Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: rotterdam

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (311)

Archieven (311)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam) (aanvullingen 1988 t/m 1996)Verslag van de rede door prof. Frijda voor de Rotary Club Rotterdam betreffende diens tweede reis naar RuslandGemeentearchief Rotterdam
Plaatsingslijst van het archief van de Gemeentepolitie Rotterdam 1845 - 1949, met aanvulling 1949 - 1994.Register van te Rotterdam wonende RussenGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)"Mussert noch Moskou". GedruktGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)Koningin Wilhelmina en de Sovjet-UnieGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)Verenigde Staten van Amerika en de Sovjet UnieGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)BolsjewismeGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gem. Geneeskundige- en Gezondheidsdienst Rotterdam (GG&GD)Lezing op de Erasmus Universiteit over de gezondheidszorg in RuslandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentesecretarie Rotterdam Bureau Havenbeheer; afd. Economische ZakenVerhouding tot RuslandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam) (aanvullingen 1988 t/m 1996)Paspoort van Cornelis Sijthoff, directeur van Rotterdamsch Nieuwsblad, voor een reis naar RuslandGemeentearchief Rotterdam
Plaatsingslijst van het archief van de Gemeentepolitie Rotterdam 1845 - 1949, met aanvulling 1949 - 1994.Voorschriften inwendige dienst en Sovjet-RussenGemeentearchief Rotterdam
Archief van Dienst (Sport en) Recreatie RotterdamCulturele- en sportuitwisselingen met de stad LeningradGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam > Gemeentearchief Rotterdam (GAR)Stukken betreffende de Conférences Internationales de la Table Ronde des Archives en de Internationale Archiefcongressen - Moskou Int. ArchiefcongresGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)"De Waarheid over Finland!" Oproep van de Vereniging van Vrienden der Sowjet-Unie tot steun aan de Sovjet-Unie bij de aanval op FinlandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)"Proclamatie van den Führer aan het Duitsche volk van juni 1941", en Nota van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken aan de Sovjet-regeering, met bijlagen". Verspreid ter gelegenheid van de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. GedruktGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)Dagboek van C.B. de Koning over zijn werkzaamheden bij de Organisation Todt in EstlandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)"Duitschland en Rusland". Fragmenten uit een artikel in het Gereformeerd Weekblad van prof. dr. Hugo Visscher. GedruktGemeentearchief Rotterdam
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)"De kaarten op tafel". Brochure met reactie uit christelijke hoek op Rusland en de CPN. GedruktGemeentearchief Rotterdam
Archief van Familie Van Ravesteyn (Rotterdam)Stukken betreffende de nalatenschap van Johanna Cornelia Voorhoeve-van Ravesteyn Hieronder bevinden zich enkele Russische en Hongaarse verlopen waardepapieren.Gemeentearchief Rotterdam
Archief van Grote en Kleine Diaconiescholen Nederduits Gereformeerde Gemeente te RotterdamIngekomen brief van de thesaurier van de Groote Scholen betreffende een geschonken Russische obligatieGemeentearchief Rotterdam
Archief van Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw Fijenoord (Ned. Stoomboot Maatschappij) (Rotterdam)Contracten met de Fransche en Russische Marine enz.Gemeentearchief Rotterdam
Archief van Commissie Psychiatrische Inrichting Maasoord, later Commissie Deltaziekenhuis (Rotterdam)Gedenkboekje uitgegeven ter gelegenheid van de eeuwviering van de inscheping van Florence Nightingale naar de KrimGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Stukken betreffende de condities waaronder Gebroeders Chabot diensten verricht voor cliënten, met bijlagen - S.C. van Nispen, import van Amerikaanse en Russische machine- en cylinderoliën, Rotterdam, UtrechtGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Russisch-Hollandsche Bank, Petrograd (Rotterdam)Gemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentesecretarie Rotterdam afd. Algemene Zaken: Raad; B&W (NSA)Stukken betreffende het ceremonieel ter gelegenheid van de ontvangst van de keizer van Rusland en de soevereine vorst der Nederlanden te RotterdamGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentesecretarie Rotterdam afd. Algemene Zaken: Raad; B&W (NSA)Dossier 23, Handelsverbindingen tussen Rusland en RotterdamGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Paspoort voor Johannes Mostertman, voltigeur bij het 123e regiment infanterie, komende uit Rusland als krijgsgevangene en gaande naar RotterdamGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Tekst, met bijlagen, van de voordracht van drs. F.H. Nitzsche getiteld De Russen in Rotterdam in de maand december 1813 , gehouden op 1 oktober 1977 voor het Historisch Genootschap De Maze, fotokopieënGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Brieven van de burgemeester van Rotterdam aan de heer Criellaert om zijn woning en stallen aan de Leuvehaven ter beschikking te stellen voor het verblijf van leden uit het gevolg van keizer Napoleon I in 1811 en die van de tsaar van Rusland in 1814, afschriftGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Stukken betreffende borgstellingen door Gebroeders Chabot - Voor Christie en Nolet, Delfshaven, ten behoeve van E.G. Piat, OdessaGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Stukken betreffende de condities waaronder Gebroeders Chabot enerzijds en buitenlandse bankiers en effectenhandelaars anderzijds diensten voor elkaar verrichten - Banque de Commerce de l'Azoff-Don, PetersburgGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Stukken betreffende de verbroken bankrelatie met RuslandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Stukken betreffende de condities waaronder Gebroeders Chabot enerzijds en buitenlandse bankiers en effectenhandelaars anderzijds diensten voor elkaar verrichten - Russisch-Aziatische Bank, OdessaGemeentearchief Rotterdam
Archief van Chabot kassiers en makelaars in assurantien (Rotterdam)Stukken betreffende de condities waaronder Gebroeders Chabot enerzijds en buitenlandse bankiers en effectenhandelaars anderzijds diensten voor elkaar verrichten - Banque Internationale de Commerce de Petrograd, ParijsGemeentearchief Rotterdam
Archief van Esders' Kledingmagazijnen Rotterdam N.V.Bijzonderheden over enkele vestigingen - St. Petersburg Esders & ScheefhalsGemeentearchief Rotterdam
Archief van Esders' Kledingmagazijnen Rotterdam N.V.Bijzonderheden over enkele vestigingen - St. Petersburg Artikelen en krantenknipsels over de RusluieGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentesecretarie Rotterdam afd. Algemene Zaken: Raad; B&W (NSA)Interpellatie raadslid G. van Burink betreffende het handelsverkeer met RuslandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Dagvaarding in hoger beroep in de zaak van Dirk Gerrits Otto contra de executeurs-testamentair van Christoffel Brands, hofraad van de tsaar van Rusland te AmsterdamGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Extract uit de St. Petersburger Zeitung van 29 oktober 1812 betreffende de nederlaag van de Franse troepen in Moskou. Geschenk van de erven H. de BieGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Certificaat van het overlijden te New York op 17 december 1893 van Martijntje Rekking, afkomstig uit HollandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Stukken betreffende Martin Streit uit Libau in Kurland - Passen en monsterpapieren - Diploma voor stuurman bij de kustvaart Sommige stukken zijn in het RussischGemeentearchief Rotterdam
Archief van Handschriftenverzameling (Rotterdam)Gedicht op de terugtocht van keizer Napoleon in 1812 uit RuslandGemeentearchief Rotterdam
Archief van N.V. Internationale Crediet- en Handelsvereniging Rotterdam/C.V. en N.V. Wm H. Muller & Co. (Internatio-Muller N.V.)Stukken betreffende de levering door de Internatio-vestiging te Singapore (Rotterdam Trading Company Malaya Ltd.) van rubber aan de Sovjet-UnieGemeentearchief Rotterdam
Archief van Museum voor (Land- en) Volkenkunde / Wereldmuseum (Rotterdam)Stukken betreffende het organiseren van activiteiten in het kader van de goede betrekkingen van Rotterdam met St. Petersburg, met foto'sGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentesecretarie Rotterdam afd. Militaire ZakenOpdrachtbriefjes aan de "presmeester" om wagens en paarden beschikbaar te stellen aan de Russische en Pruisische troepenGemeentearchief Rotterdam
Archief van Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw Fijenoord (Ned. Stoomboot Maatschappij) (Rotterdam)Bescheiden over: 1. Havelaar-Aanlegplaats-Regering-Rotterdam. Intrek aanlegplaats "Laurens Koster" 2. Vigelius onderdirecteur der Artillerie, stapel en constructie magazijnen te Delft: Proeven omtrent het met staaldraad omwikkelen van kanons 3. Stoomgemaal van het waterschap "Schouwen". Aanbestedingen 4. Arkas, nieuwe Russische stoombootmaatschappij 5. Nota van werklonen der modelmakersGemeentearchief Rotterdam
Archief van R.K. Parochiaal Armbestuur van Rotterdam, later Sint LaurensinstituutRekeningen betreffende aankoop van Russische obligaties door de E.E. Zusters Dominicanessen, wonende in de R.K. Wees- en Oude Liedenhuizen, die aan de Commissie van financiën in bewaring zijn gegevenGemeentearchief Rotterdam
Archief van R.K. Parochiaal Armbestuur van Rotterdam, later Sint LaurensinstituutBrief van de directeur van het bureau van het R.K. Parochiaal Armbestuur betreffende Russische aandelen, in eigendom van het R.K.P.AGemeentearchief Rotterdam
Archief van Gemeentesecretarie Rotterdam: Centraal Secretarie ArchiefStukken m.b.t. gemeentelijke medewerking tot verspreiding onder de bevolking van 'De Zwarte Soldaat' tegen het BolsjewismeGemeentearchief Rotterdam
Archief van Sportclub FeyenoordStukken betreffende het voetbaltoernee naar RuslandGemeentearchief Rotterdam
Archief van Commissies voor feestvieringen, geldinzamelingen, standbeelden, enz. (Memorabilia)Archief van het Comité te Rotterdam ter ondersteuning der Hulpbehoevende Israëlieten in RuslandGemeentearchief Rotterdam
Alle resultaten

Achtergrond archieven (166)

Achtergrond archieven (166)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Overgedragen aan het Gemeente Archief Rotterdam (GAR) in 2002
In 1977 zijn de Capelse archiefbescheiden, die volgens art. 5 van de Archiefwet 1962 in de archiefbewaarplaats dienen te berusten, door Burgemeester en Wethouders van Rotterdam in bewaring genomen ter plaatsing in de archiefbewaarplaats van de gemeente Rotterdam. In het zelfde jaar volgde nog de inbewaringgeving door het Rijk van de rijksarchiefbescheiden, die betrekking hebben op Capelle aan den IJssel.
