Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: voc

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (72)

Archieven (72)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Wassende Graade Paskaart van de Zwarte Zee, te zamengesteld uit de observatien van den Kapitein Jan Hendrik KinsbergenNationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Nieuw' en Groote Lootsmans Zeespiegel, inhoudende de zeekusten van de Noordsche, Oostersche en Westersche Schipvaart enz. alsmede de gelegentheyt van de Noordelijkste landen, die gelegen zijn tusschen de Straet Davids en Nova Zembla. Amsterdam, by Hendrick Doncker 1661. Folio.Nationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Kaart van de zeekusten van Rusland, Lapland, Finmarken, Spitsbergen en Nova Zembla. Koperdruk.Verschillende mijlschalen. Groot 0.54 - 0.44 El. Voorheen door Leupe beschreven als inv.nr. 5. Vormt samen met inv.nrs. 4, 10 en 13 één object. Aan te vragen als inv.nr. CC.Nationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Nieuwe Zeekaert van het Noorder gedeelte van Europa, beginnende van de Eilanden van Hitland en Fero tot Spitsbergen en Archangelsk enz. Koperdruk.Groot 0.44 - 0.74 ElNationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Carte de la Mer Noire et de la Mer D'Asow, levée pendant la deniére guerre en 1773.Nationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Pascaert van de Oostzee, verthoonende alle de ghelegentheytdt tusschen het eyland Rugen ende Vyborg. Koperdruk.Verschillende mijlschalen. Groot 0.55 - 1445 El Voorheen door Leupe beschreven als inv.nr. 10. Vormt samen met inv.nrs. 4, 5 en 13 één object. Aan te vragen als inv.nr. CC.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van S.I. Wiselius [levensjaren 1769-1845]Correspondentie van Wiselius betreffende een eventueel met Rusland te sluiten handelstraktaatNationaal Archief
Archief van de Burgemeesters: stukken betreffende lands- en gewestelijk bestuurTractaten tussen de Republiek en buitenlandse mogendheden en tussen buitenlandse mogendheden onderling.Stadsarchief Amsterdam
Archief van de Burgemeesters: stukken betreffende lands- en gewestelijk bestuurStukken betreffende de betrekkingen met Rusland, Koerland, Polen, Transsylvanië en de stad Dantzig.Stadsarchief Amsterdam
Archief van de Burgemeesters: stukken betreffende lands- en gewestelijk bestuurStukken betreffende buitenlandse zaken met en in Rusland, Zweden, Frankrijk, Spanje, het Duitse Rijk, Polen, Brandenburg, Hannover, Engeland en de Palts.Stadsarchief Amsterdam
Archief van de Pakhuismeesteren van de Thee N.V.Certificaten van oorsprong. Hierbij de certificaten voor de Russische douane ten tijde van de Russische verhoogde invoerrechten op thee uit Londen.Stadsarchief Amsterdam
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe"Generale wassende graadige paskaart van de Zwarte Zee (bis). (Jaar XII of XIII). Koperdruk. Groot 39-61 cmNationaal Archief
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe"Kaart over den Finske Bugt". Met kartons: De reede van Reval, Het inkomen van Vyborg en van Kronstadt. Koperdruk. Groot 59-137 cmNationaal Archief
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten LeupeKaart van de Barentszee met de reisroute der Willem Barentsz en van het Engelsch stoomjacht Eira in 1880. Steendruk.Zonder schaal. Groot 39-53 cmNationaal Archief
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten LeupeKaart van de Noordelijke IJszee met de reisroute van de Willem Barentsz onder bevel van A. de Bruijne in 1878. Steendruk. Groot 28-39 cmNationaal Archief
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe"Kaart (copie) van de oostkust der Philippijnen, Gilolo, de noordkust van Nieuw-Guinea en de Ladronen, bevattende "een grondigh onderwijs hoemen alderbequaemst sal cruijssen op het silverschip comende uijt Nova Hispania naer d'Manilha, onse schoon (sic ! lees schepen) dese voijagie aennemende van hier over Tarnaten ende uijt Tarnaten de reijs aenvangend in Februarij om met de NW. mousson langs de cust van Gilola door de Straet Patientie langs de cust van Wedde naer de hoeck van Maba door Abel Tasmans passagie langhs de cust van Nova Guinea totdat 50 à 60 mijlen beoosten d'eijlanden van de Ladronis ende alsdan sijn cours N. aen doen tot de hooghte van 14 à 15 graeden doende dan d'coers west aen naer d' voorgenoemde eijlanden ende voorts volgens dese gestippelde passagie, dese passagie soude mede seer dienstig sijn om vroegh om de Noord te comen door de Vriesestraet ende voorts naer Tartarien." Teekening (op linnen geplakt). Groot 74-108 cmNationaal Archief
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten LeupeKaartje van Groenland, Spitsbergen, Nova-Zembla, Samojedenland en de Noordkust van Noorwegen, door Hessel Gerritsz. 1612. Groot 17-25 cmNationaal Archief
Inventaris van het supplement der verzameling Buitenlandse Kaarten LeupeKoerslijn van de derde reis van Willem Barentsz om de Noord in 1596, gegraveerd door Baptista a Doetechem, overgenomen door Judocus Hondius in 1611. Groot 27-36 cmNationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Het tweede deel van den Spiegel der Zeevaert: inhoudende de gheheele Noordsche ende Oostersche schipvaert, beghinnende van de Hoofden oft Voorland van Enghelant, tot Wyburch ende der Nerve, in verscheyden caerten begrepen; midtsgaders 't gebruik van dien. Met grooter neersticheyt nu eerst byeenvergadert ende beschreven door Luycas Jansz. Waghenaer, stierman, woonende in de vermaerde coopstadt van Enckhuyzen. Cum. Privil. Regiae Majest. et Cancell. Brab. Gedruct tot Leyden, by Christoffel Plantyn, voor Luyc. J. Wagh. van Enckhuyzen. - Beschryvinghe en de caerte van het uiterste deel van de Osterzee, besloten tegens Ruslandt, Lyfflandt, Oost-Finlandt, in welcken de twee opperste ofte veerste laetplaetsen syn van de geheele Oosterse navigatie, te weeten Der Narva (Duitsche Narva) ende Wyburch, met de omstandigheyt der eylanden, clippen en Sweetsche schaeren.Nationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)Nieuwe kaart van de Caspische Zee, met alle deszelfs rivieren, eylanden en 106 Kaarten Leupe 4.VEL dieptens, na de laatste observatien gelegd en verbeterd, diergelyke voordese nooit in 't light geweest. 1722.Koperdruk Verschillende mijlschalen. Groot 0.51 - 0.59 El. Uitgegeven door Gerard van Keulen. Amsterdam. 37º - 47º 20' N.Br., 76º 30' - 88º L. Hierbij behoord eene Korte Beschrijving van de Caspische of Hyrkaensche Zee, benevens acht afteekeningen van de voornaamste havens aan de westkust dezer Zee.Nationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)De Nieuwe Groote Lichtende Zee-Fakkel, 't Eerste Deel, Verthoonende de Zee-Kusten van Holland, Vriesland, Holstein, Jutland, Meklenburgh, Denemarken, Noorwegen, d'Oost-kusten van Engeland en Schotland, Sweeden, Pomeren, Pruyssen, Lijfland, Finland, Finmarken en Rusland, met d'onbehoorende Eylanden als oock d'Orcades, Hitland, d'Eylanden van Fero, Ysland, Spitsbergen, en Jan Mayen Eyland. Mitsgaders 't Tweede en Derde Deel van de Westersche en Straetsche Scheepvaart. Als Mede De Beschrijvingh van alle Havenen, Bayen, Reeden, Drooghten, Diepten, Streckingen en opdoeningen van Landen, op de ware Poolshooghte geleyd, uyt ondervindinge van veele Ervarene Stuurlieden, Loodtsen, en Lief-hebbers der Zee-vaart. Vergadert Door Claas Jansz. Vooght, Geometra Leermeester der Wiskonst. t'Amsterdam, Gedruckt voor Johannes van Keulen, Boek- en Zee-kaart-verkooper, aan de Nieuw-brugh in de gekroonde Lootsman, 1682. Met Privilegie voor 15 Jaren.Nationaal Archief
Inventaris van de verzameling Buitenlandse Kaarten Leupe: Eerste Gedeelte (VEL)De Nieuwe Groote Ligtende Zee-Fakkel, 't Eerste Deel. Vertoonende de Zee- Kusten van Holland, Vriesland, Holstein, Jutland, Meklenburg, Denemarken, Noorwegen, d'Oost-kusten van Engeland en Schotland, Sweeden, Pomeren, Pruissen, Lyfland, Finland, Finmarken en Rusland, met d'onderbehorende Eylanden, als ook d'Orcades, Hitland, d'Eylanden van Fero, Ysland, Spitsbergen, en Jan Mayen Eyland. Als meede De Beschryving van alle Havenen, Bayen, Reeden, Droogten, Diepten, Strekkingen en Opdoeningen van Landen, op de waare Pools hoogte geleidt, uit ondervindinge van veele ervarene Stuurluiden, Lootsen, en Lief hebbers der Zeevaart. Vergadert door Claas Jansz. Voogt, Geometra Leermeester der Wiskonst. En nieuwelyks van veel der voorgaande misslagen gesuyvert en verbetert met veel nieuwe en correcte opgevinge. Door Gerard van Keulen. Gedrukt tot Amsterdam bij Ioannes van Keulen Boeck Zee-kaardt Verkooper en Graad-boogh maker aande Oost Zijde vande Nieuwebrug inde Gekroonde Lootsman. Met Previlegie voor 15 Jaaren A:o 1706.Nationaal Archief
Archief van de Pakhuismeesteren van de Thee N.V.Onderhandelingen met de Tea Section of the British Chambersof Commerce for the Netherlands East Indies’ aangaande de verkoop van een groot kwantum thee aan Rusland.Stadsarchief Amsterdam
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenStukken betreffende de in Rusland en elders vermiste militairen afkomstig uit EnkhuizenWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenKaapreglementen en politiereglementen voor koopvaarders op andere 'rijken' (als Rusland, Zweden, Frankrijk)Westfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenNota voor Hugo Adriaan van Bleiswijk wegens inschrijving in het Russische grootboekWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Abraham Jacob Bauer en Jacob de Bruijn te RigaWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Jacob de Bruijn te RigaWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brief van Abraham Jacob Bauer te Riga betreffende de afwikkeling van zakenWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Jan Minne - Ingekomen brief van Heidtwinckel en Wevell te Riga betreffende de afsluiting van de rekening-courant met Dirk HaakWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Brief van Hendrik Gerhard van Dolre te Riga betreffende A.J. Bauer(afschrift)Westfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Heidtwinckel & Wevell te Riga betreffende de aankoop van hennep en de handelsaktiviteiten aldaar met prijslijsten van koopmanswarenWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brief van Jacobus Visvliet te Amsterdam betreffende de verzending van een som geld naar RigaWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Jacob Sint te Hoorn betreffende de handel met RigaWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Otto Pieter Moresien te Riga met aanbeveling van zijn dienstenWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Cornelio Maten te Amsterdam betreffende de handelsrelatie met RigaWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brieven van Cornelis Maten & De Bruijn te Riga betreffende de aankoop van Rijnhennep en de handelsaktiviteiten te RigaWestfries Archief
Inventaris van Oud archief stad EnkhuizenBrieven aan Dirk Pietersz Haak, raad, schepen, burgemeester van Enkhuizen, bewindhebber van de O.I. Compagnie enz. - Ingekomen brief van Adriaan Kat op het schip "Bredehoff" betreffende de aankoop van hennep in RigaWestfries Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieStukken betreffende de Poolse Successie-oorlog, met retroacta.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieUittreksel uit een brief van een onbekende te 's-Gravenhage betreffende een overeenkomst tussen Rusland en Zweden.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieDe Turks-Russische oorlog van 1787-1791 Brief van Dorotheud Ludwig Christoph, Freiherr von Keller, gezant van Pruisen in St. Petersburg aan een onbekende betreffende de Turkse aangelegenheden en de bemiddeling van Pruisen, Engeland en de Staten-Generaal in de Turks-Russische oorlog, afschrift.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieMemorie betreffende de bekendmaking van de verdeling van Polen tussen Rusland, de keizer van Pruisen, door de gezanten van Pruisen en Oostenrijk bij de Republiek, von Thulemeier en von Reischach, aan stadhouder Willem V ter hand gesteld (2 ex.)Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieVertaalde brief van kanselier Bernt Oxenstierna aan de koning van Zweden over de Noordse Oorlog.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieTractaten tussen verschillende mogendheden; met bijlagen, vertalingen, afschriften.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieInstructie van de Staten-Generaal voor Gecommitteerden van de Staten-Generaal naar Zweden en Rusland in verband met onderhandelingen over bemiddeling in de oorlog tussen deze twee landen. Was gebonden in het register van instructies van de Staten-Generaal nr. 12453 fol. 38a.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieAantekening betreffende het verblijf van de jonge tsaar Ivan van Rusland te Kolmogorad, 2 exemplarenNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieDe Turks-Russische oorlog van 1787-1791 Samenvatting van de instruktie van de Oostenrijkse keizer voor de Engelse ambassadeur in Wenen bij zijn vertrek naar Constantinopel als bemiddelaar tussen de keizer en Turkije.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Stadhouderlijke SecretarieDe Turks-Russische oorlog van 1787-1791 Aantekeningen betreffende de staatkundige verhoudingen tijdens de Turks-Russische oorlog.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie Van Slingelandt-De Vrij TemminckKopie-missiven van de Nederlandse gezanten te St. Petersburg De Swart, Wassenaar en Van Heeckeren aan de raadspensionaris, brieven van de hertog van Brunswijk, aantekeningen van Hendrik Fagel en andere stukken betreffende de onderhandelingen met Rusland over de toetreding van de Republiek tot het verdrag van gewapende neutraliteit.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie Van Slingelandt-De Vrij TemminckKopieën van brieven van de hertog van Newcastle aan de Engelse gezant bij de Staten mr. Dayrolles en aan mr. Keith, Engels envoyé te Wenen, en andere stukken betreffende de zending van Russische troepen naar de Nederlanden, voorstellen, door Engeland en Nederland aan Oostenrijk te doen, om tot een vrede met Frankrijk te geraken enz.Nationaal Archief
Alle resultaten

Achtergrond archieven (33)

Achtergrond archieven (33)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Dr J.de Hullu (1864-1940) legateerde aan het Rijksarchief in Zeeland al zijn wetenschappelijke aantekeningen en afschriften, voornamelijk betrekking hebbend op de geschiedenis van Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen, zijn geboortestreek. Voortgekomen uit een gezeten landbouwersfamilie van Hugenootse oorsprong werd hij na afgestudeerd te zijn in 1893 archivaris van Deventer. Na van 1899-1903 chartermeester op het Rijksarchief in Utrecht geweest te zijn, volgde in 1903 zijn benoeming tot archivaris aan het Algemeen Rijksarchief, belast met het beheer van de archieven der Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en van de Admiraliteiten.
De officiële Nederlandse vertegenwoordiging in China werd voorafgegaan door een reeks consuls die er vooral waren om de handelsbelangen van Nederland en Nederlands Indië te behartigen. Deze handelsrelatie met China gaat terug tot de contacten die de V.O.C. in de 17e en 18e eeuw met de keizer onderhield. In 1872 kreeg Nederland haar eerste diplomatieke vertegenwoordiger in China. In 1881 deed China zich vertegenwoordigen in Nederland door haar gezant te Berlijn, terwijl in 1906 een Chinees gezantschap te 's Gravenhage werd gevestigd. Bij Koninklijk Besluit van 1 mei 1943 werd het gezantschap in China met ingang van 15 februari 1943 verheven tot ambassade. De erkenning door Nederland van de Chinese Volksrepubliek op 27 maart 1950 leidde niet onmiddellijk tot het aanknopen van diplomatieke betrekkingen tussen beide landen. De heer N.A.J. de Voogd arriveerde op 16 april 1950 te Peking als tijdelijk Zaakgelastigde. Pas op 11 december 1954 kon de Zaakgelastigde zijn inleidingsbrief aan de Chinese regering overhandigen.
Organisatie van de Staten van HollandDe Staten van Holland vormden, na 1572, het hoogste bestuurlijke college in het gewest Holland. Wel namen gedeputeerden uit de Staten van Holland deel aan de vergaderingen van de Staten-Generaal, maar dit laatste orgaan was slechts een overkoepelend orgaan, want de verschillende gewesten waren autonoom in het nemen van beslissingen. De Staten van Holland als college werden gevormd door: 1.Afgevaardigden (of gedeputeerden) van de Ridderschap; 2.Afgevaardigden (of gedeputeerden) van de achttien stemhebbende steden in Holland. Deze steden zijn, in de volgorde waarin ze zitting hadden in de Staten van Holland: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Gorinchem, Schiedam, Schoonhoven, Den Brielle, Alkmaar, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Edam, Monnikendam en Purmerend. Het voorzitterschap was in handen van de raadpensionaris, tot 1621 landsadvocaat geheten. De vergaderingen van de Staten van Holland en West-Friesland, zoals het college officieel werd genoemd, werden aanvankelijk enkele malen per jaar en later vaker gedurende enkele weken in Den Haag gehouden. De Staten beslisten bij resolutie, op de punten van beschrijving (de tevoren aan de Ridderschap en steden toegestuurde agenda) en ook op niet in deze agenda opgenomen punten, de zgn. "particuliere zaken". Beslissingen genomen in de Staten konden niet met dwang aan steden opgelegd worden. De steden hielden zelf het recht om beslissingen al dan niet uit te voeren. De stem- en spreekvolgorde was altijd dezelfde, nl. in volgorde van het krijgen van stadsrecht. De raadpensionaris bezat geen stem, hij zat de vergadering voor en werkte de genomen besluiten uit tot minuut-resoluties. Deze moesten vervolgens weer door de vergadering worden goedgekeurd. Voor de dagelijkse gang van zaken waren de colleges van Gecommitteerde Raden in het Zuiderkwartier en in het Noorderkwartier aangesteld. Deze colleges waren aan het einde van de zestiende eeuw in de praktijk ontstaan. Het college van Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier was opgericht om tijdens de periode dat dit gebied door de veroveringen van de Spanjaarden van Holland was afgesneden in het bestuursvacuüm in het noordelijk deel van Holland te voorzien. Nadat de verbindingen in Holland hersteld waren, is het college blijven bestaan. Het college van Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier is geleidelijker aan ontstaan. Toen de Staten van Holland na 1572 het hoogste orgaan in Holland werden, werd het belang van een dagelijks in Den Haag aanwezig groepje Statenleden allengs groter. Vanaf het begin van de jaren tachtig van de zestiende eeuw was er het hele jaar een aantal Statenleden permanent in Den Haag aanwezig. Deze "Gecommitteerde Raden" telde een langzamerhand groter wordend aantal leden en bestond uiteindelijk uit tien leden. Daarnaast had de raadpensionaris uit hoofde van zijn functie zitting in het college van Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. Het college hield in opdracht van de Staten van Holland toezicht uit op gewestelijke ambtenaren in het Zuiderkwartier, adviseerde de Staten van Holland gevraagd en ongevraagd en had een aantal gedelegeerde taken van de Staten van Holland: bijvoorbeeld de rechtspraak in belastingzaken, het verlenen van akten van admissie (vestiging- en verkoopvergunning) voor een aantal handelsberoepen (bierstekers, grossiers in zout, zeep, sterke drank, broodbakkers e.d.) en toezicht op de uitbetaling van tractementen en pensioenen aan predikanten. Werkzaamheden en taakgebied van de Staten van HollandDe Staten van Holland regeerden het gewest Holland: er werden wettelijke regels uitgevaardigd, bemiddeld in geschillen in en tussen bestuurlijke en juridische colleges in Holland, belastingen ingesteld, heffingen geregeld en ambtenaren aangesteld, zowel op gewestelijk als op plaatselijk niveau. De Staten waren tevens het hoogste niet-juridische beroepsorgaan in Holland, waar particulieren en colleges uitspraken konden vragen over vonnissen van lagere organen in de provincie. Hierbij moet men echter wel bedenken, dat de plaatsen met stadsrecht officieel voor een groot aantal zaken autonoom waren. Daarnaast bedreven de Staten van Holland politiek zowel op nationaal als op internationaal niveau. Vanwege het belang van de provincie, met name doordat deze 58% bijdroeg aan de "nationale" financiën, kon elk plan, dat de Staten van Holland onwelgevallig was door de afgevaardigden van Holland in de Staten-Generaal worden geblokkeerd. Vandaar dat de bemoeienis van de Staten van Holland met buitenlandse aangelegenheden en met de VOC, de WIC en de admiraliteitscolleges zeer groot was. In de achttiende eeuw namen ze bovendien grote schulden van de handels- en admiraliteitscolleges over, wat hun politieke greep op deze colleges nog verder heeft vergroot. Uiteraard heeft deze brede bemoeienis van de Staten van Holland ook zijn weerslag gehad in het archief. Vele zaken werden tegelijkertijd in de Staten-Generaal en in de Staten van Holland aanhangig gemaakt, aangezien een tegenstem van Holland elk project in de praktijk ten dode opschreef. Soms was het zelfs zo, dat er eerst gepolst werd wat de Staten van Holland van een bepaalde aangelegenheid vonden en hoe ze zouden stemmen en dat pas na (informele) instemming van dat gewest zaken werden aangekaart op generaliteitsniveau. Afgevaardigden (gedeputeerden) van de Staten van Holland hadden zitting in de Staten-Generaal en haar commissies, de Raad van State, de Generaliteitsrekenkamer, de Generaliteitsmuntkamer en in de Raad en het Leenhof van Brabant en de landen van Overmaze. Ook hadden gedeputeerden, omdat ze afkomstig waren uit bepaalde steden, zitting in Kamers van de VOC, de WIC, de admiraliteitscolleges en in de hoogheemraadschappen in Holland.
Algemeen De Socialistische Republiek van de Unie van Birma, die sinds 1989 de Unie van Myanmar heet, is ongeveer 20 maal groter dan Nederland. Het land ligt tussen de Himalaya en de Indische Oceaan, en bestaat uit van noord naar zuid lopende bergketens en heuvelruggen, met daartussen rivierdalen. De belangrijkste rivier is de Ayeyarwady (of Irrawaddy), die met een brede delta in zee uitmondt. Myanmar/Birma grenst in het westen aan Bangladesh en India (Assam), in het noorden en oosten aan China en Laos, en in het zuidoosten aan Thailand. Myanmar telde in 2001 ruim 48 miljoen inwoners, van wie de etnische Birmezen of Bamar, die verwant zijn aan de Tibetanen, ongeveer 68 procent uitmaakten. Verder woonden er minderheidsvolken als de Mon (afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners van Birma), Shan (verwant aan de Thai en Lao), Karen (Kayin), Kachin, Chin, Wa-Palaung, Lolo-Muhso en Naga. De Shan en de Mon zijn, evenals de Birmezen, Theravada-boeddhisten, de andere etnische minderheden zijn grotendeels animisten, terwijl een deel van de Karen zich tot het christendom heeft bekeerd. Ook zijn er kleine groepen moslims en hindoes. De hoofdstad van Myanmar, het vroegere Rangoon, heet tegenwoordig Yangon. In deze inleiding worden, overeenkomstig de Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van voor 1990, de benamingen "Birmaan" en "Birmaans" gebruikt voor de inwoners van de staat Birma, terwijl de term "Birmees" gereserveerd wordt voor de betreffende etnische groepering. Vroege geschiedenis De vroegste koninkrijken in Birma werden gesticht door de Mon (verwant aan de huidige Cambodjanen) en de Pyus. Vanaf de tiende eeuw werden de Mon en Pyus echter geleidelijk onderworpen door een nieuw Tibetaans-Birmees volk, de Birmezen of Bamar, die veel cultuurelementen van de oorspronkelijke bevolking overnamen. Het eerste grote Birmese koninkrijk was Pagan, dat in de elfde eeuw gesticht werd. In die tijd werd ook het Theravada-boeddhisme de belangrijkste godsdienst van de Birmezen. Pagan werd in 1287 verwoest door een Mongoolse invasie. Als nieuw koninkrijk stichtten de Birmezen daarna Ava, dat echter verzwakt werd door oorlogen met de Mon en de Shan. In het midden van de zestiende eeuw heerste de Toungoo-dynastie korte tijd over een groot Birmees rijk, dat zich uitstrekte van Rakhine in het westen tot Laos in het oosten, maar dat rijk stortte al aan het einde van de zestiende eeuw ineen. Pas aan het einde van de achttiende eeuw slaagde een nieuwe dynastie, de Konbaung, erin om het land weer te verenigen, en de expansie van Birma te hervatten. Maar daarmee kwam Birma al snel in conflict met de Britse koloniale macht in India. De Britten in Birma In de loop van de negentiende eeuw drongen de Britten namelijk steeds verder in Birma door. Zo bezetten ze in een drietal oorlogen tussen 1824 en 1885 het grootste deel van het land, overigens meer om de oostgrens van Brits-Indië veilig te stellen, dan uit lust tot verovering. In 1824 zag de in Mandalay residerende Birmese koning zich gedwongen om de gebieden Assam, Manipoer, Arakan in West-Birma, en Tenasserim in Oost-Birma, aan de Engelsen af te staan. In 1852 volgde de annexatie van Pegu in Midden-Birma. Toen de Fransen later, met het oog op de winning van teakhout, contacten met de Birmese koning aangingen, grepen de Engelsen opnieuw in door in 1885 Mandalay te bezetten. De Britten schaften de Birmese monarchie af, en annexeerden Birma bij Brits-Indië. De laatste Birmese koning stierf in ballingschap. Het Britse koloniale bestuur nam ook de omstreden aanspraken van de Konbaung-dynastie over op de uitgestrekte en onherbergzame woongebieden van de minderheidsvolken in het noorden en oosten van Birma. Vanuit de laagvlakte werden daarom langzamerhand de "hill regions", het "niemandsland" in Noord- en Oost-Birma, veroverd. De Karen, die zich voor een groot deel tot het christendom hadden bekeerd, leverden de Britten veel soldaten voor dit pacificatie-werk. Het duurde echter nog tot 1915 voordat het gebied van het Kachin-volk in het uiterste noorden van Birma volledig kon worden onderworpen. Het Britse koloniale bestuur, dat officieel duurde van 1896 tot 1948, veranderde Birma sterk in sociaal, economisch en administratief opzicht. Zo werd de macht van het Birmese hof beëindigd, en die van de inheemse aristocratie sterk ingeperkt, terwijl de bestaande dorpshoofden werden opgenomen in een nieuw, gecentraliseerd bestuurssysteem. Daardoor bleef alleen het gevestigde boeddhistische monnikendom (sangha) over als de machtigste inheemse institutie van het land, als een centrum van verzet tegen de vreemde overheersing. Verder begonnen in het begin van de twintigste eeuw grote aantal Indiërs, als handelaren en arbeiders, naar Birma te migreren. Deze immigratie nam zelfs zulke vormen aan, dat de hoofdstad Rangoon (tegenwoordig Yangon geheten) een overwegend Indiase stad werd. In 1920 maakte de vestiging van de Universiteit van Rangoon westerse kennis bereikbaar voor een nieuwe generatie Birmanen, en met de toenemende export van rijst, plantaardige olie, teak, tin, robijnen en katoen, raakte Birma meer dan ooit geïntegreerd in de wereldeconomie. De schaduwkant daarvan vormden overigens de ernstige ontberingen tijdens de wereldwijde Depressie van de jaren dertig. De wijdverbreide ontevredenheid daarover leidde in Birma tot de Saya San-opstand van 1930-1931. Als onderdeel van Brits-Indië werd ook Birma opgenomen in het proces van de geleidelijke ontwikkeling van democratische instellingen. Zo voerden de Britten in 1923 een gedeeltelijk gekozen Wetgevende Raad in, waaraan bepaalde vakministers onder het systeem van de "dyarchy" verantwoording schuldig waren. Tot 1937 werd Birma bestuurd als een provincie van Brits-Indië, daarna werd het een Britse kroonkolonie met intern zelfbestuur. Een, aan een gekozen parlement verantwoordelijk, Birmaans kabinet nam toen de regering over, met uitzondering van defensie, buitenlandse betrekkingen en monetair beleid. De invloed van de Birmese parlementsleden werd echter beperkt door de aanwezigheid van aparte vertegenwoordigers van verschillende etnische minderheden (Karen, Indiërs, Anglo-Indiërs, Chinezen en Europeanen), met onevenredig veel invloed. Daardoor waren de vier opeenvolgende regeringen uit de periode 1937-1942 allemaal coalities van Birmese en etnische minderheidsvertegenwoordigers. Het grootste deel van de "hill regions", dat onder direct Brits bestuur stond, bleef overigens buiten deze constitutionele regelingen. Die golden namelijk alleen voor "Burma proper", terwijl de in de bergen en heuvels wonende etnische minderheden een apart bestuur hadden. De moderne Birmaanse nationalistische beweging, die tegen deze achtergrond ontstond, werd sterk beheerst door etnische Birmezen. Uit de al uit 1906 daterende, vooral religieus-gerichte, Young Men's Buddhist Association (YMBA) kwam later de General Council of Buddhist Associations (GCBA) voort, die zich meer met politiek ging bezighouden. Daarnaast werd in 1930 te Rangoon door jonge intellectuelen de Thakin (meester)-beweging opgericht, die een meer seculier Birmaans nationalisme met marxistische elementen voorstond, maar die zich ook sterk richtte op de Birmese taal, cultuur en tradities. Uit deze beweging kwam de nieuwe generatie leiders voort, die het land door de oorlog naar de onafhankelijkheid zou voeren. Terwijl de Britten Birma in de jaren dertig trachtten voor te bereiden op volledig zelfbestuur, streefde de nationalistische beweging naar onafhankelijkheid. In 1940 gingen zelfs 30 van de meest anti-Engelse Thakin-leden, de "dertig kameraden" onder leiding van Aung San, naar Japan, om in 1942 samen met het Japanse leger en het kleine, symbolische Burma Independence Army (BIA) terug te keren. De Tweede Wereldoorlog Al medio 1942 hadden de Japanners de Britten uit het grootste deel van Birma verdreven, maar ze slaagden er niet in om verder dan enkele kilometers over de Birmaanse grens in Brits-Indië door te dringen. In een poging de bevolking voor zich te winnen, verleenden de Japanse bezetters Birma in augustus 1943 "onafhankelijkheid" onder leiding van de vooroorlogse Birmaanse leider Dr. Ba Maw, en breidden het BIA uit tot het Burma National Army (BNA). Maar de Japanners vorderden ook arbeidskrachten en materialen voor de oorlogsinspanning, en ze onderdrukten hardhandig de groeiende verzetsbeweging onder vooral de Karen en andere "hill peoples". In augustus 1943 droegen de Japanners een deel van het Shan-gebied over aan Thailand. Inmiddels nam ook het verzet echter toe. Zo richtte Aung San, samen met de leiders van de groeiende communistische beweging, eind 1944 de Anti-Fascist People's Freedom League (AFPFL) op. Toen de geallieerde legers Rangoon naderden, keerde het BNA zich in maart 1945 tegen de Japanners, waarna een opstand uitbrak, die de geallieerde overwinning in Birma versnelde. Birma wordt onafhankelijk In mei 1945 kondigden de Britten aan Birma de onafhankelijkheid binnen het Gemenebest te willen verlenen. Maar na de beëindiging van het geallieerde militaire bestuur in oktober, werd de vervulling van die belofte uitgesteld tot na een eerste periode van economische wederopbouw. Bovendien wilde het Britse bestuur aanvankelijk niet met de AFPFL samenwerken, gezien het verleden van Aung San en diens politieke vrienden. Uit vrees dat een dergelijk uitstel de Britten in staat zou stellen hun economische overheersing voort te zetten, begonnen Aung San en de andere nationalistische leiders daarop met een campagne van onrust en algemene stakingen, die de Britten in september 1946 dwong om zes AFPFL-leden in de negen zetels tellende Uitvoerende Raad van de gouverneur te benoemen. De communisten werkten aanvankelijk samen met de AFPFL, maar in maart 1946 trad een deel van hen, de "Red Flags", uit de League, om zich daarna te richten op subversieve activiteiten. De "White Flag"-communisten bleven nog met Aung San samenwerken, maar werden enkele maanden later ook uit regeringsfuncties en de AFPFL-partijleiding gestoten. In januari 1947 leidde Aung San de Birmaanse delegatie, die in Londen met de regering-Attlee onderhandelde over het verlenen van onafhankelijkheid aan Birma. De delegatie keerde uit Londen terug met een voor Birma zeer gunstige onafhankelijkheidsregeling, waarin o.a. leningen en schenkingen van het voormalige moederland waren opgenomen. De bedoeling daarvan was vooral de Birmaanse communisten bij hun oppositie grotendeels de wind uit de zeilen te nemen. In Londen was ook gesproken over de positie van de etnische minderheden, de "hill peoples". De Karen hadden, als grootste groep, daarbij aangedrongen op een eigen staat, maar de onafhankelijkheidsverlening was gebaseerd op een samengaan van de Birmezen met de etnische minderheden. Door beloften van autonomie verkreeg Aung San de medewerking van de etnische minderheden aan het overleg over de nieuwe constitutie. Besloten werd eerst voor april 1947 verkiezingen uit te schrijven voor een grondwetgevende vergadering. Deze Constituerende Assemblee zou 255 leden gaan tellen: 182 afgevaardigden voor de Birmezen, 24 voor de Karen, 4 voor de Anglo-Birmezen, en 45 voor de andere etnische minderheden. De AFPFL won 248 van de 255 zetels, waarop de Assemblee een nieuwe grondwet opstelde, die Birma volledige onafhankelijkheid buiten het Britse Gemenebest gaf. De communisten en een deel van de Karen hadden de verkiezingen geboycot. Voorzitter van de Assemblee werd Thakin Nu, die later bekend werd onder de naam U Nu. Tijdens de aanloop naar de onafhankelijkheid, in juli 1947, werden Aung San en zes andere leden van de Uitvoerende Raad vermoord. De Britse gouverneur verzocht daarop Thakin Nu (later U Nu), als voorzitter van de Assemblee, een kabinet te vormen, waarin op één na alle ministers tot de AFPFL behoorden. Daardoor kon de ontwikkeling naar onafhankelijkheid doorgaan. In 1947 werd het ontwerp voor de nieuwe grondwet door de Assemblee aangenomen. De aanhef luidde als volgt: "The Union of Burma is a sovereign, independent republic. All powers, executive, legislative and juridical, reside in the people. The Union consists of the territories formerly governed by his Britannic Majesty through the Governor of Burma, together with the Kayah State". Het Britse parlement keurde de onafhankelijkheidsverlening aan Birma goed op 10 december 1947, waarna het land ten slotte officieel onafhankelijk werd op 4 januari 1948. In de staatsinrichting van het nieuwe, onafhankelijke Birma vervulde de president alleen een representatieve functie, en berustte de belangrijkste politieke macht bij de premier. Het parlement, bestaande uit een Kamer van Afgevaardigden, gekozen volgens het districtenstelsel, en een Kamer van Nationaliteiten, oefende de wetgevende macht uit. De Shan, Kachin en Karen kregen autonomie in hun eigen deelstaten, terwijl voor de Chin een speciaal departement voorzien was, onder leiding van een minister voor Chin-zaken. Ook autonomie, en zelfs het recht op afscheiding na tien jaar, kreeg de deelstaat Kayah of Karenni, gelegen in Zuidoost-Birma, die door de Britten nooit formeel was geannexeerd. Na de onafhankelijkheid van Birma werd de regering gevormd door de socialistische AFPFL-partij, met U Nu als premier. Tijdens de onderhandelingen over de onafhankelijkheid hadden de Britten er de voorkeur aan gegeven zaken te doen met de niet-communistische vleugel van die partij, waardoor de communisten zich buitenspel gezet voelden. In maart 1948 kwamen de communisten, gesteund door delen van het leger en de militie, daarom in opstand. In 1949 werd de toestand nog verder gecompliceerd, toen ook de Karen in opstand kwamen. Binnen de onafhankelijke Unie van Birma genoten de vele etnische minderheden, zoals vermeld, in theorie uiteenlopende vormen van autonomie. Maar vanaf het begin was de regering in Rangoon in de praktijk geneigd de macht in eigen handen te concentreren. Vooral de Karen, die over het algemeen goed opgeleid en welvarend waren, werden daardoor steeds ontevredener. Overigens zouden na verloop van tijd onder bijna alle minderheden in het land opstanden uitbreken. Bovendien werd in 1949 het oostelijke Shan-gebied bezet door Chinese nationalistische troepen van het Kwo Min Tang-leger, die op de vlucht waren na de overwinning van Mao's communisten in China. In Birma wilden de nationalisten een basis vestigen voor een tegenaanval op de Chinese communisten. Dankzij bemiddeling van de VN kon echter een deel van deze Chinese nationalistische troepen in 1953 en 1954 naar Formosa (Taiwan) worden geëvacueerd. Door al die opstanden en verzet hield de centrale regering aanvankelijk alleen nog Rangoon en enkele andere centra in handen. Toch wist de jonge staat Birma als eenheid te overleven, vooral omdat de rebellen onderling verdeeld waren en elkaar bestreden, en de regering-U Nu krachtig op de crisis reageerde. U Nu hervormde het leger, en stelde generaal Ne Win (destijds ook één van de "dertig kameraden") als opperbevelhebber aan. Ne Win centraliseerde en vergrootte het leger, en onderdrukte meedogenloos elk verzet, ook dat van burgers. Tegelijkertijd voerde U Nu energiek campagne in het centrum van het land, waarbij hij zich presenteerde als een charismatische voorvechter van het staatsboeddhisme. In 1951 controleerde de regering daardoor weer het grootste deel van Birma, terwijl toen nog maar ongeveer tien procent van het land buiten haar gezag bleef. De AFPFL won de parlementsverkiezingen van 1951-1952 en 1956, maar in 1958 viel de partij in twee delen uiteen: de de rivaliserende "Clean"- en "Stable"-facties. Militair bestuur en dictatuur Om een nieuwe burgeroorlog te voorkomen, droeg premier U Nu generaal Ne Win op een "zakenkabinet" te vormen ter voorbereiding van nieuwe verkiezingen in 1960. De daarop volgende tussenperiode van 18 maanden militair bestuur werd algemeen verwelkomd als een tijd van wet en orde, economische groei en serieuze corruptiebestrijding. De door U Nu geleide "Clean"-factie van de AFPFL won, onder de nieuwe naam van Union Party, de verkiezingen. U Nu werd opnieuw premier, maar hij vervreemdde al snel verschillende minderheden van zich door in augustus 1961 het boeddhisme tot staatsgodsdienst te verklaren. Daardoor ontstonden opstanden in de Shan- en Kachin-gebieden, terwijl ook onder de Mon en Karen de ontevredenheid groeide. Toen bovendien opnieuw corruptie en wanbestuur het land gingen teisteren, voerde het leger onder generaal Ne Win op 2 maart 1962 een staatsgreep uit. De leden van de regering werden gearresteerd, de grondwet werd opgeschort, en er werd een Revolutionaire Raad (RC) benoemd om Birma bij decreet te regeren. Een lange periode van militaire dictatuur was daarmee begonnen. De historische betrekkingen van Nederland met Birma tot 1962 De prekoloniale geschiedenis van Birma werd meer gekenmerkt door onderlinge strijd tussen de verschillende etnische groepen dan door oorlogen met buurlanden, waardoor een isolationistische traditie ontstond. Pas in de loop van de negentiende eeuw raakte het land betrokken bij de machtsstrijd van de Europese koloniale mogendheden, en ging het uiteindelijk deel uitmaken van het Britse imperium. Toch zouden de Britten Birma aanvankelijk liever gehandhaafd hebben als een neutrale bufferstaat aan de oostgrens van India, zoals Afghanistan dat was aan de westgrens, als niet het opdringen van de Fransen ingrijpen in Birma in Britse ogen wenselijk had gemaakt. Het was vooral de rijkdom van Birma aan teakhout, die de begeerte van de koloniale mogendheden wekte. Weliswaar komen er ook andere bodemschatten, zoals aardolie, lood, zink en tin, in het land voor, maar in veel geringere mate. Nadat ze Birma bezet hadden, legden de Britten bovendien met het oog op de rijstbouw de moerassige delta van de Irrawaddy-rivier droog. Later speelden vooral Indiase ondernemers uit Madras, als grondbezitters en financiers, een grote rol bij de ontwikkeling van Birma tot een belangrijk rijstexporterend land. Koloniale rivalen In 1824 had Groot-Brittannië al met een andere belangrijke koloniale mogendheid in Azië, Nederland, de wederzijdse invloedssferen afgebakend. In de zeventiende en achttiende eeuw had de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) een groot aantal handelsposten en forten aan de kusten van Voor-Indië in bezit gehad. Die vestigingen, in Coromandel, Suratte, Malabar en Bengalen, maakten deel uit van het uitgebreide handelsnet van de VOC in Azië, dat zich uitstrekte van de Perzische Golf tot Japan. De VOC heeft weliswaar tijdelijk in verschillende delen van Voor-Indië daardoor haar invloed uitgeoefend, maar blijvende sporen op maatschappelijk, cultureel en religieus gebied hebben de Nederlanders toch niet in India achtergelaten. In tegenstelling tot hun Europese voorgangers en concurrenten in Voor-Indië, de Portugezen, interesseerden de Nederlanders zich meestal alleen voor hun handelsbelangen, zonder zich met de levenswijze van de plaatselijke bevolking te willen bemoeien. De VOC trad dan ook niet zozeer op als veroveraar, zoals de Portugezen en later de Engelsen, maar stichtte allereerst als handelsonderneming factorijen, met toestemming van de lokale vorsten. Die Nederlandse handelsposten en forten lagen altijd aan de verschillende Indiase kusten, terwijl de machtscentra van de inheemse vorsten meestal in het binnenland lagen. Daardoor konden gewelddadige conflicten met de plaatselijke bevolking meestal voorkomen worden. Alleen als de commerciële belangen, zoals de monopolievorming, in gevaar kwamen, paste ook de VOC, die een autonome politieke en militaire macht bezat, geweld en territoriale verovering toe. Met het het verder weg gelegen, en lange tijd nogal geïsoleerde, Birma bestonden in het prekoloniale tijdperk echter nog minder Nederlandse contacten dan met het binnenland van het eigenlijke Voor-Indië. Overigens waren de handelsbelangen van de Compagnie in Voor-Indië veel beperkter dan in de Indische archipel, waarop de VOC zich altijd sterk geconcentreerd heeft. Voor de aankoop van de felbegeerde specerijen in Oost-Indië waren echter ruilmiddelen nodig, waarvan textiel uit India, vooral katoenen weefsels, er één was. Evenals in Voor-Indië (met uitzondering van Goa) verdreven de Nederlanders in de zeventiende eeuw de Portugezen ook uit Malakka. Vanaf 1641 beheerste de VOC vanuit de stad Malakka als strategisch centrum meer dan anderhalve eeuw lang het gelijknamige schiereiland, en handhaafde ze min of meer een monopolie op de handel in de Straat van Malakka en de omringende landen, hoewel dat monopolie nooit volledig is geweest. Na de stichting van de vrijhaven Penang door de Britten in het noorden van het schiereiland in 1786, was het echter afgelopen met het Nederlandse commerciële overwicht. Toen in 1795 met de vestiging van de Bataafse Republiek in Nederland de Franse overheersing begon, werden de meeste Nederlandse koloniën en factorijen in de volgende jaren door Engeland bezet. Ook Malakka bleef zo tot 1818 de facto in handen van de Britten. Daarna werd Malakka tot 1824 weer enkele jaren Nederlands bezit. Vanaf het midden van de achttiende eeuw breidden de Engelsen ook in Voor-Indië hun invloed steeds meer uit, en temidden van de Frans-Engelse machtsstrijd om India raakte de Nederlandse rol steeds meer op de achtergrond. Ten slotte werd overal in Voor-Indië de macht van de VOC definitief gebroken door de opkomst van de Britten, die uiteindelijk hun Nederlandse, Franse en Deense concurrenten in het hele subcontinent versloegen. De negentiende en twintigste eeuw Nog voor het begin van de Franse Tijd in Nederland (1795-1813) was de Nederlandse rol in Voor-Indië dus uitgespeeld. De VOC was al in 1798 opgeheven, maar pas na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 kwam er ook formeel een einde aan de Nederlandse betrokkenheid bij India. Dat gebeurde in de vorm van het Tractaat van Londen van 17 maart 1824, ook wel "Sumatra-tractaat" genoemd, tussen Groot-Brittannië en Nederland, waarbij Nederland officieel afstand deed van alle (voormalige) vestigingen in Voor-Indië en Malakka, terwijl de Engelse bezittingen op Sumatra aan Nederland werden overgedragen. Groot-Brittannië kreeg wel toestemming voor vrije handel, tegen betaling van invoerrechten, in de Indische archipel. De regeling van 1824 vormde een afbakening van invloedssferen tussen beide koloniale mogendheden in Azië, en was er mede voor verantwoordelijk dat er daarna tot na de Tweede Wereldoorlog nog maar weinig directe contacten tussen Nederland en Brits-Indië/Birma zijn geweest. Tot de onafhankelijkheid van India en Birma op respectievelijk 15 augustus 1947 en 4 januari 1948 liepen de officiële Nederlandse betrekkingen met het toenmalige Brits-Indië, waarvan Birma sinds eind negentiende eeuw officieel deel uitmaakte (tot het ten slotte in 1937 een aparte Britse kroonkolonie met intern zelfbestuur werd), via Londen. Wel waren er Nederlandse consulaten in Bombay, Madras, Cochin, Karachi en Rangoon, en een consulaat-generaal in Calcutta. Het eerste Nederlandse consulaat in Birma werd al in 1857 geopend in Rangoon, met als ambtsgebied de in 1852 door de Britten bezette provincie Pegu in Midden-Birma. Het consulaat in Rangoon ressorteerde onder het consulaat-generaal te Calcutta. In 1937 werd het ambtsgebied van het Nederlandse consulaat in Rangoon uitgebreid tot heel Birma, dat toen intern zelfbestuur kreeg. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden zowel Birma als Nederlands-Indië enkele jaren door de Japanners bezet. Een beruchte episode uit die tijd vormde de aanleg van de Birma-Siam-spoorlijn, waarbij ruim 60.000 geallieerde krijgsgevangen, onder wie ongeveer 17.000 Nederlanders uit Nederlands-Indië, tussen 1942 en 1945 als dwangarbeiders ingeschakeld werden, om onder erbarmelijke omstandigheden in de oerwouden van Thailand en Birma te werken. In totaal kwam uiteindelijk bijna een kwart van deze dwangarbeiders, onder wie ruim 3000 Nederlanders daarbij om het leven. Na de oorlog, in de jaren 1945-1947, werden de omgekomen dwangarbeiders van de Birma-spoorlijn herbegraven op de speciaal daarvoor aangelegde militaire erevelden Kanchanaburi en Chungkai in Thailand. In Kanchanaburi bevinden zich ruim 1800, en in Chungkai ruim 300 Nederlandse oorlogsgraven. In 1946 werd consul-generaal W.H. de Roos belast met de leiding van het, na de oorlog weer heropende, Nederlandse consulaat te Rangoon. Het consulaat ressorteerde toen niet meer onder Calcutta, maar vormde een zelfstandige vertegenwoordiging, met als ambtsgebied Birma en de daarin gelegen Indische staten, alsmede de Andaman- en Nicobar-eilanden. Met het oog op de onafhankelijkheid van Birma, werd het Nederlandse consulaat(-generaal) te Rangoon begin 1948 verheven tot gezantschap. Consul-generaal W.H. de Roos kreeg toen de diplomatieke rang van tijdelijk zaakgelastigde. 1948-1962 Direct na de onafhankelijkheid van Birma in 1948 kozen de Birmaanse leiders voor een socialistisch ontwikkelingsmodel, waarbij de inspanningen van de eigen bevolking belangrijker werden geacht dan de buitenlandse hulp. Overigens ontving de jonge staat ruimhartige hulp van Groot-Brittannië, waaraan geen verplichtingen waren verbonden, maar die door de Birmanen vooral beschouwd werd als een vanzelfsprekende compensatie voor de koloniale "exploitatie". Vanaf 1950 ontving Birma ook Amerikaanse hulp, die echter een heel ander karakter droeg dan de Britse economische hulp. De Amerikanen stuurden namelijk een omvangrijke economische missie, en een groot deel van hun hulp bestond uit het ter beschikking stellen van deskundigen en adviseurs. Overigens zegde de Birmaanse regering de Amerikaanse hulp op per 30 juni 1953, uit protest tegen de inval van Chinese anti-communistische Kwo Min Tang-troepen, waar men de invloed van de CIA achter vermoedde. Deze kwestie leidde tot een verkoeling in de betrekkingen tussen Birma en de VS, en een zekere Birmaanse toenadering tot de Chinese Volksrepubliek. Intussen verwachtte premier U Nu veel van zijn in 1952 geformuleerde "Pyidawtha-principe", op grond waarvan de lokale gemeenschappen, steunend op boeddhistische tradities, kleinere ontwikkelingsprojecten zoals scholen, wegen en bruggen zelf moesten uitvoeren, terwijl de regering zich richtte op grotere projecten. Dit principe vormde een aantal jaren het officiële uitgangspunt voor de Birmaanse planning. Maar in 1957 moest premier U Nu het particuliere initiatief al weer meer ruimte geven, en de planeconomie voor een deel opgeven, ook al werden de nationalisaties niet meer ongedaan gemaakt. In zijn buitenlandse politiek sloot het onafhankelijke Birma zich, op grond van zijn ligging, de aard van zijn bevolking en zijn isolationalistische traditie, aan bij de niet-gebonden landen. Evenals India trad Birma op als een actief bestrijder van het kolonialisme. Zo erkende Birma in november 1948 de facto, en in december 1949 de jure, de Republiek Indonesië. Ook werd tijdens de tweede politionele actie het vliegveld Mingaladon voor Nederlandse vliegtuigen gesloten. Verder was Birma één van de eerste niet-communistische landen, die al in december 1949 de Chinese Volksrepubliek erkenden. Overigens behoorde ook Nederland tot de snelle erkenners van de Volksrepubliek. In 1956 bereikten Birma en China overeenstemming over een grensakkoord, dat vervolgens in 1960 formeel kon worden gesloten. Een extra complicatie daarbij vormde de omstandigheid, dat enkele van de voormalige Shan- en Kachin-vorstendommen in Birma schatplichtig waren geweest aan de Chinese keizer. Het akkoord met China bevatte ook een niet-aanvalsverdrag, met de verplichting voor beide partners geen lid te worden van een pact, dat tegen één van beide landen was gericht. Overigens zouden later in de jaren zestig de betrekkingen tussen Birma en China tijdelijk verslechteren. Ook in de Verenigde Naties trad Birma actief op. In 1953 bemiddelde de volkerenorganisatie in de kwestie van de in Birma binnengevallen Kwo Min Tang-troepen, en de benoeming van de Birmaan U Thant tot secretaris-generaal van de VN onderstreepte nog eens het prestige van Birma bij vooral de Afro-Aziatische landen. Contacten met Nederland Na de onafhankelijkheid van Birma in 1948 werden de bilaterale betrekkingen met Nederland op allerlei terreinen, maar vooral op economisch gebied, sterk uitgebreid. Zo bracht de Birmaanse premier U Nu, vergezeld door de secretaris-generaal van het departement van nationale planning, de secretaris-generaal van de Birmaanse Socialistische Partij, en een vooraanstaand zakenman, in mei 1950 een officieel bezoek aan Nederland. De Birmaanse delegatie bezocht in ons land een productie-, krediet- en verbruikscoöperatie, alsmede vestigingen van Philips en de KLM. Premier U Nu liet tijdens dit bezoek weten graag Nederlandse experts op het gebied van landbouw, veeteelt en coöperatiewezen als adviseurs te willen aantrekken. In augustus 1950 werd daarom een eerste Nederlandse expert naar Birma gezonden. In november 1950 kwam ook een Birmaanse semi-militaire aankoopmissie naar ons land, die een groot aantal Nederlandse bedrijven bezocht. Op 6 september 1951 kwam een Luchtvaartovereenkomst tussen Nederland en Birma tot stand, het enige bilaterale verdrag gesloten tussen beide landen tot 1962. Op 18 maart 1952 overhandigde de Birmaanse gezant U Zaw Win, die eveneens geaccrediteerd was te Parijs en daar ook woonachtig was, zijn geloofsbrieven in Nederland. In datzelfde jaar, op 3 juli 1952, overhandigde de nieuwbenoemde Nederlandse tijdelijk zaakgelastigde te Rangoon, J.I.M. Welsing, zijn inleidingsbrief aan de Birmaanse minister van buitenlandse zaken. Medio 1952 bezocht bovendien een Birmaanse goodwill/studie-missie ons land, terwijl in juni 1953 een Birmaanse regerings-aankoopmissie de leveringsmogelijkheden van de Nederlandse scheepswerven kwam bestuderen. Dit laatste bezoek resulteerde in belangrijke opdrachten aan de Nederlandse industrie voor de bouw van goederenwagons en schepen. In de periode 1948-1955 nam de omvang van de bilaterale handel toe van 1,4 miljoen tot 10,3 miljoen gulden voor de Nederlandse invoer uit Birma, en van 7,6 tot 34,6 miljoen gulden voor de Nederlandse uitvoer naar Birma. In de eerste helft van de jaren vijftig bleek uit het toenemende aantal bezoeken van Birmaanse overheidsvertegenwoordigers aan Nederland een steeds groeiende belangstelling van Birma voor ons land, hetgeen ook samenhing met de versterking van de binnenlandse positie van de Birmaanse regering in die tijd, en het opzeggen door Birma van de Technical Cooperation Administration-overeenkomst met de VS in juli 1953. Zo bracht in augustus 1953 een Birmaanse planningscommissie een bezoek aan ons land, om de mogelijkheden voor Nederlandse hulp bij de ontwikkeling van de landbouw in Birma te onderzoeken. Daarop werden vier Nederlandse landbouwexperts naar Birma uitgezonden. Verder bezochten in 1953 en 1954 ook nog de Birmaanse ministers van voorlichting, buitenlandse zaken, openbare werken en rehabilitatie, en land- en bosbouw, alsmede het hoofd van de Immigratiedienst van Birma Nederland. Al die bezoeken onderstreepten de goede betrekkingen op vooral commercieel en agrarisch gebied tussen Nederland en Birma in de jaren vijftig. Op 28 juni 1955 overhandigde de nieuwe Nederlandse zaakgelastigde te Rangoon, jhr.mr. P.J. Eekhout, zijn inleidingsbrief aan de Birmaanse minister van buitenlandse zaken. Daarvoor werd Nederland in Birma vertegenwoordigd door een tijdelijk zaakgelastigde. Op 10 december 1957 werd zaakgelastigde Eekhout verheven tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Rangoon. Omgekeerd bood op 19 januari 1956 de nieuwe Birmaanse gezant in Nederland, Vum Ko Hau, met standplaats Parijs, zijn geloofsbrieven aan. Ook werden in 1955-1956, in het kader van de internationale technische hulp, 12 Nederlandse experts naar Birma uitgezonden. In de tweede helft van de jaren vijftig liep de, in de jaren daarvoor zo bloeiende, bilaterale handel tussen Nederland en Birma sterk terug, voornamelijk als gevolg van nieuwe, strenge invoerbeperkingen in Birma. Zo daalde de waarde van de Nederlandse invoer uit Birma van 10,3 miljoen in 1955 naar 6,6 miljoen gulden in 1956, en nam de Nederlandse uitvoer naar Birma af van 34,6 miljoen in 1955 tot 19,9 miljoen gulden in 1956. In de late jaren vijftig bezochten nog wel verschillende Birmaanse ministers ons land, zoals de ministers van handelsbevordering en van industrie in maart 1958. Ook werden er elk jaar enkele Nederlandse experts naar Birma uitgezonden, terwijl in het kader van de internationale technische hulp verschillende "fellows" in Nederland werden ontvangen. In januari 1962 ten slotte besloten Nederland en Birma hun wederzijdse gezantschappen tot ambassades te verheffen.
