Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: tilburg

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (65)

Archieven (65)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Plaatsingslijst Collectie Documentatie TilburgPersonen / Bedrijven, o.a. Tsaar Alexander Schonk De Harmonie f200,-Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst Collectie Documentatie TilburgBeknopte gegevens over het garnizoen en de kazernes. Militaire sportfeesten. Creda-Pugno, vereniging van RK militairen. Tilburg krijgt garnizoen: een bataljon Grenadiers en Jagers uit Den Haag. Programma t.g.v. de ontvangst der Jagers. Opening militair tehuis Van Lennepstraat. Tilburg krijgt weer een garnizoen: Aan- en Afvoertroepen. Veteranen lichting 1902 - 1910 op herhaling. Uit Tilburgs verleden: De kozakken in 1814 in onze stad. Katholiek Militair tehuis bestaat 50 jaar. Eerste transporteenheid kwam 50 jaar geleden naar Tilburg.Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst Collectie Documentatie TilburgTilburg bezit voortreffelijk Slavisch-Byzantijns koor; frater Frederico van Dongen directeur. Pontificale dienst volgens Byzantijnse ritus vanuit Heikese kerk op televisie. Byzantijns koor bestaat vijftig jaar: Reis naar Rusland en expositie 'Klank en beeld van de Oosterse kerken' in museum voor religieuze kunst.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van de collectie van Kees Smeulders te TilburgDe Kozakken in TilburgRegionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de collectie W. van Mook te Tilburg"Spionnen kijken U aan!, onthullingen over Sovjet-spionnage", door Ing. Ewijde.Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst Collectie Documentatie TilburgProgramma voor de plechtige begrafenis van wijlen Hare Majesteit Mevrouwe Anna Paulowna. Anna Paulowna bleef zich een Russische grootvorstin voelen. Artikel in De Tijd n.a.v. het boek De Romanov-relaties (S. Jackman).Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de Collectie Kunst en Kunstenaars TilburgAnna Paulowna (1795-1865) (als kroonprinses) (dubbelportret met Prins Willem II van Oranje) (paneel) Pieneman, J.W. (1779-1853)Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de Collectie Kunst en Kunstenaars TilburgAnna Paulowna (1795-1865) (als kroonprinses) (tekening) Pieneman, J.W. (1779-1853)Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de Collectie Kunst en Kunstenaars TilburgAnna Paulowna (1795-1865) (als kroonprinses) voorkomend op: Penning geslagen b.g.v. Het huwelijk van Kroonprins Willem II en Prinses Anna Paulowna (koper) Zie verzameldossier penningen & stempels Koninklijk HuisRegionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van het archief van de Tilburgse KunststichtingInformatie over tentoonstellingen in Stadsschouwburg / Kultureel Sentrum - Informatieblad "Hedendaagse Kunst uit de Sovjet-Unie"; met bijlagenRegionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de collectie documentatie Gewestelijk Arbeidsbureau te TilburgLijsten met namen van arbeiders, welke werkzaam zijn geweest voor de bouwonderneming "Noord Brabant" (van Geloven) in Frankrijk, Rusland en Duitsland (Dachau). Lijst met namen van vertrekkenden periode 13.3.1943-26.3.1943Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van het Archief van de Parochie Hasselt: O.L.Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te TilburgO.a.: Russische Staatsobligatie à 4%, 125 Roebel (= Hfl 239) idem idem, à 5%, 187 Roebel Obligatie Russische Spoorwegen à 4 ½%, 231 Roebel (=Hfl 294)Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de R.K. parochie H. Dionysius ’t Heike te TilburgRussische en Hongaarse obligaties, met desbetreffende aantekeningen.Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de collectie W. van Mook te TilburgManuscripten, o.a.: - "Kozakken in 't bosch". - "De waarheid omtrent de Russische martelkampen". - "De rode spion; een verhaal uit het verzet in Rusland". - "Kozakken op 't Haaike".Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van Joannes Antonius van SpaendonckStichting te TilburgBrochure "De wereldstrategie van de Sovjet-Unie", publicatie van de stichtingRegionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van het archief van de Katholieke Arbeidersbeweging, afd. TilburgDr. A. Cornelissen: Eenheid en doorbraak"; ;;~X- Dr. J. Tinbergen: "De les van 30 jaar"; ;;~X- Dr. N. Devolder": Arbeid en economische orde"; ;;~X- N. Berdjajew: "Betekenis en oorsprong van het Russisch communisme"; ;;~X- Dr. T. Thurlings: "Bedrijvig Nederland"; ;;~X- J. Aengenent: "Leerboek der sociologie"; ;;~X- J. Veegens: "Nederlandsch Burgerlijk recht, deel 3"; ;;~X- H. Wattel: "Het burgerlijk recht voor iedereen"; ;;~X- Prof. Dr. P. Bouman: "Sociologie, begrippen en problemenRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van architect Noud Heerkens te Tilburgbrief aan BNA dd 23-04-81 betreft oproep tot protest als steun voor Estlandse architect Viktor Niitsoo + artikel Vervolgingen in Estland.Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de collectie Documentatie MoergestelO.a. Moergestel tijdens de oorlogsjaren - Russische krijgsgevangenenRegionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst Collectie Documentatie TilburgPolitieke snapster ter heuglijke gelegenheid der bediening der H. Doop aan den jonge erfprins van Oranje Nassau. 's Gravenhaagse extraordinaire Courant 28 december 1792: Volledige beschrijving van de geboorte tot den plegtigen doop van den jongen erfprins. Bekendmaking verwonding van de prins in de slag bij Waterloo (1815). Uitboezeming van eenen waren Nederlander bij het plegtig intreden van zijne koninklijke hoogheid Willem en hare keizerlijke hoogheid Anna Paulowna, 1816. J. Bosdijk: De koning heerscht niet meer! De Koning heerscht; harptoonen voor Oranje en Nederland na den overgang der kroon in october 1840. Herdenking Willem II 25 jaar geleden overleden (1874).Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van het archief van de Rooms-Katholieke parochie St. Joannes de Doper te OosterhoutEerste herderlijk schrijven van Mgr. J. van Genk, afkondigende een opperherderlijk schrijven van Pius IX over den nood der Kerk, verordening van openbare gebeden, in het bijzonder voor Rusland en Polen.Regionaal Archief Tilburg
INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN DE CONFERENTIE VAN DE H. DIONYSIUS, 'T HEIKE, NA 1971 PAROCHIE BINNENSTADStukken betreffende bij de conferentie in het bezit zijnde Russische obligatiesRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de parochie van de H. Laurentius te DongenRussische effecten (Nicolas spoor 1867/9); met bewijs van uitbetaling en coupons.Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van het archief van de Parochie van de H. Hubertus te DongenRussische en Hongaarse effecten.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de Rooms-katholieke parochie Sint Petrus te HilvarenbeekAandelen van de Russische spoorwegen, staande op naam van pastoor A. van Beijnen, na zijn overlijden gevonden door deken Van de KampRegionaal Archief Tilburg
INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN DE PAROCHIE ST. JAN ONTHOOFDING TE GOIRLEAandelen Russische spoorwegen.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de parochie Sint Willibrordus te Alphen (N.B.)Obligaties behorend aan de kerk N.B. Betreft vervallen Russische obligaties.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de R.K. Parochie H. Bernardus te MadeRussische effecten die tijdens de Eerste Wereldoorlog waardeloos geworden zijn en eigendom waren van pastoor van DoremalenRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de R.K. Parochie H. Bernardus te MadeRussische en Hongaarse effecten die tijdens de eerste Wereldoorlog waardeloos geworden zijn.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Armbestuur van de R.K. parochie H. Bernardus te MadeRussische en Poolse effecten effecten, die tijdens de Eerste Wereldoorlog waardeloos geworden zijn.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de R.K. Parochie H. Joannes de Doper te Lage ZwaluweFundaties doos 26, o.a. Waardeloos geworden Russische en Hongaarse aandelen afkomstig uit fundatiesRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van de archieven van de RK parochie H. Gertrudis te GeertruidenbergAls kwade posten afgeschreven Russische en Hongaarse obligaties met enige stukken daarover.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de parochie St. Antonius Abt te ChaamObligaties behorend aan de kerk te Chaam. N.B. Betreft vervallen Russische, Hongaarse, Spaanse Mexicaanse obligaties en één Nederlandse pandbrief.Regionaal Archief Tilburg
Plaatsingslijst van de collectie Vlaminkx te DongenVier obligaties op de 4% Binnenlandsche Leening van Rusland, uitgegeven 20 juli 1901, met bijbehorende couponbladen, talons en geknipte coupons, nrs. 466, 465, 2880 en 2881Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de Binnenlandse Strijdkrachten, afd. OisterwijkStukken betreffende het verblijf van RussenRegionaal Archief Tilburg
Collectie grammofoonplatenAdolf Hitler. Das Dritte Reich. 2. Teil, o.a. - Der Nichtangriffspakt Sowjet-Union/Deutschland (1 september 1939) - Die bevorstehende Einnahme Stalingrads (28 november 1942)Regionaal Archief Tilburg
INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN HET DORPSBESTUUR VAN RAAMSDONKStukken betreffende geleverde goederen aan en gedane diensten voor de geallieerde (Russische en Pruisische) troepen.Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van de Rooms-katholieke parochie Sint Petrus te HilvarenbeekMissive van W. v.d. Ven bisschop van ’s-Hertogenbosch, houdende de toestemming tot de verkoop van een perceel bouwland onder Tilburg in de Veldhovensche Hoek, sectie N nr. 843, door het r.k. kerkbestuur van Hilvarenbeek, op voorwaarde dat de opbrengst belegd zal worden in stukken van de N.W.S. of soliede, door de staat gegarandeerde Russische effecten, of binnenlandse obligaties van provincie-, gemeente- of waterschapsbesturenRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het gemeentebestuur van Alphen en RielSchrijven aan de commandant der Marechaussee betreffende het nemen van maatregelen tegen grensoverschrijding van in België geïnterneerde RussenRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Oprichting van vriendschapscomité Goirle-KrasnogorskRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Aktie 'Goirle helpt Krasnogorsk'Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Principebesluit subsidiëring van de Stichting Goirle - KrasnogorskRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Opzetten en uitgeven van de jumelagekrantRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Organisatie van bezoek leden gemeenschap Goirle aan Krasnogorsk en van Krasnogorsk aan GoirleRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Samenstelling bestuur; verslagen van vriendschapscomitéRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Stichting Goirle-Krasnogorsk (principe-besluit subsidiëring)Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Jumelage (informatieboekje gemeente Goirle i.h.k.v. uitwisseling met Krasnogorsk)Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - AlgemeenRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Aangaan van stedenband met de Russische gemeente Krasnogorsk, met bezoeken in oktober 1986 en 1987Regionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het Gemeentebestuur van GoirleJumelage Goirle-Krasnogorsk (USSR) - Uitwisseling van sportactiviteiten tussen Goirle en KrasnogorskRegionaal Archief Tilburg
Inventaris van het archief van het gemeentebestuur van RaamsdonkSteun in geval van oorlog - Voorschotten gerepatrieerde politieke gevangenen - Optreden Russische repatrieringsdiensten - Brand 30-06-1942 - Bloedtransfusiedienst Rode Kruis. - Inrichting hulpziekenhuisRegionaal Archief Tilburg
Meer resultaten

Achtergrond archieven (26)

Achtergrond archieven (26)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
In april 2005 werden de archieven overgebracht naar het Regionaal Archief Tilburg.
Geboren in Maarssen 1941, overleden in Tilburg 2003; Hbs-b, Sociale Academie De Horst Driebergen; bedrijvenmedewerker Metaalbedrijfsbond NVV in Leeuwarden 1966-1972; districtsbestuurder van de Industriebond NVV, later FNV Gelderland 1972-1977, districtshoofd in Den Haag 1977-1979 en in Rotterdam 1979-1983; bondsbestuurder van de Industriebond FNV 1983-1984 en federatiebestuurder van de FNV 1984-1985; vice voorzitter FNV 1985-1988 en voorzitter 1988-1997; burgemeester van Tilburg vanaf 1997 tot aan zijn overlijden.
In 2008 is het archief overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Regionaal Archief Tilburg.
Zijn inspanningen ten behoeve van verzetsmilitairen heeft G.W. baron van Dedem volledig gearchiveerd. Deze collectie gedeeltelijk geordend materiaal, grotendeels bestaand uit correspondentie, aantekeningen, overdrukken en knipsels werd eerst globaal bekeken ten huize van de familie Van Dedem in Tilburg. Voor nader onderzoek werd de verzameling in 1985 tijdelijk ondergebracht bij de documentatie-afdeling van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf te 's-Gravenhage. In overleg met de eigenaar werd het Algemeen Rijksarchief, tweede afdeling als definitieve bestemming aangewezen. In de zomer van 1989 werd het archief van G.W. baron van Dedem, voorzien van een voorlopige lijst, naar de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief overgebracht.
In 1977 besloten de archivaris van het bisdom en het kerkbestuur van de parochie Binnenstad de archieven van de voormalige parochies Heike, St. Anna en Noordhoek aan de gemeentearchivaris van Tilburg in bewaring te geven. In 1986 werden overgedragen: het merendeel van de registers van Heike, Noordhoek en St. Anna die in 1977 nog voor de administratie van de parochie Binnenstad van belang werden geacht en het inmiddels bij de pastorie gedeponeerde archief van het college van kerkcollectanten van het Heike, alsmede het gedeelte van het parochiearchief dat in de kluis van de pastorie was achtergebleven. In 1989 volgde tenslotte overbrenging van de series jaarrekeningen, begrotingen en zgn. documenta matrimonialia van het Heike.
In 1863 is Waterschap De Dommel opgericht door de provincie Noord-Brabant. De aanleiding werd gevormd door wateroverlast en overstromingen. Pas met ingang van 1950 wordt aan het waterschap de zuiveringstaak opgedragen. In 1974 onderging het waterschap een uitbreiding door samenvoeging van Waterschap De Dommel, De Beneden Dommel, de Polder van Vught, Theereheide en Herlaar en Het Moerschot. Het waterschap wordt in het noorden begrensd door de Maas, in het zuiden door de grens met België, de westgrens loopt door tot de stad Tilburg en de oostgrens ligt tussen Eindhoven en Helmond.
Karel Willem Antoon Bervoets werd op 6 november 1909 in Sneek geboren als zoon van de kledingfabrikant Jan Antoon Bervoets en Josepha Maria Theresia Lampe. Hij bracht zijn jeugd door in Baarn en volgde een opleiding aan de H.B.S van het St. Canisiuscollege te Nijmegen, waar hij in 1927 eindexamen deed. Omdat hij voorbestemd was tot een betrekking in kledingmagazijn Bervoets, was hij een tijdlang werkzaam in de filialen van Vroom en Dreesman en Bervoets in Amsterdam voordat hij in 1931 een studie aanving aan de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg. Doordat in zijn studententijd het familiebedrijf tengevolge van de crisis likwideerde, moest hij na zijn doctoraalexamen in september 1937 naar andere middelen van bestaan omzien. Dit leidde in maart 1938 tot een journalistieke betrekking bij de Residentiebode als parlementair redacteur. Weldra bleek, dat in zijn bijdragen aan dit blad zonder zijn voorkennis door de hoofdredactie wijzigingen werden aangebracht. Het hieruit voortvloeiend conflict leidde tot zijn ontslag, maar in 1939 kreeg hij een journalistieke betrekking aangeboden bij De Tijd, waar hij een tijdlang de buitenlandse commentaren verzorgde. De verwikkelingen van dit blad met de bezetter tot aan het ontslag van de hoofdredacteur L.G. Schlichting maakte hij van nabij mee. Medio 1944 dook hij onder om wegvoering naar Duitsland te voorkomen en vestigde hij zich in Breda. Daar vond hij een betrekking als boekhouder, later als procuratiehouder bij de bank Van Mierlo en Zoon. Naast zijn betrekking zette hij ook zijn studie voort, waarbij hij zich vooral specialiseerde in de bedrijfseconomie. In 1952 doceerde hij als assistent aan de Economische Hogeschool in Tilburg de doctoraalstudenten over het financierings- en beleggingswezen. In 1954 promoveerde hij cum laude op het proefschrift "Bonusaandelen en stockdividenten", hetgeen zijn vooruitzichten aanzienlijk verbeterde. Hij werd in 1956 procuratiehouder, later directeur van de afdeling beleggingen van de Nationale Levensverzekeringsbank te Rotterdam, die zich door fusies zou uitbreiden tot het concern Nationale-Nederlanden N.V. Met ingang van 1 januari 1975 werd hij gepensioneerd. Op 23 juni 1941 huwde hij Lucia Maria Cornelia Antonia Asselbergs, die op 4 april 1913 in Bergen op Zoom geboren was. Zij is de dochter van de brouwer Antoon Asselbergs, en een zuster van de bekende essayist en dichter prof. W.J.M.A. Asselbergs (Antoon van Duinkerken). Na de mulo te hebben doorlopen volgde zij in de jaren 1931-1935 de school voor maatschappelijk werk in Sittard. Daarna verrichtte zij tot haar huwelijk verscheidene werkzaamheden op het gebied van onderwijs en maatschappelijk hulpbetoon. In 1970 nam zij haar beroep als free-lance maatschappelijk werkster weer op.
1. DE PAROCHIE 1.1. Oprichting, grondgebied In de parochie Tilburg (H. Dionysius) - ressorterend onder het vicariaat van 's-Hertogenbosch, maar bediend door priesters van de Norbertijnenabdij van Tongerlo - bestonden sinds de 17e eeuw twee schuurkerken. Voor het noordelijk deel van de parochie diende de kerk in het Goirke; daar bevond zich ook de pastorie van de norbertijnen. Vandaaruit werd een tweede kerk - gelegen in de buurtschap het Heike - bediend voor de parochianen van de wijken Oerle, Broekhoven, Korvel, Laar, Berkdijk, Kerk en Heuvel. Begin 1797 werd door 173 parochianen namens de ruim 3000 'zielen' van dit zuidelijk deel van de parochie een verzoekschrift ingediend bij de abt van Tongerlo om een al eerder geuite wens gerealiseerd te zien: de aanstelling van een afzonderlijke pastoor (en kapelaans) voor de kerk van het Heike. Met het aanbod van de abt om meer mankracht voor de zielzorg in Tilburg ter beschikking te stellen werd geen genoegen genomen. Er volgden moeizame onderhandelingen tussen de Norbertijnen en 'gecommitteerde' parochianen in verband met de plichten van de abdij die aan haar patronaats- en tiendrechten verbonden waren, zoals het levensonderhoud en de huisvesting van de parochiegeestelijken. Dank zij de steun die de parochianen kregen van de vicaris werd een overeenstemming bereikt: de abt zou voortaan geestelijken ter beschikking stellen voor een zelfstandig pastoraat en twee kapelaniën op het Heike, elk met een jaarlijkse uitkering uit de tiendbelasting; de parochianen zouden voor geschikte huisvesting zorgen. Met ingang van 1 mei 1797 werden door de vicaris van 's-Hertogenbosch de door de abt voorgedragen geestelijken aangesteld en de parochie St. Dionysius-Heike canoniek opgericht. De nieuwe parochie omvatte de wijken die van oudsher op de schuurkerk van het Heike waren aangewezen. De wijken Korvel, Laar en Berkdijk, en het noordelijk deel van Oerle werden per 1 januari 1852 van de parochie Heike afgescheiden: op die datum werd de kerk van de 'dochterparochie' Korvel in gebruik genomen. Een tweede afsplitsing volgde in 1873 met de totstandkoming van de parochie Heuvel die o.a. de wijk Heuvel, de wijk Loven (waaronder delen van het latere Koningshoeven) en grote delen van Veldhoven (tot aan Gasthuisstraat-Lange Nieuwstraat) omvatte. Bij die gelegenheid werd ook de tot dan toe nooit precies omschreven grens tussen de parochies Heike en Goirke na lang onderhandelen van betrokken geestelijken vastgesteld: in westelijke richting vanuit de fraterskerk aan de Gasthuisstraat: via de spoorlijn Tilburg-Breda, de (latere Boomstraat) en de spoorlijn Tilburg-Turnhout tot op 100 m. van de Bredaseweg; de huizen aan de Bredaseweg vanaf het kerkhof in westelijke richting werden bij die gelegenheid overigens aan de parochie Korvel toegevoegd. Bij herderlijke brief aan de parochianen dd. 31 mei 1898 werd de derde dochterparochie opgericht in de Noordhoek. Het noord-westelijk deel van de parochie, ten noorden van de lijn Willem II-straat-Karrestraat etc. t/m de Vincentiusstraat, werd daarmee afgescheiden. In 1917 werd op last van het bisdom nog aan de parochie Noordhoek afgestaan het blok Willem II-straat-Poststraat-Karrestraat. In 1913 werd uit delen van de parochies Heike en Heuvel de parochie Broekhoven I gevormd. Een gedeelte van de Koningswei dat tot dan toe bij de parochie Heuvel behoorde, werd bij die gelegenheid aan de parochie Heike toegevoegd. Tenslotte werd in 1921 de zuidwesthoek tussen Veestraat en Nieuwstraat deel van de toen opgerichte parochie Trouwlaan. De zuidgrens van het Heike wordt sindsdien gevormd door Primus v. Gilsstraat-Veestraat-Den Haenstraat; het was de laatste wijziging van het grondgebied van de parochie. Met ingang van 1 januari 1971 hield het Heike, dat toen nog slechts ca. 1700 parochianen telde, op te bestaan als zelfstandige parochie: met de buurparochies St. Anna (noot 86: De parochie St. Anna, een afscheiding van de parochie Korvel, was opgericht in 1899. Tot deze nieuwe buurparochie behoorde sindsdien het bovengenoemde deel van de Bredaseweg.) en Noordhoek ging zij op in de parochie Binnenstad die bij herderlijke brief van 23 december 1970 was opgericht. De parochie Heike behoorde tot 1865 tot het dekenaat Hilvarenbeek, van 1865 tot 1872 tot het dekenaat Oirschot. In 1872 werd voor de parochies van de stad Tilburg een afzonderlijk dekenaat gevormd (in 1896 uitgebreid met de parochie Goirle). 1.2. Pastoraat Het pastoraat van het Heike bleef in handen van de Norbertijnen tot 1832; de pastoors Beke en Duchamps waren tevens prior van de verspreide kloosterlingen van de door de Franse regering opgeheven abdij van Tongerlo. Apostolisch vicaris A. van Alphen, die de patronaatsrechten van Tongerlo door het concordaat van 1801 als vervallen beschouwde, benoemde vanaf 1817 priesters van het vicariaat op de openvallende parochieposten. Een der eerste 'wereldheren' op het Heike was J. Zwijsen als assistent in 1818, die overigens nog in hetzelfde jaar secretaris van de vicaris (en tevens kapelaan) te Schijndel werd. Na het overlijden van pastoor Duchamps in 1832, werd Zwijsen - inmiddels pastoor te Best - tot diens opvolger benoemd. Duchamps had, als prior nooit bezwaar gemaakt tegen de benoeming van seculieren op vrijgekomen 'norbertijnenposten', maar zijn opvolger wilde de patronaatsrechten van de ontheemde kloosterlingen zoveel mogelijk doen gelden en Rome liet kort na de benoeming van Zwijsen aan apostolisch vicaris H. Den Dubbelden weten dat de kerkelijke rechten van de civiel opgeheven abdijen gehandhaafd dienden te blijven. De vicaris vond echter voldoende argumenten om de vervanging van de reguliere door seculiere zielzorgers zonder grote moeilijkheden door te zetten. In 1856 besloot Rome de toen bestaande toestand kerkrechtelijk te legaliseren. Kort na de benoeming van Zwijsen werd de functie van assistent omgezet in een derde kapelanie. De pastoor besloot toen om het plan voor de bouw van een nieuwe pastorie, waarvoor het kerkbestuur al in 1810 grond had aangekocht, door te voeren. In 1834 betrokken de geestelijken de nieuwe "in hoofdzaak door pastoor Zwijsen ontworpen" (noot 89: Aldus J.A. van Spaendonk in zijn Herinneringen aan mgr. Zwijsen huisvesting (thans pastorie van de parochie Binnenstad). Het aantal kapelaans werd uitgebreid tot vier in 1842. In dat jaar werd pastoor Zwijsen tevens coadjutor van de apostolisch vicaris (noot 90: Hij wordt in de stukken dan ook wel aangeduid met de daaraan verbonden titulaire waardigheid van 'bisschop van Gerra', of kortweg 'mgr. (monseigneur)'.) en vanaf 1851 zelf vicaris, later bisschop, van 's-Hertogenbosch. Hij resideerde in de pastorie van het Heike tot 1 mei 1854, toen hij het pastoraat overdroeg aan kapelaan J. van Schijndel, die vanaf 1851 als plaatsvervangend pastoor was opgetreden. J. van der Lee, sinds 1849 kapelaan, was al door bisschop Zwijsen bestemd tot (bouw) pastoor van een nieuwe parochie toen hij vanaf februari 1871, tijdens de ziekte en na het overlijden van pastoor Van Schijndel, het pastoraat van het Heike moest waarnemen. Nadat onder zijn leiding door de parochie Heike in 1873 de parochie Heuvel was opgericht, werd Van der Lee alsnog aangesteld tot pastoor van het Heike (noot 91: Belangrijke bronnen voor de kennis van de parochie en de stedelijke cultuur in de 19e eeuw zijn het al in noot 3 genoemde 'dagboek' dat Van der Lee in 1872 aanlegde (in eerste instantie om de gang van zaken bij de oprichting van de Heuvelparochie vast te leggen) en vooral het later door hem zo genoemde eerste dagboek, in 'Annalen der H. Familie' (inv. nr.m 10 van archiefnr. 521) die hij als secretaris van dit kerkelijk genootschap schreef.) F.L. van Oort was vanaf het begin van zijn pastoraat (1956) tot 1969 tevens deken van het dekenaat Tilburg en Goirle. Na experimenten, in de jaren '60, met samenwerkingsverbanden van priesters van verschillende parochies, de zgn. pastorale 'rayons', besloot de bisschop bij schrijven van 14 januari 1970, het autonome parochiepastoraat te vervangen door rayonteams. In juli van dat jaar werd de officiële start afgekondigd van deze gecentraliseerde zielzorg voor de parochies Heike, St. Anna en Noordhoek (rayon Binnenstad). Het priesterteam werd gehuisvest in de pastorie van het Heike. 1.3. Kerkbestuur Voor het kerkbestuur en het beheer van het parochievermogen tot ca. 1930 geldt mutatis mutandis wat daarover vermeld is met betrekking tot het Goirke. Hoewel de regenten voor de invoering van het Algemeen Reglement op de Parochiale Kerkbesturen (1854) nog niet door de apostolisch vicaris benoemd werden, was deze sinds 1797 wel betrokken bij de samenstelling van het college. Door de initiatiefnemers van de oprichting van de parochie was tevergeefs gepoogd een democratische verkiezing in te voeren, de vier regenten van de voormalige parochie Tilburg (waarvan twee vanwege de schuurkerk van het Heike) en de pastoors van de inmiddels ontstane twee parochies hielden zich echter aan de bestaande gewoonte. Op 7 juli 1797, na de scheiding en deling van kapitaal tussen parochie Goirke en de parochie Heike, werden - onder protest van parochianen, maar "met voorkennisse en aanraad van de vicarius" - door pastoors en kerkregenten voor elke parochie nog twee regenten aangesteld. Sindsdien werd de keuze van nieuwe leden ter goedkeuring voorgelegd aan de vicaris. Van de bestuursvergaderingen van vóór 1854 zijn geen notulen bewaard gebleven. Wel is b.v. bekend dat "in de vergadering der regenten" (o.w. de pastoor) van 22 maart 1829 was besloten om "voortaan alle besluiten die van eenig belang kunnen zijn in eenen bijzondere register" aan te tekenen; bij die gelegenheid werd regent F. Suijs daartoe als secretaris aangesteld. Er zijn echter slechts drie afzonderlijk door pastoor Zwijsen vastgelegde bestuursbesluiten (betreffende het gasthuis en het weeshuis) en de besluitenlijst van een vergadering in 1853 in het parochiearchief aangetroffen. De boekhouding werd van ca. 1896 tot ca. 1936 volledig door de pastoors verzorgd. "Duistere punten ... in de boekhouding" noopten de pastoor in 1937 een boekhoudkundige, A. van der Aa, in te schakelen, die het jaar daarop wordt aangesteld tot financieel administrateur van het kerkbestuur. Vanaf 1946 werd de financiële administratie van parochies, w.o. die van het Heike, verzorgd door een centraal 'Parochiebureau' in samenwerking met de pastoor. In september 1950 al zegde het kerkbestuur het 'lidmaatschap' op en werd van der Aa weer aangesteld, ditmaal in een gesalarieerde functie, vanaf 1952 als penningmeester van het kerkbestuur. De financiële administratie van kerkdiensten wordt vanaf eind 1949 door de pastoor (of een kapelaan) gedaan. In 1957 wordt voor overige administratie, zoals die van het kerkhof, een parochiesecretaresse aangetrokken. De pastoor trad in de praktijk veelal ook op als secretaris, inclusief als notulist van de vergaderingen (1940-1955). Eerst in 1956 werd ook het secretariaat weer een volwaardige functie, overigens gecombineerd met het penningmeesterschap. Behalve de notulen verzorgde deze functionaris sindsdien ook de dagelijkse correspondentie. De gevolgen voor de kerkfinanciën van de ontvolking van de binnenstad en toenemende ontkerkelijking in de jaren '60 noopten het bisdom tot centralisering van het beheer van kerkelijke gebouwen en financiën en tot sluiting van overtollig geworden kerkruimte. Daartoe besloot het bisdom o.a. de bestaande parochiale kerkbesturen te vervangen door één kerkbestuur voor alle parochies van een rayon. De parochies van het rayon Heike-Noordhoek-St.Anna kozen voor een andere oplossing. Het voorstel van een interim-commissie van leden van de drie kerkbesturen, in overleg met het bisdom, om per 1 januari 1971 een nieuwe parochie op te richten voor het gehele grondgebied van de drie oude parochies die daarmee zouden ophouden te bestaan, leidde tot de oprichting van de parochie Binnenstad, waarvan het kerkbestuur werd gevormd door twee leden van elk der oude besturen. 1.4. Kerkgebouw en kerkhof De schuurkerk in het Heike deed dienst als parochiekerk tot 1829. De oude parochiekerk van Tilburg, gelegen in het centrum van de parochie Heike, was in 1633 door de overheid ter beschikking gesteld van de gereformeerde gemeente. Vanaf 1795 hadden katholieken pogingen gedaan dit gebouw weer in het bezit te krijgen. Het positieve besluit dienaangaande van de Eerste Kamer in 1801 bleef door de verandering van de staatsregeling in september van dat jaar zonder gevolg. Met een rekest aan de koning werd in 1807 een nieuwe poging ondernomen. Bij Koninklijk Besluit van 4 mei 1809 werd bepaald dat voor de hervormde gemeente een nieuwe kerk zou worden gebouwd, waarna de katholieken over de oude kerk zouden kunnen beschikken. Voor de uitvoering van die besluiten moesten de parochianen opnieuw in het geweer komen. Hun commissie werd echter in 1814 door Gedeputeerde Staten verwezen naar de geëigende instantie om verzoeken tot restitutie in te dienen: pastoor en kerkregenten. Deze stonden, in de lijn van de apostolisch vicaris, op het standpunt dat de regering, die tiendheffer was geworden en dus de plicht had tot onderhoud van de kerk, de teruggave gepaard diende te laten gaan met een subsidie om het slecht onderhouden gebouw geschikt te maken voor de katholieke kerkdiensten. Bij Koninklijke Besluiten van 19 november 1821 en 1 april 1825 werden de restitutie (per 1 januari 1823) en de subsidiëring geregeld. In 1827-1829 werd de kerk vervangen door nieuwbouw, met uitzondering van de toren, die eigendom van het gemeentebestuur was gebleven. Een in de parochie al lang bestaande behoefte aan een representatiever kerkgebouw leidde in 1894 tot het besluit om de voorgevel te verbouwen. Daartoe werd, in dat jaar, de toren met uitzondering van het uurwerk door het gemeentebestuur overgedragen aan het kerkbestuur. Vanaf 1832 beschikte de parochie over een eigen kerkhof, waarvan ook de parochies Noordhoek (1897) en Gasthuisstraat (1917) gebruik maakten. Sinds 1952 wordt het beheer van het kerkhof van het Heike, later van de parochie Binnenstad, behartigd door een commissie, waarvan twee kerkbestuursleden lid zijn. Op voorstel van de commissie besloot het kerkbestuur in 1957 de exploitatie meer rendabel te maken door ook de parochie St. Anna van het kerkhof gebruik te laten maken. 1.5. Scholen 1.5.1. Onderwijs voor meisjes (zustersscholen) Voor het door pastoor Zwijsen opgestarte onderwijs aan arme meisjes liet het kerkbestuur in 1833 een schoolgebouw met twee lokalen bouwen aan de Oude Dijk. Dank zij een ruime financiële bijdrage van een der leden (G. Bogaers) kon men een jaar later bij de school een klooster laten bouwen voor de Congregatie der Zusters van Liefde, die - aanvankelijk met lekenhulp - het onderwijs verzorgden. De zusters waren daarvoor - ook in financiële aangelegenheden - verantwoording schuldig aan pastoor Zwijsen, die tot het einde van zijn pastoraat de leiding van het klooster hield. Het kerkbestuur is nooit als bestuur van de meisjesschool opgetreden. Wel bleven de school- en kloostergebouwen voorlopig (tot 1871) eigendom van het kerkbestuur. Volgens een overeenkomst met de zusters in 1838 zouden de kosten van het onderwijs gedragen worden "uit de fondsen der school"; in ieder geval is het meisjesonderwijs na de eerste jaren vrijwel niet meer ten laste van de kerkekas geweest. Op grond van een bepaling bij de oprichting van de parochie Korvel (1850) - die later ook voor de parochie Heuvel gold - konden de meisjes van de 'dochterparochie' gebruik blijven maken van de scholen aan de Oude Dijk totdat het kerkbestuur van Korvel in 1891 een eigen zustersschool oprichtte (waartoe door de bisschop, met een beroep op genoemde bepaling, van het kerkbestuur van het Heike een financiële bijdrage werd geëist). De meisjes uit de parochie Heuvel (1874) konden de bewaarschool en de school voor l.o./m.u.l.o in 1908, resp. 1912 ontruimen. 1.5.2. De armenschool In 1844, en opnieuw in 1846, hadden de pastoors van het Heike en het Goirke van het gemeentebestuur toestemming gekregen voor oprichting van bijzondere scholen 'der 1e klasse voor arme en minvermogende jongens'. Eind 1849 had Zwijsens fraterscongregatie pas voldoende leden om met het onderwijs te beginnen en beschikte het kerkbestuur van het Heike, daarbij gesteund door de Conferentie van de Vincentiusvereniging, over de middelen voor het bouwen van de school, die in 1850 officieel geopend werd als St. Vincentiusschool (aan de later zogenoemde Schoolstraat). Het schoolbestuur werd gevormd door het kerkbestuur, dat zijn taak vrijwel beperkte tot het beheer van de schoolgebouwen, financiering van leermiddelen. Zaken betreffende het onderricht, de discipline etc. werden aan de Congregatie der Fraters (aanvankelijk in feite pastoor Zwijsen) overgelaten. Later werden door het kerkbestuur formele overeenkomsten met de fraters aangegaan; het oudst vermeld gevonden is het ("nieuw") contract van 1891, n.a.v. de toekenning van rijkssubsidie aan de bijzondere scholen. In 1908-1910 werd de Vincentiusschool vervangen door de grotere St. Josephschool, nieuw gebouwd op een daartoe door het kerkbestuur gekocht terrein aan de Oude Dijk. Behalve als 'armenschool' o.i.d., werden deze scholen ook wel aangeduid als 'parochieschool' (in onderscheid met de St. Denisschool). Bij de afsplitsing van nieuwe parochies was bepaald dat deze gebruik konden blijven maken van de parochiescholen van het Heike, zolang het eigen kerkbestuur nog niet over een school beschikte. In 1868 zag het kerkbestuur van het Heike zich genoodzaakt een begin te maken met de bouw van een school in de parochie Korvel (1850), zodat althans de eerste twee klassen van de overvolle jongensschool ontlast konden worden. Pas in 1885, toen het kerkbestuur weigerde nog kinderen van Korvel op te nemen, voltooide het kerkbestuur van Korvel zijn jongensschool en werd het onderwijs van beide parochies geheel gescheiden. Bij de oprichting van de parochie Heuvel (1874) werden wederzijdse rechten en plichten m.b.t. de school uitvoeriger vastgelegd, evenals later bij de oprichting van de parochie Noordhoek (1897). In 1886 konden de leerlingen uit de Heuvelparochie naar een eigen parochiële fratersschool. Het kerkbestuur van de Noordhoek (H. Hart) kreeg in 1910 een eigen jongensschool, toen het Heike de gebouwen van de voormalige St. Vincentiusschool aan de 'dochterparochie' overdroeg. 1.5.3. Burgerschool St. Denis De oprichting van een katholieke school voor (lager en) meer uitgebreid lager onderwijs werd in 1875 door het kerkbestuur aan de orde gesteld. Er bleken echter geen fraters voor beschikbaar en pastoor van der Lee "vreesde voor leekenonderwijs". Uiteindelijk liet de pastoor de uitvoering van het plan over aan de overige bestuursleden, die - als 'commissie' - het schoolbestuur zouden vormen; in de beginfase van de oprichting beperkte hij zijn medewerking tot het aanbevelen van een collecte. De ruime opbrengst daarvan en de schenking van een bouwterrein aan de Antoniusstraat door A.A. Bogaers, kon in 1878 in een nieuwgebouwde school het onderwijs, met 180 leerlingen en 5 lekenonderwijzers, beginnen. Deze school stond in principe open voor kinderen van alle parochies. Toen er moeilijkheden ontstonden met het schoolhoofd en deze eind 1882 ontslag vroeg, waren de fraters inmiddels in staat en bereid om het onderwijs over te nemen, te beginnen met twee klassen, volgens een overeenkomst dd. 15 augustus 1882, waarbij o.a. "de regeling van het onderwijs" en het schoolgeld (vanaf 1891 ook de rijkssubsidie) aan de fraters gelaten werden. Het kerkbestuur belastte zich met het materile beheer (m.u.v. de leerboeken) en met het regelen van de toelating van kinderen uit andere parochies. In 1895 vestigden de fraters die aan de school verbonden waren zich in de Antoniusstraat, in het zgn. schoolhuis, dat vroeger bewoond werd door het hoofd. Volgens het contract, in dat jaar vernieuwd, bleven het schoolgebouw en het 'fraterhuis', eigendom van het kerkbestuur, dat in 1898 een kloosterkapel liet bijbouwen. Voor buitenschools jeugdwerk werd in 1906 de bovenverdieping van het schoolgebouw ingericht tot patronaat. Toen de fratercongregatie in 1917 besloot het patronaatswerk, met uitzondering van het inmiddels daaraan verbonden avondonderwijs, af te stoten, werden de jeugdlokalen omgebouwd tot klaslokalen voor de 'handelsavondschool' (later handelsulo voor het zuiden van de stad). 1.5.4. Mgr. Zwijsenschool voor b.l.o. In 1924 vond de Inspectie voor het lager onderwijs het kerkbestuur van het Heike bereid gelegenheid te bieden "om de gewone lagere scholen der stad van ca. 50 achterlijke jongens te ontlasten". In september 1925 werd in enkele leegstaande lokalen van de parochieschool aan de Oude Dijk de 'mgr. Zwijsenschool voor b.l.o.' geopend voor kinderen van alle gezindten. Het onderwijs werd gegeven door de fraters, met wie het kerk(-school)bestuur daartoe een overeenkomst had gesloten, waarin o.a. bepaald was dat de 'superior' van de fraters de secretariaatswerkzaamheden m.b.t. de school zou behartigen. Per 1 januari 1953 droeg het kerkbestuur het bestuur van de b.l.o.-school over aan de fraters. De lokalen, die eigendom bleven van de parochie, deden nog tot 1956 als zodanig dienst. 1.5.5. De scholen na 1955 Oorlogsschade aan de parochieschool (Oude Dijk) en behoefte aan een afzonderlijke accommodatie voor het patronaats- of jeugdwerk, werden ca. 1950 aanleiding tot plannen om het jongensonderwijs in de parochie te reorganiseren, zó dat de schoolgebouwen van de St. Dionysius- of Denisschool (Antoniusstraat) vrij zouden komen voor andere doeleinden. Nadat het kerkbestuur er eindelijk in geslaagd was de jongensschool aan de Oude Dijk geheel te laten renoveren en uitbreiden, werden daarin in 1956 de St. Josephschool en de lagere school van de Antoniusstraat samengevoegd tot St. Dionysius- (of Denis-)school Oude Dijk. De 'handelsulo' bleef eveneens St. Dionysius-(of Denis-)school heten en werd gehuisvest in een pand van het kerkbestuur in de Bisschop Zwijsenstraat. Toen deze school in 1963 experimenteerschool voor m.e.a.o. werd, droeg het kerkbestuur het bestuur van de school over aan een afzonderlijk schoolbestuur (waarin overigens aanvankelijk twee leden van het kerkbestuur zitting hadden). Voortdurende daling van het aantal leerlingen leidde in 1965 tot een nieuwe fusie van het lager onderwijs in de parochie: de jongensschool van het kerkbestuur en de meisjesschool van de Congregatie der Zusters van Liefde vormden vanaf dat jaar "de ene gemengde parochiale lagere school" onder de leiding van het hoofd (frater) van de jongensschool. De helft van het achttal personeelsleden bestond toen uit leken. Ondertussen werd door het kerkbestuur, m.n. het lid J. Pontzen, - speciaal belast met zaken betreffende het beheer van de scholen - een afzonderlijk schoolbestuur geformeerd en ondergebracht in een stichting, waaraan m.i.v. 1 januari 1966 alles wat op de parochiële jongensschool betrekking had gehad werd overgedragen.
