Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: colijn

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Achtergrond archieven (10)

Achtergrond archieven (10)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Maximilien Paul Léon Steenberghe werd op 2 mei 1899 in Leiden geboren. Hij werd als katholiek en lid van de Rooms-Katholieke Staatspartij minister van Economische Zaken in het derde kabinet-Colijn, maar verschilde met de minister-president van mening inzake het monetaire beleid. Toen Colijn na de devaluatie van de Belgische frank vasthield aan de "gouden standaard", trad hij af. Nadat Colijn in 1936 de gouden standaard had laten vallen, werd hij bij de volgende kabinetsformatie in 1937 aangezocht als minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Deze post behield hij tot 1941, een korte periode uitgezonderd. Op 25 juni 1939 traden namelijk alle leden van de R.K.S.P. uit het kabinet; Colijn vormde daarna een minderheidsregering zonder katholieken, die bij de eerste vergadering van de Staten-Generaal werd weggestemd. Steenberghe was vervolgens nauw betrokken bij de formatie van het nationale kabinet-De Geer, waarvoor hij het economische beleid dicteerde. Na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 week de Nederlandse regering uit naar Londen. Steenberghe was nauw betrokken bij de organisatie van de koopvaardij en bevoorrading van Nederland na een eventuele bevrijding. Op 20 november trad hij, samen met Ch.I.J.M. Welter af, omdat hij van mening verschilde met de toenmalige minister-president Gerbrandy over de wijze waarop de belangen van Nederlanders tegenover de Britse regering dienden te worden behartigd. In maart 1942 werd hij uitgezonden naar New York, waar hij als voorzitter van een door hemzelf op te richten Nederlandse Economische Financiële en Scheepvaartmissie de bevoorradingsactiviteiten voorzette, die hij indertijd als minister had gepland. Het bureau bleef tot maart 1946 in werking. Na zijn terugkeer in Nederland was Steenberghe betrokken bij verschillende internationale missies; de belangrijkste waren op Duitsland gericht. In 1951 was Steenberghe betrokken bij een kabinetsformatie, die noodzakelijk werd na het aftreden van de V.V.D.-minister van Buitenlandse Zaken,D.U. Stikker; zijn poging om de brede basis van het eerste kabinet-Drees te herstellen mislukte. Hij verzette zich - als ex-voorzitter van een werkgeversvereniging - tegen de `Rooms-rode' coalitie na het terugtrekken van de V.V.D. uit het kabinet, en begon binnen de K.V.P. een oppositielobby. Toen hierop in 1952 een verkiezingsnederlaag volgde, trok hij zich terug uit de politiek. Steenberghe is sedertdien nog een prominente figuur in het bedrijfsleven geweest. Op 22 januari 1972 overleed hij in Hilvarenbeek.
Hendrik Pieter Marchant werd op 12 februari 1869 te Deventer geboren als zoon van Carel Anthony, officier van Justitie en Apollonia Jacoba van der Horst. Hij overleed te 's-Gravenhage op 12 mei 1956. Op 10 augustus 1901 huwde hij te Wijhe, Sara Maria Magdalena Rambonnet, geboren te Wijhe 25 oktober 1870, dochter van Mr. Frederic Louis, burgemeester te Wijhe, en jonkvrouwe Sara Maria Cornelia Meyer. Zij overleed te 's-Gravenhage op 15 november 1953. Marchant studeerde te Leiden en promoveerde in 1894 op het proefschrift "Begrip en gevolg van de beleediging in het burgerlijk recht". In datzelfde jaar vestigde hij zich als advocaat te Deventer. Op 20december 1897 werd hij in Deventer als raadslid geïnstalleerd. In de vergadering van 16 januari 1899 werd hij tot wethouder benoemd en op 6 februari 1899 werd hij geïnstalleerd. Hij was wethouder van financiën met toezicht op het burgerlijk armbestuur, het ziekenhuis, de gasthuizen enz., benevens belast met de waarneming van de burgerlijke stand. In 1900 werd hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal als afgevaardigde voor Deventer. Hij behoorde tot de oprichters van de Vrijzinnige Democratische Bond. In 1901 vestigde Marchant zich als advocaat te 's-Gravenhage. In 1916 werd hij, na de dood van Dr. Bos, in de fractievergadering van 9 mei, waarin Mr. Ketelaar als oudste in jaren het voorzitterschap waarnam, met 6 stemmen voor en 1 op Ketelaar, tot leider van de Vrijzinnig Democratische Tweede Kamerfractie gekozen. In 1931 werd hij te 's-Gravenhage tot wethouder van Onderwijs, in loting met de liberale prof. Ir. C.L. van der Bilt verkozen. Colijn nam hem in mei 1933 als minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen op in zijn tweede kabinet. Hij was de opvolger van Mr. Terpstra. In verband met zijn overgang tot de Katholieke Kerk in december 1934, trad hij in mei 1935 als minister af. In april 1935 werd hij benoemd als voorzitter van de Stichting het Nationaal Park de Hoge Veluwe. Nadat hij zich uit het actieve politieke leven had teruggetrokken verschenen van zijn hand nog talloze artikelen. Daar naast publiceerde hij o.m. de volgende boeken: Hoe kwam ik er toe (Teulings Uitgevers maatschappij, 's-Hertogenbosch), Tot Verweer (A.W. Sijthoff's, Uitgeverij N.V. Leiden 1935), De Zelfmoord der Kiezers (Algemeen secretariaat van de R.K. Staatspartij, Den Haag 1937), Een Staatkundige Epidemie (Teulings Uitgevers maatschappij, 's-Hertogenbosch 1936), Echtgenoten zonder contract (Paul Brand, Hilversum 1941). Bij K.B. van 1 juli 1938 werd hij benoemd tot commandeur in de orde van Oranje Nassau.
Horace Hugo Alexander van Gybland Oosterhoff werd op 26 mei 1887 geboren te Batavia als zoon van Wybe Jacobus van Gybland Oosterhoff, arts en officier van gezondheid bij het K.N.I.L., en Diane Susanne Jéhenne Frederique Neys. Op jeugdige leeftijd naar Nederland gekomen doorliep hij het gymnasium te Haarlem. Op 28 januari 1909 behaalde hij zijn doctoraalexamen in de rechten aan de universiteit te Amsterdam en promoveerde op 31 maart daaraanvolgend tot doctor. Na in maart van het daarop volgende jaar tot adjunct-commies aan de afdeling Arbeid van het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel te zijn aangestald behaalde hij op 23 mei 1911 zijn doctoraalexamen in de staatswetenschappen aan de universiteit te Utrecht. Ook hierin behaalde hij een doctorstitel en wel op 7 juni van het daarop volgende jaar. Op 1 maart 1913 verlegde hij zijn arbeidsterrein naar de Centrale Directie van de arbeidsinspectie in Den Haag. In augustus 1914 werd hij adjunct-secretaris belast met de dagelijkse leiding van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. Op 16 juni 1916 werd hij aangesteld bij de Bataafsche Petroleummaatschappij, vanaf 1918 was hij daar chef van de afdeling Algemene zaken en privésecretaris van dr. H. Colijn, die in die tijd behalve lid van de Eerste Kamer directeur van deze maatschappij was. Samen met dr. F.C. Gerretson, die in die tijd eveneens privésecretaris van Colijn was, jhr. W.F. van Lennep, C. Plokhooy, G.H.J. Gijsberti Hodenpijl en mr. W.F.M. Bosschart vormde hij een groep, die contra-actie voerde tegen de revolutionaire aktiviteiten van Troelstra c.s. in de novemberdagen van 1918. Van Van Gijbland Oosterhoff was het plan afkomstig de Landstorm te mobiliseren, hetgeen op 12 november, toen de provocatie van de S.D.A.P. er officiëel was, ook inderdaad geschiedde. Samen met Gerretson stelde hij een telegram op voor Colijn, die op dat moment in Londen verbleef, hetgeen deze de suggestie aan de hand deed, dat bij de te sluiten overeenkomst voor de levering van levensmiddelen van Entente-zijde zou worden gesteld dat geen levensmiddelen zouden worden geleverd aan een regering, die met geweld aan het bewind zou zijn gekomen. De gebeurtenissen in de periode van 8 tot en met 15 november van 1918 vormden een begin-gebeurtenis, die bepalend zijn voor heel het politieke denken en voelen van Van Gybland Oosterhoff. Dit manifesteerde zich vooral ná 1924 toen hij tot secretaris was geworden van de toen van de universiteit van Utrecht opgerichte Indologische faculteit. In dit denken stond een politiek, die gericht was op een nationale eenheid-zowel intern als van de rijksdelen onderling-en die voortbouwde op historische grondslag en zich schaarde om het huis van Oranje als nationaal volkssymbool, centraal. Deze politiek richtte zich tegen alles wat "rood" was, d.w.z. elke politieke richting, die zich richtte op een vaag illusionistisch internationalisme, die antikoloniaal, dus tegen de rijkseenheid was, die niet voortbouwde op een historische grondslag en daarom-voor zover het ons land betrof-antimonarchaal, anti-oranje was. Wij komen hier nog nader op terug. Tot 1920 bleef hij werkzaam bij de afdeling Algemene zaken van de Bataafsche Petroleummaatschappij en was hij als zodanig tevens secretaris van Colijn in Londen. In deze periode, vooral in de jaren 1915-1917 reisde hij veel, maakte o.a. een wereldreis en diende tijdens een verblijf in Nederlands-Indië het gouvernement aldaar van advies over de mijnordonnantie en de indische mijnwet. In 1920 werd hij uitgezonden naar Mexico om met de regering aldaar te onderhandelen over de mijnwetgeving. In februari 1920 werd hij opgenomen in de directie van de Corona, een dochtermaatschappij voor Mexico van de Koninklijke Petroleum Maatschappij. In Mexico-City was hij voorzitter van de Nederlandse vereniging. Weer terug in Nederland speelde hij in de jaren 1924-1925 een rol bij de oprichting van de Indologische faculteit aan de universiteit van Utrecht, waarvan hij secretaris van het college van curatoren werd alsmede secretaris van het voor de instandhouding van deze faculteit opgerichte Indologische fonds. In oktober 1929 verscheen het eerste nummer van De Rijkseenheid, een staatkundig en economisch weekblad ter versterking van de banden tussen Nederland en de Indiën. Het blad werd geredigeerd door mr. A.J.A.A. baron van Heemstra, A.J.W. Harloff en mr. dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff. Voor de Utrechtse indologische faculteit vormde De Rijkseenheid een belangrijke spreekbuis. Zowel de staatkundige ontwikkelingen als de cultuurbeweging in Zuid-Afrika werden op de voet gevolgd. In het bijzonder hield het weekblad zich bezig met de gebreken van onze defensiepolitiek en de daaruit voortvloeiende gevaren voor de verdediging van de rijksdelen overzee. Voor de rechtvaardiging van het nederlands gezag in Indië greep hij terug op de opvatting, die de toen overleden staatsman jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman daarover had. In het kort komt deze gedachtengang hierop neer. Een volk heeft niet het recht om de schatten, die het in zijn bodem bewaart, of die door zijn bodem worden voortgebracht, voor zichzelf te bewaren. Zomin een volk als een individu mag zichzelf een zodanig recht toekennen op de grond, dat de schatten, die de Schepper erin verborgen heeft, niet tot gemeen gebruik van allen kunnen worden gebezigd. Maar wanneer dat zo is, dan moet ook degene, die een bepaald land gaat exploiteren, dat kunnen doen en daarvoor van de overheid van dat land de nodige bescherming genieten. Schiet de overheid te kort, dan mag dat volk door zijn vertegenwoordigers zelf die taak overnemen. Als nu een volk in een vreemd land komt, welks regering niet in staat is het recht in zo voldoende mate te handhaven dat dit daar kan leven en handeldrijven, dan moet dat volk als sterker van aanleg, dat bestuur zelf wel gaan uitoefenen. De vreemdeling mag dus het gezag overnemen, maar dat gezag moet rechtvaardig zijn en aan zijn hoge roeping voldoen: handhaving van het recht. De oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel ontstond uit de kringen rondom De Rijkseenheid Reeds in 1932 werd er een beroep gedaan op professor dr. J.L. Pierson zich aan het hoofd te stellen van een groot nationaal front op de grondslag van de rijkseenheid. Hij belegde een bijeenkomst en hieruit ontstond een kerngroep van slechts weinigen, die geregeld overleg pleegden. In het nummer van 22 oktober 1932 van De Rijkseenheid stond een artikel over de "Nationaal-herstel"-concentratie, waarin de vraag gesteld werd of deze concentratie, die in dit artikel niet zozeer als een nieuwe partij gezien werd maar als een federatief verband van partijen, op basis van een christelijk-nationale politiek tot stand zou kunnen worden gebracht. Van Gybland Oosterhoff schreef op 28 oktober 1932 aan Bauduin dat hij bezig was "poolshoogte te nemen of met eerste klasse mensen een concentratie mogelijk is"; ook professor Gerretson meende dat hier autoriteit tegenover majoriteit gesteld moest worden. Terwijl men naarstig bezig was met de opstelling van een manifest vond juist de beruchte muiterij op de "Zeven Provinciën" plaats. De inhoud van het manifest werd hierop afgestemd door daarin te stellen dat door dit gebeuren het voor ieder weldenkend Nederlander duidelijk geworden moest zijn "welke noodlottige en voor het Nederlandsche volk beschamende gevolgen de bestaande verslapping van het gezag met zich medebrengt". Het manifest trok hierdoor in brede kringen de aandacht. De oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel vond hierna plaats op 21 februari 1933. Als voorzitter trad luitenant-generaal H.N.A. Swart op. Dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff was ondervoorzitter. De grootste aanhang verkreeg het Verbond uit de conservatief-oppositionele vleugels van de Christelijk-Historische Unie, waartoe ook Van Gybland Oosterhoff behoord had, en van de Liberale Vrijheidsbond. Voorts vond het Verbond in katholiek-nationale kringen aanhang; een van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze groep was pater Wouter Lutkie, die aan alle voorbereidende besprekingen van het Verbond deelnam. Generaal Snijders, die erevoorzitter van het Verbond was, steunde het door een oproep aan het Nederlandse volk in zijn radiorede van 29 maart 1933, welke vooral in militaire en intellectuele kringen weerklank vond. Anderzijds bleek al spoedig, dat de nationale gedachte van het Verbond, waar deze niet verbonden was met een sociale idee, geen aantrekkingskracht op de massa kon uitoefenen. De eigenlijke oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel had plaats op 21 februari 1933. Als doelstelling werd aangegeven het bevorderen van de nationale gedachte op een tiental grondslagen te weten: 1.Trouw aan het Oranjehuis, 2.Erkenning van het christelijk karakter van ons volksleven als de historische grondslag en de bezielende geest van onze nationale beschaving, 3.De nationale staat als de staatkundige verwerkelijking van de historische vrijheidsgedachte op geestelijk en stoffelijk gebied, 4.Krachtige handhaving van orde en gezag; wering van elke gezagsondermijning, 5.Handhaving en versterking van de band tussen de verschillende delen van het rijk, 6.Handhaving en versterking van de weerbaarheid des rijks tot wettige zelfverdediging, 7.Erkenning van de individuele bestaansverantwoordelijkheid, in zover deze strookt met de welvaart des volks in al zijn geledingen, 8.Verwerping van de klassenstrijd, 9.Aanvaarding van het organisch-corporatief element in onze staatsinrichting in het kader van de nationale gedachte als middel tot bestrijding van het verworden parlementair-democratische stelsel, 10.Aanvaarding van het beginsel van economische zelfbescherming, in verband van de rijkseenheid (Nederland en de Indiën), waar en wanneer dit door de economische ontwikkeling in de wereld noodzakelijk wordt gemaakt ter verdediging van het levensbestaan van het rijk. Het Verbond voor Nationaal Herstel werd door haar tegenstanders niet ten onrechte als een fascistische beweging gekarakteriseerd, al moet men daarbij bedenken dat fascisme een modewoord was in die tijd en niet die verwerpelijke betekenis had, die het door de Tweede Wereldoorlog gekregen heeft. De Verbondsleiding kon dan ook schrijven: "Wij hebben zelf ook gezegd, dat wanneer men onder "fascisme" verstaat de levenswil van een volk, dat niet ten onder wil gaan, wij ons dan ook "fascisten" noemen. Trouwens een man als prof. de Savornin Lohman is door de heer Mendels in de Eerste Kamer een"edel-fascist" genoemd. Van de N.S.B. distancieerde het Verbond zich in 1935 definitief: "Bij overeenstemming van sommige nationale doeleinden is het Verbond voor Nationaal Herstel van de N.S.B. gescheiden door het onoverkomelijk beletsel van het leidersbeginsel ...". Wel aanvaardde het Verbond onvoorwaardelijk de noodzaak van een corporatieve ordening, zoals deze door het fascisme in Italië en Portugal in praktijk werd gebracht, zij het dan een "corporatieve ordening in overeenstemming met volksaard en historie", zoals de titel van een door J.C. den Baars aan dit onderwerp gewijde brochure van het Verbond luidde. In het programma van het Verbond, zoals dat in de brochure "Alle hens aan dek" uiteengezet wordt, luidt één van de doelstellingen: "wijziging van het kiesrecht". Hierop wordt de volgende toelichting gegeven: "Er dient gebroken te worden met een stelsel, dat het aantal boven de hoedanigheid stelt. Met afschaffing van de evenredige vertegenwoordiging kome de adviserende, deskundige vertegenwoordiging van economische en geografische groepen". In het totaal worden in deze brochure 36 doelstellingen genoemd en wel de volgende: 1.Het verhogen en versterken van het nationale bewustzijn. 2.Trouw aan ons vorstenhuis als symbool der vaderlandse eenheid en onafhankelijkheid. 3.Afschaffing van het verworden democratische parlementaire stelsel. 4.Wijziging van het kiesrecht. 5.Bescherming van de gemeenschap tegen niet-nationale bedrijfsvoering van ondernemingen. 6.Beperking van de gemeentelijke autonomie, geen gelegenheid meer voor inflatoire politiek van openbare lichamen, centrale preventieve contrôle van alle openbare financiële aangelegenheden. 7.Bevordering van het particulier initiatief. 8.Beperking van vrijheid van drukpers, misbruik van deze vrijheid tot ondermijning van godsdienst, gezin en gezag kunnen niet langer worden geduld. 9.Een nationale omroep. 10.Verbod van marxistische en anarchistische partijen en organisaties. 11.Verwerping van de klassenstrijd. 12.Uitbreiding van de rijkspolitie. 13.Geen steun zonder productieve arbeidsprestatie. 14.Inperking der sociale wetgeving, wèl gemeenschapszorg voor ouden van dagen. 15.Dekking van begrotingstekorten door krachtige bezuiniging, niet door nieuwe lasten. 16.Handhaving van gezonde kapitaals-verhoudingen; bestrijding van het marxisme. 17.Aankweken van plichtsgevoel, verantwoordelijkheidsbesef en vertrouwen. 18.Loon en bevordering naar prestatie. 19.Afschaffing van de on-economische arbeidsbeperking. 20.Rijkseenheid. 21.Handhaving, versterking en centralisatie van alle gezag. 22.Bevordering van eenvoud en spaarzin. 23.Vrijheid van godsdienst. 24.Versterking van het gezinsverband. 25.Algemene dienst- en arbeidsplicht. 26.Snel en streng recht. 27.Regeling van de immigratie. 28.Bestrijding van de partijpolitiek. 29.Afschaffing van het stelsel van accumulatie van inkomens. 30.Bevordering van kunsten en wetenschappen in nationale zin en rekening houdend met de volksaard. 31.Bevordering van de kennis van onze vaderlandse geschiedenis. 32.Nationaal onderwijs, geen sectarisme, geen rode onderwijzers; stopzetting van scholenbouw. 33.Vaststelling van maximum en minimum loongrenzen. 34.Economische zelfbescherming. 35.Bevordering van de geestelijke kracht en economische waarde onzer landbouwbevolking. 36.Herziening van het belastingstelsel, vereenvoudiging van de wijze van aanslag en inning. Van Gybland Oosterhoff was als hoofdredacteur van het vanaf 20 maart 1933 verschijnende orgaan de ziel van het Verbond. Hoewel het Verbond zich aanvankelijk uitdrukkelijk als "beweging" manifesteerde, begaf het zich toch in de verkiezingsstrijd voor de Kamerverkiezingen van 1933. Generaal Snijders fungeerde als lijsttrekker, maar zou bij verkiezing niet in het parlement zitting nemen, maar zijn zetel ter beschikking stellen van de volgende kandidaat, mr. dr. W.M. Westerman. Inderdaad behaalde het Verbond één zetel in de Tweede Kamer, welke dus door Westerman, één van haar extreemste vertegenwoordigers, die later naar de N.S.B. zou overgaan, werd ingenomen. In 1934 voerde ir. Wigersma besprekingen met generaal Snijders over de mogelijkheid van een fusie met de N.S.B. Het initiatief ging geheel van de N.S.B. uit en leidde tot geen enkel resultaat, omdat het leidersbeginsel van de N.S.B.-en meer in het bijzonder de persoon van de leider-een beletsel bleef. Wel kwam het tot een nauwe samenwerking met Nationaal Jongeren Verbond, het Indo-Europees Verbond en de Vaderlandse Club, vooral ook omdat er ook in Nederlands-Indië een bloeiende afdeling van het Verbond was, onder de geïnspireerde leiding van de marineofficier J.A. van Gelder te Soerabaja, met wie Van Gybland Oosterhoff uitgebreidde contacten onderhield. Voor de Kamerverkiezingen van 1937 diende Nationaal Herstel voor de laatste maal een kandidatenlijst in. Wegens overgang naar de N.S.B. van mr. dr. Westerman was dit maal dr. W. Emmens lijstaanvoerder. Te midden van de voorbereidingen voor de verkiezingsveldslag stierf Van Gybland Oosterhoff plotseling aan een acute buikvliesontsteking op 21 januari 1937. Voor het Verbond liepen deze verkiezingen uit op een fiasco. Het verwierf slechts 6000 stemmen en verloor dus zijn enige zetel in de Tweede Kamer. Dit had een grote uittocht van leden tot gevolg. Toch bleef het Verbond nog voortbestaan tot 31 oktober 1940. Behalve politicus was Van Gybland Oosterhoff nog secretaris van de Ondernemersraad voor Suriname en voorzitter van de Nederlands-Mexicaanse kamer van koophandel. Daarnaast kunnen twee belangrijke particuliere activiteiten van Van Gybland Oosterhoff niet onvermeld blijven: zijn arbeid ter bestrijding van het communisme zowel op nationaal als internationaal niveau, vooral als deelgenoot aan de Entente internationale contre la IIIe internationale (Entente internationale anti-communiste), alsmede zijn inspanning om meer bekendheid te geven aan de nederlandse cultuur in Zuid-Afrika. Door zijn beschikking werd na zijn dood zijn uiterst uitgebreide verzameling voorwerpen, boeken, prenten, oude proclamaties, porcelein, meubels etc., alles betrekking hebbende op het Oranjehuis, geschonken aan het Nederlands Cultuurhistorisch Instituut van de universiteit van Pretoria. Daarbij bevindt zich o.m. de kerkbank waarin Willem van Oranje de kerkdiensten placht bij te wonen. Het geheel werd opgesteld in een afzonderlijke ruimte: de Van Gybland Oosterhoff-kamer. Deze "Oranje-collectie" werd ná 1945 aangevuld met een verzameling "Oorlog en bezetting van Nederland", waarvan de kern geschonken werd door mej. L.J. van Gybland Oosterhoffen waarvan de catalogus, na geregeld ontvangen aanvullingen, ruim 2500 nummers telt. Deze oorlogscollectie is daarmee een van de grootste, zo niet de grootste van die aard buiten Nederland. Tenslotte werden de door mr. dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff geschonken boeken over Nederlands-Indië en de vóóroorlogse ontwikkelingen aldaar nog aangevuld met een verzameling publicaties betreffende Indonesië in en na de oorlog. Eveneens werd na zijn dood ter zijner nagedachtenis een stichting in het leven geroepen ter bekroning van prestaties, van welke aard dan ook, die uitdrukking zouden geven aan de rijkseenheidsgedachte: de mr. dr. Horace Hugo Alexander van Gybland Oosterhoff-Stichting. In 1939 werd de gouden medaille van deze stichting voor het eerst uitgereikt aan dr. V.I. van de Wall voor zijn dissertatie over het hollandse-koloniale barokmeubel, van welk type meubelen de ouders van Horace een grote verzameling hadden aangelegd.
