakt op twee plaatsen te werken. Immers voordat het bedrijf in Schiedam geheel gereed was, moest men op Spangen nog tijdelijk doorwerken. Een verhuizing van alle voorraden van de ene dag op de andere was volslagen onmogelijk. Toch zou dit nog wel te overkomen zijn geweest, ware het niet, dat een geheel onverwachte tegenvaller zich voordeed. De Sovjet Unie, die na de revolutie het oude Rusland had geliquideerd, begon een dumpingcampagne op de houtmarkt. Een diepe inzinking van deze markt was het gevolg, die vrijwel de gehele West-Europese houthandel zware verliezen berokkende. Het bedrijf zat met een zeer grote voorrad, op Spangen en in Schiedam, die met één klap sterk in waarde daalde. In de eerste zeven maanden van het bestaan der N.V. werd nog winst behaald en in 1930 kon nog net quitte gespeeld worden. In de jaren, die daarop volgden van 1931 tot 1938, werden zware verliezen geboekt. Mede dank zij de grote en verheugende medewerking van de aandeelhouders kon na ingrijpende wijziging op kapitaalgebied en na dividendloze jaren de zaak weer gezond worden. In 1939 trad reeds een bescheiden herstel in, maar toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, kwam alles weer op losse schroeven te staan. Het bedrijf werd al spoedig door de bezetter in beslag genomen en dit ging tenslotte Gemeentearchief Schiedam 502 - 13 - zover, dat de toegang tot terreinen en kantoor aan de eigenaren werd ontnomen. Bij zeer hoge uitzondering mochten zij éénmaal uit de kluis de noodzakelijke stukken halen. De kluis zelf is gelukkig ongeschonden gebleven. Tegen het einde van de oorlog in 1945 konden de machines op het nippertje behouden blijven. Deze waren reeds gevorderd, om naar Duitsland te worden overgebracht. Wel bleek na het vertrek van de bezetter, dat er heel veel gestolen was, onder andere alle drijfriemen. Vanaf 1946 kon de uitkering van dividend worden hervat en kon op dit gebied zelfs een redelijke mate van continuïteit worden bereikt. Het is moeilijk, een verwachting over de ontwikkeling in de toekomst uit te spreken. Op dit ogenblik worden wij geconfronteerd met een structurele crisis, ook op het gebied van de houthandel. 6. Bestuur en leiding van het bedrijf In de eerste periode, dus vanaf het begin tot 1905 werd het beheer gevoerd door de Heren W.S. van de Wetering, van de Wetering overleed in 1890. De beide andere Heren bleven hun functie voortzetten. In de vacature werd niet voorzien. Toen evenwel met Kerstmis 1899 de Heer W.S. van de Wetering overleed moesten maatregelen worden getroffen. Totdat een nieuw Contract van Vennootschap was gesloten namen de heren C. van de Wetering en W. van de Wetering de opengevallen plaatsen tijdelijk in. In 1905 werd een nieuw Contract van Vennootschap gesloten waarbij als beherende vennoten werden benoemd de Heren C. van de Wetering, W van de Wetering, M.J. van Dam en V. N. Metz. Allen waren reeds in het bedrijf werkzaam respectievelijk vanaf 1870, 1884, 1891 en 1875. Bij de vernieuwing van dit contract is de Heer J.M. van Dam uitgetreden. Hij was de laatste van de oprichters en overleed in 1907. Van de nieuwe beherende vennoten overleed de Heer Metz in 1910. In 1929 toen de Firma werd omgezet in een N.V. werden benoemd tot directeuren: W. van de Weteringwerd in 1935 commissaris H. van Da
ORGANISATIE Ais gevolg van de inlijving van het koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk werd op 23 oktober 1810 het Bredase stadsbestuur op Franse leest geschoeid. Breda, staande onder het bestuur van een maire (burgemeester), ging ais hoofdplaats van het arrondissement Breda deel uit maken van het departement van de Twee Nethen. In 1811 werd de Franse wetgeving van kracht, ook op het gebied van de armenzorg. Op 17 juni 1811 vaardigde de prefect van het departement van de Twee Nethen een verordening uit, waarbij de instellingen van weldadigheid in zijn departement - in Breda waren dit de Roomse en Gereformeerde Aalmoezeniers-kamers - werden opgeheven en vervangen door de lokale Administratieve Commissie van het Bureau van Weldadigheid (Bureau de Bienfaisance). De maire fungeerde als voorzitter van deze Administratieve Commissie. De commissie was samengesteld uit 10 leden, gelijkelijk verdeeld over "de twee godsdiensten", nml. de rooms-katholieke en de nederduits- gereformeerde. Werd de eigenlijke armenzorg gecentraliseerd in het Bureau de Bienfaisance, de Bredase gasthuizen kwamen te staan onder een administratieve commissie van het bureau van de gestichten (Bureau des Hospices). Bij het opzetten van deze nieuwe organisatie presenteerde de maire een dubbele kandidatenlijst aan de onder-prefect van het arrondis- sement Breda; deze bracht zijn advies uit aan de prefect te Antwerpen. De prefect bepaalde de keuze, waarna de benoemingen werden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken. De kandidaten werden gekozen uit vooraanstaande burgers, evenveel van rooms-katholieke als van protestantse geloofsovertuiging. Vervolgens dienden elk jaar twee leden, door loting aangewezen, af te treden; de twee nieuwe leden werden gekozen uit een voordracht van tien kandidaten. De commissie kende een ontvanger (receveur). De ontvanger, wiens tractement vastgesteld werd door de commissie, was verplicht een borgsom te stellen als verzekering tegen eventuele malversaties. De commissie werd geacht haar definitieve vorm gevonden te hebben per 1 januari 1812. De inkomsten van de commissie bestonden hoofdzakelijk uit overheidssubsidies, opbrengsten uit lokale collecten en uit de opbrengsten van geld- en grondrenten. De commissie zelf werkte geheel honorair. De correspondentie met de hogere autoriteiten verliep grotendeels via de maire als voorzitter; als gevolg hiervan bevinden zich veel gegevens over de armenzorg in het archief van de Mairie. Na de aftocht der Fransen uit Nederland op het einde van het jaar 1813 verdwenen na een korte overgangsperiode ook de meeste op Franse leest geschoeide instellingen. De Administratieve Commissie van het Bureau van Weldadigheid te Breda werd op 31 december 1814 ontbonden. 2. TAKEN De armenverzorging door de Commissie bestond met name uit het bedélen van armlastigen in natura. Bij Souverein Besluit van de latere koning Willem I van 17 augustus 1814 werd bepaald dat uitgekeerde gelden voor armlastigen van elders konden worden teruggevorderd van de meest daartoe in aanmerking komende gemeente. Daarnaast vond besteding plaats van vondelingen en weeskinderen. De charitatieve instellingen, zoals weeshuizen, bleven bestaan en bleven hun bezittingen behouden; zij dienden zich evenwel te stellen onder het algemeen toezicht van de administratieve Commissies van het Bureau van de Gestichten (Hospices) en het Bureau van Weldadigheid (Bienfaisance). Deze commissies dienden een opgave te krijgen van de bezittingen en inkomsten van de stichtingen. Verder moesten de besturen van de stichtingen gekozen worden uit de leden van de beide commissies, tenzij de oprichter van de betreffende stichting uitdrukkelijk anders had bepaald. Een derde taak vormde de zorg voor medische hulp aan behoeftigen. Daartoe nam de commissie in 1812 een geneesheer en een chirurgijr.- vroedmeester tegen een vaste beloning in dienst. B. COLLEGE VAN REGENTEN OVER DE ARMEN (1815-1855), 1. ORGANISATIE De Administratieve Commissie van het Bureau van Weldadigheid werd krachtens Souverein Besluit van 31 december 1814 nr. 20 buiten werking gesteld. De commissie werd vervangen door een College van Regenten over de Armen. Te Breda is aan dit besluit vrijwel algehele uitvoering gegeven. Er vond te Breda echter geen teruggave plaats aan kerkelijke armenzorginstanties van de door de voormalige Administratieve Commissie beheerde goederen die vóór 1811 behoord hadden aan de roomse en gereformeerde Aalmoezenierskamers. Immers de scheiding van protestantse en roomskatholieke armen aan het eind van de 18e eeuw had louter een administratieve splitsing ingehouden binnen het van oudsher functionerende algemeen armbestuur; de magistraat had dit bewerkstelligd ten einde deelneming aan de armenbedeling door de rooms-katholieken te bevorderen. Verder hadden de overige charitatieve instellingen ook in periode 1811-1814 hun bezittingen en inkomsten mogen behouden, terwijl zij onder toezicht van Bureau de Bienfaisance stonden. Het Bredase College van Regenten werd op 20 januari 1815 geïnstalleerd. Het College werd voorgezeten door een lid van het plaatselijk bestuur; het bestond uit 5 leden, zoveel mogelijk gekozen uit de verschillende kerkelijke gezindten. Jaarlijks trad één der 5 regenten - met uitzondering van het lid van het plaatselijk bestuur - af; het afgetreden lid was in principe eerst na twee jaar weer verkiesbaar. Het plaatselijk bestuur voorzag in vacatures na voordracht door het College van Regenten. Ter assistentie van het College werd een amanuensis aangesteld; deze van stadswege betaalde kracht trad tevens als rentmeester op. Hij was verplicht een door de Provinciale Staten van Brabant bepaalde borgtocht te stellen. De rentmeester stelde de jaarrekening en de begroting op; deze moesten na controle door het College van Regenten ter goedkeuring worden voorgelegd aan de plaatselijke overheid. De regenten waren hoofdelijk verantwoordelijk voor door hen gedane uitgaven die boven de begroting uitgingen. De inkomsten van het College van Regenten bestonden uit stedelijke subsidies, rente van belegde kapitalen, collecten, grond- en geldrenten en huuropbrengsten van eigen panden. Tevens werden legaten aanvaard. De vergaderingen van het College werden gehouden in het zgn. vrouwenhuis in de Molenstraat, dat tezamen met enkele aanpalende huisjes op de hoek Molenstraat/Kloosterplein tot het eigen goederenbezit behoorde. Het kantoor van de rentmeester werd in 1865 overgebracht naar een kamer in het gemeentehuis. Landelijk gezien bestond er tot 1854 geen algemene armenwet. De Grondwet van 1848 bepaalde dat er een wettelijke regeling van de armenzorg diende te komen. Op 28 juni 1854 kwam de eerste effectieve armenwet van Nederland tot stand. Volgens de wet van 28 juni 1954 (Staatsblad nr. 100) moesten de gemeenten de armenzorg overlaten aan de kerkelijke en andere particuliere instellingen; de overheden mochten zich slechts in geval van absolute onvermijdelijkheid zelf met de armenzorg bezig houden. Overheidszorg op het terrein van de armenzorg was volgens de wet alleen politiezorg: de algemene veiligheid en orde eisten geen sterfgevallen ten .gevolge van honger, geen bedelarij, diefstal en plundering. De Armenwet van 1854 regelde onder meer de inrichting van de burgerlijkearmbesturen. De herziening van de reglementen van de instellingen van weldadigheid ingevolge de Armenwet van 1854 leidde te Breda tot een verordening voor de burgerlijke armenzorg die op 22 augustus 1855 door de Gemeenteraad werd vastgesteld. Het College van Regenten had zich voordien steeds met de voorschriften van het souverein besluit van 31 december 1814 beholpen. Met het vaststellen van de nieuwe verordening werd het College van Regenten over de Armen ontbonden en vervangen door het Burgerlijk Armbestuur. 2. TAKEN a. ALGEMEEN Een slepend probleem voor de lokale overheden en de aan hen verantwoording verschuldigde armenzorginstellingen vormde het vraagstuk wie de ondersteuningskosten moest dragen van de armlastigen. De centrale overheid had op 17 augustus 1814 bepaald, dat allen die in armoede geraakten, bedeeld moesten worden door de armenkassen van hun verblijfplaatsen, als men daar tenminste één jaar woonachtig was. Deze bepaling hield verband met de bij de plaatselijke overheden weer volop in gebruik zijnde akten van indemniteit of ontlastbrieven; hieronder verstond men akten, waarin het bestuur van de plaats van herkomst aan het bestuur van de plaats van vestiging verklaarde dat het gevrijwaard werd van het betalen van ondersteuningskosten voor degene op wiens naam de akte was gesteld, indien deze onverhoopt in armoede mocht geraken. De wet van 28 november 1818 (Staatsblad nr. 40) op het domicilie van onderstand epaalde dat het armbestuur van de plaats waar de behoeftige de laatste vier jaren had gewoond en waar deze de verschuldigde belastingen had voldaan, verplicht was de armlastige te onderhouden, of anders diens geboorteplaats. Hoewel bedoeld om de akten van de indemniteit te vervangen leidde deze wet tot het afschuiven van verplichtingen. De Armenwet van 28 juni 1854 (Staatsblad nr. 100) wees in artikel 27 de geboorteplaats aan als domicilie van onderstand oftewel de plaats die de ondersteuning moest betalen; niettemin bleef ingevolge artikel 48 een aantal categorieën onkosten ten behoeve van armlastigen van elders (b.v. reiskosten, begrafeniskosten) voor rekening van het armbestuur van de gemeente waar de uitgaven gedaan waren. . Uiteindelijk zou de wet van 1 juni 1870 (Staatsblad nr. 85) de feitelijke verblijfplaats aanwijzen als domicilie van onderstand. b. AFZONDERLIJKE TAKEN Het takenpakket van het College bestond uit de bedéling in geld en in natura, waaronder bedeling in brood, kleding, brandstof en dekens verstaan moet worden. Tevens in verpleging van armlastige zieken, besteding van armen bij particulieren, besteedhuizen en gestichten; genees- en verloskundige hulp aan armlastigen; preventieve geneeskundige hulp ter voorkoming van epidemieën (inentingen); betaling van begrafeniskosten voor armen en tenslotte de verstrekking van reisgelden en vervoerskosten voor armlastige passanten. C. BURGERLIJK ARMBESTUUR, 1855 (1856)-1938 1. ORGANISATIE De wijziging van het College van Regenten over de armen in het Burgerlijk Armbestuur op 22 augustus 1855 betrof in feite slechts een verandering in naam. Het Armbestuur kreeg dezelfde taken toebedeeld en was eveneens verantwoording verschuldigd aan de Gemeenteraad. Tot januari 1856 bleef de benaming College van Regenten over de Armen bij herhaling voorkomen. De Gemeenteraad koos de leden van het Burgerlijk Armbestuur uit de gezeten burgerij en uit de raadsleden zelf. Het Armbestuur bestond uit vijf leden, waarvan er één als voorzitter optrad. Ieder jaar trad één der leden af; de afgetredene was dadelijk weer herkiesbaar. Een nadere uitwerking van de interne organisatie werd neergelegd in het huishoudelijk reglement voor het Burgerlijk Armbestuur, vastgesteld op 5 juli 1856 door de Gemeenteraad. Het Armbestuur werd bijgestaan door een rentmeester of boekhouder; deze voerde de administratie van het Burgerlijk Armbestuur. Hij ontving alle aanvragen om onderstand, onderzocht de situatie waarin de gezinnen der aanvragers en die van reeds bedeelden verkeerden en bracht verslag van zijn bevindingen uit aan het Armbestuur dat hierop een beslissing nam. De rentmeester notuleerde het verhandelde tijdens de vergaderingen van het Armbestuur. Een jaarverslag werd door hem opgesteld en na goedkeuring door het Armbestuur vóór 1 juni aan de Gemeenteraad ter goekeuring ingezonden. Eveneens stelde hij de begroting op. De rentmeester werd terzijde gestaan door een bode, later armenknecht geheten; deze onderzocht met name de omstandigheden waarin de gezinnen van aanvragers van onderstand verkeerden. De instructie voor de armenknecht van 1895 bepaalde dat deze zijn opdrachten ontving van de rentmeester. De armenknecht diende aanwezig te zijn bij alle uitdelingen en hij was belast met het ophalen der geldrenten binnen de gemeente Breda en met het innen van de huren van de door het Armbestuur verhuurde huisjes. Op 20 juni 1863 werd een nieuwe verordening op de armenverzorging door de Gemeenteraad vastgesteld, aangezien het oude reglement vrij veel ongeregeld liet. Ingevolge artikel 7 van deze verordening stelden de regenten op 16 mei 1865 een huishoudelijk reglement vast. Dit reglement werd in 1878 vervangen door een nieuw reglement. Ofschoon de Armenwet van 1854 alleen overheidshulp bij de armenzorg wenste te accepteren bij absolute noodzaak, bleek te Breda dat het Burgerlijk Armbestuur de enige instelling was die de nood van een groot aantal behoeftigen kon lenigen. De kerkelijke armenzorg- instellingen waren absoluut niet in staat om het groeiend aantal behoeftigen op te vangen. Naarmate de tijd vorderde, gingen de overheden de armoedebestrijding steeds meer zien als een een ook door hen aan te vatten maatschappelijke taak. De wijze van benadering van de maatschappelijke nood veranderde, met name in de eerste helft van de 20e eeuw. De Armenwet van 27 april 1912 (Staatsblad 165) kende dan ook veel meer richtlijnen voor de burgerlijke armenverzorging dan de Armenwet van 1854. Ook op lokaal niveau kwamen er steeds meer instellingen tot stand die steun verleenden aan behoeftige burgers. Het nieuwe huishoudelijke reglement van het Burgerlijk Armbestuur, vastgesteld door de Gemeenteraad op 25 oktober 1913 bepaalde in artikel 28 dat het Armbestuur steeds bereid diende te zijn tot overleg en samenwerking met andere instellingen van weldadigheid. Deze samenwerking met andere instellingen kreeg een vaste vorm in de in 1913 opgerichte Bredase Armenraad. Het Armbestuur zelf kreeg met name sinds 1929 in de crisisperiode van de dertiger jaren nieuwe taken opgedragen. Het aantal regenten en medewerkers van het Armbestuur nam navenant toe: van respectievelijk 5 en 2 in 1900 tot 7 en 10 in 1935. De huisvesting van het Burgerlijk Armbestuur onderging in 1935 een belangrijke wijziging. Zowel het kantoor van de rentmeester in het stadhuiscomplex als de regentenkamer in het Vrouwenhuis werden verplaatst naar het verbouwde gemeentepand Houtmarkt 11. De inkomsten van het Burgerlijk Armbestuur bestonden onder meer uit de rente op belegde kapitalen, op hypotheken en uit rente van onroerende goederen (rogrenten), uit collecten, schenkingen en legaten, en natuurlijk uit de jaarlijkse gemeentesubsidie. Dankzij deze subsidie kon het Armbestuur steeds het negatieve verschil tussen de stijgende uitgaven en de daarbij achterblijvende inkomsten dekken. Ten einde een samenhang in de omvangrijk