Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: munster

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (6)

Archieven (6)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Inventaris van het archief van de familie Pauw van Wieldrecht"Beschrijving van 't geene in de Republiek is voorgevallen ... na de vreedehandel van Munster ... tot 1650", aantekeningen over het tot stand komen van de vrede van Munster, over de verhoudingen met en in Frankrijk en Engeland, over de generaliteitslanden, de Duitse Orde en de Orde van Malta, de betrekkingen met Portugal, de Duitse Staten en Rusland.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Legatie in RuslandKopienota van Haugwitz aan de gezant graaf De Stadion betreffende de handhaving van de drie geestelijke electoraten Keulen, Munster en Arensberg.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie Pauw van Wieldrecht"Legationes, historica, curialia et resolutiones ... citra easdem", aantekeningen omtrent het diplomatiek ceremonieel in verscheiden landen, lijsten en reglementen voor gezantschappen der Staten-Generaal, vooral betreffende die naar Munster 1645 e.l., Moscovië 1648 e.l. en Engeland 1649, en declaraties van gezanten.Nationaal Archief
Collection Komintern - CPH/CPNBrief en mandaatbrief en passepartout G.J. van MunsterInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Archief van Gemeente GramsbergenStaat van liquidatie oude baten en lasten voor 1814; uitgaven o.a. aan J. Tideman wegens achterstallig pensioen van zijn overleden oom Jan Kosters; K. Olthuis en R. Mittendorff wegens vervoer van drie paarden voor het leger van Zwolle naar Munster; wegens het bedrag dat de kozakken uit de kas hadden genomen; aan H. Notting schilder en glasmaker te Coevorden wegens het stoppen van ruiten in school te Gramsbergen; declaraties van schoolmeesters Jannes Boom te Gramsbergen, Gerrit Jan Kamphuis te Ane, Henderikus Beenen te Holthone, Albert Ekenhorst te Holtheme, Gerrit Lambers te Den Velde, Gerrit Jan Meilink te AneveldeHardenbergs Archief
Archief David Jozef WijnkoopIngekomen stukken, z.j., onder meer 'Onderhoud met de Vlaamsche Federatie', ingekomen brief van G. van Munster betreffende zijn ontslag in Indonesië, begroting partijblad, circulaires, sprekers- en scholingsmateriaal, 'punten voor een urgentieprogram', concepttelegram van het Sowjet-Komité voor Russen in Nederland aan de Commune van Petrograd, lijst van Nederlandse communisten die verbindingen met Duitsland onderhouden (1921), besluitenlijst van vergadering CPH met (Internationale Arbeiders Hulp en IAH sectie Holland, 1925, klad verslag 'uit de PartijraadInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Meer resultaten

Achtergrond archieven (24)

Achtergrond archieven (24)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
In het Ambt Bredevoort verschenen in de 16e eeuw al vroeg hervormingsgezinden in de Winterswijkse geloofsgemeenschap. Na de beëindiging van de verpanding van dit Ambt aan buitenlandse geldschieters, stond het echter vanaf 1526 weer onder Gelders bestuur en de katholieke Gelderse hertog Karel van Egmond trad streng op tegen geloofsafval. In het aangrenzende bisdom Munster was onder het bewind van enkele gematigde bisschoppen een verdraagzaam geloofsklimaat ontstaan. In de kleine steden op het Munsterse platteland hadden hervormingsgezinde gelovigen veel invloed in de ambachtsgilden en het plaatselijk bestuur, zodat ook Achterhoekse en elders vervolgde geloofsgenoten zich er thuis voelden. Nadat het revolutionaire bewind van de zg. Wederdopers in de hoofdstad van het bisdom in 1534 gewelddadig was beëindigd, kwam daarin verandering. Omstreeks 1550 vestigde zich in de Poolse Weichseldelta bij Danzig een grote groep kolonisten, "meist Mennoniten aus Winterswick in Geldern". Vanaf ca 1600 namen in Münster orthodoxe bisschoppen allerlei repressieve maatregelen tegen andersgelovigen. Niet-katholieken werden uit de gilden en stadsbesturen verwijderd en uit het bisdom verdreven. Velen van hen emigreerden naar de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar de Hervorming inmiddels vaste voet had gekregen. Omstreeks 1611 en 1626 werden groepen protestantse en doopsgezinde burgers uit de Munsterse steden Vreden en Bocholt verbannen en trokken naar de Gelderse Achterhoek (Doetinchem, Winterswijk) of verder. Diegenen, die zich in Winterswijk vestigden, legden er de basis voor de huidige Doopsgezinde gemeente. Ze brachten hun kennis, handelskontakten en kapitaal mee en gaven daarmee de plaatselijke handel en nijverheid een stevige impuls. De oudst bekende voorganger was omstreeks 1650 zekere Jan Deegener, uit eigen kring. Naderhand kwamen doopsgezinde leraren (predikanten) vaak uit Holland en Friesland en brachten nieuwe gewoonten en ideeën mee. De inbreng van deze kleine geloofsgemeenschap was aldus van belang voor de toekomstige ontwikkeling van hun nieuwe woonplaats. In 1711 werd een eigen "Vermaning" gesticht, als een schuilkerk achter de huizen gelegen aan de rand van de Balink Es. Gedurende een groot deel van haar bestaan werd de Winterswijkse Doopsgezinde gemeente in belangrijke mate financieel en materieel ondersteund door enkele welgestelde koopmansfamilies, zoals Walien en Willink, wier invloed pas in de tweede helft van de 20e eeuw afnam. In later tijd kwamen hier ook geloofsgenoten uit omliggende plaatsen als Aalten, Groenlo en Eibergen ter kerke. Vanaf ca 1970 leidde de secularisatie van de moderne samenleving tot daling van het aantal lidmaten en tot de noodzaak van samenwerking met zustergemeenten in Zutphen en Doetinchem. De "vergrijzing" sedert de jaren "90 maakt zichtbaar, dat het voortbestaan van de gemeente in de 21e eeuw langzaam onzeker wordt.
De parochie Silvolde werd omstreeks 1240 opgericht, behorend bij het bisdom Munster. Zij werd toegewijd aan de H. Mauritius, die in 296 de marteldood stierf. Het oorspronkelijke kerkgebouw - thans in bezit van de Hervormde kerk van Silvolde - is omstreeks 1240 gebouwd. De eerste pastoor was Gerrit Westerink. De huidige Sint Mauritiuskerk is ontworpen door architect Johannes Sluymer uit Enschede en gebouwd door gebr. Van der Kemp uit Silvolde. De bouwpastoor was Wilhelmus Evaristus Aloysius Ahsmann en de eerste steen werd gelegd op 15 februari 1931. In 1992/1993 werd de Sint Mauritiuskerk tijdens het pastoraat van R. Dohle gerestaureerd. De laatste verandering aan het gebouw werd gerealiseerd in 1998. Er werden een aantal zalen en ontmoetingsruimten gecreërd, alsmede een ruimte voor het secretariaat en de pastor.
Volgens Nederland's Adelsboek 1916, blz.67 was Thomas Pestel hofprediker van koning Hendrik VIII van Engeland. Een zoon week ter wille van het geloof uit naar de Nederlanden en werd commandant van Doesburg. Diens zoon verbleef te Minden, wiens zoon David Pestel (1605-1634) hoogleraar in de rechtswetenschap te Rinteln (in het graafschap Schaumburg-Lippe) werd en in 1648 deel nam aan de vredesonderhandelingen te Munster. Een zoon die te Minden woonde had een aldaar 24 juni 1691 geboren zoon Friedrich Ulrich Pestel, die hoogleraar in de rechtswetenschap te Rinteln werd en aldaar in november 1764 overleed, nadat hij in 1722 gehuwd was met Helena Elisabeth Lenderking, dochter van de advocaat en burgemeester Lenderking te Rinteln. Diens zoon Friedrich Wilhelm Pestel werd hoogleraar in Rinteln en in 1763 aan de Leidse hogeschool. Daardoor is hij de stamvader van het Nederlandse geslacht Von (of Van) Pestel, dat nu hier te lande in de mannelijke lijn is uitgestorven.
Als in 1795 de oude Republiek der Verenigde Nederlanden ten val wordt gebracht door de inval van de Franse troepen met behulp van de patriotten, wordt zij vervangen door de "democratische" Bataafse Republiek. Op 5 augustus 1796 bevat een decreet van de Nationale Vergadering de bepaling, dat er voortaan in Nederland geen heersende kerk meer is. Dit betekent het einde van de bevoordeling van één kerk en brengt de Rooms Katholieken officieel gelijkheid. In 1798 wordt de scheiding tussen kerk en staat in de grondwet vastgelegd. Voor de Rooms Katholieken bestaat nu de mogelijkheid om parochies op te richten. Hiervan wordt gretig gebruik gemaakt. Leek het er aanvankelijk nog even op, dat de Rooms Katholieken weer in bezit zouden komen van hun middeleeuwse kerken, bij het begin van de 19e eeuw stagneert de procedure, door de hervormden waar mogelijk gedwarsboomd, en blijft elk kerkgenootschap bij haar oorspronkelijke bezit. Ook al komt van herverdeling niets terecht, alle beperkende bepalingen voor de katholieke eredienst zijn opgeheven en nieuwe katholieke kerken kunnen worden gebouwd. De nieuw-opgerichte parochies in de voormalige heerlijkheden Borculo en Bredevoort vallen onder de jurisdictie van het bisdom Münster. De jurisdictie van Münster in de Gelderse parochies blijft voortduren tot 1823. In dat jaar geeft paus Pius VII een nieuwe omschrijving van de bisdomsgrenzen en worden de Gelderse parochies toegewezen aan de Hollandse Zending. Hiermee komt de oude bestuursstructuur van het bisdom te vervallen De Hollandse Zending wordt bestuurd door een niet of nauwelijks nederlands verstaande pauselijke vice-superior, die bovendien buiten de zending resideert en nauwelijks over een bestuursapparaat beschikt voor de hem toevertrouwde bestuurstaak. Hierin komt verandering in 1853. Op 4 maart 1853 wordt het herstel van de kerkelijke hiërarchie in het zendingsgebied een feit door de breve "ec qua die arcanus" van paus Pius IX. De positie en daarmee het karakter van de pastoor verandert drastisch, want de regels van het algemeen kerkrecht dienen te worden gespecificeerd in diocesane statuten, waarin opleiding en levensvorm van de clerus, interne parochiestructuur en zielzorgaanpak geregeld worden op een dusdanige wijze, zoals die in de tijd hieraan voorafgaand niet meer gefunctioneerd had. De parochies worden geheel en al ingekaderd in de diocesane structuur. Het beheer van de parochiebezittingen wordt toevertrouwd aan een college, het parochiaal kerkbestuur, met de pastoor als voorzitter. Hij leidt als zodanig de werkzaamheden en de vergaderingen. Het aantal leden van het kerkbestuur wordt bepaald naar gelang van de omvang van de parochie. Taken van het kerkbestuur zijn: (1) toezicht op de kerk, pastorie, begraafplaats en alle gebouwen, terreinen en landerijen die in eigendom of in gebruik zijn van de kerk. Tevens het in goede staat onderhouden en veilig bewaren van de roerende goederen; (2) de voorziening in de stoffelijke behoeften van de parochie en in de middelen daartoe; (verhuur, verpachting etc.); (3) het geldelijk beheer; (4) het doen van rechtshandelingen, waartoe de parochie als rechtspersoon de bevoegdheid heeft. De benoeming van leden van het kerkbestuur geschiedt door de bisschop uit een voordracht van twee kandidaten die door het betreffende kerkbestuur bij meerderheid van stemmen wordt opgemaakt. Zij worden benoemd voor vier jaar en zijn dadelijk herbenoembaar. Zij treden om het ander jaar voor de helft af. Niet alleen worden de leden van het kerkbestuur door de bisschop benoemd, het kerkbestuur is ook in zijn werkzaamheid onderworpen aan door de bisschop uitgevaardigde bepalingen. In het algemeen valt alles wat op de geestelijke belangen van de parochie betrekking heeft, buiten de competentie van het kerkbestuur.
Tot 1559 viel het gebied van de huidige provincie Groningen onder drie verschillende bisdommen: de Stad met enige aangrenzende parochies onder het bisdom Utrecht; Bellingwolde en Westerwolde onder het bisdom Osnabrück; de rest, de Ommelanden, onder het bisdom Münster. Bij de Reductie van Groningen, in 1594, werden Stad en Ommelanden als zevende en laatste gewest, opgenomen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden. In 1816 werd door Willem I het Algemeen Reglement der Nederlandsche Hervormde Kerk ingesteld. De kerk werd gereorganiseerd en kwam voortaan onder het toezicht van de koning te staan. Onder koning Willem III werd in 1852 een herziening van het Algemeen Reglement doorgevoerd. De Kerk kreeg een meer democratische organisatie. In 1966 is de gemeente opgegaan in de nieuwe streekgemeente Marne-Ambt, bestaande uit de elf kerkdorpen Leens, Warfhuizen, Wehe den Hoorn, Zuurdijk (wijk I), Eenrum, Mensingeweer, Westernieland (wijk II), Baflo, Den Andel, Saaxumhuizen en Tinallinge (wijk III). De Eenrumer kerk was rijk. De landerijen, de huizen, de beleggingen brachten veel op, zoals de staatboeken aangeven. Door de inflatie brachten de bezittingen niet genoeg meer op. Ook het rentepercentage van 2% voor de beleggingen op het Grootboek bleek op den duur te laag. Een strop was nog, dat een aantal Russische obligaties waardeloos geworden was, omdat Lenin, na de revolutie van 1917 de buitenlandse schuld geannuleerd had. Na de oorlog is de kerk binnen een periode van twintig jaar straatarm geworden.
Kort overzicht van de kerkelijke geschiedenis van Aalten De kerstening van de bewoners in de streek rond het dorp Aalten heeft een aanvang kunnen nemen nadat Karel de Grote de Saksen had onderworpen en Widukind, hertog der Saksen zich in 785 bekeerde tot het christendom. Onder zijn bescherming schijnt in het oostelijke gedeelte van het latere Nederland het evangelie gepredikt te zijn, eerst door een zekere abt Benrad en dan later door de prediker St. Liudger, de eerste bisschop van het in 802 gestichte bisdom Munster, waartoe de parochie Aalten behoorde. De stichting van tal van kerken in deze streek kan aan hem worden toegeschreven. Volgens Tibus, die de opvatting huldigde, dat het bisdom aanvankelijk verdeeld was in een sluitend net van "oerparochies", moet Aalten deel hebben uitgemaakt van de "oerparochie" Winterswijk, omdat daaraan later het aartsdiaconaat verbonden was. De kerk van Aalten, gewijd aan St. Helena, zou eerst kort voor de eerste vermelding van Aalten als zelfstandige parochie in een oorkonde uit 1152 zijn opgericht. Als nederzetting is het dorp Aalten van veel hogere ouderdom, gezien een frankisch-merowingisch grafveld en bewoningssporen van ca. 800. Wel wordt het dorp Aalten mogelijkerwijs onder de naam "Aladna" in een oorkonde, gedateerd 7 februari 828, genoemd, waarin een zekere Geroward goederen, gelegen "in villa Langhara et in Ellenuuih et in Aladna et in Uuazefelde et in Humelle et in Theodon et in Hesim et Asnon" aan de St. Maartenskerk te Utrecht schenkt. In een latere oorkonde uit 1152 heeft zich de afscheiding van Aalten van de moederparochie Winterswijk al reeds voltrokken. In deze oorkonde erkent de Graaf van Lohn de leenheerschappij van de Bisschop van Münster over het "regimen populare" over de parochies Lohn, Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Zelhem en Hengelo. De parochie Aalten omvatte toen ook het grondgebied van de latere parochies Bredevoort en Dinxperlo. Tussen 1260 en 1281 werd Dinxperlo tot zelfstandige parochie verheven, waarbij ook een gedeelte van de parochie Bocholt werd gevoegd. Het stadje Bredevoort werd pas in 1536 van de parochie Aalten afgescheiden en tot zelfstandige parochie verheven. Het collatierecht kwam afwisselend toe aan de heren van Bredevoort en de bisschop van Münster. In een bul van paus Paulus IV van 12 mei 1559 werden de parochies Aalten, Bredevoort, Winterswijk en Dinxperlo ingedeeld bij het juist gestichte bisdom Deventer. Met de verovering van Bredevoort, het bestuurscentrum van de gelijknamige heerlijkheid, waartoe Aalten behoorde, door Prins Maurits op 8 oktober 1597, begon ook in deze streek de reformatie. De kerk van Aalten werd in die tijd bediend door pastoor Theunissen, geboortig uit Bocholt. Hij probeerde met alle macht de hervorming tegen te houden. Volgens de overlevering moest hij echter in 1601 naar het klooster Burlo, volgens anderen naar Rhede vluchten. Hij stierf later in Warendorf, waar de wel niet grote maar waardevolle monstrans, welke hij uit Aalten had meegenomen, nog tot in het midden van de 19e eeuw aanwezig zou zijn geweest. Mogelijk zijn kort na 1597 ook de stenen kruiswegstaties verwijderd, die in het midden van de 19e eeuw in de keukenvloer van een huis in de Kerkstraat werden aangetroffen. Zij bevinden zich thans in het Museum Catharijne Convent in Utrecht. De toenmalige kapelaan van Aalten, Anthonius van Keppel, afkomstig uit Doetinchem, werd in 1602 genoemd als eerste predikant van de pas naar het protestantisme overgegane kerkgemeenschap van Aalten. Hoe kwam dit tot stand? Om de reformatie uit te breiden tot het platteland had men de medewerking van de roomse geestelijken aldaar nodig. In 1598 werden velen van hen opgeroepen om op de classicale vergadering te Zutphen te verschijnen. Ook de geestelijken uit Aalten waren aanwezig. Op deze vergadering werd van de aanwezige pastoors en vicarissen verlangd, dat zij de katholieke godsdienst zouden verlaten en dat zij zouden belijden, dat de gereformeerde religie de ware was. In de classicale vergadering van 1603 te Zutphen verklaarden de deelnemers uit Aalten, Winterswijk en Zeddam zich bereid te conformeren met de hun gestelde conditiën. Een duidelijke verandering in de organisatie van het gereformeerde kerkbestuur te Aalten kreeg haar beslag met het invoeren van de kerkenraad in 1633. Het aantal lidmaten was toen al voldoende om over te kunnen gaan tot de instelling van een kerkenraad. Na de verovering van de Achterhoek in 1672 door troepen van de bisschop van Münster werden de kerken van Aalten, Winterswijk en Dinxperlo door de bisschoppelijke commissaris aan de Minoritenpaters gegeven. De gereformeerde gemeente te Aalten sloot met de bezetters een overeenkomst, dat de kerk te Aalten afwisselend door de katholieken en de gereformeerden gebruikt zou worden, maar korte tijd later is het gebruik van het kerkgebouw aan de gereformeerden verboden. Deze toestand duurde evenwel niet lang. Pinksteren 1674 verlieten de Münsterse troepen Aalten en de kerk kwam weer ter beschikking aan de gereformeerden. In 1750, ten tijde van Ds. Philippus de Roy, heerste te Aalten, kort na de Nijkerkse beroering onder Ds. Kuipers, op godsdienstig gebied veel opschudding. Bedroeg het getal van de "bewogenen" te Nijkerk 1000, in Aalten waren dat er maar liefst 1700. De onfeilbare proefsteen van de nieuwe en zeldzame bekeering, of grondig onderzoek van de onregelmatigheden der wonderlijke bekeeringe te Aalten, benevens eenige aanmerkingen over het gedrag van den eerw. predikant Philippus de Roij ende approbatie der theologische faculteit te Harderwijk. Ter behoorlijke defensie aan de eerwaarde heer de Roij opgedragen door twee goede vrienden. Leeuwaarden, 1750 In 1834 kreeg de beweging van de zogenaamde Afscheiding, zich manifesterend door het uittreden van Ds. H. de Cock en de kerkenraad van Ulrum (Gr) uit de Ned. Hervormde Kerk, in Aalten enige aanhang. In 1840 was de kring te Aalten zodanig gegroeid, dat een gemeente geïnstitueerd kon worden. Enkele tientallen jaren later ontstond in de Ned. Hervormde kerk de beweging van de z.g. Doleantie. Ds. J.H.F. Gangel was in Aalten een vurig voorstander van deze beweging. De onderlinge tegenstellingen liepen zo hoog op, dat het gemeentebestuur genoodzaakt was de hulp van militairen in te roepen om de openbare orde te kunnen handhaven. Ds. Gangel was namelijk door het classicaal bestuur van de Ned. Hervormde kerk uit zijn ambt ontzet, hetgeen hij aanvankelijk niet wilde accepteren. Opmerkelijk in dit verband is, dat de notulen van de kerkenraad van 26 november en 23 december 1885 uit het register van kerkenraadsnotulen * zijn verwijderd. * Wel worden lijsten van hen, die wel lid van de Ned. Herv. kerk willen blijven, in het archief aangetroffen. Deze lijsten dateren uit 1887. Eindresultaat was, dat de dolerenden evenals de afgescheidenen uit de Ned. Herv. kerk hebben moeten treden. Daarmede moesten zij ook afstand doen van de kerkelijke goederen. Het door de dolerenden tegen de hervormde gemeente van Aalten gevoerde proces over de kerkelijke bezittingen liep in 1888 in hun nadeel af. Bij deurwaardersexploit werden Ds. Gangel en de voormalige kerkenraad in 1888 gedwongen de financiële administratie van het rusthuis te Aalten aan Ds. van Oostrum-Soede en de zittende kerkenraad te overhandigen. Uit de godsdienstige samenstelling van de bevolking van Aalten kan men afleiden, welke omvang de doleantie in 1885-1888 had aangenomen: in 1901 bedroeg het aantal hervormden te Aalten 3560 zielen, het aantal gereformeerden 2497, het aantal rooms-katholieken 1287 en het aantal christelijk gereformeerden 118. Dit op een bevolking van totaal 7726 inwoners. De archiefvormende organen binnen de hervormde gemeente Aalten De eerste predikant in Aalten was van 1602 tot 1626, zoals reeds vermeld, Anthonius van Keppel. Het collatierecht kwam in de voorreformatorische tijd toe aan de heer van Bredevoort en de bisschop van Münster. Sedert de eerste helft van de 16e eeuw trokken de heren van Bredevoort het geheel aan zich. Tot 1861 werd in Aalten het collatierecht uitgeoefend door de Oranjes, sedert 1612 heren van Bredevoort. In 1816 was het aantal hervormden binnen de gemeente Aalten boven de 3400 zielen gestegen. In datzelfde jaar richtte de kerkenraad een verzoek aan koning Willem I om in aanmerking te mogen komen voor ee tweede predikant. Dit verzoek werd ingewilligd en in 1817 deed Ds. Aitton zijn intrede als tweede predikant. De hervormde kerk kent een aantal uitvoerende organen. In de eerste plaats is dit de kerkenraad. Deze werd te Aalten gevormd door de predikant, twee ouderlingen en twee diakenen. Hun taak bestond o.a. uit de zorg voor de openbare godsdienstoefeningen, zorg voor het godsdienstonderwijs, toezicht op belijdenis en het godsdienstig leven der leden en handhaving van de kerkelijke orde, bevordering van alles wat het godsdienstig leven kon bevorderen, met name het kerkelijk huwelijk, aannemen van nieuwe lidmaten, aantekenen van doop, lidmaatschap van de kerk en huwelijksinzegeningen in speciaal hiervoor aan te leggen registers, toezicht houden op het beheer van de diakonie, waaronder het opnemen van de diakonierekeningen, aanstelling, schorsing en ontslag van de godsdienstonderwijzers, deelnemen aan de classicale vergaderingen, door afgevaardigden van de kerkenraad en het ontvangen van de persoonlijke - en de beantwoording van de vragen van de schriftelijke kerkvisitatie. De diakenen waren als leden van de kerkenraad belast met speciale taken. Algemeen gezien was aan de diakenen de meer bijzondere zorg voor de armen in de gemeente en het duurzaam verzorgen en opvoeden van wezen en van hulpbehoevende of verwaarloosde kinderen in de gemeente opgedragen. Daartoe waren zij belast met het dagelijks beheer van de diakoniegoederen, met het innen van alle aan de diakonie toekomende gelden, met het inzamelen van de vrijwillige bijdrage door de gemeenteleden en o.a. met het geregeld bezoeken van de armen. In 1930 werden voor het eerst notulen van hun vergaderingen bijgehouden. In het kerkarchief berust ook het archief van de provisorie. Dit was van oorsprong een, mogelijk voor-reformatorische, burgerlijke instelling tot verzorging van de armen. De provisorie functioneerde op vrijwel gelijke wijze als de diakonie. De provisoren werden gekozen uit de geërfden en moesten voor drost en geërfden van hun financieel beheer verantwoording afleggen. Vandaar bevinden zich ook provisorierekeningen in het archief van drost en geërfden van de heerlijkheid Bredevoort. Een stap in de richting van samensmelting van provisorie en diakonie werd in 1821 gedaan. In de notulen van de kerkenraadsvergadering van 10 september 1821 wordt vermeld, dat de uitdeling van koren door de provisorie werd stopgezet. Zijn taak werd voortaan vervuld door de uitdelende diaken. Op 30 december 1822 verklaarde de schout (burgemeester) in de vergadering van de kerkenraad dat provisorie en diakonie "één lichaam" zijn. Hij voelde zich niet langer geroepen om de rekeningen van de provisorie af te horen. De laatste door hem afgehoorde rekening is die van provisor H. Vaags over het jaar 1824, afgehoord 1852. De administratie werd echter tot 1878 afzonderlijk gevoerd. Vergelijkt men nu de ontvangsten voor de armenzorg van de provisorie met die van de diakonie, waarbij de provisorie in 1823 rond 1213 gulden aan inkomsten ontving en de diakonie in hetzelfde jaar rond 1838 gulden, dan blijkt dat de provisorie een belangrijke plaats in de armenzorg innam en dat de verzorging van de armen een voor die tijd vrij groot bedrag werd besteed. De provisorie beheerde ook twee gasthuizen en een "Lazarushuisje". Het grootste was het z.g. Linteloos Gasthuis. Dit gebouw stond op de hoek van de Haartsestraat - Herenstraat. Een twintigtal woningen was erin gevestigd. Omstreeks 1905 viel het aan de slopershamer ten offer. Ook werden oude en behoeftige lieden door de provisorie en de diakonie in kost uitbesteed bij Aaltense families. Voor hen werd aan de gezinnen, waar zij in kost waren, geld betaald. Naast deze financiële hulp werden ook vaak brandstof, kleren en rogge aan hen uitgedeeld. Het "melatenhusje" op de Aaltense Es werd in de 18e eeuw als woonhuis verhuurd. De kerkmeesters voerden het beheer over de kerkelijke goederen en fondsen van de "kerk-fabriek" en voorzagen uit de inkomsten in de kosten van de eredienst en in het onderhoud van het kerkgebouw, de pastorieën en overige eigendommen. Aangetoond is dat zij reeds in de 15e eeuw markenrichters van de mark van Aalten (St. Helenamark) waren en holtrichters van het daarin gelegen markebos (De Aalter Hemmel). De Aalter Hemmel strekte zich in de Middeleeuwen uit van Aalten tot over het grondgebied van de parochie Dinxperlo. De St. Helenamark strekte zich westwaarts uit tot over het grondgebied van de parochie Varsseveld. Volgens sommige verhalen liep de grens onder het hoogaltaar van de kerk aldaar. De kerkmeesters werden gekozen uit de geërfden en moesten de provisoren voor de drost en de geërfden van de heerlijkheid Bredevoort verantwoording van hun financeel beheer afleggen. Een kerkmeester was belast met het innen van de gelden uit het kerspel Dinxperlo, de andere met die uit het kerspel Aalten. De inkomsten, genoten op grond van het markenrichterschap, werden niet afzonderlijk beheerd en verantwoord, maar vloeiden direct in de kas van de kerkvoogdij. De kerkmeesters van Aalten ontvingen uit goederen onder Dinxperlo over de jaren 1752/1753 de somma van rond 186 gulden. Ter vergelijking: de inkomsten uit de goederen onder Aalten bedroegen in de jaren 1753/1754 rond 276 gulden. Doordat de markegrens niet samenviel met de parochiegrens en de grens van de heerlijkheid Bredevoort, waartoe Aalten behoorde, gaf dit aanleiding tot vele processen. De St. Helenamark kwam toe aan het geheel kerspel Aalten. Op grond van dit feit handelden de kerkmeesters namens de gehele bevolking van Aalten. Van ontginningen van markegrond ontvingen de heer van Bredevoort en de kerkmeesters als markerichters van de St. Helenamark en de Aalter Hemmel jaarlijks tijnsen en "kerkepacht". Vooral in de parochie Dinxperlo werd in de 16e eeuw veel markegrond door de geërfden van Dinxperlo verkocht om de grote schulden, die ten gevolge van de 80-jarige oorlog ontstaan waren, te betalen. Van deze verkochte grond moest vervolgens jaarlijks aan de kerkmeesters van Aalten, als markerichters, een kerkepacht betaald worden. In de 19e eeuw zijn deze kerkepachten grotendeels afgekocht. In 1716 gebruikten de kerkmeesters nog het voorreformatorische zegel van de kerk van Aalten. Dit is de enig bekende afdruk van het zegel van de St. Helenakerk. Het kiescollege treffen wij voor het eerst in 1846 aan. Diens taak bestond uit het organiseren van verkiezingen van ouderlingen diakenen. De zendingscommissie notuleerde vanaf 1907. Hoewel zij haar taak uitoefende onder auspiciën van de kerkenraad, kan men haar toch als een zelfstandig archiefvormend college aanmerken. Verder berusten in het kerkarchief ook nog archiefstukken in de vorm van kasboeken, notulen, presentielijsten, jaarverslagen en donateurslijsten van een drietal jongerenverenigingen, zoals de C.J.M.V. "Timotheus" voor achttien- tot vijfendertigjarigen, de C.M.V. "Kaarsvlam" voor zestien- tot achttienjarige meisjes en de C.M.V. "Waakt en Bidt" van vanaf 1945 "Zonnestraal" genoemd, voor achttienjarigen en ouder.
Er werden jaarlijks archiefdelen van de Staf 1 Legerkorps te Amersfoort overgeplaatst naar het archief van de Koninklijke Landmacht, vanaf 1961 het Centraal Archievendepot (CAD) van het ministerie van Defensie. Een overzicht van de jaarlijkse overplaatsingen: In 1958 werd 5 meter algemeen en 3,5 meter geclassificeerd archief overgeplaatst van de Staf 1 Legerkorps te Amersfoort naar het archief van de Koninklijke Landmacht over het jaar 1952, beide met inbegrip van de bijbehorende fiches. In 1959 werd 17 meter algemeen en 5,2 meter geclassificeerd archief over het jaar 1953 overgeplaatst naar het archief van de Koninklijke Landmacht gevestigd in de Wittepoortkazerne te Leiden. In 1960 werd 16,5 meter algemeen en 5,2 meter geclassificeerd archief over het jaar 1954 overgeplaatst naar het archief van de Koninklijke Landmacht gevestigd in de Wittepoortkazerne te Leiden. In 1961 werd 10,4 meter algemeen en 5,8 meter geclassificeerd archief over het jaar 1955 overgeplaatst naar het CAD. In 1963 werd 17,5 meter algemeen en 7 meter geclassificeerd archief over het jaar 1956 en 18,5 meter algemeen en dienstgeheim geclassificeerd archief en 7,2 hoger dan dienstgeheim geclassificeerd archief over het jaar 1957 overgeplaatst naar het CAD gevestigd aan de Breedstraat te Den Haag. In 1965 werd 6 meter archief over de jaren 1958 en 1965 overgeplaatst van de staf van het 1 Legerkorps naar het CAD. In 1966 werd de jaargang 1960 overgeplaatst, circa 1 meter. In 1967 werd 0,4 meter overgeplaatst over 1961. In 1968 werd 0,2 meter overgeplaatst over 1962. In 1969 werd 0,25 meter overgeplaatst over 1963. In het jaar 1970 werd 0,2 meter archief overgeplaatst over het jaar 1964. In 1971 werd het archiefdeel over 1965 overgeplaatst, omvang 0,5 meter. In 1972 werd het archief over 1966 ingeleverd, 0,3 meter. In 1973 werd het archief 1967 overgeplaatst, totale omvang 0,4 meter. In 1975 werd het archief over de jaren 1968-1969 overgeplaatst, met een omvang van 0,1 meter. In 1980 werd 0,12 over de jaren 1970-1973 overgeplaatst. In 1985 werd overgeplaatst 3 meter archief over 1974-1979. In 1990 werd een archiefdeel van 4 meter inzake de periode 1980-1984 overgeplaatst. In 1990 werd 0,25 meter NATO-archief overgeplaatst van het CAD naar het semi-statisch NATO-archief Koninklijke Landmacht. In 1995 werd 8,4 meter archiefbescheiden over de jaren 1985-1992 overgeplaatst. Tenslotte werd in 2002 4,2 meter archief van de voormalige staf 1 Legerkorps overgeplaatst van de staf 1 (GE/NL) Corps te Münster, voornamelijk over de jaren 1992-1995.
Niet lang na de vorming van de heerlijkheid van Dongen door de edelman Willem van Duvenvoorde, zal in Dongen een parochie zijn opgericht. Het patronaatsrecht behoorde aanvankelijk tot de abdij van Tongerloo. Naar aanleiding van enkele meningsverschillen tussen de abt en het convent van de norbertijnenabdij en Willem van Duvenvoorde, sloten beide partijen een overeenkomst waarbij o.a. toestond dat Willem voor altijd het patronaatsrecht over de kerk van dongen zou houden. Dongen was echter zo arm dat ze geen eigen priester konden onderhouden. Willem van Duvenvoorde kwam de parochie tegemoet in 1347 door per notariële akte te laten vastleggen dat hij en zijn opvolgers zich verplichtten een jaarlijkse subsidie te verlenen aan de parochie zodat een priester kon worden aangesteld. Willem deed zijn schenking o.a.ter ere van de”martelaar Laurentius”. Deze heilige werd de patroon van de oudste parochie van Dongen. Niet lang na deze schenking komen we de naam van de oudst bekende pastoor tegen: Gerard van Cockelberghe. Rond 1350 was er een kleine kerk of kapel. De parochie van de H.Laurentius , behoorde in breder verband tot het dekenaat Hilvarenbeek (Beke) dat bijna geheel Noord-Braband omvatte. Dit dekenaat was weer een onderdeel van het aartsdiakonaat Kempenland ,een van de aartsdiakonaten van het grote bisdom Luik. In het bisdom Luik waren de parochies ingedeeld waren de parochies ingedeeld in klassen in verband met het betalen van de bisschoppelijke belastingen. De parochie van Dongen was ingedeeld in de laagste klasse: die van de Quarta Capella. De kleine kapel gelegen aan de huidige Kerkstraat, zal in de loop van de 15e eeuw te klein zijn geworden. Rond 1450 werd de kapel vergroot. Aanvankelijk betrof het alleen het priesterkoor. Eerst rond 1640 werd het schip opgetrokken. Fundamenten van de oude kapel werden in 1984 teruggevonden. Na de oprichting van de nieuwe bisdommen in de Nederlanden in 1559, kwam de Baronie van Breda en het markizaat van Bergen op Zoom onder het nieuw opgerichte bisdom Antwerpen. De parochie van Dongen werd nu ingedeeld bij het dekenaat van Breda. Na de vrede van Munster, bepaalden de Staten Generaal van de republiek der Verenigde Nederlanden op 16 juni 1648 dat de priesters het land moesten verlaten en dat de katholieke kerken moesten worden ontruimd en overgedragen. In de baronie werd een aparte regeling getroffen waardoor de priesters op pensioen gesteld. Ze konden dus blijven maar mochten hun ambt niet meer uitoefenen. Ook hier werden de kerken ontruimd en overgedragen. De laatste katholieke dienst vond plaats op Sint Jansdag 24 juni 1648. De volgende dag werd de Dongense predikant binnengeleid in de gezuiverde kerk. De pastoor bleef zijn pastorale werk in het geheim voortzetten. Mettertijd kwam men samen in een vaste schuurkerk gelegen in het achterste gedeelte van het huidige kerkhof aan de Bolkensteeg. Van 1655 tot 1673 werd het pastoraat waargenomen door jezuïeten missionarissen die werkzaam waren in de hele streek. Na 1673 werd er weer een priester van het bisdom Antwerpen aangesteld. In 1745 werd een bestaand huis gekocht aan de Hoge Ham de hoofdstraat van Dongen. Het werd ingericht als pastorie. In 1764 gaven de Staten Generaal toestemming om een nieuwe schuurkerk te bouwen. Deze bleef in gebruik tot 1830. In dat jaar werd een nieuwe kerk aan de Hoge Ham ingewijd. Een zogenaamde Waterstaatskerk. Deze kerk brandde in mei 1917 geheel uit. In 1921 werd een nieuwe kerk geconsacreerd in neo-byzantijnse stijl. Architect was Joseph Cuijpers. Het aantal parochianen groeide zodat het nodig was naast de Laurentiusparochie een nieuwe parochie te stichten. De bisschop van het bisdom Breda waaronder Dongen nu behoorde, richtte in 1867 de Hubertusparochie op in Klein Dongen-Vaart. In de jaren 1868-1869 werd een neo-gotische kerk gebouwd. Architect was de in het bisdom werkzame P.Soffers. De kerk onderging in 1929 inwendig een grondige verbouwing. De Laurentiuskerk bleek in het begin van de twintigste eeuw te klein voor het groeiend aantal gelovigen. In 1906 werd kapelaan G. Dirven van de Laurentiusparochie benoemd tot bouwpastoor. De St. Josepkerk werd in de jaren 1906-1907 gebouwd. Architect was J. van Groenendaal uit Vught. Bij de kerkconsecratie op 30 september 1907 werd de St. Josephparochie definitief afgesplitst van de Laurentiusparochie. De St. Josephkerk werd in 1957-1958 vergroot. Een afscheiding van de St. Josephparochie vond in 1957 plaats door de oprichting van de parochie van Maria Moeder van Barmhartigheid (Mariaparochie). In afwachting van een definitievere kerk werd een noodkerk gebouwd. Maar een andere kerk is er niet gekomen. De Mariaparochie werd op 1 januari 1986 opgeheven en de noodkerk werd gesloten. De parochie werd weer bij de Josephparochie gevoegd. Een vijfde parochie werd in 1964 in het leven geroepen ten behoeve van de parochianen van Plan-West. Een kerk werd ontworpen door het architectenbureau van de Laan, Hansen en van Hal uit Rosmalen. De kerk werd in 1967 ingewijd. In de parochies is in die jaren hard gewerkt om de vernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie in te voeren. Parochieraden werden opgericht, later parochievergaderingen genoemd. Pastorale werkers en pastorale werksters werden aangesteld. Toch noopten het geringer wordende kerkbezoek en de financiële achteruitgang tot nauwere samenwerking. Deze leidde tot het samengaan van de vier bestaande parochies tot één parochie. Op 1 januari 1996 werd de parochie Dongen en Klein Dongen-Vaart opgericht. In mei 1999 werd besloten twee kerken te sluiten. In september 2003 werden de Josephkerk en de Pauluskerk gesloten. Thans (2005) zijn alleen de Laurentiuskerk en de Hubertuskerk in gebruik.
Blokzijl is gesticht door Hollandse kooplieden. De naam Blokzijl komt al voor in 1438 en wordt dan geschreven als 'Blockerssluys'. Het heeft zijn opkomst te danken aan de transitohandel in vooral turf uit de Overijsselse en Drentse venen, maar met name uit de Giethoornse veenderijen, naar Holland en Westfriesland. De nederzetting lag, voor wat de rechtspraak betrof, in het ambtsgebied van de drost van Vollenhove. In de tweede helft van de zestiende eeuw ontstond bij de zeesluis van de nieuwe monding van de Steenwijker Aa de vesting Blokzijl. Deze vesting werd in de eerste periode omschreven 'de schanse' of ' het fort'. Als stimulator van het ontstaan mag zeker de bekende stadhouder van Friesland, Groningen en Overijssel, Johan van Ligny, graaf van Aremberg genoemd worden. Ten behoeve van de handel werden op kosten van de inwoners het Diep en de zeehaven aangelegd, maar het onderhoud ervan was een voortdurende bron van zorg. Reeds in 1573 blijkt men te kampen met verzanding en ook in volgende jaren blijft het een aanslag vormen op de financiën van Blokzijl. Bij het beleg van Steenwijk door de Spanjaarden in 1580/1581 werd de 'stad' door Sonoy, die door de Staten van Holland naar Overijssel was gezonden, verschanst om de Spaanse vloot op de Zuiderzee te weren. In de jaren daarna kreeg Blokzijl van prins Maurits diverse privileges, zoals de benoeming van burgemeesters, die aanvankelijk gedeputeerden werden genoemd, een eigen wapen en vlag en in 1609 het recht tot het oprichten van een waag. De vestingwerken werden verbeterd in 1621. Doordat Blokzijl al snel aan de Staatse zijde was, was het een tijdlang een enclave in een Spaans gebied. Dit veroorzaakte strubbelingen tussen Holland en de Staten van Overijssel omtrent de zeggenschap over Blokzijl. De drost van Vollenhove vocht bovendien de privileges die Maurits had verleend aan en eerst in 1610 werd hierin berust. Wegens haar houding ten tijde van de Munsterse inval in 1672 werd de 'Fortresse' als beloning door stadhouder Willem III tot stad verheven. Een octrooi van 19 oktober van dat jaar, verleend door de stadhouder, gaf het bestuur het recht van rechtspraak over de schans en de kerspelen Baarlo en Kuinderdijk. Deze werd uitgevoerd door drie burgemeesters, vier schepenen en een secretaris. Dit werd echter aangevochten door de drost van Vollenhove, uit wiens jurisdictie Blokzijl was losgemaakt. In 1675 klaagde de verwalter-drost van Vollenhove, Johan Sloet tot Tweenyenhuizen, bij Willem III over het aanmatigende gedrag van de regering van Blokzijl, waarop de prins de privileges herriep en de oude situatie werd hersteld. De burgemeesters bleven deze naam voeren, maar waren in feite eerder de gedeputeerden die Maurits had aangesteld: administratieve ambtenaren. Door het behoud van een aantal privileges, zoals het recht van de waag, bleef Blokzijl een enigszins bijzondere positie innemen. * In latere stukken wordt doorgaans gesproken over de fortresse Blokzijl. Slecht éénmaal, in 1746, werd gesproken van de 'Fortresse ofte Carspel Blokzijll'. Vergaderingen van het bestuur van Blokzijl, alsook die van het schippersgilde vonden plaats in de "(...) kamers opt Stadhuijs", of, zoals het in hetzelfde stuk wordt omschreven in "beijde de Camers boven het Schoole". De financiële toestand van Blokzijl baarde inmiddels ook zware zorgen. De schuldenlast was dermate hoog opgelopen, dat tot een sanering van de financiën moest worden overgegaan. In 1680 werd een overeenkomst gesloten tussen de burgemeesters en regeerders van Blokzijl, de gildemeesters van het schippersgilde en vertegenwoordigers van de mennonieten. Hierin was onder meer vastgelegd, dat burgemeesters en regeerders rekening en verantwoording zouden afleggen aan de beide andere partijen, dat extra inkomsten gebruikt zouden worden voor de delging van de schulden en dat voor het lenen en aflossen van grote kapitalen toestemming van de schippers en de mennonieten gevraagd zou worden. Over dit contract ontstonden al snel problemen, waarna het toezicht werd geregeld door middel van de colleges, namelijk het schipperscollege, het mennonietencollege, elk bestaande uit drie leden, en de drie burgemeesters. Een eeuw later werd het contract hernieuwd, na klachten van de schippers-en mennonietencolleges bij het Hoog Adellijk Gerecht van Vollenhove als zou de regering van Blokzijl zich niet aan de afspraken houden. De omwenteling van 1787 was aanleiding voor de burgemeesters, gezworenen, burgers en ingezetenen van Blokzijl om gedeputeerde staten te verzoeken de gemeensman Remmelt Santink uit zijn ambt te ontzetten wegens zijn gedrag na deze omwenteling. Blijkbaar was hij niet of onvoldoende Oranjegezind. Maar verder meenden de regeerders dat zij in staat waren zelf de orde en rust in Blokzijl te handhaven en zij verzochten in september van dat jaar aan de gedeputeerden tot de defensie van Overijssel om het garnizoen terug te trekken. Begin april 1811 werden de voormalige schout-en richterambten in Overijssel omgezet in gemeenten. De gemeente Blokzijl werd bestuurd door een maire, aanvankelijk nog schout genoemd, maar vanaf 1825 heet deze functionaris burgemeester. Nog steeds wordt de burgemeester door de Kroon benoemd voor een periode van zes jaar. Het dagelijks bestuur van de gemeente werd gevormd door de burgemeester en de assessoren. Sinds de invoering van de Gemeentewet in 1851 worden de assessoren wethouders genoemd. Assessoren en gemeenteraad werden aanvankelijk voor een periode van zes jaar benoemd door gedeputeerde staten van Overijssel, maar sinds 1851 wordt de raad rechtstreeks gekozen door het kiesgerechtigde deel van de bevolking. De wethouders worden sindsdien door en uit de raad gekozen. Tot de herziening van de Kieswet in 1919 trad om de twee jaar eenderde deel van de raad en een assessor/wethouder af. Vanaf 1919 wordt de raad in zijn geheel om de vier jaar gekozen. Vóór 1851 werden de gemeentesecretaris en-ontvanger op voordracht van de gemeenteraad benoemd door gedeputeerde staten, daarna rechtstreeks door de raad. Omdat in Blokzijl-zoals gebruikelijk in plattelandsgemeenten-de burgemeester tegelijk secretaris was, werd deze laatste functionaris de facto door de koning benoemd.
Michiel ten Hove, geb. te Nijmegen 4-5-1585, overl. te Amsterdam 30-8-1614 (zoon van Nicolaes die "in die troubele tijden zijn woonplaets uijt Cleese naar Nijmeegen" overbracht, en van Clara Lamerts), vestigde zich in 1602 te Amsterdam als koopman op `t Water en handelde er o.a. onder de firma Gerrit Lemmen en Michiel ten Hove. Trouwde te Amsterdam 28-12-1610 Susanna Kromhuizen, geb. te Antwerpen 1588. overl. te Amsterdam 24-4-1622, dr. van Melchior en van Maria Timmerman. Zij hertrouwde 27-6-1617 Jacob Tiboel, geb. te Emmerik 1588, overl. te Amsterdam en begraven in de O.-kerk 6-10-1642, suikerbakker bij zijn overlijden wonende op de Keizersgracht "in de Schaepskoy". Hij hertrouwde 31-11-1626 Maria Geesters, ged.in de O-kerk 15-1-1601 en begr. in de O.-kerk 23-12-1680, dr. van Harmen en van Magdalena Gemart. Uit het eerstgenoemde huwelijk werden twee zoons geboren: a. Mr. Nicolaes ten Hove, geb. te Amsterdam 1-11-1611, overl. aldaar 15-10-1673. Gedeputeerde van de Staat, met mr. Gijsbert de Witt, aan de koning, de koningin-regentes en de regering van Portugal 1657; raad ter Admiraliteit te Amsterdam voor de provincie Gelderland 1675-1679; bewindhebber der W.I.C. voor de kamer Rotterdam. Trouwde te `s-Gravenhage 15-2-1637 Cornelia Fagel (Halfzuster van Caspar Fagel, raadpensionaris van Holland en West-Friesland.), geb. te `s-Gravenhage 20-6-1613, overl. te Amsterdam 1-11-1693, dr. van mr. François, raadsheer in de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland (1619) en van zijn eerste vrouw Maria Rose. Hun zes gehuwde kinderen waren: aa. Maria ten Hove, trouwde Antoine Warin. bb. Mr. Michiel ten Hove, geb. te `s-Gravenhage 24-2-1640, aldaar kinderloos overl. 24-3-1689. Advocaat der W.I.C.; pensionaris van Haarlem (volgde als zodanig zijn oom Gaspar Fagel op) 1672-1689; commissaris der Staten tot redres van `s Lands Tin 10-2-1685. Waarnemend raadpensionaris van Holland en West-Friesland (na de dood van zijn oom Fagel) 22-12-1688 (overleed vóór de Staten tot de definitieve benoeming van een raadpensionaris hadden kunnen overgaan); hoogheemraad van Rijnland 1680; Heer te Sloten 22-3-1672. Elisabeht Bebber, geb. te Dordrecht 1644, overl. te `s-Gravenhage 28-2-1704, wed. van Jehan Diercquens uit Middelburg, zeer vermogend koopman te Amsterdam, op de O.Z. Achterburgwal en eigenaar van de suikerraffinaderijen "Diercquens Paradijs" op de Houtgracht te Amsterdam, de "Rosbeijer" op de Haringkade te Middelburg en "de Wijnbergh" op de Wijnbergsche Kaai te Vlissingen. cc. Magdalena ten Hove, trouwde Joan van Beaumont de Jonge weduwnaar van Catharina Charles. dd. Françoise ten Hove, trouwde met Jan van Erpecum, hertrouwde met Arent van der Waayen. ee. Abigael ten Hove, geb. 9-2-1650, trouwde 2-12-1644 mr. François Doublet Heer van Groenevelt, overl. 7-6-1688. Schout van `s-Gravenhage 1679; burgemeester aldaar 1680; drossaard en dijkgraaf van Gorinchem en het land van Arkel 1686, zn. van Philips Heer van Groenevelt, burgemeester van `s-Gravenhage 1672, ontvanger-generaal en Catharina van Overrijn. Hij hertrouwde Maria Fagel, geb. 11-10-1649, overl. 30-11-1729, dr. van mr. Henrie, griffier der Staten-Generaal 1672 en van Margaretha Rosa. ff. Cornelis ten Hove, geb. 18-8-1658, overl. te `s-Gravenhage 6-7-1694. Commies-generaal der convooien en licenten ter Admiraliteit te Amsterdam 1679; secretaris der Generaliteitsrekenkamer 1684; bewindhebber der W.I.C. Trouwde te Haarlem 24-21682 Catharina Diercquens, ged. in de Hervormde Kerk 9-12-1664 te `s-Gravenhage, overl. 4-6-1715, dr. van Jehan (zie hiervóór) en Elisabeth Bebber (die hertrouwde met Michiel ten Hove). Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren waaronder de drie volgende zoons: aaa. Mr. Michiel ten Hove, geb. 3-9-1684, overl. te `s-Gravenhage 20-11-1751, secr. aldaar 1710-1751. Trouwde te Amsterdam 4-8-1712 met Anna Maria du Peyrou, geb. 30-1-1685, kinderloos overl. 11-2-1748, dr. van Jean en Anna Maria Vellepontoux. bbb. Mr. Johan ten Hove, geb. 22-2-1690, ongeh. overl. te `s-Gravenhage 8-11-1747. Schout van `s-Gravenhage 1715; burgemeester aldaar 1723; griffier van de Lenen van Holland en Westfriesland 1727. Ontvanger van de Societeit te `s-Gravenhage. ccc. Mr. Nicolaas ten Hove, geb. 15-10-1693, overl. 31-1-1738. Agent van Hare Hoog Mogenden 1720; raadsheer aan de Hoven van Holland, Zeeland en West-Friesland 12-7-1725; secretaris van de Raad van State 27-10-1725; thesaurier-generaal der Unie 4-4-1737. Trouwde 4-3-1725 met Maria Françoise Fagel, geb. 19-7-17-5, overl. 27-4-1773, dr. van Cornelis Gerard, raadsheer aan de Hoven van Holland, Zeeland en West-Friesland en van Elisabeth Leicquens. Hun drie kinderen waren: A. Mr. Cornelis Michiel ten Hove, geb. 2-6-1726, ongeh. overl. Griffier der Lenen van Holland en Westfriesland 1747-1795. B. Maria Françoise ten Hove, trouwde David ten Hove. C. Mr. Nicolaas ten Hove, geb. 11-9-1732, ongeh. overl. te `s-Gravenhage 26-3-1782. Commies ter Griffie van H.H.M. 1750-1767; raad en generaalmeester van de Munten der Verenigde Nederlanden 1767. b. Melchior ten Hove, geb. te Amsterdam 15-3-1614, vestigde zich te Nijmegen en werd er schout 1642; 2e burgemeester 1661; 1e burgemeester 1670 (Mededeling van de heer H.D.J. van Scherichaven, gemeente-archivaris te Nijmegen.). Gedeputeerde ter Staten-Generaal voor de provincie Gelderland; raad-ordinaris aan het Hof van Gelderland voor het kwartier Nijmegen 28-7-1654 ( Mededeling van mr. J.I. Bijleveld, rijksarchivaris te Arnhem.). Bewindhebber der V.O.C. van de kamer Amsterdam voor de provincie Utrecht 1669. Trouwde te Nijmegen apr. 1638 met Henrica Ingenhagen, overl. te Nijmegen 5-6-1661 en hertrouwde 29-10-1662 met Maria Gout wed. van Jonkh. Everard van Steenhuysen tot Zandhuysen. Uit het tweede huwelijk werden zes kinderen geboren; uit het eerste vijf waaronder: Dr. David ten Hove, Heer van Rhijnauwen, ged. te Nijmegen 21-10-1642, overl. te Amsterdam en begr. in de O.-Kerk 28-10-1727. Werd 14-2-1675 door stadhouder Willem III aangesteld tot momber des Furstendoms Gelderland, deed vanwege zijn ouderdom afstand van deze betrekking 27-10-1708 (Mededeling van mr. J.I. Bijleveld, rijksarchivaris te Arnhem.), waarna hij Arnhem verliet en zich metter woon vestigde te Amsterdam op de Kloveniersburgwal. Hij was zeer vermogend en kocht in 1718 het Huis te Rhijnauwen onder Rhijnauwen (prov. Utrecht). Trouwde in 1681 met Johanna van Soest, geb. te Amsterdam 1660, dr. van Abraham van Soest Jacquesz. van Antwerpen, koopman te Amsterdam op de Oude Turfmarkt en van Susanna Kromhuizen Melchiorsdr (Susanna Kromhuizen hertr. in het stadhuis te Amsterdam 8-6-1670 met Jan Annickhuysen, koopman op de Keizersgracht en weduwnr. van Anna Maria Roeland.). Mr. Melchior ten Hove, Heer van Rhijnauwen, Sleeburg en Nieuwwaal, geb. te Arnhem 5-5-1682, overl. te Amsterdam 30-4-1750. Woonde in 1742 als rentenier te Amsterdam op de Keizersgracht, Zuidz. tussen de Reguliersgracht en de Vijzelstraat in een huis, thans no. 672, dat hij 16-5-1736 voor ? 66.500 gekocht had. Hij hield in 1742 vier dienstboden, een buitenplaats (`t Huis te Rynauwen), een koets en vier paarden en werd geschat op een inkomen van ? 22 à ? 24.000. Kanunnik in het Kapittel van Oud-Munster te Utrecht 1703-1748. Trouwde te Amstelveen 3-8-1718 met Johanna Maria Kromhuizen, vrouwe van Den Bosch, ged. 25-3-1689 en overl. 31-10-1763 "laatende een seer grooten schat gelt nae" ( Johanna Maria Kromhuizen erfde bij de dood van haar broer Abr. Kromhuizen, heer van Den Bosch 12-8-1751 als diens universeel erfgenaam een vermogen van), dr. van Abraham Kromhuizen, schatrijk koopman en reder op de Oostzee en Noorwegen, wonend te Amsterdam op de Keizersgracht (Melchiorsz. en Jannetje Ablijn) en van Susanna van Gistele. Uit dit huwelijk werd één zoon geboren: David ten Hove, Heer van Sleeburg, Den Bosch, Den Breur en Nieuwwaal. Raad 1766-1783; op zijn verzoek werd hem i.v.m. ziekte zijn ontslag verleend als raad in de Vroedschap 22-1-1783. Commissaris 1749; kanunnik in de Kapittels van St. Maria 1748-1786, en van Oud-Munster 1748-1776 te Utrecht; kerkmeester 1749; meesterknaap van de houtvesterij van Brederode 1776. Woonde op de Herengracht tussen de Leidsestraat en de Nieuwe Spiegelstraat (in sep. 1787 door zijn erfgenamen verkocht voor ? 83.000) en was de eigenaar van de hofstede "Woestduyn" onder Heemstede en Vogelenzang (die zijn moeder in 1751 van haar broer Abraham Kromhuizen geërfd had en die door Ten Hove`s erfgenamen in 1787 verkocht werd voor ? 35.500). Hij was enige malen milionair. Geb. te Utrecht 8-3-1724, overl. te Amsterdam 27-5-1787. Trouwde 8-7-1749 Cornelia Adriana Sautijn, geb. 14-10-1724, overl. 4-9-1750, dr. van mr. Willem en van Wendela Eleonora Reael. Hertrouwde te `s-Gravenhage mrt. 1756 Maria Françoise ten Hove, geb. 16-6-1728, kinderloos overl. 1761, dr. van mr. Nicolaas en Maria Françoise Fagel. Trouwde voor de derde maal op 25-9-1763 Jacoba Graswinckel, geb. 7-1-1723, overl. te Heemstede 28-7-1771, wed. van Adriaan Temminck, dr. van mr. Jan en Johanna Graafland. Vierde huwelijk 20-4-1777 met Sophia Adriana Kerckrinck, geb. 1-4-1737, overl. 27-3-1778, dr. van mr. Joan Hendrik en Haasje van Collen. Kinderen: AA Uit het eerste huwelijk: Wendela Eleonora ten Hove, Vrouwe van Doorn, Den Bosch en Sleeburg, geb. 21-8-1750, overl. 26-2-1814. Trouwde met mr. Willem Munter (Elias no. 288), hertrouwde te Bloemendaal okt. 1780 mr. Jan Carel Godin, Graaf van het H.R., Heer van Boelestijn, geb. te Utrecht 26-6-1752, overl. De Bilt 14-3-1787. Raad van de stad Utrecht 1776; schout aldaar 1781; kanunnik in het Kapittel van St. Maria aldaar, zn. van Pieter Anthonij (Elias: aant. bij no. 37) en Isabella Lucretia Barchman Wuytiers. BB Sophia Adriana ten Hove. Trouwde met mr. Joan Huydecooper.