Textielindustrie De textielindustrie bevond zich voor de oorlog in een bloeiende positie, dankzij met name de afzet in het buitenland. In het begin van de bezetting van ons land, moest men in de meeste branches echter overgaan tot een aanzienlijke beperking van de produktie, als gevolg van de sterke rantsoenering van grondstoffen, die de Rijksbureaus instelden. Deze rantsoenering was noodzakelijk, omdat de invoer van overzee geheel stil kwam te staan., terwijl de Duitsers bovendien een deel van de voorraad grondstoffen innamen. Wat de afzet betreft vielen de defensie-orders en de voor sommige branches zo belangrijke overzeese export weg, maar hier kwamen Duitse opdrachten voor in de plaats, terwijl de binnenlandse vraag toenam door verwachtingen van distributiemaatregelen en door ophouden van de buitenlandse concurrentie. De produktie-mogelijkheden werden vervolgens steeds verder ingekrompen, doordat de Rijksbureaus gedwongen werden tot voortdurend scherpere rantsoeneringsmaatregelen. Deze maatregelen betroffen zowel de fabricage en de aflevering van produkten als de verwerking van grondstoffen. Aanvankelijk gaf het gebruik van vervangingsstoffen (zoals kunstzijde, kunstwol, melkwol, vlas, celvezel) een zekere verlichting, maar spoedig moest ook ten aanzien van de meeste van deze artikelen vergaande beperkingen opgelegd worden. Een intensiever gebruik van afvalstoffen gaf uit de aard der zaak evenmin belangrijke verbetering. In sommige industrieën (vnl. de katoenindustrie en de tapijt-, jute-, en touwfabricage) begon men met de verwerking van papier als grondstof; het gebruik hiervan steeg dermate, dat op den duur ook hiervoor beperkende voorschriften nodig bleken. Behalve met een gebrek aan grond- en vervangingsstoffen kampte men bovendien met een te beperken aanvoer van sommige hulpstoffen, vooral van diverse chemicaliën, terwijl na verloop van tijd in het bijzonder ook stagnatie werd ondervonden door onvoldoende toewijzing van kolen (tijdelijke stilstand van fabrieken, deels gebruik van dure vervangingsbrandstoffen). Mede ter besparing van energie en werkkrachten kwam het tenslotte midden 1942 in verschillende branches, o.a. in de katoen-, wol en tapijtindustrie, tot concentratie van produktie. Steeds meer fabrieken werden hierdoor stopgezet; de arbeiders hiervan werden in grote getale naar Duitsland gedeporteerd. De fabrieken, die met de Duitse orders (waaronder evenals in andere branches ook zgn. loonorders) bezet waren, konden vrij geregeld blijven doorwerken, omdat de beschikbare grond- en brandstoffen in de eerste plaats voor deze behoeftevoorziening moesten dienen. Toch liep ook hier de produktie gedeeltelijk terug. De produktie voor Nederlandse behoefte daalde inmiddels tot een minimum. En zelfs moest men van dit minimum in 1944 nog een belangrijk quantum afstaan voor de door bomaanvallen getroffenen in Duitsland. Ten gevolge hiervan was men genoodzaakt o.a. de voorziening met werkmanskleding nog sterker te beperken, terwijl zelfs de beschikbaarstelling van lakens en slopen gestaakt moest worden. De schaarste van textielgoederen bevorderde, zoals in zoveel branches, de zwarte handel. Om de schaarste zoveel mogelijk te beperken, verving men tegen het midden van 1943 het toen bestaande 'afleverings-quoterings-systeem' door een 'punt-punt-systeem'. Dit nieuwe systeem had de bedoeling het aan handelaren onmogelijk te maken, goederen af te leveren zonder het innemen van punten van de afnemers. Eind 1943 en begin 1944 kwam in de aanvoer van sommige vervangingsstoffen verbetering. Zo steeg de produktie van kunstwol door ruimere beschikking over lompen als gevolg van prijsverhoging en betere organisatie van de handel. De aanvoer van celvezel, vooral van betekenis voor de katoenindustrie, steeg als gevolg van de inwerkingstelling van een celvezelfabriek door de Algemene Kunstzijde Unie. Na de oorlog moest met de wederopbouw begonnen worden. Het grootste gedeelte van de Nederlandse textielondernemingen was gevestigd in Twente en de Twents-Gelderse Achterhoek. Aanvankelijk werd het standpunt ingenomen, dat het allereerst gewenst zou zijn de spinnerijen, vervolgens de weverijen en dan de confectie-industrie weer op gang te brengen. Aangezien echter de confectie-industrie nog belangrijke voorraden had en voor het afwerken hiervan slechts een beperkt quantum elektriciteit nodig was, werd door het Rijkstextielbureau besloten eerst de confectie-industrie weer een stroomtoewijzing te verschaffen. Voornamelijk werd werkkleding vervaardigd, grotendeels bestemd voor de mijnwerkers, alsmede civiele 'battle-dresses', bestemd voor gerepatrieerden. Daarnaast werden enkele weverijen ingeschakeld voor de fabricage van absoluut noodzakelijke artikelen (o.a. dekens). Eind juni 1945 werden de meeste textielbedrijven en confectiefabrieken weer in werking gesteld, zij het dat het toegewezen quantum elektriciteit aanvankelijk slechts een zeer geringe produktie toestond. Hoewel grondstoffen in voldoende mate aanwezig waren, was in de eerste jaren de beperkte energievoorziening en het gebrek aan arbeidskrachten de grootste probleem. Naarmate de hoeveelheid te gebruiken elektriciteit toenam, kon met het herstel van de vooroorlogse produktiviteit begonnen worden. Voor de wolindustrie was de periode na 1948 een gouden tijd. Inhaalvraag, Marshall-hulp en in de eerste vijf jaren na de oorlog een geleide loonpolitiek zorgden voor een opbloei. De aanvoer van grondstoffen was in het begin één van de problemen, maar dankzij voorzieningen, door de regering in Londen tijdig getroffen, was het mogelijk de produktie weer snel op gag te brengen. De katoenindustrie kreeg in 1949 een ernstige klap van de souvereiniteitsoverdracht van Indonesië. Met het verdwijnen van de schaarste aan distributie goederen, werden eerst secties en later ook het Rijksbureau overbodig en kon men tot opheffing overgaan. Rijksbureau voor Wol en Lompen Vanuit het Kernbureau Textiel-produkten (1938-1939) ontstond, krachtens een Beschikking van de Minister van Economische Zaken, in augustus 1939 het Rijksbureau voor Wol. Reeds binnen een maand werd deze Beschikking ingetrokken en werd het Rijksbureau voor Wol en Lompen opgericht ( Wol- en Lompenbeschikking 1939 nr 1, Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 27 september 1939, no. 52363 N. (Stcrt. 189). Ingetrokken bij de Textielbeschikking 1944. ). De Rijksbureaus werden opgericht om werkzaam te zijn op het gebied van regeling en controle van de produktie van wol en lompen en om toezicht te houden op de prijsvorming en prijsbeheersing. Wol en lompen werden aangewezen als distributiegoederen. Het Rijksbureau voor Wol en Lompen werd gevestigd te Tilburg, onder leiding van een directeur en een Commissie van Advies. Men hield zich voornamelijk bezig met de voorbereiding op eventuele schaarste in geval van een gewapend conflict, waar Nederland al dan niet bij betrokken zou zijn. Toen het land inderdaad in de oorlog betrokken werd, moesten de distributiemaatregelingen `in alle scherpte worden toegepast. Alle Rijksbureaus kwamen onder Duitse supervisie. De Wol- en Lompenbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 december 1940, no. 34515 Beschikking van de Secretaris Generaal van 12 januari 1942, no. 11S. Op dezelfde dag als de instelling van het Rijksbureau voor Wol en Lompen, werden twee Secties ingesteld: Sectie Wol: Deze Sectie werd met de Wolbeschikking 1939 nr 2 opgericht, voor ruwe wol, bewerkte wol, wollen garens, wollen weefsels en wolafval, alsmede van dierlijke haren en afvallen van dierlijke haren. De Wolbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 28 februari 1940, no. 11577 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 15 juni 1940, no. 31307 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 7 oktober 1940, no. 46441 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 december 1940, no. 47826 N.O. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 maart 1941, no. 5529 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 16 april 1941, no. 17661 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 28 juli 1941, no. 36730 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 februari 1942, no. 11434 H.A.F./N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 8 april 1942, no. 14394 Sectie Lompen: Deze Sectie werd met de Lompenbeschikking 1939 nr 1 opgericht, voor alle afvallen van wol, katoen, linnen, kunstzijde, jute, hennep, alsmede papier. De Lompenbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 28 februari 1940, no. 11578 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 december 1940, no. 47258 N.O. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 februari 1942, no. 11434 H.A.F./N.G. In 1940 werd bovendien een Sectie Confectie opgericht, die behalve een Sectie van het Rijksbureau voor Wol en Lompen, ook een Sectie van het Rijkstextielbureau (zie 3.3) was. Er werd bepaald dat het door derden in loon verwerken van textielstoffen, geheel of gedeeltelijk vervaardigd uit wol, kunstwol, katoen, linnen, zijde, kunstzijde en alle ter vervanging hiervan dienende textielstoffen, van 1 mei 1941 af, alleen was toegestaan aan ingeschrevenen. De Sectie was verantwoordelijk voor de grondstoffenvoorziening voor de Confectiefabrikanten uit de beschikbare weefsels, afkomstig uit de ondernemingen, aangesloten bij het Rijksbureau voor Wol en Lompen en het Rijkstextielbureau, en uit de import. Ook had de Sectie een taak in de distributie van weefsels aan niet tot de confectie-industrie behorende bedrijven, die textielweefsels in hun produktieproces als hulpmaterialen verwerkten. In 1941 verschenen er twee bijzondere Beschikkingen, nl.: Dierlijke Huidharenbeschikking nr 1/41 ):De volgende goederen behoorden tot deze Beschikking: huidharen van geiten, rundvee, paarden, varkens en hiermee aanverwante dieren, alsmede de afvallen van deze haarsoorten en borstels van varkens of wilde zwijnen. De Dierlijke Huidharenbeschikking werd bij de volgende beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 juni 1942, no. 226 N.P. Beschikking van de Secretaris Generaal van 5 november 1942, no. 56938 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 16 augustus 1944, no. 63467 N.G./J.Z. Lange Dierlijke Harenbeschikking nr 1/41 ):De volgende goederen behoorden tot deze Beschikking: Haren van paardenstaarten en -manen, van ossen- en koestaarten, alsmede soortgelijke dierlijke haren, afvallen van deze haren en staarten en oud matrashaar. De Lange Dierlijke Harenbeschikking nr 1/41 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 juni 1942, no. 266 N.P. Beschikking van de Secretaris Generaal van 5 november 1942, no. 56938 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 16 augustus 1944, no. 63467 N.G./J.Z. In augustus 1944 werden de Rijksbureaus, die met textiel te maken hadden, samengevoegd in het Rijksbureau voor Textiel. Hierdoor hield het Rijksbureau voor Wol en Lompen op te bestaan en werd het vervangen door de afdeling 'Kantoor Tilburg' van het Rijksbureau voor Textiel. Rijkstextielbureau Eveneens vanuit het Kernbureau Textielprodukten werd bij Ministeriële Beschikking het Rijksbureau voor Katoen en Jute opgericht. Deze beschikking werd ook reeds een maand later ingetrokken en er werd het Rijkstextielbureau opgericht. Het werd gevestigd te Arnhem, onder leiding van een directeur en een Commissie van Bijstand. Op dezelfde dag als de instelling van het Rijkstextielbureau werden vier Secties ingesteld nl.: Sectie Katoen: Deze Sectie werd met de Katoenbeschikking nr 2 opgericht voor: ruwe katoen, katoenen garens, katoenen weefsels en katoenafval. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Katoen. De Katoenbeschikking 1939 nr 2 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 12 maart 1940, no. 11380 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 januari 1941, no. 57141 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34329 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Sectie Jute: Deze Sectie werd met de Jutebeschikking 1939 nr 2 opgericht voor ruwe jute, jute garens, jutedoek en zakken van jute, vervangingsmiddelen van jute, jutelompen en jutegarenafvallen. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Jute. De Jutebeschikking 1939 nr 2 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 6 maart 1940, no. 9518 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 10 januari 1941, no. 1558 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 4 augustus 1941, no. 28550 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Sectie Linnen: Deze Sectie werd met de Linnenbeschikking 1939 nr 1 opgericht voor bewerkt en onbewerkt vlas, linnen garens, linnen weefsels en vlas- en linnenafval. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Linnen. De Linnenbeschikking 1939 nr 1 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 5 maart 1940, no. 11349 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 januari 1941, no. 62514 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 18 januari 1943, no. 662 N.G. Sectie Kunstzijde: Deze Sectie werd met de Kunstzijdebeschikking 1939 nr 1 opgericht voor kunstzijde garens, stapelvezel-garens, kunstzijden weefsels en kunstzijden lompen en garenafvallen. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Kunstzijde. De Kunstzijdebeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 5 maart 1940, no. 11176 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 6 augustus 1940, no. 33236 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 maart 1941, no. 62517 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Daar werden later nog de volgende Secties aan toe gevoegd: Sectie Kapok: Deze Sectie werd met de Kapokbeschikking 1939 nr 1 opgericht voor bewerkt en onbewerkt kapok en vervangingsmiddelen bedveren, dons en zeegras. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Kapok. De Kapokbeschikking 1939 nr 1 werd gewijzigd bij de volgende Beschikkingen: Ministeriële Beschikking van 5 maart 1940, no. 11379 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 januari 1941, no. 62515 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 30 januari 1942, no. 2234 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Sectie Plantaardige Vezels: Deze Sectie werd met de Plantaardige Vezel-Beschikking opgericht voor harde of zachte spinbare vezels, garens, weefsels en afvallen. De Plantaardige Vezel-Beschikking 1940 nr 1 werd gewijzigd bij de volgende Beschikking: Beschikking van de Secretaris Generaal van 15 maart 1943, no. 12490 N.G. Sectie Lompen: Deze Sectie nam de bevoegdheden van het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen m.b.t. de groothandel en tussenhandel in niet-wollen lompen over. De volgende lompen behoorden tot deze Sectie: Alle nieuwe en oude afvallen, die uit wol, kunst- of celwol, katoen, zijde, kunstzijde, linnen, jute, hennep of aanverwante vezelsoorten, in de vorm van vezels, touw, vilt, watten e.d. zijn samengesteld, met uitzondering van gewassen poetslappen. De bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot lompen van: Oude materialen- en afvalstoffenbesluit nr 1/40, Oude materialen- en afvalstoffenbeschikking nr 2/40, Oude materialen- en afvalstoffenbeschikking nr 3/40, die waren toegekend aan de directeur van het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen, gingen over op de directeur van het Rijkstextielbureau, voor zover het de handel in lompen door kleinhandelaren betrof. Regeling in Zake Gedragen Kleding: De Sectie Lompen werkte samen met het Rijksbureau voor Oude Materialen- en Afvalstoffen in de Regeling in zake gedragen kleding. Het doel van deze regeling was een sluitende regeling te krijgen voor de export van gedragen kleding naar Duitsland, welke centraal door een drietal groothandelaren geschiedde. Onder gedragen kleding verstond men oude gedragen kledingstukken, die na herstelling, zo nodig na gedeeltelijke vernieuwing, wederom overeenkomstig hun oorspronkelijke bestemming konden worden gedragen. Sectie Confectie: Deze Sectie was tevens een Sectie van het Rijksbureau voor Wol en Lompen. Katoen- en Textielgrondstoffen Bureau: De stichting Katoen- en Textielgrondstoffen Bureau (KABU) werd op 18 februari 1941 opgericht te Rotterdam. Deze stichting werd opgericht zodat katoenhandelaren en agenten ingeschakeld konden worden bij de grondstoffenimporten uit Duitsland. Deze inschakeling was gewenst om het voortbestaan van de, voor de oorlog goed georganiseerde, katoenhandel te verzekeren. De staat had door middel van het Rijkstextielbureau na mei 1940 de aankoop van de grondstoffen, nodig voor de Nederlandse katoenindustrie, zelf ter hand genomen. De KABU werd nu ingeschakeld bij de voorziening en de distributie van die grondstoffen en wel onder toezicht van het Rijkstextielbureau. Ook het Rijkstextielbureau hield in augustus 1944 op te bestaan. Het werd vervangen door de afdeling 'Kantoor Arnhem' van het Rijksbureau voor Textiel. Rijksbureau voor de Distributie van Textielprodukten door de Handel In september 1939 werd op eigen kosten het Centraal Bureau voor de Textielhandel door de gezamenlijke vakorganisaties uit de textielhandel opgericht en gevestigd in 's-Gravenhage. Hieraan werd deelgenomen door de organisaties van grossiers, grootwinkelbedrijven, importeurs en handelsagenten, naast de 3 middenstandsorganisaties en de voornaamste inkoopverenigingen. Regelmatig overleg over de belangen van de handel vond plaats via dit Bureau met het Rijksbureau voor Wol en Lompen en het Rijkstextielbureau in de verschillende Commissies van Bijstand. De registratie van bedrijven werd ter hand genomen en voorbereid, terwijl verder alle vragen welke in de Rijksbureaus aan de orde kwamen door het Bestuur van het Centraal Bureau voor den Textielhandel werden besproken en hiervoor namens de afnemersgroepen geadviseerd. Door het Departement van Economische Zaken werd einde mei 1940 deze organisatie omgevormd tot een Rijksbureau. Zo ontstond in mei 1940 het Rijksbureau voor de Distributie van Textielprodukten door de Handel (Distex). In september verscheen de Textielproduktenbeschikking 1940 II in de Staatscourant. Het Rijksbureau Distex werd opgericht voor de handel in alle dierlijke, plantaardige en/of kunstmatige vezels en/of garens, alsmede de goederen die hieruit vervaardigd waren. Doel van het Rijksbureau was het treffen van maatregelen op het gebied van de distributie van alle textielprodukten, zowel door de groothandel als door de kleinhandel. Onder textielprodukten werden hierbij verstaan alle, uit textielgrondstoffen vervaardigde artikelen, die voor uiteindelijke consumptie waren bestemd. Van deze artikelen kunnen onder meer worden genoemd: naai- en handwerkgarens, manufacturen, kleding, huishoudgoederen, dekens, tapijten en fournituren. Ook de controle op de inventarisatie en herdistributie van de in geliquideerde Joodse ondernemingen aanwezige voorraden, was in handen van het Rijksbureau Distex. In januari 1941 werd voor het Rijksbureau Distex een Commissie van Advies ingesteld. De Textielproduktenbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 maart 1941, no. 10610 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 februari 1942, no. 11434 H.A.F./N.G. Het Rijksbureau Distex werd eveneens in augustus 1944 vervangen, nl. door de Sectie Distex van het Rijksbureau voor Textiel. Centrale Textiel Inspectie In verband met de grote schaarste aan textielgoederen bestond er een vrij belangrijke zwarte markt in deze goederen. Deze omstandigheden brachten het Rijksbureau voor Wol en Lompen, het Rijkstextielbureau, de Sectie Confectie van deze beide Rijksbureaus en het Rijksbureau Distex ertoe, een Centrale Textiel Inspectie te Amsterdam op te richten.In een vergadering van het Textiel-Directorium van 10 juni 1942 kreeg de oprichting van de Centrale Textiel Inspectie haar beslag. Er werd overeengekomen, dat deze inspectie zich zou belasten met de controle op de zwarte handel, de eenvoudige distributie-overtredingen (nl. die betreffende de aflevering en in ontvangstneming van grondstoffen en produkten) en de prijscontrole op de handel, terwijl zij ook nog enige bemoeienis had met het nemen van maatregelen tegen overtreders. Alle hiervoor in aanmerking komende fabrikanten en handelaren werden tot dit doel gecontroleerd. De volgende indeling werd gemaakt: Sectie Tilburg, Sectie Amsterdam, Sectie Arnhem, Sectie Den Haag, Sectie Niet-ingeschrevenen (zwarthandel). ROMEA kreeg een verbindingsambtenaar bij de Centrale Textiel Inspectie. De Buitendienst van de Rijksbureaus werd niet afgeschaft, maar bleef toezicht houden, met name ten aanzien van de technische controle in de fabrieken en wat daarmee samenhing, zoals kwaliteitscontrole. Buiten de Centrale Textiel Inspectie bleven dus, de controle op de meer ingewikkelde distributie-overtredingen en de prijscontrole behalve die op de handel. Wijziging van het herbevoorradingssysteem textielhandel De toenemende schaarste aan textielprodukten, o.m. als gevolg van de exportverplichtingen naar Duitsland en het daaraan gekoppelde probleem voor de juiste voorziening van de bevolking, maakte het de directeuren van de Rijksbureaus noodzakelijk behalve de produktie, ook de distributie van textiel zoveel mogelijk onder controle te krijgen, om zo meer en betere controle op de produktie en de verdeling van alle textielprodukten te krijgen. In verband hiermee werd een nieuw herbevoorradingssysteem voor de textielhandel doorgevoerd. Daartoe gaf mede aanleiding o.m. het feit dat, als gevolg van sluitingen van textielfabrieken en -handelszaken en de nadelige invloed op de leveringscapaciteit van de industrie door de uitvoering van Duitse orders, het bestaande afleverings-quoterings-stelsel steeds minder doorvoerbaar bleek. Het afleverings-quoteringssysteem had logisch aangesloten bij de voor 10 mei 1940 bestaande situatie. Als uitgangspunt voor dit systeem was het basisjaar gekozen, waarmee de verhoudingen zoals deze tussen leveranciers en afnemers bestonden, in ongewijzigde vorm werden overgenomen. Slechts werd door de quotering beoogd het volume van de handelsomzet aan te passen aan de omvang van de door de industrie geproduceerde textielgoederen. Gaandeweg had deze situatie echter een grondige wijziging ondergaan. In plaats van het afleverings-quoterings-stelsel werd de herbevoorrading van de handel gebaseerd op het zgn. punt-punt-systeem. Zo kon de handel zich uitsluitend herbevoorraden naar ratio van het aantal ingenomen punten. Hierdoor werd de produktie veel nauwer dan voorheen afgestemd op de voorziening van de bevolking en op de verplichte export van textielgoederen. Behalve het richten van wat in de eerste plaats moest worden gemaakt, kon de gelijke voorziening van bevolkingscentra veel sterker in de hand gehouden worden. Ook een voordeel van dit systeem was dat, het belangrijkste gedeelte (wat betreft de omzet) van de handel onder permanente controle kwam te staan en de voorraden steeds bekend waren. Rijksbureau voor Textiel In augustus 1944 werden alle Rijksbureaus van de textielsector samengevoegd tot een gemeenschappelijk orgaan, nl. het Rijksbureau voor Textiel. De uitvoerende taak werd gedecentraliseerd, de bestaande Bureaus en de verschillende instellingen werden hierbij omgezet in afdelingen van dit Rijksbureau voor Textiel: het Rijksbureau voor Wol en Lompen werd Kantoor Tilburg; het Rijkstextielbureau werd Kantoor Arnhem; de Sectie Confectie van het Rijksbureau voor Wol en Lompen en het Rijkstextielbureau werd de Sectie Confectie te Amsterdam; het Rijksbureau Distex werd de Sectie Distex te 's-Gravenhage; de Centrale Textiel Inspectie te Amsterdam. De volgende distributiegoederen behoorden tot het Rijksbureau voor Textiel: alle dierlijke, plantaardige en kunstmatige vezels, cellulose, bestemd voor de kunstzijde-industrie, spinpapier en bewerkt bolraap of vlasbaard, alsmede alle hieruit vervaardigde garens; alle goederen, welke geheel of gedeeltelijk uit de onder a bedoelde vezels en garens waren vervaardigd, m.u.v. verbandmiddelen in de zin van de Verbandmiddelenbeschikking 1939 nr 1; vervangingsmiddelen van kapok; afvallen in de vorm van vezels of garens; lompen, m.u.v. gewassen poetslappen. De volgende regeling inzake de ressorten van de genoemde kantoren van het Rijksbureau voor Textiel werd overeengekomen: Kantoor Arnhem: katoen, katoenen garens, cellulose, celvezels, celvezelgarens, kunstzijde, vlas, linnen garens, jute, jutegarens, papier, effilochées, plantaardige vezels, garens van plantaardige vezels, menggarens, weefsels, jutedoek, jutezakken, andere produkten dan weefsels, kapok, lompen. Kantoor Tilburg: alle dierlijke vezels, kunstwol, melkwol, garens en afvallen. Sectie Confectie: weefsels, naai-, rijg-, en borduurgarens. Sectie Distex: alle voor de consumptie gereedgekomen produkten, welke onder de drie bovengenoemde kantoren ressorteerden, alsmede andere voor de consumptie ter beschikking komende textielprodukten. De volgende Beschikkingen werden bij de Textielbeschikking 1944 ingetrokken: Textielproduktenbeschikking 1940 II Textielbeschikking 1939 nr 1 Katoenbeschikking 1939 nr 2 Jutebeschikking 1939 nr 2 Kunstzijdebeschikking 1939 nr 1 Kapokbeschikking 1939 nr 1 Linnenbeschikking 1939 nr 1 Beschikking van de Secretaris Generaal van 23 januari 1941 in zake de distributie van plantaardige vezels Plantaardige Vezel-Beschikking 1940 nr 1 Wol- en Lompenbeschikking 1939 nr 1 Wolbeschikking 1939 nr 2 Lompenbeschikking 1939 nr 1 De Textielbeschikking werd gewijzigd bij de volgende Beschikkingen: Ministeriële Beschikking van 13 maart 1946, no. 18510 HV/PD Ministeriële Beschikking van 29 maart 1946, no. 4952 J.Z. Ministeriële Beschikking van 21 augustus 1946, no. 58471 HV/PD Ministeriële Beschikking van 7 november 1946, no. 80843 HV/PD Ministeriële Beschikking van 24 oktober 1947, no. 60770 Bovendien werd de volgende Beschikking van kracht: Beschikking heffing bijdragen Rijksbureau voor Textiel 1946 van 4 oktober 1946, no. 71361 A.P. Distexvergunning: Dit was een regeling, die door de Sectie Distex werd getroffen, voor de teruggave van de vergunning aan teruggekeerde Joden (de textielindustrie was voor de oorlog voor een groot deel in handen van Joden geweest), om handel te drijven in textielartikelen. Begin 1950 werden de Rijksbureaus gehergroepeerd, i.v.m. een doelmatiger werkwijze. Per 30 januari werd de Sectie Confectie van het Rijksbureau voor Textiel overgebracht naar het adres van de Sectie Distex in Scheveningen. De werkzaamheden werden echter onder dezelfde directies voortgezet. Op 1 april 1950 werd het Kantoor Tilburg van het Rijksbureau voor Textiel opgeheven. In plaats daarvan werd een 'Sectie Wolindustrie' ingericht bij de andere Secties in Scheveningen. Op 1 december 1950 werd het Rijksbureau voor Textiel, voor zover dat gevestigd was in Scheveningen, opgeheven, te weten het secretariaat en directie van de Sectie Distex, de Sectie Confectie en de Sectie Wolindustrie. De resterende beleidswerkzaamheden gingen over naar het Ministerie van Economische Zaken. De werkzaamheden, die verband hielden met de afgifte van invoervergunningen, gingen over naar het Centraal Rijksbureau. Het Rijksbureau voor Textiel te Arnhem werd tenslotte per 31 maart 1955 opgeheven. Tijdelijk Rijksbureau voor Textiel Als gevolg van oorlogshandelingen werd de textielsector eind 1944 afgesneden van centrale bestuursorganen in het noorden en kwam het zuiden onder het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid te staan. Zo werd het Tijdelijk Rijksbureau voor Textiel opgericht, waarbij in Tilburg een afdeling Industrie en in Eindhoven een afdeling Handel werd gevormd. Het Bureau stond onder leiding van een tijdelijke directeur, die totdat de rest van Nederland bevrijd was, dezelfde volmachten had. De werkzaamheden van het Tijdelijk Bureau waren door de aard van de beschikking identiek aan die van het Rijksbureau voor Textiel. Toen na mei 1945 het gehele Nederlandse grondgebied bevrijd was, werden de bevoegdheden weer ingetrokken d.m.v. een verordening in het Publicatieblad van het Militair Gezag.
Inleiding De collectie krijgsgevangenen bevat archiefjes, archiefdelen en archiefbescheiden inzake de krijgsgevangenschap van Nederlandse militairen, meest officieren, in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog, hun repatriatie en de eerste opvang in Nederland. In de collectie zijn veel archiefvormers te onderkennen. Geschiedenis van enkele archiefvormers welke voorkomen in de collectie krijgsgevangenen Algemeen Op 11 mei 1942 werd in de avondkranten geannonceerd dat (aspirant-) beroepsofficieren die in mei 1940 in actieve dienst waren geweest zich de 15e daaropvolgend moesten melden bij kazernes in Assen, Ede, Bussum, Roermond dan wel Breda. Nagenoeg alle betrokkenen voldeden aan deze oproep. Uitgezonderd enkele categorieën - leden van de NSB of WA, kaderleden van de Nederlandse Arbeidsdienst - werden allen, in totaal 2727 militairen, in krijgsgevangenschap afgevoerd. Dit gebeurde op directe order van Hitler, omdat Nederlandse beroepsofficieren in OD-verband in het verzet actief waren geweest. Deze groep beroepsmilitairen werd als krijgsgevangenen afgevoerd naar Stanislau. Aangevuld met 140 reserveofficieren -deze waren in Nederland ondergedoken maar ontdekt -werd de aldus uitgebreide groep in januari 1944 overgebracht naar Neubrandenburg. Mei 1944 werden 350 personen overgeplaatst naar Tittmoning. In januari 1945 werden in Neubrandenburg nog eens 500 reserveofficieren vanuit de buurt van Lissa overgeplaatst naar Neubrandenburg. Het kamp bij Neubrandenburg werd op 28 april 1945 door Russische troepen bevrijd. PWX Branch SHAEF Op 28 september 1944 verplaatste lt-kol E.M.A. Suylen zijn bureau, dat bovengenoemde naam droeg, naar het vasteland. Zijn opvolger, de reserve-kolonel der infanterie J.A.G. van Andel, nam op 20 maart 1945 zijn taak over als hoofdverbindingsofficier bij G 1 Division bij PWX Branch SHAEF Main. Hij werd belast met de repatriëring van Nederlandse krijgsgevangen militairen in Duitse handen, voor zover zij zich bevonden in gebieden ressorterend onder SHAEF. Hij was toegevoegd aan SHAEF en verplicht bevelen en aanwijzingen te volgen welke hem door of vanwege de opperbevelhebber van de geallieerde expeditionaire macht werden gegeven. De hoofdverbindingsofficier was verplicht alles te doen hetwelk het belang en het welvaren van de Nederlandse krijgsgevangen in welk opzicht ook kon bevorderen. Zijn taak strekte zich speciaal uit over hun verzorging in de krijgsgevangenkampen, hun spoedige evacuatie naar het vaderland, eventuele plaatsing in transitkampen, voorziening met voedsel, kleding, rookgerei, versnaperingen, lectuur, hygiënische verzorging, kortom alles wat hun geestelijk en lichamelijk welzijn betrof in de ruimste zin. Behoudens zijn verantwoordelijkheid aan de opperbevelhebber was de hoofdverbindingsofficier rechtstreeks verantwoordelijk aan de minister van Oorlog. Met ingang van 1 juni 1945 werd de hoofdverbindingsofficier onder bevel gesteld van de chef staf Militair Gezag en werd zijn instructie gewijzigd. (MB van 31 mei 1945, nr. 970 P). De Dutch Liaison Section PWX werd op 21 november 1945 geliquideerd. Nederlands Reception Center te Godinne, België Omstreeks 10 mei 1945 werd het Nederlands Reception Center (Nederlands Ontvangstcentrum Krijgsgevangenen) te Godinne geopend onder leiding van kampcommandant majoor J. de Kruijff. Daar ter plaatse had men de beschikking gekregen over enkele villa's, gelegen op de rechteroever van de Maas. Er was plaats voor 700 personen en vanuit Godinne werden de ex-krijgsgevangenen doorgevoerd naar Breda (officieren) dan wel Tilburg (onderofficieren en manschappen). Op 1 juli 1945 werd het Nederlands Ontvangstcentrum Krijgsgevangenen te Godinne op last van de Belgische regering gesloten. Het registratiebureau Nederlandse Krijgsgevangenen te Brussel werd met ingang van 15 augustus 1945 opgeheven. Centraal Indeelingsbureau Koninklijke Landmacht Het Centraal Indeelingsbureau Koninklijke Landmacht (voortaan: CIKL) werd ingesteld op 15 januari 1945 nadat de behoefte werd gevoeld de indeling van oorlogsvrijwilligers, vrijwilligers op de voet van gewoon soldaat, reserve- en dienstplichtigen en wederom in werkelijke dienst hersteld beroepspersoneel in bevrijd Nederland door een centrale instantie te doen regelen. Aldus speelde het instituut ook een rol bij de eerste opvang van terugkerende krijgsgevangenen. Tot hoofd van het CIKL werd generaal-majoor A.A. van Nijnatten benoemd. Hij stond rechtstreeks onder de bevelen van de minister van Oorlog. Voordat personeel (opnieuw) kon worden aangenomen moest de betrokkene een geneeskundig- en betrouwbaarheidsonderzoek ondergaan. Het CIKL werd opgeheven per 1 januari 1946 onder gelijktijdige instelling van het afwikkelingsbureau onder dezelfde naam. Dit bestond tot 1 maart 1946.
Geschiedenis van de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer In- en uitvoer voor de Tweede Wereldoorlog Op 8 november 1934 nam het Crisis-Uitvoer-Bureau (C.U.B.) de werkzaamheden van het Crisis In- en Uitvoer-Bureau met betrekking tot de uitvoer over. Deze werkzaamheden vonden plaats op basis van de Crisisuitvoerwet 1931. Bij de uitvoering van de Wet Internationaal Betalingsverkeer 1934 kreeg het C.U.B. in het kader van het "clearingverkeer" ( Clearing wil zeggen: het onderling verrekenen van vorderingen van en aan het buitenland. Dit verrekenen tussen de landen gebeurde per land centraal.) een belangrijke rol. Het C.U.B. berekende hoeveel geld in een bepaalde periode beschikbaar zou komen voor export naar het buitenland, de zgn. betalingscontingenten. Dit gold in het begin met name voor Duitsland dat moeite had aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Deze betalingscontingenten werden door het C.U.B. verdeeld over de verschillende exporteurs. Hiertoe gaf het vereffeningscertificaten af, eigenlijk vergunningen om te exporteren, op basis van aanwezige gelden voor betaling. De feitelijke verrekening, de clearing, werd in Nederland uitgevoerd door het Nederlands Clearing Instituut. De afgifte van de vereffeningscertificaten delegeerde het C.U.B. voor een aantal produkten aan belangenorganisaties of overheidsorganen die reeds bemoeienis met het produkt hadden zoals de instellingen voortvloeiende uit de Landbouwcrisiswet 1933, de zogenaamde "monopoliehouders". Op basis van de Landbouwcrisiswet 1933 en het Crisis-organisatiebesluit 1933 zijn in de loop der daarop volgende jaren tal van landbouw-crisisinstellingen opgericht zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Groente- en Fruitcentrale en de Nederlandse Visserij Centrale die de in- en export van bepaalde landbouwprodukten regelden. Al deze instellingen werden vaak "centrales" of "monopoliehouders" genoemd. In 1938 werden, tegen de achtergrond van de zich vergrotende tegenstellingen in de internationale verhoudingen, voor een aantal produkten uitvoerverboden ingesteld. Het C.U.B. moest de uitvoering hiervan regelen. In augustus 1939 tenslotte werden voor bijna alle produkten uitvoerverboden ingesteld. Het C.U.B. werd gemachtigd om namens de Minister dispensatie voor de uitvoerverboden te verlenen. Dat wil zeggen dat het C.U.B. zowel algemene als specifieke exportvergunningen kon afgeven. In april 1940 tenslotte werden alle losse uitvoerverboden ingetrokken en, nu vervat in één beschikking, opnieuw uitgevaardigd. In- en uitvoer in het bezette Nederland De vóór mei 1940 uitgevaardigde uitvoerverboden bleven ook tijdens de Duitse bezetting van kracht, en het C.U.B. bleef zijn activiteiten op gelijke voet voortzetten. Omdat steeds meer produkten, waarvoor een uitvoerverbod gold, onder de Distributiewet 1939 gingen vallen, werd voor de export ook een distributievergunning noodzakelijk. Vereffeningscertificaat, dispensatie en distributievergunning werden in februari 1941 samengevoegd tot één set formulieren: het "exportcertificaat". Gelijktijdig werd de afgifte van de exportcertificaten gedelegeerd aan de Rijksbureaus voor Handel en Nijverheid, die opgericht waren om de distributie van handelsgoederen en industriële grondstoffen te regelen en aan de monopoliehouders voor de landbouwprodukten. Tot het begin van de oorlog was importeren voor Nederland geen probleem. Na de Duitse inval moest men echter in Nederland zuinig worden met haar deviezen. Voor import moest vergunning gevraagd worden om gelden naar het buitenland te mogen storten. Deze vergunningen werden verleend door het Deviezen Instituut. Vanaf maart 1941 vroeg het Deviezeninstituut voor elke vergunningaanvraag advies van het C.U.B. Deze bemoeienis met de invoer van het C.U.B. was nooit officieel geregeld. De Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (C.D.I.U.) is opgericht op 12 augustus 1941. Tot directeur van de C.D.I.U. werd benoemd Ch. Truyen en tot plaatsvervangend directeur J.V. Wäckerlin. Zij bekleedden reeds dezelfde functies bij het C.U.B.. De C.D.I.U. nam de taken van het voormalige C.U.B. over en kreeg expliciet de opdracht, mee te werken aan de uitvoering van de wet van 3 augustus 1914, houdende verbod tot uit- en invoer van sommige artikelen en de Distributiewet 1939 en verder alle nog aan te wijzen wettelijke of andere maatregelen. Gelijktijdig met de oprichting van de C.D.I.U. werd een aantal besluiten ten aanzien van de uitvoer uit Nederland gewijzigd of nieuw uitgevaardigd. Hierin werden de werkzaamheden van de C.D.I.U. meer gespecificeerd. Verder werd de delegatie van de vergunningverlening aan de rijksbureaus voor handel en nijverheid beëindigd; de C.D.I.U. ging voortaan weer zelf de exportcertificaten uitgeven. Dit laatste gold echter niet voor de agrarische produkten die onder de monopoliehouders vielen. Op grond van het Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941 waren de Landbouwcentrales omgevormd in een bedrijfsorganisatie gelijk aan die in Duitsland. De gehele agrarische sector was ingedeeld in zogenaamde hoofd- en onderbedrijfschappen. De C.D.I.U. kon ook voorwaarden verbinden aan het verlenen van certificaten, ze mochten consentgelden heffen, inlichtingen eisen, onderzoek in de administratie en boekhouding van bedrijven uitvoeren en richtlijnen geven voor het voeren van de boekhouding. De uitvoer naar Duitsland werd in etappes gedurende de oorlog steeds meer vrij gemaakt, totdat deze eind 1942 helemaal vrij was. De steeds nijpender wordende grondstoffenvoorziening van de Nederlandse industrie was aanleiding voor de Duitsers om grondstoffen beschikbaar te stellen. De verdeling van deze invoer werd door middel van grondstofcertificaten door de C.D.I.U. geregeld. Ook bij de overige invoer had de C.D.I.U. een rol; zij moest voor de invoer stortingsvergunningen verlenen waarna het Deviezeninstituut tot betaling kon overgaan. De C.D.I.U. was het administratief uitvoerend orgaan bij de verdeling van de invoercontingenten. Na 24 juni 1943 gold er een nieuwe invoer procedure. De C.D.I.U. verdeelde de contingenten over de gedelegeerden. Dezen verdeelden op hun beurt de importquota verder over de importeurs en gaven zelfstandig de betalingsvergunningen af. Verlenging van deze vergunningen werd gemeld aan de C.D.I.U.. Na overleg met de gedelegeerden kon de C.D.I.U. de invoercontingenten verhogen. De gedelegeerden waren de rijksbureaus voor handel en nijverheid wat betreft de industriële goederen en de monopoliehouders voor wat betreft de agrarische produkten. Voor importgoederen waarvoor geen contingenten waren vastgesteld moesten de gedelegeerden overleg plegen met de C.D.I.U.. Deze kon dan voor betalingsvergunningen bemiddelen bij het Clearinginstituut en het Deviezeninstituut. In- en uitvoer in bevrijd Nederland Na de bevrijding van Zuid-Nederland in 1944 werden voor de in- en export direct maatregelen getroffen; alleen met vergunning van het militair gezag mochten goederen in- of uitgevoerd werden. Deze bevoegdheid werd per 29 december 1944 gedelegeerd aan het in november 1944 opgerichte "College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid voor het Bevrijde Nederland". Deze had daartoe in Tilburg een afdeling C.D.I.U. opgericht die de vergunningverlening uitvoerde. In bepaalde gebieden die in die tijd moeizaam te bereiken waren, werden door de Afdeling C.D.I.U. gedelegeerden benoemd die namens deze dienst tot een bepaald maximum bedrag vergunningen konden verlenen. Deze gedelegeerden zijn benoemd in Zeeuws-Vlaanderen en Maastricht. De werkzaamheden van de Afdeling C.D.I.U. hadden voornamelijk betrekking op de in- en uitvoer uit en naar België en Frankrijk. In juni 1945 werd de Afdeling C.D.I.U. van het College van Algemene Commissarissen te Tilburg een onderdeel van de C.D.I.U. in Den Haag. De Afdeling C.D.I.U. werd hiermee een bijkantoor te Tilburg. Per 15 september is uiteindelijk ook dit bijkantoor te Tilburg opgeheven en werden de laatste zaken afgewikkeld. Vanaf september 1945 ging de C.D.I.U. voor De Nederlandse Bank (D.N.B.) deviezenvergunningen afgeven. Bijna de gehele afgifte van vergunningen werd in deze tijd gedaan door de gedelegeerden van de C.D.I.U. Dit waren, net als in de oorlog, de rijksbureaus voor handel en nijverheid en de monopoliehouders voor de agrarische produkten en daarnaast nog enkele particuliere organisaties. De taken van de C.D.I.U. lagen in die tijd voornamelijk op het gebied van de verdeling van de contingenten, het voorstellen van begrotingen voor in- en uitvoer, de controle van de gedelegeerden, het geven van overzichten van de gerealiseerde in- en uitvoer, bemiddelen bij reciprociteits- en compensatietransacties ("Compensatietransacties" zijn orders waarbij door twee landen goederen van gelijke waarden worden uitgewisseld. De importeur van de ene partij goederen betaald echter niet de leverancier in het buitenland maar de exporteur van de andere partij goederen in het eigen land. Dit geschiedt in beide landen."Reciprociteitstransacties" zijn transacties waarbij de evenwichtigheid in de wederzijdse betalingsbalansen van belang zijn. Betaling geschiedt gewoon door de importeur aan de exporterende leverancier. De exporteur kan echter pas over het geld beschikken als de betaling voor een tegengestelde transactie geëffectueerd is.) en het uitvoeren van handelsakkoorden. Ook de administratie van de regeringsaankopen vergde veel werk. Vanaf 1946 ging de C.D.I.U. voor de D.N.B. de deviezencontrole uitvoeren. Dat wil zeggen dat per transactie de betaling vergeleken werd met de geleverde goederen. De omvang van de administratie van de C.D.I.U. nam intussen grote vormen aan. Met name toen Nederland ging deelnemen aan het Europese Herstel Programma ook wel European Recovery Program of "Marshallplan" genoemd. Dit vergde een uitgebreide en nauwgezette administratie om aan de eisen te voldoen die de Economic Cooperation Administration (E.C.A.) stelde voor het verlenen van de hulp. Ook het opheffen van de rijksbureaus bracht extra werk met zich mee, omdat de vergunningverlening weer steeds meer door de C.D.I.U. zelf werd uitgevoerd. Ook van het Centraal Rijksbureau kwamen tussen 1950 en 1953 de taken op het gebied van in- en uitvoer naar de C.D.I.U. Vanaf 1949 werden de problemen door de enorme hoeveelheid administratie zo groot dat besloten werd tot een reorganisatie. Deze werd uiteindelijk afgerond in 1952. Winst werd met name gevonden in vereenvoudigde procedures voor het verlenen van in- en uitvoervergunningen. Dit kon goed tegen de achtergrond van de toenemende liberalisatie van het handelsverkeer. In 1952 werd de in- en uitvoer verder vergemakkelijkt omdat de in- en uitvoer onder een bepaald bedrag alleen nog maar aangemeld hoefde te worden en de aanmeldingsformulieren door stempeling een vergunning werden. De administratie nam echter nog steeds toe, voornamelijk als gevolg van de toename van de handel. De toenemende spanning tussen Oost en West kreeg ook haar weerslag op de internationale handel. In Parijs werden in overleg tussen de westerse landen lijsten van strategische goederen samengesteld waarvan de export naar de U.S.S.R., Oost-Europa, China en Noord-Korea werd verboden of beperkt. Op 21 februari 1950 kreeg de C.D.I.U. van de B.E.B. een instructie om handel met betrekking tot deze strategische goederen te controleren en een deel van deze handel aan de B.E.B. te melden. In 1955 verkreeg de C.D.I.U. ook officieel de controle op de doorvoer en uitvoer van strategische goederen als taak. In 1953 werd de markt voor kolen en staal, in het kader van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, geopend waardoor deze produkten onder een afzonderlijke controle kwamen te vallen om te voorkomen dat de uitvoering van dit verdrag gefrustreerd zou worden door doorvoer van niet E.G.K.S.-staal door Nederland onder de noemer van de E.G.K.S. Eind 1953 nam de deviezencontrole voor de D.N.B. in omvang af, omdat controle op kleine transacties achterwege kon blijven. Ook werden door het Directoraat-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken (B.E.B.) vele vormen van verslaglegging, uit te voeren door de C.D.I.U. afgeschaft. Vóór de vereenvoudiging van de verslaglegging maakte de C.D.I.U. 21 verschillende maandelijkse overzichten op het gebied van in- en uitvoer en daarnaast nog 16 verschillende incidentele overzichten. In de loop van de jaren vijftig namen de taken van de C.D.I.U. steeds verder af, de C.D.I.U. werd echter niet opgeheven. Ook tegenwoordig bestaat de C.D.I.U. nog steeds. Externe contacten De C.D.I.U. was in de jaren veertig en vijftig een administratief uitvoerend orgaan. Het directoraat-generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken bepaalde na de oorlog het beleid voor de C.D.I.U. De B.E.B. is daardoor een belangrijke correspondent voor de C.D.I.U.. Ook met andere afdelingen van het Ministerie van Economische Zaken had de C.D.I.U. contact, met name met directoraat-generaal voor Handel en Nijverheid. Omdat de C.D.I.U. ook taken voor De Nederlandse Bank uitvoerde is ook deze een belangrijk correspondent. Uiteindelijk, omdat het C.D.I.U. een groot deel van de vergunningverlening had gedelegeerd, zijn deze gedelegeerden belangrijke correspondenten. Gedelegeerden waren de rijksbureaus voor handel en nijverheid, de bedrijfs- en vakgroepen op het gebied van de diverse industriële takken, zoals bijvoorbeeld de Vakgroep Kartonnage-industrie of de Vakgroep Borstelindustrie alsook de monopoliehouders voor agrarische produkten, nl. de diverse bedrijfschappen op agrarisch gebied zoals bijvoorbeeld het Bedrijfsschap voor Margarine, Vetten en Oliën of het Bedrijfsschap voor Vee en Vlees. Tenslotte waren enkele particuliere organisaties zoals het Boeken Import Bureau en de Nederlandse Bioscoop Bond als gedelegeerde aangewezen. Zeer omvangrijk was ook de correspondentie met de uiteindelijke belanghebbenden van de vergunningverlening, nl. de bedrijven die importeerden of exporteerden. Taakoverzicht Op basis van twee overgeleverde jaarverslagen van de C.D.I.U. zijn voor twee jaren de taken op een rijtje gezet. Deze taakoverzichten markeren het begin en het einde van de periode waaruit de bulk van het bewaard gebleven C.D.I.U.-archief afkomstig is. De taakuitvoering van de C.D.I.U. is in de loop der tijd gebaseerd geweest op tal van wetten en regelingen, zowel algemene als specifieke. Een overzicht van deze wet- en regelgeving is te vinden in bijlage 1. Taken uitgevoerd door de C.D.I.U. zoals beschreven in het jaarverslag over 1948: Voorbereidende werkzaamheden. begrotingen handelsverkeer met diverse landen; dit wil zeggen dat de C.D.I.U. een inschatting maakte van de te besteden gelden voor in- en uitvoer naar diverse landen. opstellen 1,3 miljard écart-programma en fiscal-year-programma 1948/1949; dit wil zeggen dat de C.D.I.U. een programma opstelde voor de besteding van de economische hulp die Nederland kreeg in het kader van het internationale "1,3 miljard écart-programma" Tenuitvoerlegging van handelsovereenkomsten direct na de oorlog zijn er verschillende handelsovereenkomsten gesloten met diverse Europese landen om de onderlinge handel te bevorderen, de praktische uitwerking daarvan werd een taak van de C.D.I.U. Maken van overzichten van de realisatie der contingenten aan de hand van de begrotingen voor het handelsverkeer werden handelscontingenten samengesteld die door de gedelegeerden over de diverse importeurs en exporteurs werden verdeeld. Aan de hand van de verstrekte vergunningen en de deviezencontrole werd bekeken of de toegewezen handel ook werkelijk werd gerealiseerd. De conclusies daarvan werden samengevat in zogenaamde realisatiestaten. Maken van procedures voor in- en uitvoer, met name een vereenvoudigde uitvoerprocedure de vergunning verlening bracht een enorme hoeveelheid administratief werk met zich mee. Vereenvoudiging van de procedures heeft de administratie verminderd en de export en import vergemakkelijkt. Handelsverkeer begeleiden, vergunningverlening, reciprociteits- en compensatietransacties, transitohandel de vaak gecompliceerde handelstransacties vergde een centraal coördinerend punt, de C.D.I.U. was dat punt. Deviezencontrole, ontwikkelen techniek voorwaarden betalingsverkeer op vergunningen de C.D.I.U. voerde namens de Nederlandse Bank controle uit op het internationale betalingsverkeer welke een component was van het handelsverkeer. Hierdoor was vergelijking tussen handel en betaling mogelijk. Controle van de contingentenadministratie van gedelegeerden de C.D.I.U. controleerde niet d.m.v. een contra-administratie maar besteedde de controle bij de gedelegeerden uit aan de accountantsdienst. Marshall-werkzaamheden, deze vergen een zeer uitgebreide en nauwgezette administratie om te kunnen voldoen aan de Economic Cooperation Administration (E.C.A.) normen geld dat ter beschikking komt in het kader van het internationale hulpprogramma werd op basis van opgaven van de C.D.I.U. verdeeld. De besteding moet nauwgezet gedocumenteerd en gecontroleerd worden om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die E.C.A. worden gesteld. Taken uitgevoerd door de C.D.I.U. zoals beschreven in het jaarverslag over 1953. Uitvoering van handelspolitieke richtlijnen, vermindering invoercontingenten door steeds verdergaande liberalisatie van het handelsverkeer. Overname vergunningverlening van het centraal rijksbureau dat voor sommige produkten een adviesfunctie bleef behouden. in 1950 waren al de uitvoervergunningen overgenomen door de C.D.I.U., begin 1953 werd de verlening van invoervergunningen overgenomen van het Centraal Rijksbureau. Delegatie van de vergunningverlening voor handelsgoederen aan de rijksbureaus werd bij de opheffing van de rijksbureaus ingetrokken. Groot aantal vergunningen wordt sinds 1952 verleend volgens de aanmeldprocedure (monopolieprodukten vallen buiten deze versoepeling, deze zijn nog geheel aan de vergunningprocedures van de gedelegeerden onderworpen). vereenvoudiging van de procedures voor vergunningverlening voor in- en uitvoer onder een bepaalde waarde heeft de administratie van deze vergunningverlening vergemakkelijkt. Door stempeling van door de importeurs en exporteurs ingevulde formulieren worden deze omgezet in een vergunning. Controle op strategische goederen. C.D.I.U. geeft geleidebrieven voor het vervoer van strategische goederen naar Noord-Korea en China. in verband met de spanningen tussen de westerse wereld en de communistische is de handel in een aantal goederen sterk beperkt en aan controle onderhevig. Nederland ziet met ingang van het "Fiscal-Year 1952/53" af van verder economische steunverlening door de USA. afdeling E.R.P. wordt geliquideerd per 1-1-1954. Slechts een klein afwikkelingsbureau voor oude contracten blijft over. Deviezencontrole, vergt veel werk maar zal vereenvoudigd worden in 1954. Verslaglegging en statistiek, o.a. gedetailleerde realisatiestaten. Nauwe samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek. door het inzicht dat de C.D.I.U. in de totale in- en uitvoer had, moest zij vele statistische overzichten maken. Vastleggen instructies en procedures, interne controle Een aantal speciale taken tussen 1945 en 1949 buiten de normale taken waren voor het C.D.I.U.: liquidatie van de Netherlands Office for Relief and Rehabilitation (N.O.R.R.), ook wel Administratie voor Relief and Rehabilitation (A.R.R.), genoemd te Londen en daarmee ook van Office Commercial Neérlandais (O.C.N.) te Parijs dat al snel na haar oprichting een onderdeel van de N.O.R.R. was geworden en dat in 1947 werd opgeheven. Of dezelfde constructie ook gegolden heeft voor de liquidatie door de C.D.I.U. van de administratie van het Warenbureau Brussel, de Inköpscentralen för Nederländska Regeringen in Stockholm en de administratie van het Interbankkrediet en het Canadees krediet is niet duidelijk. Samenvatting Samenvattend kan gezegd worden dat de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer tussen de jaren 1945 en 1955 een zeer grote administratieve organisatie is geweest die haar bestaan vond in: (controle op) de uitgifte en administratie van in- en uitvoer vergunningen; de deviezencontrole; controle op de realisatie van in- en uitvoer waarvoor vergunning verleend is; bemiddelen bij handelstransacties; rapportage betreffende de in- en uitvoer; werkzaamheden voortvloeiende uit het internationale handelsverdragen en economische herstel programma's; controle op de in-, uit- en doorvoer van strategische goederen. Om de grootte van de C.D.I.U. en haar administratie te onderstrepen zijn een aantal gegevens betreffende de omvang van het personeel en de omvang van de hoeveelheid stukken over een aantal jaren weergegeven in bijlage 2. Hieruit is af te lezen dat personeelsbezetting het grootst is geweest in 1949 toen 1028 personen bij de C.D.I.U. werkzaam waren. De grootste hoeveelheid eigen vergunningen werden afgegeven in 1951 toen de meeste gedelegeerden op dit gebied van het toneel verdwenen waren, te weten 1.445.000 stuks. De grootste stroom documenten, 9.250.000 stuks werd echter in 1954 verwerkt. Door de sterk vereenvoudigde in- en uitvoerprocedures en de automatisering van de verwerking van routine-stukken door middel van ponskaartensystemen kon deze stroom echter verwerkt worden met beduidend minder mensen. Wet- en regelgeving op basis waarvan de in- en uitvoer is geregeld - voor-oorlogs Nederland Algemene wet van 26 augustus 1822, over de heffing der regten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnsen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen, Stb. nr 38. * Over de heffing van rechten op de in- en uitvoer en van accijnzen als mede van het tonnegeld der zeeschepen. Wet van 3 augustus 1914, houdende verbod tot in uit- en vervoer van sommige artikelen, Stb. nr 344. * Wet biedt de mogelijkheid, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, de uitvoer en vervoer van bepaalde goederen te verbieden. Laatstelijk gewijzigd bij wet van 9 oktober 1935 Stb. nr 599 Wet van 23 december 1931, houdende toekenning van de bevoegdheid tot het tijdelijk treffen van maatregelen ter beperking van de invoer van goederen (Crisisinvoerwet 1931), Stb. nr 535. * Biedt de mogelijkheid de import van bepaalde goederen voor een bepaalde duur te verbieden. Wet van 24 december 1931, houdende toekenning van de bevoegdheid tot het tijdelijk treffen van maatregelen tot regeling van de uitvoer van bepaalde goederen (Crisisuitvoerwet 1931), Stb. nr 553. * Minister kan regels aan de uitvoer verbinden voor goederen waarvan de invoer door andere landen gelimiteerd is. Kosten hiervoor kunnen door de overheid in rekening worden gebracht. Wet van 5 augustus 1933, tot verlening van enkele retorsiebevoegdheden (Retorsiewet 1933), Stb. nr 417. * Invoer van goederen uit landen die handelsbelemmeringen opwerpen of hoge tarieven rekenen kan verboden worden of aan een vergunningenstelsel worden onderworpen. Wet van 14 november 1934, houdende nieuwe regelen tot afweer van nadelige gevolgen van beperkende bepalingen inzake het internationale betalingsverkeer (Wet Internationaal betalingsverkeer 1934), Stb. nr 583. * Regelt in- en uitvoer van betalingsmiddelen. Wet van 9 oktober 1935, bepalende het voorbehoud der bevoegdheid tot het uitvaardigen van uitvoerverboden ter bevordering van de internationale samenwerking in het belang van de vrede of ter bescherming van de levensbelangen van het Rijk in tijden van buitengewone internationale spanning (Uitvoerverbodenwet 1935), Stb. nr 599. * Mogelijkheid om in het kader van internationale samenwerking de uitvoer naar bepaalde landen te verbieden om vijandelijkheden te voorkomen of te beëindigen. Voor deze verboden kan dispensatie worden verleend. Wet van 24 juni 1939, houdende regelen ten einde in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden een doelmatige distributie van goederen in het belang van de volkshuisvesting, landsverdediging en veiligheid van niet-militaire personen of lichamen mogelijk te maken, (Distributiewet 1939), Stb. nr 633. * artikel 5: De minister van E.Z. kan bepalen dat distributiegoederen niet mogen worden gekocht, verkocht, te koop worden aangeboden, afgeleverd, voorhanden of in voorraad gehouden dan met inachtneming van de door hem vast gestelde distributie maatregelen. Hij kan bepalen dat deze handelingen niet mogen worden geschieden dan met een schriftelijke door of namens hem verleende vergunning. Aan de vergunningverlening kunnen voorwaarden worden verbonden. Wet van 9 september 1939, houdende regelen met betrekking tot de invoer van goederen in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden (Invoernoodwet 1939), Stb. nr 639R. * Invoer kan worden verboden, vergunning om toch in te voeren kan door de minister van E.Z. of een door hem aangewezen lichaam worden verleend. Koninklijk besluit van 28 augustus 1939, tot instelling van een invoermonopolie voor alle landbouw-crisisprodukten, onverminderd een voor sommige dezer produkten reeds bestaand invoermonopolie (Crisis-Landbouwinvoermonopoliebesluit 1939), Stb. nr 679K. * Invoer van crisisprodukten is slechts toegestaan aan een door de minister van E.Z. aan te wijzen crisis-organisatie als monopoliehoudster. Koninklijk besluit van 28 augustus 1939, tot instelling van een uitvoermonopolie voor alle landbouw-crisisprodukten, onverminderd een voor sommige dezer produkten reeds bestaand uitvoermonopolie, (Crisis-Landbouwuitvoermonopoliebesluit 1939), Stb. 679L. * Uitvoer van crisisprodukten is slechts toegestaan aan een door de minister van E.Z. aan te wijzen crisis-organisatie als monopoliehoudster. Koninklijke besluiten van 3 april 1940 nr 5 en 6 Stcrt 5/6 april 1940 nr 67. * Aanwijzen van voedingsmiddelen en goederen tot artikelen waarvan de invoer c.q. uitvoer verboden is, conform de Invoernoodwet 1939 resp. de Uitvoerverbodenwet 1914. Ministeriële beschikking van 5 april 1940 no. 18998 HA, Directie van Handel en Nijverheid Stcrt 5/6 april 1940 nr 67. * Algemene Nederlandsche Invoer Centrale (ingesteld bij ministeriële beschikking van 12 oktober 1939 no. 51892 N, Directie van Handel en Nijverheid Stcrt 12 oktober 1939 nr 200) wordt krachtens de Invoernoodwet aangewezen als vergunning verlenende instantie inzake de invoer. - bezet Nederland Deviezenbesluit 1941, Verordeningenblad 1941 stuk 13, (Besluit 26 maart 1941). * Regelt het betalingsverkeer met het buitenland, geen betaling zonder vergunning. Betaling geschiedt door het Deviezeninstituut of het Nederlands Clearinginstituut voor zover het invoer uit clearinglanden betreft. Documentenbesluit 1941, Stcrt 12 november 1941 nr 221 * Geeft aan welke documenten moeten worden overlegd bij de douane bij in- of uitvoer. Het gaat om vergunningen van het Deviezeninstituut of het Nederlands Clearinginstituut. Artikel 4 van het besluit regelt dat in nog te bepalen gevallen de vergunningen achterwege kunnen blijven of worden vervangen door andere documenten. Besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart van 31 juli 1941 nr 37999D Directie H&N, Stcrt 31 juli 1941 nr 147. * Oprichting van de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer en overname door deze van de taken van het Crisis Uitvoer Bureau. Besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visserij van 31 juli 1941 nr 34667D Directie H&N, Stcrt 31 juli 1941 nr 147. * Wijziging van het KB 3 april 1940 nr 6. Uitvoer van goederen die niet op de lijst staan, is verboden behalve de uitvoer van deze goederen naar Duitsland. De exportverboden gelden niet als er exportcertificaten van de C.D.I.U. of van een monopoliehoudster worden overgelegd. Aan de vergunningen kunnen voorwaarden worden verbonden. Er kunnen kosten voor berekend worden. Er kunnen regels gesteld worden t.a.v. het verstrekken van inlichtingen en opgaven, boekhoudkundig en ander onderzoek bij de bedrijven, het voeren van de bedrijfsadministratie, het stellen van persoonlijke of zakelijke zekerheden als waarborg voor een goede uitvoer van bij of krachtens het besluit gegeven voorschriften, aanwijzingen en voorwaarden. Besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visserij van 31 juli 1941 nr 39388D Directie H&N, Stcrt 31 juli 1941 nr 147. * Taakaanwijzing van de C.D.I.U.: Alle vergunningen voor uitvoer van produkten vallend onder de Distributiewet 1939 of de Wet van 3 augustus 1914 Stb. 344 worden verstrekt door de C.D.I.U.. De C.D.I.U. kan ook de uitvoer van goederen verplichten. Modellen van vergunningen worden door de C.D.I.U. vastgesteld. Voor het verlenen van vergunningen kan door de C.D.I.U. consentgelden worden geïnd. Dit geldt niet voor goederen volgens het Monopoliebesluit Voedselvoorziening. Besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Financiën betreffende het verlenen van vergunningen tot betaling van goedereninvoer, (zonder nummer en datum) Stcrt 23 juni 1943 nr 119. * Vergunningen voor invoer of betaling daarvan conform art. 14, 17, 18, 19, 32, 33, 39, 40 t/m 43, 50, 53 van het Deviezenbesluit 1941 wordt verleend vanwege de S.G. van H., N. & S. De afgifte van de vergunningen wordt door de C.D.I.U. opgedragen aan aan te wijzen instanties. C.D.I.U. stelt richtlijnen en voorschriften hiervoor vast. Praktische uitwerking: invoervergunningen voor gecontingenteerde goederen naar de gedelegeerden c.q de rijksbureaus en monopoliehoudsters. - bevrijd en na-oorlogs Nederland Koninklijk besluit van 4 september 1944, houdende vaststelling van het Besluit Regeling In- en Uitvoer 1944, Stb. E80. * Biedt de mogelijkheid om in afwijking van de geldende wetten de in- en uitvoer van goederen te verbieden, of aan voorwaarden te verbinden, in het belang van de veiligheid of het herstel van de volkshuishouding. Besluit in-, uit- en doorvoerverbod, Publicatieblad van het Militair Gezag nr 1 beschikking 11 * alle in-, uit- en doorvoer van goederen mag s;echts geschieden met vergunning verleend vanwege het Militair Gezag, tenzij bestemd voor Nederlandse of geallieerde overheidsinstellingen of de U.N.R.R.A. (ingetrokken 7 juni 1945 P.M.G. nr 33 besluit 124). Beschikking van de minister van Handel, Nijverheid en Landbouw van 4 juni 1945 nr 2041JZ Directie van Handel en Nijverheid (In- en Uitvoerverbodenbeschikking 1945), Stcrt 8 juni 1945 nr 7. * het is verboden goederen in of uit te voeren zonder vergunning van de C.D.I.U. tenzij door of namens de overheid ten behoeve van Nederlandse of geallieerde strijdkrachten of de U.N.R.R.A. (minimale wijziging 30 oktober 1945 Stcrt 1945 nr 100). Koninklijk besluit van 10 oktober 1945, houdende vaststelling van het Deviezenbesluit 1945, Stb. F222 * Regeling van het internationaal betalingsverkeer. De Nederlandse Bank krijgt de taken die in de Tweede Wereldoorlog door het Deviezeninstituut en het Nederlands Clearinginstituut werd uitgevoerd. Zij geeft indien nodig vergunningen. Dat lijkt gezien deze wet nodig voor elke beweging van geld of geldswaarde van of naar het buitenland. Delegatie van uitvoering aan derden is mogelijk op grond van artikel 1 lid 3. Beschikking van de minister van Handel en Nijverheid van 25 september 1945 nr 14336 H.V. Herstel en Voorziening, Stcrt 26 september 1945 nr 76. * Instelling verificatiecommissie aankopen in het Buitenland (V.A.B.). Deze moet begrotingen vaststellen voor aankopen van goederen in het buitenland binnen het kader van de hiervoor beschikbaar gestelde deviezen. De C.D.I.U. bereid de werkzaamheden van de V.A.B. voor en voert haar beslissingen uit. De C.D.I.U. treedt op als centraal orgaan waarlangs alle opdrachten voor de aankoop van goederen in het buitenland aan de aldaar gevestigde Nederlandse regeringsorganen worden geleid. Koninklijk besluit van 11 december 1954, houdende verbod van uitvoer van sommige goederen naar enige landen en gebieden op grond van de Uitvoerverbodenwet 1935, Stb. 542. * Maakt verbod van uitvoer, van bepaalde goederen naar een aantal met name genoemde communistische landen mogelijk. Personeelssterkte en omzet van stukken bij de C.D.I.U. In 1949 zijn er in totaal ruim 2500 mensen werkzaam bij de C.D.I.U. en bij de in- en uitvoer afdelingen van de rijksbureaus. In 1957 zijn alle rijksbureaus opgeheven en zijn bij de C.D.I.U. minder dan 500 mensen werkzaam.
Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen ons land binnen. Na de hierop volgende gevechten, die slechts 5 dagen duurden, moest het Nederlandse leger capituleren en als gevolg hiervan werd ons land bezet. Naar aanleiding hiervan werden aan de Departementen van Algemeen Bestuur instructies en aanwijzingen voor de Nederlandse bevolking gegeven over de wijze waarop men zich in de nieuwe situatie moest schikken (zie inventarisnummer 1). De Nederlandse Regering had evenals de leden van het Koninklijk Huis nog bijtijds weten uit te wijken naar Londen, zodat alle ministers uit ons land weg waren. Alle werkzaamheden van de vertegenwoordigende lichamen, zoals de beide Kamers van de Staten-Generaal, de Provinciale Staten en de Gemeenteraden werden opgeschort. Aan het hoofd van elk Departement kwam een secretaris-generaal te staan. De Departementen van Defensie en van Buitenlandse Zaken werden echter ontbonden (1942). Bij het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen werd de functie van secretaris-generaal waargenomen door mr. H.J. Reinink tot 26 november 1940, toen bij verordening nr.211 van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied in plaats van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de Departementen van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming van Volksvoorlichting en Kunsten werden ingesteld. Aan het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, dat praktisch een voortzetting van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen was, werd prof.dr. J. van Dam als secretaris-generaal benoemd. In 1943 moest dit Departement van Den Haag naar Apeldoorn verhuizen op last van de Duitse bezettingsautoriteiten in verband met de inrichting van de verdediging van het Nederlandse kustgebied tegen een eventuele invasie. In de tweede helft van april 1945 werd het Oosten van ons land bevrijd en het toen te Apeldoorn gevestigde Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming kreeg weer de naam van Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De afdeling Kabinet was voor de Duitse inval het Kabinet van de minister en was slechts bemand door één persoon namelijk de referendaris Lobatto, die tevens chef van de afdeling Algemeen Secretariaat was. Ze had als taak de behandeling van benoeming en ontslag van hoogleraren aan de universiteiten en hogescholen en van de ambtenaren van het rijksschooltoezicht, verder de behandeling van de koninklijke onderscheidingen. Gedurende de Duitse bezetting was de afdeling Kabinet het Kabinet van de secretaris-generaal. Koninklijke onderscheidingen werden in deze tijd uiteraard niet meer toegekend. De behandeling van de benoemingen van hoogleraren aan de universiteiten en hogescholen bleef aan het Kabinet voorbehouden. De stukken betreffende deze benoemingen zijn ondergebracht in de serie persoonsdossiers van het Rijkspersoneel van de geboortejaren 1835 - 1903. Deze serie persoonsdossiers werden in maart 1981 aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen. Gedurende de bezetting bestond de afdeling Kabinet uit drie personen namelijk de chef (deze functie werd in de praktijk vervuld door een waarnemend chef), de adjunct-commies (vanaf 1943 commies) J. Steur, die belast was met het beheer van het archief en de bibliotheek van het Departement, en de adjunct-commies mej. mr. M.C.D.L. Laban, in hoofdzaak belast met de behandeling van zaken van algemene aard, zoals onderwijsfilm, jeugdzaken, lichamelijke opvoeding, voorbereidend onderwijs. Bij beschikking van de Secretaris-Generaal van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 21 november 1940, Kabinet nr.7 werd mr. W.H. Fockema Andreae belast met de waarneming van de functie van chef van de afdeling Kabinet. Deze werd als zodanig opgevolgd door prof.mr. A.L. de Block, hoogleraar aan de Katholieke Economische Hogeschool te Tilburg, bij beschikking van de secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming van 6 oktober 1941 Kabinet nr.1236. Bij beschikking van de secretaris-generaal van 1 juni 1942 Kabinet nr.2140 werd aan de afdeling Kabinet een bureau voor de Jeugdzaken toegevoegd, waarvan de leiding werd opgedragen aan E.W.J. Rosenberg, die tevens belast werd met de functie van sous-chef van de afdeling Kabinet en de afdeling Algemeen Secretariaat. Tot het takenpakket van de afdeling Kabinet behoorden volgens de Pyttersens Almanak 1942 de behandeling van geheime stukken, geheim archief, archief en bibliotheek van het Departement en volgens de Bestuursalmanak 1942/1943 bovendien de behandeling van jeugdzaken. Volgens de Bestuursalmanak was aan de afdeling Kabinet bovendien nog een vertaalbureau en een persbureau verbonden. Verder liepen alle zaken, waarvoor de goedkeuring van de Duitse autoriteiten was vereist over de afdeling Kabinet evenals de zaken van medewerking aan maatregelen van de Duitse overheid. Zoals reeds vermeld was dhr. J. Steur als adjunct-commies en later als commies belast met het beheer van het archief (vanaf 1 maart 1940) en de bibliotheek van het Departement. Het beheer van de bibliotheek van het Departement werd hem bij beschikking van de secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming van 26 mei 1941, Kabinet nr.622 opgedragen. Het beheer van het archief van het Departement alsmede de taak van de met dat beheer belaste ambtenaar werd bij beschikking van de secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming van 21 mei 1941, Kabinet nr.588 geregeld. Tot de taak van deze ambtenaar behoorden de herordening van het archief van het Departement, de uitlening van bescheiden uit dat archief aan de ambtenaren van het Departement en de vernietiging van archiefbescheiden, die daarvoor in aanmerking kwamen (door het niet meer van belang zijn voor de administratie of voor later historisch onderzoek). Bij voornoemde beschikking was ook de overbrenging van archiefbescheiden van de afdelingen van het Departement naar de onder beheer van dhr. J. Steur staande archiefbewaarplaats geregeld. Bovengenoemde beschikking nr.588 werd bij beschikking van de secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming van 24 juli 1944, Kabinet nr. 4846 gewijzigd. De stukken betreffende het beheer van het archief van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming en betreffende de met dat beheer belaste ambtenaar J.Steur gedurende de periode 1940 -1946 bevinden zich in het beheerdersarchief van de onderafdeling Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
Wilhelm Klaus Norbert Schmelzer groeide op in Rotterdam, waar zijn vader werkte bij de Rotterdamsche Bank. Zijn ouders waren afkomstig uit Duitsland. Na de verhuizing van het gezin naar Wassenaar, in 1933, bezocht Norbert het Aloysius College in Den Haag. Gedegen opgeleid door de paters-jezuïeten koos hij daarna voor een studie economie aan RK Handelshogeschool van Tilburg. In de bezettingstijd moest hij noodgedwongen zijn studie onderbreken en onderduiken als gevolg van zijn weigering om de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Na zijn afstuderen werkte Schmelzer drie jaar bij Unilever NV op de advertentieafdeling, maar een loopbaan in het bedrijfsleven bleek toch geen aanlokkelijk perspectief. Hij werd ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken, waar hij zich met buitenlandse economische betrekkingen bezighield en met de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal, de eerste stap op het gebied van de Europese integratie. Inmiddels was hij in contact gekomen met de KVP-leider C.P.M. Romme, die zijn kwaliteiten onderkende en in hem een potentieel politicus van formaat zag. Schmelzer voelde zelf in 1952 nog niet voor het Kamerlidmaatschap, maar werd twee jaar later wel lid van het partijbestuur, speciaal belast met internationale vraagstukken. In 1956 stond hij wel op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer, maar werd niet verkozen. Op voorspraak van Romme viel hem een hoger ambt toe: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie in het vierde kabinet-Drees. Hij was toen nog maar 36 jaar. Als staatssecretaris was hij belast met de voor de KVP zo belangrijke onderwerpen bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO). Hoewel Schmelzer zich ontwikkelde tot een kundig en scherpzinnig bewindsman, lukte het hem niet om veel voortgang te boeken met de verwezenlijking van de katholieke idealen op dit terrein. In 1959 verhuisde hij als staatssecretaris naar het departement van Algemene Zaken, nog altijd belast met bezitsvorming en PBO. Hij kwam er direct onder premier J.E. de Quay (KVP) te werken. Vooral in de eerste jaren fungeerde Schmelzer, die de neiging had om zich met veel zaken te bemoeien, als adviseur en vertrouweling van De Quay. In 1963 werd hij opnieuw gekozen tot lid van de Tweede Kamer (na de verkiezingen van 1959 was hij enige maanden formeel lid geweest). In december van dat jaar al koos de fractie hem tot voorzitter. Als leider van de grootste Kamerfractie was Schmelzer nu een van de invloedrijkste politici op het Binnenhof. Wel kreeg hij te maken met een fractie die intern verdeeld was over een progressieve en een behoudende stroming. Een bepalend moment in Schmelzers loopbaan was de kabinetscrisis in de Nacht die zijn naam draagt, de nacht van 13 op 14 oktober 1966. Namens zijn fractie diende Schmelzer en motie in waarin hij de centrumlinkse regering onder aanvoering van zijn partijgenoot J.M.L.Th. Cals opriep haar uitgavenbeleid bij te stellen. Na de aanneming van de motie trad het gehele kabinet, dat haar als een motie van wantrouwen zag, af. De Nacht bevestigde enerzijds Schmelzers leiderschap van de KVP, doordat hij erin was geslaagd de fractie op één lijn te krijgen, op enkele dissidenten na. Anderzijds leed zijn imago grote schade bij vooral het linkse volksdeel, dat in hem een machtsbeluste politicus zag die er niet voor terugdeinsde om een partijgenoot een dolkstoot in de rug toe te dienen. De scherpe typering door Wim Kan als 'een gladde teckel met een vette kluif in zijn bek' zou hem nog lang achtervolgen. In de jaren 1967-1971 zette Schmelzer zich als KVP-leider in voor verdergaande samenwerking met de ARP en de CHU, die zou moeten uitmonden een brede christendemocratische partij. Intern stuurde hij aan op een breuk met de felste vertegenwoordigers van de progressieve vleugel. Deze scheidden zich af en richtten de Politieke Partij Radicalen op. In 1971 trad Schmelzer niet op als lijsttrekker bij de verkiezingen, vooral omdat hij in het gepolariseerde klimaat van die dagen slecht lag bij iedereen die links was, en daardoor een electoraal risico vormde voor zijn partij. Na die verkiezingen verruilde Schmelzer de Tweede Kamer voor de Eerste, maar rekende eigenlijk op een ministerszetel in het nieuwe kabinet. Zijn verwachting kwam uit: in het kabinet-Biesheuvel trad hij aan minister van Buitenlandse Zaken, waarmee een oude droom uitkwam. Tot zijn grote teleurstelling duurde zijn ministerschap maar kort: na één jaar viel het kabinet als gevolg van interne onenigheid over bezuinigingen. Hij maakte nog wel deel uit van het overgangskabinet-Biesheuvel II, maar dat was langer demissionair dan missionair. Toch slaagde Schmelzer erin om in korte tijd enkele accenten in het Nederlands buitenlands beleid anders te leggen. Anders dan zijn voorganger J.M.A.H. Luns was hij meer Europees dan Atlantisch georiënteerd. Opmerkelijk was zijn steun aan het voorstel van Albanië om de Volksrepubliek China toe te laten tot de Verenigde Naties ten koste van Taiwan, waarmee hij afweek van de Amerikaanse politiek. Belangrijk was ook de erkenning van de DDR, al gebeurde dat geheel in overeenstemming met de bondgenoten. Nieuw was ook een sterkere nadruk op de mensenrechten, waardoor het buitenlands beleid meer aansloot bij de veranderde opvattingen in de Nederlandse samenleving. Van zijn voornemen om minder tijd te besteden aan buitenlandse reizen kwam minder terecht. Binnen een jaar bracht koningin Juliana staatsbezoeken aan Luxemburg, Indonesië (het eerste na de onafhankelijkheid), Duitsland (het eerste sinds de oorlog), Groot-Brittannië en Frankrijk. Daarnaast bracht Schmelzer zelf nog bezoeken aan de Antillen, Israël en Egypte en ontving hij collega-ministers uit verschillende landen. Van deze reizen en bezoeken bewaarde hij vele fotoalbums in zijn archief. Na zijn aftreden als minister keerde Schmelzer niet meer terug in de actieve politiek. Hij gold te veel als een representant van het regentendom van de jaren zestig. Bovendien zorgde het boek van Robbert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer (1973), voor veel ophef. Door zijn openhartige medewerking aan die uitgave wekte Schmelzer de indruk dat hij enkele oude rekeningen had willen vereffenen. Er volgde een lang ambteloos leven - hij was 52 jaar oud toen hij terugtrad - waarin hij actief bleef in tal van 'nevenfuncties'. Zo vervulde hij enkele commissariaten en adviseurschappen in het bedrijfsleven en kon hij zijn passie voor muziek - hij was een verdienstelijk pianist, componist en tekstdichter - ook bestuurlijk uitleven bij de Stichting Vrienden van de Oude Muziek en de Stichting Willem Mengelberg-Archief. Zijn aandacht ging echter vooral uit naar de buitenlandse politiek en de Europese integratie. Als voorzitter van Commissie Buitenland van het CDA was Schmelzer lange tijd een vraagbaak voor veel partijgenoten. De regering adviseerde hij in de hoedanigheid van vicevoorzitter van de Adviesraad voor Vrede en Veiligheid, later als lid van de Permanente commissie Europese Integratie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken. In internationaal verband was hij voorzitter van het Europees Instituut voor Bestuurskunde en van de Komsomolets Foundation, een stichting die fondsen wilde werven om de gezonken Russische kernonderzeeër 'Komsomolets' te bergen. Studenten en historici die zich bogen over aspecten van zijn politieke loopbaan, voorzag Schmelzer van informatie of commentaar op hun concept-teksten. Naarmate de verhitte politieke gemoederen van de jaren 1960 en 1970 verder in het verleden kwamen te liggen, kenterde ook het beeld van Schmelzers rol in die jaren en groeide de waardering. Bij zijn dood in november 2008 werd hij herdacht als een aimabel man, een gedreven politicus en overtuigd wereldburger.
Voorgeschiedenis Bij de bevrijding van ons land was een van de vele vraagstukken die opgelost moesten worden de regeling van de zich in ons land bevindende oorlogsbuit, die door de geallieerden werd aangeduid als 'war material'. In de verordening van de Chef van de Staf Militair Gezag (M.G.) van 28 oktober 1944 nr. 36 werd onder oorlogsbuit verstaan: roerende goederen welke deel hebben uitgemaakt van de voorraden of van de uitrusting van vijandelijke strijdkrachten. Het Militair Commissariaat Rechtsherstel (M.C.R.H.), ingesteld bij beschikking van de Chef Staf Militair Gezag van 18 december 1944, werd toen op 25 januari 1945 aangewezen als instantie voor de behandeling van de oorlogsbuit. Bij beschikking van de Chef Staf M.G. van 21 juni 1945 werd bepaald dat alleen de Afdeling War Material van het M.C.R.H. met uitsluiting van alle andere instanties oorlogsbuit mocht vorderen, distribueren enz. De M.C.R.H. heeft een instructie Al uitgevaardigd met als titel: 'Regeling voor oorlogsbuit en/of War material'. Volgens deze instructie is oorlogsbuit: 'Wapentuig, alsmede militaire uitrustingsstukken in de ruimste zin'. Onder 'war material' werd verstaan 'behalve hetgeen onder oorlogsbuit kan worden gerangschikt, alle voorraden, die behoorden tot, gebruikt werden door, of bedoeld waren voor aanwending door enigerlei vijandelijke militaire of paramilitaire organisatie of leden daarvan in verband met hun optreden'. Ook goederen voor gebruiksdoeleinden, levensmiddelen enz. konden hieronder vallen. In de praktijk zijn als oorlogsbuit behandeld alle goederen die vielen onder het begrip 'war material'. De Afdeling 'War Material' die oorspronkelijk gevestigd was in Tilburg, evenals het M.C.R.H., verhuisde na verloop van tijd naar Den Haag: Bachmanstraat 47. Het M.C.R.H. ging in augustus 1945 over in de Raad voor het Rechtsherstel. De Afdeling War Material werd toen op 15 augustus 1945 als Sectie IIE (Sectie Oorlogsbuit) een zelfstandig onderdeel van het M.G. Kapitein Roselaar was hoofd van deze sectie. Toen de taak van het Militair Gezag ten einde liep, bleek dat de Sectie Oorlogsbuit niet gereed was met haar werkzaamheden. Er werd toen besloten om ter liquidatie van de Sectie Oorlogsbuit van het M.G. het Bureau Oorlogsbuit op te richten dat zou komen te ressorteren onder het Ministerie van Financiën. Deze beslissing was mede genomen onder aandrang van de Algemene Rekenkamer die bij brief van 12 december 1945 aan de voorzitter van de Raad van Ministers geadviseerd had om een centraal orgaan op te richten die alle krijgsbuitaangelegenheden en de daarmee samenhangende kwesties zou moeten behandelen. Bij beschikking van de minister van Financiën d.d. 13 maart 1946 werd mr. J. Jolles met ingang van 1 maart 1946 aangewezen als hoofd van het Bureau Oorlogsbuit met als taak: 'de Sectie Oorlogsbuit van de Staf M.G. over te nemen en zo nodig te reorganiseren'. Organisatie en taakuitvoering Oorlogsbuit Toen ons land helemaal bevrijd was, kon pas echt aangevangen worden met de behandeling van het 'war material' dat beschermd moest worden tegen diefstal en onrechtmatig gebruik. Overal werden hiervoor bijkantoren van de Sectie Oorlogsbuit opgericht, die erg zelfstandig waren in hun doen en laten. Zo konden de hoofden van deze bijkantoren zelf personeel aannemen en ontslaan. De werkzaamheden van de bijkantoren bestonden uit het opsporen, het beheren en de verkoop van de oorlogsbuit. De Sectie Oorlogsbuit van het M.G. had op 1 maart 1946 in de volgende plaatsen bijkantoren: Alkmaar Amersfoort Amsterdam Apeldoorn Den Helder Emmen Enschede Gouda Groningen Haarlem Leeuwarden Middelburg Middelharnis Nijmegen Rotterdam Terneuzen Tilburg Utrecht Zierikzee Zwolle Al spoedig konden de bijkantoren in Amersfoort, Emmen, Haarlem, Leiden, Den Helder, Middelharnis en Zwolle worden opgeheven. In Valkenburg werd een nieuw kantoor geopend toen bleek dat in Zuid-Limburg nog geen oorlogsbuitgoederen waren opgespoord. Circulaire nr. 1 van 28 augustus 1945 van het hoofd van de Sectie Oorlogsbuit van de Staf M.G. bepaalde dat de opbrengsten uit de verkoop van de oorlogsbuitgoederen voortaan moesten worden overgemaakt op de rekening Oorlogsbuit bij De Nederlandsche Bank. Hoewel eigenlijk alleen de Afdeling 'War Material' van het M.C.R.H. gerechtigd was om oorlogsbuit te vorderen, te distribueren enz., hebben meerdere personen en instanties zich met het opsporen van de oorlogsbuit bemoeid: 1. de Militaire Commissarissen 2. de Rijksbureaus: Rijksbureau voor Aardolieproducten Rijksbureau voor Chemische Producten Rijksbureau voor Genees- en Verbandmiddelen Rijksbureau voor Huiden en Leer Rijksbureau voor Keramische Producten Rijksbureau voor Rubber Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten Rijksbureau voor Teer en Teerproducten Rijksbureau voor Wol en Lompen Rijksbureau voor Zeep Rijksbureau voor Hout Rijksbureau voor Metalen Rijksbureau voor Textiel Rijksbureau voor Kolen Rijksbureau voor Papier en Papierverwerkende Industrie 1 november 1946 heeft het Bureau Oorlogsbuit de werkzaamheden van de rijksbureaus voor wat betreft de oorlogsbuit overgenomen. Voor het Rijksbureau voor Metalen werd een andere regeling getroffen. Dit rijksbureau had een afzonderlijke afdeling gesticht voor door haar te behandelen oorlogsbuit: machinerieën, halffabrikaten en grondstoffen met de naam Wego (Weggevoerde Goederen). De distributiebureaus en het Rijksbureau voor Metalen waren tevens bijkantoren van de Afdeling Wego. Deze afdeling moest toen de rijksbureaus hun zelfstandige taak op het gebied van de oorlogsbuit beëindigden, nog veel werkzaamheden verrichten. Er is toen besloten om de Afdeling Wego onder te brengen bij het Bureau Oorlogsbuit daar het wenselijk werd geacht om de verantwoordelijkheid voor de oorlogsbuit uitsluitend bij het Bureau Oorlogsbuit te laten berusten. Tengevolge van deze reorganisatie werden de bijkantoren van het Rijksbureau voor Metalen, Afdeling Weggevoerde Goederen samengevoegd met de bijkantoren van het Bureau Oorlogsbuit. Onder de naam Inspectie-Bureaus Oorlogsbuit waren zij gevestigd te: Alkmaar Amsterdam Apeldoorn Breda Enschede Gouda Groningen Leeuwarden Nijmegen Rotterdam Utrecht Valkenburg De belangrijkste werkzaamheden van deze inspectiebureaus waren de opsporing van de oorlogsbuitgoederen. De verkoop mocht slechts in bepaalde gevallen plaatsvinden. De inspectiebureaus werden op hun beurt ook weer opgeheven of samengevoegd. Het laatste bureau dat overbleef was in 1951 het bureau in 's-Hertogenbosch dat werkzaamheden verrichtte voor het gehele land tot 1 januari 1952 toen het eveneens werd opgeheven. De onder 3 t/m 7 genoemde instanties werkten onder het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening: 3. Provinciale Voedselcommissarissen 4. Centrale Aan- en Verkoopbureaus voor de Voedselvoorziening te 's-Hertogenbosch, Maastricht en Zwolle 5. Aan- en Verkoopbureau voor Akkerbouwproducten te 's-Gravenhage 6. Rijksdienst voor Landbouwherstel 7. Stichting tot het Beheer van Landbouwgronden. Op het gebied van de motorvoertuigen waren werkzaam de onder 8 t/m 11 genoemde instanties: 8. Rijksverkeersinspecties 9. Regeringsdirectoraat voor Motorvoertuigen 10. Bureau Verwerking Krijgsbuit, Automobielen en Auto-onderdelen 11. Opsporingsdienst Motorvoertuigen Oorlogsbuit (O.M.O.) Per 16 november 1946 werd deze dienst van het Ministerie van Verkeer en Energie overgeheveld naar het Bureau Oorlogsbuit en in 1947 als aparte afdeling van het Bureau Oorlogsbuit geliquideerd. 12. De Technische Commissie voor Aannemersgereedschappen. 13. De Technische Commissie Smalspoor (T.C.S). Deze instantie werd onder auspiciën van de Afdeling Oorlogsbuit van de Staf M.G. in augustus 1945 ingesteld. Haar taak was smalspoormateriaal benevens draglines en excavateurs die tot de oorlogsbuit behoorden aan de eigenaren terug te geven dan wel te distribueren. De Technische Commissie Smalspoor werd in april 1949 opgeheven. 14. Regeringsgevolmachtigden voor de Kuststrook. Voor het beheren van bouwmaterialen en alle andere goederen die in de kuststrook werden gevonden, werden op 2 mei 1946 twee regeringsgevolmachtigden benoemd bij beschikking van de ministers van Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk, van Financiën, Oorlog, Marine, Openbare Werken en Wederopbouw, Verkeer en Energie, Handel en Nijverheid en Justitie. Zij waren gerechtigd om bouwmaterialen en alle andere goederen te onttrekken aan de verdedigingswerken in de kuststrook en deze voor het Rijk te vervoeren, op te slaan en te verkopen. Met de kuststrook werd bedoeld alle Noordzee eilanden en de Noordzeekust. De regeringsgevolmachtigden werkten nauw samen met het Bureau Oorlogsbuit omdat de hier bovenbedoelde goederen voor het grootste gedeelte tot de oorlogsbuit behoorden. Bij beschikking van de ministers van Financiën, Oorlog, Marine, Wederopbouw en Volkshuisvesting, Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken en Justitie d.d. 27 juni 1949 werd de bovengenoemde beschikking van 2 mei 1946 ingetrokken en onder andere bepaald dat de in deze beschikking aan de regeringsgevolmachtigden opgedragen taak per 1 juli 1949 overgedragen wordt aan het hoofd van het onder het Ministerie van Financiën ressorterende Bureau Hergo. De regeringsgevolmachtigden werden met ingang van 1 oktober 1949 eervol ontslagen. 15. Naval Disarmament Control Staff (N.D.C.S.) De N.D.C.S., een intergeallieerde instantie bestaande uit marineofficieren van de Nederlandse Koninklijke Marine, had tot taak zich te ontfermen over de zogenaamde 'marinekrijgsbuit' die afkomstig was van de Duitse Marine in ons land. De N.D.C.S. wees aan het Bureau Oorlogsbuit hiervan die goederen toe die niet geschikt waren voor de Koninklijke Marine. De Koninklijke Marine en de N.D.C.S. waren van mening dat ze zelf konden beschikken over deze 'marine krijgsbuit' en dat daarom dan ook geen verrekeningsplicht bestond met het Bureau Oorlogsbuit voor de goederen die aan de marine werden toegewezen. Het Bureau Oorlogsbuit was met deze stellingname niet eens. Uiteindelijk is het Ministerie van Marine toch tot verrekening met het Bureau Oorlogsbuit overgegaan. 16. De Technische Dienst Vliegvelden (T.D.V.) De Technische Dienst Vliegvelden werd kort na de oorlog door het Ministerie van Oorlog ingesteld om de op de vliegvelden aanwezige materialen te beheren. Deze dienst beschikte zelfstandig over deze materialen. Het Bureau Oorlogsbuit kreeg bijna geen gelegenheid om deze goederen te inventariseren. Het eveneens onder het Ministerie van Oorlog ressorterende Bureau Aanleg, Beheer en Onderhoud van Vliegvelden (B.A.B.O.V.) nam in 1948 de werkzaamheden van de Technische Dienst Vliegvelden over die toen werd geliquideerd. 17. Commissie Duitse Opstallen De minister van Financiën heeft bij beschikking van 15 maart 1948 de Commissie Duitse Opstallen ingesteld. Deze commissie had tot taak de minister te adviseren over de te nemen maatregelen inzake de door de Duitsers in de oorlog opgerichte opstallen waarop de Staat krachtens artikel 658 en volgende van het Burgerlijk Wetboek rechten kon doen gelden. In deze commissie waren vertegenwoordigd het Ministerie van Financiën, het Departement van Oorlog, het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, het Nederlands Beheers Instituut en het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Voor het Ministerie van Financiën hadden zitting in deze Commissie: de heer H. Bakker, directeur van 's Rijksbelastingen en Domeinen, tevens voorzitter, mr. J.C.W.M. Huysmans, referendaris van de Generale Thesaurie en mr. J. Jolles, hoofd van het Bureau Hergo. Secretaris was mr.dr. A. Spanjer, medewerker van het Bureau Hergo. Bij beschikking van de minister van Financiën van 22 mei 1950 werd de Commissie Duitse Opstallen opgeheven. Naast het opsporen, beheren en verkoop van oorlogsbuitgoederen was een taak van het Bureau Oorlogsbuit het vastleggen van gegevens met betrekking tot de eigendomsrechten van deze goederen en het ontwerpen van een wettelijke regeling hiervoor die uiteindelijk gestalte kreeg in de 'Wet houdende voorzieningen onder de vijand aangetroffen goederen' van 24 april 1947. Alleen de status van de roerende goederen die na 9 mei 1945 al dan niet rechtmatig uit Nederlands bezit in handen van de vijand zijn overgegaan, werd in deze wet geregeld. De Staat der Nederlanden kreeg het eigendomsrecht krachtens bovengenoemde wet voor: alle goederen welke door de Nederlandse Strijdkrachten in handen van de vijand zijn aangetroffen en in bezit zijn genomen; alle hier te lande aangetroffen goederen welke door de vijand werden afgezonderd om ten behoeve van de oorlogsvoering te dienen; alle goederen, welke hier te lande in de handen van de vijand zijn aangetroffen en door de geallieerden aan de Nederlandse instanties zijn overgedragen. Het Bureau Oorlogsbuit heeft in maart 1946 een aparte Afdeling Scheepszaken ingesteld voor het behandelen van kwesties met betrekking tot schepen en scheepstoebehoren voor zover deze als oorlogsbuit konden worden aangemerkt. De werkzaamheden van deze afdeling werden in 1947 uitgebreid met de afwikkeling van de uit Duitsland teruggekomen restitutieschepen. De belangrijkste taak in deze periode was om het daartoe te leiden dat alle werkzaamheden op het gebied van de oorlogsbuit alleen zouden worden verricht door het Bureau Oorlogsbuit. Toen op 16 november 1946 de Afdeling Vego van het Rijksbureau voor Metalen samengevoegd werd met het Bureau Oorlogsbuit van het Ministerie van Financiën begon een tweede fase in het bestaan van het Bureau Oorlogsbuit. Na deze reorganisatie was het Hoofdbureau Oorlogsbuit verdeeld in de volgende afdelingen die belast waren met de daarbij vermelde werkzaamheden: Afd. I - Afwikkelingsbureau Oorlogsbuit van het Ministerie van Financiën Afd. I-A - Nieuwe gevallen oorlogsbuit Afd. II - Afwikkelingsbureau Rijksmetalen, Afd. Wego Afd. III - Algemene administratie en financiën Afd. IV - Schepen Afd. V - Juridische zaken en onroerende goederen Afd. VI - Buitendienst Afd. VII - Restitutiegoederen Afd. VIII - Vijandelijk vermogen Afd. IX - Personeelszaken Afd. X - Intern transport Afd. XI - Herstelbetalingen Afd. XII - Motorvoertuigen De taken van het bureau waren toen de volgende: 1. De liquidatie van de oorlogsbuit De behandeling van de dossiers die door bovengenoemde instanties niet waren afgehandeld, moest ter hand worden genomen. Bovendien moesten de controlerapporten die door verschillende accountants-diensten/accountantskantoren uitgebracht waren over de werkzaamheden van onder andere deze rechtsvoorgangers behandeld worden. 2. Recuperatie Als basis voor de restitutie van goederen die in de oorlog uit de door Duitsland bezette landen zijn verdwenen, kan genoemd worden de op 5 januari 1943 door de geallieerde regeringen te Londen afgekondigde verklaring waarvan de officiële benaming is: 'Inter-Allied Declaration against Acts of Dispossession committed in Territories under Enemy Occupation and Control' ook wel de 'Declaration Solennelle' genoemd en aangehaald als de 'Joint Declaration'. Deze verklaring vond bevestiging in de resolutie betreffende de ongedaanmaking van de gevolgen van de plundering die aangenomen werd op de van 1-22 juli 1944 te Bretton Woods gehouden United Nations Monetary and Financial Conference. Eind 1945 werd in Parijs een conferentie gehouden van landen die van Duitsland schadevergoeding eisten. Was in de Declaration Solennelle nog sprake van het recht om alle weggevoerde goederen terug te eisen, in de op deze conferentie aangenomen resolutie werd deze restitutie beperkt tot: Alle goederen die op de datum van de bezetting bestonden, onverschillig de manier waarop deze zijn weggevoerd. De goederen die gedurende de oorlog zijn geproduceerd voor zover deze onder dwang zijn weggevoerd. De oorzaak van deze veranderde houding was gelegen in de gewijzigde ideeën ten opzichte van de restitutie veroorzaakt door de economische situatie in Duitsland. Op 21 januari 1946 werd de definitie van de term restitutie door de bezettingsmachten gepubliceerd. De restitutiegoederen werden verdeeld in: Goederen, die bestonden ten tijde van de bezetting en 'taken by force'. Goederen geproduceerd gedurende de bezetting en 'obtained by force'. Alle goederen weggevoerd door de vijand 'to the extent consistent with reparations'. Goederen van uniek karakter. De Engelse, Amerikaanse en Russische autoriteiten eisten bij de restitutie een vorm van dwang, terwijl de Franse autoriteiten alle goederen restitueerden die in de oorlog weggevoerd waren. Een uitzondering voor de Engelse en Amerikaanse autoriteiten wat betreft de dwang vormden de culturele goederen. Op 23 juli 1947 werd toen bepaald dat alle gedurende de oorlog naar Duitsland gevoerde culturele goederen restituabel zijn onafhankelijk van de manier waarop de Duitsers deze verkregen hebben: 'Restitution may be admitted whether or not the element of duress is proved'. In de Franse zone zijn de culturele goederen altijd op deze basis gerestitueerd. Zie verder voor de restitutie van culturele goederen de inventaris van de Stichting Nederlands Kunstbezit. De minister van Handel en Nijverheid benoemde op 18 april 1945 een commissaris-generaal als hoofd van het toen ingestelde Commissariaat-Generaal voor de Nederlandsche Economische Belangen in Duitsland (C.G.R.). De taak van deze commissaris-generaal was de terugverkrijging van de in de oorlog uit Nederland weggevoerde goederen (recuperatie) of het verkrijgen van andere goederen ter vervanging van de weggevoerde (herstelbetalingen). De C.G.R. bracht de in Oostenrijk, Duitsland, Tsjecho-Slowakije, Polen, België en Frankrijk opgespoorde goederen tot aan de grens waarna de Afdeling Wego van het Rijksbureau voor Metalen - welk bureau op 11 maart 1946 door de minister van Handel en Nijverheid hiervoor was aangewezen - voor het in ontvangst nemen, de teruggave aan de eigenaar en de distributie van deze goederen zorgde. Het Bureau Oorlogsbuit nam deze taak van de Afdeling Wego over toen op 16 november 1946 de Afdeling Wego een onderdeel werd van het Bureau Oorlogsbuit. De naar Nederland gerestitueerde goederen zijn in de volgende categorieën te onderscheiden: Machines en grondstoffen; Kleding, meubelen en dergelijke; Transportmateriaal: spoorwegmateriaal. trammateriaal en wegmateriaal; Haveninstallaties: laadbruggen, kranen en bokken; Juwelen, diamanten; Paarden en vee; Schepen; Culturele goederen. Voor al deze goederen gold dat ze om voor restitutie in aanmerking te komen, moesten voldoen aan bepaalde eisen waarvan wel de belangrijkste was dat ze geïdentificeerd moesten kunnen worden. Dit laatste was voor veel goederen bijvoorbeeld grondstoffen, paarden in veel gevallen niet mogelijk. Zo bevond zich onder de teruggevoerde diamanten een partij die door de Duitsers zo door elkaar gemengd was dat het niet mogelijk was de tot deze partij behorende diamanten aan de oorspronkelijke eigenaren terug te geven. De eigenaren hadden hun diamanten in de oorlog bij het Rijksbureau voor Diamant moeten inleveren. Het rijksbureau had toen deze diamanten vervolgens in de Amsterdamsche Bank te Arnhem ondergebracht waaruit de Duitsers ze later hebben gestolen. De minister van Financiën heeft toen mr. J. Jolles, hoofd van het Bureau Hergo gemachtigd om voor hem op te treden bij het ten overstaan van notaris L.W.A. Duynstee te Den Haag op 3 november 1948 verlijden van de akte van oprichting van de Stichting Teruggevoerde Diamant die onder auspiciën van het Bureau Hergo de liquidatie van deze partij diamanten moest regelen. Een van de leden van het bestuur van de stichting was mr. J. Jolles. De stichting heeft toen de tot deze partij behorende gerecupeerde diamanten verkocht. De opbrengst werd ter beschikking gesteld aan de oorspronkelijke eigenaren. Ook heeft de Stichting Teruggevoerde Diamant ten gunste van de middelen van het Bureau Hergo diamanten verkocht die eigendom van de Nederlandse Staat waren geworden doordat de oorspronkelijke eigenaren deze diamanten in de oorlog aan de Duitsers hadden verkocht. In de brief van de minister van Financiën van 4 mei 1957 werd goedkeuring verleend aan het in de vergadering van de stichting van 10 april 1957 genomen besluit tot opheffing van de stichting. Op 11 november 1946 heeft de Afdeling Beheer van de Raad voor het Rechtsherstel een commissie ingesteld die tot taak kreeg het vraagstuk van de recuperatiegoederen te bestuderen. Twee van de conclusies van deze commissie waren: 1. De Staat is eigenaar, althans fiduciair eigenaar, krachtens volkenrecht. 2. De Staat is houder als zaakwaarnemer van een deel der goederen ten behoeve van personen hier te lande; hij is door toe-eigening eigenaar van de rest. De teruggave van de goederen aan de eigenaar vond alleen plaats nadat het eigendomsrecht onomstotelijk door de eigenaar was aangetoond bijvoorbeeld door overlegging van eigendomspapieren. De eigenaar moest een verklaring tekenen waarin hij onder andere verklaarde geen schadeloosstelling te hebben ontvangen dan wel mededeelde een bepaald bedrag te hebben ontvangen als schadeloosstelling. Ook moest hij beloven de Schade Enquête Commissie op de hoogte te zullen stellen van de ontvangst van de goederen. 3. Herstelbetalingen Het Intergeallieerde Agentschap voor Herstelbetalingen te Brussel (I.A.R.A.) heeft de door Duitsland te leveren Herstelbetalinggoederen verdeeld onder de hiervoor in aanmerking komende landen. Deze goederen bestonden uit twee categorieën: Categorie A. Elke vorm van herstelbetalingen uitgezonderd die van Categorie B. Het Nederlandse percentage bedroeg hiervan 3,9%. Categorie B. Industriële outillage en schepen. Het Nederlandse percentage was hiervoor 5,6%. Het C.G.R. zorgde voor verzending van deze goederen tot aan de Nederlandse grens. Het Bureau Oorlogsbuit/Hergo had voor de centrale opslag loodsruimte in Rotterdam gehuurd. De eerste verkoop van herstelbetalingmachines aan de Nederlandse industrie vond plaats op 5 december 1946. In het begin werden de gegadigden aangewezen door de minister van Economische Zaken die hiervoor de betrokken bedrijfsgroepen hoorde. Vanaf 18 mei 1949 werden de machines openbaar op veilingen verkocht. Met ingang van 1 juli 1948 was het Hoofdbureau Oorlogsbuit verdeeld in de volgende afdelingen: Afd. I - Algemene Zaken Afd. II - Oorlogsbuit, bestaande uit: IIa: oorlogsbuit IIb: afwikkeling Afdeling Wego Afd. III - Comptabiliteit en administratie Afd. IIIa - Administratie diamanten Afd. IV - Schepen Afd. V - Onroerende goederen Afd. VII - Restitutie goederen Afd. IX - Personeelszaken Afd. XI - Motorvoertuigen Afd. XII - Herstelbetalingen Bovenstaande indeling verdient de volgende toelichting: Met ingang van 1 juli zijn vervallen de Afdelingen Ia, VI, VIII en X. De afdeling II bestaat uit: Afd. IIa, welke in de plaats is getreden van Afdeling Ia Afd. IIb, welke de afwikkeling van de Afdeling Wego oorlogsbuit behandelt Nieuw gecreëerd is de afdeling IIIa De voormalige Afdeling X valt 1 juli onder de afdeling XI Bij beschikking van de minister van Financiën d.d. 26 augustus 1948 werden de taak en de bevoegdheden van het Bureau Oorlogsbuit nader vastgelegd. Tevens werd om de naam van het Bureau Oorlogsbuit meer in overeenstemming te brengen met de aan dit bureau toevertrouwde werkzaamheden, de naam van het Bureau Oorlogsbuit gewijzigd in het Bureau Herstelbetaling- en Recuperatiegoederen (Hergo). De derde fase ving aan met de overname door het Bureau op 1 juni 1949 van de werkzaamheden van de C.G.R. die eind mei 1949 geliquideerd werd. Tevens werd het bureau belast met de liquidatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit. De Stichting Nederlands Kunstbezit was in 1945 opgericht door de ministers van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën met als taak de recuperatie van de in de oorlog uit ons land verdwenen kunstvoorwerpen. In 1948 geraakte de stichting in moeilijkheden door een justitieel onderzoek naar onregelmatigheden die bij de stichting plaats zouden hebben gevonden. Het hoofd van het bureau werd benoemd tot directeur van de stichting. Deze benoeming lag voor de hand omdat beide instanties zich bezighielden met het beheer, teruggave en verkoop van gerecupereerde goederen: economische goederen, respectievelijk kunstvoorwerpen. Op 1 juli 1950 werden de werkzaamheden van de Stichting Nederlands Kunstbezit aan het Bureau Hergo overgedragen. De medewerkers werden toen arbeidscontractanten van het Ministerie van Financiën. Het Bureau Hergo bestond na de overname van de werkzaamheden van het C.G.R. uit een Afdeling Directie en 5 afdelingen, respectievelijk de Afdelingen 2, 3, 4. 5 en 6: Afdeling Directie Algemene Zaken Personeelszaken Huishoudelijke Dienst Post, Archief en Telefoondienst Afdeling 2 Alle oorlogsbuitaangelegenheden Afwikkeling oorlogsbuit Rijksmetalen en wat daarmede samenhangt Contact met de buitendienst (voor zover niet betrekking hebbende op restitutie en herstelbetalingen) Debiteuren Uitwerking van de accountantsrapporten Afdeling 3 Comptabele werkzaamheden Afdeling 4 Scheepszaken Afdeling 5 5a Voortzetting werkzaamheden van het C.G.R. voor wat betreft restitutie 5b Ontvangst, opslag en taxatie restitutiegoederen: rechtsherstel of verkoop, administratieve behandeling en de S.E.C. meldingen Afdeling 6 6a Voortzetting van werkzaamheden van het C.G.R. voor wat betreft herstelbetalingen 6b Ontvangst, opslag en taxatie van herstelbetalinggoederen verkoop en administratieve afwikkeling Liquidatie Eind 1950 begon de vierde fase van het Bureau Hergo: de liquidatiefase. Bij ministeriële beschikking van 17 juli 1952, Generale Thesaurie, Directie Bewindvoering, nr. 105 werden in verband met de geleidelijke liquidatie van het Bureau Hergo de werkzaamheden van de Afdeling Scheepszaken per 1 augustus 1952 overgedragen aan de Directie Bewindvoering van het Ministerie van Financiën (de huidige Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken). Bij ministeriële beschikking van 29 januari 1953 werd het Bureau Hergo per 1 februari 1953 opgeheven. De werkzaamheden van het bureau werden overgenomen door de Directie Bewindvoering van het Ministerie van Financiën.