geworden taak van de armen- en werklozenzorg te scheppen, centraliseerde de gemeente Breda het Burgerlijk Armbestuur en het sinds 1933 bestaande Bureau voor Steunverlening en Werkverschaffing in één gemeentelijke dienst. Zo ving per 1 januari 1939 de Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon zijn werkzaamheden aan. 2. TAKEN a. Algemeen Per 1 januari 1878 werd op aandringen van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de administratie van de "algemene armen" zoals tot nu toe in Breda namens de gemeente uitgeoefend door het Burgerlijk Armbestuur, gesplitst in "gewone onderstand" en in "politiezorg". Als gevolg hiervan werden de uitgaven aan armenzorg, uitgeoefend als maatregel van politie, rechtstreeks uit de gemeentekas betaald. Het Burgerlijk Armbestuur behield de administratie. Het gemeentebestuur betaalde nu rechtstreeks de door het Burgerlijk Armbestuur goedgekeurde rekeningen. Tot de armenzorg als poiitie-maatregel werden geacht te behoren de verpleging van behoeftigen in het r.k. Gasthuis en het Stedelijk Ziekenhuis; de verstrekking van geneeskundige hulp en geneesmiddelen aan thuiszittende armen, de kosten voor verlossingen van armlastige vrouwen door stadsvroedvrouwen, de kosten voor de stadsapotheek, de kosten voor koepokinentingen, het verlenen van reisgelden aan doortrekkende behoeftigen en het laten begraven van armlastigen. Vóór 1878iaten begraven van armlastigen. Vóór 1878 werden deze uitgaven geadministreerd én betaald door de uitvoerende instantie nml. het Burgerlijk Armbestuur. Vanaf december 1924 werd de "politiezorg" oftewel gemeentelijke armenzorg van het Burgerlijk Armbestuur door de overdracht van de geneeskundige taken aan de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst gereduceerd tot de zorg voor begrafenissen van armlastigen en de zorg voor armlastige passanten Op aandrang van het gemeentebestuur ging het Burgerlijk Armbestuur in 1913 samenwerken met andere instellingen van Weldadigheid in de pas opgerichte Bredase Armenraad. De Armenraad een overheidsinstelling met een van rijkswege gesalarieerde secretaris - had tot doel de plaatselijke instellingen van weldadigheid de nodige informatie te verschaffen over te ondersteunen gezinnen. Door uitwisseling van gegevens kon een dubbele uitkering aan armlastigen voorkomen worden. De Armenraad had een coördinerende en adviserende taak; zij hield zich als "centraal" overlegorgaan niet bezig met daadwerkelijke armenverzorging. Binnen de Armenraad waren enkele commissies werkzaam, zoals de Commissie Onderhoudsplicht; deze commissie boog zich over weigeringen van personen om directe bloedverwanten geheel of gedeeltelijk te ondersteunen, ofschoon zij daartoe in staat waren. Het Burgerlijk Armbestuur kende als grootste instelling van weldadigheid te Breda zijn eigen informatiedienst, die beter toegerust was dan die van de Armenraad. De Armenraad werd uiteindelijk per 1 mei 1936 uit bezuinigingsoverwegingen opgeheven ingevolge het Koninklijk Besluit van 14 januari 1936 nr. 10. Het Burgerlijk Armbestuur nam hierna enkele specifieke taken van de Armenraad over, zoals de werkzaamheden van de Commissie Onderhoudsplicht. b. Afzonderlijke taken - Bedeling Tot de gewone onderstand (ondersteuning) behoorde de bedeling in geld en brood. De gewone ondersteuning kwam ten goede aan ouden van dagen, ziekelijke en gebrekkige personen, weduwen met jonge kinderen. Onderscheid werd gemaakt tussen voortdurende en tijdelijke ondersteuning. Van de permanent bedeelden werd twee keer per jaar een lijst van ondersteunden opgemaakt, nl. tegen de winter en de zomer. De winterbedeling duurde van 1 december tot 1 april, de zomerbedeling van 1 april tot 1 december. Na de inwerkingtreding van de Armenwet van 1912 werd de bedelingslijst per kwartaal opgemaakt. Zo mogelijk dienden de gedane uitgaven voor ondersteuning door de betroffen personen terugbetaald te worden. Voorts werd bedeeld in kleding, in de zgn. ligging- en dekkingsstukken (dekens en dergelijke) en brandstoffen. Armen met lichamelijke gebreken werden door het Armbestuur zo mogelijk aan werkgeholpen. Buitengewone bedelingen, bestaande uit voedingsmiddelen en brandstoffen, vonden daags voor Pasen en daags voor Kerstmis plaats. De kosten hiervoor werden gedekt uit de rente van schenkingen, die voor dit doel aan het Armbestuur waren gegeven. - Besteding Een andere vorm van gewone onderstand vormde de besteding in gemeentelijke of particuliere gestichten van ouderloze hulpbehoevende kinderen, ouden van dagen en geestelijk gehandicapten. De plaatsing en de betaling der kostgelden werden door het Armbestuur verricht. - Medische zorg De administraties van het r.k. Gasthuis en van het protestantse Diakonessenhuis (sinds 1890) droegen zorg voor de geneeskundige behandeling van de in die inrichtingen opgenomen armlastige patiënten. Opname op gemeentekosten geschiedde alleen op medische verklaring van de stadsgeneesheren en op machtiging van het Burgerlijk Armbestuur. In het Stedelijk Ziekenhuis (sinds 1867) was de zorg voor armlastige patiënten opgedragen aan de stadsgeneesheren. De nota's wegens verpleegkosten werden ter goedkeuring toegezonden aan het Armbestuur; deze zond ze na.. goedkeuring doo r naar het het College van Burgemeester en Wethouders ter verrekening. De geneesmiddelen voor de op gemeentekosten opgenomen zieken werden op schriftelijk bewijs van het Burgerlijk Armbestuur in de stadsapotheek gereedgemaakt. De stadsapotheek ressorteerde vanaf de oprichting in 1856 onder het Burgerlijk Armbestuur, vanaf 1868 onder een afzonderlijke commissie van beheer. Het gemeenteziekenhuis ressorteerde van 1867 tot in 1885 onder een commissie van beheer bestaande uit leden van het Burgerlijk Armbestuur. In 1924 werd bij raadsbesluit van 22 decerrber de geneeskundige armenverzorging gescheiden van de burgerlijke armenzorg oftewel van de verzorging van de gewone armen. De in deze periode opgerichte Bredase Gemeentelijke Geneeskundige Dienst nam de geneeskundige taken op zich. Wel werd het Armbestuur in 1929 door een reorganisatie bij de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG en GD) belast met het uitbrengen aan de gemeente van rapporten op bij de GG en GD binnengekomen verzoeken om gratis geneeskunige behandeling en gratis medicijnenverstrekking. - Steun aan ongeorganiseerde werklozen Tijdens de grote werkloosheid gedurende de dertiger jaren kreeg het Armbestuur een taak bij de sinds maart 1931 van gelding zijnde steunregeling aan ongeorganiseerde werklozen. Het Armbestuur keerde aan de ongeorganiseerden werkloosheidsuitkeringen uit en ontving de voorgeschoten gelden later van de gemeente terug. In juli 1933 nam het pas opgerichte gemeentelijke Bureau voor Steunverlening en Werkverschaffing de steunverlening aan georganiseerde en ongeorganiseerde werklozen op zich. - Uitkering aan gepensioneerden Het Burgerlijk Armbestuur was sinds c. 1928 belast met de administratie van de uitkeringen als bedoeld in de wet van 26 juni 1926 (Staatsblad 210) die de nadere bestemming regelde van de bezittingen van .het opgeheven Koninklijk Nationaal Steuncomité (KNS) te 's-Gravenhage. Het doel van het KNS - in 1926 opgevolgd door een bij de wet geregelde stichting - was met name het verlenen van toeslagen op pensioenen van op grond van de Ongevallenwet 1901 gepensioneerde personen. Voorts verrichtte het Armbestuur sinds 1928 de administratie van de uitkeringen van het steunbureau Oost-Indische Militairen te 's-Gravenhage, van de vereniging "Moed, Beleid en Trouw" en van de vereniging van Nederlandsche Ridderorden te 's-Gravenhage. Het bureau Oost-Indische Militairen steunde in bijzondere gevallen oud-gegageerde of gepensioneerde militairen van het Oost-Indische Leger. De beide genoemde verenigingen steunden de familieleden of de drager zelf van Nederlandse ridderorden, indien deze in behoeftige omstandingheden geraakten. - Toezicht op collecten Sinds 1931 hield het Armbestuur op verzoek van het college van B. en W. toezicht op het vaststellen van de opbrengst van de collecten die in de gemeente Breda door verenigingen werden gehouden. - Spaarregeling Sinds januari 1938 verzorgde het Armbestuur op geheel vrijwillige basis een spaarregeling, voor ondersteunden ingevoerd, die ten doel had om na verloop van tijd de spaarders in de gelegenheid te stellen tot het aanschaffen van kleding, schoeisel en beddegoed. Ter stimulering gaf het Armbestuur aan spaarders in bepaalde gevallen een toeslag van 50%. - Distributie van levensmiddelen aan armlastigen en werklozen Sedert 1933 droeg het Burgerlijk Armbestuur zorg voor distributie en verkoop tegen gereduceerde prijzen van levensmiddelen aan armlastigen en daarvoor in aanmerking komende werklozen. Onder levensmiddelen valt onder meer te verstaan: gehakt in blik, verse groenten, bak- en braadvet, onvermengde margarine, maar ook brandstoffen. De distributie en opslag van de levensmiddelen had het Armbestuur gedeeltelijk in eigen beheer, zoals de vlees- en de boterdistributie.
Hieronymusschool of Latijnse school 1474-1863 Al in de middeleeuwen was Utrecht het middelpunt van het geestelijk leven. Aan het onderwijs werd veel aandacht besteed. In de achtste eeuw waren aan de kerken van St.-Maarten en St.-Salvator en later ook aan de St.-Pieter, de St.-Jan en de St.-Marie kapittelscholen (een combinatie van de lagere school en de laagste klassen van het gymnasium) verbonden. Gedurende de vroege middeleeuwen hadden deze instellingen een groot aanzien, daar er nog geen universiteit bestond. In de veertiende eeuw echter ging hun roem dalen. In Europa kwamen nieuwe stromingen opzetten; de Scholastiek moest gaan wedijveren met het Humanisme. Het waren de Broeders des Gemenen Levens (een broederschap gesticht door Geert Grote in 1384) die in Nederland de nieuwe ideeën zouden gaan verbreiden. Zij wilden hun kennis en geleerdheid ook buiten de kloostermuren uitdragen en het verouderde onderwijs, met name van de kapittelscholen, verbeteren. In vele steden hebben zij zich dan ook verdienstelijk gemaakt door het stichten van scholen. Zo ook in Utrecht. Dit werd mogelijk toen in 1474 Johannes Reinerszoon van Zevenaar en zijn vrouw Catharina een huis en erf, gelegen aan de Kromme Nieuwegracht, aan de Broeders des Gemenen Levens te Delft nalieten, op voorwaarde, dat zij binnen een half jaar een begin zouden maken met de stichting van een nieuwe afdeling van hun broederschap. Zij lieten deze kans niet voorbijgaan. Nauwelijks twee maanden na de dood van Catharina waren drie broeders uit Delft al met de uitvoering van het testament begonnen. Op 4 december 1474, de dag die nog altijd als de dies natalis van het Stedelijke Gymnasium wordt beschouwd, werd de school ingewijd. De school kreeg de naam 'Hieronymusschool', naar de heilige Hieronymus, een van de patronen van de Broeders des Gemenen Levens. In de eerste eeuw werd deze Latijnse school goed bezocht en voldeed zij kennelijk aan de behoefte van die tijd. Een van de beroemdste figuren uit deze periode was rector Georg van Langveldt, die als Georgius Macropedius bekend zou blijven (zie bijlage 1, lijst van rectoren). In 1586 vond er een grote verandering plaats in het schoolwezen te Utrecht. De raad bepaalde n.l. bij besluit van 7 maart 1586, dat de kapittelscholen opgeheven zouden worden. De Hieronymusschool werd een hervormde onderwijsinrichting. De katholieke rector, Reinerus Sarcerius, en de leraren werden ontslagen. Het gevolg daarvan was, dat de school schrikbarend achteruit ging. Het leerlingenaantal liep terug, tot Sarcerius, nu hervormd geworden, wederom de teugels in handen nam. De school werd in de volksmond 'De Grote School' genoemd. In 1634 echter moest zij deze mooie naam afstaan. In dat jaar werd 'De Illustre School', een stedelijke hogeschool, gesticht, die twee jaar later tot provinciale hogeschool werd verheven. Het gymnasium moest zich nu tevreden stellen met de opdracht leerlingen voor te bereiden voor universitair onderwijs. In 1815 zou wederom een belangrijk jaar voor de school worden. Bij Organiek Besluit werden toen naast Latijn en Grieks, ook wiskunde, Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde als leervakken in het lesrooster opgenomen. In 1830 werd de wijze van lesgeven drastisch veranderd. Daardoor kwam een einde aan een eeuwenoude traditie: terwijl men vroeger in elke klas een leraar aan het hoofd stelde, die de leerlingen in alle leervakken onderwees, moesten de leraren nu aan alle klassen les geven in hun speciale leervak. Het systeem lokte veel kritiek uit: pedagogen uit Frankrijk en Duitsland kwamen naar Utrecht om met eigen ogen te zien hoe men de nieuwe methode toepaste. Nog in hetzelfde jaar werd het pand aan de Kromme Nieuwegracht verlaten en vestigde men zich op het Domplein. Dit gebouw beviel blijkbaar niet goed, want al in 1841 ging men naar Minrebroederstraat. Hier heeft men tot 1880 een goed onderdak gevonden. Ondanks de concurrentie die de H.B.S. (gesticht in 1864) het aandeed, beleefde het gymnasium onder het rectoraat van dr. A. Ekker een grote bloei. In 1838 werd het mogelijk om aan de Latijnse scholen een zogenaamde 'tweede afdeling' in te stellen. De eerste afdeling bleef de ideale, klassieke vooropleiding tot de universiteit, de tweede afdeling kreeg een meer algemeen vormend, actueel programma. Na aanname van de eerste wet op het Middelbaar Onderwijs van 1863 zouden deze laatstgenoemde afdelingen opgaan in de (hogere) burgerscholen. Aan de Hieronymusschool in Utrecht werd geen tweede afdeling ingesteld. Wel werd in 1862 door de gemeenteraad in de vergadering van 30 januari besloten tot de instelling van een commissie tot onderzoek van de toestand en inrichting van het onderwijs aan het Stedelijk Gymnasium. Deze commissie kwam in de raadsvergadering van 21 januari 1864 met haar voorstel. Op basis van het ontwerp van de commissie werden in die vergadering vier verordeningen voor de regeling van het onderwijs aan het Gymnasium vastgesteld * : Zie de besluiten c.q. notulen van de gemeenteraad van Utrecht 1864 jan.-april, opgenomen in inv.nr. 65 van het archief van het Gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969 (toegangsnr. 1007-1) 1. Verordening, houdende regeling van het Stedelijk Gymnasium te Utrecht 2. Verordening, regelende den rang, het getal en de bezoldiging der leeraren van het Stedelijk Gymnasium 3. Verordening tot heffing van schoolgelden 4. Verordening op de invordering van schoolgelden voor leerlingen die het Stedelijk Gymnasium bezoeken. Formeel kreeg hiermee de omzetting van de Latijnse school te Utrecht in het Utrechts Stedelijk Gymnasium haar beslag. Utrechts Stedelijk gymnasium 1864-1969 In 1876 kwam door de nieuwe wet op het Hoger Onderwijs een einde aan de Latijnse scholen. De stedelijke gymnasia traden daarvoor in de plaats. Met de reorganisatie kon men pas beginnen, toen bij het Koninklijk Besluit van 27 april 1877 het leerplan voor de gymnasia werd vastgesteld. Hierbij werd bepaald, dat de school voortaan zes klassen zou hebben in plaats van de gebruikelijke vijf klassen en dat de beide hoogste klassen in een alfa- en een bèta-afdeling gesplitst zouden worden. Het tijdperk van reorganisatie duurde tot 1882. Toen werd voor het eerst het eindexamen volgens de nieuwe regels afgenomen. In 1879 stelde de gemeenteraad de vereiste verordeningen vast. Dat de gemeenteraad hiervoor zoveel tijd nodig had, was te wijten aan het Koninklijk Besluit van 29 juni 1878, dat wederom enige wijzigingen in het leerplan bracht. De reorganisatie en het grote aantal leerlingen maakten het noodzakelijk naar een ander gebouw uit te zien. In 1880 verhuisde men voor de derde maal binnen vijftig jaar. Ditmaal naar het Janskerkhof. Hier zouden de eerste meisjes hun gymnasiale opleiding krijgen. Op 30 juni 1887 nam de gemeenteraad het besluit, dat voortaan ook meisjes tot de school toegelaten mochten worden. Ruimtegebrek was en bleef een probleem. Al in 1883 werd het huis van mr. J. Cock Blomhoff, lid van de Gedeputeerde Staten van Utrecht, ook aan het Janskerkhof gelegen, aangekocht. Na een kleine verbouwing kon het in 1884 in gebruik genomen worden. Het hoogtepunt uit deze periode was wel de viering van het 450-jarig bestaan van de school in 1924 onder het rectoraat van dr. A.H. Kan. Het schoolgebouw aan het Janskerkhof bleek niet geschikt voor het toenemend aantal leerlingen. In 1932 kwam aan de Homeruslaan en het Minervaplein een nieuw gebouw gereed, waar de gymnasiasten nog heden ten dage hun opleiding ontvangen. De opening ging gepaard met een uitbundig feest, dat drie dagen duurde. Het hoogtepunt was de opvoering van Sophocles' Aiasdoor de leerlingen. Op 11 februari 1944 moesten de gymnasiasten het veld ruimen voor de bezetters. Binnen drie weken diende het schoolgebouw tot hun beschikking te staan. Achtereenvolgens werden de lessen gegeven: tot januari 1945 in het schoolgebouw aan de Minkade, tot april 1945 in de meisjes-H.B.S. aan de Wittevrouwenkade en tot mei 1945 in het Universiteitsgebouw aan het Domplein. Tenslotte bood het Christelijk Gymnasium hun een gastvrij onderdak. Toen de bezetters en daarna de bevrijders in september 1945 het gebouw verlaten hadden, bleek het zodanig beschadigd te zijn, dat een grondige restauratie nodig bleek. Pas in 1947 kon men de school weer betrekken. Deze feestelijke dag werd besloten met de opvoering van de Hecastusvan Georgius Macropedius, eens rector van de Hieronymusschool. Het college van curatoren heeft het toezicht op het beheer van de school en het geven van gymnasiaal onderwijs. Het bestaat uit tenminste vijf leden, die door de gemeenteraad benoemd worden op voordracht van het college van curatoren. Uit hun midden wordt een voorzitter gekozen. Traditiegetrouw treedt de burgemeester van de stad Utrecht op als president-curator. Het college krijgt een van de ambtenaren van de secretarie als secretaris toegevoegd, benoemd door het College van Burgemeester en Wethouders. De