De Zuid-Afrikaanse Republiek Korte geschiedenis Kaap de Goede Hoop werd vanaf de 17e eeuw door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gebruikt als een stopplaats onderweg naar Azië. De schepen sloegen er vers water en voedsel in. In 1651 richtte de VOC er een vaste bevoorradingspost op. Het bezette gebied stond onder leiding van commandeurs, gouverneurs en commissarissen. Een aantal jaren later werd het inwoners van de Republiek toegestaan om zich aan de Kaap te vestigen als zogenaamde 'vrijburgers'. Velen maakten hier gebruik van en er ontstond een bloeiende landbouwkolonie. (Zuid-Afrika is echter nooit een officiële Nederlandse kolonie geweest.) Er werden slaven geïmporteerd om te dienen als goedkope arbeidskrachten. Aan het eind van de 17e eeuw vestigden ook Duitsers en Fransen zich in het gebied. Samen zouden deze Europeanen het 'Afrikanervolk' gaan vormen. Al snel ontstonden er conflicten. De Afrikaners (ook wel Boeren genoemd) eisten zelfbestuur, maar zowel de VOC als de Staten-Generaal waren hier op tegen. Uiteindelijk kwamen de Boeren in opstand. In 1795 namen zij in een aantal districten het gezag over en verenigden zij zich met een eigen constitutie direct onder de Nederlandse Republiek. De bezetting van de Kaap door Groot-Brittannië in datzelfde jaar maakte echter al weer snel een einde aan het zelfbestuur. De Vrede van Amiens zorgde er in 1803 voor dat het gebied tijdelijk terugkeerde onder het gezag van de opvolger van de Republiek: de Bataafse Republiek. Maar drie jaar later veroverden de Britten de Kaap wederom en in 1814 kregen zij het definitief in bezit. Toen de Britten aan het einde van de 18e eeuw arriveerden telde Zuid-Afrika zo'n 14.000 Boeren. De nieuwe machthebbers van de Kaapkolonie (of Cape Colony) zorgden ervoor dat de wijnbouw en de wolexport flink toenamen. Maar tegelijkertijd verzetten de Boeren zich tegen de nieuwe, strakke regelgeving, die de Britten hen wilden opleggen. Zo werd het Engels bijvoorbeeld de enige officiële taal. Ook de afschaffing van de slavernij en de vestiging van 5.000 Britse emigranten in de Kaapkolonie zette kwaad bloed. Bij de Boeren ontstond steeds meer behoefte om een nieuwe, onafhankelijke republiek op te richten. Oprichting van de Boerenrepublieken Na de zesde Kafferoorlog in 1834 trokken de Boeren naar het noorden. Dit wordt de 'Grote Trek' genoemd. Hierdoor kwamen zij in conflict met verschillende autochtone stammen (de Ndebele en de Zoeloes). De Boeren kwamen als overwinnaars uit de strijd (de Slag bij de Bloedrivier) en zij annexeerden gedeeltes van Natal. Vervolgens richtten zij een eigen republiek op: Natalia. Vanaf 1842 begon Groot-Brittannië de Boerenrepubliek te veroveren. Zes jaar later, in 1848, probeerden de Boeren tevergeefs het verloren gebied te herwinnen. Daarop stichtten zij twee nieuwe republieken, namelijk Transvaal (de officiële naam luidde: de Zuid-Afrikaanse Republiek) in 1852 en Oranje Vrijstaat in 1854. Beide staten wisten overeenstemming te bereiken met de Britten. Hun onafhankelijkheid werd door Londen erkend in twee traktaten, respectievelijk de Conventie van Zandrivier en de Conventie van Bloemfontein. Natal werd in 1856 een officiële Britse kolonie. De gesloten verdragen hielden niet lang stand. Groot-Brittannië bleek niet bereid zich te houden aan de vastgelegde bepalingen en annexeerde grondgebied van beide republieken (Basoetoland in 1868 en de Transvaalse en Vrijstaatse diamantvelden in 1871). Na de ontdekking van goudvelden werd in 1877 uiteindelijk de gehele Zuid-Afrikaanse Republiek bezet. De Boerenoorlogen De Britten probeerden nu wederom hun wetgeving aan de Boeren op te leggen. Zij wilden hierdoor onder andere de positie van de zwarte bevolking verbeteren. Hiertegen kwamen de Boeren in 1880 in opstand. Zij stonden onder leiding van Paul Krüger. In de Slag om Majuba Hill werden de Britten verslagen en het gevolg was dat de Boeren in 1881 Transvaal terugkregen. Zij hadden de Eerste Boerenoorlog gewonnen. Krüger werd staatspresident van een autonome Zuid-Afrikaanse Republiek. Om zijn staat verder te ontwikkelen reisde hij naar Nederland om daar jonge, hoogopgeleide arbeidskrachten te vinden. Ondertussen hadden de Duitsers zich gevestigd in Zuidwest Afrika (het tegenwoordige Namibië). Londen was bevreesd voor een anti-Brits verbond tussen hen en de Boeren. Daarom werd in 1885 het protectoraat Bechuanaland (het tegenwoordige Botswana) tot stand gebracht. Aan het hoofd stond Cecil Rhodes, die ook het bewind voerde over Cape Colony. Hij probeerde een Britse corridor te realiseren vanaf Kaap de Goede Hoop tot aan Caïro in Egypte. Zelfstandige Boerenrepublieken pasten niet in dit plan. Bovendien werd er in 1886 goud ontdekt in Witwatersrand. Hierdoor groeide Johannesburg zo snel, dat het groter werd dan Kaapstad, dat in Britse handen was. Gelukzoekers, waaronder vele Britten, trokken in grote getale naar de Tranvaal. De economische groei van Witwatersrand maakte Rhodes duidelijk dat hij de Boerenrepublieken moest annexeren. Als aanleiding gebruikte hij hiervoor de grieven van de 'Uitlanders'. Deze groep blanke niet-Afrikanen waren verbolgen over het feit, dat Krüger de termijn, die zij in de republiek moesten wonen alvorens zij mochten stemmen, had verlengd van vijf naar veertien jaar. Een groep Britten probeerde in 1895 de 'Uitlanders' aan te zetten tot een opstand: de zogenaamde Jameson' Raid. Deze actie mislukte echter volkomen. De spanningen tussen de Boerenrepublieken en Groot-Brittannië liepen mede hierdoor echter op tot het kookpunt. Het aftreden van Rhodes veranderde daar niets aan. De Zuid-Afrikaanse Republiek en Oranje Vrijstaat (onder leiding van president Steyn) sloten daarom in 1897 een verbond. Hierdoor zouden zij in een komende - en haast onvermijdelijk lijkende - oorlog één front vormen. Twee jaar later, in 1899, was de Tweede Boerenoorlog inderdaad een feit. De optimistische Britten noemden de oorlog de 'Tea-Time War', terwijl de Boeren spraken over de 'Tweede Vrijheidsoorlog'. Aanvankelijk behaalden de Boeren onder generaals als Botha, Joubert en Hertzog successen. Tegenover de guerrillaoorlog van de Boeren stelden de Engelsen echter de tactiek van 'farm burning'. Ook werden vrouwen en kinderen opgesloten in concentratiekampen. Krüger zocht ondertussen steun in Europa. Uiteindelijk zagen de Boeren zich echter door voedselgebrek en uitblijvende hulp gedwongen om de strijd op te geven. Op 31 mei 1902 werd de oorlog beëindigd. Beide kampen sloten het Verdrag van Vereeniging. Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaanse Republiek kwamen onder Brits gezag, maar behielden een grote mate van zelfbestuur. Paul Krüger keerde niet terug en bleef als balling achter in Europa. Hij werd opgevolgd door kolonel Jan Smuts. In 1910 verenigden de Zuid-Afrikaanse Republiek, Kaapkolonie, Oranje Vrijstaat en Natal zich in de Unie van Zuid-Afrika. Louis Botha werd de eerste premier. Om zowel de Boeren als de Britten tevreden te stellen werd besloten om het parlement in Kaapstad te vestigen, de regering in Pretoria en het hooggerechtshof in Bloemfontein. De unie bleef onderdeel van het Britse rijk, maar besliste zelf over binnenlandse aangelegenheden. Staatsinrichting Wetgevende macht Aan de basis van de staatsinrichting van de Zuid-Afrikaanse Republiek lag de Grondwet van 1858. Hierin was bepaald dat de wetgevende macht bij de Volksraad lag. Tot 1889 bestond deze uit twaalf leden, daarna werd dit aantal uitgebreid tot 28. Burgers die gekozen wilden worden in deze raad, dienden aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo moesten zij bijvoorbeeld van onbesproken gedrag zijn, tussen de 30 en 60 jaar oud en lid van de protestantse kerk zijn. Eén keer per jaar vergaderde de Volksraad in Pretoria. In de grondwet werd de Volksraad bestempeld als het hoogste gezag van het land. De president diende bij de raad wetsvoorstellen (van hemzelf, van een Volksraadlid of vanuit het volk) in. Als een voorstel werd aangenomen kreeg dit vervolgens de kracht van wet. Wel hadden de burgers de gelegenheid om hier - gedurende een periode van drie maanden - bezwaar tegen aan te tekenen, voordat de nieuwe wet uiteindelijk in het wetboek werd vastgelegd. Om te voorzien in de behoeftes van het groeiende aantal Uitlanders werd in 1890 de Tweede Volksraad opgericht. De oude Volksraad werd omgedoopt tot Eerste Volksraad. Tegelijkertijd volgden er aanzienlijke wijzigingen in het kiesrecht. Deze waren bedoeld om de vertegenwoordiging van 'Uitlanders' in de Tweede Volksraad te vergemakkelijken en in de Eerste Volksraad te bemoeilijken. De Tweede Volksraad kon onder andere wetten maken voor het mijnwezen, de posterijen, het octrooi- en auteursrecht, de bestrijding van besmettelijke ziektes, de civiele en criminele rechtsprocedures en andere zaken die door de Eerste Volksraad werden doorverwezen. De besluiten van de Tweede Volksraad waren wel onderworpen aan de goedkeuring van de Eerste. De Tweede Volksraad was beslast met de behartiging van technische en stoffelijke belangen, terwijl de Eerste Volksraad het algemene beleid en de hogere volksbelangen voor haar rekening nam. Uitvoerende macht De uitvoerende macht lag in handen van de president (Officieel luidde de titel 'President van den Uitvoerenden Raad'.) en de Uitvoerende Raad. Deze raad telde eerst zes - later zeven - leden. De Zuid-Afrikaanse Republiek kende geen regering op partijpolitieke basis. Naast de president (die als voorzitter optrad) bestond de Uitvoerende Raad nog uit de commandant-generaal ( De commandant-generaal was de hoogste militair van de republiek. Hij werd door het volk gekozen, eerst voor onbepaalde tijd, later voor een periode van tien jaar.), de staatssecretaris, twee burgers ( De twee burgers werden door de Volksraad gekozen, maar niet vanuit hun midden. Het was namelijk verboden dat de twee burgers, die zitting namen in de Uitvoerende Raad, ook lid waren van de Volksraad.), de notulist ( De notulist was ambtshalve lid van de raad en had ook stemrecht.) en (vanaf 1884) de superintendent van 'naturellesake' ( Voor de superintendent gold dezelfde regeling.). Als de stemmen staakten had de president de beslissende stem. Ook stond het hem vrij om hoofdambtenaren voor de zitting uit te nodigen als het over zaken ging die onder hun departement vielen. In zo'n geval hadden ook zij een stem en waren zij medeverantwoordelijk voor het genomen besluit. Na de grondwetswijziging van 1889 werd de titel president vervangen door staatspresident. De uitvoerende macht was nu alleen nog aan hem opgedragen. Ondanks deze machtsuitbreiding bleef hij nog altijd de hoogste ambtenaar, waardoor hij verantwoording schuldig bleef aan de Volksraad. De president werd uit en door de burgers gekozen, die stemgerechtigd waren voor het kiezen van de Eerste Volksraad. Zijn ambtstermijn duurde vijf jaar, daarna mocht hij zich herkiesbaar stellen. De president was belast met de uitvoering van wetten en besluiten genomen door de Volksraad. Ook was hij verantwoordelijk voor het landsbestuur. Eenmaal per jaar diende hij daarom samen met een lid van de Uitvoerende Raad alle dorpen en steden te bezoeken en de regeringskantoren te inspecteren. Tijdens de jaarlijkse vergadering van de Volksraad moest hij verslag doen van zijn verrichtingen. Met toestemming van de Volksraad kon hij ook oorlog verklaren en vrede sluiten. Vredesverdragen moesten - evenals andere verdragen - wel door de Volksraad worden goedgekeurd. Alle ambtenaren (met uitzondering van de rechterlijke) waren aan hem ondergeschikt. Ook stelde hij alle ambtenaren aan met uitzondering van degenen die door verkiezing werden gekozen. Levensloop van dr. W.J. Leyds Willem Johannes Leyds werd op 1 mei 1859 geboren te Magelang in Nederlands-Indië. Op zesjarige leeftijd overleed zijn vader, W.J. Leyds, die tot op dat moment gouvernements-onderwijzer was. Zijn moeder, Trijntje van Beuningen, besloot daarop met haar vijf kinderen (naast Willem waren dit Johannes, Jacobus, Reinier en Marie) terug te keren naar Nederland. Het gezin vestigde zich vervolgens in Amsterdam. Dankzij een studiebeurs was het voor Leyds mogelijk om in 1874 naar de Rijkskweekschool te gaan. Vier jaar later had hij de opleiding afgerond en ging hij werken in het onderwijs. In 1880 schreef hij zich in voor de studie rechten aan de Universiteit van Amsterdam, nadat hij eerst een toelatingsexamen had gedaan. Zijn studie bekostigde hij met het geven van lessen. Leyds bleek een uitmuntend student. Al zijn examens en zijn proefschrift (getiteld De rechtsgrond der schadevergoeding voor preventieve hechtenis (1884)) waren cum laude. Door toedoen van zijn hoogleraren kwam Leyds in contact met staatspresident S.J.P. Krüger van de Zuid-Afrikaanse Republiek, die op dat moment een rondreis door Europa maakte. De jonge jurist kreeg het ambt van staatsprocureur aangeboden. Leyds nam het aanbod aan en vanaf 6 oktober 1884 was hij in deze functie hoofd van het Openbaar Ministerie, de politie en het gevangeniswezen in de Zuid-Afrikaanse Republiek. Ook nam hij deel aan de beraadslaging over justitiële zaken en was hij regeringsadviseur in juridische zaken. In feite fungeerde hij als een soort minister van Justitie. Kort voor zijn vertrek was Leyds getrouwd met Louise Wilhelmina Susanna Roeff. Na enige tijd volgde zij hem naar Zuid-Afrika. Samen kregen zij twee zonen (waarvan de oudste jong overleed) en een dochter. Op 26 juni 1888 werd Leyds aangesteld als staatssecretaris. Pas vanaf 1 mei 1889 kon hij in deze hoedanigheid optreden, omdat hij toen de voorgeschreven leeftijd bereikte van 30 jaar. Het staatssecretariaat met aan het hoofd de staatssecretaris vormde het administratieve centrum van de Zuid-Afrikaanse Republiek. Het was de verbindende schakel tussen wetgevende en uitvoerende macht. Ook fungeerde het als een soort gecombineerd Ministerie van Binnen- en Buitenlandse Zaken. Als staatssecretaris had Leyds zitting in de Uitvoerende Raad en was hij tot 1892 griffier van de Volksraad. Samen met de staatspresident vormde hij de kern van de regering. De staatssecretaris werd gekozen door de Volksraad voor een periode van vier jaar. Tot tweemaal toe werd Leyds herkozen in deze functie. Uiteindelijk dwong een keelaandoening hem om de zware functie in mei 1898 neer te leggen. Tijdens zijn periode als staatssecretaris werd hij geëerd met diverse onderscheidingen, waaronder de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Duitse Orde van de Rooden Adelaar en de Franse 'Ordre National de la Légion d ' Honneur'. Leyds keerde daarop terug naar Europa, waar hij gezant werd voor de Zuid-Afrikaanse Republiek. Hij werd bij verschillende Europese regeringen en hoven geaccrediteerd en zijn standplaats werd Brussel. Nadat de Tweede Boerenoorlog was uitgebroken (1899) zette hij zich vooral in om de zaak van de Boeren in Europa te promoten. Hij probeerde de hulpverlening te coördineren. Ook beheerde hij fondsen, waarmee onder andere de aankoop en het transport van wapens en munitie betaald werden. Met het einde van de oorlog kwam er ook een eind aan de loopbaan van Leyds. Hoewel hij nog maar 43 jaar oud was, besloot hij geen nieuwe functie te zoeken. Hij vestigde zich vanaf 1905 in Den Haag. Een jaar eerder had hij het stoffelijk overschot van Paul Krüger begeleid vanuit Europa tot aan Kaapstad. Pas in 1909 zou hij zelf weer terugkeren in Zuid-Afrika voor een kort bezoek. Inmiddels was hij toen weduwnaar geworden. Zijn vrouw was in 1907 overleden. Leyds hertrouwde in augustus 1910 met Anna (Carina) Castens. Zij kregen geen kinderen. In 1930 schonk hij het nog altijd door hem beheerde gezantschaparchief aan het Staatsarchief van Zuid-Afrika. Ook publiceerde hij verschillende brochures, artikelen en boeken over zijn ervaringen in zijn tweede vaderland. In 1934 werd hij nog benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw in 1934. Dr. Willem Johannes Leyds overleed kort na de Duitse inval in Nederland op 14 mei 1940.
1. Organisatie Na de opheffing van de VOC (in 1795) en de WIC (in 1791) werd het beheer over de overzeese bezittingen een zaak van de centrale overheid. Onder het koninkrijk Holland werd de `bestiering der Koloniën' bij uitsluiting aan de Koning opgedragen. Deze richtte daarvoor in 1806 het departement van Koophandel en Koloniën op, dat begin 1808 met dat van Marine werd verenigd tot het departement van Marine en Koloniën. Dit departement werd bij de inlijving bij Frankrijk eind 1810 opgeheven, waarbij de taken werden overgenomen door de Hollandse Divisie van het ministerie van Marine en Koloniën te Parijs. In de periode 1813-1841 is er meestal geen sprake geweest van een afzonderlijk ministerie van Koloniën. Nu eens was het beheer over de koloniën gecombineerd met marine, dan weer met nijverheid of een ander beleidsterrein. Wel bleven de diverse administraties daarbij volledig gescheiden: alleen de Generale Secretarie was niet gesplitst. Vanaf begin 1842 was het ministerie van Koloniën geheel zelfstandig, wat het de gehele periode tot 1940 is gebleven. Het departement van Koophandel en Koloniën werd opgericht op 6 april 1814, dus pas een aantal maanden na het herstel van de soevereiniteit. Mogelijk is de verlate oprichting beïnvloed door de omstandigheid, dat Nederland pas in de loop van 1814 de overzeese bezittingen (zij het niet alle) terug kreeg, op grond van het verdrag met Engeland. Eveneens op 6 april werd een Raad van Koophandel en Koloniën ingesteld, bedoeld als buitendepartementaal adviescollege aan de Koning, maar in de praktijk ondergeschikt aan het departementshoofd. Als zodanig fungeerde in 1814-1815 een secretaris van staat, die in september 1815 de titel van directeur-generaal kreeg. Onder deze fungeerden een afdeling Generale Secretarie en Comptabiliteit, onder leiding van de secretaris en vier beleidsafdelingen, elk onder leiding van een commissaris: 1. Koophandel en scheepvaart; 2. Oost-Indische zaken; 3. West-Indische zaken; 4. Militaire zaken. In 1818 verloor Koloniën zijn zelfstandigheid en werd het onderdeel van het nieuw opgerichte departement voor Publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën. Dit departement stond onder leiding van een minister. De zaken betreffende de koloniën bleven echter, net als die betreffende het onderwijs en de nijverheid, steeds afzonderlijk behandeld. Aanvankelijk waren er slechts weinig ambtenaren werkzaam, omdat het in de bedoeling lag dat de Indische regering zelfstandig zou functioneren. Al spoedig nam dit aantal toe: in 1823 telden de drie koloniale afdelingen 14 ambtenaren, terwijl op de Generale Secretarie (die ook voor Onderwijs en Nationale Nijverheid werkte) eveneens 14 ambtenaren werkten. Ingevolge de algemene reorganisatie van najaar 1823 kwamen de afdelingen nu onder leiding van referendarissen. De benoeming van een secretaris-generaal werd aangehouden. Met ingang van 1 april 1824 werd Onderwijs afgescheiden en ondergebracht bij het departement van Binnenlandse Zaken, zodat het departement van Nationale Nijverheid en Koloniën overbleef. Onder de minister kwam er wel een speciale directeur voor de Oost-Indische Bezittingen. Een jaar later volgde al weer een nieuwe reorganisatie, waarbij ook Nijverheid bij Binnenlandse Zaken werd gevoegd en Marine en Koloniën werden gecombineerd. Onder de minister kwamen nu twee directeuren, respectievelijk voor Marine en voor Koloniën, met de bevoegdheid rechtstreeks met andere autoriteiten te corresponderen. Voor het eerst werd nu ook een secretaris-generaal benoemd. Minister, secretaris-generaal en directeuren samen vormden een Raad, die zaken met `eene algemeene werking' zou bespreken. Ook nu was er weer een gemeenschappelijke secretarie. Met ingang van 1 januari 1830 ging Koloniën deel uitmaken van het nieuw gevormde departement van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën, waarvan al op 1 oktober van dat jaar Waterstaat werd afgescheiden en bij Binnenlandse Zaken gevoegd. Begin 1834 verdween ook de Nationale Nijverheid, zodat voor het eerst een homogeen departement van Koloniën overbleef. Vermoedelijk is kort daarna een afzonderlijk Kabinet van de minister ingesteld. In 1840 werd de combinatie van Koloniën en Marine hersteld, opnieuw met twee directeuren onder de minister. Het departementshoofd, minister J.C. Baud, was bepaald geen voorstander van de samenvoeging van Marine en Koloniën en in oktober 1841 wist hij de Koning ertoe over te halen weer twee afzonderlijke departementen in te stellen. Het nu weer zelfstandige departement van Koloniën kende begin 1842 naast het Kabinet en de Algemene Secretarie een zevental bureaus, die vanaf januari 1842 met letters werden aangeduid: A. Oost-Indische zaken; B. West-Indische zaken; C. Militaire zaken; D. Comptabiliteit; E. Burgerlijke dienst; F. Personeel militair; en G. Materieel militair. In september van dat jaar werd de letter H bestemd voor `geheime en algemeene zaken' behandeld in het Kabinet van de minister. Eind 1843 kwam daar bureau I bij voor de koloniale begrotingen. Onder het departement, waar in de jaren-1840 niet meer dan circa 35 ambtenaren werkten, ressorteerden voorts twee technische bureaus voor koloniale bestellingen en remises, het Koloniaal Etablissement (ook wel koloniaal bureau of koloniaal magazijn) te Amsterdam en het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk. 2. Taken Het departement van Koloniën ontving vanuit Oost- en West-Indië een voortdurende stroom van informatie over de verrichtingen van de koloniale besturen in die gebieden. De departementen in Nederlands-Indië hadden in Den Haag hun bestuurlijke evenbeeld in afdelingen van het ministerie van Koloniën, waar het beleid werd voorbereid. De uitvoering geschiedde uiteraard in Indië zelf.
DE FAMILIE VAN NAGELLIn de zeer roerige tweede helft van de achttiende eeuw speelde zowel Anne van Nagell als zijn vader Johan een belangrijke rol in het krachtenveld tussen Oranje en de patriotse beweging. JOHAN HERMAN SIGISMUND BARON VAN NAGELLDe vader (Johan Herman Sigismund) leefde van 1730 tot 1784, op 19-jarige leeftijd werd hij lid van de raad van Lochem (1749). In 1752 werd hij beschreven in de Ridderschap van Gelderland en vanaf 1756 tot zijn dood in 1784 was hij gedeputeerde ter Staten Generaal. Hij was gedurende vele jaren de vertrouweling van de prins in het graafschap Zutphen. Toen Willem V zijn positie in Gelderland moest versterken werd Johan van Nagell dan ook benoemd tot schout van Zutphen. Het was overduidelijk de bedoeling dat hij de bij de Oranjes niet zo geliefde landdrost Van Heeckeren van Enghuizen zo snel als dit mogelijk was, zou gaan opvolgen. Dit gebeurde dan ook toen Van Heeckeren van Enghuizen in 1767 overleed. Met deze benoeming was Oranje weer machtig in Gelderland. De goede relatie die Johan van Nagell onderhield met de Oranjes was zeer zeker ook de basis voor de goede start die zijn twee zoons maakten. Beide werden aangesteld tot kamerjonkers (Anne Willem Carel in 1774 en zijn broer Jacob Albert Lodewijk Frederik Carel in 1783). ANNE WILLEM CAREL BARON VAN NAGELL, EEN HAAST VERGETEN STAATSMAN.Anne Willem Carel baron van Nagell behoorde tot de groep van de zogenaamde 'regenten-hofdignitarissen". Hij werd in 1756 in Den Haag geboren. Na zijn rechtenstudie in Leiden werd hij benoemd tot kamerjonker van Willem V. In datzelfde jaar (1774) werd hij, 18 jaar oud, bovendien lid van de raad van Zutphen. Dit ondanks de bepaling van de minimumleeftijd van 24 jaar. Ook hier is weer de hechte band tussen vader (inmiddels landdrost van Zutphen) en Willem V te herkennen en niet te vergeten de (onvoorwaardelijke) steun die Oranje nodig had en zo dacht te verkrijgen. Tot 1785 bleef Anne van Nagell lid van deze raad. In 1778 trouwde hij Anna Catharina Elisabeth barones Du Tour (1761-1853). Zij kregen drie kinderen, te weten: Jan Herman Sigismond Maurits (1780-1832), Jacques Adriaan Christiaan (1784-1883) en Charles Anne Daniël (1792-1868). Van 1777 tot 1779 was Anne van Nagell (extraordinaris) gecommitteerde bij de Staten Generaal. In 1779 volgde de benoeming tot commies-generaal der convooien en licenten. Zijn functie van kamerjonker ruilde hij in 1781 in voor die van kamerheer, wat hij bleef tot 1790, toen de functie honorair werd. Gedurende twee jaar (1781-1783) was hij ook bewindhebber van de Kamer Amsterdam van de VOC. Bij resolutie van 10 januari 1788 benoemde de Staten Generaal hem tot extraordinaris envoyé en minister plenipotentiaris in Groot-Brittannië. In februari 1795 vroeg hij ontslag. De Staten Generaal weigerden dit ontslag te verlenen, maar gelastten hem wel naar Den Haag te komen, hetgeen Van Nagell weer weigerde. Hij bleef in Engeland op Hampton Court, waar ook de Oranjes hun intrek namen. De oud-ambassadeur Van Nagell behartigde als "homme d'affaire" de officiële relaties met de Engelse staat. Ook de belangen van de Hollandse vissers die door de Engelsen werden opgebracht werden door hem behartigd. In 1802, na de vrede van Amiens, werd het beslag dat in 1796 op zijn goederen was gelegd, opgeheven en in 1803 (bij het uitbarsten van de oorlog met Engeland) keerde hij voorgoed terug naar de Republiek, waar hij zich vestigde in zijn kasteel Ampsen. Na een rustige periode waarin hij geen belangrijke functies bekleedde, werd Anne van Nagell in 1814 voorzitter van de grote vergadering van Notabelen die over de ontwerp- grondwet moest stemmen. De Souvereine Vorst benoemde hem in datzelfde jaar nog tot secretaris van staat belast met het bestuur van de buitenlandse zaken en een jaar later (1815) tot minister van buitenlandse zaken. Hij bekleedde dit ambt in een periode dat er op allerlei gebieden orde op zaken werd gesteld. Allereerst werd in deze periode natuurlijk de basis gelegd voor ons huidige staatsbestel. Van Nagell zag de ministeriële verantwoordelijkheid als eerste kenmerk van een constitutionele regering. In Wenen werden in de eerste jaren van zijn ministerschap de Europese zaken geregeld. Met Engeland werd een overeenkomst gesloten over de teruggave van de koloniën en de vereniging van België en Nederland was een (tijdelijk) feit. In 1824 werd hem op eigen verzoek ontslag verleend. Anne van Nagell wijdde zich in zijn nadagen aan de kunsten en wetenschappen. In 1851 stierf hij op 95 jarige leeftijd in Den Haag.