Rijksbureau voor Bouwmaterialen, 1939-1945 Ter voorbereiding van de oprichting van een rijksbureau voor bouwmaterialen werd een Commissie van Advies van het Kernbureau Bouwmaterialen ingesteld. Op 29 juli 1939 werd ir B.A. Verheij, de voorzitter van de Orde van Nederlandse Raadgevende Ingenieurs, door de minister van Economische Zaken benoemd tot voorzitter van de Commissie van Advies. Als secretaris van de commissie werd de ambtenaar van de Afdeling Nijverheid, G.J.M. Stulemeijer, aangewezen. Op 25 augustus werden de overige leden uit het bedrijfsleven voor de commissie uitgenodigd. Gelijktijdig kreeg de commissie van de minister van Economische Zaken haar opdracht: "De taak van de commissie bestaat hierin dat zij mij zal adviseren omtrent de maatregelen, die eventueel ten behoeve van de voorziening met bouwmaterialen voor bedoelde buitengewone omstandigheden (= mobilisatie- of oorlogstijd) op grond van de bestaande economische noodwetgeving zullen moeten worden uitgevoerd". Op 31 augustus hield de commissie haar eerste vergadering en op 1 september stuurde ze al haar advies naar de minister. Hierin wordt gepleit kalk en cement tot distributiegoed te verklaren en een rijksbureau op te richten. Het Rijksbureau voor Bouwmaterialen is op 4 september 1939 ingesteld op basis van de Distributiewet 1939 en kreeg zijn wettelijke vorm in de Bouwmaterialenbeschikking 1939 nr 1. Als directeur is benoemd W.G. Tesser, secretaris van de Vereniging voor Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland. Deze was voor de oprichting lid van de Commissie van Advies van het Kernbureau Bouwmaterialen en is door deze commissie ook voorgedragen als directeur van het op te richten rijksbureau. W.G. Tesser bleef gedurende de gehele oorlog directeur van het rijksbureau. Direct na de bevrijding werd hij ontslagen. Er is vervolgens tot de opheffing van het rijksbureau geen nieuwe directeur meer benoemd. Gelijktijdig met het Rijksbureau voor Bouwmaterialen wordt ook een Commissie van Bijstand voor het Rijksbureau voor Bouwmaterialen ingesteld. Deze commissie bestond goeddeels uit dezelfde leden als de Commissie van Advies voor het kernbureau. Ook de voorzitter en de secretaris waren dezelfden. De Commissie van Bijstand van het Rijksbureau voor Bouwmaterialen had tot taak de directie van het rijksbureau gevraagd en ongevraagd van advies te voorzien. In de Bouwmaterialenbeschikking wordt met name de advisering op het gebied van de algemene ontheffingen voor vergunningverlening genoemd. De commissie van bijstand was bedoeld om de stem van het bedrijfsleven te laten horen. Op 12 januari 1942 werd de Commissie van Bijstand, in die beschikking Commissie van Advies genoemd, opgeheven. In oktober 1939 werd een subcommissie Vaststelling Urgentie Bouwbehoeften van de commissie van bijstand van het Rijksbureau voor Bouwmaterialen opgericht. Voorzitter is H. van der Kaa, Hoofdinspecteur van de Volkshuisvesting en lid van de Commissie van Bijstand van het Rijksbureau voor Bouwmaterialen. De rest van de commissie bestond deels uit leden afkomstig uit de commissie van bijstand en deels uit vertegenwoordigingen van het Rijksbureau voor Metalen en het Rijksbureau voor Hout. Deze commissie had tot taak de urgentie vast te stellen van de bouwbehoeften op het gebied van de woning en utiliteitsbouw, rekening houdend met de beschikbare hoeveelheid bouwmaterialen. Wanneer de subcommissie is opgeheven is niet duidelijk, waarschijnlijk is dat begin 1940 geweest. In augustus 1945 werd het Rijksbureau voor Bouwmaterialen opgeheven en het voltallige personeel ontslagen. De taken van dit bureau gingen over op het Rijksbureau voor Glas, Keramiek en Houtproducten welke meteen omgedoopt werd tot Rijksbureau voor Keramische Producten. Voor de sector bouwmaterialen werden de noodzakelijke werkkrachten weer in dienst genomen uit het ontslagen personeel van het Rijksbureau voor Bouwmaterialen. Tijdelijk Rijksbureau voor Bouwmaterialen in het bevrijde Nederland, 1944-1945 Door de bevrijding van zuidelijk Nederland in september 1944, werd dit deel afgesneden van de distributieorganisaties van het nog bezette deel van Nederland. Om te voorkomen dat een economische chaos zou ontstaan in Zuid Nederland zijn door het Militair Gezag al spoedig economische maatregelen getroffen. Ten eerste werden alle distributiemaatregelen, getroffen in het bezette nederland, ook geldig verklaard voor het bevrijde Nederland. Daarnaast werd het Tijdelijk College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid ingesteld. Dit college had tot taak de volkshuishouding weer in goede banen te leiden. Dit college functioneerde al eerder dan haar wettelijke oprichtingsdatum op 15 november 1944. Een van de zaken die het college regelde was het oprichten van tijdelijke rijksbureaus om de distributie te regelen. Op 6 november 1944 werd het Tijdelijk Rijksbureau voor Bouwmaterialen in het bevrijde Nederland opgericht. Het tijdelijk rijksbureau was gevestigd te Tilburg. Tot directeur werd P.G.D. Keusters benoemd. De opzet van het rijksbureau was gelijk aan die van het rijksbureau in het bezette Nederland, ook het tijdelijk rijksbureau had een Commissie van Bijstand. Op 11 juni worden de tijdelijke rijksbureaus opgeheven. Het voormalige Tijdelijk Rijksbureau voor Bouwmaterialen wordt dan omgevormd tot een bijkantoor van het gewone Rijksbureau voor Bouwmaterialen en wordt per augustus 1945 bijkantoor van het Rijksbureau voor Keramische Producten. Rijksbureau voor Keramische Producten, 1940-1950 De bemoeienissen met de keramische industrie in het kader van de Distributiewet 1939 werden niet ingeleid door een kernbureau. Pas tijdens de oorlog is de keramische sector binnen de distributie komen te vallen. Op 5 augustus 1940 nam deze bemoeienis haar aanvang toen het Rijksbureau voor Verwerkende Industrieën werd opgericht. Het Rijksbureau voor Verwerkende Industrieën kwam onder leiding te staan van een gedelegeerde van het Ministerie van Economische Zaken, de chef van de Afdeling Nijverheid, E.L. Kramer. Het Rijksbureau bestond bij haar oprichting uit twee secties: 1° de Sectie Keramische Industrie, onder leiding van de gedelegeerde van het Ministerie van Economische Zaken F.Ph. Groeneveld en 2° de Sectie Grafische Industrie onder Leiding van H. Koechlin. In de praktijk bleken de secties te functioneren als zelfstandige Rijksbureaus en keer op keer worden ze ook als zodanig genoemd. Kort na de instelling van het rijksbureau werden vele soorten aardewerk, porselein en glas onder de distributiewet geplaatst. Uitgesloten waren hierbij bouwmaterialen en vlakglas welke onder het Rijksbureau voor Bouwmaterialen vielen. De invulling van de taakuitoefening van de Sectie Keramische Industrie gebeurde uiteindelijk op basis van de Beschikking Verwerkende Industrieën 1940 nr 2. Op 20 december 1940 werd de gedelegeerde van de Sectie Keramische Industrie als hoofd vervangen door een directeur, M.J.W.A. Verhoeven. De gedelegeerde, F.Ph. Groeneveld, werd lid van de, op 21 december 1940, Commissie van Advies voor de Sectie Keramische Industrie. Als voorzitter van deze commissie werd W.G. Lingbeek benoemd. De overige leden waren H.A.P. Pijnacker en J. Regout. Op 12 januari 1942 werd de Commissie van Advies opgeheven. In augustus 1943 werd het Rijksbureau voor de Verwerkende Industrie nagenoeg ontmanteld. De sectie Grafische Industrie ging samen met het Rijksbureau voor Papier en de Sectie Keramische Industrie werd losgemaakt en verzelfstandigd. Zij kreeg daarbij een deel van de taken van het Rijksbureau voor Hout, namelijk de zorg voor producten voor huishoudelijk gebruik waarin hout verwerkt was zoals tafels en stoelen. Dit nieuw gevormde Rijksbureau heette voortaan Rijksbureau voor Glas Keramiek en Houtproducten. Vrij kort na de bevrijding, in augustus 1945, werd het Rijksbureau voor Bouwmaterialen opgeheven en gingen de taken van dit bureau over op het Rijksbureau voor Glas, Keramiek en houtproducten dat meteen omgedoopt werd tot Rijksbureau voor Keramische Producten. De taak op het gebied van de houtproducten ging daarbij terug naar het Rijksbureau voor Hout. In april 1949 fuseerden het Rijksbureau voor Keramische producten en het Rijksbureau voor Metalen en vormden vervolgens het Rijksbureau voor Metalen en Bouwstoffen. Per 17 januari 1950 fuseerde dit laatste Rijksbureau met het Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten om vervolgens gezamenlijk Centraal Rijksbureau te worden genoemd. Dit Centraal Rijksbureau is uiteindelijk verantwoordelijk voor de afwikkeling van de taken van de rijksbureaus die omstreeks deze tijd worden opgeheven. Tijdelijke Rijksbureaus voor Glas, Keramiek en Houtproducten in het Bevrijde Nederland, 1944-1945 Door de bevrijding van zuidelijk Nederland in september 1944, werd dit deel afgesneden van de distributieorganisaties van het nog bezette deel van Nederland. Om te voorkomen dat een economische chaos zou ontstaan in Zuid Nederland zijn door het militair gezag al spoedig economische maatregelen getroffen. Ten eerste werden alle distributiemaatregelen, getroffen in het bezette nederland, ook geldig verklaard voor het bevrijde Nederland. Daarnaast werd het Tijdelijk College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid ingesteld. Dit college had tot taak de volkshuishouding weer in goede banen te leiden. Dit college functioneerde al eerder dan haar wettelijke oprichtingsdatum op 15 november 1944 en van de zaken die het college regelde was het oprichten van tijdelijke rijksbureaus om de distributie te regelen. Op 10 november 1944 werd het Tijdelijk Rijksbureau voor Glas, Keramiek en Houtproducten in het Bevrijde Nederland opgericht. Het tijdelijk rijksbureau was gevestigd te Eindhoven. Tot directeur werd E. Gianiotten benoemd. Op 12 december werd het gehele rijksbureau naar Maastricht verplaatst en kwam het onder leiding van Th.J.G. Toebosch. Op 19 december werd het rijksbureau gesplitst in een Tijdelijk Rijksbureau voor Glas en Keramiek in het Bevrijde Nederland, gevestigd te Maastricht onder leiding van Th.J.G. Toebosch en een Tijdelijk Rijksbureau voor Houtproducten in het Bevrijde Nederland, gevestigd te Eindhoven onder leiding van E. Gianotten. De opzet van de rijksbureaus was gelijk aan die van het rijksbureau in het bezette Nederland, ook de tijdelijke rijksbureaus hadden een Commissie van Bijstand. Na de bevrijding zijn de Tijdelijke Rijksbureaus op 11 juni 1945 opgeheven en omgezet tot bureaus van het rijksbureau voor de zuidelijke provincies. Bij de vorming van het Rijksbureau voor Keramische producten in augustus 1945 is het bureau voor houtproducten toegevoegd aan het Rijksbureau voor Hout. Glas en Keramiek kwam bij het Rijksbureau voor Keramische Producten. Duitse Bevollmächtigte bij de Rijksbureaus voor de keramische industrie, 1940-1944 Direct nadat de Duitse bezetting van Nederland was begonnen, namen ook de bemoeienissen van de Duitse autoriteiten met de Nederlandse economie een aanvang. De Duitse bemoeienissen geven een onduidelijk beeld omdat vele instanties zich in de Nederland met dezelfde taken bezighielden. In eerste instantie ging dit uit van de Rüstungs Inspektion, een militaire organisatie, waaronder een Abteilung Gewerbliche Wirtschaft viel. Deze was weer in Gruppen verdeeld. Deze Gruppen hadden elk een aantal takken van de nederlandse economie tot hun taakgebied. Een vertegenwoordiger van een Gruppe was Referent het gebied van een van die takken. De Keramische Industrie had te maken met de Gruppe Steine und Erden en de Gruppe Leder, Glas und Sonstige Industrien. De Referenten werden in 1942 Bevollmächtigten bij de rijksbureaus. De Rüstungs-Inspektion ging gedurende de oorlog op in of samen met het General Kommissariat für Finanz und Wirtschaft, een civiele organisatie. De Bevollmächtigten werden zo deel van die organisatie. Bevollmächtigten bij de rijksbureaus op keramisch gebied waren tot juli 1943 K. Hesse, daarna tot Dolle Dinsdag (5 september 1944) dr Schmitt en uiteindelijk dr Volckmann. De Bevollmächtigte hield kantoor in het gebouw van het rijksbureau voor Glas, Keramiek en Houtproducten en had tot taak te bemiddelen tussen de Duitse autoriteiten en de Nederlandse rijksbureaus. Alle ex- en importopdrachten naar en uit Duitsland werden door het rijksbureau via hem verzonden. Daarnaast verzamelde hij gegevens voor de Duitsers betreffende de mogelijkheden van de Nederlandse economie en het gebruik dat Duitsland daarvan zou kunnen maken.
De doleantie leek aan de oude Hervormde dorpskerk voorbij te gaan, waarbij de notulisten makkelijk 2 verslagen op één pagina kwijt konden. De notulen werden ondertekend door ds. B.A. de Jong (die blijkens het handschrift ook het verslag schreef) en ouderling Leendert van Tilburg. Maar in november 1886 stond de kerkvoogdij het verzoek van de kerkenraad toe om een collecte te houden voor de Vrije Universiteit. In maart 1887 vertrok ds. De Jong. De predikant van Moordrecht weigerde als consulent op te treden. Na 9 beroepen was er nog geen nieuwe predikant en keurde de kerkenraad goed om op winteravonden op donderdagavonden godsdienstoefeningen te houden met predikanten van de "christelijk gereformeerde gemeente". Op 17 januari 1888 werd in de consistoriekamer van de NH kerk een eigen "Vereniging tot stichting en instandhouding van een School met den Bijbel" opgericht; erkend als rechtspersoon bij KB van 6 mei 1888, nr. 118 (Staatscourant 1 en 2 juli 1888, nr. 154). In meer orthodoxe kerken waren bezwaren tegen de bundel Evangelische gezangen van 1807. Daarom werd in de dorpskerk het woord "gezang" veranderd in "vers". Sommigen gingen kerken in Moordrecht, waar kennelijk een ander klimaat heerste. In 1887 vroeg de Moordrechtse predikant een bewijs van goed zedelijk gedrag (attestatie) om 2 jongelieden te Moordrecht belijdenis te kunnen laten doen, zodat ze zich later weer bij hun eigen kerk konden inschrijven onder overlegging van hun attestatie. Hiermee was het voor de kerkenraad onmogelijk leden te weren die er andere opvattingen op na hielden. De kerkenraad weigerde aanvankelijk de attestatie af te geven, omdat de jongelui in kwestie de godsdienstoefeningen niet bijwonen, maar wel de herberg bezoeken. Men wilde het niet op de spits drijven en besloot de attestatie af te geven als het gedrag der beide jongelui in de komende weken daartoe aanleiding zou geven. De voorzanger en voorlezer van de gemeente, traditiegetrouw het hoofd van de openbare lagere school, A.J. Fijan, wilde geen dienst doen als er een chr. geref. predikant voorging. Maar onder druk van de kerkeraad zwichtte hij. In januari 1889 deed ds. J.C. de Mol intrede, bevestigd door zijn zwager, ds. Hoek uit Zevenhuizen. In de kerkenraadsvergadering van 16 januari kreeg hij de sleutel van de archiefkast, het notulenboek, het lidmatenboek en het trouwboek. Met het verslag van deze vergadering opent het notulenboek van de kerkenraad der "Nederduitsche Gereformeerde Kerk". Toen de breuk later een feit was, heeft de predikant kennelijk hier het begin willen markeren. In een volgende vergadering maakte de kerkenraad bezwaar tegen het afleggen van doopbeloften door ouders die geen belijdend lid zijn en de kerkenraad besloot dat in zo'n geval een lidmaat moet worden aangewezen om als doopgetuige de doopvragen te beantwoorden. Te Moordrecht doopte men kinderen waarvan de ouders geen belijdend lid waren. In februari 1889 vroeg de classis of in N'kerk een dolerende kerk bestond. De kerkenraad antwoordde ontkennend maar stuurde wel een pittige brief waarin bezwaar werd gemaakt tegen de gang van zaken in Moordrecht, betreffende vooral: 1. dopen van kinderen waarvan de ouders geen lid zijn, 2. het belijdenis laten doen door lieden die de grondwaarheden van de kerk in lichtzinnigheid loochenen. Op 8 mei kwam een classicale delegatie poolshoogte nemen en werd er gevraagd waarom de ouders van bepaalde kinderen niet in de doopboeken voorkwamen. Op 30 augustus was er een kerkenraadsvergadering met 7 doopvaders. Voor de ouders die geen lidmaat waren, zou de kerkenraad als getuige optreden als bewijs dat men mild genoeg was. Op de vergadering van 30 oktober 1889 bleek de meerderheid te willen breken met de synode en op de kerkenraadsvergadering van 5 november werd het definitieve besluit genomen. Diaken Arie van den Dool distantieerde zich hiervan. De stukken voor de koning, burgemeester en kerkvoogden werden op 25 november ondertekend door de predikant en de broeders Karreman, Van Rijswijk, Blijdorp en Van der Ham. Op zondag 24 november had de predikant de doleantie al vanaf de kansel bekend gemaakt. De classis schorste meteen de kerkenraadsleden "provisioneel" uit hun ambt, waarbij het gebruik van het kerkgebouw aan de kerkenraad werd geweigerd. Toen ds. De Mol op zondag 2 december bij de kerk kwam, vond hij de kansel bezet en werd het hem onmogelijk gemaakt voor te gaan. Blijkens een brief van meester G. Hogeweg uit 1939 had men hier min of meer op gerekend en week men uit naar de School met de Bijbel die juist eind november was klaar gekomen. Heeft men met de breuk gewacht tot dit gebouw beschikbaar was? In het bestuur van de school zaten ds. De Mol Moncourt, Van Rijswijk, Blijdorp en Van der Ham. Het was dan ook geen verrassing dat het schoolbestuur de dolerende kerk aanbood gebruik te maken van de school, maar onder voorwaarde dat bij elke dienst éénmaal gecollecteerd zou worden voor instandhouding van de school. Tussen de 3 lokalen van de school konden de schuifdeuren open, zodat een flinke ruimte ontstond. Op 2 december 1889 werd de eerste preek gehouden in de school. De spanningen deden ds. De Mol geen goed en hij kreeg zelfs op de kansel epilepsie-aanvallen. Op 16 september 1890 kwam Abraham Kuyper persoonlijk naar Nieuwerkerk. Hij stelde voor de schorsing van ds. Mol ongedaan te maken en emeritaat aan te vragen bij de classis, hetgeen gebeurde en later definitief geregeld werd. In het begin was er nog geen orgel, maar er was een voorzanger. Het eerste orgel kwam in 1903. De vrouwen zaten op stoelen en de mannen gingen in de schoolbanken zitten. Aangezien de hervormde gemeente nu zonder kerkenraad zat, deed de classis voorlopig dienst als kerkenraad Op zondag 2 maart 1890 bevestigde men ouderling A. Vis en drie diakenen. Maar het notulenboek was nog in het bezit van ds. De Mol en men kon zelfs niet in de kasten van de consistoriekamer, omdat die nog op slot zaten. De deurwaarder moest er nog aan te pas komen om een en ander in handen te krijgen. Ds. De Mol Montcourt moest tevens de pastorie ontruimen. Broeder E. Hoogendijk deelde mede dat hij beide voorkamers van zijn huis ter beschikking stelde van de predikant. Zondagschool en jongelingsvereniging gingen met de dolerenden mee, evenals het grootste deel van de kerkenraad. Numeriek leek het voor de achterblijvenden mee te vallen: ca. 20 gezinnen braken met de hervormde gemeente, bestaande uit 40 belijdende leden en 100 doopleden. Dat was ca. 5% van de doopleden en 10% van de lidmaten. Maar kwalitatief was het een enorm verlies, want de kerk verloor grotendeels haar kader. Op 14 maart 1890 is voor het eerst sprake van een commissie Kerkelijke Kas. Men besloot de oude- en nieuwe bijbelvertaling beurtelings te gebruiken, maar vermeed verouderde woorden als "ende" en "dier gelijken". Als ds. Dalhuijsen elders preekte, las broeder L. van Rijswijk preek, maar ds. Dalhuijsen vond, dat ook andere broeders dat hoorden te doen, wat ze al tegensputterend gingen doen, maar één broeder kreeg vrijstelling omdat hij nooit op school had gezeten. Niet ieder was enthousiast over het preeklezen: één broeder bezocht bij zulke gelegenheden de NH kerk. Een broeder liet demonstratief weg toen de predikant het had over Zuid-Afrika (politiek in de kerk). De nieuwe kerk bestond uit ca. 40 kinderrijke gezinnen, merendeels eenvoudige mensen met weinig geld die hard moesten werken als arbeider, tuinder, klompenmaker en timmerman. Een groep die voor de moderne beschouwer wat al te nauwgezet toezag op elkaars leven en leer in de kleinschaligheid van het bestaan, maar niettemin de toon zette voor latere geslachten. Presentielijst van vergadering van manslidmaten op 12 oktober 1897: G. Dalhuijsen, P. Kapteijn, G. Hogeweg, D. Niebling, Th. Nobel, D. Rooker, B J. v.d. Ham, J. Potwijt, A. Rook, J. Bout, P. de Graaff, J. Westmaas, K. Stolk, W. Blijdorp, J. Fijan, D. Twigt, D. van Rijswijk, J. Twigt, L. Vente, J. van Rijswijk, A. van Leeuwen, A. van Leeuwen, C.P. Kapteijn, D. Kapteijn, H. van Vliet, I. Spok, C. Fijan, G. Dul, H. Rolloos. De wijkindeling blijkt doordat de huisbezoeken op de kerkenraad werden geregeld: 's-Gravenweg / Prins Alexander en Dorp / Kortenoord / Zuidplas en Groeneweg / nabij Hitland / Hitland en Ouderkerk. Aangezien de gemeenten Ouderkerk a/d IJssel en Zevenhuizen aanvankelijk geen dolerende kerken kenden, kwamen diverse leden uit de regio naar Nieuwerkerk, o.a. A. Karreman en A. van der Knaap uit Zevenhuizen; J. van Rijswijk en de broers A. en G. Mourik uit Ouderkerk. Na de kerkenraadsvergadering van 27-04-1896 werd in de notulen aangetekend dat de naam van de kerk voortaan zou luiden: "Gereformeerde Kerk te Nieuwerkerk a/d IJssel". Men ging voortaan tevens in kerkverband leven niet enkel met de kerken waarmee synodaal vergaderd werd, maar ook met die andere Gereformeerde Kerken die tot hiertoe vergaderden onder de naam van Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk. In 1944 escaleerde de kwestie-Schilder in N'kerk. Maar uiteindelijk bleef in N'kerk de eenheid bewaard en bleef men synodaal. In de jaren '50 emigreerden de volgende gezinnen of belijdende gemeenteleden naar Canada: fam. W. Kapteyn, S. Koole, een aantal kinderen uit het gezin van A.P. Koole, W. Smit, P. Hoogendoorn, A. Stolk, P. Schep, C. Maaskant Jzn, D. Karreman, G. Mourik, P. Mourik, W. van der Ham. De eerste kerkenraadsvergadering waarin vrouwen officieel uitgenodigd waren, was die van maart 1955. Maar in 1957 stelde de meerderheid van de kerkenraad zich nog op achter Paulus ("Dat zij zwijge"). In 1971 werden de eerste 3 vrouwelijke ambtsdragers bevestigd. Ds. H.J. van Leeuwen (hervormd predikant van de buitengewone wijkgemeente De Bron) nodigde in december 1971 de kerkenraad uit voor een "snertmaaltijd", welke uitnodiging met enthousiasme ontvangen werd. In 1971 wilde ds. Van der Drift zijn zoon laten dopen door de bevriende hervormde predikant van De Bron. Door een misverstand raakten de gemoederen eerst tamelijk verhit, maar uiteindelijk was bijna ieder het ermee eens, al waren enkele gemeenteleden na afloop van de doop niet bereid de predikanten de hand te drukken. In 1968 besloot de kerkenraad dat het zwarte pak voor ambtsdragers voortaan vrijblijvend zal zijn, maar men beval een stemmig pak aan. In 1976 werd besloten het avondmaaalsboek af te schaffen, een register waarin werd bijgehouden wie regelmatig niet aangingen aan het Heilig Avondmaal. Men werd wat huiverig betreffende tuchtmaatregelen. Toelating van kinderen tot het Heilig Avondmaal vond plaats met ingang van 1983. De ene predikantsplaats die N'kerk van oudsher kende, werd uitgebreid via een pastoraal medewerker tot een full-time predikant èn een predikant voor 2/3 van een full-time functie. Kerkgebouw. orgel, pastorie Gerealiseerd in 1983. Over een eventuele nieuw te bouwen kerk sprak de kerkenraad voor het eerst in 1959. In maart 1960 werd een collecte "uitbreiding eredienst" ingesteld, de latere kerkbouwfondscollecte. In 1960 werd een kerkbouwfondscommissie ingesteld, om geld in te zamelen. Onder de activiteiten was ook die van de zangeres Greetje Kersbergen die de opbrengst van haar platen ter beschikking stelde. De kerkdienst in verband met de ingebruikneming van een nieuw kerkelijk centrum vond plaats op 28 januari 1970, voorganger ds. C.J. van der Drift. Vrijdag 13 december werd de eerste paal geslagen door mevr. Z.R.J. Warnink-de Boer, echtgenote van de plaatselijke predikant. De beheerder van het nieuwe centrum was de heer Hekman, geassisteerd door zijn echtgenote. Het Ontmoetingscentrum werd vanaf de ingebruikneming door de rooms-katholieke parochie gehuurd voor de zondagse eredienst. Ook de hervormde buitengewone wijkgemeente hield gedurende een aantal jaren de erediensten in het Ontmoetingscentrum, totdat De Bron klaar was. Op 30 januari 1983 werd het gebouw gesloten in verband met de vergroting van het gebouw. Op zaterdag 30 april 1983 werd het in gebruik genomen met een feestelijke dienst. De vergrote kerkzaal was nu geschikt voor 450-500 kerkgangers. Schilderij door kunstenaar C.H. Scholten. Glasraam door glazenier F.C. Heetman. In 1944 ontstond een spectaculaire actie om fondsen te werven voor een nieuw orgel. Hiertoe werd o.a. een verjaardagsfonds opgericht. Het begon eigenlijk met het optreden van de orgelcommissie, bestaande uit A. Vente, W. Kapteyn, L. Karreman Hzn. en later ook J. van Mazijk en G. van Kranenburg. In 1948 werd een nieuw orgel gekocht bij de fa. Van Leeuwen te Leiderdorp. Het oud gemeentelid prof. dr. M.A. Vente uit Utrecht werd ingeschakeld om voor de nieuwe kerk voor een orgel te zorgen. Het oude orgel werd verkocht. Het nieuwe orgel werd gebouwd door fa. J. de Koff en Zoon uit Utrecht. In 1953 vatte de kerkenraad het plan op voor een nieuwe pastorie. Er werd een verjaringsfonds ingesteld, waarvan de opbrengst voor de te bouwen pastorie bestemd zou zijn.
De inwoners van Made vielen niet alleen op bestuurlijk gebied onder Geertruidenberg, maar ook op kerkelijk gebied. Waren zij op de kerk in die stad aangewezen. Aan het begin van de 16e eeuw was het bevolkingsaantal zo toegenomen dat de bouw van een kapel te Made mogelijk werd. In 1512 verrees aldaar een kleine bijkerk van Geertruidenberg, die toegewijd werd aan deH. Maagd Maria en later aan de H. Adrianus. Een kapelaan uit Geertruidenberg deed er op zon- en feestdagen diensten. In 1519 stond er in de kapel nog slechts een draagbaar altaar. In afwijking van de regel dat een altaar geheel van steen en vastgemetseld diende te zijn, was dit een houten altaar met een losse steen. Het toedienen van de sacramenten zoals doop en huwelijk mocht niet in de kapel gebeuren, daarvoor bleven de parochianen aangewezen op de kerk te Geertruidenberg, waarheen zij zich met de dopelingen dienden te begeven. Uit een in 1558 afgelegde verklaring door de priester Peter de Wolf en enkele anderen blijkt dat de kapel niet over een doopvont beschikte. Met de pasgeboren kinderen moesten de Madenaren naar Geertruidenberg en dat ondanks stormen, dijkbreuken, inundaties of sneeuwstormen. Het is toen voorgekomen dat borelingen tengevolge van het koude weer en de emoties onderweg overleden. Ook gebeurde het wel eens dat een baker met een pasgeborene op de arm over een sloot moest springen. De weg naar Geertuidenberg liep nog niet over de Steelhovensedijk, maar over de Rijakkers. Het is niet bekend of de in 1558 ingestelde pogingen om een doopvont in Made te krijgen gelukt zijn. De in 1512 gebouwde kerk stond op de plaats van de huidige Nederl. Hervormde kerk aan de Adellaan. Dat gebouw bevat nog wel bestanddelen uit die tijd. Tengevolge van oorlogshandelingen rond de vesting Geertruidenberg tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd de kapel zwaar beschadigd. Reeds in 1589 kon de katholieke eredienst er niet meer in uitgeoefend worden. Nadat Geertruidenberg in 1539 voorgoed in Staatse handen overgegaan was, werd het zelfs onmogelijk voor een priester openlijk diensten in dit deel van het gewest Holland te doen. Voor hun eredienst waren de Madese katholieken aangewezen op de kerken en de pastoors van de Brabantse parochies Oosterhout en Terheijden. De oorspronkelijke kapel te Made werd in 1609 herstelde en ter beschikking gesteld van de protestanten, die in 1610 hun eerste officiële predikant kregen. Dit geschiedde in de periode van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), dat de oorlogshandelingen onderbrak, maar waarbij in dit deel van Holland de laatst overgebleven pastoors moesten verdwijnen. In de Brabantse buurgemeenten duurde het nog tot de Vrede van Munster in 1648 eer ook daar de pastoors verdreven werden en de tot dan nog door hen gebruikte kerken aan de protestanten moesten overgegeven worden. Intussen was er in de Hollandse stad Geertruidenberg in 1645 een pastoor teruggekeerd, die oogluikend werd toegelaten door de stedelijke overheid, die er ook de inrichting van een schuurkerk duldde. Na dat jaar treft men in de boeken van de Bergse pastor nogal wat inschrijvingen van dopelingen uit Made en andere dorpen uit de wijde omgeving aan. Vermoedelijk was al in 1669 de in Oosterhout geboren priester Wijnant Olijslagers te Made om er de parochianen te gaan bedienen. Zijn parochie strekte zich uit over Made, Drimmelen en Standhazen, Hooge en Lage Zwaluwe en Moerdijk. Niet lang na zijn komst verrees een schuurkerk in de buurtschap van Made, die daaraan de naam Oude kerk heeft ontleend, namelijk aan de Kerkdijk en oude Kerkstraat, daar waar de weg van Zwaluwe naar Made liep. De vestiging van deze priester deed nogal wat stof opwaaien. De Madese predikant Samuel Pistorius klaagde in de Dordtse synode van 1671 dat “sekere mispaep Winant Olijslagers” het bestaan had in te kruipen in het dorp Made. Hierover was een schriftelijke klacht ingediend bij het stadsbestuur van Geertruidenberg, dat wel getracht had de voorschriften op dat punt te doen naleven, doch dat had weer tot gevolg gehad dat de predikant door “die van ’t Pausdom” niet alleen was bedreigd, maar ook werkelijk was beschadigd. Volgens de klachten van de predikant waren bomen op zijn erf afgehouwen, zijn vee losgemaakt en verdreven en zijn water vergiftigd. Hoewel over de moedwil en de “stoutichheden des Pausdoms” niet alleen te Made, maar ook te Breda en te Culemborg nog in de synodes van 1672 en 1673 geklaagd wordt, is de zaak niet meer teruggedraaid. De overheid had trouwens wel iets anders aan het hoofd na de inval van de Fransen in het rampjaar 1672. De Franse legers trokken in snel tempo op naar Utrecht een spoor van vernietigingen achterlatend. Nog jarenlang was de bevolking tot Franse contributies verplicht en als er niet snel betaald werd dan voerden de Fransen hun bedreigingen met brandschatting snel uit, zoals o.a. de inwoners van Dongen en ’s Gravenmoer in 1672 ondervonden. Ds. Pistorius overleed te Made in 1674. Sedert de komst van pastoor Olijslagers is de parochie Made blijven bestaan. De reden dat ook Drimmelen en Standhazen, Hooge en Lage Zwaluwe en Moerdijk daartoe behoorden was gelegen in het feit dat die dorpen ieder afzonderlijk niet in staat waren een parochiekerk te bouwen en een geestelijke te onderhouden. De schuurkerk toegewijd aan de H. Bernardus was een rechthoekige houten schuur bedekt met een rieten zadeldak van 12 x 13 Rijnlandse roeden (ruim 45 x ruim 11 meter). Een eeuw na de bouw voldeed deze kerk niet meer aan de behoeften. Het gebezigde materiaal maakt dat niet vreemd, maar ook het aantal parochianen in deze uitgestrekte parochie was zeer aanzienlijk toegenomen. Daar kwam nog bij dat ook bewoners van Stuivezand en Wagenberg zich voor de vervulling van hun zondagsplicht naar de Madese schuurkerk begaven. Veelal moesten talrijke kerkgangers de diensten buiten voor de deur van de kerk volgen. Om die redenen verzochten pastoor Berkmans en het Kerkbestuur in januari 1765 aan de overheid toestemming om de schuurkerk met een stenen aanbouw van 16 Rijnlandse voeten (ongeveer 5 m.) te mogen verlengen en dit nieuwe gedeelte te voorzien van een pannen dak met wolfseind. Na de ambtelijke molen doorlopen te hebben kwam de toestemming op 15 mei van dat jaar af, doch kort nadien overleed de pastoor. Zijn opvolger, Adriaan de Veth, aanvaardde het pastoraat van Made op 30 juli 1765. Terstond stelde hij openlijk pogingen in het werk om het bedehuis fraaier en hechter te maken en heimelijk trachtte hij ook een groter gebouw te maken. Vooral dat laatste leidde ertoe dat de overheid zich in haar wiek geschoten achtte en de parochie moest uiteindelijk genoegen nemen met het oorspronkelijke plan. In de tweede helft van 1766 ving de verbouwing aan, die voor half juli 1767 gereed kwam. Na de inspectie stemden de Gecommitteerden Raden van de Staten van Holland op 27 oktober 1767 in met de weder in dienst stelling van de schuurkerk, mits de noodkerk in een nabijgelegen schuur terstond gesloten zou worden. Intussen was het aantal katholieken in het Zwaluwse gedeelte van de parochie zo toegenomen, dat de behoefte aan de stichting van een eigen parochie aldaar meer en meer gevoeld werd. Reeds in 1768 stelden de Zwaluwse katholieken tevergeefs pogingen in het werk, doch hoewel de houding tegenover de katholieken en hun godsdienstuitoefening sedert het Hollandse plakkaat van 21 september 1730 wat soepeler geworden was, werd de stichting van nieuwe parochies niet toegestaan. De inwoners van de Zwaluwe haalden dus nul op hun rekest, ook bij de hernieuwde pogingen die zij in 1776-1777 deden. Na de opkomst van de eerste patriottenbeweging van 1780 tot 1787 wijzigde zich de opstelling van de patriottische regenten, die in Holland allengs de overhand kregen, tegen over de katholieken. De katholieken van Zwaluwe hebben van deze gunstige politieke situatie gebruik gemaakt en wisten ondanks verzet van verschillende zijden gedaan te krijgen dat hen de stichting van een eigen parochiekerk werd toegestaan. De kapelaan van made Matthijs van Hooff werd hun eerste pastoor, die in december 1787 zijn eerste mis in het nieuwe bedehuis te Zwaluwe celebreerde. Dit was enige maanden na de Restauratie van de Oranjegezinden, die echter de zaak niet meer hebben teruggedraaid. Pastoor de Veth, had zich aanvankelijk negatief opgesteld tegenover het Zwaluwse streven, vooral vanwege de te verwachten financiële consequenties. Nadat de gunstige besluiten voor de Zwaluwse parochiestichting genomen waren, wordt niets meer over een eventueel verzet van de pastoor vernomen, doch de overeenkomsten tussen beide parochies blijken voor Made niet onvoordelig te zijn uitgevallen. Voor de ingekrompen parochie Made stond de kerk nu wel erg uit het centrum en vooral voor de bewoners van Standhazen, Rijakkers en Voorstraat was de weg daarheen wel erg lang. Veel parochianen zullen het dan ook als een uitkomst beschouwd hebben, dat de schuurkerk op 5 juni 1795 door de bliksem getroffen werd en tot de grond toe afbrandde. De kerkmeesters reisden naar Den Haag om de overheid in kennis te stellen van het ongeluk en toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk te verzoeken. Vooral dit laatste was gemakkelijker omdat juist in 1795 de Fransen hun “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” hadden gebracht en overal de vroegere patriotten op het paard hielpen. Ook op bestuurlijk gebied had made zich in dat jaar losgemaakt van Geertruidenberg en had een eigen zelfstandig gemeentebestuur verkregen. Pastoor De Veth liet een nieuwe kerk bouwen op een plaats iets ten noorden van de huidige. Enkele parochianen hadden zich tegen deze plaats verzet en wilden een nieuwe kerk op de plaats van de afgebrande. Aangetoond werd dat een verzoek hiertoe mede door een aantal inwoners van omliggende gemeenten en zelfs door enkele protestanten ondertekend was. De nieuwe kerk gelegen aan de huidige Kerkstraat werd in 1796 door de Deken van Geertruidenberg ingezegend. Niet lang daarna kwam Made met de rest van het Hollandse gebied ten zuiden van de grote rivieren tot Brabant te behoren en werd de in 1795 ontstane gemeente in 1810 met die van Drimmelen verenigd. De in 1796 gebouwde kerk werd voor de groeiende parochie Made langzamerhand te klein. In 1841 werd het gebouw verfraaid en vergroot, maar ook dat bleek maar enkele decennia voldoende. In 1870 legde de neef van pastoor M. van de Zwaluw, de architect Jan Verheijen de fundamenten van de huidige kerk.. Het Rijk bood voor de nieuwbouw een subsidie van fl. 3.000,-- op voorwaarde dat het werk publiek zou worden aanbesteed onder toezicht van de genie. De architect achtte het meer gewenst dit aanbod niet aan te nemen, omdat het voordeliger zou zijn de kerk zonder subsidie in dagloon te laten bouwen. Hij had gelijk. De nieuwbouw werd in augustus 1871 ingewijd. Ter gelegenheid van het zilveren pastoraat van L. van Doremalen werd hem op 14 april 1024 door zijn parochianen een blijvende herinnering aangeboden in de vorm van een nieuw uurwerk in de toren en een luidklok en een angelusklokje. In 1936 werden het torentje en gedeelten van het kerkdak hersteld. Nog in hetzelfde jaar liet het Kerkbestuur 50 nieuwe kerkbanken tegen de zijwanden plaatsen naar het voorbeeld van de banken in de middengang. Het volgende jaar kreeg de kerk een lang verwachte verbetering n.l. de aanbouw vaan een doopkapel ten oosten aan de kerk en van een portaal met drie ingangen. De ene uitgang van de kerk had steeds tot veel gedrang aanleiding gegeven. De nieuwe doopvont kon pas op 8 maart 1938 in gebruik genomen worden. De ramen van de doopkapel en in de middengang van de kerk werden door de glazenier Toon Berg uit Dordrecht geleverd. Dezelfde die ook de 7 medaillons voor het parochiehuis in 1939 vervaardigde. Tijdens de Duitse bezetting zag het Kerkbestuur toch kans in 1941 – 1942 een centrale verwarming in de kerk te laten aanleggen. De oorlog berokkende de kerk de schade toen op bevel van de bezetter op 2 februari 1943 de grote klok uit de kerk gehaald en op 13 februari d.a.v. weggevoerd werd. Deze klok keerde niet terug. Het eveneens uit 1924 daterende angelusklokje mocht als alarmklok blijven hangen. Na de oorlog bracht een collecte voldoende op om B. Eijsbouts te Asten opdracht te geven een nieuwe klok te gieten. Deze werd op 7 december 1947 ingewijd. Reeds in 1935 bestonden er plannen een H. Hartbeeld in de parochie te plaatsen, waartoe de plaatselijke dokter Dr. J.H. Klijn het initiatief nam. Het grootste gedeelte van de benodigde gelden was bijeengebracht toen de oorlog roet in het eten gooide. De steen om het beeld te vervaardigen werd reeds in maart 1941 aangekocht, doch het duurde nog jaren eer de plannen verwezenlijkt konden worden. De initiatiefnemer, die intussen van zijn welverdiende rust was gaan genieten, overleed 31 januari 1945 te Dolder, doch zijn plan is uitgevoerd. Op zondag 20 juli 1948 vond de intronisatie van het H. Hartbeeld op de hoek van Kerkstraat – Kloosterstraat – Stationsstraat plaats. Het voltallig gemeentebestuur en alle katholieke godsdienstige en sociale verenigingen gaven daarbij acte de présence. Het beeld is vervaardigd door de beeldhouder H. Jonker uit ’s-Hertogenbosch. Pastoor Deken Jos van den Hout herdacht 24 mei 1952 zijn gouden priesterfeest en bij die gelegenheid verwierf de kerk een nieuw orgel met 23 registers, gebouwd door de Gebr. Vermeulen uit Weert. De parochianen maakten deze aanschaf via hun vrijwillige bijdragen mede mogelijk. Toen deze pastoor het volgende jaar zijn zilveren pastoraat vierde, tastte zijn parochianen wederom stevig in de buidel om de kerk van een geluidsinstallatie te voorzien. Deze werd op Tweede Paasdag 6 april 1953 in gebruik genomen. De vernieuwingsdrang in het midden van de zestiger jaren, die ook de Bernarduskerk niet ongemoeid liet, leidde tot verwijdering van bijna alle beelden, de drie altaren, de vrij zwaar beschadigde kruisweg en kruisbeeld en de niet al te fraaie wandbeschilderingen. Voor veel parochianen was er weinig sfeer, symboliek en warmte overgebleven. Gelukkig was niet alles vernietigd of verkocht, zodat toen het getij keerde het mogelijk was de beelden van de zolder te halen en weer op de sokkels langs de zijwanden te plaatsen. Het oorspronkelijke kruisbeeld werd tegen een nieuw kruis voor in de kerk teruggehangen en geflankeerd door twee beelden. Er werd wederom een middenpad aangebracht en op het podium zijn een altaar, een preekstoel en een lezenaar, vervaardigd uit gedeelten van de vroegere communiebank, in ere hersteld. Ook kwam er een nieuwe wat bescheidener kruisweg. Een en ander was in 1993 gereed, terwijl in dat jaar ook de toren een opknapbeurt kreeg met nieuwe leien en de haan met bol met bladgoud werden belegd. Zusters van Liefde. In 1853 vestigden zich in de parochie van Made vier zusters van de Congregatie van O.L. Vrouw van barmhartigheid uit Tilburg. Een klooster kon gebouwd worden uit verscheidene liefdegiften en bijdragen o.a. van pastoor Mattheus van de Zwaluwe. Zuster Angelina was de eerste overste. Haar wereldlijke naam, Lucia Eijcken, is aan een der Madese straten verbonden. De zusters begonnen met het geven van handwerkles en godsdienstonderricht. In 1861 openden zij een lagere school voor meisjes. Een bewaarschool werd ingericht in de oude pastorie. In 1869 startten de zusters met een internaat, dat uitgroeide tot het bekende Sint Josephpensionaat met MULO-school en zelfs een modevakschool voor meisjes uit het gehele land, waaronder veel schippersdochters. In 1897 vingen de zusters ook aan met de huisvesting en verpleging van ouden van dagen. Door het steeds toenemend aantal pensionaires en het aantal schoolgaande meisjes in de parochie moest het Kerkbestuur in 1901 besluiten tot een flinke uitbreiding. Namelijk de stichting van een nieuw gebouw voor zusters en pensionaires. Bestemming van het oude gebouw tot lagere school voor meisjes en tot oudenvrouwenhuis en inrichting van de oude pastorie, die als bewaar- en naaischool in gebruik was, tot oudenmannenhuis. Architect L. Goijaerts uit Tilburg ontwierp het nieuwe hoofdgebouw dat door Th. Blijlevens voor fl. 60.000,- werd gebouwd. Het gehele complex werd op 19 juli 1902 plechtig ingezegend door pastoor L. van Doremalen. Bij het eeuwfeest van de zusters in deze parochie op 24 oktober 1953 klonk al door dat er ter weinig nieuwe roepingen waren, zodat kloosters dreigden opgeheven te worden, doch in Made waren er toen nog geen tekenen die daarop wezen. Zo werd zelfs het pensionaat in 1965 nog uitgebreid met een nieuw hoofdgebouw. Men kon toen nog niet vermoeden dat deze instelling op 1 augustus 1976 definitief zijn poorten zou moeten sluiten. Nadat de Zusters van Liefde hadden laten weten dat zij eerlang verplicht zouden zijn om de bejaardenzorg in Made geheel van zich af te schuiven om zich nog alleen aan het onderwijs te wijden, verscheen in november 1957 een eerste rapport over de bejaardenzorg te Made. Op 3 november 1960 volgde de oprichting van de Stichting “De Wijngaerd”. Van een bejaardencentrum met dezelfde naam werd in januari 1964 de eerste steen gelegd. De officiële opening vond plaats in mei 1965. De bejaarden in het klooster van de Zusters van Liefde bleven aldaar verpleegd, doch nieuwe verpleegden werden niet meer toegelaten. Onderwijs. De invoering van de Wet op het Lager Onderwijs in 1920 opende de mogelijkheid voor de oprichting en exploitatie van scholen voor het bijzonder onderwijs overheidsbijdragen te verkrijgen. Tot dan hadden de meeste parochies slechts kans gezien het onderwijs aan meisjes door zusters te bekostigen en moesten noodgedwongen het onderwijs aan jongens aan openbare scholen overgelaten worden. Zoals reeds gemeld was het te Made niet anders. Evenals elders maakte het Kerkbestuur ook hier gebruik van de mogelijkheid en kwam een nieuwe R.K. jongensschool tot stand, waarvoor in 1924 van de gemeente 8 van de 10 lokalen van de openbare lagere school en de onderwijzerswoning aan de Marktstraat – Schoolstraat werden overgenomen. Na aanpassingen kon deze school op 12 augustus 1924 door de pastoor ingezegend worden. Een R.K. Huishoudschool werd 1 oktober 1948 ingewijd. Over de verdere lotgevallen van het katholieke onderwijs kunnen we in deze inleiding kort zijn. De regeling van het bijzonder lager onderwijs zowel aan meisjes als jongens, dat intussen al geïntegreerd was, werd in 1965 geheel door de Stichting R.K. Schoolbestuur te Made van het Kerkbestuur overgenomen. Dezelfde Stichting nam in 1970 ook de scholen in de Blasiusparochie over. Weliswaar bleven nog zusters te Made in het onderwijs werkzaam, doch hun aantal nam, steeds meer af. Patronaat en parochiehuis. De zorg voor de opgroeiende jeugd manifesteerde zich in de oprichting van een jongerenpatronaat. De nieuwbouw van dit patronaat, toegewijd aan de H. Aloysius, kostte ongeveer fl. 12.500,-- en werd op 10 augustus 1913 ingezegend. Op 5 augustus 1928 richtte Mgr. Frencken een Katholieke Jeugdvereniging voor meisjes op. Deze vereniging, waarvan eerst een aantal meisjes werkzaam op de Hollandsche Kunstzijde Industrie te Breda lid van werden, ontwikkelde zich langzamerhand met het gevolg dat het vergaderlokaal bij de zusters niet meer voldeed. Na aanvankelijke plannen tot de aankoop van een pand, viel het besluit een verdieping te plaatsen op het jongenspatronaat. Tevens kocht het Kerkbestuur eind 1931 een stuk grond in de Patronaatstraat om tot speelplaats te dienen. De nieuwbouw werd 3 juli 1932 door de pastoor- Deken van Made ingezegend. Een parochiehuis bestaande uit een vergaderzaal voor de R.K. Werkliedenvereniging en een bovenzaal voor de vergaderingen van de Jonge Werkman en de Jonge Boerenstand, werd in 1938 en 1939 gebouwd. De Werkliedenvereniging nam, haar vergaderzaal, hoewel nog niet afgewerkt, op 30 april 1939 in gebruik. Het beheer van dit parochiehuis kwam in 1968 in handen van een afzonderlijke Beheerscommissie. DE H. BLASIUSPAROCHIE. Om een goed inzicht in de situatie te verkrijgen is een nadere omschrijving van de ligging van de parochie noodzakelijk. De buurtschappen Stuivezand en Hoogerheide, ook wel de duin genoemd, strekten zich ten tijde van de stichting der parochie nog uit onder Den Hout in het noordwestelijk deel van de gemeente Oosterhout en onder Made in het zuidwestelijk deel van die gemeente, terwijl er ook nog een oostelijk gedeelte van Wagenberg onder de gemeente Terheijden toe gerekend werd. De bewoners van dit gebied waren parochianen van de H. Cornelius te Den Hout, de H. Gummarus te Wagenberg en de H. Bernardus te Made. De beide eerste parochies ressorteerden onder het Bisdom Breda en de laatste onder het Bisdom ’s-Hertogenbosch. De gemeentegrens en tevens de grens tussen de Bisdommen liepen midden over de grote doorgaande weg door het gehucht Stuivezand n.l. Haasdijk – Antwerpsestraat – Zuideindsestraat. In vroeger eeuwen vormde dat tevens de grens tussen het gewest Holland en het generaliteitsland Brabant. Verandering in deze situatie kwam er toen per 1 januari 1956 het gebied van het Dekenaat Geertruidenberg w.o. de parochie van de H. Bernardus te Made ressorteerde, aan het Bisdom Breda werd toegevoegd en toen na meer dan twintig jaar onderhandelen de Oosterhoutse gehuchten Stuivezand en Hoogerheide in 1964 door de gemeente Made en Drimmelen konden geannexeerd worden. Evenals in Made nam de parochie van de H. Cornelius te Den Hout in 1925 de openbare school aldaar van de gemeente Oosterhout over om er een R.K. Jongensschool in te richten. Deze school was kort tevoren uitgebreid met twee lokalen, voornamelijk ter tegemoetkoming aan het verzoek der inwoners van Stuivezand en Hoogerheide om hun veraf wonende kinderen tijdens de middagpauze een geschikt onderdak te bieden. De parochie nam niet de gehele school over, doch liet de gemeente met twee lokalen zitten. Ondanks de overblijfmogelijkheid bleven de ouders van de afgelegen gehuchten de dagelijkse weg door weer en wind naar en van school voor hun kinderen bezwaarlijk vinden. Op 6 februari 1926 ondertekenden een aantal heren uit Stuivezand wonende onder Oosterhout, Made en Terheijden, een akte van oprichting van een Stichting ter bevordering van R.K. Bijzonder Onderwijs te Oosterhout. Het Stichtingsbestuur nam 18 februari 1926 reeds het besluit tot oprichting van een school voor gewoon lager onderwijs te Stuivezand van 6 of 7 klassen voor minstens 250 leerlingen. Dit besluit voorzien van de wettelijke voorgeschreven bijlagen en een door 71 gezinshoofden ondertekend verzoek verzond het stichtingsbestuur op 2 maart aan het gemeentebestuur van Oosterhout. Er ontstond nu een “schoolkwestie” tussen gemeentebestuur en stichtingsbestuur. De gemeente wees telkens de twee openstaande lokalen te Den Hout voor Stuivezandse school aan, waar het stichtingsbestuur natuurlijk geen genoegen mee kon nemen. In een later stadium wordt opgeworpen dat het onderwijs aan meisjes toch aan zusters opgedragen diende te worden en dat dus eigenlijk een parochie tot stand zou moeten komen. Het Stichtingsbestuur zat niet stil en wist te bereiken dat de bisschop van Breda bereid was een parochie te stichten, indien het gemeentebestuur een school zou bouwen. Intussen bleek hoe de kwestie in Stuivezand leefde, want bij de gemeenteraadsverkiezingen in mei 1927 behaalde de smid C.A. Klaassen, die lid van het stichtingsbestuur was, voldoende stemmen om een raadszetel in Oosterhout te bemachtigen. Hij was in die raad een ferme voorspraak, doch vond er weinig bijval. Het gemeentebestuur begon in te zien dat het op den duur de schoolbouw niet meer zou kunnen tegenhouden en knoopte daarom in augustus 1927 onderhandelingen aan met het gemeentebestuur van Made om de gehuchten Stuivezand en Hoogerheide te laten annexeren en dus een grenswijziging tot stand te brengen. Made voelde niets voor annexatie, omdat het dit alleen een afwenteling van de financiële consequenties van de schoolbouw achtte. Natuurlijk doorkruiste deze zaak weer de acties van het stichtingsbestuur, die daardoor weer wat langer opgehouden konden worden. Intussen had de bisschop van Breda de paters Passionisten bereid gevonden een klooster en open kerk te Stuivezand te bouwen, waardoor daar een rectoraat zou ontstaan, doch later had hij het beter geacht toch een parochie te stichten. De Madese pastoor had reeds toegezegd een gedeelte van zijn parochie te zullen afstaan, hetgeen door de bisschop van ’s-Hertogenbosch was goedgekeurd. Van de kerkelijke overheid van beide Bisdommen waren dus geen moeilijkheden te verwachten, toch bleef het gemeentebestuur van Oosterhout via tal van spitsvormigheden de zaak traineren. Het laatste redmiddel dacht het gevonden te hebben in de medewerking aan de bouw van een school afhankelijk te stellen van de benoeming van een pastoor waarmee overlegd zou moeten worden. Het wist dat de bisschop eerst de zekerheid van een te stichten school wilde alvorens een bouwpastoor te benoemen. Uiteindelijk wist het stichtingsbestuur via een bezwaarschrift van de Minister een gunstige beschikking d.d. 14 juni 1929 te verkrijgen. De gemeenteraad kon op 25 juni van dat jaar niet anders meer dan inwilligen van het verzoek van het stichtingsbestuur van 21 oktober 1926 om medewerking aan de stichting van een R.K. bijzondere school te Stuivezand en tot beschikbaarstelling van de benodigde gelden. De bisschop van Breda loste zeer spoedig zijn belofte in. Op 8 juli 1929 benoemde hij Petrus Johannes Rombouts, kapelaan van de St. Antoniusparochie te Roosendaal, tot bouwpastoor en stelde hem een ruime gift van fl. 15.000.