taak van het college van curatoren is in de eerste plaats toe te zien op het naleven van de wetten, verordeningen, etc. betreffende het gymnasium. Het stelt een huishoudelijk reglement vast, biedt aan het College van Burgemeester en Wethouders de begroting voor het komende jaar aan en zendt aan de gemeenteraad een jaarverslag over de toestand van het gymnasium, dat onder de bijlagen wordt opgenomen in het verslag van de toestand van de gemeente Utrecht. Het onderwijs wordt gegeven door rectoren en leraren. Een van de leraren is conrector, die de rector vervangt en terzijde staat. De rector is voorzitter van de lerarenvergadering. Bij geschillen tussen rector en leraren beslissen de curatoren. Aan het einde van de cursus biedt de rector de curatoren de schriftelijke besluiten aan over de toelating en bevorderingen van de leerlingen. Curatoren beslissen op voordracht van rector en leraren, wie er in aanmerking komen om met een prijs bevorderd te worden en wie van de geslaagde eindexamenkandidaten bij de prijsuitreiking de traditionele oratie moet houden. De prijsuitreiking is sinds eeuwen het hoogtepunt van het schooljaar. In de eerste eeuwen van het bestaan van de Hieronymusschool vond de prijsuitreiking plaats in het huis van de rector. In 1732 echter besloot de vroedschap dat de prijsuitreiking voortaan plaats zou vinden in de Pieterskerk. Bij het uitdelen van de prijzen hield de rector een redevoering in het Latijn. De leerlingen, die met een prijs tot de universiteit toegelaten waren, moesten met een oratio, eveneens in het Latijn, bedanken. De leerlingen die met een eervolle vermelding of met een prijs bevorderd waren, brachten hun dankwoord uit in de vorm van een actio gratiarum. De leraren maakten deze dankbetuigingen in het Latijn gewoonlijk tegen een vergoeding. De nieuwe Hoger Onderwijs wet van 28 april 1877 bracht veranderingen. De prijsuitreiking werd niet meer beschouwd als een werkelijke promotie tot de universiteit maar als een plechtige afsluiting van het schooljaar. De uitreiking vond niet meer in september maar in juli plaats. De rectorale rede werd sinds 1879 in het Nederlands gehouden. Al in 1873 waren de actiones gratiarumafgeschaft. In plaats daarvan droegen de leerlingen gedichten van de klassieke schrijvers voor. De leerlingen mochten nu Franse, Engelse of Duitse verzen zeggen. In 1881 werd de prijsuitreiking op school gehouden, daarna tot 1887 wederom in de Pieterskerk. Vanaf 1888-1892 vierde men de plechtigheid in de remonstrantse kerk, waarna men opnieuw de voorkeur gaf aan de Pieterskerk. De restauratie van deze kerk noopte het gymnasium nog eens een ander onderkomen te zoeken. De Geertekerk doet nu al weer enige jaren als zodanig dienst. Wanneer de restauratie ten einde is, hoopt men weer zo spoedig mogelijk naar de Pieterskerk terug te keren. Het college van curatoren kwam voor het laatst bijeen op 23 juni 1969 ter gelegenheid van de laatste officiële prijsuitreiking in de Geertekerk. De president-curator, jhr.mr. C.J.A. de Ranitz, droeg tijdens deze bijeenkomst het bestuur van de school over aan het gemeentebestuur. Fondsen en verenigingen Volgens het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van 13 april 1827 is het college van curatoren aangesteld tot beheerder van het fonds Collegium Willebrordi ac Domus Pauperum. Dit fonds werd gesticht in 1551 en stelt bedragen ter beschikking voor het vergoeden van schoolgelden, schoolboeken etc. voor de daarvoor in aanmerking komende leerlingen aan de gymnasia en aan de gymnasiale afdelingen van de lycea te Utrecht. Tevens worden namens het fonds studiebeurzen uitgereikt aan leerlingen, die met goed gevolg hun eindexamen hebben afgelegd. Behalve het Collegium Willebrordi ac Domus Pauperum bestaan er nog drie andere fondsen van het gymnasium, nl. de Vereniging tot instandhouding van het Hieronymusfonds, het dr. N.J. Singelsfonds en het Gregoriusfonds. Het Centenfonds is inmiddels opgeheven. Het Hieronymusfonds werd op 1 juli 1926 opgericht door oud-leerlingen van het gymnasium naar aanleiding van het geslaagde lustrum van de school in 1924. De tegenwoordige leden van het fonds zijn allen oud-leerlingen van het gymnasium. Wanneer de leerlingen eindexamen hebben gedaan, kunnen zij als lid toetreden. Het fonds stelt zich ten doel gelden beschikbaar te stellen voor aanschaffing van boeken en instrumenten en door allerlei andere maatregelen de bloei van de school te bevorderen. Het dr. N.J. Singelsfonds, onderdeel van het Hieronymusfonds, werd op 17 maart 1934 opgericht door de leerlingen van dr. N.J. Singels, die van 1902-1918 rector aan het gymnasium was. Het doel van het fonds is gelden beschikbaar te stellen voor het aanschaffen van boek- en plaatwerken voor de schoolbibliotheek. Het jongste fonds werd genoemd naar de abt Gregorius, die omstreeks 750 aan de Utrechtse kapittelscholen les gegeven heeft. Het fonds werd door de ouders van de leerlingen in 1946 opgericht en heeft zich tot taak gesteld het gemeenschappelijk leven op het gymnasium te bevorderen en het verenigingsleven te stimuleren. De gymnasiasten hebben zich altijd vol energie gewijd aan het verenigingsleven. Het is opvallend dat één van de oudste verenigingen, de Gymnasiasten-Gymnastiek- en Schermvereniging Isthmia, opgericht in 1878, zich steeds heeft weten te handhaven. Dit is misschien te danken aan het feit, dat men bij het beoefenen van sport geen tijd heeft eindeloos te debatteren over zaken waar men het niet over eens kan worden. In 1908 kreeg Isthmia er een meisjesafdeling bij. In 1916 werd de koninklijke goedkeuring verkregen. De Algemeene Utrechtsche Gymnasiasten-Vereniging (AUGV) werd in 1891 opgericht. De verdienste van deze vereniging is geweest het oprichten van een Algemene Gymnasiasten-Bibliotheekvereniging. Bij de opheffing van de AUGV in 1905 werd de Algemene Bibliotheekvereniging volgens de statuten een zelfstandige instelling. Als zodanig heeft ze echter niet lang bestaan, want al in 1905 schonk zij de bibliotheek aan het gymnasium zelf. Na de AUGV kwam de Utrechtsche Letterkundige Gymnasiasten-Vereniging. Ook deze was slechts een betrekkelijk kort leven beschoren en wel van 1905 tot 1937. Al in 1934 was er een verandering in het verenigingsleven gekomen. Rector en leraren hadden namelijk besloten zich met het verenigingsleven bezig te gaan houden. In dat jaar kwam de Algemene School Vereniging tot stand, waarvan het bestuur bestond uit de rector, die fungeerde als praeses, een leraar, die belast werd met het financiële beheer, en tenslotte een lid van de besturen van de onder de Algemene School-Vereniging ressorterende subverenigingen. Deze subverenigingen waren in die tijd de Gymnasiasten-Gymnastiek- en Schermvereniging Isthmia (1878), de Utrechtse Stedelijke Gymnasiasten-Muziekvereniging Ars Musica Optima Rerum (U.S.G.M.V. AMOR) (1909) en de Gymnasiasten-Toneelvereniging Melpomene (1928). In 1937 kreeg het overkoepelend orgaan van de verenigingen de naam Algemene Schoolvereniging HESTIA. Het dagelijks bestuur werd gevormd door de leerlingen, maar het financieel beheer bleef in handen van de leraren. HESTIA bleef bestaan tot 1941. In 1964 kregen Isthmia, AMOR en Lampomene (een samensmelting van de Gymnasiasten-Debatten- en Voordrachtenvereniging De Lantaarn en de Gymnasiasten-Toneelvereniging Melpomene) weer een overkoepelend orgaan ALIBAS boven zich. Dit orgaan heeft evenals de Algemene Schoolvereniging HESTIA tot taak de goede samenwerking tussen de verenigingen te bevorderen en de financiën te regelen.
1.1.1 Institutionele geschiedenis De Koninklijke Militaire Academie (KMA) is opgericht bij Koninklijk Besluit (KB) van 29 mei 1826 nr. 27, als gevolg van de rapportage van de bij KB van 13 december 1822 nr. 1 ingestelde commissie tot het doen van aanbevelingen voor de verbetering van het militair onderwijs. De KMA zou de opvolger worden van de Artillerie- en Genieschool te Delft, waarvan de opheffing bij hetzelfde besluit werd voorzien( Het KB bepaalde de oprichting van twee militaire kweekscholen, te Delft en Leuven. Bij de vaststelling van het reglement van de KMA in 1827 blijkt dat de vestiging te Delft van een kweekschool toen reeds op losse schroeven stond. ). De Academie zou worden gevestigd te Breda, in het kasteel aldaar, dat voor het nieuwe doel door de koning ter beschikking werd gesteld. De aanpassing van de gebouwen te Breda maakte, dat de KMA pas in 1828 kon gaan functioneren: op 15 augustus trad het personeel aan, op 20 november de leerlingen, aangeduid als kadetten, en op 24 november werd de academie officieel geopend door prins Frederik. Bij KB van 27 november 1827 nr. 159 was intussen het eerste reglement van de KMA vastgesteld, in 371 artikelen. Het doel van de KMA werd omschreven als: het opleiden van jongelieden tot officieren bij de Landmacht en tot beambten van de Waterstaat( Impliciet blijkt daaruit, dat de discussie om ook de Marine-opleidingen bij de KMA onder te brengen, tot een negatieve conclusie was geraakt. Eveneens impliciet is, dat de KMA niet zou opleiden voor dienst in de koloniën. ). De opleiding zou vier jaar duren. Voor kadetten der artillerie en genie werd na afloop daarvan nog een applicatiecursus van maximaal twee jaar voorzien. Het aantal kadetten werd bepaald op ten hoogste 308. Als gevolg van de Belgische opstand werd bij KB van 8 oktober 1830 nr. 17 het onderwijs aan de KMA opgeschort. De kadetten werden of naar huis gezonden of voor actieve dienst ter beschikking gesteld van het departement van Oorlog. Dat laatste gebeurde tevens met het militaire personeel van de KMA. De gebouwen gingen dienst doen als kazerne c.q. officierslogement. De lange duur van deze opschorting bleek met name hinderlijk voor de Genie en de Waterstaat. Daarom werd bij KB van 14 februari 1832 nr. 6 geregeld, dat de opleiding van kadetten genie zou worden hervat aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) te Medemblik. Per 1 mei 1832 ging dezelfde regeling in voor de kadetten Waterstaat. Krachtens KB van 10 juni 1836 nr. 104 werd, per 1 november 1836, de opleiding aan de KMA te Breda weer hervat, nu echter tevens voor de opleiding van officieren bestemd voor dienst in de koloniën. Het aantal opleidingsplaatsen werd bepaald op 293. De reeds aan het KIM in opleiding zijnde kadetten kwamen terug bij de KMA. Tegelijk werden voorlopige veranderingen aangebracht in het reglement van de KMA, met de bedoeling om na verloop van twee jaar definitief over het reglement te beslissen. Bij KB van 15 juli 1841 nr. 31 werd een geheel nieuw reglement voor de KMA vastgesteld. Bij KB van 16 juli 1841 nr. 14 werd vervolgens besloten tot de oprichting van een Rijschool voor officieren der cavalerie en bereden artillerie bij de KMA gevestigd, en in verband daarmee tevens de te Den Haag gevestigde hoefsmedenschool overgebracht naar Breda. Het onderwijs aan kadetten van de Waterstaat werd bij KB van 7 augustus 1842 nr. 121 overgeheveld naar de kort tevoren opgerichte Koninklijke Academie voor Burgerlijke Ingenieurs te Delft, met dien verstande, dat Waterstaatskadetten, die reeds te Breda hun studie hadden aangevangen, in de gelegenheid bleven om in Breda hun gehele opleiding af te ronden. Bij gevolg kwam in 1845 een einde aan de civiele Waterstaatsopleiding bij de KMA. Bij KB van 11 augustus 1850 nr. 5 werd het KIM uit bezuinigingsoverwegingen gesloten en de opleiding ervan op experimentele basis toegevoegd aan de KMA. Bij KB van 23 augustus 1851 nr. 86 werd deze regeling definitief. Bijgevolg bepaalde het KB van 27 augustus 1852 nr. 67 naamsverandering in Koninklijke Academie voor Land- en Zeemacht, terwijl tegelijk een nieuw reglement voor de academie werd vastgesteld. Blijkbaar bevredigde deze constructie niet, want bij KB van 26 juli 1854 nr. 60 werd, op voordracht van de minister van Marine, bepaald dat de opleiding van adelborsten ook plaats zou kunnen hebben aan boord van Z.M. oorlogsschepen. Het KB van 7 april 1855 nr. 59 ging nog verder: de opleiding van adelborsten zou uitsluitend aan boord geschieden, behalve voor degenen die reeds te Breda aan de opleiding waren begonnen, en met uitzondering van de opleidingen voor ingenieurs der Scheepsconstructie en 2e luitenants der Mariniers. Aan deze laatste uitzonderingen werd bij KB van 13 februari 1857 nr. 71 eveneens een eind gemaakt ten gunste van het nieuwe KIM te Willemsoord. Bijgevolg werd bij KB van 13 juli 1857 nr. 40 de oorspronkelijke naam van de academie hersteld en ingaande 1 september een nieuw reglement ingevoerd. Per 1 oktober van datzelfde jaar verdwenen de laatste adelborsten uit Breda. Na de in werking treding van de wet op het middelbaar onderwijs van 2 mei 1863 Sb. 50 werd krachtens koninklijk kabinetsrescript van 26 december 1866 nr. 53 op 29 december 1866 een Staatscommissie ingesteld tot herziening van het onderwijs aan de KMA. De commissie rapporteerde snel: op 9 februari 1867 werd het rapport aan de koning aangeboden. De uitvoering van de aanbevelingen van de commissie vond geleidelijk plaats. Zo werd nog in 1867 de duur van de KMA-opleiding teruggebracht tot 3 jaar. De volledige uitwerking van de vernieuwingen vond plaats bij wet van 17 juli 1869 Sb. 141 en het daarop gevolgde KB van 9 december 1871 nr. 18. Ingaande 1 januari 1872 werd het onderwijs aan de KMA opnieuw geregeld. De opleiding werd verkort tot twee jaar, onder handhaving van een eenjarige applicatiecursus voor de kadetten der Artillerie en Genie. Het onderwijs aan de KMA werd vervolgens gewijzigd bij de wet van 30 mei 1877 Sb. 141 ingaande 15 juli daaraanvolgend. De wet behelsde een voorlopige voorziening in afwachting van de herziening van de wetten op het lager en middelbaar onderwijs. De KMA-cursus werd gebracht op vier jaar en de applicatiecursus voor officieren der artillerie en genie werd overgeheveld naar de Krijgsschool. Nadere invulling van de wet geschiedde bij KB van 22 augustus 1877 nr. 10, dat een nieuw reglement vaststelde. De wet van 21 juli 1890 Sb. 126 riep een geheel nieuwe regeling van het militaire onderwijs in het leven. De KMA bleef opleiden tot officier van Infanterie, Cavalerie, Artillerie en Genie "hier te lande" en in de koloniën. Bij de Hoofdcursus te Kampen werd een opleiding van onderofficieren tot officier der infanterie en der militaire administratie ondergebracht, eveneens gericht op de dienst zowel hier te lande als in de koloniën. Bovendien werden vooropleidingen in het leven geroepen, een Cadettenschool ter voorbereiding op de KMA, en een cursus bij de Infanterie ter voorbereiding op de Hoofdcursus te Kampen. De vervolg-opleiding van officieren bleef bij de Hogere Krijgsschool. De KMA-opleiding werd op drie jaar gesteld. Het toezicht werd opgedragen aan de Inspecteur van het Militair Onderwijs. De wet kondigde nadere invullingen aan bij reglementen voor de verschillende instituten en trad ingevolge KB van 4 april 1891 nr. 22 in werking per 20 april 1891. Bij dat KB werd tevens bepaald, dat de Gouverneur der KMA en de directeuren van de andere inrichtingen van militair onderwijs onder onmiddellijk bevel en toezicht zouden staan van de Inspecteur van het Militair Onderwijs. Vervolgens werd bij KB van 6 april 1895 Sb. 40 en bij ministerieel besluit van 27 mei 1895 IIe afdeling nr. 23 een reglement resp. voorschrift voor de KMA ingevoerd, waarvan het reglement inging op 10 mei resp. 16 september 1895. Het KB van 2 december 1895 Sb. 185 stelde nadere regels voor de toelating in Nederlands-Indië tot de opleiding aan de KMA. Bij KB van 2 juni 1910 nr. 135 werd opnieuw een Staatscommissie in het leven geroepen om te adviseren over de reorganisatie van het militair onderwijs. Het rapport van de commissie werd op 31 oktober 1913 aan de Koningin aangeboden. De aanbevelingen konden niet onmiddellijk worden gerealiseerd wegens de mobilisatie van 1914. De gewone gang van zaken bij de KMA is na de Belgische afscheiding driemaal onderbroken geweest door mobilisaties. Die van 1870 was slechts van korte duur. Als gevolg van de mobilisatie van 1914 werd, conform het reglement van de KMA, het onderwijs tijdelijk geschorst. Officieren en daarvoor in aanmerking komende kadetten werden naar een mobilisatiebestemming gedirigeerd. Voor kadetten die niet daarvoor in aanmerking kwamen en de voor het najaar van 1914 aangetreden nieuwe lichting werden in 1914 en 1915 bijzondere cursussen gegeven, terwijl er bij de KMA een applicatieschool werd opgericht voor na 1914 tot officier bevorderden die door de schorsing niet de volledige KMA-opleiding hadden afgerond. Per oktober 1915 werd weer met een normale opleiding van eerstejaars kadetten begonnen. Bij de mobilisatie van 29 augustus 1939 volgden het militaire personeel van de KMA alsmede de kadetten van het tweede en derde jaar voorzover in opleiding voor dienst "hier te lande" hun mobilisatiebestemming bij het veldleger. De overige kadetten dienden zich naar Haarlem te begeven, waar de KMA met de scholen voor reserveofficieren en de Militaire Gasschool werden verenigd tot de Centrale Onderwijs Inrichting (COl) onder bevel van de Gouverneur der KMA. Gebrek aan accomodatie te Haarlem verhinderde de voortzetting van onderwijs. Om die reden werd de COl in september 1939 naar Breda verlegd, waar ook een nieuwe lichting opkwam. Op 7 februari 1940 keerden de kadetten van het tweede en derde studiejaar, alsmede officieren-leraar, weer terug naar de KMA. Met het militaire onderwijs weer zo goed als in normale banen, besloot de minister van Defensie, dat de COl per 2 mei 1940 ontbonden zou worden. De erin verenigde onderwijsinstellingen werden weer zelfstandig gemaakt en op 8 mei weer naar Haarlem verlegd. Bij de capitulatie bevonden personeel en kadetten zich derhalve te Haarlem. Op 3 juni keerden zij naar Breda terug. Krachtens bevel van de Duitse demobilisatie-commissaris werd de KMA per 15 juli 1940 opgeheven. De kadetten van het hoogste studiejaar, die de "verklaring op erewoord" tekenden, werden tot officier bevorderd en met het andere beroepspersoneel op non-actief gesteld. Personeel dat de verklaring niet tekende, werd in krijgsgevangenschap genomen, hetgeen de Gouverneur, de meeste "Indische" officieren en vijf kadetten verkozen. Kadetten van lagere jaren konden desgewenst met ontslag worden gezonden, dan wel deelnemen aan verschillende omscholingscursussen gericht op de burgermaatschappij. Deze cursussen werden gehouden aan de "School Breda van de Opbouwdienst", die per 15 juli in het leven werd geroepen. De school werd op 15 augustus 1940 verplaatst naar Oosterhout. Reeds vanaf 16 juni verbleef een Duits NSKK-contingent in de KMA-gebouwen te Breda, en vanaf 15 augustus werd het gehele complex door de bezettingstroepen gebruikt. In 1942 werden tenslotte de burgerdocenten van de KMA, sinds 1940 op wachtgeld, ontslagen. De KMA zou in 1948 weer heropenen. 