Levensloop van J.W. Meyer Ranneft Het leven van J.W. Meyer Ranneft valt grotendeels samen met de ontwikkeling van Nederlands-Indië tot Indonesië. Uit de beschrijving van zijn nagelaten papieren blijkt, dat geheel zijn leven en werken in dienst hebben gestaan van de uitbouw van een koloniale samenleving, waarvan hij tevens het abrupte einde heeft beleefd. 1887 - 1929 Jan Willem Meyer Ranneft is geboren op 31 oktober 1887 te Magelang als zoon van Willem Meyer en Everdine Margot Ranneft. Zijn vader, aanvankelijk hulponderwijzer aan een lagere school te Batavia, was ten tijde van Jan Willemsgeboorte hoofd van de "hoofdenschool" (D.w.z. school voor zonen van inlandse hoofden.) te Magelang; hij zou het tenslotte brengen tot adjunkt-inspekteur bij het inlands onderwijs. Everdine Ranneft was sinds 1882 hoofdonderwijzeres aan de openbare lagere meisjesschool te Magelang. Jan Willem ging in 1894 naar de lagere school in Fort de Kock, maar vertrok al in 1896 naar Nederland, waar hij bij een oom in Heemstede in huis kwam. Hij doorliep in Haarlem de H.B.S., waar hij als geschiedenis leraar trof de latere hoogleraar Johan Huizinga die (mét de Leidse Indoloog C. van Vollenhoven) een grote invloed op zijn latere denken zou uitoefenen. Na het behalen van het H.B.S.-diploma, in 1904, vertrok hij naar Den Haag; waar zich inmiddels ook zijn ouders hadden gevestigd, en studeerde gedurende de twee volgende jaren in Leiden voor Indisch bestuursambtenaar, welke studie hij in 1906 afrondde met het zgn. groot-ambtenaarsexamen. Begin 1907 vertrok Meyer Ranneft naar Indië als "ambtenaar ter beschikking van den G.G. van Nederlandsch-Indië". Tijdens een verlofperiode van twee jaar (1916-1918) bezocht hij de Nederlandsch -Indische Bestuursacademie voor hogere vorming van bestuursambtenaren in Den Haag, en behaalde hij de akte M.O.-Staatshuishoudkunde en statistiek. ln deze jaren ook maakte hij reizen naar Zuid-Afrika, Japan en Noord-Amerika. Teruggekeerd in Indië werd hij benoemd tot adjunkt-inspekteur voor agrarische zaken met als standplaats Batavia, welke funktie hij uitoefende van 1918 tot 1925. In deze jaren bezocht hij bijna alle regentschappen om de desa-struktuur te onderzoeken - in verband met plannen van de regering tot instelling van "desa-raden - en het kontakt te bestuderen tussen de inlandse bevolking en het Westerse bedrijfsleven, met name op het gebied van de lonen en de grondverhuur. Na een verlofperiode van 1925 tot 1926 was hij werkzaam als assistent-resident te Pati (1926-1928) en resident ter beschikking te Semarang (1928-1929)- Naast zijn ambtelijke loopbaan maakte Meyer Ranneft naam als publicist, Reeds in 1914 had hij enkele artikelen gepubliceerd over misstanden bij de koeliewerving. In de jaren 1920 verschenen van zijn hand diverse artikelen op het gebied van binnenlands bestuur, het staatsrecht en de agrarische economie, waarin hij naast de economische aspekten ook de daarmee samenhangende sociale verhoudingen belichtte. Scherpe kritiek op vermeend onrecht in de koloniale samenleving zou de grondtoon zijn van zijn vele publikaties, zonder overigens door te stoten naar kritiek op de koloniale verhouding als zodanig. In de jaren 1920-1922 entameerde hij samen met J .H. Boeke een ekonomische studieklub te Batavia voor ambtenaren van het binnenlands bestuur. Deze klub bestudeerde ondermeer de welvaartstoestand van de bevolking op Java. Op grond van zijn theoretische kennis van sociaal-ekonomische kwesties werd Meyer Ranneft gevraagd voor diverse kommissies. Zo was hij van 1921 tot 1923 lid en sekretaris van de kiesrechtkommissie en werd hij in 1925 samen met dr. Huender belast met een onderzoek naar de belastingdruk op de bevolking van Java en Madura, welk onderzoek resulteerde in de afschaffing van het hoofdgeld in januari 1927. In 1927 maakte hij voorts deel uit van een kommissie, die de oorzaken onderzocht van de kommunistische oproeren in Bantam, terwijl hij van 1927 tot 1933 ondervoorzitter was van de kommissie tot het nagaan en verzamelen van gegevens betrekking hebbend op de welvaart der inlandse bevolking. In de jaren 1928 tot 1931 tenslotte was hij lid, in 1929 waarnemend voorzitter van de Hollandsch Inlandsche Onderwijs Commissie. 1929-1936 Reeds in de jaren twintig, van 1924 tot 1925 en 1927 tot 1928, had Meyer Ranneft van zich doen spreken als parlementariër. Als vertegenwoordiger van de bestuursambtenaren in de Volksraad was hij opgevallen door zijn deskundigheid en onpartijdigheid. Alom in Indië zag men het daarom als een logische zaak, dat Meyer Ranneft in 1929 werd benoemd tot voorzitter van de Volksraad. Ook in deze funktie ging zijn aandacht vooral uit naar de welvaart van de inlandse bevolking, met name naar het minimumloon, een zaak die door de ekonomische krisisen de daarbij gevoerde regeringspolitiek zeer moeilijk kwam te liggen. Onder Meyer Ranneft's leiding werd de Volksraad een gezaghebbend instituut, een forum waar ook het inlandse standpunt kon worden gehoord. Deze positieve ontwikkeling werd weer ten dele teniet gedaan onder de sinds 1931 fungerende gouverneur-generaal jhr, B.C. de Jonge, die zich in zijn Herinneringen niet direkt als een parlementair denkend bewindsman doet kennen. Toen Meyer Ranneft in april 1933 werd benoemd tot vice-president van de Raad van Nederlands-Indië en als zodanig direkt na de gouverneur-generaal de hoogst verantwoordelijke gezagsdrager werd, konden spanningen tussen De Jonge en Meyer Ranneft niet uitblijven. Uit beider dagboeken blijkt hoezeer zij qua karakter en achtergrond verschilden. Meyer Ranneft, met meer dan een kwart eeuw intensieve arbeid in Indië achter de rug, moest de nieuwkomer De Jonge wel met een argwanend oog bekijken. In zijn dagboek noteerde hij: "Deze man denkt uitsluitend aan Holland. Wil dan demonstreeren, dat Indië (de Volksraad) hem niet beinvloedt. Een gesprek met den Landvoogd brengt mij nooit veel verder. Of juister, laat mij altijd eenigszins onvoldaan". Omgekeerd loog ook het oordeel van De Jonge over Meyer Ranneft, door hem al vóór 1933 als een "pessimist par excellence" bestempeld, er niet om: "Een succes is Meyer Ranneft als vice-president niet geweest. Hij was ongetwijfeld bekwaam, eerlijk, toegewijd, maar zijn blik was te breed en zijn inzicht te diep, (- -) hij stelde steeds problemen, maar loste ze niet op. Zentgraaff drukte het zoo typisch uit: hij is een kip, die altijd eieren legt, maar ze nooit uitbroedt". Dit laatste beeld wordt door Meyer Ranneft zelf ongewild op treffende wijze bevestigd: "Het gevoel, dat ik in mijn raadgevende positie, zonder steun, zonder groote scherpzinnigheid en kracht, te veel praat en te weinig doe, bekruipt mij soms en niet ten onrechte". De "vlotte landjonker" De Jonge vond zijn vice-president maar een stugge en overdreven zwaar tillende figuur, "streng en weinig plooibaar", waardoor de Raad van Indië bijna nooit meer tot een unaniem advies vermocht te komen, zoals dat onder de door De Jonge geprezen (maar door Meyer Ranneft onbekwaam geachte) vice-president Bodenhausen wèl het geval was geweest. Als vice-president van de Raad van Nederlands-Indië, door verschillende leden van de Raad niet zonder argwaan in het kollege binnengehaald, kreeg Meyer Ranneft te maken met twee belangrijke problemen: de ekonomische krisis en de dreiging van Japan. De politiek van de Nederlandse regering onder leiding van Colijn was erop gericht de Indische begroting zoveel mogelijk te besnoeien. In 1933 kwam Colijn met zijn 300 miljoenplan, dat inhield dat de Indische begroting niet méér mocht belopen dan 300 miljoen gulden, waarbij Indië zoveel mogelijk zelf moest opbrengen. Geheel in deze lijn lag ook Colijn's houding ten aanzien van de handelsbesprekingen tussen Nederlands-Indië en Japan, die in de loop van 1934 te Batavia werden gehouden en van Nederlandse zijde door Meyer Ranneft werden geleid. Colijn begreep in het geheel niet welk een enorme dreiging er reeds toen van Japan uitging, hij dacht slechts aan ekonomische suksessen op korte termijn, daarbij gesteund door een in de ogen van Meyer Ranneft c.s. te weinig "Indisch denkende." gouverneur-generaal: "Wat mij persoonlijk treft is dat de landvoogd (- -) niet stelt: wat eischt het land? maar: wat eischt de heer Colijn? Hier ligt in een paar woorden de heele kwestie van het niet overeenstemmen". Meyer Ranneft ijverde ook als vice-president, zij het meestal vruchteloos, voor een politiek die primair het welzijn van Indië beoogde, ook al kwamen daarbij de belangen van het moederland op de achtergrond In deze conceptie paste een uitbreiding van de bevoegdheden van de Nederlands-Indische regering ten koste van de invloed die een vaak onwetend Nederland en een bemoei zuchtig parlement maar al te graag uitoefenden. Ondanks de voor hem teleurstellende ervaring - ook zijn pleidooi voor versterking van de defensie in Indië stuitte af op Nederlandse onwil - en in tegenspraak tot de wat laatdunkende uitspraken over hem van gouverneur-generaal De Jonge, bleef Meyer Ranneft in Indië een hoog aanzien genieten. Dit blijkt niet zozeer uit de obligate krantenartikelen bij zijn afscheid als vice-president, als wel uit de mening die een invloedrijk man als ir, W.F. Staargaard, oud-voorzitter van de Indische Ondernemersbond en fraktieleider van de Economische Groep in de Volksraad, in een brief aan het Eerste Kamerlid prof, mr. B. C. de Savornin Lohman uitspreekt over het aandeel van Meyer Ranneft bij het herstel van het gezag in Indië na 1933: "Deze (Meyer Ranneft) is in werkelijkheid de krachtige bewindsman in het huidige Indië, zoals iedere onbevooroordeelde en onpartijdige insider in Indië weet. De verdienste van den huidigen GG is, dat hij Dr. Meyer Ranneft in 1933 voordroeg, min of meer zelfs contre coeur, Het zou zeer gewenscht zijn, indien bij de namen, welke men hier in Nederland zoo hoort i.v.m. de volgende GG-benoeming, ook Dr. Meyer Ranneft werd genoemd". Tot een benoeming van Meyer Ranneft als gouverneur-generaal is het niet gekomen, Toen in 1936 De Jonge zijn termijn van vijf jaar "erop had zitten" en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer als zijn opvolger werd benoemd, nam ook Meyer Ranneft ontslag uit zijn funktie, om het de nieuwe landvoogd mogelijk te maken een geheel eigen beleid te voeren. In juni 1936 repatrieerde hij. Meyer Ranneft's wetenschappelijke aktiviteiten vonden in de jaren 1929 tot 1936 van verschillende kanten erkenning. In 1932 werd hem door de gemeentelijke universiteit van Amsterdam een eredoktoraat in de fakulteit der handelswetenschappen toegekend. Van 1929 tot 1936 was hij voorzitter van de afdeling staathuishoudkunde en sociale ekonomie van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen. Hij ontving zowel Nederlandse als buitenlandse onderscheidingen. 1936 - 1945 Na zijn terugkeer in Nederland vestigde Meyer Ranneft zich als ambteloos burger in 's-Gravenhage. Vanzelfsprekend bleef hij de ontwikkelingen in Indië nauwlettend volgen, getuige om. zijn deel name aan de aktiviteiten van het Indisch Genootschap en zijn lidmaatschap in de jaren 1936 tot 1938 van de Commissie voor economische samenwerking tussen Nederland en Nederlands-Indië. Diverse publikaties over koloniale problemen verschenen in deze jaren van zijn hand, waaronder het geruchtmakende Gidsartikel van maart 1937, getiteld "Holland's fout in Indië ". Met dit artikel reageerde hij de teleurstellingen van zijn laatste Indische jaren af in een ongenadige afrekening met de politiek van de opeenvolgende Nederlandse regeringen ten aanzien van het overzeese rijksdeel Nederlands-Indië. Het artikel resulteerde in een pleidooi voor een grote mate van zelfstandigheid voor een autokratische gouverneur-generaal, die zonder ruggespraak met Den Haag het Indische bestuur zou leiden. Zo 'n krachtig bestuur zou bovendien het "extremisme" kunnen intomen. Als ideaal zag Meyer Ranneft: de patriarchale bestuursambtenaar van Europese herkomst, die het sociale leven in zijn distrikt volkomen beheerste. Deze figuur was bezig te verdwijnen, konstateerde hij melancholisch, zoals ook de regent-oude stijl gedwongen aan waardigheid inboette: Men schafte de pajong af en ontnam den Regent zijn boven-ambtelijke luister. Alleen financieel bracht dat al geen groot voordeel, omdat die pajong en die luister tenslotte niet zoo duur zijn, Zoo ergens dan blijkt in dezen tijd op dit gebied de waarheid van de uitspraak, dat de traditie vaak oplossing geeft voor al die dingen, waarin het verstand te kort schiet". Na 1945 zou deze loyale en ondanks grote moeilijkheden positief meewerkende bestuursambtenaar openlijk partij kiezen voor de konservatieve oppositie tegen het regeringsbeleid inzake Indonesië, De kritiek die Meyer Ranneft leverde maakte indruk, omdat een ieder wist dat men te maken had met een volstrekt integere figuur, die wist waarover hij sprak. Zijn grote kennis ven de Indische ekonomie was voor de Landbouwhogeschool te Wageningen aanleiding hem najaar 1940 te belasten met het docentschap in de koloniale landhuishoudkunde en het Indische agrarisch recht, een leeropdracht die hij slechts korte tijd heeft kunnen vervullen. Het aanzien namelijk, dat hij algemeen genoot, leidde er toe dat hij in mei 1942 door de Duitsers gevangen genomen en als gijzelaar in Sint-Michiels gesteld werd ge1hterneerd. ( Van mei 1942 tot januari 1944 was Meyer Ranneft geïnterneerd in het kamp te Sint-Michielsgestel, daarna verbleef hij van februari tot september 1944 in het kamp De Ruwenberg bij 's-Hertogenbosch.) 1945 - 1949 De Tweede Wereldoorlog vormde in velerlei opzicht een breuk in de historische ontwikkeling. In het dekolonisatieproces werkte zij als een katalysator. Meyer Ranneft behoorde aanvankelijk tot degenen die meenden, dat het zo 'n vaart niet zou lopen. In zijn boekje "De weg voor Indië," verschenen in 1945, herhaalde hij zijn pleidooi voor een zelfstandig Indië onder Europese leiding. Indië moest noch de weg opgaan van een Indonesisch Indonesië noch die van een aan de leiband van Nederland lopend Nederlands-lndië, maar een derde weg, die van een: (binnen koninkrijksverband) zelfstandig Indië onder leiding van een Nederlandse gouverneur-generaal: "Geenszins fout, doch een zegen was, dat het beste van Nederland's geestesmerk in Indië tot uiting kwam; zijn bedaard, sterk organisatievermogen, zijn zin voor vrijheid, godsdienst en fatsoen. Een constructie is mogelijk waarbij dat alles voor Indië 's complex van volken bewaard blijft, doordat het zich van een achtergrond en in beperkte mate doet gelden. Het kan de wereld slechts ten goede komen als deze Nederlandsche eigenschappen, samen met het beste wat elk der Indonesische volkeren te bieden heeft, het karakter van het koninkrijk bepalen ". De ontwikkelingen in Zuid Oost-Azië maakten echter verwezenlijking van de door Meyer Ranneft voorgestane oplossing onmogelijk. Reeds in oktober 1945, kort na zijn benoeming in augustus 1945 tot lid van de Raad van State, maakte hij in een brief aan de minister-president, prof. Schermerhorn, zijn verontrusting kenbaar over de in Indonesië gevoerde koers. Het zou bij dit ene schrijven niet blijven: in de jaren 1945 tot 1950 heeft Meyer Ranneft talrijke open brieven, adressen, ingezonden artikelen, verweerschriften en brochures gepubliceerd, die alle de Indonesische kwestie tot onderwerp hadden en geleidelijk een scherpe oppositionele toon kregen. Her streven van de oppositie het Indonesië-beleid van de Nederlandse regering om te buigen heeft Meyer Ranneft in deze jaren in woord en geschrift krachtig ondersteund, Toen de in januari 1916 opgerichte stichting Indië in Nood in juli van dat jaar begin met de uitgave van een eigen periodiek, Het Laatste Nieuws uit Indië, schreef Meyer Ranneft daarvoor een groot aantal artikelen; voorts verschafte hij de redaktie, puttend uit zijn omvangrijke korrespondentie met in Indonesië verblijvende Nederlanders, waardevolle inside informatie. In december 1946 kwam het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, opgericht als centraal orgaan ven alle akties in Nederland tegen de overeenkomst van Linggadjati, de oppositie versterken, Eerste voorzitter van het Comité was prof. mr. P .S. Gerbrandy als oud-premier van de Nederlandse regering te Londen een nationale figuur. Hoewel het akkoord van Linggadjati door de motie - Romme wezenlijk was geamendeerd, was dit voor Rijkseenheid geen reden de oppositionele aktie te staken. De beweging bleef bestaan en kreeg in maart 1947 een krachtige stimulans door de fusie van Rijkseenheid met Indië in Nood. De sinds 28 meert 1947 vanuit het aktiecentrum aan de deftige Haagse Andries Bickerweg opererende stichting Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid voerde een felle oppositie tegen het als verderfelijk gebrandmerkte regeringsbeleid inzake Indonesië, Op 3 september 1947 kwam het tot een spreekverbod voor de radio, door de regering opgelegd aan voorzitter Gerbrandy "wegens het aansporen van een hoog gezagsdrager - in casu Van Mook - tot het overtreden van de op hem betrekking hebbende wettelijke voorschriften". In februari 1948 sprak minister-president dr. Beel zijn "weerzin en bezorgdheid 11 uit over de reaktie van de oppositie op een rede van de koningin over de Indonesische kwestie, Hierbij verweet Beel de oppositie ondermeer "vals spelen met kaarten" en "breken van de spelregels van het staatkundig fatsoen" Nog konkreter drukte Van Poll zich uit in het weekblad De Linie in maart 1948, nadat Elsevier's Weekblad was overgegaan tot publikatie uit een advies van de Raad van State: "De Raad van State lekt als een mandje", Tegen insinuaties als zou hij staatsstukken aan de oppositie-pers hebben doorgespeeld zou Meyer Ranneft zich nog lang na afloop van het Indonesische drama hebben te verweren. In mei 1948 bereikte de oppositie een nieuw hoogtepunt, toen een aantal kopstukken uit de kringen van Rijkseenheid, o.w. Gerbrandy, generaal Winkelman, Gerretson, Feuilletau de Bruyn en Meyer Ranneft zelf, een adres zond aan de Tweede Kamer met verzoek door de Procureur-Generaal van de Hoge Raad een strafvervolging te doen instellen tegen die ministers; die zich naar de mening van de adressanten hadden schuldig gemaakt aan schending van de Grondwet. Meyer Ranneft 's medeondertekening van dit adres - hoezeer ook als een partikuliere aangelegenheid voorgesteld - heeft hem als lid van de Raad van State in een delikate positie gebracht Velen immers, waaronder ook medeleden ven de Raad, meenden dat Meyer Ranneft hiermee de grenzen, waarbinnen een lid van het hoogste advieskollege van de Kroon oppositie tegen de regering vermag te voeren, had overschreden. Tegen dit verwijt verdedigde Meyer Ranneft zich met, zoals bij hem gebruikelijk, zeer principiële argumenten: de eed van trouw aan de Grondwet behoort te prevaleren boven loyaliteit aan een regering, waarvan men ernstig vermoedt dat zij de Grondwet schendt; het rekest diende beschouwd te worden als uiterste middel, waar andere mogelijk van oppositie geen resultaat meer hadden. Rijkseenheid steunde in 1948 bij de verkiezingen de groep-Welter, en de onafhankelijke Nationale Groep van dr. Feuilletau de Bruyn. Deze laatste groep bestond uit Indische specialisten, dissidente liberalen en aanhangers van Nationaal Réveil en slaagde er ondanks warme sympathie betuigingen van generaal Winkelman en staatsraad Meyer Ranneft niet in de kiesdeler te halen. In de loop van 1949 werd het duidelijk, dat de oppositie tegen het Indonesië beleid geen resultaat zou hebben. Hoe Meyer Ranneft - en met hem ongetwijfeld talrijke oud-Indisch mensen - de voorbereiding van een onafhankelijk Indonesië ten tijde van de Ronde Tafelconferentie najaar 1949 heeft ervaren, wordt geïllustreerd in zijn brief aan de vice-president van de Raad van State, waarin hij zich verontschuldigt voor het feit dat hij niet aanwezig zal zijn bij de plechtige opening van de Staten-Generaal, omdat hij het verloop van de Ronde Tafelconferentie beschouwt "als een daadwerkelijke schending van de nauwelijks een jaar geleden bezworen Grondwet; ik kan het binnenkomen in de Ridderzaal van de delegatie van de ons openlijk vijandige Republiek, geleid door iemand, die iedere dag openlijk zijn vijandschap tegen Nederland uitspreekt en die van ganser harte Japan heeft geholpen en daarvoor door Japan is beloond, niet anders zien dan als een onduldbare vernedering en ontwijding van de Ridderzaal". 1950 - 1968 Op 27 december 1949 had de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië plaats; twee maanden later verklaarde het Comité Handhaving Rijkseenheid tot likwidatie te zullen overgaan, nu de doeleinden van het Comité niet meer verwezenlijkt zouden worden. De 8e juni 1950 echter kwam als opvolger van Rijkseenheid de stichting Rijksbehoud van de grond. Deze groep, waarin men talrijke kopstukken uit het voormalige Rijkseenheid aantreft, ijverde voor handhaving van het koninkrijk in Europa en overzee en voor vestiging in Nieuw-Guinea van uit Nederland en Indonesië afkomstige Nederlanders. Ook Meyer Ranneft heeft zich bij Rijksbehoud aangesloten, al heeft hij na 1950 geen gerichte publiciteitsaktie meer gevoerd. Zijn betrokkenheid bij alles wat in Indonesië en Nieuw-Guinea gebeurde bleef onverminderd. In Nieuw-Guinea verbleef sinds 1946 als ambtenaar bij het binnenlands bestuur zijn oudste zoon Jan Robert, Leids Indoloog gelijk zijn vader. Meyer Ranneft jr. was de eerste Nederlander die doordrong tot de door het meest primitieve bergvolk van Nieuw-Guinea bewoonde Baliemvallei, in juni 1957 kwam hij met zijn gezin ten gevolge van een vliegtuigongeluk op tragische wijze om het leven. In het jaar 1958 verzocht Meyer Ranneft ontslag als lid van de Raad van State. Dit werd hem per 1 november 1958 "met dankbetuiging voor de gewichtige diensten in die functie aan den lande bewezen" verleend. Hij was op dat moment 71 jaar oud, vier jaar onder de voor leden van de Raad van State pensioengerechtigde leeftijd, Tot zolang wilde hij evenwel niet aanblijven: "mijn capaciteiten slinken en waren al beperkt. En de Raad eist juridische vorm, Dat is een feit en diep geworteld en gemotiveerd, maar het neemt niet weg dat mij het juridisch denken niet ligt." Een ander motief het kollege te verlaten was het besef, dat er voor hem die zich als vertegenwoordiger van Nederlands-Indië beschouwde, mét het wegvallen van de banden tussen Nederland en "her land dat verdween", Indië, geen reden meer bestond zijn zetel in de Raad te blijven bezetten. In de jaren 1950 en 1960 heeft de problematiek rond de beeldvorming van de ondergang van de Nederlandse heerschappij in Indonesië zijn gedachtenwereld sterk beheerst. Al in oktober 1956 noteert hij in zijn bijna dagelijks bijgehouden aantekeningen "hoe langzamerhand mijn hele denken en voelen door het beschouwen van het Indische drama wordt beïnvloed". Tegelijkertijd beseft hij pijnlijk duidelijk, dat hij zich met deze gepreoccupeerdheid steeds meer geestelijk isoleert: "dat de vraag die mij zo bezig houdt, nl. hoe gebeurde de machtsovergang in Indië, niemand meer boei r, Ik zelf ben van degenen die er over schrijven en spreken een van de jongsten. Men legt zich al neer bij het beeld. Dat komt wel terecht, zegt Spit. Maar hij vergist zich, Er zal wel iets anders over gezegd worden dan de geschiedvervalsers van nu zeggen. Maar dat andere zal naar ik vrees ook onwaar zijn". In een uitvoerig artikel in de Haagse Post bestreed Meyer Ranneft de visie van de Amsterdamse hoogleraar Jo Romein over de ondergang van Nederlands-Indië, zoals die in het boek "De eeuw van Azië" was neergelegd. Tegenover het verwijt van Romein, dat de Nederlands-Indische regering onvoldoende politieke visie bezat en met name het Indonesische nationalisme ernstig had onderschat, stelde Meyer Ranneft, dat bij de leidende Nederlandse kringen in Indië in de laatste decennia voor 1942 geen bezwaren leefden tegen het "Komt U naast ons". De Nederlandse groep had wel de mogelijkheden willen behouden om op "Nederlands peil" te blijven leven. Emancipatie van de inlandse bevolking behoefde niet noodzakelijk in te houden, dat het Nederlandse bestanddeel van de gemengde Indische samenleving zou moeten afdalen naar "Aziatisch peil": immers, in de meeste Westerse landen zelf had de emancipatie van de arbeidende klasse zich voltrokken zonder gewelddadige politieke omwentelingen en zonder een verlaging van het levenspeil van de hogere klassen. De ondergang van Nederlands-Indië was, volgens Meyer Ranneft, te wijten aan externe faktoren zoals de militaire zwakte van het Westen als geheel tegenover Duitsland en Japan en de zwakte van politieke wil en inzicht van het Westen tegenover Rusland en Azië na 1945. De Nederlands-Indische regering is vaak ten onrechte verweten, aldus Meyer Ranneft, geen toekomstig Indonesisch bewind te hebben willen zien: "was het dwaas te rekenen op een groei van een gemengde samenleving, een "verbeterd Zuid-Amerika" zoals wij het wel noemden?", schreef hij in december 1958 aan de journalist A.P.A. Besnerd. In een beschouwing uit 1959, getiteld "Feiten betreffende de ondergang van Nederlands-Indië" pleitte hij voor meer begrip voor het bijzondere karakter van de Nederlands-Indische maatschappij, waarvan de ondergang "het mislukken van een ernstige poging tot vreedzame evolutie van een stuk gemengde samenleving" betekende. De publikatie van het verzamelwerk over het Nederlands-Indische bestuur in de eerste helft van de twintigste eeuw, dat in 1961 onder de titel "Balans van Beleid" verscheen onder redaktie van H. Baudet en I.J. Brugmans, betekende voor Meyer Ranneft een eerste belangrijke stap naar een herwaardering van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië. Zijn eigen bijdrage aan dit boek droeg de karakteristieke benaming "Nederland's geestesmerk in Indië". Een teleurstelling was voor hem de beslissing van een kommissie van Nederlandse historici, dat aan verdere geschiedschrijving over Nederlands-Indië in de periode 1900 tot 1942 een reeks bronnenpublikaties vooraf diende te gaan. Volgens Meyer Ranneft was dit te vergelijken met een vlucht uit de werkelijkheid, waarbij de vraag naar wat er geschreven staat ging prevaleren boven de veel omvattender vraag naar wat er eigenlijk geschied is. Meyer Ranneft zag de ondergang van Nederlands-Indië als onderdeel van een algehele "terugtocht van het Westen". Ook in een land als Algerije ging een gemengde maatschappij gewelddadig te onder, ten koste van het Europese bestanddeel. Met belangstelling volgde hij in zijn laatste levensjaren de politiek van de Zuid-Afrikaanse regering de invloed van de blanke (Westerse) minderheid te handhaven tegenover de niet-blanke meerderheid. Meyer Ranneft 's visie op het wereldgebeuren na 1945 was pessimistisch: hij twijfelde aan de innerlijke kracht van het Westen zich te verzetten tegen de vastberaden politiek van het Russische en Chinese kommunisme. De verhouding tussen Oost en West zag hij ten gevolge van het geforceerde dekolonisatie-proces en de "onbeschaamde bespeling der driften" in Azië en Afrika sinds 1945 ernstig verslechterd. Dr. J.W. Meyer Ranneft overleed te 's-Gravenhage op 3 februari 1968.