De provinciale synode van overijssel 1.1.1.1. Eerste aanzet Het ontstaan van de Provinciale (of Particuliere) Synode van Overijssel, waarvan het archief in de navolgende inventaris is beschreven, is uiteraard een uitvloeisel van de ontwikkelingen, die in de tweede helft van de 16e eeuw het kernstuk van de geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden uitmaken. Nadat het calvinisme zich geleidelijk vanuit het zuiden had verbreid, kreeg het na 1 april 1572 vaste voet in Holland en Zeeland. De Spaanse landvoogden slaagden er niet in het tij in de Noordelijke Nederlanden te keren, al vormen met name de oostelijke gewesten - tot op zekere hoogte - een uitzondering op de draad der ontwikkeling elders. Vooral na de Pacificatie van Gent (1576) en de Unie van Utrecht (1579), zette de reformatie krachtig door. Ook in Overijssel gingen de aanhangers van de gereformeerde religie zich organiseren. De eerste synodale vergadering vond plaats op 22 september 1579 te Kampen. Aanwezig waren daar "de dienaren des Godtlycken Woorts met die olderlinghen van den lande van Overyssel", die zich ter vergadering hoofdzakelijk bezig hielden met het op de Nationale Synode van Dordrecht van 1578 verhandelde. Om vooralsnog onbekende redenen richtten "die van Deventer, Campen unnd Schwoll" zich in november 1579 tot de Gelderse Synode met het verzoek om gezamenlijk "synodos zu hallten". Dit gebeurde daadwerkelijk op 19 en 20 januari 1580 te Zutphen. De gecombineerde Synode van Overijssel en Gelderland kreeg geen vervolg. Al op 2 februari 1580 vergaderden de Overijsselse predikanten en ouderlingen weer zelfstandig binnen Deventer. Na het verraad door Rennenberg in maart 1580 werd het gewest Overijssel door een fluctuerende scheidslijn in twee stukken verdeeld. Het westelijke gedeelte bleef Staats en gereformeerd. Het oostelijke deel, met als centrum Oldenzaal, werd Spaans en katholiek. Later gingen ook Steenwijk (1582) en Deventer (1587) voor de Staatse zijde verloren. Duidelijk is, dat reformatie en contrareformatie hand in hand gingen met de militaire successen van de Staatse en Spaanse troepen. Het waren daarom de tussen 1591 en 1597 door prins Maurits behaalde overwinningen, die van doorslag gevende betekenis waren voor de afronding van de hervorming in Overijssel. Aanvankelijk concentreerde de openbare uitoefening van de gereformeerde religie zich in de drie IJsselsteden en een deel van het drostambt Vollenhove. De deelnemers aan de synode tot 1596 waren afgevaardigden of gedeputeerden van de kerkeraden van Deventer, Kampen, Zwolle, Hasselt, IJsselmuiden, Kamperveen, Zwartsluis, Steenwijk, Blokzijl, Mastenbroek en Kuinre. Terwijl in later tijd de Synode werd gevormd door afgevaardigden van de Classes, bestond hij in deze beginfase, bij ontstentenis van Classes, uit vertegenwoordigers van kerkeraden. Wel waren er enige kerkeraden als Classis opgetreden voor hun omgeving, zo Deventer voor geheel Twente en Zuid-Salland. Geleidelijk aan breidde het aantal gemeenten zich uit. De deelname en het afvallen van Lingen Na de verovering van het in Duitsland gelegen graafschap Lingen door prins Maurits in het jaar 1598, werd ook hier de hervorming ingevoerd. Op de Overijsselse Synode van 1603 werd bepaald, dat Lingen werd toegelaten, en wel "in gelycken grade met anderen classibus in der landtschap". Na de herovering van Lingen door de Spanjaarden in 1605 verschenen er geen gedeputeerden meer uit dat graafschap in de synodale vergadering. De Particuliere Synode van Overijssel heeft aanvankelijk gebruik gemaakt van de kerkordes, die waren opgesteld door de Generale Synodes van Emden (1571), Dordrecht (1578) en Middelburg (1581). In 1586 werd de kerkorde van 's-Gravenhage aangenomen. Deze werd later op de Generale Synode te Dordrecht (1618/1619) gewijzigd. Op 30 juli 1619 werd de kerkorde door de Staten van Overijssel goedgekeurd en bekrachtigd onder de volgende voorwaarde: "voir so vele deselve niet tegens de privilegien ende gerechticheiden van deselve provincie in 't generail ende van de leden offte particulieren van dien is strijdende". Gedurende de periode van de Republiek nam de Nederduits Gereformeerde Kerk de positie van staatskerk in. Dit had onder andere tot gevolg, dat zij als enige kerk vrijheid van godsdienstuitoefening had. Wanneer andere geloofsgenootschappen eenzelfde vrijheid opeisten of zich aanmatigden, vond de Gereformeerde Kerk de overheid aan haar zijde om hiertegen op te treden. De kerkorde kende vergaderingen op een viertal niveaus. De kerkeraadsvergadering behandelde de zaken van de eigen gemeente. Een aantal gemeenten vormden samen een classicaal ressort, dat geleid werd door de classicale vergadering. De vertegenwoordigers van vier of meer naburige Classes kwamen samen in de vergadering van de Particuliere of Provinciale Synode. De Particuliere Synode zond op haar beurt een afvaardiging naar de op landelijk niveau staande Nationale of Generale Synode. Samenstelling van de Synode De Overijsselse Synode had zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een vergadering waarbij 28 personen aanwezig waren, n.l. 16 gedeputeerden van de Classes, de vier gedeputeerden van de Synode, zes correspondenten van de Particuliere Synodes van de overige gewesten en twee commissarissen politiek. De kerkorde van 1619 bepaalde, dat van iedere Classis twee predikanten en twee ouderlingen naar de Provinciale Synode afgevaardigd moesten worden. De vier Overijsselse Classes zonden in praktijk drie predikanten met een ouderling. De Synode vergaderde een maal per jaar. In de tussentijd namen de gedeputeerden van de Synode haar zaken waar. Zij zorgden voor de uitvoering van de door de Synode genomen besluiten. Hiertoe traden zij vaak in contact met de overheid. In de Classes bemiddelden zij bij gerezen geschillen en zij speelden tevens een rol bij het examineren van proponenten. Vandaar dat het door hen jaarlijks in de Synode uitgebrachte rapport van hun bemoeiingen - gewoonlijk over een aantal artikelen verspreid - tot de belangrijkste punten van de agenda behoorde, omdat het een overzicht gaf van veel dat tussen twee Synoden in de provincie was voorgevallen. De gedeputeerden waren vier in getal, waarvan er jaarlijks twee aftraden. Op de Particuliere Synodes werden niet uitsluitend zaken van provinciaal of lokaal belang besproken. Mede door het uitblijven van een Nationale Synode na 1619 werd het gebruikelijk, dat een Particuliere Synode afgevaardigden - correspondenten - naar de overige Particuliere Synodes zond. Deze afgevaardigden deden, eerst mondeling, maar later schriftelijk, verslag van hetgeen in de door hen bijgewoonde vergaderingen was behandeld. Bovendien konden zij mededelen hoe er over een bepaald onderwerp in hun eigen Synodes was besloten. Op de lijsten van lemmata kon men zien wat er op de verschillende Particuliere Synodes aan de orde was geweest. De Synode van Overijssel onderhield deze regelmatige uitwisseling met: Gelderland, sinds 1626, Zuid-Holland, sinds 1629, Noord-Holland, sinds 1624, Utrecht, sinds 1625, Friesland, sinds 1674, Stad en Lande (Groningen) sinds 1728.Van latijn "lemma" = onderwerp van een geschrift. De commissarissen politiek waren vertegenwoordigers van de Staten van Overijssel, die er nauwlettend op toezagen, dat er geen andere dan kerkelijke zaken op de Synode aan de orde kwamen. Zij waren twee in getal, waarvan een uit de Ridderschap en een uit de Steden. 1.1.1.7. De synodale vergadering Uitgezonderd de jaren 1672 en 1673, toen Overijssel door Munsterse en Keulse troepen bezet was, vergaderde de Synode elk jaar. Men vergaderde doorgaans drie of vier achtereenvolgende dagen in de maand juni, afwisselend in de hoofdsteden van de Classes Deventer, Kampen, Zwolle en Vollenhove of Steenwijk. Na het verzamelen van de deelnemers, het kiezen van een praeses, assessor en scriba en het vaststellen van de vergadertijden, begon men met de "synodale predikatie". Een dergelijke preek met de titel "Sions welstand, Moses en Aarons zorge", gehouden door de Kamperveense predikant Conradus Haselhoff in de vergadering van 1769, bevindt zich onder de ingekomen stukken van 1921. Na deze prediking begon de behandeling van de zaken die op de agenda stonden. 1.1.1.8. Taakstelling en competentie De taak van de Provinciale Synode was niet vast omlijnd. Men ging uit van de volgende stelregel: "In meerdere vergaderingen sal men niet handelen dan hetgeen dat in mindere vergaderingen niet heeft afgehandelt konnen worden, of dat tot den kercken der meerdere vergaderinge in het gemeyn behoort". De Particuliere Synode was ten opzichte van de kerkeraad en de Classis een meerdere vergadering. Wanneer de Classis niet tot een besluit kon komen, stelde zij gravamina op, waarover het oordeel der Synode ingeroepen zou worden. Ook was de Synode de instantie, waarbij men tegen uitspraken van de Classis in beroep kon gaan. Tot de competentie van de Synode behoorden voorts zaken, die meer dan een enkele gemeente of Classis onder het ressort van de Synode aangingen. Jaarlijks terugkerende voorbeelden hiervan zijn de maatregelen tegen hen, die een ander geloof beleden, onderwijs, huwelijkszaken en armenzorg. Achter de acta - het officiële verslag van het verhandelde in een vergadering - volgen de reeds eerder genoemde lijsten van lemmata en een uittreksel uit de acta van de Noord- en/of Zuid- Hollandse Synode betreffende de Indische zaken. 1.1.1.9. De periode 1795 - 1815 Na de omwenteling van 1795 en de daarop volgende periode werd de Republiek tot een satellietstaat van Frankrijk en later, na de inlijving in 1810, zelfs tot een onderdeel van het Franse keizerrijk. De nieuwe periode bracht vele nieuwe gedachten en daarmee gepaard gaande veranderingen. Belangrijk was de scheiding van staat en kerk in 1796. De Gereformeerde Kerk verloor hierdoor de bevoorrechte positie, die zij gedurende twee eeuwen had ingenomen. De Synode van Overijssel, die in 1795 en 1796 niet vergaderd had, ging in 1797 op de oude voet verder. Het enige opvallende verschil was het ontbreken van de commissarissen politiek. In de vergadering van 1804 waren echter wel weer commissarissen politiek aanwezig, hetgeen een gevolg was van de veranderde houding van de regering ten opzichte van de godsdienst. Het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek had namelijk op 11 augustus 1803 bepaald, dat de godsdienst moest worden beschouwd als voor de burgerlijke maatschappij van het uiterste gewicht en dat zij daarom niet aan het oppertoezicht van de staat mocht worden onttrokken. Onder het koningschap van Lodewijk Napoleon zetten J.M. Mollerus, sinds 1808 minister voor de eredienst, en diens rechterhand J.D. Janssen zich in voor een nieuwe kerkelijke organisatie. Een door hen benoemde commissie kwam met een concept-reglement, dat voorzag in het wegvallen van de Provinciale Synoden. Door de abdicatie van de koning en de inlijving van ons land bij Frankrijk kreeg het reglement echter geen kracht van wet. In 1809 was er wel een reglement voor het synodaal bestuur in het departement Overijssel vastgesteld. Als gevolg daarvan werden in 1809 en 1810 de werkzaamheden van de Synode waargenomen door een Synodale Kerkelijke Commissie, bestaande uit vier tijdelijke deputaten, de actuaris en uit elke Classis een predikant en een ouderling. De uitwisseling van correspondenten verviel en werd vervangen door het over en weer zenden van elkaars acta. Op 4 augustus 1811 waren het nog slechts de vier gedeputeerden van de Synode die vergaderden. Zij zijn waarschijnlijk tot 1816 in functie gebleven om de lopende zaken af te handelen. In ieder geval droegen zij in dat jaar de archieven over aan hun opvolgers van het Provinciaal Kerkbestuur. Het provinciaal kerkbestuur van Overijssel 1.1.2.1. Instelling en samenstelling Na het wegtrekken van de Franse troepen en de vestiging van de constitutionele monarchie, volgde een reorganisatie van de Hervormde Kerk. Op 7 januari 1816 vaardigde koning Willem I bij koninklijk besluit het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden uit. Volgens dit reglement heette de kerkvergadering op provinciaal niveau voortaan Provinciaal Kerkbestuur. De benaming Synode werd voortaan gereserveerd voor de landelijke vergadering. Het Provinciaal Kerkbestuur telde vier stemgerechtigde leden. Uit elk der drie Classes Deventer, Kampen en Zwolle - de Classis Vollenhove-Steenwijk ging in 1816 op in die van Kampen - een predikant en voor een van de Classes bij jaarlijkse toerbeurt een ouderling of oud-ouderling. Elk lid had een secundus of plaatsvervanger, die hem bij zijn afwezigheid verving. Aan elk Provinciaal Kerkbestuur was bovendien een secretaris toegevoegd. In de regel werd er drie maal per jaar in Zwolle vergaderd.
A. Ontwikkeling en context van de Nederlandse diplomatie A.1. Diplomatieke vertegenwoordiging Vorsten hebben net als gewone mensen omgang met elkaar, zo constateerde De De Wicquefort in 1681. Alleen kunnen ze niet persoonlijk als soevereinen onder elkaar hun zaken regelen. Dat zou hun belangen schaden en afbreuk doen aan hun waardigheid. Daarom hebben ze tussenpersonen in dienst, gezanten, aan wie ze de rang van ambassadeur of een andere publieke kwaliteit hebben gegeven. En door deze gezanten laten zij zich vertegenwoordigen. Zijn vorst vertegenwoordigen: dat is de essentie van de functie van de gezant. De gezant is lasthebber van zijn vorst; rechtshandelingen die hij verricht binden niet hemzelf maar zijn vorstelijke lastgever. Hij fungeert slechts als spreekbuis, als boodschapper. Maar een gezant is niet zomaar een boodschapper. Door de bijzondere status van zijn vorst en heer is hij een boodschapper met bijzondere voorrechten. De persoon van de gezant is onschendbaar en hetzelfde geldt voor zijn verblijfplaats en zijn vervoermiddel. Zijn postpakketten mogen niet worden geopend, zijn koeriers niet aangehouden. Hij is niet onderworpen aan de rechtspraak van zijn gastland en geniet er belastingvrijdom. Het aanzien van zijn vorst straalt op hem af en de vorst naar wie hij wordt gezonden, moet hem ontvangen met de eer die past bij de verheven status van de vorst die hij vertegenwoordigt. Kortom, diplomatieke vertegenwoordiging is een vorm van geprivilegieerde communicatie tussen vorsten. A.2. De moderne diplomatie De moderne diplomatie heeft zich met de soevereine staat uit de feodale maatschappij ontwikkeld. De feodale maatschappij was een versnipperde, maar coherente maatschappij. Er waren verschillende machtscentra: de kerk, de feodale heren, de steden. Maar de christenheid was één. Bestuurlijke verhoudingen waren afhankelijkheidsverhoudingen, verhoudingen die als een alomvattend netwerk het sociale leven omspanden. Alles en iedereen had een vaste plaats in een onveranderlijke hiërarchie. Vanaf de veertiende eeuw ontwikkelde zich uit de feodale staat de monarchale, soevereine staat. Vorsten ontleenden hun macht niet langer aan het leenheerschap, maar aan de daadwerkelijke heerschappij over hun territorium. Zij werden soevereinen die geen macht boven zich erkenden. Om hun nieuw verworven machtsposities te kunnen consolideren en versterken, ontwikkelden zij een systeem van duurzame diplomatieke betrekkingen. In de zestiende eeuw werd dit systeem in Europa overal toegepast. Aanvankelijk leken de godsdienstoorlogen aan deze moderne diplomatie een eind te zullen maken, maar uiteindelijk leverden ze juist het bewijs van haar onmisbaarheid. Het herstel begon in 1598; precies vijftig jaar later beleefde ze op het vredescongres van Munster, de eerste algemene statenconferentie in Europa sinds de vrede van Cateau Cambresis in 1559, haar grootste triomf. Het inzicht dat de maatschappij een conglomeraat was van autonome individuele staten die een machtsevenwicht bewaarden, vond algemene erkenning en werd in 1713 in Utrecht zelfs in het vredestraktaat vastgelegd. De moderne diplomatie had zich definitief gevestigd. A.3. De Republiek in het diplomatieke verkeer In heel Europa kreeg de nationale staat vorm, behalve in de Noordnederlandse gewesten. De opstand blokkeerde er de definitieve overgang van een feodale naar een monarchale staat, waardoor de gezagsverhoudingen het karakter van soevereiniteitsverhoudingen bleven houden. Dit miste op de diplomatie zijn uitwerking niet. Tussen en binnen de opstandige gewesten bleef een uitgebreid diplomatiek verkeer bestaan en de kwestie wie nu precies gerechtigd was om gezanten naar vreemde soevereinen te sturen en van vreemde soevereinen te ontvangen, werd niet eenduidig geregeld. En een eenduidige regeling zou er voor de Bataafse revolutie ook niet komen omdat de soevereiniteitskwestie niet kon worden beslecht. Hoewel de Unie haar best deed zich naar buiten toe als soeverein tussen de soevereinen te gedragen, kreeg zij nooit het monopolie van de diplomatie. Contacten met het buitenland werden tot in de achttiende eeuw door elk van de drie "bestuurslagen" onderhouden: door de bestuursorganen van de Unie als het om Uniezaken ging; door de Staten van de gewesten als het om gewestelijke zaken ging en door de steden en edelen als het noch over Uniezaken noch over gewestelijke aangelegenheden ging. De meeste gezantschappen gingen uit van de Unie omdat de meeste buitenlandse aangelegenheden tot de Uniezaken werden gerekend: voor het sluiten van een bestand of vrede, het aanvaarden van een oorlog en het sluiten van politieke allianties had de Unie van Utrecht in de artikelen 9 en 10 de unanieme goedkeuring van alle bondgenoten verplicht gesteld. Wie de Unie naar buiten toe mocht vertegenwoordigen was aanvankelijk ook niet duidelijk geregeld. Soms was het de landvoogd die gezanten afvaardigde, dan weer de Raad van State, dan weer de Staten-Generaal. Maar van 1593 tot 1 maart 1796 waren het uitsluitend de Staten-Generaal die, belast met het oppergezag over de buitenlandse zaken, namens de Unie gezanten uitzonden en ze met vreemde vorsten lieten onderhandelen, die in de betrekkingen van de Unie met het buitenland met de tekenen van de soevereiniteit waren gekroond en die door hun gezanten als hun soevereinen of superieuren werden aangeduid. Hoewel de Staten-Generaal naar buiten toe zoveel mogelijk als één lichaam probeerden op te treden, bleef de vergadering in de woorden van Van Slingelandt, niet meer dan "een congres van afgesanten of gevolmachtigden van seeven nauw aan den anderen verknogte staaten, dienende om saamen te concerteeren over de belangen van haar committenten, voor sooveel die door de Unie zijn gemeengemaakt". De samenstellende delen van de Unie bleven niet alleen met vreemde vorsten, maar ook met elkaar diplomatieke contacten onderhouden. A.4. De provincies en steden van de Republiek in het diplomatieke verkeer De provincies en steden hadden dus het recht om in kwesties die hen speciaal raakten eigen vertegenwoordigers af te vaardigen en ze maakten van dat recht ook gebruik. Zo hadden Brabant, Holland en Zeeland tot in het begin van de zeventiende eeuw hun eigen vaste agenten in Engeland en Frankrijk. Later, toen de Republiek zelf aan alle hoven diplomatieke agenten had, die verplicht waren zich ook de bijzondere belangen van de leden van de Unie aan te trekken, konden de provincies zich de kosten en moeite van eigen agenten besparen. Politiek van meer betekenis dan de vaste vertegenwoordigingen waren de extraordinaris bezendingen van de provincies met een bijzondere opdracht. Daar werden de grenzen die door het Unieverdrag waren gesteld tot het uiterste opgerekt. De onderhandelingen van de Hollandse gezanten Van Beverningk en Van Nieuwpoort in Engeland, die in 1654 leidden tot de sluiting van de Akte van Seclusie, vormen wel een van de meest bekende voorbeelden van het optreden van afzonderlijke gewesten als soeverein, maar er zijn meer voorbeelden, zoals de voldoening die de Staten van Zeeland wegens schending van hun briefgeheim in 1668 kregen van de Engelse koning Karel II. De Staten van de provincies hadden zelf nogal eens moeite om hun rol in het diplomatieke verkeer te verdedigen tegen usurpatie door hun eigen leden. De Staten van Holland zagen zich in 1662 genoodzaakt het de edelen en steden te verbieden om aan buitenlandse gezanten publieke audiëntie te verlenen over zaken "der gemeenen staat van den lande betreffende" en ze op te dragen deze gezanten onmiddellijk naar de Staten zelf door te sturen. In 1773 was het de magistraat van Amsterdam, vertegenwoordigd door Jean de Neufville, die met de commissaris van het Amerikaanse Congres, William Lee, onderhandelde over het handelsverdrag, dat in 1778 door wederzijdse gemachtigden van Amsterdam en het Congres werd ondertekend. A.5. De Bataafse Republiek in het diplomatieke verkeer De in 1795 vernieuwde Staten-Generaal konden evenmin als hun voorgangers het monopolie claimen van de diplomatie. Blauw en Meyer, hun gezanten in Parijs, kwamen daar in het voorjaar van 1795 François Ermerins tegen, die door de Provisionele Representanten van het volk van Zeeland, dat door Franse annexatiedrift werd bedreigd, als extraordinaris gedeputeerde naar de Nationale Conventie was afgevaardigd, om onder meer de soevereiniteit van de provincie te demonstreren. Het federalisme en de soevereiniteitspretenties van de provincies werd pas de nek omgedraaid door de unitaristische staatsgreep van januari 1798. Het nieuwe Uitvoerend Bewind kreeg de exclusieve verantwoordelijkheid voor alle diplomatieke verrichtingen. Aan de diplomatie van de Nederlandse eenheidsstaat kwam een einde door de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk op 9 juli 1810. Tot 1814 waren het de Franse gezanten en consuls die de voormalig Nederlandse belangen in binnen- en buitenland behartigden. A.6. De ontwikkeling van de diplomatieke betrekkingen De diplomatie van de Republiek vindt zijn oorsprong in de laatste decennia van de zeventiende eeuw. In 1584 en 1587 kregen de agenten die door Holland, Zeeland en Brabant in Engeland en Frankrijk waren gestationeerd, een aanstelling van de Unie. In 1587 stuurde Leicester namens de Unie een vaste gezant naar de Duitse vorsten. Na de val van Antwerpen en het vertrek van Leicester richtte Oldenbarnevelt de diplomatie van de Unie in als een instrument van de gewesten Holland en Zeeland, met een zwaar overwicht voor Holland. Het aantal agenten werd uitgebreid. In 1588 of 1590 werd een agent aangesteld in Calais, in 1594 een agent in Schotland en in 1596 de eerste commissaris in de Sont. Enkele jaren later maakte Oldenbarnevelt een begin met de vorming van een consulaire dienst. De sluiting van het bestand in 1609 was een mijlpaal. De bondgenoten Frankrijk en Engeland beschouwden het als de erkenning van de Staten-Generaal als soeverein en knoopten in hetzelfde jaar vaste diplomatieke betrekkingen aan op ambassadeursniveau. Hun voorbeeld werd gevolgd door Turkije (1612), de Hanzesteden Hamburg en Lübeck (1619), Venetië (1622; na 1637 niet gecontinueerd) en Denemarken (1632). Bij de vrede van Munster in 1648 werd de Republiek ook door de andere mogendheden als soevereine staat erkend. In de halve eeuw die erop volgde werden er vaste vertegenwoordigers gestationeerd in Zweden (1654), in Spanje en de Spaanse Nederlanden (1656), in Portugal (1664), in Frankfurt (1668), bij de Duitse keizer (1670). Vóór Willem III was van een echt diplomatiek apparaat nog geen sprake. De diplomatie was, buiten de enkele vaste vertegenwoordigingen, oorlogsdiplomatie en dus incidentendiplomatie, een zaak van regenten en regentenzonen die na het vervullen van een bijzondere opdracht terugkeerden naar hun plaats op het kussen. Ook de diplomatie van de stadhouder-koning had het karakter van oorlogsdiplomatie. Ook hij werkte vooral met buitengewone gezanten. Alleen in het eerste decennium van zijn stadhouderschap kwamen er vaste gezantschappen bij, namelijk die in Rusland (1675), in Pruisen (1679) en bij de Duitse Rijksdag (1683). Toch veranderde de diplomatie onder zijn bewind. Onder druk van de omstandigheden ontstond er binnen het Brits-Nederlandse samenwerkingsverband een flexibel, effectief en ook kostbaar diplomatiek apparaat bestaande uit een elitecorps van buitengewone gezanten, die afhankelijk van de politieke ontwikkelingen nu eens hier en dan weer daar werden ingezet. Zo werden de grondslagen gelegd voor een echte diplomatieke dienst. Na Willem III was de staat praktisch bankroet. Diplomaten reisden niet meer naar het buitenland om vrede te maken of bondgenootschappen te sluiten, maar waren ter plekke om oorlog te voorkomen. Na een jarenlange financiële en dus ook diplomatieke malaise ontstond een net van vaste vertegenwoordigingen, een ambtelijke diplomatieke dienst met professionele diplomaten. Vooral in het Duitse Rijk nam het aantal vaste gezantschappen toe. Rond 1750 vormden de diplomatieke vertegenwoordigingen daar een vrijwel dekkend net waar maar één gaatje in zat: de Zwabische Kreits Baden en Württemberg. De gezant bij de Hanzesteden Hamburg en Lübeck werd in 1708 ook geaccrediteerd in Bremen en in 1733 ook bij de Nedersaksische Kreits. Met de drie geestelijke Keurvorsten werden vaste betrekkingen aangeknoopt in 1715 (Keulen) en 1724 (Mainz en Trier), met de Opperrijnse Kreits (de landgraven van Hessen) in 1744, met de Nederrijns-Westfaalse Kreits (Gulik en Berg en de bisschoppen van Munster en Osnabrück) in 1749, met de keurvorst van de Palts (die in 1777 tevens keurvorst van Beieren werd) ca. 1757. Meestal was het overigens één en dezelfde gezant, die bij al deze vorsten en kreitsen was geaccrediteerd. Doordat in 1725 ook bij de koning van Polen (en tot 1750 dus bij de keurvorst van Saksen) en in 1749 bij de bisschop van Luik een vaste gezant was gestationeerd, werd de vertegenwoordiging in Frankfurt, aanvankelijk de residentie van de agent in Duitsland, overbodig en na 1770 dan ook niet meer gecontinueerd. Het systeem van vaste gezantschappen raakte in de laatste decennia de grenzen van zijn mogelijkheden. Holland had geleidelijk aan de financiële lasten van het diplomatieke apparaat (evenals die van de VOC) geheel op zich genomen. Kort na de vrede van Munster stonden van de zeven vaste gezanten er nog maar twee en een half ter repartitie van Holland en sinds de laatste jaren van De Witt waren dat er negen tot tien van de twaalf; maar in de laatste decennia van de achttiende eeuw kwamen alle vaste gezanten ten laste van de eens zo machtige, maar nu feitelijk failliete provincie. De Bataafse revolutie van 1795 maakte althans formeel aan de provinciale invloed op de diplomatie een einde. De omwenteling leidde in de diplomatieke dienst tot ingrijpende veranderingen. De diplomatieke betrekkingen met Engeland werden verbroken, het gezantschap in de Oostenrijkse Nederlanden werd opgeheven, voor de gezanten in Luik bij de Duitse Rijksdag en in Trier werd geen opvolger benoemd en de meeste gezanten elders door de vernieuwde Staten-Generaal vervangen. Behalve de zaakgelastigden in Polen en Turkije bleven er maar twee diplomatieke vertegenwoordigers op hun post: de gezant in Wenen en de secretaris bij de Opper- en Nederrijnse en Westfaalse Kreitsen. In de jaren daarna werden nog diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met Hessen-Kassel, i.p.v. de Opperrijnse Kreits (1797), Württemberg (1797), Baden (1807) en Westfalen (1807). Maar in dezelfde periode werden de betrekkingen verbroken met de Verenigde Staten (1803), Zweden (1806), Württemberg en Portugal (1809). De "vereniging met het Franse keizerrijk" tenslotte maakte op 9 juli 1810 een einde aan de functies van de gezanten bij de Duitse keizer en in Frankrijk, Denemarken, Rusland, Turkije, Spanje, Baden, Westfalen en Pruisen. Hun functies (en hun archieven) werden door hun Franse collega's overgenomen. B. Status en rang van de gezant B.1. De gezant en de hiërarchie der vorsten Het aanzien van zijn vorst en heer straalde af op de gezant. En niet iedere vorst had evenveel aanzien. In de door leenverhoudingen bepaalde universele hiërarchie van het feodale stelsel stonden paus en keizer aan de top, gevolgd door de koningen, de hertogen, de graven en andere heren. In de periode van de opkomst van de nationale staten kwam onder de vorsten de keizer als eerste, gevolgd door achtereenvolgens de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal, Engeland, Denemarken en Zweden, de Republiek van Venetië (die het koninkrijk Cyprus bezat), de aartshertogen, de keurvorsten en de andere vorsten en standen van de christenheid. Onder de oude leenverhoudingen was de rangorde een vaste geweest. Maar toen vorsten soevereinen werden van nationale staten raakte die rangorde aan veranderingen onderhevig. Een vorst die aan politieke invloed had gewonnen, wilde zijn toegenomen politieke macht uitgedrukt zien in meer prestige in het internationale verkeer en probeerde in de rangorde der vorsten zijn voorgangers te passeren. Wie zich soevereiniteit aanmatigde moest een streven naar erkenning door vreemde vorsten combineren met een streven naar een zo hoog mogelijke inschaling in deze hiërarchie. Er was een voortdurende competentiestrijd, die vooral door en rond diplomaten werd gestreden. De Staten-Generaal wisten zich na de sluiting van het Bestand in het diplomatieke verkeer een plaats te verwerven tussen de Republiek van Venetië en de aartshertogen. Zij vroegen en kregen in ceremoniis dezelfde status als de gekroonde hoofden en Venetië. Voor hun plaats in de hiërarchie waren erkende aanschrijftitels het bewijs. Na de bestandssluiting, die hun soevereiniteit bevestigde, namen zij de titel van Haar Hoog Mogenden aan, die na verloop van tijd door vrijwel alle mogendheden werd erkend en overgenomen. Veranderingen in de status en de rang van de lastgevers van de gezant en van de accrediterende vorst leidden vrijwel meteen tot veranderingen in de status en de rang van de gezant. De nieuwe Staten-Generaal werden in 1795 in het diplomatieke verkeer als rechtsopvolgers van de oude erkend. Toch werden de burgers Blauw en Meyer, die als ministers plenipotentiaris naar Frankrijk waren gestuurd om met de regering van dit land een overeenkomst te sluiten, pas door de Nationale Conventie erkend, toen de Bataafse Republiek met Frankrijk het Haags verdrag had gesloten. Omdat het ceremonieel het niet toeliet ambassadeurs te zenden naar regeringen zonder staatsregeling, moest het Staatsbewind in 1799 na de staatsgreep van Napoleon de rang van Schimmelpenninck, de ambassadeur in Parijs, tot minister plenipotentiaris verlagen. Dat Napoleon dit niet op prijs stelde, laat zich raden en het Staatsbewind maakte dan ook van de eerste gelegenheid gebruik deze degradatie ongedaan te maken. B.2. De status van de ordinaris en de extraordinaris gezant De status van de gezant was niet alleen afhankelijk van de plaats van de betrokken partijen in de vorstelijke hiërarchie, maar ook van de aard van zijn opdracht. Zo waren er ordinaris en extraordinaris gezanten. De extraordinaris gezant was oorspronkelijk een diplomatieke vertegenwoordiger met een speciale opdracht en voorzien van speciale volmachten. Als hij zijn opdracht had uitgevoerd, keerde hij naar huis terug. De ordinaris-gezant daarentegen moest de belangen van zijn vorst in hun algemeenheid behartigen. Om geaccrediteerd te worden had hij geen speciale volmachten nodig, maar slechts in algemene termen gestelde geloofsbrieven. Hij bleef op zijn post totdat hij werd teruggeroepen. De extraordinaris gezantschappen vertegenwoordigen de oudste vorm. Ze bestonden doorgaans uit twee of meer gezanten die, afhankelijk van de aard van hun opdracht, opereerden aan één hof of rondreisden langs verschillende hoven. Zij werden uitgezonden om te onderhandelen, om de bezwering van de naleving en de uitvoering van een vredestraktaat bij te wonen of om andere ceremoniële redenen. In het laatste geval was de gezant in de meest strikte zin de vertegenwoordiger van zijn vorst en had hij, als hij een soeverein vertegenwoordigde, bij een andere soeverein de rang van extraordinaris ambassadeur. Hij had de voorrang boven een ordinaris ambassadeur. Aan permanente diplomatieke vertegenwoordiging kregen vorsten vooral behoefte toen de opkomst van de nationale staten de universele hiërarchie van de feodaliteit en de opkomst van de hervorming de eenheid van het christendom hadden verbroken en diplomatie de voortzetting werd van de oorlog met andere middelen. De ordinaris-gezant was niet alleen een boodschapper van de vrede, maar ook een spion, zij het een spion van aanzien. Hij moest in de eerste plaats de goede betrekkingen tussen beide vorsten onderhouden, de brieven van de één bij de ander bezorgen en op antwoord aandringen. In de tweede plaats moest hij goed in het oog houden wat er allemaal aan het hof voorviel en daarover voortdurend aan zijn vorst en meester rapporteren. In de derde plaats moest hij de onderdanen van zijn vorst bescherming bieden en diens belangen bewaken. Liep het onderscheid tussen de extraordinaris en de ordinaris gezant oorspronkelijk parallel met het onderscheid tussen ad hoc diplomatie en sedentaire diplomatie, later (in de Republiek tegen het einde van de zeventiende eeuw) werd het vooral een onderscheid in rang. Extraordinaris envoyées werden nu ook in ordinaris bezendingen gebruikt. De Staten-Generaal besloten in 1671 zelfs om alle gezanten in ordinaris missies de rang van extraordinaris envoyé te geven: de kosten van de duurdere ordinaris ambassadeurs konden niet meer worden opgebracht. B.3. De rangen onder de gezanten De status van de gezant was afhankelijk van de status van zijn lastgevers en van de aard van zijn missie, maar ook, tenslotte, van zijn eigen rang. Sinds de tweede helft van de zestiende eeuw werden drie verschillende rangen onderscheiden die correspondeerden met drie verschillen graden van vertegenwoordiging. De ambassadeur was de gezant met de hoogste rang. Alleen soevereinen mochten zich door ambassadeurs laten vertegenwoordigen. Ambassadeurs waren vertegenwoordigers in optima forma van de persoon van de soevereine vorst. De envoyé was een gezant van de tweede rang. Gezanten van de tweede rang konden hun vorst in rechte vertegenwoordigen zonder hem in persoon te vertegenwoordigen. Zij liepen minder risico de reputatie van hun vorst te schaden en konden daardoor gemakkelijker opereren bij het behartigen van diens belangen. Bovendien waren ze goedkoper in het gebruik. Andere gezanten van de tweede rang, althans sinds de zestiende eeuw, waren de agenten en residenten. Agenten werden gezonden door of aan niet-soevereine vorsten. Zij daalden in de achttiende eeuw af tot correspondenten zonder rang. Residenten worden in de zeventiende eeuw verdrongen door de envoyées. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en in de Republiek van Venetië berustte de soevereiniteit bij vergaderingen van gedeputeerden. De Staten-Generaal zonden, evenals Venetië, ook wel eens gedeputeerden uit hun midden als extraordinaris gedeputeerden naar andere soevereinen. Deze gedeputeerden werden daar echter als gezanten van de tweede rang behandeld. Gedeputeerden werden, evenals agenten en residenten, ook wel commissarissen (d.i. gecommitteerden) genoemd. Ministers (in het Franse idioom de algemene term voor gezant) waren eerst gezanten zonder bepaalde rang, vervolgens gezanten van de tweede rang en tenslotte, in de achttiende eeuw, gezanten van de derde rang. De gezant van de derde rang was meestal een chargé d'affaires of zaakgelastigde. Deze kwaliteit werd onder meer toegekend aan de gezantschapssecretaris die bij ontstentenis van de gezant de zaken waarnam. Een secretaris kon de functie van zaakgelastigde alleen vervullen als hij van geloofsbrieven was voorzien. Extraordinaris gezantschappen die uit meer dan één gezant bestonden, werden nog in de zeventiende eeuw dikwijls vergezeld van een secretaris die geloofsbrieven had op eigen naam of genoemd werd in de geloofsbrieven van de gezanten. Ook ordinaris gezanten maakten van oudsher gebruik van secretarissen die een eigen positie kregen en van staatswege werden betaald. Zij genoten diplomatieke bescherming, maar waren geen diplomatieke vertegenwoordigers. Dikwijls overbrugden zij de periode tussen twee gezanten. Ze werden dan meestal tot tijdelijk zaakgelastigde benoemd.(Mattingly, X. De secretaris van een gezantschap mag overigens niet worden verward met de secretaris van de gezant, die tot het huispersoneel van de gezant werd gerekend.) De kwalificatie van minister plenipotentiaris, oorspronkelijk alleen voor werkelijk gevolmachtigden gebruikt, raakte in de achttiende eeuw in gebruik als aanduiding voor een gezant van de derde rang. De Nederlandse gewesten maakten na de opstand en vóór de erkenning van de Unie als soevereine staat in het diplomatieke verkeer behalve van agenten (zie par. A.6 van het hoofdstuk over 'Ontwikkeling en context van de Nederlandse diplomatie') ook van consuls gebruik. Consuls behartigden in den vreemde de handelsbelangen van de onderdanen van de staat. Al werden ze in de periode die hier onderwerp van bespreking is, niet meer door de handelsgemeenschappen zelf, maar door de vorst aangesteld, toch werden ze nooit diplomatieke vertegenwoordigers, maar bleven ze altijd nauw met de handelsgemeenschappen verbonden. De consuls in de havensteden rond de Middellandse Zee en de Oostzee ressorteerden formeel onder de gezanten aldaar, maar correspondeerden in de praktijk voornamelijk met de directie van de Levantse handel (voluit: de Kamer van Directeuren voor de Levantse handel en de navigatie in de Middellandse Zee) en met de directie van de Oosterse handel (de Kamer van Directeuren voor de Oosterse handel en rederije). De eerste consuls werden in 1611 op initiatief van Oldenbarnevelt door de Staten-Generaal aangesteld in Turkije, Italië en Spanje. Zij moesten in handel en zeevaart administratieve hulp verlenen. In het Turkse Rijk kregen zij bovendien samen met de ambassadeur aldaar uitgebreide publiekrechtelijke bevoegdheden over de Nederlandse Natie in hun ressort. In het laatste decennium van de zestiende eeuw werden de eerste buitengewone gezanten van de Staten-Generaal met de rang van envoyé door bevriende vorsten ontvangen. Na de erkenning van hun soevereiniteit konden de Staten-Generaal ook ambassadeurs sturen. Sinds de bestandssluiting werden hun agenten in Londen en Parijs dan ook niet meer als agent, maar als ordinaris ambassadeurs aangemerkt. In 1611 verscheen voor het eerst een ordinaris-ambassadeur in Constantinopel. Naar andere landen stuurden de Staten-Generaal meestal (extraordinaris) envoyées, een gewoonte die in de achttiende eeuw werd gehandhaafd. B.4. Het diplomatieke protocol Elk hof had zijn eigen diplomatieke ceremonieel, een geheel van omgangsregels dat we tegenwoordig protocol noemen. Het ceremonieel schreef nauwkeurig voor bij welke gelegenheid welke eerbewijzen tussen welke vorsten en gezanten dienden te worden uitgewisseld. Het was een formele uitdrukkingsvorm van de hiërarchie van de vorsten en de rangorde van de gezanten; het bepaalde nauwkeurig wie in welke situatie de voorrang had boven wie. Geen enkele formele handeling van een gezant kon zich aan het ceremonieel onttrekken. Het ceremonieel reguleerde alles: aankomst, verwelkoming, entree, audiëntie, afscheid en vertrek, alsmede de titulatuur, ofwel "het ceremonieel ten aanzien van inscriptiën, subscriptiën en superscriptiën." Het ceremonieel moet beslist niet als zinledig ritueel worden opgevat. Omdat het ceremonieel de politieke verhoudingen weerspiegelde, waren ceremoniële kwesties machtskwesties. Vooral in de zeventiende, maar ook nog in de achttiende eeuw vochten gezanten van de Staten-Generaal aan alle Europese hoven ceremoniële geschillen uit die de Republiek in de internationale hiërarchie de plaats moest geven die haar toekwam. Vóór 1700 werden de buitengewone gezanten vóór hun vertrek voorzien van retroacta met betrekking tot het ceremonieel aan het hof waar zij geaccrediteerd zouden worden. Daaruit bleek, welke eerbewijzen hun voorgangers en hun collega's uit andere landen hadden ontvangen. In de achttiende eeuw, als de situatie min of meer gefixeerd is, wordt dit eerder uitzondering dan regel. C. Aanstelling, honorering en ontslag C.1. Werving en selectie In de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw bestonden buitengewone gezantschappen van de Unie minimaal uit twee, dikwijls uit drie en regelmatig uit meer dan drie pensionarissen of edelen uit verschillende provincies. In elk tweehoofdig gezantschap was Holland met één gezant vertegenwoordigd en in driehoofdige dikwijls met twee. De hiërarchie onder de gezanten werd bepaald door de hiërarchie van de gewesten die hen hadden genomineerd. Gelderland was als hertogdom het eerste gewest, gevolgd door Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen. In de achttiende eeuw kwamen meerhoofdige gezantschappen minder voor. Het aantal buitengewone bezendingen verminderde. De belangrijkste vaste gezantschappen die er waren werden maar door één gezant tegelijk vervuld en moesten dus onder de provincies worden verdeeld. Gezanten werden vóór het rampjaar gerecruteerd uit het regentenmilieu. Doorgaans waren het jonge stadspensionarissen, leden van stedelijke magistraten en leden van de ridderschappen: voor hen werd een bijzondere bezending naar het hof van een vreemde vorst gezien als een goede leerschool voor het politieke bedrijf. Langdurige bezendingen waren bij regenten minder in trek. De kosten van een gezantschap waren meestal hoger dan de baten. Een langdurig verblijf in het buitenland verwijderde hen bovendien van het centrum van de politieke macht en had in de zeventiende eeuw zelfs wel eens het karakter van een politieke deportatie. (Thomassen, "Heemskerck", pp. 14-36.) Door de ontwikkeling van de sedentaire diplomatie kwamen in de achttiende eeuw ook niet-regenten bij gezantenbenoemingen in beeld. Onder Willem III ontwikkelde zich een echte diplomatieke dienst, waardoor de figuur van de beroepsdiplomaat zijn intrede kon doen. Sindsdien kwam het regelmatig voor, dat ordinaris gezanten werden gerecruteerd uit de gezantschapssecretarissen, tijdelijk zaakgelastigden en meewerkende kinderen.(Voorbeelden zijn Christiaan Constantijn Rumpf en zijn zonen Hendrik Willem en Charles, Jacob Jan Hamel Bruynincx, Johan Godard Reinhold en Georg Ernst Lucius.) C.2. Aanstelling Een gezant kreeg als bewijs van zijn aanstelling een akte van commissie, die de vorm had van een extractresolutie of een extractdecreet. Zijn lastgevers verklaarden hierin, dat zij hem hadden gecommitteerd tot het bekleden van het gezantschap. In die resolutie maanden zij hem bovendien zich zo spoedig mogelijk gereed te maken voor de reis, belastten zij de gedeputeerden tot de buitenlandse zaken met de opstelling van een instructie en droegen zij de griffier op geloofsbrieven gereed te maken.(Voor instructies, geloofsbrieven en pouvoirs zie het hoofdstuk D. over 'Taken, bevoegdheden en legitimering'.) Vóór 1795 werd zo'n resolutie wel eens genomen op voordracht van de prins of van één van de provincies. Dit werd in de tekst dan uitdrukkelijk vermeld. De ambassadeur in Frankrijk en de extraordinaris envoyé in Portugal werden aangesteld op de propositie van Holland en de ambassadeur in Engeland op de propositie van Zeeland. Een commissiebrief voor een gezant had dus niet de vorm van een akte onder zegel of cachet van de staat, wat bij de meeste commissies, inclusief die voor de consuls, gebruikelijk was. In tegenstelling tot deze functionarissen namelijk legitimeerde de gezant zich niet met een commissiebrief, maar met zijn geloofsbrieven en pouvoirs.(Achter de akten van commissie voor gezanten die in inventarissen figureren blijken meestal pouvoirs schuil te gaan.) In de achttiende eeuw, toen veel gezantschappen een permanent karakter kregen, kwam het regelmatig voor dat een Nederlandse gezant op zijn standplaats overleed. In zo'n geval droegen de Staten-Generaal de secretaris van de gezant op als tijdelijk zaakgelastigde de zaken van het land en zijn ingezetenen te bevorderen en Haar Hoog Mogenden wekelijks van adviezen te voorzien. De extractresolutie van die strekking diende de tijdelijk zaakgelastigde als commissie. C.3. Traktement De daggelden van de gezant gingen in op het moment waarop zijn missie officieel van start ging, dat wil zeggen: op de dag waarop hij afscheid nam van de Staten-Generaal. Na zijn terugkeer in Den Haag kon hij nog maximaal drie dagen declareren: het rapport waarop hij werd gedechargeerd moest hij binnen drie dagen na zijn terugkeer hebben uitgebracht.(Resolutie Staten-Generaal De hoogte van het traktement was afhankelijk van de rang van de gezant en de status van de standplaats. Het traktement van de ambassadeur in Frankrijk diende als maatstaf. Hij verdiende (in de zeventiende eeuw) drie maal zoveel als de raadpensionaris van Holland en vijf maal zoveel als de griffier, die echter meer emolumenten genoten. Het traktement was dus hoog, maar er was in de zeventiende eeuw, toen een gezantschap vooral een erebaantje en een opstapje naar een politieke functie was, niet één gezant die ervan kon rondkomen. Een Nederlandse ambassadeur moest een staat voeren die bescheiden was voor het aristocratische milieu waarin hij moest verkeren, maar die voor de sobere regenten thuis excessief was en voor de generaliteitskas onbetaalbaar. De omwenteling van 1795 bracht hierin geen verandering. Schimmelpenninck bedong bij Amsterdam, Rotterdam en de staat vóór het aanvaarden van zijn gezantschappen naar Parijs, Amiens en Londen toeslagen op zijn traktement van tien tot tachtigduizend gulden, omdat hij ter plaatse een representatie wilde voeren naar zijn eigen smaak en opvatting. Behalve voor zichzelf ontving de gezant ook traktementen of daggelden voor de belangrijkste leden van zijn gevolg. In het gevolg van de ambassadeur waren het de predikant, de secretaris, de twee klerken en de hofmeester die een traktement ontvingen en de bedienden in livrei, te weten twee pages, acht lakeien, twee koetsiers, twee voorrijders en één portier voor wie daggelden beschikbaar waren. C.4. Onkostenvergoedingen Behalve een traktement ontving een gezant vergoedingen voor gemaakte onkosten. Welke onkosten voor welke vergoeding in rekening mochten worden gebracht, werd geregeld in het zogenaamde Regelement, dat ook de hoogte van het traktement bepaalde. Het eerste Reglement dateert van 1619. Het werd tot 1700 herhaaldelijk door nieuwe versies vervangen. Het reglement van 1700 bleef in grote lijnen van kracht; het werd tot de Bataafse omwenteling alleen "geamplieerd". Het laatste reglement vóór de inlijving werd, ter vervanging van het reglement van 1807, in 1810 vastgesteld. Wat waren nu belangrijke kostenposten? In de eerste plaats de kosten van zo'n stuk of vijftien bedienden buiten het livrei, die de gezant uit zijn eigen traktement moest betalen. In de tweede plaats de kosten van de benodigdheden voor de reis van en naar het vreemde hof, zoals paarden en koetsen, en de huur en inrichting van het ambassadegebouw.