Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: batavia

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (55)

Archieven (55)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Inventaris van het archief van Dr. P.J. Koets [levensjaren 1901-1995]Stukken betreffende het communisme in Indonesië. - "Moskou en de Djocjase Republiek", nota door n.n. Met bijlage.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van Dr. P.J. Koets [levensjaren 1901-1995]Lid van de "International Socialist Study Group on the situation of Jews in the U.S.S.R." (1963-1967) Ingekomen en doorslagen van uitgaande brieven.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van Dr. P.J. Koets [levensjaren 1901-1995]Brochure getiteld "Report of an International socialist study group of the Jews in the U.S.S.R."Nationaal Archief
Inventaris van het archief van Dr. P.J. Koets [levensjaren 1901-1995]Memorandum van de "International Jewish Labor Bund" betreffende de positie van de Joden in de Sowjet-Unie. In het Engels.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van F.N. Nieuwenhuijzen [levensjaren 1819-1892]Correspondentie met gouverneur-generaal Loudon betreffende fouten met de etiquette tijdens het bezoek van grootvorst Alexis van Rusland aan Batavia.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van J.B. de Wilde [levensjaren 1897-1966]"Schematisch overzicht van het schijn-, civiel- en militair bestuur van de Negara Islam Indonesia in de Negara Pasundan, residentie Batavia/Purwakarta, Pekalongan en Banjumas, naar aanleiding van verklaring van Didi bin Oehab alias Tatang Sachtiar [...] gearresteerd in 1949"; Kaart "Dislocatie Republikeinse Strijdkrachten Oost-Java"; Schematisch overzicht bestuur Sovjet-Unie.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van J.C. Baron Baud [levensjaren 1789-1859] en aanverwantenStukken van Willem Adriaan Baud (1855-1907) als Russisch consul in Batavia.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie BesierBrief van D. van Hogendorp uit St. Petersburg aan A.G. Besier, waarin hij zich bereid verklaart om Gouverneur-Generaal te Batavia te worden, hoewel het gouvernement van Java voordeliger zou zijn; doch als Nederburgh in de Aziatische Raad blijft, wordt hij liever Gouverneur-Generaal aan de Kaap of ambassadeur in Parijs.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Legatie in RuslandAfschriften van uitgaande brieven aan: - de gouverneur-generaal te Batavia; - het opperhoofd in Nagasaki; - alle Nederlandse gouverneurs, commandeurs en diplomatieke en commerciële vertegenwoordigers; - n.n.Nationaal Archief
Inventaris van de archieven van de Algemene Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings, met de daarbij gedeponeerde archievenRekesten van Jan Arnold Kelfken te 's-Gravenhage om pensioen, later om een betrekking te Batavia, met zijn in 1813 ontworpen plannen voor een omwenteling en de beschrijving van de komst der kozakken in Holland.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalROOSTERS DER WERKZAAMHEDEN, AGENDA'S EN NOTULEN Kamerstukken Ter inzage gelegde stukken (kamerstukken) Ter inzage gelegde stukken horende bij de kamerstukken 00114-13558 - 00147 verklaring van de Britse regering met betrekking tot de zending van Sir Archibald Clark Kerr, Brits ambassadeur te Moskou, naar BataviaNationaal Archief
Inventaris van het Code-Archief van het Ministerie van Buitenlandse ZakenCODE ARCHIEF GEHEIM Culturele en wetenschappelijke aangelegenheden, voorlichting Voorlichting Voorlichtingsmedia Couranten, tijdschriften, periodieken, artikelen - Onderzoek naar de activiteiten van G. Afrin, correspondent van het Russisch persagentschap Tass te BataviaNationaal Archief
Familie BesierBrief van D. van Hogendorp uit St. Petersburg aan A.G. Besier, waarin hij zich bereid verklaart om Gouverneur-Generaal te Batavia te worden, hoewel het gouvernement van Java voordeliger zou zijn; doch als Nederburgh ia de Aziatische Raad blijft, wordt hij liever Gouverneur-Generaal aan de Kaap of ambassadeur in ParijsStadsarchief Deventer
Inventaris van het archief van de Directie Verre Oosten te Batavia van het Ministerie van Buitenlandse ZakenStukken betreffende politieke verhoudingen en betrekkingen met diverse landen, o.a. RuslandNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Directie Verre Oosten te Batavia van het Ministerie van Buitenlandse ZakenStukken betreffende het becommentariëren van de ingekomen berichten uit diverse landen ten aanzien van Nederlands-Indië, o.a. Rusland.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Directie Verre Oosten te Batavia van het Ministerie van Buitenlandse ZakenStukken betreffende het becommentariëren van de politieke situatie in diverse landen, o.a. Sovjet Unie.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in China (Peking, Chunking, Nanking)Stukken betreffende politieke zaken gemeld door het gezantschap te Peking aan het departement te 's-Gravenhage en de regering te Batavia - Instructies inzake vervoer van contrabande door Nederlandse schepen en passen voor vervoer van provisie naar Hsin min Ting - Oorlog Japan-Rusland - Uitvoer van kolen uit China naar oorlogvoerende partijenNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in China (Peking, Chunking, Nanking)Stukken betreffende politieke zaken gemeld door het gezantschap te Peking aan het departement te 's-Gravenhage en de regering te Batavia - Afbreking betrekkingen door Nanking regering met Sovjet regering - Veiligheidsmaatregelen in Zuid-China - Bescherming van Peking generaal Pao's troepen - Sino-Russisch geschil - WatersnoodNationaal Archief
Inventaris van het archief van Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in de FilipijnenStukken betreffende het verlenen van medewerking door de chef directie Verre Oosten in Batavia bij het verstrekken van visa aan drie Russische vluchtelingen uit Shanghai die op doorreis zijn via Tandjong Priok naar Argentinië.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Legatie in RuslandIngekomen brieven van Nederlandse vertegenwoordigers in het buitenland. Afkomstig van: - Van Dedem van Gelder, gezant te Berlijn; - Van Westreenen, gezant te Stockholm; - Johannes Siberg, gouverneur-generaal in Batavia; - Loopuyt, consul te Libau en Windau; - Bangeman Huygens, gezant te Kopenhagen; - Hendrik Doeff jr., opperhoofd in Japan.Nationaal Archief
Het ScheepvaartmuseumJournaal gehouden door de Adelborst 1e kl. H. Dyserinck, aan boord van Zr.Ms. schroefkorvet "Prinses Amelia", onder bevel van de Kapt.Luit. ter zee K.H.A. Wesselink, op een reis van Vlissingen naar Kroonstadt en terug, en vervolgens naar Batavia, 12 Jul. 1856 - 7 Jun. 1857Journaal gehouden door de adelborst 1e kl. H. Dyserinck aan boord van Zr.Ms. fregat "Doggersbank", 1 maart 1856 - 28 juni 1856Journaal gehouden door de Luit. ter zee 2e kl. H. Dyserinck, aan boord van Zr.Ms. stoomschip "Phoenix", tijdens een kruistocht in Oost-Indië, 16 juni 1857 - 9 maart 1858In één bandScheepvaartmuseum
Inventaris van het archief van de Familie VosmaerDagboek van twee reizen naar Rusland (Polen), met bijlagen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Familie VosmaerBrieven, gericht aan Carel Vosmaer en Abrahamina C.C.G. Clant, enkele met concept van antwoord. - Idem letter M.: Massalov, N., Leipzig, MoskouNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Familie VosmaerBrieven, gericht aan Gualtherus C.J. Vosmaer en Catalina Suzanna Röell, enkele met concept van antwoord. - Idem letter M: Merejkowsky, Const. de, Sint PetersburgNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Familie VosmaerKopij van het vierde deel van de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap der Konsten en Weetenschappen. 'Bedenkingen over Tartarije en Japan en de ontdekkingen der Russen aan de oosterkusten van Azië en westerkusten van Amerika'.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Marine Inlichtingendienst (MARID) en voorgangers in Nederlands Oost-Indië en Nederlands Nieuw- GuineaStukken betreffende het verzamelen van informatie inzake aangelegenheden met betrekking tot andere landen dan Indonesië of Nederlands Nieuw-Guinea, o.a. Sovjet-Unie en Oost-Europese landen inclusief Joegoslavië.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Marine Inlichtingendienst (MARID) en voorgangers in Nederlands Oost-Indië en Nederlands Nieuw- GuineaGeïntercepteerde berichten betreffende diverse aangelegenheden - Buitenlandse leveranties, projekten USSR, Jeral Unifisch III, Planologische dienst, lijst met opgave van kaarten van havensNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Marine Inlichtingendienst (MARID) en voorgangers in Nederlands Oost-Indië en Nederlands Nieuw- GuineaStukken betreffende de bouw, met Russische hulp, van een Instituut voor diepzee-onderzoek op AmbonNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Overeenkomsten gesloten door de NHM, serie 1 t/m 5; met bijlagen. Serie 2 - Overeenkomsten gesloten door de NHM met diverse overheden, bedrijven, instellingen en personen; genummerd 2-41a 2-007, Nederlandsche Bank voor Russischen Handel, sundicaats-overeenkomst inzake de aandelen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Stukken betreffende de medewerking van de NHM aan de Duitse plannen tot vestiging van tabaksplantages in de Oekraïne.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Minuten van uitgaande brieven van het agentschap Decima/Nagasaki aan diverse handelsrelaties. o.a. Ministerie van Financiën te St. Petersburg [Rusland]Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Verslag van een bespreking van C.J.K. van Aalst met Russische verkooporganisaties van graan en suiker.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dossiers betreffende de oprichting van, commissariaten bij en het beheer van de NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd; dossiers gemerkt a-h. - [a] Minuten van uitgaande stukken van diverse afdelingen van het hoofdkantoor der NHM, [b] Verantwoordingsstukken 'Amsterdam', Emissie van aandelen, Stukken betreffende statuten, [c] Ingekomen en minuten van uitgaande telegrammen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dossiers betreffende de oprichting van, commissariaten bij en het beheer van de NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd; dossiers gemerkt a-h. - [g] hoofdzakelijk van de Eerste Afdeling, [h] Notulen van commissarissen en directie in Nederland, getekendNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Stukken afkomstig van C.J.K. van Aalst betreffende diverse aardolie-maatschappijen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dossiers betreffende de oprichting van, commissariaten bij en het beheer van de NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd; dossiers gemerkt a-h. - Commissariaten bij de bankNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dordtsche Petroleum Maatschappij, overeenkomst met de NHM inzake voorschotten op aangevoerde Indische en Russische aardolie in havens in Nederlands-Indië.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Société de Crédit Mutuel de Moscou, verlening van kredietNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Alfabetisch geordende dossiers van de Tweede Afdeling betreffende de bemoeienis met cultuurondernemingen en -producten. Dossiers Kian - KoffieNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Stukken betreffende de deelneming in de NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd. De NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd werd opgericht in 1916 door onder meer de NHM, de Twentsche Bankvereeniging B.W. Blijdenstein & Co te Amsterdam, Hope & Co te Amsterdam, Lippmann, Rosenthal & Co te Amsterdam en R. Mees en Zoonen te Rotterdam. Reeds begin 1918 was de bank als gevolg van de ontwikkelingen in Rusland in liquidatie.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Ingekomen mededelingen over het verloop van de handel in diverse produkten [series 'M, N en R']. Rusland [serie 'M'], Spanje, Portugal, Brazilië [serie 'N'], Mexico [serie 'R']Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dossiers betreffende de oprichting van, commissariaten bij en het beheer van de NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd; dossiers gemerkt a-h. [f] Ingekomen brieven bij de commissarissen te Nederland van de directie te Petrograd, nrs 1-64, met balansen en notulen als bijlagen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Stukken betreffende diverse zakelijke transacties afgesloten door de agenten van de NHM in Japan. Dossiers betreffende zakelijke transacties met Europeanen in Japan en omliggende landen; met bijgevoegde inhoudsopgaveNationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Asiatic Petroleum Company te Londen, overeenkomst met de NHM inzake voorschotten op aangevoerde Indische en Russische aardolie in havens in Nederlands-Indië.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Stukken verzameld door de [directeur]-secretaris F.H. Abbing en zijn opvolger A.J. Steendijk; genummerd 1-520, met lacunes. Nrs 1-137: 96 Verslag van een bespreking van C.J.K. van Aalst met Russische verkooporganisaties van graan en suiker. 110 Opening van het kantoor van de NV Nederlandsche Bank voor den Russischen Handel te Petrograd en nota over de Nederlandse belangen in Rusland. Nrs 345-484: 401 Dossier: Nederlandsche Bank voor den Russische Handel te Petrograd.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Nederlandsch-Russische Handel-Maatschappij te Amsterdam, eventuele oprichting.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Nota betreffende de suikerindustrie in Rusland en de mogelijkheid tot de verbouw ervan in de Oekraïne; met aantekeningen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Verrichtingen Tweede Afdeeling, mei 1940-mei 1945, nota's en rapporten samengesteld door de Tweede Afdeling gedurende de oorlogsjaren, documentnrs 1-58; met inhoudsopgave. Nota's 1-38; met inhoudsopgave: 9 Theecultuur in Trans-Kaukasië. 10 Rubber in Rusland. 21 Kinacultuur in Rusland. 23 Suikerindustrie in Rusland. 26 Oekraïne Nota's 39-58: 42 Plannen tot inschakeling van Nederlands-Indische tabaksplanters bij de tabakscultuur in de Oekraïne.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dossier: Nederlandsche Bank voor den Russische Handel te Petrograd.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM)Dossiers van de Eerste Afdeling betreffende wissel- en bankzaken. [1825-1939] Dossiers 262-274 273, Nederlandsche Bank voor Russischen Handel te Petrograd, deelneming in -. 1916-1921Nationaal Archief
Alle resultaten

Achtergrond archieven (49)

Achtergrond archieven (49)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Dr. L.J.M. Beel (1902-1977) was een van de meest prominente katholieke naoorlogse politici van Nederland. Beel was minister van Binnenlandse Zaken (februari 1945-september 1947 en december 1951-juli 1956), Minister-President (juli 1946-augustus 1948 en december 1958-mei 1959), Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon te Batavia (oktober 1948-mei 1949), vice-president van de Raad van State (augustus 1959-juli 1972), betrokken bij kabinetsformaties en delicate politieke kwesties zoals de affaire Greet Hofmans.
GESCHIEDENIS VAN DE DIRECTIE VERRE OOSTEN (DIRVO) TE BATAVIA ORGANISATIE De Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende nationale en internationale ontwikkelingen, hadden tot gevolg, dat de overzeese gebiedsdelen, in het bijzonder Indonesië, steeds veelvuldiger contact hadden met het buitenland en steeds meer in aangelegenheden van internationale aard werden betrokken. Deze ontwikkeling maakte het gewenst, dat in Indonesië over een dienst kon worden beschikt die de buitenlandse aangelegenheden op deskundige wijze behandelde. De onzekerheid in de positie van buitenlandse vertegenwoordigers, het ontbreken van een orgaan dat met deze buitenlandse consulaire ambtenaren het noodzakelijk contact onderhield, waren ook argumenten voor een spoedige instelling van een dienst voor het buitenlands beleid te Batavia. De Overeenkomst van Linggadjati tussen Nederland en de Republiek Indonesië, gesloten in november 1946, opende het bestaansrecht van zo'n dienst, waarbij echter rekening gehouden diende te worden met de toekomstige constructie van Indonesië, namelijk de Verenigde Staten van Indonesië. De gedachten gingen uit naar de schepping van een speciaal agentschap van het Departement van Buitenlandse Zaken in Batavia. Bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 maart 1947 nr. 25660-1904 G.S. werd op 1 april 1947 de Directie Verre Oosten (DIRVO) te Batavia opgericht, waarvan T. Elink Schuurman tot chef werd benoemd. Dit agentschap vormde weliswaar administratief en organisatorisch een belangrijk onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) te Den Haag, maar werd gevestigd in Batavia. Het onderhield speciale betrekkingen met de Luitenant Gouverneur Generaal (Lt.G.G.), dr. H.J. van Mook, en de Indische administratie (zie hiervoor het onderdeel taakuitvoering). DIRVO kreeg haar instructies van verschillende instanties. Ze had zich te richten naar het inzicht van de Lt.G.G. of diens plaatsvervanger, voor de behandeling van aangelegenheden door buitenlandse instanties voortgebracht, waarin het buitenlands beleid was betrokken en waarin haar tussenkomst bij de Indische Regering werd gevraagd. DIRVO zou een snelle en doeltreffende coördinatie en distributie van gegevens op buitenlands politiek en economisch gebied met de Nederlandse politieke en consulaire zendingen zoveel mogelijk bevorderen. Hiermee werden bedoeld de Nederlandse vertegenwoordigingen in de Indonesië omringende landen. Tenslotte werd de verhouding tot het Departement van Overzeese Gebiedsdelen geregeld door de bepaling dat de minister van Buitenlandse Zaken de minister van Overzeese Gebiedsdelen op de hoogte zou houden van alles wat "mede tot de verantwoordelijkheid van deze bewindsman" behoorde. Door de verdere ontwikkeling van de Indonesische kwestie werd het buitenlands beleid van Nederland voor dit gebied zeer belangrijk. Dit werd in belangrijke mate versterkt door de bemoeienis van de Veiligheidsraad, die de Commissie van Goede Diensten instelde (later genoemd de United Nations Commission for Indonesia). Hiervoor werd een Nederlandse onderhandelingsdelegatie, onder leiding van Raden Abdulkadir, op 15 december 1947 bij koninklijk besluit ingesteld. DIRVO werd ten volle bij de besprekingen ingeschakeld. Van juli 1948 tot april 1949 was T. Elink Schuurman (chef DIRVO) tijdelijk leider van deze delegatie. Deze chef DIRVO kreeg een gelijke zelfstandigheid toegekend als de chef van de directie Politieke Zaken in Den Haag. Er werd zelfs bepaald (door de geografische ligging) dat in geval van zeer dringende zaken de chef een grotere zelfstandigheid zou bezitten dan het hoofd van een departementale directie in het algemeen. Sinds de instelling van DIRVO bestond dus een officieel rechtstreeks kanaal tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag en Batavia. In 1949 werd als chef DIRVO, T. Elink Schuurman opgevolgd door dr. J.G. de Beus. De corresponderende instantie te Den Haag, was de directie Politieke Zaken van Buitenlandse Zaken, die een bureau voor Indonesische Zaken telde. Dit bureau opereerde in nauwe samen¬werking met de verschillende afdelingen van het departement van Overzeese Gebiedsdelen, waarvan het ook documentatie en feitelijke gegevens ontving. Contact met Lt.G.G., Commissie-Generaal, departementshoofden, regeringen van staten die samen de Indonesische federatie zouden vormen, contacten met vertegenwoordigers vreemde mogendheden. Voorlichting aan de Indische regering over de ontwikkeling van naburige staten; voorlichting aan het ministerie van Buitenlandse Zaken over de ontwikkelingen in Nederlands-Indië; distributie van de politieke berichtgeving; United Nations Organisation en andere internationale organen; samenwerking met de inlichtingendienst. Zorg voor de opleiding van Indonesiërs voor de buitenlandse dienst; advisering over de bezetting van de posten in de omstreken van Nederlands-Indië; koerierszendingen; codeverkeer; verstrekken van inlichtingen over de buitenlandse dienst aan publiek. Zorg voor paspoorten, visa, immigratie, nationaliteit, relief; belastingen; dienstplicht; zwarte lijst; repatriëring. Erkenning van vreemde vertegenwoordigers; positie speciale attaché's; audiëntie, ceremonieel en préséance; onderscheidingen, voorrechten, consulaire lijst, vlootbezoek; routinecorrespondentie. Aangelegenheden op handels-, landbouw-, nijverheid-, scheepvaart- en financieel gebied; vraagstukken betreffende luchtverkeer, post, telegraaf, telefoon en radio. Politieke richtlijnen voor voorlichting; samenwerking met Nederlandse en Nederlands-Indische voorlichtingsdiensten; contact met buitenlandse correspondenten. Samenwerking met Indische instanties over de positie van de Chinese bevolkingsgroep Samenwerking met Indische instanties over de positie van Japanners, Arabieren en andere ingezetenen van vreemde landaard; coördinatie van de activiteiten van de Nederlandse militaire missie te Tokyo; oorlogsmisdadigers. Advies over internationale aangelegenheden, aangelegenheden van privaat en publiekrechtelijke aard; verdragen; wetgeving. Overzicht van de belangrijkste functies buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, chef der directie sous-chef en eerste gezantschapssecretaris tweede gezantschapssecretaris vice-consul gezantschapsattaché kanselier der eerste klasse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, chef der directie sous-chef en eerste gezantschapssecretaris (tot half 1948) eerste gezantschapssecretaris tweede gezantschapssecretaris gezantschapsattaché gevolmachtigd minister, chef der directie sous-chef en eerste gezantschapssecretaris tweede gezantschapssecretaris gezantschapsattaché gezantschapsattaché Daarnaast was er nog het administratief personeel bestaande uit: de kanselier en archiefmedewerkers, secretaresses, stenotypistes, personeel voor de mailkamer, een chauffeur, een bode en een loper. In 1947 werden aan DIRVO, in verband met de opheffing van het kantoor van de Nederlandse Militaire Missie Japan gevestigd te Batavia, een aantal werkzaamheden overgedragen. Daarnaast werd in 1949 in verband met de soevereiniteitsoverdracht de Codekamer, voor het telegramverkeer formeel ondergebracht bij DIRVO, waardoor deze een Nederlands orgaan bleef . Op 27 december 1949 vond de soevereiniteitsoverdracht plaats. DIRVO werd opgeheven in begin 1950; de overgebleven taken en werkzaamheden werden door het Hoge Commissariaat der Koninkrijk der Nederlanden in Indonesië overgenomen. TAAKUITVOERING Aan DIRVO werden de volgende taken opgedragen: de dagelijkse werkzaamheden op het terrein van het buitenlands beleid. DIRVO moest deze werkzaamheden zo veel mogelijk zelf afdoen, met name in zaken van administratieve aard; het onderhouden van contact met de in Nederlands-Indië werkzame consulaire zendingen van buitenlandse mogendheden. Audiënties van leden van het buitenlandse consulaire corps bij de Lt.G.G. of diens plaatsvervanger, alsmede bij de Commissie-Generaal, zouden door tussenkomst van DIRVO tot stand worden gebracht; het bijstaan in zaken van de Indische regering, waarin het buitenlands beleid betrokken was, telkens wanneer die bijstand werd gevraagd. Het verstrekken van inlichtingen aan de Indische regering hoorde daar ook bij; het adviseren bij diplomatieke benoemingen op consulaire posten bij nabijgelegen mogendheden en gebieden; het bevorderen van de indienstneming en opleiding van voor de buitenlandse dienst geschikt geachte Indonesiërs en andere Nederlandse onderdanen niet-zijnde Nederlanders; het bevorderen van een snelle en doeltreffende coördinatie en distributie van gegevens op buitenlands politiek en economisch gebied met die Nederlandse diplomatieke en consulaire zendingen, wier berichtgeving voor Nederlands-Indië van belang is. Hiertoe behoorden naast de Aziatische landen de aan de Indische en Stille Oceaan gelegen mogendheden en gebieden. Naar aanleiding van de opheffing van het kantoor van de Nederlandse Militaire Missie Japan te Batavia werden de voorlichtingswerkzaamheden, economische en financiële aangelegenheden overgeheveld naar DIRVO.
Mr D. de Roo van Alderwerelt werd op 19 oktober 1898 in Batavia geboren. Hij volgde in Nederland een studie in het staatsrecht aan de Nederlandsche Handelshoogeschool in Rotterdam en maakte carrière in de diplomatieke dienst. In 1964 werd hij gepensioneerd als Nederlands ambassadeur in Senegal. Ontslagen van zijn ambtelijke bezigheden, wijdde hij zich opnieuw aan de studie. Hij oriënteerde zich op het gebied van de geschiedenis der klassieke economische opvattingen en de uitwerkingen daarvan in de liberale bewegingen, waarbij hij zich in het bijzonder concentreerde op de Nederlandse staathuishoudkundige Simon Vissering (1818-1888). Vissering, een schakel tussen Thorbeckianen en het jong-liberalisme, was van 1849 tot zijn dood hoogleraar in het staatsrecht in Leiden en volgde hierin Thorbecke op. Tegelijk was hij redacteur van De Gids, zodat zijn politieke activiteiten achter de schermen ook van culturele betekenis zijn. De Roo van Alderwerelt beijverde zich om ter voorbereiding van een proefschrift zoveel mogelijk bronnenmateriaal te vergaren. Hij bereidde bovendien de uitgave van een dagboek en een verzameling briefwisseling voor. Zijn werkzaamheden werden afgebroken door een auto-ongeval aan de gevolgen waarvan hij op 27 juli 1981 overleed.
Hendrik Doeff werd geboren op 2 december 1777 te Amsterdam uit het huwelijk van Hendrik en Margaretha Nessing. Hij werd gedoopt op 4 december 1777. Op negentienjarige leeftijd vertrok Doeff met een zekere Taunay als onderkoopman naar Batavia, alwaar hij opviel door zijn akkuratesse en doorzettingsvermogen, Hij werd dan ook al spoedig voor hogere funkties opgeroepen. In 1799 werd hij aangesteld tot dispensier en scriba te Japan, in 1801 tot pakhuismeester. Nadat hij de chaotische administratie op het eiland Decima in orde had gebracht werd zijn werklust in 1803 bekroond met het opperhoofdschap over het eiland. Als zodanig handhaafde hij het monopolie van Nederland in Japan door de Nederlandse vlag op Decima tijdens onze inlijving bij Frankrijk te doen blijven wapperen. Nadat de Engelsen in 1811 in bezit kwamen van Java, zond de Engelse luitenant-gouverneur van Oost-Indië, Thomas Stamford Raffles, twee Britse schepen onder Nederlandse vlag af om de factorij Decima in bezit te nemen. Doch Doeff had besloten de vlag voor de Engelsen niet te strijken en welke geldelijke voordelen hem ook werden aangeboden hij volhardde in zijn standpunt. Het volgende jaar werden wederom pogingen door de Engelsen ondernomen, maar deze hadden evenmin een gunstig gevolg. Op 6 december 1817 droeg Doeff het gezag over de factorij Decima over aan zijn opvolger Jan Cock Blomhoff. Gedurende zijn negentienjarig verblijf in Japan, waaronder vijftien jaren als opperhoofd, heeft Doeff uit puur wetenschappelijke belangstelling vele onderzoekingen verricht naar de Japanse zeden, gewoonten en godsdienstbegrippen. De Japanse taal werd hij al vrij gauw meester waardoor hij beter kontakt kon krijgen met leden van het Japanse tolkenkollege, waarmee hij praktisch elke dag omging om hen de beginselen van de Nederlandse taal bij te brengen. Deze Nederlands-Japanse taaluitwisseling resulteerde uiteindelijk in een ontwerp van een woordenboek, dat hij van plan was in Europa te laten drukken. De Japanners verboden echter de uitvoer van het woordenboek waarop Doeff zorgde voor een in het geheim gemaakt afschrift. Het oorspronkelijke opstel gaf hij aan de zoon van een van de leden van het Japanse tolkenkollege en onderdrukte zo alle ongunstige vermoedens. Doeff vertrok op 16 februari 1819 met het oorlogsschip "De Admiraal Evertsen" vanuit Batavia naar Nederland terug. Het schip leed echter al spoedig schipbreuk, waardoor al zijn verzamelingen en papieren verloren raakten en hij dus niets van hetgeen hij over Japan in al die tijd had opgespoord, heeft kunnen bergen. Kostbaar onvervangbaar wetenschappelijk materiaal over Japan werd verzwolgen door de oceaan. Bemanning en passagiers werden echter door een Amerikaans schip gered. Er bleef Doeff toen niets anders over dan op zijn geheugen af te gaan. Al zijn herinneringen over Japan heeft hij in 1833 gepubliceerd "om met bewijzen te toonen, dat mijn negentienjarig verblijf op Japan noch geheel onvruchtbaar is geweest voor de wetenschappen, etc.".in zijn boek "Herinneringen uit Japan". Hierin wordt door Doeff in een aanhangsel ook nog ingegaan op de kontroverse tussen hem en P.F. von Siebold over de oorspronkelijkheid van een woordenboek van laatstgenoemde welke door Doeff werd betwist. Doeff heeft zich in Nederland tot zijn dood in 1835 toe onledig gehouden met de handel op de koloniën. Hij was o.a. betrokken bij de oprichting van de Nederlandsche Handelmaatschappij in 1824. Verder was hij gevolmachtigde van diverse zakenlieden en adviseerde hij de regering bij het drijven van de handel met Japan, voornamelijk met betrekking tot de jaarlijkse geschenkgoederen voor de Japanse keizer en de gouverneur van Nagasaki. Doeff overleed te Amsterdam op 19 oktober 1835. Hij was gehuwd eerst met mej. Steenboom, daarna met mej. Taunay en tenslotte huwde hij op 13 april 1829 Henriëtte Jacobs, die hem overleefde en hem een zoon en twee dochters schonk.
Met Louis Marie Rollin Couquerque (1791-1855) kwam het geslacht Rollin Couquerque in Nederland. Geboren in Nielles les Ardres in de revolutiejaren, sloot hij zich aan bij het Keizerlijke leger en maakte zo onder Napoleon de veldtochten naar Italië, Oostenrijk, Pruissen en Rusland mee. Na diens nederlaag weigerde hij de Bourbons te dienen en week hij uit naar Nederland, waar hij zich inschreef bij het bataljon depot Harderwijk. Dit betekende het begin van een langdurige Indische loopbaan, want na het verlopen van zijn diensttijd ging hij van de militaire administratie over naar de generale directie van Financiën in Batavia. Van 1829 tot 1836 was hij assistent-resident te Banjuwangi. Van 1841 tot 1845 was hij inspecteur van de zijdeteelt; daarna was hij ambteloos en eigenaar van een tabaksplantage. In 1853 werd hij genaturaliseerd. Zijn kleinzoon Louis Marie (1869-1960) werd geboren in Delft. Na in 1893 een te Leiden en te Utrecht gevolgde rechtenstudie te hebben voltooid, bekleedde hij achtereenvolgens functies bij het departement van Oorlog (1894-1900) en bij het departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid (1903-1908). In 1908 werd hij goevernementssecretaris in Paramaribo en in 1911 was hij waarnemend goeverneur. In 1912 keerde hij terug naar Nederland, waar hij in 1913 werd aangesteld als administrateur bij het ministerie van Koloniën, chef afdeling West Indische Zaken. Hij bleef in functie tot 1934 en kon op deze manier door zijn relaties in Suriname en zijn langdurig dienstverband het West-Indisch beleid van de regering mede bepalen. Zijn inbreng kenmerkte zich vooral op het gebied van bestedingsbeperking. Sedert 1916 was Rollin Couquerque ook lector in het militair straf- en procesrecht aan de Gemeenteuniversiteit te Amsterdam.
D.J. van Wijnen, geboren op 11 oktober 1914 te Zaltbommel, vertrok in 1935 naar Indië om als journalist te gaan werken bij de Deli Courant. Hij werkte daar tot 1942. Gedurende de overige jaren van de Tweede Wereldoorlog werd hij tewerkgesteld als krijgsgevangene aan de Birma-spoorweg. Van 1945 tot 1946 was hij voorlichter in Bangkok en Singapore. In 1946 werd hij benoemd tot hoofd van de voorlichtingsdienst in Semarang. Vanaf 1947 was hij werkzaam bij de Regeringsvoorlichtingsdienst (RVD) in Batavia, eerst als woordvoeder van de Commissie Generaal, daarna als hoofd buitenlandse dienst en later als voorlichter van het Hoge Commissariaat. In de jaren 1952-1956 was hij eerst verbonden als voorlichter aan het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen en later werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag met als speciale portefeuille Indonesië. In 1956 was hij werkzaam te Sydney, Australië als hoofd Nederlands Informatie Bureau en hield hij zich bezig met het Indonesisch-Nederlands conflict over Nieuw-Guinea. In 1960 vertrok hij naar Washington om daar als persattaché te werken onder de ambassadeur J.H. van Rooijen. Ook hier was hij weer betrokken bij het Indonesisch-Nederlands conflict over Nieuw-Guinea. In Washington werkte hij tot 1964. Vanaf 1964 tot aan zijn pensioen in 1977 was hij werkzaam te Londen als woordvoeder van de Nederlandse Ambassade aldaar en als Raad voor pers- en culturele zaken.
Historisch overzicht, 1814 - 1963 Nadat op 13 augustus 1814 een traktaat met Engeland was gesloten, werd het Nederlandse bestuur over de voormalige overzeese gebiedsdelen hersteld. De Kaap de Goede Hoop, Ceylon, Demerary en Essequibo en Berbice bleven echter in Engelse handen. Enkele maanden eerder, in april 1814, was in Nederland het departement van Koophandel en Koloniën opgericht. Dit departement, gevestigd in Den Haag, werd verantwoordelijk voor het bestuur van alle koloniën en overzeese handelsposten: zowel in de West als in de Oost. Vanaf 1814 tot 1963 is het bestuur over de Nederlandse koloniën, later aangeduid als overzeese gebiedsdelen, door één administratieve eenheid behandeld. Tot 1842 werd het ministerie van koloniën weliswaar telkens gekoppeld met andere takken van bestuur (nijverheid, 1814-1825 en 1830-1834; marine, 1825-1830 en 1840-1841; onderwijs 1818-1824; waterstaat 1830-1831) maar dit had weinig invloed op de archiefvorming. Van 1842 tot 1959 werd het bestuur over de koloniën (vanaf 1945 aangeduid als overzeese rijks- of gebiedsdelen) niet verenigd met een andere tak van bestuur. Van 1959 tot 1963 tenslotte maakte het bestuur over de overzeese gebiedsdelen - maar wel als afzonderlijke administratieve eenheid - deel uit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Te Batavia leidde de toegenomen omvang van kaarten- en tekeningenarchieven al snel tot de instelling van een "Statistiek Bureau" te Buitenzorg in 1837. Johan Pieter Cornets de Groot, die aan het hoofd van de algemene secretarie stond, was degene die de aanzet gaf tot het opzetten van het bovengenoemde bureau. Er werd niet volstaan met het maken van een selectie uit de bestanden bij de Algemene Secretarie: door middel van een advertentie in de Javasche Courant werden particulieren opgeroepen bij hen aanwezige 'bouwstoffen' tegen een billijke vergoeding over te doen aan het Historisch bureau . Naast het beheer van de kaarten, had de Geographische afdeling tot taak de Gouverneur-generaal te informeren over het verloop van de werkzaamheden bij respectievelijk het Topografisch en het Hydrografisch Bureau. Het is overigens twijfelachtig of men inderdaad systematisch uitvoering gaf aan deze besluiten want al vlot werd er in Den Haag geklaagd over het gebrek aan activiteit bij het Historisch bureau te Batavia. Misschien is het Cornets de Groot geweest, die na zijn terugkeer naar Nederland in 1842 tot secretaris-generaal van het ministerie benoemd werd, die ook in Nederland de aanzet gaf tot de inrichting van een Historisch Bureau. (Het is heel wel mogelijk dat men zich bij de inrichting van de Historische bureaus en Geographische afdeling baseerde op de Organisatie van militaire instellingen die met taken op het gebied van historisch onderzoek, archiefzorg en beheer van kaarten en tekeningen belast waren: het Dépôt-Generaal van Oorlog, Marine en Koloniën (1806-1811) en het Archief van Oorlog en Topografisch Bureau (vanaf 1814).) Omstreeks 1840 was er bij het ministerie in Nederland eveneens een Historisch bureau dat werd belast met vergelijkbare taken als het bureau te Batavia :h et beheer van kaarten en tekeningen, de bibliotheek en het oud-archief. Bovendien diende dit bureau de minister te voorzien van informatie van algemene (statistische) en historische aard. Met de leiding was in de periode 1851 tot 1879 een persoon belast: H.T. Krabbe.(Misschien was Krabbe al eerder met deze werkzaamheden belast. Hij solliciteerde in 1839 naar een betrekking bij het ministerie. In 1841 werkt hij bij het ministerie als tijdelijk aangestelde, zie verbaal 12 oktober 1841 no. 7.) De naamgeving van het bureau was niet erg consistent. In een stuk van 1857 vinden wij het aangeduid met drie verschillende benamingen: Bureau G, Bureau voor voorlichting en informatie en Historisch bureau. In de Staatsalmanak werd de naamgeving eveneens nogal verschillend opgenomen. De meeste gebruikte benaming, Bureau G, werd in 1896 omgezet in Afdeling G. Wellicht heeft men in Nederland het Historisch bureau na de komst van Cornets de Groot in 1842 definitief vormgegeven. Activiteiten in het decennium ervoor wijzen er echter op dat men bij het ministerie al eerder in die geest werkte. In de jaren tussen 1830 en 1840 werden net als in de Oost diverse particuliere collecties van kaarten en tekeningen verworven om de lacunes in het reeds aanwezige bestand aan te vullen. Vanaf diezelfde periode ontplooide het ministerie meer activiteit om te komen tot een geregelde productie van topografische en hydrografische kaarten van de koloniën. De directe bemoeienis van het ministerie met de productie van kaarten nam in de tweede helft van de 19de eeuw af. Dit werd meer en meer overgelaten aan gespecialiseerde bureaus en diensten zoals het in 1860 te Batavia gevestigde Bureau Hydrografie en het in 1864 aldaar ingestelde Topografisch Bureau. Het kaarten- en tekeningenbestand bij Bureau G bleef wel geleidelijk in omvang toenemen door inkomende archivalia, door aankoop en door internationale ruilovereenkomsten. Meermalen maande de minister van koloniën de Gouverneur-generaal er voor te zorgen "dat aan het Departement van Koloniën steeds zoo spoedig doenlijk worden opgezonden alle kaarten, hetzij in originali, hetzij in calque, waarvan de kennis hier te lande noodig en nuttig wordt geacht". Gedeponeerde archieven Vanaf 1814 kreeg het Koninkrijk opnieuw het gezag over de koloniën. Voor het bestuur, en de gezagsuitbreiding, waren betrouwbare kaarten hoognodig. Gedurende de eerste helft van de l9de eeuw ontbraken echter de middelen om de kartering goed op te kunnen zetten. Om toch in de behoefte aan kaarten te voorzien, poogde men gebruik te maken van particuliere initiatieven. Een eerste cartografisch overzicht van de koloniën verkreeg men zodoende dankzij Johannes van den Bosch (de latere Gouverneur-generaal) die in 1817 zijn Atlas der Overzeesche Bezittingen publiceerde (inventarisnummer Dl). Het ministerie vulde de leemten in de kennis ook aan door kaarten en tekeningen aan te kopen van koloniale ambtenaren en militairen die al of niet in hun vrije tijd kaarten tekenden of verzamelden, of kaarten en tekeningen aan te kopen uit nalatenschappen. Soms ging het om één of enkele kaarten; uit de nalatenschap van Melvill van Carnbee werden een kaart van Java en een plattegrond van Batavia van Van der Jagt van 1826 (inv. nr. 83) gekocht voor 114 gulden. Deze kaarten zijn verspreid opgenomen in het bestand van koloniën. Vier bestanden van grotere omvang zijn in deze inventaris wel apart beschreven: Loten, Engelhard, Busscher en Henrici. Een vijfde bestand dat in deze inventaris opgenomen had kunnen worden is dat van G.J.C. Schneither (1795-1877) die van 1816 tot 1826 de particuliere secretaris van de Gouverneur-Generaal Van der Capellen was. In die functie verzamelde Schneither een groot aantal kaarten en tekeningen, waarvan de meeste op Java betrekking hebben. De verzameling Schneither werd in 1878 van de boekhandelaar Martinus Nijhoff gekocht door het ministerie van koloniën. Deze verzameling werd niet gedeponeerd in het bestand van het ministerie. Johan Gideon Loten (1710-1789) Loten voer december 1731 uit als onderkoopman voor de VOC op het schip Beekvliet. Zijn carrière verliep voorspoedig. In 1743 werd hij benoemd tot gouverneur van Makassar. In 1752 volgde zijn benoeming tot gouverneur van Ceylon. Hij keerde in 1757 terug naar Nederland waar hij in 1789 te Utrecht overleed. Loten was een bekwaam topografisch tekenaar. In de hier beschreven collectie zijn daar verschillende voorbeelden van te vinden. Hij besteedde dat werk ook uit. Te Makassar en op Ceylon gaf hij diverse tekenaars en landmeters opdracht voor het vervaardigen van tekeningen op topografisch en natuurhistorisch gebied en het vervaardigen van plattegronden en kaarten. Het grootste deel plaatste Loten in zijn particuliere collectie. Loten wilde met behulp van deze collectie tezijnertijd een boek maken. Daartoe bracht hij ook een bundel notities bijeen: "Aanteekeningen om indertijd te kunnen dienen tot het in order brengen van het geene ik successive heb verzameld zo in tekenen naar het leeven als geschriften om eenig licht te kunnen bijbrengen tot de natuurlijke historie van O.I. en voornamelijk van Java, Celebes en Ceylon (1754)". Hij woonde na zijn terugkeer enige tijd in Londen. De tekeningen in zijn collectie zijn daar door diverse auteurs gebruikt. Loten zelf is nimmer tot de uitgave van zijn boek gekomen. Zijn collectie is na zijn overlijden verspreid geraakt. De hier beschreven collectie tekeningen en kaarten werd door Loten nagelaten aan Jacob Adriaan van den Heuvel (eerste lid van de Staten van Utrecht, overleden 1800). J.P.S. Favrod de Fellens te Maastricht, getrouwd met de dochter van Van den Heuvel, kwam nadien in het bezit van de collectie.(Dit en het volgende is ontleend aan de inliggende stukken bij het Koninklijk Besluit van 11 december 1834 no. 13 en de verbalen van koloniën van 4 maart 1835 no. 5 en 24 maart 1835 no. 27.) Hij schonk de collectie in 1835 aan het ministerie. Als blijk van waardering ontving Favrod de Fellens een ring ter waarde van 300 gulden met het monogram van Koning Willem 1. Bij het ministerie werd de collectie opgenomen onder het kenmerk W. De collectie is in de literatuur min of meer onopgemerkt gebleven. Nicolaas Engelhard (1761-1831) Na een vlot verlopen carrière werd Engelhard in 1801 benoemd tot gouverneur van Java's Noordoostkust. In die functie gaf hij opdracht aan leraren (informators genoemd) van de marineschool te Semarang om hydrografische en topografische karteringen uit te voeren van het gebied onder VOC-bestuur. Daarnaast gaf hij opdracht tot het opmaken van statistische rapporten. Vanwege zijn particuliere interesse voor de natuur en de oudheden van Java, gaf hij begaafde tekenaars in zijn omgeving opdrachten om voor hem tekeningen te vervaardigen.Engelhard liet bij testament zijn archief na aan Daniël François van Alphen (overleden. 1840). De laatste liet de archivalia na aan zijn kinderen. Van deze kinderen werkten enkelen in dienst van het ministerie. Jan Theunis Busscher (ca. 1772-1846) Busscher heeft in diverse functies in de Oost gewerkt. Vanaf 1799 was hij onderwijzer (informator) aan de marineschool van Semarang in de rang van sous-luitenant ter zee. Bij de marineschool werden leerlingen opgeleid voor technische beroepen bij de zee- en de landmacht en bij de waterstaat in Oost-Indië. In het kader van hun opleiding werden karteringen te land en ter zee uitgevoerd, kaarten getekend en kaarten gekopieerd. Met tussenpozen was Busscher tot zijn pensionering in 1825 aan de school verbonden. De onderbrekingen werden veroorzaakt door het feit dat de school niet ononderbroken bestond. Wel was Busscher gedurende al die jaren betrokken bij de hydrografische kartering van de Indische archipel. Dat Busscher zijn kaarten niet alleen vervaardigde en leverde aan het gouvernement maar ook een eigen verzameling aanlegde blijkt voor het eerst in 1818. In de Oost zag het gouvernement na het herstel van het Nederlands gezag in 1817 zich geconfronteerd met een zeer gebrekkige kennis van de archipel. Noodgedwongen maakte men gebruik van Engelse kaarten. De Nederlandse koloniale marine zocht naar mogelijkheden om daar verandering in te brengen. Busscher speelde daarop in. Hij bood zijn verzameling kaarten in 1818 te koop aan. Dit voorstel werd aangenomen. Bovendien kreeg Busscher in 1819 de opdracht andere zeekaarten berustende te Semarang op hun praktische waarde te onderzoeken en zonodig te kopiëren. Na zijn pensionering in 1825 ging Busscher naar Nederland. Volgens zijn zeggen werkte hij vanaf 1827 door in de geest van de opdracht die hem in 1819 gegeven was: het vervaardigen van kaarten van de Indische Archipel. In 1835 bood hij zijn kaarten aan bij de Minister van Koloniën. Van de 72 kaarten had hij er dertig naar eigen opnamen gemaakt, twee naar die van Beetjes, een naar Cornelius, acht gekopieerd van Engelse originelen en de overige gecompileerd op basis van verschillende kaarten. De marineofficier Rijk die om advies gevraagd werd, liet zich kritisch uit over Busscher's werk. Hij vond de kaarten ouderwets en hij meende dat Busscher onvoldoende verantwoordde met behulp van welke opnamen hij de kaarten had samengesteld. Het voorstel van een andere adviseur, de oud-directeur der domeinen in Nederlands-Indië Kruseman, om de kaarten te gebruiken voor de samenstelling van een zeemansgids in de trant van de Engelse gids van Horsburgh, haalde het door Rijk's kritische opstelling niet. Desondanks werden tenslotte in 1836 meer dan 80 kaarten, gezichten en tafels van Busscher gekocht voor 750 gulden. Het advies van Rijk om de kaarten naar Batavia te sturen ten behoeve van het werk van de in 1821 ingestelde Commissie werd niet opgevolgd, wel werden de kaarten ter inzage gegeven aan Derfelden von Hinderstein die tussen 1828 en 1838 een kaart van de Indische Archipel samenstelde (inv. nr. 689). Na 1836 vernemen wij niets meer over activiteiten op kartografisch gebied van Busscher. Hij overlijdt op 16 maart 1846 te Kortenhoef. Henri Albert Henrici (1783-1838) Baron Henri Albert Henrici werd 27 november 1783 te Wenen geboren. Hij was de zoon van een architect. Hij volgde in Wenen een opleiding tot ingenieur. Na diverse militaire functies bekleed te hebben in het Oostenrijkse en Russische leger kwam hij door een aanbeveling van Baron de Constant Rebecque in 1817 in dienst bij de Nederlandse Generale Staf. Hij werd belast met kartografische werkzaamheden ten behoeve van de grensvaststelling. In 1820 ging hij over naar het leger in de koloniën. Ook daar was hij actief op kartografisch gebied. Vanaf 1830 was hij bezig met de kartering van delen van Borneo. De Gouverneur-generaal was ontevreden over zijn productiviteit. Tenslotte werd hij teruggezonden naar Nederland. Daar aangekomen werd hij met pensioen gestuurd. Kort nadien overleed Henrici in Amsterdam. Overige kaarten- en tekeningenarchieven betreffende de Nederlandse(voormalige) overzeese gebiedsdelen na 1814 Stuurmanskamer in het koloniaal etablissement te Amsterdam, 1814-1822 Na het herstel van de onafhankelijkheid dienden de scheepvaartverbindingen met de koloniën hersteld te worden. In de 17e en 18e eeuw rustten de Compagnieën de schepen uit met kaarten en instrumenten die in bruikleen werden gegeven aan de schippers en stuurlieden. Deze praktijk werd in 1814 hervat. In Amsterdam werd in het Koloniaal etablissement, gevestigd in het gebouw van de voormalige Oostindische Compagnie aan de Oude Hoogstraat, de nog bestaande stuurmanskamer heropend. De stuurmanskamer bij het Koloniaal etablissement heeft slechts kort bestaan. Nadat geconcludeerd was dat de Nederlandse zeekaarten en zeemansgidsen de vergelijking met de in het buitenland geproduceerde kaarten niet konden doorstaan besloot men in 1822 alles op te ruimen. De nog aanwezige kaarten werden ondershands verkocht32. Er waren bovendien redenen in het organisatorische vlak die aanleiding gaven tot het opruimen van de stuurmanskamer. In 1823 werd de Nederlandse Handelmaatschappij opgericht waarmee de vaart voor een groot deel in particuliere handen overging. En in 1825 werd het bestuur van de marine verenigd met dat van de koloniën. Bij de marine had men vanaf 1817 een eigen stuurmanskamer: Dépôt van zeekaarten, instrumenten en tekeningen en modellen van schepen genaamd. Dépôt zeekaarten/Hydrografisch Bureau te Batavia (1823-1894) Te Batavia werd in 1821 de Commissie ter verbetering der Indische zeekaarten ingesteld. In 1823 werd daar bovendien een Dépôt van zeekaarten ingericht. In 1860 werd het Dépôt te Batavia omgevormd tot het Hydrografisch Bureau. Dit bureau werd, tussen 1873 en 1875 kortstondig en vanaf 1895 definitief, verenigd met het Hydrografisch Bureau in Nederland. Topografisch Bureau/Dienst Batavia (1864-1949) Aanvankelijk werd de topografische kartering in de Oost gedaan door de Directie der Genie. In 1864 werd voor deze werkzaamheden een apart bureau ingericht. Dit Topografisch Bureau, later Topografische Dienst genoemd, heeft tot de soevereiniteitsoverdracht de topografische kartering van Oost-Indië verzorgd. Mede vanwege de arbeidsintensieve landrentekarteringen werd de Topografische Dienst een van de grotere overheidsdiensten in de Oost. In de jaren '20 en '30 van de twintigste eeuw waren er meer dan 600 man in dienst. Algemene secretarie van de Nederlands-Indische regering (te Batavia) en de daarbij gedeponeerde archieven (1942-1950) De algemene secretarie was het administratief apparaat dat de Gouverneur-generaal terzijde stond. Het heeft gefungeerd van 1816 tot 1950. Stichtingen actief in Nederlands Nieuw-Guinea (1957-1966) Het ministerie van Overzeese Rijksdelen en de rechtsopvolgers van dit ministerie hebben diverse stichtingen opgericht die actief waren op een aantal deelterreinen van beleid ten aanzien van Nederlands Nieuw-Guinea. Deze stichtingen waren: Stichting Agrarisch Onderzoek, Stichting Agrarische Bedrijven, Stichting Demografisch Onderzoek, Stichting Geologisch Onderzoek.