Pieter Sjoerds Gerbrandy werd op 13 april 1885 geboren te Goëngamieden, gemeente Wijmbritseradeel. Het ouderlijk huis was een normale Friese zathe, alleen waren de dakpannen blauw, en niet rood zoals bij de andere boerderijen en was het melkvee niet, zoals ter plaatse gebruikelijk was, zwart- doch roodbont. De vader Sjoerd Joukes Gerbrandy 1846 - 1904, die graag had willen studeren, was godsdienstig vaag en politiek conservatief geweest, totdat zijn naar kennis en cultuur dorstende ziel was gegrepen door het profetisch woord van Abraham Kuyper. Sindsdien had hij, naast de plichtmatige zorg voor zijn bedrijf, slechts ijver voor het herleven van het positief belijden en voor de invloed van het geloof op Staat, bedrijf en beroep. Hij was sinds 1880 gemeenteraadslid en van 1890 tot 1904 wethouder van Wijmbritseradeel. Van 1892 tot zijn overlijden was hij lid van de provinciale staten van Friesland. In die functie was hij een collega van Jelle Troelstra, wiens vrijzinnigheid zijn waardering niet had, doch wiens zoon Pieter Jelle als mens en als fries dichter grote indruk maakte op de jonge Gerbrandy's door zijn zin voor vrijheid en recht. Pieter Sjoerds' moeder was Jeltje Pieters van der Zijl (geb. 1850). Pieter Sjoerds kreeg de voornaam van haar vader Pieter Hommes van der Zijl, een atheïst, die hij niet heeft gekend. Zijn moeders moeder Antje van der Woude kwam uit de kring van de Afgescheidenen. Als jong meisje had zij het uiteendrijven van godsdienstige bijeenkomsten door politie en soldateska meegemaakt, de arrestaties en de afschuwelijke inkwartieringen; als grootmoeder wist zij hier nog van te vertellen. De eerste vergadering van de locale dolerenden op 11 september 1887 vond te haren huize plaats; de zondagse bijeenkomsten aanvankelijk op de boerderij van haar schoonzoon S.J. Gerbrandy. Pieter bezocht de christelijke nationale school te Gauw. Toen er, in dit een 80 inwoners tellend gebuurte, in 1876 een vereniging van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs was opgericht, was Sjoerd Joukes Gerbrandy secretaris geworden. Na deze school deden de christelijke normaalschool te Sneek, latijnse lessen van de plaatstelijke gereformeerde predikant P. Eringa en Franse lessen van het Gauwse schoolhoofd J. Wielinga, Pieter in juli 1900 slagen voor het toelatingsexamen tot de 2e klasse van het gereformeerde gymnasium te Zetten in de Betuwe. Samen met zijn jongere broer Hiskis trok hij naar dit internaat, dat in die tijd onder leiding stond van de directeur-rector Dr. W.H. Kramer en waar, naast goed onderwijs, een frisse kameraadschappelijke- en sportieve sfeer gevonden werd. In july 1904 haalde Pieter het einddiploma gymnasium- en B en in september 1904 volgde de inschrijving als student in de rechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Na het propaedeutisch examen op 3 maart 1905 vervulde de loteling Gerbrandy uit de gemeente Wijmbritseradeel, lang 1.601 meter, zijn militaire dienstplicht als soldaat bij het 9e regiment infanterie te Leeuwarden. Hij weigerde de officiers- en onderofficiersopleiding. Bij de manoevres maakte hij de bij de troep zeer geziene kapitein L. ... .J.K. Thompson mee, een uitermate vakbekwaam officier, die er o.m. niet voor terugschrok de bepakking van uitgeputte rekruten over en op zich te nemen. In december 1905 hervatte Pieter Sjoerd zijn studie te Amsterdam. Hij werd catechisant bij de sociale voorman ds. J.C. Sikkel, met wiens oudste dochter Hendrina Elisabeth hij zich in mei 1908 verloofde. In juli 1910 werd het doctoraal examen afgelegd en de promotie volgde op 28 januari 1911 met een economisch-juridisch onderwerp "Het Heimstättenrecht". Hij huwde op 18 mei 1911 en vestigde zich als advocaat te Leiden. Hij werkte er mede aan de christelijk sociale actie en aan het plaatselijk orgaan van die groep "De Meiboom" en verwierf het etiket "rood" door zijn steun aan stakende arbeiders. In 1914 vestigde Gerbrandy zich te Sneek, waar hij plaatsvervangend kantonrechter werd, rechtskundig adviseur van de christelijke besturenbond, lid van de huurcommissie en voorzitter van het bestuur van de plaatselijke vereniging voor christelijk nationaal schoolonderwijs. Als reserve-officier bij de landweer riep de mobilisatie ook hem onder de wapenen. In 1917 werd hij als anti-revolutionair lid van de gemeenteraad van Sneek en in de woelige novemberdagen van 1918 had hij als reserve-kapitein van de landweer het bevel over de vrijwilligers uit Sneek, die naar Den Haag trokken. Bij de vele militaire demonstraties trok men ook op naar het huis van de oude staatsman Kuyper, bij wie men diens lievelingspsalm zong "Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort". In 1919 werd Gerbrandy plaatselijk commandant van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm en in 1920 voorzitter van het provinciaal verband. Bij de verkiezingen van 1919 volgde het lidmaatschap van provinciale staten van Friesland. Op 13 januari 1920 werd hij als opvolger van zijn stad- en partijgenoot H. Pollema gekozen tot lid van gedeputeerde staten, een functie, die hij tot 1930 bekleedde. Hij bleek, zo schreef H. Algra, als gedeputeerde een felle, maar merkwaardige vechter. Hij bouwde geen stellingen, waarvan punt voor punt versterkt werd, maar chargeerde. Hij richtte zich met een frontale aanval op het voor hem beslissende punt en had aan de juristerij maling. Groot was zijn gave om moeilijke vraagstukken helder uiteen te zetten en de verkozen oplossing als dwingend voor te stellen. Juridische vergissingen van de oud-liberale griffier werden door Gerbrandy uitvoerig verbeterd. De griffier had getwijfeld aan de waarde van de papieren van V.U.-alumni en kreeg derhalve bij misgrepen op langzaam zalvende, bijna bescheiden toon opmerkingen te horen in de trant van: dat hebben wij op de Vrije héél precies geleerd, want Fabius was daar erg secuur in. In eigen kring gold deze voorvechter van vrouwenkiesrecht en andere geavanceerde denkbeelden als een buitenbeentje. Hij was spoedig -en niet zelden terecht- ervan overtuigd, dat de meerderheid dwaalde. Daarbij kwam te stade een niet tellen van de gangbare opinie en de felle trouw van een hem in zijn besluitvorming mede bepalende echtgenote. In 1928 werd hij lid en in 1937 voorzitter van de Radioraad. Voorts was hij voorzitter van de Raad van Beheer van de Nederlandsche Omroep Zender Maatschappij en lid van de Commission juridique de l'Union Internationale de Radio Diffusion. Sinds 1832 was hij lid van de Hoge Raad van Arbeid. In 1930 verhuisde het gezin Gerbrandy naar Amsterdam, waar mr. P.S. Gerbrandy op 26 september 1930 het ambt van hoogleraar in het handelsrecht, burgerlijk procesrecht en faillissementsrecht aan de Vrije Universiteit aanvaarde met de oratie: "Eenige opmerkingen over de verhouding van handelsrecht en arbeidsrecht". Beknopt vindt men in deze inaugurale rede, zo schreef prof. mr. W.F. de Gaay Fortmand, alles wat Gerbrandy bezig hield: de vragen, die het socialisme aan het Christendom stelt, de noodzakelijkheid de werkelijkheid grondig te kennen en de bij de ontwikkeling passende rechtsvorm te vinden, de eerbied voor het door de betrokkenen zelf gevormde recht, de noodzakelijkheid strijd te vervangen door gemeenschap en dat alles getoetst en gelouterd door het Evangelie. De studenten onderkenden in de wat robuuste ondervragingen door de nieuwe hoogleraar diens speelsheid en in de schijnbare scherpte een innerlijke goedmoedigheid. Zijn omgang met de studenten was niet bijzonder intens, zonder dat een hinderlijk afstand werd gevoeld. Wie door de muur van zijn druk bezet leven wist heen te stoten, vond een warm hart. Op 10 augustus 1939 werd hij tegen de wens van zijn partijgenoten in, minister van Justitie in het 2e ministerie De Geer. Onder de brieven, die hij toen van anti-revolutionairen ontving, waren er, die zijn vrouw er toe brachten de post tegemoet te gaan om de correspondentie op te vangen en te verbranden. Gerbrandy was, in tegenstelling tot Colijn, van mening, dat een oorlog zou uitbreken en ons land niet zou sparen. Hij betreurde het dat Colijn, die voor de Eerste Wereldoorlog zijn inziens bijzonder grote verdienste had gehad voor de versterking van de defensie, in de dertiger jaren van mening was, dat er geen oorlog zou komen en dat hij daarom weigerde het militaire potentieel op te voeren. Na de nationaal-socialistische aanval op Nederland vertrok Gerbrandy, daar de regeertaak alleen kon worden vervuld in het perspectief van de bevrijding, met de regering naar Engeland, waar hij op 14 mei 1940 arriveerde. Op een vraag van een journalist, waarom de ministersgezinnen waren achtergelaten, antwoordde Gerbrandy toen: Onze vlucht geschiedde om redenen van Staat, niet om redenen van persoonlijke veiligheid. Op de weervraag: Prachtig. Maar zal de wetenschap, dat hun familieleden zijn in Nederland, de ministers in Londen niet remmen in hun openbaar optreden? volgde zijn antwoord: Ik bid elke dag. Als de mijnen mochten lijden, lijden ze voor een goede zaak. Toen De Geer wegtrok, zwichtte Gerbrandy voor betoog en aandrang van vorstin en ambtgenoten. Uit plichtsbetrachting aanvaardde hij het hem opgelegde premierschap en door zijn markante persoonlijkheid, onverzettelijke wilskracht en niet te schokken geloof in de eindoverwinning herstelde hij het Engelse vertrouwen in de Nederlandse regering. Naast het winnen van de voor vrijheid en verdraagzaamheid gestreden oorlog, zag hij als zijn ministeriële plicht het handhaven van de onschendbaarheid van het staatshoofd. Zo vertelde hij aan Meyer Sluyser: "Een der hechste stutten onder het Oranjehuis, zeker in onze verwarde tijd, is de ministeriële verantwoordelijkheid en de onschendbaarheid van ons staatshoofd. Kijk, al zou ik in Nederland terugkomen zo zwart als een moriaan, Hare Majesteit de Koningin moet sneeuwwit zijn. Ik geloof, dat ik het uitverkoren vat ben en dat het mijn taak is het scheepje straks aan de kant te leggen". Hij was minister-president van 3 september 1940 tot 24 juni 1945, minister van Justitie van 10 augustus 1939 tot 21 februari 1942 en van 23 februari tot 24 juni 1945, minister van Koloniën van 20 november 1941 tot 25 mei 1942 en minister van Algemene Oorlogsvoering van 23 mei 1942 tot 24 juni 1945. In deze Fries vond de Engelse oorlogsleider Churchill, die, overstelpt door de aanvankelijke overmachtige buitenlandse aanvallen, ook van binnen uit door de voormalige aanhangers van Chamberlain en diens vredespolitiek werd belaagd, de onverzettelijkheid en het vertrouwen, welke hij onder omstandigheden waarin alles wankelde, zo zeer behoefde. Hij bleef hierbij een individualist, een man van invallen, van lievelingsdenkbeelden, een man ook met een helder en onbevangen oordeel, die soms als eerste kwam met initiatieven van groot belang: zo bij de onmiddellijke oorlogsverklaring aan Japan nà Pearl Harbour. Gerbrandy was, zo schreef mr. E.N. van Kleffens "a character". De vervaarlijke snor bleek onweerstaanbaar. Wie het eenmaal had gezien tijdens een hevig nachtelijk bombardement kalm in het maanlicht wandelend op Piccadilly, op sloffen, gehuld in een rose kamerjas zou het nooit vergete. Men wist hem onbevreesd en eerbiedwaardig. Na de bevrijding was hij van 1945 - 1948 voorzitter van de Raad voor het Rechtsherstel en van 1946 - 1950 voorzitter van het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid. In die laatste functie leidde hij het heftige verzet tegen de losmaking van Indonesië uit het rijksverband. Een leerstoel in het administratieve recht te Leiden wees hij van de hand. Van 1948 - 1959 was hij voor de anti-revolutionaire partij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij was klein van postuur, had helle blauwe ogen, was kaal, had een vervaarlijke hangsnor, een hoge stem met slepende uithalen en een spitse geest. Als parlementarier had hij een eigen stijl. In zake zijn moedertaal zij hij: "Ik heb bij mijn Friese familie altijd Fries gesproken en dit doe ik nog. Zij zouden trouwens denken, dat ik rijp was voor een zeker gesticht, wanneer ik het anders deed" (Handelingen 2e Kamer 1951/2 p. 177). Over de staat: "wat de staat eigelijk is. Een instelling Gods, zoals het huwelijk dat ook is, waar ik niet van mag maken, wat ik wil, maar waarbij ik gebonden ben aan bepaalde wetten" (a.v. 54/5 p. 1053). "De verantwoordelijke burger verdwijnt. De -van de wieg- tot het graf-mens verschijnt. Hij mag over zijn loon of salaris, hem toekomend voor zijn diensten aan de gemeenschap -het werken voor zich en zijn vrouw en kinderen is voorbij- straks misschien vrij beschikken" (a.v. 57/8 p. 542). Over de Staten-Generaal: "Men moet begrijpen hoe diep een Parlement, om goed te zijn, moet zijn geworteld in de historie van een Volk" (a.v. 54/5 p. 811). Over de Veiligheidsraad: "Nederland is de mat geworden, waarop dit afschuwelijke instituut zijn vuile voeten afveegt" (a.v. 48/49 p 1841). Over de geschiedkunde: "Prof. Anema, zeide eens tegen mij: Als ik mij de vraag stel, waarvoor ik het meest geleerd heb, de philosophie of de historie, dan zeg ik: de historie, onthoud dat, jongetjie!" (a.v. 52/53 p. 2648). De kamervoorzitter Kortenhorst kenschetste het kamerlid Gerbrandy als: "Een knoestige dwergeik in het schoon aangeharkte plantsoen van de vaderlandse politiek". Hij draafde, zo zei de kamerpresident, moeilijk in het gareel van discipline. zijn rug verdroeg geen juk. Hij stond kritisch tegenover meningen en adviezen, die van de zijne afweken en was moeilijk van zijn ongelijk te overtuigen. Voor hem was de rechte weg de kortste, hij koos tussen ja en neen en vluchtte niet in het misschien (a.v. 61/62 p. 4). Op 3 september 1947 werd hem een spreekverbod voor de radio van 2 maanden opgelegd door de regeringscommissaris voor het radiowezen mr. L.A. Kesper, "wegens het aansporen van een hoog gezagsdrager -in casu Van Mook- tot het overtreden van de op hem betrekking hebbende wettelijke voorschriften". In november 1951 werd hij door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen benoemd tot voorzitter van de Televisieraad. Bij zijn 70e verjaardag op 13 april 1955 benoemde H.M. de Koningin hem tot minister van Staat. In 1956 werd hij, naar aanleiding van publicaties in de buitenlandse- en binnenlandse pers over de Koninklijke familie met prof. Beel en Jhr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer benoemd in een commissie van advies voor het Koninklijk Huis. In oktober 1959 volgde zijn benoeming tot erelid van de Anti-Revolutionaire Partij, een benoeming waartegen hij zich niet had willen verzetten. Hij was president-commissaris van Verolme en drager van het grootkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw, grootkruis in het legioen van Eer en grootkruis in de Most Excellent Order of the British Empire. Hij, die zich wist "burger van het Rijk, dat geen einde zal hebben", overleed op donderdagavond 7 setpember 1961 in zijn woning aan de Haagse Kanaalweg en werd op 12 september op de begraafplaats Oud Eik en Duinen ter aarde besteld. Zie over hem o.a. Mr. E.N. van Kleffens, H. Algra, Prof. Mr. W.F. de Gaay Fortman, Prof. Mr. I.A. Diepenhorst en Drs. G. Puchinger in Anti-Revolutionaire Staatkunde, 31e jg. nr. 10, oktober 1961 "Ter nagedachtenis aan Prof. Mr. P.S. Gerbrandy"; Meyer Sluyser, "Daar zaten wij, impressies over Londen 40-45"; idem, "Bij de dood van Pieter Sjoerd Gerbrandy", Vrij Nederland 16 september 1961; de Handelingen van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en de onder nr. 3 in deze collectie berustende memoires.
Jeugd en eerste werkzaamheden Willem Drees, geboren op 5 juli 1886, groeide op in Amsterdam in een protestants-christelijk gezin. Zijn jeugd werd getekend door het vroege overlijden van zijn vader aan tuberculose. Willem was toen vijf jaar oud. Zijn moeder bleef achter zonder middelen van bestaan, want de bank waar haar man had gewerkt kende nog geen weduwenpensioen. Ze nam kostgangers in huis om in het levensonderhoud te voorzien. Haar zwager sprong bij door de huishuur en het schoolgeld van Willem en zijn twee zusters te betalen. Maar ook met de steun van deze oom Frits, die tevens de toeziend voogd van de kinderen was, kende het gezin een zeer sober bestaan. Na de lagere school bezocht Willem de driejarige HBS en de Openbare Handelsschool (OHS). De jaren 1901-1903 die hij doorbracht op de OHS waren van grote betekenis voor zijn verdere leven. Waren zijn ogen al eerder opengegaan voor maatschappelijk onrecht, nu kwam hij door enkele schoolvrienden in aanraking met het socialisme. Nadat hij een bijzonder felle verkiezingscampagne had meegemaakt, werd hij voorgoed voor het socialisme gewonnen. Op zijn achttiende verjaardag meldde hij zich aan als lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Een tweede radicale keuze betrof zijn breuk met het geloof. Hoewel hij ook op de zondagsschool een goede leerling was geweest, kwam hij tot de conclusie dat hij de geloofsbelijdenis niet kon onderschrijven. Het was een besluit dat zijn moeder en zusters verdriet deed, maar niet tot een breuk in familiekring zou leiden. Na zijn schooltijd trad Drees in dienst bij de Twentse Bank, waar ook zijn vader had gewerkt. Het bestaan van kantoorbediende beviel hem in het geheel niet. Na drie jaar nam hij dan ook ontslag om vervolgens van zijn hobby, de stenografie, zijn beroep te maken. In zijn schooltijd was hij geboeid geraakt door het nieuwe kortschriftsysteem van A.W. Groote en had zich ontwikkeld tot de beste beoefenaar van dat systeem. In 1906 werd hij aangesteld als stenograaf bij de Amsterdamse gemeenteraad en een jaar later werd hij aangenomen bij de stenografische dienst van de Staten-Generaal. Daarnaast stenografeerde hij als freelancer - hij had samen met Anton Jansen een eigen bureau - talloze vergaderingen van openbare lichamen, particuliere verenigingen en maatschappelijke organisaties. Zijn werkzaamheden als stenograaf vormden een belangrijke leerschool voor zijn latere politieke en bestuurlijke loopbaan. Minstens even belangrijk was het feit dat de functie hem veel vrije tijd liet. In de jaren 1907-1909 maakte hij daarvan gebruik door bij de marxistische econoom R. Kuyper te studeren voor het MO-examen staathuishoudkunde en statistiek. In de periode daarna besteedde hij zijn vrije tijd vooral aan zijn politieke activiteiten in Den Haag, waar hij zich na zijn huwelijk met To Hent definitief vestigde. Huwelijk en gezin To Hent was al vanaf de lagere school de hartsvriendin van Drees' jongere zuster Bets. Samen gingen ze naar de kweekschool en samen werden ze lid van zowel de stenografieclub als de korfbalclub die Bets' broer had opgericht. Toen Drees in 1907 een vaste aanstelling als parlementsstenograaf kreeg, vroeg hij haar ten huwelijk. Ze moesten daarvoor drie jaar sparen. To werkte in die tijd als invalleerkracht op verschillende Amsterdamse scholen, Drees zat in Den Haag als de Kamers vergaderden. Door de week schreven ze elkaar lange brieven, uiteraard in steno. In juli 1910 trouwden ze en betrokken een woning in Den Haag. Het echtpaar Drees kreeg vier kinderen, twee dochters en twee zoons: Annie (1911), Adri (1914), Jan (1919) en Wim (1922). Het voortijdige overlijden van hun zesjarige dochter Adri - aan de gevolgen van de Spaanse griep - betekende een grote slag voor het gezin. Drees heeft pas op hoge leeftijd in het openbaar iets kunnen zeggen over het grote verlies dat hij had geleden. Drees heeft lang in gezinsverband geleefd. Annie en Wim jr. verlieten het ouderlijk huis, trouwden en kregen kinderen. Maar Jan bleef, op een korte periode in bezettingstijd na, thuis wonen. Bovendien kwam ook Jaan Hent, een ongetrouwde zuster van zijn vrouw, na 1945 in het huis aan de Beeklaan wonen. Gemeentepolitiek en nevenfuncties Drees' politieke carrière verliep de eerste jaren vlot. In het najaar van 1910 werd hij bestuurslid van de Haagse SDAP-afdeling, een jaar later voorzitter. Die functie zou hij met een korte onderbreking bijna achttien jaar vervullen. In 1913 veroverde hij een zetel in de Haagse gemeenteraad, waarmee een diepgekoesterde wens in vervulling ging. Als stenograaf had hij namelijk de gemeentepolitiek van nabij meegemaakt en had hij gezien welk belangrijk werk op gemeentelijk niveau te verrichten viel. Binnen de SDAP-fractie nam hij spoedig een vooraanstaande plaats in. In 1917 was hij al kandidaat voor het wethouderschap en kort daarna werd hij fractievoorzitter. In september 1919 werd Drees de tweede socialistische wethouder van Den Haag, naast J.W. Albarda. Het wethouderschap was voor hem een bevredigende en belangrijke functie. Het was de tijd van het zogenoemde wethouderssocialisme: terwijl de SDAP in de landspolitiek veroordeeld was tot een jarenlange vruchteloze oppositie, bleek in de lokale politiek wel samenwerking mogelijk tussen sociaal-democraten en 'burgerlijke' partijen. 'Rode wethouders' slaagden erin om lokaal belangrijke voorzieningen te treffen onder meer op het gebied van de volkshuisvesting, sociale zorg en het onderwijs. Drees was van 1919 tot 1931 wethouder van Sociale Zaken, dat de gemeentelijke armenzorg, de werklozenzorg, de gezondheidszorg en ambtenarenzaken omvatte. Op al die terreinen bracht Drees aanzienlijke verbeteringen tot stand. Onder zijn leiding werd de gemeentelijke sociale zorg uitgebreid en op moderne leest geschoeid. In 1931 veranderde Drees van portefeuille en werd wethouder van Financiën en Openbare Werken. Er volgde een moeilijke tijd waarin de gevolgen van de grote economische crisis sterker voelbaar werden. Er waren bezuinigingen nodig onder meer op de salarissen van het gemeentepersoneel. Drees moest daarbij laveren tussen het gemeentebelang en de eisen en protesten van zijn achterban. In de laatste jaren van zijn wethouderschap nam ook het aantal bestuursfuncties dat hij vervulde toe, zowel binnen de partij als daarbuiten. De belangrijkste functies waren het lidmaatschap van de Provinciale Staten van Zuid-Holland (al sinds 1919) en het lidmaatschap van het landelijke partijbestuur van de SDAP (sinds 1927). Het aantal commissielidmaatschappen e.d. liep uiteindelijk in de tientallen. Landspolitiek In mei 1933 werd Drees lid van de Tweede Kamer. Kort daarop beëindigde hij met enige pijn in het hart zijn wethouderschap. Hij bleef wel gewoon lid van de Haagse gemeenteraad. Het lidmaatschap van de Tweede Kamer, waar de SDAP in een oppositierol was gedrongen, zou hem minder voldoening geven dan het bestuurlijke werk als wethouder. Zijn vele nevenfuncties vormden dan ook een welkome aanvulling op het parlementaire werk. In de Tweede Kamer trad Drees op als woordvoerder op het gebied van het binnenlands bestuur, de volkshuisvesting en de werklozenzorg. Gaandeweg kwam hij ook over algemene politieke onderwerpen te spreken. De bestrijding van de grote economische crisis stond centraal in Drees' werk binnen en buiten de Kamer. Hij voerde hardnekkig oppositie tegen het beleid van de kabinetten-Colijn. Al in een vroeg stadium zag hij de betekenis van nieuwe ideeën die in 1935 hun weerslag kregen in het Plan van de Arbeid, het alternatief van de SDAP voor de crisispolitiek van Colijn. In dezelfde tijd veranderde de SDAP geleidelijk van een ideologisch geïsoleerde arbeiderspartij in een bredere sociaal-democratische volkspartij. Drees juichte die ontwikkeling toe, zolang de omschakeling maar niet te snel ging voor de traditionele arbeidersachterban. Daarnaast was de SDAP de grote tegenstander van het opkomende fascisme en nationaal-socialisme. Drees liet zich niet onbetuigd en bestreed het fascisme op het scherpst van de snede: in artikelen, redevoeringen en in het debat met vertegenwoordigers van extreem-rechtse partijen. Toen de SDAP in augustus 1939 voor het eerst deelnam aan de landsregering, ging een ministerspost net aan Drees voorbij. Wel volgde hij partijleider Albarda, die minister werd, op als voorzitter van de SDAP-fractie in de Tweede Kamer. Hij heeft weinig tijd gekregen om een invulling aan die taak te geven. Nog geen jaar later kwam de Duitse inval. Samen met enkele partijgenoten probeerde Drees via IJmuiden naar Engeland te ontkomen, maar dat mislukte. Bezettingstijd De Duitse bezetting bracht dadelijk verandering in Drees' werkzaamheden. De Tweede Kamer kwam niet meer bijeen en de SDAP ging al snel ondergronds. Als partijbestuurder gaf Drees mede leiding aan de aanpassing van de organisatie aan de nieuwe omstandigheden. Daarnaast maakte hij deel uit van het overleg tussen de leiders van de zes grote politieke partijen, later Politiek Convent genoemd. Aan deze activiteiten kwam een eind doordat hij in oktober 1940 als zogenaamd Indisch gijzelaar in Buchenwald werd geïnterneerd, samen met andere vooraanstaande Nederlanders. Die maatregel was een represaille voor de internering van Duitse onderdanen in Nederlands-Indië. Als 'Ehrenhäftlinge' kregen de Nederlanders een speciale behandeling, maar zij waren vanachter het prikkeldraad wel getuige van de verschrikkingen in het eigenlijke concentratiekamp. Waren de leefomstandigheden nog draaglijk, het geringe contact met het thuisfront viel Drees zwaar. Hij mocht per maand slechts één brief naar huis schrijven en één ontvangen. Na precies een jaar, in oktober 1941, werd Drees uit Buchenwald vrijgelaten om gezondheidsredenen. Van jongsaf aan kampte hij met een gebrek aan maagzuur, een kwaal waarmee hij met een dieet en medicijnen goed kon leven, maar die in het kamp opspeelde. Korte tijd later werden de 'Indische gijzelaars' in Nederland geïnterneerd. In mei 1942 volgde een nieuwe interneringsgolf, waarbij ook Drees werd opgepakt en in St.