1.1.2 Organisatie 1.1.2.1 Gouverneur (1836-1841: Eerste Commandant) De KMA werd bij oprichting gesteld onder leiding van een Gouverneur. De eerste Gouverneur was lt. gen. C.A. GunkeI. Na diens ontslag in 1830 werd de functie tijdelijk niet vervuld. Bij de heropening in 1836 werd de waarneming van de Gouverneursfunctie aan de "Eerste Commandant" opgedragen. Als zodanig werd benoemd gen.maj. H.G. Seelig. Bij het nieuwe reglement van 1841 werd de Gouverneursfunctie weer hersteld. De Gouverneur was belast met het oppertoezicht over het personeel en materieel van de academie, en de rapportage daarover aan het Ministerie en/of de Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs(Deze commissie was in het leven geroepen bij hetzelfde KB uit 1826, waarbij de KMA was opgericht.). In 1841, 1852, 1857 en 1862 werd zelfs bepaald, dat de Gouverneur zijn correspondentie met het departement diende te voeren via de voorzitter van de commissie. In de reglementen van 1871 en 1874 bleef de taak van de Gouverneur goeddeels ongewijzigd' maar werd uitdrukkelijk zijn rechtstreekse correspondentie met het departement gestipuleerd. De bevoegdheden van de Gouverneur werden bij het reglement van 1877 uitgebreid ten nadele van de Raad van Toezicht c.q. Bijstand. In tal van zaken, waarin voorheen de beslissing lag bij de Raad, werd thans de bevoegdheid bij de Gouverneur gelegd, met een adviserende capaciteit van de Raad. In 1895 werd de laatste beslissingsbevoegdheid van de Raad, die inzake de overgang van kadetten naar volgende studiejaren, eveneens binnen de competentie van de Gouverneur gebracht, doordat deze als voorzitter van de commissie voor de overgangsexamens werd aangewezen. Sindsdien is de positie van de Gouverneur niet meer wezenlijk veranderd. 1.1.2.2 Raad van Toezicht De Gouverneur was sinds het reglement van 1827 voorzitter van de Raad van Toezicht, die aanvankelijk bestond uit de Commandant, de eerste en tweede hoogleraren wis - en natuurkunde, de hoogleraar Nederlands, de kapiteins compagniescommandanten en als secretaris de adjudant van de Gouverneur (Bij de heropening in 1836 verdwenen de hoogleraren wiskunde uit de raad en werd een kapitein der genie toegevoegd.). De taak van de Raad werd in 1827 omschreven als het toezicht op de studievoortgang en vaststelling van de rapportage daarover, de beslissing over overgang naar volgende studiejaren, het toezicht op tucht en discipline en de instructie van militair en civiel personeel, met uitgebreide beslissingsbevoegdheden binnen deze competentie. In 1841 werd de naam gewijzigd in Raad van Bestuur en Toezicht en werd de samenstelling weer geregeld als in 1827. De Raad fungeerde tot 1857 ook als examencommissie voor de overgangsexamens. In 1857 werd dit aspect aan een afzonderlijke commissie opgedragen, maar de Raad bleef de beslissing inzake overgang houden. Bij de wet van 1877 werd de Raad van Toezicht herdoopt in Raad van Bijstand. Nadere uitwerking van de wet geschiedde bij een nieuw reglement, dat een aanzienlijk deel van de (beslissings)bevoegdheden van de Raad overdroeg aan de Gouverneur. De Raad adviseerde de Gouverneur, en had nog slechts beslissingsbevoegdheid inzake de overgang van kadetten naar een volgend studiejaar. Benoeming van de Raad geschiedde op voordracht van de Gouverneur door de minister, en wel uit de officieren en burgerleraren van de KMA. De beslissingsbevoegdheid inzake overgang werd in 1895 eveneens aan de Raad ontnomen. Sindsdien fungeerde zij uitsluitend als een adviescollege voor de Gouverneur. 1.1.2.3 Raad van Administratie Ook de Raad van Administratie werd reeds in 1827 ingesteld, onder toezicht van de Gouverneur. Als leden werden aangewezen de Commandant, twee compagniescommandanten en als secretaris de kapiteinkwartiermeester der KMA. Bepaald werd, dat de Gouverneur aan de zittingen van de Raad kon deelnemen en alsdan deze zou voorzitten. In de praktijk zal het erop neergekomen zijn, dat deze optie tot regel werd. In 1841 werd de Gouverneur dan ook aangewezen als voorzitter en de Commandant als lid. Taak van deze Raad was het beheer van de middelen, ook de financiële, van de KMA. Bij het reglement en voorschrift van 1895 werd de vroegere Raad van Administratie vervangen door een hoofdadministratie, waarvan deel uitmaakten de Gouverneur als voorzitter, de twee kapiteins commandanten der kadettencompanieën als commissarissen, en de kwartiermeester als secretaris (De hoofdadministratie was tegelijk competent voor de administratie van de Cadettenschool.). 1.1.2.4 (2e) Commandant (Directeur der Studiën, Eerste Officier) Vanaf 1827 bestond tevens de functie van Commandant der KMA, direct ondergeschikt aan de Gouverneur en met als taak de dagelijkse leiding van de academie, omschreven als de directie en inspectie van de studie, exercitie en opvoeding, de "economie" van de KMA, en het toezicht op de leraren. De Commandant was voorzitter van de Raad van Administratie. Bij de heropening in 1836 werd de functie van Commandant vervangen door die van "Tweede Commandant", maar in 1841 werd de titel Commandant weer hersteld. In 1857 werd de Commandant aangewezen als voorzitter van de Raad van Examen, die belast werd met het houden van zowel de overgangs- als het eindexamen. Bij het reglement van 1871 werd de functie, bij overwegend gelijkblijvende taak, herdoopt tot Directeur der Studiën. Dezelfde taak werd bij het reglement van 1877 opgedragen aan een functionaris met de titel Eerste Officier. Deze moest in 1895 de voorzittershamer van de overgangs-examencommissie overgeven aan de Gouverneur. Wezenlijke verandering in diens positie is sindsdien niet opgetreden. 1.1.2.5 Kadetten Het reglement van 1827 bepaalde het aantal kadettencompagnieën op vier, ieder onder een kapitein van de respectieve wapens. Bij de heropening van de KMA in 1836 werd het aantal compagnieën teruggebracht tot drie. Bij het reglement van 1871 slonk het aantal compagnieën tot één, in 1877 werd het weer uitgebreid tot drie, en in 1895 weer teruggebracht tot twee (Vanaf 1857 wordt in de reglementen voorts een afzonderlijke compagnie oppassers geformeerd.). 1.1.2.6 Toelatingsexamen Het reglement van 1827 stelde een toelatingsexamen verplicht, af te nemen door een examencommissie van tenminste vijf leden. De examencommissie werd benoemd door de Gouverneur en diende tenminste een officier der artillerie en een der genie te bevatten. Aan te nemen valt, dat als zodanig in de regel werden benoemd officieren die aan de KMA waren verbonden. De reglementen van 1841, 1852, 1857 en 1862 handhaafden deze constructie, zij het dat in 1852 het minimum aantal officieren op drie werd gebracht, waarvan tenminste een van de Zeemacht. Bij het reglement van 1871 werd de benoeming van de examencommissie voorbehouden aan de minister van Oorlog. Het examen werd inhoudelijk gekoppeld aan het HBS-examen vijfjarige cursus zoals omschreven in de Wet van 2 mei 1863 Sb. 50. Sindsdien wordt in reglementen of voorschriften geen melding meer gemaakt van de competentie in benoeming van toelatings-examencommissies. Aan te nemen valt, dat de minister van Oorlog deze bevoegdheid heeft behouden. 1.1.2.7 Overgangsexamen De beslissing inzake overgang van kadetten naar volgende studiejaren werd in 1827 gelegd bij de Raad van Toezicht. Uitvoerige instructies omtrent de wij ze van rapporteren aan en door de Raad werden gegeven, maar van een overgangsexamen blijkt niet( Reeds het reglement van 1827 bepaalde, dat ten behoeve van de Raad registers dienden te worden bijgehouden, waarin aantekening zou worden gehouden van de vorderingen, vlijt en gedrag der kadetten, op basis van de rapportage van de compagniescommandanten, de leraren, en op grond van de waarnemingen van de Raad zelf. Deze registers zijn niet aangetroffen. ). Vanaf 1836 is daarvan wel sprake. Het examen werd afgelegd ten overstaan van de Raad van Toezicht. In 1857 werd de examineringsbevoegdheid overgeheveld naar de Raad van Examen onder voorzitterschap van de Commandant. Deze Raad bestond verder uitsluitend uit aan de KMA verbonden personeel. Deze situatie bleef gehandhaafd tot 1895, toen de Gouverneur met het voorzitterschap van de Raad van Examen werd belast. 1.1.2.8 Eindexamen Het reglement van 1827 bepaalde, dat het eindexamen werd afgenomen door leraren van de KMA, ten overstaan van de Raad van Toezicht en in aanwezigheid van de Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs. De zittende commissie, ingesteld bij hetzelfde KB dat de KMA in het leven had geroepen, werd echter bij KB van 15 december 1827 nr. 120, eervol ontslagen. Een nieuwe commissie werd niet samengesteld. Wel werd bij dat KB een speciale commissie tot waarneming van de taak inzake het KMA-eindexamen voorzien. Het laat zich aanzien dat deze constructie tot 1840 is blijven bestaan maar het is niet duidelijk of er jaarlijks een ad hoc commissie werd benoemd, of over meerdere jaren steeds dezelfde commissie optrad. Bij KB van 16 april 1840 nr. 97 werd in die zin een wijziging aangebracht, dat er een vaste "speciale commissie" in het leven werd geroepen. Bij de opheffing daarvan, krachtens KB van 6 maart 1867 nr. 55 werd deze aangeduid als Speciale Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs. Het afnemen van eindexamen werd in 1857 de bevoegdheid van dezelfde Raad van Examen die competent was voor de overgangsexamens. De Inspectiecommissie had geen bemoeienis meer met het eindexamen buiten haar algemene inspecterende bevoegdheid. Na de opheffing van de Inspectiecommissie moeten de eindexamens een interne aangelegenheid van de KMA zijn geworden. Dat veranderde in 1877, toen werd bepaald, dat jaarlijks een eindexamencommissie door de minister van oorlog zou worden benoemd. Daarvan zouden dan wel tenminste twee hoofden van onderwijs van de KMA lid zijn. In 1895 werd de samenstelling van de examencommissie nauwkeuriger omschreven, en werd de Inspecteur van het Militair Onderwijs als vaste voorzitter aangewezen. In 1912 werd bepaald, dat deze Inspecteur of "een andere hoofdofficier" voorzitter zou zijn, en de mogelijkheid dat de Gouverneur deze functie zou waarnemen, werd expliciet genoemd. Derhalve behoefde ook geen vervangende voorziening getroffen te worden toen per 1 april 1925 de functie van Inspecteur van het Militair Onderwijs werd opgeheven. 1.2 Hoofdcursus De Hoofdcursus te Kampen werd bij de wet van 1890 aangemerkt als instituut voor de opleiding van onderofficieren tot officier der infanterie en der militaire administratie. Het instituut Hoofdcursus was ouder dan 1890. De institutionele wortel van deze "doorstoot"-cursussen mag gezien worden in het KB van 25 september 1826 nr. 9, waarbij voor het eerst voorschriften werden gegeven voor het officiersexamen van onderofficieren der infanterie, militaire administratie, cavalerie en artillerie. Dit KB werd vervangen door die van 24 juni 1852 nr. 54 en 26 augustus 1852 nr. 53. De bestaande regelingen werden in 1868 en 1869 herzien met het oog op een grotere doelmatigheid. Daarbij werden de plaatsen van opleiding binnen de respectieve wapens en dienstvakken enigermate geconcentreerd. De opleidingen voor het officiersexamen bij de infanterie werden gelocaliseerd te Maastricht en 's-Hertogenbosch, die der cavalerie te Haarlem, die der militaire administratie te Kampen, terwijl de opleidingen bij de artillerie reeds geconcentreerd was bij een Hoofdcursus te Delft. De herstructurering van deze opleidingen, die werd voorzien bij het KB van 13 april 1878 nr. 16, is nooit tot uitvoering gekomen. Daarentegen werd bij KB van 12 april 1880 nr. 32 bepaald, dat de bestaande cavalerie- en artillerie-opleidingen te Haarlem resp . Delft zouden worden opgeheven, resp . in 1881 en 1884. Het KB van 28 oktober 1882 nr. 28 en daarbij behorend ministerieel besluit van 1 november 1882 IIe afd. nr. 85 voorzagen derhalve nog slechts Hoofdcursussen infanterie te Kampen en 's Hertogenbosch, waarbij Kampen eveneens opleidde voor de militaire administratie. Tenslotte werd bij KB van 30 juli 1890 nr. 29 de Hoofdcursus te 's-Hertogenbosch opgeheven waardoor slechts die te Kampen overbleef, als een zelfstandig onderdeel van het daar gevestigde Instructiebataljon. De wet van 1890 bepaalde de duur van de Hoofdcursus op twee jaar. De leiding werd gelegd in handen van een kapitein-directeur onder de bevelen van de Inspecteur van het Militair Onderwijs. In verband met de ingangsdatum van de wet van 1890 werden bij KB van 22 april 1891 nr. 39 de noodzakelijke aanpassingen aan het reglement van de Hoofdcursus vastgesteld. Bij KB van 22 september 1892 Sb. 221 en ministerieel besluit van 23 september 1892 IIe afd. nr. 57 volgden een geheel nieuw reglement en voorschrift. De toelatingsprocedure in Nederlands-Indië van kandidaten voor de Hoofdcursus werd geregeld bij KB van 20 oktober 1893 Sb. 154. Bij wet van 18 mei 1922 Sb. 298 werd de wet op het militair onderwijs in die zin gewijzigd, dat als vestigingsplaats van de Hoofdcursus aangemerkt werd Kampen of Breda, terwijl de leiding ervan werd opgedragen aan "een Gouverneur of Directeur". Per 1 oktober 1923 werd de Hoofdcursus effectief overgeplaatst naar Breda en werd de Gouverneur der KMA belast met de waarneming van de leiding van de Hoofdcursus . Aan te nemen valt, dat vanaf het cursusjaar 1923/24 bij de Hoofdcursus geen nieuwe leerlingen meer werden aangenomen, en dat de overbrenging naar Breda diende om de lopende cursus af te wikkelen. Een besluit tot opheffing van de Hoofdcursus is echter niet aangetroffen. 1.3 Cadettenschool Als gezegd werd de Cadettenschool opgericht bij de wet van 1890 als opleiding ter voorbereiding op de toelating tot de KMA. De duur van de opleiding werd gesteld op twee jaar, en de leiding werd toevertrouwd aan een directeur onder de bevelen van de Inspecteur van het Militair Onderwijs. De plaats van vestiging van de Cadettenschool werd bij KB van 18 juli 1891 bepaald op Alkmaar. Bij KB van 5 april 1893 Sb. 58 en ministerieel besluit van 12 mei 1893 IIe afdeling nr. 112 werden respectievelijk het reglement en het voorschrift voor de Cadettenschool vastgesteld. Ook dit instituut leidde op met bestemming "hier te lande" dan wel de koloniën, terwijl eveneens een toelatingsexamen te houden in Nederlands-Indië werd voorzien. Evenals de Hoofdcursus werd ook de Cadettenschool naar Breda overgebracht, en wel krachtens KB van 19 juni 1924 Sb. 299, ingaande 1 september aanvolgend. De Gouverneur der KMA werd eveneens belast met de waarneming van de directie van de Cadettenschool. Ook hier kan derhalve een geleidelijke opheffing worden waar genomen à waarbij de formele opheffing eveneens niet is terug te vinden. 1.4 Artillerie- en Genieschool te Delft 1816-1818, onderzoeks- en studiecommissies 1818-1824 De Artillerie- en Genieschool te Delft werd opgericht bij Souverein Besluit van 24 februari 1814 nr. 162, na voorstudies verricht door de latere directeur, gen.maj. Voet. De school diende voor de opleiding van militaire officieren van de "technische" wapens artillerie en genie, alsmede voor opleiding van civiele ingenieurs van de Waterstaat. De school heeft bestaan tot 1828, toen zij door de KMA werd opgevolgd. Bij KB van 19 november 1816 nr. 28 werd deze taak uitgebreid met de opleiding van marine-officieren. In 1818 kwamen ernstige spanningen tussen de directeur Voet en de hoogleraar wiskunde De Gelder aan het licht. Deze gaven de Commissaris-Generaal (minister) van Oorlog aanleiding om de generaals Van Hoey van Oostee en De Man op te dragen, onderzoek ter plaatse naar de gang van zaken bij de school in te stellen. Mede als gevolg van hun rapportage werd De Gelder eervol ontslagen en bij KB van 31 mei 1819 nr. 1 werd een commissie benoemd die een studieplan voor de school diende op te stellen. De commissie, onder voorzitterschap van Voet, rapporteerde in 1820. Bezwaren van de Commissaris-Generaal tegen de uitkomsten van het rapport leidden tot de instelling, bij KB van 13 december 1822 nr. 1, van een nieuwe commissie, die aanbevelingen moest doen omtrent de inrichting van het militair onderwijs. Tot voorzitter werd benoemd de Kwartiermeester-Generaal lt. gen. De Constant Rebecque. Deze commissie rapporteerde in 1823, en bracht in 1824 nader verslag. Een en ander leidde tot het oprichtingsbesluit van de KMA. 1.5 Commissie tot het bijwonen van officiersexamens, 1828-1829 Zoals hiervoor in paragraaf 1.1.2.8 is uiteengezet, werd bij hetzelfde KB dat de KMA in het leven riep, tevens een Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs in het leven geroepen. Deze commissie werd echter reeds bij KB van 13 december 1827 nr. 120 opgeheven en niet vervangen. Aangezien inmiddels aan deze commissie een rol was toebedeeld bij het afnemen van officiersexamens , werd voor dit doel bij hetzelfde KB een "speciale" commissie ingesteld. De verdere toedracht tot 1840 is dan onduidelijk. In dat jaar werd een staande "speciale commissie", naderhand "Speciale Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs", ingesteld, waaruit wellicht worden afgeleid, dat van 1827 tot 1840 ad-hoc commissies werden benoemd.