Peter John Koets werd geboren op 3 november 1901 te Macon, Georgia, in de Verenigde Staten, als zoon van Daniël Koets (24 januari 1867-10 oktober 1956) en Catharina Pieternella Jacoba Siegers (1 maart 1870-14 september 1902). Zijn vader was docent aan het Wesleyan Female College. De lagere school volgde Peter John in Vlissingen, Zetten en Nijmegen in Nederland (1907-1908 en 1909-1913) en in Macon in de Verenigde Staten (1908-1909). Daarna bezocht hij het gymnasium in Zetten, dat in 1918 werd overgeplaatst naar Zeist en geleidelijk omgezet in een lyceum. Toen hij in 1918 overging naar de 6e klas en er wel op kon rekenen het volgende jaar het eind-diploma te zullen behalen, werd de keus van een studierichting een actuele zaak, maar hij zelf had nog geen besluit genomen. Als jongen had hij er vaag over gedacht dokter te worden, maar het was hem al vrij gauw duidelijk geworden, dat daar zijn bestemming niet kon liggen. Zijn belangstelling ging uit naar de letteren en de geschiedenis. Na het behalen van zijn gymnasium-diploma alpha in 1919 vertrok hij naar Londen, waar hij een jaar gouverneur van een Nederlandse jongen is geweest. Daarna studeerde hij klassieke letteren in Utrecht. Hij deed kandidaatsexamen in 1923 en doctoraalexamen in 1926, beide met het predicaat "cum laude". Na zijn doctoraal is Koets ruim een jaar gouverneur geweest van de zoons van de Nederlandse gezant te Berlijn. In Utrecht leerde hij tijdens hun studietijd zijn vrouw kennen: Adriana van Oordt, arts (geboren op 10 juni 1903 in Rotterdam). Uit hun huwelijk, gesloten op 27 december 1928, werden zes kinderen geboren(Catharina Gesina (geboren op 25 januari 1930), Margaretha Amelia (geboren op 6 maart 1931). Lydia (geboren op 9 juni 1932), Adriana (geboren op 19 augustus 1933), Johanna Margot (geboren op 26 november 1934) en Daniël Pieter (geboren op 27 januari 1940).), alle in Batavia. Ze zijn allen getrouwd. Van 1928 tot 1929 was hij leraar aan het later Willem de Zwijger lyceum geheten lyceum in Bussum. In 1929 promoveerde hij bij zijn leermeester H. Bolkestein op het proefschrift "DEISIDAIMONIA; a contribution to the knowledge of the religieus terminology in Greek". Na zijn promotie "cum laude" in 1929 ging hij met zijn vrouw naar Indonesië. Hij was leraar, later conrector en wnd rector (cursus '36-'37) van het Bataviaasch Lyceum (Carpentier Alting Stichting) tot 1938. Van 1938 tot 1939 was hij leraar en plaatsvervangend rector aan het Gouvernements Lyceum te Bandoeng(In 1947 werd de Indonesische spelling veranderd, onder andere oe in u (Bandoeng-Bandung), in 1972 werd de spelling weer veranderd, bijvoorbeeld: ch in kh, dj in j, j in y, tj in c (Djakarta-Jakarta).). In 1939 werd hij hoofdambtenaar ter beschikking van de directeur van het departement van Onderwijs en Eredienst te Batavia. Op 8 december 1941 gemobiliseerd raakte hij na de capitulatie van Nederlands-Indië op Java (in maart 1942) als reserve-officier in Japanse krijgsgevangenschap en tot 1945 werkte hij als dwangarbeider aan de Burma-Siamspoorweg. De capitulatie van Japan kwam zeer snel en onverwacht en niemand kon zich een juiste voorstelling maken over de wijze, waarop de over heel Zuid-Oost Azië verspreide Japanse strijdkrachten het bevel tot het neerleggen van de wapens zouden opvolgen. Op veel plaatsen, met name ook op Java en Sumatra, ontstond een gezagsvacuüm. Op 17 augustus werd de onafhankelijkheid van Indonesia door Soekarno en Hatta geproclameerd. De situatie bleef nog zeer verward. Na in augustus 1945 te Singapore (waarheen hij in juli was overgebracht om een door hem door een Japanse krijgsraad in Bangkok opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar verder uit zitten) uit krijgsgevangenschap te zijn bevrijd, werd Koets daar in februari 1946 gedemobiliseerd en keerde naar Java terug. Bij zijn terugkeer werd hij belast met de leiding van het departement van Onderwijs en Eredienst, als opvolger van de heer Kerstens. In juni van hetzelfde jaar werd hij benoemd tot directeur van het kabinet van de Gouverneur-Generaal( Dit kabinet is in mei 1940 door de Gouverneur-Generaal opgericht als stafbureau voor zuiver politieke zaken. Het kabinet maakte gebruik van de administratie van de Algemene Secretarie, maar ressorteerde daar niet onder. De directeur van het kabinet stond naast, niet onder of boven de Algemene Secretaris.), als opvolger van dr. P.J.A. Idenburg en daarmede tot de politieke raadsman van de Landvoogd. Omdat de situatie in West-Java in het algemeen en in Batavia in het bij zonder niet veilig was en politiek zeer onoverzichtelijk bleef werd de centrale regering van de Republik Indonesia op 4 januari 1946 overgebracht naar Djocjakarta. Van 15 tot 20 september 1946 heeft onder leiding van Koets een groep Nederlanders, vijf representatieve personen (Prof. dr. C.D. Langen, president van de Nood-Universiteit te Batavia, als medicus; dr. ir. Honig, plaatsvervangend directeur van het departement van Economische Zaken; D.G. van der Meer, vertegenwoordiger van de N.V. Internationale Crediet- en Handelsvereniging "Rotterdam"; H. Tennissen, van de Javasche Bank, als financieel expert en W. A. van Goudoever van de Regeringsvoorlichtingsdienst.), ieder deskundig op eigen terrein, een reis naar het binnenland gemaakt. Zij waren gasten van de Republiek; de reis vond plaats met algehele instemming, doch zonder officiële opdracht van de Nederlands-Indische regering. Bij dit bezoek is het gezelschap in de gelegenheid geweest op de plaatsen, die men bezocht met een groot aantal personen in contact te komen en een reeks bedrijven en instellingen te bezoeken. Voornamelijk verbleef de groep te Djocjakarta, Kalioerang en Malang, waar zij onder andere Soekarno, Hatta, Setyadjit, A.G. Pringgodigdo, Roeslan Abdoel Gani, Sanoesi en Margono Djojohadikoesoemo ontmoette. In hun verslag gaven Koets c.s. indrukken over de voedingstoestand en de kledingsituatie van de bevolking, over het algemene landschaps- en straatbeeld en uiteraard over de politieke ontwikkelingen. Het verslag van deze reis werd op 30 semtember 1946 gemaakt en op 17 oktober door mr. J. A. Jonkman aan de Staten-Generaal aangeboden. Dat het rapport van de commissie-Koets zou getuigen van een schromelijk gebrek aan inzicht in de werkelijke toestand in het republikeins gebied zoals door critici was gesteld kon niet worden erkend. Op 22 oktober verscheen in deze samenhang een verklaring: "Soekarno een realiteit", met als conclusie dat zijn invloed op de massa hem in een reële gezagspositie in de Republik stelt. Eind november 1946 ontstond een incident tussen "lasjkar rakjat", ongeregelde republikeinse troepen, en Nederlandse troepen in Medan. Op 6 december werd daarom een Nederlands-Indonesische commissie naar de onder Nederlands gezag staande gebieden op Sumatra, (Palembang, Padang en Medan) gezonden. Deze commissie bestond uit Koets, Buurman van Vreeden, Sjarifoedin en Oerip Soemohardjo. Zij had tot taak te trachten overal langs de zogenaamde "perimeters" tot door beide partijen aanvaarde regelingen te komen. Zo werd met de locale autoriteiten in Medan overeenstemming bereikt op een grondslag van bezetting van geheel Medan door de Nederlandse troepen en uitoefening van de politiediensten binnen de stad door een gemengde Nederlands-Republikeinse politie. Op 29 oktober 1948 werd dr. L.J.M. Beel benoemd tot Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Indonesië. Deze benoeming volgde na het ontslag van Van Mook. Op 3 november kon Van Mook het gezag overdragen aan Beel. Na het ontslag van Van Mook werd het kabinet van de Gouverneur-Generaal het kabinet van de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon. Ook het directoraat van dit kabinet heeft Koets bekleed. Op 19 mei 1949 kreeg Beel eervol ontslag als Hoge Vertegenwoordiger, waarna A.H.J. Lovink op 24 mei werd benoemd tot Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Indonesië. De functie van Koets als directeur van het kabinet eindigde automatisch op 27 december 1949 als gevolg van de souvereiniteitsoverdracht. In maart 1950 keerde hij terug in Nederland. Na zijn terugkeer hier te lande sloot hij zich aan bij de Partij van de Arbeid. In de cursus 1950-1951 was hij werkzaam aan het Barlaeus Gymnasium te Amsterdam. Op 16 juli 1951 trad hij op als hoofdredacteur van Het Parool. Hij volgde mr. G.J. van Heuven Goedhart op, die enige maanden eerder Hoge Commissaris voor de vluchtelingen was geworden. Koets had zich voorgenomen deze journalistieke functie tot zijn 60e jaar te vervullen. Op 29 september 1961 nam hij afscheid als hoofdredacteur; hij werd opgevolgd door mr. H.W. Sandberg. Van 1961 tot 1962 was Koets ambteloos. Van maart tot mei 1962 was hij werkzaam in Somalia als leider van een kleine, in hoofdzaak uit Nederlanders bestaande Unesco-missie teneinde de regering van dit toen kortelings onafhankelijk geworden land in de zogenaamde "Hoorn van Afrika" van advies te dienen inzake de vraag hoe het onderwijs dienstbaar te maken aan de sociaal-economische ontwikkeling. De Unesco-ploeg bestond wat de Nederlanders betreft verder uit prof. G.H. van der Kolft (sociaal-econoom), drs. R. Ruiter (econoom-statisticus) en H.J. Evers (deskundige op het gebied van het lagere technische onderwijs). Het officiële rapport is van de hand van de vier Nederlanders. Van 1962 tot 1970 was Koets raadslid-wethouder van Onderwijs in Amsterdam; van 1966-1970 tevens loco-burgemeester. In de jaren 1957 tot 1970 was hij curator van de Universiteit van Amsterdam. Rond het jaar 1963 werkte hij mee aan het onderzoek "International socialist study on the situation of Jews in the U.S.S.R." Sinds 1970 is hij met pensioen en woont met zijn vrouw op Ellemeet (Schouwen) in Zeeland. Hij overleed te Oegstgeest in 1995 op 93-jarige leeftijd.
Marcus van Blankenstein werd geboren te Ouderkerk a.d. IJssel op 13 juni 1880 als zoon van Heiman van Blankenstein( ten rechte Hijman van Blankenstijn ) en Judith Bekkers. Op 29 mei 1908 trad hij te Kopenhagen in het huwelijk met Nelly Lohr, geboren te Batavia op 27 december 1883, overleden te Wassenaar op 7 januari 1947, dochter van Christiaan Pieter Lohr en Sara Gijsberta van Gennep. Na zijn studie aan de Universiteit te Leiden promoveerde hij in 1911 cum laude op "Untersuchungen zu den langen Vokalen in der E-Reihe". Zijn journalistieke loopbaan begon hij in 1906 als correspondent bij de Nieuwe Rotterdamse Courant. Aanvankelijk schreef hij brieven uit Kopenhagen, waar hij verbleef i.v.m. de voortzetting van zijn filologische studie. Van 1909-1920 was hij correspondent te Berlijn, welke positie hij opgaf om te kunnen rondreizen als internationaal diplomatiek correspondent. Als zodanig woonde hij b.v. gewoonlijk de Volkenbonds-conferenties te Genève bij; een jaar lang was hij voorzitter van de internationale vereniging van bij de Volkenbond geaccrediteerde journalisten. Later werd hij bij de Nieuwe Rotterdamse Courant belast met het schrijven van de in de eerste wereldoorlog ontstane rubriek De Toestand. In 1936 werd hij benoemd tot adjunct-hoofdredacteur. Kort daarop trad hij, na een geschil van persoonlijke aard, in dienst bij het Utrechts Nieuwsblad. Daarnaast verschenen in verschillende andere bladen (Indépendance Belge, Soerabajasch Handelsblad, De Haagse Post) artikelen van zijn hand. Gedurende de tweede wereldoorlog verbleef dr. Van Blankenstein te Londen, waar hij hoofdredacteur was van Vrij Nederland. Na 1945 was hij aanvankelijk hoofdredacteur van de Stem van Nederland, daarna, sinds 1946, vast medewerker bij Het Parool. In 1952 verschenen vele bijdragen van hem in Indonesische bladen. Hij was lid van de Leidse Universiteitsraad en van de Commissie van Advies voor de instelling van een Regeringspersdienst. Bij Koninklijk Besluit van 12 juni 1950 no. 3 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Op 18 september 1964 overleed hij te Wassenaar. (ten rechte: Den Haag). Van Blankenstein is de schrijver van een indrukwekkende reeks beschouwingen, van belang voor de kennis van de politieke en diplomatieke geschiedenis. Als afzonderlijke publicaties kunnen vermeld worden: Suriname, Rotterdam 1923; Russische indrukken, Rotterdam 1925; De poenale sanctie in de practijk, Rotterdam 1929; Woelig België, Amsterdam 1937; Het getij der beschaving, Arnhem 1939; Indonesië nu, 's-Gravenhage 1953.
1. The establishment of the Dutch factory in Japan. On July 6th, 1609, two ships of the United East Indies Company, "De Griffioen" and "De Rode (Vereenigde) Leeuw met Pijlen" anchored off Hirado. Among the crews were the Chief merchants Abraham van den Broeck and Nicolaas Puyck and the Under-merchant Jacques Specx. They undertook the journey to the Shogunal Court, on wich mission Melchior van Santvoort acted as an interpreter. The last named came with the Dutch ship "De Liefde" in Japan in 1600, and established himself as a merchant in Nagasaki. The Shogun granted the Dutch the access to all ports in Japan, and confirmed this in an act of safe-conduct , stamped with his red seal. In September 1609 the Ship's Council decided to hire a house on Hirado island (west of the southern main island Kiushu). Jacques Specx became the first "Opperhoofd" (Chief) of the new Company's factory. 2. The Dutch factory on Hirado (1609-1641) and the removal to Deshima (June 1641). The Dutch trade on Hirado (also called Firando) was not very profitable during the first years, because the quantity of goods imported was too small. In 1613 the English also established a factory on the island, wich would remain in being till 1623. In accordance with the Dutch-English treaty of June 2nd, 1619, coöperation existed between the two factories, wich is manifested in the archive by resolutions of the combined ship's Councils and both Chiefs. Although the Shogun in 1617 restricted the overseas trade to the harbours of Nagasaki and Hirado, the Dutch received a new act of safe-conduct on their journey to the Shogunal Court of that year, wich passport guaranteed them free entrance in all Japanese ports. The efforts of both the English and the Dutch to capture the richly-laden Portuguese carracks and Chinese junks, sailing from and to Nagasaki, led to a sharp reprimand of the Japanese Government in 1621. The Shogunal Government, on the other hand, became more and more opposed to the Portuguese, because of their missionary activity. The Shogun believed that the existing order in Japan was endangered by the expanding Christian religion. After the revolt of Japanese Christians on the promontory of Shimabara (east of Nagasaki) in 1637 and 1638 the Portuguese were duly expelled from the Empire (1639), the Dutch had to demolish their newly-built wharehouse on Hirado (1640) and in 1641 the removal of the factory to Deshima was ordered. The Portuguese had been confined on this artificially constructed islet in the harbour of Nagisaki from 1636 to 1639. It was built in 1634 and 1635 through the contributions of 25 local merchants. The Dutch factory remained here until the closing-down in 1860. From 1639 to 1854 the Dutch were the only Europeans permitted to enter japan. The Spanish had been expelled already in 1624: the English abandoned their factory voluntarily in 1623 and were not admitted again until 1854, although they tried several times to reopen the trade. Together with the Chinese, the Dutch provided for the overseas trade of Japan, because in 1636 the Shogun finally forbade the Japanese to go abroad, after a series of restricting measures in the years 1633-1636. The removal to Deshima took place in June 1641. A short time after the establishment, in August 1641, the Chief of the factory received a letter from the Governor of Nagasaki, in which were promulgated a number of very onerous regulations and restrictions concerning the residence of the Dutch on the island. These and others regulations remained in force practically unaltered until the closing-down of the facory. 3. The Government of Japan. At the end of the sixteenth century the daimyo('Daimyo': 'Great name'; the head of a clan with a minimum revenue of 10.000 koku (bales) of rice.) of Japan were involved in a struggle for power, from which in 1600 Ieyasu, of the House of Tokugawa, emerged victorious after the battle of Sekigahara. He recieved the title 'Shogun' from the Emperor and made Edo (Dutch:"Jedo"; the later Tokyo) his capital. The Emperor ('Mikado'; 'Tenno') remained in Miako (the later Kyoto). He did not have any governing power but must be seen as a symbol of the continuity of the Shinto-religion. The relation between the Emperor and the Shogun can be compared more or less with that between the Merovingian King and his Majordomus. A number of important provinces and cities, among which the five big cities Edo, Miako, Osaka, Sakai and Nagasaki, stood under direct control of the so-called 'Bakufu'. ('Bakufu': 'Tent-government'; with 'tent' is meant the curtain that screened off the Shogun on the battlefield.) The most important government council was the Go Roju or Council of Five Elders (Dutch; "Ordinaire Rijksraad"), with 4 or 5 members. The other cities and the rest of the country were governed by officials, arising from the daimyo class. In the course of years these functions became hereditary. The daimyo - vassals of the Shogun - were obliged to military service, the yielding of gifts and the yearly alternating residence in Edo. A number of 'metsuke' (secret police; "dwarskijckers" in the language of the Company) controlled both the feudal lords and the officials.This rigid system of government could be maintained for centuries because the closed-country police repelled all foreigh influences 4. The government of Nagasaki. The relations between the Japanese Authorities and the Dutch on Deshima. The port of Nagasaki, where from 1641 onwards all foreign traffic was concentrated, stood, as has been previously said, under direct control of the Bakufu. The central government was represented by two governors, 'Bugyo' ( 'Bugyo': 'Bringer of gifts': magistrate appointed by the central government.), who resided alternately in the capital. The Dutch called them "Gouverneurs", whilst they had various names for the subordinate officials: "Bongiozen" or "Banjozen" (derived from the word 'Bugyo'). There was also a council of town elders, 'Toshiyorishu', 'Machi-doshiyori', proceeding from the local landowners. (Dutch: "Stadsburgemeesters"). Every member in turn was at the head of affairs during one year. (Jap.:'Nemban'; Dutch: "Opperburgemeester" or "Rapporteur Burgemeester"). The town of Nagasaki was divided into quarters, each quarter controlled by an 'Otona'. Deshima constituted a seperated quarter under the guidance of three Otona, who alternated every day at noon. The interpreters were formed into a sort of guild or college ("het Collegie" they call themselves for short in their translations) with a maximum strength of 150, seniors and apprentices together. "Though their positions dated from the Dutch factory at Hirado, their systematic ranks seen to have emerged in the Nagasaki-Deshima era... The interpreters combined the jobs of linguist, commercial agent and spy". After 1695, seven senior interpreters under the leadership of a 'metsuke' formed a College of Head Interpreters. (Dutch : "Collegie van Oppertolken"). These eight persons signed and stamped the engrossments and translations of nearly all documents that were exchanged between the Dutch and the Japanese authorities. Apart from these "Gouverneurs, banjozen, burgemeesters, opper- en ondertolken, ottenaas, ende dwarskijckers" the Dutch had to deal with the purveyors of the victuals for the factory (The so-called "compradoors". The word is derived from the Portuguese "comprador": "buyer".), the cooks, servants, fireguard, gate-keepers, coolies etc. All were paid or given gifts by the Company, wich thus provided a living for an important part of the inhabitants of Nagasaki. All contact with Japanese officials must be maintained through the interpreters. The majority of the Company's servants thus acquired only a scanty knowledge of the Japanese language, wich was further impeded on the part of the Opperhoofden by their annual change in office. Moreover, the Bakufu generally thwarted the efforts of Dutch and Japanese alike to establish a closer contact outside the commercial sphere. Therefore the Governors-General at Batavia mostly used Chinese language in their letters to the Shogun, the Imperial Council or the Nagasaki Governors. In this way there was greater certainty that the contents would reach their destination in the original form and meaning, not being mistranslated by the interpreters. In the 17th century the interpreters often had an insufficient command of the Dutch language, which caused much trouble and annoyance on both sides. Of course, the total absence of dictionaries ond other expedients made the task of the interpreters a difficult one. After about 1670, things change for the better: on 15 December 1670 the interpreters are recorded to be exercising in Dutch handwriting and in 1671 the Governor orders the intruction of interpreters on Deshima. The daily entrance of 9 November 1673 contains the following passage: "The interpreters come to inform us that the Governor has decided and ordered that a certain Japanese boy, about ten or twelve years old, will come here daily on the island, in order to learn Dutch from one of the Company's servants, as likewise to be taught how to read and write the same." 5. The personnel of the factory. By a regulation of 7 June 1678, Governor-General and Council decided that the personnel of the factory should consist of a merchant, a second merchant, two or three undermerchants and fourteen or fifteen assistants (a surgeon and his assistant included). The merchant bore the title of "Opperhoofd" (Chief); he held a seat in the Council of Justice at Batavia every period when he was out of office. In 1640 the Japanese demanded that a new Opperhoofd should be appointed every year. This gave rise to a system of rotation, by which every Opperhoofd held the highest post of the factory three to four times. In 1790, the Director-General of the trade, Johannes Siberg, succeeded in obtaining approval for a longer stay. The Council of the factory consisted of the Opperhoofd, the second merchants and the undermerchants. Since 1764, the scribe (at the same time bookkeeper and wharehouse custodian) attended the meetings of the Council and also signed the resolutions. The scribe had the power to pass notarial and secretarial instruments and to confirm sworn testimonies. Initially, he had the rank of an assistant, later on - as wharehouse custodian-book-keeper-scribe - of an undermerchant. After the dissolution of the Company in February 1796, no great changes occurred regarding the number, the task and the competence of the inhabitants of Deshima. Sometime between 1796 and 1816, the Council, taking resolutions independently within the limits of their instructions from G.-G. and Council, dissapeared; after 1816, the Opperhoofd decided alone. The title "Opperhoofd" changed into "Gouvernmentskommissaris voor Japan" (Government Commissioner for Japan) in 1855 and since 1859 the representative of the Netherlands was also Consul-General for Japan and Political Agent of the Netherlands in Japan. The last Opperhoofd, J.H. Donker Curtius, who bore each of these titles in turn, signed the first treaty between the Netherlands and Japan in 1856. 6. The journeys to the Shogunal Court. At their arrival in Japan the Dutch obtained the privilege to be received in audience by the Shogun every year. (This was never granted to the Chinese). On the occasion of the "hofreis" (journey to the (Shogunal) Court) the most important government authorities were honoured with gifts. The privilege became an onerous duty in the course of years, on account of the high expenditure and the burdensome journey, wich was relieved so far in 1790, that the journey only needed to be made every fourth year. The gifts, however, must be brought every year. When the Opperhoofd did not make the journey himself, these gifts were carried to Edo by a group of interpreters. In 1720 and 1783 no journey was made, because no ships arrived from Batavia in the previous year and therefore no gifts could be made. The number of journeys from 1633 (the first year of which a daily journal of the factory is preserved) to 1850 amounts to 186. Until 1649 the scribe accompanied the Opperhoofd to the Edo Court; from that year on the surgeon of the factory always joined the travelling party. This was frequently consulted by the physicians of the court. The small party of Dutchmen was accompanied by a host of Japanese officials, interpreters, servants, outriders, porters of the Opperhoofd's 'norimon' (palanquin), etc. The Opperhoofd had the rank and status of a daimyo during the whole journey (indispensable for a person recieved in audience by the Shogun) and was treated as such on his way to the capital. The expedition took 12 to 13 weeks in all during the first half of the 17th century from the beginning of December till the beginning of March, after about 1660 from the middle of February till the end of May. A few days after the arrival in Edo the Shogun granted an audience, followed by a more informal meeting and several visits to members of the Bakufu. After a sojourn of 2 or 3 weeks the visitors set out on the journey back, supplied with the traditional present made in return: thirty silk kimono's ("Keyserlijcke rokken"); (Imperial Gowns). The expedition went partly by land (Nagasaki - Strait of Shimonoseki; -Osaka - Edo), partly by sea (Strait of Shimonoseki - Osaka). The total distance covered was over 2000 kilometers. 7. The managing of business at the factory. The yearly routine at the factory was determined by the arrival and the departure of ships. At the end of June two or three ships left from Batavia and sailed with the south-western monsoon to Japan in four or five weeks. This was the case at least in the 18th and 19th centuries. In the 17th century the ships often sailed via Siam, Tonking etc. to take on trade-goods there. With these ships the new Opperhoofd also came to Japan. Therefore two Opperhoofden were at the factory during the trade-season, from about 15 August till the end of October. At the end of October or the middle of November the accounts were closed, the resigning Opperhoofd instructed his successor (A number of these so-called "Memories van overgave", and the ships left for Batavia with the north-eastern monsoon. With the Opperhoofd, the second merchant and some of the undermerchants and assistants also returned to Batavia, as they only were needed at the factory during the busy trade-season. During the voyage the report on trade since October of the past year was written or finished. Around New Year one arrived at Batavia. The voyage back often took more time than the outward voyage, because one had to reckon not only with the monsoon but also with the Japanese prescriptions concerning the date of departure. On Deshima, in the meantime, preparations were made for the journey to Edo (Nov.- Febr.); during that trip (Febr.- May) an undermerchant took the place of the Opperhoofd. From May the middle of August the factory was put in readiness for the next trade-season; sometimes a remnantsale was held. In the 1840's the factory more or less changed from a trade-station into a sort of pre-diplomatic residence. Trade was at that time of minor importance, the more so when compared with that of the previous centuries. For the Netherlands, the factory became a means to procure the opening of Japan for foreign nations; for Japan, it was - as it had been since 1639 - the only channel through which filtered the news from the Western world. The letter of King William II to the Shogun, sent by way of H.M.S. "Palembang" in 1844, in wich the King gave the assurance that the opening of Japan would be beneficial for Japan and the outer world alike, exemplifies the changed attitude on the part of the Dutch.( The answer of the Shogun accompanied by some costly presents, was cordial but negative) In 1847 and after, the Opperhoofd played a mediating and infomative part in the negotiations between Japan and the foreign nations. 8. The Dutch trade with Japan. The different trade-systems, wich were used on Hirado and Deshima in the course of two and a half centuries, have been described in detail by Nachod, Feenstra Kuiper, Meylan, Lauts, van der Chijs and others. Therefore only some main characteristics, especially those with a bearing on the archive, will be mentioned here. Until 1628 the Japan trade of the United Company has not been hampered by any limitations from the side of the Japanese authorities. After a four-year period, during which trade practically came to a standstill - caused by the doings of the Governor of Formosa, Pieter Nuyts - in 1628(-26) it was restricted more and more by Japanese prescriptions, such as export-embargoes, fixations of maximum amounts and prices, conditional sales, etc. After 1725 the "Keizerlijke Geldkamer" (Imperial Money Chamber), acting as an exchange- and creditbank for the Company, was charged with the total purchase. This Chamber placed orders with the Company and in return gave a certain amount of trade goods, of which the most important were copper and camphor. It was a privileged commercial corporation that netted the overseas trade from the Imperial Treasury. Beside the trade of the United Company, the so called "Kompshandel", existed the Kambang-trade or private trade, formally instituted in 1685. (The origin of the word 'Kambang' is uncertain. According to Van der Chijs, p. 391, it was derived from the Chinese word 'kan-pan', i.e. show (of goods on) shelfs, or public auction. The expression 'Kompshandel' ('Comp(any)'s trade') remained in use also after the dissolution of the United Company in 1796.) The "Heeren Zeventien" ('Gentlemen Seventeen' or the Board of Directors of the United Company) only grudgingly permitted their servants in Japan this elsewhere forbidden practice. It was desired, however, by the government of Nagasaki because the petty merchants of this town, not being able to engage in bulk trade, thus found an opportunity to take part in the retailing of the rather small invoices in the Kambang-trade. Like the 'Kompshandel' it was exactly regulated by Dutch and Japanese alike. Every dutchman on Deshima, including the captains of the ships, had a fixed share in the total turnover allowed. The restriction to a certain maximum led to extensive smuggling; the Japanese caught in the act often were executed, the Dutchmen banished from Japan. From 1826 till 1831 the Kambang-trade was carried on by the "Societeit van Particuliere Handel op Japan" ('Society for the Private Trade with Japan'), a creation of the Opperhoofd G.F. Meylan. The purpose was to cut the expenses by buying and selling on joint account. Only the officials on Deshima and the captains of the ships, trading to Japan, could participate. Unfortunately, Meylan's scheme did not come up to expectations, for various reasons. From 1835 till 1855 the Kambang-trade was let out to a Batavian merchant, while the officials at Deshima got a compensation for the loss of extra income. After 1855, the Government of the Dutch Indies took charge of it. The "Kompshandel"was liquidated formally in 1857, but was continued until 1860, as was the Kambang-trade. The "Aparte of nieuw geschikte handel" ('Seperate or newly established trade') dates from1804. The Opperhoofd Hendrik Doeff in that year agreed with the Money Chamber that the Dutch government should import some articles in special demand, such as lead, mercury and sapan-wood, in exchange for an extra amount of camphor. The credit money of the Dutch, the so-called "toegift" ('bonus') was booked on the Kambang-account. Under the name of "eis- en geschenkgoederen" ('goods in demand and gifts') the Dutch imported various luxury articles, books, instruments etc., which were demanded separately by the Shogun and other Japanese authorities. The demands of the Shogun were paid for on the Company-account, the others on the Kambang-account. (The titles of the accounts are varying) These "geschenkgoederen" ("gifts") ought not to be mistaken for the real gifts to the Japanese, handed over on the occasion of the journey to the Shogunal Court. The Dutch took due notice of the nature and amount of the Chinese trade to Nagasaki, the Chinese being their only competitors. (In 1685, two thirds of the total import amount were allotted to the Chinese. This distribution roughly corresponded with the existing situation.) With the help of the Japanese, lists with data about the Chinese import and / or export were compiled every year. These lists have been incorporated for the most part in the daily records of the factory. Prices were put in teal's ("thaylen"; "teilen"), initially a Sino-Japanese measure of weight (37,565 grammes), later a standard of value (37.565 grammes of silver). In the trade with the Dutch the so-called "Compagniestael" ('Company's teal') was used as money of account. The value of this teal in the course of years declined from 70 'stuivers' Dutch money (in the 17th century) to 32 'stuivers' (around 1800). For the Kambang-trade a special tael was put into use, which held a higher value. In 1818 the 'Kompstael' was fixed at 40 'stuivers' or 160 'duiten' Dutch Indies money, the Kambangtael at 192 'duiten'. The rate of exchange was accordingly: Dutch guilder: Dutch Indies guilder - 2 : 3, Kompstael: Dutch Indies guilder - 3: 4,8. To close this paragraph, something must be said about the trade goods, imported in or exported from Japan by the Dutch. In the 17th century, raw or spun silk (from China, Siam or Bengal), deerskins, ray hides (from Siam), lead, mercury and sapan-wood were the most importants imports, which were traded against silver, gold, copper, camphor and ( in lesser quantities) lacquerwork and porcelain. From the second half of the 17th century, cotton fabrics from India and several textiles from the Netherlands are of growing importance for the Japanese market. After 1668, when the export of silver was forbidden, the most important Japanese products were copper and camphor. Dutch and Indian textiles, sugar, sapan-wood, lead and tin were the principal imports down to the middle of the 19th century. The periods 1633-1640 and 1652-1672 were extra-ordinary profitable for the Dutch. In 1636, the profit on import alone amounted to 1,5 million guilders, in 1638 it nearly reached 2,5 million guilders. The importance of the Japanese trade gradually declined, but the United Company did not abandon the factory ( although she threatened to do so several times during the 18th century) for fear that other nations would take her place. The monopoly position was very dear to the company and it was thought that in the course of time matters would change for the better. The importance of the factory after the dissolution of the United Company and the changed attitude towards Japan in the 1840's have been sketched already in par.7.
Levensloop van W.Ph. Coolhaas Willem Philippus Coolhaas werd op 2 mei 1889 in Brielle geboren als zoon van Johan Herman Coolhaas en Gerardina Elisabeth Meursingen. Na het behalen van het diploma van de middelbare school koos hij voor de opleiding tot bestuursambtenaar in Leiden, waar hij geschoold werd onder leiding van de bekende adepten van de ethische richting, Snouck Hurgronje en Van Vollenhoven. In 1921 werd Coolhaas als administratief ambtenaar Binnenlands Bestuur aangesteld in de residentie Ternate en Onderhorigheden met de achtereenvolgende standplaatsen Ternate, Tidore en Batjan. Zijn grote historische belangstelling kwam tot uiting in een rapport, dat hij samenstelde over de genealogie van het Tidorese vorstenhuis en dat de basis vormde voor de regeling van troonopvolging. In 1925 volgde een kortstondige overplaatsing naar Semarang, waar hij als plaatsvervangend landrechter fungeerde, en tenslotte naar het landschap Manggarai op Flores onderhorig aan de residentie Timor. Na een verlofperiode van acht maanden in Nederland keerde Coolhaas in 1927 terug naar Indië. Hierna volgden plaatsingen in Tanapoeli (1928-1930 standplaats Padang Sidempoean) en aan de Oostkust van Sumatra (1930-1934, standplaatsen Bindjai en Tebintinggi). In de laatste functie nam hij geruime tijd - wegens het ontbreken van de betreffende ambtenaar- het assistent-residentschap over de afdeling Langkat waar. Tijdens het hem toegestane studieverlof (1934-1936) legde hij aan de Universiteit van Utrecht bij professor Gerretson het doctoraal examen geschiedenis en kort daarop behaalde hij tevens de doctorstitel met de dissertatie "Het Regeringsreglement van 1827. Het werk van 1818 aan de ervaring getoetst" (Utrecht, 1936). Terug in Nederlands-Indië werd Coolhaas begin 1937 benoemd tot lid van de Volksraad en bevorderd tot de rang van assistent-resident. Gerepatrieerd in 1939 verbleef Coolhaas gedurende de Tweede Wereldoorlog in Nederland, waar hij zich bezig hield met het verzamelen van bronnenmateriaal op het Algemeen Rijksarchief. Dit leidde tot een aanvulling op de grote J.P. Coen-bronnenpublicatie van Colenbrander. In 1946 keerde hij terug naar Indonesië, werd als ambtenaar ter beschikking gesteld van het hoofd van de Regerings Voorlichtings Dienst en aangesteld bij het Landsarchief te Batavia. Spoedig daarna vond zijn aanstelling als landsarchivaris plaats, terwijl hij tevens werd benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Indonesië. In verband met de machtswisseling heeft Coolhaar er in 1949-1950 erg op aangedrongen, dat voor Nederland belangrijke archiefbestanden, hetzij in orginali, hetzij op microfilm, zouden worden overgebracht naar Nederland. Door de roerige tijdsspanne is van deze plannen evenwel niets uitgevoerd. Vanaf 1950 was hij gedurende vier jaar verbonden aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam tot zijn benoeming tot hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht in 1955 hierop volgde. Zijn leeropdracht betrof de geschiedenis der betrekkingen van Nederlanden en andere landen met de overzeese wereld. Algemene bekendheid heeft Coolhaas verworven door de vele publicaties van zijn hand. Zijn belangrijkste werk is de bronnenpublicatie van de Generale Missiven van de Gouverneur-Generaal en Raden aan de Heren XVII van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Tussen 1960 en 1979 verschenen zeven volimineuze delen, die een selectie uit de generale missiven bevatten over de periode 1610-1725. Professor Coolhaas overleed op 12 april 1981 in Bilthoven.
I. mr C. Fock (1828-1910) Cornelis Fock werd op 19 november 1828 in Amsterdam geboren als zoon van Abraham Fock (1793 1858), president van de Nederlandsche Bank, en Alida Johanna van Heekeren (1797-1864). In juni 1852 promoveerde hij in de rechten aan de universiteit te Utrecht. In december 1853 werd hij benoemd tot burgemeester van Vreeland en Nigtevecht, een jaar later werd hij eerste burger in Wijk bij Duurstede, waar als gevolg van de Aprilbeweging een gespannen verhouding heerste tussen de katholieke en protestantse bevolking. Fock wist de vrede te herstellen. In december 1859, op 31 jarige leeftijd, werd hij burgemeester van Haarlem. Hij werd daar tevens lid van de gemeenteraad. Ook in Amsterdam vervulde hij beide functies nadat hij met ingang van 1 mei 1866 tot burgemeester van die stad werd benoemd. Mr C. Fock was een liberaal politicus, die zich aansloot bij het streven van Thorbecke naar onderwijsverbetering en verbetering van de infrastructuur voor de industrialisatie van Nederland. Hij was een fervent tegenstander van confessionele politiek. In 1868 werd Fock benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken als opvolger van de conservatief mr J. Heemskerk. Zijn kabinet werd geformeerd door Thorbecke, die zelf verkoos op de achtergrond te blijven en die liberalen wilde benoemen die in het constitutionele conflict tussen het kabinet Van Zuylen van Nijevelt Heemskerk en de Tweede Kamer geen rol hadden gespeeld. Het kabinet sloeg een nieuwe koers in, maar beschikte niet over het vermogen om door te tasten en de grondslag te leggen voor een liberaal beleidsplan. Tussen de gematigd liberalen van de school van Thorbecke en de jong liberalen van Van Houten en Veegens nam C. Fock een tussenpositie in. Het Thorbeckiaanse kabinet Van Bosse Fock ("hazenpeper zonder haas") bracht verscheidene belangrijke wetten tot stand: de afschaffing van het dagbladzegel (1869) en van de doodstraf in burgerlijke strafzaken (1870), de invoering van een eenheidstarief in het postwezen (1870) en de totstandkoming van een agrarische wet voor Nederlandsch Indië die de afschaffing van het Cultuurstelsel inhield (1870). Ook werd de Rijnvaart geliberaliseerd (1868). Het kabinet wist tijdens de Frans Duitse oorlog niet tot homogeniteit te komen en een krachtig standpunt in te nemen. Het trad op 4 januari 1871 af, toen de Indische begroting met een meerderheid van één stem werd verworpen. De plaats van Fock werd ingenomen door Thorbecke zelf. Fock werd nu gekozen voor de Tweede Kamer, maar hij werd op 11 november 1871 benoemd tot Commissaris des Konings in Zuid Holland. Hij vervulde tot 1900 deze functie. Op 9 mei 1910 overleed hij in Den Haag. II. mr dr D. Fock (1858-1941) Dirk Fock werd op 19 juni 1858 te Wijk bij Duurstede geboren als zoon van Cornelis Fock (1828-1910) en Maria Anna Uyttenhooven (1830 1909). Hij huwde op 30 juni 1881 met Wilhelmina Catharina Cornelia Doffegnies (1857-1913) en op 11 maart 1926 met Alida Françoise Johanna Diemont (1875-1931). Hij studeerde te Leiden en promoveerde er in 1880 tot meester in de rechten op stellingen en tot doctor in de staatswetenschappen op een proefschrift over gemeenschappelijke belangen van twee of meer provincies op het gebiedvan de waterstaat. Hij vertrok in juni 1880 naar Nederlandsch-Indië, waar hij als advocaat werkzaam was te Semarang (1880-1881) en te Batavia (1881 1898). In 1898 keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich te Rotterdam. In 1900 werd hij verkozen tot lid der Provinciale Staten van Zuid Holland en in 1901 tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van 1903 1904 was hij lid van de gemeenteraad van Rotterdam en van januari tot augustus 1905 lid van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland. In de Tweede Kamer trad hij op als koloniaal specialist. Hangende het onderzoek van de in 1902 ingestelde "Mindere Welvaart Commissie" benoemde minister Idenburg behalve Fock nog twee andere koloniale specialisten, Van Deventer en Kielstra, in deze commissie. In 1904 legde Fock zijn zienswijze vast in: "Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van de economischen toestand der Inlandsche bevolking op Java en Madoera". Op 17 augustus 1905 trad Fock op als minister van Koloniën in het kabinet de Meester. Na het aftreden van dit kabinet werd hij in 1908 benoemd tot gouverneur van Suriname, welk ambt hij tot 1911 bekleedde. Na zijn terugkeer kwam Fock wederom voor de Liberale Unie in de Tweede Kamer. In januari 1917, na het overlijden van mr H. Goeman Borgesius, werd hij benoemd tot Kamervoorzitter. Na vier jaar voorzitterschap vertrok hij in 1921 als gouverneur-generaal naar Nederlandsch Indië. Hij bevorderde er onder meer de oprichting van de Rechtshogeschool te Batavia (1924). Na zijn terugkeer in Nederland werd hij voorzitter van de Vrijheidsbond (1927-1933). Van 1929 tot 1935 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal. In 1929 werd hij benoemd tot minister van Staat. Fock overleed op 17 oktober 1941 te 's Gravenhage. III. mr C.L.W. Fock (1905-1999) Cornelis Laurens Willem Fock werd op 27 januari 1905 geboren te Den Helder als zoon van Cornelis Fock (1871-1959), vice admiraal, en Jacoba Wilhelmina Noorduyn (1876-1953). Na het behalen van het doctoraal examen in de rechten aan de Rijksuniversiteit te Leiden werkte hij tot 1940 in het bankwezen en bij een scheepvaartmaatschappij. Gedurende de oorlog was hij aanvankelijk officier bij de Nederlandse troepen in Engeland, waarna hij achtereenvolgens secretaris was van de Nederlandse militaire missie bij de Combined Chiefs of Staff in Washington en van het Nederlands gezantschap in Lissabon. In 1944 keerde hij naar Londen terug als hoofd van het Bureau Inlichtingen. Na de bevrijding werd hij in 1946 Regeringscommissaris in algemene dienst en in 1948 Raadadviseur in algemene dienst. In 1949 volgde zijn benoeming tot secretaris generaal van het ministerie van Algemene Zaken welke functie hij bekleedde tot 1962. In dat jaar werd hij benoemd tot Commissaris der Koningin in de provincie Groningen. In deze functie werd hij in 1970 gepensioneerd. Fock overleed op 9 juli 1999 te 's Gravenhage.