Daniel Adriaan Meerman van der Goes werd de 5de februari 1748 te Leiden geboren uit een Delfts regentengeslacht, waarvan leden reeds sinds het midden van de 15de eeuw functies uitoefenden. Hij was een zoon van mr. Adriaan van der Goes (1719-1759) en van Magdalena Hester van Eys (1717-1759), dochter van Daniel van Eys en Sara Dozy. Zijn vader was aanvankelijk lid van de Veertigraad (1747) en Schepen (1754) te Leiden en na het overlijden van diens vader, mr. Willem Adriaan van der Goes (1696-1751), ontvanger van Gemene Landsmiddelen over Leiden en Rijnland. Vermoedelijk werd Daniel genoemd naar zijn grootvader van moederszijde: Daniel van Eys, Adriaan naar zijn vader en Meerman naar de familienaam van zijn grootmoeder van vaderskant, Maria Allegonda Meerman (1689-1744), echtgenote van mr. Willem Adriaan van der Goes. Behalve de familienaam Van der Goes werd de naam Meerman door hem en zijn nakomelingen als familienaam gebruikt. Dit blijkt ook uit het wapen dat de tak Meerman van der Goes voerde: Gevierendeeld: I en IV: in zwart 3 zilveren bokkenkoppen met gouden hoorns, zijnde van der Goes; II en III: in zwart een zilveren meerman met de staart, waarin een slag, horizontaal naar links gericht, met zilveren stormhoed op het hoofd en in de opgerichte rechterhand een naar links gerichte zilveren gebogen Turkse sabel met gouden gevest en aan de linkerarm een ovaal zilveren schild met smalle gouden rand waarop een gouden kruis stond, zijnde Meerman. Helmteken en schildhouders waren als bij het wapen Van der Goes, d.i. helmteken: 3 zilveren bokkenkoppen tussen 2 zilveren fazantenveren, en schildhouders: 2 omkijkende bokken met gouden hoorns. Blijkens het "Album Studiosorum Academiae Lugduno Bataviae" (blz. 1066) werd Daniel Adrianus Meerman van der Goes, "Leidensis" en 12 jaar oud., de 17e maart 1760 als "honoris ergo" en de 3e juli 1765 (blz. 1085) als "juris studiosus" ingeschreven. Hij promoveerde te Leiden 18 september 1769 op het proefschrift "De Pactis Successoriis". Zijn dienst in de Oost-Indische Compagnie begon in 1776. Bij resolutie van de Heren Zeventien genomen binnen Middelburg in Zeeland op vrijdag 29 maart 1776, werd mr. Daniel Adriaan Meerman van der Goes benoemd tot adjunct-advocaat van de Compagnie op een jaarlijks tractement van fl. 1000,- ingaande de 1e april 1776, mits hij participeerde met fl. 3000,- kapitaal. Tegelijk met de benoeming van mr. F. W. Boers, tweede advocaat van de Compagnie tot eerste advocaat, volgde bij de resolutie van Heren XVII d.d. 7 april 1777 de benoeming van mr. D.A. Meerman van der Goes tot tweed advocaat op een tractement van fl. 2000,-, dat een jaar daarna bij resolutie van Heren XVII d.d. 9 oktober 1778 tot fl. 3000,- werd verhoogd. Na de benoeming tot tweede advocaat werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Heren XVII d.d. 1 oktober 1777 tot de secrete zaken gecommitteerd. Tijdens zijn ambtstermijn bij de Compagnie werd hem op verzoek van de kamer Amsterdam en bij resolutie van Heren XVII d.d. 21 oktober 1779 opgedragen de post van chartermeester bij genoemde kamer te nemen, tegen een jaarlijkse douceur van fl. 800,-. Het ambt van advocaat bij de Compagnie (ook wel "Minister" genoemd) werd in 1614 ingesteld. Oorspronkelijk had de Compagnie slechts één advocaat, doch de toenemende omvang van de werkzaamheden dwong spoedig tot de aanstelling van een tweede advocaat en later ook van een adjuct-advocaat. De eerste advocaat genoot een jaarlijks tractement van fl. 3100,-, een huishuur van fl. 1000,- en fl. 250,- voor briefporti, de tweede advocaat fl. 2000,- en de adjunct-advocaat fl. 1000,-. Om hun inkomsten te vermeerderen genoten ze verder nog velerlei voordelen, zoals bv. 1000 zilveren dukatons als verering, etc. De aanstelling van de advocaten van de Compagnie geschiedde op de voorwaarden genoemd bij de "Instructie voor de Advocaten van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost Indische Compagnie". Uit de Instructie van 1755 blijkt dat de functie van de advocaat voor het grootste deel bestond uit het secretariaat van de vergaderingen van Heren XVII en die van de kamer Amsterdam en zeker niet de thans gangbare betekenis van het woord advocaat dekt. Tot de werkzaamheden van de advocaat behoorden het bijwonen van de vergaderingen van de Heren XVII, de Haagse Besognes en Commissies, het aan de orde stellen van zaken in de vergadering, het lezen van missiven, requesten, remonstrantiën etc., het optekenen van de resoluties en het registreren in "Secreete boeken of notulen", die evenals andere geheime stukken en papieren door de advocaat werden bewaard. Hij moest de generale missiven van de Gouverneur-Generaal en Raden van Indië extraheren, doorlezen en zich een mening vormen over alle verbalen, dagregisters, resolutieboeken en brieven van de opperhoofden van de verschillende comptoiren. Aan de hand hiervan werden door hem voorts alle minuten voor de antwoorden van Heren XVII opgesteld. Hij nummerde alle ingekomen- en uitgaande stukken en schreef ze in registers en copieboeken. In de meeste en belangrijkste commissies had de advocaat zitting en een raadgevende stem. Vaak werden hem vertrouwelijke zendingen opgedragen, of vergezelde hij de gecommitteerde(n) naar de Staten Generaal of naar Engeland. Kwam de beurt van het voorzitterschap van Heren XVII aan de kamer Zeeland,dan werd hem door de Generale Compagnie verzocht bij de terugkeer van retourschepen aldaar aanwezig te zijn en de zaken van de Generale oostindische Compagnie waar te nemen. De plaats van de uitoefening van zijn functie was de kamer Amsterdam en hij was bovendien verplicht zijn diensten te verlenen aan deze kamer en aan de respectieven departementen van de kamer. Het voorbereiden van de particuliere vergaderingen van in-en in de kamer Amsterdam en de daarbij behorende werkzaamheden behoorde tot zijn taak. Want feitelijk was de advocaat van de Compagnie ook tevens de advocaat van de kamer Amsterdam. Volgens één van de voorwaarden voor zijn aanstelling moest hij minstens fl. 3000,- in de V.O.C. participeren, wat meestal neerkwam op deelname voor dit bedrag in de kamer Amsterdam. Bij aanvaarding van hun ambt moesten de advocaten de eed afleggen, dat zij gedurende hun diensttijd geen andere functies dan bij de Compagnie zouden vervullen. Voorts werd hun verboden giften, gaven of geschenken van Compagniesdienaren of van personen die bij de vergadering van Heren XVII of bij de respectieve kamers belang hadden, aan te nemen. Aangezien de werkkring waarin de advocaten zich bewogen zeer belangrijk was, konden zij, en dan vooral de eerste advocaat, veel invloed uitoefenen. De eerste en tweede advocaat van de Compagnie hadden de beschikking over enige klerken. Zo was Pieter van Duin als klerk aan de tweede advocaat, mr. D.A. Meerman van der Goes, toegevoegd; toen Pieter van Duin in 1780 tezamen met mr. Pieter Jacobus Guepin tot klerk van de eerste advocaat werd aangesteld, volgde Roelof Jacobus Dozy hem op als klerk van de tweede advocaat. De slechte toestand van de Oostindische Compagnie was in 1780 in een kritiek stadium gekomen. Op het einde van dat jaar verklaarde Engeland de oorlog aan de Republiek. Deze oorlog had voor de Oostindische Compagnie loodnottige gevolgen. In Azië gingen tal van forten en factorijen met de daar aanwezige voorraden en goederen verloren. Vele schepen, vaak met rijke ladingen, vielen in handen van de Engelsen. Anderen moesten naar neutralere havens uitwijken en/of een anderen route nemen dan gebruikelijk was. Zij bereikten daardoor pas na een jaar de Nederlandse havens. Uit vrees dat de Engelsen de schepen zouden veroveren, had gedurende de jaren 1781, 1782 en 1783 geen vervoer naar Nederland plaats. De goederen lagen daardoor te Batavia opgehoopt en in Amsterdam kwam een tekort aan contanten. Bij het uitbreken van de oorlog en vooral toen het gerucht in omloop kwam, dat er geen gelden voor aflossing van de anticipatiepenningen in voorraad waren, werd de druk op het opvragen van de anticipatiepenningen met de dag groter, vooral in Amsterdam, waar zich meer dan 2/3 van de anticipatiepenningen bevond. Gedwongen door de steigende nood, wendden de Bewindhebbers zich reeds in het begin van het jaar 1781 tot de Staten van Holland teneinde surseance van betaling te verkrijgen. Bij de Staten-Generaal werd aangedrongen tot versterking van convooi voor de Indië bestemde schepen. Dit liep tenslotte uit op een subsidie van de Generaliteit, ofschoon later bleek, dat alleen Holland zijn quota betaalde. Dit was het begin van een reeks subsidies en gegarandeerde negociaties door Holland verleend, doch ook het begin van een sterke controle op de Oostindische Compagnie, die langzamerhand tot een directe inmenging uitgroeide. Doordat de bewindhebbers hun toevlucht hadden genomen tot de Staten was het onmogelijk om de invloed van de Staat te weren. Bij de pogingen tot verbetering en hervorming van de Oostindische Compagnie konden de bewindhebbers zich niet onttrekken aan de politieke strijd die na de oorlog met Engeland steeds heviger werd. Het Vijfde Departement (Bij de reeds bestaande vier departementen, d.i. van de ontvangst, de equipagie of scheepsuitrusting, de rekenkamer en de handel, werd in 1786 op voorstel van de Staten van Holland (en niettegenstaande de protesten van de kamer Zeeland een nieuwe commissie toegevoegd, belast met het verzorgen van de correspondentie van -en naar Indië. Deze commissie, het z.g. "Preparatoir Besogne" of het Vijfde Departement werd later het Departement tot de Indische Zaken genoemd.) dat door de bemoeiingen van de Staten van Holland werd opgericht, bleef een doorn in het oog van de bewindhebbers. Mr. D.A. Meerman van der Goes heeft tot 1785 bij de Compagnie gediend. Bij resolutie van de Heren XVII d.d. 7 december 1781 werd hem dispensatie van de eed op het 11e artikel van de Instructie verleend, zodat hij na oktober 1781 tot en met november 1784, behalve advocaat van de Compagnietevens pensionaris van de stad Amsterdam was, welk ambt hij tot 1795 bekleedde. Hoewel hij na 1784 zijn advocaatschap bij de Compagnie had neergelegd, betekende dit niet dat zijn bemoeiingen zich niet meer tot de zaken van de Compagnie uitstrekten. Uit zijn collectie blijkt, dat hij stukken betreffende de Oostindische compagnie -lopende over de jaren 1785-1791- in zijn bezit had en de gang van zaken bijhield. Opmerkelijk is het nauwe verband tussen de regering van Amsterdam en het bewind van de Oostindische Compagnie, doordat veelal dezelfde personen zowel functies in de Amsterdamse magistraat bezetten, als zitting hadden in het bestuur van de V.O.C. Het overwicht van Amsterdam ten opzichte van de overige steden van Holland en van de Generaliteit in zijn algemeen was ook duidelijk te merken in de verhouding van de kamer Amsterdam tot de andere kamers (gevolg van overheersende financiële aandeel van de kamer Amsterdam in de Compagnie). Bij resolutie d.d. 17 november 1784 had de Presidiale Kamer ingestemd met het eervol ontslag verleend aan mr. D.A. Meerman van der Goes en als blijk voor zijn goede en trouwe diensten, werd hij met 1000 zilveren ducatons vereerd, ook ontving hij zijn leven lang een bewindhebbersportie specerijen en had hij het gebruik van de binnen -en buitenjachten van de Compagnie. Als tweede advocaat van de Compagnie werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Herem XVII d.d. 28 april 1785 vervangen door de adjunct-advocaat, mr. Pieter Graafland Jansz. Na het aftreden van mr. F.W. Boers als eerste advocaat hadden Heren XVII op voorstel van kamer Amsterdam, bij resolutie d.d. 12 juli 1787, mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste kandidaat en mr. S.C. Nederburgh (de tweede advocaat) als tweede, voor de opvolging voorgedragen. De Erfstadhouder/ Opperbewindhebber benoemde echter, bij zijn brief d.d. 14 juli 1787 mr. S.C. Nederburgh tot eerste advocaat. Na de afzetting van de pensionaris mr. E.F. Berckel, fungeerde mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste pensionaris van de stad Amsterdam. Bij resolutie d.d. 27 januari 1792, in aanmerking genomen hebbende "de ijver en de affectie waarmede de pensionaris Van der Goes die post nu seedert den jaare 1781 waargenomen en vele goede diensten aan de stad bewezen heeft", hadden Vroedschap en Burgemeesters van Amsterdam goed gevonden om zijn jaarlijkse tractement met een bedrag van fl. 1000,- te vermeerderen, ingaande primo augustus 1791. Tot en met 17 januari 1795 werden de notulen van de vergadering van de vroedschap en burgemeesters van Amsterdam door mr. D.A. Meerman van der Goes opgemaakt.
1 Werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem in de Staten van Holland.De vergadering van de Staten van Holland werd aanvankelijk enkele malen per jaar en allengs frequenter gedurende een aantal weken in Den Haag gehouden. Vóór de vergadering werd een agenda - de punten van beschrijving - samengesteld door de raadpensionaris. Deze verstuurde de agenda aan de Ridderschap en de besturen van de achttien stemhebbende steden. Hierover werd dan in de steden en in de Ridderschap vergaderd. De gedeputeerden kregen vervolgens van hun stad of van de Ridderschap een bindende stemopdracht mee. Uit de periode vóór 1572 was de benaming voor het gaan naar de vergadering aangehouden: de afgevaardigden (gedeputeerden) gingen ter dagvaart naar de vergadering van de Staten van Holland. Haarlem zond maximaal zes gedeputeerden, waaronder steeds de pensionaris. Meestal gingen er echter slechts vier ter vergadering, in tijden van politieke conflicten of wanneer voor Haarlem grote belangen op het spel stonden waren alle zes aanwezig. De Ridderschap stemde altijd als eerste, daarna volgden de steden. In de stemvolgorde waren de gedeputeerden van Haarlem na die van Dordrecht altijd de tweede. Deze volgorde binnen de Staten van Holland werd bepaald door anciënniteit van de stemhebbende steden. 2 Werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem in de commissies.Het feit dat Haarlem de tweede stad was, bracht behalve de mogelijkheid van beïnvloeding van het stemgedrag van de daaropvolgende steden ook nog andere voordelen met zich mee. Naast de vergaderingen van het voltallige college waren er ook commissievergaderingen. Deze commissies, in die tijd besognes geheten, werden op twee manieren gevormd. Al vóór 1572 kenden de Staten van Holland ad-hoc commissies, samengesteld uit leden van de Staten, eventueel aangevuld met deskundigen uit andere colleges dan wel met ambtenaren of met beiden. Na 1572 nam de werkdruk in de Staten van Holland enorm toe. Deze werd grotendeels opgevangen door het uitbreiden van het aantal ad-hoc commissies. Hieruit ontstonden omstreeks 1600 een aantal vaste commissies waarin een zelfde aantal steden en/of de Ridderschap zitting had. 2.1 De vaste commissies.De vaste commissies waren aan het begin van de zeventiende eeuw in principe al verdeeld. Uiteraard werden niet alle commissies tegelijk ingesteld en bleven gedurende de hele periode van de Republiek niet dezelfde vaste commissies bestaan. Nu eens werden deze samengevoegd als de gewijzigde politieke of economische situatie dat nodig maakte dan weer ontstond een vaste commissie uit een ad-hoc commissie die gedurende lange tijd werkzaam bleef. Helaas is het onmogelijk een volledige lijst van de vaste commissies te geven, aangezien hierover tot nu toe nauwelijks gegevens zijn gevonden. Het bekleden van het voorzitterschap van vaste commissies was eenvormig geregeld. Een instructie hiervoor is tot nu toe niet achterhaald, maar waarschijnlijk was dit in onderling overleg bepaald. Het voorzitterschap berustte bij de afgevaardigde van de Ridderschap, of indien dit college niet in de commissie zat, bij de afvaardiging van de oudste stad die in de commissie zitting had. Haarlem heeft van het begin af aan het voorzitterschap van de commissie van justitie bekleed. Deze commissie was zéér belangrijk ! Uit de uitkomsten van de daar behandelde zaken en uit de uiteindelijk daarover genomen resoluties, blijkt dat de Staten van Holland een legalistische staatkundige en politieke visie hadden. Het legalistische standpunt ging voor, ook in zaken, bijvoorbeeld op kerkelijk gebied, waar men in sommige opzichten een bevoorrechting van de gereformeerden zou verwachten. Vele en zeer uiteenlopende zaken zijn aan deze commissie voorgelegd. Door middel van "proefprocessen" werd één zaak helemaal uitgezocht en becommentarieerd, waarna het besluit in deze zaak diende als basis voor besluiten in vergelijkbare zaken in de toekomst. Wanneer een commissie vond dat zij zelf niet genoeg kennis bezat, werd informatie bij andere colleges of ambtenaren ingewonnen. Dit gebeurde vaak ook bij het doorverwijzen door de Statenvergadering naar een commissie, het zogenaamde "commissoriaal maken". In het geval van de commissie van justitie veelal informatie ingewonnen bij het Hof van Holland of de Hoge Raad van Holland. Deze commissarissen vergaderden dan samen met (een aantal van) de leden van de commissie om tot een juridisch juist standpunt te komen. 2.2 De ad-hoc commissies.Naast het voorzitterschap van de commissie van justitie had Haarlem, zoals gezegd, vaak zitting in ad-hoc commissies. Sommige hiervan waren niet van groot gewicht, zoals de ad-hoc commissie tot onderzoek naar het maken van goud uit duinzand. Ook functioneerden een aantal commissies slechts gedurende een heel korte periode voor de oplossing van één bepaalde zaak. Andere commissies, die jaren achtereen op ad-hoc basis functioneerden, waren van groter belang. De commissie tot verkoop van de domeinen is hiervan een goed voorbeeld, evenals de verschillende commissies tot herstel van de financiën en de commissie tot onderzoek naar de vernietiging van de paalworm. Deze laatste commissie ontwikkelde zich uiteindelijk, samen met een aantal andere ad-hoc commissies, van ad-hoc tot vaste commissie en kan als een van de voorlopers van de colleges van de provinciale- en rijkswaterstaat worden beschouwd. 3 Andere werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem.Naast de werkzaamheden in de vergadering van de Staten van Holland en in vaste en ad-hoc commissies van dit college, had er permanent één afgevaardigde van Haarlem zitting in het college van Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. Dit college adviseerde de Staten van Holland over zaken betreffende het Zuiderkwartier en had een aantal taken in dit ressort van de Staten van Holland gedelegeerd gekregen. Hierin was het gelijk aan het college van Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier. In tegenstelling daarmee deed het echter meer. Bij afwezigheid van de Staten van Holland, handelde het in opdracht van de Staten van Holland de dagelijkse zaken in het gewest af en kon het ook indien nodig, uiteraard in samenspraak met de raadpensionaris, de Staten van Holland in spoedzitting bijeen roepen. Aangezien de vertegenwoordiging van Haarlem in dit college, evenals trouwens van een aantal andere steden, permanent was konden de gedeputeerden ook wanneer de Staten niet bijeen waren snel en makkelijk aan informatie komen en zo voortdurend van de gang van zaken in Den Haag op de hoogte blijven. Regelmatig behoorden ze tot de afgevaardigden namens de Staten van Holland in de Staten-Generaal en in Generaliteitscolleges als de Raad van State en de Generaliteitsrekenkamer. Deze deelname aan de afvaardigingen vond plaats volgens per Generaliteitscollege vastgelegde roosters. Als afgevaardigde namens Holland in de Staten-Generaal konden de gedeputeerden van Haarlem ook in commissies van de Staten-Generaal benoemd worden. Een voorbeeld hiervan is de deelname van de pensionaris van Haarlem, Jacob Gilles, aan de ad-hoc commissie van de Staten-Generaal tot onderzoek naar de gebeurtenissen in de Groninger Ommelanden omstreeks 1732. De stukken van deze bezending zijn in dit archief bewaard gebleven. Bovendien hadden leden van het stadsbestuur van Haarlem zitting in een aantal colleges: in het college ter Admiraliteit van Amsterdam, in de kamer Amsterdam van de VOC en in die van de WIC, in het hoogheemraadschap Rijnland en vele andere lokale of regionale organen. Uit vorenstaande cumulatie van functies blijkt dat de reikwijdte van het stadsbestuur zich uit te strekte tot boven het plaatselijk niveau.
Van de huidige kerk te Ooster-Blokker, die voor de hervorming was gewijd aan de H Pancratius, dateert de toren uit circa 1450 en het schip gedeeltelijk uit het eind van de 15e, gedeeltelijk uit het begin van de 16e eeuw. De oorspronkelijke kerk te Wester-Blokker welke voor de reformatie aan de H Aartsengel Michael was opgedragen is in 1830 afgebroken, alleen de toren dateert nog uit de 16e eeuw. De parochie te Ooster-Blokker werd al vermeld in 1395. Op Onze-Lieve-Vrouwendag (2 februari) 1413 werd aan Ooster- en Wester-Blokker, samen met het dorp Westwoud het stadsrecht verleend onder naam "Stede Westwoud", in 1492 werd Binnenwijzend daar nog aan toegevoegd. Jan Arendszoon, een mandenmaker uit Alkmaar heeft in Holland de eerste hagepreek uitgevoerd bij Blokker op 14 Juli 1566. Tot zijn gehoor, dat uit meer dan vierduizend mensen bestond, behoorden oa de schout en een monnik uit een naburig klooster. De laatste liet zich, on de bijeenkomst te verstoren, met veel geschreeuw in het water vallen. Niemand echter reageerde hierop, zodat hij er zelf weer uitkroop en kletsnat naar het klooster terugkeerde. In 1573, toen de Rooms Katholieke godsdienst in Holland werd verboden, werden alle vier de kerken in de Stede Westwoud door de Hervormden overgenomen. Ooster- en Wester-Blokker gingen samen één gemeente vormen met twee kerken en één predikant. Tot deze gemeente behoorden tevens de gehuchten de Bangert, Blokdijk en Lageweg. De eerste predikant was Klaes Janszoon, een overgegane pastoor uit Huizum, die hier in 1573 als eerste Hervormde predikant zijn intrede deed. Hoewel de dorpen Ooster- en Wester-Blokker kerkelijk één gemeente vormden met één kerkeraad, hadden beide dorpen toch hun eigen ouderlingen en diakenen die elk voor hun eigen dorp zitting hadden in de kerkeraad. De kerkvoogdijen waren, omdat het in feite twee verschillende dorpen waren met twee kerken, als vanzelfsprekend gescheiden gehouden (het beheer van de kerkelijke goederen was immers na de reformatie overgenomen door de wereldlijke overheid). De kerkdiensten werden toen afwisselend te Ooster- en Wester-Blokker gehouden. De kerkeraadsleden van Wester-Blokker woonden, waarschijnlijk vanwege de afstand (ook bestuurlijk) tussen de twee dorpen lang niet alle kerkeraadsvergaderingen bij. Ze zijn op een gegeven moment zelfs, zonder dat de predikant tegenwoordig was, deze woonde inmers te Ooster-Blokker, hun eigen vergaderingen gaan beleggen en hebben ook hun eigen notulenboeken gehad. Daar deze echter nooit bij de predikant hebben berust zijn ze waarschijnlijk al vroeg van het archief afgedwaald. De fondsen van diakonieën en kerkvoogdijen uit beide dorpen waren geheel gescheiden en terwijl de diakenen uit de beide dorpen toch wel eens in een kerkeraadsvergadering kontakt met elkaar hadden, zodat ze van elkaars positie op de hoogte waren, hebben de kerkvoogden dit zelden gehad en hebben dan ook elke vorm van samenwerken dan ook steeds tegengewerkt. Doordat alle twee de dorpen een kerk, dus ook een koster, en een schoolmeester hadden te onderhouden, was de financiële toestand zelden rooskleurig. In de gehele 18e eeuw is het een strijd geweest on het hoofd boven water te houden. In de eerste jaren van de 18e eeuw begonnen de moeilijkheden zich al op te hopen, als binnen een paar jaar twee rampen zowel de kerken, schoolmeesterswoningen als de pastorie zwaar beschadigen: een zware stom en de ontploffing van de kruitmolen onder Hoorn. De predikant in die periode (1691-1715) heeft de gemeente ook al niet veel goed gedaan. Tevens heeft deze pastor, Henricus Duysendpond, het archief danig verwaarloosd en de administratie grotendeels achterwege gelaten. Hij heeft oa doelbewust geen dopen, huwelijken en lidmaten meer aangetekend, zoals hij bij zijn laatste aantekeningen in het kerkeraadsboek (in 1703!) duidelijk laat blijken als hij eindigt met het volgende gedichtje:Rijksarchief Noord-Holland, Archief van de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier, inv nr 24 B, nr 119. "Veel te schrijven is een last, Somwijl is daar niet aan vast, Daarom seg ik tot besluyt: Ik scheydt van dit schrijven uyt." De moeilijkheden met de kerkeraad waren in 1715 zelfs zo hoog opgelopen dat hij op aandrang, zelfs tegen een vergoeding van honderd gulden door de kerkeraad, afstand deed van het predikambt. Dat Duysendpond veel schrijven een last vond, zoals uit bovenstaand gedichtje mocht blijken, vinden we niet terug in zijn verdere levensloop. In december 1717 vertrekt hij met een schip van de VOC naar Oost-Indië, van welke gelegenheid hij een gedicht heeft gemaakt, dat hij zelfs heeft laten drukken! * Ook verscheen te Enkhuizen in 1752 van zijn hand een gedicht: "Blockers Speel-uren". Zijn opvolger, Andreas Lonius heeft een gedeelte van het verlies van gegevens betreffende de leden der kerk goedgemaakt door de aantekeningen die Jacob Jansz., de schoolmeester te Ooster-Blokker had gemaakt van geboorten ed alsnog op te nemen in het kerkeraadsboek. In de loop van de 18e eeuw vond er tussen de twee kerkeraden, want daar mogen we dan intussen wel van spreken, een steeds verdere verwijdering plaats, die erin resulteerde dat tegen het einde van die eeuw er twee kerkeraden zijn die altijd apart vergaderden (die van Wester-Blokker altijd zonder predikant), behalve wanneer het zaken aanging betreffende de predikant of de kerkdiensten. Er werd toen echter vanuit de Classis te Hoorn druk uitgeoefend on de twee kerkeraden weer te doen verenigen. Velen waren het hier echter niet mee eens. Rond 1789 verscherpten de problemen. Vooral de schoolmeester en koster te Wester-Blokker Jacob Balk deed alles om een onafhankelijk Wester-Blokker te behouden. Hij wilde ook de catechisatie zowel te Ooster- als te Wester-Blokker plaats laten vinden. Het liep zo op dat hij alle kinderen van Wester-Blokker tegenhield in Ooster-Blokker ter cathechisatie te gaan en zelf kwam hij, als er dienst te Ooster-Blokker was, niet meer in de kerk. In 1793 werden er tijdens een bijzondere kerkeraadsvergadering nogal wat aanmerkingen gemaakt op de adrninistratie en organisatie van de kerkeraad door de kerkvisitatoren van de Classis Hoorn. Men moest eerst twee weken na deze vergadering maar een gezamelijke kerkeraadsvergadering beleggen.Dit was opgeschreven tussen de kerkeraadsnotulen door Cornelius Louron bij zijn vertrek als waarschuwing aan zijn opvolger. De Kerkeraadsleden te Wester-Blokker weigerden echter te komen. Zij vonden dat het niet juist was dat te Wester-Blokker nooit een buitengewone kerkeraadsvergadering werd gehouden. Ooster-Blokker was toch niet de hoofdplaats van de twee dorpen? De predikant die het hiermee niet eens was, en wees op de reeds in de 17e eeuw gemaakte afspraken omtrent cathechisatie en kerkdiensten, schreef hierover een uitvoerig verslag in het kerkeraadsboek, wat echter op last van de Classis moest worden geroyeerd. Het jaar daarop werd besloten elk jaar afwisselend de kerkvisitatie in Ooster- en Wester-Blokker te houden. De verwijdering wordt dus nog steeds bevorderd, tot er in 1817 een kerkvisitatie plaatsvind waarbij de visitatoren opmerken dat het eigenlijk "onvoegzaam" is dat binnen één gemeente de meeste zaken in twee kerkeraden worden behandeld. Er werd toen besloten tot het opstellen van een plan tot samenvoeging. Zo worden er dan vanaf 1818 ook alleen gekombineerde vergaderingen gehouden (waarin nog wel de kerkeraadsleden voor elk dorp apart zitting blijven hebben!) en worden ook de diakonierekeningen van beide dorpen in één vergadering afgehoord. De financiële situatie intussen was al niet veel verbeterd. In 1811 zat men zo in de schulden (oa aan achterstallig predikantsloon en nog niet terugbetaalde leningen door de diakonie) dat men land wilde verkopen om deze te voldoen. De Burgemeester van Blokker heeft er bij de Préfect op aangedrongen geen toestemming tot deze verkoop te geven, omdat volgens hem de jaarlijkse inkomsten daardoor nog verder zouden dalen en de dan weggewerkte schulden nog groter zouden terugkomen. Door dit geldgebrek was de materiële toestand van de kerkgebouwen zo sterk verachterd dat in 1825 Ds Schey voorstelde allebei de kerken en de pastorie af te breken en een bescheidener kerkje met pastorie in het midden tussen de twee dorpen neer te zetten. De kerkvoogdijen en kerkeraad voelden hier echter niets voor. De kerk van Wester-Blokker was toen echter intussen zo bouwvallig dat er toch wat moest gebeuren. Hij werd afgebroken en met overheidssteun werd in 1830 een nieuw kerkje, alleen voor Wester-Blokker, opgebouwd. Pas in 1864 werd de kerk te Ooster-Blokker ingrijpend gerestaureerd, waarbij de consistoriekamer werd afgebroken. Toen in 1828 Ds Steenhauwer zijn dienst te Blokker aanving werd er weer meer en meer in aparte vergaderingen bijeengekomen en langzamerhand ging men toch weer spreken van aparte kerkeraden. Alle vergaderingen werden daarintegen wel in het kerkeraadsboek aangetekend en ook werden alle vergaderingen, van zowel Wester- als Ooster-Blokker, door de predikant bijgewoond. Om meer eenheid in de bedeling van de armen te krijgen werd in 1832 door de kerkeraad en Burgemeester van Blokker besloten om de armvoogdenkas (aangesteld vanwege het gemeentebestuur) en de Gereformeerde diakoniekas van Ooster-Blokker samen te brengen. De twee fondsen blijven apart bestaan, alleen de winsten uit beiden komen ten goede aan de diakenen die hieruit alle Geformeerden te Ooster-Blokker moesten onderhouden. Deze overeenkomst werd aangegaan voor twaalf jaar en is in 1844 nogmaals voor 50 jaar verlengd. Later heeft geen verlenging meer plaatsgevonden, maar aangenomen kan worden dat de overeenkomst stilzwijgend is verlengd. Het ontbreken van begrotingen en rekeningen van kerkvoogden kan hieruit worden verklaard dat, hoewel men zich eerst heeft aangesloten bij het Algemeen Reglement op het Beheer van Kerkelijke Goederen en Fondsen en het Toezicht daarop, op 23 april 1870, men zich later daarvan heeft teruggetrokken en men is overgegaan op een zgn "vrij beheer". (22 november 1875.) Dat dit niet geheel geruisloos is gegaan bewijst de uitslag van de stemming wel: 27 stemmen tegen op 53 stemgerechtigden. Doordat het vanaf 1926 niet meer gelukt was tegen een zo laag traktement nog een predikant voor Blokker te vinden werd in 1939 (na 13 jaar zonder eigen predikant te hebben gezeten) besloten om een kombinatieovereenkomst aan te gaan met Schellinkhout. Hierna werd vrij snel een nieuwe predikant in de persoon van Ds G. van Duyl gevonden.
Historisch overzicht, 1814 - 1963 Nadat op 13 augustus 1814 een traktaat met Engeland was gesloten, werd het Nederlandse bestuur over de voormalige overzeese gebiedsdelen hersteld. De Kaap de Goede Hoop, Ceylon, Demerary en Essequibo en Berbice bleven echter in Engelse handen. Enkele maanden eerder, in april 1814, was in Nederland het departement van Koophandel en Koloniën opgericht. Dit departement, gevestigd in Den Haag, werd verantwoordelijk voor het bestuur van alle koloniën en overzeese handelsposten: zowel in de West als in de Oost. Vanaf 1814 tot 1963 is het bestuur over de Nederlandse koloniën, later aangeduid als overzeese gebiedsdelen, door één administratieve eenheid behandeld. Tot 1842 werd het ministerie van koloniën weliswaar telkens gekoppeld met andere takken van bestuur (nijverheid, 1814-1825 en 1830-1834; marine, 1825-1830 en 1840-1841; onderwijs 1818-1824; waterstaat 1830-1831) maar dit had weinig invloed op de archiefvorming. Van 1842 tot 1959 werd het bestuur over de koloniën (vanaf 1945 aangeduid als overzeese rijks- of gebiedsdelen) niet verenigd met een andere tak van bestuur. Van 1959 tot 1963 tenslotte maakte het bestuur over de overzeese gebiedsdelen - maar wel als afzonderlijke administratieve eenheid - deel uit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Te Batavia leidde de toegenomen omvang van kaarten- en tekeningenarchieven al snel tot de instelling van een "Statistiek Bureau" te Buitenzorg in 1837. Johan Pieter Cornets de Groot, die aan het hoofd van de algemene secretarie stond, was degene die de aanzet gaf tot het opzetten van het bovengenoemde bureau. Er werd niet volstaan met het maken van een selectie uit de bestanden bij de Algemene Secretarie: door middel van een advertentie in de Javasche Courant werden particulieren opgeroepen bij hen aanwezige 'bouwstoffen' tegen een billijke vergoeding over te doen aan het Historisch bureau . Naast het beheer van de kaarten, had de Geographische afdeling tot taak de Gouverneur-generaal te informeren over het verloop van de werkzaamheden bij respectievelijk het Topografisch en het Hydrografisch Bureau. Het is overigens twijfelachtig of men inderdaad systematisch uitvoering gaf aan deze besluiten want al vlot werd er in Den Haag geklaagd over het gebrek aan activiteit bij het Historisch bureau te Batavia. Misschien is het Cornets de Groot geweest, die na zijn terugkeer naar Nederland in 1842 tot secretaris-generaal van het ministerie benoemd werd, die ook in Nederland de aanzet gaf tot de inrichting van een Historisch Bureau. (Het is heel wel mogelijk dat men zich bij de inrichting van de Historische bureaus en Geographische afdeling baseerde op de Organisatie van militaire instellingen die met taken op het gebied van historisch onderzoek, archiefzorg en beheer van kaarten en tekeningen belast waren: het Dépôt-Generaal van Oorlog, Marine en Koloniën (1806-1811) en het Archief van Oorlog en Topografisch Bureau (vanaf 1814).) Omstreeks 1840 was er bij het ministerie in Nederland eveneens een Historisch bureau dat werd belast met vergelijkbare taken als het bureau te Batavia :h et beheer van kaarten en tekeningen, de bibliotheek en het oud-archief. Bovendien diende dit bureau de minister te voorzien van informatie van algemene (statistische) en historische aard. Met de leiding was in de periode 1851 tot 1879 een persoon belast: H.T. Krabbe.(Misschien was Krabbe al eerder met deze werkzaamheden belast. Hij solliciteerde in 1839 naar een betrekking bij het ministerie. In 1841 werkt hij bij het ministerie als tijdelijk aangestelde, zie verbaal 12 oktober 1841 no. 7.) De naamgeving van het bureau was niet erg consistent. In een stuk van 1857 vinden wij het aangeduid met drie verschillende benamingen: Bureau G, Bureau voor voorlichting en informatie en Historisch bureau. In de Staatsalmanak werd de naamgeving eveneens nogal verschillend opgenomen. De meeste gebruikte benaming, Bureau G, werd in 1896 omgezet in Afdeling G. Wellicht heeft men in Nederland het Historisch bureau na de komst van Cornets de Groot in 1842 definitief vormgegeven. Activiteiten in het decennium ervoor wijzen er echter op dat men bij het ministerie al eerder in die geest werkte. In de jaren tussen 1830 en 1840 werden net als in de Oost diverse particuliere collecties van kaarten en tekeningen verworven om de lacunes in het reeds aanwezige bestand aan te vullen. Vanaf diezelfde periode ontplooide het ministerie meer activiteit om te komen tot een geregelde productie van topografische en hydrografische kaarten van de koloniën. De directe bemoeienis van het ministerie met de productie van kaarten nam in de tweede helft van de 19de eeuw af. Dit werd meer en meer overgelaten aan gespecialiseerde bureaus en diensten zoals het in 1860 te Batavia gevestigde Bureau Hydrografie en het in 1864 aldaar ingestelde Topografisch Bureau. Het kaarten- en tekeningenbestand bij Bureau G bleef wel geleidelijk in omvang toenemen door inkomende archivalia, door aankoop en door internationale ruilovereenkomsten. Meermalen maande de minister van koloniën de Gouverneur-generaal er voor te zorgen "dat aan het Departement van Koloniën steeds zoo spoedig doenlijk worden opgezonden alle kaarten, hetzij in originali, hetzij in calque, waarvan de kennis hier te lande noodig en nuttig wordt geacht". Gedeponeerde archieven Vanaf 1814 kreeg het Koninkrijk opnieuw het gezag over de koloniën. Voor het bestuur, en de gezagsuitbreiding, waren betrouwbare kaarten hoognodig. Gedurende de eerste helft van de l9de eeuw ontbraken echter de middelen om de kartering goed op te kunnen zetten. Om toch in de behoefte aan kaarten te voorzien, poogde men gebruik te maken van particuliere initiatieven. Een eerste cartografisch overzicht van de koloniën verkreeg men zodoende dankzij Johannes van den Bosch (de latere Gouverneur-generaal) die in 1817 zijn Atlas der Overzeesche Bezittingen publiceerde (inventarisnummer Dl). Het ministerie vulde de leemten in de kennis ook aan door kaarten en tekeningen aan te kopen van koloniale ambtenaren en militairen die al of niet in hun vrije tijd kaarten tekenden of verzamelden, of kaarten en tekeningen aan te kopen uit nalatenschappen. Soms ging het om één of enkele kaarten; uit de nalatenschap van Melvill van Carnbee werden een kaart van Java en een plattegrond van Batavia van Van der Jagt van 1826 (inv. nr. 83) gekocht voor 114 gulden. Deze kaarten zijn verspreid opgenomen in het bestand van koloniën. Vier bestanden van grotere omvang zijn in deze inventaris wel apart beschreven: Loten, Engelhard, Busscher en Henrici. Een vijfde bestand dat in deze inventaris opgenomen had kunnen worden is dat van G.J.C. Schneither (1795-1877) die van 1816 tot 1826 de particuliere secretaris van de Gouverneur-Generaal Van der Capellen was. In die functie verzamelde Schneither een groot aantal kaarten en tekeningen, waarvan de meeste op Java betrekking hebben. De verzameling Schneither werd in 1878 van de boekhandelaar Martinus Nijhoff gekocht door het ministerie van koloniën. Deze verzameling werd niet gedeponeerd in het bestand van het ministerie. Johan Gideon Loten (1710-1789) Loten voer december 1731 uit als onderkoopman voor de VOC op het schip Beekvliet. Zijn carrière verliep voorspoedig. In 1743 werd hij benoemd tot gouverneur van Makassar. In 1752 volgde zijn benoeming tot gouverneur van Ceylon. Hij keerde in 1757 terug naar Nederland waar hij in 1789 te Utrecht overleed. Loten was een bekwaam topografisch tekenaar. In de hier beschreven collectie zijn daar verschillende voorbeelden van te vinden. Hij besteedde dat werk ook uit. Te Makassar en op Ceylon gaf hij diverse tekenaars en landmeters opdracht voor het vervaardigen van tekeningen op topografisch en natuurhistorisch gebied en het vervaardigen van plattegronden en kaarten. Het grootste deel plaatste Loten in zijn particuliere collectie. Loten wilde met behulp van deze collectie tezijnertijd een boek maken. Daartoe bracht hij ook een bundel notities bijeen: "Aanteekeningen om indertijd te kunnen dienen tot het in order brengen van het geene ik successive heb verzameld zo in tekenen naar het leeven als geschriften om eenig licht te kunnen bijbrengen tot de natuurlijke historie van O.I. en voornamelijk van Java, Celebes en Ceylon (1754)". Hij woonde na zijn terugkeer enige tijd in Londen. De tekeningen in zijn collectie zijn daar door diverse auteurs gebruikt. Loten zelf is nimmer tot de uitgave van zijn boek gekomen. Zijn collectie is na zijn overlijden verspreid geraakt. De hier beschreven collectie tekeningen en kaarten werd door Loten nagelaten aan Jacob Adriaan van den Heuvel (eerste lid van de Staten van Utrecht, overleden 1800). J.P.S. Favrod de Fellens te Maastricht, getrouwd met de dochter van Van den Heuvel, kwam nadien in het bezit van de collectie.(Dit en het volgende is ontleend aan de inliggende stukken bij het Koninklijk Besluit van 11 december 1834 no. 13 en de verbalen van koloniën van 4 maart 1835 no. 5 en 24 maart 1835 no. 27.) Hij schonk de collectie in 1835 aan het ministerie. Als blijk van waardering ontving Favrod de Fellens een ring ter waarde van 300 gulden met het monogram van Koning Willem 1. Bij het ministerie werd de collectie opgenomen onder het kenmerk W. De collectie is in de literatuur min of meer onopgemerkt gebleven. Nicolaas Engelhard (1761-1831) Na een vlot verlopen carrière werd Engelhard in 1801 benoemd tot gouverneur van Java's Noordoostkust. In die functie gaf hij opdracht aan leraren (informators genoemd) van de marineschool te Semarang om hydrografische en topografische karteringen uit te voeren van het gebied onder VOC-bestuur. Daarnaast gaf hij opdracht tot het opmaken van statistische rapporten. Vanwege zijn particuliere interesse voor de natuur en de oudheden van Java, gaf hij begaafde tekenaars in zijn omgeving opdrachten om voor hem tekeningen te vervaardigen.Engelhard liet bij testament zijn archief na aan Daniël François van Alphen (overleden. 1840). De laatste liet de archivalia na aan zijn kinderen. Van deze kinderen werkten enkelen in dienst van het ministerie. Jan Theunis Busscher (ca. 1772-1846) Busscher heeft in diverse functies in de Oost gewerkt. Vanaf 1799 was hij onderwijzer (informator) aan de marineschool van Semarang in de rang van sous-luitenant ter zee. Bij de marineschool werden leerlingen opgeleid voor technische beroepen bij de zee- en de landmacht en bij de waterstaat in Oost-Indië. In het kader van hun opleiding werden karteringen te land en ter zee uitgevoerd, kaarten getekend en kaarten gekopieerd. Met tussenpozen was Busscher tot zijn pensionering in 1825 aan de school verbonden. De onderbrekingen werden veroorzaakt door het feit dat de school niet ononderbroken bestond. Wel was Busscher gedurende al die jaren betrokken bij de hydrografische kartering van de Indische archipel. Dat Busscher zijn kaarten niet alleen vervaardigde en leverde aan het gouvernement maar ook een eigen verzameling aanlegde blijkt voor het eerst in 1818. In de Oost zag het gouvernement na het herstel van het Nederlands gezag in 1817 zich geconfronteerd met een zeer gebrekkige kennis van de archipel. Noodgedwongen maakte men gebruik van Engelse kaarten. De Nederlandse koloniale marine zocht naar mogelijkheden om daar verandering in te brengen. Busscher speelde daarop in. Hij bood zijn verzameling kaarten in 1818 te koop aan. Dit voorstel werd aangenomen. Bovendien kreeg Busscher in 1819 de opdracht andere zeekaarten berustende te Semarang op hun praktische waarde te onderzoeken en zonodig te kopiëren. Na zijn pensionering in 1825 ging Busscher naar Nederland. Volgens zijn zeggen werkte hij vanaf 1827 door in de geest van de opdracht die hem in 1819 gegeven was: het vervaardigen van kaarten van de Indische Archipel. In 1835 bood hij zijn kaarten aan bij de Minister van Koloniën. Van de 72 kaarten had hij er dertig naar eigen opnamen gemaakt, twee naar die van Beetjes, een naar Cornelius, acht gekopieerd van Engelse originelen en de overige gecompileerd op basis van verschillende kaarten. De marineofficier Rijk die om advies gevraagd werd, liet zich kritisch uit over Busscher's werk. Hij vond de kaarten ouderwets en hij meende dat Busscher onvoldoende verantwoordde met behulp van welke opnamen hij de kaarten had samengesteld. Het voorstel van een andere adviseur, de oud-directeur der domeinen in Nederlands-Indië Kruseman, om de kaarten te gebruiken voor de samenstelling van een zeemansgids in de trant van de Engelse gids van Horsburgh, haalde het door Rijk's kritische opstelling niet. Desondanks werden tenslotte in 1836 meer dan 80 kaarten, gezichten en tafels van Busscher gekocht voor 750 gulden. Het advies van Rijk om de kaarten naar Batavia te sturen ten behoeve van het werk van de in 1821 ingestelde Commissie werd niet opgevolgd, wel werden de kaarten ter inzage gegeven aan Derfelden von Hinderstein die tussen 1828 en 1838 een kaart van de Indische Archipel samenstelde (inv. nr. 689). Na 1836 vernemen wij niets meer over activiteiten op kartografisch gebied van Busscher. Hij overlijdt op 16 maart 1846 te Kortenhoef. Henri Albert Henrici (1783-1838) Baron Henri Albert Henrici werd 27 november 1783 te Wenen geboren. Hij was de zoon van een architect. Hij volgde in Wenen een opleiding tot ingenieur. Na diverse militaire functies bekleed te hebben in het Oostenrijkse en Russische leger kwam hij door een aanbeveling van Baron de Constant Rebecque in 1817 in dienst bij de Nederlandse Generale Staf. Hij werd belast met kartografische werkzaamheden ten behoeve van de grensvaststelling. In 1820 ging hij over naar het leger in de koloniën. Ook daar was hij actief op kartografisch gebied. Vanaf 1830 was hij bezig met de kartering van delen van Borneo. De Gouverneur-generaal was ontevreden over zijn productiviteit. Tenslotte werd hij teruggezonden naar Nederland. Daar aangekomen werd hij met pensioen gestuurd. Kort nadien overleed Henrici in Amsterdam. Overige kaarten- en tekeningenarchieven betreffende de Nederlandse(voormalige) overzeese gebiedsdelen na 1814 Stuurmanskamer in het koloniaal etablissement te Amsterdam, 1814-1822 Na het herstel van de onafhankelijkheid dienden de scheepvaartverbindingen met de koloniën hersteld te worden. In de 17e en 18e eeuw rustten de Compagnieën de schepen uit met kaarten en instrumenten die in bruikleen werden gegeven aan de schippers en stuurlieden. Deze praktijk werd in 1814 hervat. In Amsterdam werd in het Koloniaal etablissement, gevestigd in het gebouw van de voormalige Oostindische Compagnie aan de Oude Hoogstraat, de nog bestaande stuurmanskamer heropend. De stuurmanskamer bij het Koloniaal etablissement heeft slechts kort bestaan. Nadat geconcludeerd was dat de Nederlandse zeekaarten en zeemansgidsen de vergelijking met de in het buitenland geproduceerde kaarten niet konden doorstaan besloot men in 1822 alles op te ruimen. De nog aanwezige kaarten werden ondershands verkocht32. Er waren bovendien redenen in het organisatorische vlak die aanleiding gaven tot het opruimen van de stuurmanskamer. In 1823 werd de Nederlandse Handelmaatschappij opgericht waarmee de vaart voor een groot deel in particuliere handen overging. En in 1825 werd het bestuur van de marine verenigd met dat van de koloniën. Bij de marine had men vanaf 1817 een eigen stuurmanskamer: Dépôt van zeekaarten, instrumenten en tekeningen en modellen van schepen genaamd. Dépôt zeekaarten/Hydrografisch Bureau te Batavia (1823-1894) Te Batavia werd in 1821 de Commissie ter verbetering der Indische zeekaarten ingesteld. In 1823 werd daar bovendien een Dépôt van zeekaarten ingericht. In 1860 werd het Dépôt te Batavia omgevormd tot het Hydrografisch Bureau. Dit bureau werd, tussen 1873 en 1875 kortstondig en vanaf 1895 definitief, verenigd met het Hydrografisch Bureau in Nederland. Topografisch Bureau/Dienst Batavia (1864-1949) Aanvankelijk werd de topografische kartering in de Oost gedaan door de Directie der Genie. In 1864 werd voor deze werkzaamheden een apart bureau ingericht. Dit Topografisch Bureau, later Topografische Dienst genoemd, heeft tot de soevereiniteitsoverdracht de topografische kartering van Oost-Indië verzorgd. Mede vanwege de arbeidsintensieve landrentekarteringen werd de Topografische Dienst een van de grotere overheidsdiensten in de Oost. In de jaren '20 en '30 van de twintigste eeuw waren er meer dan 600 man in dienst. Algemene secretarie van de Nederlands-Indische regering (te Batavia) en de daarbij gedeponeerde archieven (1942-1950) De algemene secretarie was het administratief apparaat dat de Gouverneur-generaal terzijde stond. Het heeft gefungeerd van 1816 tot 1950. Stichtingen actief in Nederlands Nieuw-Guinea (1957-1966) Het ministerie van Overzeese Rijksdelen en de rechtsopvolgers van dit ministerie hebben diverse stichtingen opgericht die actief waren op een aantal deelterreinen van beleid ten aanzien van Nederlands Nieuw-Guinea. Deze stichtingen waren: Stichting Agrarisch Onderzoek, Stichting Agrarische Bedrijven, Stichting Demografisch Onderzoek, Stichting Geologisch Onderzoek.