(Tot 1707 betrokken gezanten in bijzondere missie hun stoelen, bedden, kisten en koffers, wandkleden, dekens, manden, tin-, koper- en ijzerwerk uit het meubelmagazijn van de Staten-Generaal op het Binnenhof, maar na dat jaar kochten ze ook die benodigdheden zelf en declareerden ze de kosten bij de Staten-Generaal. Thomassen, "kamerbewaarder", pp. 64-67.) In de derde plaats andere huishoudelijke uitgaven, waaronder de kosten van porti en koeriers niet de minste waren. En dan waren er nog de talloze incidentele uitgaven, zoals de uitgaven wegens audiënties en andere contacten met het hof en uitgaven in verband met feestelijke ceremonies of rouwplechtigheden. C.5. Wijze van betaling Traktementen en onkostenvergoedingen werden eens in de zes maanden betaalbaar gesteld. De halfjaarlijkse declaraties werden door de Staten-Generaal ter examinatie doorgezonden aan de Raad van State, die na goedkeuring een ordonnantie van betaling uitvaardigde en deze ter liquidatie doorzond aan de Generaliteitsrekenkamer. Het geld werd bij afwezigheid van de gezant geïnd door een gemachtigde op wie de gezant wissels kon trekken. De wisselschade kon ook worden gedeclareerd. Tussenpersoon ook in de zakelijke relatie tussen gezant en de Staten-Generaal was tot 1759 de commissaris der uitheemse depêches en sindsdien de klerk-directeur van de griffie. Deze functionarissen traden als zaakwaarnemer op. Uitgaven die door het Reglement niet uitdrukkelijk declarabel waren verklaard konden alleen met uitdrukkelijke toestemming van de Staten-Generaal worden gedeclareerd. Maar over toestemming kon veelal pas worden beslist, als de uitgaven waren gedaan. Dat leidde tot een levendige en vaak chagrijnige briefwisseling tussen Haar Hoog Mogenden en hun gezanten. Omdat ook hier precedentenrecht gold, keken gezanten met argusogen naar de declaraties van hun collega's. Veel gezanten legden verzamelingen aan van retroacta met betrekking tot de declaraties. Soms hadden gezanten er behoefte aan financiële risico's die met hun missie verbonden waren wat zorgvuldiger af te dekken nog voor zij vertrokken. Desgevraagd vaardigden de Staten-Generaal dan een akte van indemniteit uit, waarin zij verklaarden de gezant "kosteloos en schadeloos te zullen houden (...) tegen alle arresten, detentiën, saississementen, gevanckenissen ofte andere periculen, schaden, roverijen, plunderingen etc." C.6. Beëindiging functies Een gezant bleef tot het moment van zijn décharge zijn volkenrechtelijke status behouden. Hij hield echter al eerder op zijn functies uit te oefenen. Aan zijn gezantschap kwam feitelijk een eind door zijn overlijden of het overlijden van een van de betrokken vorsten, door het verbreken van de diplomatieke betrekkingen (bijvoorbeeld in geval van oorlog), doordat de vreemde vorst zijn aanwezigheid voor onaangenaam had verklaard of doordat hij zijn taak had volbracht dan wel zijn diensttijd had volgemaakt. Meestal eindigde het gezantschap doordat de missie volbracht was of de diensttijd erop zat. In beide gevallen moesten de Staten-Generaal aan de vorst waarbij de gezant was geaccrediteerd een brief van rappel sturen. Zij deelden die vorst daarin mee, dat zij hadden goedgevonden de gezant te rappelleren omdat de oorzaak van zijn zending was vervallen of omdat de gezant zelf verzocht had te mogen terugkeren, spraken de hoop uit dat het gedrag van de gezant de vorst aangenaam was geweest en kondigden aan, dat zij hem hadden opgedragen met alle complimenten afscheid te nemen. De vorst gaf de gerappelleerde gezant na diens afscheid een recredentiaal (brief van recredentie of recreditief) mee voor zijn lastgevers, waarin hij die lastgevers liet weten, dat de gerappelleerde gezant afscheid van hem had genomen, dat diens optreden hem aangenaam was geweest en dat hij hem had beloofd de complimenten aan zijn lastgevers over te zullen brengen. Als de vorst het verblijf van de gezant aan zijn hof inderdaad aangenaam had gevonden, gaf hij hem op zijn afscheidsaudiëntie een geschenk. De gezant mocht dit geschenk alleen na formele toestemming van de Staten-Generaal accepteren, ook omdat de waarde van het geschenk in overeenstemming moest zijn met de hoogheid van de staat. D. Taken, bevoegdheden en legitimering D.1. Taken De gezant is de vertegenwoordiger van zijn vorst. Hij doet wat zijn vorst wil doen, ziet wat zijn vorst wil zien en hoort wat zijn vorst wil horen. Zoals eerder al werd aangegeven, had de buitengewone gezant een specifieke opdracht en moest de residerende gezant de belangen van zijn lastgevers in het algemeen behartigen. De buitengewone gezant werd uitgezonden om ceremoniële redenen of om rechtshandelingen te verrichten. In het ene geval moest hij aanwezig zijn bij de plechtige bezwering van een vredestraktaat en bij de doop, het huwelijk en de begrafenis van een vorst en in het andere geval moest hij internationale overeenkomsten sluiten. De ordinaris gezant moest in de eerste plaats de goede betrekkingen onderhouden tussen beide vorsten, met inachtneming van het respect dat zij elkaar wederzijds verschuldigd waren en de onderlinge correspondentie bevorderen. Hij moest zich op de hoogte houden van de politieke en commerciële situatie in het land, van de disposities van de regering en van de negotiaties van de andere gezanten aan het hof en zijn lastgevers op de voorgeschreven wijze alles berichten wat maar enigszins de belangen van de staat en zijn ingezetenen direct of indirect kon raken. Hij moest de ingezetenen van de staat bescherming bieden en hun belangen, in het bijzonder hun commerciële belangen, behartigen. Zowel de ordinaris als de extraordinaris gezant moesten bovendien de bijzondere taken uitvoeren die hun bij resolutie werden opgedragen en na hun terugkeer van hun handel en wandel verantwoording afleggen. D.2. Algemene instructie De opdracht van de gezant werd omschreven in de door zijn lastgever uitgevaardigde instructie. Deze instructie was in principe bedoeld voor de gezant en niet voor het hof waar hij geaccrediteerd moest worden. Maar omdat ze daar wel werd opgevraagd, kwam het gebruik in zwang gezanten dubbele instructies mee te geven: een geheime instructie voor de gezant zelf en een gewone die aan de vorst kon worden getoond. Zowel de gewone als de geheime instructie waren in algemene termen gesteld. Residerende gezanten kregen eenvoudigweg de standaardinstructie van de betrokken standplaats. De geheime instructies voor gezanten met een buitengewone opdracht waren het meest specifiek, en in de tijd van De Witt, toen de regenten er zich naar hartelust mee konden bemoeien, vaak specifieker dan wenselijk. D.3. Tussentijdse instructies Bij resolutie gaven de Staten-Generaal hun gezanten gevraagd of ongevraagd aanvullende politieke instructies of bijzondere opdrachten. Deze resoluties werden geacht van de instructie deel uit te maken. De gezant kreeg deze tussentijdse instructies of opdrachten toegezonden als extractresoluties, die de vorm hadden van authentieke uitvaardigingen. Zij waren herkenbaar aan het opschrift ("Extract uit het register der resolutien van de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden") en aan de validatiemiddelen: het opgedrukte zegel van de Staten-Generaal, de ondertekening ("paraphure") van de president en het contra-seign van de griffier. De betrokken gezant werd in de resolutie zelf uitdrukkelijk als bestemmeling aangewezen. De extractresolutie werd hem toegezonden met een formele geleidebrief van de griffier. Politieke instructies waren doorgaans vervat in secrete extractresoluties, resoluties die waren genomen in de secrete vergadering van de Staten-Generaal of in een secreet besogne. Deze secrete extractresoluties werden door de aanduiding "secreet" op de resolutie zelf, op de geleidebrief en op de eventuele bijlagen van de ordinaris resoluties onderscheiden. Bijzondere opdrachten die niet geheim waren, waren vervat in ordinaris extractresoluties, resoluties die in de gewone vergadering van de Staten-Generaal waren genomen. Als ze de gezant de behartiging van een specifiek belang van een onderdaan van de staat aanbevalen, werden ze brieven van voorschrijven genoemd. Deze bestonden uit een korte extractresolutie die verwees naar een bijgevoegd rekest en die vergezeld werd door een formele geleidebrief van de griffier.(Extractresoluties moeten worden onderscheiden van kopieresoluties, die niet authentiek zijn: zie hoofdstuk 7 par. 11.) Zo'n brief van voorschrijven mochten gezanten overigens negeren, als zij merkten dat het verzoek dat de requirant in zijn rekest had gedaan, ongegrond was. In dat geval moesten zij wel contact opnemen met de Staten-Generaal. Behalve van de Staten-Generaal kregen gezanten ook wel opdrachten van hun eigen gewest, wat vooral in meerhoofdige gezantschappen een bron van conflicten kon zijn. D.4. Bevoegdheden De bevoegdheden van gezanten waren verbonden aan hun status van diplomatiek vertegenwoordiger en werden begrensd door hun rang, hun taakopdracht en de aard van hun volmachten. In onderhandelingen hadden gezanten meestal beperkte, geconditioneerde bevoegdheden. Onderhandelingsvolmachten of pouvoirs vormden voor die bevoegdheden de schriftelijke bewijzen. Pouvoirs kunnen worden vergeleken met de procuraties in het privaatrecht. Ze waren in zeer specifieke termen gesteld. Binnen die termen waren ze absoluut, ongeclausuleerd en ongeconditioneerd: een overeenkomst die door de gezant binnen de termen van zijn pouvoir was ondertekend, werd altijd door de vorst geratificeerd. Pouvoirs waren openbare akten. De onderhandelaars van alle betrokken partijen moesten immers tegenover elkaar kunnen bewijzen, dat ze door hun vorst gemachtigd waren. Ze waren dan ook gericht "aan alle degenen die deze zullen zien of horen lezen". Ze werden bekrachtigd met paraphure en contraseign en met het grootzegel van de Staten-Generaal. Bij het afhandelen van de lopende zaken had de gezant aan pouvoirs doorgaans geen behoefte. De meeste residerende gezanten waren plenipotentiarissen, gezanten met een algemene volmacht of pleinpouvoir. Zij mochten over alles onderhandelen, maar konden hun vorsten niet zonder meer binden. Hun bevoegdheden bleken niet uit hun pouvoirs, maar konden worden afgeleid uit hun "kwaliteit". D.5. Legitimering Vanaf het moment van zijn aanstelling mocht de gezant optreden als de vertegenwoordiger van zijn lastgevers en een beroep doen op de daarbij behorende privileges, inclusief het recht op volkenrechtelijke bescherming. Die claims kon hij pas waarmaken, als zijn bijzondere status door iedereen werd erkend. Om die erkenning te krijgen moest hij onderweg en aan het vreemde hof formele bewijsmiddelen laten zien. Tot die bewijsmiddelen behoorden de akte ad omnes populos, het paspoort en het credentiaal. Dit waren akten, uitgevaardigd door de Staten-Generaal en bekrachtigd met het cachet van de Staat, de "paraphure" van de president van de vergadering en het contraseign van de griffier. Die vorm bleef ook na 1795 gehandhaafd; alleen de namen van de uitvaardigers veranderden. Akten ad omnes populos en paspoorten waren brieven waarin een gezagsdrager aan alle andere gezagsdragers verzocht vrije doortocht te verlenen aan de goederen en de persoon van de drager en hem te vrijwaren tegen geweld. Met de akte ad omnes populos kon de gezant zijn volkenrechtelijke status bewijzen. Paspoorten gaven hem een extra bescherming, die hij vooral nodig had wanneer hij een land moest passeren dat in vijandschap verkeerde met het land van zijn bestemming. Die bescherming werd niet zelden door paspoort of vrijgeleide (sauveconduit) van de vreemde vorst versterkt. Credentialen (geloofsbrieven of brieven van credentie) waren in zeer algemene termen gestelde brieven waarin de afzender aan de geadresseerde liet weten, dat hij een met name genoemd persoon in een zekere rang naar hem had afgevaardigd en waarin hij hem vroeg diens komst voor aangenaam te verklaren, hem in zijn kwaliteit te erkennen en geloof te hechten aan alles wat hij namens zijn opdrachtgever zou zeggen. Geloofsbrieven waren persoonsgebonden. Als een van de drie betrokken partijen, afzender, ontvanger of gezant, door een ander werd vervangen, dan werd een nieuwe geloofsbrief uitgevaardigd. De gezantschapssecretaris die na het vertrek of het overlijden van de gezant met de waarneming van de zaken werd belast, kreeg geloofsbrieven op eigen naam. Geloofsbrieven werden alleen geaccepteerd als ze goed geadresseerd waren, dat wil zeggen, als ze de geadresseerde de status en de titels gaven waarop hij recht meende te hebben. Acceptatie van de geloofsbrieven betekende erkenning van de gezant en ging aan alle ceremoniën, dus ook aan zijn officiële intrede aan het hof vooraf. Meteen na zijn aankomst stelde hij ze dan ook door tussenkomst van de ceremoniemeester in handen van de secretaris van staat voor de buitenlandse zaken, van de hoveling die geacht werd de regels te stellen voor zijn officiële ontvangst, of, bij congressen, van de commissie voor de geloofsbrieven. Pas als ze na zorgvuldig onderzoek waren goedgekeurd, kon die officiële ontvangst worden geregeld. Ze werden dan teruggegeven aan de gezant, zodat deze ze tijdens de eerste audiëntie kon overhandigen aan de vorst en de leden van zijn huis. Vanaf dat moment pas kon de gezant daadwerkelijk als vertegenwoordiger van zijn lastgevers aan de slag en was hij bekwaam om te onderhandelen. Aan de Turkse Porte moesten geloofsbrieven worden overhandigd die waren geschreven in het Turks en waarin de naam van de Grote Heer met goud was geschreven. Aan die eisen voldeden de geloofsbrieven die men in Den Haag maakte niet. Gezanten lieten deze geloofsbrieven daarom voor wat ze waren, bestelden in Constantinopel bij een gespecialiseerd kalligraaf geloofsbrieven die wel aan de eisen voldeden en lieten zich vervolgens op deze niet gevalideerde geloofsbrieven accrediteren. In de Europese diplomatie ging de geloofsbrief soms vergezeld van een particuliere aanbevelingsbrief van de vorst. Zo'n aanbevelingsbrief werd niet als een formele geloofsbrief, maar als een uiting van wellevendheid aangemerkt. In de Republiek was het de prins van Oranje die dergelijke brieven wel eens aan de gezanten van de Staten-Generaal meegaf. E. Onderhandelingen en handelingen E.1. De rol van de gezant in het rechtsverkeer De gezant treedt handelend op in het rechtsverkeer tussen vorsten onderling, tussen burgers en vorsten en tussen burgers onderling. In het rechtsverkeer tussen vorsten is de gezant in de eerste plaats de gevolmachtigde van zijn vorst die met de gevolmachtigden van de tegenpartij onderhandelt en internationale overeenkomsten sluit. In het rechtsverkeer met burgers beperken de rechtshandelingen van de gezant zich voornamelijk tot het uitvaardigen van akten op verzoek van belanghebbenden. E.2. De rol van de gezant bij de totstandkoming van traktaten Het verdragsproces en de rol van de gezant daarin zijn aan strikte vormen gebonden, vormen die onder meer afhankelijk zijn van het type overeenkomst. Van de drie typen die we hier onderscheiden - traktaten, conventies en andere internationale overeenkomsten - moeten de traktaten aan de zwaarste vormvereisten voldoen. Bij verdragen in de plechtige traktaatsvorm (verdragen in engere zin) bestaat het verdragsproces altijd uit twee fasen: de sluiting en de ratificatie. Bij de sluiting van een traktaat speelde de gezant een hoofdrol. Deze fase in het verdragsproces verliep als volgt. Na de goedkeuring van zijn geloofsbrieven overhandigde de gezant zijn onderhandelingsvolmacht aan de gemachtigde van de tegenpartij. Die volmacht liet hij in veel gevallen vergezeld gaan van een propositie, een memoriaal waarin hij voorstelde de onderhandelingen te openen over de kwestie die in zijn volmacht werd genoemd. De gezant kreeg vervolgens van de gemachtigde van de tegenpartij diens volmacht en een schriftelijk antwoord op zijn propositie, waarmee de eigenlijke onderhandelingen of negotiatie waren begonnen. Conferenties waren de gebruikelijke vorm waarbinnen de onderhandelingen werden gevoerd. De processen-verbaal van deze conferenties, die protocollen werden genoemd, hadden een bindend karakter. Dat gold in optima forma voor preliminaire artikelen of preliminairen (waarin partijen de uitgangspunten van een vredsverdrag vastlegden): die hadden zelf de traktaatsvorm. De onderhandelaars sloten de onderhandelingen af door de definitieve traktaatstekst op te stellen, er hun onderhandelingsvolmachten aan toe te voegen en het traktaat te sluiten door die tekst te ondertekenen. Eenmaal gesloten, zag het traktaat er als volgt uit. Het begon met een preambule waarin de achtergrond van de overeenkomst werd geschetst. Daarna volgde een passage waarin werd meegedeeld wie de partijen waren, wat de aard van de overeenkomst was en waarom de overeenkomst werd gesloten. Vervolgens kwam, voorafgegaan door de namen van de gevolmachtigden en de aanduiding van de rechtshandeling, de eigenlijke verdragstekst, bestaande uit een aantal artikelen, die in hoofdstukken of capita konden zijn onderverdeeld, en een slotclausule, die bepalingen kon bevatten over geldingsduur en opzeggingstermijn. Dan volgden nog enkele mededelingen over de wijze van uitvaardiging en bekrachtiging, de datum en de handtekeningen en zegels van de gevolmachtigden. En tenslotte konden er dan nog afzonderlijke en meestal geheime artikelen volgen, die in hun préambule naar het traktaat verwezen, maar de vorm hadden van afzonderlijke overeenkomsten. De tweede fase van het verdragsproces was de fase van de plechtige bekrachtiging of ratificatie van het traktaat. Deze fase bestond hierin, dat de betrokken soevereinen elkaar een oorkonde toestuurden, de zogenaamde akte van ratificatie, waarin zij plechtig verklaarden, dat zij het traktaat dat hun gezanten, krachtens hun bijzondere volmacht, hadden gesloten met de gemachtigden van de tegenpartij, hadden gezien en onderzocht, dat zij dit traktaat hadden aanvaard, goedgekeurd, bekrachtigd en bevestigd en dat zij het zouden naleven en doen naleven. Hoewel de volledige tekst van het traktaat met alle bijlagen in deze oorkonde was opgenomen, trad de ratificatie niet in de plaats van het traktaat. Het traktaat bleef het stuk waar het om ging; de gezant had het gesloten binnen de termen van zijn volmacht. Ratificatie was dus een formaliteit en wanneer ratificatie niet plaatsvond had het traktaat toch rechtskracht.( Het traktaat was een openbaar stuk, terwijl de ratificatie een particulier stuk was, een privé-akte van de soeverein: De Wicquefort, dl. 2, p. 179. In het archief van de Staten-Generaal werden traktaten en ratificaties ook in aparte series bewaard: de eerste in de loketkas, de tweede in de secrete kas. ) In de fase van de ratificatie speelden gezanten een ondergeschikte rol. Soms legden zij hun lastgever het traktaat zelf ter ratificatie voor, dikwijls waren ze betrokken bij de uitwisseling van de ratificaties. Alleen de belangrijkste internationale overeenkomsten werden in traktaten vastgelegd. Zaken van oorlog en vrede werden geregeld in traktaten van vrede, bestand, arbitrage en subsidie, verbonden en bondgenootschappen werden bezegeld en ondersteund in traktaten van confederatie, van offensieve of defensieve alliantie en van garantie. Handel en zeevaart werden gereglementeerd in traktaten van commercie, navigatie en marine. Sommige traktaten, de zogenaamde open traktaten, lieten expliciet toetreding toe van andere partijen, meestal binnen een bepaalde termijn. Toetredingen (accessies) en toelatingen (inclusies) tot een reeds gesloten traktaat hadden ook de plechtige traktaatsvorm, evenals garanties door derden. Bijzondere typen traktaten tenslotte waren de verklaring of interpretatie, de uitbreiding of ampliatie, de verlenging of prolongatie, de bevestiging of confirmatie en de vernieuwing of renovatie van een traktaat. E.3. De rol van de gezant bij de totstandkoming van andere internationale overeenkomsten Het traktaat was de belangrijkste, maar niet de enige internationale overeenkomst. Er werden ook conventies en andere overeenkomsten gesloten. Onder conventies worden doorgaans militaire conventies verstaan: overeenkomsten tussen oorlogvoerenden, waarin de oorlogsvoering wordt gereguleerd en met name regels worden gesteld over beëindiging van de krijgshandelingen. Dergelijke overeenkomsten konden behalve door gezanten ook door de bevelhebbers worden gesloten.(Ook de stadhouders konden conventies sluiten en wel in hun hoedanigheid van kapitein-generaal van de Unie.) Voorbeelden van militaire conventies zijn het cartel, waarin de uitwisseling van krijgsgevangenen wordt geregeld, en de capitulatie, waarbij de voorwaarden worden bepaald waaronder een leger, een stad, een vesting of een landstreek zich zal overgeven of onderwerpen of waaronder de ene vorst troepen overneemt van de andere.(Deze capitulaties moeten niet worden verward met de privileges die de vorsten van het Osmaanse rijk verleenden aan de vorsten van de christenheid. In deze capitulaties werd de rechtspositie van hun in het Osmaanse rijk verblijvende onderdanen geregeld en werd de rechtsmacht over hen opgedragen aan de ambassadeur of consul van de staat in het desbetreffende gebied. Meer hierover in de inleiding van het tweede deel van deze bundel.) Andere militaire conventies hebben betrekking op het uitleveren van deserteurs, de vaststelling van grens- of limietscheidingen of de uitvoering van andere conventies. De vorm van conventies was vrijer dan die van traktaten. De plechtige conventie is van een traktaat formeel nauwelijks te onderscheiden: de omschrijving van de rechtshandeling is anders (men heeft niet een verdrag gesloten, maar is iets overeengekomen) en er is een bepaling over ratificatie opgenomen. De conventie in haar meest eenvoudige vorm daarentegen is niets meer dan de tekst van een overeenkomst met daarboven de aanduiding van de partijen en de rechtshandeling. Niet alle conventies werden plechtig geratificeerd. Sommige werden op eenvoudiger wijze door de soeverein bekrachtigd, bijvoorbeeld door toevoeging aan de conventie van een akte van approbatie. Andere werden in het geheel niet bekrachtigd. Zo mochten militaire bevelhebbers na rechtstreekse onderhandelingen bepaalde militaire conventies (zoals korte, bijzondere wapenstilstanden) sluiten die door de eenvoudige ondertekening van het gemeenschappelijk stuk in werking traden. Gezanten sloten niet alleen traktaten en conventies, maar ook andere internationale overeenkomsten: accoorden, contracten, declaraties etc. Akten van accoord of van accomodement zijn doorgaans schikkingen; akten van contract hebben veelal op private rechtshandelingen zoals geldleningen betrekking; gemeenschappelijke verklaringen of akten declaratoir van partijen kunnen dienen als interpretatie van een door hen eerder of op hetzelfde moment gesloten overeenkomst (zoals de akten van verklaring, van interpretatie of van nadere uitleg), maar ook als politieke intentieverklaringen (zoals de akten van garantie en van neutraliteit). Ook accoorden, contracten, declaraties etc. konden worden geratificeerd of bekrachtigd door aggreatie, approbatie of confirmatie. Bekrachtiging was hier echter niet noodzakelijk en in bepaalde gevallen zelfs ongebruikelijk. E.4. Eenzijdige rechtshandelingen van de gezant in het internationale verkeer Namens zijn soeverein verrichtte de gezant ook eenzijdige rechtshandelingen. Hij vaardigde verklaringen uit die toelichtingen, toezeggingen of interpretaties behelsden of waarin overeenkomsten van andere partijen werden gegarandeerd. Deze verklaringen waren onderworpen aan dezelfde bekrachtigingsregels als de internationale overeenkomsten. Afhankelijk van hun aard en de volmachten van de gezant moesten ze worden geratificeerd, geaggreëerd, geapprobeerd of geconfirmeerd door de soeverein. E.5. Rechtshandelingen van de gezant ten behoeve van onderdanen van de staat De gezant treedt ook handelend op in het rechtsverkeer tussen onderdanen van de staat en de vreemde vorst en tussen onderdanen van de staat onderling. Gezanten van de Staten-Generaal en de Bataafse Republiek gaven paspoorten af en schutbrieven, getuigschriften en certificaten. Door gezanten afgegeven paspoorten hadden formeel slechts de status van aanbevelingsbrieven, behalve in die gevallen waarin de Staten-Generaal de gezant tot afgifte hadden gemachtigd. Zo waren gezanten in de Oostenrijkse Nederlanden gemachtigd paspoorten te verstrekken aan aldaar gelegerde Staatse militairen. Voor de consuls was de afgifte van verklaringen en andere akten ten behoeve van landgenoten in hun ressort dagelijks werk. In de registers die zij ervan bijhielden treft men een rijke schakering aan, meestal - uiteraard - op het gebied van handel en zeevaart. Een heel bijzondere taak op dit gebied vervulden de gezanten en consuls van de Staten-Generaal in het Osmaanse Rijk. Zij namelijk oefenden krachtens de capitulaties die met de betrokken vorsten waren gesloten (en die niet moeten verward met de gelijknamige militaire conventies) de rechtsmacht uit over de Nederlandse natie in hun ressort. De uit dien hoofde aan en ten behoeve van Nederlandse onderdanen verstrekte akten werden uitgevaardigd door de kanselier, het hoofd van de kanselarij. In het tweede deel van deze bundel worden deze akten uitvoeriger behandeld. Zie voor vervolg de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
De oorsprong van de Gendringse St. Martinusparochie moet ergens in de 9e of 10e eeuw liggen. Reformatie en voortzetting van de r.k. religie Ten tijde van de Reformatie ging de oude kerspelkerk omstreeks 1604 over in protestantse handen. Dit nadat de hoogbejaarde pastoor Johannes de Vrede verdere bediening van de Gendringse roomskatholieke gemeente was verboden. De locale bevolking die voor een groot deel de oude religie bleef belijden, was voor de geloofsbeleving aangewezen op schuilkerken en illegaal in de regio opererende missiepriesters. Over de Reformatie in de regio zijn diverse beschrijvingen gepubliceerd (zie literatuurvermelding). Wezenlijk van invloed op de ontwikkelingen was de religieuze houding van het aanvankelijk liberaal denkend en na 1600 ‘roomsgezinde’ gravenhuis van Bergh, waaronder de heerlijkheid Gendringen ressorteerde. Wat Gendringen betreft vond de voortdurende bediening in de oude leer vooral plaats vanuit Ulft waar aanvankelijk illegaal kerk werd gehouden. Dat gebeurde ondermeer in het kasteel Ulft dat eigendom was van het Berghse gravenhuis. Later, begin 18e eeuw, toen openbare uitingen van de katholieke geloofsbeleving wat meer gedoogd werden, werd in Ulft een schuurkerk gebouwd. In de Bataafs-Franse tijd (1795-1813), toen de gereformeerde kerk de status van de van overheidswege bevoorrechte kerk tijdelijk verloor, kwam onder het motto Vrijheid Gelijkheid Broederschap de roep van vele Rooms Katholieken tot herstel in de oude rechten. In Gendringen poogden afgevaardigden van de Roomse gemeente vergeefs de oude kerspelkerk weer in gebruik te mogen nemen. R.k. statie Gendringen In 1813 deed zich in Gendringen een nieuwe mogelijkheid tot stichting van een kapel of kerk voor die de rooms katholieken aangrepen: de oude havezate Oevelgunne werd publiek geveild. Door de gunstige ligging, (een steenworp van het centrum van het dorp verwijderd) en het feit dat het gebouw met betrekkelijk ‘spaarzame kosten’ tot kerkgebouw en pastorie kon worden ingericht, besloten enkele ingezetenen een bod te doen. Een comité bestaande uit zeven ‘notabele’ personen, die betiteld werden als ‘hoofden en voornaamste leeden der Gendringse Roomsch Catholyke Gemeente’, wist voor 6000 gulden oftewel 12.600 franken de hand te leggen op het Middeleeuwse goed. De Oevelgunne was door de erven van de laatste prominente bewoner, de landschrijver Gerrit Smits en zijn echtgenote Sara Boeveldt in de verkoop gebracht. In de koopakte van 25 juni 1813, die zich in het parochiearchief bevindt, staat het goed omschreven als ‘een Heerenhuyzinge met een schuur, twee hoven, een kamp bouland een weyde en een boomgaard’. Voorts waren aan het bezit het recht op een graf en zitplaatsen in de (protestantse) kerk van Gendringen verbonden. Deze rechten werden niet bij de verkoop betrokken. Sinds 20 november 1814 was de Oevelgunne als kerk ingericht. Lang heeft de Oevelgunne niet als kerk gediend want al in 1818 was er sprake van een nieuwe situatie. Kerkbouw 1818 In 1818 werd tegen de westgevel van de Oevelunne (in het verlengde van deze havezate) een kerk gebouwd. Het aldus tot stand gekomen complex van een pastorie met kerk betekende een verschuiving in de lokale kerkelijke bediening waarvan het zwaartepunt zich van Ulft weer naar Gendringen verplaatste. Ook pastoor Hendriksen verhuisde vanuit Ulft naar Gendringen. Dit bracht spanningen teweeg temeer omdat inkomsten zoals de bankenpacht uit de Ulftse kapel aan de kerk van Gendringen werden toegewezen. Na veel moeite kregen de Ulftenaren het in 1822 gedaan dat de bij een storm verwoeste schuurkerk te Ulft mocht worden herbouwd. Het gebouw kreeg evenwel de status van een kapel die vanuit Gendringen door een kapelaan werd bediend. Eerst in 1845 werd Ulft verheven tot een zelfstandige statie waarna in 1857 de status van parochie toegekend werd. R.k. Armbestuur en armenhuis De oudste sporen van het bestaan van een armbestuur in het parochiearchief dateren uit 1841. In dat jaar werd in de Achterkerspel, een van de oudste straten van het dorp Gendringen, een armenhuis gebouwd. Dit armenhuis was de opvolger van een ouder armenhuis dat de armmeesters in de IJsselstraat bestierd hadden. Voorts toont het archief dat het armbestuur, dat personeel vorm werd gegeven door de ‘armmeesters’ op basis van giften (legaten) het nodige kapitaal vormde om de ondersteuning van de armen ter hand te kunnen nemen. Het armenhuis bleef, nadat in 1905 op dezelfde plek nieuwbouw plaats had, gehandhaafd tot omstreeks 1916. In dit jaar werd het armenhuis verkocht. Verheffing tot parochie en afsplitsing van Megchelen De Gendringse kerk kreeg in 1854 opwaardering toen de r.-k. statie van Gendringen officieel werd verheven tot de parochie van de H. Martinus van Gendringen. Martinus oftewel St. Maarten was reeds voor de reformatie van de Gendringse kerk (c.1605) de patroonheilige van de kerkgemeenschap te Gendringen. In hetzelfde jaar, 1854, kreeg M. Kersting, orgelbouwer te Munster, de opdracht om een orgel te maken. In 1861 en in 1875 was het tijd voor reparaties aan toren en gevels. In 1863 had een ingrijpende vermindering van het zielental en daarmee van de inkomsten plaats door de oprichting van een zelfstandige St. Marinusparochie te Megchelen. Dit gebeurde nadat daar reeds in 1855 een bijkerk gesticht was. De band met Megchelen is er de reden van dat zich enkele stukken betreffende deze parochie in het archief van de Gendringse parochie bevinden. Een nieuw kerkgebouw Uit 1891 en 1893 dateren de oudste bekende gegevens over een voorgenomen nieuwbouw. Sprake is van aanvaarding van een legaat en het sluiten van een lening voor de bouw van een nieuwe kerk. De nieuwbouw kreeg in 1896 (6 mei) met de inwijding van de door architect Alfred Tepe ontworpen tegenwoordige kerk zijn beslag. Over de aanleiding tot de nieuwbouw zijn voorzover bekend geen gegevens overgeleverd. Het is denkbaar dat de aanwas van het aantal zielen een ruimer kerkgebouw vereiste. De uit 1818 daterende kerk, die pal naast de nieuwbouw stond, werd afgebroken. De nieuwe kerk was via de sacristie verbonden met de Oevelgunne die als pastorie dienst bleef doen. Verzuiling, eigen begraafplaats, eigen school De alom heersende Verzuiling kreeg ook het Gendringse in de eerste decennia van de twintigtse eeuw in de greep. Pastoor Wijfker handelde als kind van zijn tijd naar de alom gangbare ontwikkelingen en initieerde de totstandkoming van enkel voor rooms katholieken bestemde voorzieningen. Zo kwam het in 1920 tot de ingebruikname van een eigen begraafplaats. Deze werd aangelegd in de zogeheten Kleine IJsselweide. De begraafplaats waar rondom een kruisweg (1929) werd geplaatst vormde zo met de kerk en pastorie met tuin, de Oevelgunseweide en de Kerkweide één parochieel complex. Daarnaast werden ook aan de Kerkstraat en Raadhuisstraat (tegenwoordige Kerkplein) successievelijk huizen eigendom van de parochie. De Schoolwet van 1921 schakelde het bijzonder onderwijs gelijk met het openbaar lager onderwijs zodat de overheid het bijzonder onderwijs financieel faciliteerde. Het parochiebestuur zag aldus de kans schoon om ook in Gendringen een Roomsch Katholieke school voor gewoon lager onderwijs te stichten. Parochiebestuur als schoolbestuur Bij de schoolwet van 1921 werd het bijzonder onderwijs wat financiële steun betreft gelijk gesteld met het openbaar onderwijs. Het parochiebestuur klopte vervolgens bij de gemeente aan voor de nodige gelden om een school te kunnen stichten. Door de raad van de toenmalige gemeente Gendringen werd beslist dat op medewerking kon worden gerekend. Onder andere gebeurde dit met de overdracht van het grootste deel van het uit 1916 daterende gebouw van de openbare lagere school aan het kerkbestuur. Het parochiebestuur, met pastoor Wijfker als voorzitter, fungeerde tevens als schoolbestuur. Dit is dan ook de reden waarom een deel van de in het parochiearchief aangetroffen stukken betrekking heeft op de ‘St. Christophorusschool’ die later ‘Christoffelschool’ genoemd zou worden. De school werd ondergebracht in de Katholieke Stichting Basisonderwijs te Gendringen die per 1 januari 1968 begon te functioneren. De band van de school met de Martinusparochie bleef vervolgens op informele basis bestaan. Zustercongregatie en het gesticht Maria Magdalena Postel In 1923 werd door het parochiebestuur met de Zusters van Barmhartigheid van Heiligenstadt overeengekomen dat zusters van deze congregatie zich in Gendringen zouden vestigen en dat deze zich per 24 september van datzelfde jaar bezig zouden gaan houden met verschillende vormen van zorg zoals wijkverpleging en het houden van een bewaar- naai en breischool. De zusters vestigden zich aanvankelijk in een pand aan de voormalige Kerkstraat. In dezelfde straat werd een huis, dat ingericht was als patronaatsgebouw, in gebruik genomen als bewaarschool. In 1928 werd bij het kerkgebouw een volwaardig zusterhuis gebouwd alwaar ook aan ziekenzorg werd gedaan. Het klooster werd op 16 augustus 1928 ingezegend. Ook werden er ‘ouden van dagen’ gehuisvest en verzorgd. In 1952 werd het Maria Magdalena Postelgesticht door het parochiebestuur overgedragen aan de zustercongregatie. In 1958 werd nabij de kerk de kleuterschool Mariëngaarde gebouwd als vervanger van de door de zusters beheerde bewaarschool in het patronaatsgebouw. Ook hier werd het kleuteronderwijs aanvankelijk door de zustercongregatie voortgezet. Het ‘klooster’ werd in 1962 uitgebreid met een flatgebouw waarin kamers voor bejaarden, dienstruimten en een zaal werden gerealiseerd. De nieuwe flat werd in 1964 ingewijd. In latere decennia volgden uitbreidingen en verbouwingen waarin het oorspronkelijke kloostergebouw geheel en al werd opgenomen dan wel onherkenbaar verdween. Eind 1986 verhuisden de zusters naar een ruime woning aan de Anholtseweg. In 2008 werd ook dit huis door de laatste zusters verlaten. Zij vertrokken naar het moederhuis in Vleuten en elders gelegen tot de congregatie behorende huizen. Het in 1928 gestichte klooster bestaat in 2010 nog als het verzorgingshuis Maria Magdelena Postel. De administratie van het klooster viel enige tijd (1935-1945) onder het beheer van het parochiebestuur dit is dan ook de reden waarom stukken betreffende het gesticht Maria Magdalena Postel in het parochiearchief berusten. Afsplitsing van Varsselder en Veldhunten Amateurhistoricus W.J. Winands brengt in zijn publicatie ‘Rondom de Ringoven’ (1981) de stichting van de parochie van de H.H. Martelaren van Gorcum voor de buurtschappen Varsselder en Veldhunten in direct verband met de inspanningen van pastoor Wijfker om in Gendringen een zustercongergatie gevestigd te krijgen. Appél op grotere financiële bijdragen zou voor de bewoners van de buurtschappen Varsselder en Veldhunten aanleiding geweest zijn om zich te beijveren voor de oprichting van een zelfstandige parochie. In het archief van de Gendringse Martinusparochie werd over de aanleiding tot de afsplitsing van Veldhunten en Varsselder geen informatie aangetroffen. Wel is er een brief uit 1917 inzake een voorstel voor het verloop van de grens met de nieuwe parochie. De parochie van de H.H. Martelaren van Gorcum te Varsselder en Veldhunten werd 4 november 1917 bij bisschoppelijk besluit van 29 oktober 1917 opgericht. Lijkwagenvereniging Een bijzonder archiefje dat bij het parochiearchief werd aangetroffen is het archief van de ‘Vereeniging tot het aankoopen en exploiteren van een lijkwagen te Gendringen’. Deze vereniging werd op 7 december 1908 opgericht op initiatief van de r.k. armmeesters die daartoe naar Terborgs voorbeeld contact hadden opgenomen met de diaconie van de Hervormde gemeente. Gezamenlijk kwam het tot de vorming van een vereniging die de aanschaf van een lijkwagen bekostigde alsmede de aankoop van bijbehorende accessoires als lantaarns en 14 mantels. Uiteindelijk werd besloten om voor de lijkwagen, die paardentractie behoefde, toch maar geen eigen onderkomen te bouwen maar om gebruik te maken van de schuur van de logementhouder Nusselder (‘Het Posthuis’). De aldus opgetuigde vereniging voorzag in het onderhoud van het transportmiddel voor overledenen van de Gendringse St. Martinusparochie en de Ned. Herv. gemeente Gendringen-Megchelen-Netterden. Het vervoer naar de begraafplaats was mogelijk in vier tariefklassen die zich onderling onderscheidden op grond van de bij de wagen te huren accessoires. In 1927 werd de lijkwagen na een opknapbeurt ondergebracht in de stalling bij hotel ‘de Pelikaan’, eveneens gelegen in het centrum van het dorp Gendringen. De notulen uit 1957 maken melding van concurrentie door begrafenisonderneming Apeldoorn te ’s-Heerenberg die begrafenissen regelde ‘met autoos enz.’. In het volgende jaar werd besloten om de wagen te verkopen en de accessoires over te doen aan de begrafenisonderneming, waarmee blijkbaar goede contacten onderhouden werden. Het overgebleven kapitaal, 2962 gulden werd gelijkelijk verdeeld tussen het r.k. armbestuur en de Ned. Herv. diaconie. Hiermee was de Gendringse lijkwagenvereniging, die vijftig jaar in goede harmonie door de armbestuurders van de twee geloofsrichtingen was bestuurd, ter ziele. Tweede Wereldoorlog De lotgevallen die de parochie ten deel vielen en waarvan het archief getuigt is in de eerste instantie de vordering van de luidklokken in het kerkgebouw in 1943 door de Duitse bezettende macht om in de oorlogsindustrie te worden versmolten. In maart 1945 kwam de streek onder geallieerd granaatvuur te liggen en richtten jachtbommenwerpers bij hun aanvallen her en der verwoesting aan. Gebouwde bezittingen van de parochie leden zo veel schade. Het herstel daarvan leverde de nodige neerslag in het archief op. Een blijvend gevolg van de oorlog is dat de begraafplaats in 1941 bestemd werd als centrale begraafplaats voor in de gemeente Gendringen omgekomen Geallieerde vliegeniers. Uiteindelijk vonden zeven vliegtuigbemanningen, totaal 30 vliegeniers, uit de Commonwealthlanden er hun laatste rustplaats.
De eerste schriftelijke bewijzen van het bestaan van een parochie in Waalwijk dateren uit de 13e eeuw. Hertog Hendrik I van Brabant schonk in 1233 het patronaatsrecht, dit is het recht om pastoors aan te stellen, aan de abdij van Tongerlo. Het oudste stuk hieromtrent in het archief dateert van 1648. Het is een brief van de burgemeester en schepenen van Waalwijk aan de Staten-Generaal waarin zij zeggen dat de abt van Tongerlo Wouter Gorissen als pastoor van Waalwijk en een pater voor het nonnenklooster gestuurd heeft. Tot 1826 waren de pastoors en tot 1813 de kapelaans allen abdijheren van Tongerlo. Daarna traden seculiere geestelijken aan. Johannes de Doper is de patroonheilige van deze eerste Waalwijkse parochie. Op 24 juni herdenkt men zijn geboorte. Hij is de patroon van meerdere parochies in de omgeving, zoals Loon op Zand, Vlijmen en Capelle. Oss, J. van. Sint Jan Waalwijk acht eeuwen geschiedenis. Waalwijk viel onder het bisdom Luik en het dekenaat Hilvarenbeek totdat in 1559 het bisdom 's-Hertogenbosch opgericht werd. Aan de parochiegrenzen werd in de loop der jaren heel wat gewijzigd en vooral dan in de laatste 150 jaar. In die periode ontstonden enkele nieuwe parochies. Tot dan deed de St.-Jansparochie de zielzorg over een ruim gebied: Waalwijk, Besoijen, Zuidewijn-Capelle, Drongelen, Gansoyen en Haghoort. Besoijen zou reeds vóór de oprichting van het bisdom 's-Hertogenbosch bij de Waalwijkse parochie gehoord hebben en dit hoewel Besoijen tot Holland hoorde en Waalwijk tot Brabant. In 1851 werd de parochie Maria Onbevlekt Ontvangen in Besoijen opgericht. Zuidewijn-Capelle ging op dat moment bij de Besoijense parochie behoren, Drongelen, Gansoyen en Haghoort bleven bij Waalwijk. Vervolgens is in 1902 de St.-Antoniusparochie opgericht. Hier gold de spoorweg Lage Zwaluwe-'s-Hertogenbosch als grens. De St.-Bernadetteparochie ontstond ten slotte in 1963. Zij nam een deel van de parochianen van de St.-Jans- en van de St.-Clemensparochies in Baardwijk over. De grenzen bleven ongeveer dezelfde tot in 2000 de parochies St.-Jan en Maria Onbevlekt Ontvangen (opnieuw) samengevoegd werden tot één parochie Sint Jan/Maria. De oudst bekende stenen parochiekerk zou in 1421 verwoest zijn door de St.-Elisabethsvloed. Zo'n 50 jaar later bouwde men een nieuwe kerk op de grens met Besoijen. Deze kerk, bekend als de Kerk aan de Haven, bleef in gebruik tot de Vrede van Munster in 1648. Toen bepaalde de Staten-Generaal dat alle katholieke kerken gesloten moesten worden en overgedragen aan de hervormden. De eerste jaren na 1648 gingen de katholieken mogelijk naar de kapel van het klooster Nazareth. De pastoor was immers geestelijk leidsman van de zusters. Zo mocht hij hen de communie geven en de biecht horen. Aan het einde van de 17e eeuw kreeg men toestemming voor de bouw van een schuurkerk of schuilkerk. Ze was gelegen achter de huidige pastorie in de Grotestraat 285 en mocht niet zichtbaar zijn vanaf de straat of verder in het oog springen. De kerk brandde af, maar er kwam een nieuwe. Deze werd na meer dan een eeuw veel te klein en ongeschikt, de parochianen klaagden over stank door de aanwezigheid van te veel volk en over benauwdheid door de laagte van het gebouw. Op het einde van de 18e eeuw poogde het kerkbestuur de kerk aan de haven opnieuw op te eisen, dit in het kader van de nieuwe grondwet voor de Bataafse Republiek waarin stond dat kerken naar evenredigheid herverdeeld mochten worden. De strijd leverde echter niets op. Uiteindelijk begon men in 1827 met de bouw van een eigen waterstaatskerk. Ze werd in 1829 in gebruik genomen. Ook deze werd, net als de vorige, in de loop der jaren te klein. Rond 1907-1908 vatte het kerkbestuur reeds plannen op om een nieuwe kerk te bouwen. Zo getuigt een ontwerptekening gemaakt door architect Jan Stuyt uit Amsterdam. Bij gebrek aan geld gingen deze plannen echter niet door. Een twintigtal jaar later startte de bouw van de huidige kerk, ditmaal naar een ontwerp van de architect H.W. Valk, die vroeger nog bij Stuyt werkte en waarschijnlijk door hem werd aanbevolen. De kerk kwam op dezelfde plaats als de waterstaatskerk, die in 1922-1923 gesloopt werd. In de tussentijd gingen de parochianen naar een noodkerk die het kerkbestuur had aangekocht in Koewacht in Zeeuws-Vlaanderen en die ten zuiden van het klooster van de zusters van J.M.J. stond. De huidige kerk is ingewijd in 1925 en plechtig geconsacreerd in 1927. Ze doet nog steeds dienst als parochiekerk voor de parochie Sint Jan/Maria. De eerste bij naam bekende pastoor van de St.-Jansparochie was Franco Bac(k). Hij zette de lijn in van een reeks pastoors afkomstig van de abdij van Tongerlo. Tot 1826 kwamen vele pastoors dan ook uit die omgeving: Turnhout, Dessel, Geel, enzovoort. De pastoor stond in voor de zielzorg en liturgie, niet alleen voor de eigen parochianen, maar ook voor het klooster Nazareth en de zusters van J.M.J. Hij was geestelijk adviseur, voorzitter of lid van het bestuur van vele verenigingen en instellingen, zoals de Maria Stichting en de R.K. Speeltuin. Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw liet de man zich ook in met een aantal sociale kwesties. Zo uitte hij op de preekstoel zijn mening over de gedwongen winkelnering en de staking bij stoomschoenenfabriek A.H. Van Schijndel. En ten slotte was hij betrokken bij alles wat het kerkbestuur aanging. Vanaf 1682 werd de pastoor geassisteerd door een kapelaan. Of er voordien kapelaans waren is niet duidelijk. Een tweede kapelanij werd in 1837 opgericht. De derde kapelanij kwam er in 1898 na het overlijden van Adrianus Theodorus Hoos. Deze Waalwijker werd tot priester gewijd in 1858 en was kapelaan in Hilversum en Utrecht. Wegens ziekte kwam hij terug naar Waalwijk, waar hij dienst deed bij de zusters van J.M.J. en in het ziekenhuis en waar hij overleed in 1897. Hij was tevens een bekend weldoener van de parochie. Het kerkbestuur zorgde voor de zakelijke belangen van de parochie. Waar de katholieken het in de 16e en 17e eeuw hard te verduren kregen door de godsdienstperikelen, groeide de St.-Jansparochie in de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw uit tot een rijke parochie. Een behoorlijk aantal eigendommen vergde een degelijk beheer. In 1944 bijvoorbeeld bezat het kerkbestuur aan onroerende goederen: de kerk met kerkhof, de pastorie, de kosterswoning, de St.-Petrusschool, de Don Boscoschool, het ziekenhuis met bijgebouwen, het St.-Theresiagesticht, het patronaatsgebouw, de nijverheidsschool, een 12-tal woningen en een 25-tal gronden. Het merendeel van deze eigendommen was gelegen in de Grotestraat en de directe omgeving van de kerk. Daarnaast bestuurde het kerkbestuur het St.-Theresiagesticht. De zusters van J.M.J. kwamen in 1844 naar Waalwijk, in de eerste plaats om een bewaar- en lagere school voor meisjes te leiden. In dezelfde periode vatte het kerkbestuur het plan op om een gasthuis op te richten. De zusters werden in de onderhandelingen betrokken. Het kerkbestuur zou alle eigendommen van de zusters opkopen en in hun onderhoud voorzien en in ruil zou alles wat de scholen en het gasthuis zouden opbrengen ten gunste komen van het kerkbestuur. Het gasthuis begon reeds in 1871 te draaien, maar er moest nog veel gebouwd worden. Het zogenaamde St.-Theresiagesticht, wat een woonhuis of klooster voor de zusters, een ziekenverblijf, schoollokalen en een kapel omvatte, kwam te staan in de directe omgeving van de kerk in de Grotestraat. Het gasthuis had als eerste taak in te staan voor de geestelijke en lichamelijke verzorging van in hoofdzaak behoeftige (arme) zieken, daarnaast ving men ook ouderen op. In de loop der jaren groeide het uit tot een volwaardig ziekenhuis. In 1931 werden de deuren geopend van een nieuw gebouw, het St.-Nicolaasziekenhuis. Het bestuur over het ziekenhuis was tot en met 1954 in handen van het kerkbestuur, dat tegelijk gasthuisbestuur was. Met ingang van 1 januari 1955 werd het bestuur overgedragen aan de Deken van Riel Stichting, genoemd naar de pastoor die fel ijverde voor een nieuw ziekenhuis. De ziekenhuisinventaris, de werkvoorraden en de vorderingen en schulden op de ziekenhuisexploitatie werden overgenomen door de stichting. De gebouwen in de Grotestraat 232 bleven eigendom van het kerkbestuur. Dit zou zo blijven tot in 1968 een groter ziekenhuis gebouwd werd in de Kasteellaan. Het laatste onderdeel van het St.-Theresiacomplex, namelijk de muziekschool of vroegere kleuterschool, werd in 2003 afgebroken. Het archief van het St.-Nicolaasziekenhuis bevindt zich in het gemeentearchief Waalwijk. Ook het onderwijs nam het kerkbestuur gedurende een ruime periode op zich. Samen met het patronaatsrecht, kreeg de abdij van Tongerlo het officium scholae. Mogelijk was er in de 13e eeuw reeds een parochieschool. De oudste gegevens omtrent onderwijs in het archief dateren uit 1710. De zusters van het klooster Nazareth hadden toen net een kloosterschool opgericht. De zusters van J.M.J. begonnen in 1844 met een kleuter- en lagere school voor meisjes onder toezicht van het kerkbestuur. De school kreeg vanaf 1874 een plaats in het St.-Theresiagesticht. Ze breidde vanaf dan aanzienlijk uit, niet alleen wat het aantal leerlingen en lokalen betrof, maar ook wat betreft de gegeven vakken. De zusters gaven rond 1930 bijvoorbeeld ook privaatlessen Frans, muziek en fraaie handwerken. Pas vele jaren later, in 1914, werd een lagere school voor jongens, de St.-Petrusschool, in gebruik genomen. De school werd genoemd naar de bekende Waalwijkse weldoener Pieter Wijten. Hier zorgde de Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd Maria uit Maastricht voor het onderwijs, eveneens onder leiding van het kerkbestuur. Het bestuur over en het eigendom van de twee scholen droeg het kerkbestuur in 1972 over aan de Stichting Katholieke Scholen Waalwijk-Centrum en -West. In 1974 fusioneerden de St.-Theresia- en de St.-Petrusschool. De Don Boscoschool ten slotte werd opgericht in 1936. De school was bestemd voor buitengewoon lager onderwijs en bevond zich in de Grotestraat 242. In 1954 werd het bestuur over deze school overgenomen door de Stichting voor Christelijk Buitengewoon Lager Onderwijs voor Waalwijk en Omgeving. De taak van armbestuur was, in tegenstelling tot de talrijke andere taken, niet voor het kerkbestuur weggelegd. In 1850 schonk Joannes Cornelis Wassen fl. 200,- aan het kerkbestuur op voorwaarde dat dit kerkbestuur het geld zou gebruiken voor de armen in Waalwijk. Om het legaat te kunnen aanvaarden richtte het kerkbestuur pro forma een armbestuur op. Er zijn verder wel enkele sporen van armenzorg, maar de eigenlijke armenzorg lag sinds 1850 bij de vereniging van St.-Vincentius à Paulo. Deze vereniging, in Nederland opgericht in 1846, bestond uit mannelijke leken en had tot doel het lenigen van geestelijken en lichamelijken nood in arme huisgezinnen, het zorgen voor eene Roomsch-Katholieke opvoeding van arme of verlaten kinderen en het beoefenen van andere liefdewerken en dit om de heiliging van de leden te bevorderen. De nadruk lag niet op het zoveel mogelijk uitdelen aan de armen, wel op het door huisbezoeken minder bedeelde gezinnen geestelijk te verheffen. De vereniging bleef in Waalwijk bestaan tot 1997, toen was ze al enkele jaren niet meer actief.