Het geslacht van Lansberge. Het geslacht van Lansberge, afkomstig uit België, stamt af van Karel van Lansberge, die in het midden van de 15e eeuw leefde in de Kasselrije van Kortrijk. Met Daniel van Lansberge (1523-1595) kwam dit geslacht in Nederland. Van zijn zonen genoot Philips van Lansberge (1561-1632), predikant in Antwerpen, Goes en Middelburg, vermaardheid als wis-, natuur- en sterrenkundige. Hij was de grondlegger van de tak, waarvan het archief hier wordt besproken. Zijn kleinzoon Jacob van Lansberge (1656-1727) was burgemeester van Hulst en Hulsterambacht; diens zoon Martinus (1689-1751) was pensionaris van Brielle en vervolgens gezant van de Republiek der Verenigde Nederlanden in Keulen. Jacob van Lansberge (1740-1809) volgde de voetsporen van zijn vader en vertegenwoordigde de Republiek in Trier, Bonn, de Westfaalse Kreits en de Vrije Rijksstad Keulen. Een dochter uit zijn eerste huwelijk, Johanna Louise Martine (1768-1819), huwde met de Nederlandse gezant aan het hof van Baden, Samuel Ulrich Gronovius (1772-1810). Reinhard Frans Cornelis van Lansberge (1804-1873) was zijn enige zoon uit zijn tweede huwelijk met Maria Margaretha Henrica van Oldenbarneveldt, genaamd Tullingh (1774-1864). Na een korte loopbaan als ambtenaar van registratie en domeinen op Curaçao werd hij in 1826 benoemd tot vice-consul in Bogota, de hoofdstad van Nieuw-Granada (het huidige Colombia), waar weldra de bekende vrijheidsstrijder Simon Bolivar president werd. Bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1828, nr. 48, werd hij consul aldaar; hij kreeg er de gelegenheid, een intensieve studie van het land te maken. Zijn diplomatieke missie werd in 1840 uitgebreid met het consulaat-generaal van Venuzuela en Equador. In 1840 trad hij op, toen de regering van Venuzuela Curaçao met een oorlogsverklaring bedreigde, omdat het de oppositie zou steunen: hij schorste de diplomatieke betrekkingen en liet een eskader van het Nederlandse goevernement voor de kust kruisen. Wederom nam hij militaire maatregelen, toen in 1854 naar Coro geemigreerde Curaçaose joden door de plaatselijke bevolking werden gemolesteerd. Op 28 april 1855 werd hij benoemd tot goeverneur van Curaçao en onderhorigheden, een functie, die hij op 25 februari 1856 aanvaardde. In de drie jaar van zijn bewind bekampte hij de Colombiaanse zeerovers, die de scheepvaart belemmerden, en verbeterde het ziekenhuiswezen en de postdistributie op Curaçao. In 1859 nam hij afscheid om zijn benoeming als goeverneur van Suriname te aanvaarden. Het belangrijkste werk van zijn achtjarig bewind op Suriname was de uitvoering van de motie van de Tweede Kamer van 16 november 1855, "dat de slavernij op een nader te bepalen tijdstip zou worden af geschaft op een wijze, bij de wet te bepalen". De wet tot afschaffing van de slavernij werd eerst op 1 juli 1863 van kracht. Een van de reglementen, die uit de afschaffing voortvloeide, was het tienjarig staatstoezicht op de naleving van de arbeidsovereenkomsten, die tijdens de vrijlating werden opgesteld. Van Lansberge zorgde er vooral voor, dat de met de vrijmaking gepaard gaande onlusten tot een minimum beperkt bleven. Tevoren had hij een geschil met Frans Guyana over een stuk grond tussen de twee rivierarmen van de Marowijne tot een voor Nederland gunstig einde gebracht. Door de instelling van de Koloniale Staten krachtens het regeringsreglement van 1866 trachtte hij de Surinaamse burgerij in het bestuur en in het economische leven te betrekken. Te dien einde werd in 1865 de Surinaamse bank opgericht. In 1867 trok hij zich op 63-jarige leeftijd uit het politieke leven terug. Zijn vrouw, Victoria Maria Rodrigues y Escobar, met wie hij op 2 maart 1823 was gehuwd, schonk hem drie zoons. Hiervan vertrok de oudste, Johan Wilhelm (1830-1905), spoedig naar Nederland om in Leiden te studeren. Daar promoveerde hij in 1854 in de rechten, en na een korte militaire loopbaan in Den Haag werd hij in 1857 tot secretaris van de Nederlandse legatie in Spanje benoemd. In hetzelfde jaar werd hij naar St. Petersburg overgeplaatst, in 1860 naar Brussel. In 1864 werd hij benoemd tot raad van de Nederlandse legatie in Parijs, in 1866 tot tijdelijk secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. Persoonlijk speelde hij een rol in een diplomatiek geschil tussen België en Nederland over de afdamming van het Sloe en de Oosterschelde voor de aanleg van een spoorlijn van Vlissingen naar Venlo door de publikatie van twee anonieme brochures, waarin hij het Nederlands standpunt voor internationaal publiek verdedigt. In 1871 werd hij buitengewoon gezant in Brussel. De benoeming tot goeverneur-generaal van Nederlands Indië in 1874 betekende een radikale ommekeer in zijn loopbaan. Op 25 maart 1875 kwam hij in Batavia aan. Hier werd hij geconfronteerd met de Atjeh-oorlog, die oorspronkelijk een reeks expedities tegen de Atjehse zeeroverij inhield, maar allengs uitgroeide tot een streven naar de vestiging van Nederlands bestuur in het vorstendom zelf. Onder leiding van generaal A.J.E.Diemond probeerde Van Lansberge de kuststrook onder Nederlands gezag te brengen. Na een bezoek aan Atjeh in 1877 besloot hij het militaire bezettingsbewind geleidelijk aan te doen vervangen door een burgerlijk bewind, ofschoon hij militair ingrijpen, o.m. door Diemonts opvolger, K. van der Heyden, niet schuwde. Bij zijn vertrek in 1881 achtte hij de situatie gunstig genoeg voor de aanstelling van een goeverneur in het veroverde kustgebied. Mede door de Atjeh-oorlog leverde de begroting van de koloniën geen batig slot meer op. Om dit op te vangen, trachtte men de financiën van Indië te scheiden van die van het moederland, hetgeen gepaard ging met de invoering van belastingmaatregelen in de koloniën. Dit gelukte niet zonder heftig verzet van de Europeanen. Ook poogde Van Lansberge de inlandse herendiensten te doen afschaffen door de invoering van een uniform hoofdgeld. Hij toonde zich geen voorstander van de conversie van het dessa- en communaal landbezit van de inlander in individueel bezit. Wel steunde hij de ondernemers door verbetering van de infrastuctuur door de aanleg van spoorwegen en de uitvoering van andere openbare werken. In Zuid-Oost Borneo, Sumatra's Westkust, Palembang en Benkoelen werd het Nederlands bestuur hechter georganiseerd. In 1881 keerde Van Lansberge weer met zijn vrouw Rafaëla Romoalda Ricarda del Villar y Battle terug naar Nederland, waar hij de rest van zijn leven doorbracht met studies over vlinders en het kweken van orchideeën. In 1905 overleed hij in Menton. Zijn broer Henry (1832-1854) sneuvelde jong in Coduto (Venezuela) aan de zijde der federalisten. Zijn jongere broer Jan Felix Adriaan Eugeen (1839-1883) maakte als militair vele onderzoekings- en inspectietochten in de binnenlanden van Suriname. Met J.F.A. Cateau van Rosevelt was hij de samensteller van een verbeterde kaart van Suriname, die in 1881 verscheen. Hij was gehuwd met Wilhelmina Suzanna Petronella Adriana Maas Geesteranus, die na zijn dood de geschiedenis van haar huwelijk in een deeltje mémoires vastlegde ten behoeve van het nageslacht. Van de vele kinderen die zij kreeg zette slechts George van Lansberge (1873-1940) employé van de Bataafse Petroleum Maatschappij in Batavia, het geslacht voort. Diens zoon Jan Willem George (1908-1963) huwde als tweede vrouw op 3 juni 1947 Maria de Kanter, een nicht van het liberale Kamerlid P.J. de Kanter.
Taken en bevoegdheden van de Procureur-GeneraalDe taken en bevoegdheden van de procureur-generaal zijn vastgelegd in het Reglement op de Rechterlijke Organisatie (RO) welke vastgesteld werd bij Indisch Staatsblad 1847/23 en dat in werking trad per 1 mei 1848. Hij maakte deel uit van het Hooggerechtshof (art. 151 Reglement RO) en vertegenwoordigde daar als zodanig, krachtens art. 54 (gewijzigd Ind.Stb. 1920/786 en 787), het Openbaar Ministerie. Hij kon zich daar laten bijstaan of vertegenwoordigen door Advocaten-Generaal. Als zodanig was hij belast met de handhaving van de wettelijke bepalingen en besluiten van het openbaar gezag, met de vervolging van misdrijven en overtredingen en met het doen uitvoeren van strafvonnissen (art. 55 RO). De leiding die de hoofden van het gewestelijk bestuur hadden over de politie in hun gewest geschiedde volgens de instructies en bevelen die de procureur-generaal hen verstrekte ten aanzien van het handhaven der openbare orde en rust en het opsporen en voorkomen van misdrijven en overtredingen (art. 180 en 181 RO, art. 489 Rechtsreglement Buitengewesten). Hoewel de procureur-generaal de centrale leiding had over de politie in geheel Nederlands-Indië kon hij ten aanzien van de inrichting van het inlands bestuur en de politietaken daarvan slechts voorstellen doen aan de gouverneur-generaal maar geen bevelen geven. Hij hield voorts controle op de gevangenisregisters (art. 144 en 182 Reglement RO) en op de registers van alle rechtszaken en hield van de afhandeling daarvan aantekening. De procureur-generaal was slechts verantwoording verschuldigd aan de Gouverneur-Generaal. Bij de oprichting van het Indische Departement van Justitie in 1870 ging een aantal taken die voordien door de President van het Hooggerechtshof en de procureur-generaal werden uitgevoerd naar dat departement. Dit betrof voornamelijk de juridische en administratieve ondersteuning van het staatsapparaat. Na 1945 verandert er in de voor-oorlogse taken vrij weinig zij het dat de taken moesten worden uitgevoerd in een sterk ingekrompen gebied en dat zij deels moesten worden uitgevoerd onder de Staat van Oorlog en Beleg. Ook het reglement op de rechterlijke organisatie zoals gewijzigd bij Ind.Stb. 1947/20, bracht geen wijzigingen in de taken van de procureur-generaal. Een nieuwe taak die in 1945 aan de procureur-generaal werd toebedeeld was het beleid ten aanzien van de vervolging van oorlogsmisdrijven. De coördinatie van het onderzoek en het bijeenbrengen van bewijslast werd in handen gelegd van het Regeringsbureau tot nasporing van Oorlogsmisdaden en van de auditeurs-militair, die onder leiding stonden van de procureur-generaal. Met name het inlichtingen-apparaat dat voor de oorlog al aanmerkelijk was uitgegroeid tengevolge van de nationalistische stromingen, kende in de periode na 1945 een ongekende groei. Bij de totstandkoming van de Voorlopige Federale Regering in maart 1948 was naast de oprichting van elf departementen van algemeen bestuur tevens voorzien in de vorming van staatssecretariaten voor bijzondere taken. Het Staatssecretariaat voor Binnenlandse Veiligheid, dat onder de hoede van lt.kol Soeria Santoso kwam, kreeg als taak de coördinatie van alle politionele gezagsapparaten, alsmede de voorbereiding van een toekomstig Departement van Defensie. Door tegenwerking van militaire zijde, met name van de legercommandant S.H. Spoor en de Marine-commandant Pinke, die niet bereid waren delen van hun intelligence-taak uit handen te geven, kon dit staatssecretariaat vanaf zijn oprichting nimmer een belangrijke rol spelen. Bij de militaire verovering op de Republik Indonesia van gebieden op Java en Sumatra gedurende de eerste en de tweede politionele actie, ging in het gevolg van het burgerlijk bestuur (de RECOMBA, later TBA) tevens een vertegenwoordiger van de procureur-generaal mee, die tot taak had het justitieel opsporings- en vervolgingsapparaat te organiseren op basis van voorlopige rechtsreglementen. De invoering van deze voorlopige reglementen had een vergroting van het apparaat tot gevolg. Aan de andere kant werd het werkterrein van de procureur-generaal ondanks genoemde gebiedsvergroting door de politionele acties, door de invoering van de zelfstandige deelstaten met hun eigen rechterlijke organisatie gaandeweg steeds kleiner. Zo werden in het kader van de overdracht van taken van de centrale overheid aan diverse deelstaten het opsporings- en vervolgingsbeleid overgedragen aan de procureur-generaal in de betreffende negara en bleven aan de procureur-generaal over het algemeen slechts die taken over die betrekking hadden op coördinatie van deelstaat-overschrijdende activiteiten. De Dienst der Algemene RechercheTer uitvoering van zijn taken had de procureur-generaal de beschikking over een of meer Advocaten-Generaal en was er bij het Hoofdparket van het Hooggerechtshof een recherchedienst, de Dienst der Algemene Recherche, ingericht. Deze dienst, opgericht in 1918, had tot taak de procureur-generaal in diens kwaliteit van Hoofd der Politie bij te staan en van advies te dienen. In de loop der jaren was de dienst uitgegroeid tot het centrale lichaam waar alle gegevens uit Nederlands-Indië op politiek-politioneel terrein werden ontvangen en bewerkt. Daarnaast was zij ook de centrale criminele recherche wat de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en de valsemunterij betreft. In 1941 was er bovendien aan toegevoegd een Centrale Vreemdelingendienst voor het houden van toezicht op rondreizende vreemdelingen. De Algemene Recherche was dus wat het ene gedeelte van haar taak betreft advieslichaam van de procureur-generaal, voor het andere gedeelte de centrale politionele instantie op politiek en crimineel terrein. In de naoorlogse situatie had de dienst te kampen met een ernstig gebrek aan archieven en cartotheken, die immers alle bij de capitulatie in 1942 waren vernietigd. Ook het netwerk van contacten was grotendeels verloren gegaan of niet betrouwbaar meer. Daarom werd in 1945 besloten om deze dienst tijdelijk in te schuiven in de organisatie van de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS) opdat het best mogelijke gebruik van alle beschikbare gegevens gemaakt zou kunnen worden. Naarmate het opsporingsapparaat van de procureur-generaal vorm kreeg werd deze samenvoeging geleidelijk ongedaan gemaakt. Regeringsbureau tot nasporing van OorlogsmisdadigersBij de terugkeer van de Nederlands-Indische regering in Batavia kwam de vervolging van oorlogsmisdadigers geleidelijk op gang. Aanvankelijk was de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS) vrijwel het enige orgaan dat bij de vervulling van de intelligence-taak de beschikking kreeg over gegevens inzake gepleegde oorlogsmisdrijven. Deze taak werd langzamerhand overgenomen door het Regeringsbureau tot nasporing van Oorlogsmisdadigers en de auditeurs-militair bij de temporaire krijgsraden. Het bureau, dat aanvankelijk in Brisbane, later in Batavia gevestigd was, werd opgericht bij gouvernementsbesluit van 11 september 1945 nr 12. Het besluit bepaalde dat de procureur-generaal aan het hoofd stond van dit bureau, terwijl de dagelijkse leiding werd opgedragen aan het onderhoofd met de titel van advocaat-generaal. Het bureau werd belast met de nasporing van oorlogsmisdrijven in Nederlands-Indië en het bijeenbrengen, systematiseren en zo nodig doorgeven aan daarvoor in aanmerking komende binnen- en buitenlandse instanties, van alle verkregen inlichtingen en bewijsmateriaal in verband met de voorbereiding van de vervolging en berechting van de daders. De procureur-generaal vertegenwoordigde het bureau in aangelegenheden van technische aard tegenover soortgelijke buitenlandse instanties. In verband hiermee werd een tijdelijke vertegenwoordiging van de procureur-generaal te Singapore ingesteld, die verbonden was aan de Military Courts for the trial of persons charged with having committed War Crimes. Secretariaat voor Speciale Diensten te SingaporeHet burgerlijk bestuur over de residentie Riouw werd vanaf september 1945 gevoerd vanuit Singapore en bij de verhuizing van dit bestuur in mei 1946 naar Tandjung Pinang achtte de resident het raadzaam een bureau voor het politiële inlichtingenwerk in Singapore aan te houden. Dit bureau werkte vanaf december 1945 tevens samen met het aldaar gevestigde Buitenkantoor NEFIS. Het bleek echter dat de verzamelde inlichtingen een belang hadden dat uitsteeg boven die van de residentie Riouw. Toen dan ook in begin 1947 plannen bekend werden om deze post op te heffen maakte de procureur-generaal daar ernstig bezwaar tegen. In een brief aan de directeur van Binnenlands Bestuur stelt hij: (...) dat het in deze tijden onverantwoord zou zijn de te Singapore bestaande waarnemingspost op te heffen, (...). Het zal u evenzeer bekend zijn, dat Singapore niet alleen een centrum van Indonesische politieke activiteit is, maar ook een knooppunt is van den internationalen handel van de republiek, welke ten nauwste verweven is met haar politieke doelstellingen. Als gevolg hiervan werd in maart 1947 de politie-functionaris voor Riouw, P.A. van der Poel, naar zijn standplaats Tandjung Pinang teruggeroepen. Onder de directe bevelen van de procureur-generaal werd vervolgens de politie-commissaris S. van Hulst als police liaison officer verbonden aan het Nederlandse Consulaat-Generaal in Singapore. Deze functionaris heeft onder de naam van Secretaris voor Speciale Diensten een stroom van inlichtingen vanuit Singapore en omliggende gebieden aan de procureur-generaal doen toekomen, waarin in toenemende mate ook het vanuit China opdringende communisme een grote rol ging spelen. Wegens ziekteverlof van Van Hulst nam zijn voorganger, de commissaris van politie P.A. van der Poel, zijn taak per 1 februari 1949 over. In november 1949 werd de functie in het militaire inlichtingenveld getrokken door de aanstelling van een officier van de Centrale Militaire Inlichtingendienst. De functie van procureur-generaal werd in 1945 aanvankelijk waargenomen door prof mr J.E. Jonkers, die evenwel kort daarop bij besluit van de gouverneur-generaal van 26 februari 1946 nr 2 naar Nederland vertrok en opgevolgd werd door mr H.W. Felderhof. Felderhof, voorheen auditeur-militair en lid van de Commissie tot herziening van het Militair Strafrecht, stond bekend als een specialist op dit gebied. Hij zou de functie van procureur-generaal vervullen tot medio 1949 en werd als zodanig opgevolgd door mr Urip Kartodirdjo.
De familie Middelberg Vele leden van de familie Middelberg zijn in de 19e en de 20e eeuw vooraanstaande ingenieurs geweest. De belangrijkste van hen was wellicht Gerrit Adriaan Arnold Middelberg (1846-1916), zoon van de remonstrantse predikant G.A. Middelberg en van A.W. Minne. G.A.A. Middelberg had een grondige en veelomvattende technische opleiding genoten. Na zijn studie was hij werkzaam in binnen- en buitenland, waarbij hij talrijke belangrijke functies bekleedde, zoals het directeurschap van de Nederlandsch-Zuidafrikaanse Spoorwegmaatschappij (NZASM). Bovendien is hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geweest. G.A.A. Middelberg en echtgenote L. Hallmann hadden vijf zoons en één dochter. Ook de zoons ontvingen een technische opleiding en ook zij waren zowel in Nederland als in andere delen van de wereld, zoals Zuid-Afrika, Nederlands Oost-Indië en Suriname, werkzaam. Twee van hen waren werktuigkundig ingenieur, één was civiel ingenieur, een ander was chemicus en één was mijnbouwkundig ingenieur. Over een loopbaan van dochter Anna Wilhelmina zijn geen gegevens bekend. BIOGRAFISCHE AANTEKENINGEN BETREFFENDE DE ARCHIEFVORMERS FAMILIE MIDDELBERG G.A. Middelberg (1820-1850) en A.W. Minne (1823-1900) -Gerrit Adriaan Middelberg (Amsterdam 20-10-1820 - Boskoop 8-1-1850), remonstrants predikant te Boskoop, gehuwd op 21-8-1845 te Amsterdam met -Anna Willempje Minne (Amsterdam 7-6-1823 - Baarn 14-10-1900), dochter van Jan Minne (1800-1855) die in 1821 huwde met Margaretha Vos (1802-1873). Kinderen uit het huwelijk van Jan Minne en Margaretha Vos: Jan Willem Minne (1821-1879) Anna Willempje (1823-1900) Margaretha (1838-1864; gehuwd met A.A. Doyer). Anna Willempje Minne hertrouwde in 1858 met M. Verrijn Stuart. G.A.A. Middelberg (1846-1916) en L. Hallmann (1849-1931) -Gerrit Adriaan Arnold Middelberg (Boskoop 21-6-1846 - Baambrugge 6-3-1916) 1862-1863: opleiding in o.a. Zürich aan de Polytechnische Hogeschool 1865-1868: in Hannover; wordt in 1868 werktuigkundig ingenieur 1868-1869: werkt bij de Pruisische Staatsspoorwegen (Frankfurt a/d Oder) 1869-1876: werkzaam in Engeland (Manchester) en in Nederland bij de Staats Spoorwegen (Groningen, Luik en Zwolle) 1876-1890: werkzaam bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij 1890-1898: directeur Nederlandsch-Zuid-Afrikaanse Spoorweg Maatschappij (NZASM) 1894: vestigt zich met zijn gezin in Pretoria 1898: commissaris bij de NZASM; keert in 1899 terug naar Neder¬land 1899-1911: voorzitter Nederlandsch-Zuid-Afrikaanse Vereeniging 1902: vestigt zich te Baambrugge (Huize `Donkervliet') 1904: maakt scheepsreis als mede-begeleider van het stoffelijk overschot van Paul Kruger 1906-1907: reis naar Noord-Amerika (reorganisatie Oklahoma Central-Spoorwegen) 1909: maakt opnieuw een reis naar Afrika 1909-1913: ARP-Tweede Kamerlid, voor district Amsterdam VII gehuwd op 4-10-1871 te Hannover met -Leopoldine Hallmann (Boppard -Duitsland- 5-6-1849 - Baambrugge 19-4-1931), dochter van Eduard Hallmann (10-7-1813 - 24-2-1855), op 12-11-1847 gehuwd met Julie Leopoldine Hyppolite Barkow (Greifswald 3-7-1823 - Bremen 8-8-1894). G.A.A. Middelberg had een zus, van wie ook archief is nagelaten. Zij heette -Margaretha (Margo) Middelberg (Boskoop 6-1-1850 - Zürich 15-6-1925), gehuwd op 4-9-1884 met Carl Joseph Schröter (Esslingen 19-12-1855 - 7-2-1939; prof. dr botanicus), zoon van Moritz Schröter en Luise Hauer. Hun kinderen: Martin (geb. 1887) Marie Luise (geb. 1889) Anna Margaretha (geb. 1891) Kinderen van G.A.A. Middelberg en Leopoldine Hallmann: 1. Martinus Middelberg (Luik 5-9-1872 - Bandoeng 2-12-1925) 1894: werktuigkundig ingenieur 1895-1900: werkzaam bij de NZASM 1900-1902: directeur Petroleum-Maatschappij `Cernavoda' te Boekarest 1903-1907: ingenieur bij de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij te Semarang en Djokja 1907-1908: vice-president van de Oklahoma Spoorweg Maatschappij (VS) 1908-1921: inspecteur in West-Java der Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij; zorgt voor overdracht van de spoorweg Batavia-Buitenzorg aan de Staat; werkt bij de Staats Spoorwegen in Nederlands-Indië; hoofd Inspectie en -later- Algemeen Hoofd bij de dienst van Toezicht op Spoor- en Tramwegen 1921-1925: hoofd-ingenieur, ter beschikking van de directeur der gouvernementsbedrijven voor Spoor- en Tramwegenwetgeving gehuwd op 12-10-1898 te Pretoria met -Henriette Anna Christine (Dolly) Jorissen (Pretoria 6-8-1878 - Bandoeng 6-5-1925), dochter van Eduard Johan Pieter Jorissen en Anna Christina Elisabeth van Eyck van Voorthuysen. Dit huwelijk bleef kinderloos. 2. Eduard Middelberg (geb. Zwolle 28-11-1873) 1896: mijnbouwkundig ingenieur 1896-1897: maakt een studiereis 1897: vertrekt naar Nederlands-Indië; werkzaam aldaar bij Mijnwezen en Tinwinning. 1904: naar Suriname (mijnexploratie) 1907: met ziekteverlof naar Nederland 1909: naar Nederlands-Indië (Mijnwezen) 1918: chef Mijnwezen in Nederlands-Indië 1919: met pensioen 1923: lid gemeenteraad Abcoude-Baambrugge 1927: lid Provinciale Staten Utrecht 1939: wethouder van Abcoude-Baambrugge gehuwd op 14-10-1897 te Rotterdam met -Maria Vroesom de Haan (geb. 13-2-1870), zangeres, dochter van Jan Vroesom de Haan en Maria Eleonore Küller. Kinderen: Anna Wilhelmina (18-9-1899 - 9-4-1900) Anna Wilhelmina (geb. 8-11-1901) Gerrit Adriaan Arnold (geb. 16-3-1903) Martina (4-8-1911 - 14-8-1941) 3. Walter Middelberg (Zwolle 30-1-1875 - Hengelo 15-9-1944) 1899: studeert in 1899 in Leiden af in de scheikunde 1904: directeur Chemische Verffabriek `De Vecht' 1913: liquidatie `De Vecht', dan: tijdelijk leraar 1918: leraar scheikunde aan gymnasium en HBS te Hengelo 1940: gepensioneerd gehuwd te Amsterdam op 11-9-1906 met -Cornelia Theodora Johanna (Do) van Assendelft de Coningh (geb. 6-11-1882), dochter van Adriaan van Assendelft de Coningh en Anna Maria Louise Elisabeth de Roever. Kinderen: Louise Elisabeth (geb. 28-7-1907) Leopoldine Julie Amalia (Pepie) (geb. 13-5-1909) Gerrit Adriaan Arnout (geb. 10-8-1911) Arend Walter (geb. 27-4-1915) 4. Anna Wilhelmina Middelberg (geb. Haarlem 30-9-1877) gehuwd met -August Kalff (Amsterdam 9-7-1870 - Zeist 18-7-1935), zoon van August Kalff en Anna Maria Gerarda Stuart. Kinderen: August (geb. 5-12-1900) Gerrit Adriaan Arnold August (geb. 31-5-1902) Leopold Ernst August (geb. 27-12-1905) Johan Anne Willem August (geb. 28-7-1909) Anna Wilhelmina Victoria Augusta (16-10-1913 - 13-8-1943) 5. Richard (Iki) Middelberg (Amsterdam 25-2-1880 - Campina (Roemenië) 1-10-1917), werktuigkundig ingenieur, ongehuwd. 6. Leopold Roland Middelberg (geb. Amsterdam 30-9-1881) 1894-1899: op het Staatsgymnasium in Pretoria 1899: vecht tijdens Anglo-Boerenoorlog mee aan Zuidafrikaanse zijde, ingedeeld bij het Hollander Corps 1900-1905: studie civielingenieur in Zürich 1906-1907: ingenieur bij de Hollandsche Spoorwegen in Suriname ten behoeve van de aanleg van een spoorweg in het Lawagebied 1908-1910: diverse betrekkingen in Nederland 1911-1930: werkzaam bij de Staats Spoorwegen in Nederlands-Indië, als bureauchef in Batavia en later in Bandoeng 1931-1938: burgemeester van Zoetermeer-Zegwaard 1938: burgemeester van Ede 1941: door de Duitse bezetter als burgemeester ontslagen 1942-1943: gijzelaar in Haren en Michielsgestel 1945: opnieuw in functie als burge¬meester gehuwd op 20-7-1909 te Den Haag met -Catharine Jeanette (Cateau) Idenburg (geb. Soerabaja 23-10-1885), dochter van Alexander Willem Frederik Idenburg (1861-1935) en Maria Elisabeth Duetz (1862-1939). Kinderen: Alexander Willem Frederik (geb. 25-10-1912) Leopoldine Julie (geb. 11-1-1916) Richard Gerrit Adriaan Arnold -Iki- (geb. 9-12-1918) Marie Elisabeth (geb. 28-2-1921) Anna Wilhelmina Rosine (geb. 26-1-1924) Rosine Catherine Martina (geb. 3-10-1926) FAMILIE VERRIJN STUART M. Verrijn Stuart (1829-1910) en A.W. Minne (1823-1900) -Martinus Verrijn Stuart (Amsterdam 28-11-1829 - Baarn 7-8-1910), gehuwd op 19-5-1858 met -Anna Willempje Minne (1823-1900), eerder gehuwd geweest met G.A. Middelberg (1820-1850) Kinderen: Marie (Amsterdam 27-7-1859 - Amsterdam 3-7-1880) Jan (Amsterdam 9-3-1861 - Amsterdam 1-8-1861) Martinus (Amsterdam 22-8-1864 - 6-9-1912), gehuwd op 23-5-1889 te Amsterdam met Elisabeth Sophia van den Berg (geb. Amsterdam 9-9-1866 - 1952) FAMILIES BARKOW/HALLMANN Leopoldine Hallmann (1849-1931), echtgenote van G.A.A. Middelberg, dochter van -Eduard Hallmann (Hannover 10-7-1813 - Berlijn 24-2-1855, arts), gehuwd op 12-11-1847 met -Julie Leopoldine Hyppolite Barkow (Greifswald 3-7-1823 - Bremen 8-8-1894) Kinderen: Leopoldine (1849-1931) Amalie (Mali) Hallmann (geb. 1850) Franz Hallmann (1853-1925) Leopoldine Hallmann had een oudtante, Louise Barkow (1805-1893) geheten, die een nicht was van Richard Hallmann, een broer van haar vader. Leopoldine Hallmann was een kleindochter van: Anton August Hallmann (1783-1848) en Antoinette Lucie Rodatz (1788-1855) en van August Friedrich Barkow (1791-1861) en Christine Caroline Leopoldine Homeyer (1798-1863). Voorts was ze een achterkleindochter van `Urgrossvater' Christian Joachim Friedrich Barkow (1755-1836). FAMILIE IDENBURG -Catharine Jeanette (Cateau) Idenburg (geb. Soerabaja 23-10-1885), doch¬ter van Alexander Willem Frederik Idenburg (1861-1935) en Maria Elisa¬beth Duetz (1862-1939), gehuwd op 20-7-1909 te Den Haag met -Leopold Roland Middelberg (geb. Amsterdam 30-9-1881)
De Algemene SecretarieHet administratief apparaat, dat de gouverneur-generaal terzijde stond en waar alle lijnen van het bestuur bijeen kwamen, was de Algemene Secretarie, die als zodanig vanaf 1816 tot 1950 fungeerde, zij het met een korte onderbreking gedurende de Tweede Wereldoorlog. De Algemene Secretarie, die voordien in Buitenzorg huisde, was na de terugkomst van de Indische regering in oktober 1945 tot haar opheffing in Batavia gevestigd. In de regeringsreglementen vanaf 1818 is nimmer een artikel opgenomen omtrent samenstelling, inrichting en bevoegdheden van de Algemene Secretarie. Slechts door de vermelding van de secretarissen in diverse artikelen werd zijdelings naar het bestaan van een secretarie verwezen. Door de omstandigheid, dat de gouverneur-generaal de volle verantwoordelijkheid voor het beleid in Nederlands-Indië droeg, werd de omvang van de taak van de Algemene Secretarie bepaald door de omvang van de taak van de gouverneur-generaal in de staatsinrichting. Deze constructie zorgde voor een zeer grote centralisatie van het Indisch bestuur. De Algemene Secretarie vormde een afspiegeling van de Indische administratie en ieder besluit van enige importantie kwam pas tot stand na examinatie door de gouvernements-secretarissen en commiezen-redacteurs van de Algemene Secretarie. Hierdoor vormde zich een tussenlaag tussen de departementshoofden en de gouverneur-generaal, die grote invloed kon uitoefenen op het regeringsbeleid. In de na-oorlogse situatie kwam de Raad van Departementshoofden als formeel medewetgevend orgaan dichter bij de gouverneur-generaal te staan, hoewel in de praktijk de groep adviseurs, die Van Mook om zich verenigde, een zeer belangrijke rol ging spelen. Aan het hoofd van de Algemene Secretarie stond de Algemeen Secretaris met onder hem een aantal gouvernements-secretarissen, waarvan er één de functie van Eerste Gouvernementssecretaris had. Vóór 1942 kende de Algemene Secretarie een bureau-indeling, die er als volgt uitzag: Afdeling I :Staatkundige, sociale en juridische zaken. Afdeling II :Financiële en economische zaken, met de onderafdeling volkenbondszaken en internationale aangelegenheden. Afdeling III:Personele zaken. Afdeling IV :Archief, expeditie en bibliotheek. Toen Indië een zelfstandiger positie verkreeg vanwege de bezetting van Nederland, werden in mei 1940 de staatkundige en politieke aangelegenheden ondergebracht bij een nieuw geformeerd Kabinet van de Gouverneur-Generaal. De directeur van dit Kabinet kwam naast de algemeen secretaris te staan. Het Kabinet was niet zozeer een hecht ambtelijk apparaat als wel een "braintrust", die voor haar werkzaamheden kon beschikken over de gehele Algemene Secretarie. In feite vormde de directeur - met de daaraan toegevoegde adviseurs - de politieke afdeling van de Algemene Secretarie en nam hij als zodanig een belangrijk deel van de taak van de algemeen secretaris over. Aldus coördineerde de directeur de politieke arbeid van alle regeringsorganen. In de na-oorlogse periode is uit de administratie van de Algemene Secretarie geen duidelijke bureau-indeling te herkennen. Na 1945 droeg een ieder, die voorhanden was, zijn speciale kennis bij. Het is niet gebleken, dat hieraan een formele administratieve indeling ten grondslag lag. De functie van algemeen secretaris werd in de laatste periode achtereenvolgens vervuld door mr J.E. van Hoogstraten (1944-1945), mr K.F.J. Verboeket (1945-1949) en mr E.O. baron van Boetzelaer (1949). Als eerste gouvernements-secretaris is mr E.O. baron van Boetzelaer vrijwel de gehele periode vanaf 1945 in functie geweest. Directeur van het Kabinet waren dr P.J.A. Idenburg (1940-1942, 1945-1946), mr F.M. baron van Asbeck (ad interim 1946) en dr P.J. Koets (1946-1950). Direct onder de Algemene Secretarie ressorteerden de Regerings Voorlichtings Dienst, het Kantoor Algemene Personele Zaken, het Landsarchief en het Kantoor voor Japanse Zaken, dat in 1945 van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken werd afgesplitst. De Algemene Secretarie handelde na de souvereiniteitsoverdracht de lopende zaken af en werd in juni 1950 opgeheven. Staatkundige en bestuurlijke organisatie van Nederlands-Indië en Indonesië voor en na 1945 1. De centrale regering Nederlands-Indië was krachtens de grondwet een autonoom georganiseerde rechtsgemeenschap, waarbij het hoogste gezag was toegekend aan de Kroon en de Staten-Generaal, die tezamen het opperbestuur en de opperwetgeving uitoefenden. Het opperbestuur omvatte in hoofdzaak: benoeming en ontslag van de gouverneur-generaal; het geven van aanwijzingen en het vragen van verantwoording aan de gouverneur-generaal; het voeren van het buitenlands beleid; het voeren van het oppergezag over de door de Staat aan Nederlands-Indië ter beschikking gestelde militaire macht; het goedkeuren van de door de gouverneur-generaal vastgestelde begroting; het aangaan en garanderen van geldleningen; het uitoefenen van het recht van de munt. De opperwetgeving betrof in hoofdzaak: de staatsinrichting; de grondslagen voor het financieel beheer; de buitenlandse handel en scheepvaart; uitvoering van internationale overeenkomsten; zaken betreffende nationaliteit en staatsburgerschap; defensie in staatsverband; het regelen van conflicten ontstaan tussen de gouverneur-generaal en de Indische regeringsorganen. Het algemeen bestuur werd krachtens de grondwet opgedragen aan de gouverneur-generaal en uitgeoefend in samenwerking met de Raad van Nederlands-Indië en de Volksraad en de overige Indische Staatsorganen. Dit algemeen bestuur omvatte de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht. De Indische Staatsregeling kende aan de gouverneur-generaal een aantal bevoegdheden toe waarvan de belangrijkste zijn: het vaststellen van ordonnanties (verordeningen betreffende inwendige aangelegenheden, die niet aan de opperwetgever zijn voorbehouden) met medewerking van de Volksraad; het vaststellen van regeringsverordeningen (uitvoeringsvoorschriften op grond van staatswetgeving en ordonnanties); het uitvoeren van wettelijke bepalingen; het bijeenroepen en het verstrekken van inlichtingen aan de Volksraad; het vaststellen van begrotingen en de begrotingsgoedkeuring, met medewerking van de Volksraad en onder nadere goedkeuring van de opperwetgever; het benoemen en het ontslaan van ambtenaren, voor zoverre niet gedelegeerd aan lagere organen; het voeren van het opperbevel over de in Nederlands-Indië aanwezige land- en zeemacht. De gouverneur-generaal werd bij het uitvoeren van deze taak terzijde gestaan door de Raad van Nederlands-Indië. Deze Raad, bestaande uit een vice-president en vier tot zes leden, gaf hem advies over alle zaken, die hij, daartoe al dan niet door de wet verplicht, ter beoordeling voorlegde. Bij enkele bestuurshandelingen (externering, internering, dispensatie van regeringsverordeningen, administratief-rechtelijke beslissingen etc.) schreef de wet voor, dat de landvoogd de adviezen van de Raad moest inwinnen. Overigens stond de gouverneur-generaal geheel vrij tegenover de uitgebrachte adviezen. De Raad had het recht ook ongevraagd adviezen uit te brengen. Bij afwezigheid van de landvoogd nam de vice-president van de Raad diens taken waar. Na de oorlog werd dit ambtelijk college niet meer hersteld. Daarnaast stond hem terzijde een Raad van Departementshoofden bestaande uit de hoofden van acht Departementen van Algemeen Bestuur, waarin alle belangen, die door de gouverneur-generaal verzorgd werden, waren gegroepeerd. De twee militaire departementen stonden onder leiding van de door de Kroon benoemde legercommandant en de commandant zeemacht. De zes burgerlijke departementshoofden, directeuren genoemd, werden benoemd en ontslagen door de gouverneur-generaal en waren aan hem ondergeschikt. De instelling van de departementen en de instructies voor de directeuren werden door de gouverneur-generaal vastgesteld. De Raad van Departementshoofden kwam voor de oorlog slechts bijeen, als adviezen aan de regering moesten worden uitgebracht, die alle departementen betroffen, zoals het algemene begrotings- en personeelsbeleid. De Raad heeft pas na de oorlog als een permanent college en medewetgevend orgaan een meer organieke taak verkregen in het oorlogs-noodstaatsrecht. Het algemeen bestuur over Nederlands-Indië werd na 1942 uitgeoefend door dr H.J. van Mook, eerst als minister van Koloniën, later als luitenant gouverneur-generaal. Hij werd aanvankelijk in zijn taak bijgestaan door de Raad van Bijstand voor Nederlandsch-Indische Zaken, waarin zitting hadden mr N.S. Blom, mr D. Crena de Iongh, Raden Loekman Djajadiningrat, prof.mr J. Eggens en mr J.E. van Hoogstraten. Ook Raden Soejono is, zij het korte tijd, lid van de Raad geweest. De Raad zetelde in Londen, maar verloor haar betekenis naarmate haar leden meer en meer verspreid raakten over Australië en Amerika. Alleen Eggens bleef tenslotte in Londen achter. In Australië was het beheer over de Indische aangelegenheden door Van Mook vanaf april 1942 toevertrouwd aan de Nederlandsch-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland en vormde daar een soort romp-regering met als bevoegdheden alle taken behalve militaire en buitenlandse aangelegenheden. De Commissie stond onder leiding van Ch.O. van der Plas en had als leden mr J.E. van Hoogstraten, Raden Loekman Djajadiningrat en dr R.E. Smits. Haar zetel was in Melbourne, waar het hoofdkwartier van generaal MacArthur zich toen bevond. Omdat het samengaan van het Indisch bestuur met de Nederlandse regering in de persoon van Van Mook op den duur ongewenst was, werden in 1944 op zijn voorstel een tweetal besluiten genomen, gepubliceerd in de staatsbladen nrs. D 65 en D 66 van dat jaar, bestemd om in werking te treden, zodra er weer van een feitelijk bestuur in Indië zou kunnen worden gesproken. Stb. D65 is op 14 september 1944 van kracht geworden, de datum waarop Van Mook tijdelijk werd belast met de functie van luitenant gouverneur-generaal. Alle bevoegdheden met betrekking tot het algemeen bestuur, gedurende de oorlog uitgeoefend door de minister van Koloniën, gingen over naar de luitenant gouverneur-generaal. Dit werd definitief na Van Mooks aftreden als minister van Koloniën op 23 februari 1945. Inmiddels was in juli 1944 de Nederlandsch-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland door Van Mook opgeheven. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de eerdergenoemde wetsbesluiten kwam hij kort daarop tot de vorming van de volgende departementen: Justitie, Binnenlands Bestuur, Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Onderwijs en Eredienst, Financiën en Oorlog. De zetel van de regering werd overgebracht naar Camp Columbia nabij Brisbane, waarheen ook het hoofdkwartier van generaal MacArthur was verplaatst. Ook na de terugkeer van de Indische regering naar Batavia bleef de constructie behouden zoals die was vastgelegd bij het Staatsblad D 65 van 1944. Tot de heroprichting van de Raad voor Nederlands-Indië en van de Volksraad is het niet meer gekomen. De Raad van Departementshoofden trad in de plaats van deze colleges in die gevallen, waar de Indische Staatsregeling bij de besluitvorming hun raadpleging vorderde. Hoewel aan de grondwettelijke status van de Indische regering na 1945 aanvankelijk niets is veranderd, werd reeds in 1942 in de 7 december rede van de Koningin een nieuwe rechtsorde in het vooruitzicht gesteld, welk beginsel in een in 1946 uitgegeven regeringsverklaring nader werd toegelicht. Hieruit ontwikkelde zich in de loop van 1946 een conceptie, waarbij Nederlands-Indië zou moeten worden veranderd in een souvereine staat op federatieve grondslag, die in een Unie met Nederland verenigd zou zijn. De naoorlogse jaren stonden dan ook in het teken van intensief politiek overleg met representatieve figuren uit de Indonesische samenleving, zowel afkomstig uit republikeinse als uit door Nederlandse troepen bezette gebieden, welk overleg vaak de aanzet gaf tot ingrijpende staatkundige hervormingen. Er werden nieuwe staten, negara's, gevormd en autonome gebieden, daerah's, buiten het gebied van de Republik Indonesia, gegrond op het zelfbeschikkingsrecht en gevoed door politieke overwegingen. Deze staten en autonome ressorten eisten vanzelfsprekend meer invloed op het beleid van de centrale regering en als eerste stap hiertoe werd op 9 maart 1948 een Voorlopige Federale Regering (VFR) ingesteld, die de rol moest vervullen van interim-regering tot het moment waarop de Verenigde Staten van Indonesië (VSI) door alle deelstaten, inclusief de Republiek, zou zijn gevormd. Deze interim-regering bestond uit de luitenant gouverneur-generaal, elf staatssecretarissen-hoofden van Departementen van Algemeen Bestuur, twee staatssecretarissen met een bijzondere taak (Binnenlandse Veiligheid en Zelfbestuurszaken), de Legercommandant en de Commandant Zeemacht. Een derde nog te vormen staatssecretariaat, dat van Buitenlandse Zaken, werd waargenomen door de staatssecretaris voor Opvoeding, Kunsten en Wetenschappen. In afwachting van een politieke overeenkomst met de Republiek, waardoor deelname van die zijde aan de interim-regering mogelijk zou worden, werden aanvankelijk acht plaatsen in de interim-regering vervuld door Nederlandse functionarissen. Zeven plaatsen werden vervuld door Indonesiërs, die bij de federale staatsopbouw een belangrijke rol hadden vervuld. Aan de ene kant trad de VFR in de plaats van de Raad van Departementshoofden en werd als zodanig ordonnantiewetgever. Formeel kon de VFR, in afwachting van de grondwetsherziening, over geen grotere bevoegdheden beschikken dan de Raad van Departementshoofden (nog steeds hun officiële benaming) bezeten had. Er werd alleen collegialiteit in de praktijk van het bestuur gebracht. Het ontwerp voor een definitieve regeling werd al spoedig in de VFR behandeld en naar Den Haag gezonden. De vorming van een centrale volksvertegenwoordiging, waarbij alle bevolkingsgroepen in de federatie zouden worden betrokken, zou tenslotte het sluitstuk zijn van de democratische staatsopbouw. Vervolgens vond in Bandung in mei 1948 de opening van de Federale Conferentie plaats, die tot taak had de toekomstige staatsstructuur van de Verenigde Staten van Indonesië te ontwerpen. Kort daarop kwam in dezelfde plaats de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (BFO) bijeen, een vergadering van de staatshoofden en regeringsleiders van de federale gebieden. Hun bedoeling was een bijdrage te leveren voor het vinden van een regeringsvorm voor de overgangsperiode vóór de souvereine VSI zouden zijn tot stand gekomen. Dit overleg resulteerde in de zg. Bandungse resolutie. Op basis hiervan en van het VFR-ontwerp werden in augustus en september 1948 door de BFO in Den Haag besprekingen gevoerd met de Nederlandse regering. Dit "Haags overleg" resulteerde vervolgens in het Besluit Bewindvoering in Indonesië in Overgangstijd (BIO-besluit). Mogelijkheden om deze nieuwe rechtsorde in te voeren waren in september al voorbereid door toevoeging van een nieuw hoofdstuk aan de Nederlandse grondwet. Intussen had in oktober 1948 luitenant gouverneur-generaal Van Mook zijn ontslag ingediend. Hij werd opgevolgd door dr L.J.M. Beel met de titel Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon (HVK). Deze titel liep vooruit op de ontwikkeling naar een Nederlands-Indonesische Unie. Tot een uitvoering van het BIO-besluit is het nooit gekomen, omdat geen overeenstemming met de republiek gevonden kon worden over hun inpassing in het federale bestel. Dit zou de directe aanleiding vormen voor de tweede politionele actie, die in december 1948 werd ingezet. Na tussenkomst van de Veiligheidsraad werden in maart 1949 onder auspiciën van de United Nations Commission for Indonesia (UNCI) in Batavia besprekingen gehouden tussen Nederland en de republiek, die tot het Van Roijen-Roem Akkoord leidden (7 mei) en gevolgd werd door een gemeenschappelijk memorandum over het tijdstip en de voorwaarden van een te houden Ronde Tafel Conferentie (RTC). HVK Beel, die zich niet met dit beleid kon verenigen, diende op 9 mei 1949 zijn ontslag in en werd opgevolgd door dr A.H.J. Lovink. Na de terugkeer van de republikeinse regering in Djokjakarta en het staken van de vijandigheden kon de RTC op 23 augustus 1949 een aanvang nemen. Begin augustus werd in Djokja en Batavia nog de Inter-Indonesische Conferentie tussen republikeinen en federalisten gehouden ter bespreking van de interne staatkundige structuur en de te volgen procedures bij de RTC. De RTC, die op 2 november 1949 beëindigd werd, resulteerde in het charter van souvereiniteitsoverdracht en het uniestatuut, waarin de Nederlands-Indonesische Unie geregeld werd. In een aantal bijbehorende overeenkomsten werd de overdracht van de diverse landsbelangen geregeld. De formele overdracht van de souvereiniteit vond op 27 december 1949 plaats. 