In 1932 werd voor het departement Rotterdam van de Maatschappij voor Nijverheid en Handel een serie voordrachten gehouden betreffende de moeilijke tijden die de Rotterdamse haven als gevolg van de crisis doormaakte. Daaruit ontstond het initiatief tot een nauwere samenwerking tussen de gemeente en een aantal op het gebied van de haven werkzame organisaties, hetgeen op 21 december 1933 leidde tot de oprichting van de Stichting Havenbelangen. De initiatiefnemers beoogden door middel van de Stichting in het binnen- en buitenland de aandacht te vestigen op de haven.
Het gebied en de indeling van het arrondissement Rotterdam zijn tussen 1838 en 1939 nogal eens gewijzigd. Zo omvatte het op 1 oktober 1838 de volgende kantons: Rotterdam 1, Rotterdam 2, Vlaardingen, Schiedam, Hillegersberg, Gouda en Schoonhoven. In 1877 werden de kantons Brielle en Sommelsdijk toegevoegd, de kantons Vlaardingen en Hillegersberg opgeheven en de overige kantons vergroot. Door uitbreiding van de gemeente Rotterdam werd in 1895 een kanton Rotterdam 3 toegevoegd. Daarna werden per 1 januari 1911 de drie kantons Rotterdam verenigd en tenslotte werd door opheffing van het kanton Schoonhoven in 1933 het kanton Gouda flink vergroot. Delen van verschillende kantons werden bij deze veranderingen geplaatst in andere arrondissementen; zo viel Oudewater van 1838 - 1877 onder het kanton Schoonhoven van het arrondissement Rotterdam, van 1877 - 1933 onder het kanton Woerden van het arrondissement Utrecht en vanaf 1934 onder het Kanton Gouda van het arrondissement Rotterdam. Het oostelijk deel van het eiland IJsselmonde, voorheen onderdeel van het arrondissement Dordrecht, viel vanaf 1934 onder het arrondissement Rotterdam. De arrondissementsrechtbank te Rotterdam begon in 1838 zijn werkzaamheden in het paleis van Justitie, dat in 1822 was gebouwd op de plaats van de voormalige Sint Joris Doelen aan het Haagscheveer. De audiëntiezaal was ingericht in het enige gedeelte van de Doelen dat was blijven staan: de krijgsraadkamer, gebouwd in 1692. Het paleis, dat eigendom der gemeente Rotterdam was, werd per 1 januari 1861 voor drieduizend gulden per jaar aan het Rijk verhuurd; in 1880 werd de huur opgetrokken tot achtduizend gulden. Echt doelmatig is het gebouw eigenlijk nooit geweest, en vanaf het moment in 1867, dat in binnenmuren scheuren werden ontdekt die ontstaan waren door de drukkende last van de op zolder geborgen oude rechterlijke archieven en vooral de archieven van de burgerlijke stand en het notariaat, zijn allerhande plannen voor verbouw en nieuwbouw gemaakt. Het zou echter tot 1897 duren voordat de bouw van een nieuw paleis van Justitie met een brandvrij archiefgebouw door het Rijk kon worden aanbesteed voor driehonderdzesenvijftigduizend gulden. Dit nieuwe gebouw verrees aan de Noordsingel op het terrein vlak voor de strafgevangenis en werd opgeleverd op 1 december 1899. "Het gebouw komt mij voor volkomen aan de eischen van den dienst te zullen beantwoorden. Regelmatig van vorm zijnde, liggen hare ruime en lichte vertrekken alle in behoorlijke orde bij en naast elkaar op slechts twee verdiepingen. De inrichting, afwerking en meubileering der lokalen is, zonder weelderig te zijn, met bijzondere zorg geschied, kortom, het inwendige van het gebouw geeft dien aangenamen rustigen indruk die passend is voor zijne bestemming." Heden ten dage wordt het al 94 jaar als zodanig in gebruik zijnde gebouw beduidend minder goed beoordeeld…..
In 1977 heeft de Stichting Geslacht Mees het archief van de familie Mees in bewaring gegeven bij de Rotterdamse archiefdienst.
Nadat de Erasmus Universiteit Rotterdam de plaats had ingenomen van de Nederlandse Economische Hogeschool, zijn de archieven van de Hogeschool naar het gemeentearchief overgebracht. In 1970 was reeds het oudste gedeelte overgebracht.
De verzameling Bak werd in 1973 door de erfgenamen van J.L.Bak overgedragen aan de Gemeentelijke Archiefdienst te Rotterdam.
In de loop van 1976 is het archief van D.T. Ruijs-een 50-tal banden -aan de Archiefdienst van de gemeente Rotterdam in bewaring gegeven.
Kort na eind 1984 zijn de archieven van beide gemeenten bij het gemeentearchief van Rotterdam in bewaring gegeven.
Deze inventaris is ontstaan nadat bij het Gemeentearchief Rotterdam in 2007 een aanvulling arriveerde op een eerste deel van het archief van Sint Jansplaats dat in 1996 ter bewaring werd opgenomen.
Het archief is in de jaren 1990 en 1991 naar de Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam overgebracht.
Het archief van de familie Dutilh is in het jaar 1980 naar de Gemeentelijke Archiefdienst van Rotterdam overgebracht.
J.C. Baud was Nederlands staatsman. J.C. en ondermeer actief als de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, minister van Kolonieën, evenals Rotterdams lid van de Tweede Kamer.
De Marine Commissie Teruggave Vaartuigen en daarna het Bureau Terugvoering Vaartuigen, beide met het hoofdkantoor in Rotterdam, waren verantwoordelijk voor het terugvoeren van Nederlandse binnenvaartschepen naar Nederland.
De Verzameling Tweede Wereldoorlog vindt zijn oorsprong in de speciale betekenis van enkele aspecten van de oorlog voor Rotterdam-de meidagen van 1940 en de razzia van november 1944.
`Isaac (Ies) Lipschits; geboren in Rotterdam 19 november 1930, overleden in Groningen 24 mei 2008; politicoloog en historicus; groeide op in Joods gezin in Rotterdam; ondergedoken tijdens de Tweede Wereldoorlog vanaf 1942; studeerde politieke wetenschappen aan de universiteiten van Amsterdam en Parijs; hoogleraar universiteit Groningen 1973-1990; oprichter Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen 1973; verrichtte ondersteunend onderzoek voor de Commissie van Onderzoek Liro-archieven naar geroofde Joodse bezittingen tijdens de Tweede Wereldoorlog 1997-1998; initiatiefnemer in 2001 van het Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland, dat in 2005 op internet beschikbaar kwam; tal van publikaties over de Nederlandse politieke partijen en de joodse gemeenschap in Nederland; zijn Onbestelbaar. Herinneringen in briefvorm aan de Jodenvervolging in Rotterdam , een fictieve brief aan zijn in de oorlog om het leven gebrachte moeder, werd in 2008 gratis onder de Rotterdamse schooljeugd verspreid.
Het archief is gevormd als secretariaatsarchief van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de Beneden Maas te Vlaardingen over de periode 1922-1975. In 1922 werd de Kamer nieuw ingesteld volgens de Wet op de Kamers van Koophandel van 1921. De einddatum 31 december 1975 is bepaald door het op 1 januari 1976 samengaan van de Kamer te Vlaardingen met de Kamer te Rotterdam. Het archief is onvoldoende geschoond, geïnventariseerd en materieel verzorgd door de Kamer te Vlaardingen aan het Rijksarchief in Zuid-Holland overgedragen. In 1991 is een plaatsingslijst van dit archief gemaakt door het Rijksarchief in Zuid-Holland. Tijdens de bewerking van het archief in 1995 werd er door de Kamer van Koophandel te Rotterdam nog zes meter archief van de Kamer te Vlaardingen aangeboden.