In tegenstelling met de meeste andere grotere steden van ons land is er vóór de reformatie van de XVIe eeuw in 's-Gravenhage geen minderbroe-dersklooster geweest. De stad bood wel verblijf aan gezanten van vreemde mogendheden en het waren de gezanten van katholieke landen die, toen hier de katholieke kerken gesloten moesten worden, hun ambassade-kapellen voor het publiek openstelden tot ergernis van de predikanten. Dat gold met name voor Frankrijk, Venetië, Portugal en later -na de vrede van Munster- ook voor het duitse keizerrijk en Spanje. Veelal bedienden de paters jesuiten de ambassade-kapellen, maar in de XVIIIe eeuw brak er in bijna alle landen een hevige vervolging van de Sociëteit los. In 1708 werden de jesuiten door de Staten van Holland verdreven en zo werd in Den Haag de zolderkerk aan de Nobelstraat gesloten. De Staten hadden echter niets te vertellen over de ambassadekapellen, maar in 1767 ondertekende de koning van Spanje het verbanningsdecreet waardoor de jesuiten ook de spaanse kapel in 's-Gravenhage moesten verlaten en in 1768 moesten de leden van de Sociëteit ook de franse ambassade aan de Casuariestraat verlaten. De minderbroeders die sinds 1710 aan de keizerlijke kapel van de duitse ambassade waren verbonden, werden gevraagd voor beide genoemde ambassadekapellen. De keizerlijke kapel van de duitse ambassade hebben de minderbroeders bediend tot 1803, het jaar dat het duitse keizerrijk werd opgeheven. Aan de overname van de spaanse kapel had de kerkelijke overheid-zoals trouwens bij de meeste aanstellingen van plaatsvervangers voor de verdreven jesuiten - de clausule toegevoegd: tot de jesuiten in het rustig bezit van de statie kunnen terugkeren; in 1807 namen de jesuiten de statie weer over. Hieruit is de latere Theresia van Avila parochie ontstaan. De franse kapel bestond in de XVIIe eeuw uit slechts één kamer binnen het zg 'hotel' van de gezant; hier werden voor hem en zijn huisgenoten kerkdiensten gehouden, maar ook stadsgenoten werden in die tijd toegelaten. In 1711 kocht de gezant voor zijn regering een uitgebreid terrein rond de huidige Casuariestraat en Prinsessegracht, waar hij voor zijn gevolg in een naburig straatje huizen liet bouwen, terwijl in zijn ambtswoning een nieuwe kapel werd ingericht. Hierheen kwamen echter zoveel mensen ter kerke, dat reeds in 1712 een nieuwe kapel moest worden ingericht. De buitengewone toeloop van kerkgangers deed de jesuiten pogingen ondernemen om hun gesloten kerkje in de Nobelstraat weer voor kerkelijke diensten te heropenen, maar de pogingen mislukten telkens. Daarna zochten de nog aan de ambassade verbonden jesuiten naar middelen om de ambassadekapel te verruimen, maar het franse hof was niet genegen in de behoefte van een grotere kerkgelegenheid te voorzien. Ten einde raad namen de jesuiten en de gelovigen zelf het werk ter hand. De nog steeds gesloten jesuitenkerk in de Nobelstraat werd uitgebroken en de materialen en ornamenten gebruikt voor de bouw en inrichting van de nieuwe ke rk die in 1763 gereed kwam. Uitwendig leek het niet op een kerk, doch inwendig was het een stichtend bedehuis. De ingang was in de Casuariestraat, vandaar kwam men op een binnenplaats waar links de toegang tot de kapel was. Toen -zoals we reeds zagen- in 1768 de jesuiten de statie van de franse ambassade moesten verlaten, vroeg de gezant aan de provinciaal van de minderbroeders te Mechelen om twee paters voor de bediening van zijn kapel. Zo kwamen de eerste minderbroeders Joannes Langestraat en zijn medewerker Joannes de Bitter naar de Franse ambassade te 's-Gravenhage, Aan de kapel bediend door de minderbroeders werden al in 1769 alle aflaten en voorrechten geschonken welke aan andere kerken van de Orde verleend waren; de broederschap van de Zalige Dood werd nieuw leven ingeblazen en een afdeling van de Derde Orde van St. Franciscus werd opgericht. De werkkring van de paters breidde zich uit: het aantal dopelingen en bekeerlingen nam toe zoals uit de boeken blijkt. Reeds in 1770 werd hun door de provinciaal der minderbroeders een tweede medewerker gegeven en in 1782 zelfs een derde 'kapelaan'. Bij de grote brand van de franse legatie in de nacht van 26 op 27 maart 1782 bleef de kapel gelukkig gespaard. Onheilspellender werd de toestand toen in 1789 de franse revolutie uitbrak: het heidendom werd staatsgodsdienst, de koning onthoofd, priesters gekerkerd en verdreven, kerkelijke goederen geconfisceerd. In 1795 vertrok de franse gezant uit Den Haag en in 1795 werd de kapel voor het publiek gesloten, terwijl de koster de opdracht kreeg om het kostbaar zilver alsmede drie kostbare kazuifels en de antipendia aan Frankrijks zaakgelastigde af te geven. Het decreet van de Nationale Konventie liet echter de mogelijkheid open om de kapel te huren, waartoe de paters en enkele burgers van 's-Gravenhage hun toevlucht namen; en de kerkelijke overheid gaf verlof om de kapel als statie te openen. Voor de paters braken de magere jaren aan: ontvingen zij eerst als 'kapelaans' van de franse gezant een jaarlijks traktement, nu waren ze zelfs verplicht fl. 1000,- aan huur op te brengen; dit was ook een van de redenen waarom mgr Ciamberlani, vice-superior van de Hollandse Zending, de statie de pastoorsrechten van dopen en huwelijksinzegening schonk. In 1802 gelukte het pastoor Joannes de Bitter om van de zware huursom af te komen: de uitoefening van de katholieke godsdienst zou voortaan geschieden onder toezicht van de franse legatie, de kapel was toegankelijk voor burgers, aan het eind van de diensten moest een vastgesteld gebed worden gebeden zoals dat door het konkordaat voor de republiek en de konsuls was bepaald en overeenkomstig deze beschikkingen hoefde men voor het gebruik van de kapel geen enkele vergoeding meer te betalen. De paters woonden in die tijd afzonderlijk in verschillende huizen: van pater Langestraat weten we bv. dat hij gewoond heeft op de Fluweele Burgwal naast Maasdam. In het jaar 1804 schreef pater Joannes de Bitter aan de franse gezant, dat de paters binnen vier maanden van woonplaats moesten veranderen en vroeg daarom de leegstaande gebouwtjes, de keukens misschien, welke van het in 1782 afgebrande hotel van de gezant nog restten, te mogen bezetten en tot een geschikt woonhuis te verbouwen op kosten van de paters. Na ongeveer een half jaar kreeg hij van de zaakgelastigde antwoord: dat het de paters door de gezant de Semonville werd toegestaan het lokaal aangrenzend aan de kapel te bewonen, met uitzondering van de stallen en het gedeelte dat door de portier gebruikt werd. Zij zouden echter dan verplicht zijn een trap te laten maken welke zou leiden naar de tribune van de gezant in de kapel; voorts moesten zij het lokaal in goede staat onderhouden en alle onkosten dragen. Aldus geschiedde en in 1806 was de nieuwe pastorie gereed: het gebouw stond links van de poortingang in de Casuariestraat. Ondertussen waren de grond en de opstallen van het afgebrande ambassadehotel in 1805 door de Commissarissen van het Gedeputeerde Bestuur van Holland verkocht aan timmerman P. Bodinot die het terrein in 1822 weer aan pastoor Lochman verkocht die er een prachtige pastorietuin van liet maken. In 1824 kocht de gezant de tuin weer terug, waarin de paters uiteindelijk maar toestemden om de goede verhoudingen niet te schaden; in 1826 gaf de gezant echter het vruchtgebruik van de tuin weer aan de paters. In die tijd was pastoor Lochman al jaren op zoek naar een geschikt terrein voor een nieuwe en grotere kerk, maar hij kon nergens slagen. Tenslotte besloot hij alles te beproeven om het eigendom van het gehele ambassadeterrein met alles wat er op stond te verkrijgen; zo kon er tevens een einde komen aan een al jaren durende onzekere rechtstoestand. Het zou echter tot 1840 duren voor een overeenkomst bereikt kon worden. Toen machtigde de koning zijn gezant het terrein bij notariële akte te verkopen onder de volgende voorwaarden: de R.K. Gemeente moest de koopprijs ( fl. 19.200,- ) en alle verdere kosten betalen; er moest een gang gemaakt worden ter breedte van 1,13 meter langs de gehele lengte van de kanselarij met een ingang aan de Casuariestraat (de gang zou eigendom zijn én van de kerk én van de kanselarij); in de kerk moesten twee tribunes worden ingericht voor de franse gezant; en zou er eventueel de katholieke godsdienst niet meer worden uitgeoefend, dan keerde alles zonder schadeloosstelling terug in het bezit van Frankrijk. In de notariële akte van 9 maart 1842 wordt het terrein als volgt omschreven: de tuin aan de Prinsessegracht, de binnenplaats met ingang en Roetpoort, het koetshuis op de plaats, een gebouwtje, de pastorie, de kerk en nog een koetshuis met stal gelegen aan de overzijde van de Casuariestraat (welke tegen de betaalde koopprijs van fl. 7.500,- aan prins Frederik der Nederlanden in eigendom moest worden overgedaan). Pastoor Lochman had nu zijn handen vrij en begon aanstonds met de uitvoering van zijn plannen voor een nieuwe kerk aan de Prinsessegraoht. Nadat bij beschikking van de minister van Staat, directeur-generaal voor de zaken van de R.K. Eeredienst, op 8 april 1843 vergunning voor de bouw was verleend, werd de bouw van de kerk, naar ontwerp van architect W. van der Horst, aanbesteed en opgedragen aan de aannemers Dolman en Perquin voor een bedrag van fl. 112.600,-; als opzichter bij de werkzaamheden fungeerde de heer Gaillard. In sommige boeken Waar Hagenaars kerkten. Geschiedenis van de haagse kerken gebouwd vóór 1900. Boekencentrum bv 's-Gravenhage, 1983; blz. 134. E.H, ter Kuile, e.a., Duizend jaar bouwen in Nederland, dl II, 1957. H.P.R. Rosenberg, De 19e eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland. 1972. wordt architect Suys uit Brussel als bouwmeester van de kerk vermeld. Dit is in dit archief niet te vinden: er is steeds alleen maar sprake van architect W.v.d. Horst, die ook de tekeningen en het bestek zou hebben gemaakt. Wel heeft architect Suys blijkens brieven aan de pastoor (inv. nr. 391) aanwijzingen geg even en detailtekeningen gemaakt voor de klokkentoren, de communiebanken en de altaren. Ook is van elders bekend dat architect Suys met toezicht op de bouw door architect V.van der Horst voor franciscaanse pastoors heeft gebouwd: Mozes en Aaron te Amsterdam (1837-1841) en de H. Antonius te Haarlem (1842-1844). Minstens had architect W. van der Horst het toezicht op de uitvoering. Een bouwkommissie die door de regering was geëist en waarvan de pastoor president was, zou bij de bouw de belangen der parochie behartigen en de finantiële zaken regelen. Om aan het benodigde geld te komen werd een geldlening uitgeschreven, een plan gemaakt voor het verhuren van zitplaatsen in de nieuwe kerk en bedelbrieven geschreven aan de koning, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, de gemeenteraad en zelfs aan de keizer van Oostenrijk, Op 13 juni 1843 (de feestdag van de H. Antonius, patroon van de nieuwe kerk, terwijl men voorheen sprak van Frankrijkskerk) werd een houten kruis opgericht op de plaats waar het hoofdaltaar zou komen en de eerste steen gelegd door mgr. Innocentius Ferrieri, vice-superior van de Hollandse Zending. Op 14 juli 1844 werd de eerste dienst in de toen half-voltooide kerk gehouden; 20 juli 1845 was de kerk geheel gereed en 7 oktober 1846 werd de kerk plechtig geconsacreerd door mgr. van wijokersloot. De sculpturen van de altaren waren van marmer met verguld koperen belegsels en echt zilveren drijfwerken; ze kwamen uit de werkplaatsen van de firma Te Poel en Stoltefus. Tijdens de bouw van de kerk werd de pastoor met zijn bouwcommissie voor de koning van Frankrijk gemachtigd om ook als bouwcommissie voor de bouw van een nieuwe kanselarij op te treden, welk bouwwerk ook aan aannemer Dolman werd gegund. Na al die bouwperikelen werd de aandacht weer volledig op de zielzorg gericht, wat zich o.a. uitte in de oprichting van de broederschap van de H. Kruisweg (1847) en wat later van het Genootschap van de H. Kindsheid (1852). In 1853 werd in Nederland de kerkelijke hiërarchie hersteld; hetgeen tot gevolg had dat de staties werden opgeheven en de bisschop van Haarlem in 's-Gravenhage vier parochies oprichtte: de H. Jacobus in de Oude Molstraat, De H. Antonius van Padua, de H. Willebrordus en de H. Theresia, terwijl in Soheveningen de H. Antonius Abt parochiekerk werd. De parochies kregen in tegenstelling met voorheen in de staties nu duidelijke grensomschrijvingen en een officieel kerkbestuur voor het beheer van de materiële zaken. Hoezeer de mensen hun pastoor Opdenkamp waardeerden, bleek in 1862 duidelijk bij zijn onverwacht overlijden: artikelen in verschillende kranten en een aktie voor een marmeren monument op zijn graf. Maar toen het bestuur van het kerkhof zo'n groots grafmonument ontraadde, besteedde men het bijeengebrachte geld voor een gevelversiering van de kerk en liet men in het kerkportaal een marmeren steen inmetselen met een latijns opschrift van de volgende inhoud: Ter dankbare herinnering aan de zeereerwaarde pater H,A. Opdenkamp hebben zijn erkentelijke parochianen en vrienden, in het derde jaar na zijn overlijden, op 27 juli 1865 de beelden geplaatst van de Goede Herder en van de beschermheiligen de H. Antonius van Padua en de H. Lodewijk IXe. Bij de bouw van de kerk was de H. Antonius van Padua tot patroon gekozen en wegens de connecties met de franse ambassade was daar de patroon van Frankrijk, de H. Lodewijk, aan toegevoegd; de oude ambassadekapel had in de volksmond altijd 'Frankrijks kerk geheten, maar ook nu gaven de mensen een eigen naam aan de kerk 'Boschkant', omdat hij toen aan de rand van het Haagse Bos was gebouwd. In 1868 werd de heer W. Rütter te Kevelaer opdracht gegeven een nieuw orgel te leveren; het oude werd verkocht aan pastoor Groen te Middelburg. Pastoor B. Schoonbeek was een man die geen gelegenheid voor het vieren van een jubileum liet voorbijgaan; Klooster-, priester-, pastoorsjubilea en het halve eeuwfeest van de kerk. Hy spaarde ook moeite noch kosten om de kerkschatten te vermeerderen: veel zilverwerk stamt uit zijn pastoorstijd. Ook de verbouwing van de kerk en de pastorie die beiden uitbreiding behoefden, nam hij energiek ter hand. Na vele moeizame pogingen lukte het hem grond voor de nodige uitbreiding te bemachtigen. Uiteindelijk stemde de franse regering er mee in hun kanselarij in de Casuariestraat 44 te ruilen met het huis Nieuwe Uitleg 10 dat het kerkbestuur daarvoor had gekocht. Toen kon aan architect W.B. Liefland de opdracht gegeven worden om de tekeningen voor de verbouwing te maken. De bouw werd in maart 1896 gegund aan aannemer J.P.J. Lorrie. De verbouwing -die in mei 1897 voltooid was- bestond hoofdzakelijk in het achterwaarts uitbouwen van het priesterkoor met tribunes en de daarbij behorende trappenhuizen, alsmede de bouw van de sacristie, de doopkapel en het repetitielokaal. In 1905 werd een stal die grensde aan de absis van de kerk aangekocht, aanvankelijk voor tuin, maar later zou dit stukje grond opgaan in het Bethlehemcomplex. 's-Gravenhage breidde zich uit en het territorium van de paroohie groeide mee. Men liep met plannen voor een hulpkerk en na gesprekken met de provinciaal van de franciscanen, werd kapelaan Gilissen in 1910 al min of meer aangesteld tot bouwheer van de nieuw te stichten kerk. In 1911 had men het oog laten vallen op een terrein aan de Koningskade, maar deze plaats werd door de bisschop van Haarlem niet goedgekeurd, uiteindelijk na veel praten met o.a. het gemeentebestuur die aanvankelijk de grond alleen in erfpacht wilde geven - werd in 1918 het terrein aan de Wassenaarseweg (later hoek Neuhuyskade) gekocht, precies aan de andere kant van het Haagse Bos dan de moederkerk. Architect A.J. Kropholler begon de tekeningen te maken, De bouwkommissie ontving in 1919 van enkele firma's de opgave betreffende de onkosten voor de bouw van een kerk met toren en tijdelijke pastorie. De bouwkommissie besloot -na diverse discussies en ruggespraak met de architect- dat de tijdsomstandigh eden een uitvoering van het werk in eigen beheer wettigde, Pastoor A. Bulters van de moederkerk legde op 12 augustus 1920 de eerste steen van de kerk die als patroon kreeg de H. Paschalis van Baylon. De kerk werd in mei 1922 plechtig geconsacreerd door mgr. A.J. Callier, bisschop van Haarlem. De hulpkerk viel aanvankelijk onder het kerkbestuur van de Boskant, maar werd in mei 1922 al tot zelfstandige parochiekerk verheven, waarbij een regeling voor de bezittingen en de schulden werd getroffen. De moederkerk zat nog een jaar verwikkeld in een proces dat architect Kropholler tegen haar had aangespannen in verband met vermeend te weinig uitgekeerde provisie; de Commissie van Geschillen der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst deed op 22 november 1923 uitspraak. Pastoor Bulters betreurde het zeer dat de parochie geen eigen scholen had. Er was wel een jongensschool in het parochiegebied, maar die stond onder het beheer van de Bijzondere Raad der Vereniging van de H. Vincentius te 's-Gravenhage, Toen de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in 1921 aankondigden dat de de school aan de Zuid-Oost Binnensingel 66 (later Uilebomen wegens personeelsgebrek gingen verlaten, kreeg pastoor Bulters in januari 1923 de kans bij de reorganisatie de school te kopen. Meteen werden aangrenzende panden aan de Zuid-Oost Binnensingel 67, 68, 69 en 70 aangekocht en werd de school uitgebreid en grondig verbouwd met ook een ingang aan de Hekkelaan waar de meisjesschool gevestigd zou worden. In de vijftiger en zestiger jaren ontvolkte de binnenstad steeds meer, hetgeen de scholen leerlingen ging kosten. De jongens- en meisjesscholen werden samengevoegd en leegstaande lokalen aan derden verhuurd. Enige tijd later werden nog meer leerkrachten ontslagen en klassen samengevoegd. In 1966 -er waren toen nog maar drie leerkrachten aan de school verbonden- werd de school opgeheven en de gebouwen aan de gemeente verkocht. Voor de Boskantkerk aan de Prinsessegracht was de tweede wereldoorlog fataal. Eerst op 10 mei 1940 werd de kerk en de pastorie ernstig gehavend door enkele bommen die in de onmiddellijke omgeving neervielen; en later op het eind van de oorlog zijn kerk en pastorie geheel uitgebrand bij het bombardement van het Bezuidenhout op 3 maart, waarbij het Korte Voorhout werd getroffen en de brand naar de kerk oversloeg. Gelukkig konden kerk en pastorie ontruimd worden, zodat het kerkzilver, het archief, het huisraad, e.d. gered konden worden. Tijdelijk kon men van het bestuur van de Nederlandse R.K. Centrale Vereniging ter Bescherming van Meisjes de panden Nieuwe Havenstraat 74 en 76 huren voor noodpastorie. Maar na enkele jaren probeerde het bestuur de paters er weer uit te krijgen om de panden voor de vereniging te kunnen gebruiken. Aanvankelijk wilde het kerkbestuur het Rosa-patronaat aan de Zwarteweg 15 voor pastorie inrichten, maar toen de provincie van de franciscanen eind 1951 de beschikking kreeg over het huis Rijnstraat 16, ging het kerkbestuur onderhandelen met de firma die de helft van het huis als kantoor huurde. De firma verhuisde met hun kantoor naar de Zwarteweg 15 en het huis Rijnstraat 16 werd van de franciscanen gehuurd en begin 1955 als pastorie in gebruik genomen. Ondertussen kerkte men in kapellen en keek men uit naar overname van een kerk of nieuwbouw. In 1946 kreeg het kerkbestuur de gelegenheid op de Fluwelenburgwal een tijdelijk stenen noodkerkje te bouwen, dat tot eind 1983 dienst zou blijven doen. Voor een definitieve nieuwe kerk zijn er allerlei plannen geweest; nieuwbouw op de oude plek aan de Prinsessegracht, huur van de Duits-Evangelische kerk aan het Bleijenburg en koop van de gereformeerde Oosterkerk aan de Zuid-Oost Buitensingel (later Oranje Buitensingel geheten). In 1983 werd met de bouw van een nieuwe kerk gestart op de Fluwelenburgwal, deels op het terrein van de noodkerk. De ruine aan de Prinsessegracht moest begin 1952 wegens instortingsgevaar gedeeltelijk worden gesloopt: de voorgevel van de pastorie aan de Casuariestraat en de Prinsessegracht tot en met de eerste etage, de binnenmuren tot een schuine lijn onder 45° naar de voorgevel en de kerktoren een meter verlagen. Zo bleef de ruine staan tot op 20 maart 1954 de inspectie der Domeinen van de Staat der Nederlanden de grond met de opstallen kocht voor de bouw van het ministerie van finantiën. Op 2 februari 1956 werd de kerkelijke indeling van Nederland van vijf op zeven bisdommen gebracht, waarbij het haarlemse diocees werd verdeeld in het bisdom Haarlem en het bisdom Rotterdam. Voortaan viel 's- Gravenhage onder het bisdom Rotterdam. De herbouw van de Boskantkerk werd ook enigszins doorkruist door de enorme woningbouw in het zuid- oosten van Den Haag. Een rapport van het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut kwam tot de conclusie dat de herbouw van een grote door de franciscanen bediende kerk beter in die stadsuitbreiding kon plaats vinden. Toen zekerheid was verkregen dat de franciscanen in de binnenstad middels een rectoraat de zielzorg zouden kunnen blijven uitoefenen en daar ook te zijner tijd een kloostertje mochten bouwen, stemde de provinciaal van de franciscanen in met het voorstel van de bisschop. Eerst zou het de wijk Leyenburg worden, maar al gauw verzocht de bisschop van Haarlem om de grotere nieuwe wijk Morgenstond te nemen. Eind september 1953 verhuisde pastoor Em. Pompen met zijn kapelaans J. Kwaaitaal en C. Lindenhoff naar de Morgenstond. Nog datzelfde jaar begon men met de bouw van een houten noodkerk. De nieuwe kerk in Morgenstond werd ontworpen door ir. Wouters uit Wassenaar met m edewerking van prof. ir. F. Peutz uit Heerlen, terwijl ook architect Dom. Böhm invloed heeft gehad bij de tot standkoming van het ontwerp. In de zomer van 1956 werd de bouw gegund aan aannemer W. Thunissen uit Heemstede. De eerste steen werd gelegd op 7 juli 1957 door mgr M.A. Jansen, bisschop van Rotterdam, die op donderdag 13 november 1958 de kerk plechtig consacreerde. In verband met de oprichting en bouw van de nieuwe parochiekerk in de wijk Morgenstond werd op 30 oktober 1955 de status van de moeder- en dochterkerk gewijzigd: de Boskantkerk in de binnenstad werd een zelfstandig rectoraat en heette voortaan het rectoraat van St. Antonius van Padua (waar het bisdom de titel pastoor handhaafde), terwijl de kerk in de wijk Morgenstond parochie werd en als titel kreeg: de H.H. Antonius en Lodewijk. Deze naamsverwisseling gebeurde omdat men meende dat het nodig was om de oorlogsschade- uitkering voor de bouw van de kerk in Morgenstond te mogen bestemmen. Reeds in 1954 was het bestuur van de St. Willibrordus Vereniging begonnen in de wijk Morgenstond met de bouw van een dubbele Ulo-school in de Exlostraat en een dubbele meisjesschool aan de Maartensdijklaan (later St. Caeciliaschool geheten) ten gunste van de nieuwe parochie. In 1957 nam het gezamelijk kerkbestuur van de Boskant en Morgenstond -na enige jaren huur betaald te hebben- de dubbele jongensschool (Kardinaal de Jongschool geheten) in de Tinaarlostraat van de gemeente over. Dit gezamelijke kerkbestuur fungeerde in 1958- 1959 ook nog als bouwkommissie voor de lagere en kleuterscholen in de wijk Bouwlust. De definitieve scheiding tussen de parochies Boskant en Morgenstond had in augustus 1960 met bisschoppelijke goedkeuring plaats door een definitieve scheiding van bezittingen en schulden van beide kerken.
Bij de nieuwe indeling der bisdommen in 1559, waarbij alle onder Habsburgs bewind staande provincies onder eigen (aarts)bisdommen werden gebracht, werd Leeuwarden, voordien onder Utrecht en Keulen behorende, tot zetel van een nieuw bisdom aangewezen en de St. Vituskerk van Oldehove tot kathedraal. Maar toen in 1564 Remigius Diritius tot bisschop van Leeuwarden werd benoemd verklaarden met de niet Roomsen ook de gewestelijke en stedelijke overheden van Friesland zich tegen het bisdom en waarschuwden zij de koning voor de te verwachten moeilijkheden. Het gevolg was dat de benoemde bisschop niet verscheen en later het bisdom Brugge aanvaardde. Nu werd in een vergadering van de Raad met de bevelhebber der Schutterij op 6 september 1566 besloten, mede op aandrang van de voorzittende burgemeester Tjerk Walles, de "oude eeredienst" af te schaffen en de Hervormde daarvoor in de plaats te stellen. De magistraat gelastte de pastoors der drie parochiekerken hun particuliere eigendommen uit de kerken weg te nemen, liet de beelden verwijderen en muurschilderingen overwitten, terwijl verder de kerken voor de Hervormde eredienst geschikt werden gemaakt. Door deze "geordende beeldenstorm" werden grotere vernielingen aan de kerken voorlopig voorkomen. De uitreiking van het Heilig Avondmaal vond voor het eerst in de St. Vituskerk plaats op 15 sept. 1566 door de dominees A. Nicolai en M. Eliacus. Bij de invoering van de Hervormde eredienst werd de uitoefening van die der Roomsen verboden terwijl vele priesters uit eigener beweging tot de Hervormde kerk toetraden. Deze eerste reformatie bleek echter slechts tijdelijk; op last van de Landvoogdes Margaretha van Parma moesten de Hervormde leraren worden afgezet en de Rooms Katholieke kerkdienst hersteld. Ondanks hevig verzet van de magistraat moest wel worden toegegeven toen de stadhouder, de hertog van Aremberg, vergezeld van een krijgsmacht orde op zaken kwam stellen. De vrije uitoefening van de Hervormde eredienst werd verboden, de kerken werden weer in hun oude luister hersteld en op 24 jan. 1567 kon de St. Vituskerk weer door de Rooms Katholieken in gebruik worden genomen. Na de komst van Alva in 1567 werden hernieuwde pogingen in het werk gesteld de Bisschopsstoel in Leeuwarden te bezetten. Dit had succes toen door Paus Pius V op 15 september 1569 Cunerus Petri tot Bisschop te Leeuwarden werd aangesteld. Op 1 februari 1570 aanvaardde hij zijn ambt, waarna hij eerst in het patershuis van het Grauwe Bagijnenklooster zijn onderdak vond en later in het abtshuis van het Bergumerklooster (tegenwoordig de Provinciale Griffie) zijn intrek nam. Eerst na 1577 werd opnieuw de vrijheid van godsdienst onder enkele beperkingen mogelijk. De religie-vrede van 1578 te Antwerpen gegeven, werd op 3 augustus van datzelfde jaar door de Raad van Leeuwarden aangenomen. De Hervormden kregen door bemiddeling van de magistraat gelegenheid om de kloosterkerk der dominikanen (de Grote kerk) te huren teneinde daar op 13 augustus 1578 hun eerste godsdienstoefening te kunnen houden, terwijl de Rooms Katholieken gebruik bleven maken van de drie parochiekerken en voor de dienst van het klooster tevens van de Grote kerk. De restauratie van de oude kerk die in 1567 was ingezet liep hiermede af en vond haar definitieve einde na het verraad, van Rennenberg in 1580, toen bij Staatsbesluit de Roomsen verboden werd hun erediensten te houden en de Gereformeerde kerk als de ware Christelijke kerk werd erkend. Bisschop Cunerus Petri werd op 22 maart 1578 te Harlingen gevangen gezet en vandaar met een vast inkomen naar Bergum verbannen. In 1580 is hij vertrokken naar Munster en korten tijd later in Keulen overleden. Bij het verbod tot uitoefening van de godsdienstoefeningen der Rooms Katholieken kregen de gereformeerden de volledige beschikking over de Grote of Jacobijner kerk en de St. Vituskerk van Oldehove. De parochiekerken van Nijehove en Hoek werden aan hun bestemming onttrokken. Wel werd c. 1590 door de overheid de in 1940 afgebroken kerk van het Minderbroedersklooster (Galileërkerk) aan de hervormden gegeven en in 1637 kon ook de kapel van het klooster der Grauwe Bagijnen (Westerkerk) door hen in gebruik worden genomen. Tenslotte werd nog de uit 1530 daterende kapel van het dominicanessenklooster der H. Apostelen (het z.g.n. Witte Nonnenklooster) in 1659 opengesteld voor de gereformeerde godsdienstoefeningen. Eerst voor de Waalse gemeente na welker opheffing in 1888 de kerk op 6 dec. volgens contract van 26 maart 1799 (zie inv. nr. 1705, 226) aan de Ned. Herv. Gemeente Leeuwarden werd overgedragen. Nu de Rooms Katholieke eredienst was verboden kreeg het stadsbestuur krachtens de resolutie van gedeputeerde staten van 31 maart 1580 het beheer over de Patroons-of kerkegoederen van o.a. de drie parochiën Oldehove, Nijehove en Hoek. Het werd uitgeoefend door de rentmeester der Geestelijke goederen en zo gescheiden gehouden van de eigen inkomsten der Stad. Van deze inkomsten moesten de traktementen der predikanten etc. en het onderhoud der kerken worden betaald. Ook kwam de Stad in het bezit van de gebouwen en goederen der vier kloosters, waarvan in 1583 op zekere voorwaarden weder afstand werd gedaan ten behoeve van het St. Anthony Gasthuis, het Old Burger Weeshuis en de Stadsarmen. Het laatstgenoemde deel bleef onder het beheer van het Stadsbestuur in een afzonderlijke rekening, de quotisatie rekening. In de latere jaren is er nog veel te doen geweest over al deze geestelijke en kerkegoederen. Een laatste rapport werd in 1921 opgemaakt door Prof. mr. L.J. van Apeldoorn-diens dissertatie was hiervoor de aanleiding-waarna een proces over het eigendomsrecht met de gemeente Leeuwarden volgde. Het werd in 1935 door de kerkvoogdij beëindigd nadat het proces in twee instanties verloren was,werd de dagvaarding in cassatie ingetrokken,daar een positief resultaat niet mogelijk bleek. Werden aanvankelijk vier predikanten door de Stad betaald, spoedig bleek dit te weinig zodat er in 1628 een vijfde en bij het in gebruik nemen van de Westerkerk een zesde predikant werd beroepen. Het stichten van een zevende predikantsplaats bracht meer moeilijkheden met zich mee. Eerst behielp men zich ter verlichting van de taken der zes predikanten met hulppredikanten en pas op 7 maart 1791 werd door de Raad, met goedkeuring van de Staten, besloten een zevende predikant aan te stellen. Toen er in 1796 echter één stierf verbood de municipaliteit de vervulling der vacature. Ook het aanstellen van een hulppredikant werd niet meer toegestaan. Toen moesten ter verlichting van de zes overige predikanten de predikbeurten worden verminderd. Dit besluit bracht vele protesten en ook spanningen in de kerkelijke gemeente met zich mee, waarbij verwijten aan de predikanten als zouden zij zich niet naar behoren voor de kerk willen inspannen onredelijk lijken. Daar tijdens het Franse bewind toch geen mogelijkheid aanwezig was tot het verkrijgen van een zevende predikant,moest worden gewacht op een gunstiger tij. Dit kwam met Koning Willem l en een verzoek aan deze werd dan ook op 24 december 1816 verzonden (inv. nr. 1492). De motivering was dat meerdere van de nu dienstdoende predikanten reeds ouder waren dan zeventig jaren, reeds eerder een zevende predikant was toegestaan en dat het aantal lidmaten, bij de telling in 1814 12491, slechts weinig minder was dan het aantal benodigd voor een zevende predikant. Het resultaat was dat de gemeente sinds 1819 weder zeven predikantsplaatsen telde. Deze benoeming van een predikantsplaats was slechts één van de moeilijkheden van de kerk ten gevolge van de omwenteling. Scheiding van Kerk en Staat, gelijkheid in rechten van alle godsdienstige gezindten enz. waren besluiten die de Hervormde kerk gevoelig troffen. In 1798 werd bepaald dat elk kerkgenootschap voortaan zelf voor zijn gebouwen moest zorgen en ook zijn erediensten, predikanten enz. zelf zou moeten bekostigen. De Geestelijke goederen en de fondsen werden tot nationaal bezit verklaard terwijl de kerkgebouwen, voorzover ze geen eigendom waren van een kerkelijke gemeente, gemeenschappelijk eigendom van alle kerkgenootschappen werden. De Hervormde Gemeente Leeuwarden bezat geen kerkgebouwen in eigendom. Haar drie kerkgebouwen waren het eigendom van de Stad,terwijl die der Waalse gemeente de provincie toebehoorde. De gebouwen moesten worden getaxeerd en werden aldus geschat: de Grote kerk f 18682,-, de bijbehorende kosterij f 2925,--, de Galileërkerk f 6366,-, de Westerkerk f 10597,--en de Waalse kerk op f 3415,--, zonder het orgel, dat eigendom der kerkelijke gemeente was. Het totale bedrag moest over het zielental der respectievelijke kerkgenootschappen worden omgeslagen. Dat betekende dat de Rooms Katholieken, Israëlieten, Doopsgezinden, Waalsen en Jansenisten ieder in verhouding van hun lidmaten een aandeel in deze kerkgebouwen van de Hervormden konden vorderen. Dat deze reeds door het Stadsbestuur goedgekeurde verdeling ,die de Hervormde Gemeente hier in zeer grote moeilijkheden zou hebben gebracht, niet is doorgegaan is te danken aan de andere kerkgenootschappen die, met uitzondering van de Jansenisten die voor hun tien zielen f 24,50 beurden, van hun aandeel afzagen. Zo kon op 26 maart 1799 door het Stadsbestuur een akte van afstand worden opgemaakt,waarbij de Hervormde Gemeente van Leeuwarden in het bezit werd gesteld van de kerkgebouwen, zij het zonder de torens die tot 24 april 1902 eigendom van de burgerlijke gemeente bleven. Het Algemeen Reglement van 7 januari 1816 bij K.B. uitgevaardigd door koning Willem l bracht vele veranderingen in het kerkelijk bestuur met zich mee. Ook werd een tijdperk van betrekkelijke chaos afgesloten. Het systeem van kerkelijke vergaderingen volgens de Dordtse kerkorde van 1618/19-niet door Friesland aanvaard dat zich formeel hield aan de Middelburgse van 1581-verdween en de leiding werd gelegd in handen van besturende colleges, waarin hoofdelijk werd gestemd. De invloed van de Staat op de kerk bleef. Na de omwenteling was ook nog in de Franse tijd een sterke binding tussen de overheid en de kerk gebleven. Het Algemeen Reglement van 1816 bracht hierin niet veel verandering. Zowel Lodewijk Napoleon als Koning Willem I namen na 1798 weer financiële verantwoordelijkheid op zich, nadat was gebleken dat met name in Holland de predikanten zonder inkomsten waren komen te zitten. Met de nieuwe grondwet in 1848 kwam er een duidelijke uitspraak over de scheiding die verder werd uitgewerkt in de kerkorde van 1852, waarin de kerk zich een eigen bestuurselement schiep. Toch lijkt het er op,dat pas met de kerkorde van 1951 een nieuwe periode is aangebroken. Misschien kan het veranderen van het kiessysteem-niet meer door coöptatie-een der oorzaken zijn geweest van het zich ontwikkelen van een "partijenkerk". Door de getrapte verkiezingen werden de kiescolleges belangrijk zodat de verschillende richtingen in de kerk kiesverenigingen gingen oprichten. De "kiesmannen" hadden door dit systeem grote invloed op de kerkelijke bestuurders en "partijstrijd" was dan ook niet zeldzaam. Het uitdelen van pamfletten en ander propaganda-materiaal tegen de tijd dat de "kiesmannen" moesten worden gekozen was, evenals bij de politieke strijd, gewoon. Dat deze gang van zaken niet bevorderlijk was voor de invloed der kerk in de samenleving laat zich raden. Van de richtingen binnen de Nederlands Hervormde kerk kende de Leeuwarder gemeente er drie, confessionelen, evangelischen en vrijzinnigen. Op de eerste en laatste komen wij later terug bij de beschrijving harer archieven, maar bij gebreke daaraan moge hier een enkel woord over de evangelische volgen. De Evangelische of Groningse richting, in Leeuwarden lange tijd de belangrijkste, ontstond in de eerste helft der negentiende eeuw aan de universiteit te Groningen en was de eerste die als organisatie optrad. De op een vergadering te Zwolle in 1946 ontbonden stroming is met de te Leeuwarden weinig voorkomende ethische in de z.g.n. midden-orthodoxie opgegaan. Archivalia van de landelijke vereniging en van enkele afdelingen zijn op de Groninger Universiteitsbibliotheek terechtgekomen maar zijn daar niet toegankelijk. Het archief van de afdeling Leeuwarden waar laatstelijk in 1939 werd genotuleerd is onvindbaar en wellicht verloren gegaan. Tot 1951 is deze wijze van getrapte verkiezingen gebleven, maar de richtingsstrijd begon te verflauwen. In het laatst der dertiger jaren kwamen zelfs de candidaten der drie partijen op één lijst uit, wat overigens de opkomst der stemgerechtigden minder bevorderde. De oorlogsellende bracht de mensen nog dichter bij elkaar en men bezocht vaker diensten van andere richtingen. In 1945 vonden de vertegenwoordigers van de verschillende richtingen elkaar in het z.g.n. kerkelijk gesprek. Hiermede bereikte men dat de richtingsstrijd overging in de fase van het gesprek. Dit alles droeg er toe bij om tot een betere onderlinge verstandhouding te geraken. Er werd ernst gemaakt met een aanvaardbare wijkindeling voor de gemeente. Vooral ds. F.H. Bruins, zelf vrijzinnig, zette zich hiervoor in en naar zijn idee werd Leeuwarden één van de eerste Hervormde gemeenten in Nederland waar op deze wijze de richtingsstrijd kon worden beslecht. Hij deelde de stad op in drie sectoren, elk weder onderverdeeld in drie wijken. ledere sector (buurtschap) zou drie predikanten krijgen, zo mogelijk behorende tot elk der drie richtingen. Op de vergadering van de Algemene Kerkeraad van 19 juni 1945 werd aldus besloten. Bij de invoering van de nieuwe kerkorde van 1951 bleek dat er geen enkele organisatorische verandering in deze opzet nodig was. De buurtschappen werden wijkgemeenten met eigen wijkkerkeraden. Wel werden bij die gelegenheid de kiescolleges opgeheven, wat op 28 mei 1951 gebeurde. De ouderlingen en diakenen worden van dat moment af rechtstreeks gekozen door de lidmaten, waarbij in Leeuwarden voor de candidaatstelling het convent van kiesverenigingen werd ingeschakeld. Al deze veranderingen, die natuurlijk ook hun neerslag hebben gekregen in de administratie,gaven ons aanleiding de inventaris bij de invoering van de nieuwe kerkerde af te sluiten, hoewel het niet altijd mogelijk bleek om hierin volmaakt consequent te zijn. De archieven van kerkeraad en kerkvoogd ij werden door ons aangetroffen op verschillende plaatsen in de kosterij Achter de Grote Kerk. Een groot gedeelte was beveiligd tegen brand maar helaas niet tegen vocht, daar de kluis, die de belangrijkste bestanddelen bevatte, slecht geventileerd kon worden, met alle nare gevolgen van dien. De lang verbeide verhuizing van het gemeentearchief bood de mogelijkheid om in een betere bergplaats voor het archief te voorzien. In overleg met de kerkelijke bestuurders werden de archivalia van kerkvoogdij en kerkeraad in 1970 op het gemeentearchief gedeponeerd. Met het diakoniearchief was het juist andersom gesteld. Dit was opgeborgen op de zolder van het diakoniehuis. Na te voren te zijn geborgen in een uiterst vochtig hokje in de tuin van het diakoniehuis, stond het er nu wel droog, maar erg stoffig en brandgevaarlijk. Ook deze archivalia werden door het college van diakenen in 1970 in bewaring gegeven aan het gemeentearchief waar nu de archieven der Hervormde Gemeente, met inbegrip der daartoe behorende verenigingen e.d. c. 38 strekkende meter beslaan. Mede door de vele omzwervingen van de archieven-zo werd ook nog in 1935 een gedeelte opgeborgen in het z.g: "Spookkamertje" van de kosterij-liet ook de materiële toestand veel te wensen over. In onze eigen restauratieafdeling werden reeds vele delen en stukken onderhanden genomen en we hopen dit in de loop der jaren te kunnen voortzetten. Helaas was ook de orde in de archieven ernstig verstoord. Vele nog in oude inventarissen voorkomende stukken zijn niet meer terug te vinden; portefeuilles met losse stukken waren uiteen gevallen en totaal doorelkaar geraakt en werden in een enkel geval als een hoop oud papier teruggevonden. Gebonden delen waren later weer uiteen genomen en de inhoud elders ondergebracht. Bundels van stukken betreffende bepaalde onderwerpen waren door onderzoekers gevormd. Het bleek, dat in een lange reeks van jaren ieder eigenlijk toegang had tot het oud archief en daaruit kon lenen wat hij op dat moment nodig had. Wanneer het dan terug kwam werd het vaak te willekeurig opgeborgen. Een voorbeeld vormen de stukken betreffende de orgels. In 1847 werd er door het college van kerkvoogden een commissie van twee leden benoemd voor het toezicht op de kerk-orgels en de organisten. Dr. L. Proes was één hunner en in 1881 zond deze het archief der nooit officieel opgeheven commissie aan de kerkvoogden. Het was een portefeuille met o.a. stukken betreffende het plaatsen van nieuwe orgels in de Westerkerk 1844-1847 en in de Galileërkerk 1828-1832. Deze stukken zijn slechts gedeeltelijk en verspreid teruggevonden. Hieruit blijkt dat deze portefeuille later weer uiteen is gehaald, maar dat ook dr. L. Proes oudere stukken uit het archief van de kerkvoogdij had geleend en niet op hun plaats terug bracht. Er is wel vaak geprobeerd orde op zaken te stellen, o.a. nog in de vijftiger jaren door de heren Brolsma en Oprsal, maar het gebrek aan een goede bewaarplaats met een deskundige beheerder stonden een blijvende goede orde der archieven in de weg. Ook heeft deze orde in het verleden veel geleden door al diegenen die het erg goed meenden maar dan ook ieder voor zich een ander systeem inbrachten en het werk van hun voorgangers wilden verbeteren. Met deze inventarisatie heeft de geschiedenis zich in feite herhaald. Toen in 1867 H. Eilers-amanuensis van de provinciale bibliotheek en het rijksarchief-van de kerkvoogdij de opdracht tot inventarisatie van de archieven kreeg, klaagde hij ook over het verspreid zijn van de stukken. Aankomsttitels van eigendommen b.v. waren lang niet alle meer te vinden. Er is toen geïnventariseerd zonder het inzicht dat later werd verworven inzake het ordenen en beschrijven van archieven. Zo valt het te betreuren, dat hij de opzet van het archief totaal heeft veranderd en adviezen aan de kerkvoogden heeft gedaan over het uiteennemen van banden om beter rubriekdossiers te kunnen vormen. Inhoudsbeschrijvingen heeft hij in ruime mate gemaakt en het zou tegenover de maker niet fair en voor de gebruiker een handicap zijn als deze arbeidsintensieve bewerking van het archief zonder meer aan kant was gezet als in strijd met de handleiding. De gebruiker van onderstaande inventaris zal dan ook meermalen naar deze uitvoerige indices worden verwezen. Wat de acquisitie der archieven betreft hebben wij getracht door persoonlijke contacten, oproepen in "Hervormd Leeuwarden" enz. de archivalia zo compleet mogelijk te verkrijgen. Wij vleien ons niet met de gedachte alles te hebben gekregen wat o.m. nog in particulier bezit is. We hebben veel medewerking gehad maar toch zijn alle toezeggingen niet gehonoreerd. De misvatting dat archief gevormd door b.v. een commissie particulier bezit is moest weer worden bestreden.
Burgemeester en raad Ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1805) had Bathmen al een kleine twee eeuwen van gemeenschappelijke bestuurshoofden met Holten achter de rug. Ook de benoeming van J. Pakkert in 1804 tot 'verwalter schout' (waarnemer) betrof beide schoutambten. In de volgende dertig jaar wijzigde de centrale overheid, - waaronder dat van Frankrijk van maart 1811 t/m nov. 1813-, Pakkert's titel en bestuursgebied (Bathmen met of zonder Holten) tenminste vijfmaal en werden vanaf 1813 de aanduidingen schout en burgemeester door elkaar gebruikt. Bij besluit van 24 april 1834 no. 129 verleende Zijne Majesteit hem eervol ontslag als burgemeester van Holten. In hetzelfde besluit werd hij benoemd tot secretaris van de raad van Bathmen. Staande de raadsvergadering legde hij op 3 mei 1834 de eed af (Reglement op het bestuur ten plattelande, 1816/1825. Art. 107). Materieel gezien was de dubbelfunctie van burgemeester en secretaris de voortzetting van die van de bestuurstaken van de schout. Ook de gemeentewet van 1851 liet gemeenten tot 5000 zielen de vrijheid voor de dubbelfunctie te kiezen. Tot de combinatie behoorde tot 1885 bovendien de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand. Zo ook bestond deze bestuursfiguur in Bathmen, al werd hier in 1882, 1905 en 1916-1918 van afgeweken. De financiële voordelen van de combinatie staken schril af tegen de nadelen (machtsophoping). Hoewel de eerste burgemeesters als geboren en getogen Bathmenaren de mentaliteit van de ingezetenen kenden kwamen zij niettemin enige malen onder vuur te liggen en probeerden zij in de notulen buiten beeld te blijven. Bij deze gelegenheden (1821, 1858, 1862, 1864, 1888), konden zij er niet onderuit de incidenten te vermelden omdat de raad niet schroomde om herschrijving van de notulen te vragen. Vanaf 1882 brachten burgemeesters van buiten de gemeente enige verandering. De toon van de vergaderingen werd zakelijker, de notulen schraler. Ondertussen bleef de informering van de raad mager en meer dan eens kregen de raadsleden slechts een deel van de correspondentie te zien. Zo kon het gebeuren dat tijdens een vergadering in 1921 (stroomlevering) de burgemeester (Hemminga) eerst brieven voorlas nadat de raad hier uitdrukkelijk om had gevraagd. Na de benoeming in 1916 van een jonge secretaris en dito burgemeester, met kwaliteiten, deden GS een poging beiden voor Bathmen te behouden. Een aanbeveling van GS aan de raad in november 1918 om de wedde van burgemeester, secretaris en ontvanger met resp. 25%, 33% en 25% te verhogen, werd door de raad weggestemd, waarna de burgemeester ontslag nam. In maart 1919 vertrok ook secretaris De Boer. Hierop ging de functie van secretaris als voorheen naar de burgemeester.In de 18e en begin 19e eeuw vertegenwoordigden de raadsleden geen politieke partij. Verkiezing van raadsleden uit politieke groeperingen waren er voor het eerst in 1923. Er werden toen drie lijsten ingediend onder de namen van de respectieve lijsttrekkers. In het archief wordt noch over de politieke kleur noch over verkiezingsprogramma's gerept. Kennelijk dachten alle groeperingen min of meer gelijk over het algemeen belang en lieten de notulen a-politieke raadsvergaderingen zien. Dit bleef ook zo bij de verkiezingen van 1927 en 1931. Bij de verkiezingen van 1935 bleek lijst Vos gelieerd aan de SDAP wat ook uitwerking had op de discussies in de vergaderingen. Nog duidelijker werd dit bij de behandeling van de begroting voor 1937 toen de partij Gemeentebelang de SDAP betichtte van stemmingmakerij en belastende voorwaarden rond SDAP-steun voor een eventuele wethouderszetel voor Gemeentebelang. Als derde was er de lijst Blankena. Secretarie Het grootste deel van de 19e eeuw kende Bathmen geen gemeentehuis. De ontvanger en af en toe de burgemeester trof men al in 1814 aan in de gemeentekamer in het huis van J. van Ark. Het was mogelijk het zelfde pand dat vanaf de jaren twintig de tapperij en gemeentekamer van Hendrikus Lubbers en zijn zoon Jan herbergde (Klaverblad, tot 1882). In 1882 na beëindiging van de huur van de kamer in het Klaverblad week men uit naar de Beekhof, de door burgemeesters Wentholt en Vitringa tussen 1882 en 1888 gehuurde privéwoning. Ook voor raadsvergaderingen werd de gemeentekamer gebruikt. Een groot deel van zijn werkzaamheden deed de burgemeester thuis. Na aankoop en verbouw van het Westerhuis in 1888 kregen secretarie en vergaderruimte een plaats in het nieuwe gemeentehuis annex ambtswoning. In 1935 werd de secretarie bemand door de gemeenteontvanger, twee ambtenaren ter secretarie, een volontair en de gemeenteopzichter. Financiën Ten aanzien van de financiën voerde de raad een strak, zuinig beleid. Onderliggende redenen waren de geringe financiële draagkracht van de bevolking en de ongeschreven wet van een batig saldo op de winst - en verliesrekening. Elk B&W-college moest met deze beperking besturen. Een subsidie onder Pakkert jr. in 1881 van fl 6000 voor de aanleg van de spoorlijn Apeldoorn-Almelo was strijdig met genoemd gebod. Vreemd was het dan ook allerminst dat bij zijn installatie in 1905 burgemeester Bontekoe de boodschap meekreeg bovenal zuinig te zijn. Een batig saldo op de winst- en verliesrekening betekende zuinig zijn met het aangaan van leningen en alle mogelijkheden voor opcenten te benutten. Opcenten bestonden uit een toeslag op de aanslagen van rijksbelastingen, uit te keren aan de gemeente (de gemeente 'lift' mee met rijksbelastingen). Zo waren er opcenten op gedistilleerd, op de rijksgrondbelasting, op de rijkspersonele belasting, op opcenten op wijn (1828), op de belasting op ingevoerd vlees (1828). Andere inkomsten bestonden onder meer uit leges en schoolgeld. De begroting werd sluitend gemaakt door het tekort over de ingezetenen om te slaan (hoofdelijke of personele omslag). Midden 19e eeuw zag de burgemeester in het heffen van hondenbelasting een mogelijkheid het begrotingstekort verder te verminderen. Aldus notuleerde hij bij het wijzigen van de begroting voor 1 854 'Eindelijk werd door den voorzitter aan den raad voorgesteld of het ook als belangrijk zoude kunnen worden beschouwd de invoering eener belasting op de honden, eensdeels tot stijving der gemeente kas en anderdeels om daardoor het grootte getal der honden zelfs bij zeer veele minvermogende ingezetenen, te doen verminderen'. De raad wilde hier echter niet aan en wist de hondenbelasting tot 1888 tegen te houden. Als illustratie volgt het aandeel van de hoofdelijke omslag in de ontvangsten van de begroting van 1882 (bevolking 1403 zielen). Vaste rijksbijdragen fl. 7.264,90 Opcenten op rijksbelastingen - 911,00 Schoolgeld, accijns, begraafrecht - 459,00 Ontvangst vroegere dienstjaren - 644,00 Interest, tol, pacht, houtverkoop - 390,00 Subsidies provincie en rijk - 143,00 Hoofdelijke omslag - 2.600,00 Totaal fl. 7.264,90 De post van fl. 2600 werd omgeslagen over 217 belastingplichtigen als volgt: - hoogste aanslag fl. 125 - laagste aanslag fl. 0,50 - aantal aanslagen beneden fl. 25,00 179 (voor een totaal van fl. 1012,80) - percentage huishoudens aangeslagen onder fl. 25,00 80% - percentage belastingopbrengst van bovenstaande 80%: 39% van fl. 2600,00 = fl. l .012,80. Genoemde fl. 25 was de minimale belastingaanslag om voor de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht in aanmerking te komen. De Financiële Verhoudingswet van 15 juli 1929 S388 veranderde de grondslagen van de gemeentefinanciering ingrijpend. Het nieuwe complexe stelsel met koppeling van verschillende rijks- en gemeentelijke belastingen alsmede de instelling van de Gemeentefondsbelasting (rijksinkomstenbelasting particulieren), - met de mogelijkheid om met keuzevariabelen de gunstigste verhouding tussen rijksuitkering en gemeentelijk belastingregiem te berekenen -, betekende voor Bathmen vanaf 1930 netto een bescheiden verbetering van de financiën. De blijvende begrotingsproblemen maakten echter de heffing van opcenten noodzakelijk (1938). Onderwijs Van de gemeentelijke taken was onderwijs er een waaraan veel aandacht werd besteed. Kwamen de kosten aanvankelijk geheel voor rekening van de gemeente, sedert de wet van 1878 S127 subsidieerde het rijk de onderwijskosten voor 30 %. Niettegenstaande de subsidie bleef de gemeente schoolgeld heffen, zij het dat voor kinderen van minvermogenden het onderwijs gratis was. Er kwam een school in 1818, vergroot in 1855. In 1885 werd een nieuwe school betrokken. Het personeel van de driemansschool kreeg in 1883 versterking van een onderwijzeres met de akte nuttige handwerken. Zeer divers waren de educatieve en culturele initiatieven die van de school vanaf ca. 1860 gebruik maakten. Zo gaf in de jaren zestig onderwijzer Moll voor een groot aantal geïnteresseerde kinderen les in bijbelse geschiedenis en zang. De raad bevorderde de cultuur door vanaf 1878 'Bathmens Vriendenkring' (toneel, later ook zang) 's avonds het gebruik van een schoollokaal toe te staan. Met tussenkomst van de burgemeester gaven vanaf 1890 in de school landbouwdeskundigen (Wageningen) lezingen voor de Bathmensche Landbouwvereniging. De tweede lagere school ging in 1912 in Loo open (tweemansschool). In hetzelfde jaar volgde er een contract met Deventer inzake de toegang van Bathmense leerlingen tot opleidingsscholen, die toegang tot HBS en MMS gaven. Voorts werd de dorpsschool vanaf 1912 's avonds ook gebruikt voor wintercursussen door een onderwijzer met landbouwaantekening. Tenslotte waren er in de jaren twintig cursussen aanvullend avondonderwijs voor volwassenen met de vakken "regels van den weg" en " beginselen boekhouden". Met extra rijksbijdragen werden in 1921 vergrotingen van de scholen gerealiseerd in het dorp en Loo, waarna in 1932 de bouw van een lokaal voor lichamelijke oefening in het dorp volgde. Armenzorg Armenzorg was een wettelijke taak van de gemeente. Toch hoefde de raad zich weinig met armoede in te laten. De door GS in 1830 aanbevolen instelling van een algemene armenraad wees de raad als overbodig af, omdat de diaconie de verzoeken om steun opving. Het gemeenteverslag van 1851 maakte melding van huisvesting van vele inwoners in hutten en kleine huisjes. En verder: "In de gemeente Bathmen bevinden zich een aanmerkelijk getal behoeftigen. Gedurende den zomer hebben die welke willen werken nogal meesten tijd werk, maar in den winter wegens gemis aan vermogende ingezetenen veelal niet, en moeten dan van den onderstand leven, waartoe geen anderen gelegenheid is, dan van de eene in den gemeente bestaande Hervormde Diaconie, (en) wier inkomsten na aftrek der menigvuldigen uitgaven voor kostgeld en kamerhuur niet voldoende zijn om behoorlijk in de behoeften te kunnen voorzien, en alzo veelen der bedoelde huisgezinnen armoedig moeten leven." Enige malen verwees de diaconie chronisch zieken door, daar de kosten van levensonderhoud van deze categorie voor rekening van de gemeente kwamen. Dat de gemeente de jaartoelage van de vroedvrouw, het vervoer van gestrande, zieke reizigers en een toelage voor de plaatselijke artsen belast met de armenpraktijk betaalde was derhalve allerminst een luxe. Bij afwezigheid van zwervers, daklozen en buitenkerkelijken leidde de invoering van de Armenwet in 1854 in Bathmen niet tot toename van het aantal steunaanvragen bij de gemeente. Wie steun nodig had klopte als voorheen bij de diaconie aan. Katholieke ingezetenen konden terecht bij het armbestuur van hun parochie in Schalkhaar, later bij dat van Lettele. Ook de instelling van een Sociale Raad, voorgeschreven door de Armenwet van 1912, bleef achterwege. Het was de omvang van de financiële nood in het begin van de jaren dertig die leidde tot een gedeeltelijke herschikking van de armenzorg tussen diaconie en gemeente en vanaf 1934 plaatste de raad een post werklozensteun op de begroting. Volksgezondheid In 1828 vroeg de raad ontheffing van het GS-besluit uit 1827 om het begraven in de kerk en in de bebouwde kom te verbieden en vervolgens nieuwe begraafplaatsen in te richten buiten de kom. Zo kon de oude begraafplaats, net buiten de bebouwde kom, nog lang in gebruik blijven. Eerst in 1900 werd besloten een nieuwe begraafplaats te stichten. Een ander punt van gemeentelijke zorg betrof besmettelijke ziekten. Zo behoorde tot de taken van de geneeskundige belast met de armenpraktijk het kosteloos vaccineren van kinderen tegen pokken. Velen woonden opeengepakt in kleine ruimten. De geringe draagkracht van de inwoners kan reden voor de provinciale gezondheidscommissie zijn geweest om GS in 1904 te adviseren Bathmen vijf jaar uitstel te verlenen van toepassing van art 3 v.d. Woningwet van 1901 (regelende het maximale aantal bewoners per m2 vloeroppervlak van een huis of een kamer en eventueel onbewoonbaarverklaring). Af en toe braken besmettelijke ziekten met fatale afloop uit: 1887 tyfus; 1901 twee gevallen van tbc. In zulke omstandigheden ging de gemeente over tot vernietiging van kleding en beddengoed en ontsmetting van het huis. Voor de behandeling en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten sloot de gemeente eerst in 1931 een contract met het Oude en Nieuwe Gasthuis in Zutphen. Infrastructuur Met de begaanbaarheid van de wegen was het slecht gesteld. Ook de staat van de houten bruggen over de Schipbeek en Dortherbeek liet veel te wensen over. Zo was de Bonte Os- of Landeweersbrug in 1827 zo deplorabel dat de ingezetenen er niet met paard en wagen over konden om brandhout en plaggen te halen, mest naar het bouwland te brengen en doden te begraven. Bovendien stremde de slechte brug het verkeer tussen Munster en Deventer (via Markelo), met als gevolg minder klandizie voor de neringdoenden. De brug, die in 1861 met steun van Deventer en de provincie een ingrijpende reparatie onderging, verkeerde in 1921 opnieuw in slechte staat. Ook andere overgangen zoals de Pothaarsbrug en Varinksbrug waren er weinig beter aan toe. In 1844 nam de raad een modelverordening op de hand- en spandiensten aan. Juridisch heette dit een belasting in natura tot levering van tijdelijke arbeid, alsmede het gebruik van paarden met werktuigen (gemeentewet 1851; art 239 juncto193). Doel: begaanbaar houden van wegen op het platteland door ingezeten mannen van 18 tot 60 jaar. In Bathmen functioneerden de hand- en spandiensten per buurtschap, voor het overige ontbreken gegevens. Wettelijk moest de gemeente de mogelijkheid bieden de dienst af te kopen, waarvoor zij jaarlijks het kohier handen spandiensten ter goedkeuring aan GS opzond. Uit de bewaard gebleven exemplaren over 1885-1917 blijkt dat niemand van deze mogelijkheid gebruik maakte. Evenmin vermelden de raadsnotulen bezwaren van de civiel dienstplichtigen tegen hun plaatsing op de lijst. Na 1923 verdween het instituut van de begroting. De zorgen om slechte wegen werden nog vergroot doordat de gemeente in 1856 ook het onderhoud van wegen en bruggen van de marken Dortherhoek en Zuidloo overnam en van die in Loo in 1864. Verreweg het belangrijkste besluit uit de 19e eeuw was dat uit 1851 om de weg van de Bathmense molen naar het dorp met oer, puin en grind te verharden. Begrote kosten fl 11.300. De gemeente droeg hieraan bij f3500, waarvoor een lening werd aangegaan. Op 12 maart 1853 werd met 4 tegen 3 stemmen besloten de puinweg vanaf het dorp naar de grens met Gorssel door te trekken. Na vele vergaderingen was er in juli 1853 een conceptovereenkomst tussen aannemer mr A.Werndly en G. Koersen enerzijds en de gemeente anderzijds en in april kwamen de voorwaarden en bestek voor de bouw van het tolhuis. Vervolgens had het kiezen van de plaats voor een op te richten tolhuis buitengewoon veel voeten in de aarde (belangen van aanwonenden, kerkgang). Met vier tegen twee stemmen werd besloten de tol niet bij de Dorthermolen maar bij de Schipbeek te heffen (1854). Vrijgesteld van tol werd graan- en meelvervoer naar molens, resp. bakkers, alsmede kerkgang. Geschiedde vanaf 1855 de tolheffing in eigen beheer, met ingang van 1886 verpachtte de gemeente de tol. De tweede weg die werd verhard was die door de Bathmense Enk en de Spitdijk naar de Bannink (l 869). In 1915 besloot de raad geen verlenging van de tolconcessie meer aan te vragen. Het isolement van de gemeente was ondertussen sterk verminderd door de opening van de spoorlijn in 1888. De aansluiting van het post- en telegraafkantoor op het telefoonnet in 1909 zette het venster op de wereld nog verder open. Vanaf 1911 sloot de gemeente vaker leningen voor de verbetering van wegen met als eerste de aanleg van een straatweg naar Loo (tot Pakkert) en Zuidloo (tot Littiskamp). De aanwonenden betaalden 50% van de kosten en ook de zuivelfabriek leverde een bijdrage. Bestrating en verharding van meerdere wegen volgde in de periode 1928-1933, o.a. Braakmansteeg en Oxersteeg. Zijdelings kreeg de gemeente te maken met de normalisatie van de Schipbeek. Ter bestrijding van de crisis kwam er in 1930 een rijkswerkverschaffingsproject voor verlegging, verbreding en bedijking van de Schipbeek, bouw van betonnen bruggen en van stuwen. Hiervoor werden werklozenkampen ingericht (deelname uit Bathmen 14 werklozen.) Industrie en nijverheid Hoewel particuliere commerciële bedrijven buiten de gemeentelijke organisatie vallen, geven de volgende opmerkingen over enkele fabrieken en werkplaatsen en hun krachtbronnen enig inzicht in de plaatselijke economie. Naast de landbouw als hoofdmiddel van bestaan, kwamen in de periode 1845-1851 een paar commerciële initiatieven tot ontwikkeling. Zo bouwde de Goorse fabrikant Arntzenius, nadat hij zijn belofte een weefschool in het dorp op te richten niet gestand deed, in 1845 een calicot- weeffabriek bij de Oude Molen (gem. Diepenveen) waar 21 personen (waaronder 8 kinderen) uit Bathmen werkten. Vanaf 1851 werd ook melding gemaakt van koopman Koersen die handel dreef in geslachte varkens, bomen, hakhout en bouwmaterialen. Hij was de eerste die in Bathmen een stoommachine aanschafte (1880) voor zijn slachterij. Sinds 1891 beschikten de twee molens in het dorp (J. te Winkel en wed. Cellarius) ook over een stoommachine en vanaf 1895 was de molen in Dortherhoek (wed. te Winkel) voorzien van een petroleummotor. Het initiatief tot oprichting van de eerste particuliere stoom-boterfabriek kwam in 1901 van N.S. Modderman. Het bedrijf sloot reeds in 1906. Op een perceel in de directe nabijheid startte in hetzelfde jaar de Coöperatieve Zuivelfabriek (opgericht 1905) een nieuw bedrijf, eveneens op stoom. Vooral de slachterij van Koersen drong aan op een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf (GEB). Koersen's bedrijf bood bij de start van het GEB in 1918 onderdak aan een dynamo met motor (aggregaat). Het GEB kampte in 1918 en 1919 zo vaak met stroomuitval, dat het aggregaat naar het pand van de Coöperatieve Aankoopvereniging (opgericht 1895) verhuisde. Vanaf 1921 zorgde de IJsselcentrale voor betrouwbare stroomlevering. Een nieuwe transformator in 1930 voorzag de zuivelfabriek, de slachterij van Koersen en de molens van krachtstroom. Tegelijk begon het GEB aan de zwakstroombekabeling van het dorp. Ook de zuivelfabriek deed haar voordeel met stroom voor licht en voor een boterpers(1925). In dezelfde periode volgden nog de oprichting van een bedrijf voor houtbewerking en van een machinale klompenmakerij, beide met elektromotoren. In lijn met het gevoelen van althans een deel van de ingezetenen waren de ideeën van burgemeester Boreel over nieuwe bedrijvigheid toen hij bij de opening van de nieuwe raadszaal in 1917 waarschuwde voor chaos, onrust, ontevredenheid en geweld als bijverschijnselen van een snelle industriële ontwikkeling en hij een lans brak voor een "ontwikkeling langs de lijnen, die Uwe vaderen en Uwe voorvaderen U hebben aangegeven. Langs dezen weg voortgaande kan Bathmen in groei en bloei toenemen en de vruchten van een rustige welvaart genieten". Brandweer Van 1828-1849 wees de raad ieder jaar het verzoek van GS om een brandspuit aan te schaffen af op grond van ver uiteen gelegen woningen en geen water in de zomer. In zo'n situatie, aldus de raad, waren brandhaken het meest effectief om een geïsoleerde brand te bestrijden. In het midden van de 19e eeuw lagen de woningen in het dorp zo verspreid dat aanschaf van een brandspuit geen zin had. Alleen bij dichte bebouwing zou het lonen belendende percelen met een spuit voor afbranden te behoeden. Daar de aanschaf van leren brandemmers in 1851 te duur was kwam men uit bij goedkopere houten kuipen. Basis voor het bestrijden van brand waren 20 brandhaken (om muren van brandende huizen om te trekken). In de jaren dertig en veertig van de 19e eeuw ontbreekt een post voor brandbestrijding (alleen 1843 fl 15). Nadat in 1849 de burgemeester tevergeefs probeerde een brandspuit te kopen, kwam hiervoor het jaar daarop fl 330 op de begroting. Van 1853 /m 1881 moest de brandweer het weer doen met fl 10 tot fl 25 per jaar, afgezien van vervanging van de houten door 20 blikken emmers in 1879. Pas in 1882, plaatste de nieuwe burgemeester Wentholt de brandweer op de agenda en werd voor reparatie van de spuit en tegemoetkoming van vrijwilligers fl 154 gevoteerd. Onder opvolger Vitringa kwam er in 1890 een nieuwe brandspuit van fl 1100. Het dorp kreeg 2 nieuwe brandpompen in 1911. De afwezigheid van bluswater in het overgrote deel van de gemeente in 1930 was voor de raad geen reden om voor het voorstel van aanschaf van vier schuimblussers voor de buurtschappen stemmen. Oorlogs- en crisismaatregelen Blokkade van Deventer Op 12 november 1813 maakte een Kozakkeneenheid kwartier bij de Oude Molen (gem. Diepenveen).Vanaf die dag t/m 27 november 1813 was de schout van Bathmen dag en nacht in touw om de vreemde troepen op een ordelijke wijze van voedsel, licht, brandhout en paardenvoer te voorzien. Eind 1813 kwam er versterking van inderhaast geformeerde Nederlandse militaire eenheden. Op bevel van de provisioneel gouverneur werden de laatstgenoemden in Bathmen (dorp) en in Diepenveen (Weteringen) ondergebracht om deel te nemen aan de blokkade van Deventer dat nog in Franse handen was (27 nov. 1813-16 april 1814). Ook voor de Nederlandse eenheden werden goederen gevorderd, met name kaarsen en brandhout. Wereldoorlog I De gevolgen van WO I werden in Bathmen merkbaar door de Verordening op het vervoer en verbruik van rogge, roggemeel en roggebrood (1914), alsmede de verordening op de samenstelling en het gewicht van brood (1915). Op 22 sep. 1916 volgde de inwerkingtreding van de Distributiewet, die de boeren verplichtte rogge in te leveren, waarbij zij voor elke hectoliter een mud maïs terug kregen. Dit leverde de gemeente een batig saldo op (zgn. roggepotje). Anderzijds legde de gemeente geld toe op de broodvoorziening. Op de wet volgde nog in 1916 de Verordening op het beheer van het gemeentelijk levensmiddelen en -distributiebedrijf. Zowel de wet als de verordening bezorgden de burgemeester en de veldwachter veel werk. In het kader van de wet distribueerde het Gemeentelijk Levensmiddelenbedrijf reeds in 1916 aanmerkelijke hoeveelheden spek, vis, bak- en braadvet, peulvruchten, groenten, rijst, havermout en boter vanuit de secretarie. Tegelijk huurde het bedrijfin 1918 grond van de Coöperatieve Aankoopvereniging voor de verbouw van bonen en aardappelen. Het einde van de eerste wereldoorlog betekende geenszins beëindiging van de distributie van voedingsmiddelen en brandstof. In het tijdvak 1919-1921 moest de begrote post voor volksvoeding en -distributie met een factor 4 tot 5 vermenigvuldigd worden tot fl 20.000 a fl 25.000. Verkoop van deze artikelen spekte de kas van het levensmiddelenbedrijf (lees gemeentekas).