2.De deelstaten Op 16 juli 1946 kwamen in Malino de afgevaardigden bijeen van alle gebieden van Nederlands-Indië, waar de Indische regering weer de verantwoordelijkheid voor het bestuur had gekregen. De conferentie sprak zich uit voor het beginsel van een Verenigde Staten van Indonesië, in samenwerking met Nederland. In de in 1946 met de Republik Indonesia gesloten overeenkomst van Linggardjati werd afgesproken, dat dat samenwerkingsverband de Nederlands-Indonesische Unie zou zijn. Over de opzet van de Unie bleef verschil met de Republiek. Inmiddels werd, in overleg met de overige gebieden de opbouw van de federatie ter hand genomen. De staten, negara's, kregen eigen regeringen waarbinnen decentralisatie van bestuur werd toegepast door de vorming van autonome ressorten, daerah's. Hierbij werd, waar mogelijk, rekening gehouden met de wensen van de economisch, etnisch dan wel cultureel bijeenhorende volksgroepen. Overigens werd de politieke opportuniteit hierbij niet uit het oog verloren. Men greep vaak terug op de vooroorlogse indeling in provincies en gouvernementen, op de Zelfbestuursregeling 1938 en op de destijds ingevoerde decentralisatiepolitiek. In diverse conferenties (Pangkal Pinang, Denpasar) en in de met de Republiek gesloten akkoorden (Linggardjati, Renville), werd dit beginsel vastgelegd. Alles bleef echter provisioneel in afwachting van een definitieve regeling. In de deelstaten, waaraan op grond van de bevoegdheidsregeling bestuurlijke taken, die voordien door de centrale overheid werden uitgeoefend, waren overgedragen, werd een Nederlandse functionaris als vertegenwoordiger van de Luitenant Gouverneur-Generaal (Lt-GG), later de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon (HVK), aangesteld met de titel van Commissaris van de Kroon. In 1949 werd de naam gewijzigd in Gedelegeerde van de HVK. Hij had als taak de belangen van de minderheden te beschermen, steun te verlenen bij de bestuurlijke opbouw en ambtenaren van het land ter beschikking te stellen van het negarabestuur. In de periode 1946-1949 kwamen de volgende deelgebieden tot stand: OOST-INDONESIE Indonesia Timur 24-12-1946 JAVA Federaal District Batavia en Ommelanden 11-08-1948 Pasundan 24-04-1948 Djawa Tengah 02-03-1949 Djawa Timur 26-11-1948 MADURA Madura 20-02-1948 SUMATRA Sumatera Selatan 30-08-1948 Sumatera Timur 25-12-1947 Bangka 12-07-1947 Billiton 12-07-1947 Riouw 12-07-1947 BORNEO Kalimantan Barat 12-05-1947 Kalimantan Timur 12-05-1947 Kalimantan Tenggara 27-03-1947 Dajak Besar 07-12-1946 Bandjar 14-01-1948 Kota Waringin 18-01-1948 Oost-Indonesië Als resultaat van de Denpasar Conferentie is de negara Indonesia Timur als eerste deelstaat van de toekomstige VSI op 24 december 1946 tot stand gekomen. Daarbij werd een voorlopige bevoegdheidsafbakening tussen de centrale overheid en Oost-Indonesië vastgesteld, die in de daarop volgende maanden uitgewerkt werd in de overdracht van de tot dan toe centraal uitgeoefende bevoegdheden. De staat bestuurde zichzelf met behulp van een democratisch parlementair stelsel en oefende daarbij alle overheidsbevoegdheden uit met uitzondering van die, welke in verband met het centrale karakter aan de centrale federale regering waren voorbehouden. In Denpasar werd direct voorzien in een volksvertegenwoordiging door de gezamenlijke afgevaardigden aan te wijzen als Voorlopig Vertegenwoordigend Lichaam. Dit voorlopig parlement koos een president van de staat, de Balinees Tjokorde Gde Rake Sukawati, en een parlementsvoorzitter. De president benoemde de kabinets-formateur, die een kabinet van negen ministers bij de president voordroeg. De wetgevende macht berustte bij regering en parlement, de uitvoerende macht bij de aan de volksvertegenwoordiging verantwoordelijke ministers. Volgens de Denpasar-regeling bestond de deelstaat uit 13 autonome daerah's, die onder te verdelen zijn in twee typen wat hun bestuursorganen betreft. Ten eerste waren er daerah's, die bestuurd werden door een gekozen raad. Die raad wees uit zijn midden een college aan, dat belast was met het dagelijks bestuur, terwijl het uitvoering gaf aan de regelingen en besluiten, die de Raad vaststelde. Het betrof hier in het algemeen de vroegere zg. rechtstreeks bestuurde gebieden zoals de Minahassa en de Zuid-Molukken. Het andere type, meer aansluitend op de structuur van de zelfbesturen, trof men o.a. aan op Bali en in Zuid-Celebes. Er bestonden daar twee regeerorganen naast elkaar: een met de uitvoerende macht beklede Raad van Zelfbestuurders en een door middel van verkiezingen tot stand gekomen en met medewetgevende bevoegdheid beklede Vertegenwoordigende Raad. Het staatsbestel van Oost-Indonesië zag er dus als volgt uit: aan de top de departementen en de volksvertegenwoordiging in Makassar, verantwoordelijk voor de gang van zaken in de gehele negara. Hier direct onder het niveau van de daerah's, veelal een federatie van zelfbesturende landschappen. De daerahbesturen waren naast hun autonome regeertaak in hun regionaal gebied tevens belast met de uitvoering van de negarawetten en -verordeningen. Deze taakverhouding werd in beginsel vastgelegd in een op 12 mei 1948 in Malino gehouden conferentie, terwijl tevens op negaraniveau een Senaat van Zelfbestuurders werd ingesteld. Een Commissaris van de Kroon waakte voor de nakoming van de staatsverplichtingen, verleende raad en steun bij de staatsorganisatie en stelde ambtenaren van het land ter beschikking van de negara. Voorlopig Federaal District Batavia Om diverse redenen werd het noodzakelijk geacht in de toekomst aan de hoofdstad van de VSI een bijzondere status te verlenen. Bij besluit van de Lt-GG werd aldus bepaald, dat het overheidsgezag van de Negara Pasundan zich voorshands niet uitstrekte tot het gebied van Batavia en Ommelanden. In november 1948 werd de kort tevoren afgetreden Regeringscommissaris voor Bestuursaangelegenheden (RECOMBA) van West-Java, Raden Hilman Djajadiningrat, benoemd tot gouverneur van dit gebied. Pasundan De Negara Pasundan werd op 26 februari 1948 door de regering erkend. Aan deze erkenning waren drie West-Java Conferenties vooraf gegaan. De hierna samengestelde Voorlopige Volksvertegenwoordiging kreeg de taak een staatregeling samen te stellen en een voorlopige regering in te stellen. Door de volksvertegenwoordiging werd een staatsregeling volgens West-Europees systeem vastgesteld, waarna de republikein R.A.A. Wiranatakoesoemah tot wali negara werd gekozen. Hierna volgde de definitieve erkenning van de negara op 24 april. De staatsregeling werd door de centrale regering goedgekeurd, waarna de landstaken volgens de bevoegdheidsregeling aan de nieuw gevormde negara werden overgedragen. Hierdoor kwam er een einde aan de taak van de RECOMBA West-Java, die vervangen werd door een Commissaris van de Kroon per 3 november 1948. Djawa Tengah Op 23 februari werd een Vertegenwoordigende Raad ingesteld in het RECOMBA-gebied van Midden-Java (sinds augustus 1947 onder Nederlandse controle). De Raad bestond uit 81 leden afkomstig uit de geledingen van de bevolking: 71 Indonesiërs, 5 Chinezen, 4 Nederlanders en 1 Arabier. Vijftig Indonesiërs vertegenwoordigden de plattelandsdistrikten, 21 vertegenwoordigden de steden. Uit de Raad werd een dagelijks bestuur gekozen plus een voorzitter. Gezien de staatkundige ontwikkelingen in Midden-Java wenste men zich niet vast te leggen over de kwestie van de status van het gebied (negara of daerah istimewa) en ook de staatsrechtelijke positie van de Vertegenwoordigende Raad werd niet bepaald. Het RECOMBA-gebied werd beschouwd als een staatkundige eenheid, waarvan de status nader zou worden bepaald. De Raad droeg de naam van Dewan Perwakilan Rakjat Djawa Tengah Sementara, met de nadruk op het voorlopige karakter ervan, en had tot taak zich te oriënteren op de bestuursvoering en deel te nemen aan de besprekingen over de vorming van de VSI. Djawa Timur Na de wederinstelling in 1948 van de 12 regentschappen in Oost-Java werden verkiezingen gehouden voor de vertegenwoordigende colleges van deze regentschappen. De twaalf regentschapsraden en de twee stadsgemeentebesturen (Surabaja en Malang) werden daarna aangewezen als kiescolleges voor de verkiezing van 65 afgevaardigden naar de Djawa Timur Conferentie, die op 16 november 1948 in Bondowoso aanving. Tien afgevaardigden waren aangewezen als vertegenwoordigers van de minderheidsgroeperingen. De conferentie sprak zich uit voor de status van negara en werd erkend als Voorlopig Vertegenwoordigend Lichaam (VVL). Op 26 november 1948 werd de Negara Djawa Timur officieel erkend. De regent van Banjuwangi, Raden Achmad Koesoemonegoro werd gekozen als wali negara. Het VVL stelde een staatsregeling samen, die in september 1949 werd goedgekeurd, waarna de landstaken overgedragen werden aan de negara. Madura In januari 1948 werd op initiatief van een op Madura werkend comité een volksstemming gehouden, waarbij de meerderheid zich uitsprak voor de negarastatus van Madura. Dit werd bewilligd bij besluit van de Lt-GG van 20 februari 1948. Als staatshoofd werd R.A.A. Tjakraningrat benoemd en een voorlopige raad, die de voorbereiding van de staatkundige organisatie tot taak kreeg, werd ingesteld. De raad bestond uit 50 leden, waarvan 40 gekozen en 10 benoemde leden. In augustus 1949 werd de regeling voor de staatkundige organisatie en de bevoegdheden door de centrale regering goedgekeurd en kort daarop werd begonnen met de overdracht van landstaken aan het negarabestuur. Sumatera Selatan Door de RECOMBA werd in april 1948 een Adviesraad ingesteld bestaande uit 37 leden, waarvan 22 gekozen en 15 door hem benoemde leden. Op voorstel van de Adviesraad werd de negara Sumatera Selatan op 30 augustus door de regering erkend. De Adviesraad werd tevens erkend als volksvertegenwoordiging en koos Abdul Malik tot wali negara. Op 18 december daaraanvolgend werd de bevoegdheidsregeling en de staatsregeling, die door de Volksvertegenwoordiging was opgesteld, goedgekeurd. Begin 1949 werd begonnen met de overdracht van de landsbevoegdheden aan de staat. Sumatera Timur Op voordracht van een plaatselijk comité, dat na de politionele actie ontstaan was, gaf de regering in oktober 1947 zijn goedkeuring aan de vorming van een staatkundige eenheid in het noorden van Sumatra. Dit werd op 25 december 1947 bekrachtigd. Het voorbereidingscomité met vertegenwoordigers van de minderheden werd aangemerkt als de voorlopige volksvertegenwoordiging. De opgestelde staatsregeling werd op 16 februari 1948 geaccordeerd, waarbij tevens de bevoegdheidsregeling op voorlopige voet werd geregeld. Tot staatshoofd werd dr T. Mansoer gekozen. In de structuur van de staat is scheiding van de wetgevende en de uitvoerende macht ver doorgevoerd. Bij de Vertegenwoordigende Raad berustte de wetgevende - en bij de wali negara de uitvoerende macht. De wali negara werd voor 5 jaar benoemd en kon door de Raad niet tot tussentijds aftreden gedwongen worden. Hij oefende het algemeen bestuur uit, stelde door de Raad goedgekeurde wetten vast en voerde de begroting uit. Alle ambtenaren stonden onder zijn bevel en bij hem berustte de opperleiding over het Veiligheidscorps, een semi-militair apparaat. Hij werd in zijn beleid bijgestaan door een Kabinet van 5 leden, die als hoge ambtelijke adviseurs fungeerden. De hoofden van de 7 departementen van algemeen bestuur waren rechtstreeks verantwoordelijk aan de wali negara. Een Commissaris van de Kroon, aangesteld vanwege de regering, waakte voor de rechten van de minderheden en verleende steun bij de staatkundige opbouw, de wetgeving en het bestuur. Vanaf februari 1948 werden de in de bevoegdheidsregeling opgenoemde landstaken aan de deelstaat overgedragen. Voorlopig werden de taken van de bestuursorganen van de in de negara gelegen zelfbesturende landschappen, die door de republiek waren uitgeschakeld, waargenomen door de Staat in afwachting van een definitieve regeling na verkiezingen. Het gezag van de negara Sumatera Timur werd in januari 1949 uitgebreid tot Zuid-Asahan en Labuan Batu. Bangka, Billiton en Riouw In deze op 12 juli 1947 ingestelde autonome gebiedsdelen, vonden in 1948 verkiezingen plaats voor de met overheidsgezag beklede vertegenwoordigende raden, resp. de Bangka-, Billiton- en Riouwraad. Besloten werd door de raden een federatie aan te gaan, met behoud van de zelfstandigheid voor interne aangelegenheden. Het Federatief College werd in juli 1948 in Tandjong Pinang geïnstalleerd. Kalimantan Barat Bij de totstandkoming van het West-Borneo Statuut op 12 mei 1947 werd uit de 15 zelfbesturende landschappen de Daerah Istimewa Kalimantan Barat gevormd. De speciale status ("istimewa") verwees naar het recht direct deel te mogen nemen aan de beraadslagingen over de vorming van de VSI, zolang de Negara Kalimantan niet tot stand zou zijn gekomen. Op 15 maart 1948 vonden verkiezingen plaats voor 22 leden van de West-Borneoraad. Deze raad, waarbij de hoogste macht berustte, bestond in totaal uit 40 leden, waarvan 22 gekozen, 15 aangewezen door de zelfbesturen en 3 leden, die door de Kepala Daerah werden benoemd. Op 12 mei 1948 werd Sultan Hamid II tot kepala daerah gekozen tijdens de eerste zitting van de West-Borneoraad. Een door de Raad uit zijn midden gekozen bestuurscollege was onder voorzitterschap van de kepala daerah, onder nadere goedkeuring van de raad, belast met de uitvoerende macht, het dagelijks beleid en de voorbereiding van de wetgeving. Na de vorming van diverse daerah's op Borneo kwamen in januari 1948 een aantal vertegenwoordigers van de deelgebieden in Samarinda bijeen, waar men zich uitsprak voor de vorming van een Negara Kalimantan. Een ingestelde studiecommissie kwam in juli 1948 met een ontwerp-staatsregeling gereed, die weliswaar in diverse daerahraden werd besproken, maar door tijdsomstandigheden niet heeft geleid tot een tweede Borneo Conferentie. Kalimantan Timur Deze daerah werd op 12 mei 1947 gevormd als een federatie van 1 neo-zelfbesturend en 4 van oorsprong zelfbesturende landschappen. Elk van deze landschappen beschikte over een eigen gekozen vertegenwoordigende raad, die op hun beurt getrapt de leden kozen van de Oost-Borneoraad als vertegenwoordigend college. De federatie was uitgerust met een Raad van Zelfbestuurders, waarin de 4 vorsten en de voorzitter van het neo-zelfbesturende landschap zitting hadden. Deze Raad en de Oost-Borneoraad werkten samen bij de wetgeving. De uitvoerende macht was onder oppertoezicht van de Raad van Zelfbestuurders in handen gelegd van een uit 6 personen bestaand Bestuurscollege, waarvoor beide Raden elk drie leden voordroegen. Kalimantan Tenggara In deze daerah, die in maart 1947 tot stand kwam als een federatie van drie neo-zelfbesturende landschappen, vonden in april 1948 verkiezingen plaats voor de drie vertegenwoordigende raden van de landschappen, die op hun beurt getrapt de leden van de Borneo Tenggararaad aanwezen. Dajak Besar Bij besluit van de Lt-GG werd op 7 december 1946 de Daerah Dajak Besar gevormd onder het gezag van de Groot Dajak Raad. Aanvankelijk bestond de raad uit benoemde leden, maar werd in december 1948 vervangen door een gekozen raad. Bandjar Na een aanvankelijke weigering mee te werken aan de federale opbouw kwam de Daerah Bandjar pas op 14 januari 1948 tot stand. Bestuurlijk stelde men prijs op een raad bestaande uit grotendeels gekozen leden. Na verkiezingen voor 37 van de 45 leden, werd de Bandjarraad op 3 juli 1948 geïnstalleerd. Kota Waringin Op 18 januari 1948 werd door de zelfbestuurder een medewetgevende vertegenwoordigende raad ingesteld van 12 leden, waarvan 10 gekozen leden. 3. Departementen en Diensten a. Departementen van Algemeen Bestuur Bij de heroprichting van de departementen van Algemeen Bestuur werd uitgegaan van het Koninklijk Besluit van 13 oktober 1924 nr. 48 (Ind.Stb.no. 576) waarbij de werkkring van de departementen vastgesteld werd en van de sindsdien ingevoerde samenvoegingen en wijzigingen. Op grond daarvan werden in 1944, aanvankelijk informeel, de volgende departementen gecreëerd: Justitie; Financiën; Binnenlands Bestuur; Onderwijs en Eredienst; Economische Zaken; Verkeer en Waterstaat; Oorlog. Bij de in werkingtreding op 16 september 1944 -de dag waarop de Luitenant Gouverneur-Generaal zijn taak aanving van de bepalingen van Staatsblad D 65 van 1943, werd zowel deze heroprichting als de benoeming door Van Mook op 12 april 1944 van de zeven departementshoofden, geformaliseerd. Overigens had de eerste vergadering van de nieuwe Raad van Departementshoofden reeds op 23 mei 1944 in Melbourne plaatsgevonden. Bij Indisch Besluit van 4 september 1946 no. 3 werd de functie van Directeur-Generaal voor Algemene Zaken geschapen. Deze trad op als vice-voorzitter van de Raad van Departementshoofden en plaatsvervanger van de gouverneur-generaal. (Deze functie werd bekleed door Abdoelkadir Widjojoatmodjo. In 1948 werd zijn titel eveneens gewijzigd in "secretaris van staat". Na zijn ontslag in november 1948 werd de functie opgeheven.) De werkkring van twee departementen is in de periode 1944-1948 gewijzigd, mede tengevolge van de oprichting van een nieuw departement van Sociale Zaken bij Indisch Staatsblad 131 van 1946: Departement van Justitie: hierbij werd bij Ind.Stb. 1946 no. 113 de Dienst Sociale Zaken opgericht, welke dienst reeds bij Ind.Stb. 1946 no. 131 werd overgebracht naar het nieuw opgerichte Departement van Sociale Zaken. Departement van Financiën: het Kantoor voor Algemene Personele Zaken werd ingevolge Ind.Stb. 1946 no. 131 overgebracht naar het bij dat besluit nieuw opgerichte Departement van Sociale Zaken. Bij de oprichting van de Voorlopige Federale Regering in maart 1948 kwam men ingevolge Ind.Stb. no. 63 tot een nieuwe indeling van de departementen van algemeen burgerlijk bestuur. Bij genoemd besluit werden de volgende departementen opgericht of heropgericht en hun werkkringen vastgesteld: Justitie Financiën Binnenlandse Zaken Gezondheid Opvoeding, Kunsten en Wetenschappen Economische Zaken Landbouw en Visserij Waterstaat en Wederopbouw Verkeer, Energie en Mijnwezen Sociale Zaken Scheepvaart Als lid van de voorlopige federale regering kregen de departementshoofden de titel "secretaris van staat" Tevens werden de volgende staatssecretariaten ingesteld, die vanwege de politieke ontwikkelingen evenwel niet van de grond zijn gekomen: Secretaris van Staat voor Binnenlandse Veiligheid, belast met de coördinatie van de politie en de voorbereiding van de vorming van een Departement van Defensie. Secretaris van Staat voor Zelfbestuurszaken. Secretaris van Staat, belast met de voorbereiding van de vorming van een Departement van Buitenlandse Zaken. b. Diensten en Kantoren Dienst voor Algemene Personele Zaken Bij Indisch Besluit van 20 februari 1946 nr. 10 werd bij het Departement van Financiën ingesteld een Kantoor voor Algemene Personele Zaken. Ingevolge Indisch Staatsblad van 1946 nr. 131 werd dit Kantoor geplaatst onder het nieuw opgerichte Departement van Sociale Zaken. Ingevolge Indisch Staatsblad nr. 113 van 1948 werd het een zelfstandige dienst, rechtstreeks ressorterende onder de Luitenant Gouverneur-Generaal. Kantoor voor Japanse Zaken Al vanaf 1922 bestond er een Kantoor voor Japanse Zaken, dat tot taak had de Nederlands-Indische regering te adviseren omtrent alle aangelegenheden met betrekking tot Japan en in de archipel verblijvende Japanners. In 1932 werd het kantoor ondergebracht bij de Dienst der Chineesche Zaken en Oost-Aziatische Aangelegenheden, waarvan de naam in 1935 werd gewijzigd in Dienst der Oost-Aziatische Zaken (DOAZ). Gedurende het verblijf van de Nederlands-Indische regering in Australië fungeerde W.H. de Roos als "advisor of Japanese Affairs". Bij besluit van Lt-GG Van Mook van 20 juni 1945 no. 3 (Ind.Stb. 1945 no. 109) werd het Kantoor voor Japanse Zaken afgesplitst van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken (dat viel onder het Departement van Binnenlands Bestuur) en kwam direct te ressorteren onder de Algemene Secretarie. De Roos werd als hoofd van dit kantoor aangesteld, in 1946 zou hij opgevolgd worden door G.H. de Heer. De taak omvatte het dienen van advies en het verstrekken van inlichtingen aan de regering en aan rechterlijke en administratieve instanties inzake aangelegenheden, die verband hielden met de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en met maatregelen te nemen ten opzichte van Japan en Japanse onderdanen. Met name waren de werkzaamheden gericht op de vervolging van de Japanse oorlogsmisdadigers, waartoe veelal werd samengewerkt met de Procureur-Generaal, het Regeringsbureau tot Nasporing van Oorlogsmisdaden, de auditeurs-militair en de presidenten van de Temporaire Krijgsraden. Hiertoe werden zelfs Japanse tolken aangehouden, die belast werden met de vertaling van de tenlasteleggingen en verdere in het Japans gestelde of te stellen stukken. Regerings Voorlichtings Dienst Vrijwel direct na de samenstelling van de Nederlandsch-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland in april 1942 werd de Netherlands-Indies Government Information Service (NIGIS) opgericht. (In het vooroorlogse Indië werd de voorlichting verzorgd door de Regerings Publiciteitsdienst.) Volgens haar instructie was de Commissie belast met de organisatie en de leiding van een Nederlands-Indische Informatiedienst, zulks in samenwerking met de in Australië verblijvende onderdelen van de Marine en het KNIL. Aanvankelijk werd de dienst door Van Mook onder de bevelen van Loekman Djajadiningrat gesteld, doch vrij spoedig nadat de organisatie vorm had gekregen kwam de dienst onder de bevelen te staan van H.V. Quispel ( Luitenant-ter-zee 1e klasse H.V. Quispel was het voormalig hoofd van de Indische Marine Voorlichtingsdienst.), die hiertoe vanuit Ceylon werd uitgezonden naar Melbourne. Ch.O. van der Plas, vanaf december 1942 fungerend als voorzitter van de Nederlandsch-Indische Commissie, legde grote interesse voor het publicitaire aspect aan de dag. De richtlijnen voor de NIGIS werden in 1943 door Van der Plas geformuleerd, die qualitate qua lid was van het geallieerde voorlichtingsorgaan, de Allied Political Warfare Committee. De taak van de NIGIS bestond uit het verzorgen van de algemene informatievoorziening aan publiek en pers, de interne berichtgeving aan de Nederlandsch-Indische Commissie en het voeren van propaganda. Men beschikte over een persafdeling en een afdeling, die het tijdschrift "Oranje" uitgaf. Een belangrijke taak was weggelegd voor de Monitoring Service, de luisterdienst van de NIGIS (Deze dienst was aanvankelijk in Melbourne gevestigd. Een goede ontvangst van de Japanse zenders in Bandung bleek van hieruit echter niet mogelijk, zodat later in overleg met de Australiërs werd besloten de dienst in het aan de westkust gelegen Broome te vestigen.), die de radioberichten van de Japanse bezetter omwerkte tot "monitoring reports". Een andere afdeling verzorgde de anti-Japanse radioprogramma's gericht op Indië (Tevens vonden er radio-uitzendingen op Indië plaats vanuit San Francisco, die onder controle stonden van het Amerikaanse Office of War Information.) en was verantwoordelijk voor het ontwerp van de pamfletten, die boven bezet gebied werden uitgeworpen. De ex-Digoelist Boerhanoeddin werd benoemd tot hoofd van de Indonesische afdeling, belast met de redactie van het in Australië uitgegeven blad "Penjoeloeh" (De Fakkel). Een foto- en filmafdeling tenslotte, opgericht in juli 1944, werd belast met de visuele voorlichting. De eerste NIGIS-medewerkers, die het na-oorlogse Indië betraden waren de public relations officers, verbonden aan de NICA-detachementen. Na de terugkeer in oktober 1945 van de Indische regering in Batavia werd de naam van de NIGIS gewijzigd in Regerings Voorlichtings Dienst (RVD) (De Regerings Voorlichtings Dienst in Den Haag, afdeling Indië en de afdeling Publiek Contact van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen verzorgden de voorlichting hier te lande.), die direct onder de luitenant gouverneur-generaal ressorteerde. De RVD kwam onder de leiding van prof. dr K. Posthumus en had haar hoofdkantoor in Batavia en voorlichtingskantoren in Semarang ( Na de tweede politionele actie werden (onder)kantoren opgericht in Djokjakarta, Surakarta en Magelang.), Surabaja en Makassar ( Dit kantoor ging na de oprichting van de deelstaat Oost-Indonesië op in het Ministerie van Voorlichting.). In april 1946 werd de RVD, nu onder de leiding van J. Ozinga ( Het Hoofd RVD was tevens waarnemend directeur van de ROIO (Radio Omroep in Overgangstijd) en toezichthouder op het Gouvernements Film Bedrijf en de Regerings Film Distributie Dienst.), gereorganiseerd en kreeg de volgende afdelingsstructuur : Politieke Voorlichting. Culturele Voorlichting. Economische Voorlichting. Journalistieke Productie. Visuele Productie. Radio Productie Afdeling Buitenkantoren. In de loop van 1947 werd hieraan tevens een afdeling Federale Contacten toegevoegd. Na de totstandkoming van de Voorlopige Federale Regering kreeg de dienst wederom een andere organisatievorm en de leiding ging vanaf juni 1948 over op J.H. Ritman. Men kende nu de volgende afdelingen: Hoofd Voorlichting (buitenlandse voorlichting, journalistieke produktie, public relations). Afdeling Federale Contacten. Afdelingen Documentatie en Federale Basis Documentatie. Luisterdienst. Afdeling Culturele Voorlichting. Afdeling Planning (visuele produkties, brochures, pamfletten etc.). Regerings Film Bedrijf. De omzetting van de RVD in een federaal voorlichtingsorgaan is door de omstandigheden niet meer tot stand gekomen. 4. Het NICA/AMACAB bestuur, 1944-1946 Ten behoeve van de regeling van het burgerlijk bestuur en de rechtspraak in bevrijd Nederlands-Indisch gebied waren reeds in 1944 met de Amerikanen afspraken gemaakt, waarbij de beginselen werden vastgelegd volgens welke deze zaken geregeld zouden worden, de zg. Civil Affairs Agreements. Zo ontstond de Netherlands Indies Civil Administration (NICA), welke organisatie door de landvoogd ter beschikking van de geallieerde opperbevelhebber was gesteld om in bevrijd gebied het bestuur uit te oefenen gedurende de periode, waarin de volle verantwoordelijkheid voor het bestuur nog niet aan de Nederlands-Indische regering was overgedragen. Het gemilitariseerde Binnenlands Bestuur stond derhalve onder de geallieerde opperbevelhebber, doch oefende anderzijds ook bevoegdheden uit namens de eigen regering. Zo werd de rechtspraak uitgevoerd in naam van de Koningin, onder welke titel ook de uitgifte van ordonnanties en besluiten plaatsvond. Toen op 15 augustus 1945 de onder Amerikaans opperbevel staande South-West Pacific Area (SWPA), voornamelijk bestaande uit Java, Borneo en de Grote Oost, aan het Britse South-East Asia Command (SEAC) werd overgedragen, werden de bepalingen van het met de Amerikanen gesloten Civil Affairs Agreement vrijwel ongewijzigd overgenomen. De organisatie werd door de Britten herdoopt tot Allied Military Administration Civil Affairs Branch (AMACAB). ( Deze naamswijziging was noodzakelijk vanwege de negatieve klank die de NICA-organisatie inmiddels onder de Indonesiërs had gekregen, en mede omdat het woord "Nica" in de Javaanse mythologie staat voor "hellehond".) De benaming AMACAB werd echter alleen gebruikt op Java en Sumatra. Op Borneo en in de Grote Oost waar de hulp van de Australische troepen werd ingeroepen om tot herbezetting te kunnen overgaan (en waar het de Nederlandse troepen toegestaan was handelend op te treden), bleef de naam NICA tot de terugtrekking van het geallieerde leger in juli 1946 gehandhaafd. Het hoofd van het NICA/AMACAB-bureau van het Departement van Binnenlandse Zaken was belast met de coördinatie van de werkzaamheden van de verschillende departementen van algemeen bestuur, voorzoverre die tevens op het terrein van de NICA/AMACAB zelf lagen. Deze functionaris was verbonden aan de Allied Forces Netherlands East Indies (AFNEI) van South-East Asia Command (SEAC), dat eind september 1945 in Batavia werd gevestigd. Ind.Stb. 1946 no. 5 geeft aan, dat aan de functie van CCO-NICA (chief commanding officer) de functie van gouverneur verbonden is; aan die van SO-NICA (staff officer) tot 28 september 1945 de functie van resident; aan die van CO-NICA (commanding officer) tot dezelfde datum die van assistent-resident. Vanaf 28 september 1945 is de CO-NICA op één lijn te stellen met de resident, terwijl de Sub-CO-NICA's als assistent-residenten zijn te beschouwen. Over de taak van dit bestuur vindt men het een en ander, voorlopig alleen voor Borneo en de Grote Oost, in de ordonnanties in Ind.Stb. 1946 nrs. 17 en 18. De rangsaanduidingen bij de NICA/AMACAB kwamen vrijwel overeen, hoewel de organisatie van de dienst in de periode, dat zij heeft bestaan (tot eind november 1946) niet erg overzichtelijk was. Nadat in juli 1946 de bestuursoverdracht van Borneo en de Grote Oost aan de Indische regering had plaatsgevonden werd de vooroorlogse bestuursvorm met residenten etc. weer ingevoerd in afwachting van een definitieve bestuursregeling. Tijdelijk werden deze gebieden gesteld onder het daartoe opgerichte Regeringscommissariaat voor Borneo en de Grote Oost, waar de Directeur Binnenlands Bestuur, dr W. Hoven, de leiding over had. De Malino en Denpasar Conferenties gaven de weg aan naar de toekomstige staatkundige verhoudingen. Eind november 1946 werden ook Java en Sumatra door het Britse AFNEI-bestuur (Allied Forces Netherlands-East Indies) overgedragen aan de Indische regering onder Van Mook en werd de AMACAB-organisatie geliquideerd. Men kwam hierna tot de oprichting van de Tijdelijke Bestuursdienst (TB). Het Nederlandse civiele bestuur strekte zich slechts uit over enige kleine enclaves op beide eilanden, zodat met het instellen van een tijdelijk bestuur kon worden volstaan in afwachting van het terugdringen van de republikeinse invloeden. De Tijdelijke Bestuursdienst (TB) werd op 29 november 1946 bij Ind. Stb. 130 opgericht om - specifiek - Java en Sumatra na de Britse machtsovergave civiel te besturen en was een voortzetting van AMACAB. Op grond van de moeilijke omstandigheden werd de staat van beleg afgekondigd, een situatie die in feite in Nederlands-Indië al sinds 11 mei 1940 bestond. Hierbij vielen aan het Militair Gezag tijdelijk grote bevoegdheden toe. De residenten-hoofden van Tijdelijk Bestuur werden met "militair gezag" bekleed, teneinde alle noodmaatregelen, die de burgerbevolking raakten te kunnen doen uitgaan van bestuursambtenaren, die geacht werden de civiele gevolgen beter te kunnen overzien dan de militaire gezaghebbers. Onder de hoofden TB functioneerden hoofden van plaatselijk bestuur, vergelijkbaar met de functie van assistent-resident. Na de politionele actie van juli 1947 kwam een uitgebreid gebied weer onder het gezag van de Nederlands-Indische regering. Een voorlopige bestuursorganisatie werd op 19 juli 1947 (Ind.Stb. 121) opgericht tot herstel van veiligheid en wederopbouw in de nieuw bezette gebieden. De reorganisatie van het bestuur werd opgedragen aan vijf Regerings-Commissarissen voor Bestuursaangelegenheden (afgekort tot RECOMBA): in West-, Midden- en Oost-Java, voorts in Noord- en Zuid-Sumatra. In Padang bleef het Hoofd TB gehandhaafd vanwege de geringe gebiedsuitbreiding aldaar. De functies van Algemeen Hoofd TB Java en Hoofd TB Sumatra werden opgeheven. De RECOMBA'S kregen gouverneurs-bevoegdheden en werden evenals de aan hen ondergeschikt gemaakte Hoofden TB met "militair gezag" bekleed. Hen werd als ressort het door de Nederlandse troepen bezette gedeelte van de vooroorlogse provincies toegewezen. Zij werden bijgestaan door een aantal hen toegevoegde Nederlandse en Indonesische bestuursambtenaren en technische vertegenwoordigers van de Departementen van Justitie, Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Sociale Zaken, Onderwijs en van de Dienst van Volksgezondheid. Nauwe samenwerking was hen opgedragen met de voor de politionele actie verantwoordelijke Troepen-Commandanten die, waar het leger met de bevolking in aanraking kwam, zoveel mogelijk de politieke richtlijnen van de RECOMBA's dienden op te volgen. Met het dualistisch bestuursstelsel van voor de oorlog, dat volkomen gescheiden functies aan de ambtenaren van het Europese en het Indonesische bestuurscorps toewees, werd gebroken. Waar de situatie het toeliet, werden de bestuursfuncties zo spoedig mogelijk vervuld, waarvoor ook gebruik werd gemaakt van republikeins gezinde ambtenaren. Bekwame Indonesiërs werden in alle bestuursrangen benoemd, ook waar het om de RECOMBA-functie of de plaatselijke gedelegeerden van de RECOMBA ging. De functie van RECOMBA werd opgeheven voor die gebieden, die de negarastatus verwierven en waaraan dientengevolge de bestuurlijke taken overgedragen werden. Na de tweede politionele actie op Java en Sumatra werd dezelfde constructie toegepast voor de reorganisatie van het bestuur. Bij Stb. 1948 no. 317 en 318 werd de functie van Territoriaal Bestuurs Adviseur (TBA) ingevoerd voor de nieuw bezette gebieden. Op grond van de Staat van Oorlog en Beleg kregen de TBA's dezelfde bevoegdheden als in 1947 aan de RECOMBA's was toebedeeld. De functie werd ingesteld ten aanzien van West-, Midden- en Oost-Java en van Noord-, Midden-, en Zuid-Sumatra. Onder de TBA waren Gedelegeerd TBA's gesteld (GTBA), die plaatselijk (zoals in Djokjakarta) regelend optraden. In Borneo en de Grote Oost, Nieuw-Guinea, Riouw, Bangka en Billiton werd de vooroorlogse bestuursdienst vrijwel in zijn volle omvang na juli 1946 weer ingevoerd. Men onderscheidde residenten, assistent-residenten en controleurs. In de Negara Indonesia Timur werd de bestuursdienst na de overdracht van de landsbevoegdheden aan deze deelstaat, onder het gezag gesteld van het Oost-Indonesische ministerie van Binnenlandse Zaken. Voordien lag de bevoegdheid bij de Nederlandse vertegenwoordiger in Makassar, de Commissaris van de Kroon. De bestuursdienst in de overige gebieden ressorteerde onder het Departement van Binnenlandse zaken in Batavia.
Geschiedenis en organisatie Aan het begin van de periode 1903-1945 waren de betrekkingen tussen Nederland en Perzië slechts van geringe betekenis. Er was sedert 1903 een diplomatieke vertegenwoordiger op de post te Teheran, doch deze had slechts de rang van Minister-President. Wel werd de vertegenwoordiger in 1907 bevorderd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, maar het feit dat de post in 1909 door de Russische gezant werd waargenomen en in 1910 meestentijds onbezet bleef, wijst erop dat de Nederlandse belangen in Perzië niet hoog werden geacht. Na het vertrek van gezant W.J. Oudendijk in 1911 werd de post tot 1922 waargenomen door de hoofden van de Italiaanse legatie, waarna de Amerikaanse chefs de poste tot 1926 fungeerden als waarnemers der Nederlandse belangen te Teheran. Op herhaaldelijk aandringen van Perzische zijde besloot de minister van buitenlandse zaken in 1925 een onderzoek te doen instellen naar de wenselijkheid van het weer benoemen van een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Perzië. Hiertoe werd mr. A. van de Sande Bakhuyzen, consul in algemene dienst, naar Perzië gezonden. Hem werd tevens opgedragen beleefdheidsbezoeken af te leggen bij de Sjah en bij enkele belangrijke ministers. Van de Sande Bakhuyzen werd voor de duur van de dienstreis benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister. In zijn rapport, waarin hij een overzicht geeft van de politieke en economische ontwikkelingen in Perzië sinds 1913, komt hij tot de conclusie dat de benoeming van een gezant met een tijdelijke opdracht bij wijze van proefneming wenselijk geacht moet worden. Twee jaar later, in 1927, werd de buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Constantinopel, mr. W.B.R. van Welderen baron Rengers, in die kwaliteit tevens benoemd te Teheran. Na terugkeer naar zijn standplaats werd zijn taak waargenomen door de tijdelijk zaakgelastigde L.P.J de Decker, Diens opvolger, de zaakgelastigde Jhr. P.A. van Buttingha Wichers, werd in 1931 - na het overlijden van de gezant in Turkije - hoofd van de legatie en in 1935 bevorderd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister. Tot 1942 bekleedden de chefs de poste laatstgenoemde rang. Van 1942 tot 1946 werd de legatie weer geleid door een zaakgelastigde. De diplomatieke vertegenwoordiger van Nederland in het Perzische Rijk was behalve hoofd der legatie ook chef van de consuls van Nederland aldaar, terwijl ook het consulaat van Bagdad, hoewel buiten Perzië gelegen, ressorteerde onder Teheran. Tot 1910 waren er consulaten te Teheran en Bouchir. Hier komen nog bij het in 1910 opgerichte consulaat Ahwaz en het in 1927 opgerichte consulaat Bagdad. De consulaten in Bouchir en Bagdad werden meestal waargenomen door ter plaatse gevestigde consuls van andere landen. De toenmalige waarnemend consul van Ahwaz, P.P. ter Moulen, kwam in 1927 in conflict met de Perzische regering, hetgeen uiteindelijk tot gevolg had dat zijn exequatur (erkenning als consul), ingetrokken werd. Het consulaat in Bagdad ressorteerde sinds 1935 niet meer onder Teheran, maar onder de inmiddels opgerichte Nederlandse legatie in Irak. De Nederlands-Perzische betrekkingen ondergingen na 1926 behalve op diplomatiek, ook op commercieel en politiek gebied veranderingen. In 1927 ging Perzië over tot afschaffing van de zg. Capitulaties, de eenzijdig door de Sjah aan buitenlanders verleende voorrechten. Dit betekende opzegging van alle handelsverdragen waaraan capitulaire rechten konden worden ontleend, waaronder ook het Perzische-Nederlandse verdrag van handel en scheepvaart van 1857. Het volgend jaar werd bij notawisseling een voorlopige regeling getroffen voor de handels- en vriendschapsbetrekkingen, in 1930 gevolgd door een definitief vriendschapsverdrag. Onderhandelingen voor een definitief handelsverdrag liepen op niets uit, omdat partijen het niet eens konden worden over enige in het ontwerp-verdrag opgenomen consulaire bepalingen. Ook de onderhandelingen voor een vestigingsverdrag liepen op niets uit. De gezant vervulde vanaf 1927 een belangrijke bemiddelende rol bij de export van Perzische opium naar Nederlands-Indië en import van Java-suiker. De Perzische regering wenste, vanwege het grote deviezentekort, de invoer van Java-suiker slechts toe te staan op voorwaarde dat ter compensatie zekere hoeveelheden ruwe opium in Nederlands-Indië konden worden afgezet. Behalve bemoeienis met de handel moest de gezant na 1926 ook veel aandacht besteden aan luchtvaartproblemen. De beroemd geworden luchtlijn Amsterdam-Batavia liep over Irak en Perzië. De gezant bemiddelde voor de K.L.M. bij haar pogingen de nodige vergunningen ten faciliteiten van de Perzische en Irak autoriteiten te verkrijgen. Vooral van Perzische zijde toonde men zich niet altijd welwillend ten opzichte van de K.L.M., waardoor vaak conflicten ontstonden die een nadelige invloed hadden op de dienstverlening.
De Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië (1945-1950) Inleiding Na de bevrijding van het Zuiden van Nederland in het najaar van 1944 werd onmiddellijk een aanvang gemaakt met de werving van vrijwilligers voor de Koninklijke Marine en de zogenoemde Expeditionaire Macht. Deze oorlogsvrijwilligers (OVW'ers) werden in Groot-Brittannië opgeleid voor de oorlogvoering in het Verre Oosten. Nog voor evenwel het eerste troepenschip naar de Pacific was vertrokken, capituleerde Japan op 15 augustus 1945. Daarmee kwam een onverwacht snel einde aan de oorlog in Azië. De uitroeping van de Republik Indonesia, twee dagen na de Japanse capitulatie, haalde nochtans een streep door de Nederlandse plannen het koloniale gezag te herstellen. In de meeste Buitengewesten werd dit doel snel bereikt, maar op Java en Sumatra had de Indonesische Republiek op enkele geallieerde bruggehoofden na het feitelijk voor het zeggen. Uit vrees dat er gevechten zouden uitbreken tussen beide partijen, beperkte het Britse geallieerde opperbevel aanvankelijk de toegang tot Java tot een kleine groep Nederlandse regeringsvertegenwoordigers en stafleden van de krijgsmacht. De regering werd gedwongen een dekolonisatiekoers te varen. Onder druk van de Britten die hun vertrek met een politiek succes wilden omlijsten, werd op 15 november 1946 het Nederlands-Republikeinse akkoord van Linggadjati gesloten. Deze overeenkomst werd al spoedig ondermijnd door groeiend wederzijds wantrouwen. Op 21 juli 1947 begon Nederland zijn eerste politiële actie die door toedoen van de Verenigde Naties (VN) op 5 augustus werd gestaakt. In het onder Amerikaanse pressie gesloten Renville-akkoord (17 januari 1948) aanvaardden de strijdende partijen de diensten van de VN. Ook deze overeenkomst bood geen oplossing. Om de Nederlandse belangen in een semi-onafhankelijk Indonesië veilig te stellen, werd in december 1948 een tweede politiële actie ingezet. Ondanks militaire successen (de Republikeinse verzetshaard Djokjakarta werd bezet en vrijwel de gehele Republikeinse regering gevangengenomen), bleek de actie in politiek opzicht een mislukking. De actie leidde tot een pro-Republikeinse stellingname van de internationale gemeenschap. Op 27 december 1949 droeg Nederland noodgedwongen de soevereiniteit over aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. Naast de Koninklijke Landmacht en het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger (KNIL) speelde de Koninklijke Marine slechts een bescheiden rol in de strijd voor gezagsherstel in Indië. Toch was zelfs die beperkte taak de marineleiding in Den Haag een blok aan het been. Inzet van personeel en materieel in de Indische archipel doorkruiste namelijk de uitvoering van de ambitieuze vlootplannen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen waren voorbereid. Het zogenaamde drie-smaldelenplan concentreerde zich op een wereldwijde taak op het gebied van handelsbescherming. Deelname aan de defensie van een beperkt geografisch gebied paste niet in deze strategie. Bovendien drukten de kosten gemaakt voor de aanschaf van veel klein materieel voor de dienst in Indië te zwaar op de begroting. In Haagse marinekringen wilde men daarom zo snel mogelijk van de Indische taak worden ontheven. De minister van Marine koos steevast een harde opstelling en hamerde op een snelle vernietiging van de Indonesische Republiek. De commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië (CZMNI), belast met de dagelijkse leiding voor het maritieme gezagsherstel, voelde zich echter nauw met Indië verbonden. Vice-admiraal A.S. Pinke, commandant Zeemacht van februari 1946 tot oktober 1949, had andere ideeën over de organisatorische en strategische banden tussen de Koninklijke Marine en Indië dan zijn superieuren in Den Haag. In tegenstelling tot de minister van Marine en de bevelhebber der Zeestrijdkrachten (BDZ), de hoogste officier in de marineorganisatie, zag Pinke ook op de langere termijn een taak weggelegd voor de marine in de Indische archipel. Volgens hem zou de marine na de soevereiniteitsoverdracht steunpunten en bases in de archipel moeten behouden. Dit afwijkend standpunt bracht Pinke bij zijn taakuitoefening voortdurend "in de knel" tussen de Indische overheid en de marineleiding in Nederland. Aanduiding, functie en taak van de vlootvoogd Tijdens de Tweede Wereldoorlog ressorteerden de Nederlandse strijdkrachten in het Verre Oosten onder de bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (BSO) vice-admiraal C.E.L. Helfrich, de laatste vooroorlogse commandant Zeemacht in Nederlands-Indië. Zijn hoofdkwartier was gevestigd te Colombo op Ceylon. De BSO had geen operationele, maar slechts een administratieve taak, gericht op de materieels- en personeelsvoorziening. De Nederlandse (zee)strijdkrachten opereerden namelijk rechtstreeks onder de geallieerde bevelhebbers. Als BSO stond Helfrich daarom niet onder bevel van de Indische landvoogd, die traditioneel het opperbevel over de krijgsmacht in de Indische archipel voerde. De Nederlands-Indische regering was tijdens de oorlog in Brisbane gevestigd en stond onder leiding van luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook. Daags na de Japanse capitulatie werd in een nieuwe instructie de zelfstandige positie van de BSO aan banden gelegd. Tot zijn grote ergernis zou Helfrich zich voortaan moeten onderwerpen aan het oppergezag (dus niet het opperbevel) van de landvoogd en diens aanwijzingen moeten opvolgen. Zolang de Nederlandse krijgsmacht nog onder geallieerd opperbevel stond, was deze instructie weliswaar slechts een papieren maatregel, maar het was duidelijk dat de Raad voor Oorlogvoering van het Koninkrijk (een soort kernkabinet) en de minister van Overzeese Gebiedsdelen in het bijzonder, terug wilden naar de vooroorlogse machtsverhoudingen. Voorlopig moesten de Nederlandse autoriteiten zich echter conformeren aan de wensen van de Britse opperbevelhebber in South East Asia, Lord admiral Louis Mountbatten. Op de dag van de Japanse capitulatie was Nederlands-Indië nog overgeheveld van het Amerikaanse bevelsgebied naar het Britse South East Asia Command. De Britten hadden evenwel te weinig parate troepen om het land direct te bezetten. De eerste Britten kwamen pas 29 september op Java aan. Helfrich had toen reeds het marinehoofdkwartier te Colombo verlaten en was met zijn hele staf per m.s. Plancius eveneens naar Java vertrokken. Op 2 oktober 1945 meerden zij af te Tandjong Priok, de haven van Batavia. Vanaf de Plancius werden de eerste maatregelen getroffen tot wederopbouw van de vloot. Daartoe benoemde Helfrich op 9 oktober schout-bij-nacht P. Koenraad, zojuist van het marinecommando in Australië ontheven, tot waarnemend commandant Zeemacht in Nederlands-Indië. Koenraad betrok het oud-kantoor van het departement van Marine op de Goenoeng Sahari. Helfrich zelf vestigde zijn hoofdkwartier in de Volkskredietbank aan het Koningsplein. Overigens was hij ondertussen bevorderd tot luitenant-admiraal en benoemd tot bevelhebber der Zeestrijdkrachten als opvolger van J.Th. Furstner. Hij wilde echter in Indië blijven tot de komst van de nieuwe commandant Zeemacht. Op voorspraak van Helfrich werd in deze functie coming officer Albertus Samuel Pinke benoemd. Op 25 januari 1946 nam Pinke officieel de taken van CZMNI op zich. Bij koninklijk besluit van 16 februari 1946 werd Helfrich ontheven van het ambt van BSO. De functie zelf bleef bestaan, maar werd niet ingevuld. Volgens de instructies voor "den commandant der Zeemacht in Nederlandsch Indië" van 1 februari en 22 mei 1946 voerde Pinke het bevel over het personeel en materieel van de Koninklijke Marine in het Verre Oosten. Ook de logistieke ondersteuningspunten in Australië (marinecommandement Australië (MCA)) en Colombo (MCC)) lagen binnen zijn ressort. Voorts diende Pinke zo spoedig mogelijk de voor de dienst in Indië bestemde Mariniersbrigade te vormen en onder operationeel bevel van de Nederlandse bevelhebber van de aldaar aanwezige Nederlandse landstrijdkrachten te stellen. De CZMNI trad op als adviseur van de luitenant-gouverneur-generaal en was gehouden diens aanwijzingen op te volgen. Voor administratieve zaken diende Pinke zich te wenden tot het hoofd van de Admiraliteitsdiensten, een nieuw ingestelde functie op het departement van Marine te Batavia. In militaire lijn was de commandant Zeemacht verantwoording verschuldigd aan de bevelhebber der Zeestrijdkrachten te Den Haag. Zolang de Britten het in Indië voor het zeggen hadden, was Pinke, evenals legercommandant luitenant-generaal L.H. van Oyen en diens opvolger S.H. Spoor, onder het bevel van de Commander in Chief Allied Forces Netherlands Indies (CinC AFNEI) geplaatst. Een definitieve regeling over de relatie tussen de landvoogd en de CZMNI liet lang op zich wachten. Pas na het vertrek van de Britten op 1 december 1946 werden de Indische bevelsverhoudingen opnieuw bezien. Bij zijn ambtsaanvaarding als CZMNI was Pinke met opzet niet tevens benoemd tot hoofd van het departement van Marine te Batavia. Minister van Marine J.M. de Booy had met deze traditie gebroken omdat hij de commandant Zeemacht zo snel mogelijk uit Nederlands-Indië wilde `losweken'. In de praktijk werd de CZMNI echter dagelijks met Indische beleidszaken geconfronteerd en werd zijn lidmaatschap van de Indische regering node gemist. De commandant Zeemacht moest immers zijn maritiem beleid verantwoorden tegenover de luitenant-gouverneur-generaal, de vertegenwoordiger van de regering van het koninkrijk in Indië. De nieuwe minister van Marine J.J.A. Schagen van Leeuwen besloot de CZMNI na het vertrek van de Britten alsnog tot hoofd van het departement van Marine te benoemen. De functie van hoofd Admiraliteitsdiensten (die tot dan toe het departement bestierde) werd gekoppeld aan die van de ondercommandant Zeemacht. Zo was een half jaar na het vertrek van de Britten de vooroorlogse situatie hersteld. Aan taak en functie van de CZMNI werd de daaropvolgende jaren niet meer getornd. Na de grondwetswijziging van 3 september 1948 kreeg Pinke nog wel een nieuwe titel. De officiële naamswijziging van Nederlands-Indië in Indonesië noopte hiertoe. Voortaan ondertekende Pinke zijn brieven als commandant der Zeemacht in het Oosten (CZMO). Met ingang van 1 oktober 1949 trad schout-bij-nacht F.J. Kist aan als zijn opvolger. Enkele maanden later vond de soevereiniteitsoverdracht over Indonesië plaats. Voor de laatste maal werd de benaming van de Indische vlootvoogd gewijzigd. Taak en functie van de CZMO werden overgenomen door de vlagofficier der Koninklijke Marine in Indonesië (VKMI). Conform de instructie van 5 mei 1950 was de tot vice-admiraal bevorderde Kist de hoogste autoriteit van de Koninklijke Marine in Indonesië met standplaats Djakarta. Hij stond rechtstreeks onder de minister van Marine behoudens strategisch-operationele zaken, oefening van personeel en materieel waarvoor hij verantwoording was verschuldigd aan de BDZ. De VKMI was de hoogste adviseur van de Hoge Commissaris van het Koninkrijk der Nederlanden in Indonesië in maritieme aangelegenheden. Tenslotte voerde Kist het bevel over het personeel en onderdelen der Koninklijke Marine in zijn bevelsgebied. De functie van VKMI werd per 1 januari 1951 opgeheven. Conform de afspraken van de Ronde-Tafelconferentie in de herfst van 1949, assisteerde een Militaire Missie tot 1954 bij de opbouw van de Angkatan Laoet Republik Indonesia (ALRI - de Indonesische marine) en de opleiding van het kaderpersoneel. De marinebases en ruim vijf en dertig grotere en kleinere oorlogsschepen, voornamelijk patrouillevaartuigen, werden door de ALRI overgenomen. De marineorganisatie aan de wal In de eerste chaotische maanden na de Japanse overgave was de marineorganisatie in de Indische archipel opgebouwd uit een centraal commandement in Batavia en een aantal zogenoemde port parties en/of OAZ-schappen. De port parties assisteerden bij het herstel van havens en havenorganisaties. Zij ruimden puin en maakten de havenmondingen mijnenvrij om de scheepvaart een onbelemmerde doorgang te waarborgen. De port parties stonden onder leiding van een Oudst Aanwezend Zeeofficier (OAZ). De eerste OAZ-schappen (toen nog onder de naam Naval Officers in Charge (NOIC's) en Marine Liaison Officers (MLO's)) werden opgericht in de Grote Oost, zoals Tarakan, Balikpapan, Makassar en Menado. Zij waren toegevoegd aan personeel van de Netherlands Indies Civil Administration (NICA), maar bleven onder bevel van de MCA. Als plaatselijke marinecommandant trad de OAZ tevens op als havenmeester en was hij belast met scheepvaartbeheer in de breedste zin des woords. Na gedane arbeid maakte hij plaats voor de reguliere civiele instanties. Spoedig werden naast de reeds bestaande OAZ-schappen enkele maritieme commandanten benoemd. Zo werd op 15 februari 1946 het Maritiem Commando Grote Oost (MTCGO) ingesteld. Een maand later volgde de oprichting van het Maritiem Commando Soerabaja (MTCS; Oost-Java, eilanden Madoera, Bali en Lombok, straat Madoera). Soerabaja was de belangrijkste post, zeker nadat het marine-etablissement en het vliegkamp Morokrembang weer in bedrijf waren gesteld. In de Buitengewesten werd de Maritiem Commandant in de loop van 1946 belast met het bevel over de regionale patrouilledienst. In de daaropvolgende jaren werden uit financiële overwegingen de operationele marinetaken en marinevoorzieningen steeds meer geconcentreerd in Soerabaja. De OAZ-schappen en commandementen bonden te veel personeel aan de wal. Op aandringen van Den Haag werden indien mogelijk nog meer taken afgestoten aan civiele instanties. Op 27 februari 1947 werd de Dienst van Scheepvaart ondergebracht bij een zelfstandig departement van Scheepvaart, belast met havenbeheer, loodswezen, scheepvaartinspectie, hydrografie, betonning, bebakening en kustverlichting. Toen na de eerste politiële actie een oplossing van de Indonesische kwestie in zicht leek te komen, volgden drastische inkrimpingsmaatregelen. Op 15 augustus 1947 werd bijvoorbeeld het commandement in Australië opgeheven. In januari 1948 volgde een grondige reorganisatie en verkleining van de Mariniersbrigade. De patrouilledienst, in Pinke's ogen de kerntaak van de marine in de archipel maar volgens Den Haag niet veel meer dan een zeepolitie, wist de commandant Zeemacht voor de vloot te behouden. Inzet op zee Na bijna vijf jaar strijd verloor Nederland eind 1949 haar belangrijkste kolonie. Die strijd was primair een taak van de landstrijdkrachten. Toch diende in 1947 bijna de helft van het totale marinepersoneel in Nederlands-Indië. Begin maart van dat jaar bestond de vloot in Indië uit vier torpedobootjagers, acht mijnenvegers met een moederschip, acht korvetten, een zevental landingsvaartuigen en ruim dertig patrouillevaartuigen. Op deze vloot waren 2.200 officieren en manschappen werkzaam, terwijl de walinrichtingen bij elkaar 3.270 marinemensen, waaronder tweehonderd vrouwen, opeisten. De Marineluchtvaartdienst (MLD) telde bijna 1.100 man in Indië en ruim tweehonderd in Australië. Bij deze krap 6.800 kwam dan formeel de Mariniersbrigade (7.000), die echter operationeel onder legerbevel stond. In totaal vertoefden zo'n 14.000 officieren, schepelingen en marva's in de Indische archipel, terwijl bij de gehele marineorganisatie in 1947 het recordaantal militair personeel van 32.000 diende. Ter vergelijking: onder legercommandant Spoor dienden ver boven de honderdduizend militairen. Vice-admiraal Pinke had deze vloot van klein materieel en transport-en verkenningsvliegtuigen in ruim een jaar tijd opgebouwd. Eind december 1945 waren in Nederlands-Indië nog slechts aanwezig de lichte kruisers Hr.Ms. Jacob van Heemskerk en Hr.Ms. Tromp, de torpedobootjagers Hr.Ms. Van Galen, Piet Hein en Kortenaer, het artillerie-instructieschip Hr.Ms. Van Kinsbergen, de mijnenlegger Hr.Ms. Willem van der Zaan, de mijnenveger Hr.Ms. Abraham Crijnssen en zes onderzeeboten. Voor de patrouilledienst waren deze schepen ongeschikt. Daartoe werd de vloot versterkt met acht korvetten uit Australië. Van de Royal Navy ontving de Koninklijke Marine eind 1945 zes Landing Craft Tanks (LCT's) in bruikleen voor dienst in de archipel. Overig oud-materieel van de geallieerden dat door de Koninklijke Marine werd overgenomen, waren twaalf Landing Craft Materials (LCM's) en achttien Harbour Defence Motor Launches (HDML's). Een belangrijke aanwinst vormden de vijftien Higginsboten die in de loop van 1947 van het departement van Scheepvaart werden overgenomen. Op 11 oktober 1946 arriveerde het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman in Indische wateren voor vlagvertoon. Hierop waren vijtien Fireflies geëmbarkeerd (Squadron 860) ter versterking van de vliegende vloot van Catalina's en Dakota's van de MLD. De eerste maanden na de Japanse capitulatie werden de beperkt beschikbare maritieme middelen her en der ingezet voor vlagvertoon, mijnenvegen, vervoer van NICA- en missiepersoneel, van geallieerde troepen en van Japanse repatrianten, ter ondersteuning van landingsdivisies en ter bevrijding van geïnterneerde personen. Herstel van zwaar gehavende marine-etablissementen en uitbreiding van het krappe personeelsbestand genoten Pinke's prioriteit. Binnen enkele maanden dienden oorlogsveteranen, dienstplichtigen, oorlogsvrijwilligers, ex-krijgsgevangenen en jonge beroepsmilitairen naast elkaar. Het operatiegebied concentreerde zich in het begin in de Grote Oost waar de Australiërs, in tegenstelling tot de Britten op Java, de inzet van Nederlandse strijdkrachten toelieten. Van een duidelijke taakomschrijving kon nog geen sprake zijn. Pas toen de marine in het najaar van 1946 een redelijke controle over de Indische wateren had verworven, namen de geregelde marinediensten een aanvang. In een nota van februari 1947 analyseerde de Marinestaf in Den Haag de werkzaamheden van de vloot in Indië als volgt. De Koninklijke Marine was ten eerste actief in de bestrijding van infiltratie in de onder Nederlands gezag staande gebieden. Zij diende ter bescherming van de veilige vaart ter zee en trad dus op tegen zeeroof, beschietingen vanaf de wal en elk bewapend Republikeins schip. Overige taken waren bestrijding van de invoer van wapens en militaire goederen; steunverlening aan het leger en bescherming van de economische belangen door controle op verboden in-, uit- en vervoer over zee. Hiertoe was aan de vloot van de Koninklijke Marine controle van alle schepen of vaartuigen in de territoriale wateren toegestaan, alsmede onderzoek naar de vlag van alle schepen in open zee. Het tegengaan van infiltraties over zee en de bestrijding van smokkel in wapens en ondernemingsproducten vereisten een geregelde en intensieve patrouillevaart. De patrouilledienst werd onderhouden met dertigtal, soms zeer kleine schepen onder commando van jeugdige marineofficieren die zware verantwoordelijkheden droegen. Tot in 1947 oefenden zij hun taak uit zonder duidelijke richtlijnen. Pas toen werd een wettelijk kader geschapen waarop de marine zich bij het patrouilleren kon baseren. Assistentie bij grootscheepse landingen vormde een onderbreking van de routinematige kustbewaking en smokkelbestrijding. Tijdens de eerste politiële actie in de zomer van 1947 waren torpedobootjagers, korvetten, mijnenvegers en landingsvaartuigen actief ter ondersteuning van de landmacht. De MLD voerde transport- en luchtverkennings-vluchten uit, gaf luchtsteun aan de grondtroepen en ondersteunde amfibische operaties. Zo wist de Mariniersbrigade in korte tijd de oosthoek van Java te bezetten. Ook bij de tweede politiële actie in december 1948 verrichtte de Koninklijke Marine in hoofdzaak taken ten dienste van landingsoperaties en verzorgde luchttransporten. Na de soevereiniteitsoverdracht was de Nederlandse militaire rol in het Verre Oosten, met uitzondering van Nieuw-Guinea, uitgespeeld. De Koninklijke Marine waarvan de hoofdtaak zo lang in dit gebied had gelegen, vertrok met stille trom. Haar wachtten nieuwe taken in bondgenootschappelijk verband.
Loopbaan van Johannes van den Bosch. De politieke activiteit van de man, van wie hier de nagelaten papieren worden beschreven, valt niet alleen chronologisch grotendeels samen met de regeringsperiode van Willem I, maar is ook bij uitstek representatief voor het beleid in die jaren. Vrijwel alle medewerkers van deze monarch waren min of meer autoritair ingesteld én verscheidene van hen hebben hun beste krachten gegeven om ons land op te heffen uit het verval, waarin het sedert het midden van de achttiende eeuw verkeerde. Maar meer dan bij voorbeeld bij A.R. Falck of C.F. van Maanen kwam bij J. van den Bosch de toewijding, waarmee hij zijn koning diende, voort uit een persoonlijke geestverwantschap, met al de positieve en negatieve aspekten daarvan. Johannes van den Bosch werd op 2 februari 1780 geboren te Herwijnen in de Tielerwaard uit het huwelijk van de arts Johannes van den Bosch en Adriaantje Ponigh. Hij werd opgeleid tot officier en in 1798 door het Comité voor de Oost-indische Handel en Bezittingen, dat tijdens de Bataafse Republiek in de plaats van het V.O.C.-bestuur was gekomen, aangesteld tot eerste luitenant bij de genie te Batavia. In 1801 werd hij kapitein-adjudant bij de goeverneur-generaal en in 1807 luitenant-kolonel en adjudant-generaal. Onder H.W. Daendels, die in 1808 door Lodewijk Napoleon tot goeverneur-generaal werd benoemd, bleek Van den Bosch met zijn schoonvader, de commandant van het Indische leger De Sandol Roy, en de vice-president van de Raad van Justitie R.G. van Polanen, tot een groep te behoren, die zich in het nieuwe regime niet goed kon schikken en die ook van de kant van de regering werd gewantrouwd. In 1808 al werd hij op eigen verzoek eervol ontslagen en in 1810 beval Daendels hem zelfs Java te verlaten. Onderweg naar Nederland raakte hij in engelse krijgsgevangenschap, waaruit hij in 1812 door uitwisseling vrijkwam. Toen men de Fransen in 1813 van het nederlandse grondgebied ging verdrijven, bood Van den Bosch de soevereine vorst onmiddellijk zijn diensten aan en op 25 november 1813 was hij kolonel-adjudant van de generaal Krayenhoff. Hij kreeg de leiding van de werfbureau's maar bezette ook de stad Utrecht en blokkeerde de vesting Naarden. Belangrijker voor het vervolg van zijn carriérre was, dat hij in 1814 zitting kreeg in een commissie onder leiding van de generaal Janssens, die het indische leger moest reorganiseren, en dat hij op 28 februari van dat jaar als kolonel bij de generale staf belast werd met de leiding van de zaken betreffende de troepen, die voor de koloniën bestemd waren. In januari 1819 nam hij ontslag uit de aktieve militaire dienst, en in september 1825 werd hij administrateur voor de nationale militie en schutterijen. Intussen had hij een initiatief genomen, waardoor hij ook bij anderen dan kenners van de koloniale geschiedenis bekend zou blijven. Het "schrikbarend pauperismus", (om zijn eigen uitdrukking aan te halen) dat vanaf omstreeks 1730 meer en meer om zich heen had gegrepen, was een onontwijkbaar probleem geworden. Van den Bosch geloofde, in de geest van de Verlichting, dat dit kwaad afdoende bestreden kon worden door de armen niet langer aan de bedeling over te laten maar hun produktief werk te verschaffen. Hij dacht daarbij met name aan ontginning en exploitatie van gronden. Ofschoon de Maatschappij van Weldadigheid, die hij in 1818 met een aantal gelijkgezinden oprichtte, niet in alle opzichten een succes is gebleken, werd en wordt toch erkend, dat dit experiment waard was gewaagd te worden. De uitvoering ervan werd overigens wel gehandicapt door het feit, dat ze teveel van de werkzaamheid van de voornaamste oprichter afhankelijk was en juist hij zes jaar lang niet persoonlijk aan de leiding kon deelnemen. Want tussen 1827 en 1834 vervulde Van den Bosch twee hoge funkties overzee. Eerst werd hem opgedragen als commissaris-generaal het bestuur en de economie van de west-indische koloniën te saneren. Op 21 oktober 1827 vertrok hij naar Curaçao en vervolgens, na bezoeken aan de andere Nederlandse Antillen,op 28 april 1828 naar Paramaribo. Zijn taak in de West omvatte voornamelijk het aanbrengen van administratieve bezuinigingen, het doen van onderzoek naar eventuele onregelmatige handelingen van ambtenaren en het treffen van voorzieningen, waardoor deze bezittingen in plaats van een tekort weer winst zouden kunnen opleveren. Hij stelde inderdaad orde op de ambtelijke zaken, maakte Curaçao (opnieuw) en Sint-Eustatius (voor het eerst) tot vrijhavens, aktiveerde de reeds bestaande Curaçaose Bank en zorgde voor de oprichting van een West-Indische Bank in Suriname, terwijl hij het zogenaamde kaartengeld verving door metalen munt en in Suriname proeven nam met nieuwe cultures op een goevernements-plantage. De negerslaven kregen in het regeringsreglement dat hij tot stand bracht de status van "onmondige" personen, vergelijkbaar met horigen; dit was een vooruitgang, want ze werden nu niet langer als "zaken" beschouwd. Midden oktober 1828, drie weken na zijn terugkeer werd hij bevorderd tot luitenant-generaal en tegelijkertijd benoemd tot goeverneur-generaal van Oost-Indië. De koning gaf als zijn overtuiging te kennen, dat hij in de gegeven situatie de enige geschikte persoon daarvoor was. Willem I was zeer verontrust door het ernstige deficit van de Staat en wilde vooral met het oog daarop Van den Bosch de gelegenheid geven bepaalde denkbeelden over de exploitatie van deze koloniën in praktijk te brengen, die hij al eerder in geschriften had gepropageerd. Van den Bosch vertrok 1 juli 1829 en kwam 2 januari 1830 te Batavia aan. Onderweg deed hij Rio de Janeiro aan voor een studiebezoek. Het complex van maatregelen, dat men later het "cultuurstelsel" is gaan noemen, hield, eenvoudig gezegd, in, dat de inheemse bevolking gedwongen werd verschillende gewassen voor de europese markt te telen. Onder het landrentestelsel, dat door het engelse bestuur was ingevoerd en na de teruggave van de koloniën in 1816 was gehandhaafd, waren de Javanen vrij te kiezen wat zij wilden verbouwen en mochten zij ook de opbrengst verkopen aan wie zij wilden; zij moesten alleen van die opbrengst een gedeelte in natura of geld aan het goevernement bij wijze van belasting afgeven. In de praktijk, redeneerde Van den Bosch, kwam dit er op neer, dat zij veel minder produceerden dan ook in hun eigen belang was en dat zij zich bovendien in hoofdzaak tot de voor de handel weinig attraktieve rijstteelt beperkten. Uitgaande van het bestaande gebruik, dat de plaatselijke hoofden de dessa's-d.w.z. zowel arbeidskrachten als gronden-aan cultuurondernemers verhuurden, werd nu bevorderd, dat deze hoofden in plaats van de landrente in rijst of geld te voldoen een deel van de gronden reserveerden voor de gewenste cultures, waarbij dan de ondernemers de landrente betaalden. Dit ging in de vorm van overeenkomsten tussen de residenten en de inheemse bestuurders, maar werd in feite verplicht, omdat men zich op het standpunt stelde, dat de grond staatseigendom was en aan de bevolking slechts in gebruik gegeven; de voorstellen van de europese ambtenaren werden trouwens als bevelen opgevat. Waar partikuliere planters kapitaal te kort kwamen, schoot het goevernement dit voor onder beding, dat het voor de aflossing een contingent van de oogsten tegen vaste prijzen mocht afnemen. Het cultuurstelsel was bedoeld als een integrerende faktor in het economische samenspel, dat de regering van Willem I nastreefde. Men wilde de koloniale handel, die leed onder drukkende, vooral engelse, concurrentie, weer naar de nederlandse "stapelmarkt " leiden, maar van de andere kant ook, door de koopkracht van de oostindische bevolking te vergroten, een afzetgebied voor de nederlandse industrie, in het bizonder de textielindustrie, creëren. Een belangrijke bemiddelende rol werd hierbij vervuld door de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handelmaatschappij, die een "factorij" te Batavia had gevestigd. Van den Bosch heeft zich als goeverneur-generaal niet uitsluitend aan deze welvaartspolitiek kunnen wijden. Toen hij zijn ambt aanvaardde waren er al sinds enige tijd twee binnenlandse oorlogen aan de gang: de opstand van Dipo Negoro in Midden-Java en die van de Padri's aan de Westkust van Sumatra. Dipo Negoro was de oudste zoon van de in 1814 gestorven sultan van Djokjakarta. Omdat hij door het nederlandse gezag niet tot opvolger van zijn vader was aangewezen en ook vanwege andere grieven begon hij een guerilla, waarin hij een grote aanhang meekreeg uit de door armoede en uitbuiting verbitterde inwoners van de Vorstenlanden. Onderhandelingen stuitten af op zijn eis als hoofd van de Islam erkend te worden. Na een bloedig en hardnekkig verzet capituleerde hij begin 1830 en werd eerst naar Menado en vervolgens naar Makassar verbannen. Deze Java-oorlog had tot gevolg, dat van de Vorstenlanden enige grensgebieden werden afgenomen, waaruit de vier nieuwe residenties Banjoemas, Bagelen, Madioen en Kediri gevormd werden. De Padrioorlog was omstreeks 1820 ontstaan door het optreden van een groep radikale Islamieten, tegen wie de Minangkabause hoofden de hulp van de Nederlanders hadden ingeroepen, maar die door velen onder de bevolking werden gesteund. De verovering van hun versterkte plaats Bondjol in 1837 betekende nog niet hun definitieve onderwerping. Om 10 oktober 1830 vroeg Van den Bosch ontslag om gezondheidsredenen. Maar de koning ging daar niet op in en haalde hem integendeel over om een jaar langer aan te blijven. Op 17 januari 1832 werd hij zelfs commissaris-generaal, wat inhield, dat hij desgewenst met voorbijgaan van het regeringsreglement alle gezag kon uitoefenen wat de koning zich niet uitdrukkelijk had voorbehouden. Aan Van den Bosch zelf werd overgelaten te bepalen wanneer hij van deze uitbreiding van zijn bevoegdheden gebruik zou maken. Dit gebeurde op 27 juni 1833. Tot zijn opvolger was inmiddels, op zijn eigen voorstel, Jean Chrétien Baud bestemd, die sinds 1824 aan het departement in Den Haag directeur van Koloniën was geweest. Baud kwam 10 januari 1833 te Batavia aan en werd op 2 juli 1833 geinstalleerd als goeverneur-generaal ad interim; Van den Bosch bleef zelf de financiën, het cultuurstelsel en de defensie leiden. Bij zijn vertrek op 1 februari 1834 liet de commissaris-generaal een uitvoerig verslag voor Baud achter. Terwijl gezegd moet worden, dat Van den Bosch niet van al zijn ambtenaren en evenmin van alle Raden van Indië hartelijke medewerking had ondervonden, was daarentegen bij Willem I het vertrouwen in zijn aanpak volledig bevestigd. Dit kwam tot uiting in zijn benoeming, onmiddellijk na zijn repatriëring, tot minister van Koloniën. Van 30 mei 1834 tot 31 december 1839 bekleedde hij dit ambt, dat hem de gelegenheid gaf om het tot dusver door hem gevoerde beleid op een nog hoger niveau voort te zetten. Bij de grondwetten van 1814 en 1815 was aan de koning het opperbestuur over de koloniën gelaten, zonder dat er iets over controle door de Staten-Generaal was bepaald. Dit werd lange tijd zo geínterpreteerd, dat de betrokken minister zich niet rechtstreeks tegenover de Kamers behoefde te verantwoorden. Voor een man als Van den Bosch moest deze positie uiteraard aantrekkelijk zijn, maar toen eenmaal de kritiek niet meer tegengehouden kon worden, kreeg hij wel des te scherper aanvallen te verduren. Er werd in deze tijd een nauwe band gelegd tussen de financiën van Oost-Indië en die van het rijk in Europa. De Staat, die in de bataafse periode de schulden van de opgeheven Verenigde Oostindische Compagnie had overgenomen, had in de eerste jaren na de herkrijging van de onafhankelijkheid heel wat uit de europese middelen toegelegd op de overzeese gebiedsdelen. Men achtte zich op grond daarvan gerechtigd een schuld van de Koloniën aan het Koninkrijk te construeren en de winsten, die met het cultuurstelsel werden gemaakt, als een soort afbetaling daarvoor te gebruiken. De "indische baten" werden op de staatsbegroting vermeld als inkomsten, maar van de wijze, waarop ze waren verkregen en verder werden besteed, werd, althans in het openbaar, geen rekenschap afgelegd. Hiervóór is al gesproken over het samenspel, waarin de afzonderlijke economische hulpbronnen onder leiding van de overheid de welvaart als één geheel moesten bevorderen. Van den Bosch werkte deze gedachte nog eens uit in een memorie "Over de belangen van Nederland en deszelfs koloniën in onderling verband beschouwd", die hij op het einde van 1834 bij de koning indiende. Hierin werd het koninkrijk der Nederlanden gezien als een echt imperium, dat zijn plaats tussen de mogendheden niet kon handhaven door "laisser faire", maar dat alle beschikbare krachten moest bundelen. Het betoog beperkte zich niet tot de economie: er werd tevens een ingrijpende reorganisatie van het defensiestelsel in bepleit, welke-en dat is karakteristiek voor Van den Bosch-eveneens uit de oostindische baten zou moeten worden gefinancierd. De regering bleef samenwerken met de Nederlandsche Handel Maatschappij. Met deze instelling hadden de vorige ministers van Koloniën al contracten aangegaan, krachtens welke produkten van de cultures door haar voor rekening van de regering werden verkocht en daartegenover gelden, die benodigd waren voor het oostindisch bestuur en die niet uit de schatkist konden worden geput, door de Maatschappij werden verschaft, ook vóórdat de verkoop van die produkten had plaats gevonden. Van den Bosch ging hiermee door, maar wel moet worden opgemerkt, dat hij persoonlijk geen voorstander was van een volstrekt monopolie en meer dan eens daarnaast andere gegadigden begunstigde, wat bij de onderhandelingen wel aanleiding tot moeilijkheden gaf. Op den duur raakte tengevolge van de aldoor stijgende geldbehoefte van de regering de verkoop van de koloniale produkten toch praktisch geheel in handen van de N.H.M. Ook werd ze ingeschakeld bij de textielexport van Nederland naar Java. Om de engelse, en na 1830 ook de belgische mededinging vandaar te weren werden de "geheime lijnwaadcontracten" gesloten. De N.H.M. nam op zich jaarlijks tot een vaste waarde katoenen stoffen in Indië desnoods met verlies te verkopen; het departement van Koloniën paste de tekorten bij en regelde de bestellingen bij de fabrikanten. Waar een en ander bovendien gepaard ging met de vaststelling van discriminerende invoerrechten konden toen het geheim uitlekte, protesten van de zijde van Groot-Brittannië niet uitblijven, maar de nederlandse regering kwam daaraan slechts in schijn tegemoet en bleef in feite protectionistisch, door het nadeel, dat de eigen ingezetenen van de gelijktrekking der tarieven leden, te compenseren uit de schatkist. Dat het Van den Bosch' streven was het departement van Koloniën te doen fungeren als een motor voor de nationale welvaart-een taak, die oorspronkelijk aan het Amortisatiesyndicaat was toegedacht, maar die deze instelling door de afval van België niet meer goed kon vervullen-blijkt ook uit andere aktiviteiten. Zo steunde hij als minister door orders en credieten het bedrijf van Gerhard Moritz Roentgen op Feijnoord, zowel de werf voor de bouw van stoomschepen als de geschutgieterij. Verder interesseerde hij zich o.a. voor enige rederijprojecten, waarbij, behalve de genoemde Roentgen met name Abraham van Hoboken en Paul van Vlissingen betrokken waren. De Maatschappij van Weldadigheid, waarmee het minder goed ging dan men gehoopt had, poogde hij financieel sterker te maken door een belangengemeenschap met de oostindische koloniën. In 1836 verstrekte het departement aan de M.v.W. een grote lening; men stelde zich voor in haar "etablissementen" een aantal jeugdige minvermogenden voor de dienst in Oost-Indië op te kweken. Omstreeks diezelfde tijd ging men ertoe over bestedelingen van de Maatschappij die niet geschikt waren voor de landarbeid katoen en jute voor Java te laten weven. Bij de overeenkomst van 1836 profiteerde de M.v.W. ook mee van de winsten, die de regering trok uit het verschaffen van kopergeld voor circulatie in Indië. Er werd n.l. al sinds 1825 bij de levering van duiten aan het koloniale bestuur een hogere prijs berekend dan men zelf voor de aanmunting betaalde; Van den Bosch voerde dit verschil nog op door ongemunte koperen plaatjes aan te kopen en die in Indië te laten stempelen en gebruikte deze "duitenwinst" van 1836 tot 1839 als een soort subsidie voor de M.v.W. "Het departement van Koloniën gedroeg zich als een rijke oom, tot wie men zich wenden kon met alles wat geld kostte en wat men aan de Staten-Generaal wenste te onthouden". Deze woorden van Van den Bosch' biograaf Westendorp Boerma drukken uit wat met enig recht kon worden ingebracht tegen een politiek, die wel blijk gaf van fantasie, maar die bij gebrek aan toezicht van het parlement gemakkelijk tot het nemen van al te grote risico's kon leiden en ook inderdaad geleid heeft. Aanvankelijk nam men genoegen met de optimistische verzekeringen die de regering uitte ten aanzien van de groei van de indische baten en zag men er van af tot in details te informeren naar wat er verder mee gedaan werd. Maar naarmate de staatsschuld steeg tengevolge van het volhardingssysteem tegenover de Belgen werd de neiging om op medezeggenschap over de koloniale financiën aan te dringen in de Tweede Kamer sterker. Tot 1839 gelukte het opkomende argwaan bij de Kamerleden te bezweren door te wijzen op de bloei van de koloniale handel en door te beloven, dat de financiële zaken openbaar gemaakt zouden worden zodra een regeling met België zou zijn getroffen. Van den Bosch waagde het meer en meer vooruit te lopen op de resultaten van het cultuurstelsel; op zijn instigatie werden staatsleningen onder verband van de oostindische bezittingen uitgeschreven en bovendien nam hij aanzienlijke voorschotten op bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Zelfs kwam hij ertoe, onder druk van de geldverlegenheid, waarin de regering geraakt was, eind oktober 1839 de N.H.M. te verzoeken een ongedekte wissel van een half millioen te accepteren, en dat terwijl juist weer een wetsontwerp aanhangig was om een lening ten laste van Indië aan te gaan, ditmaal tot een bedrag van 56 millioen. Bij de behandeling van de begroting voor 1840 eiste toen een meerderheid in de Tweede Kamer algehele openlegging van de financiën en tevens herziening van de grondwet. Van den Bosch moest wel persoonlijk in het parlement verschijnen om zijn beleid-waar de koning nog altijd achter stond-te verdedigen. Hoewel het ook aan waardering niet ontbrak vond hij in de oppositie die hij ontmoette aanleiding om, samen met zijn collega van Financiën, zijn ontslag aan te bieden, wat hem op 25 december 1839 werd verleend, met gelijktijdige toekenning van de kwaliteit van minister van Staat. Zijn aftreden betekende overigens volstrekt niet, dat hij nu helemaal buiten de politiek kwam te staan; Willem I raadpleegde hem nog meermalen over allerlei zaken. Ook kon Van den Bosch niet nalaten te blijven ijveren voor de economische visie, die hij als goeverneur-generaal en minister had gepoogd te verwezenlijken. Zo verscheen van zijn hand een brochure "lets over de financieële aangelegenheden van het Rijk", die een felle polemiek uitlokte. Willem II, die intussen aan de regering was gekomen, achtte dit geschrift niet loyaal tegenover de nieuwe minister van Koloniën en meende de auteur scherp te moeten berispen. Wat Van den Bosch nog onaangenamer trof was dat in de gevoerde pennestrijd de ambtenaar Kruseman die hij indertijd zelf aan het departement had benoemd, zich tegen hem keerde. Verder was er zijn geesteskind, dat een zorgenkind was geworden: de Maatschappij van Weldadigheid. Van 1831 af al had het bestuur daarvan bij herhaling een beroep op de overheid moeten doen om financiële steun, met het gevolg, dat het zich krachtens de overeenkomst van 1836, waarover hiervoor is gesproken, inspraak van regeringscommissarissen moest laten welgevallen. Van den Bosch had zich sinds die tijd te verweren gehad tegen kritiek op zijn plannen en berekeningen. Daar stond tegenover, dat de regering haar eigen toezeggingen ook niet volledig nakwam, zodat er in 1841 een achterstand in de subsidie was van f. 125.000.-. Een wetsontwerp om dit bedrag alsnog te betalen werd door de Tweede Kamer goedgekeurd op voorwaarde, dat er een staatscommissie werd ingesteld, die een rapport over het beheer moest uitbrengen. De conclusies van die commissie brachten haar in een hevig conflict met het bestuur van de Maatschappij, dat in het openbaar door middel van brochures werd uitgevochten. Met ingang van 1 januari 1843 trad het bestuur zelfs af, maar in mei van dat jaar was men weer verzoend en werd een wettelijke regeling getroffen, waardoor het voortbestaan van de Maatschappij voor enige tijd weer mogelijk werd gemaakt. De tijd van ambteloosheid duurde tot 7 juli 1842; toen koos de ridderschap van Zuid-Holland hem tot lid van de Tweede Kamer. Als zodanig is Van den Bosch zeker niet minder aktief en vasthoudend opgetreden dan in zijn vorige functies. Weliswaar ging hij nu met zijn opvattingen, die dezelfde waren gebleven, tegen de heersende geest in. In plaats van bezuiniging en verhoging van de belastingen zag hij nog altijd anticipatie op de inkomsten uit Indië als redmiddel tegen het dreigend staatsbankroet. Hij betoogde dat tweemaal in een nota, op 29 februari en 9 mei 1843, en pleitte krachtig, zij het tevergeefs, voor het wetsontwerp van de minister van Financiën Rochussen, waarbij conversie van de staatsschuld werd voorgesteld. In de laatste maanden van zijn leven vielen de beraadslagingen over de bekende leningwet-Van Hall; Van den Bosch was daarvan een verklaard tegenstander. De beslissing maakte hij niet meer mee; hij overleed op 28 januari 1844. Johannes van den Bosch trouwde tweemaal, eerst in 1804 met Catharina Lucretia de Sandol Roy, die 10 februari 1814 overleed, vervolgens op 28 oktober 1823 met Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturler, overleden 26 februari 1873. Hij had uit het eerste huwelijk zes en uit het tweede huwelijk twee kinderen. Bij K.B. d.d. 17 juni 1835 no. 106 werd hij verheven in de Nederlandse adel met de titel van baron bij eerstgeboorte; bij K.B. d.d. 25 december 1839 no. 124 kreeg hij de titel van graaf, eveneens bij eerstgeboorte. II. De Maatschappij van Weldadigheid. Deze vereniging (of "zedelijk lichaam") constitueerde zich op 1 april 1818 en koos haar zetel te 's-Gravenhage. Een formele afzonderlijke erkenning of goedkeuring der statuten van regeringswege heeft nooit plaats gevonden. De naam luidde voluit: "Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Nederlanden". (In het zuiden van het Koninkrijk werd n.l. nog een Maatschappij met dezelfde doelstelling opgericht, die echter niet tot bloei kwam en na de Belgische afscheiding failliet ging). Het voltallig bestuur bestond uit dertien leden, waaronder een voorzitter (zolang hij leefde was dit prins Frederik der Nederlanden) en een "eerste" en "tweede assessor". Het was verdeeld in vier secties: de tweede assessor (Van den Bosch) was voorzitter van de sectie "lopende werkzaamheden". Het dagelijks bestuur werd uitgeoefend door een "Permanente Commissie", gevormd uit de tweede assessor als voorzitter en twee andere leden van de Commissie van Weldadigheid. De "deelgenoten" (leden) van de Maatschappij wezen jaarlijks een "Commissie van Toevoorzicht" aan, waarvan een deel de rekening onderzocht en een ander deel de inrichtingen van de Maatschappij ter plaatse inspecteerde. In verscheidene plaatsen, ook in Oost- en West-Indië, werden subcommissies opgericht om belangstelling voor het werk van de Maatschappij te wekken en gaande te houden en om de contributies te innen. De inrichtingen van de Maatschappij werden gevestigd in Drenthe, Friesland en Overijssel. Het waren, 1e. de gewone of vrije koloniën Frederiksoord, Wilhelmina's oord en Willemsoord; 2e. twee gestichten voor wezen en verlaten kinderen te Veenhuizen; 3e. een gesticht voor opleiding tot de landbouw, het onderwijs en de dienst in de koloniën te Wateren; 4e. een bedelaarsgesticht te Veenhuizen en een dito te Ommerschans en 5e. een katoenspinnerij te Veenhuizen. De kolonisten werden geplaatst krachtens contracten met de Staat, gemeentebesturen, armbesturen en particulieren. Aan het hoofd van de gezamenlijke koloniën stond een directeur. Vanaf 1 januari 1826 kwamen de gewone of vrije koloniën onder een adjunct-directeur, bijgestaan door twee onderdirecteuren, een voor de huishouding en een voor de landbouw en buitenwoningen. Op 1 september 1829 werd dit veranderd; toen kregen de drie gewone koloniën elk een onderdirecteur. Veenhuizen stond onder een adjunct-directeur met een onderdirecteur voor de wezengestichten, een onderdirecteur voor de landbouw en de buitenwoningen en een officier, die de daar geplaatste militairen commandeerde. Laatstgenoemde voerde tot 1824 ook het bevel over de Ommerschans; vervolgens kwam daar een adjunct-directeur. Voor de industriële arbeid was er een adjunct-directeur der fabrieken tot 21 januari 1832, toen aan de onderdirecteur der fabriek in Willemsoord het beheer over het fabriekswezen in alle koloniën werd opgedragen. Voorts waren er onderwijzers, geestelijken en geneeskundigen. Op 1 juli 1829 stelde de Permanente Commissie een inspecteur der koloniën aan, die moest rapporteren over de gang van zaken en jaarlijks een begroting opstellen en die ook bevoegd was zelf reglementen voor de dienst te maken en andere maatregelen te nemen. III. Bestuur van West-Indië. Tot de komst van Van den Bosch waren de koloniën Suriname, Curaçao, Sint-Eustatius en Sint-Maarten afzonderlijke bestuursgebieden. Bonaire en Aruba waren gecombineerd met Curaçao, Saba met Sint-Maarten. In Suriname berustte het oppergezag bij de goeverneur, bijgestaan door een raad-Fiskaal, een raad-kontrarolleur der Financiën en een goevernementssecretaris. In belangrijke zaken was de goeverneur verplicht het Hof van Politie en Criminele Justitie bijeen te roepen, welk college hij zelf presideerde en waarvan hij de leden op voordracht van de ingezetenen benoemde. Voorts was er een Hof van Civiele Justitie en hadden twee Nederlanders zitting in een internationaal gerechtshof, opgericht tot vernietiging van de slavenhandel. De andere koloniën hadden eveneens goeverneurs en secretarissen, maar elk een Raad van Politie en een Raad van Civiele- en Criminele Justitie, Curaçao bovendien, evenals Suriname, een raad-fiscaal en een raad-kontrarolleur van Financiën. Van den Bosch, die bij Koninklijk Besluit van 12 oktober 1827 no. 96 tot commissaris-generaal werd benoemd, regelde het bestuur opnieuw bij het Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche Westindische Bezittingen en het Reglement op het beleid der regering, het justitiewezen, de handel en de scheepvaart voor de kolonie Suriname, die beide op 1 augustus 1828 in werking traden. Voortaan was er een goeverneur-generaal voor alle West-indische koloniën, die tevens goeverneur van Suriname was. Hem werden vier personen toegevoegd, die met hem de Hoge Raad uitmaakten. In Suriname werd het Hof van Politie en Criminele Justitie opgeheven en kwam voor het Hof van Civiele Justitie het Hof van Civiele en Criminele Justitie in de plaats. IV. Bestuur van Oost-Indië. In de tijd, toen Van den Bosch tot goeverneur-generaal werd benoemd, werd Nederlands-Indië bestuurd volgens een regeringsreglement, dat door de commissaris-generaal Du Bus de Ghisignies op 30 augustus 1827 voorlopig was ingevoerd. Dit was echter niet door de koning bekrachtigd en werd vrijwel onmiddellijk na de aankomst van Van den Bosch op Java vervangen dooreen in Nederland bij Koninklijk Besluit vastgesteld reglement, dat op 19 januari 1830 in Indië werd afgekondigd. De bedoeling van die wijziging was een rechtsbasis te verschaffen aan het cultuurstelsel. Krachtens beide reglementen werd de Hoge Regering gevormd door de goeverneur-generaal met vier Raden van Indië; de goeverneur-generaal moest alle zaken, waarover een besluit genomen diende te worden, ter overweging voorleggen aan deze Raden, maar was bevoegd ook te besluiten tegen de meerderheid in (besluiten "in" en "buiten Rade"). Daar in de praktijk de goeverneurs-generaal Van den Bosch en Baud van de Raden van Indië nogal wat tegenwerking ondervonden, werd op 26 september 1836 weer een nieuw regeringsreglement ingevoerd, waarbij de Raden slechts een louter adviserende bevoegdheid overhielden, terwijl de goeverneur-generaal zelf strikt afhankelijk werd van de minister van Koloniën. In paragraaf I is al vermeld, dat Van den Bosch vanaf 27 juni 1833 optrad inde kwaliteit van Commissaris-generaal. Bij afwezigheid van de goeverneur-generaal werd zijn funktie waargenomen door een luitenant-goeverneur-generaal en bij diens afwezigheid door een van de Raden van Indië. De Hoge Regering werd bijgestaan door een Algemeen Secretaris, aan wie nog een of meer adjunct-secretarissen waren toegevoegd. Voor de justitie in hoogste instantie was er een Hooggerechtshof; daaronder plaatselijke raden van Justitie. Aan het hoofd van de financiën stond een directeur-generaal, onder deze een directeur van 's lands middelen en domeinen en een directeur van 's lands produkten en civiele magazijnen. Voorts was er een Algemene Rekenkamer en uiteraard een belastingdienst. Een hoofdingenieur had het beheer over 's lands civiele gebouwen en waterstaatswerken. De burgerlijke en militaire geneeskundige dienst waren verenigd onder één chef. Voor het onderwijs, het natuurkundig onderzoek en de landbouw waren commissies ingesteld. De algemene leiding van de cultures werd aanvankelijk opgedragen aan een lid van de Raad van Indië, sinds 3 december 1833 aan een inspecteur, onder wie inspecteurs voor de indigo-, thee-, koffie en zijdecultures werkzaam waren. Het plaatselijke bestuur werd uitgeoefend door europese in samenwerking met inheemse ambtenaren. Laatstgenoemden heetten regenten; zij kwamen uit de bevolking voort en hun recht op erfopvolging werd, hoewel het niet in het regeringsreglement was vastgelegd, feitelijk erkend. De hoogste europese ambtenaren waren in het algemeen de residenten, boven wie in sommige Buitenbezittingen nog een goeverneur was geplaatst. Java was verdeeld in de residenties Bantam, Batavia, Preanger-regentschappen, Cheribon, Tegal, Pekalongan, Semarang, Soerakarta, Djokjakarta, Kedoe, Japara en Joana, Rembang, Soerabaja, Passaroean en Bezoekie en Banjoewangie, waaraan na de beeindiging van de Java-oorlog nog Banjoemas, Bagelen, Madioen en Kediri werden toegevoegd (zie paragraaf I). Na de onderwerping van Dipo Negoro werden resp. op 11 maart en 17 april 1830 drie commissarissen tot regeling der Vorstenlanden benoemd, voor welke commissie op 18 december van dat jaar één commissaris in de plaats kwam, terwijl toen tevens een commissaris aan de hoven van Soerakarta en Djokjakarta werd benoemd. De Molukken stonden onder een goeverneur, die op Ambon zetelde, alsmede residenten op Banda en Ternate; Nieuw-Guinea ressorteerde onder de residentie Ternate. Op Celebes was er te Makassar een goeverneur en te Menado een resident. Sumatra was verdeeld in de residenties Sumatra's Westkust (Padang) en Palembang. Borneo had twee residenten, één ter Westkust en één ter Zuid- en Oostkust. Tenslotte waren er nog de residenties Timor, Riouw en Banka en de factorij in Japan, welke laatstgenoemde vestiging onder een opperhoofd stond. Het opperbevel over het leger berustte bij een officier, die de rang van luitenant-generaal of generaal-majoor had. Tussen 26 mei 1830 en 1 september 1831 was er een vacature; het opperbevel werd toen tijdelijk waargenomen door de goeverneur-generaal zelf met onder hem een commandant van het leger te velde. Java was verdeeld in drie militaire afdelingen: Batavia, Semarang en Soerabaja. Naast de gewone militaire landmacht was er een politieleger, bestaande uit de (europese) schutterijen en de zgn. pradjoerits en djajang sekar, beide inheemse corpsen, waarvan het eerstgenoemde een infanterie- en het tweede een cavaleriecorps was. Nederlands-Indië had een (kleine) eigen marine, met twee scheepswerven, n.l. op het eiland Onrust en te Soerabaja. V. Het departement van Koloniën. Van den Bosch was de eerste minister, die aan het hoofd stond van een afzonderlijk departement van Koloniën. Van 1 april 1824 af was er een departement van Nationale Nijverheid en Koloniën, van 9 april 1825 af een van Marine en Koloniën, van 1 januari 1830 af een van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën en 1 oktober 1831 tot 1 januari 1834 een van Nationale Nijverheid en Koloniën. Na Van den Bosch' aftreden was van 10 augustus 1840 tot 1 januari 1842 Koloniën weer gecombineerd met Marine en vervolgens blijvend zelfstandig. Op 30 juli 1824 werd onder de minister van Nationale Nijverheid en Koloniën een directeur voor de zaken der Oost-Indische bezittingen benoemd, die in het departement van Marine en Koloniën overging als directeur voor de zaken der Koloniën. Baud bekleedde achtereenvolgens deze beide funkties tot zijn vertrek naar Indië in september 1832. Tussen 1 april 1824 en de ambtsaanvaarding van J. van den Bosch waren er de volgende ministers: 1824 maart 30-1829 oktober 1 1824 maart 30-1829 oktober 1 1829 oktober 1-1830 januari 1 1829 oktober 1-1830 januari 1 1830 januari 1-1830 oktober 4 1830 januari 1-1830 oktober 4 1830 oktober 4-1834 januari 1 1830 oktober 4-1834 januari 1 1834 januari 1-1834 mei 30 1834 januari 1-1834 mei 30 Van den Bosch werd als minister opgevolgd door J.C. Baud, die het bleef tot 1848. Sinds 10 mei 1825 had het departement een secretaris-generaal. Ook was er steeds een referendaris speciaal belast met de Westindische zaken. In 1837 werden J.D. Kruseman, oud-directeur van 's- lands middelen en domeinen in Nederlands-Indië, en de gepensioneerde officieren F.J. Timmermans en J.L. van der Smissen als bizondere inspecteurs aan het departement verbonden. VI. De familie Van den Bosch In de aanvulling op het archief Van den Bosch komen naast stukken van en betreffende Johannes van den Bosch ook stukken voor afkomstig van zijn verwanten. Johannes' eerste vrouw was Catharina Lucretia de Sandol Roy, dochter van Simon de Sandol Roy en Gertrude Cornelia van Schoor. Haar vader was officier in Poolse en Pruisische dienst en legercommandant in Nederlands-Indië, waar Johannes van den Bosch met haar kennismaakte. Catharina Lucretia schonk Johannes vijf kinderen: twee dochters en drie zoons. Zij overleed op 27-jarige leeftijd te Amsterdam. Uit hun huwelijk sproten: Gertrude Cornelie Adrienne (1805-1890); zij huwde met Henri Guillaume de Sandol Roy, familie van haar moeder. Henri Guillaume diende evenals Simon in het Pruisische leger. Johannes Hendrik (1807-1854); hij bekleedde in zijn korte leven-hij overleed aan een tropische ziekte-verschillende functies. Zo was hij resident van Buitenzorg, lid van het Hooggerechtshof en inspecteur van de chochenilleteelt. Hij was vader van tien kinderen. Over dat grote kindertal schreef zijn vader eens plagend aan hem en zijn vrouw: "Ik omhels u en uwe goede Jenny die haar best schijnt te doen om het aardrijk te bevolken". Adriana (1808-1831); voor haar had Johannes van den Bosch een speciaal plekje in zijn hart. Hij was dan ook zeer getroffen door haar overlijden op slechts 23-jarige leeftijd na een huwelijk van nog geen jaar met Justus van Schoor, Raad van Indië. Hendrik (1812-1882) trouwde, evenals zijn broer François, met een freule Junius van Hemert. Hendrik had uit zijn huwelijk zeven kinderen, waarvan twee zoons; van beiden, Johannes (1847-1918) en Willem Joannes Petrus (1848-1914), komen archivalia in het archief voor, waarbij de nadruk ligt op de jongste van de twee, omdat deze de archieven van zijn vader en van zijn grootvader bewaard heeft en zijn eigen archief daarbij heeft gevoegd. Willem Joannes Petrus maakte carrière in het leger; reeds op 17-jarige leeftijd ging hij in militaire dienst. Twaalf jaar later was hij ordonnansofficier in dienst van koning Willem III. Op 51-jarige leeftijd ging hij met pensioen. Tot zijn dood was hij lid, later secretaris van de Hofcommissie. Deze commissie adviseerde ondermeer over het verlenen van het predikaat Koninklijke en over het voeren van het koninklijk wapen. In zijn partikuliere leven was hij vooral op economisch gebied werkzaam. In Nederlands-Indië had hij belangen in een delfstof-ontginningsmaatschappij en in verschillende tramwegmaatschappijen. In Nederland was hij een aantal jaren commissaris van de N.V. Hotel des Indes te Den Haag en directeur van de N.V. Cultuurmaatschappij Pondok Gedeh. De aandelen van deze cultuurmaatschappij waren alle in handen van de familie Van den Bosch. Verder was Willem een fervent genealoog. Hij was van 1908 tot zijn dood lid van het heraldisch en genealogisch genootschap De Nederlandsche Leeuw. Van zijn hand is in het archief een getypte stamboom van de familie Junius van Hemert aanwezig. VII. De familie Van Hemert, later geheten Junius van Hemert De stamvader van de familie Van Hemert, Frans Janszoon, was molenaar te Dordrecht. Zijn kleinzoon Paulus was koopman te Amsterdam. In 1762 werd te Amsterdam Joannes Junius van Hemert geboren, het eerste lid van de familie, dat in het archief sporen heeft nagelaten. Hij studeerde rechten in Utrecht en promoveerde daar, nauwelijks twintig jaar oud. Kort daarop trouwde hij in Den Haag met Pieternella Tierens. In Utrecht was hij kannunnik van het kapittel van de Dom. Uit zijn huwelijk werd één zoon geboren: Willem Joannes (1790-1858). Hij studeerde rechten en werd procureur-generaal bij het Provinciaal Gerechtshof van Zuid-Holland. Hij was heer van Nieuwerkerk en Duiveland. Een aantal jaren was hij lid van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal. Op 22-jarige leeftijd huwde hij te Utrecht met Elisabeth Jacoba Lucia Reitz, geboren aldaar. Hij overleed in 1858 te De Bilt ten huize van zijn schoonzoon Hendrik van den Bosch. Uit zijn huwelijk sproten acht kinderen voort, waaronder twee dochters. Van deze kinderen hebben er zes sporen in het archief achtergelaten. De oudste, Johannes Pieter (1814-1881), koos voor een carrière in het leger. Hij werd luitenant-kolonel der artillerie. Van de dochters huwde Aletta Elisabeth Antonia Jacoba (1815-1888) op 30-jarige leeftijd met François van den Bosch (1813-1882). Hij was tweede luitenant in het tiende regiment lanciers. Aletta's jongere zuster, Elisabeth Jacoba Lucia (1820-1895), trouwde toen ze twintig jaar was met Hendrik van den Bosch (1812-1882), burgemeester van De Bilt. Hendriks huis, Jagtlust, is tegenwoordig het gemeentehuis van De Bilt. Willem Joannes (1821-1887) trad in het voetspoor van zijn vader; ook hij studeerde rechten. Hij werd officier van justitie aan de rechtbank te Almelo. Zijn jongere broers Gijsbert Christiaan (1822-1887) en Paulus Zeger (1827-1875) vervulden eveneens een functie in de provincie Overijssel. Gijsbert was lid van Provinciale Staten, terwijl zijn broer Paulus burgemeester van de gemeente Zalk en Veecaten was. VIII. De Cultuurmaatschappij Pondok Gedeh Het laatste gedeelte van het archief bevat stukken betreffende de Cultuurmaatschappij Pondok Gedeh. Deze maatschappij beheerde de landen genaamd Pondok Gedeh, Tjoetak Tjawie Tjoetak Tjiederoek, die Johannes van den Bosch in 1832 van Nicolaas Engelhard gekocht had. Na de dood van Johannes van den Bosch werden zij eigendom van al zijn kinderen en hun verdere nakomelingen. In de loop van de tijd werd dit aantal zo groot, dat men besloot de landen onder te brengen in een naamloze vennootschap, waarvan dan de familieleden aandeelhouders zouden zijn. In de in 1887 gevormde N.V. werd het beleid gevoerd door twee directeuren en een aantal commissarissen, die de hoofdadministrateur van Pondok Gedeh, die op de landen in Indië verbleef, controleerden en van instructies voorzagen. Elk voorjaar bracht de directie van de N.V. een jaarverslag uit over het afgelopen jaar. In een dan bij elkaar geroepen aandeelhoudersvergadering werd dit verslag besproken.