- ter beschikking. Als eerste kerkmeester benoemde de bisschop de heren Th. Van Lange en C.A. Klaassen, die beiden deel uitmaakten van het stichtingsbestuur. Met de pastoorskeuze zal de bisschop de diplomatieke weg gevolg hebben, want pastoor Rombouts was een zoon van een welvarend parochiaan van de Houtse parochie van de H. Cornelius. Pastoor Van Breugel van deze parochie had nogal wat bezwaren gehad tegen de oprichting van een nieuwe parochie te Stuivezand. Op zijn 37e verjaardag begaf de nieuwbenoemde pastoor zich op 11 juli 1929 naar pastoor Van Breugel, die ondanks zijn eerdere bezwaren zijn volle sympathie en medewerking gaf aan de nieuwe parochie. Tezamen gingen zij naar pastoor Van den Hout te Made en met smid Klaassen bezochten zij de mogelijke bouwterreinen. Later voegde zich ook de heer van Lange zich bij het gezelschap. De keuze viel op een terrein dat toebehoorde aan mr. H.J.C.M. Allard, steenfabrikant en oud-burgemeester van Geertruidenberg , die al eerder grond voor een te bouwen kerk had toegezegd. De bouwpastoor had voor de patroonheilige van zijn parochie zijn keuze bepaald op de H. Blasius, patroon tegen keelziekte. Hij had zich hierbij laten leiden door de vele gevallen van difterie en keelaandoeningen die de afgelopen jaren in Oosterhout waren voorgekomen. Als architecten koos hij de Gebroeders Oomen te Oosterhout, die opdracht kregen een eenvoudige, doelmatige kerk met pastorie en toebehoren te ontwerpen. De grenzen van de parochie waren in overleg met de pastoor van Made en toestemming van de bisschop van ’s-Hertogenbosch al voor de benoeming van de bouwpastoor vastgesteld, die met Den Hout en Wagenberg werden nog op 11 juli 1929 in goede harmonie door de pastoors onderling geregeld en reeds de volgende dag door de bisschop van Breda bevestigd. De bouw van kerk en pastorie werd 28 oktober 1929 aanbesteed aan de laagste inschrijvers de aannemers P. Moll en Jos. Leijten uit Oosterhout en Raamsdonk. Het werk ving aan op 11 november onder toezicht van de opzichter Christ Nuijten uit Breda. De eerste steenlegging van kerk en pastorie vond onder grote belangstelling plaats op de feestdag van de H. Blasius, maandag 3 februari 1930. Het werk vlotte, zodat de pastoor al op 29 september 1930 zijn intrek kon nemen in de nieuwe pastorie. Op maandag 6 oktober 1930 verrichte Mgr. Hopmans, besschop van Breda, de wijdingsplechtigheden onder grote belangstelling van kerkelijke en wereldlijke autoriteiten en vele genodigden. De plechtige inleiding van de pastoor geschiedde op 7 oktober. Het intussen tot vierleden uitgebreide Kerkbestuur vergaderde voor het eerst op 11 oktober in de pastorie en stelde toen een reglement voor de zitplaatsenverpachting vast. Deze verpachting geschiedde op 15 oktober, waarbij ongeveer 80 plaatsen verpacht werden aan 60 buiten de parochie wonende gelovigen. De eerste doop werd in de kerk toegediend op 29 oktober en een nieuwe begraafplaats kon op 9 november worden ingewijd. Veel kon bekostigd worden uit de gift van de bisschop, uit een collecte in alle kerken in het Bisdom, uit giften en schenkingen door particulieren o.a. van grond, toch moest het Kerkbestuur in de jaren 1929 – 1931 nog ruim fl. 35.000,-- lenen. Klooster en scholen. De bouw van kerk en pastorie liep nagenoeg parallel met die van klooster en scholen. De bisschop wenste dat het Kerkbestuur tevens als schoolbestuur zou fungeren, waarop de ledenvergadering van de meermalen genoemde stichting op 21 juli 1929 haar verkregen rechten overdroeg aan het Kerkbestuur en de stichting ontbond. De bisschop had ook reeds de zusters Penitenten-Recollectinen te Etten om exploitatie van de te stichten meisjesschool verzocht. Pastoor Rombouts verkreeg na een persoonlijk bezoek aan ’t Withof te Etten op 23 juli 1929 de schriftelijke bevestiging van mère Josephine dat de congregatie de zorg voor de nieuwe school te Stuivezand op zich wilde nemen. Nadien zijn een aantal punten overeengekomen betreffende de bouw en de eigendom van de gebouwen en de te ontvangen overheidsvergoedingen voor het onderwijs. Op 16 oktober 1929 willigde de raad het verzoek in om medewerking te verlenen aan de bouw van een jongens- en meisjesschool. Het Kerkbestuur verstrekte de architecten van de kerk opdracht een jongensschool te ontwerpen op een door Th. Van Lange gratis ter beschikking gesteld terrein. De aanbesteding van de vierklassige jongensschool vond plaats op 15 mei en de bouw ving aan op 2 juni 1930. De Zusters van ’t Withof te Etten lieten de bouw van een vierklassige meisjesschool op 13 mei 1930 aanbesteden. De bouw van het klooster met twee bewaarschoollokalen en een lokaal voor naai- en knipschool werd onderhands gegund aan de aannemers van de kerk. De nieuwe jongensschool werd 3 november 1930 in gebruik genomen. De zusters ondervonden wat moeilijkheden door het faillissement van de aannemer, doch aan het eind van het jaar op 29 december deden zij haar intrede in het nieuwe klooster. Zij startten het onderwijs in de meisjes- en bewaarschool op 8 januari 1931. De plechtige inzegening van beide scholen geschiedde op 9 februari 1931. Verdere lotgevallen. Ter gelegenheid van het koperen priesterfeest van hun pastoor op 14 december 1931 werd een nieuw torenuurwerk aangeboden. Dit kwam tot stand door aan de goede gaven van de parochianen een eerdere schenking voor een angelus-luidapparaat met toestemming van die schenker toe te voegen. Ook hier betekende de Tweede Wereldoorlog een verdwijning van de klokken, die op 9 februari 1943 werden weggehaald. Een lichtpuntje in deze moeilijke dagen vormde een dubbel feest n.l. het koperen pastoraat van Pastoor Rombouts en tevens het koperen bestaan van de parochie, die op 2 mei gevierd werden. De meistaking van dat jaar liet slechts toe dat het feest in de kerk gevierd kon worden. Bij die gelegenheid verkreeg de pastoor de gelden, die hij bestemde voor een marmeren Maria-altaar met beeld. Het Mariabeeld vervaardigt door de beeldhouwer Jac. Sprenkels uit Hillegersberg kon pas in februari 1946 geplaatst worden. De pastoor had bij de herdenking van zijn zilveren priesterfeest in juni 1944 van vele zijden gelden tot verfraaiing van het kerkinterieur ten geschenke ontvangen, doch kon die niet besteden omdat er niets te koop was. De bevrijding van Stuivezand bracht veel leed in de parochie. De geallieerden hadden de Duitsers op 30 oktober 1944 al teruggedrongen tot over het Markkanaal, doch het duurde nog tot 4 november eer zij ook uit Stuivezand verdreven waren. De zware gevechten veroorzaakten dat de parochie 9 slachtoffers telde, waaronder twee zusters. Ongeveer 60 boerderijen en arbeiderswoningen waren vernield of zwaar beschadigd. Ook de kerktoren en de scholen hadden schade geleden. In de jongensschool kon het onderwijs pas na de paasvakantie in 1946 hervat worden. Van de geroofde klokken kwam het angelusklokje, dat in 1930 door de fa. Eijsbouts geleverd was, in mei 1945 terug. Een nieuwe klok geleverd door de firma Eijsbouts Lips te Asten werd op 10 september 1950 gewijd en de dag erna in de toren gehangen. Met het oog op het zilveren parochiefeest vormde zich reeds in 1952 een comité om gelden bijeen te garen voor een orgel. Het orgel vervaardigd door de firma B. Pels en Zoon te Alkmaar werd 8 oktober 1955 ingewijd. Er was in dat jaar veel te vieren, want niet alleen bestond de parochie 25 jaar, maar ook de pastoor, twee kerkmeesters, een armmeester, het hoofd van de jongsschool, een onderwijzer en een lid van het kerkkoor vierden hun zilveren jubileum. Bovendien waren ook de scholen even oud en herdachten ook de zusters het 25 jarig bestaan van het Stuivezandse Elisabethgesticht. Terstond nadat de parochie van de H. Bernardus tot het Bisdom Breda was gaan behoren stelden een aantal parochianen, die dichtbij de Blasiuskerk woonden, pogingen in het werk de parochiegrenzen te laten wijzigen. Zij hadden succes, want op 16 mei 1957 stelde de bisschop een nieuwe grens vast, waardoor 346 parochianen van de H. Bernardus aan de H. Blasius werden toegevoegd. Bij de viering van het veertigjarig priesterschap van pastoor Rombouts op 14 juni 1959 bood de parochie hem een geluidsinstallatie voor de kerk aan. Deze eerste pastoor ging in 1965 met emiraat. Hij nam zijn intrek in het nieuwgebouwde bejaardencentrum “De Wijngaerd”, waar hij de geestelijke verzorging van de bejaarden op zich nam. De zorg voor het onderwijs in deze parochie is in 1970 ook overgedragen aan de Stichting R.K. schoolbestuur te Made. De nieuwe pastoor de Graauw kreeg te maken met een sterke stijging van het aantal gezinnen in zijn parochie, omdat het gemeentebestuur van Made de woningbouw in Stuivezand en de Ligne concentreerde. Ook maakte hij na het tweede Vaticaans Concilie de snelle veranderingen in de katholieke kerk mee. Hij verkreeg om gezondheidsredenen per 1 februari 1975 zijn ontslag. Zijn kapelaan Oomen nam drie weken later afscheid, omdat hij het wenselijk achtte zijn plaats af te staan aan het nieuwe pastorale team van drie geestelijken, dat voor de gezamenlijke parochies van de H. Bernardus en H. Blasius zou gaan werken. Aan dit team werd pastoor Maas speciaal voor de zielzorg in de H. Blasius parochie toegevoegd. Het gehele pastorale team vond huisvesting in de pastorie van de H. Bernardusparochie, zodat de pastorie met tuin aan de Zuideindsestraat verkocht kon worden. Koper werd het waterschap De Ham, dat eind 1975 de voormalige pastorie als kantoor in gebruik nam. Uit de opbrengst van de verkoop konden in 1975 de nodige reparaties aan de kerk en toren bekostigd worden. Door de verbouwing van een gedeelte tussen de kerk en pastorie ontstond een lokaal voor vergaderingen en koorrepetities, dat tevens als dagkerk kon fungeren. Het tijdens de weekdagen sterk teruglopend kerkbezoek maakte dit ter besparing van verwarmings- en verlichtingskosten noodzakelijk. In 1979 is het interieur van de kerk op ingrijpende wijze aangepast aan de liturgieviering. Het gouden feest van de parochie is nog op grootse wijze in 1980 herdacht.
De Rotterdamsche Bank NV werd opgericht in Rotterdam op 16 mei 1863 door een groep zakenlieden en bankiers, waaronder Marten Mees, firmant van R. Mees & Zoonen, die hiermee onbedoeld een toekomstige, geduchte concurrent voor zijn Rotterdamse kassiersbedrijf creëerde. De werkzaamheden startten op 1 oktober 1863. Het idee van de oprichters was om, onder meer naar Engels voorbeeld van de Colonial Bank, een kredietinstelling in het leven te roepen die zou voorzien in de groeiende kapitaalbehoefte van bedrijven in Nederlands-Indië. In januari 1864 werd de Commanditaire Vereeniging (kredietvereniging) opgericht als dochter van de Rotterdamsche Bank. Door een te ambitieuze opzet leed de bank forse verliezen in Indië. Daarnaast leverde de zogenaamde Pincoffs-affaire (1879) de Rotterdamsche Bank een schadepost op van circa ƒ 875.000,-. Wijs geworden beperkte de bank daarna haar activiteiten tot Nederland. Met de komst van directeur Willem Westerman in 1904 begon een periode van uitbreiding. Op 19 april 1911 fuseerden de Rotterdamsche Bank en de NV Deposito- en Administratie-Bank in Rotterdam tot de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De werkzaamheden van de bank startten op 1 juli 1911. Beide banken vulden elkaar goed aan; de Rotterdamsche Bank was vooral een handelsbank, de Deposito- en Administratie Bank een effectenbank en beide zochten bovendien toegang tot de Amsterdamse Effectenbeurs. De Rotterdamsche Bankvereeniging wist dit doel nog in datzelfde jaar te bereiken door de oude Amsterdamse firma Determeijer Weslingh & Zoon over te nemen. Dit wekte indertijd nogal wat beroering in financiële kringen, gezien de rivaliteit tussen hoofdstad en Maasstad. Twee jaar later werd Labouchere, Oyens & Co's Bank in Amsterdam, een voortzetting van de firma Ketwich & Voombergh, overgenomen, in december 1915 de Nationale Bank te `s-Gravenhage (gelieerd aan de Deposito- en Administratie Bank), gevolgd door vele lokale banken. De Rotterdamsche Bankvereeniging groeide in enkele jaren méér dan in de eerste vijftig jaar van haar bestaan en werd een van Nederlands grootste banken. Deze stappen van de bank gelden als het begin van de concentratie en concernvorming van de algemene banken in Nederland. De schaalvergroting bij de banken hield gelijke tred met die in het bedrijfsleven en ging veelal ten koste van de kleinere banken. De nieuwe filialen van de bank werden vanaf 1916 grotendeels verworven door het overnemen van kleine bankiersfirma's. Deze bedrijven werden aanvankelijk niet opgenomen in de eigen organisatie, maar ondergebracht in de dochterondernemingen de Nationale Bankvereeniging (Nato) in Utrecht of de Zuid-Nederlandsche Handelsbank (Zuidbank) in Tilburg. De Zuidbank ging per 1 december 1920 op in de Nato. Op 1 januari 1929 werd vervolgens het gehele bedrijf van de Nato ondergebracht in de Rotterdamsche Bankvereeniging. In dezelfde periode was de Rotterdamsche Bankvereeniging actief betrokken bij de oprichting van overzeebanken, waaronder de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika, de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee, de Bank voor Indië, de Hollandsche Bank voor West-Indië en de Russisch-Hollandsche Bank. Een overmatig optimisme, gebaseerd op de hausse na de Eerste Wereldoorlog die echter omsloeg in een baisse door de economische crisis in Duitsland, leidde in de jaren 1922-1925 tot een algemene bankcrisis. De Rotterdamsche Bankvereeniging was een van de meest opvallende slachtoffers. In de voorafgaande expansieperiode bleek de Rotterdamsche Bankvereeniging te veel krediet te hebben verleend, zonder voldoende reserves aan te leggen. Minister van Financiën Colijn gaf in 1924 persoonlijk opdracht aan De Nederlandsche Bank om de Rotterdamsche Bankvereeniging te hulp te schieten, waarna alle deelnemingen in banken met buitenlandse vestigingen werden afgestoten. Rond 1927 was de crisis bezworen en ging de bank verder, echter zonder president Westerman. Op 21 juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een vergaande samenwerking; door de oorlogsomstandigheden werden deze fusieplannen op 7 oktober 1939 afgeblazen. In oktober 1947 werd de oude naam 'Rotterdamsche Bank' weer ingevoerd. Op 28 oktober 1960 werd aangekondigd dat de Nationale Handelsbank zou werden overgenomen. Per 1 mei 1961 trad het personeel van deze bank in dienst van de Rotterdamsche Bank. De volledige integratie had in de daarop volgende jaren plaats. Door deze overname kreeg de Rotterdamsche Bank de beschikking over vestigingen in het Verre Oosten, alsmede een dochterbedrijf in Canada, The Mercantile Bank of Canada. Deze vestigingen werden echter allemaal vóór 1965 verkocht. In 1964 werden de oude contacten tussen Rotterdamsche Bank en Amsterdamsche Bank met succes weer opgepakt. Op 11 juni 1964 kondigden beide banken aan te gaan fuseren tot de Amsterdam-Rotterdam Bank NV. Voor de Rotterdamsche Bank was dit een logische ontwikkeling in het kader van het door haar zelf in gang gezette proces van bankconcentratie. De Rotterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Rotterdamsche Bank, als vennootschap, bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan. Oprichting, doel en kapitaal De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Tot deze groep behoort de Rotterdamsche Bank NV, opgericht in 1863. Het initiatief tot oprichting kwam van een groep Rotterdamse firma's, te weten de kassiersfirma's R. Mees & Zoonen, Jan Havelaar & Zonen, de Gebr. Chabot en Schaay en Madrij, alsmede de koopman en reder H. Müller Szn. En de handelsfirma J.W. Bunge. Zij belegden op 16 mei 1863 een vergadering met als doel de oprichting van een 'handelsbank'. De koninklijke goedkeuring van de statuten volgde op 28 juni. De vennootschap werd aangegaan voor vijftig jaar. De bank begon, onder de naam Rotterdamsche Bank NV, haar werkzaamheden op 1 oktober van dat jaar. De doelstellingen van de nieuwe vennootschap waren ambitieus. Naar het voorbeeld van een aantal buitenlandse bankinstellingen wilde men gaan fungeren als bank voor de koloniale handel en nijverheid, ofwel als bemiddelaar tussen het kapitaaloverschot in Nederland en de grote kapitaalbehoefte van de koloniale handel en de cultuur- en andere bedrijven in Nederlands-Indië. Hiervoor zou een agentschap of filiaalbank op Java in het leven (moeten) worden geroepen. Behalve de activiteiten ten aanzien van de koloniën, door de oprichters zonder meer als de primaire activiteiten beschouwd, zou de bank zich volgens de statuten verder moeten richten op het openen van geconfirmeerde kredieten, het opnemen van gelden à deposito tegen vergoeding van rente, de handel in edele metalen, bevordering van de oprichting van maatschappijen van handel, nijverheid en landbouw, het verstrekken van geldleningen aan bedrijven, overheidslichamen en andere openbare instellingen en verder alle bank- en geldoperaties in de ruimste zin des woords. Later werd dit in de statuten samengevat als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operatiën in het algemeen. Tot 1911 (oprichting van de Rotterdamsche Bankvereeniging) waren het nemen van aandeel in andere ondernemingen en maatschappijen en het drijven van handel in goederen of effecten voor eigen rekening uitdrukkelijk van de werkkring uitgesloten. Tot dat jaar was verder het deelnemen in syndicaten voor de uitgifte van leningen en van aandelen aan de goedkeuring van de commissarissen gebonden. Vanaf 1911 werd ook vermogensbeheer en het optreden als trustee bij obligatieleningen tot de werkkring gerekend. In de statuten van 1947 werd het bezorgen van assurantiën toegevoegd. Om de nieuwe instelling te financieren werden aandelen geëmitteerd. Het maatschappelijk kapitaal werd bij de oprichting vastgesteld op ƒ 15.000.000,-, gesplitst in drie series van ƒ 5.000.000,-. In eerste instantie werd de emissie beperkt tot één serie, waarvan ƒ 4.000.000,- bedoeld was voor de oprichters en ƒ 1.000.000,- werd geplaatst. Dat er bij het publiek vertrouwen bestond in de toekomst van het bedrijf blijkt uit het resultaat van de inschrijving van maar liefst ƒ 58.498.750,-, waardoor uiteindelijk slechts 1,709% van de inschrijvingen kon worden toegewezen! De tweede en derde serie aandelen werden in 1864 geëmitteerd. Vanwege de in 1873 inzettende crisis werd in 1875 het maatschappelijk kapitaal gereduceerd door terugkoop van eigen aandelen. In 1880 volgde een nieuwe reductie door de waarde van de aandelen van ƒ 250,- terug te brengen naar ƒ 200,- en die van ƒ 125,- naar ƒ 100,-. In de twintigste eeuw werd het kapitaal stelselmatig verhoogd tot ƒ 50.000.000,- in de vijftiger jaren, met name wegens aanpassing aan de sterk groeiende omvang van de deposito's en crediteuren. Reeds in 1872 werden de aandelen Rotterdamsche Bank genoteerd op Duitse beurzen. In 1912 volgde notering op de beurs van Parijs. Toezichthoudende organen Aandeelhouders De eigendom van en zeggenschap over de Rotterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. Of, zoals uitgedrukt in de statuten ten aanzien van de vergadering van aandeelhouders, zij 'vertegenwoordigt het gansche ligchaam der vennootschap'. De algemene vergadering van aandeelhouders of aanvankelijk, in termen van de statuten, de deelhebbers moest jaarlijks plaatsvinden, aanvankelijk in de drie eerste maanden van elk jaar, na de afsluiting van de balans, later in mei of uiterlijk in juni. Buitengewone vergaderingen vonden plaats zo vaak als commissarissen, directie of de vertegenwoordigers van een statutair bepaald deel van het kapitaal dit verlangden. De vergaderplaats was Rotterdam. Alle aandeelhouders waren tot het bijwonen van de vergadering gerechtigd. Stemgerechtigd waren aanvankelijk allen, die hun aandelen reeds een bepaald aantal maanden vóór uitschrijving van de vergadering bezaten, later allen die hun aandelen bij uitschrijving van de vergadering bezaten. Voor de toekenning van het aantal stemmen per aandeelhouder werd een bepaalde sleutel gehanteerd, die onder meer inhield dat niemand meer dan zes stemmen mocht uitbrengen, ook niet als gevolmachtigde van anderen. Besloten werd met meerderheid van stemmen, behalve bij wijziging van de statuten en enkele andere zaken, waarvoor afwijkende regels golden. De vergadering werd voorgezeten door de voorzitter van het college van commissarissen. Als secretaris fungeerde de directiesecretaris. De agenda van de vergadering bevatte doorgaans de volgende punten: kennisnemen van de balans, na goedkeuring hiervan door een daartoe samengestelde commissie (zie onder); kennisnemen van het door de commissarissen overlegde rapport over de toestand van de vennootschap; verkiezen van de commissarissen, en op voordracht van de commissarissen benoemen c.q. ontslaan van leden van de directie; kiezen van de commissie tot goedkeuring van de balans; besluiten over vergroting/verkleining van het maatschappelijk kapitaal of emissie van nieuwe series aandelen; besluiten over statutenwijziging en ontbinding der vennootschap; behandelen van en besluiten op voorstellen van commissarissen en directie alsmede van aandeelhouders (mits door een bepaald deel van het kapitaal gesteund). College van Commissarissen en het Comité uit Commissarissen De eerste commissarissen werden benoemd door de oprichters. Vervolgens werden zij benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, vanaf 1920 op voordracht van twee in functie zijnde commissarissen. Hun aantal werd aanvankelijk vastgesteld op tien. Via latere statutenwijzigingen werd dit aantal nogal eens veranderd. Meestal werd dan het minimum aantal op zeven bepaald, en varieerde het maximum aantal; de statuten van 1920 bijvoorbeeld stelden dit maximum op 25. Vanaf 1872 gold de regel dat een bepaald percentage in Nederland woonachtig moest zijn. Jaarlijks trad een deel van de leden af, volgens rooster. Ze waren dan wel herkiesbaar. Alle commissarissen dienden aanvankelijk 50 aandelen op naam te bezitten; in 1869 werd dit aantal teruggebracht tot 25, en bij de vorming van de Rotterdamsche Bankvereeniging in 1911 was deze voorwaarde uit de statuten geschrapt. Op verzoek van de commissarissen konden directieleden de vergaderingen bijwonen. Blijkens de notulen was dit over het algemeen het geval. Het college vergaderde aanvankelijk minstens eenmaal per week, in later tijd zovaak men dat nodig achtte. Vergaderd werd in Rotterdam. Vanaf 1905 werden taken en bevoegdheden in de statuten in tamelijk algemene termen omschreven: de commissarissen waren belast met het toezicht over het beheer van de vennootschap, met het geven van advies en voorlichting aan de directie, waar zij dit nodig achtten, en het bewaken van een trouwe naleving van de statuten. De oudere statuten waren wat uitvoeriger en noemden onder meer: toezien op de handelingen van de directie; waken voor een juiste naleving van de statuten en een goede exploitatie van de vennootschap; voordragen tot benoeming van directieleden en vaststellen van hun inkomen; schorsen en voordragen tot ontslag van directieleden; besluiten, op voordracht van de directie, inzake vestiging van filialen en agentschappen; vaststellen, op voordracht van de directie, van de balans en de hoogte van het dividend; bepalen van de handelwijze in buitengewone gevallen; goedkeuren van de deelneming in syndicaten en consortiums. Via een statutenwijziging in 1869 kreeg het college de bevoegdheid om uit haar midden een commissie van drie leden te benoemen, met de naam Commissie van Toezicht. Deze naam zou overigens in de loop der tijd nogal eens veranderen, in Commissie uit Commissarissen, Comité uit Commissarissen en in 1958 in Raad van Toezicht. Namens de commissarissen hield zij toezicht op de handelingen van de directie, rapporteerde zij aan de commissarissen over de toestand van de vennootschap, adviseerde zij desgevraagd de directie en besliste zij bij geschillen binnen de directie. Feitelijk fungeerde deze commissie als een soort dagelijks bestuur van het College van Commissarissen. De commissie vergaderde ten minste eenmaal per week, in of buiten tegenwoordigheid van de directie. Om de maand trad één der leden af, volgens rooster. Interne organisatie Over de interne organisatiestructuur van de Rotterdamsche Bank kan wat betreft de eerste vijftig jaar, wegens het ontbreken van relevant archiefmateriaal, weinig worden gezegd. Hooguit kan worden vermoed dat zij in die periode relatief nog niet zeer ingewikkeld was. Tot 1911 was er, afgezien van de tijdelijke agentschappen in het Verre Oosten, één kantoor. De afdelingsstructuur zal in hoofdzaak de door de bank verrichte functies weerspiegeld hebben. Na de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank in 1911 zou de structuur snel ingewikkelder worden. In 1911 werd een kantoor in Amsterdam gevestigd, dat als een tweede hoofdkantoor zou gaan fungeren. In 1914 werd een bijbank in 's-Gravenhage geopend. En door een reeks overnames van lokale banken en bankjes zou het aantal bijkantoren explosief groeien. Art. 1 van de statuten luidde na 1911 dan ook: ' …De vennootschap …heeft banken te Rotterdam en te Amsterdam, een bijbank te 's-Gravenhage en kan kantoren en correspondentschappen vestigen en zitdagen houden, waar zij zulks wenschelijk acht'. Het citaat weerspiegelt een hoofdstructuur met een verdeling in vier componenten. Ten eerste de 'moederbank' te Rotterdam, met onder haar ressorterend de Rotterdamse stadsbijkantoren, inclusief die in enkele direct aansluitende gemeenten. Ten tweede de bank te Amsterdam, in alle opzichten gelijkwaardig aan de bank te Rotterdam. Onder haar ressorteerden de Amsterdamse stadsbijkantoren. Ten derde de bijbank te 's-Gravenhage; zij werd bestuurd door een directie die, op voordracht van de commissarissen en in overleg met de [hoofd]directie, werd benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Onder de bijbank ressorteerden de Haagse bijkantoren, inclusief dat van Scheveningen. De vierde component vormden de bijkantoren in de provincie. Met de integratie van de Nationale Bankvereeniging in het moederberdijf in 1929 (zie onder) groeide dit aantal zo snel, dat in datzelfde jaar een speciaal bestuurslichaam in het leven werd geroepen, de Provinciale Centrale. Tot 1949 was deze ondergebracht in de kantoren van de bijbank te 's-Gravenhage, daarna verhuisde zij naar het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel. Later was 'de provincie' bovendien nog ingedeeld in districten, grotendeels samenvallend met de provinciale indeling. De directeuren van de banken te Amsterdam en Rotterdam, van de bijbank 's-Gravenhage en in later tijd ook die van de Provinciale Centrale vormden gezamenlijk de onderdirectie van de vennootschap. Elk van de vier componenten was in redelijke mate autonoom, en had haar eigen uitvoerende afdelingen op elk terrein alsmede eigen staf- en hulpdiensten. Met name de bank te Amsterdam nam een tamelijk eigen positie in. De bank te Rotterdam en de Provinciale Centrale kenden na het gereedkomen van het nieuwe hoofdkantoor en de verhuizing van de Provinciale Centrale daarheen wat betreft een aantal diensten een vermenging. Zo werkten de accountants en de afdeling Juridische Zaken van de Provinciale Centrale ook voor de bank te Rotterdam. Een duidelijk inzicht in de afdelingsstructuur kan alleen worden verkregen voor de periode ná 1949. Een aantal overzichten uit die tijd geeft aan dat de structuur van de banken te Rotterdam en Amsterdam in hoge mate identiek was, al weken de namen soms wat af. De Provinciale Centrale kende een afwijkende structuur. Voor een nadere beschrijving van de organisatie en taken van de afdelingen wordt verwezen naar rubriek A.1.4., inv.nr 94. Het uitgebreide net van provinciale vestigingen dat vanaf 1911 ontstond kwam via verschillende wegen tot stand: Door stichting van zelfstandige maatschappijen met eigen rechtspersoon. Een voorbeeld hiervan was de Nationale Bankvereeniging in Utrecht (1916), waar de Rotterdamsche Bankvereeniging een aantal vroegere overnames in onderbracht. Door deelneming in bestaande instellingen en\of door onderbrenging van een agentschap bij een bestaande instelling, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Rotterdamsche Bank verrichte. Vaak liep dit uit op overname van de betrokken instelling. Door overname van bestaande banken, bijvoorbeeld de Amsterdamse Bankiersvereniging Labouchere, Oyens & Co's Bank (1913) en de Nationale Bank te 's-Gravenhage (1915). Door fusie. De fusie met de Deposito- en Administratie Bank (1911) bracht belangen in diverse kleine bankinstellingen mee. Door directe oprichting van eigen vestigingen. Een vroeg voorbeeld is de vestiging van de bijbank te 's-Gravenhage (1914) en een depositokas aan het Bezuidenhout in dezelfde plaats (1915). De bevoegdheden van de bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten (zie het aantal circulaires) was voor 'grote handelingen' toestemming van hogerhand vereist; dit gold met name de verlening van krediet. Beslissende stappen in de vorming van het landelijk kantorennet waren de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank en met name de oprichting en latere volledige integratie van de Nationale Bankvereeniging met haar provinciale filialen. Daarna zou het aantal vestigingen blijven groeien, tot 118 in 1940, 194 in 1945, 300 in 1959 en 340 in 1962. De Rotterdamsche Bank was daarmee wat betreft haar kantorennet de grootste bank in Nederland. Naast de hoofdkantoren te Rotterdam en Amsterdam, de Provinciale Centrale, de bijkantoren en de zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van enkele hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen werden meestal opgericht ter uitvoering van een specifieke functie. De redenen om deze functies in aparte maatschappijen onder te brengen konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden. Of het ging om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, bijvoorbeeld het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening. Aparte vermelding verdienen nog de oprichting van een Vrouwenbank te Amsterdam in 1929 en de opening in 1939 van een vestiging in Brussel, de Comptoir Belgo-Hollandais SA/Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor NV. De Vrouwenbank, gevestigd aan het Rokin, was speciaal gericht op het groeiende aantal vrouwelijke cliënten. In 1971 werd ze als overbodig opgeheven. De NV Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor werd in 1947 geliquideerd. Bedrijfsmiddelen Personeel Directie en procuratiehouders De directie van de Rotterdamsche Bank bestond bij aanvang statutair uit een president-directeur, twee directeuren en een secretaris. De omvang van de directie zou in de loop der jaren gestaag toenemen. De statuten van 1947 bepaalden haar op minimaal vier en maximaal negen. Ook ten aanzien van de directie gold de eis, dat een bepaald percentage Nederlander moest zijn. De directie werd, op voordracht van de commissarissen, benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. De leden van de directie waren tot 1911 verplicht Rotterdam als vaste woonplaats te hebben. Tevens moesten zij tot dat jaar eigenaar zijn van minstens vijftig aandelen op naam. De directie voerde het dagelijks beleid en beheer over de vennootschap en vertegenwoordigde de vennootschap in en buiten rechte. Zij had daartoe al díe bevoegdheden, die niet uitdrukkelijk aan de aandeelhouders of de commissarissen waren toegewezen. De statuten van vóór 1911 geven hierbij nog een ietwat uitvoeriger omschrijving: de ordening van de administratie; benoeming van alle beambten en vaststelling van hun instructies; de leiding over alle operaties; het (doen) opmaken van de jaarlijkse balans en het voorleggen daarvan aan de commissarissen, begeleid door een verslag over de toestand van de vennootschap; eventuele liquidatie van de vennootschap, onder toezicht van de commissarissen. Na 1911 resideerde een deel van de directie in Rotterdam, en een deel in Amsterdam. In het jaarverslag van 1913 is voor het eerst sprake van onderdirecteuren. Deze groep was samengesteld uit de directies van de afzonderlijke onderdelen van de vennootschap, in volgorde van ontstaan de bank Rotterdam (1863), de bank Amsterdam (1911), de bijbank 's-Gravenhage (1915) en de Provinciale Centrale (1929). Al vanaf 1872 had de directie de bevoegdheid aan een of meer beambten procuratie te verlenen om voor de vennootschap te tekenen. In 1920 is sprake van de mogelijkheid tot aanwijzing, onder goedkeuring van commissarissen, van algemene en bijzondere procuratiehouders, en de aanstelling van bijzondere procuratiehouders tot directeur van een bijkantoor of depositokas. Overig personeel en personeelsorganen De personeelssterkte groeide in de eerste vijftig jaar van het bestaan van de bank slechts in geringe mate, zeker in vergelijking met de periode daarna. In 1865 bedroeg het aantal werknemers 23, in 1899 waren er 67. In 1911 bedroeg het aantal werknemers nog slechts 35. Daarna was de groei explosief: van 250 in 1914 en 490 in 1917 tot rond 700 in 1919. Eind 1963 tenslotte bood de bank werk aan circa 4800 mensen. Op 23 juli 1866 werd door en voor de ambtenaren van de bank een pensioenfonds in het leven geroepen. Na de fusie in 1911 werd dit fonds op 24 mei van dat jaar omgezet in de Stichting Pensioen- en ondersteuningsfonds der ambtenaren en bedienden van de Rotterdamsche Bankvereeniging. Het fonds had mede tot taak de oprichting en instandhouding van het in 1915 geopende Huize Erica te Nunspeet, een herstellings- en vakantieoord voor de ambtenaren en bedienden. Op 22 april 1927 vond opnieuw een aanpassing plaats via de oprichting van de Stichting Pensioenfonds van 1926. Vanwege een noodzakelijke aanpassing aan de bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet vond in 1954 een tweedeling plaats. De werknemers die reeds vóór 1 juli 1952 in dienst waren vielen voortaan onder de Stichting Pensioenfonds I. Zij die op of ná die datum in vaste dienst traden vielen onder de Stichting Pensioenfonds II. Op 26 juni 1956 vond de oprichting plaats van de Stichting Pensioenfonds III, bedoeld voor werknemers ònder de rang van (onder)directeur, maar met een jaarsalaris bóven ƒ 8500,-. Op 5 juni 1915 werd de Vereeniging Robaver opgericht. De koninklijke goedkeuring volgde op 17 oktober 1917. De statutair in Amsterdam gevestigde vereniging had tot doel '..den kameraadschappelijken omgang van het personeel der Rotterdamsche Bankvereeniging te bevorderen'. Dit wilde zij bereiken door gedurende de wintermaanden eens per maand clubavonden te organiseren voor het houden van lezingen en voordrachten, het spelen van schaak- en kaartspelen etc. Daarnaast bood zij gelegenheid tot het beoefenen van sport, muziek en toneel. De vereniging had een bestuur van ten minste zeven leden, die haar in en buiten rechte konden vertegenwoordigen. In 1955 vond de installatie plaats van een ondernemingsraad. Gebouwen Bij de start van haar werkzaamheden was de Rotterdamsche Bank gevestigd in het pand Geldersche Kade 50 te Rotterdam. In 1870 werd dit pand door de regering aangekocht wegens de voorgenomen spoorwegaanleg door de stad. De bank nam vervolgens haar intrek in het voormalige Grand Hotel des Pays Bas aan de Boompjes 77 te Rotterdam, in 1705 gebouwd als adellijke woning door Cornelis de Jonge van Ellemeet. In de meidagen van 1940 kwam het pand in de vuurlinie te liggen tijdens de gevechten om de Maasbruggen, en werd het volkomen verwoest. Het personeel werd voorlopig ondergebracht in het gehuurde kantoorpand Calandstraat 49. Pas in 1948 kon het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel 119 gedeeltelijk in gebruik worden genomen. Ook het bijkantoor Coolsingel 109 werd in 1940 door brand zwaar beschadigd. Het bedrijf kon hier echter na een noodverbouwing gedeeltelijk worden hervat. Voor het effectenbedrijf werd aan de Boompjes een noodgebouw geplaatst. De bank te Amsterdam werd bij de start in 1911 ondergebracht in de kantoren van Determeijer, Weslingh & Zoon aan de Keizersgracht 706. Op 24 juni 1912 werd de eerste paal geheid voor nieuwbouw aan het Rokin. Op 22 augustus van datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd. Op 20 oktober 1913 was het kantoorpand Rokin 33-47 gereed. In 1916/17 en 1925 volgden uitbreidingen waardoor het pand uiteindelijk Rokin 23-51 zou omvatten. Bedrijfsvoering Overnames, deelnemingen en commissariaten De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloedssfeer van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling. Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen ze uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer), of volledige overname van de betreffende instelling. Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten. Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Rotterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. Bij een fusie tenslotte werden de bedrijfsactiviteiten van de fuserende partners volledig geïntegreerd en ondergebracht in een geheel nieuwe maatschappij. Het jaar 1911 luidde voor het Nederlandse bankwezen het concentratietijdperk in. De grote verscheidenheid aan regionale en lokale bancaire instellingen werd vanaf die tijd geleidelijk opgeslokt door een, op zich zelf ook slinkend, aantal grote concerns. Al vóór de Tweede Wereldoorlog was sprake van vijf invloedssferen van 'grootbanken', in volgorde van ouderdom de Nederlandsche Handel-Maatschappij, De Twentsche Bank, de Rotterdamsche Bank, de Amsterdamsche Bank en de Incasso-Bank. De overname van de Incasso-Bank door de Amsterdamsche Bank in 1948 en de fusies van De Twentsche Bank met de Nederlandsche Handel-Maatschappij tot de Algemene Bank Nederland (ABN) in 1964, en van de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank tot de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in datzelfde jaar waren verdere stappen in het verdichtingsproces. Met de fusie tussen de Algemene Bank Nederland en de Amsterdam-Rotterdam Bank in 1991 vond de concentratie een (voorlopig) hoogtepunt. De Rotterdamsche Bank kan zonder bezwaar als initiator en gangmaker van de concentratiebeweging worden beschouwd. Vanaf 1911 kent haar geschiedenis een lange lijst van deelnemingen, overnames en fusies. Zij kunnen in dit bestek onmogelijk allemaal worden opgesomd, laat staan besproken. Hieronder volgen enkel wat opmerkingen over de voornaamste activiteiten op dit terrein. Voor het overige wordt verwezen naar overzicht IV. Op 1 april 1911 zette de Rotterdamsche Bank de stap tot fusie met de Deposito- en Administratie-Bank te Rotterdam. Beide banken gingen op in de nieuw opgerichte NV Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De beide fusiepartners vulden elkaar aan: de Rotterdamsche Bank was vooral handelsbank, de Deposito- en Administratie-Bank vooral effectenbank. Nog datzelfde jaar 1911 nam de Rotterdamsche Bankvereeniging een belang in de firma Determeijer, Weslingh & Zoon te Amsterdam. In hun pand aan de Keizersgracht 706 werd (tijdelijk) de bank te Amsterdam ondergebracht. Toegang tot de Amsterdamse beurs speelde bij deze operatie een belangrijke rol. Een zeer belangrijke stap, feitelijk de beslissende stap de provincie in, was de oprichting in 1916 van de Nationale Bankvereeniging, met Utrecht als zetel. De Rotterdamsche Bankvereeniging had hierin een meerderheidsaandeel van 75%. De nieuwe maatschappij had tot doel de uitoefening van het provinciale bankiers- en kassiersbedrijf. Een aantal eerdere overnames werd erin ondergebracht, met name de Bank van Huydecoper & Van Dielen te Utrecht, A. Bloembergen & Zonen's Bank te Leeuwarden, de Dordtsche Bank te Dordrecht en de Nationale Bank te 's-Gravenhage. In 1917 had de vereniging vestigingen in 59 plaatsen. In 1917 stelde de Rotterdamsche Bankvereeniging zich garant voor alle verbintenissen van de Zuid-Nederlandsche Handelsbank NV te Tilburg, met vestigingen in meerdere steden in het zuiden. Eind 1920 werd deze bank overgenomen door de Nationale Bankvereeniging. Per 1 januari 1929 werd het bedrijf van de Nationale Bankvereeniging volledig geïncorporeerd in de Rotterdamsche Banvereeniging. Van dat moment dateert dan ook de Provinciale Centrale binnen de bank. Grote plannen in 1939 om te komen tot verregaande samenwerking met de Amsterdamsche Bank konden vanwege de dreigende omstandigheden geen doorgang vinden. Een overname die wel doorging was die van de Nationale Handelsbank NV, tot 1950 Nederlandsch-Indische Handelsbank NV, op 28 oktober 1960. Het leverde de Rotterdamsche Bank onder meer een groot aantal belangen in het buitenland op, die echter binnen relatief korte tijd van de hand werden gedaan. In 1964 tenslotte volgde alsnog de fusie met de Amsterdamsche Bank. De Rotterdamsche Bank hield hiermee op te bestaan. De bedrijfsactiviteiten werden ondergebracht in de nieuw opgerichte maatschappij de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) NV. Dienstenpakket De Rotterdamsche Bank was vanaf haar oprichting opgezet als handelsbank, hoewel de oprichters primair de dienstverlening aan de koloniale handel voor ogen hadden. Dat de bank, nog versterkt door de in 1864 opgerichte en aan de bank verbonden commanditaire vereniging, zich al zeer spoedig ook richtte op het nemen van gelden à deposito tegen rente (met De Twentsche Bankvereeniging behoorde de Rotterdamsche Bank hierin tot de voorlopers), kredietverlening en rekening-courant was met name de kassiers onder hen uit concurrentieoverwegingen een doorn in het oog. De activiteiten ten aanzien van de financiering van de koloniale handel en cultuurmaatschappijen verliepen echter niet voorspoedig. De bank leed in Indië grote verliezen, en over het beleid ten aanzien van de koloniën bestond intern groot verschil van mening. In 1870 kwam aan het experiment overzee een eind. Al vóór dat jaar waren de in alle optimisme opgerichte agentschappen in Batavia, Soerabaja en Singapore weer gesloten. Men richtte zich voortaan voornamelijk op Nederland. De op het buitenland gerichte activiteiten bleven beperkt tot deelneming in de oprichting van een aantal maatschappijen, als de Russisch-Hollandsche Bank NV te Moskou (1916), de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika NV te Amsterdam (1914) en de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee NV te Amsterdam (1919). Pas met de fusie met de Nationale Handelsbank in 1960 krijgt men weer uitgebreide belangen in het buitenland (Azië, en in Canada de Mercantile Bank of Canada te Montreal). Deze werden echter allemaal na korte tijd afgestoten. Dus, voerden in de eerste statuten de activiteiten ten aanzien van de koloniën nog de boventoon, latere statuten geven een ander beeld. De doelstellingen worden dan omschreven als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operaties in het algemeen, het beheren van vermogen voor anderen, het optreden als beheerder of trustee, het deelnemen in syndicaten en consortiums en het bezorgen van assuranties. Wat betreft de medefinanciering binnen de grenzen zag men al zeer snel de mogelijkheden van Rotterdam als transitohaven. Dit uitte zich ondermeer in deelneming aan de oprichting van de NV Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij Holland-Amerika Lijn te Rotterdam en de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Daarnaast was men onder meer betrokken bij de oprichting van de Amsterdamsche Bank. Vanaf circa 1870 ging de Rotterdamsche Bank zich, in combinatie met andere banken, bezighouden met de emissie van nieuwe fondsen. Het depositobedrijf, het in bewaring nemen van gelden van derden, bleef tot circa 1895 kleinschalig. Van een uitgebreide vaste cliëntèle kon tot dan dus niet worden gesproken. Na 1895 zou het aantal deposito's en crediteuren echter explosief groeien. Eind negentiende eeuw raakte ook de rekening-courantrekening ingeburgerd. Aanvankelijk was het acceptbedrijf, het verlenen van wisselkrediet, het meest aangewezen terrein voor de handelsbanken. Dit bedrijf zou tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke functie en winstbron zijn. Nog in de jaren twintig was de Rotterdamsche Bank betrokken bij de oprichting van accepthuizen, waaronder de Nederlandsche Accept-Maatschappij NV te Amsterdam en de NV Wolfinancierings Maatschappij te Amsterdam, vanaf 1924 de Wolbank. Ten gevolge van de crisis en de opkomst van de moderne communicatietechniek zou het acceptkrediet vanaf de jaren dertig nagenoeg geheel uit het zicht verdwijnen. De wissel werd vervangen door het rekening-courantkrediet ('giraal geld'). De crisis zorgde ook voor de opkomst van het documentair krediet, omdat de banken waren gedwongen, vanwege de anarchie op de valutamarkt, bij kredietverlening aan de internationale handel nieuwe garanties te eisen. Een belangrijke activiteit was verder het vermogensbeheer. Hiertoe werd behalve de administratie over het bij de bank in bewaring gegeven vermogen ook gerekend executele van nalatenschappen en bewindvoering. Aan deze activiteit gerelateerd was de belastingadministratie voor cliënten en het geven van advies op diverse terreinen. De jaren vijftig van de twintigste eeuw brachten de komst van een aantal nieuwe vormen van dienstverlening. Deels werden hiervoor door de bank aparte dochtermaatschappijen opgericht. Ten eerste kwam het afbetalingskrediet (huurkoop) voor duurzame gebruiksgoederen als auto's en wasmachines in zwang. Dit werd het werkterrein van de Handelmaatschappij Mundus NV, in 1961 ondergebracht in de nieuw opgerichte NV Financieringsinstituut Mundus-Eurocredit. In 1962 nam de Rotterdamsche Bank deel in de Nederlandse Financieringsmaatschappij van 1929 Welvaert NV, die zich richtte op het consumptieve afbetalingskrediet. Ook deze maatschappij werd ondergebracht in Mundus-Eurocredit. Daarnaast richtte de bank zich op de markt van de middellange kredietverlening, via de NV Financiering-Maatschappij voor Investeringen (Fimavi). Eind 1959 opende de Rotterdamsche Bank de mogelijkheid tot het openen van spaarrekeningen tegen speciale rente. Met deze activiteiten zette een zekere mate van branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.