Inleiding op de verzamelinventaris Archieven Jordens (Deventer, 1977) De inleiding op een inventaris van een familiearchief behoort te beantwoorden aan het algemene principe n.l. dat de inleiding de noodzakelijke kennis moet bevatten voor de onderzoeker, die de documenten denkt te kunnen gebruiken. De verleiding is echter groot om bij families, waarvan de betekenis in voorgaande eeuwen zeer aanzienlijk is geweest, van dit principe af te wijken. Evenwel hoopt de samensteller van deze publicatie met de navolgende passages gewijd aan de lotgevallen van de familie Jordens in Deventer en omgeving redelijk binnen de grenzen van de archieftheoretische opvattingen gebleven te zijn. Daarbij kan in dit verband gewezen worden op een artikel van de hand van dr. A.C.F. Koch over het Jordenshofje, waardoor de aandacht voor deze instelling van weldadigheid beperkt kan blijven 1. Door de naamgeving van het Jordenshofje in de Kleine Overstraat en van het Jordenshuis in de Papenstraat blijft de herinnering aan de oude regentenfamilie Jordens in Deventer levend, ook nu er geen naamgenoten meer wonen. Door het besluit van mr. C.G. Jordens (1896-1977) om het familiearchief in bewaring te geven bij de gemeente Deventer is aan die herinneringen een monument van andere orde, een "papieren" monument toegevoegd. De maatschappelijke positie van de leden der familie en hun bezittingen in en buiten Deventer bepalen de grote waarde van dit archief, dat naar de mening van de samensteller van de inventaris zeker voor het laatst deel van de 18de en de gehele 19de eeuw veelvuldig geraadpleegd zal worden voor de bestudering van de lokale en regionale geschiedenis. De familie Jordens De stamvader van de familie Jordens te Deventer is - naar recent onderzoek heeft uitgewezen 2 - Hendrik Seemsmaker, die komende van Havixbek in Westfalen in 1493/94 het burgerrecht in deze stad verwierf. Bij de verlening van het burgerschap stelde zich tot borg Johan Jordens, zadelmaker in de Korte Bisschopstraat. Voorts is bekend dat Hendrik Seemsmaker vóór 1500 gehuwd is met Stijne, de dochter van Johan Jordens 3, hetgeen de relatie bij de burgerrechtverlening verklaart. In het nageslacht is in de derde tot vierde generatie de voornaam Jorden tot eigennaam geworden. Oudtijds liep de spelling van de letters J en I doorelkaar. De officiële schrijfwijze 1 . A.C.F. Koch, De Keysersplaats of Iordenshof te Deventer, in: Verslagen en Mededelingen v.d. Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 75-e stuk (1960) p. 59-68. 2 R.C.C. de Savornin Lohman, De herkomst van het Deventer geslacht Jordens, (mededeling) in: De Nederlandsche Leeuw jrg. 94 (1977) k. 112-113. 3 Genealogie van het geslacht Jordens, in: Nederland#s Patriciaat jrg. 52 (1966) p. 208 - 234. Uitgebreider in oudere generaties is de publikatie van H. Kronenberg en H.H. Roëll, in: De Nederlandsche Leeuw jrg. 47 (1929). van de naam Jordens is, zeker sedert de invoering van de burgelijke stand in 1811, behoudens een uitzondering, met de letter J. Die spelling wordt in deze publicatie aangehouden. Voor de geschiedenis van het geslacht in de 16de en een deel van de 17de eeuw zijn we aangewezen op de algemene archiefbronnen, met name die delen uit het rechterlijk archief van de stad, waarin gegevens vermeld worden over het wonen en werken van de leden van de familie zoals de attestatie- en renunciatie-registers 4. Zeer informatief zijn twee akten uit de attestatieregisters gedateerd 2 en 3 februari 1570. Daaruit blijkt dat de drie eerste generaties Jordens - met de voornamen Hendrik, Jorden, Hendrik - een bedrijf voor de bereiding van zeemsleer hebben uitgeoefend vanaf ongeveer 1520; dit bedrijf is gevestigd geweest, naar we uit andere bron weten, in de Grote Overstraat 5. Volgens de familieoverlevering was aan dit huis een uithangbord bevestigd met de afbeelding van een dorstig hert. Dit is bepaald niet onwaarschijnlijk; het familiewapen bevat vanaf de 17de eeuw een hert. In de derde generatie, dus die van Hendrik Seemsmaker of Hendrik Jordens (overleden in 1581), is de band tot stand gekomen tussen de familie Jordens en een kleine instelling van weldadigheid, toen en tot in de 19de eeuw, bekend onder de naam de Keysersplaats, sindsdien bekend onder de naam het Jordenshofje. Gesticht door Ewolt Keyser vóór 1538 achter zijn woning in de Lange Bisschopsstraat met een ingang aan de Pontsteeg lagen daar vier kleine huisjes bestemd voor de huisvesting van bejaarde en behoeftige vrouwen. in 1571 droeg Johanna de weduwen van Joachim Keyser het beheer van de "Keysersplas" over aan haar familieleden Hendrik Jordens en zijn zwager Ewolt Buser. Na de dood van laatstgenoemde in 1622 kwam het beheer van de fundatie geheel in handen van leden van de familie Jordens 6. In de eerste helft van de 17de eeuw splitste de Jordensfamilie zich in twee te Deventer woonachtige takken middels Gerhard en Hen(d)ri(c)k Jordens zonen van de brouwer Jan of Joan Jordens, die op zijn beurt weer de jongste zoon was van de hiervoor vermelde zeemsbereider Hendrik Jordens. Zowel Gerhard (1603-1670) als Hendrik (1605-1667) blijken opgenomen in de bestuurslaag van de stad Deventer, waar zij verschillende functies bekleedden. Zij beiden zijn daarmee de stichters van een regentendynastie, die invloed op het openbare leven heeft behouden tot in het begin van de 20ste eeuw. Vooral de nazaten van Hendrik Jordens zijn te Deventer in een relatief groot aantal woonachtig gebleven. De archieven die in deze publicatie beschreven worden, hebben vooral op die tak van de familie betrekking. Daarbij dient opgemerkt te worden, dat van de leden der familie Jordens vóór het midden der 18de eeuw in de meeste gevallen slechts fragmenten van persoonlijke archieven bewaard gebleven zijn. Enigszins een uitzondering op die regel vormt Rudolf Jordens (1671-1748) van wie over een vrij grote periode bescheiden betrekkelijk de door hem vervulde stedelijke functies van financiële aard aanwezig zijn. De geschiedenis van de herkomst van deze stukken is echter apart. Ze zijn eerst in 1941 door aankoop aan het familiearchief toegevoegd 7. Eén en ander doet ons samenvattend opmerken, dat de kern van het familiearchief afkomstig is van de kinderen van Herman Joan Jordens (1706-1756) en Rudolphina Johanna Daendels (1700-1768) alsmede hun verdere nazaten. In de 18de eeuw werd het ongebruikelijk, dat leden van het geslacht die overheidsfuncties bekleedden nog een beroep uitoefenden. Voor de Deventer jongelieden was de gebruikelijke 4 J. Acquoy, Inventarissen van de rechterlijke archieven der stad Deventer, van het schoutambt en de ambtmannie Colmschate, in: Verslagen van s#Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1911, p. 449-500, #s-Gravenhage 1912. Hierin invent. nr. 6 attestatieregisters en nr. 55 renuntiatieof transportregisters. 5 Deze inventaris nr. 5 en Koch o.c. p. 62. 6 Koch, o.c. p. 62. 7 Deze inventaris nr. 358. levensloop het bezoek aan het Athenaeum en vervolgens de studie aan een universiteit, vrijwel altijd in de juridische faculteit. Daarna zorgde het systeem van onderlinge afspraken tussen de regentenfamilies er voor, dat de afgestudeerde van één of meerdere betrekkingen voorzien werd. Men kan voor wat betreft de Jordensen geen caesuur ontdekken tussen de stadhouderloze tijdperken en de periodes waarin de Oranjes invloed op het vergeven der benoemingen uitoefenden. Het kohier van de duizendste penning te Deventer van 1734 8 bevat in totaal 19 leden van de familie Jordens, waarvan het getaxeerde bezit d.w.z. alleen het bezit in de stad, een bedrag van f. 197.000 opleverde. Van deze 19 familieleden bekleedden er zeker zes een overheidsfunctie in Deventer of daarbuiten; acht van de negentien waren weduwen of ongehuwde vrouwen. Ook de reeds vermelde Herman Joan Jordens maakte deel uit van het stadsbestuur van Deventer en van het bestuur van het gewest Overijssel. Zijn echtgenote stamde uit het Veluwse geslacht Daendels. Ten gevolge van deze verbintenis geraakte de buitenplaats de Borchgreve te Heerde in het bezit van de familie Jordens. Uit een andere tak van de familie was Georg Jordens (1722-1776) van 1746 tot aan zijn overlijden een verdienstelijk hoogleraar in de juridische faculteit aan het Deventer Athenaeum. Met de nazaten van het echtpaar Jordens-Daendels zijn we in de roerige tweede helft van de 18de eeuw aangekomen. De Patriottentijd stond voor de deur en het einde van de Republiek naderde. Herman Joan#s zoon Gerrit David Jordens (1734-1803) maakte een uitermate interessante carrière door. Als niet al te uitgesproken partijganger maar wel met patriotse sympathieën deed hij onder stadhouder Willem V heel wat moeite om op de geijkte wijze aan betrekkingen te komen 9. In de jaren 1780-1787 schaarde hij zich echter volledig aan de patriotse zijde; tengevolge daarvan was hij van 1788-1794 ambteloos. In 1795 werd hij direct gekozen in het voorlopige stadsbestuur en zelfs afgevaardigd naar de centrale volksvertegenwoordiging in Den Haag. Het meer radicale gedeelte uit de Franse tijd in 1798 bekwam hem slecht en met zijn plaatsgenoot mr. G. Dumbar jr. vertoefde hij na de Jacobijnse staatsgreep een half jaar als gevangene te Honselaarsdijk 10. Tenslotte werd hij in 1801 benoemd tot lid van het Hoge Nationale Gerechtshof te `s-Gravenhage. De regelmatige verandering van politiek systeem tussen 1795 en 1815 heeft niet betekend dat de invloed van de oude regentenfamilies, of zij nu in het voorafgaande tijdvak patriots dan wel oranjegezind waren, is verdwenen. Typerend voor die situatie is een overzichtje van leden van de familie Jordens in 1835 te Deventer werkzaam: mr. C.A. van Munster Jordens, officier van justitie en lid van de gemeenteraad; mr. H.J. Jordens, griffier van de rechtbank; zijn zoon mr. W.H. Cost Jordens, vrederechter, auditeur bij de krijgsraad van de schutterij en gemeenteraadslid; mr. D.J.R. Jordens, advocaat en notaris, lid van Provinciale Staten van Overijssel en mr. H.W. Jordens, advocaat en procureur. De laatste Jordens die aan het bestuur van stad en provincie deelnam was Herman Joan Jordens (1868-1928). Na een wethouderschap te Deventer van 1902-1906 werd hij lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel tot aan zijn overlijden in 1928. De grote concentratie van functies in het openbare leven, waartoe we ook de kerkgenootschappen en verenigingen kunnen rekenen, veroorzaakte dat men te Deventer in de 19de eeuw vrijwel overal leden van de familie Jordens tegenkwam. De maatschappelijke positie van de familie berustte evenzeer op een redelijke tot grote mate van welvaart, die tot uitdrukking gebracht werd in de verwerving of vererving van onroerende goederen. 8 Stadsarchief Deventer, afd. Repubiek I nr. 600. 9 J.I. van Doorninck, Gerrit David Jordens 1772-1778, in: Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, dl VII (1883) p. 1-20. 10 Collectie Dumbar, gemeentearchief Deventer, voorlopige inventaris nr. 96 en 97 "Dagverhaal van het aan mij (d.i. mr. Gerhard Dumbar jr.) gebeurde in de eerste zes maanden des jaars 1798" met bijlagen. Het landgoed de Bannink onder Colmschate is van 1682 tot omstreeks 1800 in het bezit van de familie Jordens geweest. Na Rudolf Jordens (1732-1797) vererfde het buitengoed tweemaal vrij snel in de vrouwelijke lijn, waardoor het in het bezit geraakte van de familie Sandberg tot Essenburg. In de voorgevel van het oude huis (zie de foto), dat kort na 1890 werd afgebroken en vervangen door de huidige in 1895 gebouwde villa, bevonden zich de familiewapens van het echtpaar Hendrik Jordens (1667-1715) en Elisabeth Mechteld Roelinck (1668-1715). Van de buitenplaats de Borchgreve onder Heerde maakten we reeds in het kort melding. Deze bezitting werd door de erven D.J.R. Jordens in 1861 verkocht. Via zijn echtgenote Anna Maria Metelerkamp deelden D.J.R. Jordens en de kinderen uit dit echtpaar in de grote bezittingen van de familie Metelerkamp, die eensdeels gelegen waren in de provincie Groningen en het aangrenzende gebied van Oost-Friesland en voor een ander gedeelte in Amsterdam. Dit bezit werd door de erven Metelerkamp, waartoe ook de president van de rechtbank te Deventer mr. G. Nilant Bannier hoorde, verkocht in de jaren 1850. Mr. H.J. Jordens kwam via zijn schoonvader mr. W.H. Cost in het bezit van boerenerven te Epse (gemeente Gorssel). Van zijn kinderen bleef Johanna Aleida Jordens ongehuwd; zij bewoonde de door haar verbouwde buitenplaats Matance te Terwolde (gemeente Voorst). Haar broer mr. W.H. Cost Jordens was bouwheer van Het Schol te Wilp (gemeente Voorst); hij erfde van zijn vader de erven te Epse. Cost Jordens was wel gehuwd, maar hij overleed kinderloos. Het bezit van hem en zijn zuster werd verkocht in de jaren 1876-1877. Met name het beheer van het onroerend goed heeft in het familiearchief een belangrijke hoeveelheid waardevolle archiefbescheiden nagelaten, van betekenis ook voor de geschiedbeoefening van de plaatsen waarin deze goederen gelegen waren. In de 20ste eeuw verminderde het aantal te Deventer woonachtige leden van de familie Jordens snel. Van het grote gezin van D.J.R. Jordens bleven alleen de kinderen van zijn oudste zoon in het herenhuis in de Papenstraat wonen. Daartoe behoorde ook Herman Joan Jordens die bij zijn overlijden in 1929 geen kinderen naliet. Sindsdien was alleen de tak van mr. H.W. Jordens (1807-1881) te Deventer vertegenwoordigd in de persoon van mr. dr. H.W. Jordens (1881-1966). Deze Jordens was slechts kort lid van de gemeenteraad, daar hij voor die positie bedankte toen hij drie jaar na zijn verkiezing in 1922 benoemd werd tot secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Deventer. Maatschappelijke functies bleef hij tot op hoge ouderdom vervullen, zoals het (president)curatorschap van het Alexander Hegius gymnasium van 1921-1957. Het Notariskantoor van D.J.R. Jordens en G.E. Jordens Het notarisambt dat in Overijssel in de middeleeuwen veelvuldig voorkwam, vaak gekoppeld aan geestelijken of secretarissen, is na de opstand tegen Spanje vrij spoedig na het jaar 1600 verdwenen. Voorzover het opmaken van publieke akten niet gemist kan worden, diende de burger zich te richten tot de schepenbanken of de secretarissen van het lokale bestuur. In Deventer waren er van oudsher drie stadssecretarissen ten dienste van de stedelijke rechtspraken het stedelijk bestuur. In het rechterlijk archief van de stad treft men hun protocollen aan, met afzonderlijke registers ter registratie van testamenten. Handelsakten vindt men na 1600 in een vrij gering aantal in de memorieboeken, terwijl het handelsleven in de 17de en 18de eeuw in die gewesten, zoals Holland, waar het notariaat zich handhaafde, veel duidelijker naspeurbaar is in de notariële protocollen 11. De uniformering van het openbare leven bracht in de Franse tijd voor Overijssel de wederinvoering van het notariaat. De introductie van het ambt in 1811-1812 viel samen met 11 Acquoy, o.c. invent. nr. 105 protocollen; inv. nr. 106 en 107 testamenten; inv. nr. 124 memorieboeken. de afsplitsing van de rechterlijke bevoegdheden uit het stedelijk apparaat, dat zich sinds dat jaar uitsluitend met het bestuur had bezig te houden 12. De rechtspraak, de indeling van de rechterlijke organisatie, het notariaat en zijn organisatie werden door de toepassing van de Franse wetgeving centraal geregeld. Verkreeg het personeel voor de rechtspraak de status van ambtenaar, de notarissen werden alleen benoemd door de centrale overheid en waren gebonden aan wettelijke voorschriften, maar oefenden hun beroep voor eigen risico uit. In 1811 was mr. H.J. Jordens één der drie stadssecretarissen; door zijn benoeming tot griffier aan de rechtbank van eerste aanleg alhier behield hij een ambtelijke functie. Zijn halfbroer mr. D.J.R. Jordens voerde een particuliere praktijk als advocaat en procureur en vervulde een bezoldigde nevenfuctie als secretaris van de Commissie van Landbouw in het Departement Overijssel. Hij behoorde op 27 februari 1812 tot één van de drie gelukkigen die hier tot notaris benoemd werden; behalve Jordens verkregen mr. J. Chr. van der Linde en mr. W.H. van Marle een dergelijke aanstelling. Alleen de werkzaamheid van Van Marle gaat terug tot 1811, aangezien hij als griffier van het toen ingestelde Vredegerecht reeds als waarnemend notaris mocht optreden 13. In het kanton Deventer, dat de plaatsen Bathmen, Deventer, Diepenveen, Holten en Olst omvatte, resideerde buiten Deventer alleen te Olst een notaris. Het gevolg was dat de inwoners van de toen vrij dun bevolkte plattelandsgemeenten veelal gebruik maakten van een notaris te Deventer. Het is D.J.R. Jordens in zijn praktijk als notaris niet slecht gegaan. Hij had veel cliëntèle, zij het ook veel van de kleinere zaken 14. Daarnaast bleef hij als zaakwaarnemer of rentmeester voor enkele grondbezitters fungeren, die uiteraard bij verkopingen e.d. ook van zijn notariële bevoegdheden gebruik maakten. De degelijk opgebouwde praktijk werd door Jordens eerst op hoge leeftijd in 1855 aan zijn zoon mr. G.E. Jordens overgedragen. Deze zette de zaken op dezelfde voet voort. Slechts met moeite daartoe bewogen legde hij na een ernstige ziekte in 1900 op 87 jarige leeftijd het notarisambt neer. De notariële praktijk bleef niet in de familie; wel hield H.J. Jordens een aantal beheerszaken aan, zodat het archief van het kantoor nog doorloopt tot 1913. De heren Jordens hebben steeds kantoor gehouden in het grote huis van de familie in de Papenstraat. Van meet af aan behoorde het tot de verplichtingen van de notaris, dat er een goed archief bijgehouden werd. De series minuten van de akten met als toegang daarop de repertoria dienden op gezette tijden overgedragen te worden aan de centrale bewaarplaats van alle notarissen in het arrondissement. De overige bescheiden bestaande uit de boekhouding, correspondentie, dossiers en andere toegangen dan de repertoria, vallen buiten de voorschriften. Deze inventaris laat zien hoe omvangrijk en nuttig die archivalia zijn. De vraag moet gesteld worden, in aansluiting op het standpunt van de Archiefraad 15, of het geen aanbeveling verdient om dit gedeelte van de notariële archieven eveneens onder werking van de wettelijke voorschriften te brengen, zodat bij de uiteindelijke overdracht der minuten en repertoria aan de beheerders van de archiefbewaarplaatsen in de zin der archiefwet ook deze bescheiden beschikbaar komen voor het archiefonderzoek. Het Jordenshofje Hiervoor is verhaald hoe de stichting van Ewolt Keyser uit het begin van de 16de eeuw spoedig na 1600 beheerd werd door leden van de familie Jordens, zoveel mogelijk uit iedere tak van 12 D.P.M. Graswinckel, De archieven der notarissen, die op het grondgebied der tegenwoordige provincie Overijssel gefungeerd hebben van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 16 oktober 1842, in: Verslagen van 's Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1921, stuk 2, p. 276-329, 's-Gravenhage 1923. 13 D.P.M. Graswinckel, De archieven der notarissen, die op het grondgebied der tegenwoordige provincie Overijssel gefungeerd hebben van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 16 oktober 1842, in: Verslagen van 's Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1921, stuk 2, p. 280. 14 Deze inventaris nr. 631. 15 Verslag 1974 (van de) Archiefraad, p. 21, 's-Gravenhage 1975. de familie één. Deze beheerscontinuiteit is tot op de dag van heden gebleven, al wonen de provisoren, zoals de bestuurders genoemd worden, niet meer in Deventer. Het hofje bevond zich vanaf de stichting tot in het midden van de 19de eeuw op een binnenterrein achter de Lange Bisschopsstraat met de ingang aan de Pontsteeg. De provisoren hebben in 1856 een nieuw binnenterrein aangekocht tussen de Grote en de Kleine Overstraat met een woonhuis aan laatstgenoemde straat. In 1857 werden hier nieuwe huisjes in gebruik genomen, die in 1929/30 geheel verbouwd zijn. De oude benaming van het hofje "de Keysersplaats" is sinds het midden van de 19de eeuw definitief vervangen door die van "het Jordenshofje". Het doel van deze liefdadige instelling was steeds het verschaffen van bewoning en zonodig verdere ondersteuning aan oudere onbemiddelde vrouwen ten getale van vier of vijf. Aan een ongedateerde ordonnantie van omstreeks 1635 kunnen de volgende bepalingen ontleend worden. 16. Eerst de verplichtingen aan de bewoonsters. Bij de intrede moesten ze in het bezit zijn van een bescheiden som geld en waren ze verplicht om aan ieder der aanwezige bewoonsters zes stuivers uit te reiken en hen te trakteren op brandewijn. De bewoning van de huisjes was om niet, maar de bewoonsters moesten elkaar bijstaan in het bijzonder in geval van ziekte. Alleen wanneer de verpleging te zwaar werd, overwogen de provisoren naar bevind van zaken bijstand te verlenen. Na het overlijden van de bewoonsters vervielen hun boedeltjes aan de instelling. Het bestuur stelde hiertegenover zijn verplichtingen, die onder meer bestonden uit het op gezette tijden beschikbaar stellen van bier, turf en boter en het uitreiken van geld te weten zes stuivers met Kerstmis en negen stuivers met Pasen, waarvan drie bestemd voor het kopen van eieren. Al deze bepalingen werden de bewoonsters voorgelezen, zoals blijkt uit de notitie op de achterzijde van dit reglement: " Dijt is de ordonantij van ons vronden plaes de men de luden voorlest als zij op de armenplaes irst commen, gesgreften doerg mij - John Jordens". Het realiseren van de doelstelling van de stichting is niet altijd gemakkelijk geweest. De vaste inkomsten waren bescheiden en in feite ontoereikend voor het goed onderhouden van de woningen en het uitvoeren van de verplichtingen van het reglement. De wisselvallige inkomsten konden bestaan uit de opbrengst van de boedeltjes of het bijspringen middels een schenking door een provisor. Zo werd de vernieuwing der woninkjes in 1644 mogelijk gemaakt door een relatief hoge opbrengst van een nalatenschap van één der bewoonsters. In 1680 verviel er een huis in de stad tengevolge van een gerechtelijke openbare verkoop aan het bestuur van het hofje. Dit bezit moest in 1793 weer verkocht worden uit gebrek aan middelen. Omstreeks 1800 bedroegen de inkomsten nog geen honderd gulden per jaar; de helft van dit bedrag werd ontvangen als rente uit obligaties ten laste van overheidslichamen. De tiërcering van de rente in de Franse tijd was derhalve een zware slag voor de instelling. Noodgedwongen moesten de provisoren overgaan tot verhuur van de huisjes. Een zeer efficient beheer na 1813 bracht herstel. In dit kader paste ook overplaatsing van het hofje naar de Kleine Overstraat en de beëindiging van het verhuren der huisjes. Sindsdien is door de veranderde maatschappelijke omstandigheden het belang van de instelling hoe langer hoe meer komen te liggen op het verstrekken van de vrije bewoning.
Nadat in 1609 te Antwerpen het twaalfjarig bestand was gesloten, brak in de Baronie van Breda een periode van rust en verademing aan, die de uiteindelijke mogelijkheid bood tot de stichting van verschillende hervormde gemeenten in deze streek. Vóór die tijd was immers de Baronie en met name de stad Breda, voortdurende de inzet van oorlogshandelingen, waarbij de stad met wisselend succes door de opstandelingen en door de Spanjaarden werd belegerd en veroverd. Dat de omliggende dorpen van Breda onder deze krijgshandelingen sterk te lijden hadden hoeft geen betoog. begrijpelijk is het daarom temeer, dat het protestantisme op het platteland rond de stad, - Breda zelf bezat reeds in 1566 een hervormde gemeente - geen opgang kon vinden, wegens de herhaalde aanwezigheid van Spaanse troepen, die zelfs de katholieke kerken en bezittingen niet spaarden. Na de inname van Breda door Maurits in 1590, was het klimaat al gunstiger geworden voor de uitbreiding van het protestantisme. Reeds in 1610 deden inwoners van Leur hun belijdenis binnen de stad Breda. Dat het aantal hervormden te Leur een niet te verwaarlozen groep vormden, blijkt uit het feit dat de drie predikanten van Breda, van wie zij hun geestelijke verzorging ontvingen, per toerbeurt de predikatie te Leur waarnamen. Zij waren de hervormden te leur in hun streven naar een zelfstandige gemeente zozeer behulpzaam, dat reeds op kerstdag 1612 een kerkeraad gekozen werd, bestaande uit vier ouderlingen en twee diakenen. Eerst in 1614 werd een eigen predikant beroepen. Tot dat jaar zijn de Bredase predikanten de gemeente Leur eidere week voorgegaan in de dienst. Op 10 juni 1614 werd de eerste predikant te Leur, Ds. Gualterus Gerbrandi Pomeranus, in het ambt bevestigde. Als dank voor de bewezen diensten otnvingen de drie predikanten uit Breda elk een tonnetje boter, buiten de vergoeiding van reiskosten, terwijl Ds. Boshornius een raam voor zijn huis ten geschenke kreeg. Ds. Pomeranus zette onmiddellijk alles in het werk om tot de bouw van een eigen kerk te koemn. Voorheen werden de diensten gehouden in een schuur, zoals blijkt uit een van de kerkerekeningen van die tijd. Hij en een ouderling ondernamen verschillende collectereizen door de gwesten van het land en verzamelden op die wijze, het voor die tijd aanzienelijke bedrag van 1819 gulden en 8 stuivers. Prins Maurits verleende hulp door toe te staan, dat het voor de bouw van de kerk benodigde hout werd gekapt in het nabijgelegen Liesbos. Zelf wisten de hervormden een stuk grond in bezit te krijgen, waarop voorheen een kapel had gestaan. Volgens het "Ghedichtsel aengaende de kerck van de Leur" op pagina 2 van het oudste acteboek, werd deze kapel in 1284 gebouwd, maar hiervoor is tot nu toe geen enkel bewijs gevonden. In 1584 werd zij echter door de Spanjaarden, tijdens de bezetting van Breda verwoest. Bovendien kochten de hervormden een aangrenzend huis met erf en begon men met de bouw, die in 1615 werd voltooid. mede doordat de jonge gemeente gespaard bleef voor de kerkelijke twisten, die elders in het land uitbraken, waren de eerste decennia van haar bestaan een voorspeodige tijd. Haar territoir omvatte niet alleen het dorp Leur met zijn omgeving, maar ook uit Etten, Hoeven, sprundel, Prinsenhage en Beek kwamen de hervormden naar Leur, waar zij hun kinderen lieten dopen, hun doden begroeven en huwelijken sloten. In een adres aan de Raad van State, van 20 november 1621, verklaarde de kerkeraad, dat er te Leur wel 200 kinderen waren die behoefte hadden aan onderwijs. Dit getal mag overdreven zijn, maar het staat vast, dat de hervormde gemeente te Leur een van de belangrijkste, zo niet dé belangrijkste gemeente was in de Baronie. Mede hiervoor getuigde de grootte van de kerk, ongeveer 20 bij 11 meter, alsook de vele geschenken waarmee de kerk werd vereerd, waaronder drie grote geschilder wandborden, met de Tien Geboden, de Twaalf Artikelen des Geloofs en het Onze Vader, die tot op heden toe nog bewaard zijn gebleven. Kort na het taalfjarig bestand werd de stad Breda opnieruw ingenomen door de Spanjaarden onder bevel van Spinola. De gevolgen bleven ook ditmaal niet uit. Ook de kerk in Leur was het doelwit voor de Spanjaarden, zodat Ds. Pomeranus in 1625 wederom een collectereis moest ondernemen, om de geleden schade te kunnen herstellen. Tijdens de bezetting van Breda door Spinola, weken veel hervormden uit naar het platteland, om daar hun geestelijke verzorging te kunnen ontvangen. Om die reden treft men zoveel aantekeningen aan betreffende dopen, huwelijken en begrafenissen van inwoners van Breda, in het oudste actaboek. Na 1637 verbeterde de toestand aanzienlijk. Frederik Hendrik heroverde in dat jaar de stad Breda op de Spanjaarden en sedertdien stonden de hervormde gemeenten weer onder bescherming van de heer van Breda. Van een toenemende welstandin de hervormde gemeente van Leur getuigt de aankoop van een pastorie in 1642. Na het sluiten van de vrede van Munster in 1648, vaardigden de Staten-Generaal een plakkaat uit, waarbij de katholieken hun kerken moesten ontruimen om deze over te dragen aan de hervormde gemeenten. Dit had tot gevolg, dat de dorpen, die aanvankelijk tot de Leurse gemeente behoord hadden, nu tot zelfstandige gemeenten verheven werden. De gemeente Leur was in het vervolg beperkt tot de dorpskern Leur en de wijken Attelaken, de Baai en het Slagveld. Toch bleef zij een belangrijke plaats onder haar zustergemeenten innemen. geheel onafhankelijk van het burgerlijke bestuur behartigde zij haar eigen belangen, onderhield zij haar kerk en pastorie en beheerde zij zelf haar fondsen. vanaf 1661 echter is er sprake een zekere afhankelijkheid van het burgerlijk bestuur. In dat jaar werd een overeenkomst gesloten waarbij werd bepaald, dat - overeenkomstig het op 1 april 1660 door de Staten-Generaal uitgevaardigde Plakkaat op de Politieke Reformatie - schout en schepenen het recht verkregen om kerkmeesters aan te stellen. De voordracht van de kerkmeester werd echter steeds beschouwd als een formaliteit en nooit ontstond er enig bezwaar, terwijl op de jaarrekeningen van de kerkmeester geen aanmerkingen werden gemaakt, daar de gemeente zelf in haar onderhoud voorzag. Zoals in elke gemeenschap, hebben zich in de hervormde gemeente van Leur wel geschillen voorgedaan, die echter steeds in der minne konden worden geschikt. Deze periode van vrede en rust werd in 1712, ten tijde dat Cornelis Corncoper schout van Etten was, krachtdadig onderbroken. Corncoper, een zeer heerszuchtig figuur, vond in het Plakkaat op de Politieke Reformatie en in het Reglement van de Staten-Generaal van 16 maart 1700, voldoende aanleiding, om de kerk van Leur geheel afhankelijk van zijn bewind te maken. De druk die Corncoper op de hervormde gemeente uitoefenede was zo sterk, dat de kerkeraad moest zwichten. Wel wist deze te bereiken dat, - omdat de burgerlijke overheid alle gezag opeiste - zij ook de verplichting op zich nam om de kerk en pastorie te restaureren en te onderhouden. Reeds in 1714 voltooide men de restauratie van de kerk. Van binnen werd zij geheel vernieuwd. Eveneens werd een gewelf aangebracht, wat voorheen nooit aanwezig was geweest, zodat hitte in de zomer en koude in de winter zich niet langer op hinderlijke wijze deden voelen. De verbeterde akoestiek verlichtte de predikatie in hoge mate. De inmiddels bouwvallig geworden toren werd afgebroken en een nieuwe op het dak geplaatst. Uit 1717 dateert het fraaie orgel, dat nog grotendeels ion zijn oorspronkelijke staat aanwezig is. De hervormde gemeente daarentegen moest het beheer van zijn goederen overlaten aan het burgerlijk bestuur, alsmede de benoeming van kerkmeesters. Enerzijds betreurde de kerkeraad deze situatie, die tot 1790 zo zou blijven, maar van de andere kant bood het ontegenzeggelijk grote voordelen. Hoewel het zuivere kerkelijke inkomen ten behoeve van de kerk moest komen en in latere jaren kerk en pastorie niet naar behoren werden onderhouden, bleven de bijdragen van de gemeenteleden onaangeroerd, omdat ook de armen geheeld oor het burgerlijk bestuur werden onderhouden. Deze bijdragen, zoals schenkingen en legaten werden gekapitaliseerd en van dit kapitaal werden landerijen aangekocht, waarvan er vele in het bezit van de hervormde gemeente zijn gebleven. Dat in de latere jaren kerk en pastorie niet naar behoren werden onderhouden, kwam door het feit dat het gemeentebestuur zich beriep op het Plakkaat van de Staten-Generaal van 16 januari 1778, waarbij bepaald was, dat in alle gemeenten, waar door geestelijke instellingen tienden geheven werden, de kerkgebouwen door die tiendheffers onderhouden moesten worden. Uit een missive van 13 junli 1790, blijkt dat een grondig herstel van de kerk, meer dan nodig was. Ds. Boot somt in deze missive de gebreken op, die zich in en aan de kerk voordeden, nl.: "dat eenige balken en houte pilaren verrot zijn dat door openen gaaten in het verwulfsel de stoelmatten ende zitmatrassen verrotten dat wanneer het onder de predikatie reegent, veele van de gemeente genootsaakt werden van zitplaats te veranderen". Tenslotte betuigt Ds. Boot dat "datreeds vele onzer gemeente beschroomt werden om in dese bouwvaillige kerk tot den godsdienst op te komen, nadien men een doorzakking bespeurt onder dent ooren en afwijking van muren". Nog in hetzelfde jaar werd het geld voor de restauratie van de kerk door het Stift van Thorn, dat geestelijke tiendheffer was, ter beschikking gesteld. Reeds op 6 december 1791 kon de eerste godsdienstoefening in de geheel vernieuwde kerk worden gehouden. Een verzoek om tevens te voorzien in een "vuurplaats" kon nog niet worden ingewilligd. Inmiddels verslechterde de situatie op internationaal niveau zozeer, dat de kerkeraad, bevreesd voor de naderende Franse troepen, besloot het kerkelijk archief op te bergen in een kist en deze mee te geven aan schipper Johannes van Wasbeek, om het naa elders in veiligheid te brengen. Weer werd Breda belegerd en weer werd in de kerk niet gepredikt, nu vanwege de aanwezige troepen. Spoedig trokken de Franse troepen terug, om in 1794 onder leiding van Pichegru een nieuwe aanval te ondernemen. Staats-brabant werd bezet en er werd een einde gemaakt aan het Ancien Regime. enkele maanden later trokken de Fransen de bevroren rivieren over en werd de Betaafse Republiek geproclameerd. Nu brak er voor de hervormden een zware tijd aan. Bijna een eeuw lang hadden zij onder bescherming van het burgerlijk egzag gestaan en afgezien van enkele geschillen met de overheid, hadden zij in rust en vrede hun reiligie kunnen uitoefenen. Echter de bepalingen die door de Bataafse regering werden uitgevaardigd, en de verwarring die bij deze omwenteling was ontstaan, boden aan de burgerlijke besturen en aan andersdenkenden, waaronder vooral de rooms katholieken, de gelegenheid om de macht, respectievelijk de ondervonden nadelen, dubeel en dwars uit te breiden of teniet te doen. Zo trachtten de katholieken de kerk der hervormden in handen te krijgen ingevolge het zesde additionele artikel, dat kort samengevat bepaalde, dat de kerkgebouwen, die in gebruik waren geweest bij de "voormaals heerschende kerk", ter beschikking zouden komen van het burgerlijk bestuur ter plaatse, dat omtrent de verdeling een vergelijk moest treffen tussen onderscheiden kerkgenootschappen naar evenredigheid van het aantal zielen. In kleine gemeenten, waar slechts één kerkgebouw stond, kon het grootste kerkgenootschap daarop aanspraak maken onder de verplichting echter van een schadeloosstelling aan de andere kerkelijke gemeenten, naar arto van het aantal zielen. Ds. Nadler en de ouderling H. van Kuy, wisten met kennis van zaken de pastorie en het kerkgebouw voor de hervormden te bewaren. Zelfs een tijdelijke sluiting zoals op veel andere plaatsen werd doorgevoerd, konden zij voorkomen. Nauwelijks echter waren zij aan deze overname ontsnapt of het burgerlijk bestuur poogde, met een beroep op de grondwet van 1798, zich de toren en de klok toe te eigenen. Opnieuw wist ds. Nalder deze poging te verijdelen, door aan te tonen dat toren en klok particulier eigedom van de hervormde gemeente waren. Ook de eis van de rooms katholieken, om bij de begrafenissen van hun overledenen vrije en onvoorwaardelijke beschikking te hebben over de klok van de hervormde kerk, kon hij in een minnelijke schikking regelen. Nogmaals moest Ds. Nadler in het geweer komen, toen het burgerlijk bestuur in 1800 de fondsen van de hervormde gemeente wilde brengen onder de Armenwet van 15 juli 1800. Tenslotte werden ook deze pogingen verijdeld. Inmiddels werden de kerk en apstorie niet meer door de burgerlijke gemeente nocht door het kapittel van Thorn onderhouden. Ook de aanstelling van de kerkmeesters was sinds 1790 niet meer gedaan noch het afhoren van de jaarrekeningen door het burgerlijk bestuur. De kerkeraad zag zich daarom genoodzaakt, zelf over te gaan tot het aanstellen van een kerkmeesters. In 1698 kwam een reglement op het beheer van de kerkelijke goederen tot stand. als kerkmeesters werd de ouderling H. van Kuyk gekozen, mede om zijn verdiensten voor de hervormde gemeente in de voorgaande jaren. De opvolger van Ds. Nalder overleed reeds in 1811. Door de vermindering van het predikantstraktement en het later geheel uitblivjen van staatssubsidie kwam het, dat de predikantsplaats gedurende de volgende drie jaren onbezet bleef. Een grote wanorde trof Ds. Kamerman aan, toen h ij in 1814 bevestigd werd. Hij stelde onmiddellijk alles in het werk om de slechte staat waarin de gemeente verkeerde, te verbeteren. Zijn pogingen om de gasthuisfondsen uitsluitend voor de hervormden te doen aanwenden, mislukten. Wel wist hij te bereiekn dat het rijk een som ter beschikking stelde om de retauratie van de kerk, toren en pastorie te bekostigen. Bovendien otnving de hervormde gemeente een inschrijving van 8.000 gulden uit ''s-rijks kas op het Grootboek der Nationale Schuld, opdat zij uit de rente daarvan de jaarlijkse onderhoudskosten zouden kunnen financieren. Ingevolge het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en kosten van de redienst bij de hervormde gemeenten in de provincie Noord-Brabant van 2 juli 1820, werd in hetzelfde jaar een kerkvoogdij ingesteld, die vanaf dat jaar zorg draagt voor de kerkelijke adfministratie en het beheer van de goederen. Na 1820, toen men zich hersteld had van de woelige jaren, die sinsds de inval van de Franse troepen het leven hadden beheerst, brak er voor de hervormd egemeente een rustige en voorspoedige tijd aan. Een zilveren doopbekken werd aan de kerk geschonken. Door giften en collecten kon de gemeente zich verrijken met twee zilberen schotels voor de viering van het Avondmaal. Bovendien werd er een consistoriekmaer ingericht en de buitenzijde van de kerk werd verfraaid met een ijzeren hek. Tevens werd in deze jaren aandacht geschonken aan het archief van de hervormde gemeente. Tijdens de ambtsperiode van Ds. Broekman werd besloten, om een verbod voor het begraven van lijken in de kerk uit te vaardigen. Men kocht ten oosten van de dorpskom een stuk grond van ca. 70 m2, dat als kerkhof werd ingericht (1830). In 1886 kwamen de kerkeraad en het college van kerkvoogden en notabelen in een gecombineerd evergadering bijeen om de toestand van kerk, toren en pastorie te bespreken. Vooral de pastorie bleek zou bouwvallig, dat het rendabeler scheen te zijn, om deze te verkopen en de opbrengst daarvan gevoegd bij een lening die men zou sluiten, aan te wenden voor het bouwen of kopen van een nieuwe pastorie. Men besloot tot het bouwen van een nieuwe, die in 1888 werd voltooid (thans de woning Van bergenplein 50). De kerkvoogdij, die zich diep in de schulden had moeten steken om de bouw van een nieuwe pastorie te realiseren, kon dankzij de goede welstand van het diakoniefonds, waaruit aan deze ieder jaar een som geld geschonken werd, op zeer korte termijn de lening aflossen, die zij voor de bouw van de pastorie was aangegaan. Nauw verbonden met de ontwikkeling van de hervormde gemeente te Leur na 1820 zijn de familie Van der Poest Clement en Heerma van Voss. Tot de eerste helft van de 20e eeuw hebben leden van deze families verschillende ambten bekleed in het bestuur van de hervormde gemeente en kosten noch moeiten gespaard om hun gemeente in welstand en aanzien te laten groeien. Een van de belangrijkte gebeurtenissen was de stichting van ghet Fonds Van der Poest Clement. Op 12 oktober 1892 werd tijdens een gecombineerde vergadering van kerkvoogden, notabelen en kerkeraad bekend gemaakt, datd oor tussenkomst van de heer Andries van der Poest Clement te Zevenbergen, oud-lidmaat van de hervormde gemeente, een schenking aan deze gemeente werd gedaan van 10.000 gulden door twee broers en twee zusters van hem en namens een overleden zuster. Dit geld moerst ten goede komen aan het diakoniefonds en het kerkfonds, elk voor de helft. Besloten werd om deze gelden niet in beide genoemde fondsen te splitsen, maar het gehele kapitaal in één fonds onder te brengen, nl. het Fonds Van der Poest Clement. Dit fonds moest beheerd worden door de kerkeraad en het college van kerkvoogden en notabelen. Het geld mocht alleen worden belegd in onroerende goederen, gebouwen uitgesloten, en in inschrijvingen in het Grootboek der Nederlandse Werkelijke Schuld of in binnenlandse hypotheken op landerijen. Voor iedere belgging moest goedkeuring verkregen worden van het Classicaal Bestuur of het Provinciaal College van Toezicht. Tevens werd bij deze schenking bepaald, dat vooreerst slechts de helft van de rente van het kapitaal mocht worden aangewend, voor wat betreft het diakoniefonds, ten bate van de huiszittende armen en voor wat ebtreft het kerkefonds ten behoeve van het onderhoud aan kerk, toren, pastorie en begraafplaats. Onder huiszittende armen verstaat men diegene die buiten hun schuldin tijdelijke nood verkeren, en niet hen die gedurende het gehele jaar of een groot gedeelte daarvan in de termen van de bedeling vallen. De andere helft van de rente moest tot kapitaalvorming worden aangewend en bij het bestaande kapitaal worden toegevoegd. Dit kapitaal blijft echter onder toezicht van het Classicaal Bestuur en het Provinciaal College van Toezicht. Mocht de hervormde gemeente zich afscheiden of ophouden te bestaan, dan moest het fonds aan voornoemde instanties ter beschikking worden gesteld. Van deze 10.000 gulden werden vijf percelen bouwland aangekocht om te verpachten. Jaarlijks werd van dit pachtgeld en van de rente van het kapitaal, 1/4e deel uitgekeerd aan het diakoniefonds, 1/4e deel aan het kerkfonds terwijl 2/.4e werd aangewend aan kapitaalvorming. Een van de voorwaarden immers bij de schenking was, dat wanneer het kapitaal verdubbeld was, dus 20.000 gulden bedroeg, de gehele rente ten goede mocht komen aan diakoniefonds en kerkefonds. Deze verdubbeling van het kapitaal bereikte men in 1927. Enige jaren later werd de hervormde gemeente nogmaals met enkele forse schenkingen verrijkt. In de kerkeraadsevrgadering van 2 mei 1912 werd aan de aanwezige leden bekend gemaakt, dat mej. Alida van der Poest Clement, die op 14 maart van dat jaar was overleden, bij testamentaire beschikking haar huis, staande aan de Vaartkant, thans Lichttorenhoofd, aan de hervormde gemeente aldaar had geschonken, met de bepaling dat dit huis ten alle tijden door mej. P. van der Poest Clement , voor 2.000 gulden per jaar kon worden gehuurd. Deze laatste zag vrijwillig van dit aanbod af. Op voorstel van de heer S.C.J. Heerma van Voss besloot men dit pand aan te wenden als "gemeenteowning", om op deze wijze ruimte te verschaffen aan diverse activiteiten binnen de geemente, die tot dusver in de kerk moesten plaatsvinden, zoals cathechisatie, zondagsschool, vergaderingen, bijeenkomsten van diverse verenigingen, bibliotheek en bijbels museum. Een bezwaar echter vormden de lasten, die uit de kerkekas zouden moeten bekostigd worden, om het gebouw aan te passen aan het bestemde doel en om het te onderhouden. Dankzioj de bemoeienis van de heer Sijbrand Caspar Jan Heerma van Voss, kon men deze moeilijkheid overwinnen. Hijs chonk de gemeente namelijk een fonds om uit de opbrengst daarvan de nieuwe "gemeentewoning" te kunnen exploiteren. Dit fonds bedroeg 20.000 gulden die belegd werden in effecten. Bovendien liet S.C.J. Heerma van Voss een zaal bijbouwen aan het bestaande gebouw, om grote vergaderingen te kunnen houden. Dit fonds, waarvan huis en effecten op naam van de hervormde gemeente stonden, kreeg de naam "Sursum Corda, stichting tot verhoging van geestelijk leven der hervormde gemeente te Leur". Op tweede Kerstdag 1912, werd het gebouw "Sursum Corda" bij gelegenheid van het 300-jarig bestaan der gemeente plechtig geopend. Een bestuur, bestaande uit zeven personen werd door de kerkeraad en kerkvoogdij gekozen en belast met de zorg voor de financiën van het fonds en het onderhoud van het gebouw, geheel onafhankelijk van de gemeente. Tenslotte werd in dit gebouw een speciaal vertrek ingericht voor het houden van kerkeraadsvergaderingen en voor de opberging van het archief van de hervormde gemeente. Nauwelijks twe ejaar later op 5 juni 1914, schonk S.C.J. Heerma van Voss een villa aan de hervormde gemeente te Leur en riep hij een stichting in het leven, genaamd "Ad Pios Usus". Het doel van deze stichting was, het verschaffen van een onderdak aan de protestantse vereniging "Kinderzorg" voor Noord-Brabant en Limburg. Om het doel van deze stichting te bereiken, stelde S.C.J. Heerma van Voss deze villa ter beschikking, gelegen aan het Lichttorenhoofd 2 te Leur. Bij de oprichting bepaalde Heerma van Voss dat het bestuur van de stichting moest bestaan uit drie regenten, te weten: de predikant van de hervormde gemeente te Leur, de president-kerkvoogd van die gemeente en de administrateur van de Fonds van der Poest Clement. De stichting mocht voor deze huisvesting geen huur rekenen, maar anderzijds waren de kosten van onderhoud van het pand voor rekening van de huurder. Tenslotte bepaalde Heerma van Voss dat, indien de protestantse vereniging "Kinderzorg"haar werkkring te Leur zou opheffen, dit pand aan een andere protestantse filantropische instelling ter beschikking moest worden gesteld. In zijn testament bedacht hij de stichting met een legaat van 1.000 gulden om de rente daarvan te besteden aan het St. Nicolaasfeest voor de kinderen, die in het tehuis verpleegd werden. In 1914 vestigde de protestantse vereniging "Kinderzorg" voor Noord-Brabant en Limburg zich in het pand en bleef daar gevestigd tot 1940. Sinds 1940 werd het huis verhuurd aan verschillende personen in verband met de heersende woningnood, die zijn oorsprong vond in de oorlogshandelingen. vanaf 1 februari 1947 tot 1 februari 1950 heeft de Vereniging voor de verpleging van lijders aan vallende zeikten te Heemstede, zij het dan tegen betaling van huur, er onderdak gevonden. Vanaf 1950 tot 1958 is het wederom als woning verhuurd geweest aan verscheidenen personen. Daarna stond het een tiental jaren leeg, gedurende welke tijd het welhaast tot een ruïne verviel. Ook in latere jaren heeft Heerma van Voss bij herhaling financiële steun verleend aan de hervormde kerk. Mede door de hulp van Heerma van Voss kon in 1927 een restauratie van het kerkgebouw doorgang vinden. Na het overlijden van de heer Heerma van Voss (1934) is de toestand van de hervormde gemeente te Leur langzaam achteruitgegaan. Het feit dat enkele gefortuneerde en vooraanstaande leden van deze kleine gemeente een zo dominerende rol gespeeld hebben, had ten dele tot gevolg, dat aan de afbakening van de bevoegdheden van de kerkeraad, kerkvoogdij en diakonie niet voldoende aandacht werd ebsteed. Er ontstond te Leur in dit opzicht een unieke situatie, die veel overeenkomst vertoonde met de bestuurlijke vorm en het financieel beheer uit de eerste decennia van haar bestaan. In 1949 trad de hervormde gemeente van leur in overleg met die van Etten om gezamenlijk tot het oprichten van een hervormde lagere school te komen. Eerdere pogingen hiertoe waren ondernomen in 1921 en 1930, maar mislukten door de geringe medewerking van de leden van beide gemeenten. Een derde poging in 1950 had succes./ De 2e september van het jaar begon men het onderwijs in de voormalige openbare lagere school aan het Lichttorenhoofd. In 1952 werd een nieuw schoolgebouw in gebruik genomen, dat in 1956 reeds met enkele lokalen moest worden uitgebreid. Door het Provinciaal College werd aangedrongen op een combinatie van beide financieel zwakke gemeenten. Op 30 juni 1952 wordt in een gecombineerde vergadering van kerkeraden en kerkvoogdijen van Etten en Leur met algemene stemmen besloten over te gaan tot de combinatie van de predikantsplaats. Aanvankelijk werd deze combinatie aangegaan voor de periode van 5 jaren. Daarna werd zij echter stilzwijgend verlengd. Het samengaan van de beide gemeenten, vond tenslotte zijn bekroning in een volledige samenvoeging tot de ene hervormd egemeente Etten-Leur met ingang van 1 september 1965. 2. Organisatie van het bestuur en de administratie De eerste kerkeraad van de hervormde gemeente te Leur bestond uti vier ouderlingen en twee diakenen. Ieder jaar werden twee nieuwe ouderlingen en één nieuwe diaken gekozen, die de plaats innamen van diegenen, die het langst zitting hadden in een van beide besturen. In alle actaboeken en registers van notulen is nauwgezet aantekening gehouden van de verkiezing van deze personen. Reglementen betreffende de aanstelling van ouderlingen en diakenen in de eerste decennia van de hervormde gemeente, worden in het archief niet aangetroffen. Van de aanstelling van predikanten is evenmin een reglement te vinden, zodat aangenomen moet worden, dat de aanwijzing van predikanten, ouderlingen en diakenen geschiedde volgens de regels zoals zij gesteld zijn bij de Emdense Synode in 1571. De administratie van de hervormde gemeente berustte tot 1654 bij de administrerend diaken. Deze beheerde zowel de gelden bestemd voor de eredienst en het onderhoud van de kerk en pastorie, alsook de gelden die werden besteed voor het onderhoud van de armen. Er was slechts één gezamenlijke kas, zodat men in de eerste diakonierekeningen allerlei posten van uitgaven door elkaar aantreft op datum van betaling. Echter in de loop van de jaten ontving de hervormde gemeente diverse schenkingen en legaten, waaraan een bepaalde bestemming was gegeven door de schenkers. Zodoende ging men de behoefte gevoelen om een scheiding aan te brengen in de uitgaven van de diakoniezorg en de uitgaven voor het onderhoud van de kerk en de pastorie. In 1643 wordt voor de eerste maal een afhoring van de kerkrekening gedaan, gescheiden van de diakonierekening. De predikant werd belast met het beheer van die gelden. Dese regeling werd in de daarop volgende jaren niet consequent doorgevoerd, zodat omstreeks 1648 alle inkomsten en uitgaven weer op één rekening voorkwamen, die werd bijgehouden door de diaken. Eerst in 1654 besluit de kerkeraad tot het aanstellen van een kerkmeester, die de administratie moet voeren over de gelden, die "tot andere kerckelijcke nootsaeckelijckheden" dan de armenzorg moeten worden aangewend. vanaf dat jaar worden regelmatig de jaarrekeningen van de kerkmeesters afgehoord, waarvan een deel in het archief bewaard is gebleven. In 1712 krijgt de burgerlijke overheid zo grote invloed op de hervormde gemeente, dat de kerkeraad de aanstelling van de kerkmeester en het afhoren van de rekening meost overlaten aan de schout en schepenen. De kerkerekningen van de periode 1711/12-1781-82 bevinden zich daarom ook in het oud-archief van de gemeente Etten-Leur. Daarna stelde de burgerlijke overheid, met een beroep op het meergemelde plakkaat van 1778, zich op het standpunt, dat het stift vanThorn, als geestelijke tiendheffer in de gemeente Etten-Leur, ook het kerkgebouw te Leur moest onderhouden. Het stift werd daarom verplicht de kosten van de reparatie en verbouwing van de kerk in 1790-1791 te dragen. Na 1795 wordt de hervormde gemeente geheel aan zichzelf overgelaten. De kerkeraad benoemde weer een kerkmeester en probeerde uit de verkoop van zit plaatsen en het innen van begrafenisgelden een fonds te vormen, tot onderhoud van kerk en pastorie. De uitgaven voor het onderhoud overtroffen de inkomsten zozeer, dat de diaknoie, gedurende de periode 1795-1820, 7.119,50 1/2 gulden aan de hervormde gemeente heeft uitgegeven, ten behoeve van kerk en pastorie en het in stand houden van de openbare eredienst. Ingevolge het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en kosten van de eredienst, bij de hervormde gemeente in de provincie Noord-Brabant, werd in 1820 een kerkvoogdij aangesteld, die sindsdien de zorg draagt voor de administratie en het beheer van de kerkeklijke goederen. Het colleghe van notabelen heeft in de hervormde gemeente van leur altijd een belangrijke plaats ingenomen. Op 8 april 1867 wordt ingevolge artikel 23 van het Algemeen Reglement op de benoeming van ouderlingen en diaken en de beroeping van predikanten, een College Stemgerechtigden ingesteld, dat de benoeming van ouderlingen en diaken en de beroeping van predikanten al of niet zou regelen. In de vergadering van 8 april 1867 besloten de stemgerechtigden, om de benoemingen en beroepingen niet aan de kerkeraad over te laten, maar deze steeds in eigen hand te houden. Sinds 1956 lieten de stemgerechtigden de benoemingen over aan de kerkeraad.