De genealogie van het geslacht Van der Pot is lange tijd beïnvloed geweest door de gedachte dat de afkomst van de familie gezocht moest worden in Frankrijk. Reeds in het Nederlands Patriciaat van 1920, waar een summiere stamboom van dit geslacht geplaatst werd, is deze hypothese verlaten, doch zij werd vervangen door een andere nl. de verbinding van Amsterdamse dragers van de naam Van der Pot uit de 16e eeuw met de Rotterdamse familie van deze naam uit de 17de en latere eeuwen. Uit de genealogische aantekeningen en correspondentie van J.E. van der Pot, opgenomen in deze inventaris, blijkt dat hij aan de juistheid van deze stelling ernstig twijfelde op grond van door hem gevonden Rotterdamse gegevens. In de Nederlandsche Leeuw van 1968 heeft de heer W.A. van Rijn zijn gegevens gepubliceerd over het 17de eeuwse geslacht Van der Pot in Rotterdam. Aanknopend bij de gedachten van J.E. van der Pot stelt Van Rijn dat we de stamreeks moeten laten aanvangen met Thomas Thomasz. Pot geboren en overleden in Rotterdam respectievelijk ca. 1603 en 1634. Diens zoon Cornelis wordt voortzetter van een familie die zich in de loop der eeuwen hier vertakte en tot grote bloei kwam. In de geschiedenis van Rotterdam vindt de familie Van der Pot haar plaats temidden van een grote groep vooraanstaande families die men allereerst kan kenmerken door het feit dat ze niet tot de publieke gereformeerde kerk behoorden en dus ondanks hun maatschappelijke welstand tot 1795 uitgesloten waren van de bediening van overheidsambten. Een tweede kenmerk is de activiteit van deze groep in de nijverheid en de daaruit voortvloeiende handel en een derde kenmerk de voorliefde voor de schone kunsten, hetzij als verzamelaar hetzij als beoefenaar. De Van der Potten waren remonstrant met familierelaties in doopsgezinde kring. Bekende Rotterdamse families op wie de genoemde kenmerken van toepassing zijn, zijn b.v. de remonstranten Oudaen, De Haes, Van der Hoeven, Van Rijckevorsel en bij de doopsgezinden Bisschop, Messchaert en Van Vollenhoven. In de 19de eeuw worden deze onderscheidende kenmerken vager. Van de politieke ongelijkheid van het ancien regime is geen sprake meer en in de Franse tijd kondigt zich reeds aan, wat zo duidelijk wordt onder koning Willem I, nl. de verbroedering van alle weldenkende welgestelden. Bij de familie Van der Pot zien we ook dat de leden niet meer zo aan Rotterdam gebonden zijn en zich verspreiden, hoewel sommigen er weer teruggekeerd zijn. Eén van de teruggekeerden was ds. J.E. van der Pot, die getrouwd was met de Rotterdamse predikantsdochter mej. F.W.S. Ulfers. Hij verwierf alhier grote bekendheid als directeur van het Rotterdamsch Leeskabinet van 1920-1951, in welke functie hij door zijn zoon dr. J.H.J. van der Pot werd opgevolgd. De heer J.E. van der Pot had grote voorliefde voor de historie van zijn stad en van zijn familie.
Het archief van het Museum voor (Land- en) Volkenkunde is in meerdere delen overgebracht naar het Gemeentearchief Rotterdam. Tussen 1983 en 1986 zijn in delen archiefbescheiden uit de periode 1883-1982 overgebracht. In 2003 kwam er een aanvulling op het archief van het museum die de periode 1950-1990 besloeg.
De hier beschreven archieven en verzameling werden, grotendeels in 1943, als 'Familiearchief Van der Hoeven' samen met het bedrijfsarchief van de Firma Cornelis van der Hoeven & Zoon en het restant van het boekenbezit van Abraham van der Hoeven overgebracht naar het Gemeentearchief van Rotterdam.
Bij de annexatie van 1941 werd het archief tot 1915 naar het Rotterdamse stadhuis gebracht; pas in 1955 werd het overgebracht naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats. Het archief van 1916 tot 1941 werd in 1962 opgehaald bij de Hulpsecretarie Ijsselmonde.
De Deutsche Evangelische Gemeinde (Duitse Evangelische Gemeente) is opgericht om de Duitstalige inwoners van Rotterdam in staat te stellen het evangelie in de eigen taal te vernemen. De eerste stappen voor de oprichting van de gemeente zijn gezet in 1855. In 1862 is koninklijke goedkeuring verkregen.
Stephanus H. Delhaas (1891-) was vertegenwoordiger; bestuurslid van de Nederlandse Federatie van Handels-, Kantoor-en Winkelpersoneel (NAS); lid van de CPH, penningmeester afdeling Rotterdam, in 1923 geroyeerd, Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs, de OSP en de RSP; schreef regelmatig in De Fakkel; in 1939 vertrokken naar Montreal.
Gijsbert Karel graaf van Hogendorp (27 oktober 1762 - 5 augustus 1834) was een Nederlands conservatief staatsman en auteur, en was de grondlegger van de eerste Nederlandse Grondwet (1814). Hij was de broer van Dirk van Hogendorp. Van Hogendorp werd geboren in Rotterdam, en ontving zijn scholing aan de kadettenschool te Berlijn. In 1785 promoveerde hij in de rechten aan de Universiteit van Leiden, om in 1785 te worden benoemd tot de raad en pensionaris van Rotterdam. In 1796 werd hij bij de omwenteling aan de kant gezet omdat hij Prinsgezind was. In 1813 werd Van Hogendorp de eerste minister van Buitenlandse zaken van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, en werd hij voorzitter van twee grondwetscommissies. De VVD herdenkt hem als grondleggervan de liberale partij. Op 20 september 1815 werd hij benoemd tot Minister van Staat, maar vanwege zijn kritiek op het financiële beleid van de Koning werd hij op 22 mei 1819 uit die functie ontheven. Hij was een van de weinige Nederlanders die in 1830 begrip toonde voor de Belgische afscheiding. Voor de voormalige Beurs aan de Rotterdamse Coolsingel bevindt zich een standbeeld van Van Hogendorp met de grondwet van 1814 in de rechterhand.
De familie Van Ravesteyn heeft zich kort voor 1600 in de stad Rotterdam gevestigd alwaar haar leden hun beroep zochten in handel en nijverheid. Een zekere Adriaan van Ravesteyn (1708-1759) maakte carrière in Nederlands-Indië. L.J.C.J. van Ravesteyn (1867-1949) volgde de opleiding tot notaris en werd in 1901 als zodanig benoemd met als standplaats Rotterdam. De tweede markante figuur op wie onze aandacht zich richt is dr. W. van Ravesteyn jr. (1876-1970). Bij hem vond de historische belangstelling haar practische uitwerking in de politiek. Reeds vroeg voelde Van Ravesteyn zich aangetrokken tot het socialistische denken en met zijn scherp intellect bereikte hij in het begin van deze eeuw een vooraanstaande plaats in die vleugel van de S.D.A.P., die zich in 1909 van de grote organisatie zou losscheuren. Sindsdien behoorde Van Ravesteyn tot de leiders der communistische groepering (S.D.P.) en had hij zitting in de Tweede Kamer (1918-1926) en de gemeenteraad van Rotterdam (1919-1927). Na de aansluiting van de Nederlandse Communistische Partij bij de Internationale en haar gelijkschakeling aan de directieven van Moskou , was er voor dr. W. van Ravesteyn jr. geen plaats meer in deze organisatie, waarvan hij in 1925 als lid werd geschrapt.
Stefan Esders-geboren in Haren / Ems, Duitsland in 1852 en gestorven te Wenen, Oostenrijk in 1920-was de oprichter van de vestiging Rotterdam. Stefan Esders werkte o.a. bij het warenhuis Au Bon Marché. Van Stefan Esders kwam het idee om in zaken te gaan. Stefan Esders richtte nog bedrijven op in Rotterdam (1894), Wenen (1895), Breslau (toen Duitsland, na 1945 Pools gebied onder de naam Wroclaw) en St Petersburg ( Rusland , 1906). Het laatstgenoemde bedrijf met Charles Scheefhals , een neef van zijn Belgische echtgenote. In 1895 vestigde Stefan Esders zich met zijn echtgenote en zijn twee zoons Bernard en Henry definitief in Wenen, van waaruit hij zijn concern ging leiden. Een inkooporganisatie onder de naam Esders, Dijckhoff en Hollenkamp werd gestart, doch Stefan Esders nam hieraan met zijn bedrijven te Berlijn, Breslau, Brussel, St. Petersburg, Rotterdam en Wenen, waar hij de zeggenschap had, geen deel. Na de eerste wereldoorlog is deze combinatie niet meer in oude vorm teruggekomen.
Marcus van Blankenstein werd geboren te Ouderkerk a.d. IJssel op 13 juni 1880 als zoon van Heiman van Blankenstein( ten rechte Hijman van Blankenstijn ) en Judith Bekkers. Op 29 mei 1908 trad hij te Kopenhagen in het huwelijk met Nelly Lohr, geboren te Batavia op 27 december 1883, overleden te Wassenaar op 7 januari 1947, dochter van Christiaan Pieter Lohr en Sara Gijsberta van Gennep. Na zijn studie aan de Universiteit te Leiden promoveerde hij in 1911 cum laude op "Untersuchungen zu den langen Vokalen in der E-Reihe". Zijn journalistieke loopbaan begon hij in 1906 als correspondent bij de Nieuwe Rotterdamse Courant. Aanvankelijk schreef hij brieven uit Kopenhagen, waar hij verbleef i.v.m. de voortzetting van zijn filologische studie. Van 1909-1920 was hij correspondent te Berlijn, welke positie hij opgaf om te kunnen rondreizen als internationaal diplomatiek correspondent. Als zodanig woonde hij b.v. gewoonlijk de Volkenbonds-conferenties te Genève bij; een jaar lang was hij voorzitter van de internationale vereniging van bij de Volkenbond geaccrediteerde journalisten. Later werd hij bij de Nieuwe Rotterdamse Courant belast met het schrijven van de in de eerste wereldoorlog ontstane rubriek De Toestand. In 1936 werd hij benoemd tot adjunct-hoofdredacteur. Kort daarop trad hij, na een geschil van persoonlijke aard, in dienst bij het Utrechts Nieuwsblad. Daarnaast verschenen in verschillende andere bladen (Indépendance Belge, Soerabajasch Handelsblad, De Haagse Post) artikelen van zijn hand. Gedurende de tweede wereldoorlog verbleef dr. Van Blankenstein te Londen, waar hij hoofdredacteur was van Vrij Nederland. Na 1945 was hij aanvankelijk hoofdredacteur van de Stem van Nederland, daarna, sinds 1946, vast medewerker bij Het Parool. In 1952 verschenen vele bijdragen van hem in Indonesische bladen. Hij was lid van de Leidse Universiteitsraad en van de Commissie van Advies voor de instelling van een Regeringspersdienst. Bij Koninklijk Besluit van 12 juni 1950 no. 3 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Op 18 september 1964 overleed hij te Wassenaar. (ten rechte: Den Haag). Van Blankenstein is de schrijver van een indrukwekkende reeks beschouwingen, van belang voor de kennis van de politieke en diplomatieke geschiedenis. Als afzonderlijke publicaties kunnen vermeld worden: Suriname, Rotterdam 1923; Russische indrukken, Rotterdam 1925; De poenale sanctie in de practijk, Rotterdam 1929; Woelig België, Amsterdam 1937; Het getij der beschaving, Arnhem 1939; Indonesië nu, 's-Gravenhage 1953.