1 Werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem in de Staten van Holland. De vergadering van de Staten van Holland werd aanvankelijk enkele malen per jaar en allengs frequenter gedurende een aantal weken in Den Haag gehouden. Vóór de vergadering werd een agenda - de punten van beschrijving - samengesteld door de raadpensionaris. Deze verstuurde de agenda aan de Ridderschap en de besturen van de achttien stemhebbende steden. Hierover werd dan in de steden en in de Ridderschap vergaderd. De gedeputeerden kregen vervolgens van hun stad of van de Ridderschap een bindende stemopdracht mee. Uit de periode vóór 1572 was de benaming voor het gaan naar de vergadering aangehouden: de afgevaardigden (gedeputeerden) gingen ter dagvaart naar de vergadering van de Staten van Holland. Haarlem zond maximaal zes gedeputeerden, waaronder steeds de pensionaris. Meestal gingen er echter slechts vier ter vergadering, in tijden van politieke conflicten of wanneer voor Haarlem grote belangen op het spel stonden waren alle zes aanwezig. De Ridderschap stemde altijd als eerste, daarna volgden de steden. In de stemvolgorde waren de gedeputeerden van Haarlem na die van Dordrecht altijd de tweede. Deze volgorde binnen de Staten van Holland werd bepaald door anciënniteit van de stemhebbende steden. 2 Werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem in de commissies. Het feit dat Haarlem de tweede stad was, bracht behalve de mogelijkheid van beïnvloeding van het stemgedrag van de daaropvolgende steden ook nog andere voordelen met zich mee. Naast de vergaderingen van het voltallige college waren er ook commissievergaderingen. Deze commissies, in die tijd besognes geheten, werden op twee manieren gevormd. Al vóór 1572 kenden de Staten van Holland ad-hoc commissies, samengesteld uit leden van de Staten, eventueel aangevuld met deskundigen uit andere colleges dan wel met ambtenaren of met beiden. Na 1572 nam de werkdruk in de Staten van Holland enorm toe. Deze werd grotendeels opgevangen door het uitbreiden van het aantal ad-hoc commissies. Hieruit ontstonden omstreeks 1600 een aantal vaste commissies waarin een zelfde aantal steden en/of de Ridderschap zitting had. 2.1 De vaste commissies. De vaste commissies waren aan het begin van de zeventiende eeuw in principe al verdeeld. Uiteraard werden niet alle commissies tegelijk ingesteld en bleven gedurende de hele periode van de Republiek niet dezelfde vaste commissies bestaan. Nu eens werden deze samengevoegd als de gewijzigde politieke of economische situatie dat nodig maakte dan weer ontstond een vaste commissie uit een ad-hoc commissie die gedurende lange tijd werkzaam bleef. (Zie bijvoorbeeld de commissie van manufacturen, later in verband met de gewijzigde omstandigheden manufacturen en zeezaken geworden: bijlage 1 op p. 188 van deze inventaris. Voor een ad-hoc commissie die uiteindelijk vaste commissie werd: zie het voorbeeld bij rubriek 1.2.2 op p. XV van deze inleiding.) Helaas is het onmogelijk een volledige lijst van de vaste commissies te geven, aangezien hierover tot nu toe nauwelijks gegevens zijn gevonden. ( Op basis van gegevens uit de boeken van F.W. Pestel, Commentarii de Republica Batava, deel II, p. 378 en R. Fruin, De gestie van dr. R.C. Bakhuizen van de Brink ..., p. 227-229, informatie van dr.A.J. Veenendaal jr. en eigen onderzoek zijn in ieder geval de volgende vaste commissies en hun voorzitters bekend: -commissie voor buitenlandse zakenRidderschap -commissie voor muntzaken,de Levant en zeezakenDordrecht -commissie voor justitie, conservatie van VlielandHaarlem -commissie voor financiën, de gemene middelenDelft -commissie voor kerkelijke zakenLeiden -commissie voor Noordse zaken, Oosterse zaken, Urk en EnsAmsterdam Verder zijn nog een aantal commissies bekend, maar helaas zijn tot nu toe samenstelling of voorzitter niet bekend. Dit zijn de commissies voor: Oostindische zaken, Westindische zaken, secrete zaken, admiraliteitszaken.) Het bekleden van het voorzitterschap van vaste commissies was eenvormig geregeld. Een instructie hiervoor is tot nu toe niet achterhaald, maar waarschijnlijk was dit in onderling overleg bepaald. Het voorzitterschap berustte bij de afgevaardigde van de Ridderschap, of indien dit college niet in de commissie zat, bij de afvaardiging van de oudste stad die in de commissie zitting had. Haarlem heeft van het begin af aan het voorzitterschap van de commissie van justitie bekleed. Deze commissie was zéér belangrijk ! Uit de uitkomsten van de daar behandelde zaken en uit de uiteindelijk daarover genomen resoluties, blijkt dat de Staten van Holland een legalistische staatkundige en politieke visie hadden. Het legalistische standpunt ging voor, ook in zaken, bijvoorbeeld op kerkelijk gebied, waar men in sommige opzichten een bevoorrechting van de gereformeerden zou verwachten. Vele en zeer uiteenlopende zaken zijn aan deze commissie voorgelegd. Door middel van "proefprocessen" werd één zaak helemaal uitgezocht en becommentarieerd, waarna het besluit in deze zaak diende als basis voor besluiten in vergelijkbare zaken in de toekomst. Wanneer een commissie vond dat zij zelf niet genoeg kennis bezat, werd informatie bij andere colleges of ambtenaren ingewonnen. Dit gebeurde vaak ook bij het doorverwijzen door de Statenvergadering naar een commissie, het zogenaamde "commissoriaal maken". In het geval van de commissie van justitie veelal informatie ingewonnen bij het Hof van Holland of de Hoge Raad van Holland. Deze commissarissen vergaderden dan samen met (een aantal van) de leden van de commissie om tot een juridisch juist standpunt te komen. 2.2 De ad-hoc commissies. Naast het voorzitterschap van de commissie van justitie had Haarlem, zoals gezegd, vaak zitting in ad-hoc commissies. Sommige hiervan waren niet van groot gewicht, zoals de ad-hoc commissie tot onderzoek naar het maken van goud uit duinzand. Ook functioneerden een aantal commissies slechts gedurende een heel korte periode voor de oplossing van één bepaalde zaak. Andere commissies, die jaren achtereen op ad-hoc basis functioneerden, waren van groter belang. De commissie tot verkoop van de domeinen is hiervan een goed voorbeeld, evenals de verschillende commissies tot herstel van de financiën en de commissie tot onderzoek naar de vernietiging van de paalworm. Deze laatste commissie ontwikkelde zich uiteindelijk, samen met een aantal andere ad-hoc commissies, van ad-hoc tot vaste commissie en kan als een van de voorlopers van de colleges van de provinciale- en rijkswaterstaat worden beschouwd. 3 Andere werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem. Naast de werkzaamheden in de vergadering van de Staten van Holland en in vaste en ad-hoc commissies van dit college, had er permanent één afgevaardigde van Haarlem zitting in het college van Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. Dit college adviseerde de Staten van Holland over zaken betreffende het Zuiderkwartier en had een aantal taken in dit ressort van de Staten van Holland gedelegeerd gekregen. Hierin was het gelijk aan het college van Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier. In tegenstelling daarmee deed het echter meer. Bij afwezigheid van de Staten van Holland, handelde het in opdracht van de Staten van Holland de dagelijkse zaken in het gewest af en kon het ook indien nodig, uiteraard in samenspraak met de raadpensionaris, de Staten van Holland in spoedzitting bijeen roepen. Aangezien de vertegenwoordiging van Haarlem in dit college, evenals trouwens van een aantal andere steden, permanent was konden de gedeputeerden ook wanneer de Staten niet bijeen waren snel en makkelijk aan informatie komen en zo voortdurend van de gang van zaken in Den Haag op de hoogte blijven. Regelmatig behoorden ze tot de afgevaardigden namens de Staten van Holland in de Staten-Generaal en in Generaliteitscolleges als de Raad van State en de Generaliteitsrekenkamer. Deze deelname aan de afvaardigingen vond plaats volgens per Generaliteitscollege vastgelegde roosters. Als afgevaardigde namens Holland in de Staten-Generaal konden de gedeputeerden van Haarlem ook in commissies van de Staten-Generaal benoemd worden. Een voorbeeld hiervan is de deelname van de pensionaris van Haarlem, Jacob Gilles, aan de ad-hoc commissie van de Staten-Generaal tot onderzoek naar de gebeurtenissen in de Groninger Ommelanden omstreeks 1732. De stukken van deze bezending zijn in dit archief bewaard gebleven. Bovendien hadden leden van het stadsbestuur van Haarlem zitting in een aantal colleges: in het college ter Admiraliteit van Amsterdam, in de kamer Amsterdam van de VOC en in die van de WIC, in het hoogheemraadschap Rijnland en vele andere lokale of regionale organen. Uit vorenstaande cumulatie van functies blijkt dat de reikwijdte van het stadsbestuur zich uit te strekte tot boven het plaatselijk niveau. De logementen van de gedeputeerden van de stemhebbende steden in Den Haag. Oorspronkelijk verbleven de gedeputeerden van alle steden die zitting hadden in de Staten van Holland tijdens de vergaderperiode in herbergen in Den Haag. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw, zo rond 1630, kwam hier verandering in. De steden huurden of kochten voor hun gedeputeerden huizen in Den Haag, nu eens per stad dan weer met een aantal steden tegelijk. Daar verbleven de gedeputeerden tijdens de vergaderingen. Deze huizen werden logementen genoemd. Zij moesten, zowel van hun stad, die geen ander logies betaalde, als van de Staten van Holland in deze huizen verblijf houden. Bij resolutie van 26 september 1670 werd zelfs besloten dat er niet meer door gedeputeerden van de Staten van Holland in gelegenheden mocht worden gegeten, waar voor het eten moest worden betaald. Dit was besloten in een poging om het uitlekken van geheime zaken tegen te gaan, hetgeen door de structuur van de overheidsorganisatie ten tijde van de Republiek, waardoor zeer velen deelnamen aan de regering, vrijwel ondoenlijk was. Geheime zaken werden onder andere in herbergen door gedeputeerden van alle colleges doorverteld. Het feit dat de Staten van Holland op deze manier probeerden staatsgeheimen af te schermen hielp zoals gezegd niet veel. Niet alleen verzuimden de andere colleges in Den Haag, bijvoorbeeld de Staten-Generaal en de Raad van State een gelijkluidende resolutie uit te vaardigen. Bovendien hadden gedeputeerden van de zes andere gewesten geen eigen logementen in Den Haag. Het logement van de stad Haarlem. De stad Haarlem kocht in 1636 een eigen logement aan de westzijde van de Lange Houtstraat. Dit werd in 1733 verkocht, nadat de stad een nieuw onderkomen aan de Korte Vijverberg gekocht had. In dit huis hebben de gedeputeerden tot de opheffing van Staten van Holland in 1795 hun verblijf gehad. Pas een aantal jaren daarna heeft Haarlem het logement verkocht. Op 28 november 1798 is er een contract opgemaakt, waarna op 28 februari 1799 het transport van het huis aan Petrus Franciscus van Schingen plaatsvond. Waarschijnlijk zijn er problemen geweest over zijn betaling aan de stad Haarlem, want op 28 november 1802 verkocht hij het, voor de prijs van vrijstellingen in (achterstallige) belastingen weer aan de vroegere eigenaar. Deze verkocht het logement definitief in augustus 1803 aan Pieter Christiaan Schlosser. Foto van het gebouw in de Lange Houtstraat waar het logement van Haarlem tussen 1636 en 1733 gevestigd was. Foto van het gebouw aan de Korte Vijverberg waar tussen 1733 en 1795 het logement van Haarlem gevestigd was.
1 Werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem in de Staten van Holland. De vergadering van de Staten van Holland werd aanvankelijk enkele malen per jaar en allengs frequenter gedurende een aantal weken in Den Haag gehouden. Vóór de vergadering werd een agenda - de punten van beschrijving - samengesteld door de raadpensionaris. Deze verstuurde de agenda aan de Ridderschap en de besturen van de achttien stemhebbende steden. Hierover werd dan in de steden en in de Ridderschap vergaderd. De gedeputeerden kregen vervolgens van hun stad of van de Ridderschap een bindende stemopdracht mee. Uit de periode vóór 1572 was de benaming voor het gaan naar de vergadering aangehouden: de afgevaardigden (gedeputeerden) gingen ter dagvaart naar de vergadering van de Staten van Holland. Haarlem zond maximaal zes gedeputeerden, waaronder steeds de pensionaris. Meestal gingen er echter slechts vier ter vergadering, in tijden van politieke conflicten of wanneer voor Haarlem grote belangen op het spel stonden waren alle zes aanwezig. (Dit blijkt uit de "presentieboeken in de vergaderingen van de Staten van Holland", die werden opgemaakt om presentiegeld te kunnen betalen aan de in den Haag aanwezige afgevaardigden van Haarlem. G(emeente)A(rchief) Haarlem, Stadsarchief van Haarlem, deel II, Inv(entaris)n(umme)r 975 (kast 29 II, nr. 6-8, 194-196) 16 september 1716-18 januari 1795 en uit de notulenboeken, vervaardigd door de pensionarissen om aan het stadsbestuur verantwoording te kunnen afleggen over de loop van de vergaderingen van de Staten van Holland. Hierin schreef de pensionaris in de marge welke Haarlemse gedeputeerden de vergadering bijgewoond hadden, GA Haarlem, Stadsarchief van Haarlem, deel II, inv. nr. 1774 (kast 13 nr. 132-181) 1716-1795 (met hiaten).) De Ridderschap stemde altijd als eerste, daarna volgden de steden. In de stemvolgorde waren de gedeputeerden van Haarlem na die van Dordrecht altijd de tweede. Deze volgorde binnen de Staten van Holland werd bepaald door anciënniteit van de stemhebbende steden. 2 Werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem in de commissies. Het feit dat Haarlem de tweede stad was, bracht behalve de mogelijkheid van beïnvloeding van het stemgedrag van de daaropvolgende steden ook nog andere voordelen met zich mee. Naast de vergaderingen van het voltallige college waren er ook commissievergaderingen. Deze commissies, in die tijd besognes geheten, werden op twee manieren gevormd. Al vóór 1572 kenden de Staten van Holland ad-hoc commissies, samengesteld uit leden van de Staten, eventueel aangevuld met deskundigen uit andere colleges dan wel met ambtenaren of met beiden. Na 1572 nam de werkdruk in de Staten van Holland enorm toe. Deze werd grotendeels opgevangen door het uitbreiden van het aantal ad-hoc commissies. Hieruit ontstonden omstreeks 1600 een aantal vaste commissies waarin een zelfde aantal steden en/of de Ridderschap zitting had. 2.1 De vaste commissies. De vaste commissies waren aan het begin van de zeventiende eeuw in principe al verdeeld. Uiteraard werden niet alle commissies tegelijk ingesteld en bleven gedurende de hele periode van de Republiek niet dezelfde vaste commissies bestaan. Nu eens werden deze samengevoegd als de gewijzigde politieke of economische situatie dat nodig maakte dan weer ontstond een vaste commissie uit een ad-hoc commissie die gedurende lange tijd werkzaam bleef. Helaas is het onmogelijk een volledige lijst van de vaste commissies te geven, aangezien hierover tot nu toe nauwelijks gegevens zijn gevonden. Het bekleden van het voorzitterschap van vaste commissies was eenvormig geregeld. Een instructie hiervoor is tot nu toe niet achterhaald, maar waarschijnlijk was dit in onderling overleg bepaald. Het voorzitterschap berustte bij de afgevaardigde van de Ridderschap, of indien dit college niet in de commissie zat, bij de afvaardiging van de oudste stad die in de commissie zitting had. Haarlem heeft van het begin af aan het voorzitterschap van de commissie van justitie bekleed. Deze commissie was zéér belangrijk ! Uit de uitkomsten van de daar behandelde zaken en uit de uiteindelijk daarover genomen resoluties, blijkt dat de Staten van Holland een legalistische staatkundige en politieke visie hadden. Het legalistische standpunt ging voor, ook in zaken, bijvoorbeeld op kerkelijk gebied, waar men in sommige opzichten een bevoorrechting van de gereformeerden zou verwachten. Vele en zeer uiteenlopende zaken zijn aan deze commissie voorgelegd. Door middel van "proefprocessen" werd één zaak helemaal uitgezocht en becommentarieerd, waarna het besluit in deze zaak diende als basis voor besluiten in vergelijkbare zaken in de toekomst. Wanneer een commissie vond dat zij zelf niet genoeg kennis bezat, werd informatie bij andere colleges of ambtenaren ingewonnen. Dit gebeurde vaak ook bij het doorverwijzen door de Statenvergadering naar een commissie, het zogenaamde "commissoriaal maken". In het geval van de commissie van justitie veelal informatie ingewonnen bij het Hof van Holland of de Hoge Raad van Holland. Deze commissarissen vergaderden dan samen met (een aantal van) de leden van de commissie om tot een juridisch juist standpunt te komen. 2.2 De ad-hoc commissies. Naast het voorzitterschap van de commissie van justitie had Haarlem, zoals gezegd, vaak zitting in ad-hoc commissies. Sommige hiervan waren niet van groot gewicht, zoals de ad-hoc commissie tot onderzoek naar het maken van goud uit duinzand. Ook functioneerden een aantal commissies slechts gedurende een heel korte periode voor de oplossing van één bepaalde zaak. Andere commissies, die jaren achtereen op ad-hoc basis functioneerden, waren van groter belang. De commissie tot verkoop van de domeinen is hiervan een goed voorbeeld, evenals de verschillende commissies tot herstel van de financiën en de commissie tot onderzoek naar de vernietiging van de paalworm. Deze laatste commissie ontwikkelde zich uiteindelijk, samen met een aantal andere ad-hoc commissies, van ad-hoc tot vaste commissie en kan als een van de voorlopers van de colleges van de provinciale- en rijkswaterstaat worden beschouwd. 3 Andere werkzaamheden van de gedeputeerden van Haarlem. Naast de werkzaamheden in de vergadering van de Staten van Holland en in vaste en ad-hoc commissies van dit college, had er permanent één afgevaardigde van Haarlem zitting in het college van Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. Dit college adviseerde de Staten van Holland over zaken betreffende het Zuiderkwartier en had een aantal taken in dit ressort van de Staten van Holland gedelegeerd gekregen. Hierin was het gelijk aan het college van Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier. In tegenstelling daarmee deed het echter meer. Bij afwezigheid van de Staten van Holland, handelde het in opdracht van de Staten van Holland de dagelijkse zaken in het gewest af en kon het ook indien nodig, uiteraard in samenspraak met de raadpensionaris, de Staten van Holland in spoedzitting bijeen roepen. Aangezien de vertegenwoordiging van Haarlem in dit college, evenals trouwens van een aantal andere steden, permanent was konden de gedeputeerden ook wanneer de Staten niet bijeen waren snel en makkelijk aan informatie komen en zo voortdurend van de gang van zaken in Den Haag op de hoogte blijven. Regelmatig behoorden ze tot de afgevaardigden namens de Staten van Holland in de Staten-Generaal en in Generaliteitscolleges als de Raad van State en de Generaliteitsrekenkamer. Deze deelname aan de afvaardigingen vond plaats volgens per Generaliteitscollege vastgelegde roosters. Als afgevaardigde namens Holland in de Staten-Generaal konden de gedeputeerden van Haarlem ook in commissies van de Staten-Generaal benoemd worden. Een voorbeeld hiervan is de deelname van de pensionaris van Haarlem, Jacob Gilles, aan de ad-hoc commissie van de Staten-Generaal tot onderzoek naar de gebeurtenissen in de Groninger Ommelanden omstreeks 1732. De stukken van deze bezending zijn in dit archief bewaard gebleven. Bovendien hadden leden van het stadsbestuur van Haarlem zitting in een aantal colleges: in het college ter Admiraliteit van Amsterdam, in de kamer Amsterdam van de VOC en in die van de WIC, in het hoogheemraadschap Rijnland en vele andere lokale of regionale organen. Uit vorenstaande cumulatie van functies blijkt dat de reikwijdte van het stadsbestuur zich uit te strekte tot boven het plaatselijk niveau. De logementen van de gedeputeerden van de stemhebbende steden in Den Haag. Oorspronkelijk verbleven de gedeputeerden van alle steden die zitting hadden in de Staten van Holland tijdens de vergaderperiode in herbergen in Den Haag. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw, zo rond 1630, kwam hier verandering in. De steden huurden of kochten voor hun gedeputeerden huizen in Den Haag, nu eens per stad dan weer met een aantal steden tegelijk. Daar verbleven de gedeputeerden tijdens de vergaderingen. Deze huizen werden logementen genoemd. Zij moesten, zowel van hun stad, die geen ander logies betaalde, als van de Staten van Holland in deze huizen verblijf houden. Bij resolutie van 26 september 1670 werd zelfs besloten dat er niet meer door gedeputeerden van de Staten van Holland in gelegenheden mocht worden gegeten, waar voor het eten moest worden betaald. Dit was besloten in een poging om het uitlekken van geheime zaken tegen te gaan (Deze resolutie is waarschijnlijk genomen naar aanleiding van het grote spionage schandaal rond 1668 rond gezant Leo Aitsema. Hierbij waren ook klerken van de secretarie van de Staten-Generaal en gedeputeerden in de Staten-Generaal betrokken. Het heeft geleid tot een groot aantal processen voor het Hof van Holland. RAZH, Archief van het Hof van Holland, inv. nr. 5197-5644, criminele papieren, 1667 nr. 7, 1668 nr. 27, 1669 nr 12,20, 1670 nr 9,24,25,30.), hetgeen door de structuur van de overheidsorganisatie ten tijde van de Republiek, waardoor zeer velen deelnamen aan de regering, vrijwel ondoenlijk was. Geheime zaken werden onder andere in herbergen door gedeputeerden van alle colleges doorverteld. Het feit dat de Staten van Holland op deze manier probeerden staatsgeheimen af te schermen hielp zoals gezegd niet veel. Niet alleen verzuimden de andere colleges in Den Haag, bijvoorbeeld de Staten-Generaal en de Raad van State een gelijkluidende resolutie uit te vaardigen. Bovendien hadden gedeputeerden van de zes andere gewesten geen eigen logementen in Den Haag. Het logement van de stad Haarlem. De stad Haarlem kocht in 1636 een eigen logement aan de westzijde van de Lange Houtstraat. Dit werd in 1733 verkocht, nadat de stad een nieuw onderkomen aan de Korte Vijverberg gekocht had. In dit huis hebben de gedeputeerden tot de opheffing van Staten van Holland in 1795 hun verblijf gehad. Pas een aantal jaren daarna heeft Haarlem het logement verkocht. Op 28 november 1798 is er een contract opgemaakt, waarna op 28 februari 1799 het transport van het huis aan Petrus Franciscus van Schingen plaatsvond. Waarschijnlijk zijn er problemen geweest over zijn betaling aan de stad Haarlem, want op 28 november 1802 verkocht hij het, voor de prijs van vrijstellingen in (achterstallige) belastingen weer aan de vroegere eigenaar. Deze verkocht het logement definitief in augustus 1803 aan Pieter Christiaan Schlosser. Foto van het gebouw in de Lange Houtstraat waar het logement van Haarlem tussen 1636 en 1733 gevestigd was. Foto van het gebouw aan de Korte Vijverberg waar tussen 1733 en 1795 het logement van Haarlem gevestigd was.
Michiel ten Hove, geb. te Nijmegen 4-5-1585, overl. te Amsterdam 30-8-1614 (zoon van Nicolaes die "in die troubele tijden zijn woonplaets uijt Cleese naar Nijmeegen" overbracht, en van Clara Lamerts), vestigde zich in 1602 te Amsterdam als koopman op `t Water en handelde er o.a. onder de firma Gerrit Lemmen en Michiel ten Hove. Trouwde te Amsterdam 28-12-1610 Susanna Kromhuizen, geb. te Antwerpen 1588. overl. te Amsterdam 24-4-1622, dr. van Melchior en van Maria Timmerman. Zij hertrouwde 27-6-1617 Jacob Tiboel, geb. te Emmerik 1588, overl. te Amsterdam en begraven in de O.-kerk 6-10-1642, suikerbakker bij zijn overlijden wonende op de Keizersgracht "in de Schaepskoy". Hij hertrouwde 31-11-1626 Maria Geesters, ged.in de O-kerk 15-1-1601 en begr. in de O.-kerk 23-12-1680, dr. van Harmen en van Magdalena Gemart. Uit het eerstgenoemde huwelijk werden twee zoons geboren: a. Mr. Nicolaes ten Hove, geb. te Amsterdam 1-11-1611, overl. aldaar 15-10-1673. Gedeputeerde van de Staat, met mr. Gijsbert de Witt, aan de koning, de koningin-regentes en de regering van Portugal 1657; raad ter Admiraliteit te Amsterdam voor de provincie Gelderland 1675-1679; bewindhebber der W.I.C. voor de kamer Rotterdam. Trouwde te `s-Gravenhage 15-2-1637 Cornelia Fagel (Halfzuster van Caspar Fagel, raadpensionaris van Holland en West-Friesland.), geb. te `s-Gravenhage 20-6-1613, overl. te Amsterdam 1-11-1693, dr. van mr. François, raadsheer in de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland (1619) en van zijn eerste vrouw Maria Rose. Hun zes gehuwde kinderen waren: aa. Maria ten Hove, trouwde Antoine Warin. bb. Mr. Michiel ten Hove, geb. te `s-Gravenhage 24-2-1640, aldaar kinderloos overl. 24-3-1689. Advocaat der W.I.C.; pensionaris van Haarlem (volgde als zodanig zijn oom Gaspar Fagel op) 1672-1689; commissaris der Staten tot redres van `s Lands Tin 10-2-1685. Waarnemend raadpensionaris van Holland en West-Friesland (na de dood van zijn oom Fagel) 22-12-1688 (overleed vóór de Staten tot de definitieve benoeming van een raadpensionaris hadden kunnen overgaan); hoogheemraad van Rijnland 1680; Heer te Sloten 22-3-1672. Elisabeht Bebber, geb. te Dordrecht 1644, overl. te `s-Gravenhage 28-2-1704, wed. van Jehan Diercquens uit Middelburg, zeer vermogend koopman te Amsterdam, op de O.Z. Achterburgwal en eigenaar van de suikerraffinaderijen "Diercquens Paradijs" op de Houtgracht te Amsterdam, de "Rosbeijer" op de Haringkade te Middelburg en "de Wijnbergh" op de Wijnbergsche Kaai te Vlissingen. cc. Magdalena ten Hove, trouwde Joan van Beaumont de Jonge weduwnaar van Catharina Charles. dd. Françoise ten Hove, trouwde met Jan van Erpecum, hertrouwde met Arent van der Waayen. ee. Abigael ten Hove, geb. 9-2-1650, trouwde 2-12-1644 mr. François Doublet Heer van Groenevelt, overl. 7-6-1688. Schout van `s-Gravenhage 1679; burgemeester aldaar 1680; drossaard en dijkgraaf van Gorinchem en het land van Arkel 1686, zn. van Philips Heer van Groenevelt, burgemeester van `s-Gravenhage 1672, ontvanger-generaal en Catharina van Overrijn. Hij hertrouwde Maria Fagel, geb. 11-10-1649, overl. 30-11-1729, dr. van mr. Henrie, griffier der Staten-Generaal 1672 en van Margaretha Rosa. ff. Cornelis ten Hove, geb. 18-8-1658, overl. te `s-Gravenhage 6-7-1694. Commies-generaal der convooien en licenten ter Admiraliteit te Amsterdam 1679; secretaris der Generaliteitsrekenkamer 1684; bewindhebber der W.I.C. Trouwde te Haarlem 24-21682 Catharina Diercquens, ged. in de Hervormde Kerk 9-12-1664 te `s-Gravenhage, overl. 4-6-1715, dr. van Jehan (zie hiervóór) en Elisabeth Bebber (die hertrouwde met Michiel ten Hove). Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren waaronder de drie volgende zoons: aaa. Mr. Michiel ten Hove, geb. 3-9-1684, overl. te `s-Gravenhage 20-11-1751, secr. aldaar 1710-1751. Trouwde te Amsterdam 4-8-1712 met Anna Maria du Peyrou, geb. 30-1-1685, kinderloos overl. 11-2-1748, dr. van Jean en Anna Maria Vellepontoux. bbb. Mr. Johan ten Hove, geb. 22-2-1690, ongeh. overl. te `s-Gravenhage 8-11-1747. Schout van `s-Gravenhage 1715; burgemeester aldaar 1723; griffier van de Lenen van Holland en Westfriesland 1727. Ontvanger van de Societeit te `s-Gravenhage. ccc. Mr. Nicolaas ten Hove, geb. 15-10-1693, overl. 31-1-1738. Agent van Hare Hoog Mogenden 1720; raadsheer aan de Hoven van Holland, Zeeland en West-Friesland 12-7-1725; secretaris van de Raad van State 27-10-1725; thesaurier-generaal der Unie 4-4-1737. Trouwde 4-3-1725 met Maria Françoise Fagel, geb. 19-7-17-5, overl. 27-4-1773, dr. van Cornelis Gerard, raadsheer aan de Hoven van Holland, Zeeland en West-Friesland en van Elisabeth Leicquens. Hun drie kinderen waren: A. Mr. Cornelis Michiel ten Hove, geb. 2-6-1726, ongeh. overl. Griffier der Lenen van Holland en Westfriesland 1747-1795. B. Maria Françoise ten Hove, trouwde David ten Hove. C. Mr. Nicolaas ten Hove, geb. 11-9-1732, ongeh. overl. te `s-Gravenhage 26-3-1782. Commies ter Griffie van H.H.M. 1750-1767; raad en generaalmeester van de Munten der Verenigde Nederlanden 1767. b. Melchior ten Hove, geb. te Amsterdam 15-3-1614, vestigde zich te Nijmegen en werd er schout 1642; 2e burgemeester 1661; 1e burgemeester 1670 (Mededeling van de heer H.D.J. van Scherichaven, gemeente-archivaris te Nijmegen.). Gedeputeerde ter Staten-Generaal voor de provincie Gelderland; raad-ordinaris aan het Hof van Gelderland voor het kwartier Nijmegen 28-7-1654 ( Mededeling van mr. J.I. Bijleveld, rijksarchivaris te Arnhem.). Bewindhebber der V.O.C. van de kamer Amsterdam voor de provincie Utrecht 1669. Trouwde te Nijmegen apr. 1638 met Henrica Ingenhagen, overl. te Nijmegen 5-6-1661 en hertrouwde 29-10-1662 met Maria Gout wed. van Jonkh. Everard van Steenhuysen tot Zandhuysen. Uit het tweede huwelijk werden zes kinderen geboren; uit het eerste vijf waaronder: Dr. David ten Hove, Heer van Rhijnauwen, ged. te Nijmegen 21-10-1642, overl. te Amsterdam en begr. in de O.-Kerk 28-10-1727. Werd 14-2-1675 door stadhouder Willem III aangesteld tot momber des Furstendoms Gelderland, deed vanwege zijn ouderdom afstand van deze betrekking 27-10-1708 (Mededeling van mr. J.I. Bijleveld, rijksarchivaris te Arnhem.), waarna hij Arnhem verliet en zich metter woon vestigde te Amsterdam op de Kloveniersburgwal. Hij was zeer vermogend en kocht in 1718 het Huis te Rhijnauwen onder Rhijnauwen (prov. Utrecht). Trouwde in 1681 met Johanna van Soest, geb. te Amsterdam 1660, dr. van Abraham van Soest Jacquesz. van Antwerpen, koopman te Amsterdam op de Oude Turfmarkt en van Susanna Kromhuizen Melchiorsdr (Susanna Kromhuizen hertr. in het stadhuis te Amsterdam 8-6-1670 met Jan Annickhuysen, koopman op de Keizersgracht en weduwnr. van Anna Maria Roeland.). Mr. Melchior ten Hove, Heer van Rhijnauwen, Sleeburg en Nieuwwaal, geb. te Arnhem 5-5-1682, overl. te Amsterdam 30-4-1750. Woonde in 1742 als rentenier te Amsterdam op de Keizersgracht, Zuidz. tussen de Reguliersgracht en de Vijzelstraat in een huis, thans no. 672, dat hij 16-5-1736 voor ? 66.500 gekocht had. Hij hield in 1742 vier dienstboden, een buitenplaats (`t Huis te Rynauwen), een koets en vier paarden en werd geschat op een inkomen van ? 22 à ? 24.000. Kanunnik in het Kapittel van Oud-Munster te Utrecht 1703-1748. Trouwde te Amstelveen 3-8-1718 met Johanna Maria Kromhuizen, vrouwe van Den Bosch, ged. 25-3-1689 en overl. 31-10-1763 "laatende een seer grooten schat gelt nae" ( Johanna Maria Kromhuizen erfde bij de dood van haar broer Abr. Kromhuizen, heer van Den Bosch 12-8-1751 als diens universeel erfgenaam een vermogen van), dr. van Abraham Kromhuizen, schatrijk koopman en reder op de Oostzee en Noorwegen, wonend te Amsterdam op de Keizersgracht (Melchiorsz. en Jannetje Ablijn) en van Susanna van Gistele. Uit dit huwelijk werd één zoon geboren: David ten Hove, Heer van Sleeburg, Den Bosch, Den Breur en Nieuwwaal. Raad 1766-1783; op zijn verzoek werd hem i.v.m. ziekte zijn ontslag verleend als raad in de Vroedschap 22-1-1783. Commissaris 1749; kanunnik in de Kapittels van St. Maria 1748-1786, en van Oud-Munster 1748-1776 te Utrecht; kerkmeester 1749; meesterknaap van de houtvesterij van Brederode 1776. Woonde op de Herengracht tussen de Leidsestraat en de Nieuwe Spiegelstraat (in sep. 1787 door zijn erfgenamen verkocht voor ? 83.000) en was de eigenaar van de hofstede "Woestduyn" onder Heemstede en Vogelenzang (die zijn moeder in 1751 van haar broer Abraham Kromhuizen geërfd had en die door Ten Hove`s erfgenamen in 1787 verkocht werd voor ? 35.500). Hij was enige malen milionair. Geb. te Utrecht 8-3-1724, overl. te Amsterdam 27-5-1787. Trouwde 8-7-1749 Cornelia Adriana Sautijn, geb. 14-10-1724, overl. 4-9-1750, dr. van mr. Willem en van Wendela Eleonora Reael. Hertrouwde te `s-Gravenhage mrt. 1756 Maria Françoise ten Hove, geb. 16-6-1728, kinderloos overl. 1761, dr. van mr. Nicolaas en Maria Françoise Fagel. Trouwde voor de derde maal op 25-9-1763 Jacoba Graswinckel, geb. 7-1-1723, overl. te Heemstede 28-7-1771, wed. van Adriaan Temminck, dr. van mr. Jan en Johanna Graafland. Vierde huwelijk 20-4-1777 met Sophia Adriana Kerckrinck, geb. 1-4-1737, overl. 27-3-1778, dr. van mr. Joan Hendrik en Haasje van Collen. Kinderen: AA Uit het eerste huwelijk: Wendela Eleonora ten Hove, Vrouwe van Doorn, Den Bosch en Sleeburg, geb. 21-8-1750, overl. 26-2-1814. Trouwde met mr. Willem Munter (Elias no. 288), hertrouwde te Bloemendaal okt. 1780 mr. Jan Carel Godin, Graaf van het H.R., Heer van Boelestijn, geb. te Utrecht 26-6-1752, overl. De Bilt 14-3-1787. Raad van de stad Utrecht 1776; schout aldaar 1781; kanunnik in het Kapittel van St. Maria aldaar, zn. van Pieter Anthonij (Elias: aant. bij no. 37) en Isabella Lucretia Barchman Wuytiers. BB Sophia Adriana ten Hove. Trouwde met mr. Joan Huydecooper.