De diplomatieke carrière en de verdere levensloop van Coenraad van Heemskerck (1646-1702) hebben tot nu toe weinig aandacht gekregen. Dit gebrek aan belangstelling wordt niet gerechtvaardigd door de betekenis van de periode waarin Van Heemskerck zijn ambassades vervulde in de diplomatieke geschiedenis van de Republiek, door het belang van de diplomatieke activiteiten van de gezant zelf of door de hoeveelheid archiefmateriaal die voorhanden is. In deze periode, die samenvalt met het optreden van stadhouder-koning Willem III, speelden Nederlandse gezanten een hoofdrol in de Europese diplomatie en werd de definitieve inrichting van de diplomatieke dienst van de Republiek bepaald. De `bravourediplomaat' Van Heemskerck was één van de topdiplomaten van de anti-Franse coalitie, die veelal met succes, doortastend, zelfstandig en bekwaam de moeilijke taken uitvoerde waar de Staten-Generaal, de koning van Engeland en de politieke gebeurtenissen hem voor stelden. Van Van Heemskerck afkomstig archiefmateriaal is in ruime mate bewaard gebleven, in de archieven van zijn lastgevers, in het familiearchief Teding van Berkhout en in zijn eigen gezantschapsarchieven. Het schuil gaan van die gezantschapsarchieven eerst in de archieven van de Staten-Generaal en later in verschillende legatiearchieven kan nu ook geen excuus meer zijn voor het gebrek aan aandacht voor deze gezant: in deze inventaris zijn ze voor het eerst als zelfstandige archieven in hun oorspronkelijk verband beschreven. Een vrij uitvoerig overzicht van de diplomatieke loopbaan van Van Heemskerck, dat elders niet te vinden is en van belang lijkt voor een goed begrip van de samenhang van de beschreven stukken, gaat aan de inventaris vooraf. De uitvoerigheid van de hierop volgende beschouwing over de aard van de inventarisaties van de door hem gevormde archieven is het gevolg van hun ingewikkelde structuur, hun belang voor een goed begrip van de inrichting van een gezantschapssecretaris en van de ingrijpende veranderingen die ik in de aangetroffen ordening heb aangebracht. Vrijwilliger op de vloot en bestuurder van Amsterdam Coenraad van Heemskerck werd geboren in 1646 als zoon van de Amsterdamse raadsheer in de Hoge Raad van Holland en Zeeland Jan van Heemskerck en Alida van Beuningen, zus van Coenraad van Beuningen, de bekende gezant en burgemeester van Amsterdam. Na zijn studie in de letteren en de geschiedenis in Leiden ( Johan E. Elias, De vroedschap van Amsterdam I begon hij zijn carrière in 1672, toen hij als vrijwilliger aan het hoofd van 50 door hem aangeworven matrozen op het schip van luitenant-admiraal Van Gendt de zeeslag bij Solebay meemaakte. Nog in hetzelfde jaar werd hij secretaris van Amsterdam, een post die hij in 1673 inruilde tegen het pensionarisschap van Gerrit Hooft, voor wie dat ambt te hoog gegrepen bleek. Eerste gezantschappen: naar de keizer en de hertog van Villa Hermosa 1673 - 1675 In 1673 werd hij voor het eerst met een diplomatieke missie belast. De Staten-Generaal stuurden hem naar Wenen om het standpunt van de keizer te vernemen over de sluiting van een nieuwe conventie, die door de separate vrede tussen Brandenburg en Frankrijk noodzakelijk was geworden. Hij bleef maar een paar dagen in Wenen, bracht rapport uit aan de Staten-Generaal en keerde onmiddellijk weer terug om met de keizer te onderhandelen over een inmiddels door de Staten-Generaal opgesteld ontwerptraktaat. Tijdens die onderhandelingen die hij voerde in samenwerking met de 30 jaar oudere, maar in rang onder hem geplaatste vaste gezant in Wenen, Gerard Hamel Bruynincx, ontpopte Van Heemskerck zich naar het oordeel van De Pater als een bazige persoonlijkheid, die sterk overtuigd was van zijn eigen kunnen en eigen belangrijkheid en in zijn brieven een nogal heftige toon durfde aanslaan. Hij hechtte veel belang aan het ophouden van zijn waardigheid (en daarmee die van de Republiek) en duldde geen achteruitzetting. Zo daagde hij graaf Von Serau van het keizerlijk hof na een incident om de voorrang in maart 1674 in zijn `jeugdige onbezonnenheid' eerst uit tot een duel, om uiteindelijk met een openbaar excuus genoegen te nemen. Van Heemskercks optreden in Wenen werd politiek gezien een succes. Vooral door zijn doortastendheid kwam al op 30 augustus 1673 het Haags Verbond tot stand en wierpen ook de onderhandelingen over uitbreiding van deze alliantie snel hun vruchten af. Op 16 maart 1675, na de toetreding van o.m. Brandenburg en Denemarken, de sluiting van de vrede met Engeland, Munster en Keulen en het openen van de vredesonderhandelingen over een algemene vrede, kreeg hij toestemming om te repatriëren. De Staten-Generaal, die geen acht hadden geslagen op zijn in oktober 1674 geuite klachten, dat een langer verblijf aan het hof hem zou ruïneren, achtten zijn overkomst nu noodzakelijk omdat zij mede op zijn rapport hun maatregelen m.b.t. de komende militaire campagne moesten afstemmen. Voor de opstelling van dit plan de campagne was overleg vereist met de prins van Oranje en de hertog Villa Hermosa, de nieuwe gouverneur van de Spaanse Nederlanden. Zoals voor de hand lag werd Van Heemskerck, die op 30 maart in Den Haag was teruggekeerd, op 20 mei door de Staten-Generaal aangewezen om dit overleg in het hoofdkwartier te velde en aan het hof in Brussel bij te wonen. Snelle resultaten werden dit maal niet bereikt. Verschillende keren reisde Van Heemskerck tussen Den Haag, Brussel en het leger te velde heen en weer. Hij voerde besprekingen over de militaire campagne, maar ook over de kwestie van de Oostender kapers die verschillende Nederlandse koopvaarders hadden opgebracht, over betalingen door Spanje aan de Staat voor de zending van een vloot onder De Ruyter naar de Middellandse Zee en over de belangen van de prins in zijn geschil met de gravin van Isenghien. Ook moest hij met de prins overleggen over een eventuele oorlogsverklaring van bondgenoot Denemarken aan Zweden. Een gezantschap naar Denemarken, dat hem op 9 augustus door de Staten-Generaal werd opgedragen, vond echter geen doorgang. Gezant naar Spanje 1675 - 1676 Van Heemskerck, die op 7 november 1675 aan de Staten-Generaal rapport uitbracht, kreeg wel een ander gezantschap te vervullen. Op 25 november werd hij aangesteld tot buitengewoon gezant naar Spanje, als opvolger van de op 20 oktober overleden Valckenier. Op 29 november vertrok hij uit Den Haag. Na beleefdheidsbezoeken aan de hertog van Villa Hermosa, bij wie hij nog eens tevergeefs de zaak van de Oostender kapers ter sprake bracht, en aan de Franse regering (!) kwam hij in de functies van extraordinaris envoyé en extraordinaris gedeputeerde van Holland ter Staten-Generaal op 11 januari 1676 in Madrid aan. Daar moest hij vermindering zien te bewerkstelligen van de voor de Republiek ondraaglijk geworden subsidieverplichtingen en onderhandelen over het Spaanse aandeel in de kosten van de zending van De Ruyter. Bovendien moest hij wederom de belangen van Willem III behartigen in diens geschil met de gravin van Isenghien. Op 8 april kon hij de prins melden dat zijn verblijf in Spanje in dit geschil "geen het minste goet" meer kon doen waarbij hij tevens de hoop uitsprak "dat Uwe Hoocheyt, d'andere principale poincten van mijne commissie gebracht zijnde in een staat, dat mijn langer verblijf hier geen verder dienst can doen, des halven niet qualijk zal nemen, dat ik, difficulteyt makende, om hier langer sonder vrucht van Haar Ho. Mo. ende Uwe Hoocheyt tot grote costen van den Staat te verblijven, geresolveert heb, ingevolge van de aan mij daartoe gegeven permissie, weder te keeren". Op 20 juni 1676 bracht hij in de vergadering van de Staten-Generaal uitvoerig mondeling rapport uit, terwijl hij op 23 juli zijn verbalen inleverde van zijn gezantschappen naar Brussel en Madrid. De kwestie Naarden 1679 Nu vatte Van Heemskerck, die op 12 juli met Cornelia Pauw in het huwelijk was getreden, weer zijn werkzaamheden op als pensionaris van Amsterdam, in welke funktie hij in 1679 met Willem III in aanvaring kwam. Over het voorstel van de prins om Naarden te versterken (door de Amsterdamse regenten als een tegen hun stad gerichte maatregel beschouwd) zou hij hebben gezegd "dat de fortificatie van Naarden maar soude kosten drie hondert duysent guldens, edoch dat den tijdt toch soude kunnen komen dat Amsterdam om drie millioenen wel soude wenschen dat die noyt gemaackt was geweest". Deze uitspraak was aan de prins overgebracht, die vervolgens bij de magistraat genoegdoening eiste. Deze verdedigde zijn "zeker geen staatsgezinde" pensionaris door te wijzen op diens goede opvoeding en de respectvolle wijze waarop hij over het doen en laten van de prins gewend was te spreken. Als Van Heemskerck een dergelijke uitspraak zou hebben gedaan, dan was deze niet tegen de prins gericht geweest. Willem III accepteerde dit als genoegdoening hoewel hij van de onschuld van Van Heemskerck niet was overtuigd. Nog hetzelfde jaar werd Van Heemskerck tot gecommitteerde raad benoemd, wat zijn invloed op het Amsterdamse stadsbestuur niet vergrootte. Opnieuw naar Spanje 1680 - 1686 Intussen was in 1678 de vrede van Nijmegen gesloten die de Europese politieke verhoudingen niet werkelijk had gestabiliseerd. De koning van Spanje had afstand gedaan van Franche Comté, maar bleef de graventitel voeren. Frankrijk wilde geen haast maken met de ontruiming van gebieden in de Spaanse Nederlanden die bij de vrede aan Spanje waren gebleven. Omdat opnieuw een gewapend conflict dreigde, werd Van Heemskerck op 18 mei 1680 door de Staten-Generaal als buitengewoon gezant naar Spanje gestuurd. Hij moest de Spaanse koning afhouden van nieuwe oorlogshandelingen en aandringen op maatregelen die nodig waren om de vrede te bewaren. Daarnaast moest hij een regeling treffen inzake de schulden van de Spaanse Kroon aan Willem III en de Admiraliteitscolleges en schadevergoeding verkrijgen voor door Spanje benadeelde particuliere ingezetenen van de Staat. Na zijn vertrek uit Den Haag op 28 mei 1680 besprak Van Heemskerck eerst met de hertog van Villa Hermosa in Brussel de Frans-Spaanse geschillen en de noodzaak om de legers in de Zuidelijk Nederlanden op volle sterkte te brengen. Vervolgens stelde hij zich bij de Nederlandse gezanten in Parijs op de hoogte van de politieke stand van zaken in Frankrijk. Op 30 juli tenslotte kwam hij aan in Madrid. Kort na zijn aankomst kwam de koning van Spanje in conflict met de keurvorst van Brandenburg, die wegens het uitblijven van achterstallige subsidiegelden op de rede van Oostende een Spaans oorlogsschip had laten kapen. Van Heemskerck moest aan het Spaanse hof bemiddelen; de Republiek en Engeland wisten het uitbreken van een oorlog nog net te voorkomen. De bemiddeling tussen Spanje en Frankrijk verliep minder succesvol. Frankrijk eiste steeds meer gebieden in de Spaanse Nederlanden op. Ondanks de sluiting door de keizer, Spanje, Zweden en de Republiek van het Viervoudig Verbond in 1681, waarbij o.m. de nakoming van de in 1678 gemaakte afspraken over de Spaanse Nederlanden werd gegarandeerd, bezette Frankrijk een groot deel van deze gebieden. Op 30 november 1683 verklaarde Spanje Frankrijk de oorlog. Formeel tot het zenden van hulptroepen verplicht, volstonden de Staten-Generaal met bemiddelings- en arbitragepogingen. In 1684 werd in Regensburg een wapenstilstand gesloten waarbij Spanje, alle mooie beloften ten spijt, "tijdelijk" afstand moest doen van verscheidene gereünieerde gebieden. Intussen zat Van Heemskerck in Madrid op hete kolen. In de verwachting dat zijn missie niet langer dan een jaar zou duren, hadden de Staten-Generaal bij zijn vertrek het moment van zijn terugkeer aan zijn eigen oordeel overgelaten. Dat jaar was nu al lang voorbij. Van Heemskercks particuliere belangen in Amsterdam (die op dat moment in een hevig conflict was gewikkeld met de stadhouder over troepenvermindering) maakten zijn overkomst wenselijk. Tegelijkertijd maakte de kritieke politieke situatie het hem onmogelijk uit Madrid te vertrekken zonder dat er een opvolger was benoemd. Toen in 1682 en 1683 zijn brieven aan de Staten-Generaal, de griffier, Willem III, de Staten van Holland en Amsterdam over zijn verlangen om vervangen te worden niet het gewenste resultaat opleverden, raakte zijn geduld op. Op 2 september 1683 schreef hij aan raadpensionaris Fagel dat hij na een verblijf van drie jaar in Spanje eindelijk wel eens wilde repatriëren. Wilde men hem hiervoor onverhoopt geen toestemming geven, dan moest men hem het verblijf in Spanje maar draaglijker maken door een verhoging van zijn traktement. "Ik ben capabel", zo schreef hij dreigend, "eer sonder resolutie thuys te komen, daar kome dan van het wil". Toch moest hij zich neerleggen bij een weigering van de Staten-Generaal, verpakt in een besliste toestemming om te repatriëren zodra de politieke situatie dat enigszins mogelijk zou maken. Van Heemskerck sputterde nog wat na over het geld, maar op zijn klachten dat hij de dupe werd van de vage en niet op alle gezanten gelijkelijk toegepaste bepalingen van het reglement, werd door de Staten-Generaal niet meer gereageerd. In 1685 kreeg Van Heemskerck toestemming om te vertrekken zodra de betalingen door de Spaanse Kroon aan Willem III en de Admiraliteitscolleges zouden zijn geregeld. Op 1 maart 1686 meldde de gezant (na zes jaar lang de chicanes van de Spaanse regering te hebben aangezien) "dat men dienaengaende hier van daen niets goets te wagten heeft". Op 5 maart stelden de Staten-Generaal Battier aan als zijn opvolger en op 18 juli gaven zij Van Heemskerck opdracht te repatriëren. Op 23 september vertrok de gezant uit Madrid. Hij liet, naar eigen zeggen, "weijnige ofte geene saken onafgedaen buyten diegene die om de jegenwoordige schaarsheyt van middelen ende toestant van de monarchie niet hebben kunnen voortgeseth wenden". Op 29 november bracht hij in Den Haag rapport uit. Het congres van Altona 1689 - 1690 Na zich twee en een half jaar weer met het stadsbestuur van Amsterdam en zijn `particuliere affaires' te hebben beziggehouden, kreeg Van Heemskerck op 28 april 1689 opdracht om als buitengewoon gezant naar Altona te gaan. Daar bemiddelden de keizer en de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, tot dan toe zonder enig succes, in de geschillen tussen de koning van Denemarken en de nauw met Zweden verbonden hertog van Holstein-Gottorp. De door hen betwiste erfopvolging in Oldenburg en Delmenhorst had hen al een paar keer tegen elkaar in het geweer gebracht en nu dreigde de bezetting door Denemarken van het hertogelijk deel van Sleeswijk in 1684 op een oorlog tussen Denemarken en Zweden uit te lopen. Ook de hertogen van Brunswijk-Lüneburg waren bij de kwestie betrokken. Zij zagen de aanwezigheid van Deense troepen aan hun noordgrenzen als een bedreiging van hun veiligheid en ondersteunden de eisen van de hertog van Holstein-Gottorp. De Staten-Generaal stelden veel belang in de beëindiging van het conflict. In 1688 was de oorlog tussen Frankrijk, waarmee Denemarken zich had verbonden, en de anti-Franse coalitie waarvan Zweden deel uitmaakte, opnieuw uitgebroken. Zweden had de beloofde troepenleveranties afhankelijk gesteld van het bereiken van een gunstig onderhandelingsresultaat, de hertogen van Brunswijk-Lüneburg zouden door het uitbreken van een Deens-Zweedse oorlog wellicht gedwongen worden hun troepen die in dienst waren van de Republiek ter eigen verdediging terug te roepen en Denemarken zou in dat geval de banden met Franrijk wel eens nauwer kunnen aanhalen. Van Heemskerck kreeg dan ook de opdracht de koning en de hertog tot een minnelijke schikking te bewegen. Mocht dat niet lukken, dan moest hij er in ieder geval voor zorgen dat het conflict niet verder op de spits werd gedreven en dat Zweden zoveel mogelijk werd tegemoetgekomen. Die taken voerde hij snel en doeltreffend uit. De koning van Denemarken zag uiteindelijk in dat hij een nieuw gewapend conflict het onderspit zou moeten delven tegen een vijand die op militaire steun kon rekenen van de keizer, Brandenburg en de Republiek en verplichtte zich op 20 juni 1689 bij het traktaat van Altona tot de ontruiming van de gebieden van de hertog van Holstein-Gottorp. Bovendien bleek hij bereid zich "in de goede partije te laten trecken", wat leidde tot de sluiting op 3 november 1690 van een traktaat van defensieve alliantie tussen Denemarken, Engeland en de Republiek. Hoewel het geschil met de sluiting van het traktaat nog niet uit de wereld was (na afloop van de Negenjarige Oorlog zou het weer in volle hevigheid losbarsten), kon Van Heemskerck de afloop van zijn bemiddeling "seer glorieus" noemen; "dat (ik) in het groote deel, dat (ik) in het Holsteynse accommodement heb gehad, aan d'eene syde de con. van Sweden, het huis Lüneburg, ende de hertog van Holstein heb contentement gedaan, sodanig, dat deselve sich ter hoogsten van den con. van Groot Bretaigne ende der Staat beloven, ende mijne conduite bij publique officien so in Engeland, als in Den Haag hebben geroemt, en (ik) wederom aan d'andere kant het geluk heb gehad van mij t'eenemaal de bienveullance van den con. van Deenemarken ende de goede wille van desselfs ministers te doen behouden ende vermeerderen". Op 2 maart 1690 bracht hij rapport uit in Den Haag. Tweede gezantschap naar de keizer (vanaf 1690) Van Heemskerck had graag ook aan Willem III, inmiddels koning van Engeland, rapport uitgebracht, maar al op 23 maart besloten de Staten-Generaal hem als buitengewoon gezant naar de keizer te sturen. Na de repatriëring van Hop, die in 1689 voor de Staten-Generaal met de keizer het Groot Verbond van Wenen had gesloten, wilden zij de vriendschappelijke betrekkingen "bij dese conjuncture van tijden ende saecken" met een nieuwe buitengewone bezending cultiveren. Gerard Hamel Bruynincx, die men niet meer geschikt achtte voor de gezantschapspost en die men door de zending van Hop al naar het tweede plan had verwezen, werd hiermee in feite overbodig. Enkele maanden na de aankomst van Van Heemskerck zou hij terugkeren naar Den Haag waar hij een jaar later overleed. Van Heemskerck vertrok op 3 mei 1690 uit Den Haag en deed op doorreis naar Wenen de hoven van Hannover, Cell, Brunswijk-Wolffenbüttel en Keursaksen aan. Bij de drie hertogen van Brunswijk en de keurvorst van Saksen drong hij aan op steunverlening aan de uit Piemont verdreven Waldenzen die een leger hadden geformeerd om de valleien van Piemont op de Fransen te heroveren. Bovendien besprak hij de kwestie Saksen-Lauenburg dat door het huis Brunswijk-Lüneburg, dat met o.m. Keursaksen de erfopvolging pretendeerde, in bezit was genomen. De regeling van deze kwestie was voor de geallieerden een zaak van groot belang. Als er een gewapend conflict uit zou voortkomen, zouden de Noordse kronen niet afzijdig kunnen blijven en zonder troepen van de betrokken partijen aan de geallieerde strijdmacht worden onttrokken. Engeland en de Republiek, de enige staten die in dit geschil onpartijdig werden geacht, waren welhaast verplicht te bemiddelen. Op 14 juni 1690 kwam Van Heemskerck in Wenen aan waar hem een moeilijke en veelomvattende taak wachtte. Hij moest de steun van de keizer inroepen bij het tot stand brengen van een minnelijke schikking in de kwestie Saksen-Lauenburg, bij het doen naleven door alle betrokken partijen van het traktaat van Altona, het voorkomen van nieuwe onlusten in Noord-West Duitsland en het bevorderen van de belangen van de Piemontese Waldenzen. Hij moest zien te bereiken dat de keizer Zweden en Denemarken zou overhalen de handel op Frankrijk te verbieden, wat de keizer zelf op grond van de conventie met de Republiek van 1689 al had gedaan. Als Hamburg of andere rijkssteden zouden klagen over het opbrengen van hun schepen wegens contrabande, moest hij hen de rechtmatigheid van dergelijke door keizerlijke proclamaties gesanctioneerde maatregelen onder ogen brengen. Hij moest medewerking van de keizer zien te verkrijgen bij de uitbreiding van het Groot Verbond met Zweden, Denemarken, Spanje en het hele Duitse Rijk. Hij moest de keizer, die ook in een oorlog met de Turken was gewikkeld, houden aan zijn in 1689 gedane toezegging om niet minder dan de helft van zijn legers tegen Frankrijk in te zetten. Het tot stand brengen van een vrede tussen de keizer en het Turkse Rijk had de hoogste prioriteit: eerst dan zou de keizer zijn totale oorlogsinspanning op Frankrijk kunnen richten. De versterking van de coalitie en de oorlogvoering tegen Frankrijk hadden uiteraard Van Heemskercks grootste aandacht. De toetreding van Spanje tot het Groot Verbond van Wenen leverde weinig problemen op. Zweden liet zich weliswaar tot het verlenen van aktieve militaire steun overhalen, maar nam in de praktijk, mede door Franse machinaties aan het Zweedse hof, een min of meer neutrale positie in. Het wierp zich eind oktober 1690 op als bemiddelaar tussen de keizer en Frankrijk en zou deze rol tot de vrede van Rijswijk blijven spelen. Denemarken wilde niet verder gaan dan de levering van 3000 man hulptroepen. In ruil hiervoor zou de keizer aan de koning het recht van tolheffing op de Elbe bij Glückstadt moeten verlenen. De Staten-Generaal wilden op dit punt, zij het met grote tegenzin, wel concessies doen. Maar het verzet hiertegen van vooral Lüneburg, Zweden en Engeland was te groot om met Denemarken zaken te kunnen doen. Anderen werden wel in de coalitie opgenomen. De hertog van Savoye sloot op 20 oktober 1690 een traktaat met Engeland en de Republiek. De voordelen die Frankrijk en de paus hem boden als hij zich neutraal zou verklaren waren echter zo groot dat hij vanaf het begin een onzekere factor was in het verbond. Behalve Savoye traden in de periode 1690-1692 ook Beieren, Mainz, Brandenburg, Trier en Hannover tot de alliantie toe. Van Heemskerck probeerde onophoudelijk Duitse vorstendommen als Hessen-Kassel, Württemberg, Brandenburg, Saksen-Gotha, Keursaksen, Hannover, Cell en Wolffenbüttel ertoe te bewegen met zoveel mogelijk troepen aan de oorlog tegen Frankrijk deel te nemen. Enkele klippen die hij daarbij moest omzeilen zijn al genoemd: de problemen rond de uitvoering van het traktaat van Altona, de erfopvolging in Saksen-Lauenburg en de tolheffing bij Glückstadt. Daarnaast had de hertog van Hannover, die bij al deze problemen was betrokken en tot de neutrale partij behoorde, zijn zinnen gezet op de keurvorstentitel. Mede op aansporing van een wegens de afgunst van de hertog van Brunswijk-Wolffenbüttel discreet opererende Van Heemskerck, verleende de keizer hem eind 1692 het negende electoraat, o.m. in ruil voor zijn toetreding tot de coalitie. Hierdoor en door bemoeienissen met andere geschillen wist Van Heemskerck de huizen van Brunswijk-Lüneburg en Brunswijk-Wolffenbüttel ook persoonlijk aan zich te verplichten. Het centrale probleem waar Van Heemskerck zich voor gesteld zag was echter de twee-frontenoorlog die de keizer moest voeren en die ernstig afbreuk deed aan de kracht en de effectiviteit van de militaire campagnes tegen Frankrijk. Herhaaldelijk drong de gezant er bij de keizer op aan minder troepen in Hongarije en meer troepen aan de Rijn in te zetten, maar de keizer kwam zijn toezeggingen niet altijd of niet steeds op tijd na. Ook de door Engeland en de Republiek aan de hoven van Wenen en Constantinopel ondernomen bemiddelingspogingen hadden weinig succes. De keizer beschouwde Engeland en de Republiek aanvankelijk niet als officiële bemiddelaars. Nadat hem in 1690 was gemeld dat Frankrijk en de Porte een of- en defensief traktaat hadden gesloten, waarbij zou zijn bepaald dat de een niet zonder de ander vrede zou sluiten met de keizer, besloot hij bovendien de sultan geen vredesvoorstellen meer te doen, omdat dit in deze omstandigheden als een teken van zwakte zou kunnen worden uitgelegd. Ook nu gaf hij de zaak niet in handen van Nederlandse ambassadeurs in Wenen en Constantinopel, wat Van Heemskerck zo graag had gewild. Pas op 30 december 1691 aanvaardde hij officieel de Engels-Nederlandse bemiddeling. Gezant en `gevangene' in Turkije 1692 - 1694 Toen de Engelse bemiddelaar Harbord op 10 augustus 1692 in navolging van zijn voorganger Hussey in Turkije was overleden, kreeg Van Heemskerck van de Staten-Generaal en van Willem III als koning van Engeland opdracht zich naar Belgrado te begeven. Daar moest hij tot de komst van Harbords opvolger, Paget, en de Nederlandse gezant in Constantinopel, Colyer, de vredesbemiddeling voortzetten. Op 26 september 1692 vertrok Van Heemskerck uit Wenen. Zijn opdracht moet hij als een grote eer hebben ervaren, temeer omdat de keizer zelf op zijn aanstelling had aangedrongen. Toch aanvaardde hij de reis niet zonder reserves als we mogen afgaan op de verzen van Vergilius die hij kopieerde op de achterkant van een kopiebrief van de grootvizier aan Colyer en die betrekking hadden op de tocht van Aeneas naar de onderwereld. Optimistisch daarentegen waren zijn lastgevers en hijzelf over de duur van de missie. De Staten-Generaal verwachtten hem zo snel in Wenen terug dat ze het niet nodig vonden gezantschapssecretaris Jacob van Hamel Bruynincx (de zoon van de vroegere gezant), die tijdens de afwezigheid van Van Heemskerck in Wenen op de winkel zou passen, van instructies en credentialen te voorzien. Van Heemskerck rekende erop binnen een half jaar in Wenen op zijn "posto ordinario" terug te zijn. Al op 13 oktober 1692, twee dagen na zijn aankomst in Belgrado overhandigde hij aan de dragoman van de Porte, Maurocordato, de ontwerptraktaten tussen Turkije enerzijds en de keizer en zijn geallieerden Polen en Venetië anderzijds, die hij onderweg had opgesteld. Hij hoopte het antwoord van de grootvizier, dat hij in ieder geval voor diens vertrek naar Adrianopel dacht te ontvangen, binnen korte tijd aan de keizer te kunnen overbrengen. Maar de Turken hadden geen haast. Zij wachtten liever met het openen van de onderhandelingen tot Paget, die naar hun verwachting gunstiger voorwaarden te bieden had, in Turkije aangekomen was. Evenmin kreeg Van Heemskerck na de ontvangst van het bericht dat Paget op doorreis naar Belgrado in Wenen was aangekomen, toestemming naar Wenen terug te keren. Integendeel, de grootvizier gaf hem opdracht naar Adrianopel te komen: het was in Turkije niet gebruikelijk een gezant met de staat en de functie van Van Heemskerck met lege handen weg te sturen en bovendien was Paget nog niet op de plaats van de onderhandelingen gearriveerd. Van Heemskerck zag in dat het weinig zin had tegen dit `irregulier gedrag' te protesteren. In de overtuiging dat men in ieder geval tot vrede genegen was vertrok hij op 3 november 1692 naar Adrianopel, waar hij op 4 december aankwam. De Turkse vredeswil viel echter tegen. De grootvizier hield Van Heemskerck in Turkije vast om het bij de hand te hebben als de vredespargij de overhand kreeg en om hem tegen Paget uit te spelen. In feite kon Van Heemskerck, toen hem een audiëntie met de grootvizier was geweigerd, toen hem alle briefwisseling was verboden en toen hij ook na de aankomst in Adrianopel van Colyer en Paget op resp. 16 januari en 10 februari 1693 geen toestemming kreeg om te vertrekken, zich als gevangene van de Porte beschouwen. Op 24 maart 1693 kregen de drie ambassadeurs gezamenlijk eindelijk hun officiële audiëntie bij de grootvizier, waar de door Van Heemskerck ingediende vredesvoorwaarden als onaanvaardbaar van de hand werden gewezen. Paget deed hierop onverwachts, zonder overleg met Colyer en Van Heemskerck (die in de onderhandelingen vooralsnog alle mogelijkheden open wilde houden), aan de grootvizier het voorstel vrede te sluiten op basis van een absoluut uti possidetis, ook m.b.t. Kaminiëk, dat tegen de uitdrukkelijke wil van de keizer aan Turken zou blijven. De grootvizier kreeg overigens niet de gelegenheid op dit voorstel te antwoorden: drie dagen later kwam hij ten val. De aanvaring van Van Heemskerck en Paget, die van het eigenmachtig optreden van de laatste het gevolg was, vormde slechts een hoogtepunt in een reeks van conflicten tussen beide ambassadeurs. Paget was te trots om te dulden dat de Nederlanders in de onderhandelingen de hoofdrol speelden; Van Heemskerck was te fier om de provocaties van Paget over zijn kant te laten gaan. Paget maakte Van Heemskerck verdacht bij de keizer en Van Heemskerck verdedigde zich daartegen; Van Heemskerck stelde Paget voor, gezamenlijk bij de grootvizier op een snel antwoord aan te dringen, waarop Paget liet weten dat hij geen haast had. De ambassadeurs, zo schreef Colyer aan Cuper, "verstaen malkanderen gants niet"; hun wederzijdse antipathie neemt "dagelijx overhand nogh soodaenigh toe ..., dat alle bemiddelingen vruchteloos uijtvallen". De voortdurende verzoeken van Van Heemskerck om het te laten gaan bleven zonder succes. De op 16 april 1693 door de Staten-Generaal opgestelde brieven van rappel, de door de Staten-Generaal aan de sultan en de grootvizier geschreven brieven waarin in diplomatieke termen van schending van het volkenrecht werd gesproken en besprekingen met de grootvizier en andere hoogwaardigheidsbekleders konden de grootvizier, die Van Heemskerck inmiddels als afgezant en spion van de keizer was gaan beschouwen, niet tot een andere houding bewegen. Van Heemskerck moest na het vertrek uit Adrianopel van Paget, Colyer en de grootvizier lijdelijk afwachten tot de militaire campagne van 1693 zou zijn beëindigd. "Men is hier in een land", schreef hij op 4 juni, "daer het gemeene spreekwoord is, dat men weet wanneer men komt, maer niet wanneer men gaet, en sij sijn in possessie van doorgaens te doen wat hun goed dunkt". Op 19 december 1693 kreeg Van Heemskerck van de grootvizier drie weken na diens terugkeer van het front, de toezegging dat er maatregelen zouden worden genomen om hem, met het Turkse antwoord op de vredesvoorstellen van de keizer naar Wenen terug te laten gaan. Terzelfder tijd deden zich echter nieuwe diplomatieke ontwikkelingen voor. De Franse gezant D'Avaux had de geallieerden via het Zweedse hof een vredesvoorstel gedaan, terwijl Polen in Adrianopel over een afzonderlijke vrede kwam onderhandelen. Om kontakten tussen de Poolse gezant en Van Heemskerck onmogelijk te maken werd het huis van Van Heemskerck op 21 januari 1694 onder bewaking gesteld. Op 1 maart 1694 kreeg Van Heemskerck eindelijk zijn afscheidsaudiëntie bij de grootvizier, waar hem zijn recredentialen en het negatieve antwoord op de vredesvoorstellen werden overhandigd. Hij vertrok op 12 maart uit Adrianopel en kwam op 7 april in Belgrado aan. Daar werd hij opnieuw vastgehouden. Onder voorwendsel dat de nieuwe grootvizier (de oude was in ongenade gevallen) de vredesvoorwaarden nog eens met hem wilde bespreken, kreeg Van Heemskerck huisarrest en werd hij van elk kontakt met de buitenwereld afgesloten. Na een hernieuwde gevangenhouding van ruim negen maanden, kreeg hij pas half november 1694, toen het de Turken duidelijk was geworden dat hij ondanks de druk van zijn gevangenschap geen diplomatieke concessies zou doen, de gelegenheid naar Wenen te vertrekken, waar hij op 12 december aankwam. De schamele resultaten van zijn missie baarden in Europa heel wat minder opzien dan zijn smadelijke behandeling die men zag als een poging van de Turken om zijn rapportage aan zijn lastgevers over de militaire en politieke situatie in Turkije zo lang mogelijk uit te stellen en als een represaille voor het vasthouden van het Turkse gezantschap in Oostenrijk in de jaren 1689-1692. Terug in Wenen 1694 - 1697 Van Heemskerck besteedde de eerste weken na zijn terugkomst in Wenen aan zijn rapportage van de Staten-Generaal, Willem III en de keizer, en nam op 12 januari 1695 de taken van zijn `ordinaris commissie' weer op zich. Vanaf het begin werkte hij hierbij nauw samen met de Engelse gezant Lexington die tijdens zijn afwezigheid zijn diplomatieke taken had waargenomen en met wie hij het zeer goed kon vinden. Ook nu bleef hij zich beijveren voor de beëindiging van de Turkenoorlog in het algemeen en de regeling van de Zevenburgse kwestie in het bijzonder. De Nederlandse gezanten in Wenen hadden voor de Zevenburgse protestanten, die door de keizer om hun geloof werden vervolgd, regelmatig bij de keizer geïntervenieerd. Hamel Bruynincx had er zelfs zijn positie aan het hof voor in de waagschaal gesteld. Van Heemskerck probeerde de keizer met wat meer takt te verzoenen met zijn opstandige onderdanen, die zich met de Turken hadden verbonden, en hem o.m. tot teruggave van geconfisceerde kerken en scholen te bewegen. Maar de oorlog met Frankrijk kreeg van de Nederlandse gezant nu weer de meeste aandacht. Hierbij ging het deels zoals voorheen om de coördinatie van de militaire operaties en het opvoeren van de militaire en financiële inspanningen van de keizer en de Duitse vorsten, waartoe o.m. het Groot Verbond van 1689 werd vernieuwd. Maar voor een steeds belangrijker deel richtten de inspanningen van de Nederlandse diplomatie zich nu op het tot stand brengen van een algemene vrede. In 1694 had D'Avaux in Zweden de Franse voorwaarden bekend gemaakt, op 9 augustus 1696 sloot Savoye met Frankrijk een afzonderlijke vrede, op 4 januari 1697 aanvaardden de geallieerden Zweden als bemiddelaar en op 9 mei 1697 werden de onderhandelingen in Rijswijk geopend. De pogingen van Van Heemskerck en Lexington om de keizer in die onderhandelingen op één lijn te krijgen met de Republiek en Engeland waren niet erg succesvol. Tussen de zeemogendheden en Frankrijk werd op 20 september 1697 de vrede getekend; de keizer, in de steek gelaten door zijn bondgenoten, trad pas eind oktober toe. Laatste ambassade: Frankrijk 1698 - 1701 In het vooruitzicht van het sluiten van de vrede en daarmee van zijn vertrek uit Wenen liet Van Heemskerck, die zich inmiddels beschouwde "als een vergetene ende bynae een vreemdeling in mijn eijgen vaderland", aan Heinsius, zijn "protecteur ende vriend", weten dat hij in aanmerking wilde komen voor "de ordinaris ambassade in Frankrijk voor drie jaren, mits dat ik de eere had van vooraf in de extraordinaris ambassade gebruijckt te werden ende daertoe van hier werde thuijs geroepen". Hij vroeg de raadpensionaris bij de eerste gelegenheid de koning hierover te onderhouden omdat hij het ervan zag komen "dat ijmand uijt Gelderland het hooft van voirs. extraordinaris ambassade wel mocht sijn ende dat er uijt Holland sig kunnen opdoen die meer appuy ende credit hebben als ik". Heinsius deed wat van het werd gevraagd. Op 26 november 1697 schreef hij Van Heemskerck dat hij zo spoedig mogelijk naar de Republiek moest terugkeren; op 7 december antwoordde de gezant dat hij binnen 14 dagen zou vertrekken en zó snel naar Den Haag zou reizen als zijn lichaam, dat in zijn leven "vrij wat fatigues gedaan ende gehad heeft", het zou toelaten. Een paar dagen later nam hij afscheid van de keizer, die hem zijn met diamanten bezet portret aanbood en hem (op 12 december) in de rijksgravenstand verhief. Nadat Holland op 17 december had besloten hem ter generaliteit als ambassadeur naar Frankrijk voor te dragen, stelden de Staten-Generaal hem tenslotte op 28 december met Van Nassau-Odijk in die funktie aan en gelastten ze hem ten overvloede zo vlug mogelijk uit Wenen af te reizen. Van Heemskerck vertrok kort voor de jaarwisseling uit Wenen, kwam op 25 januari 1698 in Den Haag aan en bracht door een "opgekoomen sieckte" pas op 12 februari repport uit. Op 3 maart kreeg hij voor Holland zitting in de Staten-Generaal, op 8 maart nam hij met Van Odijk (die door Zeeland was genomineerd en Van Heemskerck dus de voorrang moest geven) afscheid en op 24 maart vertrok hij, opgehouden door het slechte weer, uit Den Haag. De door Holland voor het gezantschap ontworpen instructie werd op 21 maart door de Staten-Generaal vastgesteld. In de eerste plaats moesten de gezanten aan Lodewijk XIV de dank en de gelukwensen van de Staten-Generaal overbrengen vanwege zijn bereidheid de vriendschappelijke betrekkingen met de Republiek te herstellen. Vervolgens moesten zij met de Franse regering overleggen over daadwerkelijk herstel van die vriendschappelijk betrekkingen, met name die op handelsgebied. De vaststelling van een nieuw tarief van inkomende en uitgaande rechten, waarover de Nederlandse commissarissen Nieuwpoort en Van Rosmalen in Parijs onderhandelden, was hierbij van het grootste belang. Voorts moesten zij de publikatie in Frankrijk bespoedigen van de in Rijswijk gesloten traktaten, protesteren tegen iedere inbreuk op de hierin vervatte bepalingen en genoegdoening verkrijgen voor door overtreding van die bepalingen benadeelde onderdanen van de staat. Tenslotte moesten zij in overleg met de ambassadeur van Engeland (Portland) en de andere geallieerden er alles aan doen om de generale vrede in Europa te handhaven. Bij de voorbereiding van hun officiële intrede in Parijs spaarden de ambassadeurs kosten noch tijd. Met de pracht en praal die van hun gevolg en hun karossen moest afstralen wilden zij diepe indruk maken op de Parijzenaars en zelfs de schitterende intrede van Portland in de schaduw stellen. Hoewel zij al in april 1698 in Parijs waren aangekomen en op 6 mei hun eerste audiëntie hadden gehad, duurde het dan ook tot 24 augustus voor zij hun intrede konden doen. De Parijse bevolking, die en masse naar het spektakel was komen kijken, moet inderdaad zeer enthousiast zij geweest. Bij de aanblik van het eerste Nederlandse gezantschap sinds tien jaar schijnen sommigen zelfs hun ogen niet droog hebben kunnen houden. Nederlandse waarnemers waren van mening dat de magnifieke entree die van Portland verre te boven ging, maar madame De la Bazinière schreef aan Marlot: "les ambassadeurs d'Hollande ont à la fin fair leurs entrée; les carosses estoient magnifique, mais le reste n'aprochoit point de celle de Milord". Toen Van Odijk, wiens aanwezigheid in Parijs voornamelijk een ceremoniële betekenis had, een maand na de intrede alweer afscheid van de koning had genomen, moest de extraordinaris ambassade van Van Heemskerck op zijn wens in een ordinaris worden omgezet. Maar over "het werck van den intrede ende gelijck tractement met de ambassadeurs van Savoyen en Venetien" kon met de Franse regering geen overeenstemming worden bereikt. Van Heemskerck werd op 27 december 1698 voorlopig in zijn post gecontinueerd als extraordinaris ambassadeur en zou in 1701 in dezelfde rang uit Frankrijk vertrekken. De taken van Van Heemskerck als ambassadeur in Parijs hadden een ander karakter dan zijn eerdere taken in Wenen. Daar in het centrum van de internationale politiek vroegen vooral zaken van oorlog en vrede zoals de versterking van de coalitie de opvoering en coördinatie van de oorlogsinspanning en de voorbereiding van het vredescongres zijn aandacht. Hier stond het herstel van de politieke en commerciële betrekkingen tussen twee landen voorop en moest hij de belangen behartigen van al die ingezetenen van de staat die door de oorlog waren benadeeld. De uitvoering van de in Rijswijk gesloten vredes- en handelstraktaten hield de vaststelling in van een nieuw douanetarief, de afschaffing van aan Nederlandse kooplieden opgelegde discriminerende belastingen, de teruggave van in de oorlog geconfisceerde bezittingen van Hugenootse refugiées en van door Frankrijk opgebrachte koopvaardijschepen en de vrijlating van krijgsgevangenen op de Franse galeien. Bovendien had de vrede veel Nederlandse onderdanen nieuwe hoop gegeven op de afdoening van hun civiele vorderingen op Franse burgers. Maar terwijl Van Heemskerck en zijn secretarie hun handen vol hadden aan de publieke en particuliere gevolgen van de voorbije oorlog, kondigde de nieuwe zich al aan. In strijd met de afspraken over de verdeling van de Spaanse erfenis, die door Frankrijk, Engeland en de Republiek op 25 maart 1700 bij het traktaat van partage waren gemaakt, aanvaardde Lodewijk XIV het testament van de op 1 november 1700 kinderloos overleden koning van Spanje die zijn kleinzoon, de hertog van Anjou, tot troonopvolger had benoemd. De Republiek liet bij monde van Van Heemskerck nog wel een formeel protest horen, maar erkende Anjou uiteindelijk toch als koning van Spanje, in de hoop dat hij wilde afzien van zijn aanspraken op de Franse troon. Toen conferenties hierover in Den Haag waren mislukt en Frankrijk in september en oktober 1701 enkele redemptiedorpen, die tot het grondgebied van de Republiek hoorden, had bezet, was duidelijk dat de oorlog opnieuw op uitbreken stond. Op 7 september 1701 sloten Engeland, de Republiek en de keizer het Haags Verbond en in mei 1702 verklaarden Engeland en de Republiek Frankrijk de oorlog. Intussen was Van Heemskerck al weer lang en breed in de Republiek teruggekeerd. Al in juni 1699 had hij een conceptbrief aan Willem III geschreven waarin hij terugblikte op een diplomatieke loopbaan van 28 jaar, bekroond met de belangrijkste ambassade die de Republiek te vergeven had. Hij vroeg de koning naar de Republiek te mogen worden teruggeroepen als hij die post drie jaar zou hebben bekleed, "pour vivre le peu de jours qui me restent dans une honnette oisiveté". Maar nog voor die drie jaren om waren begon het hem niet alleen aan ambitie, maar ook aan fysieke kracht te ontbreken. Door een slepende ziekte getroffen moest hij zich steeds vaker door secretaris Vroesen en de Engelse gezant Manchester laten vervangen. Al in februari 1701 liet hij "op apparentie en hoop van vertrek" in het ambassadegebouw die dingen inpakken die het minst nodig waren en toen een diplomatieke breuk met Frankrijk nog uitbleef, vroeg hij de Staten-Generaal op 26 september toestemming van Parijs naar Holland te mogen terugkeren. De "doodelijke kranckheijt" en de "quijnende sieckte" waardoor hij na dertig jaar staatsdienst "zoo in de militie als in de politie, in verscheijde Besendingen, en drie extraordinaris ambassades" sinds enige tijd werd bezocht, hadden het hem onmogelijk gemaakt zijn aanzienlijke post naar behoren waar te nemen. Nadat de Staten-Generaal hem op 10 oktober 1701 toestemming hadden gegeven om te repatriëren en zijn vrouw op 20 november haar afscheidsaudiëntie bij de koning had gekregen, vertrok hij op 24 november uit Parijs. Secretaris Jan Vroesen bleef als zaakgelastigde in Parijs tot het uibreken van de oorlog. Na een zware reis kwam Van Heemskerck half december in Den Haag aan. Door zijn ziekte was hij niet in staat rapport uit te brengen aan de Staten-Generaal. Op 56-jarige leeftijd overleed hij in Den Haag op 23 juli 1702.