-Michielsgestel terechtkwam. Na een week kwam hij weer vrij omdat hij eerder 'Lagerunfähig' was verklaard. Drees raakte vervolgens steeds meer betrokken bij illegale activiteiten, zoals de leiding van de verboden SDAP, het ondergrondse politiek overleg en de coördinatie van het verzet. Hij maakte deel uit en werd voorzitter van het Politiek Convent, het Nationaal/Vaderlands Comité en de Contact-Commissie der Illegaliteit. In augustus 1944 werd hij aangewezen als een van de Vertrouwensmannen der Regering, die voorbereidingen moesten treffen voor het landsbestuur in de overgangstijd direct na de bevrijding. Door deze opeenstapeling van functies werd Drees een spin in het web van het (politieke) verzet. Van belang daarbij was de omstandigheid dat hij tot het eind van de bezettingstijd op vrije voeten bleef, terwijl vele andere leidende figuren wegvielen van als gevolg van arrestaties. Wel leefde hij vanaf begin 1943 gescheiden van zijn gezin, afgezien van kortstondige bezoeken. Om het risico van arrestatie te verkleinen verbleef hij in Amsterdam, eerst bij zijn jongste zuster, later op een ander schuiladres. Minister van Sociale Zaken en vice-premier Gezien zijn belangrijke rol in de bezettingstijd kwam de benoeming tot kabinetsformateur, samen met W. Schermerhorn, niet onverwacht. Van het nieuwe kabinet van herstel en vernieuwing werd Schermerhorn premier, Drees minister van Sociale Zaken en vice-premier. Die portefeuilles behield hij in het volgende, 'rooms-rode' kabinet geleid door de katholiek L.J.M. Beel (1946-1948). Met het departement van Sociale Zaken was Drees op vertrouwd terrein. Hij trof belangrijke maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en arbeid en arbeidsvoorwaarden. Zijn Noodregeling Ouderdomsvoorziening van 1947, de voorloper van de AOW, maakte hem mateloos populair. Ouden van dagen gingen 'van Drees trekken' - een uitdrukking die de woordenboeken zou halen - en hij werd zelf al gauw 'Vader Drees'. Als partijman was hij nauw betrokken bij de vernieuwing van de SDAP. Al in de bezettingstijd had hij zich uitgesproken tegen de vorming van een brede progressieve volksbeweging met een vaag politiek program, in plaats van de terugkeer van de SDAP. Wel werkte hij met overtuiging mee aan een verdere verbreding, op sociaal-democratische basis, van de herrezen partij. Zo kwam in februari 1946 de Partij van de Arbeid tot stand uit een fusie van de SDAP en enkele kleinere partijen. Minister-president Het kwam enigszins als een verrassing dat Drees in 1948 minister-president werd. Niet de PvdA maar de KVP was bij de verkiezingen de grootste partij geworden. De katholieken wensten bij de formatie een 'bredere basis', deelname van CHU en VVD aan het kabinet, en waren bereid in ruil daarvoor het premierschap af te staan. Dat Drees tien jaar minister-president bleef, heeft achteraf iets vanzelfsprekends gekregen. Destijds was dat zeker niet zo, al was hij ook toen populair en gerespecteerd ook buiten zijn eigen achterban. De jaren vijftig gelden als saai en duf, maar waren dat in politiek opzicht geenszins. Geen enkel kabinet van premier Drees haalde zonder crisis de eindstreep. De verkiezingsstrijd van 1956 was uitzonderlijk fel en de formatie van Drees' laatste kabinet duurde lang. De dekolonisatie van Indonesië leidde in Drees' eerste kabinet tot grote moeilijkheden met de andere regeringspartijen. Net als in voorgaande jaren trachtten Drees en de PvdA-ministers een militaire confrontatie zoveel mogelijk te vermijden dan wel te beperken. Zij lieten uiteindelijk het belang van regeringsdeelname prevaleren. Bovendien zou de politiek tegenover Indonesië zonder de PvdA in de regering toch alleen maar verharden. Voor Drees was het een pijnlijk dilemma. De Indonesische kwestie typeerde hij later als 'vier jaar nachtmerrie'. Met grote bekwaamheid leidde Drees zijn vier kabinetten van PvdA en KVP, aangevuld met wisselende kleinere partijen. Hij besefte terdege dat binnen een coalitie van minderheidspartijen compromissen onvermijdelijk waren. Mede op grond van zijn lange politieke ervaring kende hij de wensen en gevoeligheden van de andere partijen en voelde zo goed aan welk compromis onder de gegeven omstandigheden haalbaar was. Was hij van zijn kant ook bereid bepaalde punten prijs te geven, hij stelde toch ook heel duidelijk waar de grenzen lagen: 'tot hier en niet verder'. Afgezien van de gebruikelijke politieke moeilijkheden en hoofdpijndossiers als de Indonesische kwestie en de Greet Hofmans-affaire had Drees het tij mee. Hij was premier in een tijd van opbouw, voortgaande wederopbouw van het land en opbouw van een stelsel van goede sociale voorzieningen. Hij verpersoonlijkte deugden als redelijkheid, soberheid, eenvoud en (sociale) rechtvaardigheid en wist zo het vertrouwen en gezag te winnen bij een groot deel van de bevolking. 'Vader Drees' werd een begrip en een symbool voor een tijdvak. 'Elder statesman' Zijn aftreden als minister-president betekende geen einde aan zijn politieke en bestuurlijke activiteit, al kon hij het rustiger aan gaan doen. De PvdA benoemde hem tot partijbestuurder voor het leven, een functie die hij serieus nam. Als minister van Staat werd hem geregeld om advies gevraagd, onder meer over de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het Koninklijk Huis. Verder pakte hij een oude draad op en zat enkele commissies voor. Hij was nu een man van 'losse karweitjes', zoals hij zelf in een interview verklaarde. Daarnaast schreef hij de eerste van verschillende boeken, terugblikkend op zijn leven. Door verminderd gehoor en gezichtsvermogen kon hij vanaf 1966 geen bestuurlijk werk meer verrichten en de vergaderingen van het partijbestuur van de PvdA niet meer bijwonen. Ondertussen baarden ontwikkelingen binnen de partij hem grote zorgen. Onder invloed van Nieuw Links voer de PvdA een meer radicale en polariserende koers en dreigde zelfs op te gaan in een progressieve volkspartij. Drees uitte zijn bezwaren daartegen in het openbaar, in artikelen en interviews in de krant, op radio en tv. In 1971 zette hij de pijnlijke stap en trad uit de partij. De vijandige reacties van sommige voormalige partijgenoten kwetsten hem diep. Een paar jaar later, in 1974, overleed zijn vrouw. Dat verlies liet een leegte achter in zijn leven. Voor steun en gezelschap was hij vooral aangewezen op zijn oudste zoon Jan, die hem al enige tijd hielp met zijn correspondentie. Drees werd steeds dover en ging steeds minder zien, maar zijn gestel was krachtig en zijn geest en geheugen bleven tot op hoge leeftijd goed. Hij bleef artikelen en boeken schrijven en interviews geven. Voor journalisten, wetenschappers, studenten en scholieren werd hij een belangrijke bron van informatie over vroeger tijden en actuele ontwikkelingen. Zijn laatste drie levensjaren was hij ziekelijk. In 1986 werd hij honderd jaar oud. Hij werd bedolven onder een enorme hoeveelheid post, bloemen en cadeaus, maar kon daar zelf nauwelijks kennis van nemen. Op 14 mei 1988 overleed hij, bijna 102 jaar oud. 2. Overige familieleden Johannes Michiel Drees (1858-1891) en Anna Sophia Drees-Van Dobbenburgh (1858-1954) waren de ouders van Drees. Beiden waren afkomstig uit de orthodox-hervormde kleine burgerij. De vader van Johannes Michiel was kruidenier, de vader van Anna Sophia was timmerman, later schuitenvoerder. Het echtpaar Drees-Van Dobbenburgh kreeg vier kinderen: Grietje, Willem, Christina Elisabeth en Johannes Michiel (die na vijf maanden stierf). Vader Johannes Michiel had een goede betrekking als kantoorbediende bij de Twentsche Bank, maar overleed op 33-jarige leeftijd aan tuberculose. Anna Sophia bleef achter zonder middelen van bestaan, want de bank kende nog geen weduwenpensioen. Ze nam kostgangers in huis om in het levensonderhoud te voorzien. Haar zwager Frederik Drees sprong bij door de huishuur en het schoolgeld van de kinderen te betalen. Toen de kinderen volwassen waren voorzagen zij in het onderhoud van hun moeder, die haar verdere leven bij haar jongste dochter Bets inwoonde. Christina Elisabeth Beck-Drees (1888-1968), roepnaam 'Bets', was de jongere zuster van Drees. Zij bezocht de kweekschool in Amsterdam, maar ging daarna naar kantoor. Zij was later actief in het maatschappelijk werk, onder meer voor de Vereniging van Nederlands-Hervormde Vrijwillige Verzorgsters en de Burgerlijke Instelling voor Maatschappelijke Zorg in Amsterdam. Haar sociale bewogenheid kwam net als bij haar broer voort uit een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, maar ook uit een diep religieus besef. Voor de oorlog was ze actief in de kleine progressieve protestantse partij Christelijk-Democratische Unie. Na de oorlog sloot ze zich aan bij de PvdA en was onder meer actief in de Protestants-Christelijke Werkgemeenschap binnen die partij. Ze was gehuwd met H.L. Beck van 1916 tot 1936 (echtscheiding) en kreeg twee zoons. Haar moeder woonde bij haar in. Catharina Drees-Hent (1888-1974), roepnaam 'To', was Drees' echtgenote. Ze leerden elkaar kennen via Bets Drees, bij wie To in de klas zat. To was afkomstig uit een vrijzinnig-hervormd, kleinburgerlijk milieu. Haar vader was loper voor een verzekeringsmaatschappij en aanspreker. To bezocht de kweekschool en werkte van 1907 tot 1910 als onderwijzeres in Amsterdam. In juli 1910 trouwde ze met Drees en verhuisde naar Den Haag. Het echtpaar Drees-Hent kreeg vier kinderen, twee dochters en twee zoons: Annie (1911), Adri (1914), Jan (1919) en Wim (1922). Hun jongste dochter Adri overleed op zesjarige leeftijd aan de gevolgen van de Spaanse griep. To droeg zorg voor het gezin en het huishouden. Vooral zij onderhield ook de meeste contacten met de familie en schoonfamilie in Amsterdam. Ze deelde de idealen van haar man en was lid van verschillende organisaties in de sociaal-democratische beweging, maar zonder daarin actief te zijn. Het gaf haar voldoening dat ze haar man in staat kon stellen zich volledig op zijn werkzaamheden te concentreren. Toen de kinderen groot waren, was ze jarenlang bestuurslid van de vereniging 'Licht, Liefde, Leven' die zich inzette voor huishoud- en nijverheidsonderwijs aan meisjes. Als echtgenote van de minister-president trad ze weinig op de voorgrond. Ze leidde de groep ministersvrouwen die regelmatig bijeenkwam. Verder vervulde ze trouw haar representatieve taken, maar stond liever niet in de schijnwerpers. Interviews gaf ze niet; alleen intimi kwamen te weten hoe sterk To meeleefde met de politieke ontwikkelingen en hoe krachtig haar opvattingen waren. De vele vijandige reacties op het uittreden van Drees uit de PvdA, in 1971, raakten ook To diep. Haar laatste levensjaren kampte ze met een zwakke gezondheid en een verminderde geestkracht. Ze overleed op 30 januari 1974 plotseling aan een hartstilstand, 85 jaar oud. Johannes Michiel Drees (1919-2002), roepnaam 'Jan', was Drees' oudste zoon. Hij bezocht het Gymnasium Haganum en studeerde vervolgens Nederlands recht in Leiden (1936-1941). In de bezettingstijd was hij als ambtenaar werkzaam voor het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, tot hij in het kader van de Arbeidsinzet bij de Gemeentelijke Crisis- en Distributiedienst in Den Haag werd geplaatst. Na de bevrijding trad hij als bedrijfsjurist in dienst bij NV De Centrale Arbeiders- Verzekerings- en Depositobank, later genaamd De Centrale Verzekeringen NV. Naast zijn hoofdfunctie (laatstelijk hoofd van de afdeling Beleggingen) was hij bestuurslid, later secretaris-penningmeester van het Pensioenfonds van De Centrale, en secretaris-penningmeester van de Stichting Financieel Bureau Academici. In juli 1968 nam hij ontslag bij De Centrale. Op achttienjarige leeftijd meldde Jan Drees zich aan bij de SDAP. Hij was actief als bestuurslid van zijn afdeling en later als penningmeester van de federatie-Den Haag van de PvdA (1949-1966). Eind 1968 maakte hij deel uit van het comité Democratisch Appèl van PvdA-leden die verontrust waren over de radicalisering van de partij. In juni 1970 verliet hij de partij en werd lid van Democratisch Socialisten '70. Van december 1970 tot begin jaren tachtig zat hij in het hoofdbestuur van DS'70. Daarnaast maakte hij deel uit van de redactie van de partijorganen Politiek Bulletin en Het Buitenhof. Jan Drees trouwde niet en bleef, op een korte onderbreking in de bezettingstijd na, in zijn ouderlijk huis wonen. Vanaf 1970 was hij zijn vader in toenemende mate behulpzaam onder meer bij diens correspondentie. Op dictaat van zijn vader of aan de hand van diens stenografische concepten typte hij brieven en teksten van artikelen uit. In diens laatste levensjaren (1985-1988) beantwoordden hij en zijn broer Wim Drees jr. zelf de ingekomen post, namens hun vader. Jan Drees overleed op 1 maart 2002.
Algemeen Na de Duitse inval had op 13 mei 1940 de gehele Nederlandse regering "het land verlaten teneinde van het buitenland uit den strijd voor onafhankelijkheid en het herstel van de vrijheid voort te kunnen zetten". De regering werd aanvankelijk alleen ondergebracht in Grosvenor House; in juni kreeg men de beschikking over diverse andere gebouwen in Londen. Het departement van Binnenlandse Zaken was achtereenvolgens gehuisvest in Grosvenor House, Stratton House, Arlington House en Mexborough House. In de eerste jaren waren er weinig mensen in dienst. De ambtelijke top was voor het overgrote deel in Nederland achtergebleven. Het personeel bestond uit Engelandvaarders, Nederlanders die in Engeland woonden, Nederlanders die uit Nederlands-Indië gehaald waren en Engelsen. De laatsten werden vooral ingezet in functies als bode, chauffeur en typiste. De werkzaamheden van de regering waren in de eerste oorlogsjaren gering. Er was weinig contact met Nederland en men dacht dat de oorlog snel voorbij zou zijn. Hierdoor kregen enkele ministers de zorg over meerdere departementen en veranderde de samenstelling van de departementen vaak. In deze inventaris zijn de archieven van de ministeries van Binnenlandse Zaken en van Algemene Zaken gezamenlijk behandeld, aangezien deze geruime tijd, namelijk 3 september 1940 - 31 mei 1944, onder leiding van dezelfde minister hebben gestaan en met gemeenschappelijk personeel werkten. Door deze constructie is vermenging van de stukken opgetreden. De inventaris bestaat daarom uit: het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken te Londen, aldaar gevestigd gedurende de jaren 1940 - 1945; het archief van het Ministerie van Algemene Zaken te Londen, vanaf 1940 tot aan de opheffing van het departement in 1945 ( Van 3 september 1940 tot 23 februari 1945.); het archief van de minister zonder Portefeuille, mr. J.A.W. Burger, van 1943 tot 1944 ( Van 11 augustus 1943 tot 31 mei 1944). Gedurende de eerste twee jaren van het verblijf van de Nederlandse Regering in Londen waren de werkzaamheden van beide ministeries nog van beperkte aard, hetgeen te begrijpen valt als men bedenkt, dat vooral in die periode het contact met Nederland nog uiterst gering was en de onderwerpen welke tot de normale taak van beide departementen behoorden, over het algemeen weinig werkzaamheden in het buitenland met zich meebrachten. De voornaamste taak, het binnenlands bestuur, werd uitgevoerd door het achtergebleven departement van Binnenlandse Zaken in Nederland dat begin 1943 voor het grootste deel naar Apeldoorn verhuisde. Zeker in de begin periode werden veel commissies en overlegorganen ad hoc ingesteld zonder expliciete taakomschrijving. Wet en regelgeving vond in gezamenlijk overleg plaats, wat er op neer kwam dat meerdere departementen zich ermee bezig hielden. Er was niet in alle gevallen een duidelijke scheiding van taken. Ministerie van Binnenlandse Zaken De heer H. van Boeyen werd tijdens het vierde kabinet Colijn in 1937 minister van Binnenlandse Zaken. In mei 1940 vluchtte hij als enige van Binnenlandse Zaken naar Londen, hoewel er enkele hoge ambtenaren klaarstonden om hem te begeleiden. H. van Boeyen was bovendien sinds 3 september 1940 a.i. minister van Algemene Zaken. In 1941 werd Van Boeyen tijdelijk belast met de zorg van het Ministerie van Defensie, welke later gesplitst werd in Oorlog en Marine. In die beginperiode hield het Ministerie van Binnenlandse Zaken zich voornamelijk bezig met zaken, betrekking hebbende op de organisatie van de regering zoals die in Londen functioneerde en met de zorg voor Nederlanders die zich buiten Nederland bevonden. De Nederlandse regering in ballingschap bood, net als voor de oorlog, onderstand aan Nederlanders in het buitenland zoals Roemenië, België, Algiers en China en omringende landen. Deze taak lag bij Binnenlandse Zaken, het "Bureau ondersteuning van behoeftige Nederlanders in het buitenland" viel onder de afdeling Armwezen. De ondersteuning geschiedde "ter voorkoming van hunne uitleiding naar het vaderland wegens armlastigheid". De grote groep Nederlandse vluchtelingen verspreidde zich over een deel van (onbezet) Europa. Via België en Frankrijk kwam men in Zwitserland, Zweden, Spanje en Portugal. De meesten meldden zich vrijwillig bij de Nederlandse Strijdkrachten of bij de Nederlandse Koopvaardij. Zij die daar niet geschikt voor waren reisden door naar Curaçao en, via Jamaica, naar Suriname. Het toezicht op de vluchtelingen berustte bij het gezantschap in het betreffende land, de verantwoordelijkheid lag bij de minister van Binnenlandse Zaken. De Nederlanders die naar Engeland kwamen werden Engelandvaarders of Overgekomen Nederlanders (ON) genoemd. Sommigen waren rechtstreeks vanuit Nederland, door middel van vliegtuigen en schepen, in Engeland aangekomen. De meesten kwamen via de neutrale landen zoals Zwitserland, Spanje, Portugal en Zweden. De Engelandvaarders konden zich niet vrij bewegen in Engeland, zij werden eerst verhoord door de MI-5, de Engelse inlichtingendienst, later door de Centrale Inlichtingendienst en het Bureau Derksema. Deze maatregelen werden genomen omdat er zich regelmatig Duitse agenten bevonden onder de vluchtelingen. Tevens konden de Engelandvaarders nuttige informatie leveren voor het Bureau Documentatie betreffende de situatie in het bezette Nederland. De Engelandvaarders werden na verhoor ondergebracht in tehuizen. Deze tehuizen stonden onder zorg en toezicht van de minister van Binnenlandse Zaken. De bedoeling van de tehuizen was de Engelandvaarders, voordat "zij hun taak hier in Engeland gaan vervullen, een rustig verblijf in Hollandsche sfeer te verschaffen". In het Spaarbesluit 1941 van 28 februari 1941 werd een Spaardienst van rijkswege voor de in Groot-Brittannië en Noord-Ierland verblijvende Nederlanders ingericht. De minister van Binnenlandse Zaken was samen met de minister van Financiën belast met dit besluit. Bij ministeriële beschikking van 21 april 1941 werd per 1 mei van dat jaar de organisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als volgt vastgesteld: - Afdeling 1 - hoofd: dr. J.Th.A.H. van der Putten - taken: algemene zaken, wetgeving, bestuur en bestuursverandering in Nederland tijdens de bezetting, pensioenwetgeving, ambtenarenzaken en aangelegenheden van het Ministerie van Algemene Zaken - Afdeling 2 - hoofd: J.W. Stipthout - taken: comptabiliteit, opmaken en uitvoeren van de begroting, interneringszaken, uitvoering van de voorschotten-regeling pensioenen c.s. arbeid derden, gelden ten goede rekening - Afdeling 3 - hoofd: J. Wondergem - taken: Rijksspaardienst, armwezen, index en agenda, archief, toezicht afdoening van stukken - Afdeling 4 - taken: secretarie, geheim archief, index, agenda en archief Ministerie van Algemene Zaken, registratie Kanselarij De post- en archiefzaken van beide departementen werden verzorgd door de secretaresse van de minister, mej. M. Tailleur. De registratie Kanselarij werd waargenomen door J. Wondergem. Eind 1941 was Van Boeyen wegens een operatie tijdelijk afwezig. G. Bolkestein nam de departementen van Binnenlandse Zaken en Algemene Zaken voor hem waar en J.Th. Furstner kreeg de zorg voor het departement van Oorlog. In de loop van 1942 en daarna breidde de taak van het departement zich echter vrij snel en gestadig uit, niet alleen door de intensivering van de zorg voor de vluchtelingen en de geleidelijke groei van het ambtelijk apparaat in Engeland, maar ook omdat men zich meer en meer ging concentreren op de terugkeer naar Nederland. Dit laatste bracht een vrij omvangrijke wetgevende arbeid met zich mee en een zich steeds uitbreidende documentatie over de staatsorganisatie in Nederland en de overheidsfunctionarissen aldaar. In de - vermoedelijk in 1943 uitgegeven - "Beknopte Almanak van het Departement van Buitenlandse Zaken" is de organisatie van het Departement van Binnenlandse Zaken als volgt vermeld: - 1e Afdeling - hoofd: mr. J.G. Kist - taken: wetgeving, terugkeervraagstukken, algemene leiding van de andere afdelingen - 2e Afdeling - hoofd: W.C. Kraan - taken: comptabiliteit, pensioenbetalingen, voorschotten op pensioenen, sociale renten, enz. - 3e Afdeling - hoofd: J. Wondergem - taak: Rijksspaardienst - 4e Afdeling - hoofd: dr. J.Th.A.H. van der Putten - taken: ambtenaren- en pensioenzaken, zaken betreffende de Posterijen, Telegrafie en Telefonie, algemene zaken, Kanselarij der Ridderorden - 5e Afdeling - hoofd: C.W.E. Wilde - taak: huishoudelijke dienst - 6e Afdeling - hoofd: J.P. Zoethout - taken: maatschappelijk werk, armenzorg, vluchtelingenzaken, verzorging Engelandvaarders, geïnterneerdenzorg, krankzinnigenzorg, burgerlijke stand en bevolkingsregistratie. - Afdeling Volkshuisvesting - hoofd: mevrouw ir. A.P. van Rood - Centraal Inkoopkantoor - hoofd: H. Slack - Bureau Documentatie - hoofd: C.M. Olifiers - Bureau Zuivering - hoofd: F.J. van der Kroon - Rijksradio-inspectie - hoofd: ir. L.F. Meyer - Centrale Dienst van de Rijksspaardienst - beheerder: J. Wondergem - Raad van Toezicht op de Rijksspaardienst - samenstelling: Jhr. mr. A.M.C. van Asch van Wijck, voorzitter; M.C. Noë, secretaris; J. ten Doesschate; mr. J.G. Kist; A. Meinsma; W.D. Neervoort; K. Punter - Commissie van Advies voor Personeelszaken - samenstelling: Jhr. mr. A.M.C. van Asch van Wijck, voorzitter; dr. J.Th.A.H. van der Putten, secretaris; A.Th. Lamping; mr. H. van Everdingen Op 31 mei 1944 (Stcr. no. 5) kreeg Van Boeyen eervol ontslag als minister van Binnenlandse Zaken en werd hij definitief minister van Algemene Zaken. Mr. J.A.W. Burger werd aangesteld als minister van Binnenlandse Zaken. Hij had tijdens de bezetting een advocatenpraktijk in Dordrecht. In mei 1943 stak hij over naar Engeland waar hij met ingang van 16 augustus 1943 werd benoemd tot minister zonder Portefeuille. Bij koninklijk besluit van 3 juni 1944 werden verschillende taken van Binnenlandse Zaken overgedragen aan het Ministerie van Algemene Zaken. De organisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd toen als volgt: Leiding: mr. J.G. Kist Plv: mr. H.P. Linthorst Homan - Afdeling 1 - hoofd: mevrouw H. van Praag-Sanders - taken: personeelsaangelegenheden, speciale werkzaamheden voor de minister - Afdeling II - hoofd: dr. F. Hage - taken: comptabiliteit, armenzorg, krankzinnigenzorg, materiele geïnterneerdenzorg, personeelszaken, secretarie, archief en typekamer - Afdeling III - hoofd: P.J. Koene - taken: burgerlijke stand, bevolkingsregistratie - Bureau Zuivering - hoofd: F.J. van der Kroon - Bureau Documentatie- hoofd: C.M. Olifiers Op 27 januari 1945 kreeg mr. J.A.W. Burger eervol ontslag, mede naar aanleiding van zijn ideeën over het zuiveringsbeleid. Door het aftreden van Burger op 27 januari 1945 werd Van Boeyen minister van Binnenlandse Zaken a.i. Bij de vorming van het derde kabinet Gerbrandy op 23 februari 1945 werd Dr. L.J .M.Beel minister van Binnenlandse Zaken. Ministerie van Algemene Zaken Het departement van Algemene Zaken werd opgericht in 1937. Jhr. Mr. DJ. de Geer was minister a.i. van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940. Op 3 september 1940 werd de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, H. van Boeyen, ad interim belast met de leiding van het Ministerie van Algemene Zaken. Daardoor verviel de facto de scheiding tussen beide ministeries. Door het a.i. ministerschap van Van Boeyen kwam Algemene Zaken bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De primaire taak van Algemene Zaken, het coördineren van het regeringsbeleid, werd vervuld door het Ministerie voor Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk, dit was opgericht op 21 mei 1942. De taken m.b.t. het voorzitterschap, het vice-presidentschap en het lidmaatschap van het parlement en de Raad van State waren vervallen door de afwezigheid van deze colleges. Van de Regeringspersdienst was geen personeel over gekomen. Er werd in Engeland een nieuwe, soortgelijke, dienst opgericht; de Regeringsvoorlichtingsdienst. Deze kwam te ressorteren onder het departement van Buitenlandse Zaken, de beleidsverantwoordelijkheid lag echter bij de minister-president. De behandeling van de adelszaken, de wapens van publiekrechterlijke lichamen en de ridderorden bleven taken van Algemene Zaken. Bij koninklijk besluit van 3 juni 1944 werden verschillende taken van Binnenlandse Zaken overgedragen aan het Ministerie van Algemene Zaken. Het betrof hier o.a. de volkshuisvesting en de binnenlandse evacuatie, het staatsbedrijf der P.T.T. en de Postcheque- en Girodienst, de Rijkspostspaarbank en de Rijksspaardienst. Bij K.B. nr. 7 van 31 mei 1944, werd Van Boeyen benoemd tot minister van Algemene Zaken. De organisatie van het Ministerie van Algemene Zaken zag er toen als volgt uit: - Ambtenarenwet en ambtenarenzaken. Pensioenwet - hoofd: dr. J.Th.A.H. van der Putten - Volkshuisvesting en binnenlandse evacuatie - hoofd: mevrouw ir. A.P. van Rood - Oorlogsslachtoffers - hoofd: mr, J. Razoux Kuhr - P.T.T. Rijkspostspaarbank - beheerder: J. Wondergem - Engelandvaarders en vluchtelingen - hoofd: J.P. Zoethout - Huishoudelijke Dienst en Inkoopbureau - hoofd: C.W.E. Wilde - Kabinet en Archief - hoofd: mevrouw J.H. van Os Bij K.B. van 23 februari 1945 werd het Departement van Algemene Zaken opgeheven, alle de taken gingen over naar Binnenlandse Zaken. In oktober 1947 is het departement van Algemene Zaken weer ingesteld. Minister zonder portefeuille J.A.W. Burger is van 16 augustus 1943 tot 31 mei 1944 Minister zonder Portefeuille geweest, vanuit die functie heeft hij een gedeelte van zijn archief meegenomen naar zijn nieuwe functie, minister van Binnenlandse Zaken.