Als gevolg van de Franse herstelbetalingen na de Frans-Duitse oorlog van 1870/1871 was er in Duitsland een groot kapitaaloverschot ontstaan waarvoor beleggingskanalen werden gezocht. Dit leidde in Duitsland tot de Gründerperiode, waarin een enorm aantal nieuwe maatschappijen op aandelen het licht zag. Deze oprichtingsgolf beperkte zich niet tot Duitsland, maar strekte zich ook uit over de grenzen heen. Tegen deze achtergrond vond op 5 december 1871 in Amsterdam de oprichting plaats van de Amsterdamsche Bank NV door een consortium van voornamelijk Duitse banken onder leiding van de Bank für Handel und Industrie AG in Darmstadt. Doel van de oprichters was de vestiging van een Nederlands bankbedrijf, dat de relatie tussen de Nederlandse en Duitse geldmarkten zou bevorderen. De werkzaamheden van de bank startten op 1 januari 1872 vanuit het pand Herengracht 597. De eerste jaren waren niet gemakkelijk. Het beginkapitaal van ƒ 30.000.000,- bleek te groot voor de Nederlandse behoeften van deze tijd, ook al gezien de achtergebleven industriële ontwikkeling. Bovendien zette in 1873 de depressie in, een lange periode van verlaging van het internationale prijsniveau, met als dieptepunt de jaren rond 1885. Ook het verkeerd aflopen van een aantal investeringsprojecten en de suikercrisis op Java (1884) zorgden voor problemen. De Amsterdamsche Bank wist al deze moeilijkheden echter te boven komen. Men bleef echter voorzichtig, de reden dat in 1901 het Amsterdamsch Wisselkantoor nog als aparte vennootschap werd opgericht. In werkelijkheid was dit het eerste bijkantoor. In 1904 werd Stadnitski & Van Heukelom te Amsterdam (1785) overgenomen. De acquisitie van dit bedrijf vormde, vanwege het grote aantal vooral Franse relaties, de basis voor het grote net van buitenlandse particuliere relaties waar de Amsterdamsche Bank als raadgeefster voor optrad. De uitbreiding werd voortgezet door nieuwe vestigingen van het Amsterdamsch Wisselkantoor. Deze dochter opende tot 1908 kantoren in Amsterdam (Damrak en Sarphatistraat), Utrecht, Eindhoven, Almelo en Enschede. Hierna werd het Wisselkantoor opgeheven en haar kantoren omgezet in bijkantoren van de Amsterdamsche Bank. De bank verkreeg ook belangen in diverse provinciale banken zoals de Helmondsche Bank en de Heerlener Bank. Gedwongen het voorbeeld van de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver) te volgen, werden in de periode na 1911 diverse plaatselijke bankbedrijven overgenomen en omgezet in bijkantoren. Na deze expansie- en concentratieperiode, die de toenmalige bankwereld in zijn geheel kenschetst, volgde een tijd van consolidatie, ook bij de Amsterdamsche Bank. Met respectievelijk de Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1921 en De Twentsche Bank in 1923 werden gesprekken gevoerd over een vorm van samenwerking, die in beide gevallen op niets uitliepen. Met het oog op de financiering van de plaatselijke diamantindustrie opende de bank in 1937 een dochterbedrijf in Antwerpen, het Amsterdamsch Diamantkantoor, al in 1938 omgedoopt tot Amsterdamsche Bank voor België. Dit zou de enige buitenlandse vestiging van de Amsterdamsche Bank blijven. In juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een zeer vergaande vorm van samenwerking, die door de oorlogsomstandigheden echter een aantal maanden later werd afgelast. Kort daarna, per 1 januari 1940, werd het Noordhollandsch Landbouwcrediet in Alkmaar overgenomen, waarvan de Amsterdamsche Bank in 1887 één van de oprichters was geweest. Tijdens de crisisperiode van de jaren dertig leed de Amsterdamsche Bank diverse debiteurenverliezen, en meerdere rekening-courantkredieten moesten worden herzien of verlaagd. Dat de Duitse kredieten niet meer werden terugbetaald vanwege de Stillhalte - een overeenkomst uit 1931 tussen Duitsland en haar buitenlandse crediteuren, waarbij een moratorium werd afgesproken voor de terugbetaling van buitenlandse kredieten en de rentebetaling op deze kredieten - was een groter probleem. De hiermee verbonden zwendel van de Pool Siegfried Wreswynski zou uiteidelijk directeur H.A. van Nierop zijn functie kosten. Met de heropleving van de bankactiviteiten na de Tweede Wereldoorlog kwam ook de concentratiebeweging weer op gang. In december 1946 benaderde de Incasso-Bank (één van de 'grote vijf') de Amsterdamsche Bank met een verzoek tot eventuele samenwerking. De gesprekken leidden uiteindelijk tot een overname van de Incasso-Bank per 1 januari 1948. Voor de Amsterdamsche Bank betekende dit een aanzienlijke uitbreiding van het kantorennet. In 1956 begon de Amsterdamsche Bank, via haar dochterinstelling Maatschappij voor Middellang Crediet, met een nieuwe activiteit: het verstrekken van kredieten met een middellange looptijd aan het bedrijfsleven. Dit was vanaf het begin een succesvolle operatie. Vanaf 1958 participeerde de Amsterdamsche Bank in de European Advisory Committee, een samenwerkingsverband met drie grote Europese banken, de Deutsche Bank AG (Frankfurt), de Midland Bank Ltd (Londen) en de Banque Société Générale de Belgique (later Société Générale de Banque) SA (Brussel). Dit leidde in 1967 tot de oprichting van de Banque Europeénne de Credit à Moyen Terme te Brussel. Op 11 juni 1964, nadrukkelijk in navolging van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Twentsche Bank, bleek de tijd wèl rijp voor een fusie tussen de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank, en ontstond de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in Amsterdam. Officieel werd deze bank op 27 juli 1964 opgericht als nieuwe holding. Pas op 1 maart 1965 werden alle activiteiten van beide banken onder de naam Amsterdam-Rotterdam Bank voortgezet. De Amsterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Amsterdamsche Bank als vennootschap bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan. Oprichting, doel en kapitaal De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Te noemen zijn onder meer de CV Twentsche Bankvereeniging, als voortzetting van het kassiersbedrijf B.W. Blijdenstein jr te Enschede in 1861, en de Rotterdamsche Bank NV in 1863. Aan het eind van deze overgangsperiode vond de oprichting plaats van de Amsterdamsche Bank. Behalve bovengenoemd proces speelde hierbij de situatie in Duitsland een grote rol. Daar was na de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 een groot kapitaaloverschot aanwezig, waarvoor naarstig beleggingskanalen werden gezocht. Dit leidde tot de Gründerperiode, waarin een enorm aantal nieuwe maatschappijen op aandelen het licht zag. Deze oprichtingsgolf beperkte zich niet tot Duitsland, maar strekte zich ook uit over de Duitse grenzen heen. Het directe initiatief tot oprichting van de Amsterdamsche Bank NV kwam van de Bank für Handel und Industrie AG te Darmstadt. Zij fungeerde als leidster van een consortium van Duitse banken met als doel de vestiging van een Nederlands bankbedrijf dat de relatie tussen de Nederlandse en Duitse geldmarkten zou kunnen bevorderen. De akte van oprichting passeerde op 5 december 1871. De vennootschap werd aangegaan voor 99 jaar, een bepaling die overigens in 1922 uit de statuten werd geschrapt. De vennootschap was statutair gevestigd in Amsterdam. De werkzaamheden van de bank begonnen per 1 januari 1872 vanuit het pand Herengracht 597 te Amsterdam. Het statutair doel werd in 1871 omschreven als de uitoefening van het bankiersbedrijf en den commissiehandel in den ruimsten zin. Zij zal zich bij voorkeur onledig houden met het verrigten van operatiën, waaruit zij haar kapitaal na een bekwamen termijn of zoodra dit wenschelijk of noodzakelijk mogt voorkomen, gemakkelijk terugnemen kan. Deze omschrijving bleef lange tijd ongewijzigd. Pas de statuten van 1938 brachten een uitbreiding, en gaven de bank ook de mogelijkheid om vermogens van derden te beheren en te besturen en om aangesteld te worden tot bewindvoerster, tot uitvoerster van uiterste wilsbeschikkingen en tot bestuurster, commissaris of liquidatrice van vennootschappen of andere instellingen. Verdere wijzigingen vonden niet meer plaats. De werkkring werd alleen in de statuten van 1871, en later niet meer, nader omschreven: het disconteren van wisselbrieven en ander handelspapier; het kopen en verkopen voor eigen rekening van wissels op alle handelsplaatsen, alsmede bankbiljetten, coupons, papiergeld en ander handelspapier; het uitvoeren van betalingen voor rekening van derden, en het in bewaring nemen van gelden en andere waarden; ontvangen van gelden in rekening-courant of à deposito met of zonder rentevergoeding; het incasseren voor rekening van derden van wissels, assignaties, coupons en ander handelspapier en het in- en verkopen voor derden van wissels, staatsfondsen, aandelen, obligaties en andere waarden, alsmede van coupons, dividendbewijzen en goederen; het belenen van staats-, provinciale en gemeenteobligaties en schuldbrieven van andere publiekrechtelijke corporaties of financiële, commerciële en industriële ondernemingen, en andere waarden, alsmede niet aan bederf onderhevige waarden, en het geven van voorschot daarop in geval van consignatie of commissie tot verkoop; het handelen in specie en biljoen (buiten gebruik gestelde munten) en het laten verwerken of vermunten daarvan; het zich in rekening-courant stellen met handels- of bankiershuizen en ondernemingen en het openen van kredieten, het accepteren van wissels en het zelf uitgeven van wissels en geldaanwijzingen; het inschrijven voor eigen rekening of die van derden op effecten en staatsfondsen van allerlei aard en het kopen en verkopen daarvan; het geheel of gedeeltelijk, alleen of gezamenlijk met anderen overnemen van leningen of openbare ondernemingen; het oprichten, alleen of gezamenlijk met anderen, van administratiekantoren en nieuwe naamloze of commanditaire vennootschappen, het fuseren van vennootschappen of het omzetten van ondernemingen in naamloze of commanditaire vennootschappen; het uitgeven van aandelen of obligaties van dergelijke vennootschappen; het zich belasten, voor eigen rekening of die van derden, met de uitvoering van werken van openbaar nut waarin zij in het kapitaal heeft bijgedragen. Expliciet uitgesloten waren alle niet onder het bankbedrijf of de commissiehandel vallende activiteiten, zoals de aankoop van vaste goederen anders dan voor eigen gebruik en het verschaffen van geld op hyphotheek. Ter uitvoering van de activiteiten kon de bank bijkantoren vestigen, deelnemen in vennootschappen bij wijze van geldschieting en agenten benoemen, overal waar haar dit wenschelijk voorkomt. Gestart werd met een maatschappelijk kapitaal van ƒ 30.000.000,-, verdeeld in aandelen van ƒ 250,-. Hiervan werd alleen de eerste serie van 40.000 aandelen (ƒ 10.000.000,-) geplaatst. Op 14 augustus 1871 werd met veel succes voor ƒ 7.500.000,- aan aandelen geëmitteerd, voor 95% geplaatst in Duitsland. De rest van de aandelen werd niet op de markt gebracht. Het maatschappelijk kapitaal bleek, mede vanwege de in 1873 inzettende crisis, te groot voor de behoefte van de Nederlandse markt van die tijd. Een statutenwijziging van december 1873 verleende de directie de bevoegdheid eigen aandelen tot een bedrag van ƒ 2.500.000,- terug te kopen; van deze bevoegdheid werd in 1874 gebruik gemaakt. In 1877 werd het kapitaal teruggebracht tot ƒ 6.000.000. Dit geschiedde enerzijds door vernietiging van de in 1874 teruggekochte aandelen, anderzijds door terugbetaling van ƒ 50,- op de nog uitstaande 30.000 aandelen van ƒ 250,-. Vanaf 1906 werd het maatschappelijk kapitaal geleidelijk weer verhoogd, tot uiteindelijk ƒ 150.000.000,- in 1956. De statuten boden vanaf 1933 de mogelijkheid tot uitgifte van preferente aandelen, die onderdeel waren van de totale som van het maatschappelijk kapitaal. Toezichthoudende organen Aandeelhouders De eigendom van en ultieme zeggenschap over de Amsterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. De aandeelhouders van de bank vergaderden jaarlijks uiterlijk in mei te Amsterdam, ter afhandeling van de zaken die hen als eigenaars statutair waren toebedeeld. Daarnaast konden buitengewone vergaderingen plaatsvinden, indien de Raad van Toezicht/Commissarissen, de directie of de houders van 10% van het aantal op de vergadering uit te brengen stemmen dit vorderden. De voornaamste taak van de aandeelhouders was het definitief vaststellen van de jaarstukken. De door de directeuren opgemaakte balans, resultatenrekening en memorie van toelichting alsmede het directieverslag werden door dezen overhandigd aan de Raad van Toezicht/Commissarissen, die de stukken vervolgens, voorzien van een preadvies, aan de aandeelhouders voorlegde. De aandeelhouders bepaalden verder, op voorstel van de Raad van Toezicht/Commissarissen, de hoogte van het dividend. Daarnaast was hun goedkeuring vereist voor wijziging van de statuten en kozen en benoemden zij de commissarissen. De leiding over de vergadering berustte bij de (vice)voorzitter van de Raad van Toezicht/Commissarissen. De te houden notulen dienden te worden getekend door de voorzitter en de secretaris van de vergadering, alsmede díe aandeelhouders die dit wensten. De agenda en de voorstellen voor de vergadering werden vastgesteld door de Raad van Toezicht/Commissarissen, die deze gelijktijdig met de convocaties in druk diende te verspreiden. In 1935 emitteerde de bank vijftig preferente aandelen, elk nominaal ƒ 200,-, die werden geplaatst bij de commissarissen en directeuren van de bank. De houders kregen statutair het recht om bindende voordrachten voor de benoeming van commissarissen op te maken. Voor deze aandelen werd een omslachtige beschermingsconstructie in het leven geroepen, door middel van de oprichting van het Administratiekantoor de Amstel NV. De commissarissen en directeuren droegen hun preferente aandelen over aan het administratiekantoor, waarvan zij op zich weer alle aandelen bezaten. Materieel bleven de commissarissen en directeuren dus preferente aandeelhouders. Om te voorkomen dat de preferente aandelen in ongewenste handen raakten en te zorgen dat deze overgingen op de opvolgende commissarissen en directeuren, werd tussen de bank enerzijds en de commissarissen en directeuren anderzijds een contract opgemaakt dat laatstgenoemden verplichtte de aandelen ter bank te deponeren en dat verder bepalingen bevatte omtrent de bewaring ervan. De directe aanleiding voor de invoering van het preferent aandeelhouderschap en de hieraan gekoppelde procedure was het verdwijnen uit het Wetboek van Koophandel van het verbod op het uitbrengen van meer dan zes stemmen per aandeelhouder. Raad van Toezicht/Commissarissen en Permanente Commissie De Raad van Toezicht/Commissarissen bestond aanvankelijk uit twaalf leden, benoemd door de aandeelhoudersvergadering. In de volgende jaren volgde een geleidelijke uitbreiding naar een aantal van ruim twintig. Kort na de overname van de Incasso-Bank in 1948 bedroeg het aantal enkele jaren rond de dertig. Directeuren en consulent vergaderden mee, maar hadden geen stemrecht. Ieder jaar trad een deel van de leden af volgens een bij loting vastgesteld rooster. Tot 1956 moest ieder lid eigenaar zijn van tenminste 25 aandelen op naam, onvervreemdbaar en gedeponeerd ten kantore van de vennootschap. Via een statutenwijziging in 1933 werd een oligarchische clausule ingevoerd, waarbij de houders van de via dezelfde wijziging ingevoerde preferente aandelen (commissarissen en directeuren) het recht kregen tot het opstellen van een bindende voordracht voor de benoeming van nieuwe commissarissen. De commissarissen kregen eenzelfde bevoegdheid ten aanzien van de benoeming van directeuren. De raad handelde volgens een reglement van orde. Zij benoemde zelf uit haar midden een (vice)voorzitter. Besluiten werden bij meerderheid genomen, behalve in bijzondere gevallen. Bij staking besliste de voorzitter. Voor een wettig besluit was de aanwezigheid van de meerderheid vereist. In dringende gevallen was inwinnen van een schriftelijk oordeel mogelijk. De raad kwam minstens éénmaal per twee maanden te Amsterdam bijeen. Zij hield toezicht op het beheer van de vennootschap, waakte over de naleving van de statuten en besloot in twijfelgevallen. Zij bepaalde het maximum van deposito's, kredieten en voorschotten. Zij besloot over de oprichting van filialen, agentschappen en commanditaire vennootschappen, de uitvoering van werken van openbaar nut en datgene wat de statuten of directeuren verder aan haar oordeel overlieten. Vanaf 1956 werd de taakomschrijving van de commissarissen in de statuten in algemenere termen omschreven. Via de al genoemde statutenwijziging van 1933 werd de naam Raad van Toezicht veranderd in Raad van Commissarissen. Via een statutenwijziging in 1876 kreeg de Raad van Toezicht het recht uit zijn midden een Permanente Commissie te benoemen en hieraan rechten en werkzaamheden over te dragen. Op de vergadering van 23 oktober 1876 werd een eerste Permanente Commissie benoemd, die als de raad niet vergaderde al diens rechten uitoefende, behalve een aantal die hiervan nadrukkelijk waren uitgesloten. Feitelijk fungeerde de Permanente Commissie dus als dagelijks bestuur van de raad. Interne organisatiestructuur Hoofdbank Rond 1900 was de omvang van het bedrijf al zodanig, dat de verschillende activiteiten waren ondergebracht in een groot aantal afdelingen: de Correspondentieafdeling, op zich weer onderverdeeld in een Hollandse, Franse, Engelse en Duitse afdeling; een Rekenafdeling (coupons); een Wisselafdeling, verdeeld in een binnenlandse en een buitenlandse afdeling; een Kassiersafdeling, met de onderdelen kas en traiterekening, de Boekhoudafdeling, verdeeld in rekening-courant en comptabiliteit; een Fondsenafdeling; een Prolongatieafdeling; controleafdelingen voor fondsen en prolongaties; afdelingen voor informatie, expeditie en binden en drukken. Elke afdeling stond onder leiding van een afdelingschef; een aantal afdelingen gezamenlijk werd geleid door een procuratiehouder. Uit een organisatieschema van de hoofdbank van 1921 blijkt dat de structuur verder is verfijnd. De activiteiten zijn nu geclusterd in 7 'sectoren' (de term wordt niet gebruikt), onderverdeeld in hoofdafdelingen en onderafdelingen. Het betreft: Correspondentie, waartoe onder meer behoren de Secretarieën A (onder andere kredieten Amsterdam behalve Sarphatistraat, accountants, personeel) en B (onder andere eigen emissies, syndicaten, juridische zaken), de afdeling Diamant, de Correspondentieafdelingen, de Inlichtingendienst, Credietbrieven en Accreditieven en een serie interne diensten als archief, drukkerij en magazijn; Boekhouding, onderverdeeld in Hoofdboekhouding, Grootboeken en Rekening-Courant; Bijkantoren, verdeeld in Inspectie en Controleurs; Kas, verdeeld in Centrale Kas, Kas Hoofdkantoor, Effectenkas, Wisselkantoor en Kas Amstelstraat; Wissels, met Wisselarbitrage, Buitenlandse Wissels, Binnenlandse Wissels en Incasso's op het binnenland; Effecten en Coupons, verdeeld in een groot aantal afdelingen verantwoordelijk voor het hele traject van administratie van effecten en coupons; Goederen, waaronder vielen de Documentaire Accreditieven, Consignaties, Garanties en Assuranties. Deze organisatiestructuur zou tot na de Tweede Wereldoorlog in essentie gehandhaafd blijven, al vonden er natuurlijk wel veranderingen plaats; de introductie van nieuwe vormen van dienstverlening en de groei van het bedrijf met de daaruit voortvloeiende ingewikkelder bedrijfsprocessen maakten dit noodzakelijk. Het organisatieschema van 1949, dus van kort na de overname van de Incasso-Bank, kent dezelfde hoofdindeling als boven, echter uitgebreid met de 'sectoren' Beurs, Assurantieën, Centrale Controle en Organisatie. Binnen de hoofdafdelingen zijn als veranderingen te noemen de opwaardering van de afdeling Juridische Zaken, de introductie van een Economisch Bureau en een afdeling Hollerith en de onderverdeling van de afdeling Kredieten-bijkantoren in rayons. Een organisatieschema van 1964 toont dat in de laatste decennia de structuur wat ingrijpender was gewijzigd. Er is nu sprake van zeven sectoren (nu daadwerkelijk zo geheten), elk onder leiding van een rechtstreeks onder de directie staand sectorhoofd. Het betreft het Binnenlands Bedrijf (kredieten Amsterdam, Hollandse correspondentie), het Buitenlands Bedrijf (buitenlandse correspondentie, - wissels en - incasso, deviezenbureau, diamant, handelsbemiddeling, reiskredietbrieven, informaties), het Effectenbedrijf, de sector Financiering en Beleggingen (onder andere 'particulieren', vermogensbeheer, beleggingsadviezen en belastingzaken), het Assurantiebedrijf, de sector Kantoren (onder