De inwoners van Made vielen niet alleen op bestuurlijk gebied onder Geertruidenberg, maar ook op kerkelijk gebied. Waren zij op de kerk in die stad aangewezen. Aan het begin van de 16e eeuw was het bevolkingsaantal zo toegenomen dat de bouw van een kapel te Made mogelijk werd. In 1512 verrees aldaar een kleine bijkerk van Geertruidenberg, die toegewijd werd aan deH. Maagd Maria en later aan de H. Adrianus. Een kapelaan uit Geertruidenberg deed er op zon- en feestdagen diensten. In 1519 stond er in de kapel nog slechts een draagbaar altaar. In afwijking van de regel dat een altaar geheel van steen en vastgemetseld diende te zijn, was dit een houten altaar met een losse steen. Het toedienen van de sacramenten zoals doop en huwelijk mocht niet in de kapel gebeuren, daarvoor bleven de parochianen aangewezen op de kerk te Geertruidenberg, waarheen zij zich met de dopelingen dienden te begeven. Uit een in 1558 afgelegde verklaring door de priester Peter de Wolf en enkele anderen blijkt dat de kapel niet over een doopvont beschikte. Met de pasgeboren kinderen moesten de Madenaren naar Geertruidenberg en dat ondanks stormen, dijkbreuken, inundaties of sneeuwstormen. Het is toen voorgekomen dat borelingen tengevolge van het koude weer en de emoties onderweg overleden. Ook gebeurde het wel eens dat een baker met een pasgeborene op de arm over een sloot moest springen. De weg naar Geertuidenberg liep nog niet over de Steelhovensedijk, maar over de Rijakkers. Het is niet bekend of de in 1558 ingestelde pogingen om een doopvont in Made te krijgen gelukt zijn. De in 1512 gebouwde kerk stond op de plaats van de huidige Nederl. Hervormde kerk aan de Adellaan. Dat gebouw bevat nog wel bestanddelen uit die tijd. Tengevolge van oorlogshandelingen rond de vesting Geertruidenberg tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd de kapel zwaar beschadigd. Reeds in 1589 kon de katholieke eredienst er niet meer in uitgeoefend worden. Nadat Geertruidenberg in 1539 voorgoed in Staatse handen overgegaan was, werd het zelfs onmogelijk voor een priester openlijk diensten in dit deel van het gewest Holland te doen. Voor hun eredienst waren de Madese katholieken aangewezen op de kerken en de pastoors van de Brabantse parochies Oosterhout en Terheijden. De oorspronkelijke kapel te Made werd in 1609 herstelde en ter beschikking gesteld van de protestanten, die in 1610 hun eerste officiële predikant kregen. Dit geschiedde in de periode van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), dat de oorlogshandelingen onderbrak, maar waarbij in dit deel van Holland de laatst overgebleven pastoors moesten verdwijnen. In de Brabantse buurgemeenten duurde het nog tot de Vrede van Munster in 1648 eer ook daar de pastoors verdreven werden en de tot dan nog door hen gebruikte kerken aan de protestanten moesten overgegeven worden. Intussen was er in de Hollandse stad Geertruidenberg in 1645 een pastoor teruggekeerd, die oogluikend werd toegelaten door de stedelijke overheid, die er ook de inrichting van een schuurkerk duldde. Na dat jaar treft men in de boeken van de Bergse pastor nogal wat inschrijvingen van dopelingen uit Made en andere dorpen uit de wijde omgeving aan. Vermoedelijk was al in 1669 de in Oosterhout geboren priester Wijnant Olijslagers te Made om er de parochianen te gaan bedienen. Zijn parochie strekte zich uit over Made, Drimmelen en Standhazen, Hooge en Lage Zwaluwe en Moerdijk. Niet lang na zijn komst verrees een schuurkerk in de buurtschap van Made, die daaraan de naam Oude kerk heeft ontleend, namelijk aan de Kerkdijk en oude Kerkstraat, daar waar de weg van Zwaluwe naar Made liep. De vestiging van deze priester deed nogal wat stof opwaaien. De Madese predikant Samuel Pistorius klaagde in de Dordtse synode van 1671 dat “sekere mispaep Winant Olijslagers” het bestaan had in te kruipen in het dorp Made. Hierover was een schriftelijke klacht ingediend bij het stadsbestuur van Geertruidenberg, dat wel getracht had de voorschriften op dat punt te doen naleven, doch dat had weer tot gevolg gehad dat de predikant door “die van ’t Pausdom” niet alleen was bedreigd, maar ook werkelijk was beschadigd. Volgens de klachten van de predikant waren bomen op zijn erf afgehouwen, zijn vee losgemaakt en verdreven en zijn water vergiftigd. Hoewel over de moedwil en de “stoutichheden des Pausdoms” niet alleen te Made, maar ook te Breda en te Culemborg nog in de synodes van 1672 en 1673 geklaagd wordt, is de zaak niet meer teruggedraaid. De overheid had trouwens wel iets anders aan het hoofd na de inval van de Fransen in het rampjaar 1672. De Franse legers trokken in snel tempo op naar Utrecht een spoor van vernietigingen achterlatend. Nog jarenlang was de bevolking tot Franse contributies verplicht en als er niet snel betaald werd dan voerden de Fransen hun bedreigingen met brandschatting snel uit, zoals o.a. de inwoners van Dongen en ’s Gravenmoer in 1672 ondervonden. Ds. Pistorius overleed te Made in 1674. Sedert de komst van pastoor Olijslagers is de parochie Made blijven bestaan. De reden dat ook Drimmelen en Standhazen, Hooge en Lage Zwaluwe en Moerdijk daartoe behoorden was gelegen in het feit dat die dorpen ieder afzonderlijk niet in staat waren een parochiekerk te bouwen en een geestelijke te onderhouden. De schuurkerk toegewijd aan de H. Bernardus was een rechthoekige houten schuur bedekt met een rieten zadeldak van 12 x 13 Rijnlandse roeden (ruim 45 x ruim 11 meter). Een eeuw na de bouw voldeed deze kerk niet meer aan de behoeften. Het gebezigde materiaal maakt dat niet vreemd, maar ook het aantal parochianen in deze uitgestrekte parochie was zeer aanzienlijk toegenomen. Daar kwam nog bij dat ook bewoners van Stuivezand en Wagenberg zich voor de vervulling van hun zondagsplicht naar de Madese schuurkerk begaven. Veelal moesten talrijke kerkgangers de diensten buiten voor de deur van de kerk volgen. Om die redenen verzochten pastoor Berkmans en het Kerkbestuur in januari 1765 aan de overheid toestemming om de schuurkerk met een stenen aanbouw van 16 Rijnlandse voeten (ongeveer 5 m.) te mogen verlengen en dit nieuwe gedeelte te voorzien van een pannen dak met wolfseind. Na de ambtelijke molen doorlopen te hebben kwam de toestemming op 15 mei van dat jaar af, doch kort nadien overleed de pastoor. Zijn opvolger, Adriaan de Veth, aanvaardde het pastoraat van Made op 30 juli 1765. Terstond stelde hij openlijk pogingen in het werk om het bedehuis fraaier en hechter te maken en heimelijk trachtte hij ook een groter gebouw te maken. Vooral dat laatste leidde ertoe dat de overheid zich in haar wiek geschoten achtte en de parochie moest uiteindelijk genoegen nemen met het oorspronkelijke plan. In de tweede helft van 1766 ving de verbouwing aan, die voor half juli 1767 gereed kwam. Na de inspectie stemden de Gecommitteerden Raden van de Staten van Holland op 27 oktober 1767 in met de weder in dienst stelling van de schuurkerk, mits de noodkerk in een nabijgelegen schuur terstond gesloten zou worden. Intussen was het aantal katholieken in het Zwaluwse gedeelte van de parochie zo toegenomen, dat de behoefte aan de stichting van een eigen parochie aldaar meer en meer gevoeld werd. Reeds in 1768 stelden de Zwaluwse katholieken tevergeefs pogingen in het werk, doch hoewel de houding tegenover de katholieken en hun godsdienstuitoefening sedert het Hollandse plakkaat van 21 september 1730 wat soepeler geworden was, werd de stichting van nieuwe parochies niet toegestaan. De inwoners van de Zwaluwe haalden dus nul op hun rekest, ook bij de hernieuwde pogingen die zij in 1776-1777 deden. Na de opkomst van de eerste patriottenbeweging van 1780 tot 1787 wijzigde zich de opstelling van de patriottische regenten, die in Holland allengs de overhand kregen, tegen over de katholieken. De katholieken van Zwaluwe hebben van deze gunstige politieke situatie gebruik gemaakt en wisten ondanks verzet van verschillende zijden gedaan te krijgen dat hen de stichting van een eigen parochiekerk werd toegestaan. De kapelaan van made Matthijs van Hooff werd hun eerste pastoor, die in december 1787 zijn eerste mis in het nieuwe bedehuis te Zwaluwe celebreerde. Dit was enige maanden na de Restauratie van de Oranjegezinden, die echter de zaak niet meer hebben teruggedraaid. Pastoor de Veth, had zich aanvankelijk negatief opgesteld tegenover het Zwaluwse streven, vooral vanwege de te verwachten financiële consequenties. Nadat de gunstige besluiten voor de Zwaluwse parochiestichting genomen waren, wordt niets meer over een eventueel verzet van de pastoor vernomen, doch de overeenkomsten tussen beide parochies blijken voor Made niet onvoordelig te zijn uitgevallen. Voor de ingekrompen parochie Made stond de kerk nu wel erg uit het centrum en vooral voor de bewoners van Standhazen, Rijakkers en Voorstraat was de weg daarheen wel erg lang. Veel parochianen zullen het dan ook als een uitkomst beschouwd hebben, dat de schuurkerk op 5 juni 1795 door de bliksem getroffen werd en tot de grond toe afbrandde. De kerkmeesters reisden naar Den Haag om de overheid in kennis te stellen van het ongeluk en toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk te verzoeken. Vooral dit laatste was gemakkelijker omdat juist in 1795 de Fransen hun “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” hadden gebracht en overal de vroegere patriotten op het paard hielpen. Ook op bestuurlijk gebied had made zich in dat jaar losgemaakt van Geertruidenberg en had een eigen zelfstandig gemeentebestuur verkregen. Pastoor De Veth liet een nieuwe kerk bouwen op een plaats iets ten noorden van de huidige. Enkele parochianen hadden zich tegen deze plaats verzet en wilden een nieuwe kerk op de plaats van de afgebrande. Aangetoond werd dat een verzoek hiertoe mede door een aantal inwoners van omliggende gemeenten en zelfs door enkele protestanten ondertekend was. De nieuwe kerk gelegen aan de huidige Kerkstraat werd in 1796 door de Deken van Geertruidenberg ingezegend. Niet lang daarna kwam Made met de rest van het Hollandse gebied ten zuiden van de grote rivieren tot Brabant te behoren en werd de in 1795 ontstane gemeente in 1810 met die van Drimmelen verenigd. De in 1796 gebouwde kerk werd voor de groeiende parochie Made langzamerhand te klein. In 1841 werd het gebouw verfraaid en vergroot, maar ook dat bleek maar enkele decennia voldoende. In 1870 legde de neef van pastoor M. van de Zwaluw, de architect Jan Verheijen de fundamenten van de huidige kerk.. Het Rijk bood voor de nieuwbouw een subsidie van fl. 3.000,-- op voorwaarde dat het werk publiek zou worden aanbesteed onder toezicht van de genie. De architect achtte het meer gewenst dit aanbod niet aan te nemen, omdat het voordeliger zou zijn de kerk zonder subsidie in dagloon te laten bouwen. Hij had gelijk. De nieuwbouw werd in augustus 1871 ingewijd. Ter gelegenheid van het zilveren pastoraat van L. van Doremalen werd hem op 14 april 1024 door zijn parochianen een blijvende herinnering aangeboden in de vorm van een nieuw uurwerk in de toren en een luidklok en een angelusklokje. In 1936 werden het torentje en gedeelten van het kerkdak hersteld. Nog in hetzelfde jaar liet het Kerkbestuur 50 nieuwe kerkbanken tegen de zijwanden plaatsen naar het voorbeeld van de banken in de middengang. Het volgende jaar kreeg de kerk een lang verwachte verbetering n.l. de aanbouw vaan een doopkapel ten oosten aan de kerk en van een portaal met drie ingangen. De ene uitgang van de kerk had steeds tot veel gedrang aanleiding gegeven. De nieuwe doopvont kon pas op 8 maart 1938 in gebruik genomen worden. De ramen van de doopkapel en in de middengang van de kerk werden door de glazenier Toon Berg uit Dordrecht geleverd. Dezelfde die ook de 7 medaillons voor het parochiehuis in 1939 vervaardigde. Tijdens de Duitse bezetting zag het Kerkbestuur toch kans in 1941 – 1942 een centrale verwarming in de kerk te laten aanleggen. De oorlog berokkende de kerk de schade toen op bevel van de bezetter op 2 februari 1943 de grote klok uit de kerk gehaald en op 13 februari d.a.v. weggevoerd werd. Deze klok keerde niet terug. Het eveneens uit 1924 daterende angelusklokje mocht als alarmklok blijven hangen. Na de oorlog bracht een collecte voldoende op om B. Eijsbouts te Asten opdracht te geven een nieuwe klok te gieten. Deze werd op 7 december 1947 ingewijd. Reeds in 1935 bestonden er plannen een H. Hartbeeld in de parochie te plaatsen, waartoe de plaatselijke dokter Dr. J.H. Klijn het initiatief nam. Het grootste gedeelte van de benodigde gelden was bijeengebracht toen de oorlog roet in het eten gooide. De steen om het beeld te vervaardigen werd reeds in maart 1941 aangekocht, doch het duurde nog jaren eer de plannen verwezenlijkt konden worden. De initiatiefnemer, die intussen van zijn welverdiende rust was gaan genieten, overleed 31 januari 1945 te Dolder, doch zijn plan is uitgevoerd. Op zondag 20 juli 1948 vond de intronisatie van het H. Hartbeeld op de hoek van Kerkstraat – Kloosterstraat – Stationsstraat plaats. Het voltallig gemeentebestuur en alle katholieke godsdienstige en sociale verenigingen gaven daarbij acte de présence. Het beeld is vervaardigd door de beeldhouder H. Jonker uit ’s-Hertogenbosch. Pastoor Deken Jos van den Hout herdacht 24 mei 1952 zijn gouden priesterfeest en bij die gelegenheid verwierf de kerk een nieuw orgel met 23 registers, gebouwd door de Gebr. Vermeulen uit Weert. De parochianen maakten deze aanschaf via hun vrijwillige bijdragen mede mogelijk. Toen deze pastoor het volgende jaar zijn zilveren pastoraat vierde, tastte zijn parochianen wederom stevig in de buidel om de kerk van een geluidsinstallatie te voorzien. Deze werd op Tweede Paasdag 6 april 1953 in gebruik genomen. De vernieuwingsdrang in het midden van de zestiger jaren, die ook de Bernarduskerk niet ongemoeid liet, leidde tot verwijdering van bijna alle beelden, de drie altaren, de vrij zwaar beschadigde kruisweg en kruisbeeld en de niet al te fraaie wandbeschilderingen. Voor veel parochianen was er weinig sfeer, symboliek en warmte overgebleven. Gelukkig was niet alles vernietigd of verkocht, zodat toen het getij keerde het mogelijk was de beelden van de zolder te halen en weer op de sokkels langs de zijwanden te plaatsen. Het oorspronkelijke kruisbeeld werd tegen een nieuw kruis voor in de kerk teruggehangen en geflankeerd door twee beelden. Er werd wederom een middenpad aangebracht en op het podium zijn een altaar, een preekstoel en een lezenaar, vervaardigd uit gedeelten van de vroegere communiebank, in ere hersteld. Ook kwam er een nieuwe wat bescheidener kruisweg. Een en ander was in 1993 gereed, terwijl in dat jaar ook de toren een opknapbeurt kreeg met nieuwe leien en de haan met bol met bladgoud werden belegd. Zusters van Liefde. In 1853 vestigden zich in de parochie van Made vier zusters van de Congregatie van O.L. Vrouw van barmhartigheid uit Tilburg. Een klooster kon gebouwd worden uit verscheidene liefdegiften en bijdragen o.a. van pastoor Mattheus van de Zwaluwe. Zuster Angelina was de eerste overste. Haar wereldlijke naam, Lucia Eijcken, is aan een der Madese straten verbonden. De zusters begonnen met het geven van handwerkles en godsdienstonderricht. In 1861 openden zij een lagere school voor meisjes. Een bewaarschool werd ingericht in de oude pastorie. In 1869 startten de zusters met een internaat, dat uitgroeide tot het bekende Sint Josephpensionaat met MULO-school en zelfs een modevakschool voor meisjes uit het gehele land, waaronder veel schippersdochters. In 1897 vingen de zusters ook aan met de huisvesting en verpleging van ouden van dagen. Door het steeds toenemend aantal pensionaires en het aantal schoolgaande meisjes in de parochie moest het Kerkbestuur in 1901 besluiten tot een flinke uitbreiding. Namelijk de stichting van een nieuw gebouw voor zusters en pensionaires. Bestemming van het oude gebouw tot lagere school voor meisjes en tot oudenvrouwenhuis en inrichting van de oude pastorie, die als bewaar- en naaischool in gebruik was, tot oudenmannenhuis. Architect L. Goijaerts uit Tilburg ontwierp het nieuwe hoofdgebouw dat door Th. Blijlevens voor fl. 60.000,- werd gebouwd. Het gehele complex werd op 19 juli 1902 plechtig ingezegend door pastoor L. van Doremalen. Bij het eeuwfeest van de zusters in deze parochie op 24 oktober 1953 klonk al door dat er ter weinig nieuwe roepingen waren, zodat kloosters dreigden opgeheven te worden, doch in Made waren er toen nog geen tekenen die daarop wezen. Zo werd zelfs het pensionaat in 1965 nog uitgebreid met een nieuw hoofdgebouw. Men kon toen nog niet vermoeden dat deze instelling op 1 augustus 1976 definitief zijn poorten zou moeten sluiten. Nadat de Zusters van Liefde hadden laten weten dat zij eerlang verplicht zouden zijn om de bejaardenzorg in Made geheel van zich af te schuiven om zich nog alleen aan het onderwijs te wijden, verscheen in november 1957 een eerste rapport over de bejaardenzorg te Made. Op 3 november 1960 volgde de oprichting van de Stichting “De Wijngaerd”. Van een bejaardencentrum met dezelfde naam werd in januari 1964 de eerste steen gelegd. De officiële opening vond plaats in mei 1965. De bejaarden in het klooster van de Zusters van Liefde bleven aldaar verpleegd, doch nieuwe verpleegden werden niet meer toegelaten. Onderwijs. De invoering van de Wet op het Lager Onderwijs in 1920 opende de mogelijkheid voor de oprichting en exploitatie van scholen voor het bijzonder onderwijs overheidsbijdragen te verkrijgen. Tot dan hadden de meeste parochies slechts kans gezien het onderwijs aan meisjes door zusters te bekostigen en moesten noodgedwongen het onderwijs aan jongens aan openbare scholen overgelaten worden. Zoals reeds gemeld was het te Made niet anders. Evenals elders maakte het Kerkbestuur ook hier gebruik van de mogelijkheid en kwam een nieuwe R.K. jongensschool tot stand, waarvoor in 1924 van de gemeente 8 van de 10 lokalen van de openbare lagere school en de onderwijzerswoning aan de Marktstraat – Schoolstraat werden overgenomen. Na aanpassingen kon deze school op 12 augustus 1924 door de pastoor ingezegend worden. Een R.K. Huishoudschool werd 1 oktober 1948 ingewijd. Over de verdere lotgevallen van het katholieke onderwijs kunnen we in deze inleiding kort zijn. De regeling van het bijzonder lager onderwijs zowel aan meisjes als jongens, dat intussen al geïntegreerd was, werd in 1965 geheel door de Stichting R.K. Schoolbestuur te Made van het Kerkbestuur overgenomen. Dezelfde Stichting nam in 1970 ook de scholen in de Blasiusparochie over. Weliswaar bleven nog zusters te Made in het onderwijs werkzaam, doch hun aantal nam, steeds meer af. Patronaat en parochiehuis. De zorg voor de opgroeiende jeugd manifesteerde zich in de oprichting van een jongerenpatronaat. De nieuwbouw van dit patronaat, toegewijd aan de H. Aloysius, kostte ongeveer fl. 12.500,-- en werd op 10 augustus 1913 ingezegend. Op 5 augustus 1928 richtte Mgr. Frencken een Katholieke Jeugdvereniging voor meisjes op. Deze vereniging, waarvan eerst een aantal meisjes werkzaam op de Hollandsche Kunstzijde Industrie te Breda lid van werden, ontwikkelde zich langzamerhand met het gevolg dat het vergaderlokaal bij de zusters niet meer voldeed. Na aanvankelijke plannen tot de aankoop van een pand, viel het besluit een verdieping te plaatsen op het jongenspatronaat. Tevens kocht het Kerkbestuur eind 1931 een stuk grond in de Patronaatstraat om tot speelplaats te dienen. De nieuwbouw werd 3 juli 1932 door de pastoor- Deken van Made ingezegend. Een parochiehuis bestaande uit een vergaderzaal voor de R.K. Werkliedenvereniging en een bovenzaal voor de vergaderingen van de Jonge Werkman en de Jonge Boerenstand, werd in 1938 en 1939 gebouwd. De Werkliedenvereniging nam, haar vergaderzaal, hoewel nog niet afgewerkt, op 30 april 1939 in gebruik. Het beheer van dit parochiehuis kwam in 1968 in handen van een afzonderlijke Beheerscommissie. DE H. BLASIUSPAROCHIE. Om een goed inzicht in de situatie te verkrijgen is een nadere omschrijving van de ligging van de parochie noodzakelijk. De buurtschappen Stuivezand en Hoogerheide, ook wel de duin genoemd, strekten zich ten tijde van de stichting der parochie nog uit onder Den Hout in het noordwestelijk deel van de gemeente Oosterhout en onder Made in het zuidwestelijk deel van die gemeente, terwijl er ook nog een oostelijk gedeelte van Wagenberg onder de gemeente Terheijden toe gerekend werd. De bewoners van dit gebied waren parochianen van de H. Cornelius te Den Hout, de H. Gummarus te Wagenberg en de H. Bernardus te Made. De beide eerste parochies ressorteerden onder het Bisdom Breda en de laatste onder het Bisdom ’s-Hertogenbosch. De gemeentegrens en tevens de grens tussen de Bisdommen liepen midden over de grote doorgaande weg door het gehucht Stuivezand n.l. Haasdijk – Antwerpsestraat – Zuideindsestraat. In vroeger eeuwen vormde dat tevens de grens tussen het gewest Holland en het generaliteitsland Brabant. Verandering in deze situatie kwam er toen per 1 januari 1956 het gebied van het Dekenaat Geertruidenberg w.o. de parochie van de H. Bernardus te Made ressorteerde, aan het Bisdom Breda werd toegevoegd en toen na meer dan twintig jaar onderhandelen de Oosterhoutse gehuchten Stuivezand en Hoogerheide in 1964 door de gemeente Made en Drimmelen konden geannexeerd worden. Evenals in Made nam de parochie van de H. Cornelius te Den Hout in 1925 de openbare school aldaar van de gemeente Oosterhout over om er een R.K. Jongensschool in te richten. Deze school was kort tevoren uitgebreid met twee lokalen, voornamelijk ter tegemoetkoming aan het verzoek der inwoners van Stuivezand en Hoogerheide om hun veraf wonende kinderen tijdens de middagpauze een geschikt onderdak te bieden. De parochie nam niet de gehele school over, doch liet de gemeente met twee lokalen zitten. Ondanks de overblijfmogelijkheid bleven de ouders van de afgelegen gehuchten de dagelijkse weg door weer en wind naar en van school voor hun kinderen bezwaarlijk vinden. Op 6 februari 1926 ondertekenden een aantal heren uit Stuivezand wonende onder Oosterhout, Made en Terheijden, een akte van oprichting van een Stichting ter bevordering van R.K. Bijzonder Onderwijs te Oosterhout. Het Stichtingsbestuur nam 18 februari 1926 reeds het besluit tot oprichting van een school voor gewoon lager onderwijs te Stuivezand van 6 of 7 klassen voor minstens 250 leerlingen. Dit besluit voorzien van de wettelijke voorgeschreven bijlagen en een door 71 gezinshoofden ondertekend verzoek verzond het stichtingsbestuur op 2 maart aan het gemeentebestuur van Oosterhout. Er ontstond nu een “schoolkwestie” tussen gemeentebestuur en stichtingsbestuur. De gemeente wees telkens de twee openstaande lokalen te Den Hout voor Stuivezandse school aan, waar het stichtingsbestuur natuurlijk geen genoegen mee kon nemen. In een later stadium wordt opgeworpen dat het onderwijs aan meisjes toch aan zusters opgedragen diende te worden en dat dus eigenlijk een parochie tot stand zou moeten komen. Het Stichtingsbestuur zat niet stil en wist te bereiken dat de bisschop van Breda bereid was een parochie te stichten, indien het gemeentebestuur een school zou bouwen. Intussen bleek hoe de kwestie in Stuivezand leefde, want bij de gemeenteraadsverkiezingen in mei 1927 behaalde de smid C.A. Klaassen, die lid van het stichtingsbestuur was, voldoende stemmen om een raadszetel in Oosterhout te bemachtigen. Hij was in die raad een ferme voorspraak, doch vond er weinig bijval. Het gemeentebestuur begon in te zien dat het op den duur de schoolbouw niet meer zou kunnen tegenhouden en knoopte daarom in augustus 1927 onderhandelingen aan met het gemeentebestuur van Made om de gehuchten Stuivezand en Hoogerheide te laten annexeren en dus een grenswijziging tot stand te brengen. Made voelde niets voor annexatie, omdat het dit alleen een afwenteling van de financiële consequenties van de schoolbouw achtte. Natuurlijk doorkruiste deze zaak weer de acties van het stichtingsbestuur, die daardoor weer wat langer opgehouden konden worden. Intussen had de bisschop van Breda de paters Passionisten bereid gevonden een klooster en open kerk te Stuivezand te bouwen, waardoor daar een rectoraat zou ontstaan, doch later had hij het beter geacht toch een parochie te stichten. De Madese pastoor had reeds toegezegd een gedeelte van zijn parochie te zullen afstaan, hetgeen door de bisschop van ’s-Hertogenbosch was goedgekeurd. Van de kerkelijke overheid van beide Bisdommen waren dus geen moeilijkheden te verwachten, toch bleef het gemeentebestuur van Oosterhout via tal van spitsvormigheden de zaak traineren. Het laatste redmiddel dacht het gevonden te hebben in de medewerking aan de bouw van een school afhankelijk te stellen van de benoeming van een pastoor waarmee overlegd zou moeten worden. Het wist dat de bisschop eerst de zekerheid van een te stichten school wilde alvorens een bouwpastoor te benoemen. Uiteindelijk wist het stichtingsbestuur via een bezwaarschrift van de Minister een gunstige beschikking d.d. 14 juni 1929 te verkrijgen. De gemeenteraad kon op 25 juni van dat jaar niet anders meer dan inwilligen van het verzoek van het stichtingsbestuur van 21 oktober 1926 om medewerking aan de stichting van een R.K. bijzondere school te Stuivezand en tot beschikbaarstelling van de benodigde gelden. De bisschop van Breda loste zeer spoedig zijn belofte in. Op 8 juli 1929 benoemde hij Petrus Johannes Rombouts, kapelaan van de St. Antoniusparochie te Roosendaal, tot bouwpastoor en stelde hem een ruime gift van fl. 15.000.- ter beschikking. Als eerste kerkmeester benoemde de bisschop de heren Th. Van Lange en C.A. Klaassen, die beiden deel uitmaakten van het stichtingsbestuur. Met de pastoorskeuze zal de bisschop de diplomatieke weg gevolg hebben, want pastoor Rombouts was een zoon van een welvarend parochiaan van de Houtse parochie van de H. Cornelius. Pastoor Van Breugel van deze parochie had nogal wat bezwaren gehad tegen de oprichting van een nieuwe parochie te Stuivezand. Op zijn 37e verjaardag begaf de nieuwbenoemde pastoor zich op 11 juli 1929 naar pastoor Van Breugel, die ondanks zijn eerdere bezwaren zijn volle sympathie en medewerking gaf aan de nieuwe parochie. Tezamen gingen zij naar pastoor Van den Hout te Made en met smid Klaassen bezochten zij de mogelijke bouwterreinen. Later voegde zich ook de heer van Lange zich bij het gezelschap. De keuze viel op een terrein dat toebehoorde aan mr. H.J.C.M. Allard, steenfabrikant en oud-burgemeester van Geertruidenberg , die al eerder grond voor een te bouwen kerk had toegezegd. De bouwpastoor had voor de patroonheilige van zijn parochie zijn keuze bepaald op de H. Blasius, patroon tegen keelziekte. Hij had zich hierbij laten leiden door de vele gevallen van difterie en keelaandoeningen die de afgelopen jaren in Oosterhout waren voorgekomen. Als architecten koos hij de Gebroeders Oomen te Oosterhout, die opdracht kregen een eenvoudige, doelmatige kerk met pastorie en toebehoren te ontwerpen. De grenzen van de parochie waren in overleg met de pastoor van Made en toestemming van de bisschop van ’s-Hertogenbosch al voor de benoeming van de bouwpastoor vastgesteld, die met Den Hout en Wagenberg werden nog op 11 juli 1929 in goede harmonie door de pastoors onderling geregeld en reeds de volgende dag door de bisschop van Breda bevestigd. De bouw van kerk en pastorie werd 28 oktober 1929 aanbesteed aan de laagste inschrijvers de aannemers P. Moll en Jos. Leijten uit Oosterhout en Raamsdonk. Het werk ving aan op 11 november onder toezicht van de opzichter Christ Nuijten uit Breda. De eerste steenlegging van kerk en pastorie vond onder grote belangstelling plaats op de feestdag van de H. Blasius, maandag 3 februari 1930. Het werk vlotte, zodat de pastoor al op 29 september 1930 zijn intrek kon nemen in de nieuwe pastorie. Op maandag 6 oktober 1930 verrichte Mgr. Hopmans, besschop van Breda, de wijdingsplechtigheden onder grote belangstelling van kerkelijke en wereldlijke autoriteiten en vele genodigden. De plechtige inleiding van de pastoor geschiedde op 7 oktober. Het intussen tot vierleden uitgebreide Kerkbestuur vergaderde voor het eerst op 11 oktober in de pastorie en stelde toen een reglement voor de zitplaatsenverpachting vast. Deze verpachting geschiedde op 15 oktober, waarbij ongeveer 80 plaatsen verpacht werden aan 60 buiten de parochie wonende gelovigen. De eerste doop werd in de kerk toegediend op 29 oktober en een nieuwe begraafplaats kon op 9 november worden ingewijd. Veel kon bekostigd worden uit de gift van de bisschop, uit een collecte in alle kerken in het Bisdom, uit giften en schenkingen door particulieren o.a. van grond, toch moest het Kerkbestuur in de jaren 1929 – 1931 nog ruim fl. 35.000,-- lenen. Klooster en scholen. De bouw van kerk en pastorie liep nagenoeg parallel met die van klooster en scholen. De bisschop wenste dat het Kerkbestuur tevens als schoolbestuur zou fungeren, waarop de ledenvergadering van de meermalen genoemde stichting op 21 juli 1929 haar verkregen rechten overdroeg aan het Kerkbestuur en de stichting ontbond. De bisschop had ook reeds de zusters Penitenten-Recollectinen te Etten om exploitatie van de te stichten meisjesschool verzocht. Pastoor Rombouts verkreeg na een persoonlijk bezoek aan ’t Withof te Etten op 23 juli 1929 de schriftelijke bevestiging van mère Josephine dat de congregatie de zorg voor de nieuwe school te Stuivezand op zich wilde nemen. Nadien zijn een aantal punten overeengekomen betreffende de bouw en de eigendom van de gebouwen en de te ontvangen overheidsvergoedingen voor het onderwijs. Op 16 oktober 1929 willigde de raad het verzoek in om medewerking te verlenen aan de bouw van een jongens- en meisjesschool. Het Kerkbestuur verstrekte de architecten van de kerk opdracht een jongensschool te ontwerpen op een door Th. Van Lange gratis ter beschikking gesteld terrein. De aanbesteding van de vierklassige jongensschool vond plaats op 15 mei en de bouw ving aan op 2 juni 1930. De Zusters van ’t Withof te Etten lieten de bouw van een vierklassige meisjesschool op 13 mei 1930 aanbesteden. De bouw van het klooster met twee bewaarschoollokalen en een lokaal voor naai- en knipschool werd onderhands gegund aan de aannemers van de kerk. De nieuwe jongensschool werd 3 november 1930 in gebruik genomen. De zusters ondervonden wat moeilijkheden door het faillissement van de aannemer, doch aan het eind van het jaar op 29 december deden zij haar intrede in het nieuwe klooster. Zij startten het onderwijs in de meisjes- en bewaarschool op 8 januari 1931. De plechtige inzegening van beide scholen geschiedde op 9 februari 1931. Verdere lotgevallen. Ter gelegenheid van het koperen priesterfeest van hun pastoor op 14 december 1931 werd een nieuw torenuurwerk aangeboden. Dit kwam tot stand door aan de goede gaven van de parochianen een eerdere schenking voor een angelus-luidapparaat met toestemming van die schenker toe te voegen. Ook hier betekende de Tweede Wereldoorlog een verdwijning van de klokken, die op 9 februari 1943 werden weggehaald. Een lichtpuntje in deze moeilijke dagen vormde een dubbel feest n.l. het koperen pastoraat van Pastoor Rombouts en tevens het koperen bestaan van de parochie, die op 2 mei gevierd werden. De meistaking van dat jaar liet slechts toe dat het feest in de kerk gevierd kon worden. Bij die gelegenheid verkreeg de pastoor de gelden, die hij bestemde voor een marmeren Maria-altaar met beeld. Het Mariabeeld vervaardigt door de beeldhouwer Jac. Sprenkels uit Hillegersberg kon pas in februari 1946 geplaatst worden. De pastoor had bij de herdenking van zijn zilveren priesterfeest in juni 1944 van vele zijden gelden tot verfraaiing van het kerkinterieur ten geschenke ontvangen, doch kon die niet besteden omdat er niets te koop was. De bevrijding van Stuivezand bracht veel leed in de parochie. De geallieerden hadden de Duitsers op 30 oktober 1944 al teruggedrongen tot over het Markkanaal, doch het duurde nog tot 4 november eer zij ook uit Stuivezand verdreven waren. De zware gevechten veroorzaakten dat de parochie 9 slachtoffers telde, waaronder twee zusters. Ongeveer 60 boerderijen en arbeiderswoningen waren vernield of zwaar beschadigd. Ook de kerktoren en de scholen hadden schade geleden. In de jongensschool kon het onderwijs pas na de paasvakantie in 1946 hervat worden. Van de geroofde klokken kwam het angelusklokje, dat in 1930 door de fa. Eijsbouts geleverd was, in mei 1945 terug. Een nieuwe klok geleverd door de firma Eijsbouts Lips te Asten werd op 10 september 1950 gewijd en de dag erna in de toren gehangen. Met het oog op het zilveren parochiefeest vormde zich reeds in 1952 een comité om gelden bijeen te garen voor een orgel. Het orgel vervaardigd door de firma B. Pels en Zoon te Alkmaar werd 8 oktober 1955 ingewijd. Er was in dat jaar veel te vieren, want niet alleen bestond de parochie 25 jaar, maar ook de pastoor, twee kerkmeesters, een armmeester, het hoofd van de jongsschool, een onderwijzer en een lid van het kerkkoor vierden hun zilveren jubileum. Bovendien waren ook de scholen even oud en herdachten ook de zusters het 25 jarig bestaan van het Stuivezandse Elisabethgesticht. Terstond nadat de parochie van de H. Bernardus tot het Bisdom Breda was gaan behoren stelden een aantal parochianen, die dichtbij de Blasiuskerk woonden, pogingen in het werk de parochiegrenzen te laten wijzigen. Zij hadden succes, want op 16 mei 1957 stelde de bisschop een nieuwe grens vast, waardoor 346 parochianen van de H. Bernardus aan de H. Blasius werden toegevoegd. Bij de viering van het veertigjarig priesterschap van pastoor Rombouts op 14 juni 1959 bood de parochie hem een geluidsinstallatie voor de kerk aan. Deze eerste pastoor ging in 1965 met emiraat. Hij nam zijn intrek in het nieuwgebouwde bejaardencentrum “De Wijngaerd”, waar hij de geestelijke verzorging van de bejaarden op zich nam. De zorg voor het onderwijs in deze parochie is in 1970 ook overgedragen aan de Stichting R.K. schoolbestuur te Made. De nieuwe pastoor de Graauw kreeg te maken met een sterke stijging van het aantal gezinnen in zijn parochie, omdat het gemeentebestuur van Made de woningbouw in Stuivezand en de Ligne concentreerde. Ook maakte hij na het tweede Vaticaans Concilie de snelle veranderingen in de katholieke kerk mee. Hij verkreeg om gezondheidsredenen per 1 februari 1975 zijn ontslag. Zijn kapelaan Oomen nam drie weken later afscheid, omdat hij het wenselijk achtte zijn plaats af te staan aan het nieuwe pastorale team van drie geestelijken, dat voor de gezamenlijke parochies van de H. Bernardus en H. Blasius zou gaan werken. Aan dit team werd pastoor Maas speciaal voor de zielzorg in de H. Blasius parochie toegevoegd. Het gehele pastorale team vond huisvesting in de pastorie van de H. Bernardusparochie, zodat de pastorie met tuin aan de Zuideindsestraat verkocht kon worden. Koper werd het waterschap De Ham, dat eind 1975 de voormalige pastorie als kantoor in gebruik nam. Uit de opbrengst van de verkoop konden in 1975 de nodige reparaties aan de kerk en toren bekostigd worden. Door de verbouwing van een gedeelte tussen de kerk en pastorie ontstond een lokaal voor vergaderingen en koorrepetities, dat tevens als dagkerk kon fungeren. Het tijdens de weekdagen sterk teruglopend kerkbezoek maakte dit ter besparing van verwarmings- en verlichtingskosten noodzakelijk. In 1979 is het interieur van de kerk op ingrijpende wijze aangepast aan de liturgieviering. Het gouden feest van de parochie is nog op grootse wijze in 1980 herdacht.