De eerste telg van de bekende Amsterdamse regentenfamilie Huydecoper van wie stukken in het familiearchief zijn overgeleverd, is Jan Jacobsz. Bal, alias Huydecoper. De geschiedenis van de eerste generaties van de familie Huydecoper leest als een metafoor voor de geschiedenis van het Amsterdamse regentenpatrionaat. Aanvankelijk leerlooier en handelaar in huiden, en oorlogstuig, later bewindhebber van de Magellaensche Compagnie, werd Jan Jacobsz. Bal in 1578, bij Alteratie, door de vertenwoordigers van de schutterijen in de vroedschap gekozen. In hetzelfde jaar werd hij schepen. Hoewel hij het nooit tot burgemeester zou brengen, was zijn politieke carrière lang en lucratief. Als we Cornelis Pietersz. Hooft mogen geloven, heeft hij zich-met anderen, maar niet minder dan zij-verrijkt bij de grote stadsuitleg van 1613. Als thesaurier in de jaren dat het erop aankwam, was hij daartoe bij uitstek in een gunstige positie. Inmiddels had hij in 1608 de boerderij De Gouden Hoeve aan de Vecht te Maarsseveen aangekocht en die tot de buitenplaats Goudestein omgebouwd. Zijn zoon Joan trouwde met Maria, een dochter van Balthasar Coymans, stichter van het bankiers- en handelshuis Coymans, een Antwerpse immigrant die tot de hoogst aangeslagenen in de stad behoorde. De politieke carrière van Joan verliep voorspoedig: in 1630 in de vroedschap van Amsterdam gekozen, was hij de eerste twintig jaar een aantal malen schepen, in de jaren vijftig zes maal regerend burgemeester. In die functie ondernam hij eervolle buitenlandse, diplomatieke reizen en was betrokken bij de bouw van het nieuwe stadhuis.J.G. van Dillen, Bronnen tot de geschiedenis van het bedrijfsleven en het gildewezen van Amsterdam. Joan voltooide de verfraaiing van Goudestein en bracht de omgeving op commerciële wijze tot ontwikkeling door stukken land langs de Vecht onder Maarsseveen voor de bouw van buitenplaatsen, al of niet bebouwd, te huur of ter verkoop aan mederegenten aan te bieden. Daarbij maakte hij gebruik van kunst en kunstenaars. Hij was zich bewust van 'what art could contribute to Maarsseveen: architecture to beautify it, mapmaking to advertise it, and poetry to immortalize it. He used the patronage he wielded in Amsterdam to put artists, scholars, and publishers to work for him in Maarsseveen'. Beschreef Elias hem als 'een verlicht Maeceen, die het niet beneden zijne waardigheid achtte op vriendschappelijke wijze met hen te verkeeren', Schwartz, die we zojuist citeerden, kenschetst zijn relaties met kunstenaars als 'the typical Huydecoper style of exploitative patronage'. Tevens verwierf Joan zich, in de jaren veertig, de heerlijkheid Maarsseveen en Neerdijk, die daartoe van Maarssen werd afgesplitst, zodat hij zich vanaf dat moment heer van Maarsseveen en Neerdijk kon noemen. Door koningin Christina van Zweden in 1637 verheven tot eques aureatus, mocht ook hij de titel van ridder voeren. In 1650 werd hij door koning Lodewijk XIV bovendien opgenomen in de orde van Saint-Michel. In 1639 liet hij door Philips Vingboons, die ook in Maarsseveen voor hem actief was, een woonhuis bouwen aan het Singel, ter hoogte van de bloemenmarkt, later bekend als het 'huis van Huydecoper'. De Huydecopers hebben hun sociale en politieke positie in Amsterdam tot het eind van het ancien régime weten te handhaven. Huwelijken met de rijkste en meest invloedrijke families-aanvankelijk uit Amsterdam, later ook van elders-brachten een belangenverstrengeling mee met families als Coymans, Trip, Reaal, Hasselaer, Boudaen, Van Schuylenburg, Van Wickevoort, Bartolotti van den Heuvel, Van der Muelen en Van Lokhorst. Van 1650 to 1795 zijn van vader op zoon leden van de familie Huydecoper steeds voor kortere of langere tijd burgemeester van Amsterdam geweest: Joan was tussen 1651 en 1660 zesmaal regerend burgemeester, diens zoon Joan tussen 1673 en 1693 dertien maal, Jan Elias twee maal: in 1739 en 1744, Jan in 1749 en Jan Elias tussen 1785 en 1794 vier maal. Uiteraard is het bekleden van het burgemeesterschap in Amsterdam niet het enige criterium voor politieke macht en invloed. Wie eenmaal burgemeester of schepen was, of geweest was, maakte deel uit van de oudraad, het college dat jaarlijks de burgemeesters verkoos. Tussen 1578 en 1795 zijn er slechts enkele jaren waarin niet een van bovengenoemde heren van dat gezelschap deel uitmaakte. Overigens is dit niet verbazingwekkend: het steeds terugkomen van dezelfde familienamen in de hoogste politieke posities is kenmerkend voor de oligarchisering in de 17e en 18e eeuw, zoals Elias al in De vroedschap van Amsterdam heeft aangetoond. Tekenend voor de familie Huydecoper lijkt het echter dat zij altijd in de schaduw van de werkelijke politieke macht verkeerd hebben. Wie de machtsposities in het stadhuis nader bekijkt, ziet dat de eerste Joan Huydecoper in 1651 dank zij de kerkelijke partij tot het burgemeesterschap geroepen werd, maar zich daarna onmiddellijk bij de oppermachtige liberale partij van Cornelis de Graeff aansloot. De tweede Joan betrad in 1673 dank zij Willem III, maar vooral dank zij Gilles Valckenier het stadhuis, waar hij in 1690 in conflict kwam met de stadhouder. Vanaf 1693, gedurende de periode dat Hudde de macht had in het stadhuis, had deze de steun van Huydecoper kennelijk niet nodig. Typerend voor diens positie is misschien de situatie in 1700, toen Jo an Corver voor het eerst de positie van Hudde onder schot nam. Corver dreigde Hudde samenwerking te zullen zoeken met vier oud-burgemeesters, onder wie Huydecoper, om Hudde in de oudraad in de minderheid te brengen. Toen Hudde aan Corver toegaf, liet deze de oud-burgemeesters zonder problemen vallen; burgemeester zijn zij niet meer geworden. Vrijwel de gehele periode dat Joan en Gerrit Corver de macht in handen hadden, zijn de Huydecopers op de achtergrond gebleven. Pas in 1739 en 1743 mocht Jan Elias als bejaarde pion van Gerrit Corver het burgemeesterschap enkele malen waarnemen. Na deze politiek minder fortuinlijke periode heeft de familie Huydecoper met Jan en Jan Elias in de tweede helft van de 18e eeuw weer een vooraanstaande rol in de Amsterdamse en, wat de laatste betreft, nationale politiek gespeeld. Hoewel hij reeds in 1725 schepen was geweest, trad Jan Huydecoper pas in 1745 na de dood van zijn vader tot de vroedschap toe. Misschien heeft juist zijn relatieve afwezigheid van het politieke toneel hem ervoor behoed dat hij in 1748 als raad ontslagen werd en het mogelijk gemaakt dat hij het in 1749 onder stadhouderlijke invloed tot burgemeester bracht. In de daaropvolgende periode werd de politiek in Amsterdam bepaald door een anti-stadhouderlijke correspondentie, waarin het grootste gezag werd uitgeoefend door Egbert de Vrij Temmink. Tot deze correspondentie moet ook Jan Elias Huydecoper behoord hebben. Over hem is relatief weinig bekend, hoewel hij uit zijn eigen geschriften vermoedelijk beter bestudeerd kan worden dan menig voorganger. Sedert 1760 lid van de vroedschap en in 1761 schepen, was hij tussem 1768 en 1770 en opnieuw tussen 1777 en 1797 lid van Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier en raakte van alle regeringskwesties uitstekend op de hoogte. In 1785 werd hij burgemeester van Amsterdam. Samen met andere burgemeesters behoorde hij tot de aristocraten die zich zowel tegen Willem V als tegen de Patriotten verzetten. Ook toen de laatsten eind maart 1787 na de tussenkomst van de gewape nde burgerij het pleit in de Amsterdamse vroedschap gewonnen hadden, weigerden Huydecoper c.s. zich bij de prinsgezinden aan te sluiten. Het archief is voor het overgrote deel gevormd door twee 18e-eeuwse telgen. De reeds genoemde politicus Jan Elias en de geleerde en letterkundige Balthasar Huydecoper. Beider handschrift en correspondentie zijn overvloedig in de stukken vertegenwoordigd. Beiden hebben ook vrij veel materiaal aan het archief toegevoegd. Balthasar Huydecoper, de hypercritische bewerker van de Rijmkroniek van Melis Stoke, de 'taaldespoot uit de pruikentijd', de schrijver van bucolische poëzie en klassicistische drama's, heeft niet alleen veel aantekeningen, indices en afschriften in het arch ief nagelaten, via hem zijn ook nogal wat stukken in het archief terecht gekomen, die niet strikt als archiefstukken beschouwd kunnen worden. Gezien de logische samenhang met de archivalia en gezien het ontbreken van zijn bibliotheek, die na zijn dood is geveild, hebben we deze stukken bij het archief beschreven. Als baljuw van Texel, waar hij blijkens de correspondentie vaker niet dan wel resideerde, heeft hij een niet onbelangrijk aantal Texelse archivalia in zijn bezit gekregen, die in het familiearchief gebleven zijn. De centrale figuur in het archief is echter ongetwijfeld Jan Elias Huydecoper. Zijn intense belangstelling, gepaard aan een kennelijke schrijf- en verzamelwoede, zowel voor zijn eigen politieke activiteiten als voor de geschiedenis maakt hem tot degene die meer dan een ander aan de vorming van het archief heeft bijgedragen. Hij bewaarde een omvangrijke correspondentie en hield nauwkeurig aantekening van zijn ervaringen. Aan zijn dagboek en allerhande door hem geschreven aantekeningen en memories over politieke en juridische onderwerpen voegde hij archivalia toe. Aan het eind van zijn leven stelde hij daaruit een historische verhandeling over de jaren 1775 tot 1787 samen. Zijn historische belangstelling bracht hem ertoe het archief van zijn familie te inventariseren, en te plunderen. Tot dat archief behoorden toen nog niet de archieven van Balthasar Huydecoper, van de families Van Schuylenburg en Van Heemskerck, die pas later-via zijn vrouw-in het familiearchief terecht zouden k omen. Wel beschikte hij al over de 'papieren de familie Hasselaer concerneerende' en de 'papieren van andere familien', waaronder Coymans. Chronologisch geordend per familie beschreef hij hier de persoonlijke en, deels, zakelijke stukken uit het archief. De stukken gebruikte hij ook voor de samenstelling van genealogieën. Eveneens beschreef hij stukken betreffende ambtelijke en politieke onderwerpen in verschillende afdelingen, chronologisch geordend: 'Register der papieren rakende de stadt als lidt van Holland', 'Register der papieren concerneerende de policie en regeeringe der stadt int bijzonder 1576, 1656-1752', 'Register van mijne papieren het vaderlandt int gemeen concerneerende' en 'Prenten, papieren en politieke geschriften tot de historie, zaken van oorlog, buitenlandse zaken etc.' Blijkens de aantekening: 'NB. deeze zijn alle onder mijne generale papieren, ijder op zijn respect, en na ordre des tijds ingevoegt' werd de ordening van de stukken door deze onderwerpen bepaald. Aangezien Huydecoper hier ongetwijfeld stukken uit het familiearchief beschreef, en op deze stukken aantekeningen maakte, maar, uit historische of ambtelijk-politieke belangstelling, ook van elders stukken aan het archief toevoegde, is het-anders dan bij Balthasar Huydecoper-de vraag hoe deze stukken nu geïnventarise erd moeten worden. Er is voor de volgende oplossing gekozen: de stukken die door Jan Elias Huydecoper bij zijn aantekeningen en memories gevoegd zijn-hetzij van elders, hetzij uit het archief van de familie gelicht-zijn gelaten waar ze werden aangetroffen. Andere stukken van ambtelijke of politieke aard die door handschrift of adressering duidelijk bij een bepaalde in het archief vertegenwoordigde persoon thuis horen, zijn bij die persoon geplaatst. Tenslotte blijft dan een aparte afdeling stukken betreffende het bestuur van Amsterdam, het gewest Holland en de Generaliteit over, waarvan niet duidelijk is of ze door Jan Elias Huydecoper aan het archief zijn toegevoegd of al vroeger tot het archief behoord hadden. In de afdeling Stukken van persoonlijke aard zijn telkens per lid van de familie Huydecoper met zijn of haar huwelijkspartners de zuiver persoonlijke stukken en de ambtelijke stukken bijeengebracht en soms een beperkt aantal stukken afkomstig van de schoonfamilie. Daarnaast bevinden zich in het archief een viertal deelarchieven van aanverwante families. De eerste familie die stukken heeft nagelaten is de familie Coymans. Tussen beide families zijn in de 17e en aan het begin van de 18e eeuw in drie opeenvolgende generaties huwelijken gesloten: Maria Coymans trouwde in 1624 met Joan Huydecoper, Sophia Coymans met hun zoon Joan Huydecoper in 1656 en Sophia Isabella Coymans met Joseph Huydecoper in 1706. De familie Coymans stamt af van een voorname Antwerpse koopliedenfamilie, die zich rond 1585 aanvankelijk in Hamburg, later in Amsterdam vestigde. Daar stichtte Balthasar Coymans de befaamde koopmans- en bankiersfirma Coymans. Hij liet door Jacob van Campen het 'huis van Coyman s' op de Keizersgracht tegenover de Westermarkt bouwen. Dit huis is, waarschijnlijk met het archief, door het huwelijk van 1706 in bezit van de familie Huydecoper gekomen. De tweede familie die archivalia aan het archief Huydecoper heeft toegevoegd, is de familie Hasselaer, waarvan uit de 15e eeuw al een lid, in Leiden, bekend is. In de 16e eeuw is het een bekende Haarlemse brouwersfamilie. Na de val van de stad heeft de Pieter Dirksz. zich in Amsterdam gevestigd, waar hij betrokken was bij de oprichting van de VOC. In de 17e en 18e eeuw vormt de familie een belangrijk Amsterdams regentenges lacht, hetgeen onder meer blijkt uit het burgemeesterschap van Pieter, Gerard en Gerard Arnoud Hasselaer. Tevens blijkt dit uit de familieverwantschap met onder meer de familie Huydecoper, waardoor archivalia Hasselaer, via het huwelijk van Agatha met Jan Elias Huydecoper in 1692 in het archief terecht zijn gekomen. De familie Van Schuylenburg, heren van Duckenburg, oorspronkelijk afkomstig uit Wijk bij Duurstede, was een bekende Haagse en Haarlemse regentenfamilie die, evenals Huydecoper, ten tijde van Willem III belangrijke functies in de omgeving van de stadhouder vervulde; zo fungeerde Willem van Schuylenburg als secretaris, rekenmeester en thesaurier-generaal en was zijn zoon Johan griffier van de stadhouderkoning. De stukken van deze familie moeten in het Huydecoperarchief terecht gekomen zijn door het huwelijk van Jan Elias Huydecoper met Anna Elisabeth van Schuylenburg in 1768, die waarschijnlijk de stukken afkomstig van de familie Van Heemskerck via haar zuster, Cornelia Jacoba van Schuylenburg, echtgenote van Willem van Heemskerck, erfde. De familie Van Heemskerck, graven van het Heilige Roomse Rijk, heren van Achttienhoven, was oorspronkelijk uit Leiden afkomstig.
Met de dood van Othon Daniel van der Staal van Piershil in 1937 stierf een oude Hollandse regentenfamilie uit. Al in het begin van de vijftiende eeuw maakten leden van de familie Van der Staal deel uit van de magistraat van Schoonhoven. Door huwelijken in de zeventiende eeuw ontstonden banden met de regentenfamilies van Rotterdam. Dit had tot resultaat, dat de familie gedurende de achttiende eeuw onafgebroken zitting had in de vroedschap van deze stad. Na de bestuursomwenteling als gevolg van de Bataafse Revolutie keerde zij daar niet terug, vestigde zich te 's-Gravenhage maar leefde het grootste gedeelte van het jaar als landjonkers op hun buitenplaatsen. Tenslotte ontwikkelden zich nauwe relaties met hofkringen, waarin de laatste generatie Van der Staal ook is opgenomen. Het is de moeite waard om over deze familie, die meer dan 500 jaar onafgebroken deel heeft uitgemaakt van het regentenpatriciaat in Holland en daardoor mede de gang van zaken in deze provincie bepaalde, iets meer mede te delen. De oudste bekende voorvader van het uit Schoonhoven afkomstige geslacht is Klaas Egbertsz.. Hij werd in 1411 als schepen aangesteld en was bij zijn dood omstreeks 1434 burgemeester van Schoonhoven. Zijn zoon Egbert Klaasz., kleinzoon Klaas Egbertsz. en achterkleinzoon Dirk Klaas Egbertsz. zijn allen schepen en later burgemeester van Schoonhoven geweest. Nakomelingen van Dirk Klaas Egbertsz. zijn niet bekend. Het geslacht zet zich voort met de oudste zoon van Dirk Egbertsz., een broer van de in 1438 overleden Klaas Egbertsz., genaamd Egbert. Hij werd volgens de familietraditie achtereenvolgens schepen en burgemeester van Schoonhoven. Egbert Dirksz. had twee zonen, Jasper en Melchior. Beiden bekleedden vooraanstaande posities, wat onder meer tot uiting komt in de huwelijken van hun kinderen. Zoals uit het onderstaande blijkt, genoten Melchiors kinderen aanvankelijk een grotere bekendheid in de Nederlanden dan die van Jasper. Jasper Egbertsz., vermoedelijk apotheker of chirurgijn, werd evenals zijn voorouders aangesteld tot schepen, was lid van de vroedschap en later burgemeester. Zijn broer Melchior is, voor zover bekend geen schepen geweest of lid van de vroedschap, vermoedelijk omdat Jasper dit was en broers niet tegelijkertijd zitting mochten hebben in het stadsbestuur. Twee van Melchiors kinderen, Agnes en Egbert, hadden een vooraanstaande positie. Agnes Melchiorsdr. van der Staal als echtgenote van Dirk Jansz. Loncq, die niet alleen lid van de vroedschap, schepen en burgemeester van Gouda was, maar ook raadsheer van de Prins van Oranje, lid van de landraad van Delft en trezorier-generaal van Holland. Hun kleinzoon, Melchior van Beverningh, was de vader van de bekende staatsman Hieronymus van Beverningh. Egbert Melchiorsz. van der Staal was schepen, later burgemeester van Schoonhoven. In die kwaliteit werd hij met zijn zwager Van Couwenhoven afgevaardigd naar Middelburg om met de Prins van Oranje te onderhandelen. Hun drie neven waren Egbert, Bartholomeus en Cornelis Jaspersz. van der Staal. Egbert en Cornelis werden evenals hun voorouders en hun neef Egbert Melchiorsz. van der Staal schepen en lid van de vroedschap van Schoonhoven, terwijl Bartholomeus naar Amsterdam vertrok. Van Egbert Jaspersz. is tevens bekend, dat hij Heilige Geestmeester en trezorier was. Zijn broer Cornelis was olieslager te Schoonhoven. Met de vestiging van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal te Amsterdam ontstond de Amsterdamse tak van de familie. Welk beroep hij uitoefende is niet bekend. Uit akten van transport en verdelingen van nalatenschappen blijkt dat hij woonde in een huis, gelegen "in de Gansoort op de hoeck van de Halsteech daar Schoonhoven uithangt". In een transportakte van een gedeelte van een huis, tuin enz. door zijn zoon aan zijn schoonzoon heet het "eenderde deel van een houttuyn, staande ende gelegen in de Oude Syts Houttuynen, eertyts genaemt Schoonhoven". Kennelijk had hij het wapen van Schoonhoven buiten hangen en ook de houttuin naar zijn vaderstad genoemd. Van zijn vrouw is niets anders bekend dan haar patroniem, nl. Gerritsdr. Het valt op, dat de kinderen van Jasper en Melchior voor het eerst met de naam Van der Staal vermeld staan in akten, die opgemaakt zijn te Gouda, Amsterdam en Schoonhoven. Mogelijk werden zij al eerder zo genoemd maar werd het vertrek van familieleden naar andere steden, nl. Agnes Melchiorsdr. naar Gouda en Bartholomeus Jaspersz. naar Amsterdam, aanleiding om deze naam regelmatig te gaan gebruiken. Met de overgang van Schoonhoven naar Staatse zijde bleef de familie Van der Staal de Rooms-Katholieke Kerk trouw. De eerder genoemde Egbert Melchiorsz. noch zijn zoon Jan of een van diens nakomelingen keerden terug in de vroedschap van Schoonhoven. Voor het bekleden van overheidsambten werden door de Staten regels gesteld. Men moest onder andere meerdere jaren poorter zijn van een stad, daarnaast een bepaalde kennis en gegoedheid bezitten en lid zijn van de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Deze laatste eis kan van invloed zijn geweest op het vertrek van Govert Egbertsz. van der Staal naar Gouda, waar hij zich als brouwer vestigde. Zijn broer Lambert stichtte met zijn zwager Adam Jaspersz. twee studiebeurzen aan de Hoge School te Leuven. Daar deze Goudse tak van de familie niet overging naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk, bleef zij van stadsambten uitgesloten. Door het huwelijk van Cornelis Govertsz. van der Staal, die gelijk zijn vader brouwer te Gouda was, vertoont deze tak een genealogisch interessant aspect. Evenals de neef van zijn vader, Wolfert Cornelisz. van der Staal, die nog aan de orde komt, trouwde hij een dochter uit een bekende Rotterdamse regentenfamilie. In 1619 werd te Rotterdam het huwelijk gesloten tussen hem en Maria Cornelisdr. Elsewaal. Uit het huwelijk Van der Staal-Elsewaal werden twee dochters en een zoon geboren. Deze zoon had geen nakomelingen, waardoor de Goudse tak omstreeks 1658 in mannelijke lijn uitstierf. De Amsterdamse tak van de familie, die ontstond door het voornoemde vertrek van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal naar Amsterdam, trof enkele jaren later hetzelfde lot. Uit het huwelijk van Bartholomeus van der Staal en N. Gerritsdr. werden drie kinderen geboren: Gerritje, Jasper en Gerrit. Deze kinderen behoorden evenals hun vader tot de gegoede burgerij. Niet verzuimd mag worden te wijzen op de huwelijken van Gerritje en Gerrit. Gerritje was gehuwd met Frans Jansz. Sael. Hun dochter Annetje trouwde met Pieter Barentsz. Plemp, apotheker te Amsterdam, een broer van de vermaarde arts Vopiscus Fortunatus Plemp, terwijl ook hun kleinzoon arts was. Gerrit, die getrouwd was met een dochter van de secretaris van Amsterdam, was koopman en liet blijkens zijn testament kinderen na. Jasper Bartholomeusz. was tinnegieter van beroep. Hij woonde op de Nieuwezijds Voorburgwal in het huis De Akkerman, terwijl ook het huis van zijn vader op de hoek van de Halsteeg en het huis De Zon op de Kolk hem toebehoorde. Zijn nalatenschap was aanzienlijk. Daar zijn oudste zoon Bartholomeus voor hem kinderloos overleed, waren erfgenamen zijn zoon Cornelis, die als pater Felix van Amsterdam in Leuven tot de orde der Capucijnen was toegetreden, zijn zuster Gerritje en zijn broer Gerrit. Tegen het gedeelte, dat nagelaten werd aan Cornelis Jaspersz. van der Staal, alias pater Felix, is later door de familie bezwaar gemaakt. Met de dood van pater Felix in 1661 is de Amsterdamse tak in mannelijke lijn uitgestorven. De Schoonhovense tak van de familie zet zich voort met een kleinzoon van Cornelis Jaspersz. van der Staal en Aagje Wolfertsdr., Hendrik Wolfertsz. van der Staal. Zijn vader de al eerder genoemde Wolfert Cornelisz. van der Staal, was als apotheker werkzaam te Rotterdam, waar hij in 1607 trouwde met Emerentia Couwael, dochter van Hendrik Pietersz. Couwael en Anna Quirijnsdr. Verhaven. De families Couwael en Verhaven behoorden tot de regentenfamilies. Uit dit huwelijk werden twee dochters Anna en Agatha geboren en drie zoons: Cornelis, Hendrik en Pieter. Vermeldenswaard is het huwelijk van Anna. Zij trouwde met de koopman Cornelis Joppen Slingerlandt, zoon van de haringkoopman Job Cornelisz. Slingerlandt en Harmpje Quirijnsdr. Verhaven. Harmpje was een kleindochter van het vroedschapslid Quirijn Jansz. Verhaven en een nichtje van de bovengenoemde Anna Quirijnsdr. Verhaven. Agatha bleef ongehuwd. Van de drie zoons vestigde Cornelis zich in Rotterdam, Hendrik zoals vermeld in Schoonhoven terwijl Pieter naar Kaap de Goede Hoop vertrok en later naar Batavia. Evenals zijn vader was Cornelis Wolfertsz. van der Staal apotheker te Rotterdam. Door zijn huwelijk in 1647 met de Rotterdamse Sophia Gijsbrechtsdr. Elsewael, werden al bestaande banden met regentenfamilies nauwer aangehaald. Uit dit huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. De zoon, Wolfert Cornelisz. van der Staal, was koopman en trouwde in 1666 de protestantse Maria le Maire. Hun enig dochtertje overleed zeer jong voor haar vader. De jongste broer, Pieter Wolfertsz. van der Staal, was ziekenbezoeker in dienst van de V.O.C. aan Kaap de Goede Hoop en in Batavia. In 1649 trouwde hij te Schiedam met Geertruid van Riebeeck, dochter van Anthonie van Riebeeck en Elisabeth Govertsdr. Pieter overleed te Batavia tussen 1664 en 1670; Geertruid overleed in 1670 eveneens te Batavia. Voor zover bekend werden uit dit huwelijk alleen dochters geboren. Al werd de familie Van der Staal door maatregelen van de overheid inzake de godsdienst uit overheidsambten geweerd, zij heeft, zoals hierboven bleek het contact met de regentenfamilies vooral door huwelijken weten te bewaren. Lang heeft deze uitsluiting niet geduurd. De overgang naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk gaf hen weer toegang tot bestuurscolleges, zodat alleen de generatie van Wolfert Cornelisz. van der Staal, gehuwd met Emerentia Couwael, geen overheidsambten heeft bekleed. Hendrik Wolfertsz. van der Staal en zijn broer Pieter zijn de eersten geweest, die tot de nieuwe leer overgingen. Hendrik werd evenals zijn grootvader Cornelis Jaspersz. van der Staal lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven. Uit zijn huwelijk met Haasje de Graaff, dat in 1639 te Schoonhoven werd gesloten, werden een zoon en een dochter geboren. Zijn zoon Wolfert was de eerste van de familie Van der Staal, die een academische opleiding volgde. Aan de Universiteit van Leiden studeerde hij rechten, waarna hij in 1669 promoveerde. Tevens was hij de laatste Van der Staal, die lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven is geweest. In 1671 trouwde hij Elisabeth Botter. Van de zeven uit dit huwelijk geboren kinderen is alleen de oudste, Hendrik, in leven gebleven. Wolfert Hendriksz. van der Staal overleed in 1678, slechts 32 jaar oud. In de achttiende eeuw, die om verschillende redenen wel de eeuw van het verval wordt genoemd, vestigde de familie Van der Staal zich in Rotterdam. Het was een periode, die onder meer gekenmerkt werd door grote tegenstellingen tussen de regenten, soms ware geldmagnaten, en het gewone volk, waarvan het aantal, dat op de rand van de armoede leefde en door de minste verandering in de conjunctuur voor lange tijd tot pauperisme verviel, hand over hand toenam. Schuldig hieraan waren onder meer de eenzijdige ontwikkeling van de handel en de toenemende concurrentie van het buitenland. De stapelmarkt verviel, waardoor grote structurele werkloosheid ontstond, die mede door het verdwijnen van vele takken van nijverheid steeds moeilijker te bestrijden viel. Het was in deze eeuw vooral de geldhandel, die bloeide. Van grote handelsmogendheid werd de Republiek meer en meer een renteniersstaat. De familie Van der Staal was een ambtenarenfamilie, die in de eerste plaats haar inkomsten verwierf uit ambten en bezittingen. Met de geldhandel als zodanig had zij niets te maken. Door hulijken echter werd zij geparenteerd aan deze handelsfamilies en zoals hieronder blijkt verwierf zij, door het uitsterven van bepaalde staken of soms hele families, vermogens. De in 1671 te Schoonhoven geboren Hendrik Wolfertsz. van der Staal studeerde evenals zijn vader rechten aan de Universiteit van Leiden. In 1701 trouwde hij met de Rotterdamse Johanna Maria Hechtermans, dochter van de uit Dordrecht afkomstige mr. Cornelis Hechtermans en Margrieta van Yck. Door dit huwelijk werd hij opgenomen in de meest invloedrijke regentenfamilies van Rotterdam. Door zijn huwelijk en door voorspraak van zijn schoonvader Dirk Meesters werd hij in 1707 lid van de vroedschap van Rotterdam en tegelijkertijd lid van de gezaghebbendste Correspondentie in de vroedschap. De familie Van der Staal en alle aangetrouwde families maakten tot aan de Bataafse Revolutie deel uit van de Correspondentie. Genoemd kunnen worden de familie Bichon, de kunstverzamelaarsfamilie Lormier en de bekende familie Gevers met de daaraan verwante geslachten IJsbrands, Noorthey en Pelt. Voorts de familie Meerman, verwant aan de invloedrijke koopmans- en bankiersfamilie Van Schoonhoven, die via de koopmansfamilie Witheyn verwant was aan de Amsterdamse regentenfamilies Backer en De Mey van Streefkerk. Via de families Meerman en Gevers waren zij afstammelingen van Witte Cornelisz. de With, de bekende vice-admiraal van Holland en Westfriesland, die in 1658 sneuvelde tijdens de Noorse oorlog bij de slag in de Sont. Van de familie Van der Staal en aanverwante families behoorden velen tot de maecenaten van het Bataafs Genootschap, wat blijk gaf van een brede belangstelling. De zoon en kleinzoon van Hendrik van der Staal, Dirk Cornelis en Claudius, behoorden hiertoe evenals Johan Wilhem Lormier en Jean Bichon. Ook de schoonzoon van Dirk Cornelis van der Staal, Abraham Gevers en zijn kleinzoon Dirk Cornelis Gevers, heer van Endegeest gaven blijk van hun belangstelling voor dit genootschap. Vanaf het hierboven genoemde jaar 1707 tot aan de Bataafse Revolutie hebben leden van de familie Van der Staal onafgebroken zitting gehad in de vroedschap van Rotterdam. De aanstelling als lid van de vroedschap was er een voor het leven. In deze functie kwam men in aanmerking voor het vervullen van ambten, die direct te maken hadden met besturen van de stad zoals burgemeester of trezorier en ambten, waarin men de stad vertegenwoordigde in landelijke organen zoals afgevaardigde voor Rotterdam in de Staten van Holland en Westfriesland of ter Generaliteitsrekenkamer. Hendrik van der Staal, zijn zoon Dirk Cornelis en kleinzoon Claudius waren alle drie naast lid van de vroedschap gedeputeerde ter dagvaart, trezorier en burgemeester. Daarnaast vervulden zij een aantal stedelijke en provinciale ambten en hadden tevens zitting in verschillende generaliteitscolleges. Zo was Hendrik onder meer baljuw en gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer, Dirk Cornelis schepen en rekenmeester en Claudius gedeputeerde ter Admiraliteit op de Maas en lid van de Raad van State. Uit het huwelijk van Hendrik Wolfertsz. van der Staal en Johanna Maria Hechtermans werden dertien kinderen geboren, waarvan zes de volwassen leeftijd bereikten en drie zijn gehuwd, te weten Dirk Cornelis, Maria Johanna en Margaretha. In verband met de vererving van de goederen, afkomstig van de families Hechtermans en Braat, is het niet ondienstig te vermelden dat Maria Johanna trouwde met het vroedschapslid Pieter Baelde. Dankzij zijn schoonvader en evenals zijn zwager bekleedde hij in die functie diverse ambten. Na zijn dood in 1763 hertrouwde zijn weduwe in 1768 met de predikant Bartholomeus van Velzen. Margaretha van der Staal was in 1753 getrouwd met Adrianus Oudemans, predikant te Noordwijk aan Zee. Dirk Cornelis van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Utrecht. Hij trouwde in 1734 Catharina Elisabeth Lormier. Door dit huwelijk werd hij de zwager van de Haagse kunstverzamelaar Adriaan Leonard van Heteren, die getrouwd was met Wouterina Brigitta Lormier. Daar de zoons van Adriaan Leonard van Heteren al jong waren overleden en het huwelijk van zijn zwager Johan Wilhem Lormier en Sara Pelt kinderloos bleef, liet hij zijn vermogen na aan de kinderen van Dirk Cornelis van der Staal, genaamd Catharina Wilhelmina en Claudius. Catharina Wilhelmina, die in 1754 getrouwd was met Abraham Gevers, weduwnaar van Kenau Deynoot, erfde in 1788 van haar tante Sara Pelt de heerlijkheid van Kethel en Spaland. Claudius van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden. Hij trouwde in 1763 met Hillegonda Petronella Meerman. Zij was, met haar zuster Johanna Geertruida, erfgename van haar grootmoeder van vaders zijde Hillegonda Gevers en van haar vader Pieter Meerman, die in 1762 kort na elkaar waren overleden. Door het uitsterven van verschillende staken van het geslacht Gevers vererfden onder meer de ambachtsheerlijkheid van Piershil en de landen van Schakenbosch via Pieter Meerman aan zijn dochter Hillegonda Petronella, die van de ambachtsheerlijkheid afstand deed ten behoeve van haar moeder Jacoba Catharina van Schoonhoven. Deze Jacoba Catharina was een energieke vrouw, die na de dood van haar man de zaken zoveel mogelijk zelf regelde. Uit brieven aan haar zaakwaarnemer Pieter Leonard Stumphius komt dit duidelijk naar voren. Zij stond met hem op goede voet en hij werd door haar als lid van de familie beschouwd. Daar hij ook de zaken van haar vader Pieter en haar broer Thymon behartigde was hij met alle familieaangelegenheden op de hoogte. Hoewel zakelijk van opzet geven deze brieven toch een aardig beeld van de schrijfster en haar familie, de onderlinge relaties van de regentenfamilies en komen naast de voorrechten, die verbonden zijn aan het bezit van kapitaal en goederen, de zorgen tot uiting, die het beheer hiervan met zich meebracht. Uit deze brieven blijkt onder meer dat zij haar schoonzoons Claudius van der Staal en Daniel Pompejus du Tour het geld leende om de buitenplaatsen Voorlinden en Wiltrust onder Wassenaar te kopen en dat zij zich veel moeite getroostte om Claudius een plaats als raadsheer bij het Hof van Holland te bezorgen. Ook de heerlijkheid van Piershil komt ter sprake evenals de heerlijkheid van Oud-Beijerland, welke laatste zij in 1767 kocht. Door het uitsterven van het geslacht Van Schoonhoven in mannelijke lijn zijn verhoudingsgewijs veel stukken bewaard gebleven van Pieter van Schoonhoven. Hij was een van de rijkste mannen van Rotterdam wat blijkt uit het kohier van de Personele Quotisatie van 1742, waarin hij onder de hoogstaangeslagenen behoort. Deze rijkdom, zijn Franse geboorte, antistadhouderlijke gezindheid en doorgaande graanhandel op Frankrijk, ondanks het plakkaat hiertegen van de Staten-Generaal waren evenzovele oorzaken, om hem en andere regenten tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog te wantrouwen en van verraad te beschuldigen. Van de Orangisten kreeg hij de bijnaam van Franse Piet. Hoewel de burgers over het algemeen van mening waren, dat zij de regenten alle eer en achting waren verschuldigd, sloten zij Pieter van Schoonhoven, en onder andere ook Claudius Lormier, hiervan nadrukkelijk uit. Maar ook uit eigen kring kwam kritiek, onder andere op de beleggingen van kapitaal in het buitenland, waardoor de kredietwaardigheid van het land werd aangetast. In 1748 werd Pieter van Schoonhoven met vier andere regenten, "tot wegneming van diffidenten en murmuratie onder de ingesetenen", door Willem IV afgezet als lid van de vroedschap. Hierdoor kwam tegelijk een einde aan de Correspondentie, die pas na de dood van de prinses-gouvernante Anna in 1759, herleefde. Pieter van Schoonhoven was gehuwd met Maria Anna Witheyn. Haar nicht Johanna Maria Witheyn, enige dochter van de Amsterdamse reder en koopman Johan Witheyn, was gehuwd geweest met Abraham van Harencarspel en Vincent Maximiliaan baron van Lockhorst, heer van Ter Meer en Maarssen. Na de dood van haar tweede echtgenoot behield zij de beschikking over het huis Ter Meer terwijl zij tevens een huis bezat op de Herengracht te Amsterdam. De kinderen uit haar eerste huwelijk stierven jong waardoor Maria Anna Witheyn en haar neven Jean Gijsberto de Mey en Cornelis Jansz. Backer de enige erfgenamen waren van deze schatrijke weduwe. Door het kinderloos overlijden van de kleinzoons van Pieter van Schoonhoven, Pieter, Adriaan en Jacob, zoons van zijn enige zoon Thymon, bleef zijn dochter Jacoba Catharina van Schoonhoven, weduwe Meerman, als enige erfgename over. Zij erfde onder meer het buiten Haagvliet te Voorburg, dat met haar huis op het Tournooiveld, vererfde aan haar kleindochter Jacoba Catharina Geertruida du Tour, gehuwd met Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese. Als hun gasten hebben op Haagvliet tijdelijk koning Lodewijk Napoleon en zijn vrouw Hortense de Beauharnais geresideerd. Hillegonda Petronella Meerman stierf op Voorlinden in 1799, drie jaar na Claudius van der Staal. Haar nalatenschap bleef tot 1806 ongedeeld tussen haar drie zoons Abraham Willem, Daniel Pompejus Johannes en Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal. Abraham Willem erfde de heerlijkheid van Oud-Beijerland en noemde zich Van der Staal van Oud-Beijerland. Na zijn dood in 1821 ging de heerlijkheid over op zijn dochter Everdine Suzette, gehuwd met Samuel François Anne van Pallandt, waardoor de tak Van Pallandt van Oud-Beijerland ontstond. Na haar dood erfde haar zoon Jan Werner de heerlijkheid, die hij in 1907 naliet aan zijn neef Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken van Zuylen, de zoon van zijn zuster Henriëtte Charlotte Everdine. Het archief van de heerlijkheid van Oud-Beijerland vanaf 1767 tot 1900, berust thans op het Rijksarchief in de provincie Utrecht, waar het deel uitmaakt van het archief van het slot Zuylen. De landen van Schakenbosch gingen over op Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal en ook hij noemde zich naar zijn goederen nl. Van der Staal van Schakenbosch. Hij was lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij zitting had voor de eigenerfden. Daar hij reeds in 1818 overleed en zijn enige dochter Claudine Claire hem slechts tot 1826 overleefde, besloten de erven Van der Staal met instemming van haar echtgenoot Marie Ferdinand baron de Flotte in 1828 deze landen in het openbaar te verkopen. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Naast ambachtsheer was Daniel Pompejus Johannes hoogheemraad van Rijnland en maire van Lisse. In Lisse woonde hij op het uitgestrekte landgoed Wassergeest, dat hij in 1804 kocht van Isaac van Buren. Hij vergrootte Wassergeest door aankoop van onder andere de boerderij van het in 1782 gesloopte huis Grotenhof, de bouwmanswoning Duinhof, de boerderijen de Phoenix en de Hoogewerf in de Laageveense polder, waardoor Wassergeest zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof. Na Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne Adriaan van Pallandt, die op Keukenhof woonden, was Daniel Pompejus Johannes van der Staal, met 110 hectaren, de grootste grondbezitter in Lisse. In 1852 werd dit prachtige buitengoed geveild in het logement De Zwaan te Lisse en gekocht door de erven Steengracht, waardoor het tien jaar later, door vererving aan de bovengenoemde bewoners van Keukenhof kwam. Zoals met zoveel buitenplaatsen in die tijd gebeurde, werd ook dit kapitale huis gesloopt en wel vlak na de verkoop, in 1853. Door vererving is Wassergeest thans in het bezit van de barones van Lynden. Wassergeest heeft, evenals het bovengenoemde buiten Haagvliet onder Voorburg, een rol gespeeld in de geschiedenis van ons land. Ten huize van Van der Staal van Piershil is door Adam François van der Duyn van Maasdam in bijzijn van Hendrik Collot d'Escury de door Gijsbert Karel van Hogendorp opgestelde proclamatie getekend, waarin deze met Van der Duyn van Maasdam het Algemeen Bestuur in handen nam tot de komst van de Prins van Oranje. Hieruit blijkt dat Van der Staal, hoewel maire van Lisse, niet uitgesproken Fransgezind was. In ieder geval wist de omgeving van Van Hogendorp, dat hij te vertrouwen was. Verwonderlijk was dit niet, daar allen, die bij de opstand tegen de Franse overheersing betrokken waren tot de familie behoorden. Door zijn huwelijk met Sophia Wilhelmina Charlotte Alexandrina van Bylandt was hij verwant aan Van der Duyn van Maasdam, een neef van zijn schoonmoeder Anna van der Duyn, een vurig Orangiste, terwijl Leopold van Limburg Stirum een oom was van zijn vrouw. Ook zijn zwager Jan Carel van Bylandt bood vanaf de eerste dag Gijsbert Karel van Hogendorp zijn diensten aan. Bovendien moet Van der Staal Van Hogendorp uit Rotterdam gekend hebben. Daniel Pompejus Johannes van der Staal was de enige van de drie broers, die door koning Willem I in de adelstand werd verheven. Zijn huwelijk met een gravin Van Bylandt zal hierin een rol hebben gespeeld en het feit, dat zijn zwager Jan Carel van Bylandt bijzonder bij de koning in de gunst stond. De heerlijkheid van Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, behoorde van oudsher tot het land van Putten. Voor de eerste bedijking in 1524 door Frederik van Renesse, heer van Oostmalle, sprak men van de Ommeloop van Groot- en Klein-Puttermoer. De heerlijkheid bestaat uit de polders Oud-, Nieuw- en Klein-Piershil. Het dorp ligt in de polder van Oud-Piershil en werd in de achttiende eeuw om haar bloei ook wel het klein Haagje genoemd. Dit kon echter niet verhinderen, dat het Hof van Piershil onder de slopershamer viel. In 1831 liet Daniel Pompejus Johannes van der Staal het ambachtsherenhuis slopen en het vrijgekomen terrein in bouwland veranderen. Na de dood van Daniel Pompejus Johannes van der Staal vererfde de heerlijkheid aan zijn drie dochters. Na hun overlijden gingen de heerlijke rechten over op de kinderen van hun in 1855 overleden broer Guillaume Charles, om tenslotte te vererven aan de kleindochter van Guillaume Charles van der Staal, Marie Alexandrine Otheline Caroline van Bylandt, dochter van Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil en Carel Jan Emilius van Bylandt. Het archief van de heerlijkheid van Piershil is daarom verspreid over twee archieven. Naast het archief, dat beschreven is in deze inventaris, bevindt een ander gedeelte zich in het archief van de graven van Bylandt, dat berust bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief. De enige zoon van Daniel Pompejus Johannes, Guillaume Charles van der Staal van Piershil woonde als rentenier in Breda en Princenhage. Hij en zijn vrouw zijn vlak na elkaar in 1855 overleden. Hun drie zeer jonge kinderen stonden onder voogdij van Eugène Jan Alexander van Bylandt en werden te 's-Gravenhage opgevoed in het huis van hun tante Otheline Agathe van der Staal. Zij vormden de laatste generatie van de familie Van der Staal, die zoals eerder vermeld in hofkringen werd opgenomen. Sophie Alexandrine was hofdame van prinses Amalia, de echtgenote van prins Hendrik, broer van koning Willem III, vaak beter bekend als prinses Hendrik. Uit haar huwelijk met Carel Jan Emilius van Bylandt werden twee dochters geboren, Marie Alexandrine Otheline Caroline en de jong overleden Charlotte Eugenie Roline. Marie van Bylandt, overleden in 1968, is de stichtster van de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting te 's-Gravenhage, die haar vermogen, waaronder de heerlijkheid van Piershil, beheert. De laatste afstammelingen in mannelijke lijn van het geslacht Van der Staal waren Othon Daniel en Jean Arthur Godert. Laatstgenoemde stierf in 1904 na een succesvolle loopbaan bij de Marine. Naast marine-officier was hij adjudant, kamerheer en particulier secretaris van koningin Wilhelmina. Zijn broer Othon Daniel bekleedde hoge ambten. Hij was onder meer gezant te Constantinopel en Sint Petersburg, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister aan de hoven van België en Luxemburg. Aan het hof was hij kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. In 1886 trouwde hij met Maria Elisabeth Margaretha van Zuylen van Nyevelt. Daar hun huwelijk kinderloos bleef stierf het geslacht Van der Staal met zijn dood in 1937 uit.