De Rotterdamsche Bank NV werd opgericht in Rotterdam op 16 mei 1863 door een groep zakenlieden en bankiers, waaronder Marten Mees, firmant van R. Mees & Zoonen, die hiermee onbedoeld een toekomstige, geduchte concurrent voor zijn Rotterdamse kassiersbedrijf creëerde. De werkzaamheden startten op 1 oktober 1863. Het idee van de oprichters was om, onder meer naar Engels voorbeeld van de Colonial Bank, een kredietinstelling in het leven te roepen die zou voorzien in de groeiende kapitaalbehoefte van bedrijven in Nederlands-Indië. In januari 1864 werd de Commanditaire Vereeniging (kredietvereniging) opgericht als dochter van de Rotterdamsche Bank. Door een te ambitieuze opzet leed de bank forse verliezen in Indië. Daarnaast leverde de zogenaamde Pincoffs-affaire (1879) de Rotterdamsche Bank een schadepost op van circa ƒ 875.000,-. Wijs geworden beperkte de bank daarna haar activiteiten tot Nederland. Met de komst van directeur Willem Westerman in 1904 begon een periode van uitbreiding. Op 19 april 1911 fuseerden de Rotterdamsche Bank en de NV Deposito- en Administratie-Bank in Rotterdam tot de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De werkzaamheden van de bank startten op 1 juli 1911. Beide banken vulden elkaar goed aan; de Rotterdamsche Bank was vooral een handelsbank, de Deposito- en Administratie Bank een effectenbank en beide zochten bovendien toegang tot de Amsterdamse Effectenbeurs. De Rotterdamsche Bankvereeniging wist dit doel nog in datzelfde jaar te bereiken door de oude Amsterdamse firma Determeijer Weslingh & Zoon over te nemen. Dit wekte indertijd nogal wat beroering in financiële kringen, gezien de rivaliteit tussen hoofdstad en Maasstad. Twee jaar later werd Labouchere, Oyens & Co's Bank in Amsterdam, een voortzetting van de firma Ketwich & Voombergh, overgenomen, in december 1915 de Nationale Bank te `s-Gravenhage (gelieerd aan de Deposito- en Administratie Bank), gevolgd door vele lokale banken. De Rotterdamsche Bankvereeniging groeide in enkele jaren méér dan in de eerste vijftig jaar van haar bestaan en werd een van Nederlands grootste banken. Deze stappen van de bank gelden als het begin van de concentratie en concernvorming van de algemene banken in Nederland. De schaalvergroting bij de banken hield gelijke tred met die in het bedrijfsleven en ging veelal ten koste van de kleinere banken. De nieuwe filialen van de bank werden vanaf 1916 grotendeels verworven door het overnemen van kleine bankiersfirma's. Deze bedrijven werden aanvankelijk niet opgenomen in de eigen organisatie, maar ondergebracht in de dochterondernemingen de Nationale Bankvereeniging (Nato) in Utrecht of de Zuid-Nederlandsche Handelsbank (Zuidbank) in Tilburg. De Zuidbank ging per 1 december 1920 op in de Nato. Op 1 januari 1929 werd vervolgens het gehele bedrijf van de Nato ondergebracht in de Rotterdamsche Bankvereeniging. In dezelfde periode was de Rotterdamsche Bankvereeniging actief betrokken bij de oprichting van overzeebanken, waaronder de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika, de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee, de Bank voor Indië, de Hollandsche Bank voor West-Indië en de Russisch-Hollandsche Bank. Een overmatig optimisme, gebaseerd op de hausse na de Eerste Wereldoorlog die echter omsloeg in een baisse door de economische crisis in Duitsland, leidde in de jaren 1922-1925 tot een algemene bankcrisis. De Rotterdamsche Bankvereeniging was een van de meest opvallende slachtoffers. In de voorafgaande expansieperiode bleek de Rotterdamsche Bankvereeniging te veel krediet te hebben verleend, zonder voldoende reserves aan te leggen. Minister van Financiën Colijn gaf in 1924 persoonlijk opdracht aan De Nederlandsche Bank om de Rotterdamsche Bankvereeniging te hulp te schieten, waarna alle deelnemingen in banken met buitenlandse vestigingen werden afgestoten. Rond 1927 was de crisis bezworen en ging de bank verder, echter zonder president Westerman. Op 21 juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een vergaande samenwerking; door de oorlogsomstandigheden werden deze fusieplannen op 7 oktober 1939 afgeblazen. In oktober 1947 werd de oude naam 'Rotterdamsche Bank' weer ingevoerd. Op 28 oktober 1960 werd aangekondigd dat de Nationale Handelsbank zou werden overgenomen. Per 1 mei 1961 trad het personeel van deze bank in dienst van de Rotterdamsche Bank. De volledige integratie had in de daarop volgende jaren plaats. Door deze overname kreeg de Rotterdamsche Bank de beschikking over vestigingen in het Verre Oosten, alsmede een dochterbedrijf in Canada, The Mercantile Bank of Canada. Deze vestigingen werden echter allemaal vóór 1965 verkocht. In 1964 werden de oude contacten tussen Rotterdamsche Bank en Amsterdamsche Bank met succes weer opgepakt. Op 11 juni 1964 kondigden beide banken aan te gaan fuseren tot de Amsterdam-Rotterdam Bank NV. Voor de Rotterdamsche Bank was dit een logische ontwikkeling in het kader van het door haar zelf in gang gezette proces van bankconcentratie. De Rotterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Rotterdamsche Bank, als vennootschap, bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan. Oprichting, doel en kapitaal De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Tot deze groep behoort de Rotterdamsche Bank NV, opgericht in 1863. Het initiatief tot oprichting kwam van een groep Rotterdamse firma's, te weten de kassiersfirma's R. Mees & Zoonen, Jan Havelaar & Zonen, de Gebr. Chabot en Schaay en Madrij, alsmede de koopman en reder H. Müller Szn. En de handelsfirma J.W. Bunge. Zij belegden op 16 mei 1863 een vergadering met als doel de oprichting van een 'handelsbank'. De koninklijke goedkeuring van de statuten volgde op 28 juni. De vennootschap werd aangegaan voor vijftig jaar. De bank begon, onder de naam Rotterdamsche Bank NV, haar werkzaamheden op 1 oktober van dat jaar. De doelstellingen van de nieuwe vennootschap waren ambitieus. Naar het voorbeeld van een aantal buitenlandse bankinstellingen wilde men gaan fungeren als bank voor de koloniale handel en nijverheid, ofwel als bemiddelaar tussen het kapitaaloverschot in Nederland en de grote kapitaalbehoefte van de koloniale handel en de cultuur- en andere bedrijven in Nederlands-Indië. Hiervoor zou een agentschap of filiaalbank op Java in het leven (moeten) worden geroepen. Behalve de activiteiten ten aanzien van de koloniën, door de oprichters zonder meer als de primaire activiteiten beschouwd, zou de bank zich volgens de statuten verder moeten richten op het openen van geconfirmeerde kredieten, het opnemen van gelden à deposito tegen vergoeding van rente, de handel in edele metalen, bevordering van de oprichting van maatschappijen van handel, nijverheid en landbouw, het verstrekken van geldleningen aan bedrijven, overheidslichamen en andere openbare instellingen en verder alle bank- en geldoperaties in de ruimste zin des woords. Later werd dit in de statuten samengevat als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operatiën in het algemeen. Tot 1911 (oprichting van de Rotterdamsche Bankvereeniging) waren het nemen van aandeel in andere ondernemingen en maatschappijen en het drijven van handel in goederen of effecten voor eigen rekening uitdrukkelijk van de werkkring uitgesloten. Tot dat jaar was verder het deelnemen in syndicaten voor de uitgifte van leningen en van aandelen aan de goedkeuring van de commissarissen gebonden. Vanaf 1911 werd ook vermogensbeheer en het optreden als trustee bij obligatieleningen tot de werkkring gerekend. In de statuten van 1947 werd het bezorgen van assurantiën toegevoegd. Om de nieuwe instelling te financieren werden aandelen geëmitteerd. Het maatschappelijk kapitaal werd bij de oprichting vastgesteld op ƒ 15.000.000,-, gesplitst in drie series van ƒ 5.000.000,-. In eerste instantie werd de emissie beperkt tot één serie, waarvan ƒ 4.000.000,- bedoeld was voor de oprichters en ƒ 1.000.000,- werd geplaatst. Dat er bij het publiek vertrouwen bestond in de toekomst van het bedrijf blijkt uit het resultaat van de inschrijving van maar liefst ƒ 58.498.750,-, waardoor uiteindelijk slechts 1,709% van de inschrijvingen kon worden toegewezen! De tweede en derde serie aandelen werden in 1864 geëmitteerd. Vanwege de in 1873 inzettende crisis werd in 1875 het maatschappelijk kapitaal gereduceerd door terugkoop van eigen aandelen. In 1880 volgde een nieuwe reductie door de waarde van de aandelen van ƒ 250,- terug te brengen naar ƒ 200,- en die van ƒ 125,- naar ƒ 100,-. In de twintigste eeuw werd het kapitaal stelselmatig verhoogd tot ƒ 50.000.000,- in de vijftiger jaren, met name wegens aanpassing aan de sterk groeiende omvang van de deposito's en crediteuren. Reeds in 1872 werden de aandelen Rotterdamsche Bank genoteerd op Duitse beurzen. In 1912 volgde notering op de beurs van Parijs. Toezichthoudende organen Aandeelhouders De eigendom van en zeggenschap over de Rotterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. Of, zoals uitgedrukt in de statuten ten aanzien van de vergadering van aandeelhouders, zij 'vertegenwoordigt het gansche ligchaam der vennootschap'. De algemene vergadering van aandeelhouders of aanvankelijk, in termen van de statuten, de deelhebbers moest jaarlijks plaatsvinden, aanvankelijk in de drie eerste maanden van elk jaar, na de afsluiting van de balans, later in mei of uiterlijk in juni. Buitengewone vergaderingen vonden plaats zo vaak als commissarissen, directie of de vertegenwoordigers van een statutair bepaald deel van het kapitaal dit verlangden. De vergaderplaats was Rotterdam. Alle aandeelhouders waren tot het bijwonen van de vergadering gerechtigd. Stemgerechtigd waren aanvankelijk allen, die hun aandelen reeds een bepaald aantal maanden vóór uitschrijving van de vergadering bezaten, later allen die hun aandelen bij uitschrijving van de vergadering bezaten. Voor de toekenning van het aantal stemmen per aandeelhouder werd een bepaalde sleutel gehanteerd, die onder meer inhield dat niemand meer dan zes stemmen mocht uitbrengen, ook niet als gevolmachtigde van anderen. Besloten werd met meerderheid van stemmen, behalve bij wijziging van de statuten en enkele andere zaken, waarvoor afwijkende regels golden. De vergadering werd voorgezeten door de voorzitter van het college van commissarissen. Als secretaris fungeerde de directiesecretaris. De agenda van de vergadering bevatte doorgaans de volgende punten: kennisnemen van de balans, na goedkeuring hiervan door een daartoe samengestelde commissie (zie onder); kennisnemen van het door de commissarissen overlegde rapport over de toestand van de vennootschap; verkiezen van de commissarissen, en op voordracht van de commissarissen benoemen c.q. ontslaan van leden van de directie; kiezen van de commissie tot goedkeuring van de balans; besluiten over vergroting/verkleining van het maatschappelijk kapitaal of emissie van nieuwe series aandelen; besluiten over statutenwijziging en ontbinding der vennootschap; behandelen van en besluiten op voorstellen van commissarissen en directie alsmede van aandeelhouders (mits door een bepaald deel van het kapitaal gesteund). College van Commissarissen en het Comité uit Commissarissen De eerste commissarissen werden benoemd door de oprichters. Vervolgens werden zij benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, vanaf 1920 op voordracht van twee in functie zijnde commissarissen. Hun aantal werd aanvankelijk vastgesteld op tien. Via latere statutenwijzigingen werd dit aantal nogal eens veranderd. Meestal werd dan het minimum aantal op zeven bepaald, en varieerde het maximum aantal; de statuten van 1920 bijvoorbeeld stelden dit maximum op 25. Vanaf 1872 gold de regel dat een bepaald percentage in Nederland woonachtig moest zijn. Jaarlijks trad een deel van de leden af, volgens rooster. Ze waren dan wel herkiesbaar. Alle commissarissen dienden aanvankelijk 50 aandelen op naam te bezitten; in 1869 werd dit aantal teruggebracht tot 25, en bij de vorming van de Rotterdamsche Bankvereeniging in 1911 was deze voorwaarde uit de statuten geschrapt. Op verzoek van de commissarissen konden directieleden de vergaderingen bijwonen. Blijkens de notulen was dit over het algemeen het geval. Het college vergaderde aanvankelijk minstens eenmaal per week, in later tijd zovaak men dat nodig achtte. Vergaderd werd in Rotterdam. Vanaf 1905 werden taken en bevoegdheden in de statuten in tamelijk algemene termen omschreven: de commissarissen waren belast met het toezicht over het beheer van de vennootschap, met het geven van advies en voorlichting aan de directie, waar zij dit nodig achtten, en het bewaken van een trouwe naleving van de statuten. De oudere statuten waren wat uitvoeriger en noemden onder meer: toezien op de handelingen van de directie; waken voor een juiste naleving van de statuten en een goede exploitatie van de vennootschap; voordragen tot benoeming van directieleden en vaststellen van hun inkomen; schorsen en voordragen tot ontslag van directieleden; besluiten, op voordracht van de directie, inzake vestiging van filialen en agentschappen; vaststellen, op voordracht van de directie, van de balans en de hoogte van het dividend; bepalen van de handelwijze in buitengewone gevallen; goedkeuren van de deelneming in syndicaten en consortiums. Via een statutenwijziging in 1869 kreeg het college de bevoegdheid om uit haar midden een commissie van drie leden te benoemen, met de naam Commissie van Toezicht. Deze naam zou overigens in de loop der tijd nogal eens veranderen, in Commissie uit Commissarissen, Comité uit Commissarissen en in 1958 in Raad van Toezicht. Namens de commissarissen hield zij toezicht op de handelingen van de directie, rapporteerde zij aan de commissarissen over de toestand van de vennootschap, adviseerde zij desgevraagd de directie en besliste zij bij geschillen binnen de directie. Feitelijk fungeerde deze commissie als een soort dagelijks bestuur van het College van Commissarissen. De commissie vergaderde ten minste eenmaal per week, in of buiten tegenwoordigheid van de directie. Om de maand trad één der leden af, volgens rooster. Interne organisatie Over de interne organisatiestructuur van de Rotterdamsche Bank kan wat betreft de eerste vijftig jaar, wegens het ontbreken van relevant archiefmateriaal, weinig worden gezegd. Hooguit kan worden vermoed dat zij in die periode relatief nog niet zeer ingewikkeld was. Tot 1911 was er, afgezien van de tijdelijke agentschappen in het Verre Oosten, één kantoor. De afdelingsstructuur zal in hoofdzaak de door de bank verrichte functies weerspiegeld hebben. Na de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank in 1911 zou de structuur snel ingewikkelder worden. In 1911 werd een kantoor in Amsterdam gevestigd, dat als een tweede hoofdkantoor zou gaan fungeren. In 1914 werd een bijbank in 's-Gravenhage geopend. En door een reeks overnames van lokale banken en bankjes zou het aantal bijkantoren explosief groeien. Art. 1 van de statuten luidde na 1911 dan ook: ' …De vennootschap …heeft banken te Rotterdam en te Amsterdam, een bijbank te 's-Gravenhage en kan kantoren en correspondentschappen vestigen en zitdagen houden, waar zij zulks wenschelijk acht'. Het citaat weerspiegelt een hoofdstructuur met een verdeling in vier componenten. Ten eerste de 'moederbank' te Rotterdam, met onder haar ressorterend de Rotterdamse stadsbijkantoren, inclusief die in enkele direct aansluitende gemeenten. Ten tweede de bank te Amsterdam, in alle opzichten gelijkwaardig aan de bank te Rotterdam. Onder haar ressorteerden de Amsterdamse stadsbijkantoren. Ten derde de bijbank te 's-Gravenhage; zij werd bestuurd door een directie die, op voordracht van de commissarissen en in overleg met de [hoofd]directie, werd benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Onder de bijbank ressorteerden de Haagse bijkantoren, inclusief dat van Scheveningen. De vierde component vormden de bijkantoren in de provincie. Met de integratie van de Nationale Bankvereeniging in het moederberdijf in 1929 (zie onder) groeide dit aantal zo snel, dat in datzelfde jaar een speciaal bestuurslichaam in het leven werd geroepen, de Provinciale Centrale. Tot 1949 was deze ondergebracht in de kantoren van de bijbank te 's-Gravenhage, daarna verhuisde zij naar het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel. Later was 'de provincie' bovendien nog ingedeeld in districten, grotendeels samenvallend met de provinciale indeling. De directeuren van de banken te Amsterdam en Rotterdam, van de bijbank 's-Gravenhage en in later tijd ook die van de Provinciale Centrale vormden gezamenlijk de onderdirectie van de vennootschap. Elk van de vier componenten was in redelijke mate autonoom, en had haar eigen uitvoerende afdelingen op elk terrein alsmede eigen staf- en hulpdiensten. Met name de bank te Amsterdam nam een tamelijk eigen positie in. De bank te Rotterdam en de Provinciale Centrale kenden na het gereedkomen van het nieuwe hoofdkantoor en de verhuizing van de Provinciale Centrale daarheen wat betreft een aantal diensten een vermenging. Zo werkten de accountants en de afdeling Juridische Zaken van de Provinciale Centrale ook voor de bank te Rotterdam. Een duidelijk inzicht in de afdelingsstructuur kan alleen worden verkregen voor de periode ná 1949. Een aantal overzichten uit die tijd geeft aan dat de structuur van de banken te Rotterdam en Amsterdam in hoge mate identiek was, al weken de namen soms wat af. De Provinciale Centrale kende een afwijkende structuur. Voor een nadere beschrijving van de organisatie en taken van de afdelingen wordt verwezen naar rubriek A.1.4., inv.nr 94. Het uitgebreide net van provinciale vestigingen dat vanaf 1911 ontstond kwam via verschillende wegen tot stand: Door stichting van zelfstandige maatschappijen met eigen rechtspersoon. Een voorbeeld hiervan was de Nationale Bankvereeniging in Utrecht (1916), waar de Rotterdamsche Bankvereeniging een aantal vroegere overnames in onderbracht. Door deelneming in bestaande instellingen en\of door onderbrenging van een agentschap bij een bestaande instelling, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Rotterdamsche Bank verrichte. Vaak liep dit uit op overname van de betrokken instelling. Door overname van bestaande banken, bijvoorbeeld de Amsterdamse Bankiersvereniging Labouchere, Oyens & Co's Bank (1913) en de Nationale Bank te 's-Gravenhage (1915). Door fusie. De fusie met de Deposito- en Administratie Bank (1911) bracht belangen in diverse kleine bankinstellingen mee. Door directe oprichting van eigen vestigingen. Een vroeg voorbeeld is de vestiging van de bijbank te 's-Gravenhage (1914) en een depositokas aan het Bezuidenhout in dezelfde plaats (1915). De bevoegdheden van de bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten (zie het aantal circulaires) was voor 'grote handelingen' toestemming van hogerhand vereist; dit gold met name de verlening van krediet. Beslissende stappen in de vorming van het landelijk kantorennet waren de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank en met name de oprichting en latere volledige integratie van de Nationale Bankvereeniging met haar provinciale filialen. Daarna zou het aantal vestigingen blijven groeien, tot 118 in 1940, 194 in 1945, 300 in 1959 en 340 in 1962. De Rotterdamsche Bank was daarmee wat betreft haar kantorennet de grootste bank in Nederland. Naast de hoofdkantoren te Rotterdam en Amsterdam, de Provinciale Centrale, de bijkantoren en de zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van enkele hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen werden meestal opgericht ter uitvoering van een specifieke functie. De redenen om deze functies in aparte maatschappijen onder te brengen konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden. Of het ging om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, bijvoorbeeld het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening. Aparte vermelding verdienen nog de oprichting van een Vrouwenbank te Amsterdam in 1929 en de opening in 1939 van een vestiging in Brussel, de Comptoir Belgo-Hollandais SA/Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor NV. De Vrouwenbank, gevestigd aan het Rokin, was speciaal gericht op het groeiende aantal vrouwelijke cliënten. In 1971 werd ze als overbodig opgeheven. De NV Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor werd in 1947 geliquideerd. Bedrijfsmiddelen Personeel Directie en procuratiehouders De directie van de Rotterdamsche Bank bestond bij aanvang statutair uit een president-directeur, twee directeuren en een secretaris. De omvang van de directie zou in de loop der jaren gestaag toenemen. De statuten van 1947 bepaalden haar op minimaal vier en maximaal negen. Ook ten aanzien van de directie gold de eis, dat een bepaald percentage Nederlander moest zijn. De directie werd, op voordracht van de commissarissen, benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. De leden van de directie waren tot 1911 verplicht Rotterdam als vaste woonplaats te hebben. Tevens moesten zij tot dat jaar eigenaar zijn van minstens vijftig aandelen op naam. De directie voerde het dagelijks beleid en beheer over de vennootschap en vertegenwoordigde de vennootschap in en buiten rechte. Zij had daartoe al díe bevoegdheden, die niet uitdrukkelijk aan de aandeelhouders of de commissarissen waren toegewezen. De statuten van vóór 1911 geven hierbij nog een ietwat uitvoeriger omschrijving: de ordening van de administratie; benoeming van alle beambten en vaststelling van hun instructies; de leiding over alle operaties; het (doen) opmaken van de jaarlijkse balans en het voorleggen daarvan aan de commissarissen, begeleid door een verslag over de toestand van de vennootschap; eventuele liquidatie van de vennootschap, onder toezicht van de commissarissen. Na 1911 resideerde een deel van de directie in Rotterdam, en een deel in Amsterdam. In het jaarverslag van 1913 is voor het eerst sprake van onderdirecteuren. Deze groep was samengesteld uit de directies van de afzonderlijke onderdelen van de vennootschap, in volgorde van ontstaan de bank Rotterdam (1863), de bank Amsterdam (1911), de bijbank 's-Gravenhage (1915) en de Provinciale Centrale (1929). Al vanaf 1872 had de directie de bevoegdheid aan een of meer beambten procuratie te verlenen om voor de vennootschap te tekenen. In 1920 is sprake van de mogelijkheid tot aanwijzing, onder goedkeuring van commissarissen, van algemene en bijzondere procuratiehouders, en de aanstelling van bijzondere procuratiehouders tot directeur van een bijkantoor of depositokas. Overig personeel en personeelsorganen De personeelssterkte groeide in de eerste vijftig jaar van het bestaan van de bank slechts in geringe mate, zeker in vergelijking met de periode daarna. In 1865 bedroeg het aantal werknemers 23, in 1899 waren er 67. In 1911 bedroeg het aantal werknemers nog slechts 35. Daarna was de groei explosief: van 250 in 1914 en 490 in 1917 tot rond 700 in 1919. Eind 1963 tenslotte bood de bank werk aan circa 4800 mensen. Op 23 juli 1866 werd door en voor de ambtenaren van de bank een pensioenfonds in het leven geroepen. Na de fusie in 1911 werd dit fonds op 24 mei van dat jaar omgezet in de Stichting Pensioen- en ondersteuningsfonds der ambtenaren en bedienden van de Rotterdamsche Bankvereeniging. Het fonds had mede tot taak de oprichting en instandhouding van het in 1915 geopende Huize Erica te Nunspeet, een herstellings- en vakantieoord voor de ambtenaren en bedienden. Op 22 april 1927 vond opnieuw een aanpassing plaats via de oprichting van de Stichting Pensioenfonds van 1926. Vanwege een noodzakelijke aanpassing aan de bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet vond in 1954 een tweedeling plaats. De werknemers die reeds vóór 1 juli 1952 in dienst waren vielen voortaan onder de Stichting Pensioenfonds I. Zij die op of ná die datum in vaste dienst traden vielen onder de Stichting Pensioenfonds II. Op 26 juni 1956 vond de oprichting plaats van de Stichting Pensioenfonds III, bedoeld voor werknemers ònder de rang van (onder)directeur, maar met een jaarsalaris bóven ƒ 8500,-. Op 5 juni 1915 werd de Vereeniging Robaver opgericht. De koninklijke goedkeuring volgde op 17 oktober 1917. De statutair in Amsterdam gevestigde vereniging had tot doel '..den kameraadschappelijken omgang van het personeel der Rotterdamsche Bankvereeniging te bevorderen'. Dit wilde zij bereiken door gedurende de wintermaanden eens per maand clubavonden te organiseren voor het houden van lezingen en voordrachten, het spelen van schaak- en kaartspelen etc. Daarnaast bood zij gelegenheid tot het beoefenen van sport, muziek en toneel. De vereniging had een bestuur van ten minste zeven leden, die haar in en buiten rechte konden vertegenwoordigen. In 1955 vond de installatie plaats van een ondernemingsraad. Gebouwen Bij de start van haar werkzaamheden was de Rotterdamsche Bank gevestigd in het pand Geldersche Kade 50 te Rotterdam. In 1870 werd dit pand door de regering aangekocht wegens de voorgenomen spoorwegaanleg door de stad. De bank nam vervolgens haar intrek in het voormalige Grand Hotel des Pays Bas aan de Boompjes 77 te Rotterdam, in 1705 gebouwd als adellijke woning door Cornelis de Jonge van Ellemeet. In de meidagen van 1940 kwam het pand in de vuurlinie te liggen tijdens de gevechten om de Maasbruggen, en werd het volkomen verwoest. Het personeel werd voorlopig ondergebracht in het gehuurde kantoorpand Calandstraat 49. Pas in 1948 kon het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel 119 gedeeltelijk in gebruik worden genomen. Ook het bijkantoor Coolsingel 109 werd in 1940 door brand zwaar beschadigd. Het bedrijf kon hier echter na een noodverbouwing gedeeltelijk worden hervat. Voor het effectenbedrijf werd aan de Boompjes een noodgebouw geplaatst. De bank te Amsterdam werd bij de start in 1911 ondergebracht in de kantoren van Determeijer, Weslingh & Zoon aan de Keizersgracht 706. Op 24 juni 1912 werd de eerste paal geheid voor nieuwbouw aan het Rokin. Op 22 augustus van datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd. Op 20 oktober 1913 was het kantoorpand Rokin 33-47 gereed. In 1916/17 en 1925 volgden uitbreidingen waardoor het pand uiteindelijk Rokin 23-51 zou omvatten. Bedrijfsvoering Overnames, deelnemingen en commissariaten De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloedssfeer van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling. Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen ze uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer), of volledige overname van de betreffende instelling. Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten. Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Rotterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. Bij een fusie tenslotte werden de bedrijfsactiviteiten van de fuserende partners volledig geïntegreerd en ondergebracht in een geheel nieuwe maatschappij. Het jaar 1911 luidde voor het Nederlandse bankwezen het concentratietijdperk in. De grote verscheidenheid aan regionale en lokale bancaire instellingen werd vanaf die tijd geleidelijk opgeslokt door een, op zich zelf ook slinkend, aantal grote concerns. Al vóór de Tweede Wereldoorlog was sprake van vijf invloedssferen van 'grootbanken', in volgorde van ouderdom de Nederlandsche Handel-Maatschappij, De Twentsche Bank, de Rotterdamsche Bank, de Amsterdamsche Bank en de Incasso-Bank. De overname van de Incasso-Bank door de Amsterdamsche Bank in 1948 en de fusies van De Twentsche Bank met de Nederlandsche Handel-Maatschappij tot de Algemene Bank Nederland (ABN) in 1964, en van de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank tot de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in datzelfde jaar waren verdere stappen in het verdichtingsproces. Met de fusie tussen de Algemene Bank Nederland en de Amsterdam-Rotterdam Bank in 1991 vond de concentratie een (voorlopig) hoogtepunt. De Rotterdamsche Bank kan zonder bezwaar als initiator en gangmaker van de concentratiebeweging worden beschouwd. Vanaf 1911 kent haar geschiedenis een lange lijst van deelnemingen, overnames en fusies. Zij kunnen in dit bestek onmogelijk allemaal worden opgesomd, laat staan besproken. Hieronder volgen enkel wat opmerkingen over de voornaamste activiteiten op dit terrein. Voor het overige wordt verwezen naar overzicht IV. Op 1 april 1911 zette de Rotterdamsche Bank de stap tot fusie met de Deposito- en Administratie-Bank te Rotterdam. Beide banken gingen op in de nieuw opgerichte NV Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De beide fusiepartners vulden elkaar aan: de Rotterdamsche Bank was vooral handelsbank, de Deposito- en Administratie-Bank vooral effectenbank. Nog datzelfde jaar 1911 nam de Rotterdamsche Bankvereeniging een belang in de firma Determeijer, Weslingh & Zoon te Amsterdam. In hun pand aan de Keizersgracht 706 werd (tijdelijk) de bank te Amsterdam ondergebracht. Toegang tot de Amsterdamse beurs speelde bij deze operatie een belangrijke rol. Een zeer belangrijke stap, feitelijk de beslissende stap de provincie in, was de oprichting in 1916 van de Nationale Bankvereeniging, met Utrecht als zetel. De Rotterdamsche Bankvereeniging had hierin een meerderheidsaandeel van 75%. De nieuwe maatschappij had tot doel de uitoefening van het provinciale bankiers- en kassiersbedrijf. Een aantal eerdere overnames werd erin ondergebracht, met name de Bank van Huydecoper & Van Dielen te Utrecht, A. Bloembergen & Zonen's Bank te Leeuwarden, de Dordtsche Bank te Dordrecht en de Nationale Bank te 's-Gravenhage. In 1917 had de vereniging vestigingen in 59 plaatsen. In 1917 stelde de Rotterdamsche Bankvereeniging zich garant voor alle verbintenissen van de Zuid-Nederlandsche Handelsbank NV te Tilburg, met vestigingen in meerdere steden in het zuiden. Eind 1920 werd deze bank overgenomen door de Nationale Bankvereeniging. Per 1 januari 1929 werd het bedrijf van de Nationale Bankvereeniging volledig geïncorporeerd in de Rotterdamsche Banvereeniging. Van dat moment dateert dan ook de Provinciale Centrale binnen de bank. Grote plannen in 1939 om te komen tot verregaande samenwerking met de Amsterdamsche Bank konden vanwege de dreigende omstandigheden geen doorgang vinden. Een overname die wel doorging was die van de Nationale Handelsbank NV, tot 1950 Nederlandsch-Indische Handelsbank NV, op 28 oktober 1960. Het leverde de Rotterdamsche Bank onder meer een groot aantal belangen in het buitenland op, die echter binnen relatief korte tijd van de hand werden gedaan. In 1964 tenslotte volgde alsnog de fusie met de Amsterdamsche Bank. De Rotterdamsche Bank hield hiermee op te bestaan. De bedrijfsactiviteiten werden ondergebracht in de nieuw opgerichte maatschappij de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) NV. Dienstenpakket De Rotterdamsche Bank was vanaf haar oprichting opgezet als handelsbank, hoewel de oprichters primair de dienstverlening aan de koloniale handel voor ogen hadden. Dat de bank, nog versterkt door de in 1864 opgerichte en aan de bank verbonden commanditaire vereniging, zich al zeer spoedig ook richtte op het nemen van gelden à deposito tegen rente (met De Twentsche Bankvereeniging behoorde de Rotterdamsche Bank hierin tot de voorlopers), kredietverlening en rekening-courant was met name de kassiers onder hen uit concurrentieoverwegingen een doorn in het oog. De activiteiten ten aanzien van de financiering van de koloniale handel en cultuurmaatschappijen verliepen echter niet voorspoedig. De bank leed in Indië grote verliezen, en over het beleid ten aanzien van de koloniën bestond intern groot verschil van mening. In 1870 kwam aan het experiment overzee een eind. Al vóór dat jaar waren de in alle optimisme opgerichte agentschappen in Batavia, Soerabaja en Singapore weer gesloten. Men richtte zich voortaan voornamelijk op Nederland. De op het buitenland gerichte activiteiten bleven beperkt tot deelneming in de oprichting van een aantal maatschappijen, als de Russisch-Hollandsche Bank NV te Moskou (1916), de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika NV te Amsterdam (1914) en de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee NV te Amsterdam (1919). Pas met de fusie met de Nationale Handelsbank in 1960 krijgt men weer uitgebreide belangen in het buitenland (Azië, en in Canada de Mercantile Bank of Canada te Montreal). Deze werden echter allemaal na korte tijd afgestoten. Dus, voerden in de eerste statuten de activiteiten ten aanzien van de koloniën nog de boventoon, latere statuten geven een ander beeld. De doelstellingen worden dan omschreven als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operaties in het algemeen, het beheren van vermogen voor anderen, het optreden als beheerder of trustee, het deelnemen in syndicaten en consortiums en het bezorgen van assuranties. Wat betreft de medefinanciering binnen de grenzen zag men al zeer snel de mogelijkheden van Rotterdam als transitohaven. Dit uitte zich ondermeer in deelneming aan de oprichting van de NV Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij Holland-Amerika Lijn te Rotterdam en de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Daarnaast was men onder meer betrokken bij de oprichting van de Amsterdamsche Bank. Vanaf circa 1870 ging de Rotterdamsche Bank zich, in combinatie met andere banken, bezighouden met de emissie van nieuwe fondsen. Het depositobedrijf, het in bewaring nemen van gelden van derden, bleef tot circa 1895 kleinschalig. Van een uitgebreide vaste cliëntèle kon tot dan dus niet worden gesproken. Na 1895 zou het aantal deposito's en crediteuren echter explosief groeien. Eind negentiende eeuw raakte ook de rekening-courantrekening ingeburgerd. Aanvankelijk was het acceptbedrijf, het verlenen van wisselkrediet, het meest aangewezen terrein voor de handelsbanken. Dit bedrijf zou tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke functie en winstbron zijn. Nog in de jaren twintig was de Rotterdamsche Bank betrokken bij de oprichting van accepthuizen, waaronder de Nederlandsche Accept-Maatschappij NV te Amsterdam en de NV Wolfinancierings Maatschappij te Amsterdam, vanaf 1924 de Wolbank. Ten gevolge van de crisis en de opkomst van de moderne communicatietechniek zou het acceptkrediet vanaf de jaren dertig nagenoeg geheel uit het zicht verdwijnen. De wissel werd vervangen door het rekening-courantkrediet ('giraal geld'). De crisis zorgde ook voor de opkomst van het documentair krediet, omdat de banken waren gedwongen, vanwege de anarchie op de valutamarkt, bij kredietverlening aan de internationale handel nieuwe garanties te eisen. Een belangrijke activiteit was verder het vermogensbeheer. Hiertoe werd behalve de administratie over het bij de bank in bewaring gegeven vermogen ook gerekend executele van nalatenschappen en bewindvoering. Aan deze activiteit gerelateerd was de belastingadministratie voor cliënten en het geven van advies op diverse terreinen. De jaren vijftig van de twintigste eeuw brachten de komst van een aantal nieuwe vormen van dienstverlening. Deels werden hiervoor door de bank aparte dochtermaatschappijen opgericht. Ten eerste kwam het afbetalingskrediet (huurkoop) voor duurzame gebruiksgoederen als auto's en wasmachines in zwang. Dit werd het werkterrein van de Handelmaatschappij Mundus NV, in 1961 ondergebracht in de nieuw opgerichte NV Financieringsinstituut Mundus-Eurocredit. In 1962 nam de Rotterdamsche Bank deel in de Nederlandse Financieringsmaatschappij van 1929 Welvaert NV, die zich richtte op het consumptieve afbetalingskrediet. Ook deze maatschappij werd ondergebracht in Mundus-Eurocredit. Daarnaast richtte de bank zich op de markt van de middellange kredietverlening, via de NV Financiering-Maatschappij voor Investeringen (Fimavi). Eind 1959 opende de Rotterdamsche Bank de mogelijkheid tot het openen van spaarrekeningen tegen speciale rente. Met deze activiteiten zette een zekere mate van branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.
1 Een korte hoofdlijn van de organisatiegeschiedenis van het ministerie van defensie te Londen, vanaf 21 augustus 1941 ministerie van oorlog te Londen, voortgezet vanaf 20 juni 1945 tot 25 april 1947 als bureau Londen departement van oorlog en de afwikkeling daarvan 1.1 Voorgeschiedenis Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse invasie, werden er Nederlandse militaire missies naar Parijs, Brussel en Londen gezonden. Op dat moment was er te Londen geen militair attaché geaccrediteerd; deze rol werd waargenomen door de marineattaché, de kapitein ter zee De Booy. 1.2 Ministerie van Defensie te Londen Op maandag 13 mei 1940 verliet de Koningin en het kabinet Nederland en werd de regeringszetel aldus verplaatst naar Engeland. Het kabinet arriveerde in Londen op 14 mei. De ministers verbleven in de Engelse hoofdstad aanvankelijk in Grosvenor House Hotel. Na enkele weken nam het ambtelijk apparaat haar intrek in Stratton House. Generaal-majoor I.W. van Oorschot vond bureauruimte in vertrekken van de C&A in Oxfordstreet. In juni bestond het ministerie van Defensie te Londen slechts uit de afdelingen comptabiliteit, bemand door de hoofdofficier van administratie 1e klasse H.P. Verschuur en de afdeling landmacht onder leiding van de luitenant-generaal J.F. van der Vijver. Verder was de bevelhebber der zeestrijdkrachten, vice-admiraal J. Th. Furstner formeel gezien ondergeschikt aan de minister van Defensie. Toch had A.Q.H. Dijxhoorn vanaf 19 mei 1940 weinig praktische invloed op het reilen en zeilen bij de marine. Het marinehoofdkwartier stond ook wel bekend als afdeling V, de afdeling zeemacht. Met ingang van 10 juni 1940 trad de heer J.C. Grootenhuis aan als hoofd van de VIe afdeling, materieel landmacht. Bij ministerieel besluit (voortaan: MB) van 24 juni 1940, afd I nr 6 werd ir J.P. Berdenis van Berlekom aangewezen als hoofd van de afdeling militaire luchtvaart van het ministerie van Defensie. De afdeling stond ook bekend als afdeling VII. Vanaf 8 oktober vond wekelijks een bespreking plaats met het Engelse War-Office. Op 10 oktober 1940 werd de IXe afdeling van het ministerie van Defensie opgericht, de afdeling geneeskundige dienst landmacht. Deze afdeling regelde - voor zover dat nodig was in overleg met de inspecteur der Nederlandse Troepen - de indeling van het personeel van de geneeskundige dienst; men gaf aanwijzingen voor de uitoefening van de geneeskundige dienst bij onderdelen der Koninklijke landmacht (KL), de afdeling hield toezicht op de verbetering van de hygiënische toestand bij onderdelen en maakte studie van alle onderwerpen die van belang konden zijn voor de uitoefening van de taak van de geneeskundige dienst bij een strijdend leger. 1.3 Splitsing en naamswijziging, 1941 Bij Koninklijk Besluit (voortaan: KB) van 21 augustus 1941, nr. B66 werd de naam van het ministerie gewijzigd van ministerie van Defensie in ministerie van Oorlog. Dit kwam voort uit de afsplitsing en instelling van het ministerie van Marine van het ministerie van Defensie welke plaatsvond op 27 juli 1941, waarbij Furstner de portefeuille van minister van Marine kreeg. Bij MB van 25 augustus 1941, nr. 10 werd de interne organisatie van het ministerie van Oorlog - ingaande per 1 september 1941 - als volgt: secretarie, Ie afdeling, landmacht, opgebouwd uit: bureau a - algemene zaken, organisatie en personeel; bureau b - dienstplicht en recrutering; bureau c - juridische zaken; bureau d - materieel (voorheen VI); bureau e - luchtvaart (voorheen VII); bureau f - geneeskundige dienst (voorheen IX); bureau g - agenda; IIe afdeling, administratie en comptabiliteit. Deze afdeling bleef voorlopig ongesplitst en verrichte haar werkzaamheden in eerste instantie voor beide ministeries IIIe afdeling, boekwerken. De minister werd terzijde gestaan door luitenant-generaal J.F. van der Vijver, die ongeveer dezelfde bevoegdheden verkreeg als een secretaris-generaal, en een adjudant die kabinets- en welfare-zaken behandelde. Op 15 januari 1942 werd de IIIe afdeling, bijzondere aangelegenheden opgericht. Tot waarnemend hoofd van deze afdeling werd benoemd de majoor P.L.G. Doorman. Boekwerken schoof in de nummering een plaatsje op zodat deze afdeling voortaan als IV bekend stond. De instructie van het hoofd IIIe afdeling werd vastgesteld bij MB van 2 januari 1942, nr. 2. De IIIe afdeling bestudeerde vraagstukken welke betrekking hadden op de terugkeer naar Nederland. Verder hield men zich bezig met de eisen waaraan de heropbouw van de landmacht diende te voldoen en ook met de studie van het verloop van de meidagen 1940 in Nederland. De afdeling bestond vanaf 16 januari uit de volgende bureaus met als de volgende taken: bureau a) de bestudering van vraagstukken verband houdende met de terugkeer naar Nederland; bureau b) het bestuderen, verzamelen en vastleggen van gegevens, welke met het oog op het belang van de Koninklijke landmacht in de toekomst onontbeerlijk waren; bureau c) voorbereiden van maatregelen tot wederopbouw van de Nederlandse strijdkrachten en eisen, welke aan deze organisatie in de toekomst gesteld zouden moeten worden; bureau d) contact met geallieerde strijdkrachten, bijzondere vraagstukken en bestudering van economische aangelegenheden (Zie ook pagina - I: 14 -); bureau e) studie van de krijgsverrichtingen in Nederland in het tijdperk 10-15 mei 1940 en het verzamelen van gegevens daaromtrent; bureau f) agenda. Op 6 juli 1942 werd de instructie van de derde afdeling opnieuw vastgesteld met het oog op de instelling van het bureau Militair Voorbereiding Terugkeer (voortaan: MVT - zie hiervoor - I: 35 en verder). Laatstgenoemd bureau stond buiten departementaal verband. De taken van genoemde afdeling werden voorlopig als volgt vastgesteld: "het voorbereiden van de uitoefening van het militair gezag, voor zoveel nodig in overleg met de minister van Justitie en hoofd MVT; het bestuderen der moderne oorlogsvoering en in verband daarmede van de grondslagen onzer landsverdediging na terugkeer in Nederland; het bestuderen van de voorbereiding van de wederoprichting van de Koninklijke landmacht in Nederland in haar vollen omvang, rekening houdende met het in punt 3 genoemde van de instructie van hoofd MVT; het bestuderen en te boek stellen der Nederlandsche krijgsgeschiedenis in den huidigen oorlog; het houden van contact met geallieerde militaire instanties, voor zover dit niet uitdrukkelijk is opgedragen aan andere organen; het geven van deskundige voorlichting aan hoofd MVT; het uitvoeren van die opdrachten, welke de minister van Oorlog ter voorbereiding van den terugkeer zal verstrekken." Bij MB van 20 augustus 1942, nr. 6 trad het hoofd Ie afdeling op als korpscommandant over het detachement Londen. Op 1 december 1942 werd de IIIe afdeling van het departement van Oorlog weer opgeheven. Dit hield direct verband met de instelling van het bureau Organisatie van den Generalen Staf. (Zie hiervoor pagina - I: 40 - .) Vanaf 15 februari 1943 werd het hoofd Ie afdeling weer ontheven van het bevel over het detachement Londen. Met ingang van 15 oktober 1943 werd opnieuw een IIIe afdeling opgericht bij het departement van Oorlog, militaire luchtvaart. Gelijktijdig werd het bureau militaire luchtvaart van de Ie afdeling overgeheveld naar deze IIIe afdeling. Het hield zich in het bijzonder bezig met personeelszaken. Verder behoorden tot de taken van deze afdeling het maken van studie van de moderne luchtvaartorganisatie, van haar technische uitrusting en haar wijze van optreden, en het - zover als nodig in overleg met bureau Organisatie Generalen Staf en de Britse luchtvaartautoriteiten - treffen van voorbereidingen voor een spoedige wederopbouw der Nederlandse luchtstrijdkrachten. De afdeling militaire luchtvaart had als hoofd luitenant-kolonel P.J. de Broekert. De afdeling werd onderverdeeld in 5 bureaus, te weten: personeel; organisatie; reglementen en voorschriften; materieel; documentatie en voorlichting. Bij MB van 6 januari 1944, afd. I, nr. 20 werd een souschef aangewezen voor de Ie afdeling. Dit ter ontlasting van het hoofd van die afdeling, die bovendien hoofd van het bureau Militair Gezag was. De souschef werd in het bijzonder belast met de leiding van de bureaus Ia, personeel, Ib, recrutering, Ic, juridische zaken en If geneeskundige dienst. In maart 1944 ziet de organisatie van afdeling I er als volgt uit: bureau a, personeel, algemene zaken en oorlogsbestemmingen; bureau b/c, recrutering en juridische zaken; bureau d, materieel; bureau f, geneeskundige dienst; bureau g, agenda. Bij MB van 11 april 1944, afdeling I, nr. 11 werd bij de Ie afdeling een onderafdeling h opgericht, psychologische aangelegenheden. De taak van deze onderafdeling was: het verzamelen van gegevens betreffende de psychologische oorlogsvoering en het samenstellen van een desbetreffende vakbibliotheek; een studie te maken over de psychologische selectie van ambtenaren in het algemeen en van militairen voor de voor hen vast te stellen bestemmingen in het bijzonder; het onderhouden van contact met andere Nederlandse en geallieerde instanties, wier werkzaamheden geacht kunnen worden verband te houden met psychologische oorlogsvoering; het verstrekken van adviezen op psychologisch gebied, hierbij inbegrepen medisch-psychologische adviezen voor de militair-geneeskundige dienst. Met ingang van 1 juni 1944 werd de afdeling Id opgeheven onder gelijktijdige instelling van het bureau materieel, dat rechtstreeks kwam te ressorteren onder de secretaris-generaal. Tegelijkertijd werd de secretarie onder bevel van het hoofd van de Ie afdeling gesteld. Door de instelling van de Inspectie van de militair geneeskundige dienst der landmacht verviel de bestaansgrond van het bureau militair geneeskundige dienst der Ie afdeling (If), zodat dit bureau met ingang van 1 januari 1945 werd opgeheven. Op 1 februari, 1945 werd de IIIe afdeling - militaire luchtvaart - van het departement van Oorlog opgeheven. Het personeel van de betreffende afdeling werd ter beschikking gesteld van de directeur der luchtstrijdkrachten. Met ingang van 16 april 1945 werd de Ie afdeling gereorganiseerd. De afdeling werd voortaan onderverdeeld in de 1e en 2e onderafdeling. Elke onderafdeling werd geleid door een souschef. De 1e onderafdeling bestond uit: bureau Ia benoemingen, bevorderingen en registratie van officieren; bureau Ic juridische zaken; bureau Ie luchtvaartzaken; bureau Io onderscheidingen en de registratie daarvan. Onder de 2e onderafdeling ressorteerden de bureaus: bureau Ib recrutering, overplaatsingen, verloven; bureau Ik algemene zaken; bureau I1 krijgsgevangenen; bureau Im verbindingen, bagagedienst, telegrammen, postkamer; bureau In demobilisatie, rehabilitatie, groot verlof. Rechtstreeks onder het hoofd, naast de twee onderafdelingen, stond de secretarie en de huishoudelijke dienst, waaronder bovendien de archieven, de typekamer en de bodediensten ressorteerden. Vanaf 15 mei 1945 werd (opnieuw) een derde afdeling ingesteld, ditmaal onder de naam intendance. Het hoofd van deze afdeling, welke ook de functie van inspecteur van de intendance vervulde, werd belast met de verpleging, uitrusting en bewapening, het kantinewezen, het herstel en het onderhoud van motormateriaal. Eind mei 1945 vertrok de minister van Oorlog definitief naar Nederland. Het personeel van het departement volgde ongeveer twee weken later. In Londen bleef een afdeling van het departement achter. 1.4 Afwikkeling: Bureau Londen departement van Oorlog 20 juni 1945 - 25 april 1947 Op 20 juni 1945 werd het Bureau Londen van het Nederlandse ministerie van Oorlog (London Section of the Netherlands Ministry of War) ingesteld. Het bureau kwam daadwerkelijk in werking op 25 juni daaropvolgend. Voor wat de dienst betreft werd het hoofd van genoemd bureau rechtstreeks gesteld onder de minister van Oorlog, krijgstuchtelijk stond hij onder de commandant der Nederlandse Troepen in Engeland. De taak van het bureau behelsde de afwikkeling van lopende zaken in het Verenigd Koninkrijk en ook de demobilisatie van militairen. Verder ressorteerden onder bevel van het hoofd van het bureau onder meer het detachement Londen, het detachement Malvern, het detachement Maidenhead en het bureau Londen van het militair gezag. Reeds op 22 juni werd de samenstelling van de Ie afdeling herzien, en wel als volgt: a personeel; b recrutering en overplaatsing; c juridische zaken; g agenda; k algemene zaken; m verbindingen en bagagediensten; n demobilisatie en rehabilitatie. De IIIe afdeling, materieel, werd op 1 oktober 1945 opgeheven. Met ingang van 1 november daaropvolgend werden de bureaus transport en administratie van het bureau Londen militair gezag samengevoegd met het bureau Londen ministerie van Oorlog. Op 25 november 1945 werd tijdelijk een afdeling militair gezag opgericht. Deze Ve afdeling van het bureau Londen werd met ingang van 1 april 1946 opgeheven. Per 1 augustus 1946 werd de afdeling IV, bibliotheek, van het bureau Londen opgeheven. Het bureau Londen van het ministerie van Oorlog te Londen werd bij ministeriële beschikking van 25 april 1947, militair kabinet G nr. 51, op 1 juli 1947 opgeheven.