andere kredieten buiten Amsterdam) en de sector Algemene Interne en Administratieve Afdelingen (onder andere incasso, giro, inkoop, rekening-courant, archief). Daarnaast was er nu een reeks stafafdelingen en hulpdiensten, waaronder de Interne Accountantsdienst, de afdeling Bijzondere Zaken, de Hoofdboekhouding, de Juridische Afdeling, Personeelszaken, Organisatie, de Secretarieën A en B en het Economisch Bureau. Uit de benaming van de sectoren en afdelingen kan hun taakstelling in de meeste gevallen makkelijk worden afgeleid. Een aantal vereist echter wat nadere toelichting. De afdeling Bijzondere Zaken werd overgenomen uit de organisatiestructuur van de Incasso-Bank. Zij hield zich bezig met kredietbegeleiding en afwikkeling van faillissementen en liquidaties. De afdelingen Vermogensbeheer, Beleggingsadviezen en Belastingzaken hadden alle drie een (voornamelijk extern gerichte) dienstverlenende functie, voornamelijk naar cliënten die al een relatie met de bank hadden. Tot vermogensbeheer werd behalve de administratie van het vermogen van cliënten op zich ook gerekend bewindvoering en executele van nalatenschappen. De afdeling Beleggingsadviezen verstrekte inlichtingen over binnen- en buitenlandse fondsen aan eigen kantoren en aan binnenlandse en buitenlandse zakelijke relaties en particulieren. Verder gaf de afdeling een aantal periodieken uit, waaronder het 14-Daags Beursoverzicht. De afdeling Belastingzaken bestond sedert 1940; het ontstaan hangt samen met de toename van de belastingdruk in en na de Tweede Wereldoorlog (Vermogensaanwasbelasting; 'Heffing-Ineens'). De afdeling verzorgde voor haar cliënten de aangiften van de inkomsten- en vermogensbelasting. Bijkantoren, zitdagen en agentschappen In de loop der tijden ontwikkelde zich een uitgebreid net van vestigingen buiten de hoofdbank, zowel in de stad Amsterdam (stadsbijkantoren) als in de provincie. Het ontstaan van deze vestigingen kon op verschillende manieren plaatsvinden: door stichting van zelfstandige kantoren met eigen rechtspersoon; tot deze categorie behoorde onder meer de in 1937 opgerichte NV Amsterdamsch Diamantkantoor te Antwerpen, in 1938 omgedoopt in Amsterdamsche Bank voor België. Feitelijk waren het dochterondernemingen, en ze werden veelal aangeduid als 'gelieerde' banken; door deelneming in bestaande instellingen en/of het onderbrengen van agentschappen bij bestaande instellingen, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Amsterdamsche Bank verrichtten; veelal bleven deze instellingen tijdelijk nog zelfstandig, maar werden ze uiteindelijk overgenomen en omgezet in bijkantoren. Tot deze categorie behoorden onder andere de Helmondsche Bank NV en de Heerlener Bank NV; door overneming van bestaande banken, bijvoorbeeld de Friesche Bank NV te Leeuwarden in 1934; de kantoren van deze bank werden omgezet in bijkantoren van de Amsterdamsche Bank; door directe stichting van bijkantoren. De motieven voor deze uitbreiding waren meervoudig van aard. Ten eerste verbeterde de Amsterdamsche Bank de acquisitie van creditgelden en orders en daarmee haar concurrentiepositie. Ten tweede leidde het tot een meer efficiënte uitvoering van met name de kredietverlening; kleine lokale en provinciale banken konden in veel gevallen niet aan grote orders voldoen. Ten derde zorgde het voor geografische spreiding van de activiteiten en daarmee indirect voor vermindering van de afhankelijkheid van één bedrijfstak en dus van het risico. Als relatievorm bleef uiteindelijk hoofdzakelijk het bijkantoor over, hoewel oude andersoortige verhoudingen in de verhouding hoofdbank-bijkantoor dikwijls een rol bleven spelen; deze verhouding kan dus per geval uiteenlopen. Een verdere onderverdeling kan nog gemaakt worden in enerzijds bijkantoren met een zelfstandige administratie en winstopmaking en anderzijds zitdagen, deel uitmakend van de administratie van een bijkantoor, en zonder zelfstandige winstopmaking. De bevoegdheden van bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten was voor veel handelingen toestemming van de hoofdbank vereist; dit gold met name voor het verlenen van kredieten. De directe oprichting van bijkantoren vond pas plaats vanaf de aanvang van de twintigste eeuw. Wel waren voordien door medeoprichting of verwerving van aandelen al belangen in andere bancaire instellingen verworven; zo was de bank in 1883 medeoprichter van de NV Financiëele Maatschappij voor Nijverheidsondernemingen te Amsterdam en in 1887 van de NV Noordhollandsch Landbouwcrediet te Alkmaar. Ook in de twintigste eeuw bleef deze manier van verwerving van steunpunten in gebruik. In 1901 werd de NV Amsterdamsch Wisselkantoor opgericht. Voorzichtigheidshalve heette het aanvankelijk een zelfstandige onderneming met deelneming van de Amsterdamsche Bank te zijn; de personele unies wat betreft directies en raden van toezicht en het feit dat de Amsterdamsche Bank vrijwel het gehele maatschappelijk kapitaal bezat doen dit echter enigszins vreemd overkomen. In verband met de oprichting had de bank al in 1899 de panden Damrak 95 en 96 aangekocht. Hier opende het Wisselkantoor in 1901 haar deuren, feitelijk te beschouwen als de opening van het eerste bijkantoor. Het Wisselkantoor opende tot 1908 bijkantoren in Utrecht, Eindhoven en Almelo. Hierna werd het opgeheven en werden haar kantoren omgezet in bijkantoren. In Enschede werd een bijkantoor gevestigd in het pand van de in liquidatie getreden firma E. Elderink. Verder traden in de provincie de Heerlener Bank NV (vanaf 1908) en de Helmondsche Bank NV (vanaf 1902) op als agenten voor de Amsterdamsche Bank. Beide banken werden in 1929 overgenomen en omgezet in bijkantoren. De ratio achter het vroege vestigings- en samenwerkingsbeleid wordt duidelijk wanneer men de mijnbouw- en industriekaart uit die tijd voor ogen neemt. In Amsterdam zelf werd in 1907 met het oog op de dienstverlening aan de diamanthandel een bijkantoor in de Sarphatistraat gevestigd, aanvankelijk in een huurhuis (nr. 39), vanaf 1910 in de aangekochte panden 29-31. In 1914 werd een bijkantoor in de Van Baerlestraat 58 geopend. In 1914 volgde oprichting van de bijbank Rotterdam; deze was aanvankelijk gevestigd aan de Boompjes 29, en verhuisde in 1917 naar de Coolsingel. Het aantal bijkantoren breidde zich de jaren daarna gestaag uit, tot 29 in 1920 en 94 in 1947. Bovendien werden in laatstgenoemd jaar in 78 plaatsen zitdagen gehouden. De vestiging vond, als voorheen, niet zelden plaats in voormalige kantoren van in liquidatie getreden banken, als de Groningsche Crediet- en Handelsbank NV (1920), de Heerlener Bank NV en Helmondsche Bank NV (1929), de Friesche Bank NV te Leeuwarden (1934) en de NV Noordhollandsch Landbouwcrediet te Alkmaar (1940). De overname van de Incasso-Bank zorgde voor een uitbreiding van het kantorennet met ruim 70 vestigingen en circa 15 zitdagen. Hierbij moet echter worden aangetekend dat het proces van samenvoeging van kantoren vrijwel onmiddellijk van start ging. In 1963, het jaar vóór de fusie met de Rotterdamsche Bank, bedroeg het aantal bijkantoren 202 en werden in 36 plaatsen zitdagen gehouden. Dochterondernemingen Naast de hoofdbank, de bijkantoren en zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen of stichtingen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van een aantal hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen of stichtingen werden meestal opgericht voor de uitvoering van een specifieke taak. De redenen hiervoor konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden, als in het geval van de Stichting Pensioenfonds en de Vereniging Amsterda. Het kon ook gaan om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, als in het geval van veel financierings- en beleggingsmaatschappijtjes. Of het ging om het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening zoals bij de Maatschappij tot Financiering van Huurkoopovereenkomsten Mahuko NV (1953), de Maatschappij tot Huurkoopfinanciering Hukongo NV (1954), de Maatschappij voor Middellang Crediet NV (1956) en de Maatschappij tot Financiering van Bedrijfspanden NV (1954). Een speciaal geval was het Administratiekantoor de Amstel NV; het doel van deze maatschappij is al omschreven in rubriek III.1. Bedrijfsmiddelen Personeel Directie en procuratiehouders Het dagelijks beheer over de bank was opgedragen aan twee of meer verplicht in Amsterdam woonachtige directeuren. Zij konden de vennootschap in en buiten rechte vertegenwoordigen. Hun aantal varieerde in de loop der jaren; aanvankelijk waren er drie, later meestal vier. Kort na de overname van de Incasso-Bank in 1948 was hun aantal tijdelijk groter. De directie was verantwoording verschuldigd aan de Raad van Toezicht/Commissarissen. Zij werd, op voordracht van de raad, benoemd door de vergadering van aandeelhouders. De oligarchische clausule van 1933 gaf de raad de bevoegdheid tot het doen van een bindende voordracht. Bij verhindering van één der directeuren nam een lid van de raad zijn positie waar. Iedere directeur moest, tot 1956, eigenaar zijn van tenminste 50 aandelen op naam, onvervreemdbaar en berustend ten kantore van de bank. Alle uitgaande stukken dienden door minstens twee directeuren te worden getekend. De aandeelhoudersvergadering kon aan de directie een consulent toevoegen; deze had, na goedkeuring van de Raad van Toezicht, alle bevoegdheden van een directeur. De functie van consulent heeft slechts korte tijd bestaan; vermoedelijk is zij omgezet in die van vierde directeur. In 1874 is voor het eerst sprake van de positie van gevolmachtigde van een directeur. Deze functionaris kon, samen met een directeur of een als directeur handelend lid van de Raad van Toezicht, de bank verbinden. In 1884 werd deze positie overbodig door het verschijnen van de algemene en bijzondere procuratiehouders. Hun tekeningsbevoegdheid werd in later jaren nog enige malen verruimd. In 1934 werd bepaald dat de bevoegdheden van directeuren van bijkantoren en van algemene procuratiehouders van de vennootschap gelijk waren, evenals die van procuratiehouders van bijkantoren en bijzondere procuratiehouders van de vennootschap. Overig personeel en personeelsorganen De snelle groei van de bank weerspiegelt zich vanzelfsprekend ook in een snelle personeelsuitbreiding. Het aantal van circa tien medewerkers waarmee men startte was ten tijde van het vijfentwintigjarig jubileum in 1896 reeds aangegroeid tot 1 secretaris, 3 procuratiehouders, 97 kantoorbeambten en 18 kasboden. De personeelssterkte zou tenslotte vlak voor de fusie met de Rotterdamsche Bank uitkomen op circa 5000, waarvan rond 1800 de hoofdbank bevolkten. Vanaf 1888 bestond een pensioen- en ondersteuningsfonds voor de beambten van de bank. Tot 1907 werd dit fonds beheerd door de directeuren. In dat jaar werd het ondergebracht in een stichting, waarmee het vermogen onafhankelijk werd gemaakt van eventuele dramatische ontwikkelingen bij de bank. De bank stortte jaarlijks een bedrag in het fonds ter grootte van 10% van de uitgekeerde salarissen aan het personeel onder de rang van directeur. In 1918 werd uit het personeel een commissie samengesteld, die het instellen van een ziekteverzekering voor het personeel moest voorbereiden. Dit resulteerde in mei 1919 in de oprichting van de Vereeniging Amsterda, met als doel het behartigen van de geestelijke en stoffelijke belangen van de beambten in het algemeen, en in het bijzonder het oprichten van een ziekteverzekering en ondersteuningsfonds. De vereniging kende later verschillende afdelingen, te weten een afdeling ziekteverzekering, een afdeling ondersteuningskas en een afdeling ontspanning en ontwikkeling. De laatste hield zich behalve met het organiseren van velerlei activiteiten ook bezig met financiële steun aan de diverse beambtenverenigingen, met een gelijkaardig doel als Amsterda zelf. De vereniging beheerde verder het huis Gelria te Heelsum, dat de directie van de bank ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum in 1921 als vakantieverblijf en herstellingsoord aan het personeel had geschonken. Het huis werd in de oorlog door de Duitsers gevorderd en door oorlogshandelingen zwaar beschadigd. De vereniging werd in de oorlog op last van de bezetter ontbonden, en vervangen door de als ziekenfonds fungerende Stichting Amsterda. In 1945 werd de vereniging in ere hersteld. Naast Amsterda, en er vaak nauw mee verbonden, waren nog tal van personeelsverenigingen en -fondsen op verschillende terreinen actief: er was een voetbalvereniging Amsterda, een bibliotheekfonds voor beambten etc. Na de overname van de Incasso-Bank in 1948 ontstond een gecombineerde vereniging, 'Amsterda-Incasso-Bank-Combinatie' (Aminco). Ter gelegenheid van het vijfenzeventigjarig jubileum in 1946 kreeg het personeel een nieuw vakantieoord (later ook conferentieoord) aangeboden te Laag-Soeren, ter vervanging van Gelria dat door oorlogsschade onbruikbaar was geworden. Het huis werd aanvankelijk gehuurd, en in 1950 aangekocht. Het zou ook gaan dienen als cursuscentrum, toen in de jaren vijftig de aandacht voor introductie en scholing van jonge beambten toenam. In 1949 respectievelijk 1961 werden vakantieoorden geopend te Domburg en Luyksgestel. De inrichting van het huis te Domburg was in oorsprong nog een initiatief van de Incasso-Bank. Op 1 januari 1955 werd een ondernemingsraad geïnstalleerd. Gebouwen Zoals vermeld begon de bank haar activiteiten in het pand Herengracht 597. Reeds binnen tien jaar bleek de ruimte door uitbreiding van de werkzaamheden en de groei van het aantal personeelsleden onvoldoende. In 1880 werd daarom het belendende pand Herengracht 599 aangekocht. Het jaar daarop startte een verbouwing waarbij de panden aan elkaar werden getrokken. In 1902 volgde onder leiding van Ed. Cuypers een nieuwe verbouwing, waarbij tevens een kluisinrichting met safeloketten werd ingericht. In 1898 en 1907 werden respectievelijk de panden Herengracht 601 en 603 aangekocht. In 1916 werden met het oog op de bouw van een nieuw hoofdkantoor de panden Keizersgracht 617-637 aangekocht. In 1919 kwam hier Keizersgracht 615 nog bij. De verplaatsing van de hoofdbank naar deze plaats ging uiteindelijk niet door. Men gaf de voorkeur aan het laten verrijzen van een nieuw kantoor op de oude plek. Daartoe ging men in 1921 een overeenkomst aan met het Gesticht voor R.K. Oude Burgermannen 'Brentano's Steun des Ouderdoms', dat was gevestigd op Herengracht 595. De Amsterdamsche Bank kreeg het pand Herengracht 595, en zorgde voor een nieuw gesticht op de plaats van de eerder aangekochte panden aan de Keizersgracht. De bank bezat op dat moment alle panden vanaf haar gebouw aan de Herengracht tot de Utrechtsestraat, verder de panden Utrechtsestraat oneven tot aan de Amstelstraat, alsmede de panden in de Amstelstraat van Rembrandtplein tot het Centraal Theater. Op deze plek verrees in de jaren 1926-1932 de nieuwe hoofdbank, ontworpen door de architecten H.P. Berlage, B.J. Ouëndag en W.B. Ouëndag. Op 1 november 1932 kon het nieuwe kantoor in gebruik worden genomen. De bijbank Rotterdam van de Amsterdamsche Bank werd op 2 februari 1914 gevestigd aan de Boompjes 29. Alle grote concurrenten hadden al een kantoor in Rotterdam zodat de Amsterdamsche Bank wel moest volgen. In 1917 verhuisde de bijbank tijdelijk naar de Coolsingel 55. Ondertussen werd aan de Coolsingel 111 een nieuw kantoor gebouwd, dat in 1924 in gebruik werd genomen. In 1925 werd het gebouw aanzienlijk uitgebreid door ook de hoek Coolsingel/Aert van Nesstraat te benutten. Het gebouw werd totaal verwoest bij het bombardement en de brand in mei 1940. De nieuwbouw ging in mei 1946 van start op dezelfde plaats waar het oude gebouw had gestaan. Het huisnummer was gewijzigd in nummer 93. Het ontwerp was van de architecten Van der Heyden en A.A. van Nieuwenhuyzen & Meischke en Schmidt. Tijdens deze nieuwbouw vond per 1 januari 1948 de overname van de Incasso-Bank plaats. Men koos voor samenvoeging van de activiteiten in het reeds in aanbouw zijnde gebouw van de Incasso-Bank aan de Blaak 40. Meteen werden de activiteiten aan Coolsingel 93 gestaakt. Tot 1955 heeft het geraamte in onafgebouwde staat op deze hoek gestaan; toen is het pand afgebouwd voor de Bank voor Handel en Scheepvaart. In 1971 werd het betrokken door Bank Mees & Hope en in september 1993 werd de uitbreiding, naar ontwerp van Rob van Erk, door MeesPierson in gebruik genomen. Door de samenvoeging van ABN AMRO en Fortis is het pand weer binnen ABN AMRO gekomen. Bedrijfsvoering Overnames, deelnemingen en commissariaten De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloed van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De Amsterdamsche Bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling, zoals het geval was bij de NV Noordhollandsch Landbouwcrediet te Alkmaar (1887), de Financiëele Maatschappij voor Nijverheidsondernemingen NV te Amsterdam (1883) en de Banque d'Etat du Maroc SA (Marokkaanse Staatsbank) te Parijs (1907). Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen deze deelnemingen uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer) of volledige overname van de betreffende instelling. Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten. Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Amsterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. De Amsterdamsche Bank heeft in haar geschiedenis een veelheid van banken overgenomen, passend in de concentratiegolven in het bankwezen vanaf het tweede decennium van de twintigste eeuw. De meest spectaculaire overname was die van de Incasso-Bank in 1948. Zij plaatste de Amsterdamsche Bank qua omzet op de eerste plaats in het rijtje van de 'grote vier' algemene banken die rond 1960 het Nederlandse bankwezen beheersten: de Amsterdamsche Bank, De Twentsche Bank, de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Rotterdamsche Bank. Anders dan bij een overname wordt bij een fusie door de fuserende partijen een geheel nieuwe maatschappij opgericht, waarnaar de bedrijfsactiviteiten van beide ondernemingen worden overgeheveld. In 1964 fuseerden de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank. Gezamenlijk richtten zij de Amsterdam-Rotterdam Bank NV op. De overheveling van de activiteiten naar de nieuwe maatschappij en de volledige integratie kostten uiteraard de nodige tijd en waren pas een aantal jaren later voltooid. Dienstenpakket De Amsterdamsche Bank kan worden geschaard in de categorie van de handelsbanken, vanaf de herziening van de Wet Toezicht Kredietwezen in 1978 officieel aangeduid als algemene banken. Voornaamste kenmerken van deze groep banken waren aanvankelijk de toelegging op de dienstverlening aan bedrijven en de nadruk op transacties op korte termijn. Geleidelijk groeiden zij uit tot instellingen die, de naamswijziging duidt er al op, het bankbedrijf uitoefenden in de breedste zin des woords. In dezen onderscheid(d)en zij zich van de gespecialiseerde bankinstellingen als de spaarbanken, cultuurbanken (naar arbeidsterrein) en boerenleenbanken en middenstandsbanken (naar cliëntenkring). De Amsterdamsche Bank stond vanaf de oprichting open voor alle soorten banktransacties, maar de politiek in de eerste decennia kenmerkte zich vooral door voorzichtigheid, mede in de hand gewerkt door een aantal mislukte deelnemingen in de eerste jaren van haar bestaan. Het gewone bankbedrijf van de bank ontwikkelde zich daarom zeer geleidelijk. Men richtte zich aanvankelijk met name op de financiering van de handel in binnen- en buitenland en het acceptbedrijf, alsmede de fondsenhandel en het daarmee samenhangende emissiebedrijf. Daarnaast waren er nauwe betrekkingen met de diamanthandel. Aan financiering van de industrie waagde de bank zich vooreerst nog niet of nauwelijks (de overige banken overigens evenmin); deze activiteit zou pas in het interbellum goed op gang komen. Wel was er reeds vanaf circa 1900 een sterke ontwikkeling van het rekening-courant- en depositobedrijf. Al voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog ging men zich bezig houden met dienstverlening op het gebied van vermogensbeheer (inclusief executele van nalatenschappen en bewindvoering), verzorging van de belastingadministratie voor cliënten en het geven van beleggingsadviezen. Na de oorlog breidde het dienstenpakket van de bank zich gestaag verder uit. Vanaf de jaren vijftig begaf de bank zich, eerst nog zeer voorzichtig en met de activiteiten in aparte maatschappijen ondergebracht, op het terrein van middellang krediet, consumptief krediet, huurkoopfinanciering en assurantie. Hiermee zette een zekere branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.