"De administratie van Justitie bestond aanvankelijk uit één persoon nl. de ondergetekende". Zo begint het relaas dat de secretaris-generaal en minister van het Londense ministerie van Justitie mr. dr. J.R.M. van Angeren (1894-1959) schreef over zijn ervaringen in de oorlog aan de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Van Angeren had op 13 mei 1940 toestemming gekregen om de uitgeweken regering naar Londen te volgen. Hij vreesde arrestatie door de Duitse bezettende macht omdat hij vanaf 1930 als hoofd van de afdeling Politie en sedert 1937 ook als secretaris-generaal een spil was geweest bij het ministerie van Justitie, zoals bijvoorbeeld bij spionage tegen Hitler-Duitsland en bij de arrestatie van NSB-ers tijdens de meidagen van 1940. Hij wist te veel. In een gesprek met minister mr. M.P.L. Steenberghe had hij ook nog gewezen op de noodzaak van een goede ambtelijke ondersteuning van de ministers in Engeland. Van Angeren was één van de twee secretarissen-generaal uit Den Haag, de ander was jhr. mr. A.M.C. van Asch van Wijck van het ministerie van Financiën, die de regering naar Londen volgden en deze daar terzijde zouden staan. Hij was in Londen van 14 mei 1940 tot 25 februari 1942 secretaris-generaal van het ministerie van Justitie onder minister mr. P.S. Gerbrandy, van 25 februari 1942 tot 12 juli 1944 zelf minister van Justitie en van 12 juli 1944 tot na de bevrijding wederom secretaris-generaal, nu onder minister dr. G.J. van Heuven Goedhart. Hij was zo één van de personen die de gehele oorlog door in de top van het Londense bestuursapparaat werkte. Na de bevrijding van Nederland keerde hij met de regering terug naar Nederland. Hij werd per 1 november 1945 benoemd tot lid van de Raad van State. De Nederlandse regering werd bij haar aankomst in Londen met de enkele haar ten dienste staande ambtenaren gehuisvest in het hotel Grosvenor House. Van een ambtelijk apparaat was nog geen sprake. Een leegstaande slaapkamer van dit hotel werd gebruikt als werkkamer voor Van Angeren en Van Asch van Wijck. In deze kamer vergaderde ook de ministerraad zeer regelmatig. Van Angeren en Van Asch van Wijck moesten dan hun werkkamer verlaten. "Aanvankelijk werden alle correspondentie en elk wetsontwerp gemaakt op hotelpapier van Grosvenor House. Na enige tijd kwam er een juffrouw, die wel telefoneerde, maar niet kon typen. Men had geen Staatsbladen en geen Staatscourant", zo typeerde Van Angeren die beginperiode. Onder deze primitieve omstandigheden moest Van Angeren snel een nieuw ministerie van Justitie opbouwen, temeer daar er zich meteen op juridisch gebied vele ingewikkelde vraagstukken voordeden. Er werd een ruimere behuizing gevonden in Londen en langzamerhand werd een klein team gevormd van ambtenaren; dit bestond voor het grootste deel uit mensen die ook naar Londen waren uitgeweken. De Beknopte Almanak van het Departement van Buitenlandsche Zaken, uitgegeven te Londen in 1945, vermeldt negen ambtenaren die werkzaam waren bij het ministerie van Justitie. Telt men het in de almanak vermelde personeel van de onder de verantwoording van Justitie werkende diensten er bij, dan komt men op een totaal van 37 functies. Daarbij moet dan wel rekening gehouden worden met diverse dubbelfuncties: mr. W. de Jager was bijvoorbeeld werkzaam bij het ministerie (afdeling I), maar hij was tevens adjunct-secretaris van de Commissie Rechtsverkeer in Oorlogstijd (Corvo) en rechter-plaatsvervanger bij de Nederlandse rechtbank in Londen. Dergelijke personele unies kwamen veelvuldig voor. Het lagere personeel, zoals typistes, wordt overigens in deze almanak niet vermeld. Gezien deze moeilijkheden is het niet verwonderlijk dat het eerste door de minister vastgesteld organisatie-overzicht van het ministerie van Justitie pas dateert van 17 augustus 1942. Het overzicht vermeldt het bestaan van twee afdelingen ( I en II) met een gemeenschappelijk secretariaat, onderverdeeld in twee bureaus. Afdeling I had tot taak de behandeling van alle juridische zaken, de zaken betreffende het rechtsverkeer in oorlogstijd en betreffende de 'Maritime Courts'. Afdeling II behandelde alle zogenaamde politiezaken, de geheime correspondentie voorzover niet opgedragen aan Afdeling I, de begroting en personeelszaken. De reeds vermelde almanak uit 1945 geeft een meer gespecificeerde opgave; deze toont ook de ontwikkeling aan welke het ministerie in die jaren doormaakte: Afdeling I: Aangelegenheden van staatsrechtelijke, burgerrechtelijke, strafrechtelijke en procesrechtelijke aard; Rechterlijke organisatie; Nederlanderschap; Vergunningen tot het treden in vreemde staats- of krijgsdienst; Auteursrecht; Vennootschapsrecht; Gratie; Consulaire wetgeving; Onderwerpen van sociale wetgeving; Rechtsverkeer in oorlogstijd; Uitvoering van besluiten inzake de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland; Herstel van het rechtsverkeer na de oorlog; Advies en hulp aan andere departementen op wetgevend en juridisch gebied. Afdeling II: Politie; Kabinet van de minister; Begroting en uitgaven van het Departement en van daaronder ressorterende diensten; Personeel van het Departement, van de Nederlandse gerechten, van de Politie-Buitendienst en van het Centraal Toezicht op de door de Nederlandse gerechten in Groot-Brittannië en Noord-Ierland voorwaardelijk veroordeelden; Uitgifte van het Staatsblad en van de Nederlandse Staatscourant. Volgens Van Angeren lagen de intellectuele zwaartepunten van de taken van het ministerie van Justitie bij de "terugkeer- en herstelwetgeving" voor de na-oorlogse periode, zoals bijvoorbeeld het Besluit Bijzondere Staat van Beleg (D-60) en het Besluit Herstel Rechtsverkeer (E-100), en bij de juridische aspecten van de economische oorlogvoering door de Nederlandse regering in ballingschap. De minister van Justitie (en niet de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, HNS) was de eerste ondertekenaar van de op die economische oorlogvoering betrekking hebbende Koninklijke Besluiten, zoals A-1, A-6, C-34 en nog diverse andere, en derhalve ook de eerstverantwoordelijke voor de uitvoering van die besluiten. De hier genoemde taken betreffen die van het ministerie zelf. Gedurende de oorlogsjaren werden nog een aantal instellingen opgericht, welke direct onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie vielen. Deze waren: De Commissie Rechtsverkeer in Oorlogstijd (Corvo). De Corvo werd in het leven geroepen door artikel 46, lid 4, van het KB A-6 van 7 juni 1940 (Besluit rechtsverkeer in oorlogstijd). Het Besluit A-6 verbood alle rechtsverkeer met vijandelijk gebied, tenzij een daartoe aangewezen commissie, de Corvo, haar toestemming had verleend. De Corvo benoemde verder beheerders voor de door het Besluit A-1 onteigende Nederlandse eigendommen waarvan de eigenaren zich in bezet gebied bevonden. Er werden drie van deze commissies in het leven geroepen, in Londen, in Batavia en in Curaçao. Na de bezetting van Nederlands-Indië nam de Londense Corvo de taken van Corvo-Batavia over. De Adviescommissie Zwarte Lijst. Deze adviescommissie werd ingesteld bij KB C-64 van 22 oktober 1942 en was het gevolg van de uitnodiging aan de Nederlandse regering om zitting te nemen in de Amerikaans-Britse 'Black-List Committee'. Het was conform de regels van de 'Trading with the Enemy Act' verboden om handel te drijven met personen of bedrijven die op deze "Black List" voorkwamen. De Nederlandse regering gaf ook een eigen 'Zwarte Lijst' uit, daarin geadviseerd door deze commissie. De Politie-Buitendienst. In juli 1940 werd de Centrale Inlichtingen Dienst (CID) opgericht. Hoofd van deze dienst werd F. van 't Sant. De CID stond onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van minister Gerbrandy; de taken werden zo geheim geacht dat het aan de secretaris-generaal Van Angeren -en daarmee aan de ambtenaren van het ministerie- strikt verboden werd om zich met de CID te bemoeien. De CID verenigde in zich zowel een inlichtingen- als een veiligheidsdienst en had onder meer tot taak om betrouwbaarheidsonderzoeken onder Nederlanders te verrichten. Ook hield de CID zich bezig met infiltratie en sabotageacties in bezet Nederland. Na allerlei verwikkelingen en departementale verschuivingen vond in de loop van 1942 een reorganisatie plaats en werd de taak voor de betrouwbaarheidsonderzoeken onder de gewone verantwoordelijkheid van de minister van Justitie gebracht. De afdeling van de CID welke deze werkzaamheden tot op dat moment verrichtte, ging op 1 juli 1942 als nieuwe dienst over naar Justitie en werd bekend als de Politie-Buitendienst. De Nederlandse gerechten. Als gevolg van de afkondiging van de Britse Allied Powers (Maritime Courts) Act 1941 op 22 mei 1941 vaardigde de Nederlandse regering op 3 october 1941 het Koninklijk Besluit B-79 uit, het 'Organisatie-Besluit Bijzondere Nederlandsche Gerechten'. Hierin werd bepaald dat er op het grondgebied van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een Nederlandse rechtbank in Londen, een nader te bepalen aantal Kantongerechten en een Buitengewone Raad voor de Scheepvaart bestonden. Het Centraal Toezicht op de door Nederlandse gerechten in Groot-Brittannië en Noord-Ierland veroordeelden. Bij KB D-11 van 18 maart 1943 werd bepaald dat het verlenen van hulp en steun, zoals bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, aan personen welke door een van de Nederlandse gerechten waren veroordeeld, opgedragen kon worden aan een instelling die door de minister van Justitie was aangewezen. De minister van Justitie stelde het Centraal Toezicht in te Londen bij beschikking van 22 juli 1943, Staatscourant 1943 nummer 5. Het Centraal Toezicht hielp voorwaardelijk veroordeelden bij de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden, bracht rapporten uit aan de gerechten over verdachten, en diende de reclassering van voorwaardelijk veroordeelden te bevorderen. De ministerraad besloot op 6 juni 1944, de dag van de geallieerde invasie in Normandië, om uiterlijk nog zes maanden na de terugkeer van de regering in bevrijd Nederland afwikkelingsbureaus van de verschillende ministeries in Londen te laten voortbestaan. Na deze periode zouden de afwikkelingsbureaus op moeten gaan in de Nederlandse ambassade aldaar. Bij beschikking van de minister van Justitie van 14 juni 1945 werd het tijdelijk Bureau Londen van het ministerie ingesteld en werd mr. W. de Jager aangesteld tot hoofd. Dit Bureau had het karakter van een afwikkelingsbureau en kende drie onderbureaus: één voor juridische zaken, één voor politionele, geheime en comptabele zaken en één voor administratieve zaken. De juridische zaken bestonden met name uit de afwikkeling van de activiteiten met betrekking tot het zogenaamde rechtsverkeer in oorlogstijd. Het tweede onderbureau was in eerste instantie intermediair tussen het ministerie in Den Haag en de nog in Londen aanwezige Politie-Buitendienst, de Commissie inzake Oorlogsmisdrijven en de Nederlandse gerechten in Londen. Met name de onderzoeken van naar Nederland te repatriëren 'onbetrouwbare' personen en de controle op Nederlands koopvaardijpersoneel nam veel tijd in beslag. Ook de vele reizen van en naar Nederland door justitiepersoneel werden door dit onderbureau gecoördineerd. Het derde onderbureau was belast met de administratie, het archief en het "overschrijven en verzenden van stukken"; vele 'Londense' dossiers waren ter raadpleging of afdoening in Den Haag nodig. Bij gemeenschappelijke beschikking van de ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken van 4 januari 1946 werd besloten om met ingang van 15 februari 1946 de werkzaamheden van het Bureau Londen onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie te laten, maar deze wel onder het algemeen toezicht van de Nederlandse ambassadeur te plaatsen. De minister van Justitie trok op 5 januari 1946 zijn beschikking van 14 juni 1945 in met ingang van 15 februari 1946. De steeds minder wordende taken van het tijdelijk Bureau Londen werden vervolgens voortgezet door het toen ingestelde Bureau van de Juridisch Adviseur bij de ambassade; mr W. de Jager werd de juridisch adviseur met de rang van ambassaderaad. De kosten werden door de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken gemeenschappelijk gedragen. Omdat het werk voortvloeiend uit de oorlogsperiode voortdurend verminderde, werd steeds meer personeel onttrokken aan het Bureau van de Juridisch Adviseur en werd De Jager meer en meer ingezet voor juridisch advieswerk ten behoeve van de ambassade zelf. Met ingang van 1 juli 1950 werd zijn tewerkstelling als juridisch adviseur bij de ambassade beëindigd Voor een uitgebreider overzicht van de bemoeienissen van het ministerie van Justitie in Londen wordt hierbij verwezen naar de bijlagen 1 en 2 van deze inleiding.
De stamvader van de Amsterdamse familie Luden was Johan Luden, geboren te Bergen in Noorwegen in 1668. Hij vestigde zich aan het eind van de zeventiende eeuw als stokviskoopman in de Zandstraat te Amsterdam. De stokvisnegotie werd voortgezet door zijn twee zonen en kleinzoons, die ook een assurantiebedrijf voerden. In de loop van de achttiende eeuw waren verschillende leden van deze familie werkzaam als commissarissen van de Wisselbank en het accent van hun activiteiten werd verlegd naar de geldhandel. De generaties die daarop volgden (1860 1940) hielden zich primair bezig met het bankvak, onder meer bij de firma’s Hope en Co. en Van Loon en Co. In de negentiende eeuw vertrokken meerdere leden van de familie naar landgoederen rond Doorn en Overveen. Omstreeks 1950 werd een aantal van deze gebieden weer verkocht, onder andere aan de gemeenten Doorn en Bloemendaal. Van de drie zonen uit de laatste generatie (1890 1960) bleven er twee ongetrouwd. De derde verdronk in de Noordzee met achterlating van een zoontje, die op twaalfjarige leeftijd overleed aan tuberculose. Hierdoor stierf de familie Luden in 1968 uit. Geschiedenis van de familie Luden per generatie. Jacob Luden (1703 - 1784) en Hendrik Luden (1709 - 1752) De beide broers Jacob en Hendrik Luden handelden gezamelijk in stokvis. Hendrik was tevens overman van het stokviskopersgilde. Na het overlijden van Hendrik trouwde diens weduwe Catharina Hedwig Lubekker in 1754 met Jurriaan Bartelse. Hij zette de zaken van Hendrik voort. In 1778 gingen Jurriaan en twee zonen van Hendrik, Johannes en Petrus, een compagnieschap aan in de stokvishandel ’De firma Bartelse en Luden relatief tot de negotie’. Daarnaast had Jurriaan nog een assurantiebedrijf. Na het overlijden van Jurriaan in 1779 werden de pakhuizen Bergen, Finmarken en Drontheim, waarin de firma was gevestigd, en alle gereedschappen behorende tot de negotie toebedeeld aan Johannes en Petrus. De pakhuizen Geloof, Hoop en Liefde op de Prinsengracht waren eigendom van Jacob Luden. Hij kocht deze voormalige brouwerij ’De Drie Schulpen’ op de Prinsengracht in 1753 en verbouwde het complex tot de drie bovengenoemde pakhuizen. Hij bezat ook zes pakhuizen op het Rapenburg. Na zijn overlijden kreeg zijn oudste zoon Johannes de pakhuizen Geloof en Hoop en de buitenplaats Vreedeveldt. De tweede zoon Dirk verwierf onder meer het pakhuis De Liefde en het oude woonhuis op de Keizersgracht 105, dat Jacob Luden in 1762 had gekocht. In 1801 kocht Johannes het pakhuis De Liefde van zijn broer Dirk. Johannes en Petrus Luden traden op als executeur-testamentair van Jurriaan Bartelse. Johannes Luden Hendriksz (1739 1794) en Petrus Luden (1749 1822) Johannes Luden Hendriksz was onder meer reder en koopman op de West, assuradeur bij de firma Luden en Speciaal, later Luden en Co., overman van het stokviskopersgilde en commissaris van de Wisselbank, de voornaamste ’bank’ ten tijde van de Republiek. Johannes was tevens een der directeuren van de lijnbaan ’Het groote Speeljacht’, opgericht in 1767. Deze lijnbaan werd in 1808 geliquideerd. Andere lijnbanen die hij in eigendom had waren ’Het huis van Egmond’ en ’Het schild van Frankrijk’. Hij trouwde in 1763 met Catharina Speciaal, dochter van Hendrik Speciaal en Maria Johanna de Visscher. Zij was de kleindochter van Jacob Speciaal, koopman en assuradeur, schepen en later burgemeester te Oostzaan. Twee jaar na het overlijden van zijn vrouw trouwde Johannes in 1778 met Margareta Martina Dibbetz, dochter van Margaretha Smit en Frederik Dibbetz, die onder meer bankier was bij de firma Fred. Dibbetz en Zoon. Johannes overleed in 1794. In 1797 werd de Compagnieschap in de stokvishandel ’Bartelse en Luden’ gescheiden en verdeeld, waarbij Petrus Luden werd aangesteld tot beheerder van de pakhuizen met de restrictie om over het gevoerde bewind jaarlijks verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. Pas in 1810 werd zijn nalatenschap finaal gescheiden en gedeeld. Zijn broer Petrus begon op dertienjarige leeftijd bij het comptoir van Theodore Passalaique en Zoon. Na een leerperiode van zeven jaar nam hij het besluit om voor zichzelf te beginnen en hij verzocht om een veniam aetatis. Hij trouwde in 1774 met Dorothea Mathilda Hemmij, dochter van Johan Coelestinus Hemmij en Magtilda Vergeel. In 1780 werd Petrus procuratiehouder van de firma ’Johannes Vergeel en Co.’, deze firma werd geleid door zijn schoonmoeder. Petrus en Dorothea Mathilda hadden een kind, een jong gestorven zoon Johannes (12 juni 1776 - 2 december 1776), en lieten bij hun dood geen nakomeling na. Jurriaan Bartelse, Jacob Speciaal, Jacob Luden Hendriksz, Petrus Luden en Hendrik Luden werden aangesteld tot executeurtestamentair van Johannes Luden Hendriksz. Stukken betreffende zijn nalatenschap zijn te vinden bij zijn broer Petrus Luden en zijn zoon Jacob Hendrik Luden. Jacob Hendrik Luden (1765 1838) Jacob Hendrik was bankier, hij had zijn eigen onderneming de ’Firma Jacob Hendrik Luden en Zoonen’, hij was lid van de Raad van Amsterdam en commissaris van de wisselbank. Hij trad veelvuldig op als executeur-testamentair. Jacob Hendrik woonde aanvankelijk op de Keizersgracht bij de Reguliersgracht, later verhuisde hij naar de Herengracht. Hij trouwde in 1790 met Susanna Anthonia Luden, een volle nicht, dochter van Johannes Luden Jacobsz en Maria van den Bergh. Jacob Hendrik trouwde in 1809 met Maria Luden eveneens een volle nicht en dochter uit het tweede huwelijk van Dirk Luden en Elisabeth van Heyningen. Hij had in totaal negen kinderen, vijf uit het eerste en vier uit het tweede huwelijk. Maria Luden overleed op 42-jarige leeftijd in het kraambed, na de geboorte van het ’nakomelingetje’ Hendrik, hun vierde kind. Jacob Hendrik maakte enige reizen, onder andere naar Engeland. Veel stukken van persoonlijke aard heeft hij ons echter niet nagelaten. Het grootste gedeelte van het archiefmateriaal dat aan hem kan worden toegeschreven zijn de stukken die hij heeft opgemaakt en ontvangen als executeur-testamentair. Zijn executeur-testamentair was Johannes Luden (zijn oudste zoon). Johannes Luden (1792 1868) en Hendrik Luden (1796 1815) Al op zeventienjarige leeftijd kreeg Johannes Luden de gelegenheid om op reis te gaan. In 1809 begon hij aan zijn ’Grand Tour’ en vertrok naar Duitsland, Zwitserland en Itali¨e. Tussen 1811 en 1813 reisde hij door Rusland. Hij kwam gedurende zijn reizen veelvuldig in contact met bankiers. Johannes Luden wilde het zakenleven echter nog niet in. Hij hoopte op een carri`ere als diplomaat of een militaire loopbaan. Na zijn terugkomst in het vaderland trad hij gedwongen toe in Napoleons Garde d’Honneur. In 1815 werd Johannes aangesteld tot kapitein bij de Amsterdamse schutterij. Hij werkte vervolgens enige tijd als volontair bij een Parijse bankier en samen met zijn broer Jacob Johannes werkte hij als volontair op het kantoor van Rene Beerenbroek. Hij studeerde rechten in Utrecht en Luik. Johannes trouwde in 1823 met Anna Catharina Duker, dochter van Petrus Gerardus Duker en Anna Catharina Boode. Hij verwierf via de familie van zijn vrouw de plantage Cornelia Ida te Demarary (Suriname), waar Petrus Gerardus Duker fiscaal en auditeur militair was. In 1829 kocht hij een huis op de Herengracht (nr.527). Op 18 maart 1830 promoveerde hij op een proefschrift over de legitieme portie en de wijze om deze op te eisen. Een juridische loopbaan werd het echter niet. Johannes werd benoemd tot kolonel en ingedeeld bij de tweede afdeling van het tweede bataljon schutters van Noord-Holland. Op 4 augustus 1831 trok hij ten strijde tegen de Belgen in de Tiendaagse Veldtocht. Hij werd benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde en in 1832 ontving hij het Metalen Kruis ter herrinering aan de veldtocht. Johannes werd in 1835 aangesteld tot commissaris van de Nederlandsche Handel Maatschappij en in 1836 benoemd tot direkteur van de Nederlandsche Bank, opgericht in 1814 door Willem I. Deze functie heeft hij pas in 1862 neergelegd. Johannes was tevens lid van de Raad van Amsterdam en lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Als adjudant des konings is hij aanwezig geweest bij de inhuldiging van koning Willem II. Zijn broer Hendrik overleed al op negentienjarige leeftijd te Brussel. Hij was Luitenant bij de Carabiniers. De nalatenschap van Hendrik Luden werd afgewikkeld door zijn vader Jacob Hendrik Luden. De nalatenschap van Johannes Luden werd afgewikkeld door zijn zoon Hendrik Lodewijk Maurits Luden. Hendrik Lodewijk Maurits Luden (1828 1903) Evenals zijn vader Johannes Luden studeerde Hendrik Lodewijk Maurits, ook genoemd Maurice, rechten in Utrecht. Hij behaalde zijn doctoraal in 1851 en werd in 1856 benoemd tot rechter bij het kantongerecht te Amsterdam. Hij woonde met zijn vrouw, Marie Louise Craeyvanger, en hun vier kinderen in het ouderlijk huis, op de Herengracht 527. Het gezin verhuisde in 1874 naar de Herengracht 498. Hendrik Lodewijk Maurits was commissaris van de Nederlandsche Bank en van de Nederlandsche Handelmaatschappij. In 1890 werd het kantoor ’The Cornelia Ida Estate Company ltd.’ opgericht, welke zich bezig hield met de exploitatie van suikerplantages te Demararey. Hendrik Lodewijk Maurits was administrateur van dit kantoor. Hij overleed in 1903 en zijn nalatenschap werd afgewikkeld door zijn twee zonen Johannes en Emil, maar stukken betreffende de afwikkeling van zijn nalatenschap zijn alleen te vinden onder Johannes Luden. Johannes Luden (1857 1940) en Emil Luden (1863 1942) Ook Johannes studeerde rechten in Utrecht. Hij promoveerde in 1879 bij J.A. Fruin op de dissertatie ’Het onvolledig endossement en de procuria wissel’. Zijn belangstelling voor de geldhandel bleek al eerder uit een aantal verhandelingen van zijn hand over de ontwikkeling van het bankwezen en de geldhandel in Amsterdam. In 1880 promoveerde hij bij J. de Louter op stellingen in de staatswetenschap. Na zijn studie was hij korte tijd werkzaam als advocaat in Amsterdam. Hij verliet de advocatuur en ging als ambtenaar werken bij De Nederlandsche Bank, waar hij vanaf 1906 commissaris werd. In 1885 werd Johannes waarnemend directeur van de Rente Cassa, in 1889 lid van de firma Van Loon en Co. en in 1897 trad hij toe tot de firma Hope en Co. Johannes had veel nevenfuncties. Hij was commissaris van de Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Associatie Kas, de Rente Cassa, de Nederlandsche Petroleum Maatschappij, de cultuurmaatschappij Ngredjo en van de North Western en Pacific Hypotheekbank. Hij was enige tijd lid van de gemeenteraad in Bloemendaal en werd gevraagd voor het voorzitterschap van het Nationaal Comite van Actie tegen het verdrag met Belgi¨e. Hij trouwde in 1882 met Mathilde Wilhelmina Johanna Jacoba van der Vliet, een dochter van David van der Vliet en Johanna Jacoba Borski. Johannes woonde met zijn vrouw op de Herengracht 460, dit was het huis dat eerder door David van der Vliet werd bewoond. In 1898 verhuisde het echtpaar met hun vier kinderen naar het landgoed Koningshof in Overveen, ook afkomstig uit de enorme bezittingen van de familie van der Vliet. Tot deze bezittingen behoorde eveneens het ouderlijk huis van Mathilda ’Duinlust’ en de grote buitenplaats Elswout, beide gelegen in Overveen. Duinlust werd na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski bewoond door haar zoon Emil. Johannes Luden werd benoemd tot zijn curator. Elswout werd in 1805 door Willem Borski verworven. Na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski kwam Elswout in het bezit van de erven Van der Vliet en in 1950 ging de buitenplaats over naar de erven Luden. In 1958 werd Elswout verkocht aan de gemeente Bloemendaal en in 1970 verwierf de Staat der Nederlanden het eigendom. Emil Luden was president commissaris van het college van commissarissen van de Deli-Batavia Maatschappij en de Deli-Batavia Rubber Maatschappij, hij was voorzitter van de erfgooiers gemeenschap Stad en Lande van Gooiland en van de raad van administratie der maatschappij voor waterleidingen. Voorts werkte hij mee aan de oprichting van de Electrische Spoorweg Maatschappij, de Maatschappij tot exploitatie van waterleidingen in Nederland en de petroleummaatschappij Moeara Enim. Hij was direkteur van de petroleum maatschappij Maesi Hir. Hij trouwde te Londen in 1887 met Annie Lilian Warburton Stent en het echtpaar kreeg vier kinderen. Het gezin woonde in Hilversum in Huize Spijkerpolder. Executeur testamentair van Johannes Luden was Jan Anton Willem Luden (zijn zoon) Hendrik Luden (1885 - 1924) en Jan Anton Willem Luden (1891 - 1962) Hendrik Luden trouwde in 1916, aanvankelijk zeer tegen de zin van zijn familie, met de amerikaanse Elizabeth Adelaide Cannon. Het echtpaar kreeg een zoontje, Jacky, die op jonge leeftijd aan tuberculose overleed. Hendrik verdronk op 39 jarige leeftijd in de Noordzee. Zijn weduwe hertrouwde Edgar W. Leonard. Zij zette zich onder ondere in voor de tuberculosebestrijding en was betrokken bij de in 1930 opgerichtte Johannes Hendrik Luden Stichting die tot doel had de bestrijding van tuberculose. Jan Anton Willem bleef ongetrouwd. Hij woonde tot aan zijn dood in het ouderlijk huis Koningshof te Overveen.
Levensloop van J.W. Meyer Ranneft Het leven van J.W. Meyer Ranneft valt grotendeels samen met de ontwikkeling van Nederlands-Indië tot Indonesië. Uit de beschrijving van zijn nagelaten papieren blijkt, dat geheel zijn leven en werken in dienst hebben gestaan van de uitbouw van een koloniale samenleving, waarvan hij tevens het abrupte einde heeft beleefd. 1887 - 1929 Jan Willem Meyer Ranneft is geboren op 31 oktober 1887 te Magelang als zoon van Willem Meyer en Everdine Margot Ranneft. Zijn vader, aanvankelijk hulponderwijzer aan een lagere school te Batavia, was ten tijde van Jan Willemsgeboorte hoofd van de "hoofdenschool" (D.w.z. school voor zonen van inlandse hoofden.) te Magelang; hij zou het tenslotte brengen tot adjunkt-inspekteur bij het inlands onderwijs. Everdine Ranneft was sinds 1882 hoofdonderwijzeres aan de openbare lagere meisjesschool te Magelang. Jan Willem ging in 1894 naar de lagere school in Fort de Kock, maar vertrok al in 1896 naar Nederland, waar hij bij een oom in Heemstede in huis kwam. Hij doorliep in Haarlem de H.B.S., waar hij als geschiedenis leraar trof de latere hoogleraar Johan Huizinga die (mét de Leidse Indoloog C. van Vollenhoven) een grote invloed op zijn latere denken zou uitoefenen. Na het behalen van het H.B.S.-diploma, in 1904, vertrok hij naar Den Haag; waar zich inmiddels ook zijn ouders hadden gevestigd, en studeerde gedurende de twee volgende jaren in Leiden voor Indisch bestuursambtenaar, welke studie hij in 1906 afrondde met het zgn. groot-ambtenaarsexamen. Begin 1907 vertrok Meyer Ranneft naar Indië als "ambtenaar ter beschikking van den G.G. van Nederlandsch-Indië". Tijdens een verlofperiode van twee jaar (1916-1918) bezocht hij de Nederlandsch -Indische Bestuursacademie voor hogere vorming van bestuursambtenaren in Den Haag, en behaalde hij de akte M.O.-Staatshuishoudkunde en statistiek. ln deze jaren ook maakte hij reizen naar Zuid-Afrika, Japan en Noord-Amerika. Teruggekeerd in Indië werd hij benoemd tot adjunkt-inspekteur voor agrarische zaken met als standplaats Batavia, welke funktie hij uitoefende van 1918 tot 1925. In deze jaren bezocht hij bijna alle regentschappen om de desa-struktuur te onderzoeken - in verband met plannen van de regering tot instelling van "desa-raden - en het kontakt te bestuderen tussen de inlandse bevolking en het Westerse bedrijfsleven, met name op het gebied van de lonen en de grondverhuur. Na een verlofperiode van 1925 tot 1926 was hij werkzaam als assistent-resident te Pati (1926-1928) en resident ter beschikking te Semarang (1928-1929)- Naast zijn ambtelijke loopbaan maakte Meyer Ranneft naam als publicist, Reeds in 1914 had hij enkele artikelen gepubliceerd over misstanden bij de koeliewerving. In de jaren 1920 verschenen van zijn hand diverse artikelen op het gebied van binnenlands bestuur, het staatsrecht en de agrarische economie, waarin hij naast de economische aspekten ook de daarmee samenhangende sociale verhoudingen belichtte. Scherpe kritiek op vermeend onrecht in de koloniale samenleving zou de grondtoon zijn van zijn vele publikaties, zonder overigens door te stoten naar kritiek op de koloniale verhouding als zodanig. In de jaren 1920-1922 entameerde hij samen met J .H. Boeke een ekonomische studieklub te Batavia voor ambtenaren van het binnenlands bestuur. Deze klub bestudeerde ondermeer de welvaartstoestand van de bevolking op Java. Op grond van zijn theoretische kennis van sociaal-ekonomische kwesties werd Meyer Ranneft gevraagd voor diverse kommissies. Zo was hij van 1921 tot 1923 lid en sekretaris van de kiesrechtkommissie en werd hij in 1925 samen met dr. Huender belast met een onderzoek naar de belastingdruk op de bevolking van Java en Madura, welk onderzoek resulteerde in de afschaffing van het hoofdgeld in januari 1927. In 1927 maakte hij voorts deel uit van een kommissie, die de oorzaken onderzocht van de kommunistische oproeren in Bantam, terwijl hij van 1927 tot 1933 ondervoorzitter was van de kommissie tot het nagaan en verzamelen van gegevens betrekking hebbend op de welvaart der inlandse bevolking. In de jaren 1928 tot 1931 tenslotte was hij lid, in 1929 waarnemend voorzitter van de Hollandsch Inlandsche Onderwijs Commissie. 1929-1936 Reeds in de jaren twintig, van 1924 tot 1925 en 1927 tot 1928, had Meyer Ranneft van zich doen spreken als parlementariër. Als vertegenwoordiger van de bestuursambtenaren in de Volksraad was hij opgevallen door zijn deskundigheid en onpartijdigheid. Alom in Indië zag men het daarom als een logische zaak, dat Meyer Ranneft in 1929 werd benoemd tot voorzitter van de Volksraad. Ook in deze funktie ging zijn aandacht vooral uit naar de welvaart van de inlandse bevolking, met name naar het minimumloon, een zaak die door de ekonomische krisisen de daarbij gevoerde regeringspolitiek zeer moeilijk kwam te liggen. Onder Meyer Ranneft's leiding werd de Volksraad een gezaghebbend instituut, een forum waar ook het inlandse standpunt kon worden gehoord. Deze positieve ontwikkeling werd weer ten dele teniet gedaan onder de sinds 1931 fungerende gouverneur-generaal jhr, B.C. de Jonge, die zich in zijn Herinneringen niet direkt als een parlementair denkend bewindsman doet kennen. Toen Meyer Ranneft in april 1933 werd benoemd tot vice-president van de Raad van Nederlands-Indië en als zodanig direkt na de gouverneur-generaal de hoogst verantwoordelijke gezagsdrager werd, konden spanningen tussen De Jonge en Meyer Ranneft niet uitblijven. Uit beider dagboeken blijkt hoezeer zij qua karakter en achtergrond verschilden. Meyer Ranneft, met meer dan een kwart eeuw intensieve arbeid in Indië achter de rug, moest de nieuwkomer De Jonge wel met een argwanend oog bekijken. In zijn dagboek noteerde hij: "Deze man denkt uitsluitend aan Holland. Wil dan demonstreeren, dat Indië (de Volksraad) hem niet beinvloedt. Een gesprek met den Landvoogd brengt mij nooit veel verder. Of juister, laat mij altijd eenigszins onvoldaan". Omgekeerd loog ook het oordeel van De Jonge over Meyer Ranneft, door hem al vóór 1933 als een "pessimist par excellence" bestempeld, er niet om: "Een succes is Meyer Ranneft als vice-president niet geweest. Hij was ongetwijfeld bekwaam, eerlijk, toegewijd, maar zijn blik was te breed en zijn inzicht te diep, (- -) hij stelde steeds problemen, maar loste ze niet op. Zentgraaff drukte het zoo typisch uit: hij is een kip, die altijd eieren legt, maar ze nooit uitbroedt". Dit laatste beeld wordt door Meyer Ranneft zelf ongewild op treffende wijze bevestigd: "Het gevoel, dat ik in mijn raadgevende positie, zonder steun, zonder groote scherpzinnigheid en kracht, te veel praat en te weinig doe, bekruipt mij soms en niet ten onrechte". De "vlotte landjonker" De Jonge vond zijn vice-president maar een stugge en overdreven zwaar tillende figuur, "streng en weinig plooibaar", waardoor de Raad van Indië bijna nooit meer tot een unaniem advies vermocht te komen, zoals dat onder de door De Jonge geprezen (maar door Meyer Ranneft onbekwaam geachte) vice-president Bodenhausen wèl het geval was geweest. Als vice-president van de Raad van Nederlands-Indië, door verschillende leden van de Raad niet zonder argwaan in het kollege binnengehaald, kreeg Meyer Ranneft te maken met twee belangrijke problemen: de ekonomische krisis en de dreiging van Japan. De politiek van de Nederlandse regering onder leiding van Colijn was erop gericht de Indische begroting zoveel mogelijk te besnoeien. In 1933 kwam Colijn met zijn 300 miljoenplan, dat inhield dat de Indische begroting niet méér mocht belopen dan 300 miljoen gulden, waarbij Indië zoveel mogelijk zelf moest opbrengen. Geheel in deze lijn lag ook Colijn's houding ten aanzien van de handelsbesprekingen tussen Nederlands-Indië en Japan, die in de loop van 1934 te Batavia werden gehouden en van Nederlandse zijde door Meyer Ranneft werden geleid. Colijn begreep in het geheel niet welk een enorme dreiging er reeds toen van Japan uitging, hij dacht slechts aan ekonomische suksessen op korte termijn, daarbij gesteund door een in de ogen van Meyer Ranneft c.s. te weinig "Indisch denkende." gouverneur-generaal: "Wat mij persoonlijk treft is dat de landvoogd (- -) niet stelt: wat eischt het land? maar: wat eischt de heer Colijn? Hier ligt in een paar woorden de heele kwestie van het niet overeenstemmen". Meyer Ranneft ijverde ook als vice-president, zij het meestal vruchteloos, voor een politiek die primair het welzijn van Indië beoogde, ook al kwamen daarbij de belangen van het moederland op de achtergrond In deze conceptie paste een uitbreiding van de bevoegdheden van de Nederlands-Indische regering ten koste van de invloed die een vaak onwetend Nederland en een bemoei zuchtig parlement maar al te graag uitoefenden. Ondanks de voor hem teleurstellende ervaring - ook zijn pleidooi voor versterking van de defensie in Indië stuitte af op Nederlandse onwil - en in tegenspraak tot de wat laatdunkende uitspraken over hem van gouverneur-generaal De Jonge, bleef Meyer Ranneft in Indië een hoog aanzien genieten. Dit blijkt niet zozeer uit de obligate krantenartikelen bij zijn afscheid als vice-president, als wel uit de mening die een invloedrijk man als ir, W.F. Staargaard, oud-voorzitter van de Indische Ondernemersbond en fraktieleider van de Economische Groep in de Volksraad, in een brief aan het Eerste Kamerlid prof, mr. B. C. de Savornin Lohman uitspreekt over het aandeel van Meyer Ranneft bij het herstel van het gezag in Indië na 1933: "Deze (Meyer Ranneft) is in werkelijkheid de krachtige bewindsman in het huidige Indië, zoals iedere onbevooroordeelde en onpartijdige insider in Indië weet. De verdienste van den huidigen GG is, dat hij Dr. Meyer Ranneft in 1933 voordroeg, min of meer zelfs contre coeur, Het zou zeer gewenscht zijn, indien bij de namen, welke men hier in Nederland zoo hoort i.v.m. de volgende GG-benoeming, ook Dr. Meyer Ranneft werd genoemd". Tot een benoeming van Meyer Ranneft als gouverneur-generaal is het niet gekomen, Toen in 1936 De Jonge zijn termijn van vijf jaar "erop had zitten" en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer als zijn opvolger werd benoemd, nam ook Meyer Ranneft ontslag uit zijn funktie, om het de nieuwe landvoogd mogelijk te maken een geheel eigen beleid te voeren. In juni 1936 repatrieerde hij. Meyer Ranneft's wetenschappelijke aktiviteiten vonden in de jaren 1929 tot 1936 van verschillende kanten erkenning. In 1932 werd hem door de gemeentelijke universiteit van Amsterdam een eredoktoraat in de fakulteit der handelswetenschappen toegekend. Van 1929 tot 1936 was hij voorzitter van de afdeling staathuishoudkunde en sociale ekonomie van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen. Hij ontving zowel Nederlandse als buitenlandse onderscheidingen. 1936 - 1945 Na zijn terugkeer in Nederland vestigde Meyer Ranneft zich als ambteloos burger in 's-Gravenhage. Vanzelfsprekend bleef hij de ontwikkelingen in Indië nauwlettend volgen, getuige om. zijn deel name aan de aktiviteiten van het Indisch Genootschap en zijn lidmaatschap in de jaren 1936 tot 1938 van de Commissie voor economische samenwerking tussen Nederland en Nederlands-Indië. Diverse publikaties over koloniale problemen verschenen in deze jaren van zijn hand, waaronder het geruchtmakende Gidsartikel van maart 1937, getiteld "Holland's fout in Indië ". Met dit artikel reageerde hij de teleurstellingen van zijn laatste Indische jaren af in een ongenadige afrekening met de politiek van de opeenvolgende Nederlandse regeringen ten aanzien van het overzeese rijksdeel Nederlands-Indië. Het artikel resulteerde in een pleidooi voor een grote mate van zelfstandigheid voor een autokratische gouverneur-generaal, die zonder ruggespraak met Den Haag het Indische bestuur zou leiden. Zo 'n krachtig bestuur zou bovendien het "extremisme" kunnen intomen. Als ideaal zag Meyer Ranneft: de patriarchale bestuursambtenaar van Europese herkomst, die het sociale leven in zijn distrikt volkomen beheerste. Deze figuur was bezig te verdwijnen, konstateerde hij melancholisch, zoals ook de regent-oude stijl gedwongen aan waardigheid inboette: Men schafte de pajong af en ontnam den Regent zijn boven-ambtelijke luister. Alleen financieel bracht dat al geen groot voordeel, omdat die pajong en die luister tenslotte niet zoo duur zijn, Zoo ergens dan blijkt in dezen tijd op dit gebied de waarheid van de uitspraak, dat de traditie vaak oplossing geeft voor al die dingen, waarin het verstand te kort schiet". Na 1945 zou deze loyale en ondanks grote moeilijkheden positief meewerkende bestuursambtenaar openlijk partij kiezen voor de konservatieve oppositie tegen het regeringsbeleid inzake Indonesië, De kritiek die Meyer Ranneft leverde maakte indruk, omdat een ieder wist dat men te maken had met een volstrekt integere figuur, die wist waarover hij sprak. Zijn grote kennis ven de Indische ekonomie was voor de Landbouwhogeschool te Wageningen aanleiding hem najaar 1940 te belasten met het docentschap in de koloniale landhuishoudkunde en het Indische agrarisch recht, een leeropdracht die hij slechts korte tijd heeft kunnen vervullen. Het aanzien namelijk, dat hij algemeen genoot, leidde er toe dat hij in mei 1942 door de Duitsers gevangen genomen en als gijzelaar in Sint-Michiels gesteld werd ge1hterneerd. ( Van mei 1942 tot januari 1944 was Meyer Ranneft geïnterneerd in het kamp te Sint-Michielsgestel, daarna verbleef hij van februari tot september 1944 in het kamp De Ruwenberg bij 's-Hertogenbosch.) 