Sinds John Hog(g) of Hoog, afkomstig uit Schotland, zich in 1663 als predikant van de Schotse kerk te Rotterdam vestigde hebben er lange tijd banden tussen de stad en de familie Hoog bestaan. Zijn neef Thomas Hoog (1655-1725) werd hier in 1699 eveneens predikant. De eerste generatie die leden van het stadsbestuur heeft voortgebracht was echter pas die van diens kleinkinderen Thomas en Johannes, waarmee deze inventaris begint. In de volgende generatie wordt deze lijn voortgezet, al zal men de familie Hoog als geheel niet een typische Rotterdamse regentenfamilie kunnen noemen; eerder was het een predikantengeslacht. Mr. Thomas Hoog (1716-1781), zoon van ds. Marinus Hoog en Maria Catharina van Weylick, was pensionaris van Schiedam 1751-1766, van Rotterdam 1766-1768, en tenslotte tot zijn dood raadsheer in de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-friesland. Zoals iedere pensionaris was hij curator van de Erasmiaanse school. Mede door zijn korte ambtsperiode behoort hij niet tot de markante figuren in het stadsbestuur. Hij bleef ongehuwd. Johannes Hoog (1725-1795), broer van de voorgaande, was vanaf 1754 een der vijf leden van de Kamer van vredemakers te Rotterdam en vanaf 1760 schepen, sindsdien beide vrijwel afwisselend tot 1794 toe. Lid van de vroedschap is hij nimmer geworden. De Patriotse onlusten 1784-1787 schijnen op zijn ambtelijke loopbaan niet van invloed te zijn geweest. Uit een en ander mag men wel concluderen dat hij buiten het politieke spel van die dagen stond en niet tot de 'correspondentie' in de Vroedschap behoord heeft. Hij huwde in 1754 Catharina van Hoogwerff (1732-1795). Verder was hij lid van de Schotse kerk ter stede en hij werkte mee aan het tot stand komen van de Nationale psalmberijming van 1773. Zijn zoon mr. Marinus Hoog (1754-1841) werd in 1779 tot een van de vier secretarissen ter Admiraliteit op de Maze benoemd. Het jaar daarop huwde hij Magdalena Cornelia Baelde (1746-1809) uit een bekende Rotterdamse familie. Sinds dit jaar bekleedde hij enkele kleine ('smalle') ambten in de regering van de stad en werd in 1787 geroepen tot vroedschap in de plaats van een der ontslagen patriotten, en door stadhouder Willem V als zodanig bevestigd. In de volgende jaren zien we hem als Fabriekmeester (1789), Gedeputeerde ter dagvaart (1789, 1792-1794), en als baljuw (hoofdofficier) van Rotterdam (1794). In 1793 had hij intussen zijn betrekking als secretaris ter Admiraliteit neergelegd. Bij de Bataafsche omwenteling werd hij van zijn ambten ontheven. Onder de gematigde staatsregeling van 1801 werd hij met ingang van 1803 tot raadslid benoemd, welke benoeming hij accepteerde * . Van 1806 tot 1811 was hij vervolgens een der vier wethouders van de gemeente. Na de terugkeer van de souvereine vorst, werd hij provisioneel lid van de Gemeenteraad 1813/14, om daarop van 1814 tot 1824 als een der beide burgemeesters op te treden. Hij was curator van de Erasmiaanse school 1808-1823 en 'Commissaris voor de Levantsche handel en Navigatie in de Middellandse zee' voor Rotterdam 1815- 1826. Intussen was hij na de dood van zijn eerste echtgenote in 1824 hertrouwd met Johanna Meissner (1772-1850). De jaren daarna tot zijn dood bracht hij als ambteloos burger door, afgezien van een periode waarin hij als kiezer heeft gefungeerd. Een andere zoon van Johannes Hoog en Catharina van Hoogwerff was ds. Thomas Hoog (1763- 1829). Hij werd als predikant bij de Gereformeerde (Hervormde) kerk alhier bevestigd in 1792, gekomen van Leeuwarden, om hier tot zijn dood werkzaam te blijven. Hij had bovendien zitting in een aantal besturen en commissies, o.a. het bestuur van de Classis Rotterdam, het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland. Voor het staatkundig leven heeft hij geen directe betekenis gehad. Hij was gehuwd met Johanna Jacoba Scheltus (1766-1820). De rij wordt gesloten met mr. Petrus Gerardus Johannes Hoog, heer van Ter Aar (1789-1867), zoon van Marinus en Magdalena Baelde. Vanaf de bevrijding in 1813-hij was toen controleur der belastingen te Brielle-ziet men hem als vurig aanhanger van het Oranjehuis regelmatig schenkingen doen voor vorst en vaderland en bezig met het organiseren van collecten en loterijen 'tot stijving van 's lands kas'. Deze activiteit bereikt een hoogtepunt tijdens de eerste jaren van de oorlog tegen de Belgen, 1831/32. Bovendien zond hij regelmatig zelfgemaakte gedichten (als men ze zo mag noemen) aan leden van het vorstenhuis, die deze aanhankelijkheid met stereotype doch wel goedgunstige antwoorden beloonde. Intussen was hij tot rechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam benoemd, waar hij in 1827 en van 1829 tot 1851 tevens lid van de Gemeenteraad was. Ook fungeerde hij een aantal jaren als regent van het Gereformeerd Burgerweeshuis en het Oude Manhuis. Hij was gehuwd met Elisabeth Ereur (1788-1852), daarna met Louise Eleonore Constance van Ingen (1813-1871). Beide huwelijken bleven kinderloos. In 1869 werd zijn nagelaten verzameling boeken en handschriften, waaruit hij al enige schenkingen aan het Gemeentearchief had gedaan, te Rotterdam geveild. Daarbij bleek dat deze collectionneur ook stukken had bezeten die in de archieven thuishoorden. Deze zucht tot verzamelen is een trek die in 't algemeen past in het beeld van de regent uit de tweede helft van de 18de en de 19de eeuw, gepaard gaande met het op zijn tijd doen van schenkingen uit het aldus verzamelde.
Toen het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief het besluit moest nemen om de vele bedrijfsarchieven, die in de loop van ettelijke decennia in Den Haag bijeengebracht waren, over de overheidsarchiefdiensten te verspreiden, viel het archief van Gebroeders Chabot in 1971 toe aan de Gemeentelijke Archiefdienst van Rotterdam, die het in bewaring nam.
Het oudste gedeelte van het archief was al eerder door het Nederlands Economisch-Historisch Archief overgenomen. Die instelling gaf het archief in 1972 in bewaring aan het gemeentearchief Rotterdam. In 1991 droeg de Algemene Rijksarchivaris nog enkele brievenboeken over, die verzeild waren geraakt in het archief van de Handels- en Landbouwbank, eveneens ooit door het NEHA beheerd.
Het archief is in delen aan de Gemeentelijke Archiefdienst van Rotterdam in bewaring gegeven, te weten in 1971, 1973, 1980, 1988 en 1992 en had voor inventarisatie een omvang van bijna 300 strekkende meter. Een gering aantal stukken is via aankoop door het Gemeentearchief verworven.
Na zijn overlijden in 1968 is door dr. J.H.J. van der Pot het familiearchief met bijbehorende verzamelingen aan het Rotterdamse gemeentearchief in bruikleen gegeven, met uitzondering van de privéstukken van zijn ouders en de bescheiden betrekking hebbende op nog in leven zijnde familieleden; in 1991 vond de definitieve overdracht plaats via een akte van schenking.
Het archief van het museum, overgedragen op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1962, is in twee gedeelten naar het gemeentearchief van Rotterdam overgebracht. Het eerste gedeelte werd in het jaar 1977 overgedragen. In 1989 kwam het tweede en het omvangrijkste gedeelte (15 meter) binnen.
Na enige onderhandelingen met het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam heeft dr. W. van Ravesteyn jr. zijn politiek archief, ook voorzover dat na 1925 nog van belang was voor de kennis van de socialistische bewegingen, in 1962 overgedragen aan het I.I.S.G. Om een deugdelijke selectie te bereiken werd zijn gehele archief naar Amsterdam opgezonden. De stukken betreffende de categorieën die niet in de overdracht begrepen waren, zijn in de loop der jaren terug gekomen en gedeponeerd ten gemeentearchieven van Rotterdam.
In juni 1981 werd tussen Burgemeester en Wethouders van Rotterdam enerzijds en het bestuur van het Sint Laurens instituut anderzijds een overeenkomst aangegaan, waarbij de archieven van het R.K.P.A. in bewaring werden gegeven ter plaatsing in de archiefbewaarplaats van de gemeente. In 2007 is het archiefgedeelte 1950-1990 aan het Gemeentearchief overgedragen.
Op 2 augustus 1883 besloot de gemeenteraad van Rotterdam tot stichting van een volkenkundig museum. Samen met het Maritiem museum 'Prins Hendrik' kreeg het Museum voor land- en volkenkunde onderdak in het voormaling verenigingsgebouw van de Koninklijke Nederlandse Yachtclub aan de Willemskade. Beide musea waren één gemeentelijke organisatie en stonden onder één directeur en onder één commissie van toezicht. In 1961 kwam hierin verandering en werden de musea gescheiden.