Johann Christoffel Escher (ca. 1685 - na mei 1749) De familie Escher is, voor zover bekend, afkomstig uit Kervenheim. Johann Christoffel moet omstreeks 1685 zijn geboren. Hij huwt op 17 november 1717 te Uedem am Nieder-Rhein de in 1686 geboren predikantsdochter Johanna Catharina Cochius. Uit het huwelijk worden zeven kinderen geboren: Johann Wilhelm (geb. 1720), Catharina Sophia (geb. 1722), Anna Louisa (geb. 1724), Regina (geb. 1726), David George (geb. 1728), Frans (geb. ca. 1730) en Frederik (geb. 1732). Johann Christoffel vervult de ambten van ontvanger der accijnzen (ca. 1720-1734) en burgemeester van Kervenheim (1728-1734). Hij was, volgens familie-overlevering, ook lijfwacht van Frederik Wilhelm I, koning van Pruisen. Johann Christoffel overlijdt na mei 1749. Op 18 mei 1749 vindt in de Nieuwe Kerk te Amsterdam het huwelijk plaats van zijn dochter Catharina Sophia met Alexander Wolters. Vader van de laatstgenoemde is vermoedelijk de ontvanger der accijnzen te Kalkar. Dr. David George Escher (1728-1768)De drie jongere broers van Catharina Sophia vertrekken op 2 februari 1756 met het VOC-schip De Sloterdijk (Kamer Amsterdam) naar Negapatnam. David George vertrekt als oppermeester, Frederik als tweedemeester en Frans als timmerman. De laatste blijft achter in Kaap de Goede Hoop, doch in een brief van 20 januari 1767, vermoedelijk aan de familie Wolters, schrijft hij, dat hij wil repatriëren als het hem goed gaat. De tijd waarin de broers vertrekken is niet gemakkelijk. In 1756 breekt de Zevenjarige Oorlog uit, waarbij de meeste Europese landen zijn betrokken. Engeland en Frankrijk strijden om de hegemonie ter zee en in de koloniën. Nederland blijft noodgedwongen neutraal, omdat er geen succes is behaald bij de legeraugmentatie en het vlootherstel. Aan de Coromandel-kust is het evenmin rustig: na de Portugezen en de Hollanders strijden nu de Engelsen en de Fransen om het specerijen-monopolie van de oriënt. Dr. David George Escher vestigt zich in Negapatnam als opperchirurgijn bij het militair hospitaal en als handelaar in sitsen. Op 1 april 1758 treedt hij in de Nederduits-hervormde kerk aldaar in het huwelijk met Geertruida Adriana Mattheus, dochter, van de onder-koopman en gouverneur van Paliacatta. Uit het huwelijk worden vier kinderen geboren: Johannes Petrus (1760-1839), Catharina Johanna (1762-1842), Geertruida (1763-1816), en David George (1767-1831). Reeds in 1765 is er sprake van terugkeer naar Holland. Begin 1768 keert dr. David George Escher om gezondheidsredenen terug naar Amsterdam. Zijn gezin vergezelt hem. Voor het definitieve vertrek wordt een acte van voogdij gepasseerd voor Balthasar Nicolaas Stoebbe, eerst gezworen klerk van politie en justitie op Ceylon. De reis aan boord van de Petronella Maria blijkt rampzalig te zijn voor het gezin. Tijdens de terugreis sterft dr. David George Escher. Zijn stoffelijk overschot wordt op circa 875 mijl ten noordoosten van St. Helena in een loden kist overboord gezet. Op 31 juli 1768, dertig uur na aankomst in Amsterdam, sterft ook de moeder. Zij wordt op 5 augustus begraven in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Tot tijdelijke directeuren hunner kinderen en goederen zijn de kapitein en stuurlieden benoemd. Na aankomst in Amsterdam wordt de voogdij overgedragen aan de familie: mr. Adrianus Canter Visscher, (oud-)raad van Nederlansch-Indië, grietman van Dantumadeel en bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie te Amsterdam; Jan Heemskerk, equipagemeester van de Admiraliteit te Rotterdam; Casparus Gerdts en Arij Ildijk, kooplieden te Amsterdam. Als curator voor de beide meisjes treedt op Daniël Canter Visscher, raad en vroedschap van Haarlem. De Amsterdamse weeskamer secludeert op 15 november 1768 de zaak, geheel volgens gebruik. Geertruida Escher huwt op 24 juni 1787 met ds. Hugh Mackay (1764-1847). Hierdoor wordt een scheiding van de nalatenschappen noodzakelijk. Op 16 juli 1787 wordt de acte van scheiding gepasseerd voor notaris De Waal Malefijt. De kinderen erven elk fl. 7302,70 en krijgen een jaarlijkse lijfrente van 320 livres, welke onder beheer van Johannes Petrus blijven. Met Johannes Petrus vangt tak a van de familie Escher aan. Deze zal in de inleiding verder buiten beschouwing worden gelaten. Zijn broer David George is de stamvader van tak b. David George Escher (1767-1831)Ondanks de ongelukkige start door het verlies van zijn ouders, verloopt het leven van dr. David George Escher redelijk succesvol. Hij wordt aanvankelijk opgevoed te Dokkum. Vervolgens wordt David George in 1782 ingeschreven als medisch student aan de universiteit van Groningen. Deze studie wordt in 1790 afgerond met een promotie. Bij request van 9 augustus 1790 verzoekt hij het stadsbestuur om binnen de stad Kampen medicijnen te mogen praktizeren. Het request wordt geaccordeerd. Het jaar 1791 luidt een versteviging van zijn maatschappelijke positie in. Op 17 augustus huwt hij Maria Adriana Wijnen (1769-1804). Zij is de dochter van de patriottische burgemeester van Hattem, Rudolph Antonius Wijnen. Twaalf dagen later verwerft dr. David George Escher het groot-burgerschap van Kampen. Dit opent nieuwe mogelijkheden voor hem. Bij request van 21 februari 1792 verzoeken dr. David George Escher en Broer Veenstra aan het stadsbestuur om een koornbranderij in het pand De Blauwe Handt te mogen oprichten. Het verzoek wordt ingewilligd. Lang heeft hij de koornbranderij niet gehad. In 1796 gaat de politieke carrière van dr. David George Escher van start: lid van de municipaliteit (1796-1798), schout van IJsselmuiden (1798-1811), maire van Zwartsluis (1811 - ca. 1814). Wellicht als gevolg van zijn verkiezing tot lid van de municipaliteit verkoopt hij op 1 october 1796 het in het ambt Oldebroek gelegen landgoed De Brand. Op 17 november daaraanvolgend verkoopt dr. David George Escher zijn deel van de koornbranderij en het pand aan het echtpaar Willem van der Hondt en Everdina van Ittersum. Dr. David George Escher wordt in 1798 tot schout verkozen, maar de beëdiging laat tot 30 maart 1803 op zich wachten. Dit wordt uitbundig gevierd. Tot één van de ambtsverrichtingen van dr. David George Escher als schout behoort het transport van het Hooge Huys te IJsselmuiden op 1 november 1803. In 1804 overlijdt zijn vrouw. Zij wordt, evenals de jong overleden kinderen, begraven in de Broerekerk te Kampen. Een jaar later hertrouwt dr. David George Escher met de koopmansdochter Maria van Olst (1773-1851). Uit dit huwelijk worden, behalve een jong overleden kind, vier zoons geboren: Berend George (1805-1864), Johannes Adrianus (1807-1892), Marthanus Petrus (1809-1875), en David George (1814-1876). Vermoedelijk heeft dr. David George Escher na 1814 geen openbare ambten meer bekleed. Na de Franse tijd is het politieke klimaat gewijzigd. Hij sterft op 23 april 1823 te Kampen. Berend George Escher (1805-1864)Berend George Escher is geboren in Kampen. In tegenstelling tot zijn voorouders kiest hij niet voor een universitaire studie. Bij Koninklijk Besluit van 29 mei 1820 wordt hij als buitengewoon adelborst geplaatst op De Dageraad. In die dagen is het niet-gemilitariseerde deel van de Nederlandse zeemacht onderverdeeld in Gouvernementsmarine, Koloniale Marine, en Auxiliair Eskader. De Gouvernementsmarine voert civiel-bestuurlijke taken ter zee uit. Het personeel is Europees. De thuishaven is Nederland. De Koloniale Marine heeft als voornaamste taak de bestrijding van de zeeroverij in de Indische Archipel. De bemanning is overwegend inlands; de hoogste rang is die van kapitein. De Koloniale Marine is permanent gevestigd in de Indische Archipel. Het Auxiliair Eskader is dat deel van de zeemacht, dat tijdelijk in de Indische Archipel is gedetacheerd. Met name tegen het midden van de 19e eeuw beginnen de reorganisaties in de marine op gang te komen. Na twee jaar varen legt Berend George Escher het examen voor adelborst der 1e klasse af. In 1824 volgen de examens voor luitenant der 2e klasse in de Middellandse Zee en in de Nederlanden. De rang van buitengewoon luitenant der 2e klasse wordt bereikt in 1827. Berend George heeft dan al verscheidene reizen achter de rug. De jaren 1830 en 1831 worden gekenmerkt door krijgsverrichtingen. Van 1 mei 1837 tot 21 juni 1840 wordt Berend George Escher gedetacheerd bij de Koloniale Marine. Hij wordt daar onder meer geplaatst op ZM schip Krokodil, dat hydrografische gegevens verzamelt voor de Commissie ter Verbetering van de Zeekaarten. Bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1838 nr. 3 wordt aan de kapitein-ter-zee J.C. Koopman de taak opgedragen om voorstellen te doen tot opheffing van de Koloniale Marine. Zij beantwoordt niet aan haar taak. Pas in 1840 wordt door zijn opvolger, de schout-bij-nacht E. Lucas tot feitelijke opheffing overgegaan. De schepen van de Koloniale Marine worden onder het bevel van de Gouvernementsmarine gebracht. Het Korps Zeeofficieren wordt omgevormd tot het Korps Mariniers. Op 9 juni 1842 treedt de luitenant-ter-zee der le klasse Berend George Escher in het huwelijk met Johanna Cornelia Pit. Uit het huwelijk worden, behalve twee vroeg overleden kinderen, vier kinderen geboren: George Arnold (1843-1939), Arnold August (1845-1877), Maria Johanna (1846-1898) en Johanna Adriana (1851-1901). Een jaar later wordt Berend George Escher benoemd tot adjudant bij de directeur en commandant der Marine te Vlissingen. Nog enige overplaatsingen volgen. De inmiddels tot kapitein-luitenant-ter-zee bevorderde Escher krijgt in 1853 het bevel over ZM instructiebrik Zeehond. De exercitie verloopt geheel naar wens van de minister. Escher's zoons maken beide de reis een keer mee. Een commissie bestaande uit de kapiteins Stavenisse de Brauw, Frucht, Vogelpoel, Steffens en de kapitein-luitenant Berend George Escher bieden in 1855 een rapport over de toestand van het Korps Zeeofficieren aan aan de minister van Marine. De commissie wijst onder andere op de nadelige gevolgen van het bevorderen door middel van overplaatsingen: er ontstaat geen hechte band tussen de bemanningsleden. Zij wijst tevens op het chronisch tekort aan goede zeeofficieren. Het jaar erop belandt hij in een lastig parket. Aan de minister van Marine, Smith van den Broeke, wordt wegens het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd eervol ontslag verleend. De Koning moet in de vacature voorzien. De keuze valt op Berend George Escher. Deze bereidt, op dat moment, als commandant van ZM Amalia een reis met Prins Willem Frederik Hendrik naar de Oostzee voor. De kapitein weigert de portefeuille van minister van Marine: er is een groot tekort aan goede zeeofficieren en hij ambieert geen politieke carrière. Bovendien heeft hij de rang van schout-bij-nacht nog niet bereikt. De Koning is gekrenkt. De situatie wordt gered door een ander in de vacature te benoemen, terwijl Berend George Escher directeur-generaal bij het departement van Marine wordt. Deze functie wordt al snel verwisseld voor die van inspecteur en adviseur voor het personeel en materieel der Marine. In 1857 wordt Berend George Escher benoemd tot directeur en commandant der Marine te Hellevoetsluis. De bevordering tot schout-bij-nacht komt in 1861 af. Hij zal nog eenmaal worden verplaatst, namelijk als directeur en commandant der Marine te Amsterdam in 1862. Op 1 juli 1864 wordt Berend George Escher als titulair vice-admiraal op pensioen gesteld. Acht dagen later overlijdt hij, geplaagd door reumatiek. Opvallend is de grote rol die het water heeft gespeeld in zijn gezin. Zijn zoon, de luitenant-ter-zee der le klasse Arnold August Escher, deed van 1873 tot 1875 dienst als chef de gamelle (toezicht op de scheepsrantsoenen) tijdens de Atjeh-oorlog. Zijn dochter Maria Johanna huwt op 25 juli 1867 de eerste luitenant der genie Willem Rooseboom (1843-1920). Na haar dood in 1898 wordt Willem Rooseboom benoemd tot Gouverneur-Generaal in Nederlandsch-Indië (1899-1904). Ook zijn zoon George Arnold Escher maakt van water zijn beroep. George Arnold Escher (1843-1939)De oudste zoon van Berend George Escher wordt geboren in 's-Gravenhage. George Arnold kiest niet voor het zeemansleven, maar wordt weg- en waterbouwkundig ingenieur. Hij wordt in 1859 ingeschreven aan de Koninklijke Akademie te Delft, waar hij in 1863 afstudeert. Ir. George Arnold Escher is een actief lid van het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs. Na zijn studie treedt hij in dienst bij de Staatsspoorwegen, waar hij meewerkt aan de aanleg van de spoorlijn Alkmaar-Nieuwendiep. In 1867 gaat ir. George Arnold Escher, na het afleggen van een vergelijkend examen, over naar Rijkswaterstaat. Een stap die beslissend is voor de rest van zijn leven. Hij wordt toegevoegd aan de hoofdingenieur van de Waterstaat te 's-Gravenhage. De eerste opdracht bestaat uit de vervaardiging van de waterstaatskaart van Nederland. Tot 1873 verlopen de overplaatsingen en bevorderingen volgens schema. Intussen heeft de Japanse regering aan ir. C.J. van Doorn verzocht om een ingenieur aan te trekken. De keus valt op ir. George Arnold Escher. Bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1873 gaat Escher met onbeperkt verlof met behoud van ancienniteit. In Japan werkt hij onder leiding van Van Doorn samen met de collega's Lindo en De Rijke. De taak bestaat uit het normaliseren van rivieren. Hiertoe zijn onder meer bevloeiingswerken nodig. I. George Arnold Escher wordt achtereenvolgens geplaatst te Osaka (25 september 1873 - 20 mei 1876), Mikuni (22 mei 1876 - 15 december 1876), Tokio (1877) en Shinanogawa (28 april 1877 - 31 juni 1878). De periode in Osaka wordt gekenmerkt door nevenprojecten. Op verzoek van de Engelse Kamer van Koophandel brengen Escher en De Rijke van 3 tot 25 augustus 1875 een bezoek aan Shanghai. Het doel is om tot een verbetering van de rivier de Wangpoo te komen. Het ontwerp hiervoor wordt later door Johan de Rijke ten uitvoer gebracht. Een tweede nevenproject omvat plannen voor het bevaarbaar maken van de riviermond te Karo (14 januari - 11 februari 1876). De rest van 1876 wordt doorgebracht in Mikuni. Mede op aandringen van Engeland wordt hier de haven verbeterd. Escher bouwt hier een pier. Tijdens zijn verblijf in Mikuni moet hij betrokken zijn geweest bij het ontwerp voor een school in traditionele stijl. In Tokio worden de gebruikelijke werkzaamheden verricht. Bovendien verschijnt een rapport over de hogedruk-waterleiding van Yokohama. Ir. George Arnold Escher heeft het leven in Japan uitvoerig beschreven in zijn memoires. Hij beschikt over een huishoudster/gezellin, O Matsu genaamd, en de tolk Kiyama. Zijn werk is zuiver technisch van aard; de administratie is in handen van de Japanse regering. De werkzaamheden van de Nederlandse ingenieurs zijn een aantal malen herdacht. In 1931 werd een standbeeld opgericht voor ir. C.J. van Doorn. Bij de inwijding van het Provinciaal Museum in de vroegere school te Mikuni, werd in 1981 ir. George Arnold Escher herdacht. Ter gelegenheid hiervan heeft de Japanse regering een delegatie van de familie Escher uitgenodigd. In juli 1878 wordt de terugreis naar Nederland aanvaard. De reis gaat via Hongkong, Singapore, Java, Egypte en Italië. Terug in Nederland stelt hij zich op de hoogte van de veranderingen. Hij engageert personeel voor de Japanse regering. Voorts verricht hij in Utrecht waarnemingen over kleuringen bij prof. Donders . Bij Koninklijk Besluit van 7 april 1879 wordt ir. George Arnold Escher weer opgenomen in het Korps Ingenieurs van de Waterstaat. Via Maastricht en Breda komt hij terecht in Gorinchem, waar hij wordt belast met de sectie Lek-Merwede van de aanleg van het Amsterdam-Merwedekanaal. In 1890 volgt de benoeming tot hoofdingenieur voor het district Friesland en Groningen, standplaats Leeuwarden. Tot zijn taken behoren de regeling van het bodempeil in Friesland en de verbetering van de haven van Delfzijl. Bij de verbetering van deze haven wordt, naar Frans voorbeeld, een kaaimuur voor zeeschepen gebouwd op een puttenfundering. In 1903 wordt Escher benoemd tot hoofdingenieur-directeur in de directie Gelderland. Wegens het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd wordt hem per 1 juli 1908 eervol ontslag verleend. Ir. George Arnold Escher heeft diverse maatschappelijke nevenfuncties bekleed. Hij is tweemaal gehuwd . Het eerst huwelijk met Charlotte Marie de Hartitzsch vond plaats in 1882. Uit dit huwelijk zijn twee zoons geboren: Edmond George (1883-1964) en Berend George (1885-1967). Zijn eerste vrouw overlijdt in 1885. Hij hertrouwt in 1892 met Sara Adriana Gleichman. Uit dit huwelijk worden nog drie zoons geboren: Johan George (1894-1969), Arnold August (1896-1925) en Maurits Cornelis (1898-1970). Ondanks de mooie carrière werpen het vroegtijdig overlijden van zijn eerste echtgenote en het verongelukken van zijn zoon Arnold August een schaduw over het leven van ir. George Arnold Escher. Hij overlijdt hoogbejaard in 1939. Berend George Escher (1885-1967)Berend George Escher is de te Gorinchem geboren tweede zoon uit het eerste huwelijk van ir. George Arnold Escher met Charlotte Marie de Hartitzsch. Zijn moeder overlijdt kort na zijn geboorte. Zijn vader schrijft hem, na de HBS, in aan de Eidgenossische Polytechnisch Hochschule van Zürich. Berend George promoveert aan deze hogeschool in 1911 op het proefschrift Ueber die praetriasische Faltung in den Westalpen, mit besonderer Untersuchung der Carbons an der Nordseite der Tödi. In hetzelfde jaar huwt hij de Zwitserse Emma Brosy (1888-1976). Uit het huwelijk worden behalve een jong gestorven zoon drie kinderen geboren: Rudolf George (1912-1980), Charlotte Adriana (geb. 1914) en Elisabeth (geb. 1918). Na een korte periode werkzaam te zijn geweest als privaatdocent, vertrekt dr. Berend George Escher voor de Bataafsche Petroleum Maatschappij naar Nederlandsch-Indië. Hier is hij betrokken bij de bodemkartering en opsporing van aardolie. Hij wordt in 1922 benoemd tot hoogleraar in de geologie, mineralogie, kristallografie en paleografie. In hetzelfde jaar wordt hij tevens directeur van het Rijksmuseum voor Geologie en Mineralogie te Leiden. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen biedt haar lidmaatschap aan in 1935. Een groot aantal publicaties verschijnt in de loop der jaren van zijn hand. Prof. dr. Berend George Escher bereikt het hoogtepunt in zijn loopbaan, wanneer hij in 1945 tot rector magnificus, wordt gekozen. Hij wordt bij zijn 25-jarig jubileum benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Na zijn emeritaat in 1955 blijven de banden met de universiteit bestaan. Na een werkzaam leven overlijdt Berend George Escher in Arnhem op 11 october 1967. Rudolf George Escher (1912-1980)De oudste zoon van prof. dr. Berend George Escher en Emma Brosy behoort tot de artistieke leden der familie. Rudolf George brengt zijn jongste jaren door in Nederlandsch-Indië. Het gezin keert terug naar Nederland in 1922 en gaat in Leiden wonen. Hier doorloopt hij de middelbare school. Rudolf George krijgt achtereenvolgens piano-, viool-, en schilderlessen, alsmede onderricht in harmonieleer. Hij is leerling aan het Toonkunst Conservatorium te Rotterdam. Hier krijgt hij compositieles van Willem Pijper. Zijn oeuvre begint in 1935 vorm aan te nemen. In 1937 huwt hij Beatrijs Jongert. Uit het huwelijk worden twee kinderen geboren. Bij het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 wordt het gehele werk van Rudolf George Escher vernietigd. Hij vlucht naar Reeuwijk. In de loop van de jaren verschijnen diverse publicaties van zijn hand over Debussy en Ravel. Ook in kranten, catalogi en naslagwerken publiceert hij artikelen. De composities van Rudolf George Escher worden meermaals bekroond. In 1941 krijgt Sinfonia in memoriam Maurice Ravel een eervolle vermelding bij de Alphons Diepenbrock-prijs. De stad Amsterdam eert hem met de Muziekprijs 1945 voor Musique pour l'esprit en deuil; Le vrai visage de la paix wordt in 1953 bekroond. De prof. van der Leeuw-prijs valt hem ten deel voor de compositie Le tombeau de Ravel. Zijn werk Sonate concertante voor piano en cello wordt met de Willem Pijper-prijs bekroond in 1967. Twee jaar later volgt de Visser-Neerlandia-prijs voor Quintetto à fiatti. Ten slotte ontvangt Rudolf George Escher de Johan Wagenaar-prijs voor zijn totale oeuvre. Rudolf George Escher is o.a. verbonden geweest aan het Amsterdamsche Conservatorium. Van 1964 tot 1977 is hij wetenschappelijk hoofdambtenaar aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Bij dit instituut heeft hij zich beziggehouden met audiologie en structuralistische musicologie. Rudolf George Escher heeft, op instigatie van de uitgever Balkema, in 1943 getracht om tot een artistieke samenwerking met zijn oom, de graficus Maurits Cornelis Escher, te komen. Deze samenwerking is mislukt. Rudolf George overlijdt, ernstig ziek, in 1980. Johan George Escher (1894-1969)Johan George Escher is de oudste zoon uit het tweede huwelijk van ir. George Arnold Escher met Sara Adriana Gleichman. Zijn eerste jaren brengt hij door in Leeuwarden. Na het gymnasium in Amersfoort meldt hij zich als vrijwilliger bij de landmacht voor een periode van twaalf jaar. Hij begint in hetzelfde jaar zijn studie rechten in Leiden. Johan George wordt in 1914 bevorderd tot reserve-korporaal, in 1916 tot reserve-sergeant. Hij slaagt in 1917 voor het kandidaatsexamen. Hij gaat van 1 december 1919 tot 9 augustus 1924 met groot verlof. Intussen wordt hij van de infanterie overgeplaatst naar de landweer. Op 19 juli 1926 loopt het dienstcontract af. Na het ontslag uit de militaire dienst treedt hij in het huwelijk met de onderwijzeres Emilie Cornelia Marie Nemitz (1899-1976). Uit het huwelijk worden twee zoons geboren: Arnold George (geb. 1931) en Johan George Balder (geb. 1935). Johan George legt in 1937 het doctoraal-examen rechten af. Hij wordt benoemd tot substituut-griffier bij het kantongerecht en het Gerechtshof in Amsterdam. Van mr. Johan George Escher zijn twee dichtbundels verschenen. De eerste, Het bezwaarde hart, dateert uit 1937. De tweede, Oude en nieuwe gedichten verschijnt vlak voor zijn dood in 1969. Maurits Cornelis Escher (1898-1972)Maurits Cornelis Escher is de jongere broer van bovengenoemde Johan George. Hij is evenals zijn broer in Leeuwarden geboren en brengt zijn eerste jaren door op het Princessehof aldaar. Het gezin verhuist in 1903 naar Arnhem. Hier doorloopt Maurits de middelbare school. Zijn opleiding tot graficus geschiedt aan de School voor Bouwkunst en Sierende Kunsten te Haarlem. Eén van zijn leermeesters is S. Jesserun de Mesquita. Na zijn studie kiest Maurits Rome als domicilie (1923-1935), vanwaar hij diverse studiereizen maakt door Italië, Spanje, Zwitserland en België. De eerste tentoonstelling in Nederland vindt plaats in 1924. Hij huwt in hetzelfde jaar de Italiaanse Giulia Umiker (geb. 1897). Uit het huwelijk worden drie zoons geboren: George Arnold (geb. 1926), Arthur Eduard (geb. 1928) en Jan Christoffel (geb. 1938). In het begin van de jaren dertig verschijnen enige boeken met houtsneden van Maurits Cornelis Escher. Een uitvoerige bestudering van de Moorse mozaïeken in het Alhambra te Granada leiden tot een keerpunt in zijn werk. Hij gaat over van landschappen naar beeldgedachten. Escher verplaatst zijn domicilie van Zwitserland, waar hij sinds 1935 woont, naar Brussel. Hij verhuist definitief naar Baarn in 1941. In 1958 verschijnt zijn boek Regelmatige vlakverdeling, een onderwerp, dat hem bijzonder boeit. In de jaren 1962 tot en met 1972 gaat zijn gezondheid snel achteruit. Een lezingen-cyclus in Amerika moet worden afgelast. Hij overlijdt te Hilversum in 1972. Over het werk van Maurits Cornelis Escher is veel geschreven. Tijdens zijn leven is hij tweemaal onderscheiden: ridder en officier in de Orde van Oranje-Nassau, respectievelijk in 1955 en 1967. De familie GleichmanDe grootgrondbezitters-familie Gleichman komt omstreeks 1760 naar Rotterdam. Zij verstevigt haar positie door huwelijken met leden van gevestigde handelsfamilies of die veel politieke invloed hebben. De bekendste telg uit dit geslacht is mr. Johan George Gleichman (1834-1906). Hij heeft vele functies en ambten bekleed: advocaat te 's-Gravenhage, agent (1867) en directeur-secretaris der Nederlandse Bank (1870), minister van Financiën (1877-1879), lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1880-1901), voorzitter dier Kamer (1891-1901), curator van de Rijksuniversiteit te Utrecht (1895-1897), minister van Staat (1898 -1906) en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (1901-1906 De naam Gleichman is verbonden aan een aantal belasting-maatregelen om de schulden, veroorzaakt door de Atjeh-oorlog, te dekken: de wet op het recht van successie en overgang in de rechte linie (1878 ); de effectenbelasting; en de wet tot herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen (1879). Zijn politieke faam heeft hij echter verworven als voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De familie BogaersDe familie Bogaers verhuist in de veertiger jaren van de 18e eeuw van Geldrop naar 's-Gravenhage. Adriaan Bogaers (1722-1809) en zijn zoons Jan (geb. 1765) en Frans (geb. 1786) maken carrière als ambtenaar bij de Raad van State. Het bekendste familielid is echter de zoon van Frans, Adriaan Bogaers (1795-1870). Adriaan krijgt extra wiskundelessen om een betere maatschappelijke positie te kunnen bereiken, indien hij in dienst moet. In dat kader legt hij ook het landmetersexamen af [1]. Vervolgens gaat hij rechten studeren om aan de conscriptie te ontkomen. Na een korte studie wordt hij advocaat te Rotterdam (1813 ); plaatsvervangend rechter (1829), lid van de arrondissementsrechtbank (1838), rechter-commissaris, vice-president van de rechtbank (1847). Toenemende doofheid maakt het hem in l853 onmogelijk om nog langer zijn vak uit te oefenen. Adriaan Bogaers is voornamelijk bekend om zijn vele dichtwerken en artikelen over taalkundige onderwerpen. De meest bekende hiervan zijn: De togt van Heemskerk naar Gibraltar (1837), Verhandeling over het wezen der uiterlijke welsprekendheid (1839), voorts werken over Bilderdijk en Anna Bijns. Hij is zijn hele leven actief geweest in literaire kringen en was intiem bevriend met Tollens. Adriaan Bogaers was meester in de Orde van de Vrijmetselarij. De dood van zij vrouw, Maria Elisabeth Gleichman (1804-1829), is hij nooit te boven gekomen.
Inleiding I Geschiedenis van de NHM in vogelvlucht De Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV [NHM] werd opgericht te 's-Gravenhage op 29 maart 1824 op initiatief van koning-koopman Willem I. Het bedrijf vestigde zich in aanvang aan het Noordeinde 64 te 's-Gravenhage. De koning zelf was groot-aandeelhouder en bemoeide zich tot zijn aftreden in 1840 actief met de gang van zaken van het bedrijf. Het doel dat de koning met de maatschappij voor ogen had was uiterst ambitieus. Kort gezegd kwam het er op neer dat de NHM de Nederlandse economie uit het dal moest halen waarin zij na de jaren van Franse overheersing was terechtgekomen. Centraal in deze doelstelling stond het herstel van de handel van Nederland met haar koloniën in Indië. Anders dan voorheen voor de VOC, die zich hoofdzakelijk beperkte tot aanvoer van Indisch product naar Nederland, was voor de NHM een wederzijdse handelsbeweging het uitgangspunt. Tegenover de import diende nu de afzet van Nederlands product in Indië te staan, maar ook in andere delen van de wereld. De NHM was met andere woorden bedoeld als importlichaam èn als lichaam dat een afzetmarkt moest creëren voor Nederlandse landbouw en nijverheid. In het verlengde hiervan diende de NHM zich actief op te stellen als financier van het bedrijfsleven. In de statuten tot 1850 springen twee verdere taken in het oog. Ten eerste moest de NHM gaan functioneren als een soort economische inlichtingendienst: in het binnenland via de naar regio samengestelde en met de diverse Kamers van Koophandel in contact staande Raad van Commissarissen, en in het buitenland via een wereldwijd net van agenten en correspondenten. Ten tweede verlangden de statuten nadrukkelijk een herstel van de oude theehandel met China; in verband hiermee was zelfs een agentschap te Kanton voorgeschreven. Geheel in de lijn van deze ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM in haar eerste jaren wereldwijd activiteiten. Zij vestigde zich uiteraard in de eigen koloniën, maar daarnaast ook op diverse plaatsen in Latijns-Amerika, in de Levant en in China. De meeste van deze ondernemingen brachten slechts verlies, en al vóór 1830 had de handelsactiviteit van de NHM zich in hoofdzaak beperkt tot Nederlands-Indië. Voor de uitvoering hiervan had zich in 1826 te Batavia een ondergeschikte tak van bestuur gevestigd, onder de naam Factorij. Deze hoofdzetel voor het Oosten zou in het verdere verloop van de NHM-geschiedenis het toezichthoudend en controlerend orgaan zijn voor een veelheid aan agentschappen in Nederlands-Indië, en tevens voor de buiten Nederlands-Indië gevestigde zogeheten buitenkantoren in onder meer Singapore, Maleisië, Japan, China, Hongkong, Brits-Indië, Birma en Oost-Afrika. Nadat de president in zijn aanspraak tot de Raad [een gezamenlijke vergadering van directie en commissarissen] in 1830 voor het eerst een positief geluid had kunnen laten horen en behoorlijke resultaten kon overleggen, leek de Belgische Opstand het einde van de onderneming in te luiden. De NHM wist de crisis echter te overleven. De Belgische component werd afgestoten en het hoofdkantoor werd verplaatst naar Amsterdam. De NHM werd met name gered door haar verbondenheid met de staat. Zij was al van aanvang af lucratieve contracten met de overheid aangegaan, maar met de invoering in 1830 van het cultuurstelsel in Indië door gouverneur-generaal Van den Bosch werd zij zowel bankier, commissionair als expediteur van staatswege. Zij voorzag de overheid van grote kredieten, en in ruil daarvoor werd zij belast met de verscheping en verkoop van zowel de producten die de overheid via het cultuurstelsel toekwamen als de producten uit de eigen vrije land- en mijnbouwnijverheid van het gouvernement. Daarenboven kreeg zij het transport van personeel [onder andere troepen] en materieel voor het Indisch gouvernement toegewezen. De relatie tot de overheid werd vastgelegd in contracten voor bepaalde tijd, die dus op gezette tijden werden vernieuwd. Deze rijksagentuur bracht de NHM een aantal decennia in een uiterst comfortabele positie en zorgde voor de nodige nijd bij andere ondernemingen. De bijnamen Niemand Handelt Meer en Kompenie Ketjil [kleine regering] zeggen wat dat betreft genoeg. In eigen land trad de NHM na 1830 op als participatie- en financieringsmaatschappij voor de nationale nijverheid en scheepvaart. Deze financiering geschiedde vooralsnog geheel uit eigen middelen. Van belang in dit opzicht zijn onder meer de bemoeienis met de opzet en uitbouw van de Twentse textielindustrie en de deelnemingen in [vooral aan de eigen activiteiten gerelateerde] ondernemingen als de Deli Maatschappij, de NV Koninklijke Paketvaart Maatschappij en de Zuid-Amerika Lijn/Koninklijke Hollandsche Lloyd. De comfortabele positie van de NHM vanaf 1830 had als keerzijde dat zij de handel voor eigen rekening schromelijk verwaarloosde. Toen het cultuurstelsel na het midden van de negentiende eeuw geleidelijk werd losgelaten en daarmee de baten van de rijksagentuur voor de NHM verminderden, kwam de onderneming opnieuw in moeilijkheden. Pogingen om het tij te keren door het weer activeren van de eigen handel, onder meer door het zoeken van nieuwe handelsgebieden [Japan], hadden geen of slechts tijdelijk succes. Toen in 1874 de [tweede] verlenging van de vennootschap aan de orde was, gingen zelfs weer stemmen op om de maatschappij op te heffen. Zover kwam het niet, maar de NHM zou vanaf dat jaar een grondige gedaantewisseling ondergaan, en geleidelijk transformeren van handelsonderneming naar handelsbank [of algemene bank]. De transformatie werd ingezet in 1874 met het schrappen uit de statuten van het verbod op het drijven van handel in wissels en effecten. Maar pas met de benoeming tot directeur van de bankier Balthazar Heldring [voormalig directeur van de Kas-Vereeniging] in 1880 veranderde er ook iets in de praktijk. Heldring begon met een reorganisatie van de Factorij. De handelsactiviteiten werden sterk ingekrompen en deels zelfs stopgezet en de Factorij ging zich bezig houden met kredietverlening, effectenorders en het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dit maakte het bankiersbedrijf in de moderne zin van het woord mogelijk: het verstrekken van geldmiddelen aan derden uit door derden beschikbaar gestelde middelen. Pas in 1903 werd ook in Nederland zelf overgegaan op het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dat jaar mag dan ook worden aangemerkt als dat van de afronding van het omschakelingsproces van de NHM tot algemene bank. De omschakeling betekende overigens niet dat het handelsbedrijf volledig werd verlaten. De NHM zou tot het einde een handelsafdeling behouden, hoewel in sterk afgeslankte vorm. Naast het oude handelsbedrijf en het nieuwe bankbedrijf ontplooide de NHM vanaf het midden van de negentiende eeuw activiteiten in het cultuurbedrijf. De ontwikkeling van de NHM in Indië als cultuuronderneming ging langs geleidelijke weg, en ook min of meer tegen wil en dank. De Factorij gaf al vanaf circa 1850 steun aan planters in de vorm van voorschotkredieten onder hypothecair verband van gebouwen [suikerfabrieken] of consignatie van de oogst, waarbij de oogst dus voor verkoop aan de NHM ter beschikking kwam. Via dit soort contracten werden een groot aantal cultuurondernemingen aan de NHM verbonden, de zogeheten cultuurrelaties. Dit bracht wel het 'gevaar' met zich mee dat bij faillissementen in tijden van crisis de NHM met 'de boedel kwam te zitten', en bij onverkoopbaarheid hiervan gedwongen was zelf de exploitatie ter hand te nemen. De suikerfabriek Wonopringgo werd op deze wijze in 1841 de eerste eigen cultuuronderneming van de NHM. Langs deze weg zouden de NHM nog meerdere ondernemingen toevallen. Samen met de zelf opgerichte ondernemingen, de exploitatie van ondernemingen voor gezamenlijke rekening met derden, de blote deelneming in het kapitaal van ondernemingen van derden en de al genoemde consignatie-relaties maakten zij van het cultuurbedrijf een belangrijke poot binnen het totale bedrijf der NHM. In Suriname ging het cultuurbedrijf van start in 1867 met de aankoop van de suikerplantage De Resolutie. Vanaf 1883 werd de suikerplantage en -fabriek Mariënburg geëxploiteerd. Het hoogtepunt van het eigen cultuurbedrijf der NHM lag in de periode 1880-1934. In dat laatste jaar zorgde de wereldcrisis en een daaruit voortvloeiende grootscheepse interne reorganisatie voor een drastische vermindering van het aantal eigen ondernemingen. De Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd bezorgden het cultuurbedrijf een nieuwe klap. Niettemin bleef de NHM in Indonesië een aantal cultuurondernemingen exploiteren, tot deze in 1959 onder beheer werden gesteld en vervolgens genationaliseerd. In Suriname werd het complex Mariënburg in 1964 verkocht. Voor de ontwikkeling tot algemene bank was een voldoende uitgebreid kantorennet onontbeerlijk, met name voor het emissiebedrijf. In Nederlands-Indië was aan die voorwaarde wel voldaan. De rem op de im- en exporthandel in 1882 had weliswaar geleid tot sluiting van veel agentschappen, maar het snelle succes van het bankbedrijf deed het aantal weer vlug toenemen. In Nederland had de NHM in 1910 naast het hoofdkantoor enkel agentschappen in Rotterdam en 's-Gravenhage. De andere agentschappen [feitelijk weinig meer dan opslagplaatsen] waren opgeheven. In 1916 werd een overeenkomst aangegaan met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waarmee de NHM de mogelijkheid kreeg gebruik te maken van het kantorennet van deze bank in het oosten van het land. In 1936 werd de GCV overgenomen en haar kantoren omgezet in NHM-agentschappen. De NHM beschikte vanaf dat moment over een eigen binnenlands kantorennet. Na 1936 zou dit net via eigen oprichtingen en overnames van regionale en lokale banken nog aanzienlijk worden uitgebreid. Gedurende de Tweede Wereldoorlog was het bedrijf der NHM gesplitst in een binnenlands en een buitenlands bedrijf. Al vóór de oorlog waren procedures vastgelegd voor het geval een bezetting zou plaatsvinden. Deze werden ook onverkort gevolgd. De statutaire zetel werd in 1940 verplaatst naar Batavia, en na de Japanse inval in Nederlands-Indië in 1942 naar Paramaribo. De directeuren in bezet gebied hadden enkel bevoegdheid ten aanzien van het Nederlands bedrijf. Het bedrijf overzee stond onder leiding van een directeur buiten bezet gebied, in de persoon van A.A. Pauw, die verblijf hield in respectievelijk Londen, New York en weer Londen. In 1945 werd de zetel weer naar Amsterdam verplaatst en de eenheid van bestuur hersteld. De kern van het bancaire bedrijf was en is de bemiddeling tussen vraag en aanbod van kapitaal. Dit wordt enerzijds gerealiseerd door het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant en het uitzetten van die gelden via verstrekking van kredieten, anderzijds via het emissiebedrijf. Met name de periode na de Tweede Wereldoorlog kenmerkte zich echter door uitbreiding van de dienstverlening, zowel door introductie van nieuwe vormen van bestaande diensten [bijvoorbeeld kredietverlening op lange termijn en huurkoop] als door toelegging op voor de NHM geheel nieuwe nieuwe vormen van dienstverlening [vermogensbeheer; belastingzaken voor derden; assurantiebezorging]. Voor een deel werden deze nieuwe activiteiten ondergebracht in 'zelfstandige' vennootschappen, zoals de NV Assurantiebedrijf der NHM, de NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn en de NV Auto-Crediet. Het einde van het Indonesisch bedrijf der NHM kwam in zicht toen het cultuurbedrijf daar in mei 1959 werd genationaliseerd. Het bankbedrijf had nog even respijt, tot in juli 1960 aan de Factorij haar status van deviezenbank werd ontnomen. Op 21 november 1960 werd het bankbedrijf van de Factorij en alle onder haar ressorterende kantoren in Indonesië onder beheer gesteld. De uiteindelijke nationalisatie had plaats op 5 december 1960. De activa en passiva werden ingebracht in de Bank Koperasi, Tani dan Nelajan. Op de buitengewone aandeelhoudersvergadering van 23 juli 1964 werd besloten de naam Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV te wijzigen in Algemene Bank Nederland NV. De naamswijziging werd geëffectueerd op 3 oktober 1964. Op dezelfde dag vond de op 4 juni al aangekondigde opname plaats van het bedrijf van De Twentsche Bank NV in het bedrijf van de ABN. II Oprichting Ten tijde van de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 verkeerde de Nederlandse economie in een deplorabele toestand. Twee decennia van Franse overheersing, en met name het in 1806 ingevoerde Continentaal Stelsel, hadden het land verregaand verarmd en de voorheen zo belangrijke Noord-Nederlandse handel nagenoeg stilgelegd. Een substantieel deel van de nijverheid was naar het buitenland uitgeweken. In de Zuidelijke Nederlanden was weliswaar een begin van zware industrie ontstaan, maar deze had met groot kapitaalgebrek te kampen. Koning Willem I zocht dan ook naarstig naar middelen om handel en industrie er weer bovenop te helpen. Hij had daarbij te maken met een aantal obstakels, waaronder de frictie tussen Noord en Zuid ten aanzien van protectie, het kapitaalgebrek in het Zuiden en de vlucht van Noord-Nederlands [met name Amsterdams] kapitaal naar het buitenland. Vanaf het eerste jaar van zijn regering kwam de koning met een serie initiatieven, die hem de bijnaam koning-koopman zouden bezorgen. Het begon in 1814 met de oprichting van De Nederlandsche Bank. Om het zuiden van krediet te voorzien werd in 1822, deels uit 's konings eigen middelen, de Algemeene Maatschappij ter begunstiging der Volksvlijt te Brussel opgericht. Verder was er onder zijn regering ruime aandacht voor de infrastructuur: er werden wegen aangelegd en verbeterd, er werden kanalen gegraven [Noord-Hollands Kanaal, Willemsvaart] en er werd een begin gemaakt met de aanleg van een spoorwegnet. In dit rijtje van koninklijke initiatieven past ook de oprichting in 1824 van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV. De oorsprong van de idee tot oprichting van de NHM lag in de wens tot 'herovering' en herstel van de handel op Indië, die in het begin van de negentiende eeuw tot een marginale bezigheid was gereduceerd en door de buitenlandse [met name Engelse] concurrentie was overgenomen. Het eigenlijke plan tot oprichting van een grote maatschappij voor dit doel en de uitwerking daarvan kan op naam worden geschreven van H.W. Muntinghe, lid van de Raad voor Indië. Met steun van de koning wist hij de particuliere handelaars en reders op Indië die er nog waren te bewegen tot cumulatie van hun kapitaal. De koning gaf het initiatief een flinke steun in de rug door de maatschappij in spé c.q. de aspirant-aandeelhouders een rente-garantie van 41/2% in het vooruitzicht te stellen, ingaand met het jaar 1825-1826 en op voorwaarde dat een behoorlijke reserve gevormd zou worden. De NHM werd in het leven geroepen bij KB no. 163 van 29 maart 1824. IV Interne organisatie IV.1 De afdelingen op het hoofdkantoor Algemeen Nadat meteen na de oprichting in 1824 onder leiding van de secretaris de Afdeling Secretarie was gaan draaien, vingen per 1 januari 1825 ook vijf uitvoerende afdelingen hun werkzaamheden aan. Zij kregen eenvoudigweg een numerieke aanduiding [Eerste Afdeling etc.], die zij vrijwel tot het eind zouden behouden. Pas in 1953 kregen zij een functionele benaming. Hoewel met de vele veranderingen in omvang en in aard van de werkzaamheden een groeiend aantal afdelingen op specifieke deelterreinen zou worden gevormd [Boekhouding; Kas etc.], zouden de in oorsprong gevormde afdelingen gedurende de gehele geschiedenis van de NHM de basis van de organisatie blijven vormen. Gedurende de negentiende eeuw bleef de interne organisatie op het hoofdkantoor tamelijk stabiel. Er vonden weliswaar de nodige taakverschuivingen plaats tussen de bestaande afdelingen onderling, maar nieuwe afdelingen werden niet gevormd. De afdelingen waren in deze periode voornamelijk administratieve en controlerende eenheden. Men begeleidde, administreerde en controleerde handelstransacties die voor het merendeel in Indië en omliggende gebieden plaatsvonden. Dit veranderde met de overschakeling van de NHM van handelsbedrijf naar bankbedrijf, met name toen in navolging van het Indisch bedrijf ook het hoofdkantoor in Amsterdam zich volledig als algemene bank ging profileren. Een in volume en diversiteit toenemend aantal transacties [opname van gelden in deposito en rekening-courant, kredietverlening, emissieactiviteiten, valuta- en effectenarbitrage] vond nu direct op het hoofdkantoor plaats. Tot de eeuwwisseling wist men dit nog in de bestaande afdelingsstructuur in de passen, maar vanaf 1904 [vorming afzonderlijke Kasafdeling] nam het aantal nieuwe afdelingen snel toe. Belangrijk in deze was met name de vorming van een Afdeling Algemene Zaken in 1908, feitelijk een afsplitsing van de Secretarie, waarmee voor het secretariaat als geheel een min of meer moderne verdeling werd gecreëerd tussen huishoudelijke zaken [Secretarie] en stafzaken [Algemene Zaken]. Belangrijke jaren in de organisatie der afdelingen waren verder 1828 [opgave van de zaken in de West], 1934 [algehele interne reorganisatie in het kader van een bezuinigingsoperatie] en de periode rond 1960 [nationalisatie bedrijf in Indonesië]. Hieronder wordt van alle afdelingen een korte karakteristiek gegeven. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de toelichtingen bij de betreffende rubrieken. Secretarie [1824-1964] Aanvankelijk verantwoordelijk voor alle werkzaamheden die niet aan een van de uitvoerende afdelingen waren toegewezen, dus alle werkzaamheden buiten de feitelijke vervulling van de statutaire doelstellingen. In de loop van de twintigste eeuw verloor de Secretarie een aantal taken aan andere afdelingen. Het meest van belang in dit verband was de overname in 1908 van de 'staftaken' door de nieuwe Afdeling Algemene Zaken. In 1958 werden de Secretarie en de Afdeling Algemene Zaken weer samengevoegd. Afdeling Algemene Zaken/Directiesecretarie [1908-1958] Gevormd in 1908, hoofdzakelijk als afsplitsing van de Secretarie, waarvan zij de 'staftaken' overnam [juridische zaken; onderzoek; gegevensverzameling relaties; handelsvoorlichting etc.]