1945 - 1949 De Tweede Wereldoorlog vormde in velerlei opzicht een breuk in de historische ontwikkeling. In het dekolonisatieproces werkte zij als een katalysator. Meyer Ranneft behoorde aanvankelijk tot degenen die meenden, dat het zo 'n vaart niet zou lopen. In zijn boekje "De weg voor Indië," verschenen in 1945, herhaalde hij zijn pleidooi voor een zelfstandig Indië onder Europese leiding. Indië moest noch de weg opgaan van een Indonesisch Indonesië noch die van een aan de leiband van Nederland lopend Nederlands-lndië, maar een derde weg, die van een: (binnen koninkrijksverband) zelfstandig Indië onder leiding van een Nederlandse gouverneur-generaal: "Geenszins fout, doch een zegen was, dat het beste van Nederland's geestesmerk in Indië tot uiting kwam; zijn bedaard, sterk organisatievermogen, zijn zin voor vrijheid, godsdienst en fatsoen. Een constructie is mogelijk waarbij dat alles voor Indië 's complex van volken bewaard blijft, doordat het zich van een achtergrond en in beperkte mate doet gelden. Het kan de wereld slechts ten goede komen als deze Nederlandsche eigenschappen, samen met het beste wat elk der Indonesische volkeren te bieden heeft, het karakter van het koninkrijk bepalen ". De ontwikkelingen in Zuid Oost-Azië maakten echter verwezenlijking van de door Meyer Ranneft voorgestane oplossing onmogelijk. Reeds in oktober 1945, kort na zijn benoeming in augustus 1945 tot lid van de Raad van State, maakte hij in een brief aan de minister-president, prof. Schermerhorn, zijn verontrusting kenbaar over de in Indonesië gevoerde koers. Het zou bij dit ene schrijven niet blijven: in de jaren 1945 tot 1950 heeft Meyer Ranneft talrijke open brieven, adressen, ingezonden artikelen, verweerschriften en brochures gepubliceerd, die alle de Indonesische kwestie tot onderwerp hadden en geleidelijk een scherpe oppositionele toon kregen. Her streven van de oppositie het Indonesië-beleid van de Nederlandse regering om te buigen heeft Meyer Ranneft in deze jaren in woord en geschrift krachtig ondersteund, Toen de in januari 1916 opgerichte stichting Indië in Nood in juli van dat jaar begin met de uitgave van een eigen periodiek, Het Laatste Nieuws uit Indië, schreef Meyer Ranneft daarvoor een groot aantal artikelen; voorts verschafte hij de redaktie, puttend uit zijn omvangrijke korrespondentie met in Indonesië verblijvende Nederlanders, waardevolle inside informatie. In december 1946 kwam het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, opgericht als centraal orgaan ven alle akties in Nederland tegen de overeenkomst van Linggadjati, de oppositie versterken, Eerste voorzitter van het Comité was prof. mr. P .S. Gerbrandy als oud-premier van de Nederlandse regering te Londen een nationale figuur. Hoewel het akkoord van Linggadjati door de motie - Romme wezenlijk was geamendeerd, was dit voor Rijkseenheid geen reden de oppositionele aktie te staken. De beweging bleef bestaan en kreeg in maart 1947 een krachtige stimulans door de fusie van Rijkseenheid met Indië in Nood. De sinds 28 meert 1947 vanuit het aktiecentrum aan de deftige Haagse Andries Bickerweg opererende stichting Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid voerde een felle oppositie tegen het als verderfelijk gebrandmerkte regeringsbeleid inzake Indonesië, Op 3 september 1947 kwam het tot een spreekverbod voor de radio, door de regering opgelegd aan voorzitter Gerbrandy "wegens het aansporen van een hoog gezagsdrager - in casu Van Mook - tot het overtreden van de op hem betrekking hebbende wettelijke voorschriften". In februari 1948 sprak minister-president dr. Beel zijn "weerzin en bezorgdheid 11 uit over de reaktie van de oppositie op een rede van de koningin over de Indonesische kwestie, Hierbij verweet Beel de oppositie ondermeer "vals spelen met kaarten" en "breken van de spelregels van het staatkundig fatsoen" Nog konkreter drukte Van Poll zich uit in het weekblad De Linie in maart 1948, nadat Elsevier's Weekblad was overgegaan tot publikatie uit een advies van de Raad van State: "De Raad van State lekt als een mandje", Tegen insinuaties als zou hij staatsstukken aan de oppositie-pers hebben doorgespeeld zou Meyer Ranneft zich nog lang na afloop van het Indonesische drama hebben te verweren. In mei 1948 bereikte de oppositie een nieuw hoogtepunt, toen een aantal kopstukken uit de kringen van Rijkseenheid, o.w. Gerbrandy, generaal Winkelman, Gerretson, Feuilletau de Bruyn en Meyer Ranneft zelf, een adres zond aan de Tweede Kamer met verzoek door de Procureur-Generaal van de Hoge Raad een strafvervolging te doen instellen tegen die ministers; die zich naar de mening van de adressanten hadden schuldig gemaakt aan schending van de Grondwet. Meyer Ranneft 's medeondertekening van dit adres - hoezeer ook als een partikuliere aangelegenheid voorgesteld - heeft hem als lid van de Raad van State in een delikate positie gebracht Velen immers, waaronder ook medeleden ven de Raad, meenden dat Meyer Ranneft hiermee de grenzen, waarbinnen een lid van het hoogste advieskollege van de Kroon oppositie tegen de regering vermag te voeren, had overschreden. Tegen dit verwijt verdedigde Meyer Ranneft zich met, zoals bij hem gebruikelijk, zeer principiële argumenten: de eed van trouw aan de Grondwet behoort te prevaleren boven loyaliteit aan een regering, waarvan men ernstig vermoedt dat zij de Grondwet schendt; het rekest diende beschouwd te worden als uiterste middel, waar andere mogelijk van oppositie geen resultaat meer hadden. Rijkseenheid steunde in 1948 bij de verkiezingen de groep-Welter, en de onafhankelijke Nationale Groep van dr. Feuilletau de Bruyn. Deze laatste groep bestond uit Indische specialisten, dissidente liberalen en aanhangers van Nationaal Réveil en slaagde er ondanks warme sympathie betuigingen van generaal Winkelman en staatsraad Meyer Ranneft niet in de kiesdeler te halen. In de loop van 1949 werd het duidelijk, dat de oppositie tegen het Indonesië beleid geen resultaat zou hebben. Hoe Meyer Ranneft - en met hem ongetwijfeld talrijke oud-Indisch mensen - de voorbereiding van een onafhankelijk Indonesië ten tijde van de Ronde Tafelconferentie najaar 1949 heeft ervaren, wordt geïllustreerd in zijn brief aan de vice-president van de Raad van State, waarin hij zich verontschuldigt voor het feit dat hij niet aanwezig zal zijn bij de plechtige opening van de Staten-Generaal, omdat hij het verloop van de Ronde Tafelconferentie beschouwt "als een daadwerkelijke schending van de nauwelijks een jaar geleden bezworen Grondwet; ik kan het binnenkomen in de Ridderzaal van de delegatie van de ons openlijk vijandige Republiek, geleid door iemand, die iedere dag openlijk zijn vijandschap tegen Nederland uitspreekt en die van ganser harte Japan heeft geholpen en daarvoor door Japan is beloond, niet anders zien dan als een onduldbare vernedering en ontwijding van de Ridderzaal". 1950 - 1968 Op 27 december 1949 had de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië plaats; twee maanden later verklaarde het Comité Handhaving Rijkseenheid tot likwidatie te zullen overgaan, nu de doeleinden van het Comité niet meer verwezenlijkt zouden worden. De 8e juni 1950 echter kwam als opvolger van Rijkseenheid de stichting Rijksbehoud van de grond. Deze groep, waarin men talrijke kopstukken uit het voormalige Rijkseenheid aantreft, ijverde voor handhaving van het koninkrijk in Europa en overzee en voor vestiging in Nieuw-Guinea van uit Nederland en Indonesië afkomstige Nederlanders. Ook Meyer Ranneft heeft zich bij Rijksbehoud aangesloten, al heeft hij na 1950 geen gerichte publiciteitsaktie meer gevoerd. Zijn betrokkenheid bij alles wat in Indonesië en Nieuw-Guinea gebeurde bleef onverminderd. In Nieuw-Guinea verbleef sinds 1946 als ambtenaar bij het binnenlands bestuur zijn oudste zoon Jan Robert, Leids Indoloog gelijk zijn vader. Meyer Ranneft jr. was de eerste Nederlander die doordrong tot de door het meest primitieve bergvolk van Nieuw-Guinea bewoonde Baliemvallei, in juni 1957 kwam hij met zijn gezin ten gevolge van een vliegtuigongeluk op tragische wijze om het leven. In het jaar 1958 verzocht Meyer Ranneft ontslag als lid van de Raad van State. Dit werd hem per 1 november 1958 "met dankbetuiging voor de gewichtige diensten in die functie aan den lande bewezen" verleend. Hij was op dat moment 71 jaar oud, vier jaar onder de voor leden van de Raad van State pensioengerechtigde leeftijd, Tot zolang wilde hij evenwel niet aanblijven: "mijn capaciteiten slinken en waren al beperkt. En de Raad eist juridische vorm, Dat is een feit en diep geworteld en gemotiveerd, maar het neemt niet weg dat mij het juridisch denken niet ligt." Een ander motief het kollege te verlaten was het besef, dat er voor hem die zich als vertegenwoordiger van Nederlands-Indië beschouwde, mét het wegvallen van de banden tussen Nederland en "her land dat verdween", Indië, geen reden meer bestond zijn zetel in de Raad te blijven bezetten. In de jaren 1950 en 1960 heeft de problematiek rond de beeldvorming van de ondergang van de Nederlandse heerschappij in Indonesië zijn gedachtenwereld sterk beheerst. Al in oktober 1956 noteert hij in zijn bijna dagelijks bijgehouden aantekeningen "hoe langzamerhand mijn hele denken en voelen door het beschouwen van het Indische drama wordt beïnvloed". Tegelijkertijd beseft hij pijnlijk duidelijk, dat hij zich met deze gepreoccupeerdheid steeds meer geestelijk isoleert: "dat de vraag die mij zo bezig houdt, nl. hoe gebeurde de machtsovergang in Indië, niemand meer boei r, Ik zelf ben van degenen die er over schrijven en spreken een van de jongsten. Men legt zich al neer bij het beeld. Dat komt wel terecht, zegt Spit. Maar hij vergist zich, Er zal wel iets anders over gezegd worden dan de geschiedvervalsers van nu zeggen. Maar dat andere zal naar ik vrees ook onwaar zijn". In een uitvoerig artikel in de Haagse Post bestreed Meyer Ranneft de visie van de Amsterdamse hoogleraar Jo Romein over de ondergang van Nederlands-Indië, zoals die in het boek "De eeuw van Azië" was neergelegd. Tegenover het verwijt van Romein, dat de Nederlands-Indische regering onvoldoende politieke visie bezat en met name het Indonesische nationalisme ernstig had onderschat, stelde Meyer Ranneft, dat bij de leidende Nederlandse kringen in Indië in de laatste decennia voor 1942 geen bezwaren leefden tegen het "Komt U naast ons". De Nederlandse groep had wel de mogelijkheden willen behouden om op "Nederlands peil" te blijven leven. Emancipatie van de inlandse bevolking behoefde niet noodzakelijk in te houden, dat het Nederlandse bestanddeel van de gemengde Indische samenleving zou moeten afdalen naar "Aziatisch peil": immers, in de meeste Westerse landen zelf had de emancipatie van de arbeidende klasse zich voltrokken zonder gewelddadige politieke omwentelingen en zonder een verlaging van het levenspeil van de hogere klassen. De ondergang van Nederlands-Indië was, volgens Meyer Ranneft, te wijten aan externe faktoren zoals de militaire zwakte van het Westen als geheel tegenover Duitsland en Japan en de zwakte van politieke wil en inzicht van het Westen tegenover Rusland en Azië na 1945. De Nederlands-Indische regering is vaak ten onrechte verweten, aldus Meyer Ranneft, geen toekomstig Indonesisch bewind te hebben willen zien: "was het dwaas te rekenen op een groei van een gemengde samenleving, een "verbeterd Zuid-Amerika" zoals wij het wel noemden?", schreef hij in december 1958 aan de journalist A.P.A. Besnerd. In een beschouwing uit 1959, getiteld "Feiten betreffende de ondergang van Nederlands-Indië" pleitte hij voor meer begrip voor het bijzondere karakter van de Nederlands-Indische maatschappij, waarvan de ondergang "het mislukken van een ernstige poging tot vreedzame evolutie van een stuk gemengde samenleving" betekende. De publikatie van het verzamelwerk over het Nederlands-Indische bestuur in de eerste helft van de twintigste eeuw, dat in 1961 onder de titel "Balans van Beleid" verscheen onder redaktie van H. Baudet en I.J. Brugmans, betekende voor Meyer Ranneft een eerste belangrijke stap naar een herwaardering van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië. Zijn eigen bijdrage aan dit boek droeg de karakteristieke benaming "Nederland's geestesmerk in Indië". Een teleurstelling was voor hem de beslissing van een kommissie van Nederlandse historici, dat aan verdere geschiedschrijving over Nederlands-Indië in de periode 1900 tot 1942 een reeks bronnenpublikaties vooraf diende te gaan. Volgens Meyer Ranneft was dit te vergelijken met een vlucht uit de werkelijkheid, waarbij de vraag naar wat er geschreven staat ging prevaleren boven de veel omvattender vraag naar wat er eigenlijk geschied is. Meyer Ranneft zag de ondergang van Nederlands-Indië als onderdeel van een algehele "terugtocht van het Westen". Ook in een land als Algerije ging een gemengde maatschappij gewelddadig te onder, ten koste van het Europese bestanddeel. Met belangstelling volgde hij in zijn laatste levensjaren de politiek van de Zuid-Afrikaanse regering de invloed van de blanke (Westerse) minderheid te handhaven tegenover de niet-blanke meerderheid. Meyer Ranneft 's visie op het wereldgebeuren na 1945 was pessimistisch: hij twijfelde aan de innerlijke kracht van het Westen zich te verzetten tegen de vastberaden politiek van het Russische en Chinese kommunisme. De verhouding tussen Oost en West zag hij ten gevolge van het geforceerde dekolonisatie-proces en de "onbeschaamde bespeling der driften" in Azië en Afrika sinds 1945 ernstig verslechterd. Dr. J.W. Meyer Ranneft overleed te 's-Gravenhage op 3 februari 1968.
Met de dood van Othon Daniel van der Staal van Piershil in 1937 stierf een oude Hollandse regentenfamilie uit. Al in het begin van de vijftiende eeuw maakten leden van de familie Van der Staal deel uit van de magistraat van Schoonhoven. Door huwelijken in de zeventiende eeuw ontstonden banden met de regentenfamilies van Rotterdam. Dit had tot resultaat, dat de familie gedurende de achttiende eeuw onafgebroken zitting had in de vroedschap van deze stad. Na de bestuursomwenteling als gevolg van de Bataafse Revolutie keerde zij daar niet terug, vestigde zich te 's-Gravenhage maar leefde het grootste gedeelte van het jaar als landjonkers op hun buitenplaatsen. Tenslotte ontwikkelden zich nauwe relaties met hofkringen, waarin de laatste generatie Van der Staal ook is opgenomen. Het is de moeite waard om over deze familie, die meer dan 500 jaar onafgebroken deel heeft uitgemaakt van het regentenpatriciaat in Holland en daardoor mede de gang van zaken in deze provincie bepaalde, iets meer mede te delen. De oudste bekende voorvader van het uit Schoonhoven afkomstige geslacht is Klaas Egbertsz.. Hij werd in 1411 als schepen aangesteld en was bij zijn dood omstreeks 1434 burgemeester van Schoonhoven. Zijn zoon Egbert Klaasz., kleinzoon Klaas Egbertsz. en achterkleinzoon Dirk Klaas Egbertsz. zijn allen schepen en later burgemeester van Schoonhoven geweest. Nakomelingen van Dirk Klaas Egbertsz. zijn niet bekend. Het geslacht zet zich voort met de oudste zoon van Dirk Egbertsz., een broer van de in 1438 overleden Klaas Egbertsz., genaamd Egbert. Hij werd volgens de familietraditie achtereenvolgens schepen en burgemeester van Schoonhoven. Egbert Dirksz. had twee zonen, Jasper en Melchior. Beiden bekleedden vooraanstaande posities, wat onder meer tot uiting komt in de huwelijken van hun kinderen. Zoals uit het onderstaande blijkt, genoten Melchiors kinderen aanvankelijk een grotere bekendheid in de Nederlanden dan die van Jasper. Jasper Egbertsz., vermoedelijk apotheker of chirurgijn, werd evenals zijn voorouders aangesteld tot schepen, was lid van de vroedschap en later burgemeester. Zijn broer Melchior is, voor zover bekend geen schepen geweest of lid van de vroedschap, vermoedelijk omdat Jasper dit was en broers niet tegelijkertijd zitting mochten hebben in het stadsbestuur. Twee van Melchiors kinderen, Agnes en Egbert, hadden een vooraanstaande positie. Agnes Melchiorsdr. van der Staal als echtgenote van Dirk Jansz. Loncq, die niet alleen lid van de vroedschap, schepen en burgemeester van Gouda was, maar ook raadsheer van de Prins van Oranje, lid van de landraad van Delft en trezorier-generaal van Holland. Hun kleinzoon, Melchior van Beverningh, was de vader van de bekende staatsman Hieronymus van Beverningh. Egbert Melchiorsz. van der Staal was schepen, later burgemeester van Schoonhoven. In die kwaliteit werd hij met zijn zwager Van Couwenhoven afgevaardigd naar Middelburg om met de Prins van Oranje te onderhandelen. Hun drie neven waren Egbert, Bartholomeus en Cornelis Jaspersz. van der Staal. Egbert en Cornelis werden evenals hun voorouders en hun neef Egbert Melchiorsz. van der Staal schepen en lid van de vroedschap van Schoonhoven, terwijl Bartholomeus naar Amsterdam vertrok. Van Egbert Jaspersz. is tevens bekend, dat hij Heilige Geestmeester en trezorier was. Zijn broer Cornelis was olieslager te Schoonhoven. Met de vestiging van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal te Amsterdam ontstond de Amsterdamse tak van de familie. Welk beroep hij uitoefende is niet bekend. Uit akten van transport en verdelingen van nalatenschappen blijkt dat hij woonde in een huis, gelegen "in de Gansoort op de hoeck van de Halsteech daar Schoonhoven uithangt". In een transportakte van een gedeelte van een huis, tuin enz. door zijn zoon aan zijn schoonzoon heet het "eenderde deel van een houttuyn, staande ende gelegen in de Oude Syts Houttuynen, eertyts genaemt Schoonhoven". Kennelijk had hij het wapen van Schoonhoven buiten hangen en ook de houttuin naar zijn vaderstad genoemd. Van zijn vrouw is niets anders bekend dan haar patroniem, nl. Gerritsdr. Het valt op, dat de kinderen van Jasper en Melchior voor het eerst met de naam Van der Staal vermeld staan in akten, die opgemaakt zijn te Gouda, Amsterdam en Schoonhoven. Mogelijk werden zij al eerder zo genoemd maar werd het vertrek van familieleden naar andere steden, nl. Agnes Melchiorsdr. naar Gouda en Bartholomeus Jaspersz. naar Amsterdam, aanleiding om deze naam regelmatig te gaan gebruiken. Met de overgang van Schoonhoven naar Staatse zijde bleef de familie Van der Staal de Rooms-Katholieke Kerk trouw. De eerder genoemde Egbert Melchiorsz. noch zijn zoon Jan of een van diens nakomelingen keerden terug in de vroedschap van Schoonhoven. Voor het bekleden van overheidsambten werden door de Staten regels gesteld. Men moest onder andere meerdere jaren poorter zijn van een stad, daarnaast een bepaalde kennis en gegoedheid bezitten en lid zijn van de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Deze laatste eis kan van invloed zijn geweest op het vertrek van Govert Egbertsz. van der Staal naar Gouda, waar hij zich als brouwer vestigde. Zijn broer Lambert stichtte met zijn zwager Adam Jaspersz. twee studiebeurzen aan de Hoge School te Leuven. Daar deze Goudse tak van de familie niet overging naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk, bleef zij van stadsambten uitgesloten. Door het huwelijk van Cornelis Govertsz. van der Staal, die gelijk zijn vader brouwer te Gouda was, vertoont deze tak een genealogisch interessant aspect. Evenals de neef van zijn vader, Wolfert Cornelisz. van der Staal, die nog aan de orde komt, trouwde hij een dochter uit een bekende Rotterdamse regentenfamilie. In 1619 werd te Rotterdam het huwelijk gesloten tussen hem en Maria Cornelisdr. Elsewaal. Uit het huwelijk Van der Staal-Elsewaal werden twee dochters en een zoon geboren. Deze zoon had geen nakomelingen, waardoor de Goudse tak omstreeks 1658 in mannelijke lijn uitstierf. De Amsterdamse tak van de familie, die ontstond door het voornoemde vertrek van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal naar Amsterdam, trof enkele jaren later hetzelfde lot. Uit het huwelijk van Bartholomeus van der Staal en N. Gerritsdr. werden drie kinderen geboren: Gerritje, Jasper en Gerrit. Deze kinderen behoorden evenals hun vader tot de gegoede burgerij. Niet verzuimd mag worden te wijzen op de huwelijken van Gerritje en Gerrit. Gerritje was gehuwd met Frans Jansz. Sael. Hun dochter Annetje trouwde met Pieter Barentsz. Plemp, apotheker te Amsterdam, een broer van de vermaarde arts Vopiscus Fortunatus Plemp, terwijl ook hun kleinzoon arts was. Gerrit, die getrouwd was met een dochter van de secretaris van Amsterdam, was koopman en liet blijkens zijn testament kinderen na. Jasper Bartholomeusz. was tinnegieter van beroep. Hij woonde op de Nieuwezijds Voorburgwal in het huis De Akkerman, terwijl ook het huis van zijn vader op de hoek van de Halsteeg en het huis De Zon op de Kolk hem toebehoorde. Zijn nalatenschap was aanzienlijk. Daar zijn oudste zoon Bartholomeus voor hem kinderloos overleed, waren erfgenamen zijn zoon Cornelis, die als pater Felix van Amsterdam in Leuven tot de orde der Capucijnen was toegetreden, zijn zuster Gerritje en zijn broer Gerrit. Tegen het gedeelte, dat nagelaten werd aan Cornelis Jaspersz. van der Staal, alias pater Felix, is later door de familie bezwaar gemaakt. Met de dood van pater Felix in 1661 is de Amsterdamse tak in mannelijke lijn uitgestorven. De Schoonhovense tak van de familie zet zich voort met een kleinzoon van Cornelis Jaspersz. van der Staal en Aagje Wolfertsdr., Hendrik Wolfertsz. van der Staal. Zijn vader de al eerder genoemde Wolfert Cornelisz. van der Staal, was als apotheker werkzaam te Rotterdam, waar hij in 1607 trouwde met Emerentia Couwael, dochter van Hendrik Pietersz. Couwael en Anna Quirijnsdr. Verhaven. De families Couwael en Verhaven behoorden tot de regentenfamilies. Uit dit huwelijk werden twee dochters Anna en Agatha geboren en drie zoons: Cornelis, Hendrik en Pieter. Vermeldenswaard is het huwelijk van Anna. Zij trouwde met de koopman Cornelis Joppen Slingerlandt, zoon van de haringkoopman Job Cornelisz. Slingerlandt en Harmpje Quirijnsdr. Verhaven. Harmpje was een kleindochter van het vroedschapslid Quirijn Jansz. Verhaven en een nichtje van de bovengenoemde Anna Quirijnsdr. Verhaven. Agatha bleef ongehuwd. Van de drie zoons vestigde Cornelis zich in Rotterdam, Hendrik zoals vermeld in Schoonhoven terwijl Pieter naar Kaap de Goede Hoop vertrok en later naar Batavia. Evenals zijn vader was Cornelis Wolfertsz. van der Staal apotheker te Rotterdam. Door zijn huwelijk in 1647 met de Rotterdamse Sophia Gijsbrechtsdr. Elsewael, werden al bestaande banden met regentenfamilies nauwer aangehaald. Uit dit huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. De zoon, Wolfert Cornelisz. van der Staal, was koopman en trouwde in 1666 de protestantse Maria le Maire. Hun enig dochtertje overleed zeer jong voor haar vader. De jongste broer, Pieter Wolfertsz. van der Staal, was ziekenbezoeker in dienst van de V.O.C. aan Kaap de Goede Hoop en in Batavia. In 1649 trouwde hij te Schiedam met Geertruid van Riebeeck, dochter van Anthonie van Riebeeck en Elisabeth Govertsdr. Pieter overleed te Batavia tussen 1664 en 1670; Geertruid overleed in 1670 eveneens te Batavia. Voor zover bekend werden uit dit huwelijk alleen dochters geboren. Al werd de familie Van der Staal door maatregelen van de overheid inzake de godsdienst uit overheidsambten geweerd, zij heeft, zoals hierboven bleek het contact met de regentenfamilies vooral door huwelijken weten te bewaren. Lang heeft deze uitsluiting niet geduurd. De overgang naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk gaf hen weer toegang tot bestuurscolleges, zodat alleen de generatie van Wolfert Cornelisz. van der Staal, gehuwd met Emerentia Couwael, geen overheidsambten heeft bekleed. Hendrik Wolfertsz. van der Staal en zijn broer Pieter zijn de eersten geweest, die tot de nieuwe leer overgingen. Hendrik werd evenals zijn grootvader Cornelis Jaspersz. van der Staal lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven. Uit zijn huwelijk met Haasje de Graaff, dat in 1639 te Schoonhoven werd gesloten, werden een zoon en een dochter geboren. Zijn zoon Wolfert was de eerste van de familie Van der Staal, die een academische opleiding volgde. Aan de Universiteit van Leiden studeerde hij rechten, waarna hij in 1669 promoveerde. Tevens was hij de laatste Van der Staal, die lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven is geweest. In 1671 trouwde hij Elisabeth Botter. Van de zeven uit dit huwelijk geboren kinderen is alleen de oudste, Hendrik, in leven gebleven. Wolfert Hendriksz. van der Staal overleed in 1678, slechts 32 jaar oud. In de achttiende eeuw, die om verschillende redenen wel de eeuw van het verval wordt genoemd, vestigde de familie Van der Staal zich in Rotterdam. Het was een periode, die onder meer gekenmerkt werd door grote tegenstellingen tussen de regenten, soms ware geldmagnaten, en het gewone volk, waarvan het aantal, dat op de rand van de armoede leefde en door de minste verandering in de conjunctuur voor lange tijd tot pauperisme verviel, hand over hand toenam. Schuldig hieraan waren onder meer de eenzijdige ontwikkeling van de handel en de toenemende concurrentie van het buitenland. De stapelmarkt verviel, waardoor grote structurele werkloosheid ontstond, die mede door het verdwijnen van vele takken van nijverheid steeds moeilijker te bestrijden viel. Het was in deze eeuw vooral de geldhandel, die bloeide. Van grote handelsmogendheid werd de Republiek meer en meer een renteniersstaat. De familie Van der Staal was een ambtenarenfamilie, die in de eerste plaats haar inkomsten verwierf uit ambten en bezittingen. Met de geldhandel als zodanig had zij niets te maken. Door hulijken echter werd zij geparenteerd aan deze handelsfamilies en zoals hieronder blijkt verwierf zij, door het uitsterven van bepaalde staken of soms hele families, vermogens. De in 1671 te Schoonhoven geboren Hendrik Wolfertsz. van der Staal studeerde evenals zijn vader rechten aan de Universiteit van Leiden. In 1701 trouwde hij met de Rotterdamse Johanna Maria Hechtermans, dochter van de uit Dordrecht afkomstige mr. Cornelis Hechtermans en Margrieta van Yck. Door dit huwelijk werd hij opgenomen in de meest invloedrijke regentenfamilies van Rotterdam. Door zijn huwelijk en door voorspraak van zijn schoonvader Dirk Meesters werd hij in 1707 lid van de vroedschap van Rotterdam en tegelijkertijd lid van de gezaghebbendste Correspondentie in de vroedschap. De familie Van der Staal en alle aangetrouwde families maakten tot aan de Bataafse Revolutie deel uit van de Correspondentie. Genoemd kunnen worden de familie Bichon, de kunstverzamelaarsfamilie Lormier en de bekende familie Gevers met de daaraan verwante geslachten IJsbrands, Noorthey en Pelt. Voorts de familie Meerman, verwant aan de invloedrijke koopmans- en bankiersfamilie Van Schoonhoven, die via de koopmansfamilie Witheyn verwant was aan de Amsterdamse regentenfamilies Backer en De Mey van Streefkerk. Via de families Meerman en Gevers waren zij afstammelingen van Witte Cornelisz. de With, de bekende vice-admiraal van Holland en Westfriesland, die in 1658 sneuvelde tijdens de Noorse oorlog bij de slag in de Sont. Van de familie Van der Staal en aanverwante families behoorden velen tot de maecenaten van het Bataafs Genootschap, wat blijk gaf van een brede belangstelling. De zoon en kleinzoon van Hendrik van der Staal, Dirk Cornelis en Claudius, behoorden hiertoe evenals Johan Wilhem Lormier en Jean Bichon. Ook de schoonzoon van Dirk Cornelis van der Staal, Abraham Gevers en zijn kleinzoon Dirk Cornelis Gevers, heer van Endegeest gaven blijk van hun belangstelling voor dit genootschap. Vanaf het hierboven genoemde jaar 1707 tot aan de Bataafse Revolutie hebben leden van de familie Van der Staal onafgebroken zitting gehad in de vroedschap van Rotterdam. De aanstelling als lid van de vroedschap was er een voor het leven. In deze functie kwam men in aanmerking voor het vervullen van ambten, die direct te maken hadden met besturen van de stad zoals burgemeester of trezorier en ambten, waarin men de stad vertegenwoordigde in landelijke organen zoals afgevaardigde voor Rotterdam in de Staten van Holland en Westfriesland of ter Generaliteitsrekenkamer. Hendrik van der Staal, zijn zoon Dirk Cornelis en kleinzoon Claudius waren alle drie naast lid van de vroedschap gedeputeerde ter dagvaart, trezorier en burgemeester. Daarnaast vervulden zij een aantal stedelijke en provinciale ambten en hadden tevens zitting in verschillende generaliteitscolleges. Zo was Hendrik onder meer baljuw en gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer, Dirk Cornelis schepen en rekenmeester en Claudius gedeputeerde ter Admiraliteit op de Maas en lid van de Raad van State. Uit het huwelijk van Hendrik Wolfertsz. van der Staal en Johanna Maria Hechtermans werden dertien kinderen geboren, waarvan zes de volwassen leeftijd bereikten en drie zijn gehuwd, te weten Dirk Cornelis, Maria Johanna en Margaretha. In verband met de vererving van de goederen, afkomstig van de families Hechtermans en Braat, is het niet ondienstig te vermelden dat Maria Johanna trouwde met het vroedschapslid Pieter Baelde. Dankzij zijn schoonvader en evenals zijn zwager bekleedde hij in die functie diverse ambten. Na zijn dood in 1763 hertrouwde zijn weduwe in 1768 met de predikant Bartholomeus van Velzen. Margaretha van der Staal was in 1753 getrouwd met Adrianus Oudemans, predikant te Noordwijk aan Zee. Dirk Cornelis van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Utrecht. Hij trouwde in 1734 Catharina Elisabeth Lormier. Door dit huwelijk werd hij de zwager van de Haagse kunstverzamelaar Adriaan Leonard van Heteren, die getrouwd was met Wouterina Brigitta Lormier. Daar de zoons van Adriaan Leonard van Heteren al jong waren overleden en het huwelijk van zijn zwager Johan Wilhem Lormier en Sara Pelt kinderloos bleef, liet hij zijn vermogen na aan de kinderen van Dirk Cornelis van der Staal, genaamd Catharina Wilhelmina en Claudius. Catharina Wilhelmina, die in 1754 getrouwd was met Abraham Gevers, weduwnaar van Kenau Deynoot, erfde in 1788 van haar tante Sara Pelt de heerlijkheid van Kethel en Spaland. Claudius van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden. Hij trouwde in 1763 met Hillegonda Petronella Meerman. Zij was, met haar zuster Johanna Geertruida, erfgename van haar grootmoeder van vaders zijde Hillegonda Gevers en van haar vader Pieter Meerman, die in 1762 kort na elkaar waren overleden. Door het uitsterven van verschillende staken van het geslacht Gevers vererfden onder meer de ambachtsheerlijkheid van Piershil en de landen van Schakenbosch via Pieter Meerman aan zijn dochter Hillegonda Petronella, die van de ambachtsheerlijkheid afstand deed ten behoeve van haar moeder Jacoba Catharina van Schoonhoven. Deze Jacoba Catharina was een energieke vrouw, die na de dood van haar man de zaken zoveel mogelijk zelf regelde. Uit brieven aan haar zaakwaarnemer Pieter Leonard Stumphius komt dit duidelijk naar voren. Zij stond met hem op goede voet en hij werd door haar als lid van de familie beschouwd. Daar hij ook de zaken van haar vader Pieter en haar broer Thymon behartigde was hij met alle familieaangelegenheden op de hoogte. Hoewel zakelijk van opzet geven deze brieven toch een aardig beeld van de schrijfster en haar familie, de onderlinge relaties van de regentenfamilies en komen naast de voorrechten, die verbonden zijn aan het bezit van kapitaal en goederen, de zorgen tot uiting, die het beheer hiervan met zich meebracht. Uit deze brieven blijkt onder meer dat zij haar schoonzoons Claudius van der Staal en Daniel Pompejus du Tour het geld leende om de buitenplaatsen Voorlinden en Wiltrust onder Wassenaar te kopen en dat zij zich veel moeite getroostte om Claudius een plaats als raadsheer bij het Hof van Holland te bezorgen. Ook de heerlijkheid van Piershil komt ter sprake evenals de heerlijkheid van Oud-Beijerland, welke laatste zij in 1767 kocht. Door het uitsterven van het geslacht Van Schoonhoven in mannelijke lijn zijn verhoudingsgewijs veel stukken bewaard gebleven van Pieter van Schoonhoven. Hij was een van de rijkste mannen van Rotterdam wat blijkt uit het kohier van de Personele Quotisatie van 1742, waarin hij onder de hoogstaangeslagenen behoort. Deze rijkdom, zijn Franse geboorte, antistadhouderlijke gezindheid en doorgaande graanhandel op Frankrijk, ondanks het plakkaat hiertegen van de Staten-Generaal waren evenzovele oorzaken, om hem en andere regenten tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog te wantrouwen en van verraad te beschuldigen. Van de Orangisten kreeg hij de bijnaam van Franse Piet. Hoewel de burgers over het algemeen van mening waren, dat zij de regenten alle eer en achting waren verschuldigd, sloten zij Pieter van Schoonhoven, en onder andere ook Claudius Lormier, hiervan nadrukkelijk uit. Maar ook uit eigen kring kwam kritiek, onder andere op de beleggingen van kapitaal in het buitenland, waardoor de kredietwaardigheid van het land werd aangetast. In 1748 werd Pieter van Schoonhoven met vier andere regenten, "tot wegneming van diffidenten en murmuratie onder de ingesetenen", door Willem IV afgezet als lid van de vroedschap. Hierdoor kwam tegelijk een einde aan de Correspondentie, die pas na de dood van de prinses-gouvernante Anna in 1759, herleefde. Pieter van Schoonhoven was gehuwd met Maria Anna Witheyn. Haar nicht Johanna Maria Witheyn, enige dochter van de Amsterdamse reder en koopman Johan Witheyn, was gehuwd geweest met Abraham van Harencarspel en Vincent Maximiliaan baron van Lockhorst, heer van Ter Meer en Maarssen. Na de dood van haar tweede echtgenoot behield zij de beschikking over het huis Ter Meer terwijl zij tevens een huis bezat op de Herengracht te Amsterdam. De kinderen uit haar eerste huwelijk stierven jong waardoor Maria Anna Witheyn en haar neven Jean Gijsberto de Mey en Cornelis Jansz. Backer de enige erfgenamen waren van deze schatrijke weduwe. Door het kinderloos overlijden van de kleinzoons van Pieter van Schoonhoven, Pieter, Adriaan en Jacob, zoons van zijn enige zoon Thymon, bleef zijn dochter Jacoba Catharina van Schoonhoven, weduwe Meerman, als enige erfgename over. Zij erfde onder meer het buiten Haagvliet te Voorburg, dat met haar huis op het Tournooiveld, vererfde aan haar kleindochter Jacoba Catharina Geertruida du Tour, gehuwd met Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese. Als hun gasten hebben op Haagvliet tijdelijk koning Lodewijk Napoleon en zijn vrouw Hortense de Beauharnais geresideerd. Hillegonda Petronella Meerman stierf op Voorlinden in 1799, drie jaar na Claudius van der Staal. Haar nalatenschap bleef tot 1806 ongedeeld tussen haar drie zoons Abraham Willem, Daniel Pompejus Johannes en Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal. Abraham Willem erfde de heerlijkheid van Oud-Beijerland en noemde zich Van der Staal van Oud-Beijerland. Na zijn dood in 1821 ging de heerlijkheid over op zijn dochter Everdine Suzette, gehuwd met Samuel François Anne van Pallandt, waardoor de tak Van Pallandt van Oud-Beijerland ontstond. Na haar dood erfde haar zoon Jan Werner de heerlijkheid, die hij in 1907 naliet aan zijn neef Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken van Zuylen, de zoon van zijn zuster Henriëtte Charlotte Everdine. Het archief van de heerlijkheid van Oud-Beijerland vanaf 1767 tot 1900, berust thans op het Rijksarchief in de provincie Utrecht, waar het deel uitmaakt van het archief van het slot Zuylen. De landen van Schakenbosch gingen over op Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal en ook hij noemde zich naar zijn goederen nl. Van der Staal van Schakenbosch. Hij was lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij zitting had voor de eigenerfden. Daar hij reeds in 1818 overleed en zijn enige dochter Claudine Claire hem slechts tot 1826 overleefde, besloten de erven Van der Staal met instemming van haar echtgenoot Marie Ferdinand baron de Flotte in 1828 deze landen in het openbaar te verkopen. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Naast ambachtsheer was Daniel Pompejus Johannes hoogheemraad van Rijnland en maire van Lisse. In Lisse woonde hij op het uitgestrekte landgoed Wassergeest, dat hij in 1804 kocht van Isaac van Buren. Hij vergrootte Wassergeest door aankoop van onder andere de boerderij van het in 1782 gesloopte huis Grotenhof, de bouwmanswoning Duinhof, de boerderijen de Phoenix en de Hoogewerf in de Laageveense polder, waardoor Wassergeest zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof. Na Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne Adriaan van Pallandt, die op Keukenhof woonden, was Daniel Pompejus Johannes van der Staal, met 110 hectaren, de grootste grondbezitter in Lisse. In 1852 werd dit prachtige buitengoed geveild in het logement De Zwaan te Lisse en gekocht door de erven Steengracht, waardoor het tien jaar later, door vererving aan de bovengenoemde bewoners van Keukenhof kwam. Zoals met zoveel buitenplaatsen in die tijd gebeurde, werd ook dit kapitale huis gesloopt en wel vlak na de verkoop, in 1853. Door vererving is Wassergeest thans in het bezit van de barones van Lynden. Wassergeest heeft, evenals het bovengenoemde buiten Haagvliet onder Voorburg, een rol gespeeld in de geschiedenis van ons land. Ten huize van Van der Staal van Piershil is door Adam François van der Duyn van Maasdam in bijzijn van Hendrik Collot d'Escury de door Gijsbert Karel van Hogendorp opgestelde proclamatie getekend, waarin deze met Van der Duyn van Maasdam het Algemeen Bestuur in handen nam tot de komst van de Prins van Oranje. Hieruit blijkt dat Van der Staal, hoewel maire van Lisse, niet uitgesproken Fransgezind was. In ieder geval wist de omgeving van Van Hogendorp, dat hij te vertrouwen was. Verwonderlijk was dit niet, daar allen, die bij de opstand tegen de Franse overheersing betrokken waren tot de familie behoorden. Door zijn huwelijk met Sophia Wilhelmina Charlotte Alexandrina van Bylandt was hij verwant aan Van der Duyn van Maasdam, een neef van zijn schoonmoeder Anna van der Duyn, een vurig Orangiste, terwijl Leopold van Limburg Stirum een oom was van zijn vrouw. Ook zijn zwager Jan Carel van Bylandt bood vanaf de eerste dag Gijsbert Karel van Hogendorp zijn diensten aan. Bovendien moet Van der Staal Van Hogendorp uit Rotterdam gekend hebben. Daniel Pompejus Johannes van der Staal was de enige van de drie broers, die door koning Willem I in de adelstand werd verheven. Zijn huwelijk met een gravin Van Bylandt zal hierin een rol hebben gespeeld en het feit, dat zijn zwager Jan Carel van Bylandt bijzonder bij de koning in de gunst stond. De heerlijkheid van Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, behoorde van oudsher tot het land van Putten. Voor de eerste bedijking in 1524 door Frederik van Renesse, heer van Oostmalle, sprak men van de Ommeloop van Groot- en Klein-Puttermoer. De heerlijkheid bestaat uit de polders Oud-, Nieuw- en Klein-Piershil. Het dorp ligt in de polder van Oud-Piershil en werd in de achttiende eeuw om haar bloei ook wel het klein Haagje genoemd. Dit kon echter niet verhinderen, dat het Hof van Piershil onder de slopershamer viel. In 1831 liet Daniel Pompejus Johannes van der Staal het ambachtsherenhuis slopen en het vrijgekomen terrein in bouwland veranderen. Na de dood van Daniel Pompejus Johannes van der Staal vererfde de heerlijkheid aan zijn drie dochters. Na hun overlijden gingen de heerlijke rechten over op de kinderen van hun in 1855 overleden broer Guillaume Charles, om tenslotte te vererven aan de kleindochter van Guillaume Charles van der Staal, Marie Alexandrine Otheline Caroline van Bylandt, dochter van Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil en Carel Jan Emilius van Bylandt. Het archief van de heerlijkheid van Piershil is daarom verspreid over twee archieven. Naast het archief, dat beschreven is in deze inventaris, bevindt een ander gedeelte zich in het archief van de graven van Bylandt, dat berust bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief. De enige zoon van Daniel Pompejus Johannes, Guillaume Charles van der Staal van Piershil woonde als rentenier in Breda en Princenhage. Hij en zijn vrouw zijn vlak na elkaar in 1855 overleden. Hun drie zeer jonge kinderen stonden onder voogdij van Eugène Jan Alexander van Bylandt en werden te 's-Gravenhage opgevoed in het huis van hun tante Otheline Agathe van der Staal. Zij vormden de laatste generatie van de familie Van der Staal, die zoals eerder vermeld in hofkringen werd opgenomen. Sophie Alexandrine was hofdame van prinses Amalia, de echtgenote van prins Hendrik, broer van koning Willem III, vaak beter bekend als prinses Hendrik. Uit haar huwelijk met Carel Jan Emilius van Bylandt werden twee dochters geboren, Marie Alexandrine Otheline Caroline en de jong overleden Charlotte Eugenie Roline. Marie van Bylandt, overleden in 1968, is de stichtster van de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting te 's-Gravenhage, die haar vermogen, waaronder de heerlijkheid van Piershil, beheert. De laatste afstammelingen in mannelijke lijn van het geslacht Van der Staal waren Othon Daniel en Jean Arthur Godert. Laatstgenoemde stierf in 1904 na een succesvolle loopbaan bij de Marine. Naast marine-officier was hij adjudant, kamerheer en particulier secretaris van koningin Wilhelmina. Zijn broer Othon Daniel bekleedde hoge ambten. Hij was onder meer gezant te Constantinopel en Sint Petersburg, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister aan de hoven van België en Luxemburg. Aan het hof was hij kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. In 1886 trouwde hij met Maria Elisabeth Margaretha van Zuylen van Nyevelt. Daar hun huwelijk kinderloos bleef stierf het geslacht Van der Staal met zijn dood in 1937 uit.