De Rotterdamsche Bank NV werd opgericht in Rotterdam op 16 mei 1863 door een groep zakenlieden en bankiers, waaronder Marten Mees, firmant van R. Mees & Zoonen, die hiermee onbedoeld een toekomstige, geduchte concurrent voor zijn Rotterdamse kassiersbedrijf creëerde. De werkzaamheden startten op 1 oktober 1863. Het idee van de oprichters was om, onder meer naar Engels voorbeeld van de Colonial Bank, een kredietinstelling in het leven te roepen die zou voorzien in de groeiende kapitaalbehoefte van bedrijven in Nederlands-Indië. In januari 1864 werd de Commanditaire Vereeniging (kredietvereniging) opgericht als dochter van de Rotterdamsche Bank. Door een te ambitieuze opzet leed de bank forse verliezen in Indië. Daarnaast leverde de zogenaamde Pincoffs-affaire (1879) de Rotterdamsche Bank een schadepost op van circa ƒ 875.000,-. Wijs geworden beperkte de bank daarna haar activiteiten tot Nederland. Met de komst van directeur Willem Westerman in 1904 begon een periode van uitbreiding. Op 19 april 1911 fuseerden de Rotterdamsche Bank en de NV Deposito- en Administratie-Bank in Rotterdam tot de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De werkzaamheden van de bank startten op 1 juli 1911. Beide banken vulden elkaar goed aan; de Rotterdamsche Bank was vooral een handelsbank, de Deposito- en Administratie Bank een effectenbank en beide zochten bovendien toegang tot de Amsterdamse Effectenbeurs. De Rotterdamsche Bankvereeniging wist dit doel nog in datzelfde jaar te bereiken door de oude Amsterdamse firma Determeijer Weslingh & Zoon over te nemen. Dit wekte indertijd nogal wat beroering in financiële kringen, gezien de rivaliteit tussen hoofdstad en Maasstad. Twee jaar later werd Labouchere, Oyens & Co's Bank in Amsterdam, een voortzetting van de firma Ketwich & Voombergh, overgenomen, in december 1915 de Nationale Bank te `s-Gravenhage (gelieerd aan de Deposito- en Administratie Bank), gevolgd door vele lokale banken. De Rotterdamsche Bankvereeniging groeide in enkele jaren méér dan in de eerste vijftig jaar van haar bestaan en werd een van Nederlands grootste banken. Deze stappen van de bank gelden als het begin van de concentratie en concernvorming van de algemene banken in Nederland. De schaalvergroting bij de banken hield gelijke tred met die in het bedrijfsleven en ging veelal ten koste van de kleinere banken. De nieuwe filialen van de bank werden vanaf 1916 grotendeels verworven door het overnemen van kleine bankiersfirma's. Deze bedrijven werden aanvankelijk niet opgenomen in de eigen organisatie, maar ondergebracht in de dochterondernemingen de Nationale Bankvereeniging (Nato) in Utrecht of de Zuid-Nederlandsche Handelsbank (Zuidbank) in Tilburg. De Zuidbank ging per 1 december 1920 op in de Nato. Op 1 januari 1929 werd vervolgens het gehele bedrijf van de Nato ondergebracht in de Rotterdamsche Bankvereeniging. In dezelfde periode was de Rotterdamsche Bankvereeniging actief betrokken bij de oprichting van overzeebanken, waaronder de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika, de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee, de Bank voor Indië, de Hollandsche Bank voor West-Indië en de Russisch-Hollandsche Bank. Een overmatig optimisme, gebaseerd op de hausse na de Eerste Wereldoorlog die echter omsloeg in een baisse door de economische crisis in Duitsland, leidde in de jaren 1922-1925 tot een algemene bankcrisis. De Rotterdamsche Bankvereeniging was een van de meest opvallende slachtoffers. In de voorafgaande expansieperiode bleek de Rotterdamsche Bankvereeniging te veel krediet te hebben verleend, zonder voldoende reserves aan te leggen. Minister van Financiën Colijn gaf in 1924 persoonlijk opdracht aan De Nederlandsche Bank om de Rotterdamsche Bankvereeniging te hulp te schieten, waarna alle deelnemingen in banken met buitenlandse vestigingen werden afgestoten. Rond 1927 was de crisis bezworen en ging de bank verder, echter zonder president Westerman. Op 21 juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een vergaande samenwerking; door de oorlogsomstandigheden werden deze fusieplannen op 7 oktober 1939 afgeblazen. In oktober 1947 werd de oude naam 'Rotterdamsche Bank' weer ingevoerd. Op 28 oktober 1960 werd aangekondigd dat de Nationale Handelsbank zou werden overgenomen. Per 1 mei 1961 trad het personeel van deze bank in dienst van de Rotterdamsche Bank. De volledige integratie had in de daarop volgende jaren plaats. Door deze overname kreeg de Rotterdamsche Bank de beschikking over vestigingen in het Verre Oosten, alsmede een dochterbedrijf in Canada, The Mercantile Bank of Canada. Deze vestigingen werden echter allemaal vóór 1965 verkocht. In 1964 werden de oude contacten tussen Rotterdamsche Bank en Amsterdamsche Bank met succes weer opgepakt. Op 11 juni 1964 kondigden beide banken aan te gaan fuseren tot de Amsterdam-Rotterdam Bank NV. Voor de Rotterdamsche Bank was dit een logische ontwikkeling in het kader van het door haar zelf in gang gezette proces van bankconcentratie. De Rotterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Rotterdamsche Bank, als vennootschap, bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan. Oprichting, doel en kapitaal De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Tot deze groep behoort de Rotterdamsche Bank NV, opgericht in 1863. Het initiatief tot oprichting kwam van een groep Rotterdamse firma's, te weten de kassiersfirma's R. Mees & Zoonen, Jan Havelaar & Zonen, de Gebr. Chabot en Schaay en Madrij, alsmede de koopman en reder H. Müller Szn. En de handelsfirma J.W. Bunge. Zij belegden op 16 mei 1863 een vergadering met als doel de oprichting van een 'handelsbank'. De koninklijke goedkeuring van de statuten volgde op 28 juni. De vennootschap werd aangegaan voor vijftig jaar. De bank begon, onder de naam Rotterdamsche Bank NV, haar werkzaamheden op 1 oktober van dat jaar. De doelstellingen van de nieuwe vennootschap waren ambitieus. Naar het voorbeeld van een aantal buitenlandse bankinstellingen wilde men gaan fungeren als bank voor de koloniale handel en nijverheid, ofwel als bemiddelaar tussen het kapitaaloverschot in Nederland en de grote kapitaalbehoefte van de koloniale handel en de cultuur- en andere bedrijven in Nederlands-Indië. Hiervoor zou een agentschap of filiaalbank op Java in het leven (moeten) worden geroepen. Behalve de activiteiten ten aanzien van de koloniën, door de oprichters zonder meer als de primaire activiteiten beschouwd, zou de bank zich volgens de statuten verder moeten richten op het openen van geconfirmeerde kredieten, het opnemen van gelden à deposito tegen vergoeding van rente, de handel in edele metalen, bevordering van de oprichting van maatschappijen van handel, nijverheid en landbouw, het verstrekken van geldleningen aan bedrijven, overheidslichamen en andere openbare instellingen en verder alle bank- en geldoperaties in de ruimste zin des woords. Later werd dit in de statuten samengevat als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operatiën in het algemeen. Tot 1911 (oprichting van de Rotterdamsche Bankvereeniging) waren het nemen van aandeel in andere ondernemingen en maatschappijen en het drijven van handel in goederen of effecten voor eigen rekening uitdrukkelijk van de werkkring uitgesloten. Tot dat jaar was verder het deelnemen in syndicaten voor de uitgifte van leningen en van aandelen aan de goedkeuring van de commissarissen gebonden. Vanaf 1911 werd ook vermogensbeheer en het optreden als trustee bij obligatieleningen tot de werkkring gerekend. In de statuten van 1947 werd het bezorgen van assurantiën toegevoegd. Om de nieuwe instelling te financieren werden aandelen geëmitteerd. Het maatschappelijk kapitaal werd bij de oprichting vastgesteld op ƒ 15.000.000,-, gesplitst in drie series van ƒ 5.000.000,-. In eerste instantie werd de emissie beperkt tot één serie, waarvan ƒ 4.000.000,- bedoeld was voor de oprichters en ƒ 1.000.000,- werd geplaatst. Dat er bij het publiek vertrouwen bestond in de toekomst van het bedrijf blijkt uit het resultaat van de inschrijving van maar liefst ƒ 58.498.750,-, waardoor uiteindelijk slechts 1,709% van de inschrijvingen kon worden toegewezen! De tweede en derde serie aandelen werden in 1864 geëmitteerd. Vanwege de in 1873 inzettende crisis werd in 1875 het maatschappelijk kapitaal gereduceerd door terugkoop van eigen aandelen. In 1880 volgde een nieuwe reductie door de waarde van de aandelen van ƒ 250,- terug te brengen naar ƒ 200,- en die van ƒ 125,- naar ƒ 100,-. In de twintigste eeuw werd het kapitaal stelselmatig verhoogd tot ƒ 50.000.000,- in de vijftiger jaren, met name wegens aanpassing aan de sterk groeiende omvang van de deposito's en crediteuren. Reeds in 1872 werden de aandelen Rotterdamsche Bank genoteerd op Duitse beurzen. In 1912 volgde notering op de beurs van Parijs. Toezichthoudende organen Aandeelhouders De eigendom van en zeggenschap over de Rotterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. Of, zoals uitgedrukt in de statuten ten aanzien van de vergadering van aandeelhouders, zij 'vertegenwoordigt het gansche ligchaam der vennootschap'. De algemene vergadering van aandeelhouders of aanvankelijk, in termen van de statuten, de deelhebbers moest jaarlijks plaatsvinden, aanvankelijk in de drie eerste maanden van elk jaar, na de afsluiting van de balans, later in mei of uiterlijk in juni. Buitengewone vergaderingen vonden plaats zo vaak als commissarissen, directie of de vertegenwoordigers van een statutair bepaald deel van het kapitaal dit verlangden. De vergaderplaats was Rotterdam. Alle aandeelhouders waren tot het bijwonen van de vergadering gerechtigd. Stemgerechtigd waren aanvankelijk allen, die hun aandelen reeds een bepaald aantal maanden vóór uitschrijving van de vergadering bezaten, later allen die hun aandelen bij uitschrijving van de vergadering bezaten. Voor de toekenning van het aantal stemmen per aandeelhouder werd een bepaalde sleutel gehanteerd, die onder meer inhield dat niemand meer dan zes stemmen mocht uitbrengen, ook niet als gevolmachtigde van anderen. Besloten werd met meerderheid van stemmen, behalve bij wijziging van de statuten en enkele andere zaken, waarvoor afwijkende regels golden. De vergadering werd voorgezeten door de voorzitter van het college van commissarissen. Als secretaris fungeerde de directiesecretaris. De agenda van de vergadering bevatte doorgaans de volgende punten: kennisnemen van de balans, na goedkeuring hiervan door een daartoe samengestelde commissie (zie onder); kennisnemen van het door de commissarissen overlegde rapport over de toestand van de vennootschap; verkiezen van de commissarissen, en op voordracht van de commissarissen benoemen c.q. ontslaan van leden van de directie; kiezen van de commissie tot goedkeuring van de balans; besluiten over vergroting/verkleining van het maatschappelijk kapitaal of emissie van nieuwe series aandelen; besluiten over statutenwijziging en ontbinding der vennootschap; behandelen van en besluiten op voorstellen van commissarissen en directie alsmede van aandeelhouders (mits door een bepaald deel van het kapitaal gesteund). College van Commissarissen en het Comité uit Commissarissen De eerste commissarissen werden benoemd door de oprichters. Vervolgens werden zij benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, vanaf 1920 op voordracht van twee in functie zijnde commissarissen. Hun aantal werd aanvankelijk vastgesteld op tien. Via latere statutenwijzigingen werd dit aantal nogal eens veranderd. Meestal werd dan het minimum aantal op zeven bepaald, en varieerde het maximum aantal; de statuten van 1920 bijvoorbeeld stelden dit maximum op 25. Vanaf 1872 gold de regel dat een bepaald percentage in Nederland woonachtig moest zijn. Jaarlijks trad een deel van de leden af, volgens rooster. Ze waren dan wel herkiesbaar. Alle commissarissen dienden aanvankelijk 50 aandelen op naam te bezitten; in 1869 werd dit aantal teruggebracht tot 25, en bij de vorming van de Rotterdamsche Bankvereeniging in 1911 was deze voorwaarde uit de statuten geschrapt. Op verzoek van de commissarissen konden directieleden de vergaderingen bijwonen. Blijkens de notulen was dit over het algemeen het geval. Het college vergaderde aanvankelijk minstens eenmaal per week, in later tijd zovaak men dat nodig achtte. Vergaderd werd in Rotterdam. Vanaf 1905 werden taken en bevoegdheden in de statuten in tamelijk algemene termen omschreven: de commissarissen waren belast met het toezicht over het beheer van de vennootschap, met het geven van advies en voorlichting aan de directie, waar zij dit nodig achtten, en het bewaken van een trouwe naleving van de statuten. De oudere statuten waren wat uitvoeriger en noemden onder meer: toezien op de handelingen van de directie; waken voor een juiste naleving van de statuten en een goede exploitatie van de vennootschap; voordragen tot benoeming van directieleden en vaststellen van hun inkomen; schorsen en voordragen tot ontslag van directieleden; besluiten, op voordracht van de directie, inzake vestiging van filialen en agentschappen; vaststellen, op voordracht van de directie, van de balans en de hoogte van het dividend; bepalen van de handelwijze in buitengewone gevallen; goedkeuren van de deelneming in syndicaten en consortiums. Via een statutenwijziging in 1869 kreeg het college de bevoegdheid om uit haar midden een commissie van drie leden te benoemen, met de naam Commissie van Toezicht. Deze naam zou overigens in de loop der tijd nogal eens veranderen, in Commissie uit Commissarissen, Comité uit Commissarissen en in 1958 in Raad van Toezicht. Namens de commissarissen hield zij toezicht op de handelingen van de directie, rapporteerde zij aan de commissarissen over de toestand van de vennootschap, adviseerde zij desgevraagd de directie en besliste zij bij geschillen binnen de directie. Feitelijk fungeerde deze commissie als een soort dagelijks bestuur van het College van Commissarissen. De commissie vergaderde ten minste eenmaal per week, in of buiten tegenwoordigheid van de directie. Om de maand trad één der leden af, volgens rooster. Interne organisatie Over de interne organisatiestructuur van de Rotterdamsche Bank kan wat betreft de eerste vijftig jaar, wegens het ontbreken van relevant archiefmateriaal, weinig worden gezegd. Hooguit kan worden vermoed dat zij in die periode relatief nog niet zeer ingewikkeld was. Tot 1911 was er, afgezien van de tijdelijke agentschappen in het Verre Oosten, één kantoor. De afdelingsstructuur zal in hoofdzaak de door de bank verrichte functies weerspiegeld hebben. Na de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank in 1911 zou de structuur snel ingewikkelder worden. In 1911 werd een kantoor in Amsterdam gevestigd, dat als een tweede hoofdkantoor zou gaan fungeren. In 1914 werd een bijbank in 's-Gravenhage geopend. En door een reeks overnames van lokale banken en bankjes zou het aantal bijkantoren explosief groeien. Art. 1 van de statuten luidde na 1911 dan ook: ' …De vennootschap …heeft banken te Rotterdam en te Amsterdam, een bijbank te 's-Gravenhage en kan kantoren en correspondentschappen vestigen en zitdagen houden, waar zij zulks wenschelijk acht'. Het citaat weerspiegelt een hoofdstructuur met een verdeling in vier componenten. Ten eerste de 'moederbank' te Rotterdam, met onder haar ressorterend de Rotterdamse stadsbijkantoren, inclusief die in enkele direct aansluitende gemeenten. Ten tweede de bank te Amsterdam, in alle opzichten gelijkwaardig aan de bank te Rotterdam. Onder haar ressorteerden de Amsterdamse stadsbijkantoren. Ten derde de bijbank te 's-Gravenhage; zij werd bestuurd door een directie die, op voordracht van de commissarissen en in overleg met de [hoofd]directie, werd benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Onder de bijbank ressorteerden de Haagse bijkantoren, inclusief dat van Scheveningen. De vierde component vormden de bijkantoren in de provincie. Met de integratie van de Nationale Bankvereeniging in het moederberdijf in 1929 (zie onder) groeide dit aantal zo snel, dat in datzelfde jaar een speciaal bestuurslichaam in het leven werd geroepen, de Provinciale Centrale. Tot 1949 was deze ondergebracht in de kantoren van de bijbank te 's-Gravenhage, daarna verhuisde zij naar het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel. Later was 'de provincie' bovendien nog ingedeeld in districten, grotendeels samenvallend met de provinciale indeling. De directeuren van de banken te Amsterdam en Rotterdam, van de bijbank 's-Gravenhage en in later tijd ook die van de Provinciale Centrale vormden gezamenlijk de onderdirectie van de vennootschap. Elk van de vier componenten was in redelijke mate autonoom, en had haar eigen uitvoerende afdelingen op elk terrein alsmede eigen staf- en hulpdiensten. Met name de bank te Amsterdam nam een tamelijk eigen positie in. De bank te Rotterdam en de Provinciale Centrale kenden na het gereedkomen van het nieuwe hoofdkantoor en de verhuizing van de Provinciale Centrale daarheen wat betreft een aantal diensten een vermenging. Zo werkten de accountants en de afdeling Juridische Zaken van de Provinciale Centrale ook voor de bank te Rotterdam. Een duidelijk inzicht in de afdelingsstructuur kan alleen worden verkregen voor de periode ná 1949. Een aantal overzichten uit die tijd geeft aan dat de structuur van de banken te Rotterdam en Amsterdam in hoge mate identiek was, al weken de namen soms wat af. De Provinciale Centrale kende een afwijkende structuur. Voor een nadere beschrijving van de organisatie en taken van de afdelingen wordt verwezen naar rubriek A.1.4., inv.nr 94. Het uitgebreide net van provinciale vestigingen dat vanaf 1911 ontstond kwam via verschillende wegen tot stand: Door stichting van zelfstandige maatschappijen met eigen rechtspersoon. Een voorbeeld hiervan was de Nationale Bankvereeniging in Utrecht (1916), waar de Rotterdamsche Bankvereeniging een aantal vroegere overnames in onderbracht. Door deelneming in bestaande instellingen en\of door onderbrenging