In 1847 vermaakte de collectioneur Mr. F.J.O. Boijmans zijn bezit, waaronder zijn omvangrijke kunstverzameling, aan de stad Rotterdam. Boijmans, die jurist en rechter te Utrecht was, verbond aan zijn legaat de voorwaarde dat zijn verzameling gebruikt zou worden voor het oprichten van een museum, dat naar hem zou moeten worden genoemd. Op dinsdag 3 juli 1849 werd het museum zonder enige plechtigheid geopend.
De familie De Monchy is waarschijnlijk uit de Zuidelijke Nederlanden of Frankrijk afkomstig. De eerste in de Nederlanden bekende De Monchy was René de Monchy (+ 1670), waarvan vermeld wordt dat hij uit Picardië afkomstig is. Hij wordt als stamvader van de Nederlandse De Monchy's beschouwd. René de Monchy is waarschijnlijk op jonge leeftijd om godsdienstredenen naar de Republiek gekomen en heeft als luitenant en kapitein in dienst van de W.I.C. in Brazilië gediend. Zijn zoon Wilhelmus (1648 - 1720) was vanaf 1678 notaris te Zoetermeer en secretaris te Zoetermeer en Benthuizen. In 1700 werd hij poorter van Gouda, waar hij een brouwerij bezat. Ook zijn tweede zoon François de Monchy (1689 - 1733) bezat een brouwerij en azijnmakerij in Gouda. Hij was gehuwd met Maria Walop, telg uit een aanzienlijke familie met adellijke voorouders. François kocht de brouwerij 'De twee leeuwen' in Rotterdam en vestigde zich in 1731 in die stad. Na zijn dood werd 'De twee leeuwen' voortgezet door de weduwe Maria Walop. De oudste twee zoons, Wilhelmus (1711 - 1786) en mr. Pieter (1713 - 1794) volgden in de brouwerij op. De derde zoon was de beroemde Rotterdamse stadsdokter professor Salomon (1716 - 1794). Na zijn studie en promotie in 1739 in Leiden, vestigde hij zich in Rotterdam. Van 1743 tot 1747 nam hij dienst in het Staatse leger. Daarna vestigde hij zich opnieuw in Rotterdam, waar hij van 1760 tot 1788 stadsgeneesheer en van 1770 tot 1788 professor aan de Illustere School te Rotterdam was. Met L. Bicker behoorde hij tot de oprichters van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam. Zijn zoon Michiel Marinus (1759 - 1818) was brouwer en brander en volgde zijn oom Francois als directeur van de brouwerij 'De twee leeuwen' op. In 1787 en van 1803 - 1818 speelde hij een rol in het stadsbestuur, uiteindelijk als burgemeester. Met zijn zoons Salomon (1792 - 1851) en Engel Pieter (1793 - 1883) deed hij zaken onder de naam M.M. de Monchy en Zonen. Engel Pieter is de vader van de vier 'staken', de zoons die tot in deze eeuw mannelijke nakomelingen hebben. De vier 'staken' zijn: Michiel Marinus (1820 - 1898), Salomon Jean René (1824 - 1917), Hendrik Willem (1830 - 1905) en Rudolf Adriaan (1841 - 1913). Hun vader vestigde zich in 1818 als Pakhuismeester en dreef handelszaken onder de firma E.P. de Monchy, vanaf 1851 de firma M&R de Monchy geheten. Hij bekleedde tevens de functie van president van de Nederlandse Handel Maatschappij en was lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ook zijn zoons Michiel Marinus en Salomon Jean René speelden een belangrijke rol in het Rotterdamse zakenleven. De door hen opgerichte firma M&R de Monchy bestaat nog steeds. Een kleinzoon van Salomon Jean René met dezelfde naam was burgemeester van 's-Gravenhage en Arnhem en lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Geinteresseerd in de familiegeschiedenis heeft hij veel onderzoek gedaan naar de familie en heeft hij lange tijd het familie-archief beheerd. Adriaan (1822 - 1912), de derde zoon van Engel Pieter, was directeur van het bijkantoor van de Nederlandse Bank te Rotterdam en wethouder. Zijn dochter Maria Johanna noemde de door haar in 1914 opgerichte Adriaanstichting voor lichamelijk gehandicapte kinderen naar hem. De derde 'staak' pakte de medische draad in de familie weer op. Dr. Hendrik Willem (1830 - 1905) richtte met een groep anderen het Sophia-Kinderziekenhuis te Rotterdam op. Hij was van 1863 - 1901 geneesheer-directeur van het ziekenhuis en heeft in die functie belangrijk werk verricht. Zijn zoon Lambertus Bernardus (1873 - 1932) was ook aan het ziekenhuis verbonden. Rudolf Adriaan (1841 - 1913), de vierde 'staak', vestigde zich in Twente en werkte als directeur van de Nederlandse Katoenspinnerij te Hengelo. In het bestuur van de N.K.S. bleven nakomelingen van hem zitten. In 1948 richtte een aantal familieleden de Stichting 'Familiefonds De Monchy' op, die als doel heeft 'de ondersteuning van in behoeftige omstandigheden verkerende leden der Nederlandse familie De Monchy (...) en de verkrijging en bewaring van papieren, portretten en andere zaken, welke op de familie De Monchy (...) betrekking hebben. Vanaf 1984 geeft de familie een familieblad uit.
Geboren in Maarssen 1941, overleden in Tilburg 2003; Hbs-b, Sociale Academie De Horst Driebergen; bedrijvenmedewerker Metaalbedrijfsbond NVV in Leeuwarden 1966-1972; districtsbestuurder van de Industriebond NVV, later FNV Gelderland 1972-1977, districtshoofd in Den Haag 1977-1979 en in Rotterdam 1979-1983; bondsbestuurder van de Industriebond FNV 1983-1984 en federatiebestuurder van de FNV 1984-1985; vice voorzitter FNV 1985-1988 en voorzitter 1988-1997; burgemeester van Tilburg vanaf 1997 tot aan zijn overlijden.
Organisatie De oorsprong van de Kamer van Koophandel kan gevonden worden in Frankrijk. Reeds in 1599 werd in Marseille een Chambre de Commerce opgericht. In de achttiende eeuw werd in Frankrijk zelfs al een samenwerkingsverband (Conseil de Commerce) van verschillende regionale Kamers tot stand gebracht, dat de regering adviseerde omtrent de belangenbehar-tiging van nijverheid en handel. Aangezien het Franse systeem goed functioneerde vond het navolging in andere landen. In Nederland waren er vóór de negentiende eeuw al instituten die als voorloper van de Kamer van Koophandel beschouwd kunnen worden. In Zeeland kende men al vanaf 1720 een College van Kooplieden dat was ontstaan uit het gildewezen. In 1795 werden in Rotterdam en Amsterdam Comités van Koophandel en Zeevaert, Fabriquen en Trafieken opgericht, die de stadsbestuurders adviseerden over de belangenbehartiging van het bedrijfsleven. De eerste Kamer van Koophandel naar Frans model werd in 1803 in Rotterdam opgericht. Na de Franse overheersing waren er in Nederland vijf van dergelijke Kamers opgericht: Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht, Middelburg en Vlissingen. In 1815 werd door Koning Willem I, in navolging van Napoleon, bij koninklijk besluit het bestaansrecht van de Kamers van Koophandel en Fabryken vastgelegd. Met de toevoeging "en Fabryken" gaf hij te kennen dat Nederland zich tevens industrieel moest gaan ontwikkelen. In de loop van de negentiende eeuw nam het aantal Kamers gestaag toe. Financieel waren de Kamers echter afhankelijk van de gemeente waar ze gevestigd waren en aan wie ze adviseerden. Bovendien was er geen overkoepelende instantie voor de plaatselijke Kamers, zodat ze maar een zeer beperkte invloed hadden op de centrale overheid. Veel van de plaatselijke Kamers hadden dan ook maar weinig bestaansrecht. Op 9 november 1851 (Stb. 142) werd bij koninklijk besluit het nieuwe reglement op de Kamers van Koophandel en Fabrieken afgekondigd en werden de tot dan toe geldende min of meer locale regelingen buiten werking gesteld. Volgens de algemene bepalingen van dit reglement werden de Kamers beschouwd als de wettelijke organen voor handel en nijverheid. Als zodanig moesten zij inlichtingen verschaffen aan hogere en lagere besturen en brachten zij de ontvangen berichten officieel ter kennis van de burgerij. In 1896 werd het reglement vervangen, omdat de basis van de kiesbevoegdheid, neergelegd in het reglement van 1851, namelijk het zijn aangeslagen in de patentbelasting, in 1893 was vervallen. Bij koninklijk besluit van 4 mei 1896 werd in het reglement onder meer een gedetailleerd geregeld kiesrecht vastgesteld. De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog wezen de overheid op de noodzaak het economisch leven beter te kunnen sturen: ze was daar echter onvoldoende voor toegerust. Door middel van de Handelsregisterwet (Stb. 1918) kreeg de overheid de bevoegdheid tot registratie van het bedrijfsleven. Deze registratie, waaraan retributies verbonden waren, werd een taak van de Kamers. Hierdoor werden de contacten tussen de regering en het bedrijfsleven beter geregeld en de Kamers werden financieel onafhankelijk van de gemeenten. Deze nieuwe organisatie werd vastgelegd in de Wet op de Kamers van Koophandel (Stb. nr. 152) die in werking trad op 15 maart 1921. Het aantal Kamers werd beperkt tot 36 en de opzet kreeg een regionaal karakter. De Kamers bestonden uit twee afdelingen, één voor het kleinbedrijf en één voor het grootbedrijf. De hoogte van het inschrijfgeld en de jaarlijkse bijdrage, die een ondernemer betaalde voor de registratie in het Handelsregister, bepaalde onder welke afdeling zijn bedrijf viel. De minister van Economische Zaken hield een zeker toezicht, de Kamers waren verplicht jaarlijks een verslag aan hem uit te brengen over de verrichte werkzaamheden en de toestand van handel en nijverheid in hun district. De ingeschreven bedrijven in het Handelsregister hadden bij de verkiezing van de leden van de Kamers actief en passief kiesrecht. Tijdens de oorlog werden de Kamers door de bezetter gereorganiseerd. Met ingang van 1 april 1942 werden provinciale in plaats van regionale Kamers ingevoerd, met plaatselijke kantoren. De indeling in klein- en grootbedrijf werd afgeschaft. De nieuwe indeling was