. In 1934 werd de afdeling in het kader van een algehele reorganisatie omgezet in een Directiesecretarie. Afgezien van de naam en toevoeging van een aantal taken veranderde echter niet veel. In 1943 kreeg de afdeling haar oude naam weer terug. In 1958 werd zij weer samengevoegd met de Secretarie. Provinciale Centrale [1936-1964] Gevormd in 1936 naar aanleiding van de overname van de Geldersche Credietvereeniging, waarmee de NHM een uitgebreid binnenlands kantorennet in bezit kreeg. De afdeling kreeg tot taak het verkeer met en het toezicht op deze nieuw verworven provinciale agentschappen en correspondentschappen. De 'oude' agentschappen Rotterdam en 's-Gravenhage bleven buiten het toezicht van de Provinciale Centrale. Afdeling Boekhouding [ca 1914-1964] Het precieze jaar waarin de boekhouding in een afzonderlijke afdeling werd ondergebracht is niet bekend. Vermoedelijk was dit 1914, het jaar waarin werd overgeschakeld op de dagelijkse manier van boekhouden. Gedurende de negentiende eeuw was de boekhouding ondergebracht bij één der uitvoerende afdelingen, achtereenvolgens de Vierde [1824-1827], de Vijfde [1827-1828] en de Derde Afdeling [1828-ca 1914 ]. Vanaf 1949 was de boekhouding geplaatst onder een Afdeling Boekhouding, Belastingzaken en Organisatie. Per 1 juli 1954 werd het onderdeel organisatie afgesplitst en resteerde dus een Afdeling Boekhouding en Belastingzaken. Afdeling Controle [1918- ] Gevormd in 1918, in eerste instantie opgezet om de agentschappen te controleren. Al spoedig werd hieraan de interne controle op het hoofdkantoor alsmede het kredietonderzoek bij relaties toegevoegd. Per 6 juli 1934 werd het afdelingshoofd behalve ondergeschikt aan de directie ook lasthebber van de Raad van Commissarissen, en nam hij onder de titel van Chef van de Controledienst een afzonderlijke plaats in het bedrijf in. Om te voldoen aan de eisen van het Nederlands Instituut van Accountants werd per 1 januari 1948 naast de eigen controledienst gebruik gemaakt van het 'externe' Accountantskantoor Drs. C. Bakker [tevens chef van de interne controledienst!]. Kasafdeling [1904-1964] Gevormd in 1904 als afsplitsing van de Vierde Afdeling. Zij omvatte het kasbedrijf in de ruimste zin, inclusief het disconteren van wissels, het beheer over de korte beleggingen van de NHM en de in- en verkoop van schatkistpapier. De afdeling kende de groepen of sub-afdelingen Kas, Clearing, Giro, Disconto's, Deposito's en Fiat. Afdeling Effecten [1912-1964] Gevormd in 1912. De afdeling hield zich bezig met de administratieve voorbereiding en afwikkeling van emissies. Dit betekende werkzaamheden als de afgifte van prospectussen, de afhandeling van inschrijvingen en toewijzingen en de couponadministratie [knippen]. Verder verzorgde de afdeling de bewaring van onderpanden en de bewaargeving van effecten, safe-deposits etc. Eerste Afdeling/Afdeling Binnenland [1825-1964] Fungeerde tot en met 1827 als [voorloper van het] Kabinet van de President. Van 1828 tot het einde van de negentiende eeuw was zij de afdeling voor de Oost. Tussen 1880 en 1919 transformeerde zij geleidelijk van Indische Afdeling naar een afdeling die zich specifiek met [voornamelijk binnenlandse] bankzaken bezighield. Per 1 januari 1953 veranderde haar naam in Afdeling Binnenland. Tweede Afdeling/Afdeling Cultures [1825-1960] Was tot en met 1827 de afdeling voor de Oost, en van 1828 tot 1880 de afdeling voor de 'zaken op Europa, de Levant en de West'. Wegens de geringe omvang van deze werkzaamheden werd de afdeling in 1880 opgeheven. De Surinaamse zaken werden ondergebracht bij de Eerste Afdeling, voor de zaken op Amerika werd een nieuwe Afdeling Amerikaanse Zaken gevormd. Al vanaf 1882 werd deze nieuwe afdeling weer aangeduid als Tweede Afdeling. Vanaf 1915 werd de Tweede Afdeling in een aantal stappen de afdeling voor cultuurzaken. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Cultures. Per 1960 werd zij samengevoegd met de Afdeling Producten [voorheen Vierde Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten. Derde Afdeling/Afdeling Bankzaken met het Oosten [1825-1959] Was tot en met 1827 de afdeling voor de zaken op Europa, de Levant en de West. Vanaf 1828 was haar pakket drieledig; een portefeuille comptabiliteit, een portefeuille stimulering economie en een portefeuille beheer eigen aandelen. Vanwege de sterke inkrimping van haar werkzaamheden werd zij per 1934 gecombineerd met de voormalige Tweede Afdeling Wissel- en Bankzaken tot een nieuwe Derde Afdeling, voornamelijk gericht op wissel- en bankzaken met het Oosten. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Bankzaken met het Oosten. In het kader van het streven naar een meer functionele indeling van de werkzaamheden op het hoofdkantoor werd in november 1959 besloten de afdeling op te heffen. Haar werkzaamheden werden verdeeld over de bestaande afdelingen Binnenland [Eerste Afdeling] en Buitenland [Vijfde Afdeling] en een nieuw gevormde Afdeling Documenten. Vierde Afdeling/Afdeling Producten [1825-1960] Had tot en met 1827 een blok comptabiliteit en een blok producten. In 1827 werd de comptabiliteitsportefeuille afgestoten naar de Vijfde Afdeling. In 1831 nam zij de behandeling der zaken van het voormalige agentschap Amsterdam over. De Vierde Afdeling was in feite gedurende haar hele bestaan in hoofdzaak de afdeling voor alle zaken aangaande het transport, de opslag, het beheer en de verkoop van producten. Per 1 januari 1953 werd haar naam dan ook gewijzigd in Afdeling Producten. Per 1960 werd zij samengevoegd met de Afdeling Cultures [voorheen Tweede Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten. Vijfde Afdeling/Afdeling Buitenland [1825-1827, 1924-1964] Was tot en met 1827 de afdeling voor comptabiliteit, stimulering van de Nederlandse economie en het beheer van de eigen aandelen. Opgeheven per 1828; haar taken werden overgenomen door de Derde Afdeling. In 1924 werd een nieuwe Vijfde Afdeling gevormd, voornamelijk gericht op het buitenlands betalingsverkeer. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Buitenland. Afdeling Centrale Buitenkantoren [Zesde Afdeling, 1953-1964] Gevormd per 1 januari 1953 als afsplitsing van de Derde Afdeling. De afdeling zou oorspronkelijk de naam Zesde Afdeling krijgen, maar in het kader van een per 1 januari 1953 doorgevoerde algehele naamswijziging van de afdelingen op het hoofdkantoor werd hiervan afgezien. De oprichting was een direct gevolg van een besluit uit september 1952 om de supervisie over de buitenkantoren, dat wil zeggen de overzeese kantoren minus die in Indonesië, aan de Factorij te ontnemen en naar Amsterdam over te brengen. Dit uit angst voor hinderlijke interventies van de Indonesische regering. De nieuwe afdeling voerde enkel de zakelijke en administratieve supervisie over de genoemde kantoren. Zij dreef dus geen bankzaken. Zij kende als onderafdelingen het Bureau Nieuw-Guinea, het Bureau Antwerpen en het Bureau Suriname en Antillen. Afdeling Documenten [1959-1964] Gevormd in 1959 na opheffing van de Derde Afdeling, waarvan zij een deel van de taken overnam. Deze lagen op het terrein van de verzorging van contacten van cliënten met het buitenland op grond van kredietopeningen en documentaire incassi. Afdeling Cultures en Producten [1960-1964] Gevormd per 1 januari 1960 door samenvoeging van de voormalige afdelingen Cultures [Tweede Afdeling] en Producten [Vierde Afdeling]. Afdeling Gouvernements-Goederen [1853-ca 1904] Tot en met 1852 fungerend als sub-afdeling van de Derde Afdeling, als zodanig vermoedelijk ontstaan rond 1830, toen de overeenkomsten met de staat een meer gestructureerd karakter kregen. In 1853 omgezet in een zelfstandige afdeling. De correspondentie van de afdeling bleef echter samengevoegd met die van de Derde Afdeling. Kort na 1904 werd de afdeling ingelijfd bij de Vierde Afdeling. De Afdeling Gouvernements-Goederen behandelde alle leveranties voor de Indische staatshuishouding, van de ontvangst tot verzending der goederen en de betaling ervan door het Departement van Koloniën. Afdeling voor Amerikaanse Zaken [1880-ca 1882] Gevormd in 1880, samenhangend met zowel de oprichting van een agentschap te New York in 1879 als de opheffing van de Tweede Afdeling in 1880, welke laatste tot dan de Amerikaanse zaken beheerde. Het agentschap New York werd al in 1881 weer opgeheven. Dit bezegelde waarschijnlijk ook het lot [in ieder geval in naam] van de afdeling. Al in 1882 is de naam Tweede Afdeling weer in zwang. Directiebesluiten ten aanzien van dit laatste zijn niet bekend. IV.2 De agentschappen Algemeen Vanaf haar oprichting bezat de directie van de NHM statutair de bevoegdheid om in alle belangrijke handelsplaatsen in binnen- en buitenland agenten te benoemen c.q. agentschappen te vestigen. Aanvankelijk werd hierbij wat de terminologie betreft nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen daadwerkelijke eigen vestiging enerzijds en vertegenwoordiging door in de betreffende plaatsen reeds gevestigde handelshuizen anderzijds. In beide gevallen sprak men van agenten. Pas de Artikelen van 1827 introduceren voor de laatste categorie de term correspondenten. De termen werden overigens ook na dat jaar nogal eens door elkaar gebruikt. De Artikelen van 1847 introduceren de term vaste agenten voor de agenten die geen andere posten, ambten of bedieningen met financiële tegenprestatie mochten bekleden, noch handel mochten drijven en deel mochten hebben in rederijen en fabrieken. De vaste agent is in 1874 weer verdwenen. Men spreekt voortaan enkel van agent; de term slaat dan louter op 'directeuren' van een eigen vestiging, volledig en exclusief in dienst van de NHM. Slechts in een beperkt aantal plaatsen stelden de statuten vestiging van een agentschap verplicht. In de periode 1824-1831 was dit het geval voor Antwerpen, Amsterdam en Rotterdam in het moederland, Batavia [Factorij] in Indië en Kanton in China. Vanaf 1831, dus na de afscheiding van België en de verhuizing van het hoofdkantoor naar Amsterdam, gold deze verplichting enkel Rotterdam en Batavia. De verplichting ten aanzien van Rotterdam verdween in 1934 uit de statuten. De statutaire verplichting om de Factorij te handhaven bleef bestaan tot de nationalisatie van het Indisch bedrijf in 1960 deze bepaling overbodig maakte. Alle agenten en correspondenten werden door de directie benoemd en zonodig door haar uit de dienst der NHM ontslagen. Zij werkten onder reglementen en instructies die tot 1850 werden vastgesteld door de Raad, daarna door de directie, gehoord de commisarissen. De agenten dienden Nederlanders te zijn, en in het bezit te zijn van een door de directie per geval te bepalen aantal aandelen. De agenten waren ten principale verantwoording verschuldigd aan de directie en correspondeerden rechtstreeks met de directie. De agenten mochten in principe enkel zaken van de NHM behartigen. De vestiging van een [vast] agentschap betekende doorgaans, maar niet zonder meer, ook vestiging in de zin van inrichting van een bedrijfspand. Deze panden waren in de negentiende eeuw weinig meer dan pakhuizen waar de voor im- en export bestemde goederen werden opgeslagen, aangevuld met enige ruimte voor de noodzakelijke administratie. Pas na de transformatie van de NHM van handelsonderneming in bankbedrijf was sprake van echte kantoorgebouwen. Binnenlandse agentschappen Geheel in de lijn der doelstelling van de maatschappij om in het moederland zoveel mogelijk plaatsen en regio's tot ontwikkeling te brengen werden een flink aantal agentschappen opgericht. Naast de statutair voorgeschreven agentschappen in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen waren dat Ath, Brugge, Brussel, Charleroi, Doornik, Gent, Kortrijk, Leuven, Luik, Luxemburg, Namen, Oostende, St. Niklaas en Verviers in het zuiden en Brouwershaven, Den Helder, Dordrecht, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Hellevoetsluis, Leeuwarden, Middelburg, Nijverdal, Schiedam, Vlissingen en Zierikzee in het noorden. De agentschappen in het zuiden werden na de afscheiding van Belgie in 1831 geliquideerd. De agentschappen in het noorden hebben nooit aan hun doelstelling beantwoord. Geen van de genoemde plaatsen, met uitzondering van Nijverdal, is door specifieke NHM-activiteiten tot ontwikkeling gekomen. In de na 1831 statutair bevoorrechte steden Middelburg, Dordrecht en Schiedam werden gouvernements-producten aangevoerd en opgeslagen omdat dit nu eenmaal was voorschreven, maar enige spin-off kwam hieruit niet voort, ook al omdat alle veilingen te Rotterdam en Amsterdam plaatsvonden. Toen eind negentiende eeuw de handelsactiviteiten werden gestaakt, kwam aan het bestaan van deze agentschappen al snel een einde. De directie hield ze nog enige tijd in stand omdat men er de regering een plezier mee dacht te doen. Dit bleek uiteindelijk niet meer het geval en na een statutenwijziging werd in 1909 besloten de laatst overgebleven agentschappen, Middelburg en Dordrecht, op te heffen. In 1910 werd dit besluit geëffectueerd. In Schiedam was na het overlijden van de agent in 1904 al geen opvolger meer benoemd. Pas in de Eerste Wereldoorlog, nadat de NHM volledig tot bankbedrijf was getransformeerd, kreeg zij voorzichtig weer belangstelling voor vestiging in de provincie. Dit had te maken met de snelle ontwikkeling van nieuwe activiteiten als het emissiebedrijf, waarvoor een kantorennet onmisbaar was, maar ook met een algemene concentratiegolf in het bankwezen, waarbij de grootbanken, bang om achter het net te vissen, een veelheid van regionale en lokale bancaire instellingen incorporeerden. De NHM deed het hierbij voorzichtig aan en hield het voorlopig bij een in 1916 gesloten overeenkomst van vriendschappelijke samenwerking met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waardoor zij van de diensten van het net van circa twintig kantoren kon beschikken dat de GCV in met name de oostelijke en zuidelijke provincies had. In 1936 werd het gehele bedrijf van de GCV in dat van de NHM geïncorporeerd. Na 1936 zou via andere overnames en eigen oprichtingen ['van de koude grond'] het binnenlands kantorennet nog fors worden uitgebreid. De 'oude' agentschappen te Rotterdam en 's-Gravenhage [opgericht 1910] hadden een status die afweek van de in 1936 verworven agentschappen. Zij legden rechtstreeks verantwoording af aan de directie en stonden in rechtstreeks contact met de diverse afdelingen van het hoofdkantoor en met de vestigingen overzee. Voor de nieuwe agentschappen, die de term provinciale agentschappen meekregen, was een in 1936 nieuw gevormde afdeling op het hoofdkantoor, de Provinciale Centrale, het aanspreekpunt. Naast, of feitelijk onder, de provinciale agentschappen kende de NHM na 1936 de zogeheten correspondentschappen, kleinere kantoren ressorterend onder een agentschap en veelal geen eigen administratie voerend. In 1962 werd de naam hiervan gewijzigd in bijkantoren. In de gevallen dat een kleiner kantoor in dezelfde stad gevestigd was als het agentschap waaronder het ressorteerde [dus met name in een aantal grote steden] sprak men vanouds van stadsbijkantoren. Verder waren er in een aantal kleine plaatsen zitdagen en waren er in Amsterdam en Rotterdam rijdende bijkantoren. (De terminologie van de NHM week af van andere banken als de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank, bij welke een lokale vestiging werd aangeduid als bijkantoor en een agentschap betrekking had op het verrichten door een zelfstandige lokale maatschappij van zekere diensten namens de genoemde banken.) Buitenlandse agentschappen Geheel getrouw aan de ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM gedurende de eerste jaren van haar bestaan werldwijd activiteiten. Dit leidde tot een reeks van vestigingen en correspondentschappen in onder meer Latijns-Amerika en de Levant. Een combinatie van onvoldoende mogelijkheden, oorlog en onveiligheid maakte aan deze activiteiten al snel een eind. Rond 1828 waren vrijwel al deze vestigingen en contacten weer verloren gegaan. Vanaf 1830 tot de Tweede Wereldoorlog was het overzeese bedrijf van de NHM hoofdzakelijk gericht op Nederlands-Indië en de omringende gebieden in Oost-Azië. Buiten dit gebied was men alleen actief in Suriname en tijdelijk in Noord-Amerika [New-York]. In Nederlands-Indië werden in de loop van de negentiende eeuw een groot aantal agentschappen gevestigd. De inkrimping en gedeeltelijke stopzetting van de handel als gevolg van de overschakeling op het bankbedrijf in 1882 zorgde voor een tijdelijke reductie, maar het succes van dit bankbedrijf zorgde er ook voor dat het aantal vestigingen weer snel toenam. De nationalisatie van het bankbedrijf in 1960 betekende het einde van alle vestigingen in Indonesië. Buiten Nederlands-Indië was het aantal agentschappen tot de overschakeling op het bankbedrijf beperkt tot Singapore [opgericht 1858] en een aantal tijdelijke vestigingen in Japan [1859-1880]. Omdat financiering van de handel van Nederlands-Indië een zeer belangrijk onderdeel van het nieuwe bankbedrijf was, en dit handelsverkeer in toenemende mate internationaal was georiënteerd, vestigde de NHM kantoren in de belangrijkste handelscentra in Brits-Indië, de Straits Settlements, China en Japan. De agentschappen buiten Nederlands-Indië werden aangeduid met de term buitenkantoren. Hoewel alle buitenkantoren waren gericht op het bankbedrijf, konden hun bezigheden, al naar gelang de omstandigheden, op onderdelen nogal uiteenlopen. Zo was het in 1921 opgerichte agentschap Bombay sterk gericht op de goud- en zilverhandel, het in 1903 geopende agentschap Shanghai op arbitragezaken en het in 1920 gestichte agentschap Kobe met name op de financiering van de Japanse export naar Nederlands-Indië. Omdat rond 1950 vanwege de politieke situatie de perspectieven in Indonesië en andere Aziatische gebieden moeilijk waren te beoordelen, ging de NHM op zoek naar steunpunten elders in de wereld. Men ging hierbij tamelijk voorzichtig te werk. Gebieden waar overbanking dreigde of waar men de kans liep om bevriende relatiebanken in de wielen te rijden werden zorgvuldig gemeden. Dit gold bijvoorbeeld voor Europa, Australië, Zuid-Afrika en met name ook de Verenigde Staten, waar enkel de vestiging te New York zeer behoedzaam tot ontwikkeling werd gebracht. Men richtte zich daarom bij voorkeur op gebieden als Oost-Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika. In Afrika werd een zestal vestigingen geopend in Tanzania, Kenia en Oeganda. In het Midden-Oosten vestigde de NHM zich in Saoedi-Arabië, Libanon en Iran. In Latijns-Amerika werd vooral gewerkt via belangen in bestaande bancaire instellingen. Geaffilieerde en gelieerde ondernemingen Behalve over de eigen kantoren kon de NHM nog beschikken over de diensten van een aantal instellingen waarin zij een groot belang had. Het betrof hier dus vaste deelnemingen. Het ging weliswaar om juridisch zelfstandige vennootschappen, die hun zaken dreven onder eigen naam, maar in hun functioneren mogen ze tot de NHM-agentschappen worden gerekend. Zij worden onderscheiden in geaffilieerde bedrijven, met een volledige of meerderheid van zeggenschap voor de NHM, en gelieerde bedrijven, waarin de NHM wel een belang, maar geen meerderheid had. Geaffilieerde ondernemingen Nederland NV Assurantiebedrijf der N.H.M. [zie toelichting rubriek 35] NV Auto-Crediet [zie toelichting rubriek 37] NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn; opgericht in 1956, om te voldoen aan de toenemende behoefte aan kredieten met middellange looptijden, in het bijzonder ter financiering van de export van kapitaalgoederen. Buitenland Société Hollandaise de Banque et de Gestion te Tanger; 100% NHM, opgericht door de NHM in 1948 omdat in Tanger niet de na-oorlogse deviezenrestricties golden. Het belang van de vestiging verminderde na de inlijving van Tanger bij Marokko in 1959. ( Tanger werd via het Verdrag van Algeciras van 1906 tot internationaal gebied verklaard, een status die in 1923 werd bekrachtigd. Na van 1940-1945 door Spanje bezet te zijn geweest, kwam de stad in 1945 weer onder internationaal bestuur. In 1959 kwam zij onder de Marokkaanse souvereiniteit. In 1962 werd zij vrijhaven, en in 1965 kreeg zij bijzondere economische faciliteiten.) Surinaamsche Bank te Paramaribo [zie toelichting rubriek 43] Edwards, Henriquez & Co's Bank NV te Curaçao; de NHM nam in 1952 een belang van 50% ofwel fl. 1.000.000,- in Antilliaanse guldens in deze vennootschap, waarin de bankzaken van de in 1856 opgerichte bankiersfirma Edwards, Henriquez & Co, inclusief haar meerderheidsbelang in de Aruba Commercial Bank te Willemstad, waren ondergebracht. De reden voor deze deelneming was met name de ligging van Curaçao nabij de olieproducent Venezuela, waar Shell een zeer grote raffinaderij exploiteerde, alsmede de exploitatie door de Amerikaanse groep Lago van een raffinaderij op Aruba. B.W. Blydenstein & Co te Londen; de NHM beschikte in Londen vanaf 1945 over een representative office. Een volwaardig agentschap werd gewenst geacht, maar bleek moeilijk realiseerbaar wat betreft het vinden van ruimte en personeel. Bovendien was men bang de relatie met Engelse banken te verstoren. Daarom werd in 1952 gekozen voor een participatie van 50% in B.W. Blijdenstein & Co, de affiliatie van De Twentsche Bank te Londen. De samenwerking ging in per 1 april 1953. In dit kader richtte de NHM de Netherlands Trading Society London Ltd op, die als non-personal partner van Blijdenstein zou optreden. De Twentsche Bank had op dezelfde voet De Twentsche Bank London Ltd. Mercantile Bank of Iran and Holland te Teheran; de voorbereidingen voor de oprichting van een bank in Iran begonnen in juli 1958, in samenwerking met de heren Vahabzadeh en anderen. De NHM nam aanvankelijk deel voor 25%. De opening van het kantoor van de MBIH had plaats op 5 april 1959. Het belang van de NHM ging nu omhoog naar 49% [de Perzische wet stond grotere buitenlandse deelname niet toe]. Ondanks haar minderheidsbelang had de NHM wel de leiding in deze onderneming. NV Internationale Handels- en Diamantbank te Antwerpen; vrijwel 100% NHM, na de oprichting in 1960 begon de bank haar werkzaamheden op 1 december van dat jaar. Zij was specifiek gericht op de relaties in de Antwerpse diamantindustrie en -handel. Vanwege de beperkte doelstelling opereerde de bank niet als agentschap, maar als afzonderlijke NV met beperkte vergunning. De NHM had ook niet de bedoeling om de zaken in België een uitgebreid karakter te geven. Gelieerde ondernemingen Banco de Montevideo te Montevideo; de NHM nam eind 1950 een belang in deze bank, die praktisch geheel toebehoorde aan de drie Zuid-Amerikaanse concerns Bemberg, Bunge & Born en Bracht. De NHM kreeg vertegenwoordigers in het bestuur, en kon jonge employé's bij de Banco ervaring laten opdoen. Banco Tornquist SA te Buenos Aires; opgericht met 50% deelname der NHM, ter voortzetting van de zaken van het bankiershuis Ernesto Tornquist & Co Ltd. De opening van het kantoor vond plaats op 14 november 1960. V Fusies, overnames, deelnemingen en commissariaten De termen fusie, overname en deelneming zijn termen die in het dagelijks gebruik niet altijd in dezelfde betekenis worden gehanteerd. In onderstaande worden zij in het kort nader omschreven, om in elk geval te verduidelijken hoe ze in deze inventaris zijn gebruikt. V.1 Fusies De term in fusie is in principe een overkoepelende term voor al die processen, waarbij twee eenheden worden samengevoegd. In die zin is dus in alle gevallen waarbij twee ondernemingen samengaan sprake van een fusie. In deze inventaris is, ter verduidelijking van het karakter van bepaalde transacties, de term wat beperkter gehanteerd voor het samengaan van twee gelijkwaardige grootheden. In deze zin wordt daarom het proces van samengaan in 1964 tussen ABN en De Twentsche Bank, in de media veelal omschreven als fusie, in deze inventaris beschouwd als een overname door de ABN van De Twentsche Bank. V.2 Overnames De NHM heeft in de loop van haar geschiedenis een groot aantal ondernemingen overgenomen. Kern van een overname is de overgang van de zeggenschap over een onderneming via een aandelentransactie, waarbij een meerderheid van de aandelen in handen van de overnemende partij komt. Zo'n aandelentransactie kan diverse vormen aannemen. De overnemende partij kan eenvoudigweg een meerderheid van de aandelen [indien aanwezig: de preferente -] opkopen en zo een meerderheidsbelang verwerven. Een andere mogelijkheid is de aandeelhouders van de over te nemen onderneming het aanbod te doen hun aandelen in te ruilen tegen 'eigen' aandelen. De NHM heeft beide methoden wel gehanteerd. Na een overname konden verschillende wegen worden bewandeld. Enerzijds kon het bedrijf van de overgenomen vennootschap volledig in het eigen bedrijf worden geïncorporeerd. De NHM deed dit onder meer in 1936 met het bedrijf van de Geldersche Credietvereeniging, waarvan de kantoren werden omgezet in NHM-agentschappen. De vennootschap Geldersche Credietvereeniging werd dus vrijwel volledig uitgekleed, maar werd niet ontbonden. Zij ging met een klein maatschappelijk kapitaal verder als 'huizenmaatschappij' van de NHM. In 1964 was sprake van eenzelfde proces, toen het bedrijf De Twentsche Bank in dat van de ABN werd opgenomen. Anderzijds kon men een overgenomen vennootschap als zodanig onder eigen naam laten doorfunctioneren, waarbij de NHM dan veelal [vrijwel] enig aandeelhouder was. De redenen hiervoor konden divers zijn, maar meestal speelden gevoeligheden bij de 'oude' clientèle een belangrijke rol. Voorbeelden van overnames in deze vorm zijn die van De Surinaamsche Bank in 1949 en van het commissionairshuis De Wed. Tjeenk & Co in 1948. Bleef een overgenomen instelling als juridisch zelfstandige onderneming doorfunctioneren, dan ging zij in feite behoren tot de groep van vaste of structurele deelnemingen van de NHM. Wanneer de overgenomen instelling onder eigen naam namens de NHM diensten verrichtte, dus in feite als NHM-agentschap fungeerde, behoorde zij tot de affiliaties. V.3 Deelnemingen Ook de term deelneming is een overkoepelende term, waarvan de betekenis niet altijd dezelfde is. Een deelneming kan globaal worden omschreven als het aangaan van een relatie met een andere onderneming door het aanhouden van effecten van die betreffende onderneming. De deelnemingen van de NHM zijn naar doelstelling te verdelen in drie categorieën. Ten eerste zijn er de [met name negentiende-eeuwse] deelnemingen in het kader van de financiering van bepaalde economische sectoren. Ten tweede zijn er de vaste deelnemingen met een langdurig karakter, expliciet gericht op uitbreiding van het eigen werkterrein en de invloed van de eigen onderneming. Ten derde zijn er de veelal zeer tijdelijke deelnemingen, gerelateerd aan het emissiebedrijf [zie hiervoor hoofdstuk VI.4 van deze inleiding]. De NHM heeft vanaf het begin langdurige belangen gehad in diverse andere ondernemingen. Dit was een min of meer logisch gevolg van haar doelstellingen, die onder meer bepaalden dat zij de nationale handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij en nijverheid moest bevorderen. Zij deed dit onder meer door deelname in het kapitaal van ondernemingen, met name door het rechtstreeks overnemen van aandelen. In veel gevallen gebeurde dit al bij de oprichting van de betreffende ondernemingen, en was de NHM mede-oprichtster. Deze vroege deelnemingen hadden dus vooral een bedrijfsondersteunende functie waarbij de NHM louter de rol van financieringsmaatschappij vervulde, zonder dat het streven naar winstgevende belegging op de voorgrond stond. Een voorbeeld hiervan is de steun van de NHM aan de Twentsche katoenindustrie. Ook veel deelnemingen in bijvoorbeeld transport- en overslagbedrijven en cultuurmaatschappijen hadden in oorsprong het karakter van bedrijfsondersteuning. De deelnemingen van de NHM waren volgens statutaire voorschriften tot 1884 gericht op sectoren die raakvlakken hadden met haar eigen werkterrein. Toen de NHM vanaf 1874 transformeerde van 'nationale' onderneming naar louter particulier bedrijf verdween geleidelijk de ideële grondslag onder de deelnemingen. De deelnemingen behielden in hun praktische uitwerking natuurlijk hun karakter van financiering, maar voor de NHM dienden ze nu in de eerste plaats tot versterking en uitbreiding van het eigen bedrijf. Vaste deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De NHM kon eenvoudigweg een belang nemen door een percentage van de aandelen op te kopen, meteen bij de oprichting van een onderneming of ook later. Zij konden ook voortkomen uit oprichting door de NHM zelf van nieuwe ondernemingen, waarbij de NHM veelal enig aandeelhoudster was. Dit was met name het geval na de Tweede Wereldoorlog, toen de NHM bepaalde [meest nieuwe] bedrijfsactiviteiten onderbracht in juridisch zelfstandige vennootschappen. Tenslotte zette de NHM diverse [met name cultuur-]ondernemingen voort die haar via faillissement waren toegevallen. Bleef het NHM-belang onder de 50%, dan was sprake van een minderheidsbelang. Was na aankoop het NHM-belang 50% of meer dan onstond een meerderheidsbelang ten gunste van de NHM. In feite had de NHM dan de zeggenschap over de betreffende onderneming en was er sprake van een overname. Er ontstond in dat geval een zogeheten moeder-dochter relatie. In het geval de NHM alle aandelen in een onderneming bezat, was sprake van een volledige of 100% deelneming. V.4 Commissariaten Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post[en] in de Raad van Commissarissen bij de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus NHM-gebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een NHM-functionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. In ieder geval vanaf 1927 speelde de Raad van Commissarissen van de NHM bij deze besluiten ook een rol. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers opgenomen in de rubriek overnames en deelnemingen [2.2]. VI Werkterrein Ondanks het feit dat zij zich gedurende haar hele geschiedenis handel-maatschappij is blijven noemen, heeft de NHM zich met zeer uiteenlopende activiteiten beziggehouden. Zij begon inderdaad als handelsonderneming, maar al bij haar oprichting was zij tevens voorbestemd om te dienen als financier van de te ontwikkelen nationale scheepvaart en industrie. Vanaf het begin hield zij zich tevens bezig met het cultuurbedrijf, en tot het einde was zij daarom ook, vaak tegen wil en dank, cultuuronderneming. En vanaf 1874 begon de ontwikkeling van de NHM naar volwaardig bankbedrijf. Radicale scheidslijnen zijn in deze ontwikkeling van het bedrijf niet te trekken. Hooguit kan gezegd worden dat de NHM in de periode 1824-1874 in hoofdzaak handelsonderneming was, dat in de periode 1875-1903 een geleidelijke omschakeling plaatsvond naar het bankbedrijf en dat de NHM in de twintigste eeuw in hoofdzaak een bancaire instelling was. Maar in de eerste fase trad de NHM ook op als financier, en de handelsactiviteiten werden ook gedurende de twintigste eeuw voortgezet, zij het op kleine schaal. Het cultuurbedrijf der NHM beleefde haar hoogtijperiode tussen circa 1860 en 1934, maar ook dit bedrijf werd daarna in afgeslankte vorm tot 1964 voortgezet. In onderstaande zullen de diverse werkterreinen nader worden beschreven. Voor vervolg zie de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
A. Ontwikkeling en context van de Nederlandse diplomatie A.1. Diplomatieke vertegenwoordiging Vorsten hebben net als gewone mensen omgang met elkaar, zo constateerde De De Wicquefort in 1681. Alleen kunnen ze niet persoonlijk als soevereinen onder elkaar hun zaken regelen. Dat zou hun belangen schaden en afbreuk doen aan hun waardigheid. Daarom hebben ze tussenpersonen in dienst, gezanten, aan wie ze de rang van ambassadeur of een andere publieke kwaliteit hebben gegeven. En door deze gezanten laten zij zich vertegenwoordigen. Zijn vorst vertegenwoordigen: dat is de essentie van de functie van de gezant. De gezant is lasthebber van zijn vorst; rechtshandelingen die hij verricht binden niet hemzelf maar zijn vorstelijke lastgever. Hij fungeert slechts als spreekbuis, als boodschapper. Maar een gezant is niet zomaar een boodschapper. Door de bijzondere status van zijn vorst en heer is hij een boodschapper met bijzondere voorrechten. De persoon van de gezant is onschendbaar en hetzelfde geldt voor zijn verblijfplaats en zijn vervoermiddel. Zijn postpakketten mogen niet worden geopend, zijn koeriers niet aangehouden. Hij is niet onderworpen aan de rechtspraak van zijn gastland en geniet er belastingvrijdom. Het aanzien van zijn vorst straalt op hem af en de vorst naar wie hij wordt gezonden, moet hem ontvangen met de eer die past bij de verheven status van de vorst die hij vertegenwoordigt. Kortom, diplomatieke vertegenwoordiging is een vorm van geprivilegieerde communicatie tussen vorsten. A.2. De moderne diplomatie De moderne diplomatie heeft zich met de soevereine staat uit de feodale maatschappij ontwikkeld. De feodale maatschappij was een versnipperde, maar coherente maatschappij. Er waren verschillende machtscentra: de kerk, de feodale heren, de steden. Maar de christenheid was één. Bestuurlijke verhoudingen waren afhankelijkheidsverhoudingen, verhoudingen die als een alomvattend netwerk het sociale leven omspanden. Alles en iedereen had een vaste plaats in een onveranderlijke hiërarchie. Vanaf de veertiende eeuw ontwikkelde zich uit de feodale staat de monarchale, soevereine staat. Vorsten ontleenden hun macht niet langer aan het leenheerschap, maar aan de daadwerkelijke heerschappij over hun territorium. Zij werden soevereinen die geen macht boven zich erkenden. Om hun nieuw verworven machtsposities te kunnen consolideren en versterken, ontwikkelden zij een systeem van duurzame diplomatieke betrekkingen. In de zestiende eeuw werd dit systeem in Europa overal toegepast. Aanvankelijk leken de godsdienstoorlogen aan deze moderne diplomatie een eind te zullen maken, maar uiteindelijk leverden ze juist het bewijs van haar onmisbaarheid. Het herstel begon in 1598; precies vijftig jaar later beleefde ze op het vredescongres van Munster, de eerste algemene statenconferentie in Europa sinds de vrede van Cateau Cambresis in 1559, haar grootste triomf. Het inzicht dat de maatschappij een conglomeraat was van autonome individuele staten die een machtsevenwicht bewaarden, vond algemene erkenning en werd in 1713 in Utrecht zelfs in het vredestraktaat vastgelegd. De moderne diplomatie had zich definitief gevestigd. A.3. De Republiek in het diplomatieke verkeer In heel Europa kreeg de nationale staat vorm, behalve in de Noordnederlandse gewesten. De opstand blokkeerde er de definitieve overgang van een feodale naar een monarchale staat, waardoor de gezagsverhoudingen het karakter van soevereiniteitsverhoudingen bleven houden. Dit miste op de diplomatie zijn uitwerking niet. Tussen en binnen de opstandige gewesten bleef een uitgebreid diplomatiek verkeer bestaan en de kwestie wie nu precies gerechtigd was om gezanten naar vreemde soevereinen te sturen en van vreemde soevereinen te ontvangen, werd niet eenduidig geregeld. En een eenduidige regeling zou er voor de Bataafse revolutie ook niet komen omdat de soevereiniteitskwestie niet kon worden beslecht. Hoewel de Unie haar best deed zich naar buiten toe als soeverein tussen de soevereinen te gedragen, kreeg zij nooit het monopolie van de diplomatie. Contacten met het buitenland werden tot in de achttiende eeuw door elk van de drie "bestuurslagen" onderhouden: door de bestuursorganen van de Unie als het om Uniezaken ging; door de Staten van de gewesten als het om gewestelijke zaken ging en door de steden en edelen als het noch over Uniezaken noch over gewestelijke aangelegenheden ging. De meeste gezantschappen gingen uit van de Unie omdat de meeste buitenlandse aangelegenheden tot de Uniezaken werden gerekend: voor het sluiten van een bestand of vrede, het aanvaarden van een oorlog en het sluiten van politieke allianties had de Unie van Utrecht in de artikelen 9 en 10 de unanieme goedkeuring van alle bondgenoten verplicht gesteld. Wie de Unie naar buiten toe mocht vertegenwoordigen was aanvankelijk ook niet duidelijk geregeld. Soms was het de landvoogd die gezanten afvaardigde, dan weer de Raad van State, dan weer de Staten-Generaal. Maar van 1593 tot 1 maart 1796 waren het uitsluitend de Staten-Generaal die, belast met het oppergezag over de buitenlandse zaken, namens de Unie gezanten uitzonden en ze met vreemde vorsten lieten onderhandelen, die in de betrekkingen van de Unie met het buitenland met de tekenen van de soevereiniteit waren gekroond en die door hun gezanten als hun soevereinen of superieuren werden aangeduid. Hoewel de Staten-Generaal naar buiten toe zoveel mogelijk als één lichaam probeerden op te treden, bleef de vergadering in de woorden van Van Slingelandt, niet meer dan "een congres van afgesanten of gevolmachtigden van seeven nauw aan den anderen verknogte staaten, dienende om saamen te concerteeren over de belangen van haar committenten, voor sooveel die door de Unie zijn gemeengemaakt". De samenstellende delen van de Unie bleven niet alleen met vreemde vorsten, maar ook met elkaar diplomatieke contacten onderhouden. A.4. De provincies en steden van de Republiek in het diplomatieke verkeer De provincies en steden hadden dus het recht om in kwesties die hen speciaal raakten eigen vertegenwoordigers af te vaardigen en ze maakten van dat recht ook gebruik. Zo hadden Brabant, Holland en Zeeland tot in het begin van de zeventiende eeuw hun eigen vaste agenten in Engeland en Frankrijk. Later, toen de Republiek zelf aan alle hoven diplomatieke agenten had, die verplicht waren zich ook de bijzondere belangen van de leden van de Unie aan te trekken, konden de provincies zich de kosten en moeite van eigen agenten besparen. Politiek van meer betekenis dan de vaste vertegenwoordigingen waren de extraordinaris bezendingen van de provincies met een bijzondere opdracht. Daar werden de grenzen die door het Unieverdrag waren gesteld tot het uiterste opgerekt. De onderhandelingen van de Hollandse gezanten Van Beverningk en Van Nieuwpoort in Engeland, die in 1654 leidden tot de sluiting van de Akte van Seclusie, vormen wel een van de meest bekende voorbeelden van het optreden van afzonderlijke gewesten als soeverein, maar er zijn meer voorbeelden, zoals de voldoening die de Staten van Zeeland wegens schending van hun briefgeheim in 1668 kregen van de Engelse koning Karel II. De Staten van de provincies hadden zelf nogal eens moeite om hun rol in het diplomatieke verkeer te verdedigen tegen usurpatie door hun eigen leden. De Staten van Holland zagen zich in 1662 genoodzaakt het de edelen en steden te verbieden om aan buitenlandse gezanten publieke audiëntie te verlenen over zaken "der gemeenen staat van den lande betreffende" en ze op te dragen deze gezanten onmiddellijk naar de Staten zelf door te sturen. In 1773 was het de magistraat van Amsterdam, vertegenwoordigd door Jean de Neufville, die met de commissaris van het Amerikaanse Congres, William Lee, onderhandelde over het handelsverdrag, dat in 1778 door wederzijdse gemachtigden van Amsterdam en het Congres werd ondertekend. A.5. De Bataafse Republiek in het diplomatieke verkeer De in 1795 vernieuwde Staten-Generaal konden evenmin als hun voorgangers het monopolie claimen van de diplomatie. Blauw en Meyer, hun gezanten in Parijs, kwamen daar in het voorjaar van 1795 François Ermerins tegen, die door de Provisionele Representanten van het volk van Zeeland, dat door Franse annexatiedrift werd bedreigd, als extraordinaris gedeputeerde naar de Nationale Conventie was afgevaardigd, om onder meer de soevereiniteit van de provincie te demonstreren. Het federalisme en de soevereiniteitspretenties van de provincies werd pas de nek omgedraaid door de unitaristische staatsgreep van januari 1798. Het nieuwe Uitvoerend Bewind kreeg de exclusieve verantwoordelijkheid voor alle diplomatieke verrichtingen. Aan de diplomatie van de Nederlandse eenheidsstaat kwam een einde door de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk op 9 juli 1810. Tot 1814 waren het de Franse gezanten en consuls die de voormalig Nederlandse belangen in binnen- en buitenland behartigden. A.6. De ontwikkeling van de diplomatieke betrekkingen De diplomatie van de Republiek vindt zijn oorsprong in de laatste decennia van de zeventiende eeuw. In 1584 en 1587 kregen de agenten die door Holland, Zeeland en Brabant in Engeland en Frankrijk waren gestationeerd, een aanstelling van de Unie. In 1587 stuurde Leicester namens de Unie een vaste gezant naar de Duitse vorsten. Na de val van Antwerpen en het vertrek van Leicester richtte Oldenbarnevelt de diplomatie van de Unie in als een instrument van de gewesten Holland en Zeeland, met een zwaar overwicht voor Holland. Het aantal agenten werd uitgebreid. In 1588 of 1590 werd een agent aangesteld in Calais, in 1594 een agent in Schotland en in 1596 de eerste commissaris in de Sont. Enkele jaren later maakte Oldenbarnevelt een begin met de vorming van een consulaire dienst. De sluiting van het bestand in 1609 was een mijlpaal. De bondgenoten Frankrijk en Engeland beschouwden het als de erkenning van de Staten-Generaal als soeverein en knoopten in hetzelfde jaar vaste diplomatieke betrekkingen aan op ambassadeursniveau. Hun voorbeeld werd gevolgd door Turkije (1612), de Hanzesteden Hamburg en Lübeck (1619), Venetië (1622; na 1637 niet gecontinueerd) en Denemarken (1632). Bij de vrede van Munster in 1648 werd de Republiek ook door de andere mogendheden als soevereine staat erkend. In de halve eeuw die erop volgde werden er vaste vertegenwoordigers gestationeerd in Zweden (1654), in Spanje en de Spaanse Nederlanden (1656), in Portugal (1664), in Frankfurt (1668), bij de Duitse keizer (1670). Vóór Willem III was van een echt diplomatiek apparaat nog geen sprake. De diplomatie was, buiten de enkele vaste vertegenwoordigingen, oorlogsdiplomatie en dus incidentendiplomatie, een zaak van regenten en regentenzonen die na het vervullen van een bijzondere opdracht terugkeerden naar hun plaats op het kussen. Ook de diplomatie van de stadhouder-koning had het karakter van oorlogsdiplomatie. Ook hij werkte vooral met buitengewone gezanten. Alleen in het eerste decennium van zijn stadhouderschap kwamen er vaste gezantschappen bij, namelijk die in Rusland (1675), in Pruisen (1679) en bij de Duitse Rijksdag (1683). Toch veranderde de diplomatie onder zijn bewind. Onder druk van de omstandigheden ontstond er binnen het Brits-Nederlandse samenwerkingsverband een flexibel, effectief en ook kostbaar diplomatiek apparaat bestaande uit een elitecorps van buitengewone gezanten, die afhankelijk van de politieke ontwikkelingen nu eens hier en dan weer daar werden ingezet. Zo werden de grondslagen gelegd voor een echte diplomatieke dienst. Na Willem III was de staat praktisch bankroet. Diplomaten reisden niet meer naar het buitenland om vrede te maken of bondgenootschappen te sluiten, maar waren ter plekke om oorlog te voorkomen. Na een jarenlange financiële en dus ook diplomatieke malaise ontstond een net van vaste vertegenwoordigingen, een ambtelijke diplomatieke dienst met professionele diplomaten. Vooral in het Duitse Rijk nam het aantal vaste gezantschappen toe. Rond 1750 vormden de diplomatieke vertegenwoordigingen daar een vrijwel dekkend net waar maar één gaatje in zat: de Zwabische Kreits Baden en Württemberg. De gezant bij de Hanzesteden Hamburg en Lübeck werd in 1708 ook geaccrediteerd in Bremen en in 1733 ook bij de Nedersaksische Kreits. Met de drie geestelijke Keurvorsten werden vaste betrekkingen aangeknoopt in 1715 (Keulen) en 1724 (Mainz en Trier), met de Opperrijnse Kreits (de landgraven van Hessen) in 1744, met de Nederrijns-Westfaalse Kreits (Gulik en Berg en de bisschoppen van Munster en Osnabrück) in 1749, met de keurvorst van de Palts (die in 1777 tevens keurvorst van Beieren werd) ca. 1757. Meestal was het overigens één en dezelfde gezant, die bij al deze vorsten en kreitsen was geaccrediteerd. Doordat in 1725 ook bij de koning van Polen (en tot 1750 dus bij de keurvorst van Saksen) en in 1749 bij de bisschop van Luik een vaste gezant was gestationeerd, werd de vertegenwoordiging in Frankfurt, aanvankelijk de residentie van de agent in Duitsland, overbodig en na 1770 dan ook niet meer gecontinueerd. Het systeem van vaste gezantschappen raakte in de laatste decennia de grenzen van zijn mogelijkheden. Holland had geleidelijk aan de financiële lasten van het diplomatieke apparaat (evenals die van de VOC) geheel op zich genomen. Kort na de vrede van Munster stonden van de zeven vaste gezanten er nog maar twee en een half ter repartitie van Holland en sinds de laatste jaren van De Witt waren dat er negen tot tien van de twaalf; maar in de laatste decennia van de achttiende eeuw kwamen alle vaste gezanten ten laste van de eens zo machtige, maar nu feitelijk failliete provincie. De Bataafse revolutie van 1795 maakte althans formeel aan de provinciale invloed op de diplomatie een einde. De omwenteling leidde in de diplomatieke dienst tot ingrijpende veranderingen. De diplomatieke betrekkingen met Engeland werden verbroken, het gezantschap in de Oostenrijkse Nederlanden werd opgeheven, voor de gezanten in Luik bij de Duitse Rijksdag en in Trier werd geen opvolger benoemd en de meeste gezanten elders door de vernieuwde Staten-Generaal vervangen. Behalve de zaakgelastigden in Polen en Turkije bleven er maar twee diplomatieke vertegenwoordigers op hun post: de gezant in Wenen en de secretaris bij de Opper- en Nederrijnse en Westfaalse Kreitsen. In de jaren daarna werden nog diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met Hessen-Kassel, i.p.v. de