Het geslacht Mackay (van Ophemert). Evenals andere vorsten van hun tijd hoopten in de vroege Middeleeuwen ook de koningen van Schotland hun macht te verstevigen door het leenstelsel in te voeren. In de Hooglanden echter hadden de pogingen, die in die richting ondernomen werden, een averechtse uitwerking, daar de bevolking zeer gehecht bleek aan de traditionele, van oorsprong keltische, gezagsverhoudingen. Tot dusver had men zelf zijn stamhoofden gekozen en was de grond het eigendom van de stamgemeenschappen geweest. Door de feodalisering werden deze stamverbanden verbroken en heersers van buitenaf opgedrongen. Uit reactie daartegen groepeerde men zich nu in kleinere aantallen om vertrouwde inheemse aanzienlijken. Zo ontstond de samenlevingsvorm, die kenmerkend voor die streken zou worden: de "clan". Wat zulke clans bijeenhield, was een sterk gevoel van onderlinge solidariteit en vooral ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van allen aan de "chief". Deze werd door de clangenoten erkend als wetgever en opperste rechter, hief belastingen en verdeelde de terreinen, benodigd voor het levensonderhoud. Hij werd, in overeenstemming met het oude keltische gebruik, aangewezen door verkiezing, weliswaar in de praktijk steeds uit het geslacht van zijn voorganger, dus in feite toch wel door erfopvolging. Door de trouw van hun aanhang waren de clanhoofden vaak nagenoeg onafhankelijk van de koning. In later tijd ging men de verbondenheid met de chief ook tot uitdrukking brengen door de clan als geheel naar zijn geslacht te noemen. In het verzet tegen de pogingen van de schotse koningen om het gezag te centraliseren weerde zich met name de clan Morgan, aangevoerd door leden van het grafelijk huis van Moray, een prominent geslacht, verwant aan de koninklijke dynastie. Omstreeks 1160 werd deze clan tengevolge van een nederlaag in die strijd van het zuiden van het land verdreven naar het aan de zee grenzende Strathnaver, in het uiterste noordwesten, waar ze sedertdien gevestigd is gebleven. Chief was in de eerste helft van de dertiende eeuw Iye MacEth; naar hem en zijn nakomelingen heet de clan sedert het begin van de veertiende eeuw Mackay of Strathnaver. "Mackay" is de engelse vorm van de naam, die in het gaelic "Mac Aoidh" luidde, en "Mac Eth"is een van de oudere schotse varianten daarvan. Het is niet de bedoeling in deze inleiding een volledig overzicht van de geschiedenis van het geslacht Mackay te geven, maar slechts om de inventaris van het archief van Ophemert toe te lichten. Daarom is het hier niet nodig de verdere lotgevallen van de Mackays gedurende de Middeleeuwen gedetailleerd te beschrijven. We volstaan met te vermelden, dat zij hun goederenbezit zowel in Strathnaver als in de aangrenzende gebieden Sutherland en Caithness aanmerkelijk wisten uit te breiden, zodat dit omstreeks 1500 ongeveer 2500 km2 bedroeg. Dat bezit bleef overigens niet onbedreigd; toen en later zijn er ook grote verliezen geleden, merendeels tengevolge van strijd met rivaliserende geslachten. Na 1600 verminderde gaandeweg de maatschappelijke en politieke betekenis van het clanverband om in de achttiende eeuw vrijwel geheel te niet te gaan. Voortaan traden de Mackays meer als afzonderlijke individuen naar voren. Lye Du Mackay († 1572) ging over tot het calvinisme; zijn nazaten zijn deze confessie tot in onze tijd toe over het algemeen trouw gebleven. Zijn kleinzoon Donald Mackay (1590-1649) onderscheidde zich als een dapper en bekwaam militair. Hij bood tijdens de Dertigjarige Oorlog aan om Christiaan IV van Denemarken, die de "Winterkoning" van Bohemen steunde tegen de duitse Keizer, te helpen met een eigen regiment. Aan het hoofd van 3600 Schotten vocht hij onder de graaf van Mansfeld in Noord-Duitsland. Ter beloning van de daarbij bewezen diensten verhief koning Karel I hem op 20 juni 1628 tot peer van Schotland met de erfelijke titel van baron Reay of Reay. Het lijkt ietwat verwonderlijk, dat hij niet lord Strathnaver werd, maar die titel was al vergeven en wel in 1588 aan de toenmalige graaf van Sutherland, lord Gordon. De baronie van Reay was krachtens een koninklijke oorkonde van 19 januari 1862 gevormd uit een achttal landgoederen, deels in Strathnaver, deels in Caithness gelegen, die voordien hadden toebehoord aan lord Forbes en van deze waren aangekocht. De eerste lord Reay streed daarna nog onder Gustaaf Adolf in Pommeren; hij had in het bizonder een belangrijk aandeel in de verovering van Kolberg, ten oosten van Stettin. Op het einde van zijn leven werd hij betrokken in de britse burgeroorlog, waarin hij, ondanks zijn protestant-zijn, de zijde van de koning koos. Ook zijn zoon John Mackay (1612-1680), de tweede lord Reay, keerde zich tegen Cromwell en bleef deze nog lang na de onthoofding van Karel I bestrijden. Hij zat daardoor enige tijd gevangen en raakte een groot deel van zijn goederen kwijt. Zijn residentie, Tongue House, werd geheel verwoest. Onder Karel II werd hij weer in zijn macht en bezit hersteld. John Mackay trouwde tweemaal. Uit zijn tweede huwelijk, met zijn achternicht Barbara Mackay of Scoury, had hij o.a. drie zoons, van wie de oudste, Donald, de vader werd van George, derde lord Reay. Van de tweede, Aeneas, stamt de tak af, die nu nog in Nederland voortbestaat. Deze Aeneas ging op vijftienjarige leeftijd naar de Republiek om daar door zijn neef Hugh Mackay of Scoury - over wie nader in paragraaf II - te worden opgeleid tot officier. Sinds 1573 maakten schotse troepen deel uit van het leger van de Staten-Generaal en van 1628 tot 1782 waren hier te lande steeds drie regimenten, die tezamen bekend zijn gebleven als de schotse brigade. De hoofdofficieren van dat corps behoorden merendeels tot vooraanstaande schotse families. Velen trouwden met nederlandse vrouwen en werden zo in onze samenleving opgenomen, maar zij bewaarden daarbij toch wel de relaties met hun land van herkomst; zij bleven trouwens door een eed aan de koning van Groot-Brittannië verbonden. Het was niet ongewoon, dat uit één en dezelfde familie verscheidene officieren voor de brigade voortkwamen, soms generaties achtereen. Dit was ook bij de Mackays het geval. Aeneas werd op 28 november 1684 kapitein in het regiment, waarover zijn neef het bevel voerde. In 1688 riep Jacobus II uit vrees voor de plannen van zijn schoonzoon Willem III de brigade terug. De overgrote meerderheid van de officieren, waaronder Hugh en Aeneas Mackay, stond echter aan de kant van de prins van Oranje en weigerde aan de oproep gevolg te geven. Een bezoek, dat Aeneas in dat jaar aan zijn zuster in Schotland bracht, werd - te recht of ten onrechte - aanleiding om hem ervan te verdenken, dat hij een geheime opdracht van de stadhouder had; hij werd gevangen genomen en kon prins Willems invasie niet meemaken. Wel nam hij naderhand o.m. deel aan de veldslagen bij Killiecrankie (27 juli 1689), Cromdale (april 1690) en Athlone (2 juli 1691). Toen zijn neef gesneuveld was in augustus 1692 volgde hij hem op als commandant van zijn regiment. Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler is uit Tirol of Stiermarken afkomstig. Bij de verovering van Namen op 1 september 1695 werd Aeneas, die inmiddels tot brigadier-generaal was benoemd, zo ernstig gewond, dat hij zijn militaire loopbaan moest afbreken. Te Bath, waar hij herstel van gezondheid zocht, is hij in 1697 gestorven. Zijn weduwe bleef te Tiel wonen. Van hun drie kinderen trouwde Françoise Jacoba op 26 augustus 1727 met Jan Vijgh, heer van de Snor en de Appelenburg, raadsheer en later president van het Hof van Gelderland. Barbara overleed ongehuwd. De enige zoon, Daniël, vond zijn echtgenote, Arnolda Margaretha, in de Tielse regentenfamilie Van den Steen van Ommeren, waaraan hij al geparenteerd was. Ook hij werd officier in de schotse brigade. Hij bereikte de rang van kolonel en commandeerde als zodanig hetzelfde regiment, dat zijn vader en oudoom hadden gehad. Toen hij trouwde lag hij in garnizoen te 's-Hertogenbosch; in 1737 werd het regiment verplaatst naar Doornik en vandaar in 1741 naar Meenen. Zijn gezin voegde zich daar bij hem en heeft hem ook bij zijn verdere verhuizingen, naar Ath en Bergen, vergezeld. Hij sneuvelde in de Oostenrijkse Successieoorlog bij de verdediging van Doornik op 18 mei 1745. Na zijn dood keerde Arnolda Margaretha terug naar Tiel. Er waren uit haar huwelijk acht kinderen geboren, waarvan echter Arend Jacob, Geertruida Cornelia, Jacoba en Jan op jeugdige leeftijd stierven. Margaretha (1733-1815) - de enige, die tussen de omzwervingen van haar ouders door in Tiel was geboren - werd de vrouw van Friedrich Otto, Freiherr von Dörnberg-Heiden, die uit Wezel afkomstig was, maar de havezate Terborg bij Eelde kocht, in de ridderschap van Drenthe werd beschreven en zelfs lid van het hoogste rechtcollege in dat gewest, de Etstoel werd. Waarom hun nakomelingen, ofschoon zij in het Koninkrijk der Nederlanden recht zouden hebben gehad op de titel van baron, geen verzoek tot inlijving in de nederlandse adel hebben gedaan, is onbekend. De oudste zoon van Daniël en Arnolda Margaretha Mackay heette weer Aeneas. Hij heeft tot 1780 in Tiel gewoond. Aeneas zowel als zijn zoon Daniël en Frans, en ook zijn broer Daniël, zetten de traditie van dienst bij de schotse brigade voort, maar als laatsten, want juist in hun tijd kwam er een eind aan het bestaan van het corps. Onder de invloed van de aktie van de patriot Joan Derk van der Capellen ging een deel van de publieke opinie in de Republiek zich verzetten tegen het feit, dat de Staten-Generaal troepen in dienst hadden, die tevens in de eed van een vreemde vorst stonden. Dit werd acuut door het uitbreken van de vierde engelse oorlog en leidde er in 1782 toe, dat de schotse officieren voor de keus gesteld werden òf de loyaliteit aan de koning van Groot-Brittannië te verbreken òf ontslag te nemen. Aeneas diende in het regiment van zijn vader, dat na diens dood achtereenvolgens gecommandeerd werd door Alexander Marjoribanks (tot december 1773), Hugh Mackay (tot januari 1775) en John Houstoun. Toen de brigade werd ontbonden was hij sedert twee en een half jaar luitenant-kolonel. Met zijn zoons vertrok hij in 1783 naar Schotland, maar keerde na het sluiten van de vrede terug en vestigde zich in Nijmegen. Hij is nog tot kolonel bevorderd, heeft echter niet meer aktief als zodanig gediend en ook geen burgerlijke funkties van belang bekleed. Hij was trouwens een welgesteld man; de familie had sedert de vestiging in de Republiek een grote hoeveelheid landerijen in het kwartier van Nijmegen verworven. Het oude en al vroeg aanzienlijke geslacht, waaruit zijn echtgenote, Ursulina Philippina van Haeften stamde, zal in de volgende paragraaf uitvoerig ter sprake komen. Zijn broer Frans Mackay was ook officier, maar niet bij de schotse brigade. Hij vocht van 1793 tot januari 1795 tegen de Fransen. In de zomer van 1794 werd hij belast met het dekken van de aftocht van de troepen van de prins van Nassau-Weilburg uit Staats-Vlaanderen, nadat Moreau de vesting IJzendijke had veroverd. Al spoedig na de bezetting van de Republiek is hij uit het leger gegaan. Hij is vier jaar na de herkrijging van de onafhankelijkheid te Zutphen gestorven. Zijn vrouw was Maria Adelheid Elisabeth van Heeckeren tot Enghuizen. Zij hadden geen kinderen. De vijfde zoon van Daniël Mackay en Arnolda Margaretha van den Steen heette naar zijn vader. Hij werd in 1770 kapitein in het al genoemde regiment Marjoribanks en in 1780 majoor. Hij trouwde in 1772 Isabella Constantia de Geer, eerder weduwe van W.K.H. graaf van Quadt tot Wickradt, en overleed in 1782 te Jutphaas, vermoedelijk op Rijnhuizen, het huis van de familie De Geer. Uit zijn leven verdient vooral vermelding, dat hij bevriend was met de bekende Utrechtse hoogleraar Rijklof Michael van Goens, die van zich heeft doen spreken als bestrijder van de eerste patriottenbeweging. Daniël Mackay steunde Van Goens daarbij door het schrijven van pamfletten, waarvan de concepten voor een groot deel nog in het archief aanwezig zijn. De twee zoons van Daniël en Isabella Constantia hebben het grootste deel van hun leven in het buitenland doorgebracht en zijn ook beiden daar overleden: Daniël Alexander te San Domingo, Jean Louis te Doornik. Noch de een noch de ander heeft nakomelingen gehad. In Nederland zette Aeneas het geslacht voort. Uit zijn huwelijk met Ursulina Philippina van Haeften werden tien kinderen geboren, waarvan er drie kort na de geboorte stierven. Zoals al is aangestipt gingen twee zoons als officieren met hun vader in 1783 naar Schotland. Daniël, de oudste, bleef daar en stierf ongehuwd te Edinburgh in 1784. Frans, de derde zoon, keerde terug en overleed, eveneens ongehuwd in 1787. Margaretha Bartholda trouwde met Jan Willem van Imbyze van Batenburg, generaal-majoor der artillerie en groot-majoor van Oudewater, Theodora Anna Johanna Jacoba met Bernhardus Deodatus van Verschuer, kolonel der artillerie, en Arnolda Margaretha met haar neef Barthold de Cock van Haeften, heer van Blitterswijk en Wanssum, majoor der cavalerie bij de gardes. Cornelis Anne, Aeneas' vierde zoon, schijnt zich aanvankelijk ook voorgesteld te hebben een carrière bij het landleger te maken. In 1784 vinden we hem als kadet bij het regiment Houstoun. Merkwaardig genoeg, want, zoals we al gezien hebben, bestond de schotse brigade als afzonderlijk corps in feite toen al niet meer. Voor een aanhanger van de stadhouder lag het voor de hand naar de marine over te gaan. In 1799 werd de luitenant ter zee Mackay geplaatst op een vande schepen, waarvan de bemanning bij de Vlieter niet onder de patriotse admiraal Story had willen vechten, toen de Engelsen de vloot hadden opgeëist. In 1800 kreeg hij een aanstelling als kapitein-luitenant ter zee en bevel van Willem V vanuit Londen om in die kwaliteit te dienen op het schip Ambassade. In 1814 is hij uit de zeedienst gegaan; vervolgens was hij onder meer kantonrechter en wethouder te Zutphen en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Jacoba Alexandrina Helena Beata van Heeckeren en, na haar overlijden, met Sophia Constantia van der Muelen. In 1841 is hij kinderloos gestorven. De jongste uit het gezin van Aeneas en Ursulina Philippina was Barthold Johan Christiaan Mackay. Ook hij is in zijn jeugd zeeofficier geweest, maar heeft de marine al in 1795 vaarwel gezegd. De burgerlijke funkties, die hij daarna bekleed heeft, zijn vele, evenals de kerkelijke. In de bataafs-franse tijd woonde hij te Nijmegen, maar omdat hij land bezat te Bergharen had hij o.a. ook bemoeienis met het waterschapsbestuur van Maas en Waal. Behalve voor deze ambtelijke werkzaamheden vond hij nog tijd voor het drijven van een zeepziederij in compagnieschap met zijn achterneef D.R J. van Lynden, en bovendien voor het beheren van particuliere vermogens en nalatenschappen, wat hij deed in samenwerking met W.B. de Salve de Bruneton. Na in 1814 deel te hebben uitgemaakt van het provisioneel bestuur der stad Nijmegen en van het college van notabelen, dat zich moest uitspreken over de grondwet van dat jaar, werd Barthold Mackay in 1815 kassier-generaal der posterijen, en, toen die funktie werd opgeheven, in 1820 directeur van het postkantoor te Rotterdam. Hij is in die stad ook lange tijd lid van de raad en voorts lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland geweest. Van zijn talrijke nevenbetrekkingen noem ik hier alleen zijn lidmaatschap van de staatscommissie voor het dijkwezen.Ook aan kerkelijke bestuurszaken is hij zich blijven wijden. In het bizonder had de zending zijn belangstelling. Barthold huwde in 1802 Anna Magdalena Frederica Henriëtte van Renesse van Wilp. Zij kregen twee kinderen: Aeneas en Johan François Hendrik Jacob Ernestus, die beide te Nijmegen werden geboren. Hun moeder is in 1839 overleden, hun vader in 1954, hij op het kasteel Ophemert in de Tielerwaard, dat zijn nicht Margaretha Anna van Haeften hem in 1844 had gelegateerd. Op grond van het feit, dat zij van britse peers afstamden, hebben Cornelis Anne en Barthold verzocht om inlijving in de nederlandse adel. De Hoge Raad van Adel maakte daar bezwaar tegen, onder meer uit de overweging, dat in Groot-Brittannië geen wederkerigheid voor nederlandse edellieden verwacht mocht worden. Zij werden dus niet ingelijfd, maar verheven, en wel met het praedicaat jonkheer, hoewel zij in de kringen waarin zij zich bewogen in de praktijk als baron werden aangesproken. Bij Koninklijk Besluit van 4 juni 1822 nr. 73 verkregen zij die titel alsnog met recht van overgang bij eerstgeboorte. Bartholds oudste zoon, Aeneas baron Mackay van Ophemert, die evenals zijn vader aktief aan het openbare leven heeft deelgenomen, was een tijdgenoot van Thorbecke en Groen van Prinsterer. Hij was niet van het formaat van deze twee, maar heeft toch als staatsman wel iets meer betekend dan de gangbare litteratuur over onze negentiende eeuw doet vermoeden. Zijn loopbaan begon hij, na te Utrecht volbrachte studie in de rechten, als advocaat in Den Haag. Hij onderbrak zijn praktijk in 1831 om als tweede luitenant met de zuidhollandse schutterij uit te trekken tegen de Belgen. Belangrijker was, dat hij in 1835 werd verbonden aan het hof, eerst als kamerheer van de prins en de prinses van Oranje tezamen, en na de troonsbestijging van Willem II in dezelfde funktie bij koningin Anna Pawlowna alleen. Tot 1846 was hij kamerheer in gewone, sedertdien in buitengewone dienst. Daarnaast was hij van 1840 tot 1850 ambtenaar bij de Raad van State en vanaf 1843 gecommitteerde van de regering bij de Maatschappij van Weldadigheid. In 1843 ook werd hij beschreven in de ridderschap van Zuid-Holland; daardoor kreeg hij in 1846 zitting in de Provinciale Staten, en dat college koos hem in 1848 tot lid van de Tweede Kamer. Na de Kamerontbinding, die de consequentie was van de grote grondwetswijziging van dat jaar, werd Mackay weliswaar niet aanstonds herkozen. Gedurende de periode van 14 februari 1849-5 november 1850 bleef hij buiten de Kamer; hij nam toen zijn zetel in de Staten van Zuid-Holland weer in en werd daar al spoedig tot Gedeputeerde aangewezen. Maar na de invoering van de kieswet vaardigde Arnhem hem af en is hij voor dat district Kamerlid gebleven tot 1862. Hij behoorde tot de Réveilkring en vertegenwoordigde in de Kamer de antirevolutionaire richting. Hoewel het aantal van zijn "politieke vrienden" toen in het parlement niet heel groot was werd er toch meer rekening met deze groep gehouden dan men wellicht geneigd is te denken. In 1859 werd hij aangezocht voor het gouverneurschap van Suriname, wat hij om persoonlijke redenen afwees. Toen Thorbecke in 1862 de opdracht ontving om een kabinet te vormen overwoog hij aanvankelijk een samengaan van liberalen en antirevolutionairen. Mackay was daarbij de portefeuille van Financiën toegedacht. Dat plan is niet tot uitvoering gekomen, maar in hetzelfde jaar werd de Raad van State gereorganiseerd en Mackay op voordracht van Thorbecke tot vice-president benoemd. Hij heeft dit ambt vervuld tot zijn overlijden in 1876. Tweemaal kort achtereen is hij nog, zonder succes overigens, kabinetsformateur geweest, n.l, tijdens de crisis van 1868 na de val van het ministerie Heemskerk-Van Zuylen. Het vertrouwen, dat hij bij het Koninklijk Huis genoot, maakte hem bij uitstek geschikt om betrokken te worden bij de afwikkeling van de nalatenschappen van koning Willem II en diens gemalin. Zeer in het bizonder werd hij gewaardeerd door prinses Sophie, die hij ook nadat zij groothertogin van Saksen Weimar geworden was meermalen van advies diende. Niet alleen in de politieke strijd getuigde Mackay van zijn beginselen, maar ook op andere gebieden. Zowel charitatief als theologisch-polemisch en organisatorisch is hij werkzaam geweest. Zijn zorgvuldig bijgehouden dagboeken en zijn omvangrijke correspondentie met A.J. van Beeck Calkoen, J.J.L. van der Brugghen, de Capadoses, A.W. Bronsveld, O.G. Heldring H.C. Voorhoeve en vele anderen geven daar overvloedig blijk van. Met Groen van Prinsterer en P. Elout van Soeterwoude onderhield hij een intensief contact. Zij, die vóór Barthold Mackay het huis Ophemert hadden bezeten, hadden daarbij ook steeds de dagelijkse heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen gehad. Dat de heerlijke rechten afgeschaft waren zelfs al voordat zijn vader het huis erfde heeft Aeneas er niet van weerhouden zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken in de beide dorpen. Uiteraard moest hij wonen in Den Haag, maar hij was gewoon een groot deel van zijn niet-ambtelijke tijd op het kasteel door te brengen en leefde ook wanneer hij niet persoonlijk in hun midden kon zijn voortdurend met de dorpsbewoners mee. Het spreekt wel vanzelf, dat ook hierbij de kerkelijke aangelegenheden zijn speciale aandacht hadden. Aeneas trouwde met Maria C.A.J. Fagel, een dochter van de diplomaat Jacob Fagel. Zij hebben tot tweemaal toe een kind op jeugdige leeftijd moeten missen. Hun eerste, Anna Agneta, stierf vier maanden na de geboorte, hun derde, Johan Jacob als zeventienjarige, juist aan het begin van zijn opleiding op Willemsoord. Het moet voor de ouders een grote troost zijn geweest, dat de enige overgeblevene van de drie zich ontwikkelde tot een briljante persoonlijkheid, die in bekwaamheid voor zijn vader niet onderdeed en hem in veelzijdigheid zelfs overtrof. Donald Jacob Mackay studeerde niet als zijn vader te Utrecht, maar te Leiden. Hij promoveerde bij prof. I.E. Goudsmit in de rechten op een proefschrift over het bestuur van Daendels op Java. Enige tijd was hij attaché bij het nederlandse gezantschap te Londen en daarna kommies aan het departement van Koloniën. Daartussendoor maakte hij in 1866 een reis door de Verenigde Staten. Al vroeg heeft hij grote belangstelling getoond voor sociaal-economische vraagstukken. Hij werd een aktief en op de voorgrond tredend lid van de Vereniging ter bevordering van Fabrieksnijverheid in Nederland en heeft zich o.a. veel moeite gegeven voor het organiseren van de internationale nijverheidstentoonstelling, die in 1869 te Amsterdam werd gehouden. Na tijdens de frans-duitse oorlog het Nederlandse Rode Kruis in Zwitserland vertegenwoordigd te hebben ging hij in de politiek. Deze Mackay schaarde zich onder de liberalen, wat niet wil zeggen, dat hij voor het overige de protestants-christelijke traditie van zijn geslacht ontrouw werd. Zij die hem gekend hebben verzekeren, dat hij zijn leven lang een strenggelovig man gebleven is. Maar bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1871 stelde hij zich kandidaat tegenover een antirevolutionair. Mackay werd gekozen en bleef lid van ons parlement tot 21 maart 1877. Hij heeft zich daar vooral met koloniale, sociale en onderwijszaken bezig gehouden. Men kan hem, in de verhoudingen van die tijd, min of meer "links" noemen. Zo pleitte hij voor erkenning van het stakingsrecht en was hij ook de man, die, naar het getuigenis van Van Houten zelf, het eigenlijke initiatief tot de wet op de kinderarbeid heeft genomen. In 1875 overleed Eric Mackay, negende lord Reay, zonder nakomelingen. Zijn titel ging daardoor over op Aeneas Mackay, die hem echter maar korte tijd heeft gedragen en er ook niet toe gekomen is tot "chief of the clan" te worden uitgeroepen. Door de dood van zijn vader in het jaar daarop werd Donald Jacob de elfde lord Reay. Al eerder had hij in Groot-Brittannië de oude familiebanden hernieuwd en daar ook verscheidene andere relaties aangeknoopt. In 1877 trouwde hij meteen engelse - Francis Hasler, weduwe van A. Mitchell - en liet hij zich bovendien zelf naturaliseren tot brits onderdaan. Aan zijn leiderschap van de clan Mackay gaf hij enige tijd daarna een nieuwe inhoud door de Clan Mackay Society op te richten. Dit genootschap bedoelt leden van de clan financieel te steunen en datgene wat voor de clan van historische waarde is in één verzameling bijeen te brengen. Zijn vertrek uit Nederland hield niet in, dat Reay zijn politieke ambities opgaf. Hij koos, zoals trouwens geheel in zijn lijn lag, de partij van William E. Gladstone. Toen deze in 1880 voor de tweede maal premier was geworden zorgde hij ervoor, dat Reay benoemd werd tot peer van het Verenigd Koninkrijk, zodat hij de liberale groep in het Hogerhuis kon versterken. De titel, die hij geërfd had, gaf hem slechts recht op een peerschap in Schotland; daarom ontving hij nu die van baron Reay of Durness erbij. Zijn taak als lid van het Hogerhuis heeft hij consciëntieus vervuld, maar meer bekendheid heeft hij toch verworven, doordat hij van 1885 tot 1890 het district Bombay bestuurde. Hij heeft die opdracht opgevat in de zin, die Kipling bedoelde toen hij van "the white mans burden" sprak. Om het welzijn van de inheemse bevolking te bevorderen zocht hij samenwerking met de plaatselijke vorsten. Vooral voor het algemeen lager en technisch onderwijs heeft hij veel gedaan. In het laatste ministerie-Gladstone (1894-1895) was hij undersecretary of State voor India en heeft zich toen met name voor de aanleg van spoorwegen geinteresseerd. Na zijn terugkeer uit India aanvaardde hij het voorzitterschap van de Royal Asiatic Society. Tot 1916, toen hij als gevolg van een ongeval invalide werd, heeft lord Reay aan de zittingen van het Hogerhuis deelgenomen. Na 1895 evenwel heeft hij als politicus in eigenlijke zin niet meer van zich doen horen. Wel is hij aktief gebleven op andere terreinen. Zo heeft hij belangrijk werk verricht als lid van de Council of University te Londen, waar hij de studie van de oosterse talen invoerde, als rector van de universiteit van St. Andrews en als voorzitter van de London School Board. Hij werkte mee aan de stichting van de British Academy, het instituut, dat aan de beoefening van de historische en filosofische wetenschappen werd gewijd als complement van de reeds lang bestaande Royal Society, die zich uitsluitend met de natuurwetenschappen bezig houdt. Hij was gedurende twee bestuursperioden voorzitter van deze Academy. Naast de koloniale en educatieve problemen gingen ook die van het internationale recht hem zeer ter harte. Het institut de Droit International telde hem onder zijn ijverigste leden en in 1907 maakte hij deel uit van de britse delegatie naar de Vredesconferentie in Den Haag. Zijn leven lang heeft Mackay vele connecties in zijn oude vaderland in stand gehouden. Bevriend was hij o.a. met W.H. de Beaufort, W.K. van Dedem, J. Kappeyne van de Coppello, A.E.I. Modderman en Victor de Stuers. Zijn briefwisseling is een rijke bron voor de kennis van het laat-negentiende-eeuwse liberalisme ook in ons land. Donalds huwelijk bleef kinderloos. Dientengevolge kwamen bij zijn overlijden in 1921 èn de titel van lord Reay èn het huis Ophemert aan zijn achterneef Eric Mackay, een kleinzoon van Johan F.H.J.E. Mackay, de jongere broer van zijn vader. Jan Mackay is minder op de voorgrond getreden dan Aeneas, maar heeft toch ook een eervolle carrière gemaakt. Hij was achtereenvolgens burgemeester van de gemeente Wisch (Terborg), vrederechter en kantonrechter te Nijmegen en lid van de Provinciale en Gedeputeerde Staten van Gelderland. Uit zijn huwelijk met Margaretha Clara Françoise van Lynden had hij zeven kinderen, van wie hier in het bizonder Aeneas (1838-1909) vermeld dient te worden, omdat Eric op het kasteel ook stukken van zijn vader heeft bewaard, hoewel deze zelf daar nooit heeft gewoond. In tegenstelling tot zijn neef Donald - met wie hij overigens op zeer goede voet stond en wiens belangen in Nederland hij behartigde - was Aeneas weer antirevolutionair georiënteerd. In onze parlementaire geschiedenis heeft hij een niet onbelangrijke rol gespeeld, vooral in de strijd om de school en het kiesrecht. Hij was van 1875 tot 1905 lid van de Tweede Kamer en gedurende de zitting 1884-1885 en van 1901 tot 1905 zelfs - als eerste antirevolutionair - voorzitter daarvan. Met De Savornin Lohman, Schaepman en anderen bestreed hij in 1886 Heemskerks ontwerpen van grondwetsherziening, wat het ministerie ertoe bracht zijn ontslag aan te bieden. Mackay werd nu tot formateur aangewezen, maar weigerde, omdat hem de voorwaarde werd gesteld, dat de door de vorige regering gedane voorstellen niet zouden worden ingetrokken. Toen in 1888 de nieuwe grondwet tot stand was gekomen leverden de eerstvolgende verkiezingen een duidelijke overwinning voor de confessionele partijen op en verwachtte men, dat dr. Abraham Kuyper met de vorming van het kabinet zou worden belast. In plaats daarvan ontving Mackay de opdracht, hij stelde een ministerie samen, bestaande uit drie antirevolutionairen, twee katholieken en twee conservatieven. Zelf beheerde hij eerst de portefeuille van Binnenlandse Zaken en na het aftreden van Keuchenius in 1889 die van Koloniën. Het opmerkelijkste resultaat van zijn ministerschap is de wet op het lager onderwijs van 1889. Het kabinet-Mackay viel door de tegenstand, ook bij de coalitiegenoten, tegen de voorgenomen afschaffing van de plaatsvervanging bij de vervulling van de militaire dienstplicht. Al in de tijd van de formatie moet in de kiem de controverse zijn ontstaan tussen Kuyper en De Savornin Lohman, die tenslotte heeft geleid tot de splitsing in de antirevolutionairen en christelijk-historischen. Mackay heeft zich in dit conflict niet willen mengen, al was zijn sympathie wel aan de kant van Lohman. Van 1905 tot 1907 was hij nog lid van de Eerste Kamer en van 1907 tot zijn dood in 1909 lid van de Raad van State. Hij was gehuwd met Elisabeth Wilhelmina van Lynden Eric Mackay (1870-1921) was hun enige zoon. Hij is werkzaam geweest op de provinciale griffie van Gelderland en getrouwd met Maria B.J.Ch. van Dedem. Van hun vier kinderen zijn Maria Christina Elisabeth en Alexander Willem Rijnhard (laatstgenoemde thans onderdirecteur van de Nederlandse Bank) thans nog in leven. Aeneas Alexander, die zijn vader opvolgde als lord Reay en eigenaar van het huis Ophemert, begon als reserve-luitenant bij het corps rijdende artillerie te Arnhem, maar is in 1938 Brit geworden, nadat hij in 1936 gehuwd was met Charlotte Mary Younger. Hij heeft gewerkt op het Foreign Office en heeft voorts vanaf 1955 als "representative peer" voor Schotland zitting gehad in het Hogerhuis. De belangstellenden in de oudheidkunde heeft hij aan zich verplicht door zorg te dragen, dat het kasteel Ophemert en de daar bijeengebrachte verzameling familieportretten werden gerestaureerd. Op 13 maart 1963 is hij overleden te Nairobi in Kenya. Van zijn zoon Hugh William Mackay, de tegenwoordige lord Reay, bevinden zich geen stukken in het archief, voorzover dit op het Algemeen Rijksarchief berust. II. Aanverwante geslachten. Doordat de Mackays van Ophemert tenslotte naar hun stamland terugkeerden kwam ook het archief van de in Schotland gebleven hoofdtak in hun bezit. Een klein gedeelte van deze "Reay papers" werd vermengd met de stukken, die op het huis Ophemert aanwezig waren. Daarom volgen nu allereerst nog enkele mededelingen over de personen, van wie deze afgedwaalde archivalia afkomstig zijn. George Mackay, derde lord Reay, geboren in 1678, heeft enige tijd in Nederland vertoefd en wel bij zijn oom Aeneas. Hij is te Zaltbommel in 1702 in het huwelijk getreden met Margareta Mackay of Scoury. Zijn sterfjaar is niet bekend. Eric Mackay, zevende lord Reay (1773-1847) is ongehuwd overleden. Hij had twee broers, Alexander en Donald Hugh Mackay, en een zuster Anne Mackay. Eric heeft het "Reay estate" in 1829 moeten verkopen aan de markies van Stafford; het bracht £ 300.000.- op. Alexander erfde slechts de titel. Hij was militair - onder andere barrackmaster op Malta - en is getrouwd met Marion, dochter van kolonel Gall. Van hun twee zoons stierf George Alexander zeer jong en volgde Eric (1813-1875) hem op als negende lord Reay. Ook waren er nog zes dochters, t.w. Anne Marion Erskine, Sophia, Mary, Clara, Elisabeth Granville en Charlotte. Sophia trouwde met Charles Arthur Aylmer en Charlotte met John Drewer. Eric was aanvankelijk evenals zijn vader officier maar is naderhand zakenman geworden. Hiervoor is al vermeld, dat hij geen kinderen had en dat daardoor de titel aan Aeneas Mackay van Ophemert is gekomen. Bij de levensschets van de eerste nederlandse Mackay is terloops gesproken over zijn neef Hugh Mackay of Scoury. De Scoury-Mackays stammen af van lye Du Mackay, de grootvader van de eerste lord Reay. Lye Du had n.l. twee zoons, waarvan de oudste, Donald, zich Mackay of Scoury, naar een dorp in Strathnaver, is gaan noemen. Hugh Mackay of Scoury is een kleinzoon van deze Donald. Hij behoorde tot het regiment Dumbarton, dat Karel II aan Lodewijk XIV had uitgeleend, en was in het rampjaar 1672 bij het leger, dat de Betuwe binnenviel. Zijn inkwartiering bij Margareta de Bie, de weduwe van Arent de Bie, die burgemeester van Zaltbommel geweest was, leidde tot een huwelijk met Clara de Bie, haar dochter. Hugh Mackay nam nu ontslag uit hef franse leger en trad in de schotse brigade in de rang van kapitein (1673). In 1680 werd hij kolonel en weldra commandant van de gehele brigade. Van 1685 tot 1686 diende het corps tijdelijk in Groot-Brittannië; Hugh Mackay werd in die tijd bevorderd tot generaal-majoor en tevens benoemd tot "privy counsellor" van de koning in Schotland. Hoewel hij dus blijkbaar in aanzien stond bij Jacobus II werd hij desniettemin al spoedig een medestander van Willem III en zelfs een van diens voornaamste vertrouwelingen bij de voorbereidingen tot de "glorious revolution". Al voordat deze plaats vond was hij bevriend geraakt met John Churchill, de latere hertog van Marlborough; ook genoot hij de bizondere achting van bisschop Burnet. In de veldtochten van de koning-stadhouder, die hij voor het merendeel meemaakte, deed hij zich kennen als een zeer bekwaam hoofdofficier; zijn sneuvelen bij Steenkerken in 1692 werd dan ook ervaren als een gevoelig verlies. Hugh Mackay of Scoury had een zoon en een dochter. Hugh jr. werd eveneens officier; hij is overigens slechts achtentwintig jaar oud geworden. Anna Barbara huwde met de predikant Albertus Royaards. De zoon van Hugh jr., die weer dezelfde voornaam had, werd in 1745 luitenant-kolonel en in 1772 bevelhebber, met de rang van luitenant-generaal, van het regiment, dat Daniël Mackay indertijd gecommandeerd had. Met hem stierf in 1775 in Nederland het geslacht Mackay of Scoury uit. Niet over alle aan de Mackays verwante geslachten, die sporen in het archief-Ophemert hebben achtergelaten, behoeft hier te worden uitgeweid. Van de geslachten Puchler, Vijgh, Van der Steen, De Geer, Van Imbyze van Batenburg, Van Verschuer en Fagel en Van Lynden zijn er maar weinig stukken, die bovendien wel voor zichzelf spreken. Daarentegen is er vrij veel bewaard van de Van Haeftens en de Van Renesses, met daarbij nog heel wat van families, welke weer aan deze geparenteerd zijn. De tak van het geslacht Van Haeften waarmee we hier te maken hebben begint met Allard van Haeften, in de eerste helft van de veertiende eeuw. Mogen we aannemen, dat deze Allard de tweede zoon was van Johan de Cock van Waardenburg en Geertruid van Arkel, wier nakomelingen zich noemden naar de heerlijkheid Haaften, die Geertruid in haar huwelijk had ingebracht, dan gaat het geslacht terug op Rudolf de Cock of Cock, die in 1265 van graaf Otto II van Gelre vergunning kreeg om te Hiern in de Tielerwaard het kasteel Waardenburg te bouwen. Deze Rudolf werd de stamvader van een hele groep betuwse families (o.a. De Cock van Opijnen, De Cock van Neerijnen en De Cock van Delwijnen), die alle het wapen van de heren van Blois de Châtillonsur-Marne hebben gevoerd en dus, als is dit nog steeds niet volkomen bewezen, wel van deze franse dynasten zullen afstammen. De naam De Cock duidt mogelijk op de kwaliteit van ministerialis, d.w.z. van een oorspronkelijk onvrije dienstman. Dr. J.M. van Winter heeft de aandacht gevestigd op het feit, dat verscheidene ministerialen van de duitse keizer en van de aartsbisschop van Keulen bij de overdracht van de gebieden, waar zij gevestigd waren, in dienst van de graaf van Gelre zijn getreden en dat zij, vanwege de hogere rang van hun vroegere heer, terstond hetzelfde aanzien als de vrije edelen van het graafschap genoten. Dit zou ook voor Rudolf van Waardenburg hebben gegolden. Van Allard van Haeften, zijn zoon Otto (geboren omstreeks 1340) en zijn kleinzoon Allard (vermeld tussen 1424 en 1433) valt niet meer mee te delen dan dat zij goederen en rechten in de Tielerwaard hebben bezeten. De heerlijkheid Haaften zelf hebben zij nooit gehad; die behoorde aan de hoofdtak en kwam in de zestiende eeuw aan het geslacht Brederode. De achterkleinzoon van de eerste Allard, Otto van Haeften, verwierf in 1444 "de oude hoftad" te Herwijnen, ook genoemd Wayenstein, en verder nog, door zijn huwelijk met Jutta Pieck, de heerlijkheid Gameren. Zijn zoon Allard van Haeften erfde deze beide lenen; hij huwde met Aleid van Waardenburg. Op hen volgde Derk van Haeften, vanaf 1495 eveneens heer van Gameren en bezitter van het huis Wayenstein. Derk was de eerste van zijn familie die de funktie van ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard bekleedde. In Gelderland werd de rechtspraak namens het centrale gezag tot 1795 uitgeoefend door funktionarissen, die op de Veluwe en in het graafschap Zutphen drosten en in de streek van de grote rivieren ambtlieden heetten. Er waren ambtlieden van Maas en Waal, van Over- en Nederbetuwe en van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. De drie laatstgenoemde gebieden waren al vroeg tot één ambt samengegroeid. De ambtman hield er als rechter zitting te Zaltbommel, Tuil, Deil, Driel en Zuilichem. Oorspronkelijk werd hij daarin bijgestaan door burengerechten, maar al vóór 1327 door schepenbanken, hij kon zich doen vervangen door aan hem ondergeschikte richters. Verder vergaderde hij als vertegenwoordiger van de landsheer (later van de Staten) met de ridderschap van het ambt over bestuurszaken en was zijn funktie doorgaans gecombineerd met die van dijkgraaf. In de praktijk was de ambtmannie soms geruime tijd erfelijk in één familie. Zo zijn van 1421 tot 1494 continu leden van het geslacht Pieck ambtman geweest; na Derk van Haeften hebben wij nog verscheidene van zijn nakomelingen deze funktie vervuld. Derk voegde aan zijn bezit in 1525 nog het huis te Vuren toe; hij trouwde met Agnes van Broeckhuysen, eerder weduwe van Johan, heer van Voorst en Keppel, en overleed in 1538. Frederik van Haeften, zijn kleinzoon, verkreeg op zeer jeugdige leeftijd door koop in 1552 het huis Ophemert en de heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen; hij stierf echter reeds in 1558, en wel nog tijdens het leven van zijn vader Allard van Haeften, die toen daarmee werd beleend. Deze Allard verkocht in hetzelfde jaar Wayenstein. Hij had behalve de genoemde Frederik uit zijn huwelijk met Cunegonda van Keppel nog twee zoons, waarvan de oudste, Dirk van Haeften, Gameren en Herwijnen, en de jongste, Reinier, Ophemert erfde. Wat er na Allards overlijden in 1564 met het huis Vuren gebeurde blijkt niet duidelijk uit de leenregisters; in ieder geval behoorde het in 1735 niet meer aan de Van Haeftens. Welk lid van deze tak van het geslacht Van Haeften als eerste tot de hervormde godsdienst is overgegaan heb ik niet kunnen vaststellen. Te beginnen met Allard zijn ze, met slechts een enkele uitzondering, steeds beschreven in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen en daardoor was althans vanaf 1621 het lidmaatschap van de publieke kerk vereist. Reinier van Haeften, die in 1565 met Ophemert en Zennewijnen werd beleend, was schepen van de bank van Tuil; hij stierf in 1604. Hij heeft nooit gecompareerd op de landdagen van zijn gewest, hoewel hij daarvoor als aanzienlijk lid van de ridderschap toch zeker wel in aanmerking zou zijn gekomen, als niet de Tieler- en Bommelerwaard na 1572 door Holland op de vijand waren veroverd en tot respectievelijk 1593 en 1602 onder het bestuur van die provincie waren gebleven. Reiniers zoon daarentegen, Johan van Haeften, geboren uit zijn huwelijk met Anna Pieck, woonde de kwartiers- en landschapsvergaderingen, althans vanaf 1620, regelmatig bij. Johan was derhalve van Ophemert ook heer van Wolfswaard, een adellijk huis op het gebied van de tegenwoordige gemeente Beesd, dat overigens na zijn dood weer in handen van anderen is geraakt. Hij trouwde met Henrica van Haeften, een dochter van Walraven van Haeften en Sandrina (Zander) Pieck. Hun zoon, die naar zijn grootvader van moederszijde Walraven werd genoemd, is slechts van 1653 tot zijn overlijden in 1657 heer van Ophemert geweest, Hij was kapitein in het Staatse leger en heeft aan het bestuur van het nijmeegse kwartier niet deelgenomen. Hij was de eerste Van Haeften, van wie stukken in het archief- Ophemert bewaard zijn. Walraven trouwde met Fransina van Cockengen. Nu volgde weer een Reinier van Haeften (1646-1733), heer van Ophemert sedert 1659 en niet alleen afgevaardigde van de ridderschap naar de kwartiersdagen, maar ook gedeputeerde. De gedeputeerden hadden in de kwartieren van Gelderland dezelfde funktie als gecommitteerde raden in Holland. Door het huwelijk van deze Reinier met Adriana Maria de Cock van Delwijnen kwamen in dit archief stukken terecht van de geslachten De Cock van Delwijnen en Van Gent, die verderop ter sprake zullen komen. Reiniers oudste zoon, Walraven van Haeften, erfde aanvankelijk Ophemert; hij was dijkgraaf en ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Daar hij in 1746 kinderloos overleed ging Ophemert toen over op zijn jongere broer Barthold, die sinds 1725 reeds heer was van Wadenoyen, een bezitting afkomstig van zijn oom Johan de Cock van Delwijnen. Barthold was eveneens ambtman en bovendien gecommitteerde van Gelderland ter Staten-Generaal. Hij huwde met Margriet van Lynden. Behalve zijn dochter Ursulina Philippina, die de vrouw van Aeneas Mackay werd, had Barthold van Haeften twee zoons. De oudste, Johan Walraven, voeg de bij zijn geslachtsnaam die van De Cock, daarmee te kennen gevend, dat hij geloofde inderdaad van de heren van Waardenburg af te stammen. Ook hij was ambtman van Bommel, Tieler en Bommelerwaard en vertegenwoordigde Gelderland in de Generaliteit. Hij trouwde tweemaal, en wel eerst met Anna Ursulina van Lynden, waardoor zijn zoon Barthold de Cock van Haeften, majoor der cavalerie bij de gardes, de heerlijkheden Blitterswijk en Wanssum in Limburg erfde. Dit werd nu de voornaamste bezitting van de tak De Cock van Haeften; voortaan woonde deze op het kasteel Blitterswijk. Wadenoyen is in 1787 uit de familie geraakt. Bij zijn eerste echtgenote, Carolina Justina Huydecoper, had Barthold de Cock van Haeften geen kinderen. Twee jaar na haar overlijden, in 1790, hertrouwde hij, en wel, zoals reeds in paragraaf I is meegedeeld, met zijn nicht Arnolda Margareta Mackay. Zij kregen vier dochters. Anna Ursulina Margareta, de oudste, en Margareta Bartholda, de derde, bleven ongehuwd; Ursulina Philippina, de tweede, trouwde met G.H.F.S. von Hamelberg, overste in Hannoveraanse dienst, en Constantia Louisa Arnoldina, de vierde, met A.A. Quarles de Quarles, officier bij de nederlandse infanterie. De freules De Cock van Haeften werden bij het beheer van hun zaken meermalen bijgestaan door hun neven Mackay. Zelfs werd het archief van de heerlijkheden Blitterswijk en Wanssum in 1886 door Donald Jacob op Ophemert in bewaring genomen. Dit archief heeft enige tijd op het Rijksarchief te Arnhem berust en bevindt zich thans op het Rijksarchief te Maastricht. Reinier, de jongere broer van Johan Walraven, wordt nu eens De Cock van Haeften dan weer Van Haeften zonder bijvoeging genoemd. Hij was de laatste ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Die funktie moet hij echter wel gedurende het grootste deel van de tijd door een ander hebben laten waarnemen, daar hij jarenlang in het buitenland heeft vertoefd als gezant van de Staten-Generaal. Hij was achtereenvolgens geaccrediteerd te Stockholm, Lissabon, Constantinopel en Wenen. Tijdens zijn gezantschap bij de Keizer werd hem in augustus 1791, met voorbijgaan van de toenmalige gezant bij de Porte, opgedragen de Republiek te vertegenwoordigen bij onderhandelingen met de sultan van Turkije te Szisstow. In de patriottentijd toonde hij zich "staatsgezind", hij is na 1795 niet teruggeroepen. In 1800 is hij te Wenen overleden. Reinier van Haeften trouwde in 1778 te Marseille met Jeanne Cénie Kick, van wier afkomst niets naders bekend is. Hun vier dochters zijn geen van allen getrouwd. Zij heetten Anna Margareta, Elisabeth Cénie, Henriëtte Margareta Charlotte Ursuline en Victoire Sophie. Anna Margareta erfde Ophemert; door haar overlijden in 1844 kwam dit aan Barthold Mackay. We moeten nu iets zeggen over het geslacht De Cock van Delwijnen. Over de oorsprong daarvan is al opgemerkt, dat deze eveneens hoogstwaarschijnlijk gezocht moet worden in de stam De Cock van Waardenburg uit de dynastie van Blois. Overigens is niet met zekerheid uit te maken, hoe precies tot aan het begin van de vijftiende eeuw de genealogische samenhang is geweest; de pogingen, die daartoe wel gedaan zijn, hebben tot nu toe geen betrouwbaar resultaat opgeleverd. In ieder geval telden de heren De Cock van Delwijnen al vroeg mee onder de edelen van het hertogdom Gelre. Zo komt Arnt de Cock van Delwijnen voor onder de heren, die op 2 november 1376 de oorkonde zegelden, waarbij hertogin Mechteld en haar gemaal Jan van Blois zich verzoenden met degenen, die hun aanspraak op de opvolging hadden betwist na de dood van hertog Eduard. Ook bij het sluiten van de landvrede, die op 6 januari 1377 volgde, was deze Arnt betrokken. Of hij de heerlijkheid, waarnaar zijn geslacht zich noemde, zelf nog bezat, heb ik niet kunnen ontdekken. Uit het repertorium op de leenregisters van Vianen, waarvan de dagelijkse heerlijkheid van Delwijnen een leen was, viel dit niet op te maken, daar de in aanmerking komende plaatsen vrijwel onleesbaar zijn. Van Spaen zegt, dat de De Cocks maar korte tijd heren van Delwijnen zijn geweest. Van Arnts oudste zoon, ook een Arnt, weten we, dat hij in 1403 als minderjarige beleend werd met een tiend te Kerkwijk. Zijn zoon, die weer Arnt heette, wordt in 1458 genoemd als schepen van Zuilichem. Deze derde Arnt trouwde driemaal en had dertig kinderen. De oudste zoon uit zijn eerste huwelijk, Arnt de jonge, werd in 1492 door hertog Karel aangesteld tot schatmeester over Zaltbommel, Tieler- en Bommelerwaard, Beesd en Renooi. De vierde zoon, Johan, kocht van Johan van Balveren in 1468 het hoge huis te Delwijnen. Dit was niet een leen van Vianen, maar van de hertog. Volgens aantekeningen in het archief-Ophemert zouden zijn vader in 1462 en zijn broer Arnt in 1482 al met dit huis beleend zijn, maar deze bron, die ook later gedateerd is, zal wel minder betrouwbaar zijn dan het hertogelijk leenregister. Misschien hebben de heren De Cock de bijgedachte gehad naast de hofstad ook de jurisdictie over het dorp terug te krijgen. Dat is dan evenwel niet gelukt; sedert het midden van de zestiende eeuw vinden we met de heerlijkheid van Delwijnen de Turcks van Nederhemert en in later tijd o.m. leden van het geslacht Quadt beleend. Na de dood van Johan de Cock van Delwijnen vererfde het huis te Delwijnen op zijn stiefbroer uit het tweede huwelijk; Adriaen. Deze was schepen van Zuilichem en gehuwd met Hildegond van Auwrijn. Hij zal in of even voor 1553 gestorven zijn, omdat zijn zoon Johan in dat jaar het huis te Delwijnen in leen ontving. Johan was dijkgraaf van Bommelerwaard; hij stierf in 1550. Adriaen de Cock van Delwijnen, Johans zoon, werd lid van de ridderschap kort voor het uitbreken van de Opstand. Tweemaal werd hem door de gelderse landdag een zending opgedragen: in 1571 naar Brussel, in 1579 naar de aartshertog Matthias te Antwerpen. In datzelfde jaar 1579 schreef de spaansgezinde goeverneur van Tiel aan de Rekenkamer van de koning in Gelderland, dat hij de heer De Cock geschikt achtte en bereid had gevonden om in de plaats van de heer Vijgh als ambtman van Nederbetuwe op te treden, wat toen o.m. inhield, dat hij de verbeurd verklaarde goederen zou administreren. Adriaen stond dus toen wel aan de kant van Philips II; desniettemin bleef hij tot zijn dood in 1605 lid van de ridderschap. Hij trouwde eerst met Maria van Brakel, weduwe van Joachim van Giessen, en vervolgens in 1567 of 1568 met Maria van Hemert. Door zijn tweede huwelijk kreeg hij het vruchtgebruik van de heerlijkheid Wadenoyen, die Maria van haar vader, Frederik van Hemert, had geërfd. Uit zijn eerste huwelijk had Adriaen een zoon Joachim de Cock van Delwijnen, die niet door de ridderschap, maar door de stad Tiel naar de landschapsvergaderingen werd afgevaardigd. Hij liet twee dochters na: Maria, die huwde met Jan Willem Drummond (of Dromond) en Theodora, die ongehuwd bleef. Het huis te Delwijnen en het "dagelijks gericht" van Wadenoyen kwamen aan een zoon uit zijn huwelijk met Maria van Hemert: Johan. Deze Johan de Cock van Delwijnen was van 1606 tot 1620 lid van de ridderschap en woonde als zodanig in die jaren de kwartiers- en landdagen bij. Bij zijn tweede vrouw, Adriana van Beynhem, kreeg hij een zoon, Adriaen, die trouwde met Anna van Gent, dochter van Barthold van Gent, waardoor stukken van het geslacht Van Gent in het archief-Ophemert belandden. Adriaen de Cock van Delwijnen heeft wel in de Tielerwaard enige funkties bekleed - hij was o.a. schepen in de bank van Deil - maar hij heeft geen deel gehad aan het centrale bestuur van het kwartiet van Nijmegen. Zijn zoon Johan daarentegen mogen we wel beschouwen als een van de meest vooraanstaande regenten in het Gelderland van zijn tijd. Sedert 8 maart 1672 beschreven in de ridderschap van Nijmegen compareerde hij van 1679 tot 1724 op de kwartier- en landdagen. Weldra werd hij tot gedeputeerde van het kwartier verkozen. In 1702 werd hij als buitengewoon lid toegevoegd aan het Hof van Gelderland om uitspraak te doen in de geschillen, die op verscheidene plaatsen in het gewest waren ontstaan na de dood van de koning-stadhouder, de zgn. "plooierijen". Ook speelde hij een rol van enig belang in de Tweede Grote Vergadering van 1716 en 1717, waarin deputaties uit de zeven provinciën poogden - zij het tevergeefs - hervormingen in het bestuursstelsel van de Unie aan te brengen. Inmiddels was hij, in 1703, benoemd tot ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. De neerslag van zijn diverse ambtelijke aktiviteiten treft men voor een groot deel in het archief-Ophemert aan. Daar hij niet getrouwd was vermaakte hij de hofstad te Delwijnen aan zijn neef Walraven van Haeften en de heerlijkheid Wadenoyen aan diens broer. Johan en zijn zuster Adriana Maria van Haeften hadden nog een broer, Barthold de Cock van Delwijnen, van wie we niets meer weten dan dat hij omstreeks 1690 kapitein in het Staatse leger geweest is. Richten we nu onze aandacht op de familie van hun moeder: Van Gent. Cornelis van Gent, heer van Meinerswijk en naderhand ook van Loenen (in de Overbetuwe) was burggraaf en richter van Nijmegen, gedeputeerde van het kwartier en afgevaardigde ter Staten-Generaal. Hij stierf in 1614. Zijn oudste zoon, Godefroy van Gent, die huwde met Maria van Giessen, erfde Loenen, maar had geen nakomelingen. Barthold, Cornelis' tweede zoon, werd heer van Meinerswijk en, na het overlijden van zijn broer, ook van Loenen. Barthold van Gent heeft nog aanzienlijker betrekkingen vervuld dan zijn vader. Hij was successievelijk lid van de gelderse Rekenkamer, ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard en van 1644 tot 1648 een van de ambassadeurs van de Republiek bij de vredesonderhandelingen te Munster. Hij huwde met Elisabeth van Giessen en had, behalve zijn dochter Anna, die de vrouw van Adriaen de Cock van Delwijnen werd, drie zoons, t.w. Cornelis, Joost en Joachim van Gent. Cornelis van Gent, heer van Loenen en Neerijnen, werd in 1637 "waldgraaf", d.i. houtvester van het Nederrijkswald bij Nijmegen en was van 1654 tot 1682 ambtman van Bommel, Tieler-en Bommelerwaard, en tevens vanaf 1655 lid van de kwartiersvergadering. Joost van Gent was heer van Opijnen, gedeputeerde van het kwartier en schepen in de bank van Tuil; hij huwde met Lucia Brummer. Joachim van Gent, gehuwd met Helena Maria Drummond, erfde Meinerswijk en voerde omstreeks 1680 het bevel over een regiment infanterie. Tot zover over het geslacht Van Gent; in het archief-Ophemert komt verder nog voor de grootvader van moederszijde van de laatstgenoemde drie broers; Joost van Giessen, ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard en afgevaardigde van Gelderland in de Staten-Generaal in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt. Deze Joost van Giessen maakte o.m. deel uit van de commissie, die in 1610 naar Utrecht gezonden werd naar aanleiding van het daar toen uigebroken oproer. Hebben de lotgevallen van de geslachten Van Haeften, De Cock van Delwijnen en van Gent zich voornamelijk afgespeeld in de streken tussen Nederrijn en Maas, de personen, die we nu nog moeten behandelen, hebben bijna allen gewoond in het kwartier van de Veluwe. Het zijn de verwanten van Anna van Renesse van Wilp, de echtgenote van Barthold Mackay. De Van Renesses zijn zoals de naam aanduidt, uit Zeeland afkomstig, maar hebben zich al in de Middeleeuwen ook uitbuiten dat gewest verspreid; er bestaan nu nog takken in België en Duitsland. Door het huwelijk van Jan van Renesse in 1338 met Aleid van Lichtenberg kwam zijn tak in Utrecht; in 1505 verwierf die tak de heerlijkheid Wilp, tussen Apeldoorn en Voorst. Jan van Renesse, heer van Wulven en Wilp (1560-1609) was de eerste die in de ridderschap van de Veluwe werd beschreven. Zijn achterkleinzoon Johan Pieter van Renesse van Wilp, ambtsjonker van Rheden sedert 1730, trouwde met Judith, dochter van Coenraad van Wijnbergen. Ambtsjonkers van Rheden waren ook hun zoon Wijnand Maximiliaan Jacob en diens zoon Jan Pieter Hendrik Eleonard; beiden waren bovendien burgemeesters van Elburg. Wijnand was voorts gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe en gecommitteerde ter Generaliteit; het ambt van hoofdschout van Hattem, dat hij daarnaast nog had, liet hij door een substituut waarnemen. Hij trouwde eerst Sara Maria de Beyer, uit een nijmeegse regentenfamilie, en daarna Ernestina Lucretia van Reede van de Parkeler. Jan Pieter Hendrik Eleonard en Susanna Françoise van den Steen werden de ouders van Antje Mackay en van haar zusters Jacoba Maria, die huwde met J.D.L. Sweerts de Landas, en Wijnanda Maximiliana Susanna Jacoba, die niet trouwde. Van de aan de Van Renesses verwante geslachten komen nu alleen nog de Van Wijnbergens in aanmerking om nader besproken te worden. Zij hebben hun naam ontleend aan het goed Wimborch bij Doetinchem, dat zij vanaf 1402 bezaten. Maar al in 1460 treffen we hen aan op de noordelijke Veluwe, aanvankelijk te Harderwijk en sinds het begin van de zestiende eeuw te Elburg. De stamvader van de hier bedoelde tak is Johan van Wijnbergen, burgemeester van Elburg, in 1540 gehuwd met Alijt Dullinck. Zijn zoon Wichman van Wijnbergen, gehuwd met Wendela Ter Bruggen, was ook burgemeester van Elburg. Diens kleinzoon Johan van Wijnbergen tot het Zandt kwam in de ridderschap van de Veluwe en bracht het tot lid van de Raad van State en raadsheer in het Hof van Gelderland; hij trouwde met Geertruid van Dedem. De zoon van Johan en Geertruid, Coenraad van Wijnbergen tot de Glinthorst werd tot de ridderschap toegelaten in 1675 en was gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe van 1690 tot 1709. Coenraad huwde eveneens een freule Van Dedem en had zes kinderen, t.w. Johan, Wichman Joost, Geertruid, Judith, Henriëtte Josina en Johanna Wendelina. Johan was burgemeester van Arnhem, gecommitteerde ter Staten-Generaal, gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe, en, op het einde van zijn leven, richter van Wageningen, Zijn zuster Judith is hiervoor al genoemd als de echtgenote van Johan Pieter van Renesse. Rechten en goederen. De "dagelijkse heerlijkheid", d.w.z. de lagere jurisdictie over het dorp Ophemert was vanaf de vroegste tijden, waarover we gegevens hebben, steeds gecombineerd met die over het aangrenzende dorp Zennewijnen. Volgens Van Spaen ontving Rudolf de Cock van Waardenburg deze heerlijkheden in 1265 van de graaf van Gelre in leen. Ofschoon Van Spaen zijn bron niet nader opgeeft zal hij wel bedoelen, dat Ophemert en Zennewijnen begrepen zijn geweest in de lenen, waarvoor Rudolf op 5 augustus van dat jaar zijn bezittingen tussen Lek en Linge in ruil aan de graaf afstond; deze worden in de desbetreffende oorkonde omschreven als de hoven Hiern, Neer- en Opijnen en Meteren. De heren van Waardenburg gaven Ophemert en Zennewijnen naderhand als achterleen uit aan een jongere tak van hun eigen familie. De eerste achterleenman moet Zweder van Waardenburg geweest zijn, de tweede zoon van Johan de Cock, vierde heer van Waardenburg. Deze Zweder wordt vermeld in 1368 en is gestorven in 1404. In 1521 bracht zijn afstammelinge Johanna van Waardenburg de heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen in bij haar huwelijk met Johan Schenk van Nydeggen. Johanna's broer Dirk van Waardenburg kocht ze van hen in 1548, maar verkocht ze op zijn beurt in 1552 aan Frederik van Haeften, in wiens geslacht ze, zoals in paragraaf I is meegedeeld, zijn gebleven tot 1844, toen Barthold Mackay ze erfde. Het enige bijkomende heerlijke recht, dat de heren van Ophemert van het huis Waardenburg in leen hielden, was dat van de rosmolen. Het veer tussen Zennewijnen en Dreumel over de Waal behoorde niet bij dit leen; het werd pas in 1707 verworven door aankoop van Zeger van den Steenhuys en was een leen van de Staten van Gelderland. Het aantal bewaard gebleven stukken, dat betrekking heeft op de heerlijke rechten en de uitoefening daarvan is niet heel groot. Nog minder archivalia zijn hier aanwezig van de heerlijkheid Wadenoyen. Dit "dagelijks gericht" wordt als leen van Gelre voor het eerst vermeld in 1380; het komt dan in het bezit van een vrouwe van Langerak. In 1469 worden de Van Hemerts heren van Wadenoyen en blijven dat, totdat Johan de Cock van Delwijnen het leen erft van zijn moeder Maria van Hemert in 1605. In 1725 gaat Wadenoyen over aan de Van Haeftens, maar na de dood van Johan Walraven de Cock van Haeften verkopen diens erfgenamen het op 30 december 1786 aan Evert Jan van Nykerken en Nyvenheim. Het veer over de Linge bij Avezaath werd in 1698 door Johan de Cock van Delwijnen afzonderlijk aangekocht van de erfgenamen van Adriana van Maren en door de erfgenamen van Johan Walraven de Cock van Haeften in 1792 weer verkocht aan Gerrit van Goor. Ook dit veer was een leen van de Staten geweest. In vele plaatsen was de dagelijkse heer vanouds tevens patroon van de parochiekerk. Te Ophemert evenwel is hij dat pas in later tijd geworden. De eigenlijke kerspelkerk, die gewijd was aan Sint Lambertus, werd in 1028 door de bisschop van Utrecht geschonken aan het klooster Hohorst, de latere Sint-Paulusabdij. Deze abdij verkreeg na 1328 ook het patronaatsrecht van de Sint-Maartenskerk. Dit was oorspronkelijk de kerk van de commanderij der Duitse Orde, welke tot 1315 te Ophemert was gevestigd en vervolgens naar Tiel werd overgeplaatst. Terwijl de parochie als zodanig waarschijnlijk niet gesplitst werd zijn beide kerkgebouwen tot aan de reformatie door de parochianen gebruikt. Daarna is de Sint-Maartenskerk voor de hervormde eredienst bestemd en de Sint-Lambertuskerk in verval geraakt. De bezittingen van de abdij van Sint Paulus werden voortaan beheerd door de Staten van Utrecht en deze verkochten op 31 juli 1720 alle landen, tienden en tinsen van de abdij onder Ophemert en Driel aan Reinier van Haeften. In de akte van overdracht wordt het collatierecht weliswaar niet uitdrukkelijk genoemd, maar waar de verkoop ook de tienden omvatte zullen beide partijen stilzwijgend hebben aangenomen, dat dit recht mee overging. Van 1725 af althans begaven de heren van Ophemert de predikantsplaats zonder dat dit ooit aangevochten werd. Aeneas Mackay heeft omstreeks 1870 formeel afstand gedaan van dit collatierecht, nadat hij al enige tijd daarvóór van de feitelijke uitoefening ervan uit eigen beweging had afgezien. Anders was het gesteld met de collatie van de vicarieën, welke in de twee kerken van Ophemert hebben bestaan. Het waren er zes: die van Sint-Barbara, het Heilig Kruis, Sint Catharina en Onze Lieve Vrouwe in de Sint-Maartenskerk, nog een van O.L. Vrouwe in de Sint-Lambertuskerk en een Sint-Pietersvicarie, waarvan we niet weten in welke kerk ze gefundeerd was. Zijn de heren van Waardenburg de stichters van deze vicarieën geweest? In ieder geval beschouwden zij zich al vóór de reformatie als eigenaars en beleenden zij de dagelijkse heren van Ophemert ermee. De aanwezigheid van vicariegoederen kreeg in de zeventiende eeuw opnieuw betekenis, omdat de pastoriegoederen op verre na niet meer toereikend waren en de tractementen van predikant en schoolmeester en de middelen tot onderhoud van het kerkgebouw uit deze bronnen konden worden aangevuld. Op den duur verdween de herinnering aan de afzonderlijke stichtingen, zodat men sedert de tweede helft van de achttiende eeuw ging spreken van "de vicarie" van Ophemert in het enkelvoud. Ook werd gaandeweg het beheer van de vicariegoederen met die van de pastorie vermengd. Het voornaamste onroerend goed van de families, die het archief Ophemert gevormd hebben, is het kasteel van die naam. Dit was niet zoals de heerlijkheid een achterleen van Waardenburg; de hertogen en later de Staten van Gelderland beschikten er rechtstreeks over. Wel waren zij, die het huis in leen hielden, steeds dezelfde personen als de dagelijkse heren. Bij de belening van het huis behoorden de maalplicht van de windmolen en een aantal landerijen. Wanneer het huis gebouwd is is niet precies bekend, maar op grond van de oorspronkelijke vorm - die van een rechthoekige woontoren - mag men denken aan het einde van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw. Het aanvankelijk uiteraard kleine slot werd in de latere Middeleeuwen vergroot, maar die vergroting werd gedeeltelijk weer ongedaan gemaakt door een ingrijpende verbouwing, die in het laatste kwart van de zeventiende eeuw, waarschijnlijk wegens beschadiging tengevolge van de franse inval van 1672, werd ondernomen. Het kasteel kreeg toen de gedaante, welke het thans nog heeft. Het verkeert, na enige tijd minder goed bewoonbaar te zijn geweest, tegenwoordig weer in uitstekende staat, dank zij de grondige herstellingen, die in de jaren 1954-1957 met medewerking van de rijksdienst voor de Monumentenzorg werden uitgevoerd. Dat de Van Haeftens en de Mackays goederen en rechten bezaten te Ophemert en in de omgeving van die plaats ligt voor de hand. Daarnaast hebben zij, evenals de De Cocks van Delwijnen en de van Gents ook buiten de Tielerwaard vrijwat hofsteden, landerijen, tienden enz. verworven. Dit bezit lag verspreid in Gelderland, voornamelijk in de Bommelerwaard, het Land van Maas en Waal, en Over- en Nederbetuwe en het Rijk van Nijmegen, voor een kleiner deel ook in de graafschap Zutphen en voorts nog hier en daar in Zuid-Holland, Utrecht, Limburg en Noord-Brabant. De Van Renesses en de Van Wijnbergens waren gegoed op de Veluwe. Voor de meeste van die bezittingen zijn genoeg toelichtingen in de inventaris zelf te vinden; hier willen wij daarom alleen nog met een enkel woord spreken over twee goederen, die door hun bizondere aard op vallen, n.l. de havezate Merwijck te Bergharen (inv. nrs. 1243, 1247 en het tijnsland onder Randwijk (inv. nr. 1460, reg. nr. 17). Zie voor vervolg de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
Meer resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in