die in afdelingen voor handel, verkeer, industrie en ambacht. Bij de Kamers werd een Raad van Bijstand benoemd die de secretaris van de Kamer moest assisteren. Na de oorlog bleef de structuur die door de bezetter was ingevoerd nog enkele jaren gehandhaafd. Bij de Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken van 21 augustus 1950 (Stb. K 367) werden de provinciale Kamers en de plaatselijke kantoren opgeheven en kregen de Kamers hun zelfstandigheid van vóór 1942 terug. Deze wet trad in werking op 1 januari 1951. De binding tussen het kiezen van de leden en het ingeschreven staan in het Handelsregister verviel. Zodoende konden er nu ook vertegenwoordigers van werknemersorganisaties tot lid worden benoemd. In 1950 benoemde de minister van Economische Zaken de leden van de Kamers op voordracht van die Kamers zelf. Daarna gold tot 1963 een systeem van coöptatie: leden kozen leden, waarbij de kandidaten werden voorgedragen door het bestuur van de Kamer na daarover representatieve regionale organisaties, aangewezen door de Sociaal Economische Raad, te hebben gehoord. Bij de Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken van 27 juni 1963 (Stb. 286) kwam het benoemingsrecht van de leden bij de regionale organisaties zelf te liggen. De Sociaal Economische Raad bepaalde, na overleg met de Kamers, welke organisaties dit moesten zijn. De jaren 1960-1975 kunnen algemeen worden beschouwd als een periode waarin werd gezocht naar een gewestelijke bestuursstructuur. In het kader van deze discussie over bestuurlijke schaalvergroting, werd ook in de kring van de Kamers van Koophandel gepraat over het feit of de indeling in districten met elk een eigen Kamer nog steeds doelmatig was. In een gezamenlijk rapport dat de Kamers uitbrachten zagen ze hun beleidsterrein uitgebreid met een sociale invalshoek, omdat er toch een duidelijke relatie bestaat met de economische belangenbehartiging. De SER adviseerde nogal verdeeld over het standpunt van de Kamers. Dit, en de onduidelijkheid over de algemene bestuurlijke wijzigingen, zorgden er voor dat de Staatssecretaris voor Economische Zaken pas eind 1980 het Wetsontwerp tot wijziging van de Wet van 1963 kon indienen. Op 30 december 1983 leidde dit tot een definitieve wijziging van de wet. De Kamers bleven echter bevorderaars van de regionale economische belangen. Taak Algemeen kan gezegd worden dat de taak van de Kamers is: "Het bevorderen van de belangen van handel en nijverheid". Dit neemt echter niet weg dat ook aan de individuele ondernemer informatie en hulp wordt geboden. Veel adviezen worden door de Kamer ongevraagd verstrekt aan o.a. ministers, Tweede of Eerste Kamer en provinciale of gemeentelijke overheden. Verder ook aan instanties als de Nederlandse Spoorwegen en de PTT over tarieven, dienstregelingen, enz. Daarnaast worden ook gevraagde adviezen gegeven aan bijvoorbeeld Gedeputeerde Staten en gemeenten over allerlei verordeningen die met het economisch leven te maken hebben. Verder hebben de Kamers een taak bij de uitvoering van enkele wetten. Deze taken zijn vaak opgedragen aan commissies uit de Kamers of aan de secretariaten. De eerste wet waarin een belangrijke uitvoerende taak voor de Kamer was weggelegd was de Handelsregisterwet die in 1921 in werking trad. Dit register kan gezien worden als een soort burgerlijke stand voor bedrijven en hun neven-vestigingen. De Kamers hadden ook een uitvoerende taak in de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937. Deze wet had tot doel het grote aantal nieuwe middenstandsondernemingen te beperken door het stellen van eisen aan personen, waaronder de vele werklozen, die een eigen bedrijf wilden starten. De wet werd na de oorlog vervangen door de Vestigingswet Bedrijven 1954, de Drank- en Horecawet 1954 en de Vestigingswet Detailhandel 1972. Andere wetten en taken waarbij de Kamers betrokken zijn: Handelsnaamwet; Winkelsluitingswet; Wet opruiming en uitverkopen; Wet beperking cadeaustelsel; Wet op het afbetalingsstelsel; Colportagewet; Wet op de kansspelen; Woonruimtewet; Wet autovervoer goederen; Wet autovervoer personen; Legalisatie van handtekeningen; Beëdigingen van makelaars; Verenigingen- en stichtingenregister. De taakomschrijving van de Kamers werd vanaf 1963 als volgt gedefinieerd: "Behartiging van de economische belangen van handel en industrie, ambacht en dienstverlening in hun gebied". Deze taak kan worden onderverdeeld in een drietal gebieden: de voorlichting en dienstverlening aan het bedrijfsleven, de uitvoering van een aantal wetten en de pleit- en adviesfunctie jegens de overheid. GESCHIEDENIS VAN DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN VOOR ROTTERDAM Na de omwenteling van 21 januari 1795 werd in Rotterdam al op 16 februari van dat jaar door de "Wethouderen en Raden" van Rotterdam besloten tot benoeming van "adviseerende lichamen ter behartiging van de belangen van handel en bedrijf". Nog op dezelfde dag werden de leden benoemd van een "Committé van Koophandel of Commercie en Zeevaart" en van een "Committé van Fabrieken en Trafieken". Dit waren nog geen zuivere Kamers van Koophandel, maar dat was slechts een kwestie van tijd. In 1802 werd in het reglement van de stad Rotterdam het voorschrift opgenomen dat een adviserende "Kamer van Koophandel, Zeevaard en Fabrycquen" zou worden ingesteld. Op 7 maart 1803 werden de beide "committé's" ontslagen en werden de inrichting en instructie van de Kamer vastgesteld en de elf leden benoemd. Uit de leden werden C. van Vollenhoven Jansz. tot president en G. van Gennep tot secretaris gekozen. Op 24 maart 1803 kwam de Kamer voor het eerst bijeen. Door de inlijving bij Frankrijk in 1810 werden ook hier de Chambres de Commerce ingevoerd. Het keizerlijk decreet van 18 oktober 1810 bepaalde dat er ondermeer in Rotterdam zo'n chambre zou worden opgericht. Op 18 april 1811 werden in een vergadering van vooraanstaande kooplieden de 15 leden van de Kamer gekozen. De installatie vond plaats op 19 juni 1811 in een van de lokalen van de Beurs. Bij koninklijk besluit van 8 oktober 1815 werd een reglement ter organisatie van de Kamers vastgesteld, waarbij de samenstelling van de Kamers te Amsterdam en Rotterdam in het bijzonder geregeld was. Op 1 mei 1816 hield de nieuwe Kamer haar eerste vergadering. Een belangrijke wijziging in het reglement van de Kamer kwam tot stand naar aanleiding van het Koninklijk besluit van 29 mei 1818, waarbij werd bepaald dat de Kamers voortaan hun inkomsten zouden krijgen uit de stadskas. Onder invloed van de Rotterdamse Kamer werd in het Koninklijk besluit van 9 november 1851 bepaald dat de leden voortaan zouden worden gekozen door een vergadering van kiesgerechtigden. Ten gevolge van de annexatie van Delfshaven door Rotterdam werden bij koninklijk besluit van 24 maart 1886 de Kamers van beide plaatsen met ingang van 1 september 1886 ontbonden en werd een nieuwe Kamer voor het vergrote Rotterdam ingesteld. Bij de Wet op de Kamers van Koophandel van 26 maart 1920 werd bepaald dat de Kamers voortaan een meer regionale functie zouden hebben. Het ressort van de Rotterdamse Kamer zou de volgende gemeenten omvatten: Rotterdam, Barendrecht, Bergschenhoek, Capelle a/d IJssel, Hillegersberg, Hoogvliet, IJsselmonde, Krimpen a/d Lek, Krimpen a/d IJssel, Overschie, Pernis, Poortugaal, Rhoon, Ridderkerk en Schiebroek. Het aantal leden voor de nieuwe Kamer te Rotterdam werd bij koninklijk besluit van 29 december 1921 bepaald op 34. De oude Kamer hield op 31 maart 1922 haar laatste vergadering en de volgende dag werd de nieuwe geïnstalleerd. In de eerste vergadering werd het reglement van orde vastgesteld. Al spoedig na de reorganisatie van de Kamers in 1922 werd van vele kanten aangedrongen op een regeling ter verbetering van de samenwerking van de Kamers. Hiertoe werd op 9 oktober 1922 aan het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel door afgevaardigden van de verschillende Kamers een commissie van voorbereiding ingesteld om voorstellen te doen tot instelling van een orgaan voor samenwerking. Op 22 april 1924 werd de Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland opgericht. In de statuten werd bepaald dat er bij de negen leden van het bestuur altijd een lid van de Kamers van Amsterdam en van Rotterdam zou moeten zijn. Op 7 maart 1928 werd het 125-jarig bestaan van de Kamer gevierd. Bij deze gelegenheid werd een gedenkboek uitgegeven over de periode 1803-1928, samengesteld door het secretariaat. (inv.nr. 118) Krachtens het besluit van 2 december 1935, genomen door de zeven Kamers in Zuid-Holland en twee in Zeeland, werd de Stichting Economisch Technologisch Instituut voor Zuid-Holland en Zeeland en later nog Utrecht opgericht, ter bevordering van de industrievestiging. Tijdens de crisisjaren had de Kamer veel bemoeienis met allerlei maatregelen zoals de Landbouwcrisiswet, de Crisis-invoerwet, de Tariefmachtigingswet, de contingenteringspolitiek en de steunmaatregelen voor het bedrijfsleven. Als gevolg van de herziening van de gemeentegrenzen van Rotterdam met ingang van 24 juli 1941 werd het ressort van de Kamer met ingang van dezelfde datum uitgebreid met de gemeenten Overschie, Schiebroek, Hillegersberg, IJsselmonde en gedeelten van de gemeenten Barendrecht, Capelle a/d IJssel, Kethel en Spaland en Rozenburg. Bij besluit van de Secretaris-Generaal van Handel, Nijverheid en Scheepvaart van 25 november 1941 werden de bestaande Kamers ontbonden. Bij het