(Legerorders bevattende de wetten, besluiten, ministerieele beschikkingen, kennisgevingen en mededelingen van belang voor de Koninklijke Nederlandse Landmacht, (voortaan: Legerorders) 1947, nr. 139.) Bij beschikking van 27 mei 1947, afd I, nr. 19137 werden voorzieningen getroffen om de opheffing te regelen. Zo werden de werkzaamheden van de afdeling Im (verbindingen) overgenomen door de afdeling vervoersregeling van het bureau Londen van de dienst kwartiermeester generaal. Alle overige werkzaamheden van de Ie afdeling van het bureau Londen werden - voor zover nodig - voortgezet in Nederland. Hiermee werd het hoofd van de IIe afdeling van het ministerie van Oorlog te Den Haag belast. 2 Korte hoofdlijnen van de geschiedenis van onder de verantwoordelijkheid van de minister van defensie/oorlog te Londen vallende instanties en de afwikkeling daarvan 2.1 De 1e divisie Koninklijke Marechaussee, vanaf 11 juni 1940 te Engeland Op 10 mei vertrok de divisie uit 's-Hertogenbosch, op 18 mei verliet men - op last - Nederland. 11 juni kwam de 1e divisie aan in Engeland, te Plymouth. 12 juni werd kamp opgeslagen te Daw-Y-Graig in Porthcawl, 20 oktober verhuisden de marechaussees naar Congleton. Met ingang van 15 januari 1941 werd het divisieverband bij het naar Engeland overgekomen deel van het Wapen der Koninklijke Marechaussee buiten werking gesteld. Dit ten gevolge van een reorganisatie van het Nederlandse legioen te Engeland. De minister onthief de commandant van de divisie van zijn taak. Het te Londen en elders gedetacheerd personeel van het Wapen der Marechaussee werd samengebracht onder de afdeling politie Marechaussee en werd onder bevel van de Inspecteur der Nederlandse Troepen gesteld. De instructie van de commandant van de politie afdeling werd vastgesteld op 24 januari 1941. Een deel van het personeel werd geplaatst bij de afdeling Pantserwagens. 2.2 Het instituut militair attaché, 1914-1945 2.2.1 Voorgeschiedenis, 1914-1939 In 1916 werden militaire attachés naar Bern, Parijs en Berlijn gezonden. In afwachting van een definitieve regeling bestond hun voorlopige opdracht eruit een "( ... ) studie te maken van den huidige oorlog in een andere vreemde militaire omgeving." De chef van de Generale Staf verzocht reeds in 1911 om de benoeming van militaire attachés. Deze werd toen nog geweigerd. Tijdens de mobilisatie van 1914-1919 werd echter een sterk gemis aan goede en betrouwbare strategische en andere militaire gegevens gevoeld. In het mobilisatieverslag van het Algemeen Hoofdkwartier werd daarop onder meer aanbevolen over te gaan tot de benoeming van militaire attachés. Bij Koninklijk Besluit (voortaan: KB) van 20 oktober 1917, nr. 80 werd het instituut van militair attaché bij de gezantschappen officieel geregeld. Bovendien werd in dat jaar de instructie voor deze functionarissen vastgesteld. Bij KB van 8 januari 1921, nr. 44 werd de militair attaché te Parijs ook Brussel als standplaats toegewezen. Tussen 1920 en 1936 had ons land geen militaire attachés gedetacheerd te Berlijn, Parijs en Londen. De Jong verbindt hieraan de opmerking dat de Nederlandse legerleiding bijgevolg de aanvang van de Duitse herbewapening niet door een eigen ter zake kundig waarnemer kon observeren. Op 4 maart 1936 stelde de minister van Defensie a.i. H. Colijn opnieuw de instructie voor de militaire attachés vast. Volgens deze instructie stonden ze onder bevel van de minister van Defensie en bij de uitoefening van hun werk waren zij ook onderworpen aan de leiding van het hoofd van het gezantschap waar zij geplaatst waren. Hun taak bestond voornamelijk uit "( ... ) het verzamelen van alle gegevens, welke uit militair-, politiek, strategisch, tactisch- of technisch oogpunt voor de Nederlandsche legerleiding van belang ( ... )" konden zijn alsmede "( ... ) ontwikkelingen van het legerstelsel en ( ... ) aan de orde zijnde militaire vraagstukken in het land ( ... )" van hun "( ... ) plaatsing." Daartoe onderhielden zij contacten met militaire en civiele autoriteiten en personen in het land waar zij geplaatst waren. Bovengenoemde instructie werd vastgesteld bij de aanvaarding van de functie van militair attaché te Parijs/Brussel van generaal-majoor D. van Voorst Evekink. In 1936 had de militair attaché ook nog een functie te vervullen op het departement te Den Haag. Zijn standplaats bleef dan ook Den Haag. Op 8 mei 1936 werd te Londen luitenant ter zee der Ie klasse A. de Booy tot marine attaché benoemd, op 1 april 1938 gevolgd door kapitein ter zee J.E. Meijer Ranneft met als standplaats Washington. In januari 1940 werd Parijs als vaste standplaats aangewezen van de militaire attachés te Brussel en Parijs. 2.2.2 Tweede Wereldoorlog 2.2.2.1 Groot-Brittannië Voor wat de Koninklijke marine betreft bleef De Booy formeel gezien in functie als marineattaché. Een groot deel van zijn functies - voornamelijk op inlichtingengebied - werd overgenomen door luitenant ter zee der 1e klasse C. Moolenburgh in de functie van adjunct-marineattaché. De Booy hield zich op het Nederlandse marinehoofdkwartier te Londen bezig met liaisonwerkzaamheden. De Koninklijke Nederlandse militaire missie (voortaan: KNMM) werd opgericht bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en was oorspronkelijk opgezet als een contactorgaan tussen het Algemeen Hoofdkwartier te Den Haag en de Britse legerleiding. Met de overkomst van de Nederlandse regering naar Londen verloor de missie haar aanvankelijke betekenis en werd het een verbindingsorgaan tussen de Nederlandse minister van Oorlog te Londen en Britse militaire en civiele instanties. De instructie voor de KNMM was vastgesteld bij KB van 11 september 1941, nr. 10. Volgens een anonieme aantekening, gevoegd als bijlage bij een aanbiedingsbrief inzake de Instructie van de KNMM van de Nederlandse minister van Oorlog aan de Inspecteur der Nederlandse Troepen, was het verbindingswerk van de KNMM ten minste gelijk te stellen met dat, verricht door militaire attachés. Het hoofd van de missie werd door de Britten dan ook beschouwd als een militair attaché. Genoemd hoofd trad - in tegenspraak tot zijn instructie - soms ook in contact met andere geallieerde en neutrale landen. Dit aangezien in september 1941 Nederland geen militaire instanties kende om het contact met geallieerde en neutrale militaire vertegenwoordigers te onderhouden. Vandaar dat in voornoemd geschrift werd gepleit voor het aanstellen van "( ... ) een militair Attaché met kleinen staf." Bij brief van 26 augustus 1942 werd G.J. Sas, toenmalig hoofd van de IIIe afdeling van het departement van Oorlog te Londen, aangewezen als contactpersoon met de militair attaché aan de Amerikaanse ambassade. Bureau D van genoemde IIIe afdeling had onder meer tot taak het onderhouden van "( ... ) contact met geallieerde strijdkrachten." De reserve-2e luitenant G.J. Ankerman was belast met het onderhouden van contact met buitenlandse militaire attachés en liaison-officieren. Nadat via de Politie-Buitendienst van het departement van Justitie een rapport over deze luitenant was binnengekomen van Scotland Yard ontstond er een affaire. De zaak eindigde ermee, dat Sas en Ankerman met ingang van 20 juli 1943 eervol uit hun functies werden ontheven. Hierop werd met ingang van dezelfde datum generaal-majoor H.J. Phaff benoemd tot militair attaché bij de Nederlandse ambassade bij het Hof van St James, onder gelijktijdige benoeming van majoor L.J.A. Schoonbergen tot adjunct militair attaché bij voornoemd Hof. Schoonbergen was gelijktijdig militair attaché bij de Nederlandse gezantschappen van België, Noorwegen en Polen. Phaff werd aangewezen voor het onderhouden van het contact met de Amerikaanse militair attaché bij het Nederlands hof. Schoonbergen werd tevens belast met het onderhouden van contact met militaire attachés van geallieerde mogendheden, waarbij de Nederlandse regering geen militaire attachés geplaatst had. Op dezelfde dag werd de KNMM opgeheven. De missie had volgens een nota van generaal Van der Vijver aan de minister haar betekenis geheel verloren en gaf uit Nederlands oogpunt alleen bezwaren. Er waren buiten de missie om contacten gegroeid, de missie veroorzaakte tijdverlies en men vreesde dat na het vertrek van Phaff de resterende missieleden te veel aan de leiband van de Engelsen zouden lopen. In mei 1944 werd een militair attaché van de Nederlandse regering benoemd bij het Franse Comité voor Nationale Bevrijding. 2.2.2.2 Verenigde Staten Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was in de Verenigde Staten slechts een marineattaché geaccrediteerd. Vanaf 1 april 1938 was J.E. Meijer Ranneft(Het instituut Maritieme Historie beheert in afschrift het dagboek van Meyer Ranneft als marinettaché te Washington, 1938-1947. Het is opgenomen in de collectie WO II onder nummer Ec-1.) werkzaam als marine attaché bij het Nederlands gezantschap te Washington. In zijn instructie stond dat hij onder bevel stond van de minister van Defensie. Op 27 juli 1941 werd te Londen (opnieuw) een ministerie van Marine ingesteld en trad de marineattaché (opnieuw) op als vertegenwoordiger van de minister van Marine te Washington. Gedurende de oorlog groeide het aantal Nederlandse militaire vertegenwoordigers in de Verenigde Staten snel en werd de behoefte gevoeld aan een centrale organisatie en coördinatie. Vandaar dat ambassadeur Loudon voorstelde over te gaan tot de instelling van een militaire missie in de Verenigde Staten. Van deze missie zouden deel uitmaken: de marineattaché, de militair attaché, het hoofd van het rekruteringsbureau en de hoofden van de technische adviesbureaus. De militaire missie zou onder bevel van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten komen staan. De missie zou onder leiding van een vlag- en opperofficier staan, die zouden worden aangewezen door de regering te Londen. Deze twee officieren zouden ook de regering vertegenwoordigen in het Combined Chiefs of Staff Committee. In een nota van de minister van Koloniën aan zijn collega van Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk, welke zich in afschrift bevindt in het archief van het ministerie van Defensie/Oorlog te Londen, wordt een helder beeld geschetst van de verschillende militaire groepen en autoriteiten die gedurende de Tweede Wereldoorlog actief waren in de Verenigde Staten, alsmede van hun taakstelling. Generaal-majoor Dijxhoorn en schout-bij-nacht Stoeve waren gedelegeerd bij de Combined Chiefs of Staff (voortaan: CCOS). Hun taak bestond uit het behartigen van de Nederlandse belangen bij de CCOS nopens de oorlogsvoering in grote lijn alsmede het verkrijgen van inlichtingen. Dijxhoorn hield zich verder bezig met het rekruteren van Nederlandse dienstplichtigen. Hiertoe had hij de beschikking over een bureau rekrutering. De marine- en militair attaché hielden zich respectievelijk bezig met het bestuderen van de militair-politieke toestand in de Verenigde Staten op maritiem en legergebied. In een brief van 23 juni 1943 aan de minister van Marine geeft de marineattaché een overzicht van de werkzaamheden op zijn bureau. Zo behartigde hij de belangen van marinepersoneel in de Verenigde Staten, gaf hij voorlichting op maritiem gebied, verzamelde inlichtingen en onderhield contact met vele instanties. De Nederlandsche Aankoop Commissie/Netherlands Purchasing Commission behartigde de centrale aankoop van goederen voor het Nederlandse leger en marine alsmede het Indische leger. De regering besliste uiteindelijk dat het in diverse rapporten en nota's geconstateerde gebrek aan coördinatie( Daarnaast speelde persoonlijke generositeit een rol. De militair attaché Weijerman, volgens de verslagen en rapporten van de Enquêtecommissie "een zeer eigenaardig figuur" en "geen gemakkelijk mens om mee om te gaan" weigerde zijn medewerking aan de regeringsvertegenwoordigers bij de CCOS. ) tussen de diverse instanties diende te worden opgelost door het instellen van een militaire commissie( Commisie in plaats van Missie. De naam Militaire Missie zou immers de -onjuiste- indruk kunnen wekken dat hier sprake was van een nieuw orgaan, terwijl het juist de bedoeling was een coördinerend en informerend orgaan te creëren dat de in Amerika aanwezige officieren optimaal wilde laten samenwerken. Washington. Deze trad niet naar buiten en bestond uit de beide regeringsvertegenwoordigers bij de CCOS, de militair en marineattachés en de overige daarvoor in aanmerking komende regeringsvertegenwoordigers. Dat dit evenwel een niet geheel bevredigende oplossing was blijkt uit de conclusie van de Enquêtecommissie 1940-1945. Deze stelt dat de voornoemde commissie nooit een succes is geworden. De militaire attachés hielden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog eveneens bezig met het rekruteren van dienstplichtigen buiten bezet Nederland. Op 9 september 1940 verstrekte de minister van Defensie aan luitenant-kolonel Sas de taak om dienstplichtigen in Canada en de Verenigde Staten op te roepen en vervolgens een basisopleiding te geven en ze daarna naar Engeland te sturen. Hiertoe werd in Canada te Ottowa de Nederlandse militaire missie gevestigd. Eind 1940 begaf Sas zich naar de Verenigde Staten om een begin te maken met de rekrutering aldaar. In december 1940 werd in New York een registratiebureau gevestigd dat onder leiding stond van M.J. Schreven als consul-generaal in buitengewone dienst. Op 6 maart 1941 werd te Chicago een tweede bureau geopend. Dit bureau werd opgeheven op 15 oktober 1942. Gezien het groot aantal Nederlanders dat woonachtig was in het westen van de Verenigde Staten werd begin mei 1941 besloten ook registratiebureaus te openen te San Fransisco en Los Angeles. Deze werden respectievelijk opgeheven 1 november 1942 ( Volgens het verslag van de Enquêtecommissie werd dit bureau opgeheven 1 november 1943. Echter, een brief van de heer Droste van het Registratiebureau Los Angeles aan de Consul Generaal te San Francisco inzake ( ... ) de opheffing per 1 november as.( ... ) is gedateerd 25 oktober 1932. Waarschijnlijk is hier bedoeld 1942. Gezien het feit dat ten gevolge van Amerikaanse regeringsmaatregelen op het gebied van recruteringen, de recrutering met ingang van 1 augustus nog slechts op zeer beperkte voet zou voortbestaan, moet de opheffing zeer waarschijnlijk geplaatst worden in het jaar 1942. Extra aanwijzing is de brief van 28 december 1942 aan de Nederlandse ambassade, waarin door het hoofd der Registratie een lijst wordt aangeboden van het personeel der Registratie-organisatie in de VS. In de bijlage wordt alleen gewag gemaakt van personeel te New York.) en 21 juni 1942. Zowel de registratiebureaus Chicago, San Fransisco als Los Angeles waren ondergeschikt aan New York. De belangrijkste taak van de afdeling militair bureau van het consulaat-generaal te New York bestond uit het verrichten van werkzaamheden die voortkwamen uit de demobilisatie van de in de Verenigde Staten opgeroepen militairen. Daarnaast hield men zich bezig met de uitvoering van de kostwinnersvergoeding. Verder waren in de Verenigde Staten actief officieren van handelsbescherming te New York, San Fransisco en New Orleans. De handelsbescherming werd ingesteld door de commandant Zeemacht in mei 1940. Zij waren onder meer belast met: " ( ... ) het behandelen van Nederlandsche koopvaardij-aangelegenheden, welke verband houden met den oorlogstoestand en dus niet tot de rechtstreekse en gebruikelijke werkzaamheden van de Consulaire Ambtenaren behoren. Zijn taak omvat ( ... ) een nauwgezette controle op de geheimhouding van codes, scheepsbewegingen en -berichten en andere geheime gegevens."(Het archief van de Handelsbeschermingsofficieren zal worden opgenomen in de verzamelinventaris van de archieven van de het ministerie van Marine te Londen en de afwikkeling daarvan, alsmede onder de verantwoordelijkheid van deze minister vallende instanties.) In de instructie van de handelsbescherming officier (voortaan: HBO) lezen we dat deze benoemd werd door de minister van Marine dan wel het hoofd Handelsbescherming (HHB). Deze was tevens lid van de Nederlandsche Missie voor Economische, Finantieele en Scheepsaangelegenheden te Washington. De in verscheidene havens geplaatste HBO's stonden onder zijn bevel. Het Wervingskantoor New York Vrouwenkorps Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger werd kort na de oprichting van dit korps (5 maart 1944) geopend. In de loop der tijd werd het wervingskantoor onderdeel van de Legerafdeling van de Netherlands Purchasing Commission te New York. 2.2.2.3 Canada Op 2 september 1940 werd de instructie van het hoofd van de militaire missie Canada vastgesteld. Luitenant-kolonel G.J. Sas werd op 6 september 1940 benoemd tot hoofd van de militaire missie en bovendien tot commandant van de Nederlandse troepen, kapitein, later majoor W.T. Matste tot chef-staf. Het doel van de missie in Canada was het voorbereiden, het onder de wapenen roepen en naar Engeland sturen van in de Verenigde Staten en in Canada wonende dienstplichtige Nederlanders.(Naar aanleiding van het besluit van 8 augustus 1940, nr. 10 A. Hierbij werden alle Nederlanders, geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1921, die woonden in Groot Brittannië, Noord Ierland, de VS en Canada voor zover ze nog niet in werkelijke dienst waren, dienstplichtig.) Dit om de in Engeland aanwezige Nederlandse Troepen te versterken. In Canada werd een vooropleiding van twee maanden gegeven, welke in Engeland werd voltooid. Het hoofd van de militaire missie te Canada had onder zijn bevelen: het detachement Nederlandse troepen; intendance diensten; de medische dienst; het bureau van de officier van administratie; het recruteringsbureau Canada. Tevens stond het registratiebureau militaire aangelegenheden te New York onder zijn bevel. Op 8 januari 1941 werd de Prinses Juliana kazerne te Stratford in gebruik genomen om de onder de wapenen gekomen dienstplichtigen te legeren. Op 20 januari 1941 arriveerde generaal-majoor A.Q.H. Dijxhoorn te Washington. Hij was vanwege de minister van Oorlog geïnstrueerd ter zake de reorganisatie van de rekrutering in Canada en de Verenigde Staten. Op 12 februari 1942 werd luitenant-kolonel G.J. Sas ontheven van zijn functie als hoofd van de militaire missie en commandant van de Nederlandse troepen in Canada. Majoor W.Th. Carp volgde hem op als commandant Nederlandse troepen in Canada en werd tevens tijdelijk belast met de waarneming van de functie van hoofd militaire missie in Canada. Op 1 augustus 1942 nam Carp tevens de rekrutering in de Verenigde Staten over van de consul-generaal Van Schreven, die tot dan de leiding had gevoerd over het registratiebureau te New York. In oktober 1942 verhuisden de troepen van Stratford naar Guelph. Hieraan lag een bezuiniging ten grondslag. Minder dienstplichtigen kwamen op dan verwacht, men moest naar een kleiner en goedkoper onderkomen omzien. De liquidatie van het kamp te Guelph was op 25 oktober 1943 voltooid. Eind 1943 werden de Nederlandse militaire missie Canada en de functie van commandant der Nederlandse troepen in Canada opgeheven. Administratieve zaken zoals rekrutering en kostwinnersvergoedingen werden voortaan afgehandeld door het militair bureau van het consulaat-generaal te Montréal. Militair bureau van het Nederlands consulaat-generaal te Montréal Na de opheffing van de Nederlandse militaire missie Canada en van de functie van commandant van de Nederlandse Troepen in Canada werden de administratieve handelingen van die twee instanties, zoals correspondentie inzake de rekrutering et cetera voortaan door dit bureau geregeld. 2.2.2.4 Zwitserland ( Voor meer informatie over het ontstaan en de betekenis van de verbinding tussen Londen en het bezette gebied via Zwitserland zie PEC, deel 4A, hoofdstuk VII. ) Op 19 april 1940 vestigde generaal-majoor A.G. van Tricht zich als militair attaché bij het gezantschap der Nederlanden te Rome. Echter, reeds op 13 juni diende hij zijn standplaats Rome, samen met de andere leden van de Nederlandse legatie alweer te verlaten in opdracht van de Italiaanse regering. Hij reisde daarop naar Lausanne en vestigde zich te Bern als militair attaché. In 1941 arriveerden de eerste vluchtelingen uit Nederland in Zwitserland. Velen van hen waren joden, een ander deel Nederlanders die probeerden via Zwitserland naar Nederlands-Indië of Engeland te vertrekken (via Spanje en Portugal) om zich daar aan te sluiten bij het Nederlandse leger. Van Tricht fungeerde onder meer als tussenpersoon tussen de Nederlandse Orde Dienst en de regering in ballingschap te Engeland. Ook was hij actief als organisator van het doorsturen - via Spanje en Portugal - van in Zwitserland gearriveerde vluchtelingen naar Engeland of Nederlands-Indië. Tevens had Van Tricht de leiding van bureau Bern van het bureau inlichtingen (BI). In deze hoedanigheid was hij echter niet in dienst van BI, daar hij bleef ressorteren onder het gezantschap te Bern. Verder was Van Tricht beheerder van het fonds Katz. Dit fonds stelde zich ten doel "( ... ) het verstrekken van (geldelijke) steun aan in Zwitserland verblijvende niet-Nederlanders, die ( ... ) door geboorte of langdurig verblijf in Nederland als aan Nederland geassimileerd kunnen worden beschouwd en die daarover een morele aanspraak op Nederlandsche hulp kunnen maken gedurende hun verblijf in Zwitserland ( ... )" Het fonds was genoemd naar een belangrijke donateur, N. Katz. Verder werd het fonds later nog ondersteund door het Comité Oecuménique des Eglises en het American Joint Distribution Committee. Op 20 november 1942 werd de afdeling Vluchtelingen van het gezantschap der Nederlanden te Bern geopend. Deze afdeling verstrekte materiële en morele steun aan Nederlandse vluchtelingen en hield toezicht op hen. Hiertoe beschikte de afdeling Vluchtelingen over een personenregister. De militair attaché was tot 1 april 1943 verantwoordelijk voor de financiële administratie van de vluchtelingenzorg. Na deze datum ressorteerde de afdeling Vluchtelingen onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Vluchtelingen met de Nederlandse nationaliteit die niet zelf in hun onderhoud konden voorzien kregen van de regering een voorschot, terug te betalen na beëindiging van de oorlog, ter derving van hun onderhoudskosten. Voor militairen gold een aparte regeling. Vluchtelingen welke geschikt waren voor arbeid moesten in een kamp worden ondergebracht en tewerkgesteld worden. Er werden daartoe in de loop der tijden verschillende opvangmogelijkheden in Zwitserland gecreëerd. Kamp (Arbeitslager) Cossonay -opgericht 26 mei 1942- was een camp de travail pour émigrés en herbergde omstreeks 150 Nederlandse vluchtelingen. Het was een werkkamp waar moeras werd drooggelegd. Aanvankelijk was het kamp een succes maar gaandeweg ontaardde het tot een wanorde en chaos - vanwege een "( ... ) gebrek aan discipline en gebrek aan saamhorigheidsgevoel ( ... )" waarop het in juni 1943 werd opgeheven door de Zwitserse autoriteiten. De bewoners werden overgeplaatst naar het Arbeitslager für Internierte Les Verrières en Tramalan. In het kamp Les Verrières, 800 meter van de Franse grens gelegen, waren 120 Nederlanders, 20 Engelsen en 20 Belgen ondergebracht. Het kamp werd naar analogie van de weersomstandigheden ook wel "La Sibérie de la Suisse" genoemd. Het was er 's winters zeer koud en 's zomers erg warm. Kamp Les Enfers herbergde in juli 1944 120 Italianen, 27 Nederlanders en één Engelsman. Vluchtelingen werden hier bezig gehouden met het graven van geulen voor de aanleg van een drainage-systeem. Hierbij dient te worden aangetekend dat de grond kleiachtig en moerassig was en het kamp op zo'n 1000 meter hoogte lag. Les Enfers werd geliquideerd eind november 1944. Vluchtelingen welke hier verbleven werden overgeplaatst naar Les Verrières. Het camp civil de travail Jeunesse La Brasserie te Aigle was, zoals de naam het al zegt een tijdelijk jongeren-werkkamp waar vluchteling-studenten verbleven. Deze waren tijdens hun 'vakantie' in principe verplicht arbeidsdienst te verrichten (90 dagen per jaar). Het kamp werd in juli 1944 geopend en eind september 1944 al weer opgeheven. Ook werden in 1942 hotels gehuurd om vluchtelingen in onder te brengen (de zogenaamde hotelkampen), zoals Hotel des Narcisses te Chamby, hotel Beau-Site te Baugy en in 1943 Grand Hotel te Mont-Pélerin. Deze waren bedoeld om scheiding van echtparen te voorkomen. Voor meer informatie over de verscheidene andere kampen wordt verwezen naar inventarisnummers 1325-1343. Zo'n veertig vluchtelingen-studenten die hun universitaire studie in Nederland (al dan niet verplicht) hadden onderbroken mochten deze onder strikte bepalingen voortzetten aan een Zwitserse universiteit. In Zwitserland verblijvende Nederlandse mannen geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1927 werden van regeringszijde dienstplichtig verklaard. Ze werden niet in werkelijke dienst opgeroepen. Blijkens een diverse rapporten en verklaringen was de verstandhouding tussen Zwitserse autoriteiten en de Nederlandse vluchtelingen enerzijds, en Van Tricht anderzijds niet goed. Echter, de minister van Oorlog zag in deze feiten geen reden om generaal-majoor Van Tricht terug te roepen van zijn post. Vooral zijn belang voor bureau inlichtingen woog zwaar. Begin april 1945 werd Van Tricht overgeplaatst als militair attaché naar Washington en werd hij vervangen door luitenant-kolonel J.W. Stoutjesdijk met als adjunct majoor J.G. van Niftrik. Het bureau van de militair attaché van het gezantschap der Nederlanden te Bern werd opgeheven op 15 februari 1946. Op 1 november 1945 werd Niftrik eervol ontslag verleend uit militaire dienst. Dit gebeurde onder gelijktijdige ontheffing van zijn detachering bij bureau inlichtingen en als adjunct-militair attaché, beide te Bern. Hij werd belast met de finale afwikkeling van alle aangelegenheden dienaangaande. 