Opperrijnse Kreits (1797), Württemberg (1797), Baden (1807) en Westfalen (1807). Maar in dezelfde periode werden de betrekkingen verbroken met de Verenigde Staten (1803), Zweden (1806), Württemberg en Portugal (1809). De "vereniging met het Franse keizerrijk" tenslotte maakte op 9 juli 1810 een einde aan de functies van de gezanten bij de Duitse keizer en in Frankrijk, Denemarken, Rusland, Turkije, Spanje, Baden, Westfalen en Pruisen. Hun functies (en hun archieven) werden door hun Franse collega's overgenomen. B. Status en rang van de gezant B.1. De gezant en de hiërarchie der vorsten Het aanzien van zijn vorst en heer straalde af op de gezant. En niet iedere vorst had evenveel aanzien. In de door leenverhoudingen bepaalde universele hiërarchie van het feodale stelsel stonden paus en keizer aan de top, gevolgd door de koningen, de hertogen, de graven en andere heren. In de periode van de opkomst van de nationale staten kwam onder de vorsten de keizer als eerste, gevolgd door achtereenvolgens de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal, Engeland, Denemarken en Zweden, de Republiek van Venetië (die het koninkrijk Cyprus bezat), de aartshertogen, de keurvorsten en de andere vorsten en standen van de christenheid. Onder de oude leenverhoudingen was de rangorde een vaste geweest. Maar toen vorsten soevereinen werden van nationale staten raakte die rangorde aan veranderingen onderhevig. Een vorst die aan politieke invloed had gewonnen, wilde zijn toegenomen politieke macht uitgedrukt zien in meer prestige in het internationale verkeer en probeerde in de rangorde der vorsten zijn voorgangers te passeren. Wie zich soevereiniteit aanmatigde moest een streven naar erkenning door vreemde vorsten combineren met een streven naar een zo hoog mogelijke inschaling in deze hiërarchie. Er was een voortdurende competentiestrijd, die vooral door en rond diplomaten werd gestreden. De Staten-Generaal wisten zich na de sluiting van het Bestand in het diplomatieke verkeer een plaats te verwerven tussen de Republiek van Venetië en de aartshertogen. Zij vroegen en kregen in ceremoniis dezelfde status als de gekroonde hoofden en Venetië. Voor hun plaats in de hiërarchie waren erkende aanschrijftitels het bewijs. Na de bestandssluiting, die hun soevereiniteit bevestigde, namen zij de titel van Haar Hoog Mogenden aan, die na verloop van tijd door vrijwel alle mogendheden werd erkend en overgenomen. Veranderingen in de status en de rang van de lastgevers van de gezant en van de accrediterende vorst leidden vrijwel meteen tot veranderingen in de status en de rang van de gezant. De nieuwe Staten-Generaal werden in 1795 in het diplomatieke verkeer als rechtsopvolgers van de oude erkend. Toch werden de burgers Blauw en Meyer, die als ministers plenipotentiaris naar Frankrijk waren gestuurd om met de regering van dit land een overeenkomst te sluiten, pas door de Nationale Conventie erkend, toen de Bataafse Republiek met Frankrijk het Haags verdrag had gesloten. Omdat het ceremonieel het niet toeliet ambassadeurs te zenden naar regeringen zonder staatsregeling, moest het Staatsbewind in 1799 na de staatsgreep van Napoleon de rang van Schimmelpenninck, de ambassadeur in Parijs, tot minister plenipotentiaris verlagen. Dat Napoleon dit niet op prijs stelde, laat zich raden en het Staatsbewind maakte dan ook van de eerste gelegenheid gebruik deze degradatie ongedaan te maken. B.2. De status van de ordinaris en de extraordinaris gezant De status van de gezant was niet alleen afhankelijk van de plaats van de betrokken partijen in de vorstelijke hiërarchie, maar ook van de aard van zijn opdracht. Zo waren er ordinaris en extraordinaris gezanten. De extraordinaris gezant was oorspronkelijk een diplomatieke vertegenwoordiger met een speciale opdracht en voorzien van speciale volmachten. Als hij zijn opdracht had uitgevoerd, keerde hij naar huis terug. De ordinaris-gezant daarentegen moest de belangen van zijn vorst in hun algemeenheid behartigen. Om geaccrediteerd te worden had hij geen speciale volmachten nodig, maar slechts in algemene termen gestelde geloofsbrieven. Hij bleef op zijn post totdat hij werd teruggeroepen. De extraordinaris gezantschappen vertegenwoordigen de oudste vorm. Ze bestonden doorgaans uit twee of meer gezanten die, afhankelijk van de aard van hun opdracht, opereerden aan één hof of rondreisden langs verschillende hoven. Zij werden uitgezonden om te onderhandelen, om de bezwering van de naleving en de uitvoering van een vredestraktaat bij te wonen of om andere ceremoniële redenen. In het laatste geval was de gezant in de meest strikte zin de vertegenwoordiger van zijn vorst en had hij, als hij een soeverein vertegenwoordigde, bij een andere soeverein de rang van extraordinaris ambassadeur. Hij had de voorrang boven een ordinaris ambassadeur. Aan permanente diplomatieke vertegenwoordiging kregen vorsten vooral behoefte toen de opkomst van de nationale staten de universele hiërarchie van de feodaliteit en de opkomst van de hervorming de eenheid van het christendom hadden verbroken en diplomatie de voortzetting werd van de oorlog met andere middelen. De ordinaris-gezant was niet alleen een boodschapper van de vrede, maar ook een spion, zij het een spion van aanzien. Hij moest in de eerste plaats de goede betrekkingen tussen beide vorsten onderhouden, de brieven van de één bij de ander bezorgen en op antwoord aandringen. In de tweede plaats moest hij goed in het oog houden wat er allemaal aan het hof voorviel en daarover voortdurend aan zijn vorst en meester rapporteren. In de derde plaats moest hij de onderdanen van zijn vorst bescherming bieden en diens belangen bewaken. Liep het onderscheid tussen de extraordinaris en de ordinaris gezant oorspronkelijk parallel met het onderscheid tussen ad hoc diplomatie en sedentaire diplomatie, later (in de Republiek tegen het einde van de zeventiende eeuw) werd het vooral een onderscheid in rang. Extraordinaris envoyées werden nu ook in ordinaris bezendingen gebruikt. De Staten-Generaal besloten in 1671 zelfs om alle gezanten in ordinaris missies de rang van extraordinaris envoyé te geven: de kosten van de duurdere ordinaris ambassadeurs konden niet meer worden opgebracht. B.3. De rangen onder de gezanten De status van de gezant was afhankelijk van de status van zijn lastgevers en van de aard van zijn missie, maar ook, tenslotte, van zijn eigen rang. Sinds de tweede helft van de zestiende eeuw werden drie verschillende rangen onderscheiden die correspondeerden met drie verschillen graden van vertegenwoordiging. De ambassadeur was de gezant met de hoogste rang. Alleen soevereinen mochten zich door ambassadeurs laten vertegenwoordigen. Ambassadeurs waren vertegenwoordigers in optima forma van de persoon van de soevereine vorst. De envoyé was een gezant van de tweede rang. Gezanten van de tweede rang konden hun vorst in rechte vertegenwoordigen zonder hem in persoon te vertegenwoordigen. Zij liepen minder risico de reputatie van hun vorst te schaden en konden daardoor gemakkelijker opereren bij het behartigen van diens belangen. Bovendien waren ze goedkoper in het gebruik. Andere gezanten van de tweede rang, althans sinds de zestiende eeuw, waren de agenten en residenten. Agenten werden gezonden door of aan niet-soevereine vorsten. Zij daalden in de achttiende eeuw af tot correspondenten zonder rang. Residenten worden in de zeventiende eeuw verdrongen door de envoyées. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en in de Republiek van Venetië berustte de soevereiniteit bij vergaderingen van gedeputeerden. De Staten-Generaal zonden, evenals Venetië, ook wel eens gedeputeerden uit hun midden als extraordinaris gedeputeerden naar andere soevereinen. Deze gedeputeerden werden daar echter als gezanten van de tweede rang behandeld. Gedeputeerden werden, evenals agenten en residenten, ook wel commissarissen (d.i. gecommitteerden) genoemd. Ministers (in het Franse idioom de algemene term voor gezant) waren eerst gezanten zonder bepaalde rang, vervolgens gezanten van de tweede rang en tenslotte, in de achttiende eeuw, gezanten van de derde rang. De gezant van de derde rang was meestal een chargé d'affaires of zaakgelastigde. Deze kwaliteit werd onder meer toegekend aan de gezantschapssecretaris die bij ontstentenis van de gezant de zaken waarnam. Een secretaris kon de functie van zaakgelastigde alleen vervullen als hij van geloofsbrieven was voorzien. Extraordinaris gezantschappen die uit meer dan één gezant bestonden, werden nog in de zeventiende eeuw dikwijls vergezeld van een secretaris die geloofsbrieven had op eigen naam of genoemd werd in de geloofsbrieven van de gezanten. Ook ordinaris gezanten maakten van oudsher gebruik van secretarissen die een eigen positie kregen en van staatswege werden betaald. Zij genoten diplomatieke bescherming, maar waren geen diplomatieke vertegenwoordigers. Dikwijls overbrugden zij de periode tussen twee gezanten. Ze werden dan meestal tot tijdelijk zaakgelastigde benoemd.(Mattingly, X. De secretaris van een gezantschap mag overigens niet worden verward met de secretaris van de gezant, die tot het huispersoneel van de gezant werd gerekend.) De kwalificatie van minister plenipotentiaris, oorspronkelijk alleen voor werkelijk gevolmachtigden gebruikt, raakte in de achttiende eeuw in gebruik als aanduiding voor een gezant van de derde rang. De Nederlandse gewesten maakten na de opstand en vóór de erkenning van de Unie als soevereine staat in het diplomatieke verkeer behalve van agenten (zie par. A.6 van het hoofdstuk over 'Ontwikkeling en context van de Nederlandse diplomatie') ook van consuls gebruik. Consuls behartigden in den vreemde de handelsbelangen van de onderdanen van de staat. Al werden ze in de periode die hier onderwerp van bespreking is, niet meer door de handelsgemeenschappen zelf, maar door de vorst aangesteld, toch werden ze nooit diplomatieke vertegenwoordigers, maar bleven ze altijd nauw met de handelsgemeenschappen verbonden. De consuls in de havensteden rond de Middellandse Zee en de Oostzee ressorteerden formeel onder de gezanten aldaar, maar correspondeerden in de praktijk voornamelijk met de directie van de Levantse handel (voluit: de Kamer van Directeuren voor de Levantse handel en de navigatie in de Middellandse Zee) en met de directie van de Oosterse handel (de Kamer van Directeuren voor de Oosterse handel en rederije). De eerste consuls werden in 1611 op initiatief van Oldenbarnevelt door de Staten-Generaal aangesteld in Turkije, Italië en Spanje. Zij moesten in handel en zeevaart administratieve hulp verlenen. In het Turkse Rijk kregen zij bovendien samen met de ambassadeur aldaar uitgebreide publiekrechtelijke bevoegdheden over de Nederlandse Natie in hun ressort. In het laatste decennium van de zestiende eeuw werden de eerste buitengewone gezanten van de Staten-Generaal met de rang van envoyé door bevriende vorsten ontvangen. Na de erkenning van hun soevereiniteit konden de Staten-Generaal ook ambassadeurs sturen. Sinds de bestandssluiting werden hun agenten in Londen en Parijs dan ook niet meer als agent, maar als ordinaris ambassadeurs aangemerkt. In 1611 verscheen voor het eerst een ordinaris-ambassadeur in Constantinopel. Naar andere landen stuurden de Staten-Generaal meestal (extraordinaris) envoyées, een gewoonte die in de achttiende eeuw werd gehandhaafd. B.4. Het diplomatieke protocol Elk hof had zijn eigen diplomatieke ceremonieel, een geheel van omgangsregels dat we tegenwoordig protocol noemen. Het ceremonieel schreef nauwkeurig voor bij welke gelegenheid welke eerbewijzen tussen welke vorsten en gezanten dienden te worden uitgewisseld. Het was een formele uitdrukkingsvorm van de hiërarchie van de vorsten en de rangorde van de gezanten; het bepaalde nauwkeurig wie in welke situatie de voorrang had boven wie. Geen enkele formele handeling van een gezant kon zich aan het ceremonieel onttrekken. Het ceremonieel reguleerde alles: aankomst, verwelkoming, entree, audiëntie, afscheid en vertrek, alsmede de titulatuur, ofwel "het ceremonieel ten aanzien van inscriptiën, subscriptiën en superscriptiën." Het ceremonieel moet beslist niet als zinledig ritueel worden opgevat. Omdat het ceremonieel de politieke verhoudingen weerspiegelde, waren ceremoniële kwesties machtskwesties. Vooral in de zeventiende, maar ook nog in de achttiende eeuw vochten gezanten van de Staten-Generaal aan alle Europese hoven ceremoniële geschillen uit die de Republiek in de internationale hiërarchie de plaats moest geven die haar toekwam. Vóór 1700 werden de buitengewone gezanten vóór hun vertrek voorzien van retroacta met betrekking tot het ceremonieel aan het hof waar zij geaccrediteerd zouden worden. Daaruit bleek, welke eerbewijzen hun voorgangers en hun collega's uit andere landen hadden ontvangen. In de achttiende eeuw, als de situatie min of meer gefixeerd is, wordt dit eerder uitzondering dan regel. C. Aanstelling, honorering en ontslag C.1. Werving en selectie In de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw bestonden buitengewone gezantschappen van de Unie minimaal uit twee, dikwijls uit drie en regelmatig uit meer dan drie pensionarissen of edelen uit verschillende provincies. In elk tweehoofdig gezantschap was Holland met één gezant vertegenwoordigd en in driehoofdige dikwijls met twee. De hiërarchie onder de gezanten werd bepaald door de hiërarchie van de gewesten die hen hadden genomineerd. Gelderland was als hertogdom het eerste gewest, gevolgd door Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen. In de achttiende eeuw kwamen meerhoofdige gezantschappen minder voor. Het aantal buitengewone bezendingen verminderde. De belangrijkste vaste gezantschappen die er waren werden maar door één gezant tegelijk vervuld en moesten dus onder de provincies worden verdeeld. Gezanten werden vóór het rampjaar gerecruteerd uit het regentenmilieu. Doorgaans waren het jonge stadspensionarissen, leden van stedelijke magistraten en leden van de ridderschappen: voor hen werd een bijzondere bezending naar het hof van een vreemde vorst gezien als een goede leerschool voor het politieke bedrijf. Langdurige bezendingen waren bij regenten minder in trek. De kosten van een gezantschap waren meestal hoger dan de baten. Een langdurig verblijf in het buitenland verwijderde hen bovendien van het centrum van de politieke macht en had in de zeventiende eeuw zelfs wel eens het karakter van een politieke deportatie. (Thomassen, "Heemskerck", pp. 14-36.) Door de ontwikkeling van de sedentaire diplomatie kwamen in de achttiende eeuw ook niet-regenten bij gezantenbenoemingen in beeld. Onder Willem III ontwikkelde zich een echte diplomatieke dienst, waardoor de figuur van de beroepsdiplomaat zijn intrede kon doen. Sindsdien kwam het regelmatig voor, dat ordinaris gezanten werden gerecruteerd uit de gezantschapssecretarissen, tijdelijk zaakgelastigden en meewerkende kinderen.(Voorbeelden zijn Christiaan Constantijn Rumpf en zijn zonen Hendrik Willem en Charles, Jacob Jan Hamel Bruynincx, Johan Godard Reinhold en Georg Ernst Lucius.) C.2. Aanstelling Een gezant kreeg als bewijs van zijn aanstelling een akte van commissie, die de vorm had van een extractresolutie of een extractdecreet. Zijn lastgevers verklaarden hierin, dat zij hem hadden gecommitteerd tot het bekleden van het gezantschap. In die resolutie maanden zij hem bovendien zich zo spoedig mogelijk gereed te maken voor de reis, belastten zij de gedeputeerden tot de buitenlandse zaken met de opstelling van een instructie en droegen zij de griffier op geloofsbrieven gereed te maken.(Voor instructies, geloofsbrieven en pouvoirs zie het hoofdstuk D. over 'Taken, bevoegdheden en legitimering'.) Vóór 1795 werd zo'n resolutie wel eens genomen op voordracht van de prins of van één van de provincies. Dit werd in de tekst dan uitdrukkelijk vermeld. De ambassadeur in Frankrijk en de extraordinaris envoyé in Portugal werden aangesteld op de propositie van Holland en de ambassadeur in Engeland op de propositie van Zeeland. Een commissiebrief voor een gezant had dus niet de vorm van een akte onder zegel of cachet van de staat, wat bij de meeste commissies, inclusief die voor de consuls, gebruikelijk was. In tegenstelling tot deze functionarissen namelijk legitimeerde de gezant zich niet met een commissiebrief, maar met zijn geloofsbrieven en pouvoirs.(Achter de akten van commissie voor gezanten die in inventarissen figureren blijken meestal pouvoirs schuil te gaan.) In de achttiende eeuw, toen veel gezantschappen een permanent karakter kregen, kwam het regelmatig voor dat een Nederlandse gezant op zijn standplaats overleed. In zo'n geval droegen de Staten-Generaal de secretaris van de gezant op als tijdelijk zaakgelastigde de zaken van het land en zijn ingezetenen te bevorderen en Haar Hoog Mogenden wekelijks van adviezen te voorzien. De extractresolutie van die strekking diende de tijdelijk zaakgelastigde als commissie. C.3. Traktement De daggelden van de gezant gingen in op het moment waarop zijn missie officieel van start ging, dat wil zeggen: op de dag waarop hij afscheid nam van de Staten-Generaal. Na zijn terugkeer in Den Haag kon hij nog maximaal drie dagen declareren: het rapport waarop hij werd gedechargeerd moest hij binnen drie dagen na zijn terugkeer hebben uitgebracht.(Resolutie Staten-Generaal De hoogte van het traktement was afhankelijk van de rang van de gezant en de status van de standplaats. Het traktement van de ambassadeur in Frankrijk diende als maatstaf. Hij verdiende (in de zeventiende eeuw) drie maal zoveel als de raadpensionaris van Holland en vijf maal zoveel als de griffier, die echter meer emolumenten genoten. Het traktement was dus hoog, maar er was in de zeventiende eeuw, toen een gezantschap vooral een erebaantje en een opstapje naar een politieke functie was, niet één gezant die ervan kon rondkomen. Een Nederlandse ambassadeur moest een staat voeren die bescheiden was voor het aristocratische milieu waarin hij moest verkeren, maar die voor de sobere regenten thuis excessief was en voor de generaliteitskas onbetaalbaar. De omwenteling van 1795 bracht hierin geen verandering. Schimmelpenninck bedong bij Amsterdam, Rotterdam en de staat vóór het aanvaarden van zijn gezantschappen naar Parijs, Amiens en Londen toeslagen op zijn traktement van tien tot tachtigduizend gulden, omdat hij ter plaatse een representatie wilde voeren naar zijn eigen smaak en opvatting. Behalve voor zichzelf ontving de gezant ook traktementen of daggelden voor de belangrijkste leden van zijn gevolg. In het gevolg van de ambassadeur waren het de predikant, de secretaris, de twee klerken en de hofmeester die een traktement ontvingen en de bedienden in livrei, te weten twee pages, acht lakeien, twee koetsiers, twee voorrijders en één portier voor wie daggelden beschikbaar waren. C.4. Onkostenvergoedingen Behalve een traktement ontving een gezant vergoedingen voor gemaakte onkosten. Welke onkosten voor welke vergoeding in rekening mochten worden gebracht, werd geregeld in het zogenaamde Regelement, dat ook de hoogte van het traktement bepaalde. Het eerste Reglement dateert van 1619. Het werd tot 1700 herhaaldelijk door nieuwe versies vervangen. Het reglement van 1700 bleef in grote lijnen van kracht; het werd tot de Bataafse omwenteling alleen "geamplieerd". Het laatste reglement vóór de inlijving werd, ter vervanging van het reglement van 1807, in 1810 vastgesteld. Wat waren nu belangrijke kostenposten? In de eerste plaats de kosten van zo'n stuk of vijftien bedienden buiten het livrei, die de gezant uit zijn eigen traktement moest betalen. In de tweede plaats de kosten van de benodigdheden voor de reis van en naar het vreemde hof, zoals paarden en koetsen, en de huur en inrichting van het ambassadegebouw.(Tot 1707 betrokken gezanten in bijzondere missie hun stoelen, bedden, kisten en koffers, wandkleden, dekens, manden, tin-, koper- en ijzerwerk uit het meubelmagazijn van de Staten-Generaal op het Binnenhof, maar na dat jaar kochten ze ook die benodigdheden zelf en declareerden ze de kosten bij de Staten-Generaal. Thomassen, "kamerbewaarder", pp. 64-67.) In de derde plaats andere huishoudelijke uitgaven, waaronder de kosten van porti en koeriers niet de minste waren. En dan waren er nog de talloze incidentele uitgaven, zoals de uitgaven wegens audiënties en andere contacten met het hof en uitgaven in verband met feestelijke ceremonies of rouwplechtigheden. C.5. Wijze van betaling Traktementen en onkostenvergoedingen werden eens in de zes maanden betaalbaar gesteld. De halfjaarlijkse declaraties werden door de Staten-Generaal ter examinatie doorgezonden aan de Raad van State, die na goedkeuring een ordonnantie van betaling uitvaardigde en deze ter liquidatie doorzond aan de Generaliteitsrekenkamer. Het geld werd bij afwezigheid van de gezant geïnd door een gemachtigde op wie de gezant wissels kon trekken. De wisselschade kon ook worden gedeclareerd. Tussenpersoon ook in de zakelijke relatie tussen gezant en de Staten-Generaal was tot 1759 de commissaris der uitheemse depêches en sindsdien de klerk-directeur van de griffie. Deze functionarissen traden als zaakwaarnemer op. Uitgaven die door het Reglement niet uitdrukkelijk declarabel waren verklaard konden alleen met uitdrukkelijke toestemming van de Staten-Generaal worden gedeclareerd. Maar over toestemming kon veelal pas worden beslist, als de uitgaven waren gedaan. Dat leidde tot een levendige en vaak chagrijnige briefwisseling tussen Haar Hoog Mogenden en hun gezanten. Omdat ook hier precedentenrecht gold, keken gezanten met argusogen naar de declaraties van hun collega's. Veel gezanten legden verzamelingen aan van retroacta met betrekking tot de declaraties. Soms hadden gezanten er behoefte aan financiële risico's die met hun missie verbonden waren wat zorgvuldiger af te dekken nog voor zij vertrokken. Desgevraagd vaardigden de Staten-Generaal dan een akte van indemniteit uit, waarin zij verklaarden de gezant "kosteloos en schadeloos te zullen houden (...) tegen alle arresten, detentiën, saississementen, gevanckenissen ofte andere periculen, schaden, roverijen, plunderingen etc." C.6. Beëindiging functies Een gezant bleef tot het moment van zijn décharge zijn volkenrechtelijke status behouden. Hij hield echter al eerder op zijn functies uit te oefenen. Aan zijn gezantschap kwam feitelijk een eind door zijn overlijden of het overlijden van een van de betrokken vorsten, door het verbreken van de diplomatieke betrekkingen (bijvoorbeeld in geval van oorlog), doordat de vreemde vorst zijn aanwezigheid voor onaangenaam had verklaard of doordat hij zijn taak had volbracht dan wel zijn diensttijd had volgemaakt. Meestal eindigde het gezantschap doordat de missie volbracht was of de diensttijd erop zat. In beide gevallen moesten de Staten-Generaal aan de vorst waarbij de gezant was geaccrediteerd een brief van rappel sturen. Zij deelden die vorst daarin mee, dat zij hadden goedgevonden de gezant te rappelleren omdat de oorzaak van zijn zending was vervallen of omdat de gezant zelf verzocht had te mogen terugkeren, spraken de hoop uit dat het gedrag van de gezant de vorst aangenaam was geweest en kondigden aan, dat zij hem hadden opgedragen met alle complimenten afscheid te nemen. De vorst gaf de gerappelleerde gezant na diens afscheid een recredentiaal (brief van recredentie of recreditief) mee voor zijn lastgevers, waarin hij die lastgevers liet weten, dat de gerappelleerde gezant afscheid van hem had genomen, dat diens optreden hem aangenaam was geweest en dat hij hem had beloofd de complimenten aan zijn lastgevers over te zullen brengen. Als de vorst het verblijf van de gezant aan zijn hof inderdaad aangenaam had gevonden, gaf hij hem op zijn afscheidsaudiëntie een geschenk. De gezant mocht dit geschenk alleen na formele toestemming van de Staten-Generaal accepteren, ook omdat de waarde van het geschenk in overeenstemming moest zijn met de hoogheid van de staat. D. Taken, bevoegdheden en legitimering D.1. Taken De gezant is de vertegenwoordiger van zijn vorst. Hij doet wat zijn vorst wil doen, ziet wat zijn vorst wil zien en hoort wat zijn vorst wil horen. Zoals eerder al werd aangegeven, had de buitengewone gezant een specifieke opdracht en moest de residerende gezant de belangen van zijn lastgevers in het algemeen behartigen. De buitengewone gezant werd uitgezonden om ceremoniële redenen of om rechtshandelingen te verrichten. In het ene geval moest hij aanwezig zijn bij de plechtige bezwering van een vredestraktaat en bij de doop, het huwelijk en de begrafenis van een vorst en in het andere geval moest hij internationale overeenkomsten sluiten. De ordinaris gezant moest in de eerste plaats de goede betrekkingen onderhouden tussen beide vorsten, met inachtneming van het respect dat zij elkaar wederzijds verschuldigd waren en de onderlinge correspondentie bevorderen. Hij moest zich op de hoogte houden van de politieke en commerciële situatie in het land, van de disposities van de regering en van de negotiaties van de andere gezanten aan het hof en zijn lastgevers op de voorgeschreven wijze alles berichten wat maar enigszins de belangen van de staat en zijn ingezetenen direct of indirect kon raken. Hij moest de ingezetenen van de staat bescherming bieden en hun belangen, in het bijzonder hun commerciële belangen, behartigen. Zowel de ordinaris als de extraordinaris gezant moesten bovendien de bijzondere taken uitvoeren die hun bij resolutie werden opgedragen en na hun terugkeer van hun handel en wandel verantwoording afleggen. D.2. Algemene instructie De opdracht van de gezant werd omschreven in de door zijn lastgever uitgevaardigde instructie. Deze instructie was in principe bedoeld voor de gezant en niet voor het hof waar hij geaccrediteerd moest worden. Maar omdat ze daar wel werd opgevraagd, kwam het gebruik in zwang gezanten dubbele instructies mee te geven: een geheime instructie voor de gezant zelf en een gewone die aan de vorst kon worden getoond. Zowel de gewone als de geheime instructie waren in algemene termen gesteld. Residerende gezanten kregen eenvoudigweg de standaardinstructie van de betrokken standplaats. De geheime instructies voor gezanten met een buitengewone opdracht waren het meest specifiek, en in de tijd van De Witt, toen de regenten er zich naar hartelust mee konden bemoeien, vaak specifieker dan wenselijk. D.3. Tussentijdse instructies Bij resolutie gaven de Staten-Generaal hun gezanten gevraagd of ongevraagd aanvullende politieke instructies of bijzondere opdrachten. Deze resoluties werden geacht van de instructie deel uit te maken. De gezant kreeg deze tussentijdse instructies of opdrachten toegezonden als extractresoluties, die de vorm hadden van authentieke uitvaardigingen. Zij waren herkenbaar aan het opschrift ("Extract uit het register der resolutien van de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden") en aan de validatiemiddelen: het opgedrukte zegel van de Staten-Generaal, de ondertekening ("paraphure") van de president en het contra-seign van de griffier. De betrokken gezant werd in de resolutie zelf uitdrukkelijk als bestemmeling aangewezen. De extractresolutie werd hem toegezonden met een formele geleidebrief van de griffier. Politieke instructies waren doorgaans vervat in secrete extractresoluties, resoluties die waren genomen in de secrete vergadering van de Staten-Generaal of in een secreet besogne. Deze secrete extractresoluties werden door de aanduiding "secreet" op de resolutie zelf, op de geleidebrief en op de eventuele bijlagen van de ordinaris resoluties onderscheiden. Bijzondere opdrachten die niet geheim waren, waren vervat in ordinaris extractresoluties, resoluties die in de gewone vergadering van de Staten-Generaal waren genomen. Als ze de gezant de behartiging van een specifiek belang van een onderdaan van de staat aanbevalen, werden ze brieven van voorschrijven genoemd. Deze bestonden uit een korte extractresolutie die verwees naar een bijgevoegd rekest en die vergezeld werd door een formele geleidebrief van de griffier.(Extractresoluties moeten worden onderscheiden van kopieresoluties, die niet authentiek zijn: zie hoofdstuk 7 par. 11.) Zo'n brief van voorschrijven mochten gezanten overigens negeren, als zij merkten dat het verzoek dat de requirant in zijn rekest had gedaan, ongegrond was. In dat geval moesten zij wel contact opnemen met de Staten-Generaal. Behalve van de Staten-Generaal kregen gezanten ook wel opdrachten van hun eigen gewest, wat vooral in meerhoofdige gezantschappen een bron van conflicten kon zijn. D.4. Bevoegdheden De bevoegdheden van gezanten waren verbonden aan hun status van diplomatiek vertegenwoordiger en werden begrensd door hun rang, hun taakopdracht en de aard van hun volmachten. In onderhandelingen hadden gezanten meestal beperkte, geconditioneerde bevoegdheden. Onderhandelingsvolmachten of pouvoirs vormden voor die bevoegdheden de schriftelijke bewijzen. Pouvoirs kunnen worden vergeleken met de procuraties in het privaatrecht. Ze waren in zeer specifieke termen gesteld. Binnen die termen waren ze absoluut, ongeclausuleerd en ongeconditioneerd: een overeenkomst die door de gezant binnen de termen van zijn pouvoir was ondertekend, werd altijd door de vorst geratificeerd. Pouvoirs waren openbare akten. De onderhandelaars van alle betrokken partijen moesten immers tegenover elkaar kunnen bewijzen, dat ze door hun vorst gemachtigd waren. Ze waren dan ook gericht "aan alle degenen die deze zullen zien of horen lezen". Ze werden bekrachtigd met paraphure en contraseign en met het grootzegel van de Staten-Generaal. Bij het afhandelen van de lopende zaken had de gezant aan pouvoirs doorgaans geen behoefte. De meeste residerende gezanten waren plenipotentiarissen, gezanten met een algemene volmacht of pleinpouvoir. Zij mochten over alles onderhandelen, maar konden hun vorsten niet zonder meer binden. Hun bevoegdheden bleken niet uit hun pouvoirs, maar konden worden afgeleid uit hun "kwaliteit". D.5. Legitimering Vanaf het moment van zijn aanstelling mocht de gezant optreden als de vertegenwoordiger van zijn lastgevers en een beroep doen op de daarbij behorende privileges, inclusief het recht op volkenrechtelijke bescherming. Die claims kon hij pas waarmaken, als zijn bijzondere status door iedereen werd erkend. Om die erkenning te krijgen moest hij onderweg en aan het vreemde hof formele bewijsmiddelen laten zien. Tot die bewijsmiddelen behoorden de akte ad omnes populos, het paspoort en het credentiaal. Dit waren akten, uitgevaardigd door de Staten-Generaal en bekrachtigd met het cachet van de Staat, de "paraphure" van de president van de vergadering en het contraseign van de griffier. Die vorm bleef ook na 1795 gehandhaafd; alleen de namen van de uitvaardigers veranderden. Akten ad omnes populos en paspoorten waren brieven waarin een gezagsdrager aan alle andere gezagsdragers verzocht vrije doortocht te verlenen aan de goederen en de persoon van de drager en hem te vrijwaren tegen geweld. Met de akte ad omnes populos kon de gezant zijn volkenrechtelijke status bewijzen. Paspoorten gaven hem een extra bescherming, die hij vooral nodig had wanneer hij een land moest passeren dat in vijandschap verkeerde met het land van zijn bestemming. Die bescherming werd niet zelden door paspoort of vrijgeleide (sauveconduit) van de vreemde vorst versterkt. Credentialen (geloofsbrieven of brieven van credentie) waren in zeer algemene termen gestelde brieven waarin de afzender aan de geadresseerde liet weten, dat hij een met name genoemd persoon in een zekere rang naar hem had afgevaardigd en waarin hij hem vroeg diens komst voor aangenaam te verklaren, hem in zijn kwaliteit te erkennen en geloof te hechten aan alles wat hij namens zijn opdrachtgever zou zeggen. Geloofsbrieven waren persoonsgebonden. Als een van de drie betrokken partijen, afzender, ontvanger of gezant, door een ander werd vervangen, dan werd een nieuwe geloofsbrief uitgevaardigd. De gezantschapssecretaris die na het vertrek of het overlijden van de gezant met de waarneming van de zaken werd belast, kreeg geloofsbrieven op eigen naam. Geloofsbrieven werden alleen geaccepteerd als ze goed geadresseerd waren, dat wil zeggen, als ze de geadresseerde de status en de titels gaven waarop hij recht meende te hebben. Acceptatie van de geloofsbrieven betekende erkenning van de gezant en ging aan alle ceremoniën, dus ook aan zijn officiële intrede aan het hof vooraf. Meteen na zijn aankomst stelde hij ze dan ook door tussenkomst van de ceremoniemeester in handen van de secretaris van staat voor de buitenlandse zaken, van de hoveling die geacht werd de regels te stellen voor zijn officiële ontvangst, of, bij congressen, van de commissie voor de geloofsbrieven. Pas als ze na zorgvuldig onderzoek waren goedgekeurd, kon die officiële ontvangst worden geregeld. Ze werden dan teruggegeven aan de gezant, zodat deze ze tijdens de eerste audiëntie kon overhandigen aan de vorst en de leden van zijn huis. Vanaf dat moment pas kon de gezant daadwerkelijk als vertegenwoordiger van zijn lastgevers aan de slag en was hij bekwaam om te onderhandelen. Aan de Turkse Porte moesten geloofsbrieven worden overhandigd die waren geschreven in het Turks en waarin de naam van de Grote Heer met goud was geschreven. Aan die eisen voldeden de geloofsbrieven die men in Den Haag maakte niet. Gezanten lieten deze geloofsbrieven daarom voor wat ze waren, bestelden in Constantinopel bij een gespecialiseerd kalligraaf geloofsbrieven die wel aan de eisen voldeden en lieten zich vervolgens op deze niet gevalideerde geloofsbrieven accrediteren. In de Europese diplomatie ging de geloofsbrief soms vergezeld van een particuliere aanbevelingsbrief van de vorst. Zo'n aanbevelingsbrief werd niet als een formele geloofsbrief, maar als een uiting van wellevendheid aangemerkt. In de Republiek was het de prins van Oranje die dergelijke brieven wel eens aan de gezanten van de Staten-Generaal meegaf. E. Onderhandelingen en handelingen E.1. De rol van de gezant in het rechtsverkeer De gezant treedt handelend op in het rechtsverkeer tussen vorsten onderling, tussen burgers en vorsten en tussen burgers onderling. In het rechtsverkeer tussen vorsten is de gezant in de eerste plaats de gevolmachtigde van zijn vorst die met de gevolmachtigden van de tegenpartij onderhandelt en internationale overeenkomsten sluit. In het rechtsverkeer met burgers beperken de rechtshandelingen van de gezant zich voornamelijk tot het uitvaardigen van akten op verzoek van belanghebbenden. E.2. De rol van de gezant bij de totstandkoming van traktaten Het verdragsproces en de rol van de gezant daarin zijn aan strikte vormen gebonden, vormen die onder meer afhankelijk zijn van het type overeenkomst. Van de drie typen die we hier onderscheiden - traktaten, conventies en andere internationale overeenkomsten - moeten de traktaten aan de zwaarste vormvereisten voldoen. Bij verdragen in de plechtige traktaatsvorm (verdragen in engere zin) bestaat het verdragsproces altijd uit twee fasen: de sluiting en de ratificatie. Bij de sluiting van een traktaat speelde de gezant een hoofdrol. Deze fase in het verdragsproces verliep als volgt. Na de goedkeuring van zijn geloofsbrieven overhandigde de gezant zijn onderhandelingsvolmacht aan de gemachtigde van de tegenpartij. Die volmacht liet hij in veel gevallen vergezeld gaan van een propositie, een memoriaal waarin hij voorstelde de onderhandelingen te openen over de kwestie die in zijn volmacht werd genoemd. De gezant kreeg vervolgens van de gemachtigde van de tegenpartij diens volmacht en een schriftelijk antwoord op zijn propositie, waarmee de eigenlijke onderhandelingen of negotiatie waren begonnen. Conferenties waren de gebruikelijke vorm waarbinnen de onderhandelingen werden gevoerd. De processen-verbaal van deze conferenties, die protocollen werden genoemd, hadden een bindend karakter. Dat gold in optima forma voor preliminaire artikelen of preliminairen (waarin partijen de uitgangspunten van een vredsverdrag vastlegden): die hadden zelf de traktaatsvorm. De onderhandelaars sloten de onderhandelingen af door de definitieve traktaatstekst op te stellen, er hun onderhandelingsvolmachten aan toe te voegen en het traktaat te sluiten door die tekst te ondertekenen. Eenmaal gesloten, zag het traktaat er als volgt uit. Het begon met een preambule waarin de achtergrond van de overeenkomst werd geschetst. Daarna volgde een passage waarin werd meegedeeld wie de partijen waren, wat de aard van de overeenkomst was en waarom de overeenkomst werd gesloten. Vervolgens kwam, voorafgegaan door de namen van de gevolmachtigden en de aanduiding van de rechtshandeling, de eigenlijke verdragstekst, bestaande uit een aantal artikelen, die in hoofdstukken of capita konden zijn onderverdeeld, en een slotclausule, die bepalingen kon bevatten over geldingsduur en opzeggingstermijn. Dan volgden nog enkele mededelingen over de wijze van uitvaardiging en bekrachtiging, de datum en de handtekeningen en zegels van de gevolmachtigden. En tenslotte konden er dan nog afzonderlijke en meestal geheime artikelen volgen, die in hun préambule naar het traktaat verwezen, maar de vorm hadden van afzonderlijke overeenkomsten. De tweede fase van het verdragsproces was de fase van de plechtige bekrachtiging of ratificatie van het traktaat. Deze fase bestond hierin, dat de betrokken soevereinen elkaar een oorkonde toestuurden, de zogenaamde akte van ratificatie, waarin zij plechtig verklaarden, dat zij het traktaat dat hun gezanten, krachtens hun bijzondere volmacht, hadden gesloten met de gemachtigden van de tegenpartij, hadden gezien en onderzocht, dat zij dit traktaat hadden aanvaard, goedgekeurd, bekrachtigd en bevestigd en dat zij het zouden naleven en doen naleven. Hoewel de volledige tekst van het traktaat met alle bijlagen in deze oorkonde was opgenomen, trad de ratificatie niet in de plaats van het traktaat. Het traktaat bleef het stuk waar het om ging; de gezant had het gesloten binnen de termen van zijn volmacht. Ratificatie was dus een formaliteit en wanneer ratificatie niet plaatsvond had het traktaat toch rechtskracht.( Het traktaat was een openbaar stuk, terwijl de ratificatie een particulier stuk was, een privé-akte van de soeverein: De Wicquefort, dl. 2, p. 179. In het archief van de Staten-Generaal werden traktaten en ratificaties ook in aparte series bewaard: de eerste in de loketkas, de tweede in de secrete kas. ) In de fase van de ratificatie speelden gezanten een ondergeschikte rol. Soms legden zij hun lastgever het traktaat zelf ter ratificatie voor, dikwijls waren ze betrokken bij de uitwisseling van de ratificaties. Alleen de belangrijkste internationale overeenkomsten werden in traktaten vastgelegd. Zaken van oorlog en vrede werden geregeld in traktaten van vrede, bestand, arbitrage en subsidie, verbonden en bondgenootschappen werden bezegeld en ondersteund in traktaten van confederatie, van offensieve of defensieve alliantie en van garantie. Handel en zeevaart werden gereglementeerd in traktaten van commercie, navigatie en marine. Sommige traktaten, de zogenaamde open traktaten, lieten expliciet toetreding toe van andere partijen, meestal binnen een bepaalde termijn. Toetredingen (accessies) en toelatingen (inclusies) tot een reeds gesloten traktaat hadden ook de plechtige traktaatsvorm, evenals garanties door derden. Bijzondere typen traktaten tenslotte waren de verklaring of interpretatie, de uitbreiding of ampliatie, de verlenging of prolongatie, de bevestiging of confirmatie en de vernieuwing of renovatie van een traktaat. E.3. De rol van de gezant bij de totstandkoming van andere internationale overeenkomsten Het traktaat was de belangrijkste, maar niet de enige internationale overeenkomst. Er werden ook conventies en andere overeenkomsten gesloten. Onder conventies worden doorgaans militaire conventies verstaan: overeenkomsten tussen oorlogvoerenden, waarin de oorlogsvoering wordt gereguleerd en met name regels worden gesteld over beëindiging van de krijgshandelingen. Dergelijke overeenkomsten konden behalve door gezanten ook door de bevelhebbers worden gesloten.(Ook de stadhouders konden conventies sluiten en wel in hun hoedanigheid van kapitein-generaal van de Unie.) Voorbeelden van militaire conventies zijn het cartel, waarin de uitwisseling van krijgsgevangenen wordt geregeld, en de capitulatie, waarbij de voorwaarden worden bepaald waaronder een leger, een stad, een vesting of een landstreek zich zal overgeven of onderwerpen of waaronder de ene vorst troepen overneemt van de andere.(Deze capitulaties moeten niet worden verward met de privileges die de vorsten van het Osmaanse rijk verleenden aan de vorsten van de christenheid. In deze capitulaties werd de rechtspositie van hun in het Osmaanse rijk verblijvende onderdanen geregeld en werd de rechtsmacht over hen opgedragen aan de ambassadeur of consul van de staat in het desbetreffende gebied. Meer hierover in de inleiding van het tweede deel van deze bundel.) Andere militaire conventies hebben betrekking op het uitleveren van deserteurs, de vaststelling van grens- of limietscheidingen of de uitvoering van andere conventies. De vorm van conventies was vrijer dan die van traktaten. De plechtige conventie is van een traktaat formeel nauwelijks te onderscheiden: de omschrijving van de rechtshandeling is anders (men heeft niet een verdrag gesloten, maar is iets overeengekomen) en er is een bepaling over ratificatie opgenomen. De conventie in haar meest eenvoudige vorm daarentegen is niets meer dan de tekst van een overeenkomst met daarboven de aanduiding van de partijen en de rechtshandeling. Niet alle conventies werden plechtig geratificeerd. Sommige werden op eenvoudiger wijze door de soeverein bekrachtigd, bijvoorbeeld door toevoeging aan de conventie van een akte van approbatie. Andere werden in het geheel niet bekrachtigd. Zo mochten militaire bevelhebbers na rechtstreekse onderhandelingen bepaalde militaire conventies (zoals korte, bijzondere wapenstilstanden) sluiten die door de eenvoudige ondertekening van het gemeenschappelijk stuk in werking traden. Gezanten sloten niet alleen traktaten en conventies, maar ook andere internationale overeenkomsten: accoorden, contracten, declaraties etc. Akten van accoord of van accomodement zijn doorgaans schikkingen; akten van contract hebben veelal op private rechtshandelingen zoals geldleningen betrekking; gemeenschappelijke verklaringen of akten declaratoir van partijen kunnen dienen als interpretatie van een door hen eerder of op hetzelfde moment gesloten overeenkomst (zoals de akten van verklaring, van interpretatie of van nadere uitleg), maar ook als politieke intentieverklaringen (zoals de akten van garantie en van neutraliteit). Ook accoorden, contracten, declaraties etc. konden worden geratificeerd of bekrachtigd door aggreatie, approbatie of confirmatie. Bekrachtiging was hier echter niet noodzakelijk en in bepaalde gevallen zelfs ongebruikelijk. E.4. Eenzijdige rechtshandelingen van de gezant in het internationale verkeer Namens zijn soeverein verrichtte de gezant ook eenzijdige rechtshandelingen. Hij vaardigde verklaringen uit die toelichtingen, toezeggingen of interpretaties behelsden of waarin overeenkomsten van andere partijen werden gegarandeerd. Deze verklaringen waren onderworpen aan dezelfde bekrachtigingsregels als de internationale overeenkomsten. Afhankelijk van hun aard en de volmachten van de gezant moesten ze worden geratificeerd, geaggreëerd, geapprobeerd of geconfirmeerd door de soeverein. E.5. Rechtshandelingen van de gezant ten behoeve van onderdanen van de staat De gezant treedt ook handelend op in het rechtsverkeer tussen onderdanen van de staat en de vreemde vorst en tussen onderdanen van de staat onderling. Gezanten van de Staten-Generaal en de Bataafse Republiek gaven paspoorten af en schutbrieven, getuigschriften en certificaten. Door gezanten afgegeven paspoorten hadden formeel slechts de status van aanbevelingsbrieven, behalve in die gevallen waarin de Staten-Generaal de gezant tot afgifte hadden gemachtigd. Zo waren gezanten in de Oostenrijkse Nederlanden gemachtigd paspoorten te verstrekken aan aldaar gelegerde Staatse militairen. Voor de consuls was de afgifte van verklaringen en andere akten ten behoeve van landgenoten in hun ressort dagelijks werk. In de registers die zij ervan bijhielden treft men een rijke schakering aan, meestal - uiteraard - op het gebied van handel en zeevaart. Een heel bijzondere taak op dit gebied vervulden de gezanten en consuls van de Staten-Generaal in het Osmaanse Rijk. Zij namelijk oefenden krachtens de capitulaties die met de betrokken vorsten waren gesloten (en die niet moeten verward met de gelijknamige militaire conventies) de rechtsmacht uit over de Nederlandse natie in hun ressort. De uit dien hoofde aan en ten behoeve van Nederlandse onderdanen verstrekte akten werden uitgevaardigd door de kanselier, het hoofd van de kanselarij. In het tweede deel van deze bundel worden deze akten uitvoeriger behandeld. Zie voor vervolg de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in