Uitvoeringsbesluit van 31 maart 1942 werd bepaald dat de zetel van de nieuwe provinciale Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Holland zou worden gevestigd te Rotterdam en dat plaatselijke kantoren werden ingesteld in Delft, Dordrecht, Gouda, 's-Gravenhage, Leiden en Vlaardingen. In april 1943 werd aan de Kamer voor Zuid-Holland een Raad van Bijstand toegevoegd. Vanaf 1945 was er een Rotterdamse Commissie als een soort kantoor Rotterdam van de Kamer voor Zuid-Holland. Tijdens de oorlogsjaren was er veel werk voor de Kamer op het gebied van financiële ondersteuning, de wederopbouw en de goederenvoorziening. In 1940 werd in samenwerking met het gemeentebestuur van Rotterdam de Stichting Rotterdam 1940 opgericht ter verlening van kredieten aan door de oorlog getroffen ondernemingen en later ook nog de regeling van voor-oorlogse schulden van oorlogsslachtoffers. Daarnaast richtte de Kamer de Stichting Centrale Voorziening op met als doel het naar Rotterdam trekken van de benodigde goederen ter voorziening van de oorlogsslachtoffers en herbevoorrading van gedupeerde bedrijven. Verder was er nauw contact met het adviesbureau Stadsplan Rotterdam inzake de technische wederopbouwvraagstukken en met het gemeentebestuur over de bouw en bezetting van noodwinkels en noodgebouwen en de instelling van een vestigingsverbod voor bedrijven van buiten de gemeente. Met ingang van 1 februari 1944 werd de Stichting Economisch Technologisch Instituut, na terugtrekking van de Kamers uit Utrecht en Zeeland, opgeheven en werd op hetzelfde moment een gelijknamig instituut gevormd bij de Kamer voor Zuid-Holland. Na de oorlog deed zich de behoefte voor aan een centraal provinciaal research-orgaan. Op 23 september 1947 leidde het overleg tussen de Kamer en het provinciaal bestuur tot de oprichting van de Stichting Economisch Technologisch Instituut voor Zuid-Holland. Ter bevordering van de handel werd, mede door de Kamer, in 1945 het Nederlandsch Overzee Instituut opgericht. Later werden, vooral door bemoeienis van mr. K.P. van der Mandele, door de Kamer afzonderlijke landeninstituten ingesteld. Op 4 augustus 1947 kwam de Wet tot bevordering van doelmatige verdeling van woongelegenheid (Woonruimtewet 1947) tot stand. De Kamer kreeg van de minister van Economische Zaken de bevoegdheid om verklaringen af te geven voor het gebruik van ruimten als bedrijfsruimte. Bij de Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken van 21 augustus 1950 werden de provinciale Kamers en de plaatselijke kantoren opgeheven. De Kamer te Rotterdam werd weer zelfstandig zoals vóór 1942. De viering van het 150-jarig bestaan van de Kamer op 7 maart 1953 viel helaas samen met de watersnoodramp, zodat het geheel een minder feestelijk tintje kreeg. Wel werd er opnieuw een gedenkboek uitgebracht, nu over de periode 1928-1953. (inv.nr. 168-174) Per 1 januari 1976 werd de Kamer van Koophandel te Vlaardingen samengevoegd met de Kamer te Rotterdam, die vanaf deze datum officieel Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam en de Beneden Maas werd genoemd, met kantoren te Vlaardingen en Rotterdam. Het gebied van Vlaardingen werd verdeeld over de Kamers van Dordrecht en Rotterdam. De Kamer had in de loop van de jaren veel bemoeienis met de Europese samenwerkingsverbanden zoals de Europese Gemeenschap Kolen en Staal (EGKS), de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Conference Permanente, het overleg van de Kamers van Koophandel binnen de EEG. Verder waren er de scheepvaartkwesties, zoals de Rijnvaartproblemen en de Rotterdamse havenaangelegenheden en de kwestie van de aanleg en verbetering van een vliegveld bij Rotterdam. De zittingen van de Kamer vonden vanaf 1811 plaats in de Beurs. Rond 1930 was er sprake van groot ruimtegebrek binnen het kantoorgedeelte van de Kamer. De vraag rees of men een eigen gebouw zou moeten gaan stichten of ruimte moest gaan huren in het toekomstige nieuwe Beursgebouw aan de Coolsingel. Op 31 december 1934 werd een huurcontract afgesloten met de "NV De Beurs van Koophandel" voor de huur van een gedeelte van het nieuwe Beursgebouw. De huur zou ingaan op 1 juli 1941. In mei 1940 werd een groot deel van Rotterdam door de bombardementen vernield, waaronder het dan ruim 200 jaar oude Beursgebouw met daarin de zetel van de Kamer. De zittingen van de Kamer vonden voorlopig plaats ten huize van de voorzitter aan de 's-Gravenweg 69. Ook het nieuwe Beursgebouw had door de oorlogshandelingen schade opgelopen en was bovendien nog niet geheel afgebouwd. Na enige reparatiewerkzaamheden was het mogelijk om in juni het Beursgebouw te betrekken, waarin het de eerste jaren nog behelpen was. Toen het gebouw geheel gereed was, had de Kamer de beschikking over een riante zetel met een zeer grote vergaderzaal.
Abraham van der Hoeven, die in 1943 en volgende jaren zijn familiearchief overbracht naar het Gemeentearchief van Rotterdam, was een telg uit een uit Brabant afkomstig geslacht. De Van der Hoevens vestigden zich al in het begin van de zeventiende eeuw te Rotterdam waar zij zich tot een aanzienlijke familie van kooplieden en regenten ontwikkelden. Landelijke bekendheid kreeg de familie in de negentiende eeuw toen drie zonen van de koopman Abraham van der Hoeven, nadat zij door hun stiefvader, de geneesheer Dr Martinus Pruys, in staat waren gesteld een wetenschappelijke opleiding te volgen, benoemd werden tot hoogleraar. Cornelis Pruys van der Hoeven (hij voegde de naam van zijn stiefvader bij de zijne) werd in 1827 hoogleraar in de geneeskunde te Leiden, de als kanselredenaar grote bekendheid genietende Abraham des Amorie van der Hoeven (hij voegde de naam van zijn grootmoeder bij de zijne) werd in 1827 hoogleraar aan het Seminarie der Remonstranten te Amsterdam en Jan van der Hoeven, de grootvader van 'familiearchivaris' Abraham van der Hoeven werd in 1826 hoogleraar in de natuurkunde te Leiden.
Hendrik de Bie werd op 12 september 1879 in Rotterdam geboren als zoon van Hendrik de Bie en Regnera Louise Geertruid Constantea van Mierop. Na het behalen van het einddiploma van het Gymnasium Erasmianum studeerde hij rechten aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, alwaar hij in 1904 promoveerde op een dissertatie over tuchtrecht. Hij begon toen een advocatenpraktijk in Zwolle, waar hij verschillende nevenfuncties bekleedde: directeur van de Spoorwegmaatschappij Zwolle-Blokzijl (1906-1915), lid van de gemeenteraad (1907-1909) en van de Provinciale Staten van Overijssel (1907-1914). Op 24 juni 1908 deed hij zijn intrede in de rechterlijke macht als substituut-griffier bij de arrondissementsrechtbank in Zwolle. Op 19 mei 1914 werd hij benoemd tot rechter bij de arrondissementsrechtbank in Winschoten, op 25 september 1917 in gelijke functie in Rotterdam. Bij zijn gewone civiel- en strafrechtelijke werkzaamheden had vooral de kinderrechtspraak zijn aandacht, waarbij hij als principieel lidmaat van de Nederlandse Hervormde kerk het pedagogische element, "de heropvoeding van de afgedwaalde jeugd", niet uit het oog verloor: hij was voorzitter van de Stichting Hoenderloo en van de Nederlandsche Bond tot Kinderbescherming. Op 7 april 1932 werd De Bie vice-president van de arrondissementsrechtbank in Rotterdam. Hij bleef zich echter op sociaal terrein bewegen, waarbij hij zelfs adviezen uitbracht aan de Volkenbond. Zijn zorg voor de diaconie vindt zijn weerslag in een commentaar op het algemeen reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Nederlandse Hervormde gemeenten, dat in 1938 een vierde druk beleefde. Zijn levensovertuiging werd ernstig beproefd toen in 1940 na de Duitse inval de secretaris-generaal van het departement van Justitie, J.J. Schriecke,. pogingen ondernam om de rechterlijke macht en de rechtspraak om te vormen in de richting van de nieuwe orde. Onder de fascistisch gerichte theoreticus A.F. Zwaardemaker als president wist hij zich te handhaven als mede-initiator van protestakties van de rechterlijke macht: tegen de invoering van het strafkamp "Erica" in Ommen, tegen het daarop volgende ontslag van de raadsleden F.F. Viehoff en J. Wedeven, tegen de inlijving van onder voogdij gestelde minderjarigen in de Duitse Arbeidsdienst en de Waffen-S.S.( Correspondentie hierover in het archief van het ministerie van Justitie, 1943. De Bie treedt hier op als afgevaardigde van de Nederlandse Hervormde Kerk.) en tegen voorstellen tot wijzigingen van het reglement van de rechtspraak. Op 25 augustus 1944 zegde de bezetter hem per 1 oktober ontslag aan, gebruik makende van een bepaling inzake gedwongen pensionering. Onmiddellijk na de bevrijding, op 8 mei 1945 verkreeg hij rechtsherstel. De Bie was in 1944 vijfenzestig jaar; E.B.F.F. Wittert van Hoogland, die reeds in 1940 de 65-jarige leeftijd had bereikt, heeft de gehele oorlog door het voorzitterschap van de Vereniging van Raden van Arbeid bekleed.). Na de zuivering van Zwaardemaker volgde hij hem op 18 februari 1946 als president van de arrondissementsrechtbank in Rotterdam op. Hij bleef in functie tot 1 oktober 1949, toen hij wegens 70-jarige leeftijd pensioen aanvroeg. De Bie bleef zich met de reclassering van minderjarigen bezig houden; vanaf 3 maart 1948 was hij voorzitter van het Algemeen College van Toezicht enz. op het Rijkstucht- en Opvoedingswezen. Bij de opheffing van dit college op 15 april 1955 werd hij benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Hij overleed op 15 november 1955 in Rotterdam.