De eerste uitingen van geloofsbeleving in Hoorn vonden plaats in een schimmig verleden, waaruit geen archiefstukken bewaard zijn gebleven. Als we afgaan op wat de doorgaans goed ingelichte kroniekschrijver Velius meedeelt dan zou de eerste kerk in 1323 zijn gesticht op een plaats, die tegenwoordig buitendijks ligt in het verlengde van de Vijzelstraat. Men heeft er niet lang gebruik van kunnen maken. Reeds in 1328 verbrandde de aan St. Cyriacus gewijde kerk die van hout was gebouwd en met riet gedekt. Waarschijnlijk heeft men zich daarna beholpen met het vieren van de liturgie in huizen van particulieren. Pas 40 jaar later begon de herbouw, op de plaats waar thans de Grote Kerk staat, toen een moerassig terrein dat eerst met koemest e.d. moest worden opgehoogd. Opnieuw was de kerk van hout, zoals trouwens alle andere bouwsels in de stad. Geleidelijk is het stadsbestuur in de 15de eeuw door middel van keuren en het verstrekken van subsidies het gebruik van steen als bouwmateriaal gaan bevorderen om het brandgevaar in de steeds in omvang toenemende stad te beperken. Ook de kerk is vanaf 1405 in die zin bij stukjes en beetjes aangepast en in 1532 geheel vernieuwd geconsacreerd. Inmiddels waren er ook andere kerken verrezen: de Lieve-Vrouwe-kerk of Noorderkerk aan het Kleine Noord (1426) waaraan het visioen van Claes Molenaer inzake de stichting is verbonden, de St. Antoniuskerk of Oosterkerk aan het Grote Oost (1453) voor de zeevarenden en de kapel van St. Cornelis aan het Grote Oost bij de Bagijnensteeg (1450). Hoorn telde aan het begin van de 16de eeuw tevens zes nonnenkloosters en een mannenklooster. De Reformatie had in Hoorn aanvankelijk geen drastische gevolgen. Pas toen het religieuze element met het politieke werd verbonden raakte de zaak in een stroomversnelling. In 1566 sloot het stadsbestuur de kerken enige tijd uit angst voor onlusten. Enkele jaren later, nadat Enkhuizen de kant van de Prins van Oranje had gekozen, kwam het ook in Hoorn tot een uitbarsting. Op 13 juni 1572 openden de burgers de stadspoorten voor de Enkhuizers. De Geuzen, anti-Spaans en dus anti-Rooms, wisten beslag te leggen op de Grote Kerk, ofschoon het stadsbestuur hen met het oog op hun geringe aantal aanvankelijk alleen de Oosterkerk had toegewezen. Van de afspraak om zonder vernielingen de beelden en altaren uit de kerk te verwijderen kwam niets terecht. Velius heeft ons de reactie beschreven van burgemeester Jan Binnenblijf die naar dit werk kwam kijken en reeds van verre het rauwe gezang hoorde van de voor een deel dronken mannen die zich daarmee hadden belast. Toen hij de vernielingen zag smeet hij in woede zijn muts op de grond onder de vertwijfelde uitroep: "Is het nu zover gekomen dat men van een besluit van de vroedschap geen werk meer maakt?". Clemens Maertens, voormalig pastoor van de Oosterkerk, die enkele jaren eerder naar Emden was uitgeweken, werd de eerste hervormde predikant in de Grote Kerk. Ook de andere kerken kwamen in handen van de gereformeerden. De kloosters werden gesloopt (St. Clara, St. Maria Magdalena) of kregen een andere, wereldse, bestemming. De eerste jaren na de omwenteling waren een tijd van verdrukking. Priesters waren genoodzaakt om in het geheim hun zielzorg te verrichten. We weten dat zich in Hoorn en omgeving omstreeks 1600 behalve verscheidene seculieren ook jezuïeten ophielden: Arboreus, Clingerus, Romeus enz., tot pater Gerardus Florentius in 1608 een statie stichtte, Het Klooster. Hij ontleende die naam waarschijnlijk aan het feit dat het kerkje op de plaats stond van het voormalige Agnietenklooster, aan de noordzijde van de Peperstraat. In 1623 stichtte de socius van deze statie, Engelbertus de Hollander, een tweede jezuïetenstatie in de woning van een zekere Thecla Klaassen, die De Kapel genoemd werd. De Kapel bleef in gebruik tot 1656. Op kosten van beide jezuïetenstaties bouwde pater Joannes Neeffs in dat jaar een nieuw kerkje aan de noordzijde van het Gerritsland, Het Witte Lam. Gewoonlijk sprak men echter over de Lamskerk in de Peperstraat omdat daar, via het Lamspoortje, de ingang was. De kerk bezat veel huizen aan de zuidkant van de Peperstraat en aan het Kerkhof, achter de Grote Kerk. Op grond van de resolutie van de Staten van Holland van 6 januari 1708 moesten de jezuïeten binnen drie maanden de provincie verlaten. Waarschijnlijk zijn de paters na enige tijd heimelijk teruggekeerd om hun werk voort te zetten. Hetzelfde gebeurde na de uitvaardiging van het plakkaat van 25 mei 1720. Vanaf 1611 bestond er in Hoorn ook een statie van de seculieren. In dat jaar stuurde apostolisch-vicaris Sasboud Vosmeer de priester Gerardus Eenhuysen naar Hoorn die het pand De Drie Kalfjes aan de oostkant van het Nieuwe Noord tussen de Duinsteeg en het Breed als kerk inrichtte. Omstreeks dezelfde tijd verbouwde Nicolaus Lonius op last van Vosmeer een huis of pakhuis aan de zuidzijde van de Slijksteeg tot kerk. De bijbehorende pastorie stond aan het Kleine Noord, het tweede huis bezuiden de Slijksteeg. De laatste twee seculiere kerkjes bleven tot 1827 in gebruik. Tenslotte moeten wij nog de vijfde statie, die van de franciscanen, noemen. Wanneer zij zich hier precies hebben gevestigd is onzeker. In 1638 ontving pater Jacobus Tyras uit het land van Luik toestemming van het stadsbestuur om zich hier te vestigen. Hij was echter met tussenpozen al veel eerder in de stad werkzaam, namelijk vanaf 1622. In 1636 en 1637 bediende hij de kerk De Drie Tulpen aan het Achterom dat toen nog Burgwal heette. Het belendende perceel, de Passementen genaamd, werd in 1680 aangekocht en wellicht eveneens als kerkje ingericht. Vanaf 1689 woonde er in elk geval een pater franciscaan die een afzonderlijk kerkje bediende. Na 1715 is men verschillende aangrenzende huizen die op het Achterom uitkwamen gaan aankopen. In 1755 kon de kerkruimte van De Drie Tulpen daardoor aanzienlijk worden uitgebreid. Zakelijke transakties zoals de koop van onroerend goed geschiedde steeds op naam van particuliere personen. De oorsprong van deze handelwijze ligt waarschijnlijk in de breven van paus Urbanus VIII van 1 mei 1623 en paus Alexander VII van 1 oktober 1663, die het priesters verboden kapitaal of sieraden van de staties te bezitten. Slechts het vruchtgebruik ervan was hun toegestaan. In de loop van de 17de eeuw hebben de katholieken daarom een kollege van kerkvoogden gevormd bestaande uit 24 personen (sinds 1731: 12 personen) dat hun belangen moest behartigen. Het was bijvoorbeeld belast met het betalen van salarissen aan de priesters, het aanvragen van de akten van admissie bij het stadsbestuur, met de armenzorg. Het betaalde elk jaar aan de schout een bedrag van fl. 1.000 om zeker te zijn van een vrije uitoefening van de eredienst. Een aanzienlijke som waartegen het voordeel dat de priesters geen admissiegeld hoefden te betalen enigszins schril afstak. Het kollege van kerkvoogden vulde zich zelf bij vakatures aan en werkte geheel zelfstandig, zonder inspraak ook van de geestelijken. Drie van hen, de zogenaamde kistjesvoogden, beheerden de bezittingen; vier anderen, de regerende voogden, traden jaarlijks op als dagelijks bestuur. In 1712 ontstond er een konflikt over de betaling van de salarissen aan de priesters, vanouds fl. 300 per jaar voor elk van hen. De kerkvoogden beweerden dat zij door de teruglopende inkomsten genoodzaakt waren om het salaris tot de helft terug te brengen. Het verzoek van de apostolisch-vicaris om hun bewering aan de hand van een rekening en verantwoording te staven legden ze eenvoudigweg naast zich neer. Uiteindelijk werd het konflikt in 1722 in die zin opgelost dat de priesters uit de offergaven van de gelovigen elk fl. 300 mochten nemen, en het eventueel overschietende geld gelijkelijk onder elkaar verdelen of desgewenst aan de armen schenken. Al snel bleek dat de kerkvoogden een verkeerde voorstelling van zaken hadden gegeven. Nadat de franciscaner pater Cox in 1730 zo onvoorzichtig was geweest om rond te vertellen dat zijn kerk zoveel had gekollekteerd dat het de vroegere salarissen van de paters ver overtrof, vernietigden de kerkvoogden de overeenkomst van 1722 en wilden ze herstel van de toestand van vóór 1712. De franciscanen weigerden echter en voerden aan dat zij het geld reeds aan een nieuw orgel hadden besteed. Daarop is het kontrakt van 1722 in 1731 in zoverre aangescherpt dat de priesters verplicht werden de inkomsten die na betaling van de salarissen resteerden aan de armen te schenken. De regeling zou alleen de kerken betreffen die voor de eredienst waren toegestaan, met andere woorden alleen die van de seculieren en de franciscanen. De jezuïeten kregen nu niets meer aangezien zij sedert 1707 in het geheim werkten. Toch achtten de kerkvoogden zich blijkbaar belast met het toezicht op hun financiën. Toen zij in 1771 ontdekten dat een aantal bezittingen van de Lamskerk op naam stond van wijlen Pieter van Zanen uit Hoorn en dat de erfgenamen ze hadden verkocht aan de Amsterdamse koopman Willem van Brienen stelden ze direkt alles in het werk om dat bezit terug te krijgen. In 1821 wilde de aartspriester Kramer het kerkje De Drie Kalfjes op het Nieuwe Noord sluiten vanwege de bouwvallige staat. Op dringend verzoek van de gemeenteleden trok hij zijn besluit in op voorwaarde dat zij zowel kerk als pastorie zouden restaureren. Acht leden uit de gemeente vormden daarop een bestuur dat het nodige geld voor de restauratie bijeenbracht. Men kan dit als het begin van een geregeld kerkbestuur beschouwen. Nadat de verbouwing was voltooid en pastoor Steinbach zijn intrede had gedaan vormden enkele personen van dit achttal een kerkbestuur dat de zaken van de statie zou gaan behartigen. Ook na de restauratie bleek echter dat het gebouw in slechte staat verkeerde en bovendien te klein was voor het steeds toenemend aantal gelovigen. In juli 1825 richtte pastoor Steinbach daarom een verzoek tot het gemeentebestuur om het Arsenaal van West-Friesland in de Achterstraat met de aan de zuidzijde daarvan aangrenzende gebouwen (het ene eertijds muntmolen, het andere de woning van de muntmeester) die in de Muntstraat uitkwamen als kerk en pastorie te mogen inrichten. Het Arsenaal was de vroegere kapel van het Mariaklooster (later protestants weeshuis), het pand waarin de muntmolen was gevestigd een restant van de kapel van het Catharinaklooster. Na moeizame onderhandelingen kwam men uiteindelijk overeen dat het Arsenaal en de muntmolen gratis in gebruik werden afgestaan, en dat voor het huis van de muntmeester fl. 2.000 betaald moest worden. Het Arsenaal is daarna tot kerk verbouwd, de zolder van de muntmolen als kapel en sacristie ingericht. Op 16 mei 1827 kon men het geheel officieel in gebruik nemen. In hetzelfde jaar 1827 stierf de pastoor van de statie Slijksteeg, F.X. van Crimpen. Deze statie is vervolgens opgeheven en de bezittingen en schulden zijn verenigd met die van de statie in de Achterstraat. De opheffing was echter in het geheel niet naar de zin van de gelovigen van die statie. Men schreef ze toe aan het drijven van pastoor Steinbach die het aanzien van zijn eigen statie zou willen vergroten. Ofschoon kerk en pastorie al vrij kort nadat het besluit tot opheffing was gevallen werden gesloten legde men zich er pas bij neer nadat de gebouwen waren verkocht, wat de kerk in de Achterstraat fl. 2.026,95 opleverde. Uit frustratie over de gang van zaken sloot het grootste deel van de gelovigen zich aan bij de statie van St. Franciscus aan het Achterom. Zo bestonden er in Hoorn bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853) twee parochies, die van de H. Cyriacus aan de Achterstraat en van de H. Franciscus aan het Achterom. In de loop van 1867 vroeg pater Van Ewijk zijn provinciaal ontslag uit zijn betrekking. Dat werd hem toestaan en in februari 1868 vertrok hij naar de Boomskerk in de Kalverstraat te Amsterdam. Om onbekende redenen stuurde de orde van de franciscanen geen opvolger voor pater Van Ewijk naar Hoorn maar bood de bisschop van Haarlem aan om de parochie over te nemen. Op 25 juni 1868 vaardigde de bisschop een dekreet uit waarbij hij beide parochies samenvoegde. Pastoor Scheefhals heeft in het liber memorialis uitvoerig de problemen beschreven die gepaard gingen met de vorming van het kerkbestuur van de nieuwe parochie. Problemen die voortkwamen uit het ongenoegen van het kerkbestuur van de parochie van St. Franciscus over de opheffing, maar ook uit hun onwil om met de leden van het andere kerkbestuur, van lagere sociale stand, samen te werken. Uit de volkstelling die enkele jaren later (1870) werd gehouden blijkt dat de stad 3.008 katholieken telde, ongeveer een derde deel van de bevolking. Maatschappelijk gezien behoorden de katholieken in grote meerderheid tot de lagere klasse. Volgens pastoor Scheefhals waren slechts enkelen (procureur Faber en notaris Lippits) vermogend te noemen, een twintigtal welvarend, terwijl de rest bestond uit handwerkslieden en arme middenstanders. Van hen ontving ongeveer een derde deel regelmatig of voortdurend onderstand. Wat hun godsdienstige en zedelijke houding betrof roemde hij vooral het werk van pastoor Does. Verzuim van kerkelijke plichten kwam nauwelijks voor, gemengde huwelijken waren een zeldzaamheid. Does had tijdens zijn meer dan 25 jaar durend pastoraat de "echt katholieke geest" doen ontwaken. Zijn nagedachtenis werd door de parochie dan ook in hoge ere gehouden. Instellingen op kerkelijke grondslag van katholieke signatuur bestonden er in het midden van de vorige eeuw nauwelijks. Alleen het R.K. Wees- en Armenhuis en het armbestuur waren als zodanig aan te merken. De invloed van de kerkelijke autoriteiten op de respektievelijke besturen was echter uiterst gering. Het Wees- en Armenhuis had een burgerlijk bestuur; tot in onze eeuw zou het geschil met de gemeente voortduren over het kerkelijk dan wel burgerlijk karakter van de instelling. Het armbestuur bestond uit leken die een geheel onafhankelijk beleid voerden. In 1872 werd het een parochiaal armbestuur. In 1863 richtte pastoor Van Oorte een afdeling van de St. Vincentiusvereniging op die zich vestigde aan het oosteinde van de Muntstraat noordzijde en na enkele jaren werd verplaatst naar het pand aan de zuidzijde van de Muntstraat op de hoek van de Gravenstraat. Een jaar later kwamen Van Oorte, pater Van Ewijk van de St. Franciscusparochie en het bestuur van de Vincentiusvereniging overeen om voor gezamenlijke kosten een bewaarschool te beginnen. Op 4 november 1865 kwamen drie zusters van de congregatie van Tilburg naar Hoorn om de school te gaan leiden. De school bleek weldra in een grote behoefte te voorzien. Na enkele verplaatsingen vond ze in 1868 onderdak in een pand aan de Ramen; het aantal zusters was inmiddels tot zes uitgebreid. In juni 1870 volgde de oprichting van een rooms-katholieke lagere school. Het initiatief hiertoe was genomen door de Vincentiusvereniging; de eerste klas van 30 leerlingen waarmee de school begon had dan ook onderdak gevonden in het gebouw van de vereniging aan de Gravenstraat. Na enkele jaren bleek de belangstelling zo groot dat men het woonhuis aan de Ramen, grenzend aan de bewaarschool, aankocht en als lagere school inrichtte. De pastoor betaalde de koopsom van het pand, fl. 6.200, uit eigen zak om, zoals hij schrijft in het liber memorialis "een goed voorbeeld te geven". Aanvankelijk ontvingen in de school zowel jongens als meisjes onderwijs; de splitsing in afzonderlijke scholen zou pas later komen. Op 1 oktober 1874 werd de school plechtig ingezegend en werd tegelijk de eerste steen gelegd voor de bouw aan de achterzijde van een nieuw onderkomen voor de Vincentiusvereniging. Dit pand kreeg zijn ingang aan het Nieuwe Noord. Intussen waren er, ofschoon er één parochie was, nog steeds twee kerken in gebruik. Naar de mening van pastoor Scheefhals viel voorlopig uit financieel oogpunt niet aan een nieuwe kerk te denken, al waren beide kerken ook bouwvallig en klein. Hij rekende het in de eerste plaats tot zijn taak om de schuld van de parochie zo snel mogelijk te verkleinen. Zijn opvolger zou dan eventueel met de bouw van een nieuwe kerk kunnen worden belast. De parochianen echter dachten er heel anders over. Bij het 25-jarig priesterjubileum van de pastoor, op 6 juni 1877, overhandigde een comité van notabelen hem als geschenk van de parochie een lijst waarop de intekenaren zich hadden verplicht om binnen de vijf eerstvolgende jaren in totaal f 30.380 bijeen te brengen, op voorwaarde dat het kerkbestuur uiterlijk op 1 augustus 1880 nieuwbouwplannen gereed zou hebben. Als startkapitaal schonken zij de pastoor fl. 3.000. Toen deed zich plotseling een gebeurtenis voor die de realisatie van de plannen snel dichterbij bracht. Op de laatste zondag van juni herdacht de parochie het feit dat 50 jaar eerder de kerk aan de Achterstraat in gebruik was genomen. De zondag daarop, 1 juli, brandde de kerk af. Een "deugniet uit het naburige weeshuis" die bezig was vogelnesten uit te halen was op het dak van de kerk geklommen en daar door wespen gestoord. Het nest bleek achter de goot onder het dakhout te zitten. Om het te verdelgen had hij het zonder meer in brand gestoken waarna het vuur zich een weg naar de kurkdroge kap kon vreten. Naar aanleiding van de brand ontstond er een langdurig juridisch gevecht met de gemeente over de uitkering van de verzekeringsgelden. De gemeente was immers eigenaar van het pand, dat aan de katholieken in gebruik was gegeven. Zij echter hadden jarenlang de premies betaald en waren van mening dat de stad niet "mocht maaien waar zij niet gezaaid had". Uiteindelijk bereikte men een kompromis: de stad kreeg de grond met puinhopen terug en ontving fl. 4.000 (van de totale uitkering van fl. 18.500) toe. In 1880 kochten de gereformeerden de ruïne en stichtten er hun kerk. Op 23 december 1877 viel het besluit om een geheel nieuwe kerk te bouwen op de plaats van de St. Franciscuskerk die op dat moment intensief werd gebruikt. Tijdens de bouw zou men gebruik maken van een noodkerk die op een terrein aan het Achterom naast het Wees- en Armenhuis op de plaats van de huidige St. Jozefschool door J. Peereboom werd neergezet. De in Hoorn geboren en getogen architekt A.C. Bleijs kreeg opdracht om de nieuwe kerk te ontwerpen. De geschiedenis van de bouw is uitvoerig beschreven door Jan Onstenk in het ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan in 1982 verschenen boekje "De bouwers van de H. Cyriacus en Franciscus". Wij willen hier daarom volstaan met de vermelding van de naam van een op dat ogenblik ook voor het kerkbestuur onbekende weldoenster. Pastoor Smeulders, die na het vertrek van Scheefhals en een kort pastoraat van Michael van Rijn het grote werk tot voltooiing moest brengen financierde de bouw met een schenking van fl. 83.000 op een totale bouwsom van ongeveer fl. 250.000 voor kerk en inrichting. Pas bij haar dood in 1898 bleek dat dit geld was geschonken door zuster Maria Magdalena van de franciscanessen, in de wereld jonkvrouwe Louise Antoinette Gijsberta Melort, ambachtsvrouwe van Middelharnis, vermoedelijk een oud-parochiane van pastoor Smeulders. Op 30 oktober 1882 kon de kerk door bisschop Snickers, oud-pastoor van Lutjebroek, worden geconsacreerd. Reeds tijdens de bouw had men geconstateerd dat de sterkte van de fundering van een van de vier hoofdpijlers te wensen overliet, een euvel dat blijkbaar niet afdoende was verholpen. In augustus 1933 ontdekte men, verontrust door scheurvorming in de muren, dat de funderingsbal ken onder twee kolommen waren gebroken. De konklusie was dat de fundering eigenlijk veel te licht was voor de zware koepel. Het moeilijke en riskante herstelwerk, het metselen van nieuwe bogen onder de bestaande pijlers, vergde fl. 35.000 en is onder leiding van de architekten J.A. Huydts uit 's-Gravenhage en S. Langius uit Hoorn van september 1933 tot juni 1934 uitgevoerd.
Voorgeschiedenis Op 29 september 1892 vergaderden te Amsterdam rectoren en afgetreden rectoren van de senaten van de drie Rijksuniversiteiten en van de Universiteit van Amsterdam. Hierbij waren aanwezig de rectoren J. Cramer (Utrecht), C.M. Kan (Amsterdam). P.H. Schoute (Groningen) en C.P. Tiele (Leiden en de afgetreden rectoren B.J. Stokvis (Amsterdam), B. Symons (Groningen) en H. Oort (Leiden). Afwezig was H. Snellen (Utrecht). Het doel van deze bijeenkomst was op te richten een Bond "tot bevordering van de universitaire belangen". In deze vergadering werd een voorlopig reglement vastgesteld, dat luidde: De Rectoren komen bijeen liefst op de donderdag volgende op de overdracht van het rectoraat. De bijeenkomst vindt beurtsgewijze plaats te Amsterdam, Leiden, Utrecht en Groningen. De afgetreden Rector van de plaats van bijeenkomst zorgt voor de nadere aanwijzing van tijd en plaats der vergadering, zonder daarbij echter gastheerplichten op zich te nemen. Reis- en verblijfkosten worden door de leden zelve gedragen. Voorzitter is de afgetreden Rector van de plaats van bijeenkomst, secretaris de aangetreden Rector van de plaats, waar de volgende cursus vergaderd wordt. De punten, die door de aanwezigen aan de orde werden gesteld, waren: de datum, waarop het professorale tractement ingaat; De inschrijving van studenten; Het "cum laude"; Een gemeenschappelijk jaarboek; University extention; De kwestie van de toelating der Transvalers; De orde van benoeming van Rector en Secretaris; De rangorde der faculteiten op de series. Alleen de punten 1 en 2 werden besproken. T.a.v. punt 2 besloot men zich te wenden tot de minister van binnenlandse zaken. De tweede en, voor zover is na te gaan, tevens laatste vergadering werd gehouden op 7 januari 1893. Men besloot de senaten er kennis van te geven, dat de Vereniging was geconstitueerd. De overige agendapunten in de vorige vergadering opgegeven, vonden bespreking. Het is niet duidelijk, waarom men niet meer bij elkaar is gekomen. Oprichting Bij schrijven van 30 mei 1897 deden de rectores magnifici van de Rijksuniversiteiten te Leiden, Utrecht, Groningen en van de Universiteit van Amsterdam, resp. de hoogleraren A.C. Vreede, C.A. Pekelharing A.G. van Hamel en C.H. Kuhn, enkele "mededelingen" en een "voorstel" aan de senaten van genoemde universiteiten. In de "mededelingen" stelden zij o.m., dat zij, "een stap hernieuwende, die vroeger, in 1892-1893, door de toenmalige Rectoren en hunne onmiddellijke ambtsvoorgangers is gedaan, in een vriendschappelijke samenkomst de vraag hadden overwogen of het niet in het belang van het hoger onderwijs in Nederland en van de bloei van de voornoemde Universiteiten zou zijn, als tussen de senaten een vaste en duurzame band zou worden gelegd, en of het niet wenselijk zou zijn aan het gevoel van solidariteit, dat deze vier Universiteiten verbond, een zichtbare vorm te geven en een centrum van gemeenschappelijke werkzaamheid in het leven te roepen, waardoor dit gevoel kon worden versterkt". Zij hadden het oog, zo schreven zij, op een engere "confederatie", waardoor op sommige gebieden een soort van samenwerking en onderling hulpbetoon zou kunnen worden verwezenlijkt, zoals op het gebied der Universiteitsbibliotheken. Verder wilden zij de vraagstukken, die door de Regering aan het oordeel van de verschillende senaten werden onderworpen en die de regeling van het hoger onderwijs in zijn geheel betroffen (bijv. herziening van de Wet op het Hoger-onderwijs), door samenwerking van de senaten van "collectieve of nagenoeg eenstemmige adviezen" voorzien. Na dit te hebben overwogen stelde iedere rector magnificus voor aan "zijn" senaat: De Senaat spreekt de wenselijkheid uit van het tot stand komen ener inter-universitaire commissie van initiatief en advies in zake Hoger Onderwijs. Deze Commissie zal zijn samengesteld uit de Rectoren der vier Universiteiten en hun ambtsvoorgangers der beide laatste jaren en de naam dragen van Rectoren-college. Indien een der Rectoren of oud-Rectoren bezwaar maakt om in het College zitting te nemen, wordt voor hem, uit de andere oud-Rectoren, door de Senaat een plaatsvervanger benoemd. In bijzondere gevallen kunnen, op voorstel van het Rectoren-college of van een der Senaten, door de Senaten uit een of meer Faculteiten gedelegeerden worden aangewezen om tijdelijk in het College zitting te nemen. Aan dit College wordt opgedragen het geven van prae-advies omtrent door de Regering of door Curatoren bij de Senaten aanhangig gemaakte vraagstukken die de gemeenschappelijke belangen der vier Universiteiten of die van het Hoger Onderwijs in het algemeen betreffen. Het College van Rectoren is bevoegd om bij de Senaten aanhangig te maken alle vraagstukken die door twee derden zijner leden daartoe zijn aangewezen. Voor dit College gelden de volgende bepalingen: Het Rectoren-college kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris, die hun functiën waarnemen zolang zij in het College zitting hebben. Het Rectoren-college vergadert minstens twee malen in het jaar, en wel vóór ultimo oktober en vóór medio mei. Tijd en plaats der vergaderingen worden door de voorzitter bepaald. Na afloop van elke vergadering van het Rectoren-college brengt de rector magnificus van iedere Universiteit in de Senaat zijner Universiteit verslag uit omtrent hetgeen in die vergadering verhandeld is. In elke Senaatsvergadering wordt door de rector magnificus, als vertegenwoordiger van het Rectoren-college, de vraag gesteld, of de Senaat ook enig vraagstuk of enig belang ter behandeling of ter voorbereiding aan genoemd College wenst op te dragen of aan te bevelen. De quaestie der vergoeding van reiskosten aan de leden van het Rectore-college wordt door elke Senaat afzonderlijk voor zijn eigen vertegenwoordigers geregeld. De bureau-kosten worden door de fungerende Rectoren gedragen. Van het tot stand komen van het Rectoren-college wordt door zijn bureau, namens de vier Senaten, kennis gegeven aan Zijne Excellentie de heer Minister van Binnenlandse Zaken en aan Burgemeester en Wethouders van Amsterdam, en door elke Senaat afzonderlijk aan het College van Curatoren zijner Universiteit. De eerste vergadering van het Rectoren-college, gehouden op zaterdag 21 mei 1898 in een kamer van de Natuurkundige Faculteit in het Universiteitsgebouw te Utrecht, des middags te twee uur, werd bijgewoond door de hoogleraren Mac Gillavry, rector-magnificus (r.m.), Vreede en Martin, oud-rectoren (Leiden), Valeton, r.m., Pekelharing en Houtsma, oud-rectoren (Utrecht), Wildeboer, r.m., de Boer en van Hamel, oud-rectoren (Groningen) en Kuhn en Conrat (Amsterdam), de laatsten als gasten, omdat de Amsterdamse senaat nog niet in de gelegenheid was geweest het uiteindelijk voorstel tot instelling van het Rectoren-college te behandelen. In deze vergadering constitueerde het College zich. De eerste voorzitter was J.J.P.Valeton (Utrecht), de eerste secretaris A.G. van Hamel (Groningen). De laatste was, waarschijnlijk, een van de voornaamste initiatiefnemers. Immers, de concepten van de zich in het archief bevindende stukken betreffende de oprichting zijn alle van zijn hand. Een overzicht van de voorzitters, secretarissen en leden van het College tot 1955 is achteraan de inleiding opgenomen. Leids misverstand De eerste interne moeilijkheden in het College deden zich reeds in april 1899 voor, toen de drie Leidse afgevaardigden niet meer wensten deel te nemen aan het werk van het College. De Leidse hoogleraar Th.A.Mac Gillavry schreef op 28 april 1899 aan secretaris van Hamel onder meer: "Voor de zaak heb ik nooit sympathie wel antipathie gevoeld. Ik was en ben nog van meening, dat door het Rectoren-college niets nuttigs tot stand kan komen, geef echter toe dat ik het mis kan hebben. Maar de mensch moet handelen naar zijn overtuiging. Nu heb ik aan collega Pekelharing bij de préliminariën reeds medegedeeld hoe ik over het college dacht, maar er bij gevoegd dat ik als Rector zou uitvoeren wat de Leidsche Senaat goedvond te besluiten. Ik heb die belofte gehouden. Thans heb ik een persoonlijke grief, die mijns inziens mij het recht geeft om niet meer op te komen ter vergadering. De grief is deze: toen Utrecht ons ter vergadering en op een enigszins feestelijk onthaal noodigde gaven allen aan de uitnoodiging gehoor; toen Leiden wilde reciproceeren bedankten allen en thans zendt Groningen een uitnoodiging. Ik wil gaarne bij collega's te gast zijn maar niet meer als men weigert mijn gast te zijn .....". Ook de hoogleraren Martin en Vreede deelden mede niet meer mee te zullen werken. A.C.Vreede schreef (in een schrijven van 29 april 1899): "Ik heb voor de zaak nooit sympathie gehad, doch ben alleen om eene poging niet onmogelijk te maken, als Rector toegetreden". En K. Martin: "Laat mij alleen zeggen, dat ik geenszins om persoonlijke redenen wegblijf ..... Daarentegen ligt het niet in mijn aard om aan dingen mede te werken, waarvan het nut mij zeer twijfelachtig is geworden en als zoodanig moet ik thans de vergaderingen beschouwen". De Senaat van de Rijksuniversiteit te Leiden benoemde voor de vergadering van 6 mei 1898 als enige afgevaardigde de hoogleraar I.M. van Bemmelen. Aangezien het echter in strijd met de statuten was, wanneer het College zou bestaan uit afgevaardigden telkens voor één vergadering aangewezen, werd de vergadering uitgesteld. Ten slotte werd de oud-rector H.Oort in de plaats van A.C.Vreede aangewezen om zitting te nemen in het College. In de vacatures ontstaan door het bedanken van de hoogleraren Mac Gillavry en Martin werd later voorzien. In de vergadering van het College op 17 juni 1899 te Groningen gehouden werd dit zgn. Leidse misverstand besproken en afgehandeld. Toetreding Een hoofdstuk apart vormt de toetreding van andere universiteiten en van hogescholen. In de vergadering van 7 juli 1906 vroeg W.Einthoven (Leiden) of de rector van de Technische Hogeschool te Delft en die van de Vrije Universiteit te Amsterdam behoorden te worden uitgenodigd. In de volgende vergadering (6 juli 1907) besloot men (met één stem tegen) dit niet te doen, aangezien de "Deltsche Instelling geen universiteit is en de Amsterdamsche geen vijf faculteiten heeft". Wel waren de aanwezige leden van het College, in vergadering bijeen op 9 juli 1909, van mening, dat het wenselijk was de rapporten van het College, voor zover zij van belang waren voor de Technische Hogeschool, aan de rector magnificus van deze instelling toe te zenden. Op 1 juni 1912 bracht de voorzitter (P.J.Blok, Leiden) wederom de vraag ter sprake of de rector magnificus van de Vrije Universiteit tot het College zou worden toegelaten. De algemene opinie was, dat de kwestie kon blijven rusten, totdat de Vrije Universiteit het verzoek zou doen in het College te worden vertegenwoordigd. Op 10 januari 1914 werd door de voorzitter een commissie ingesteld, bestaande uit G.C.Nijhoff (Groningen), C.Winkler (Amsterdam G.U.) en R.H.Saltet (Amsterdam G.U.), die de vertegenwoordiging van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Technische Hogeschool te Delft in het Rectoren-college moest onderzoeken. Deze commissie, verslag uitbrengend in de volgende vergadering, bijna anderhalf jaar later gehouden op 3 juli 1915, stelde voor, beide instellingen toe te laten, maar voorlopig nog niet te beslissen over de vertegenwoordiging van de "Rotterdamsche Handelshoogeschool, zolang de levensvatbaarheid dier instelling niet is gebleken". J.M. Janse (Leiden), die op zijn vraag, of niet de grond van het College de gemeenschap van belangen was, van de rapporteur Nijhoff ten antwoord kreeg, dat de reden van bestaan van het College was de wenselijkheid van kennismaking tussen de rectoren en oud-rectoren van de verschillende inrichtingen van hoger onderwijs en dat zijn vraag, in hoeverre er gemeenschappelijke belangen bestonden, moeilijk te beantwoorden was, had tegen het voorstel geen bezwaar "als de toelating van andere inrichtingen op hoop van zegen geschiedt". H. Snellen (Utrecht) wilde de T.H. erbuiten laten, omdat de belangen zozeer verschilden. Hij stelde voor, alle universiteiten toe te laten, maar geen hogescholen. Het voorstel van de commissie werd verworpen met 4 stemmen voor, 4 tegen en 1 blanco. Het voorstel van Snellen werd aangenomen met 5 tegen 4 stemmen. Ten slotte werd een commissie benoemd om de wijziging der statuten voor te bereiden. Deze commissie stelde voor, aan Art. 1 van de Statuten toe te voegen: "en van de Vrije Universiteit te Amsterdam". Ook de overige artikelen had de commissie aan een revisie onderworpen. Art. 2 zou moeten luiden: Leden van het Rectoren-college zijn de rectores magnifici der vijf universiteiten, hun onmiddellijke voorgangers en hun vermoedelijke opvolgers, en Art. 3: Indien een der in Art. 2 genoemde personen bezwaar maakt in het college zitting te nemen wordt door zijn senaat voor hem een plaatsvervanger benoemd. In Art. 6 zou vervallen de bepaling: die door tweederden zijner leden daartoe zijn aangewezen. Andere wijzigingen betroffen de artt. 8 en 12 en de toevoeging van een nieuw Art. 13. Ook het Huishoudelijk reglement werd gewijzigd. In de vergadering van het Rectoren-college van 6 november 1915 werden de voorgestelde wijzigingen na enkele aanvullingen goedgekeurd. De senaten van de desbetreffende universiteiten dienden nu hun goedkeuring te geven. De Senaat van Groningen verwierp met grote meerderheid van stemmen Art. 1 o.a. omdat "..... de Vrije Universiteit gesticht was als protest tegen de Rijks-Universiteiten ....." en gezien "de mogelijkheid van het ontvangen van een beleefd bedankje". Ook het nieuwe Art. 2 werd door deze Senaat verworpen o.m. daar het niet wenselijk werd gevonden een oud-rector te vervangen door een lid, dat als rector nog geen ervaring had. Ook de Senaten van de Universiteiten te Utrecht en van Amsterdam waren tegen toelating van de Vrije Universiteit. Alleen die van de Universiteit te Leiden ging akkoord met alle wijzigingen. De statuten en het huishoudelijk reglement, zoals zij ten slotte werden vastgesteld, zijn opgenomen achteraan de inleiding. In de vergadering van 21 november 1919 kwam de toelating van de Technische Hogeschool te Delft weer ter sprake. Men besloot te wachten met het zenden van een uitnodiging "tot tijd en wijle het gebleken zal zijn, of het R.C. in zijn gereorganiseerden staat een nuttige rol in de interacademiale samenleving kan vervullen". S. Mendes da Costa (Amsterdam G.U.) roerde de toelating van de Vrije Universiteit weer aan in de vergadering van 29 oktober 1920, omdat de rector magnificus van de Vrije Universiteit hem te kennen had gegeven, dat hij wenste te worden toegelaten. Ook in de volgende vergadering (21 maart 1921) deed hij dit. De secretaris kreeg de opdracht na te zien, hoe men in het verleden daarover had gedacht. Na diens verslag op 29 oktober 1921 besloot men een officiële aanvraag af te wachten. Bijna een jaar later, op 27 oktober 1922, vestigde J.F. van Bemmelen, secretaris, er de aandacht op, dat het vierjarig mandaat van de vaste leden van het College in 1923 zou aflopen, en sprak als zijn oordeel uit, dat deze gelegenheid te baat moest worden genomen om het College opnieuw te reorganiseren en met name daarin vertegenwoordigers van de bijzondere universiteiten en hogescholen op te nemen. In de volgende vergadering (25 mei 1923) werd hierover wel gesproken, maar konden geen besluiten worden genomen, doordat het quorum niet aanwezig was en Utrecht niet was vertegenwoordigd. In de vergadering daarna (23 oktober van dat jaar) achtte men het wenselijk de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Rooms-Katholieke Universiteit te Nijmegen toe te laten. Acht leden stemden vóór, twee blanco (Six, Amsterdam, en Vogelsang, Utrecht) en één tegen (Kouwer, Utrecht). De opneming van de Hogescholen in het College werd met acht tegen drie stemmen verworpen. De discussie in de vergadering, zoals die blijkt uit de notulen, op de voet volgend, lezen wij: "De heeren Six en Kouwer achten dit (nl. de toelating van de Hogescholen) in vele opzichten wenschelijk, in 't bijzonder voor quaesties omtrent het bestuur en beheer der onderwijsinrichtingen en hunne verhouding ten opzichte van elkaar, wat betreft betaling van collegegelden, toelating tot examina en promoties en dergelijke. Andere leden o.a. de Heer Krabbe voelen niets voor de toetreding der Hoogescholen. In verband daarmee merkt de Heer van den Broeck op, dat de meeste dezer eigenlijk mogen beschouwd worden als faculteiten en dat dit (tenminste voor het tegenwoordige) ook tot zekere hoogte geldt voor de beide bijzondere Universiteiten, zodat bij toetreding van alle vier thans bestaande Hoogescholen de verhouding in het R.C. zou worden: vier volledige Universiteiten, naast de Technische Hoogeschool benevens vijf Faculteiten, wat hem niet wenschelijk voorkomt. Ook de Heer Kristensen acht de uitbreiding te groot en vreest dat daardoor het karakter van het college teloor zal gaan, omdat de quaesties, die ter behandeling komen, telkens slechts voor een deel der leden belang zullen hebben. Op de opmerking van de Heer Kouwer, of wij bij deze beschouwingen de beteekenis van het college niet overschatten, antwoordt de heer Kristensen, dat wij zelf aan onze adviezen een zoo groot mogelijke beteekenis moeten schenken, ten einde de Senaten daarvan te kunnen overtuigen. De Universiteiten hebben genoeg gemeenschappelijke belangen, om het bestaan van een college waarin zij allen (maar dan ook geen andere lichamen dan zij) vertegenwoordigd zijn, te rechtvaardigen. Nadat nog de vraag, of de opneming der Hoogescholen niet beperkt zou kunnen worden tot die te Delft, is overwogen, blijkt bij rondvraag, dat ook dit denkbeeld geen ondersteuning vindt en wordt bij stemming de opneming der Hoogescholen met acht tegen drie stemmen verworpen". Uit de notulen van de daarop volgende vergadering (ruim anderhalf jaar later, op 8 juni 1925 gehouden) blijkt, dat, nadat de Vrije Universiteit te Amsterdam en de R.