2.2.3 Na de Tweede Wereldoorlog In juni 1945 werd een nieuwe instructie voor de militair attaché te Parijs vastgesteld. In essentie week deze niet af van eerdere instructies. De generaal-majoor en chef van de Generale Staf Dijxhoorn had moeite met de instructie, daar de attachés niet onder zijn gezag waren geplaatst. Aangezien de militaire attachés een belangrijke bron van inlichtingen waren dienden deze naar zijn mening onder zijn staf te ressorteren. Hij ontwierp een alternatieve instructie. 2.3 Bureau Inlichtingen 2.3.1 Algemeen 2.3.1.1 Oprichting en taak Bureau inlichtingen (voortaan: BI) werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 28 november 1942 nr. 1 onder gelijktijdige opheffing van de rechtsvoorganger, de centrale inlichtingendienst. BI ressorteerde onder de minister van Oorlog. BI had tot taak het "( ... ) inwinnen, verzamelen en doorgeven ter bevoegde plaatste van alle inlichtingen, welke van belang zijn voor de handhaving van de rust en veiligheid van het Koninkrijk, de oorlogsvoering en de daaruit voortvloeiende deelneming aan de geallieerde oorlogsvoering alsmede voor de voorbereiding tot het heroveren van het Nederlands grondgebied en het herstel en behoud van het wettig gezag daarover." In artikel 3 van de instellingsbeschikking werden de taken nog eens nader toegelicht: "a) het inwinnen, verzamelen en doorgeven van alle inlichtingen op politiek en economisch terrein, verband houdende met de huidigen toestand en de voorbereiding van den terugkeer van de Regeering of het door of namens de Regeering uitgeoefend gezag; b) het verleenen van medewerking tot het inwinnen van inlichtingen op militair terrein, verband houdende met huidige en toekomstige acties in de bezette gebieden of acties daarmee samenhangende, zulks op aanwijzing van en in overleg met het hoofd van het Bureau militair Voorbereiding terugkeer; c) het bevorderen van de evacuatie van krijgsgevangenen, dienstplichtigen en militaire vrijwilligers en vluchtelingen, voor zover deze niet geregeld wordt door de Diplomatieken Dienst en door de organisatie van het Roode Kruis; d) het organiseren en leiden van de uitzending van personen voor het uitvoeren van bijzondere opdrachten of voor het overbrengen van berichten aan personen, lichamen e.d. in het bezette gebied." Met de leiding van BI werd de reservemajoor H.G. Broekman belast. In samenwerking met de Engelse zusterdienst, de Secret Intelligence Service, werd een opleidingsschool voor agenten opgezet. Agenten werden gerekruteerd uit de Engelandvaarders. Een belangrijke taak van de agenten was het opzetten van koerierslijnen van Nederland via Zwitserland naar Spanje en rechtstreeks van Nederland via Frankrijk naar Londen. Verder werden radiotelegrafisten opgeleid en uitgezonden naar bezet Nederland. Deze werden gedetacheerd bij verzetsorganisaties. Via deze twee communicatielijnen werd informatie uitgewisseld tussen bezet Nederland en de regering in Londen. Op 26 juli 1943 werd Broekman op eigen verzoek - het KB spreekt van gezondheidsproblemen - eervol ontheven uit zijn functie. Hij werd opgevolgd door majoor dr. J.M. Somer. Op 5 augustus 1943 werd de uitvoering van de taken van het hoofd van BI nader geregeld in een instructie. Volgens deze instructie droeg hij zorg voor het ontvangen en uitzenden van alle geheime berichten, afkomstig uit en bestemd voor het bezette gebied in Europa. In een memorandum van 25 december 1944 schetst het latere hoofd van BI Brussel, H. Speyer, de coördinatie, de taakverdeling van de activiteiten - feitelijk, de inzet van de middelen welke BI op dat moment ter beschikking stonden - tussen de verschillende vertegenwoordigingen van BI te Europa. Londen diende in deze opzet te zorgen voor de opleiding van agenten welke vervolgens door bureau Eindhoven zouden worden uitgezonden. Verkregen inlichtingen werden door Eindhoven verwerkt en doorgespeeld aan Londen. BI Eindhoven vergaarde inlichtingen door telefoonverbindingen, koeriers, via zenders en via de filialen Nijmegen(BI Nijmegen werd opgericht oktober/november 1944, was gevestigd in het gebouw van de St Anna Stichting aan de Groesbeekseweg en stond aanvankelijk onder leiding van lt. G.A. Jansen op de Haar. Bij oprichting kende het bureau op papier 4 afdelingen (militaire, civiele (politieke) en economische inlichtingen en contra-spionage). In de praktijk hield men zich alleen met het vergaren van militaire inlichtingen bezig, en dan nog alleen op vraag van bureau Eindhoven op verzoek van de geallieerden. In december werd de leiding overgenomen door kapitein A. van Sluiters. Deze bleef deze taak vervullen tot 1 april 1945, toen hij op eigen verzoek eervol van zijn functie werd ontheven. Jansen op de Haar werd wederom belast met de waarneming van het commando van BI Nijmegen. In dezelfde maand viel het aantal werkzaamheden van de dienst te Nijmegen sterk terug. Dit ten gevolge van het opschuiven van het front en het terugroepen van BI-personeel uit Duitsland. Toch werd het bureau nog niet direct opgeheven. Zo bleven de personen die het radiostation van het bureau bedienden in dienst, evenals het voormalig hoofd. lt. G. Jansen op de Haar, die weer, zij het als waarnemer terugkwam in deze functie na het vertrek van kapitein A. van Sluiters.) en Maastricht. Stockholm diende zich bezig te houden met het verkrijgen van gegevens uit Duitsland, in het bijzonder uit het noorden en midden van Duitsland alsmede de Oostzeehavens, Hamburg en Bremen. Deze informatie kon worden verkregen via koerierslijnen. Zwitserland had als werkterrein het zuiden van Duitsland. De bureaus BI werkten autonoom, maar in samenwerking met buitenlandse, geallieerde zusterdiensten. Er vond een intensieve kennisoverdracht tussen de verschillende vertegenwoordigingen plaats. 2.3.1.2 Opheffing Bij de oprichting van de buitenlandse inlichtingendienst op 16 februari 1946 werd het KB inzake de oprichting van BI ingetrokken. Bij ministeriële beschikking van 6 maart 1946 werd een voorstel om een afwikkelingsbureau BI in te stellen goedgekeurd. Het werd gevestigd aan de Laan van Hoogwolde 2 te Wassenaar en ging zich bezighouden met de bewerking van de archieven van BI. Officieel werd BI - dat op 23 februari 1946 onder bevel werd gesteld van de Generale Staf - op 1 april opgeheven onder gelijktijdige oprichting van afwikkelingsbureau BI. Op 1 mei 1946 daaropvolgend kreeg Somer eervol ontslag als hoofd BI en werd aangesteld als hoofd van het afwikkelingsbureau BI. Voor de geschiedenis van BI Bern zie Het instituut militair attaché, Zwitserland op pagina - I: 21 -. 2.3.2 BI Eindhoven, vanaf 14 mei 1945 BI Wassenaar, met ingang van 1 april 1946 BI der Nederlandse regering in afwikkeling, vanaf 1949/1950 bureau belast met de behartiging van de belangen van het voormalig BI BI Eindhoven werd opgericht op 8 oktober 1944. Direct na de oprichting van BI Eindhoven kwam van Britse en Amerikaanse zusterdiensten het verzoek om mee te werken aan het inwinnen van militaire inlichtingen in Duitsland. In de instructie van BI stond als werkgebied echter omschreven het bezette gebied, dat is Nederland. Somer besprak dit probleem met de minister van Oorlog, waarin hij voorstelde dat BI Eindhoven agenten door de linies kon uitzenden of zou kunnen detacheren bij Britse of Amerikaanse legeronderdelen, die binnen korte tijd, zo was de verwachting in oktober 1944, in Duitsland zouden opereren. Somer vroeg de minister om uitsluitsel. Op 11 november 1944 vervoegde zich kapitein-luitenant ter zee M. Schoo zich bij Somer teneinde te overleggen over de informatievoorziening van BI aan het ministerie van Marine inzake marine- en scheepvaartaangelegenheden in bezet Nederland. Genoemd ministerie beklaagde zich dat het deze gegevens - hoewel toegezegd - niet ontving. Afgesproken werd, dat een vertegenwoordiger van de Koninklijke marine bij BI Eindhoven werd gedetacheerd om deze berichtgeving te gaan verzorgen. De standplaats van BI Eindhoven werd op 14 mei 1945 verplaatst naar Huize Maarheeze aan de Rijksstraatweg nr. 675 te Wassenaar. Taken: wat betreft de dienst op Duitsland: het rekruteren van agenten; het verwerven van schuiladressen en steunpunten in Duitsland voor agenten; het verkrijgen van verblijfsdocumenten benodigd in Duitsland. Afwikkeling Op 1 april 1946 werd op het adres Laan van Hoogwolde 2 te Wassenaar het BI der Nederlandsche regering in afwikkeling ingesteld. 2.3.3 De vertegenwoordiger van BI Maastricht, 1944-1945 Na de bevrijding van Zuid-Nederland werd in oktober 1944 in Maastricht de vertegenwoordiging BI ingesteld. Luitenant W. Lak werd belast met de dagelijkse leiding van het bureau. Het bureau hield zich voornamelijk bezig met het ondervragen van repatriërende Nederlanders in de opvangkampen, om zodoende gegevens te verkrijgen over het nog niet bevrijde gedeelte van Nederland. BI Maastricht werd met ingang van 1 april 1945 opgeheven. Met de afwikkeling werd 2e luitenant W. Lak belast. 2.3.4 De vertegenwoordiging van de centrale inlichtingendienst te Lissabon, voortgezet als bureau Lissabon van het bureau inlichtingen, voortgezet als bureau Lissabon van de buitenlandse inlichtingendienst, 1941-1949 2.3.4.1 De vertegenwoordiging van de centrale inlichtingendienst te Lissabon, begin 1941 - 28 november 1942 Medio 1940 werd mr H. Maas Geesteranus benoemd tot correspondent te Portugal van enkele periodieken. Begin 1941 werd hij vertegenwoordiger van de centrale inlichtingendienst te Lissabon. In september 1942 werd Maas door de gezant aangesteld als honorair attaché. Zo kreeg hij een diplomatieke status, echter zonder het gezantschap in gevaar te brengen ten gevolge van zijn werkzaamheden. 2.3.4.2 Bureau Lissabon van het bureau inlichtingen, 28 november 1942 - 1 april 1946 Dit bureau was de directe rechtsopvolger van de in de vorige alinea genoemde instantie. Bureau Lissabon van het BI was gehuisvest in het gebouw van de Nederlandse legatie aldaar. Reeds op 8 juli 1944 stelde kap mr C.W.L. Fock een memorandum op betreffende naoorlogse vermogensvlucht en de vlucht van oorlogsmisdadigers alsmede landverraders naar neutrale landen. In deze nota beschreef hij dat Portugal vermoedelijk een aantrekkelijk alternatief zou zijn voor betrokkenen. Hij concludeerde, dat het in Portugal aanwezige Nederlands diplomatieke personeel niet het meest aangewezen personeel was om de mogelijke opsporing van oorlogsmisdadigers en landverraders in Portugal op zich te nemen. Hij gaf in overweging personeel van BI - dat wel capabel was deze taak uit te voeren, na afloop van de oorlog met deze taak te belastten. Aangezien genoemde taak onder de competentie van een ander ministerie viel, zou de Nederlandse dienst te Lissabon ook onder desbetreffend ministerie geplaatst moeten worden. Hierop bepaalde de minister van Oorlog in oktober 1944 dat bureau Lissabon gedeeltelijk ter beschikking zou worden gesteld van het ministerie van Justitie. Onder de naam Safehaven - waaronder werd verstaan het opsporen en achterhalen van door de vijand naar Portugal geloodste vermogens - kwam een deel van het bureau rechtstreeks onder Justitie te vallen, terwijl de kosten gelijkelijk gedeeld werden door beide betreffende ministeries. Op 25 november 1944 besloot de minister van Oorlog de kantoren van BI te Lissabon en Madrid voorlopig op te heffen. Aan de hoofden van beide diensten werd opdracht gegeven zich zo spoedig mogelijk in Londen te melden. Waarschijnlijk omstreeks augustus 1945 werd het bureau weer opgericht. Ingaande 1 februari 1946 kwam bureau Lissabon weer volledig onder BI te ressorteren. Op 1 april daaropvolgend werd het bureau officieel opgeheven. Met de leiding van BI Lissabon waren achtereenvolgens belast: mr H. Maas Geesteranus tot 18 november 1943; res kap mr C.W.L. Fock 19 november 1943 - 31 augustus 1944; tijd res elt C.R. van Brink 1 september 1944 - januari 1945 en waarschijnlijk 1 augustus 1945 - 31 maart 1946 2.3.4.3 Bureau Lissabon van de buitenlandse inlichtingendienst, 1 april 1946 - maart 1949 In feite werd met ingang van 1 april 1946 - de dag waarop BI Lissabon werd opgeheven - dit bureau overgenomen door de buitenlandse inlichtingendienst. Tot hoofd van het bureau werd benoemd C.H. van Brink. Feitelijk werd dus de bestaande situatie gecontinueerd. Na het vertrek van Van Brink - gezien de brievenboeken, moet dit zijn geweest maart 1949, aangezien de correspondentie dan op houdt en de dossiers worden overgedragen aan de gezantschappen te Madrid respectievelijk Lissabon - werd het bureau opgeheven. 2.3.5 De vertegenwoordiger van bureau inlichtingen te Madrid, ook wel bekend als de Nederlandsche Dienst in Madrid, 1943-1945, en de buitenlandse inlichtingendienst, post Madrid, 1947-1950 2.3.5.1 Instelling Op 29 december 1943 gaf de minister van Oorlog goedkeuring tot het instellen van een vertegenwoordiging van BI te Madrid. Tot hoofd van dit bureau werd benoemd reservekapitein E. Hertzberger. Aan deze officier werd toegevoegd de korporaal W.G.P. van der Heyden, welke onder andere werd belast met codewerk. 2.3.5.2 Werkzaamheden Bij brief van 2 februari 1944 stelde het hoofd van BI, dr. J.M. Somer, een instructie voor de vertegenwoordiger van BI te Madrid vast. Naast de primaire taak die deze had te vervullen - het verzamelen van inlichtingen over bezet Nederland op velerlei gebieden was genoemde functionaris belast met het afnemen van verhoren van in Spanje verblijvende Nederlandse onderdanen ter vaststelling van de politieke betrouwbaarheid van deze personen. Dit als basis ter mogelijke verstrekking van Britse visa. De vertegenwoordiger speelde ook een rol in het onderhouden van de illegale koeriers- en evacuatieroutes voor vluchtelingen en routes van agenten met regeringsopdrachten die tussen Madrid, Zwitserland, Portugal en Nederland liepen. Al vrij snel na het vaststellen van bovengenoemde instructie, namelijk op 25 april 1944 werd deze vervangen door een nieuwe. Hierin was de hiërarchische verhouding van het hoofd van de Nederlandsche Dienst te Madrid tot het hoofd BI te Londen vastgelegd: eerstgenoemde was verantwoording verschuldigd aan laatstgenoemde. Inhoudelijk verschilde deze instructie echter niet wezenlijk van de vorige. 2.3.5.3 Afwikkeling en opheffing Als gevolg van de eerdergenoemde opheffing van BI Lissabon en Madrid, werden met ingang van 30 november 1944 werden de assistenten, werkzaam op het bureau, op wachtgeld gesteld. Op 14 januari 1945 meldde Hertzberger zich bij het waarnemend hoofd BI te Londen. 2.3.5.4 Buitenlandse inlichtingendienst, post Madrid, 1945(?)/1947-1950 Waarschijnlijk vanaf 1945, maar bijna zeker van 1947 tot en met maart 1950 heeft zich een post van de buitenlandse inlichtingendienst te Madrid bevonden. Tijdens de inventarisatie van het archief van BI Lissabon werd in voornoemd archief een brievenboek aangetroffen met als aanduiding "brievenboek Madrid", dat loopt van 14 januari 1947 tot en met 27 maart 1950. Deze agenda maakt op 19 februari 1950 melding van "( ... ) opheffing post Madrid. Dit verklaart tegelijkertijd de aanwezigheid in dit archief van de zogenaamde "Astro-rapporten", inlichtingenrapporten over Spanje.( Waarschijnlijk is hier sprake van dezelfde Astro waarover De Jong spreekt in deel 9 van Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 851; (Mr. H. Maas Geesteranus had ... in Portugal) vijf 'hoofdagenten' aangesteld (de belangrijkste, 'Astro', was een Luxemburger) die elk weer een eigen agentennet onder zich hadden.) Naspeuringen, onder wiens verantwoordelijkheid of op wiens gezag deze rapporten werden opgemaakt leverden aanvankelijk niets op. Maar de vondst van deze agenda verklaarde de aanwezigheid van deze stukken. 2.3.6 De vertegenwoordiger van bureau inlichtingen te Stockholm, 1941-1946, en de buitenlandse inlichtingendienst, post Stockholm, 1946-1950 2.3.6.1 Voorgeschiedenis Reeds in 1941 legde de Nederlandse consul-generaal te Stockholm, A.M de Jong, contact met de Britse inlichtingenofficier van het Britse gezantschap in die plaats. De Jong rapporteerde vanaf het begin 1941 alleen aan de Britse inlichtingendienst MI-6. Hij had namelijk geen vertrouwen in de Nederlandse centrale inlichtingendienst (CID). Er was afgesproken, dat deze dienst gegevens zou doorsluizen naar Nederlandse diensten. Voorjaar 1942 bracht hij verbindingen met diverse verzetsgroeperingen in Nederland tot stand, waaronder groep Zwaantje, geleid door de Delftzijlse arts A.L. Oosterhuis. Inlichtingenrapporten en andere zaken werden zo naar Zweden gesmokkeld, en illegale bladen, geneesmiddelen en zenders ten behoeve van verzetsgroepen in Nederland werden vanuit Zweden naar Nederland verzonden. Hiervoor werden kapiteins van Nederlandse schepen ingeschakeld die tussen Delfzijl en Zweden voeren. Deze weg werd in mei 1943 door kapitein F.J.M. Aben aan de SD verraden. 2.3.6.2 Instelling Na de instelling van BI Stockholm werd afgesproken dat De Jong voortaan zowel aan BI als aan MI-6 zou rapporteren. Het debacle met Aben kostte De Jong tenslotte zijn positie. Nadat zijn opvolger ir. W.L.Chr. Lindenburg niet voldeed werd deze opgevolgd door C. Knulst. De belangrijkste taak na het wegvallen van de Zweedse weg voor BI Stockholm werd het functioneren als tussenschakel tussen Londen enerzijds en BI Genève en Bern anderzijds. In augustus 1943 arriveerde de voormalig inspecteur van politie jhr. W.A. Gevers Deynoot te Stockholm. Na overleg met Londen werd deze tewerkgesteld bij de dienst BI ter plaatse waar hij met name werd ingezet bij het verhoor van aangekomen Nederlanders. Met de leiding van BI Stockholm waren achtereenvolgens belast: A.M. de Jong, Nederlandse consul-generaal te Stockholm, tot 4 oktober 1943; ir. W.L.Ch Lindenburg van 4 oktober 1943 - maart 1944; 1e lt. C. Knulst april 1944 - 22 augustus 1945; mr. F.Th Dijckmeester 22 augustus 1945( Inv. nr. 2957, minuut van uitgaande brief dd, 22-8-1945, nr. 520 G. ) - 31 maart 1946. 2.3.6.3 Bureau Stockholm van de buitenlandse inlichtingendienst, 1 april 1946-maart 1950 Met ingang van 1 april 1946 werd bureau Stockholm opgeheven en overgenomen door de buitenlandse inlichtingendienst. De vertegenwoordiger van de buitenlandse inlichtingendienst te Stockholm, mr F.Th. Dijckmeester, werd op voornoemde datum gedemobiliseerd en ressorteerde sindsdien, in plaats van onder het ministerie van Oorlog, voortaan onder het ministerie van Algemene Oorlogsvoering. 2.4 Bureau voorbereiding terugkeer, voortgezet als bureau militaire voorbereiding terugkeer, 1942-1944 2.4.1 Voorgeschiedenis Op 8 februari 1941 werd een rechtstreeks onder de minister van Defensie ressorterend bureau voor Bijzondere Aangelegenheden (bureau BA) ingesteld. Dit bureau hield zich bezig met het bestuderen en voorbereiden van de militaire maatregelen met betrekking tot de terugkeer van de regering naar Nederland. In een brief aan H.M. de Koningin schetste de minister de lijnen welke als basis zouden moeten dienen voor de werkwijze van dit bureau. Aangezien de Koningin persoonlijke bezwaren koesterde tegen kolonel van de generale staf D. van Voorst Evevink, die was toegevoegd aan het hoofd van bureau BA, luitenant-generaal J.F. van der Vijver, werd dit bureau - na het aftreden van minister van Defensie A.Q.H. Dijxhoorn - met ingang van 1 september 1941 opgeheven.( In een brief van de minister van Binnenlandsche Zaken aan de minister van defensie, aanwezig in het archief van de bevelhebber der zeestrijdkrachten, ook als hoofd van de Ve afdeling van het ministerie van Defensie, vanaf 27 juli 1941 tevens ministerie van Marine, vanaf 23 juni 1945 ministerie van Marine en Scheepvaart, allen te Londen, en de afwikkeling daarvan, 1940-1945 (1946-1949), afdeling Algemene zaken, nr AZ 3/3/2G, ingekomen op 9-9-1941, schrijft de minister van BiZa: "Bij mijn Departement is sinds zeer korten tijd ook ondergebracht het voormalige bureau B.A. van het departement van oorlog. Voor de indeling bij mijn Departement had dit Bureau in hoofdzaak tot taak het verzamelen en publiceren in persrapporten van allerlei gegevens over Bezet-Nederland, zoals gezindheid der burgerij, activiteit der N.S.B., nieuw-benoemde functionarissen en hun politieke gezindheid e.d. Dit werk wordt ook nu nog door deze dienst voortgezet, maar daarnaast geef ik het Bureau opdrachten om mij, aan de hand van verzamelde gegevens, te rapporteeren over afzonderlijke onderwerpen die in verband met den terugkeer naar Nederland een voorziening eischen. Om ook Uwe Excellentie zooveel mogelijk van de werkzaamheden van deze tak van dienst te doen profiteren, heb ik aan den Chef, Majoor Olifiers, opdracht gegeven om Haar alle reeds verschenen persrapporten toe te zenden, alsook om er voor zorg te dragen, dat in de toekomst Zij alle te verschijnen rapporten zal ontvangen. Voorts moge ik Uwer Excellentie in overweging geven om wanneer zij over een onderwerp, voor haar van belang, gegevens wil ontvangen, mij daarmede te willen inlichten, om mij in de gelegenheid te stellen, zoo mogelijk, van dienst te kunnen zijn.") 2.4.2 Bureau voorbereiding terugkeer Als rechtsopvolgers van het bureau BA kunnen de IIIe afdeling, bijzondere aangelegenheden van het ministerie van Oorlog en het bureau voorbereiding terugkeer worden beschouwd. Laatstgenoemd bureau werd op 6 januari 1942, bij gezamenlijke beschikking van de voorzitter van de ministerraad, de minister van Marine en de minister van Oorlog a.i. ingesteld. Met de leiding werd luitenant-kolonel der mariniers M.R. de Bruyne belast. Zijn opdracht was de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland en het herstel van het wettig gezag aldaar. Het bureau ressorteerde onder de minister van Marine. Bij KB van 5 februari 1942, nr. 1 werd De Bruyne tevens benoemd tot tijdelijk hoofd van de Centrale Inlichtingendienst. Op 1 juni daaropvolgend werd hij weer ontheven van deze functie. 2.4.3 Bureau militaire voorbereiding terugkeer Met ingang van 1 juli 1942 werd het bureau voorbereiding terugkeer, onder de naam bureau militaire voorbereiding terugkeer (voortaan: MVT), onder de minister van Oorlog gesteld. Tevens werd een duidelijke taakomschrijving opgesteld. Tot de taken van dit bureau behoorden: het in behandeling nemen van alle vraagstukken met betrekking tot de militaire voorbereiding van den terugkeer en in verband hiermede het doen van voorstellen aan de ministers van Oorlog en Marine ter voorbereiding van de deelneming der beschikbare Nederlandsche strijdkrachten aan operaties tegen en in het bezette gebied; het, na verkregen goedkeuring der regering, voorbereiden en organiseren van een "binnenlandsch front" in het bezette moederland; het - in nauw overleg met de betrokken instanties van de departementen van Oorlog en Marine - voorbereiden van de uitbreiding van de Nederlandsche militaire machtsmiddelen onmiddellijk na den terugkeer in Nederland, zodanig dat zij zoo spoedig mogelijk hun oorspronkelijke taak, te weten het uitvoeren van of deelnemen aan operaties voor verovering van nog bezette delen van ons grondgebied het handhaven van orde en rust in het heroverde gebied en het deelnemen aan de bezetting van vijandelijk territoir naar behoren kunnen vervullen; het plegen van overleg en het houden van verband met andere departementen en met de betrokken geallieerde instanties, waar zulks ter uitvoering van de taak ad 1) t/m 3) nodig is en voor zover niet op grond van enige bepaling de tussenkomst van een andere instantie is vereist; het onderhouden van nauw contact met hoofd afd. III van het departement van Oorlog met betrekking tot de uitoefening van het militair gezag in het bevrijde moederland, waarvan de voorbereiding aan genoemd hoofd is opgedragen; het inwinnen en verzamelen van militaire en politieke inlichtingen betreffende het moederland. Op 27 november werden, in verband met de oprichting met ingang van 1 november 1942 van het bureau Organisatie Generale Staf, de taken van het bureau MVT opnieuw vastgesteld: Zie voor vervolg de webiste van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in