van een agentschap bij een bestaande instelling, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Rotterdamsche Bank verrichte. Vaak liep dit uit op overname van de betrokken instelling. Door overname van bestaande banken, bijvoorbeeld de Amsterdamse Bankiersvereniging Labouchere, Oyens & Co's Bank (1913) en de Nationale Bank te 's-Gravenhage (1915). Door fusie. De fusie met de Deposito- en Administratie Bank (1911) bracht belangen in diverse kleine bankinstellingen mee. Door directe oprichting van eigen vestigingen. Een vroeg voorbeeld is de vestiging van de bijbank te 's-Gravenhage (1914) en een depositokas aan het Bezuidenhout in dezelfde plaats (1915). De bevoegdheden van de bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten (zie het aantal circulaires) was voor 'grote handelingen' toestemming van hogerhand vereist; dit gold met name de verlening van krediet. Beslissende stappen in de vorming van het landelijk kantorennet waren de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank en met name de oprichting en latere volledige integratie van de Nationale Bankvereeniging met haar provinciale filialen. Daarna zou het aantal vestigingen blijven groeien, tot 118 in 1940, 194 in 1945, 300 in 1959 en 340 in 1962. De Rotterdamsche Bank was daarmee wat betreft haar kantorennet de grootste bank in Nederland. Naast de hoofdkantoren te Rotterdam en Amsterdam, de Provinciale Centrale, de bijkantoren en de zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van enkele hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen werden meestal opgericht ter uitvoering van een specifieke functie. De redenen om deze functies in aparte maatschappijen onder te brengen konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden. Of het ging om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, bijvoorbeeld het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening. Aparte vermelding verdienen nog de oprichting van een Vrouwenbank te Amsterdam in 1929 en de opening in 1939 van een vestiging in Brussel, de Comptoir Belgo-Hollandais SA/Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor NV. De Vrouwenbank, gevestigd aan het Rokin, was speciaal gericht op het groeiende aantal vrouwelijke cliënten. In 1971 werd ze als overbodig opgeheven. De NV Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor werd in 1947 geliquideerd. Bedrijfsmiddelen Personeel Directie en procuratiehouders De directie van de Rotterdamsche Bank bestond bij aanvang statutair uit een president-directeur, twee directeuren en een secretaris. De omvang van de directie zou in de loop der jaren gestaag toenemen. De statuten van 1947 bepaalden haar op minimaal vier en maximaal negen. Ook ten aanzien van de directie gold de eis, dat een bepaald percentage Nederlander moest zijn. De directie werd, op voordracht van de commissarissen, benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. De leden van de directie waren tot 1911 verplicht Rotterdam als vaste woonplaats te hebben. Tevens moesten zij tot dat jaar eigenaar zijn van minstens vijftig aandelen op naam. De directie voerde het dagelijks beleid en beheer over de vennootschap en vertegenwoordigde de vennootschap in en buiten rechte. Zij had daartoe al díe bevoegdheden, die niet uitdrukkelijk aan de aandeelhouders of de commissarissen waren toegewezen. De statuten van vóór 1911 geven hierbij nog een ietwat uitvoeriger omschrijving: de ordening van de administratie; benoeming van alle beambten en vaststelling van hun instructies; de leiding over alle operaties; het (doen) opmaken van de jaarlijkse balans en het voorleggen daarvan aan de commissarissen, begeleid door een verslag over de toestand van de vennootschap; eventuele liquidatie van de vennootschap, onder toezicht van de commissarissen. Na 1911 resideerde een deel van de directie in Rotterdam, en een deel in Amsterdam. In het jaarverslag van 1913 is voor het eerst sprake van onderdirecteuren. Deze groep was samengesteld uit de directies van de afzonderlijke onderdelen van de vennootschap, in volgorde van ontstaan de bank Rotterdam (1863), de bank Amsterdam (1911), de bijbank 's-Gravenhage (1915) en de Provinciale Centrale (1929). Al vanaf 1872 had de directie de bevoegdheid aan een of meer beambten procuratie te verlenen om voor de vennootschap te tekenen. In 1920 is sprake van de mogelijkheid tot aanwijzing, onder goedkeuring van commissarissen, van algemene en bijzondere procuratiehouders, en de aanstelling van bijzondere procuratiehouders tot directeur van een bijkantoor of depositokas. Overig personeel en personeelsorganen De personeelssterkte groeide in de eerste vijftig jaar van het bestaan van de bank slechts in geringe mate, zeker in vergelijking met de periode daarna. In 1865 bedroeg het aantal werknemers 23, in 1899 waren er 67. In 1911 bedroeg het aantal werknemers nog slechts 35. Daarna was de groei explosief: van 250 in 1914 en 490 in 1917 tot rond 700 in 1919. Eind 1963 tenslotte bood de bank werk aan circa 4800 mensen. Op 23 juli 1866 werd door en voor de ambtenaren van de bank een pensioenfonds in het leven geroepen. Na de fusie in 1911 werd dit fonds op 24 mei van dat jaar omgezet in de Stichting Pensioen- en ondersteuningsfonds der ambtenaren en bedienden van de Rotterdamsche Bankvereeniging. Het fonds had mede tot taak de oprichting en instandhouding van het in 1915 geopende Huize Erica te Nunspeet, een herstellings- en vakantieoord voor de ambtenaren en bedienden. Op 22 april 1927 vond opnieuw een aanpassing plaats via de oprichting van de Stichting Pensioenfonds van 1926. Vanwege een noodzakelijke aanpassing aan de bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet vond in 1954 een tweedeling plaats. De werknemers die reeds vóór 1 juli 1952 in dienst waren vielen voortaan onder de Stichting Pensioenfonds I. Zij die op of ná die datum in vaste dienst traden vielen onder de Stichting Pensioenfonds II. Op 26 juni 1956 vond de oprichting plaats van de Stichting Pensioenfonds III, bedoeld voor werknemers ònder de rang van (onder)directeur, maar met een jaarsalaris bóven ƒ 8500,-. Op 5 juni 1915 werd de Vereeniging Robaver opgericht. De koninklijke goedkeuring volgde op 17 oktober 1917. De statutair in Amsterdam gevestigde vereniging had tot doel '..den kameraadschappelijken omgang van het personeel der Rotterdamsche Bankvereeniging te bevorderen'. Dit wilde zij bereiken door gedurende de wintermaanden eens per maand clubavonden te organiseren voor het houden van lezingen en voordrachten, het spelen van schaak- en kaartspelen etc. Daarnaast bood zij gelegenheid tot het beoefenen van sport, muziek en toneel. De vereniging had een bestuur van ten minste zeven leden, die haar in en buiten rechte konden vertegenwoordigen. In 1955 vond de installatie plaats van een ondernemingsraad. Gebouwen Bij de start van haar werkzaamheden was de Rotterdamsche Bank gevestigd in het pand Geldersche Kade 50 te Rotterdam. In 1870 werd dit pand door de regering aangekocht wegens de voorgenomen spoorwegaanleg door de stad. De bank nam vervolgens haar intrek in het voormalige Grand Hotel des Pays Bas aan de Boompjes 77 te Rotterdam, in 1705 gebouwd als adellijke woning door Cornelis de Jonge van Ellemeet. In de meidagen van 1940 kwam het pand in de vuurlinie te liggen tijdens de gevechten om de Maasbruggen, en werd het volkomen verwoest. Het personeel werd voorlopig ondergebracht in het gehuurde kantoorpand Calandstraat 49. Pas in 1948 kon het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel 119 gedeeltelijk in gebruik worden genomen. Ook het bijkantoor Coolsingel 109 werd in 1940 door brand zwaar beschadigd. Het bedrijf kon hier echter na een noodverbouwing gedeeltelijk worden hervat. Voor het effectenbedrijf werd aan de Boompjes een noodgebouw geplaatst. De bank te Amsterdam werd bij de start in 1911 ondergebracht in de kantoren van Determeijer, Weslingh & Zoon aan de Keizersgracht 706. Op 24 juni 1912 werd de eerste paal geheid voor nieuwbouw aan het Rokin. Op 22 augustus van datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd. Op 20 oktober 1913 was het kantoorpand Rokin 33-47 gereed. In 1916/17 en 1925 volgden uitbreidingen waardoor het pand uiteindelijk Rokin 23-51 zou omvatten. Bedrijfsvoering Overnames, deelnemingen en commissariaten De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloedssfeer van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling. Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen ze uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer), of volledige overname van de betreffende instelling. Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten. Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Rotterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. Bij een fusie tenslotte werden de bedrijfsactiviteiten van de fuserende partners volledig geïntegreerd en ondergebracht in een geheel nieuwe maatschappij. Het jaar 1911 luidde voor het Nederlandse bankwezen het concentratietijdperk in. De grote verscheidenheid aan regionale en lokale bancaire instellingen werd vanaf die tijd geleidelijk opgeslokt door een, op zich zelf ook slinkend, aantal grote concerns. Al vóór de Tweede Wereldoorlog was sprake van vijf invloedssferen van 'grootbanken', in volgorde van ouderdom de Nederlandsche Handel-Maatschappij, De Twentsche Bank, de Rotterdamsche Bank, de Amsterdamsche Bank en de Incasso-Bank. De overname van de Incasso-Bank door de Amsterdamsche Bank in 1948 en de fusies van De Twentsche Bank met de Nederlandsche Handel-Maatschappij tot de Algemene Bank Nederland (ABN) in 1964, en van de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank tot de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in datzelfde jaar waren verdere stappen in het verdichtingsproces. Met de fusie tussen de Algemene Bank Nederland en de Amsterdam-Rotterdam Bank in 1991 vond de concentratie een (voorlopig) hoogtepunt. De Rotterdamsche Bank kan zonder bezwaar als initiator en gangmaker van de concentratiebeweging worden beschouwd. Vanaf 1911 kent haar geschiedenis een lange lijst van deelnemingen, overnames en fusies. Zij kunnen in dit bestek onmogelijk allemaal worden opgesomd, laat staan besproken. Hieronder volgen enkel wat opmerkingen over de voornaamste activiteiten op dit terrein. Voor het overige wordt verwezen naar overzicht IV. Op 1 april 1911 zette de Rotterdamsche Bank de stap tot fusie met de Deposito- en Administratie-Bank te Rotterdam. Beide banken gingen op in de nieuw opgerichte NV Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De beide fusiepartners vulden elkaar aan: de Rotterdamsche Bank was vooral handelsbank, de Deposito- en Administratie-Bank vooral effectenbank. Nog datzelfde jaar 1911 nam de Rotterdamsche Bankvereeniging een belang in de firma Determeijer, Weslingh & Zoon te Amsterdam. In hun pand aan de Keizersgracht 706 werd (tijdelijk) de bank te Amsterdam ondergebracht. Toegang tot de Amsterdamse beurs speelde bij deze operatie een belangrijke rol. Een zeer belangrijke stap, feitelijk de beslissende stap de provincie in, was de oprichting in 1916 van de Nationale Bankvereeniging, met Utrecht als zetel. De Rotterdamsche Bankvereeniging had hierin een meerderheidsaandeel van 75%. De nieuwe maatschappij had tot doel de uitoefening van het provinciale bankiers- en kassiersbedrijf. Een aantal eerdere overnames werd erin ondergebracht, met name de Bank van Huydecoper & Van Dielen te Utrecht, A. Bloembergen & Zonen's Bank te Leeuwarden, de Dordtsche Bank te Dordrecht en de Nationale Bank te 's-Gravenhage. In 1917 had de vereniging vestigingen in 59 plaatsen. In 1917 stelde de Rotterdamsche Bankvereeniging zich garant voor alle verbintenissen van de Zuid-Nederlandsche Handelsbank NV te Tilburg, met vestigingen in meerdere steden in het zuiden. Eind 1920 werd deze bank overgenomen door de Nationale Bankvereeniging. Per 1 januari 1929 werd het bedrijf van de Nationale Bankvereeniging volledig geïncorporeerd in de Rotterdamsche Banvereeniging. Van dat moment dateert dan ook de Provinciale Centrale binnen de bank. Grote plannen in 1939 om te komen tot verregaande samenwerking met de Amsterdamsche Bank konden vanwege de dreigende omstandigheden geen doorgang vinden. Een overname die wel doorging was die van de Nationale Handelsbank NV, tot 1950 Nederlandsch-Indische Handelsbank NV, op 28 oktober 1960. Het leverde de Rotterdamsche Bank onder meer een groot aantal belangen in het buitenland op, die echter binnen relatief korte tijd van de hand werden gedaan. In 1964 tenslotte volgde alsnog de fusie met de Amsterdamsche Bank. De Rotterdamsche Bank hield hiermee op te bestaan. De bedrijfsactiviteiten werden ondergebracht in de nieuw opgerichte maatschappij de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) NV. Dienstenpakket De Rotterdamsche Bank was vanaf haar oprichting opgezet als handelsbank, hoewel de oprichters primair de dienstverlening aan de koloniale handel voor ogen hadden. Dat de bank, nog versterkt door de in 1864 opgerichte en aan de bank verbonden commanditaire vereniging, zich al zeer spoedig ook richtte op het nemen van gelden à deposito tegen rente (met De Twentsche Bankvereeniging behoorde de Rotterdamsche Bank hierin tot de voorlopers), kredietverlening en rekening-courant was met name de kassiers onder hen uit concurrentieoverwegingen een doorn in het oog. De activiteiten ten aanzien van de financiering van de koloniale handel en cultuurmaatschappijen verliepen echter niet voorspoedig. De bank leed in Indië grote verliezen, en over het beleid ten aanzien van de koloniën bestond intern groot verschil van mening. In 1870 kwam aan het experiment overzee een eind. Al vóór dat jaar waren de in alle optimisme opgerichte agentschappen in Batavia, Soerabaja en Singapore weer gesloten. Men richtte zich voortaan voornamelijk op Nederland. De op het buitenland gerichte activiteiten bleven beperkt tot deelneming in de oprichting van een aantal maatschappijen, als de Russisch-Hollandsche Bank NV te Moskou (1916), de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika NV te Amsterdam (1914) en de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee NV te Amsterdam (1919). Pas met de fusie met de Nationale Handelsbank in 1960 krijgt men weer uitgebreide belangen in het buitenland (Azië, en in Canada de Mercantile Bank of Canada te Montreal). Deze werden echter allemaal na korte tijd afgestoten. Dus, voerden in de eerste statuten de activiteiten ten aanzien van de koloniën nog de boventoon, latere statuten geven een ander beeld. De doelstellingen worden dan omschreven als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operaties in het algemeen, het beheren van vermogen voor anderen, het optreden als beheerder of trustee, het deelnemen in syndicaten en consortiums en het bezorgen van assuranties. Wat betreft de medefinanciering binnen de grenzen zag men al zeer snel de mogelijkheden van Rotterdam als transitohaven. Dit uitte zich ondermeer in deelneming aan de oprichting van de NV Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij Holland-Amerika Lijn te Rotterdam en de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Daarnaast was men onder meer betrokken bij de oprichting van de Amsterdamsche Bank. Vanaf circa 1870 ging de Rotterdamsche Bank zich, in combinatie met andere banken, bezighouden met de emissie van nieuwe fondsen. Het depositobedrijf, het in bewaring nemen van gelden van derden, bleef tot circa 1895 kleinschalig. Van een uitgebreide vaste cliëntèle kon tot dan dus niet worden gesproken. Na 1895 zou het aantal deposito's en crediteuren echter explosief groeien. Eind negentiende eeuw raakte ook de rekening-courantrekening ingeburgerd. Aanvankelijk was het acceptbedrijf, het verlenen van wisselkrediet, het meest aangewezen terrein voor de handelsbanken. Dit bedrijf zou tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke functie en winstbron zijn. Nog in de jaren twintig was de Rotterdamsche Bank betrokken bij de oprichting van accepthuizen, waaronder de Nederlandsche Accept-Maatschappij NV te Amsterdam en de NV Wolfinancierings Maatschappij te Amsterdam, vanaf 1924 de Wolbank. Ten gevolge van de crisis en de opkomst van de moderne communicatietechniek zou het acceptkrediet vanaf de jaren dertig nagenoeg geheel uit het zicht verdwijnen. De wissel werd vervangen door het rekening-courantkrediet ('giraal geld'). De crisis zorgde ook voor de opkomst van het documentair krediet, omdat de banken waren gedwongen, vanwege de anarchie op de valutamarkt, bij kredietverlening aan de internationale handel nieuwe garanties te eisen. Een belangrijke activiteit was verder het vermogensbeheer. Hiertoe werd behalve de administratie over het bij de bank in bewaring gegeven vermogen ook gerekend executele van nalatenschappen en bewindvoering. Aan deze activiteit gerelateerd was de belastingadministratie voor cliënten en het geven van advies op diverse terreinen. De jaren vijftig van de twintigste eeuw brachten de komst van een aantal nieuwe vormen van dienstverlening. Deels werden hiervoor door de bank aparte dochtermaatschappijen opgericht. Ten eerste kwam het afbetalingskrediet (huurkoop) voor duurzame gebruiksgoederen als auto's en wasmachines in zwang. Dit werd het werkterrein van de Handelmaatschappij Mundus NV, in 1961 ondergebracht in de nieuw opgerichte NV Financieringsinstituut Mundus-Eurocredit. In 1962 nam de Rotterdamsche Bank deel in de Nederlandse Financieringsmaatschappij van 1929 Welvaert NV, die zich richtte op het consumptieve afbetalingskrediet. Ook deze maatschappij werd ondergebracht in Mundus-Eurocredit. Daarnaast richtte de bank zich op de markt van de middellange kredietverlening, via de NV Financiering-Maatschappij voor Investeringen (Fimavi). Eind 1959 opende de Rotterdamsche Bank de mogelijkheid tot het openen van spaarrekeningen tegen speciale rente. Met deze activiteiten zette een zekere mate van branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.
1...5354
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in