-K.Universiteit te Nijmegen hun geneigdheid tot toetreding officieus hadden te kennen gegeven, alle senaten de uitbreiding in principe hebben goedgekeurd. In deze vergadering is alleen een vertegenwoordiger van Nijmegen present, omdat, zoals later blijkt, de Senaat der Vrije Universiteit geen oproep voor de vergadering had ontvangen. Eigenlijk hadden de twee bijzondere universiteiten pas aan de vergaderingen deel kunnen nemen, nadat de statuten officieel waren gewijzigd, doch men liet hen toen reeds toe, omdat men het beleefder vond de nieuwe leden de gelegenheid te geven aan de wijziging van de statuten mee te werken. Voorzitter J.Simon van der Aa en secretaris J.F. van Bemmelen namen op zich e.e.a. voor te bereiden. Kennelijk is hiervan niets gekomen, want eerst in de vergadering van 27 oktober 1928 (onder voorzitterschap van C. van Vollenhoven, Leiden) kwam de statutenwijziging weer ter sprake. In vergaderingen van de senaten van de zes universiteiten, gehouden in de maanden oktober-december 1928, werd goedgekeurd, dat Art. 1 van de statuten aldus zou worden gelezen: "Er bestaat, onder den naam van Rectoren-college eene interuniversitaire commissie, samengesteld uit vertegenwoordigersder Nederlandsche Universiteiten". Pogingen tot opheffing; reorganisatie Vele jaren kabbelden de activiteiten van het College rustig voort, (meestal werd maar één vergadering per jaar gehouden, soms twee, zoals in de jaren 1898-1900 en 1903 en geen enkele in 1905) totdat op 2 november 1912 H.Treub (Amsterdam G.U.) opmerkte, dat z.i. de vergaderingen van het Rectoren-college weinig betekenden. Hij vergeleek het College zelfs met "een dood geboren paard aan een boom gebonden" en wilde het alleen doen bijeenkomen als er een bepaalde reden voor was, aldus de notulen van de vergadering op die dag gehouden. Wij lezen verder, dat de voorzitter (P.J.Blok, Leiden) en D.Simons (Utrecht) meenden, dat de heer Treub wel wat onbillijk oordeelde. In de volgende vergadering (7 juni 1913) kwam ter sprake het voorstel van H.Treub om het College op te heffen. De heer Treub vond de vergaderingen nutteloos "al apprecieert hij de gezellige bijeenkomst met de collega's zeer". G.C.Nijhoff (Groningen) en P J.Blok bestreden zijn zienswijze, evenals J. te Winkel (Amsterdam G.U.),die verklaarde, dat hij opheffing zou betreuren. H.Treub trok zijn voorstel in, nadat men had afgesproken alleen te vergaderen, als een onderwerp bepaaldelijk zou worden opgegeven. (In dezelfde vergadering werd H.Treub tot voorzitter gekozen !). In oktober 1918 waagden drie leden van het Rectoren-college, t.w. G.Kalff (Leiden, G.W.Kernkamp (Utrecht) en P. van Romburch (Utrecht), een poging om het College op te heffen, waarmede instemden P.C.T. van der Hoeven (Leiden), C. van Vollenhoven (Leiden)en R.Sissingh (Amsterdam G.U.). Het voorstel om het College op te heffen, waarvan geen exemplaar in het archief aanwezig is, werd aan de leden toegezonden. Ook P.H.Damsté (Utrecht) en L.Bolk (Amsterdam G.U.) betuigden hun instemming ermee. G.W.Kernkamp deelde mede, dat het op een misverstand berustte, dat zijn naam onder het voorstel tot opheffing stond, omdat hij voor het eerst in het College zitting had en een dergelijk voorstel moeilijk (mede) van hem kon uitgaan. Een zelfde mening verkondigde K.Kuiper (Amsterdam G.U.). Van de drie Groningse leden was J.Simon van der Aa niet van "het rationele der opheffing overtuigd". Hij vond, dat ook aan de mogelijkheid van herziening van de wijze van samenstelling en van werken van het College aandacht diende te worden geschonken. J.F. van Bemmelen (Groningen) kon er nog niet over oordelen en wenste, evenals C. van Wisselingh (Groningen, voorzitter) en de meeste andere leden, een vergadering te beleggen om het voorstel te bespreken. Deze vergadering had plaats op 14 december 1918. Na een langdurige bespreking werd het tegenvoorstel van J.F. van Bemmelen en J. Simon van der Aa om een commissie te "benoemen "die middelen zou beramen en hervormingen in de samenstelling en werkkring van het Rectoren-college zou voorstellen, waardoor dit beter dan tot nog toe aan zijn doel zou kunnen beantwoorden" met algemene stemmen aangenomen. Als leden van die commissie werden de drie Groningse leden van het College aangewezen. Deze commissie "bracht in januari 1919 rapport uit. Zij stelde voor, de gewenste reorganisatie te bereiken door een herziening van de statuten en het huishoudelijk reglement, zodat het niet nodig was het bestaande College op te heffen en een "nieuwe interacademische vertegenwoordiging op nieuw te leggen grondslag" tot stand te brengen. Tot opheffing van het Rectoren-college is men dus niet gekomen. Het voorstel van de commissie tot wijziging van de statuten werd in de vergadering van 2 mei 1919 met algemene stemmen aangenomen. De belangrijkste veranderingen betroffen de artt. 2 en 9, terwijl een nieuw Art. 6 werd ingevoegd. Deze luidden daarna als volgt: De Groningse rector-magnificus J.F. van Bemmelen gaf op het voorstel de volgende toelichting: "Tot het ontwerpen van nevensgaande voorstellen, strekkende tot hervorming van het Rectoren-college, hebben naar mij bekend is, geleid de volgende redenen en overwegingen: Het is in het belang van het Hoger Onderwijs in 't algemeen, en van iedere Universiteit in 't bijzonder ten zeerste gewenst, dat tussen de verschillende Universiteiten zoveel mogelijk samenwerking bestaat in alle kwesties die haar gemeenschappelijke belangen raken. Voor deze samenwerking is nodig geregelde uitwisseling van gedachten meningen en wensen, zodat de Senaten op de hoogte blijven van elkanders opvattingen en inzichten, voornemens en bedoelingen. Om hiertoe te geraken is het bestaan van een interacademiaal lichaam onontbeerlijk. Als het niet bestond, zou men het noodzakelijkerwijze moeten oprichten; nu het bestaat, dient het geschikt te zijn of te worden gemaakt om die taak naar behoren te vervullen. Hiervoor zijn een zekere stabiliteit in de samenstelling, een doelmatige wijze van voeling houden en werken en zekere bevoegdheid tot initiatief en actie natuurlijke en cardinale vereisten. Zij hangen nauw samen in deze zin dat de twee laatstgenoemde niet te verwezenlijken zijn zonder het eerste. Maar die stabiliteit ontbreekt juist aan het Rectorencollege bij de tegenwoordige organisatie. Hierin mag wel voor een groot deel de oorzaak worden gezocht van het verschijnsel dat van het instituut over het geheel tot dusver weinig is uitgegaan. Daarom is het noodwendig te breken met het tot nu toe geldende stelsel, dat het Rectoren-college uitsluitend doet bestaan uit de vigerende rectoren en die der twee voorafgaande jaren, zonder aanzien des persoons, d.i. zonder dat geschiktheid en geneigdheid om de Universiteit in dat College te vertegenwoordigen of ook belangstelling in het werk van het College, iets toe of afdoet. Aangezien de vigerende rectoren de personen zijn die de voorstellen van het inter-academiaal College in hun Senaat moeten inleiden, is het toch gewenst, dat zij gedurende hun rectoraat lid van het College zijn. Daarnaast echter worde overgegaan tot de instelling van z.g. blijvende leden, bij wier keuze de Senaten zich uitsluitend kunnen laten leiden door het oordeel omtrent hun persoonlijke geschiktheid voor het lidmaatschap en die, in normale gevallen, acht jaar lid zullen blijven. Naar de voorgestelde nieuwe lezing van Art. 2 der Statuten zal aldus de bovenbedoelde stabiliteit van het College kunnen bereikt worden. En alsdan zal tevens de mogelijkheid zijn geopend voor de verwezenlijking van de bovengenoemde verdere vereisten. Voor een doelmatige manier van voeling houden en werken, die zich het best in de praktijk zelf aanwijst, behoeven geen bijzondere voorschriften te worden opgesteld; met het belang daarvan is intussen rekening gehouden bij de redactie van betreffende artikelen, waarvan met name de bepaling van Art. 8 der statuten beoogt aan de vergaderingen een enigszins ander karakter te geven dan zij plachten te hebben. Welke eigenlijk de positie is die aan het Rectoren-college is toegedacht en door het College thans wordt ingenomen, laat zich moeilijk met zekerheid zeggen. Enerzijds blijkt dat de statuten niet opzettelijk van optreden naar buiten gewagen; anderzijds is bekend, dat het College zich wel rechtstreeks met mededelingen of voorstellen tot autoriteiten heeft gewend, o.m. om slechts dit voorbeeld te noemen, inzake de uitgave van de Universiteitsgids. Door aan het College ten behoeve van de uitgave daarvan onder zijn toezicht een subsidie te verlenen, is voorts door de regering zijn bestaan officieel erkend. Deze opvatting van zijn plaats en bevoegdheid behoort in de statuten uitdrukkelijk te worden aanvaard. Voor een nuttige werkzaamheid is een zekere mate van zelfstandigheid onmisbaar. Het College moet, als daartoe aanleiding is, opmerkingen, meningen, conclusiën niet slechts aan de Senaten, maar evenzeer aan de Regering en de Colleges van curatoren, alsmede aan betrokken lichamen en personen buiten de kring der universiteiten kunnen richten en kenbaar maken, en derhalve bevoegd zijn rechtstreeks tot corporaties en individuen, aan welke het reden heeft inzichten mee te delen, zich te wenden. Daartoe strekt de in de vorm van een nieuwe bepaling voorgestelde aanvulling van Art. 6 .................... Het R.C. moet en kan niet anders wezen dan een uit de kring der Universitaire Senaten opgekomen lichaam voor overleg, raad en bericht, dat aan de Senaten verslag en rekenschap geeft van zijn werkzaamheden, en welks voorname taak ligt in de behartiging der Interuniversitaire belangen, zowel in de kring der Universiteiten zelf, als eventueel tegenover de buitenwereld. Tot zekere hoogte ware het R.C. te beschouwen als een commissie van gedelegeerden ener samengestelde Vakvereniging, die intussen niet zozeer met de persoonlijke belangen van het vak zich heeft bezig te houden. De verwachting mag worden gekoesterd, dat bij een gewijzigde organisatie als de ontworpen voorstellen aangeven en hier nader is toegelicht, de arbeid van het Rectoren-college, van gelukkiger samenstelling en met ruimer initiatief en groter activiteit, aan de samenwerking der Universiteiten in het belang van het Hoger onderwijs in aanmerkelijk meerdere mate dan thans bevorderlijk zal blijken te wezen." Na deze reorganisatie werden vaste leden benoemd, die ten minste vier en ten hoogste acht jaar zitting in het College dienden te hebben. Hiervan is niet veel terecht gekomen. Alleen W.B. Kristensen (Leiden), J. Simon van der Aa en J.F. van Bemmelen (Groningen) zijn langer dan vier jaar lid gebleven, nl. resp. zeven, zeven en acht jaar. De in 1919 tot tijdelijk lid benoemde J. Six (Amsterdam G.U.) werd in 1920 vast lid en bleef dit zes jaar. De vaste leden uit Utrecht (G.W. Kernkamp en C. Eijkman) bleven vier jaar aan, evenals E. Verschaffelt (Amsterdam G.U.). Overigens zij verwezen naar de in de inleiding bijgevoegde ledenlijst (deze kan niet compleet zijn, aangezien uit de in het archief aanwezige briefwisseling en notulen van vergaderingen niet steeds duidelijk blijkt, wie lid is en wanneer men lid is geworden). Uit deze lijst blijkt, dat het vooral de Groningse hoogleraren J. Simon van der Aa en J.F. van Bemmelen zijn geweest, die het College de zo nodige continuïteit hebben gegeven door jaren lid te blijven. J. Simon van der Aa was van 1917 tot 1923 gewoon lid, daarna van 1923 tot 1927 voorzitter en J.F. van Bemmelen werd lid in 1918 en was daarna secretaris van 1919 tot 1927. Van 1926-1935 kwam men meestal wel eenmaal per jaar bijeen, maar werden geen concrete voorstellen ingediend. Soms bevatte de agenda slechts twee onderwerpen. In ieder geval was er contact tussen de verschillende universiteiten op rectores-niveau. Dit was op zich zelf reeds nuttig. Na de vergadering van het College, gehouden op 9 maart 1935, trad een periode van totale in-activiteit in; daarin werd zelfs niet vergaderd. Eerst in november 1937 herinnerde K. Sneyders de Vogel (Groningen) zich, dat er een Rectoren-college bestond en deed hij het voorstel aan J.A.J. Barge (r.-m. te Leiden) het college bijeen te roepen. J.A.J. Barge zond dit schrijven door aan de vorige voorzitter H. Brugmans (G.U. Amsterdam). Deze deelde hem en ook de rector magnificus te Nijmegen mede, dat hij als voorzitter in 1935, toen zijn periode van vier jaar was verstreken, was afgetreden en dat hij R.H. Woltjer (secretaris tot 1935) had gevraagd het archief over te dragen aan Nijmegen, dat de volgende periode van vier jaar de leiding zou hebben. Deze had dit (in december 1937) nog niet gedaan. Toen L. Bellon (r.m. Nijmegen) begreep, dat hij voorzitter van het Rectoren-college was, riep hij dit tegen 26 februari 1938 in vergadering bijeen. Omdat geen secretaris aanwezig was, besloot men in die vergadering de permanente secretaris van de Universiteit van Amsterdam (ook permanent) uit te nodigen het secretariaat van het college op zich te nemen, daar Amsterdam de plaats der vergaderingen zou blijven (zie Art. 9 Statuten 1919) en daardoor enige continuïteit zou worden verkregen. Ook besloot men, dat van elke universiteit gedurende vier opeenvolgende jaren de rector voorzitter zou zijn. De volgorde zou zijn (na Leiden en Amsterdam G.U.) Nijmegen, Groningen, Utrecht, Vrije Universiteit en daarna, volgens anciënniteit: Leiden, Groningen, Utrecht, Amsterdam G.U., Amsterdam V.U. en Nijmegen. Art. 2 van de statuten werd toen gewijzigd en kwam als volgt te luiden: "De leden van het Rectoren-college worden onderscheiden in blijvende en tijdelijke. Eerstgenoemden zijn: zij, die ten getale van twee door iederen senaat worden gekozen voor een tijdvak van vier jaar, de Secretaris van het College. De onder a. genoemden zijn eenmaal herkiesbaar. Tijdelijke leden zijn de fungerende Rectoren."` De secretaris van de Universiteit van Amsterdam, A.W. de Groot, aanvaardde bij schrijven van 29 november 1938 zijn benoeming. Reeds in mei 1939 legde hij zijn functie neer, aangezien het hem, in verband met de academische examens en de eindexamens der gymnasia, ten gevolge waarvan hij voortdurend op reis was, zelfs niet mogelijk was de lopende zaken van het Rectoren-college naar behoren te regelen en hij de combinatie van deze secretariaats-functies niet in het belang achtte van zowel de Universiteit van Amsterdam als van het Rectoren-college. Nadat J.F. Koksma (Amsterdam V.U.) tijdelijk het secretariaat had waargenomen, werd D. van Os (Groningen) secretaris. Hij was dit nog, toen de oorlog uitbrak. 1940-1945 In de loop van 1940 werd ingesteld het College van Interacademiaal Overleg (C.I.O.), waarin zitting hadden de rectores magnifici en de secretarissen van universiteiten en hogescholen. Hoewel dit college niet was te beschouwen als gelijk aan het Rectoren-college was het er toch wel de opvolger van. Daarom zijn ook enkele omslagen met stukken in het archief van het Rectoren-college opgenomen. Een nieuw begin Het eerste levensteken van het Rectoren-college na 1945 ontwaren wij eind 1947. Bij schrijven van 19 december 1947 nodigde de secretaris van de Senaat der Rijksuniversiteit te Leiden, C.C. Berg, namens de rector magnificus van deze universiteit, J.C. van Oven, de rectores magnifici van de andere universiteiten uit om te vergaderen in de Professorenkamer van het Academiegebouw aan het Rapenburg te Leiden op Zaterdag 10 januari 1948. Alle rectores verschenen behalve die van Nijmegen, die verhinderd was. Als secretaris trad C.C. Berg op. De lange agenda omvatte 18 punten. Het archief was echter niet voorhanden. In de volgende vergadering deelde de voorzitter, J.C. van Oven, mede dat uit het inmiddels van D. van Os (Groningen) ontvangen archief bleek, dat het Rectoren-college een statutair vastgelegde samenstelling had. De vergadering zelf voelde het meest voor een college gevormd door de rectores van het jaar en hun voorgangers en een vaste secretaris. Op voorstel van G.C. Heringa (Amsterdam G.U.) werd de toelating van de rectores magnifici van de Hogescholen besproken. "Het kan zijn", zo zei de prof. Heringa, "dat er spoedig zeer dringende en belangrijke zaken in het College besproken zullen worden, waarbij alle facetten van het hoger onderwijs betrokken zijn. Dan zal er eendracht en kracht moeten zijn. De hogescholen hebben dezelfde standing als de universiteiten, al is haar object beperkter". Zijn betoog werd met instemming begroet. Bij schrijven van 15 maart 1948 werden de rectores van de Hogescholen te Delft, Wageningen, Rotterdam en Tilburg uitgenodigd in het College zitting te nemen. Reeds in de volgende vergadering van 9 april 1948 waren zij aanwezig, hoewel de Statuten nog niet officieel waren gewijzigd. Het Rectoren-college was nu dus uitgebreid tot tien leden. C.C. Berg bleef voorlopig secretaris. Met ingang van het nieuwe studiejaar werd tot secretaris benoemd Th.C. van Stockum (Groningen) en tot voorzitter P.J. Enk (eveneens Groningen). In de jaren 1949-1954 leverden respectievelijk Utrecht, Amsterdam G.U., Amsterdam V.U., Nijmegen, Delft en Wageningen voorzitter en secretaris. De grotere activiteiten van het College na de oorlog uitten zich in een verhoogde vergaderfrequentie. In het: studiejaar 1947-1948 werd 5 maal vergaderd studiejaar 1948-1949 werd 4 maal vergaderd studiejaar 1949-1950 werd 5 maal vergaderd studiejaar 1950-1951 werd 5 maal vergaderd studiejaar 1951-1952 werd 4 maal vergaderd studiejaar 1952-1953 werd 4 maal vergaderd studiejaar 1953-1954 werd 5 maal vergaderd studiejaar 1954-1955 werd 6 maal vergaderd. De plaats, waar de vergaderingen gehouden werden was sedert 1949 Utrecht. Van 1898 af hadden de rectoren steeds achtereenvolgens in Utrecht, Leiden, Groningen en Amsterdam vergaderd. Van 1919 af was de vaste plaats van samenkomst het Universiteitsgebouw te Amsterdam. Na de oorlog werden, totdat Utrecht vaste vergaderplaats werd, de eerste tien bijeenkomsten gehouden in de plaatsen, waar de tien deelnemende instellingen waren gevestigd. In de vergadering van 14 februari 1953 werd een Delfts voorstel besproken om de vergaderingen, die altijd 's middags werden gehouden voortaan om 11 uur te beginnen, om 13 uur een gemeenschappelijke koffiemaaltijd te houden en vervolgens, indien nodig, de vergadering voort te zetten. Op voorstel van de voorzitter besloot men echter om 12.30 uur met een koffiemaaltijd te beginnen, aangezien vooral de van ver komende leden bezwaar hadden tegen een vroeg aanvangsuur. Intussen waren de statuten in 1951 wederom enigszins gewijzigd. Art. 2 (oud Art. 3) was aangevuld, Utrecht was aangewezen als vergaderplaats (Art. 9) en een nieuw Art. 14 (Het Rectoren-college is bevoegd zijn werkwijze nader bij huishoudelijk reglement te regelen) toegevoegd. In de artt. 2 en 3 van het huishoudelijk reglement, vastgesteld in 1919, waren ook wijzigingen aangebracht. Art. 6 verviel. In de vergadering van 10 mei 1952 kwam de continuïteit van het College wederom ter sprake. D.Th. Vollenhoven (Amsterdam V.U.), voorzitter, stelde voor, het aantal leden enigszins uit te breiden b.v. doordat twee, drie of vier hogescholen bij toerbeurt een afgevaardigde voor een derde jaar in het College zitting zouden laten houden. H.J.C. Tendeloo (Wageningen) opperde het denkbeeld het secretariaat blijvend in Utrecht te vestigen. De secretaris (R. Hooykaas, Amsterdam V.U.) en M.J. Sirks (Groningen) meenden, dat hierdoor één persoon te veel invloed zou krijgen. Na discussie besloot men, dat de afgevaardigden uit Leiden, Nijmegen en Amsterdam G.U. een voorstel tot statutenwijziging zouden concipiëren. Men besloot tevens voortaan een jaarverslag uit te brengen. In de volgende vergadering bleef het bij het voorlezen van dit jaarverslag, dat als middel tot bevordering van de continuïteit zou dienen. In de vergadering van 2 mei 1953 kwam een Leids voorstel ter sprake, dat aan de leden was rondgezonden, maar dat door de voorsteller, J.J.L. Duyvendak, ter vergadering zodanig werd gewijzigd, dat het ertoe strekte, dat van de Universiteit of Hogeschool, die aan de beurt is om het voorzitterschap te doen bekleden, de rector van het vorige jaar als voorzitter zou optreden. Op deze wijze zou worden bereikt, dat de voorzitter op het ogenblik, dat hij in functie trad, reeds een jaar aan de werkzaamheden van het College had deelgenomen. Dienovereenkomstig werd besloten. Bij schrijven van 7 april 1954 stelde J.M.v. Bemmelen (Leiden) voor in het College voortaan behalve de fungerende rector een oud-rector op te nemen, die gedurende vijf jaar zitting zou hebben, ten einde de (zo vaak genoemde) continuïteit te vergroten. Na een uitgebreide discussie besloot men aan de Senaten voor te stellen elke universiteit en hogeschool te laten vertegenwoordigen door zijn rector magnificus (die om de plaats die hij vervult in een dergelijk College niet zou kunnen worden gemist) en door een tweede hoogleraar, naar vrije keuze, die voor een door de instelling te bepalen aantal jaren kan worden aangewezen, voor wie althans een periodieke herbenoeming, eventueel jaarlijks, mogelijk zou zijn. Men oordeelde het zeer wenselijk, dat deze tweede vertegenwoordiger binnen zijn universiteit een zekere status zou verkrijgen, door elke instelling op eigen wijze te regelen. Alle senaten gingen met dit voorstel akkoord. De naam "College van Rectores Magnifici der Nederlandse Universiteiten en Hogescholen" werd gehandhaafd. Het secretariaat zou telkenjare met het voorzitterschap wisselen. Men verzocht de secretaris de "reglementen" door te nemen en een voorstel tot wijziging te formuleren en rond te zenden. Uit de notulen van volgende vergaderingen blijkt niet, of hieraan gevolg is gegeven. Men was het erover eens, dat alleen een rector en niet de tweede vertegenwoordiger, voorzitter van het College kon worden. In de vergadering van 6 april 1955 bleek, dat de statuten en het huishoudelijk reglement nog steeds niet waren gewijzigd. Pieters (Tilburg ) stelde voor, de mogelijkheid open te houden, dat niet de rector, maar de permanente vertegenwoordiger als voorzitter zou optreden. De discussie hierover werd in de volgende vergadering (4 juni 1955) voortgezet. De meningen waren verdeeld. Ten slotte besloot de vergadering in het reglement de mogelijkheid te openen, dat de permanente vertegenwoordiger als voorzitter optrad, maar dat het voorzitterschap normaliter door een fungerend rector zou worden bekleed. Secretariaat In de vergadering van 15 januari 1955 merkte Mr. H.J. Woltjer, chef van de Afdeling H.O. van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, die sedert 14 februari 1953 de vergaderingen als gast bijwoonde, op, dat, nu meermalen op zijn departement een beroep gedaan werd voor informaties, prae-adviezen e.d., een overbelasting dreigde. J.N. Bakhuizen van den Brink (Leiden) herhaalde in dit verband een eerder gedaan voorstel om te komen tot een permanent secretariaat, hetgeen door R.W. Zandvoort (Groningen) werd ondersteund. B. Pruyt (Rotterdam) voelde er meer voor, dat de heer Woltjer directe hulp zou krijgen. H.W. Julius (Utrecht) zei in de volgende vergadering (26 februari 1955) een permanent secretariaat van groot belang te achten. Hij zag twee mogelijkheden: een secretariaat, aan het hoofd waarvan een vaste bureau-chef, ter assistentie van de jaarlijks wisselende hoogleraar-secretaris; een blijvende secretaris. H.W. Julius gaf aan de eerste mogelijkheid de voorkeur; de taak van het secretariaat zou dan in hoofdzaak moeten omvatten: hetgeen op de vergaderingen werd besproken goed geclassificeerd verwerken, dus niet alleen notuleren alle gegevens, noodzakelijk voor de discussie van een op de agenda geplaatst onderwerp, met kennis van zaken verzamelen. De voorzitter (W.F. Eijsvoogel, Wageningen) meende, dat hiermede een ambtenaar van het departement zou moeten worden belast, die als adjunct-secretaris zou optreden en in geregeld contact met de secretaris van het College zou werken. Deze zaak werd door de voorzitter en Mr. Woltjer in onderling overleg geregeld. Na een onderhoud op 15 juni 1955 werd Mr. F.L. Rutgers, ambtenaar ten departemente, tot adjunct-secretaris benoemd. Financiële aangelegenheden Na de reorganisatie in 1919 vroeg het Rectoren-college aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr.J.Th. de Visser een jaarlijkse subsidie van vijfhonderd gulden voor bureaukosten en reis- en verblijfkosten van de zgn. vaste leden. De Minister berichtte geen termen te vinden om een subsidie beschikbaar te stellen. Uit de ten departemente aanwezige archieven blijkt, dat de afdeling H.O. van het Ministerie bij nota van 30 juni 1920 de minister adviseerde de subsidie niet te verlenen, aangezien de toelichting van het bestuur van het Rectoren-college bij de aanvraag "een bedenkelijke kant" had. In deze toelichting stond nl. dat het College geschikt was "om bemiddeling te verlenen bij alle vraagstukken, die de gezamenlijke Universiteiten aangaan". Volgens de afdeling H.O. was dit voor een deel de taak van de eerste afdeling van de Onderwijsraad. Er zou naar haar mening geen bedenking tegen de toekenning van subsidie zijn, indien het Rectoren-college zich zou bezighouden met de bespreking van interne aangelegenheden van de Senaten van de Universiteiten. De Onderwijsraad was immers het lichaam, dat aan de Regering adviseerde over specifieke onderwijszaken. Lange tijd waren de financiën geen onderwerp van beraadslaging. Eerst in 1948 stortten de deelnemende universiteiten en hogescholen ieder f 25,- ter dekking van de administratiekosten. In de jaren 1948, 1949, 1950, 1952 en 1953 werd door de secretaris van het College telkens f 50,- aan administratieve hulp uitbetaald. Tot 1 april 1950 was C.C. Berg (Leiden) penningmeester en tot 27 oktober 1951 C.B. Biezeno (Delft). Van die datum af werd de secretaris belast met het werk, dat het fiscaat met zich bracht. De financiële administratie werd door het bureau van de Senaat te Utrecht verzorgd. De minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen verstrekte van 1953 af aan de Rector van de Universiteit te Utrecht een extra toelage van f 25,- per maand ten behoeve van de vergaderingen van het Rectoren-College. Het merkwaardige was echter, dat het Rectoren-college zelf nog steeds een girorekening had op naam van C.C. Berg, waarop een bedrag van f 1.400,- stond als restant (voor het grootste deel) van een in 1948 gehouden inzameling. Dit bedrag werd in de loop van 1955 aan het Koningin Wilhelminafonds overgemaakt, zodat het College zelf van dat moment af niet meer de beschikking over gelden had. Besluit Wij willen besluiten met het citeren van een gedeelte van een brief, die de voorzitter (O. Bottema) en de secretaris (J.P. Schouten) op 17 mei 1954 aan de Leden van het Rectoren-college en de Senaten van de tien aangesloten instellingen zonden, waaruit duidelijk blijkt, hoe toenmalige leden over hun College dachten: "Het College komt drie of vier maal per jaar een middag bijeen. Er worden verschillende gemeenschappelijke problemen besproken en ervaringen uitgewisseld. Bevoegdheden heeft het College vrijwel niet. Op verzoek van een enkele vereniging wijst het daarin een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs aan.(De voorzitter is qq. lid van het bestuur van de World University Service; het college wijst een vertegenwoordiger aan in het advies-college van het Universitair Asylfonds.) Verder vraagt het Departement zijn advies bij vertegenwoordiging van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland. Het Rectoren-college heeft onmiskenbare waarde als ontmoetingspunt van de gezamenlijke instellingen van hoger onderwijs (voor zover het de respectievelijke Senaten betreft) en het instituut wordt door zijn leden dan ook algemeen gewaardeerd om de gelegenheid tot contact, die het biedt. Het heeft ook meer dan eens goed werk kunnen doen. Toch is zijn betekenis en invloed betrekkelijk gering. De onderwerpen, die op de agenda voorkomen, zijn veelal van meer ondergeschikte aard. Belangrijke vraagstukken van het hoger onderwijs, zoals de bestuursvorm der universiteiten, de verhouding Curatorium-Senaat, die van onderwijs en wetenschap, van wetenschap en maatschappij, de problemen van de studieduur, van specialisatie, van universitaire didactiek, de sociale positie van en de sociale zorg voor de student, de selectie, het studium generale, de wetenschappelijke staf, om van vele andere (gedeeltelijk zelfs de meest principiële) te zwijgen, dringen in het Rectoren-college nauwelijks door".
De familie Nourij en de familie van der LandeDe familie Nourij Jean Baptiste Lenourrij uit Saint Remy des Landes, een plaatsje aan de Normandische kust, is de oudst bekende voorvader van de familie Nourij. Samen met zijn oom Jacobus Lenourrij vertrok hij in 1741 uit zijn dorp naar elders op zoek naar werk. Waarheen hij vertrok en verbleef tot aan zijn huwelijk is niet bekend. In de lijst van Deventer huisgezinnen uit 1748 komt zijn naam niet voor. Zijn zuster Maria trouwde in 1760 met Jacob Aziv de la Rivière en woonde daarna op het nu nog bestaande kasteel Taillefer bij Saint Remy des Landes. De familienaam Nourij bleef tot het uitsterven van het geslacht in 1879 door het overlijden van Franciscus Gustavus Nourij gewoonlijk met een ij geschreven. Vanaf de oprichting van de firma in 1838 spelde men in het bedrijf de naam, doorgaans in samenstelling met Van der Lande, met een y. Op 12 april 1751 trouwde Jean Baptiste Lenourrij, onder zijn Nederlandse naam Jan Nourij, te Deventer met Johanna Erica Meijer(s). Het paar vestigde zich in de Nieuwstraat op de hoek van de Tibbensteeg in een huis dat eigendom was van Anna Tiers, de ongetrouwde tante van Johanna. Johanna of Janna was op 19 januari 1723 katholiek gedoopt als dochter van Wijte Meijer en Geertruid Tiers. Uit de nalatenschap van haar in 1749 overleden tante werd Johanna het hoekhuis en pakhuis aan de Nieuwstraat toegewezen. Haar tante had het huis in 1728 van Janna's vader overgenomen. Anna Tiers verkocht er koffie en thee. Jan en Johanna zetten de winkel voort en begonnen daarnaast ook te handelen in katoenen garens, omdat op koffie, thee, cacao en tabak accijns werd geheven. Deze genotmiddelen werden als luxeartikelen beschouwd waarop een heffing of impost gerechtvaardigd was. Maar Jan had de inning van de accijns gepacht en de zaken verliepen voorspoedig, zodat hij rond zijn winkel verschillende panden kon kopen. Geleidelijk kwam hij zo in bezit van een gesloten complex gebouwen tussen de Nieuwstraat, de Tibbensteeg en de Bruynssteeg. Verspreid over de stad bezat hij nog meer onroerend goed. De familie zou tot aan haar uitsterven in de Nieuwstraat blijven wonen. Jan en Johanna kregen vijf kinderen. Antonius Jacobus (1762-1810) zou als jongste zoon de zaak van zijn vader overnemen. In hun testament van 1789 hadden zijn ouders vastgelegd dat Antonius aan zijn twee broers en twee zusters in totaal 1900 gouden Carolus guldens moest betalen om de winkel en de handel te mogen overnemen. Antonius Jacobus trouwde in 1790 te Weerselo met Catharina Johanna Kock, dochter van Theodorus Bernardus Kock, een vermogend wijnkoopman en handelaar in leer te Oldenzaal. Toen Catharina in 1795 overleed had zij haar man twee kinderen geschonken: Anna Baptista (1791-1852) en Derk Theodorus Bernardus (1792-1868). Antonius trouwde op 10 september 1796 voor de tweede keer met Maria Elisabeth Seegers (1768-1821), schoondochter van de burgemeester van Elten. Bij haar zou hij vijf kinderen krijgen, de latere Erven A.J. Nourij. Zijn vader Jan Nourij overleed enkele maanden later en werd 23 december 1796 begraven. Met de komst van de Fransen verdwenen voor de katholieken de vroegere beperkende bepalingen voor deelname in het openbaar bestuur. Zo werd Antonius al in 1794 opgenomen in het college van provisoren (bestuur) van het Grote Gasthuis. Tot zijn dood in 1816 zou hij "Opziender en bestierder van de godshuizen" blijven. De winkel en de handel in katoenen garens werden na zijn dood door zijn vrouw Maria overgenomen tot zij in 1821 overleed. De kinderen uit het eerste huwelijk van Antonius Jacobus, Anna Baptista en Derk Theodorus Bernardus, verhuisden naar familie in Oldenzaal. Anna Baptista bleef ongehuwd; haar broer trouwde in 1838 met Johanna Christina Essink (1818-1891), dochter van Anna Catharina van Coevorden. De vijf kinderen uit het tweede huwelijk, de Erven A.J. Nourij, bleven in de Nieuwstraat wonen. Naast de handel in garens begonnen zij zich ook te specialiseren in het verven van de katoen. Voor de fabricage van de verfstoffen werd een pakhuis in de Tibbensteeg ingericht. Door vermenging van het blauwe poeder, gemaakt door vermaling van de kristallen die ontstaan door indamping van zwavelzuurkoper, met lijnolie verkreeg men een uitstekende donkere verf. De benodigde lijnolie bracht hen in contact met Gerardus Johannes Lebuinus van der Lande. Uit de samenwerking tussen de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande ontstond zo in 1839 de firma Noury en Van der Lande. De familie Van der Lande De oudst bekende voorvader van de huidige familie Van der Lande, waarvan het bestaan en de identiteit met zekerheid bewezen kan worden, is Frerick Willemsen. Van hem stammen alle latere katholieke Van der Landes in Deventer af in rechtstreekse lijn. Van alle andere dragers van de achternaam Van der Lande kan dit niet bewezen worden. Frerick was omstreeks 1640 geboren en kocht op 24 juli 1663 het kleinburgerrecht van Deventer. Op 23 augustus van dat jaar trouwde hij met Marritge Dirx (Derks, Dircks), weduwe van Henrick Pieters. Het echtpaar woonde in de Smedenstraat. In het register van namen van de groot- en kleinburgers van Deventer is zijn inschrijving terug te vinden onder "Frerick Willemsz van der Laen, van Delden geboortich". Pas in 1675 wordt hij in het kohier van hoofdgeld vermeld als "Frederick van der Lande en sijn Vrouwe in de Smedenstraat". Vergelijking van bijnamen, woonplaats, leeftijd en naam van de echtgenote moeten in deze tijden van naamsveranderingen en spellingswisselingen uitsluitsel geven over de ware identiteit van de betrokkene. Frederik was katholiek en kon dank zij het verworven burgerschap zijn beroep (blijven) uitoefenen. Aan katholieken kon officieel geen burgerschap verleend worden, zodat zij geen lid van een gilde konden worden en dus hun beroep niet mochten uitoefenen. Op 2 augustus 1727 werd Frederik begraven op het kerkhof naast de Broederenkerk. Zijn oudste zoon Willem (1672-1755) was reeds uurwerkmaker van beroep. Hij trouwde op 20-2-1701 met Lijsbeth Berghuijs van de Stromarkt. Toekenning van het burgerschap was een voorwaarde om aan het openbare leven en het stadsbestuur te kunnen deelnemen. Het recht van openbare godsdienstuitoefening zou te Deventer pas in 1751 worden toegestaan. Tot die tijd moesten de katholieken zich behelpen met schuilkerken. Deze onderdrukking door de kerk van de ware religie maakt het begrijpelijk dat de katholieke Van der Landes sympathie ontwikkelden voor de patriottenbewegingen aan het einde van de achttiende eeuw. Deze beloofden een einde te maken aan de discriminatie van de katholieke gemeenschap in het openbare leven. Zo zetten Gerrit van der Lande (1722-1792) en zijn zoon Willem (1758-1820) hun handtekeningen onder de petities aan het stadsbestuur voor opname van meer bevolkingsgroepen in de magistraat. Willem van der Lande trouwde in 1791 met de rijke Berendina Olthof uit Heeten in het kerspel Raalte. Hij had vertrouwen in de toekomst en kocht in 1793 van de familie Outhuis een huis en erf aan de Brink, het eeuwenoude, grote marktplein in Deventer. Tot dan toe had de familie Van der Lande steeds aan de Smedenstraat gewoond. Met de komst van de Fransen in 1795 verdwenen de beperkende bepalingen voor de katholieken en kwam er een einde aan hun achterstelling bij de gereformeerden. In 1796 werden eindelijk alle godsdiensten voor de wet gelijkgesteld en kwam de scheiding tussen kerk en staat tot stand. In 1799 kregen de katholieken de Broederenkerk toegewezen. De oudste zoon van Willem, Gerrit Johannes Lebuinus (1792-1854), zou de eerste Van der Lande worden met de naam van de stadspatroon van Deventer in zijn doopnamen. Vele latere zonen en ook dochters zouden gedoopt worden met de naam Lebuinus. Willem verkocht in zijn winkel aan de Brink kruidenierswaren, tabak en sterke drank en leverde en repareerde daarnaast ook uurwerken. Later handelde hij tevens in hout en was vooral gespecialiseerd in doodskisten. Hij behoorde duidelijk tot de maatschappelijke bovenlaag van de bevolking, want na zijn overlijden in 1820 werden zijn bezittingen gewaardeerd op 7400, wat een heel kapitaal was in die tijd. De akte van scheiding en deling van zijn nalatenschap geeft het oudste bewaarde overzicht van de bezittingen van de familie Van der Lande. Zijn zoon Gerrit zette de winkel voort en trouwde nog in het jaar van het overlijden van zijn vader op 31 augustus 1820 met de molenaarsdochter Wilhelmina Rensen uit Heeten. Ook hij repareerde uurwerken en breidde het assortiment handelswaren uit met granen, peulvruchten, specerijen en veevoeders. Anders dan zijn vader, die een slordige boekhouding bijhield, was Gerrit veel nauwkeuriger in het administreren van de financiën. Overal waar hij kwam maakte hij aantekeningen van de prijzen van zijn handelswaar. De klantenkring breidde zich gestaag uit buiten Salland, Twente, de Veluwe en de Achterhoek toen hij de eerste handelscontacten met Duitsland en de Aanstreek legde. Toch speelde de economische malaise ook hem parten en zag hij zich gedwongen zijn handelswaar gedeeltelijk zelf te produceren. In 1834 kocht hij daarom met een hoge hypotheek van de gezusters Van Calker een pakhuis en vier woonhuizen in de Bergstraat. Met de paardenmolen perste hij hier uit zaden raapolie voor de olielampen en lijnolie. Dit laatste product bracht hem in contact met de Erven A.J. Nourij, die al langere tijd handelden in verfstoffen. Toen de Erven ook zelf de verfstoffen wilden fabriceren door middel van uitdamping van zwavelzuurkoper, wat grote blauwe kristallen opleverde, die - na vermalen en gemengd te zijn met lijnolie - een uitstekende donkere verfstof opleverden, keken zij uit naar een geschikte handelspartner die hen deze olie kon leveren. In het kleine Deventer moesten beide katholieke families elkaar wel tegenkomen en lag samenwerking tussen hen voor de hand. In 1838 kochten G.J.L. van der Lande en de Erven A.J. Nourij de twee olie-, pel- en cementmolens De Eendragt en De Hoop van Pieter van Delden voor slechts 19.300. Aan de Brink werd het monumentale pakhuis "De drie vergulde Haringen" uit 1575 gekocht om als kantoor te dienen. Op 6 februari 1839 passeerde voor notaris D.J.R. Jordens de oprichtingsakte van de firma Noury en van der Lande. Door de samenwerking met de Erven Nourij verbeterde Gerrit zijn boekhouding en profiteerde hij van de vele handelscontacten die de familie Noury hem verschafte. Johannes Petrus Noury zou zijn handelspartner worden; hij liep stad en land af als handelsreiziger. Zijn technische belangstelling en passie voor wiskunde deden Gerrit al vroeg het grote belang van de nieuwe stoommachine inzien. In 1848 werd dan ook de eerste kolengestookte stoommachine met een vermogen van 19 pk aangeschaft. Dankzij de aanleg van spoorwegen konden in Deventer vanaf 1865 vanuit Arnhem en in 1888 vanuit alle richtingen per trein kolen aangevoerd worden, onafhankelijk van de lage waterstand van de IJssel. G.J.L. van der Lande overleed op 11 oktober 1854 en werd in de firma opgevolgd door zijn oudste zoon Antonius Lebuinus. Antoon stootte de uurwerkhandel af en was, anders dan zijn vader, meer internationaal georiënteerd. Hij maakte vele buitenlandse reizen en was hierdoor goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op handelsgebied. Zo reisde hij in 1855 met zijn vriend, de eerste commies en locosecretaris Jan Poelhekke, naar de wereldtentoonstelling in Parijs waarvan hij een uitgebreid reisverslag maakte. In 1858 was Antoon getrouwd met Anna Maria Borgmeijer uit Zwolle en een jaar later had hij zijn drie zusters uit de firma gekocht. Op 10 juni 1870 was hij reeds voor de helft eigenaar van het bedrijf. In 1871 werd de akte van oprichting van de firma uit 1839 ontbonden en werd een nieuwe firma opgericht. Het aantal vennoten moest verminderd worden. Van de Erven Nourij was alleen Theresia Apolonia Catharina op 33-jarige leeftijd getrouwd met Hermanus Rooseboom. Op 6 oktober 1842 werd hun dochter Hermanna Maria Elisabeth geboren en het liet zich aanzien dat zij de enige erfgenaam van de Erven Nourij zou worden. Op 8 juli 1868 trouwde zij met Everhardus Theodorus Jacobus Wilhelmus Krepel, maar overleed kinderloos in 1871. Toen tussen 1871 en 1875 drie van de vier Erven Nourij kinderloos overleden bleef Franciscus Gustavus Nourij, de Deventerse huisarts, als enige over. Van de beide kinderen uit het eerste huwelijk van zijn vader met Catharina Johanna Kock waren hem vele bezittingen toegekomen. In 1877 maakte hij zijn testament en benoemde A.L. van der Lande als universeel erfgenaam. Toen F.G. Nourij op 26 maart 1879 overleed was Antoon van der Lande voor 19/20 deel eigenaar van de firma. Voor het resterende deel kocht hij de familie Krepel uit op 17 januari 1880. Antoon was nu de enige firmant. In het zakenleven kende hij grote successen en werd hij een rijk man. In zijn huwelijksleven kende hij echter vele tegenslagen. Zo stierven zeven van zijn tien kinderen voor ze de leeftijd van zes jaar hadden bereikt; sommigen stierven al na enkele dagen of maanden. Een dergelijke hoge kindersterfte was heel normaal in deze tijd. Antoon was maatschappelijk actief in de gemeenteraad, de Kamer van Koophandel en de Commissie van Toezicht voor de gemeentelijke gasfabriek. Hij nam deel aan het werk van de Commissie inzake het slopen van de vestingwerken. Daarnaast was hij nog collectant en kerkmeester in de Broederenkerk, regent van het St. Jozef Gesticht en bemiddelde bij de verkoop van grond aan de Cisterciënzer-monniken van de latere abdij Sion bij Diepenveen. Zijn vrouw Anna Maria voerde correspondentie met Mgr. Henricus van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, over de vorming van een tweede parochie in Deventer. In 1904 kwam zodoende de parochie van het Heilig Hart van Jezus tot stand. Antoon had zijn in 1866 geboren zoon Johannes Christiaan Lebuinus voorbestemd om hem in het bedrijf op te volgen. In 1886 deed Johannes (Jan) zijn intrede en toonde zich een ijverige leerling, bewust van zijn toekomstig leiderschap. Zijn jongere broer Wilhelmus Antonius Lebuinus was door zijn vader niet geschikt bevonden leiding te geven aan de firma. Het jaar 1888 werd voor de familie Van der Lande een rampjaar en een keerpunt voor het bedrijf. Terwijl zijn vader in een kuuroord te Wiesbaden probeerde te herstellen van een zenuwontsteking in zijn hoofd, brandden in juli van dat jaar de olie- en meelfabriek in Deventer tot de grond toe af. Jan was net door zijn vader op 11 april 1888 gemachtigd namens hem alle wissels en graancontracten te tekenen en hij moet dan ook met lood in de schoenen naar Wiesbaden zijn vertrokken om het slechte nieuws te vertellen. Op dezelfde plek verrees een grotere en meer moderne meelfabriek dan voorheen. Pas per 1 mei 1894 werd Jan naast zijn vader medevennoot in de firma en mocht hij na diens dood de firma alleen voortzetten. Antoon moest zich in augustus 1895 wegens gezondheidsredenen moest terugtrekken en hij stierf op 19 maart 1896. A.L. van der Lande had een persoonlijk vermogen opgebouwd van bijna 1,5 miljoen gulden, terwijl hij na het overlijden van zijn vader in 1854 maar ruim 8000 had geërfd. J.C.L. van der Lande was op 2 oktober 1889 in Schiedam getrouwd met Wilhelmina Elisabeth Maria Jansen. In 1890 werd hun eerste zoon geboren en tot 1908 zou zijn vrouw nog elf kinderen ter wereld brengen, waarvan er geen enkele op jonge leeftijd zou overlijden, zoals in de vorige generatie. Bij de scheiding en deling van de nalatenschap van zijn vader tekende Jan een schuldbekentenis van 150.490,62 voor zijn jongere broer Willem, die zo uit de firma werd gezet. Jan ergerde zich aan de inzet van zijn broer in het bedrijf. Willem raakte door zijn verkwistende manier van leven ondanks zijn vele geld toch nog in ernstige financiële problemen, zodat hij op verzoek van zijn vrouw Christina Helena Hendrika ten Pol in 1901 onder curatele werd gesteld. Zijn broer Jan en notaris Theodoor George ten Pol, broer van Christine, werden tot curatoren benoemd. Tot zijn dood op 16 augustus 1909 zou Willem in hotel-pension Holtzem te Kleef verblijven onder het waakzame oog van Theodor Sievert. Na het overlijden van zijn moeder op 29 september 1913 werden aan J.C.L. alle roerende zaken van het bedrijf toegewezen, zoals vastgelegd in de akte van scheiding en deling tussen A.L. van der Lande en zijn vrouw. Zijn broer zou een kwart ontvangen, dat aan zijn beide dochters Anna Maria (1895-1977) en Carolina Clotilda Maria (1898-1992) werd toegewezen. Christine hertrouwde in 1914 met Raymond Marquis de Laâge de Meux en verhuisde met haar kinderen naar Bordeaux. J.C.L. van der Lande vervulde in zijn leven tal van maatschappelijke functies. Zo was hij van 1908 tot 1915 voorzitter van de Vereeniging voor de Verbetering van den IJssel. Van 1913 tot 1916 en van 1920 tot 1932 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal voor de Roomskatholieke Staats Partij en hij werd in 1924 benoemd tot voorzitter van de Staatscommissie inzake het Drankvraagstuk. Voor deze verdiensten werd hij in 1926 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Groot was zijn inspanning voor de overbruggingen van de IJssel bij Deventer, van de Waal bij Nijmegen en de Rijn-Schelde-verbinding van Antwerpen. Na het huwelijk van zijn tweede zoon Petrus Lebuinus Maria in 1918 te Tilburg met Maria Justina Straeter maakte Jan met zijn vrouw op de terugweg naar Deventer een tussenstop bij Nijmegen en zagen zij in het nabij gelegen Ubbergen een mooie villa te koop staan. Al langere tijd speelden zijn vrouw en hij met de gedachte te verhuizen uit Deventer naar een plek in Nederland waar hun kinderen meer kans hadden een geschikte katholieke huwelijkskandidaat te ontmoeten. Jan had een afkeer van de omgang van zijn kinderen met andersdenkenden en ongelovigen. Het echtpaar werd het eens en kocht de villa Waalheuvel in Ubbergen van de aan het einde van de Eerste Wereldoorlog geruïneerde Duitse bankier Alfred Hethey. De miljonair had vanaf 1916 de vroegere villa Eik en Berg en pleisterplaats Het Roode Hert grondig verbouwd, uitgebreid en uitermate luxueus ingericht. Het kleine paleis lag ideaal onder aan een beboste heuvelrug langs de Rijksstraatweg van Nijmegen naar Kleef met een prachtig uitzicht over het Nijmeegse rivierenlandschap. Hun dochter Maria Hubertina Wilhelmina trouwde van hier uit in 1927 met Jan Eduard de Quay, de latere minister-president en president-commissaris van Noury en Van der Lande. Na haar zouden nog vele kinderen van Jan en Mina bij hun huwelijk op het bordes van Waalheuvel gefotografeerd worden. Tot hun verhuizing in 1940 naar het pand Oranjesingel 41 in Nijmegen zouden J.C.L. en zijn vrouw er blijven wonen. In 1941 verkocht hij de villa voor de spotprijs van ( 40.000 aan de Nijmeegse aannemers Berntsen en Braam, die het kapitale pand als tussenpersoon voor dezelfde prijs doorverkochten aan de Congregatie van de Zusters van de Choorstraat. Nadat hij in 1935 als directeur was afgetreden vierde Jan in 1936 op grootse wijze zijn 70e verjaardag. Bij die gelegenheid werd hij tot ereburger van Deventer benoemd en onderscheiden als Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Bij hun gouden huwelijksfeest in 1939 telde het echtpaar Van der Lande-Jansen meer dan 50 kleinkinderen. Vanaf 1941 was J.C.L. vaak langere tijd aan zijn bed gekluisterd en op 20 februari 1943 overleed hij te Nijmegen. Zijn stoffelijk overschot werd na de uitvaartdienst in Nijmegen per trein naar Deventer vervoerd, waar onder grote belangstelling vanaf het kantoor aan de Brink een lange rouwstoet vertrok naar de Roomskatholieke begraafplaats, waar zijn lichaam werd bijgezet in het familiegraf. J.C.L. van der Lande is zonder twijfel de belangrijkste man in de geschiedenis van het bedrijf Noury en Van der Lande geweest. Onder zijn leiding groeide de NV uit tot een groot wereldwijd bekend concern. Na zijn overlijden werd door de Duitse autoriteiten M.H.H. Franssen aangesteld als Verwalter en belast met het beheer van het vermogen van de deelgerechtigden in de boedel van J.C.L. van der Lande die in de vijandelijke gebieden woonden. De afwikkeling van de boedelscheiding zou nog jaren op zich laten wachten omdat de preferente B-aandelen, die recht gaven op een bindende voordracht bij de benoeming van directieleden en commissarissen, tot de onverdeelde boedel gingen behoren. Na het overlijden van W.E.M. van der Lande-Jansen op 17 maart 1954 werden deze aandelen gelegateerd aan de naar haar genoemde Stichting. Op 1 juli 1958 kon de boedelscheiding worden afgerond met de oprichting van de NV Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen. Van de zonen van J.C.L. van der Lande heeft Petrus Lebuinus Maria (1891-1979) de meeste stukken in het familiearchief nagelaten. Hij trad vooral in de voetsporen van zijn vader en kwam al in 1913 in het bedrijf te werken. Al spoedig werd Piet directeur van de Overijselsche IJzergieterij. Van 1916 tot 1919 vervulde hij deze functie bij de NV Bergerode. In 1919 werd hij in de directie van Noury en Van der Lande opgenomen en was vanaf 1921 belast met de leiding van de olie- en meelsector. Tussen de beide Wereldoorlogen was hij o.a. directeur van Novadel Deventer en de Handelsmaatschappij en commissaris van vele andere NV's. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij een volledige volmacht van de NV bij de leiding van de wederopbouw van de verwoeste Oelwerke in Emmerich. Van 1952 tot 1957 steeg het aantal werknemers bij de Oelwerke van 10 naar 220. Evenals zijn vader was Piet in zijn 43-jarige loopbaan bij Noury en Van der Lande lid van talrijke verenigingen en commissies op sociaal-economisch gebied. Een greep uit de vele functies die hij bekleedde laat dit zien: medeoprichter van de Jonge Katholieke Werkgeversvereniging, lid van de gemeentelijke Commissie voor de Volksconcerten, bestuurslid van de Deventer Oranje Vereniging, vicevoorzitter van het Centrum voor Katholiek Sociaal Werk. Belangrijk voor het bedrijf waren zijn bestuursfuncties bij de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten en de Vereniging voor Inheemse Tarweafnemers. Op 13 mei 1931 werd hij door Koningin Wilhelmina benoemd in de Commissie van Advies voor de uitvoering van de Tarwewet 1931. Voor al deze verdiensten werd hij in 1938 bij het 100-jarig bestaan van het bedrijf benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. In 1957 nam Piet op 65-jarige leeftijd afscheid van de NV. De W.E.M. van der Lande-Jansen Stichting Na het overlijden van J.C.L. van der Lande op 20 februari 1943 werden de in totaal 3000 gewone A-aandelen eigendom van zijn vrouw en zijn twaalf kinderen. W.E.M. van der Lande- Jansen erfde 58 B- of preferente aandelen. Aan de 60 B-aandelen was het recht verbonden van het opmaken van een bindende voordracht van twee personen bij de benoeming van een directeur of een commissaris. De AVA was verplicht uit de voordracht te kiezen. Daarnaast waren besluiten van de AVA over het aantal directeuren, commissarissen en wijziging van de statuten onderworpen aan de goedkeuring van de houders van B-aandelen. In 1932 had J.C.L. van der Lande al twee B-aandelen overgedragen aan de commissarissen J.C.Th. Resius en H. Kronenberg. Deze oligarchische clausule in de statuten was door Van der Lande bedoeld om zich zelf en na zijn overlijden zijn vrouw een zekere zeggenschap te geven bij de benoeming van de directeuren van de NV. Wanneer er na het overlijden van beiden geen (groep van) personen of stichting zouden zijn, die een natuurlijk recht op het bezit van de preferente aandelen konden laten gelden, dan zou hun bestaansrecht ophouden. Om dit te voorkomen en om haar kinderen toch te verzekeren van een grote zeggenschap over deze aandelen moest er tijdens het leven van W.E.M. van der Lande-Jansen een stichting opgericht worden waaraan de B-aandelen gelegateerd konden worden. Op deze manier kon worden voorkomen dat de aandelen gelijk over de twaalf kinderen verdeeld raakten en in de toekomst mogelijk door verkoop in handen van derden zouden raken. In 1945 kwam er een J.C.L. van der Lande Fonds tot stand. In de stichtingsakte van de Nijmeegse notaris H.C.W. van Schaik uit 1946 was bepaald dat W.E.M. van der Lande-Jansen gedurende haar leven enige bestuurster zou zijn en dat de stichting niet vóór haar dood opgeheven kon worden. Doel van de stichting was "de maatschappelijke handhaving van het geslacht Van der Lande en behartiging hunner moreele en finantieele belangen" (art. 2). Na het overlijden van mevrouw Van der Lande zou het bestuur berusten bij een college van vijf natuurlijke personen bestaande uit twee commissarissen, een directeur van NL en twee A-aandelenhouders, die tevens bloedof aanverwanten van de stichteres moesten zijn (art. 13). De grote macht die aan de kleine hoeveelheid van 60 B-aandelen toekwam maakte het noodzakelijk dat ze in stand gehouden moesten worden om in de toekomst NL uit handen van derden te houden. De stichting moest de aandelen beheren en vóór de vergaderingen van aandelen B-houders bepalen hoe er gestemd diende te worden door de leden. Een voorstel van de heer Resius uit 1947 het aantal bestuursleden van de stichting uit te breiden tot 17 (twaalf kinderen en vijf commissarissen werd niet door notaris Van Schaik overgenomen in zijn nieuwe ontwerp voor een stichtingsakte. Bij deze op 14 april 1948 verleden akte werd door de inmiddels 79-jarige mevrouw Van der Lande de Van der Lande Stichting opgericht. De doeleinden van de stichting waren onveranderd gebleven. Gedurende het leven van de stichteres en zolang zij houdster van de B-aandelen was kon de stichting niet opgeheven worden. Na het overlijden van de heer Resius in 1951 werd zijn aandeel B een jaar later overgedragen aan commissaris B.H.A. van Kreel. In 1953 gaf een driemanschap bestaande uit de heren P. van Berkum, B.J.M. van Spaendonck en J. Kraayenhof mevrouw Van der Lande op haar verzoek het advies opnieuw een stichting op te richten waarvan het bestuur ditmaal uit zeven personen zou bestaan: twee directeuren van NL, twee vertegenwoordigers van de twaalf staken en drie complete buitenstaanders, die ook niet aan de familie verwant mochten zijn. Lid van een staak was ieder kind van J.C.L. van der Lande en de gezamenlijke afstammelingen van dat kind in rechte lijn en de echtgenoot van dat kind of afstammeling. De bedrijfsjurist van NL, de heer R.M. Lievaert, maakte vervolgens een ontwerp voor een stichtingsakte, die op 8 juli 1953 passeerde bij notaris Van Schaik. Een door de familievergadering ingestelde commissie bestaande uit Prof. Dr. J.E. de Quay, Mr. L.N. Deckers, Ir. W.H.F. Coebergh en P.L.M. en W.J.L. van der Lande besloot op 17 augustus 1953 mevrouw Van der Lande te verzoeken artikel vier te laten wijzigen, zodat uit de Raad van Commissarissen drie leden benoemd zouden worden in het bestuur van de stichting. Omdat W.E.M. van der Lande-Jansen op 85-jarige leeftijd haar einde voelde naderen drong zij aan op eensgezindheid onder haar kinderen. B.L.M. van der Lande wilde zelfs de rechter vragen de nietigheid van de stichting uit te spreken. Na een volgende familievergadering op 17 december 1953 besloot mevrouw Van der Lande weer enkele nieuwe bepalingen in de nieuwe stichtingsakte op te nemen, die op 20 januari 1954 werd verleden. Het doel van de W.E.M. van der Lande-Jansen Stichting was nu volgens artikel 2: "1. De bevordering van de bloei en de welvaart van de ondernemingen van de Koninklijke Industrieele Maatschappij Noury & Van der Lande NV [...] en [...] gelieerde en onderhorige maatschappijen; 2. te bevorderen, dat de mannelijke nakomelingen van wijlen de heer J.C.L. van der Lande [...], die zelf de naam Van der Lande dragen, zoveel mogelijk in de leiding van de vennootschap worden opgenomen, echter alleen voor zover zulks mede bevorderlijk is voor het bereiken van het onder 1. genoemde doel." Het College van Bestuurders bestond nu uit zeven leden: drie commissarissen van NL, twee directieleden en twee leden aangewezen uit de houders van de elf stichtingsbewijzen die leden van de staken zijn en waarvan geen lid tevens directeur is van de vennootschap. Uitgezonderd A.L.M. van der Lande, de oudste zoon van mevrouw Van der Lande, werden alle kinderen van J.C.L. van der Lande en de weduwe van de in 1949 overleden J.A.L. van der Lande ingeschreven in het stichtingsregister. Op 17 maart 1954 stierf W.E.M. van der Lande-Jansen en werd J. Kraayenhof aangesteld als executeur-testamentair in haar nalatenschap. Na het overlijden van de heer Kronenberg in hetzelfde jaar bood zijn weduwe het aandeel B no. 59 ter overname aan bij de Stichting. Met ingang van 1 januari 1957 trad de Wet op de Stichtingen in werking. Een stichting mocht voortaan niet meer als doel hebben het schenken van uitkeringen aan de oprichters, tenzij deze uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Artikel 14 van de statuten, waarin geregeld werd dat het batig saldo van een kalenderjaar uitgekeerd moest worden aan de stichtinghouders, diende aangepast worden vóór 1 januari 1960. Na de statutenwijziging van 1959 kon het batig saldo voortaan ook bestemd worden aan "doeleinden, overeenstemmend met de godsdienstige of maatschappelijke overtuiging, welke de oprichtster heeft aangehangen." Het aandeel B van de heer Van Kreel werd in 1959 aangekocht zodat de Stichting nu alle preferente aandelen in haar bezit had. Voor de uitwerking van artikel twee van de statuten werd Prof. Dr. J.E. de Quay, getrouwd met een dochter van J.C.L. van der Lande, gevraagd een gedragslijn te ontwerpen voor de beoordeling van de geschiktheid van de mannelijke nakomelingen van J.C.L. van der Lande voor een leidinggevende topfunctie bij NL. In 1961 werd de richtlijn vastgesteld. In het vervolg bracht de beoordelingscommissie van de Stichting over elke sollicitant uit de familie Van der Lande een niet bindend advies uit aan de directie over de geschiktheid van de kandidaat voor een leidinggevende functie binnen het bedrijf. Dragers van de familienaam Van der Lande kregen bij gelijke geschiktheid voorrang boven anderen. Afstammelingen van J.C.L. van der Lande die niet de naam Van der Lande droegen werden gelijk gesteld met alle andere sollicitanten. Hoofddoel van deze richtlijn was het voorkòmen van de benoeming van minder geschikte leden van de familie op belangrijke posten binnen de NV. De Quay werd na de beëindiging van zijn minister-presidentschap voorzitter van de beoordelingscommissie, waarbij hem zijn kennis van de psychologie goed van pas kwam. In 1979 werden de statuten van de Stichting geheel gewijzigd en opnieuw vastgesteld door het enig overgebleven bestuurslid De Quay. Gelijktijdig met de benoeming van Petrus Bernardus Lebuinus Maria, Erik Johannes Petrus Lebuinus en Maarten Louis Bernard van der Lande in het bestuur zou De Quay aftreden. Het dienen van de familiebelangen van de nakomelingen van mevrouw W.E.M. van der Lande- Jansen door het bevorderen van de onderlinge familiebanden zou voortaan het doel van de Stichting zijn. Zij tracht dit te bereiken door het bijhouden van een familieregister en het verzamelen en in stand houden van het familiearchief. P.B.L.M. van der Lande werd door de andere bestuursleden aangewezen als voorzitter van de Stichting en hij heeft deze functie tot zijn dood in 1998 vervuld. Geschiedenis van het bedrijfDe Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande De firma Noury & Van der Lande werd 6 februari 1839 opgericht. Op deze datumpasseerde voor notaris D.J.R. Jordens te Deventer de akte van oprichting van de firma. Nourij werd voortaan geschreven met een y. Als begindatum werd 6 september 1838 aangemerkt omdat op deze dag door de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande de olie-, pel- en cementmolens "De Hoop" en "De Eendragt" op gezamelijke rekening werden aangekocht voor slechts ( 19.300. Beide molens lagen buiten de Deventer vestingmuren ten zuiden van de stad op de Teuge langs de Koerhuisbeek. "De Eendragt" zou al spoedig worden verkocht, afgebroken en herbouwd te Dordrecht. Met de pel- en oliemolen "De Hoop" werd uit raap- en lijnzaad olie geperst. Het restprodukt verwerkte men tot veekoeken. Daarnaast werd er gerst gepeld en Andernacher steen tot cement vermalen. De aanleiding tot het aangaan van een samenwerkingsverband tussen de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande vormde de wederzijdse belangstelling voor de productie van lijnolie. De Erven hadden een winkel en dreven handel in katoenen garens. In verband met de economische crisis, die ook Deventer teisterde in de jaren twintig van de 19e eeuw, besloten de Erven andere mogelijkheden te onderzoeken. Ze begonnen handel te drijven in verfstoffen en startten al spoedig met de fabricage daarvan. In hun pakhuis in de Tibbensteeg te Deventer werd begonnen met uitdamping van zwavelzuurkoper, ook blauwe vitriool genoemd. Er ontstond door dit proces een blauw poeder dat vermengd met lijnolie een waterbestendige verfstof opleverde die uitstekend geschikt was voor het bewerken van scheepsrompen tegen de aangroei van algen en schelpdieren. Het was hun wens naast de productie van de verfstof ook de verf te gaan maken met zelf geproduceerde lijnolie. De behoefte aan het ontbrekende product lijnolie bracht hen zo in contact met G.J.L. van der Lande. Hij bezat een winkel in kruidenierswaren gunstig gelegen aan de Brink, het grote marktplein in Deventer. Al snel verkocht hij ook allerlei artikelen als lijn- en raapkoeken, maïs, grutten, bloem, bonen en aardappelen. Rond 1825 begon hij op de markten in de omtrek van Deventer graan, oliezaden, bonen e.d. te kopen met de bedoeling deze producten te verhandelen. Ook G.J.L. ondervond hinder van de economische crisis. Door de dalende koopkracht van de boeren en burgers was het handeldrijven niet meer rendabel genoeg en moest ook hij naar andere inkomstenbronnen omzien. In 1834 kocht Van der Lande aan de Bergstraat een pakhuis met erf en twee ernaast gelegen woonhuisjes. Met een primitieve paardenmolen werden raap- en lijnzaden verwerkt tot respectievelijk raap- en lijnolie en werden van het overblijvende schroot veekoeken vervaardigd. De Erven en G.J.L. besloten samen de gok te wagen. Buiten de pel- en oliemolens kochten zij het op de Brink te Deventer gelegen monumentale historische pand "De drie vergulde Haringen" om er hun kantoor in te vestigen. De Nourij's brachten ruime administratieve kennis in en hadden veel Duitse handelscontacten. G.J.L. was de technicus en pragmaticus en tevens degene die het grootste stempel op de onderneming drukte. Hij was een veelzijdig man en behield zijn kruidenierswinkel, waar hij ook het beroep van horlogemaker uitoefende. Zijn privéhandel bleef bestaan, hoewel zijn aandacht steeds meer door de firma in beslag werd genomen. Om de arbeiders bij aanhoudende windstilte aan het werk te houden kocht de firma in 1846 bij Haarle in de gemeente Hellendoorn 45 bunder heide, woeste grond en bos die zij dan konden ontginnen. Het probleem van de niet draaiende molen werd opgelost door de aanschaf van een stoommachine in 1848. G.J.L. van der Lande toonde hiermee zijn vooruitziende blik in een tijdperk waarin de stoommachine nog als een werktuig van de duivel werd gezien! In Aken werd een tweedehands stoommachine van 19 pk gekocht die met paard en wagen naar Deventer vervoerd moest worden in deze tijd zonder spoorwegen. De firma bezat nu een der eerste door stoomkracht aangedreven olieslagerijen en meelfabrieken in Nederland. Het bedrijf kon nu onafhankelijk van de wind tarwemeel malen, het personeel beter aan het werk houden en zodoende de productie sterk uitbreiden. Op het terrein naast de molen "De Hoop" werd een fabrieksgebouw gevestigd. De firmanten noemden zich geen molenaar meer maar fabrikant. Iedere fabrikant had in die tijd een eigen afzetgebied; Nederland was in regio's verdeeld en men respecteerde elkaars klantenkring. Het was een ongeschreven wet dat men geen klanten probeerde te winnen buiten het eigen gebied. Er bestond geen keiharde concurrentie en de fabrikanten gingen dan ook vriendschappelijk met elkaar om. Door onderlinge huwelijken werden de banden nog nauwer aangehaald. In dit kleine wereldje zou de volgende generatie Van der Lande het roer overnemen. De Erven A.J. Nourij en A.L. van der Lande Van 1838 tot 1854 werd het bedrijf hoofdzakelijk geleid door J.P. Nourij en G.J.L. van der Lande. In 1853 had de firma 6 man personeel. De toekomstperspectieven voor de zoon van G.J.L. van der Lande waren nog steeds niet erg gunstig: de IJssel zorgde door zijn lage waterstand al tientallen jaren voor problemen. Hierdoor bleven de Rijn en het Duitse achterland slecht bereikbaar. De aanleg van de eerste spoorwegen zou nog lang op zich laten wachten, zodat het vervoer grotendeels over de slechte wegen moest geschieden. Op 11 oktober 1854 overleed G.J.L. van der Lande en werd zijn zoon Antonius Lebuinus firmant. Onder zijn leiding breidde het bedrijf zich sterk uit. Hij had het geluk echter aan zijn kant toen in 1855 de accijns op het gemaal werd afgeschaft. Meteen besloot hij over te gaan op het malen van tarwemeel. Meer dan zijn vader was hij internationaal georiënteerd en maakte vele buitenlandse reizen. Zo was hij goed op de hoogte van nieuwe handelsgebruiken, marktprijzen en technieken. Ook had A.L. van der Lande zijn tijd mee toen eindelijk werd besloten de IJssel tot een groter vaardiepte uit te baggeren. In 1859 liet hij de eerste door hem gecharterde graanschepen naar Dantzig varen. Het onderhouden van de contacten met commissionairs en handelaren liet hij voortaan over aan zijn vertegenwoordigers. In plaats van persoonlijke gesprekken met zijn afnemers gaf hij eigen prijscouranten uit en voerde eigen handelsmerken in. Toch bleef hij zeker de eerste decennia meer handelaar dan fabrikant. Rechtstreeks of via importeurs werd graan uit Amerika ingevoerd en werden contracten gesloten met firma's in Amsterdam, Antwerpen, New Orleans, Philadelphia en New York. In 1868 brandden de meelfabriek en de molen tot de grond toe af. De molen werd niet meer herbouwd. Een grotere fabriek, die nu uitsluitend werd aangedreven door stoomkracht, verrees op dezelfde plek en in 1876 had de firma 25 man in dienst. De meelfabriek zou in de komende decennia nog ettelijke keren worden uitgebreid. In 1871 kocht Anton zijn drie zusters uit de firma en ging een nieuw vennootschapscontract aan met de Erven A.J. Nourij. In dit contract werd bepaald dat hij na het overlijden van het laatste lid van de Erven Nourij de firma alleen mocht voortzetten. Toen in 1879 F.G. Nourij als laatste mannelijke nazaat der Nourij's stierf werd hij aldus de enige firmant. Wel zou de naam Noury in het bedrijf blijven voortleven in produkt- en bedrijfsnamen. De privéhandel ging vanaf dat moment geheel in de firma op. In 1878 werd het pand Brink 13 uitgebreid en verbouwd tot een groot winkel-woonhuis annex graanpakhuis. De omzet van de handel in granen, zaden en veevoeder nam zo sterk toe dat Anton in 1887 op het Pothoofd te Deventer aan het Overijssels Kanaal een groot pakhuis liet neerzetten. Tevens werden er in Zutphen, Zwolle en Groningen graandepots aangelegd. Hij werd een vermogend man en behoorde tot de aanzienlijke burgers van Deventer. In de zomer van 1888 sloeg echter het noodlot opnieuw toe. Zowel de olie- als de tarwemeelfabriek werden geheel in de as gelegd. Na deze ramp besloot Anton tot herbouw van de meelfabriek in Deventer op de Teuge. De oliefabriek werd echter in Kleef in Duitsland opnieuw gebouwd. Tot de bouw van de oliefabriek "Hollandia" in Kleef aan het Spoykanaal, net over de Duitse grens, werd besloten omdat in Nederland een grote concurrentie op het gebied van olieproductie en -afzet was ontstaan en de buurlanden de eigen markt gingen beschermen door het heffen van hoge invoerrechten. De afdeling veevoederfabricage werd overgebracht naar een nieuw ingerichte fabriek aan de Handelskade te Deventer. Hier werd het restproduct van het vermalen lijnzaad, dat vanuit de Duitse oliefabriek werd aangevoerd, tot veekoeken verwerkt. Samengevat kan gezegd worden dat A.L. van der Lande, als eerste echte moderne industrieel, het degelijke fundament heeft gelegd onder NL. Zijn zoon zou hierop het bedrijf tot volle ontwikkeling brengen. J.C.L. van der Lande De zoon van A.L. van derLande werd op 4 april 1894 door middel van een onderhandse akte tot medevennoot van de firma verklaard. Johannes (Jan) kwam in 1886 in de firma te werken tegen het salaris van een klerk, maar was door zijn vader voorbestemd de leiding van de onderneming over te nemen. Jan was sinds de tweede helft van de jaren tachtig gemachtigd zijn vader bij afwezigheid te vervangen. Op 19 maart 1896 stierf Antoon en werd Jan directeur van het bedrijf. Door de opkomst van de coöperatieve in- en verkoopverenigingen konden de boeren voortaan gezamenlijk grote hoeveelheden granen en veevoeders inkopen en zodoende lagere prijzen bedingen, waardoor de graanhandel weinig lucratief meer was geworden voor de firma. In 1905 besloot J.C.L. dan ook de handel in granen af te stoten, zodat het accent nu geheel kwam te liggen op de olieproductie, het malen van graan en het veredelen van graanprodukten. Het graanpakhuis aan het Pothoofd werd in 1912 verkocht aan de firma Kappelle. Een directe kanaalverbinding van de meelfabriek met de IJssel kwam in 1898 gereed. De schepen konden nu in de eigen haven gelost worden met elevators die het graan rechtstreeks via de transportband in de opslagsilo's brachten. In dit jaar werkten er 42 arbeiders in de meelfabriek. Zij maakten lange dagen van 's morgens 8 uur tot 's avonds 7 uur met een lange pauze van twee uur in totaal. Pas in 1902 kreeg het kantoorpersoneel drie vakantiedagen per jaar en in 1922 werd de vrije zaterdagmiddag ingevoerd. Rond de eeuwwisseling kon er 67 ton tarwe per dag gemalen worden en hadden de silo's een totale opslagcapaciteit van 2.500.000 kilo. Automatische brandmeldings- en blusinstallaties moesten vanaf 1907 rampzalige branden voorkomen. In 1905 werd besloten tot de bouw van een oliefabriek te Emmerik aan de Rijn in Duitsland, die op 1 maart 1908 in gebruik werd genomen. Aangezien het bedrijf te Kleef danig uit zijn voegen begon te barsten en het stadsbestuur bovendien niet erg bereidwillig reageerde op verzoek van NL het Spoykanaal op een grotere vaardiepte te brengen was de maat vol voor J.C.L. van der Lande. Door de lage waterstand in het kanaal was de fabriek immers meerdere keren per jaar onbereikbaar voor de schepen. Voor het vervoer van de olie had de firma de twee tankschepen Taventa en Embrica in de vaart. Later werden daar nog de Alhena en de Davo aan toegevoegd. Deze schepen werden ingezet om het hoofdafzetgebied in Zuid-Duitsland te kunnen bevoorraden. In 1897 werden er in Mannheim aan de Neckarhaven en in 1907 aan de haven van Karlsruhe oliedepots gebouwd. Van firma naar naamloze vennootschap en multinational Het jaar 1911 vormt een mijlpaal in de geschiedenis van het bedrijf Noury & Van der Lande. In dat jaar werd de firma omgezet in twee afzonderlijke N.V.'s. Het bedrijf te Deventer heette vanaf dat moment de N.V. Industriële Maatschappij Noury & Van der Lande. De oliefabriek te Emmerik werd voortgezet onder de naam Oelwerke Noury & Van der Lande GmbH. Organisatorisch veranderde er niet zo veel, want J.C.L. bleef directeur over beide fabrieken. Vóór 1911 was er al sprake van een omvangrijke uitbreiding van het bedrijf, maar na 1911 kwam de onderneming pas echt in een ware stroomversnelling terecht. Vanaf die tijd werden er allerlei dochtermaatschappijen in het leven geroepen en werd het toch wat eenzijdige pakket aan producten sterk uitgebreid. In 1913 vierde het bedrijf zijn 75-jarig bestaan en werd er een jubileumboek uitgegeven. Ook kwamen er in 1911 acht silo's bij de meelfabrieken waarmee de opslagcapaciteit steeg tot zestig miljoen kilo graan. De nieuwe B-molen bij de meelfabriek kwam in 1915 gereed. De productie steeg tot 180 ton gemalen graan per dag. Het personeelsbestand groeide na de Eerste Wereldoorlog sterk, zodat in december 1918 de drie ploegendienst werd ingevoerd, tegelijk met de achturige werkdag. In dit jaar schafte het bedrijf ook de eerste vrachtwagens aan. Met hun ijzeren banden veroorzaakten zij veel geluidshinder en daarom mocht er vaak niet sneller dan 10 kilometer per uur mee gereden worden over de nog steeds gebrekkige wegen. Het wachten was op een goede spoorwegaansluiting van het bedrijf. Na jarenlange onenigheid met de gemeente Deventer over de financiering van de aansluiting van de meelfabriek op het spoorwegennet kwam in 1928 de spoorlijn tot stand. De fabriek in Emmerik was al in 1926 met de Gelderse Stoomtram vanuit Deventer via Zutphen, Doetinchem en 's-Heerenberg bereikbaar geworden. In de periode 1913-1938 maakte de onderneming een enorme groei door. In Nederland werd de bruinkoolgroeve Bergerode in 1917 verworven en tot exploitatie gebracht ter voorziening in het dreigende brandstoftekort. De stoomolie- en veekoekenfabriek "Friesland" werd opgericht. Er werden een hele serie dochterondernemingen opgericht: de Overijselsche IJzergieterij, de Handelsmij., Novadel, Mercator, ECI Roermond, Trecma, Nourypharma en Demba Deventer. In België begon de verkooporganisatie Demba België haar werkzaamheden en in Duitsland ontstond Oxydo als volle dochter- onderneming van de Oelwerke. In Engeland begon NL met een verkoopkantoor Novadel Ltd. te Londen dat al snel werd uitgebreid met een fabriek en laboratorium te Gillingham. In Frankrijk werd in 1931 te Venette aan de Oise (bij Compiègne) de oliefabriek La Nourylande opgericht, die twee jaren later werd uitgebreid met de gistfabriek Socine en een perboraatfabriek. J.C.L. van der Lande had voor iedere zoon een bedrijf in gedachten waar deze directeur kon worden. In de Verenigde Staten en Canada was NL in die jaren actief met het bouwen van fabrieken voor de productie van meelverbeteringsmiddelen. In 1938 had het bedrijf ongeveer 25 dochterondernemingen in binnen- en buitenland, wat een goede reden vormde het 100-jarig bestaan in dat jaar op grootscheepse manier te vieren. Er werd opnieuw een jubileumboek uitgegeven en het personeel en de zakenrelaties vermaakten zich op een speciale feestdag. De directie kreeg van het personeel een serie door Joep Nicolas ontworpen gebrandschilderde ramen aangeboden, die in de hal van het Deventer hoofdkantoor werden aangebracht. Op de plaats waar de vroegere molen had gestaan werd een bronzen gedenkplaat onthuld, het tastbare resultaat van een inzamelingsactie onder het gehele personeel. Ook werd een startkapitaal gestort in het bedrijfspensioenfonds. In 1939 werd NL het predicaat "Koninklijke" verleend. Samenvattend kan gesteld worden dat in de periode tussen de twee wereldoorlogen de bedrijfstakken van de olie- en meelindustrie werden uitgebreid en de chemische tak opkwam en zich sterk uitbreidde. J.C.L. van der Lande was zich goed bewust van het grote belang van het baanbrekend onderzoek door bekwame chemici in de eigen laboratoria van NL. Onder zijn bezielende leiding was NL uitgegroeid tot een groot concern en multinational. De Tweede Wereldoorlog kwam NL niet zonder kleerscheuren door. Op 25 augustus 1940 werd de meelfabriek getroffen door een gericht Engels bombardement dat grote schade aanrichtte. De fabriek was namelijk gedwongen tarwemeel aan Duitsland te leveren en als zodanig een strategisch doelwit geworden. In de latere oorlogsjaren bleef de meelfabriek gespaard en kreeg zij een belangrijke rol bij de voedselvoorziening. De Oelwerke te Emmerik werden toen door de geallieerden wel als een vijandig object beschouwd. Op 14 juni 1944 werd de oliefabriek bij een aanvalsgolf door een bommenregen voor een groot deel verwoest. Van de 50 aanwezige arbeiders vonden er 22 de dood in het puin en de vlammenzee. J.C.L. van der Lande maakte dit niet meer mee; hij overleed op 20 februari 1943. Enkele personeelsleden van NL moesten hun actieve deelname aan verzetshandelingen met de dood bekopen: zij werden als saboteurs terechtgesteld. Bij de bevrijding van de omgeving van Roermond zagen de wegvluchtende Duitsers nog kans op 28 februari 1945 de waterkrachtcentrale van de ECI op te blazen. Pas op 10 mei 1948 kon de herbouwde centrale weer in gebruik genomen worden. Van Noury naar AKZO De veranderde omstandigheden na de oorlog noodzaakten NL tot diverse aanpassingen in de organisatie van het bedrijf. De chemische bedrijfstak werd steeds belangrijker. Er kwamen nog enkele dochter-NV's bij zoals Lispin in Herkenbosch en OCI in Deventer, gehuisvest in de gebouwen van de inmiddels opgeheven Overijselsche IJzergieterij bij de meelfabriek. Andere dochtermaatschappijen veranderden van naam: de Handelmaatschappij werd ECI Deventer en de Exploitatiemaatschappij ging verder onder de naam Kemias, toen de productie en verkoop van insecticiden en onkruidverdelgers gestopt werd. Verder werden er enkele joint-ventures aangegaan, zoals Noury-Baker, Noury-Rumianca en Noury-Fluminenze. Deze joint-ventures worden opgericht wanneer er aan de bedrijfsvoering bij toepassing van nieuwe technieken grote risico's zitten. De betrokken partijen richten in zo'n geval een gemeenschappelijke dochteronderneming op waarin de benodigde technische kennis en financiën samengebracht worden. In 1958 werd een belangrijke reorganisatie doorgevoerd op basis van het rapport Luyck. Om de aandelen van de vennootschap in het bezit van de familie Van der Lande te regelen werd de NV Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen NL opgericht. Het 125-jarig bestaan van NL in 1963 werd gevierd met een feestelijke bijeenkomst in de Deventer Schouwburg en diverse plaatselijk culturele instellingen werden gesteund door donaties. Er werd een geldinzamelingsactie georganiseerd voor de bouw van een Rode Kruisgebouw aan de Calcarstraat. Er kwam een bedrijfsfilm tot stand getiteld "Facetten van een veelzijdig bedrijf. 125 jaar Noury en van der Lande" en de gemeente Deventer schreef het bedrijf bij in het Gulden Boek van de stad. Medewerkers in binnen- en buitenland boden een staande klok aan; de vergaderkamer van directie en commissarissen werd opnieuw ingericht in het nieuwe hoofdkantoor bij de meelfabriek. Vele jubileumgeschenken hebben tegenwoordig een plaats gekregen in het stadhuis of het museum "De Waag" aan de Brink. Toen de heer X.F. Walboomers zich in 1962 tot de directie van NL richtte met het verzoek om in het kader van zijn studie geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een doctoraalscriptie te schrijven over de ontwikkeling van NL tot 1900 kreeg hij hiervoor al gauw toestemming. Men liep bij NL al enige tijd met de gedachte rond de geschiedenis van het bedrijf op schrift te stellen. Toen de heer Walboomers zijn doctoraalexamen behaalde in 1964 besloot de Raad van Beheer op 14 mei 1965 hem toestemming te verlenen tot het schrijven van een proefschrift over de geschiedenis van NL in de periode 1838 tot 10 mei 1965 (datum besluit tot fusie van NL met KZO), gezien tegen de achtergrond van de sociaaleconomische verhoudingen in Nederland in het algemeen en Deventer in het bijzonder. Overeengekomen werd dat de studie over het bedrijf tot 1965 verricht zou worden. Tot een promotie van de heer Walboomers op de geschiedenis van NL is het echter niet gekomen. In 1970 verscheen er van zijn hand een boekje getiteld De familie Nourij en de familie Van der Lande, dat verzonden werd aan alle familieleden boven de 14 jaar (inv. nr. 403). De veranderingen in de organisatie van bedrijven volgden elkaar in steeds sneller tempo op in de jaren vijftig en zestig. De economische groei en de groeiende concurrentie dwongen tot een proces van steeds verder gaande samenwerking en schaalvergroting om het hoofd boven water te kunnen houden. NL was in 1965 een groot concern geworden met een totaal personeelsbestand van 845 mensen. 10 mei 1965 fuseerde NL met de NV Koninklijke Zwanenberg-Organon groep (vleeswaren en geneesmiddelen; KZO I), waarin ook de wasmiddelenfabrikant Kortman & Schulte was opgegaan. Er ontstond een Chemische Divisie NL, waarin alle chemische activiteiten van KZO werden ondergebracht. De farmaceutische activiteiten werden overgebracht naar Organon Chemical Oss en Apeldoorn. De familievennootschap ruilde haar aandelen om voor KZOaandelen en was dus opgegaan in een open vennootschap waarvan de aandelen voortaan op de Beurs verhandelbaar waren. Op 1 mei 1966 traden W.J.L. en J.P.L. van der Lande af als lid van de Raad van Bestuur, terwijl L.A.L. van de Lande zijn functie als adviseur van de Raad van Bestuur neerlegde. Zij namen plaats in de Raad van Commissarissen van de divisie NL. In 1967 kwam een volgende fusie tot stand tussen de KZO-groep en de Koninklijke Zout- Ketjen groep genaamd Koninklijke Zout-Organon (KZO II). Samen met Ketjen, Hoesch- Chemie (Düren) en Pure Chemicals Ltd. (Liverpool) vormde NL in het vervolg de Chemische Divisie KZO. De aparte Raad van Commissarissen voor NL werd opgeheven en daarmee kwam een einde aan de rechtstreekse band van 130 jaar van vier opeenvolgende generaties Van der Lande met het bedrijf NL. De derde fusie in augustus 1969 tussen KZO II en de Algemene Kunstzijde Unie (AKU) werd het begin van het concern AKZO. NL werd onderdeel van AKZO Chemische Divisie locatie Deventer. Nourypharma werd onderdeel van AKZO-Pharma. Research en productie bleven grotendeels in Deventer geconcentreerd, terwijl de verkoopactiviteiten in april 1980 naar het hoofdkantoor van AKZO-Chemie te Amersfoort werden verplaatst. De leegstaande meelfabriek was in 1965 al verkocht aan Cebeco-Handelsraad te Rotterdam. De haven bij de meelfabriek bleef nog tot 1987 in gebruik voor de aanvoer en opslag van granen in de silo's. Omdat de IJsseldijken in het kader van de Deltawet op grotere hoogte gebracht moesten worden werd de haven na dit jaar gesloten. Het markante kolossale gebouw en de silo's kwamen leeg te staan en raakten in verval. In 1986 was AKZO Chemie reeds eigenaar geworden van het gebouwencomplex en in september 1987 werden de enorme groen verlichte letters "CEBECO-HANDELSRAAD", die 's avonds al van ver te zien waren voor het verkeer op de A-1 snelweg, van het dak van de meelfabriek verwijderd. Op 4 januari 1988 werd begonnen met de sloop van het gebouw, waarvan het oudste gedeelte was gebouwd na de grote brand in 1888. Enkele maanden later was deze plaats veranderd in een grote vlakte. Ter herdenking van het 150-jarig bestaan van de locatie Deventer van AKZO Chemische Divisie verscheen op 6 september 1988 voor de derde keer een gedenkboek geschreven door A. Leemans, bijgestaan door een redactiecommissie met o.a. G.J.J. van der Laan (tot eind 1963 directeur van de Meelfabrieken) onder de titel Van Molen tot Moleculen. Van Noury tot AKZO. De ontwikkeling van de verschillende bedrijfstakken Met de meel- en oliefabricage als basis ontplooide NL vanaf 1911 vele activiteiten behorende tot verschillende bedrijfstakken. Ten eerste de bedrijfstak van de olieproductie. De verf- en vernisindustrie was de voornaamste afnemer van lijnolie. NL specialiseerde zich in het maken van deze olie als grondstof voor deze industrie en van olie voor de fabricage van onder andere drukinkt, wasdoek, linoleum en lakleder. Langzamerhand werden steeds meer technici aangetrokken voor research en voorlichting aan de klanten. Later werden er ook industriële oliën geproduceerd bij de Oelwerke, Friesland, Nourylande en Novadel Ltd. NL was dus bekend met de verfindustrie en had zelf de nodige onderzoeksmogelijkheden in huis. Naast lijnolie ging het bedrijf in 1938 ook andere grondstoffen voor de verfindustrie maken zoals loodwit, titaanwit en siccatieven (versnellers van het droogproces van verf). Met deze producten belandde NL vanuit de olieproductie in de chemische bedrijfstak. De tweede bedrijfstak kwam voort uit de meelproductie, die in 1848 startte en door ging tot 1966. In dit laatste jaar kon er door de grote concurrentie niet meer lonend gewerkt worden. In de 118 jaren die de meelfabriek bestond werden er op het laatst allerlei meelproducten gemaakt van zelfrijzend bakmeel tot puddingpoeder. De winstperspectieven waren door fusies van grote meelfabrieken in Nederland sterk teruggelopen, terwijl ook de broodconsumptie geleidelijk verminderd was. Nadat in 1965 NL was samengegaan met KZO behoorden de werkzaamheden in de meelfabriek niet meer tot de kernactiviteiten van het nieuwe concern. Aan de concurrentie werd het afzetcontingent voor bloem voor de Nederlandse markt en de inventaris verkocht. De silo's werden verhuurd en in 1988 werd het markante gebouwencomplex van de meelfabriek gesloopt. Vanuit de bedrijfstak olie belandde NL onvermijdelijk in de chemische bedrijfstak. De latere ontwikkeling van de toepassing van peroxiden ontstond uit de kennis die men ontwikkelde bij het bleken van plantaardige oliën, zoals lijnolie. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de Engelse chemicus J.G. Sutherland door NL van het laboratorium te Emmerich overgeplaatst naar Deventer, waar hij de opdracht kreeg een methode te ontwikkelen die het vergelen en het teruglopen in kwaliteit van tarwebloem moest tegengaan. Door de oorlogsomstandigheden moest er voornamelijk met inlandse tarwe en andere graansoorten van mindere kwaliteit gewerkt worden en kon men niet meer over de superieure Amerikaanse en Canadese tarwe beschikken. Het kwaliteitsverschil tussen de graansoorten kwam met name aan het licht bij de vergelijking van de geïmporteerde Amerikaanse tarwebloem met de bloem die in Nederland uit Amerikaans graan werd geproduceerd. De geïmporteerde bloem was blanker van kleur en er kon mooier wit brood van gebakken worden. Witbrood was al lang zeer gewild bij velen en geleidelijk aan een soort statusvoedsel geworden, waarmee de rijken zich konden onderscheiden van de volksmassa, die vooral het goedkopere donkere (rogge) brood at. Omdat de geschiktheid van de bloem uit alle werelddelen steeds constant moest zijn voor het bakken van brood van gelijke kwaliteit, werd er ijverig gezocht naar een meelverbeteraar, die de teruggang in de kwaliteit van de bakaard van de bloem kon stoppen en witter brood als resultaat zou opleveren. Onderzoek wees uit dat de Amerikaanse bloem na het malen een lange tijd per schip onderweg was naar Europa en in die tijd een verouderingsproces onderging, dat men bij NL tevergeefs probeerde na te bootsen met een warmtebehandeling. In die tijd herinnerde J.C.L. van der Lande zich een voorval uit omstreeks 1900, toen een bakker hem vertelde dat deze door het bijmengen van wat zure bloem zulk mooi blank deeg had gekregen. Dit leidde tot de ontdekking dat oxydatie door zuurstof in de lucht grotendeels verantwoordelijk was voor het verouderingsproces van de bloem. Na enige experimenten zag Sutherland in 1920 dat benzoyl-peroxide, ook toegepast bij het bleken van plantaardige oliën, in een lage concentratie met het meel vermengd, de natuurlijke gele kleurstof in het meel omzette in een kleurloze verbinding, die geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid had, terwijl ook de bakaard van de bloem nog verbeterd werd. Door de oxyderende werking van het bij splitsing van benzoyl-peroxide vrijkomende zuurstof (oxygenium) wordt het meel gebleekt, terwijl de onschadelijke natuurlijke stof benzoëzuur overblijft. Dit procédé werd verder uitgewerkt en wereldwijd geoctrooieerd. Op de markt verscheen het meelbleekmiddel Novadelox (Noury & Van der Lande Oxygenium), waarvoor in verschillende landen verkooporganisaties werden opgericht (Novadel, Novadel Ltd., Novadel Agene Corporation). Omdat benzoylperoxide in zuivere toestand zeer explosief is, (vergelijkbaar met buskruit) moest het met meelvriendelijke stoffen als voedingszouten of zetmeel vermengd worden tot een ongevaarlijk product. In Emmerik vielen in 1934 twee doden bij een explosie in de peroxidefabriek en in 1952 stierf een medewerker op het laboratorium aan de Emmastraat te Deventer bij een enorme ontploffing. In de jaren zeventig vielen bij meerdere incidenten nog diverse slachtoffers. De enorm gestegen omzet van het benzoylperoxyde-preparaat op de grote Noord-Amerikaanse markt noodzaakte het eigen verkoopkantoor van NL in Buffalo tot het starten van een eigen productie op dit continent. In 1926 werden de Novadelox-patenten voor de Verenigde Staten en Canada verkocht aan een groep Amerikaanse bedrijven verenigd in de Novadel Agene Corporation te Newark in New Jersey. De uitvinding werd in alle richtingen onderzocht om de toepassingsmogelijkheden te vervolmaken. In Deventer ontstond een Chemisch Laboratorium als onderdeel van de meelfabriek, later als zelfstandige afdeling. De grondstoffen voor de meelverbeteringsmiddelen werden rond 1920 nog aangekocht, later ging NL er toe over deze zelf te produceren in de eigen chemische bedrijven (Oxydo, ECIRoermond, Novadel Ltd., Noury-Italia). Dit onderzoek naar bakverbeteraars resulteerde in het product Multaglut dat in 1923 op de markt werd gebracht. Multaglut werkt specifiek in op de tarwe-eiwitten (gluten) en verbetert zonder bleken de bakkwaliteit van het meel. Als chemisch product mocht het in enkele landen niet aan het meel worden toegevoegd en om die reden kocht NL in 1935 van de Dansk Gearings Industri het octrooi voor het product ascorbinezuur (vitamine C), dat ook de eigenschap bezit de bakaard van het meel te verbeteren, een uitvinding van de Deen Holger Jörgensen. Onder de naam Multafort werd het verkocht in België, Frankrijk, Zwitserland en in Zuid-Amerika. Zie voor vervolg de website van het stadsarchief van Deventer (www.stadsarchiefdeventer.nl).
Meer resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in