Daniel Theodorus Ruijs werd op 25 juli 1841 in Rotterdam geboren als derde en jongste zoon van Willem Ruijs Jan Danielszoon en Roelandina Jeanette Los. Willem Ruijs was op dat moment al zo'n 13 jaar ondernemer in de zeescheepvaart. In 1828 had hij zich te Amsterdam geassocieerd met Jacob van Ulphen 'tot het uitoefenen van het beroep van cargadoor, expediteur en bezorger van assurantie'. Per 1 januari 1834 hadden de geassocieerden samen met een broer van Van Ulphen een cargadoorskantoor te Rotterdam geopend. Willem Ruijs vestigde zich in Rotterdam, waar hij vanaf 1838 tevens als 'boekhouder' optrad van rederijen die de vaart op Indië bedreven. In die tijd was het gebruikelijk ieder schip apart als rederij te beschouwen. Eén der medereders trad dan op als direkteur en beheerder -de boekhoudervan het betreffende schip. Per 1 januari 1848 werd de associatie met de Van Ulphens ontbonden. Ruijs ging in Rotterdam voor eigen rekening verder. Twee van de drie zoons-Willem, geboren in 1837, en Daniel Theodorus -hebben het reders- en cargadoorswerk van hun vader overgenomen. De oudste zoon Jan Daniel, geboren in 1835, heeft wel geruime tijd voor Ruys & Co te Antwerpen gewerkt, maar is voor zover bekend geen deelgenoot geweest in de direktie van de bedrijven waar de familie Ruijs leiding aan gaf. Als eerste wordt Willem in de zaken van vader Ruijs betrokken. Op 1 januari 1861 wordt de firma W. Ruys & Zonen opgericht. Vader en zoon worden hierin vennoten. Overigens was het, gezien de firmanaam, kennelijk toen al zeker dat ook Daniel Theodorus te zijner tijd in de zaak zou worden opgenomen. Per 1 januari 1864 worden de cargadoors- en expeditieaktiviteiten afgesplitst. W. Ruys & Zonen bepalen zich tot de rederij en onder direktie van deze firma wordt in 1883 de N.V. Rotterdamsche Lloyd opgericht. Daniel Theodorus Ruijs en John R. Kellar nemen de cargadoors- en expeditieaktiviteiten voor hun rekening onder de firmanaam Ruys & Kellar. Zij openen op 1 augustus 1867 tevens een kantoor te Antwerpen. Op 1 augustus 1868 komt aan de samenwerking een einde. D.T. Ruijs gaat in Rotterdam alleen verder (Ruys & Co). In Antwerpen associeert hij zich met C.J.T. Cornelsen tot Ruys & Cornelsen. Dit duurt tot 1 januari 1874. Na ontbinding van deze associatie wordt ook hier de naam Ruys & Co. In 1886 wordt een kantoor te Amsterdam geopend. Tegelijkertijd verschijnt ook de plaatsnaam Zaandam in het briefhoofd. In 1892 volgt Marseille. Broer Willem Ruijs is per 1 januari 1873 partner geworden in Ruys & Co en D.T. Ruijs in W. Ruys & Zonen (vader Willem is per 14 maart 1867 uit de firma gestapt). Bij het overlijden van D.T. Ruijs op 28 september 1913 zijn de zoons van broer Willem, Willem en Bernardus Ewoud, alsmede F. van Hasselt blijkens de overlijdensadvertentie partners in Ruys & Co.
De familie Van Ravesteyn heeft zich kort voor 1600 in de stad Rotterdam gevestigd alwaar haar leden hun beroep zochten in handel en nijverheid. Een zekere Adriaan van Ravesteyn (1708-1759) maakte carrière in Nederlands-Indië. Zijn zoon mr. Adrianus Justinus van Ravesteyn (1739-1803) was als regent van het Gasthuis en als secretaris van Commissarissen voor de zeezaken en assurantie van 1764-1788 en van 1795-1803 één der weinigen uit zijn geslacht, die vóór 1795 een openbare betrekking heeft bekleed. Maar dat betekende niet dat hij de handelszaken vaarwel zei. Aanvankelijk werkzaam als suikerraffinadeur richtte hij in 1789 een groothandel in koloniale waren op onder de firmanaam Van Ravesteyn en Zn., welke firma juist vóór de tweede wereldoorlog haar 150 jarig bestaan kon vieren. Het toen al niet meer complete bedrijfsarchief is ten gevolge van de oorlogshandelingen op een enkel deel na verloren gegaan. Ook in de 19de eeuw bleven leden van de familie werkzaam in het bedrijfsleven. Zo richtte W. van Ravesteyn sr. (1844-1932) met Th. Voorhoeve in 1874 een sigarenfabriek op, die echter in de eerste wereldoorlog als zelfstandig bedrijf opgeheven is. In de tweede eeuwhelft van de 19de eeuw worden er leden van de familie geboren, wier levensloop een geheel andere richting in zal gaan. L.J.C.J. van Ravesteyn (1867-1949) volgde de opleiding tot notaris en werd in 1901 als zodanig benoemd met als standplaats Rotterdam. De belangstelling van notaris Van Ravesteyn was veelzijdig en ging de overigens nauwgezette beoefening van zijn beroep ver te boven. Op twee terreinen heeft hij zich bijzonder onderscheiden nl. op dat van het maatschappelijk leven en op dat van de geschiedschrijving van zijn stad. Vermaard is zijn "trilogie" over de stadsontwikkeling van Rotterdam, waarin met name de woonsituatie indringend beschreven wordt. Opgemerkt moet worden dat in dit opzicht de historische belangstelling van Van Ravesteyn overging in de maatschappelijke belangstelling. Want als pleitbezorger en organisator van goede woningbouw voor minder draagkrachtigen heeft notaris Van Ravesteyn in samenwerking met anderen bijgedragen tot de leefbaarheid van de werkstad. Ook in zijn lidmaatschap van de Gezondheidscommissie (1912-1935) was hij vooral werkzaam ten behoeve van de woningbouw. Naast deze activiteiten moet nog vermeld worden zijn jarenlange lidmaatschap van de Voogdijraad (1908-1932) en van het bestuur van de vereniging Rotterdamsche tehuizen voor werkende meisjes (1926-1935). De laatste jaren van zijn leven woonde L.J.C.J. van Ravesteyn in Voorburg waar hij in 1949 overleed. Hij is herdacht in het Rotterdams Jaarboekje van 1950 door J.L. Pattist. De tweede markante figuur op wie onze aandacht zich richt is dr. W. van Ravesteyn jr. (1876-1970). Bij hem vond de historische belangstelling haar practische uitwerking in de politiek. Reeds vroeg voelde Van Ravesteyn zich aangetrokken tot het socialistische denken en met zijn scherp intellect bereikte hij in het begin van deze eeuw een vooraanstaande plaats in die vleugel van de S.D.A.P., die zich in 1909 van de grote organisatie zou losscheuren. Sindsdien behoorde Van Ravesteyn tot de leiders der communistische groepering (S.D.P.) en had hij zitting in de Tweede Kamer (1918-1926) en de gemeenteraad van Rotterdam (1919-1927); tevens was hij Hoofdredacteur van de Tribune (1916-1925). Na de aansluiting van de Nederlandse Communistische Partij bij de Internationale en haar gelijkschakeling aan de directieven van Moskou, was er voor dr. W. van Ravesteyn jr. geen plaats meer in deze organisatie, waarvan hij in 1925 als lid werd geschrapt. Deze breuk heeft in belangrijke mate het verdere leven van Van Ravesteyn beheerst. In een toenemend sceptiscisme bleef hij sindsdien aan de rand van de nederlandse politiek staan met uitzondering van slechts eenmaal nl. in 1936/37, toen hij als pleitbezorger van het republikeinse Spanje de publieke trom beroerde. Jaren van arbeidsloosheid volgden echter na de breuk van 1925 niet. Een reeks van literaire en historische essay's in talrijke periodieken en journalistieke bijdragen in menig dag- en weekblad getuigen daarvan. Vooral heeft Van Ravesteyn sindsdien de wetenschap aan zich verplicht als geschiedschrijver van het socialisme. Zijn betrekking als conservator aan de Rotterdamse Gemeentebibliotheek sinds 1927 gaf hem daar ruimschoots de gelegenheid toe. In Rotterdams verband mag niet onvermeld blijven de leiding van Van Ravesteyn aan de "Rotterdamsche Studieclub", een select gezelschap, waar zijn eruditie het meest tot zijn recht kwam.
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in