Frederik Nicolaas Nieuwenhuijzen werd op 22 oktober 1819 in Amsterdam geboren als zoon van Otto Hendrik Nieuwenhuijzen en Margaretha Cornelia Wilhelmina Lutjens. Zijn vader was tabakskoper en commissionair in koloniale waren. Op 15-jarige leeftijd reisde hij alleen naar Batavia, waar hij vermoedelijk onderdak vond bij zijn oom Hendrik Jacob Lutjens, die als kolonel van het Oost-Indisch Leger en later als direkteur van Financiën een vooraanstaande positie in de Indische samenleving innam. Zijn bijzondere capaciteiten tezamen met het milieu, waarin hij verkeerde hebben gezorgd voor een uiterst opmerkelijke carrière, die zou voeren van onbezoldigd klerk tot vice-president van de Raad van Nederlands-Indië. Begin december 1834 aangekomen wist Nieuwenhuijzen binnen 14 dagen een baan te krijgen als onbezoldigd klerk bij de Algemene Secretarie, waar hij in dermate gunstige zin opviel, dat promoties tot bezoldigd klerk (1835), 1e klerk (1838), 2e commies (1838) en 1e commies (1840) spoedig bereikt werden. De Algemene Secretarie is voor Nieuwenhuijzen een uitstekende leerschool geweest. De centralistische opzet van de Indische administratie deed vrijwel iedere te nemen beslissing van enige importantie belanden ten burele van de gouverneur-generaal en zijn secretarie. Zodoende kon hij kennis nemen van alle voorkomende bestuurlijke en politieke kwesties. Naar analogie zijn er diverse voorbeelden van Indische ambtenaren, die via een leerperiode bij de secretarie het tot hoge posten hebben weten te brengen. Hoewel Nieuwenhuijzen de opleiding aan de Delftse Academie miste, werd hem bij Koninklijk Besluit van 22 april 1842 nummer 95 desondanks het radikaal van Indisch ambtenaar verleend, waardoor een benoeming bij het binnenlands bestuurscorps mogelijk werd. In 1843 werd hij aangesteld tot residentie-secretaris in Banjoemas. Hij bleef hier slechts twaalf maanden en werd in gelijke betrekking verplaatst naar de residentie Bagelen, waar hij het onbeperkte vertrouwen genoot van resident Von Schmidt auf Altenstadt. In 1847 werd hij bevorderd tot assistent-resident van de Noorderdistrikten van Makassar met standplaats Maros. Het was een moeilijke post in het landschap Gowa met de naburige leenroerige landschappen Boni en Tanette, waar gedurende de 19e eeuw diverse expedities naar ondernomen werden. De gouverneur van Celebes (en latere vice-president van de Raad van Nederlands-Indië), De Perez, leerde daar zijn verdiensten waarderen en zou hem protegeren sindsdien. Toen De Perez in 1849 met het bestuur over Soerabaja werd belast volgde Nieuwenhuijzen zijn vorige chef als assistent-resident van politie, waar hij o.a. bijdroeg tot het ontslag van de regent van Soerabaja vanwege "knevelarij". In februari 1853 volgde zijn plaatsing in de toendertijd aan Soerabaja onderhorige assistent-residentie Madoera, waar hij de Nederlandse vertegenwoordiger was aan het Hof van de Panembahan. Anderhalf jaar later werd hij benoemd tot assistent-resident van Probolinggo in de residentie Besoeki. Vanaf zijn benoeming tot resident van Riouw (1855) zou hij regelmatig gebruikt worden als trouble-shooter in de verhouding van het gouvernement tot diverse inlandse vorstendommen. Toen Engeland en Nederland in 1824 bij het Traktaat van Londen alle geschillen regelden, die uit de koloniale overdracht van 1816 waren voortgekomen, had Engeland afgezien van alle aanspraken op Sumatra. De ongebreidelde Engelse expansie vanuit Singapore maakte het noodzakelijk de zaken te regelen ten aanzien van de nabij gelegen sultanaten Lingga Riouw en Siak Sri Indrapoera. Bovendien diende een Engelse versterking, met goedvinden van Siak op Bengkalis gevestigd, ontmanteld te worden. Nieuwenhuijzen werd bij geheim gouvernementsbesluit met beide taken belast. Na het onttronen van de sultan van Riouw, Machmoed Shah, en de benoeming van een gouvernementsgezinde opvolger kon een nieuw traktaat met dit landschap gesloten worden. Tevens konden de Engelse invloeden worden teruggedrongen na het sluiten van een nieuw traktaat met de vorsten van Siak. Het leverde hem een koninklijke onderscheiding en diverse tevredenheidsbetuigen van het gouvernement op. In 1857 werd Nieuwenhuijzen als resident verplaatst naar Pekalongan, doch spoedig hierna (1858) volgde zijn benoeming tot resident van Soerakarta. Een uitermate delicate plaatsing vanwege de nog altijd slepende opvolgingskwestie van de na de Java-oorlog verbannen Soesoehoenan. Na een voorlopige voorziening in 1858 wist Nieuwenhuijzen de zaak in 1861 te regelen met de benoeming van de zoon van de verbannen vorst. Dat ook het gouvernement zijn houding tegenover de inlandse vorstenhuizen goedkeurde, bleek uit zijn benoeming in 1859 tot gouvernements-commissaris in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. Hierbij werd het opstandige vorstenhuis van Bandjermasin onttroond en het gebied ingelijfd bij de direkt bestuurde gebieden. In 1863 werd Nieuwenhuijzen naast zijn funktie van resident van Soerakarta benoemd tot waarnemend resident van Djokjakarta. Aanleiding hiertoe was de geestesziekte van resident Brest van Kempen en het vermoeden, dat de sultan Djokja misbruik van deze omstandigheid had gemaakt. Na zijn onderzoek en rapportage hierover aan de gouverneur-generaal kon hij van het waarnemerschap worden ontheven en werd hij in juni 1863 opgevolgd door resident Arriëns. In 1864 werd Nieuwenhuijzen een tweejarig ziekteverlof naar Nederland toegekend, een periode die hij niet zou volmaken vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van Nederlands-Indië in 1865. Na het onverwacht overlijden van de vice-president van de Raad, mr. A. Loudon, werd hij in 1868 met de waarneming van deze funktie belast. Bij K.B. van 25 juli 1869 nr. 20 volgde zijn definitieve benoeming tot hoogste ambtenaar naast de gouverneur-generaal. Uit zijn verlofdagen in Nederland stamt zijn vriendschap met de liberale staatsman Fransen van de Putte. Een vriendschap, die hem later direkt zou betrekken bij het ontstaan van de Atjeh-oorlog. Op voordracht van minister Fransen van de Putte benoemde de gouverneur-generaal, mr. James Loudon, Nieuwenhuijzen in februari 1873 tot gouvernements-commissaris voor Atjeh. Hij werd meegezonden met het expeditionaire leger, dat de sultan van Atjeh tot inkeer moest brengen. Toen de commissaris tijdens de onderhandelingen met de vorst geen genoegdoening kreeg, reikte hij op 26 maart 1873 de door Loudon ondertekende oorlogsverklaring uit, waarmee de Atjeh-oorlog een feit geworden was. De verantwoording voor de mislukking, waarop de expeditie uitliep, kwam op de schouders van Loudon terecht, die op zijn beurt de commissaris beschuldigde door hem misleid te zijn ten aanzien van het terugtrekken van de troepen. De gouverneur-generaal stelde een commissie in, die het gehele verloop van de expeditie moest onderzoeken. Nieuwenhuijzen weigerde zijn medewerking aan het onderzoek. Het rapport van 1500 pagina's zou in 1874 verschijnen. Loudon wilde niet zover gaan een eervol ontslag voor Nieuwenhuijzen aan de minister voor te stellen. De vriendschap tussen Nieuwenhuijzen en Fransen van de Putte stond echter garant voor een veilige aftocht, die in een onderhandse telegramwisseling werd geregeld. Hij kreeg eervol ontslag en werd per 1 oktober 1873 gepensioneerd. Door de ruchtbaarheid, die aan de Atjeh-kwestie werd gegeven zouden publiekelijke verwijten hem nog jaren blijven achtervolgen. Nieuwenhuijzen overleed op 7 november 1892 in Den Haag. Als nevenfunkties van Nieuwenhuijzen kunnen genoemd worden: vendumeester in Banjoemas (1843-1844), Bagelen (1843-1847) en Probolinggo (1854-1855), lid van de Sub-Commissie van Onderwijs te Soerabaja (1851-1854), lid van de Commissie voor het afnemen van Indische Ambtenaarsexamens (1864-1873), voorzitter van het watersnoodfonds op Java (1869-1873).
De missie De Nederlandse Militaire Missie werd ingesteld bij K.B. van 25 maart 1946 nr. 93 "ter bescherming der Nederlandse politieke, economische en militaire belangen in Japan". Tot hoofd van de missie werd benoemd luitenant-generaal W. Schilling (geen ambtenaar Buitenlandse Dienst) terwijl consul-generaal J.B.D. Pennink bij hetzelfde K.B. aan de missie werd toegevoegd "ter behartiging van de politieke en economische belangen". Het overige personeel dat aan de missie werd toegevoegd, werd eveneens bij bovengenoemd K.B. formeel aangewezen door de ministers van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk, Buitenlandse Zaken en Overzeese Gebiedsdelen, dit voor zover nodig in overleg met de ministers van Marine en Oorlog. Echter de feitelijke aanstelling van het personeel gebeurde door het departement van Buitenlandse Zaken. Op 23 mei 1946 kwamen de missieleden in Japan aan, waarmee de Nederlandse vertegenwoordiging in Japan was hersteld. Na de capitulatie van Japan waren de Verenigde Staten aanvankelijk weinig toeschietelijk met het toelaten van diplomatieke vertegenwoordigers van vreemde mogendheden. Wel zouden landen die deelnamen aan de bezetting van Japan ter behartiging van hun militaire belangen een missie bij het Amerikaanse militaire hoofdkwartier kunnen accrediteren. Aangezien Nederland tot de landen behoorde, die aan de bezetting zouden mogen deelnemen, werd toestemming voor de vestiging van een militaire missie verleend. Tengevolge van de ontwikkelingen in Nederlands-Indië is uiteindelijk van deelneming aan de bezetting van Japan door Nederland afgezien. Hoewel intussen een groot aantal landen diplomatieke vertegenwoordigingen in Japan openden die geen militair karakter hadden, kwam de missie van Nederland onder leiding van de KNIL-generaal W. Schilling te staan. Van de militaire missies en diplomatieke zendingen in Japan stonden de volgende onder leiding van een militair: China, België (burger tot generaal benoemd), Frankrijk (diplomaat-generaal), de Sovjet-Unie en Nederland. Diplomatieke zendingen of agentschappen zonder militair karakter hadden: Canada, Italië, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en Australië. Groot-Brittannië had een generaal als persoonlijk vertegenwoordiger van de eerste minister, doch had verder een normale ambassade onder leiding van een beroepsdiplomaat. Ofschoon de reden voor het instellen van een militaire missie in Japan door het niet deelnemen aan de bezetting door Nederland was komen te vervallen, pleitte het karakter van het 'General Headquarters Supreme Command(er) for the Allied Powers' (GH-SCAP), waar alle sleutelposities op politiek en economisch terrein werden bezet door Amerikaanse generaals (met name generaal MacArthur), voor voorlopige handhaving van de Nederlandse vertegenwoordiging. De militaire missies in Japan verkregen aanzienlijke faciliteiten van de Amerikanen, dit in tegenstelling tot de burgervertegenwoordigingen. De militaire missie van Nederland ressorteerde onder het departement van Buitenlandse Zaken, welk departement "bij uitsluiting" instructies aan het hoofd van de missie verschafte en alle kosten van de missie droeg. In de beginperiode van de missie gaf deze regeling vooral moeilijkheden met de Nederlands-Indische regering, waardoor herhaaldelijk verwarring ontstond. De missie moest grotendeels worden samengesteld uit gelegenheidspersoneel, dat toevallig in Nederland of Indië beschikbaar was. Organisatie 1 De politieke afdeling De politieke afdeling van de missie stond onder leiding van de beroepsdiplomaat Pennink, die bovendien toezicht had op de handelsafdeling. De consulaire werkzaamheden waren tamelijk omvangrijk. Vooral de zaken betreffende de Nederlandse en Indonesische vrouwen van Japanners vergden veel tijd. De politieke relaties van de missie vallen in drie groepen uiteen: met de bezettingsautoriteiten met collega's met de Japanners Het bleek dat met name de politieke betrekkingen met de Japanners niet of nauwelijks werden onderhouden. SCAP zag dergelijke relaties ongaarne en had ze aanvankelijk zelfs verboden. Dit weerhield echter andere landen (zoals bijvoorbeeld Australië) niet toch dergelijke betrekkingen aan te knopen. Generaal Schilling, die zich met bijna religieuze nauwgezetheid aan de Amerikaanse voorschriften hield, was een groot tegenstander van contacten met de Japanners. De politieke berichtgeving was, door verschil van inzicht tussen het hoofd van de missie en zijn politiek adviseur, uiterst gering. 2 De handelsafdeling De handelsafdeling van de missie was wellicht de belangrijkste. Reeds voor de oorlog was het handelsverkeer tussen Nederlands-Indië en Japan zeer aanzienlijk en ook de naoorlogse handel van Japan met Indië was omvangrijk. Een groot gedeelte van de werkzaamheden van de handelsafdeling bestond uit in- en verkopen voor het gouvernement. Het hoofd van de handelsafdeling viel onder de politiek en economisch adviseur. 3 De scheepvaartafdeling De scheepvaartafdeling behandelde de belading en afwikkeling van de Nederlandse schepen die Japan aandeden, hoofdzakelijk van de Java-China-Japan lijn en de Holland Oost-Azië lijn. 4 De afdeling restitutie en reparatie De afdeling restitutie en reparatie was eveneens een onderdeel van de militaire missie. Landen die in aanmerking kwamen voor restituties en reparaties van Japan kregen van SCAP vergunning om voor dat doel een missie van ten hoogste vijf leden te vestigen. De Amerikanen wilden echter voorkomen dat Japan op grote schaal ontdaan werd van machines die bruikbaar waren voor de economische opbouw. Ook restitutie op grote schaal werd door SCAP bemoeilijkt, teneinde zo min mogelijk kapitaal of goederen hoeven af te geven. De afdeling mocht na verloop van tijd zelfstandig correspondentie voeren, en beoordelen over welk onderwerp zij overleg met het missiehoofd wenselijk achtte. 5 Militair detachement Voorts waren er de marine adviseur en de kapitein-adjudant aan het hoofd van het militaire detachement. Het Bataviabureau van de missie in Nederlands-Indië werd opgericht teneinde het verzamelen van inlichtingen uit Nederlands-Indië te vergemakkelijken en de Algemene Secretarie te ontlasten. Het hield zich onder meer bezig met restituties, reparaties, het doorzenden van gegevens over oorlogsmisdadigers, export naar Japan, de status van met Japanners gehuwde Nederlands-Indiërs en Nederlanders, oorlogsslachtoffers etc. Het bureau werd in het najaar van 1947 onder de Directie Verre Oosten van het ministerie van Buitenlandse Zaken te Batavia geplaatst. De Nederlandse belangen in Japan werden ook vertegenwoordigd door de Nederlandse ambtenaren verbonden aan: International Military Tribunal for the Far East (prof. B.M.V. Röling); International Prosecution Section; International Legal Section; Institute of the Allied Powers Representatives to C.I. for restitution purposes en SCAP zelf. Alle Nederlandse ambtenaren in Japan aanwezig vielen administratief onder het hoofd van de militaire missie, met uitzondering van Röling. De militaire missie werd op 7 september 1948 opgeheven en vervangen door een civiele missie, onder de naam "Nederlandse Missie in Japan" waarvan aan het hoofd kwam te staan de buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur H. Mouw. Hij verliet op 17 februari 1951 Japan en baron E.J. Leuwe van Aduard nam de leiding op zich tot P.E. Teppema begin maart als ambassadeur aantrad. Slechts een jaar later werd hij opgevolgd door jhr. O. Reuchlin, die tot en met 1959 ambassadeur in Japan bleef. Op 28 april 1952 om 23.30 uur werden de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Japan hersteld. De Nederlandse ambassade in Tokio had de volgende consulaten - officieel heropend in 1949 - in haar ressort: Dairen (Dalny), Kobe (consulaat-generaal), Nagasaki, Nagoya, Shimonoseki en Yokohama.
1 richting australië Na de onvoorwaardelijke capitulatie van Nederlands-Indië op 9 maart 1942 kon slechts een gering aantal Nederlandse burgers en militairen Australië, dat vooralsnog geen doelwit was van het Japanse leger, bereiken. De hele archipel werd binnen korte tijd door de Japanners van de buitenwereld afgesloten. Door directe Japanse controle over de havens en de overheersing van het luchtruim door de Japanners was het vrijwel onmogelijk vanuit Nederlands-Indië te ontkomen naar door de geallieerden beheerst gebied. Slechts rond de 1500 Nederlanders (inclusief vrouwen en kinderen) wisten voor de capitulatie Australië te bereiken. Dat een selecte groep van hooggeplaatste burgers en militairen, waaronder de luitenant gouverneur- generaal H.J. van Mook, de gouverneur van Oost-Java Ch.O. van der Plas, de kapitein van de generale staf S.H. Spoor en A.H.J. Lovink, hoofd van de Dienst Oost-Aziatische Zaken, vlak vóór de capitulatie naar Australië kon vertrekken, vond zijn oorzaak in een telegram van 20 februari 1942 van minister-president P.S. Gerbrandy te Londen aan Van Starkenborgh, waarbij de laatste de opdracht kreeg: "... eenige personen die buitenlands noodig [zijn] voor aanstonds voor te bereiden organisatie in Indië die ons van zaken gang Indië na vijandige bezetting op de hoogte houdt door geheime zenders, spionnage enz." te groeperen en naar Australië over te brengen. Van Starkenborgh zelf bleef in Nederlands-Indië achter en zou, net als alle andere Nederlanders, worden geïnterneerd. Dat de Nederlandse strijdkrachten, althans dat deel dat naar Australië en Ceylon was ontkomen, geen grote bijdrage in het geheel van de oorlogvoering tegen Japan zou kunnen leveren, was van meet af aan duidelijk. Inzet van materieel en personeel vanuit Europa was, zolang de oorlog daar voort duurde, niet te verwachten. Het enige wat men kon doen was het aanbieden van diensten aan de geallieerden en voorbereidingen treffen voor een terugkeer naar de kolonie die men in allerijl had moeten verlaten. Er was echter één voor de oorlogvoering noodzakelijk component dat alleen door de Nederlanders in Australië en Ceylon geleverd kon worden: informatie omtrent Nederlands-Indië. Die informatie kon onmogelijk rechtstreeks uit Nederlands-Indië worden betrokken. Wel zijn in februari en maart 1942 enkele pogingen ondernomen op Java een inlichtingen-organisatie op te bouwen die berichten naar Australië moest seinen, maar deze pogingen kwamen veel te laat en konden op technisch gebied niet voldoende worden ondersteund; voor geheel Nederlands-Indië waren slechts drie zenders beschikbaar. 2 geallieerde inlichtingendiensten De chaotische situatie die in maart en april 1942 in Australië heerste - er waren nog geen operatiegebieden ('wartheatres') vastgesteld en de benoeming van MacArthur tot opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Australië zou pas plaats vinden op 18 april - was ook merkbaar op het terrein van de militaire inlichtingendiensten. Alle in Australië verzamelde strijdkrachten, naast de Australiërs ook de Amerikanen en de Engelsen (de Nederlanders waren gezien hun geringe aantal een te verwaarlozen factor), hadden een aparte inlichtingendienst voor leger, marine en luchtmacht. Al deze verschillende diensten werkten voor een groot gedeelte langs elkaar heen. De eerste taak van het G2-SWPA, het stafbureau Inlichtingen van de South-West Pacific Area, het inmiddels vastgestelde operatiegebied van MacArthur (Nederlands-Indië was met de samenstelling van de geallieerde operatiegebieden verdeeld tussen het Engelse operatiegebied, waartoe Sumatra behoorde, en het Amerikaans/Australisch operatiegebied waar overig Nederlands-Indië onder viel. In 1945, vlak vóór de Japanse capitulatie, zou geheel Nederlands-Indië in het Engelse operatiegebied vallen.), was het coördineren van de activiteiten van de verschillende inlichtingendiensten. Als uitvoerende organisatie werd op 26 april 1942 het Interallied Services Department (ISD) in het leven geroepen. Aan het hoofd daarvan werd de Britse luitenant-kolonel G. Egerton Mott gesteld. Het ISD diende een organisatie te worden die sabotage activiteiten in bezet gebied op touw moest zetten. Als operatiegebied voor het ISD werd Nederlands-Indië, Brits Nieuw-Guinea met omliggende eilanden en Portugees Timor vastgesteld. Omdat Nederlands-Indië gelegen was in het operatiegebied van het ISD werden twee Nederlanders, Ltz I J.J. Quéré en kapitein ir J. Jansen aan het ISD toegevoegd. Samen vormden zij de Netherlands East-Indies Section (NEI-sectie) van het ISD. In mei 1942 werd de sectie versterkt met personeel van de Nederlandse strijdkrachten, leden van de veldpolitie en burgers. MacArthur wenste echter een verdere integratie van de inlichtingendiensten en voelde er niets voor het ISD, dat sterk werd gedomineerd door Engelse officieren, min of meer zelfstandig te laten opereren. Op 6 juli 1942 richtte hij het Allied Intelligence Bureau (AIB) op; het ISD werd hier een onderdeel van. Het AIB was als uitvoerende organisatie gesteld onder de supervisie van GHQ-G2 en had de coördinatie van de geallieerde inlichtingenwerkzaamheden als taak. De Nederlandse vice-admiraal C.E.L. Helfrich, opperbevelhebber van de resterende Nederlandse strijdkrachten in Australië en Ceylon met de titel Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (BSO), was niet echt gelukkig met deze constructie, maar moest die uiteraard wel accepteren. De aparte dienst onder GHQ-G2 was nodig om de Australiërs voldoende invloed te geven in de leiding over de inlichtingendiensten, omdat GHQ-G2 al onder Amerikaanse leiding (generaal C.A. Willoughby) was geplaatst. Het AIB stond onder leiding van de Australische kolonel C.G. Roberts en bestond uit vier secties. Sectie A (het oude ISD) was belast met sabotage activiteiten ('special operations'), sectie B met het uitzenden van spionnen, sectie C met het verzamelen van militaire intelligence (onder andere door middel van het ondervragen van Japanse krijgsgevangenen) en sectie D diende de subversieve propaganda te verzorgen. De laatstgenoemde afdeling zou snel uit de AIB-organisatie verdwijnen omdat MacArthur dit meer een civiele dan een militaire taak achtte. De Nederlandse inbreng in het AIB bleef niet beperkt tot de NEI-sectie van sectie A. Quéré werd namelijk ook benoemd tot hoofd van de NEI-sectie van sectie C. Daarnaast waren de Nederlandse strijdkrachten vertegenwoordigd door middel van een 'liaison-officier' bij het stafbureau van het AIB, samen met vertegenwoordigers van de geallieerde land-, zee- en luchtstrijdkrachten. De NEI-sectie van sectie A zou geen deel uitmaken van de op te richten Nederlandse militaire inlichtingendienst; reden waarom de ontwikkeling van deze sectie hier niet verder is beschreven. In het voorjaar van 1943 zou de NEI-sectie bij de Nefis worden gevoegd. 3 de nederlandse inlichtingendienst In verband met te ondernemen pogingen tot herovering van Nederlands-Indië zouden de geallieerden in eerste instantie veel informatie over de archipel nodig hebben. Het vergaren van actuele inlichtingen en het opzetten van sabotage-acties was weliswaar aan de geallieerde instellingen ISD en later AIB opgedragen, deze activiteiten konden in geen enkel door de Japanners bezet gebied worden uitgevoerd indien niet werd beschikt over gedetailleerde informatie inzake de betreffende area. Voor het uitzetten van sabotage-groepen of het aan land zetten ('inbrengen') van spionnen waren gedetailleerde kaarten en was informatie over samenstelling van bevolking, over werking van het plaatselijke bestuur en dergelijke onontbeerlijk. Deze informatie kon slechts worden verkregen door gebruik te maken van instellingen en personen die of over een goede terreinkennis beschikten of deskundig waren op het gebied van bestuursorganisatie en lokale bevolking. Die specialistische kennis met betrekking tot Nederlands-Indië was vrijwel het enige 'wapen' dat de Nederlandse civiele en militaire autoriteiten in dit stadium van de oorlog in stelling konden brengen. In Australië waren in het voorjaar van 1942 slechts twee Nederlanders aanwezig die ervaring hadden met inlichtingenwerk. A.H.J. Lovink was degene die op de meeste ervaring kon bogen. Hij was tot februari 1942 hoofd van de Dienst Oost-Aziatische Zaken (DOAZ) te Batavia en behoorde tot de uitverkorenen die vóór de capitulatie van het KNIL uit Nederlands-Indië mochten vertrekken, onder andere vanwege zijn grote kennis van de Japanse verbindingen en de organisatie van de Japanse inlichtingen-diensten. De DOAZ was in 1932 ontstaan door samenvoeging van de tijdens de Eerste Wereldoorlog opgerichte dienst voor Chinese Zaken en de sinds 1922 werkzame Dienst voor Japanse Zaken en uitsluitend gericht op inlichtingenwerk. Veel aandacht werd besteed aan het decoderen van Japanse codeberichten. De andere in Australië aanwezige Nederlander die enige ervaring had met inlichtingen-werkzaamheden was kapitein-luitenant ter zee G.B. Salm. Niet dat hij voor het uitbreken van de oorlog enig operatief aandeel had gehad binnen een inlichtingendienst, maar hij beschikte in Australië over goede contacten met de Australische inlichtingendiensten. In februari 1941 was Salm door vice-admiraal C.E.L. Helfrich naar Melbourne gestuurd als 'liaison'-officier; niet alleen voor marine-aangelegenheden, maar omdat hij de enige Nederlandse officier ter plaatse was, ook voor land- en luchtmachtaangelegenheden. Salm kreeg van schout-bij-nacht F.W. Coster de opdracht een inlichtingendienst te formeren. Bij de opbouw hiervan kon hij gebruik maken van personeel van de Koninklijke Marine en van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. De dienst werd gevestigd te Melbourne, onder andere omdat daar de staven van de Australische krijgsmachtonderdelen waren gevestigd en Salm te Melbourne gebruik kon maken van diensten van Australische en Britse militairen. De medewerkers van de Nefis (zoals de inlichtingenorganisatie al snel werd genoemd; de officiële naam was tot april 1943 "Marine en Leger Inlichtingendienst") moesten zich tot ver in 1943 afzijdig houden van het 'actieve' inlichtingenwerk, dat wil zeggen het zelfstandig vergaren van inlichtingen uit bezet gebied. Het actieve inlichtingenwerk werd, zoals eerder vermeld, ondergebracht bij het Allied Intelligence Bureau. Het zou nog een jaar duren voordat de 'actieve' of 'hot'-intelligence met betrekking tot Nederlands-Indië bij de Nefis ondergebracht zou worden. De Nefis diende zich vooralsnog aan de instructie van de Onderbevelhebber Strijdkrachten Oosten (OBSO), F.W. Coster te houden. Consequentie van die instructie was dat de Nefis zich concentreerde op het verzamelen van inlichtingen omtrent Nederlands-Indië en de activiteiten van de Japanners aldaar. Naast deze taak werd de Nefis tevens belast met de beveiliging van de Nederlandse strijdkrachten in Australië. Dit hield onder meer in dat de Nefis optrad als brief- en perscensor. De overige taken waren het onderhouden van contacten met de overige geallieerde inlichtingendiensten, deelnemen aan werkzaamheden van de Interallied Geographical Section en het verzorgen van de propaganda onder het personeel van de Nederlandse strijdkrachten in Australië en de delen van Nieuw-Guinea die nog niet in Japanse handen waren gevallen. 3.1 de organisatie Organisatorisch gevolg van de instructie van Coster was dat de Nefis werd onderverdeeld in drie afdelingen. Op het eerste organisatieschema, daterend van waarschijnlijk juni of juli 1942, zijn de afdelingen Security, met als hoofd luitenant ter zee I Douw van der Krap en het Intergeallieerd bureau voor locale gegevens N.E.I. section van majoor generale staf S.H. Spoor vermeld. Als stafafdeling staat het Secretariaat onder leiding van kapitein G.L. Reinderhoff aangegeven. Een later schema (september 1942) vermeld als naam voor de afdeling van Spoor Intergeallieerde Geografische Afdeling. Op datzelfde organisatieschema staat Spoor als plaatsvervangend hoofd van de Nefis aangegeven. In schema: Afdeling i Prioriteit werd gelegd bij de werkzaamheden van de Geografische Afdeling: het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens betreffende Nederlands-Indië, het bewerken van die gegevens en vervolgens de resultaten ter beschikking stellen aan de Nederlandse en geallieerde strijdkrachten, inclusief het AIB. De informatiebronnen hiervoor waren bibliotheken en documentatie. Tevens werden zo veel mogelijk rapporten en verslagen van militairen die betrokken waren bij de gevechtshandelingen met de Japanners verzameld. Een andere belangrijke bron waren de in Australië woonachtige en naar Australië geëvacueerde personen afkomstig uit Nederlands-Indië. Zij konden een schat van gedetailleerde informatie leveren over gebieden, steden en eilanden waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. In de loop van de jaren zouden meer dan duizend personen in Australië die ook maar over enige kennis met betrekking tot Nederlands-Indië beschikten worden verhoord. Overige activiteiten van deze afdeling waren het aanleggen van een kaarten- en fotoarchief dat werd aangevuld met gegevens die voortkwamen uit de verhoren. Eind april 1943 maakten de hierboven beschreven taken nog steeds deel uit van het takenpakket, maar waren inmiddels ondergebracht bij sub-afdelingen. Er waren acht kantoren of sub-secties, die onder leiding stonden van het hoofd "General Intelligence", of, een nieuwe benaming van de afdeling, Nefis-I: In oktober werden de werkzaamheden van de sectie I-4 ondergebracht bij sectie I-1, terwijl de foto-interpretatie tot de taken van sectie I-5 ging behoren. In januari 1944 werd sectie I-1: Operational Intelligence, die voornamelijk de militaire aangelegenheden behandelde, afgesplitst van de afdeling General Intelligence. Alhoewel de formalisering hiervan pas in augustus 1944 geschiedde (Operational Intelligence werd toen een aparte sectie, namelijk sectie IV: Militaire Intelligence) valt aan te nemen dat vanaf januari 1944 Nefis feitelijk met vier afdelingen opereerde. In de organisatie van Nefis-I zou tot de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 geen verandering meer komen. Afdeling ii De Nefis diende als inlichtingenorganisatie niet alleen te zorgen voor informatie die bij kon dragen aan offensieve activiteiten van de geallieerden, maar had tevens een defensieve opdracht gekregen: zorgdragen voor de interne veiligheid van de Nederlandse strijdkrachten in Australië. Dat betekende in de praktijk het controleren van de strijdkrachten op mogelijke 'lekken' en onbetrouwbare elementen. De controle op de veiligheid werd gedeeltelijk uitgevoerd door de Nefis als censor te laten optreden. Directeur Nefis was door Helfrich als hoofdcensor van de in Australië aanwezige strijdkrachten aangesteld en diende in die functie richtlijnen uit te vaardigen met betrekking tot censurering van brieven van militairen en de wijze waarop deze verstuurd dienden te worden. Dit gold voor zowel particuliere als dienstcorrespondentie. Een tweede controlerend middel was het zogenaamde "betrouwbaarheidsonderzoek". Alle militairen en burgers die op de een of andere wijze in aanraking konden komen met militaire geheimen werden hieraan onderworpen. Bij deze op het individu gerichte onderzoeken werd getracht na te gaan hoe de betrokkenen zich binnen en buiten dienstverband gedroegen, waarbij vooral werd gelet op uitlatingen in het openbaar en de contacten die in Australië werden onderhouden. Ook een onderzoek naar de politieke antecedenten maakte deel uit van de procedure. Met de herovering van delen van Nieuw-Guinea werd het werkterrein van Nefis-II uitgebreid met het verrichten van onderzoek buiten Australië. Voor deze onderzoeken werd aan de ondervragingssectie van Nefis-I een officier van Nefis-II toegevoegd. Door Nefis-II werd in het kader van de handhaving van de veiligheid in Australië uitgebreid onderzoek verricht naar de Indonesische bevolkingsgroep en rapporteerde zij regelmatig aan de Nederlandse civiele autoriteiten inzake de Indonesische gemeenschap in Australië. Ook de registratie van Indonesiërs in Australië werd door Nefis-II bijgehouden. Een andere door haar verzorgde registratie was die van krijgsgevangenen- en burgerinterneringskampen in Nederlands-Indië en kampen buiten Nederlands-Indië waar Nederlanders en/of Indonesiërs waren gesignaleerd. Dezelfde bronnen die zorgden voor de opbouw van het hierboven genoemde registratie-systeem leverden de bouwstenen voor nog een registratie; die van namen en gegevens met betrekking tot personen in bezet Nederlands-Indië. Bij herbezetting van grondgebied zou het immers van groot belang zijn te weten wie wel en wie niet sympathiek stond tegenover de geallieerden. 3.2 reorganisatie Begin 1943 was MacArthur niet onder de indruk van het inlichtingenwerk met betrekking tot Nederlands-Indië; alle inlichtingenoperaties die tot dan toe op touw waren gezet waren falikante mislukkingen geworden. Pogingen om 'parties' aan land te zetten waren of mislukt of men ontving geen berichten van de afgezette groepen. In januari 1943 heeft Van der Plas een onderhoud met MacArthur die dan op bezoek is in Australië. Hij zegde Van der Plas alle steun en medewerking toe bij de reorganisatie van de inlichtingendienst voor Nederlands-Indië. De activiteiten met betrekking tot Nederlands- Indië zouden voortaan geheel door de Nederlanders moeten worden bestierd, dus los van het A.I.B. Dit betekende dat de Nederlandse tak van Sectie A van het AIB werd ondergebracht bij de Nefis. De naam van de nieuwe afdeling werd Nefis-III. Met de inlijving van de sectie van Quéré in de organisatie van de Nederlandse inlichtingendienst in Australië op 1 april 1943 werd de Nefis officieel opgericht (tot dan toe was de officiële naam Marine en Leger Inlichtingendienst, maar al vanaf juni 1942 was de naam Nefis in zwang). De interne organisatie van de Nefis per 1 april 1943 zag er schematisch aldus uit: De taken en werkzaamheden van Nefis-I en II ondergingen na april 1943 geen wezenlijke veranderingen. De instelling van Nefis-III, de nieuwe loot aan de stam, betekende dat de Nefis rechtstreeks betrokken zou raken bij de geallieerde oorlogvoering. Veel meer dan bij het bedrijven van de General intelligence en Security diende met de wensen van het geallieerde opperbevel rekening te worden gehouden. De Directeur Nefis stond onder rechtstreeks gezag van de Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (BSO), Helfrich, en indien deze niet in Australië verbleef (wat veelal het geval was) onder de OBSO, maar instructies over te ondernemen activiteiten ontving van het Bureau Intelligence van MacArthur's Algemeen Hoofdkwartier (G.H.Q.-G2). De ontvangen instructies diende hij te coördineren met de bevelen van de BSO/OBSO en de wensen van de Indische Commissie. Contacten met het AIB werden in stand gehouden door een verbindings-officier van de Nefis bij GHQ-G2. Nieuwe wijzigingen in de organisatie en bevelsverhoudingen werden in 1944 ingevoerd na het uitvechten van diverse controverses waardoor Salm vertrok als Directeur Nefis en in die functie werd opgevolgd door Spoor. De wijzigingen in de organisatie en de bevelsverhoudingen werden door Helfrich vastgelegd in een wijziging van de instructie voor de Directeur Nefis van 9 januari 1944. Uit een praktisch oogpunt werd de Nefis rechtstreeks onder de OBSO gesteld; Helfrich zelf was immers weinig in Australië en de communicatie met Ceylon was voor het leiden van een dienst 'op afstand' niet geschikt. De Nefis werd verplicht advies in te winnen bij Van der Plas inzake politieke aangelegenheden of voorziene contacten met de Indonesische bevolking. Nefis-I wordt opgedeeld in een afdeling die de geografische gegevens en een afdeling die de 'operational intelligence' gegevens verzorgt. Pas in juni 1944 zou een verdere uitwerking volgen en de splitsing worden geformaliseerd. Een formele wijziging in de organisatie werd door Spoor in juni 1944 aan de OBSO Van Oyen voorgelegd. Als redenen voor de reorganisatie voert Spoor aan de steeds toenemende werkdruk, de herovering van Nederlands-Indisch grondgebied en de daaraan gepaard gaande vraag naar meer en gedetailleerder informatie en noodzakelijke efficiëntere en meer gespecialiseerde inrichting van de werkzaamheden. Zowel de aanleiding tot de reorganisatie als de aangedragen oplossing voor de gesignaleerde problemen verschillen niet wezenlijk van eerdere reorganisaties. Te veel onderwerpen worden door één kantoor behandelt en door onvoldoende specialisatie wordt vaak dubbel werk verricht. In de nieuwe opzet wordt het aantal secties verdubbeld van drie naar zes: De reorganisatie laat na afloop een nieuw beeld zien van de Nefis. Sectie II en III blijven in vrijwel ongewijzigde vorm bestaan. Bij Sectie I vindt een accentverschuiving van de werkzaamheden plaats; meer aandacht voor opleiding, instructie en 'briefing' van personeel belast met de counter-intelligence bij de NICA-detachementen die in bevrijd gebied optreden. Sectie III wordt 'ontlast' van haar administratieve taken: archief, personeelszaken en transportaangelegenheden worden voortaan door de Algemene Dienst verzorgd, zodat concentratie op de kern van de toegewezen taak kan plaatsvinden. Tevens krijgt de sectie de beschikking over een eigen materialendepot, zodat niet telkens een beroep op het AIB behoeft te worden gedaan. De sub-sectie 'Operational Intelligence' (Sectie I-1) wordt als aparte sectie IV in de organisatie geplaatst en krijgt de beter passende naam Military Intelligence. De taak blijft ongewijzigd. Een geheel nieuwe sectie is de Sectie V: Civil Affairs Intelligence met als taken: verzamelen en coördineren van alle gegevens die belangrijk zijn voor de herovering van Nederlands-Indië en die niet van geografisch of militair- technische aard zijn. geven van voorlichting over sub 1 aan Nederlandse en geallieerde instanties. De nieuw geformeerde Sectie VI: Technische Photo Sectie (TPS) tenslotte had haar bestaan feitelijk te danken aan de verhuizing van de Nefis van Melbourne naar Brisbane. In Melbourne kon nog gebruik worden gemaakt van de 'Film and Photo Unit' van de Netherlands Indies Government Information Service (NIGIS), maar in Brisbane niet. De organisatie zou tot aan de verhuizing van Australië naar Batavia na de Japanse capitulatie niet meer veranderen. Vóór die verhuizing vond nog wel een reorganisatie plaats. Die reorganisatie anticipeerde op de veranderde taakstelling van de Nefis, waarin geen plaats meer was voor special intelligence en special operations. Het organisatieschema ziet er najaar 1945 als volgt uit: ( Aan de sectie II-3 Oorlogsmisdaden werd in januari 1946 toegevoegd het Bureau tot opsporing van Oorlogsmisdadigers, dat in het najaar van 1945 was ingesteld.) In het oorspronkelijke schema ontbreken de afdelingen VII en IX. Er van uitgaande dat zij wel bestaan hebben zijn ze wel in dit schema opgenomen, maar in het archief zelf ontbreekt elke aanwijzing wat de taak van deze afdelingen geweest zou kunnen zijn. Naast de Nefis zouden in Nederlands-Indië aparte inlichtingendiensten bestaan van het KNIL en de Marine. Naast de organisatie van het Hoofdkantoor bevatte de Nefis-organisatie (en later ook de CMI) na de verhjuizing naar Batavia ook een groot aantal Buitenkantoren. Het grootste deel van het operationele inlichtingenwerk werd door deze kantoren en de onder hen ressorterende Buitenposten verricht. Dat operationele werk bestond uit het ondervragen van personen, het vergaren van inlichtingen omtrent de ontwikkelingen in de regio waar het kantoor gevestigd was door middel van het opbouwen en in stand houden van een inlichtingen-netwerk en het volgen van de media. Daarnaast stond een Buitenkantoor in voortdurend contact met de civiele en militaire autoriteiten in de regio. In 1948 wordt het gehele inlichtingenbouwwerk in Nederlands-Indië gereorganiseerd. De reorganisatie had te maken met een verminderde beschikbaarstelling van personeel aan de Nefis door de verschillende departementenvan algemeen bestuur in verband met de slechte rechtspositie van Nefis-personeel, maar ook met het versnipperde aanbod van intelligence-materiaal. Want hoewel Nefis altijd al gebruik maakte van de inlichtingen die door de diverse legereenheden werden verzameld, had de dienst nooit enige zeggenschap over de te velde opererende inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Met de reorganisatie die in september 1948 van kracht werd zou dat wel het geval zijn. In de opmaat naar de reaoganisatie werd dit beschreven als "grotere centralisatie in de leiding en uitvoering, waarmee nauw is verbonden een doelmatig gebruik van de beschikbare middelen". Tevens zou de nieuwe dienst nauw samen moeten gaan werken met de niet-militaire inlichtingendiensten van de deelstaten van de toekomstige Verenigde Staten van Indonesië. De Nefis werd met die reorganisatie vervangen door de Centrale Militaire Inlichtingendienst (CMI) die onder het bevel kwam te staan van het Directoraat Militaire Inlichtingen, gevormd door de Commandant der Zeemacht en de Legercommandant.
1. Jan Jacob Rochussen (1797-1871) Op 23 oktober 1797 werd Jan Jacob Rochussen in Etten geboren als zoon van Jan Rochussen (1759-1818) en Aletta Jacoba Erbervelt (1764-1851). De Rochussens stamden van een Vlissings magistratengeslacht, welks stamvader Rochus Rochussen (1598 - na 1623) zich aldaar had gevestigd. Jan Jacob begon zijn loopbaan in het voetspoor van zijn vader, die was opgeklommen tot direkteur der accijnzen in Amsterdam. Toegerust met gelijke kennis en ervaring op fiskaal gebied als zijn vader, werd hij in 1826 sekretaris van de Kamer van Koophandel in Amsterdam en in 1828 direkteur van het Entrepotdok. Zijn handelsrelaties brachten hem op de weg der diplomatie: zo vertegenwoordigde hij Nederland in het college van de Rijnvaart, bij onderhandelingen met Pruisen over een scheepvaartverdrag in 1837 en met het Tolverbond over een verdrag in 1839. Op 25 juni 1840 werd hij door koning Willem I tot minister van Financiën benoemd, de eerste minister die, overeenkomstig de grondwetsherziening van 1840, jaarlijks zijn financiële politiek voor de Staten-Generaal moest verdedigen. Zijn nota van 28 oktober 1840 over het Amortisatie-syndicaat legde de deplorabele toestand van de schatkist bloot, maar zijn maatregelen ter sanering door een konversie van de werkelijke schuld van 4 in 3 procent werden in 1843 door de Tweede Kamer verworpen, als gevolg waarvan hij aftrad. De goede verstandhouding, waarin hij als gevolg van zijn diplomatieke aktiviteiten met koning Leopold I van België verkeerde, maakten hem bij uitstek geschikt voor onderhandelingen met België ter afwikkeling van geschilpunten, welke na de konferentie van Londen in 1839 waren blijven bestaan. Nog tijdens zijn ministerschap bracht hij deze tot een bevredigend einde en een post als gezant in België was hiervan het gevolg. In januari 1845 werd hij echter tot gouverneur-generaal van Nederlands -Indië benoemd. Zijn vijfjarig bewind aldaar kenmerkt zich door herziening van het muntwezen en voortzetting van het kultuurstelsel, zij het, dat hongersnoden in 1848 en 1849 tot verlichting van lasten op de inlanders noodzaakten. Hij kantte zich tegen voorstellen tot persvrijheid. Ook was hij de eerste gouverneur-generaal die daadwerkelijk streefde naar enige ordehandhaving in de Buitengewesten, zodat onder zijn bewind strafexpedities plaats vonden naar Borneo (tegen Chinese mijnwerkers) en naar de Soeloe-eilanden (tegen zeerovers). Op Java bracht hij kontraktuele bestuursbanden tot stand met de vorsten aldaar. In 1850 nam hij ontslag, doch eerst in 1852 keerde hij in Nederland terug. In datzelfde jaar nog werd hij voor het distrikt Alkmaar tot lid van de Tweede Kamer verkozen, waar hij grote invloed had bij de totstandkoming van het Regeringsreglement voor Nederlands-Indië van 1854. In 1857 trok hij zich terug, wijl hij geen oppositie wenste te voeren tegen de toenmalige minister van Koloniën P. Mijer. Zijn invloed op het koloniale beleid werd nochtans versterkt, nadat hij in 1853 was benoemd tot commissaris des konings bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Als zodanig was hij betrokken bij voorstellen tot de afschaffing van de slavernij in Oost- en West-Indië. In het voorjaar van 1858 werd Rochussen door de koning aangezocht een ministerie te vormen, "gematigd zonder partijschap". In dit eerste z.g. koninklijk kabinet "van fusie" (tussen konservatieven en liberalen) beheerde hij de portefeuille van Koloniën; het kabinet trad op 23 maart 1859 af na de verwerping van een wet op staatsexploitatie der spoorwegen. Rochussen, die een wet op de afschaffing van de slavernij in Oost-Indië aangenomen zag, bleef echter aan onder het volgende kabinet, dat door F.A. van Hall gepresideerd werd en in toenemende mate te kampen kreeg met de oppositie van een liberale Tweede Kamermeerderheid. Rochussens starre konservatieve stellingname voor het behoud van het kultuurstelsel en tegen parlementaire kontrole op het beheer der koloniale middelen droeg daar niet weinig toe bij. In december 1860 trad hij af, doordat zijn begroting in de Tweede Kamer werd afgestemd. Hij ging evenwel niet in op het voorstel van koning Willem III de Kamer te ontbinden. De koning, die hem node zag gaan, overlaadde hem met eerbewijzen (De koning bood hem verheffing in de adelstand aan onder de titel van graaf. Rochussen weigerde, zoals hij ook in 1842 een baronnentitel van koning Willem II had geweigerd. Rochussen werd nu het grootkruis van de Nederlandse Leeuw toegekend met briljanten, een dekoratie, die tot dan toe aan niemand was uitgereikt.). Als verpersoonlijking van "het behoudend stelsel" werd hij in 1864 wederom in de Tweede Kamer verkozen. Hij opponeerde tegen de ministeries Thorbecke en Fransen van de Putte en stelde zich achter het ministerie Van Zuylen-Heemskerk. In 1869 trok hij zich terug. Rochussen was op 14 december 1831 gehuwd met Anna Sara Velsberg (1807-1841), en wettigde hiermee drie tevoren geboren zoons en een dochter. Na het overlijden van zijn echtgenote huwde hij in Batavia op 25 september 1848 met Elisabeth Charlotta Vincent (1827-1851). Op 21 januari 1871 overleed hij in Den Haag. 2. Jhr. mr. Willem Frederik Rochussen (1832-1912) Willem Frederik, geboren in Amsterdam op 18 december 1832, was de eerste vanaf zijn geboorte wettige zoon van Jan Jacob Rochussen. Na een universitaire studie in Amsterdam, Utrecht en Leiden promoveert hij in 1855 op thesen, waarna hij de diplomatieke loopbaan kiest. Hij begint als attaché bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarna hij in 1856 tot gezantschapssekretaris te Berlijn wordt benoemd en vervolgens in 1858 te Parijs. Op 6 juli 1860 wordt hij zaakgelastigde te Kopenhagen. Hij valt op door een beleidvol en, ook in netelige kwesties, doortastend optreden. Dit leidt tot een uitbreiding van zijn post met de vertegenwoordiging in Zweden en Noorwegen. Op 14 december 1867 treedt hij in het huwelijk met Gregersone Mathilde barones Wedell-Wedellsborg (1835-1927). In 1870 wordt hij gezant in België, maar een gewichtiger post volgt, wanneer hij zich in 1871 benoemd ziet tot gezant bij het Duitse keizerrijk. Zijn berichtgeving over het nieuwe imperium bevat uitgebreide gegevens over de publieke geest aldaar en over Bismarcks politiek. Tevens bemiddelt hij voor het koninklijk huis, waarmee zijn vader steeds zulke gunstige betrekkingen had onderhouden. Op 5 januari 1876 wordt hij in de adelstand verheven met het predikaat jonkheer. Zijn vader had zelfs hogere titels steeds afgewezen. Op 15 september 1881 geeft hij na lang aandringen zijn lukratieve gezantschapspost prijs voor de benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het sterk heterogene kabinet-Van Lynden van Sandenburg. Hij verdedigt het voorstel van zijn voorganger tot uitbreiding van zijn departement met sukses, maar een onder zijn bewind gesloten handelsverdrag met Frankrijk wordt tot tweemaal toe door de Tweede Kamer verworpen, hetgeen op 9 mei 1882 tot zijn aftreden leidt. Het ontslag wordt geweigerd, maar het kabinet struikelt op een herziening van de kieswet op 23 april 1883. Rochussen blijft nu verder in Nederland, waar hij op 30 april 1886 wordt benoemd tot lid van de Raad van State, in welke funktie hij tot 1907 werkzaam blijft. Hij stelt zich in diverse publikaties konservatief en vaderlandslievend, doch ethisch bewogen, op en raakt op goede voet met koningin Wilhelmina( Vergelijk inventarisnummers 47, 60 en 64. ). Op 17 juli 1912 overlijdt hij in Den Haag. 3. Jhr. mr. Jan Jacob Rochussen (1871-1928) Jan Jacob Rochussen( Biografische gegevens van Jan Jacob Rochussen over zijn loopbaan tot 1815 bevinden zich in inventarisnummer 78. Mr. H.J. Sjollema maakt op pagina 46 van zijn studie over Isaac Rochussen melding van autobiografische aantekeningen van J.J. Rochussen. Deze zijn niet aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen, omdat zij hoofdzakelijk partikuliere aangelegenheden betreffen. ) werd op 5 november 1871 in de Nederlandse legatie in Berlijn geboren als zoon van Willem Frederik Rochussen. Deze had, juist terwille van de opleiding van zijn zoon, afgezien van nieuwe posten in het buitenland. Zolang deze vader nog lid was van de Raad van State, doorliep de jonge Jan Jacob een briljante loopbaan. Hij had sedert 1889 aan de Rijksuniversiteit van Leiden gestudeerd, waar hij in 1895 de titel van meester in de rechten verwierf. In 1895 werd hij als adjunkt-commies verbonden aan het departement van Buitenlandse Zaken, waar hij reeds in 1901 tot referendaris was geavanceerd. Hij heeft in verschillende commissies zitting gehad, en aan internationale konferenties deelgenomen, welke zich vooral bezig hielden met de arbitragegedachte en het internationaal privaatrecht. Geïnspireerd door zijn oom, jhr. mr. A.P.C, van Karnebeek en door mr. T.M.C. Asser, die hij als zijn leermeester beschouwde, werd hij betrokken bij de voorbereiding van de Tweede Vredesconferentie, die in 1907 zou plaatsvinden. In 1906 werd hij benoemd tot de belangrijke funktie van chef der afdeling Politieke Zaken van zijn ministerie. In 1907 trok hij zich uit deze ambtelijke funktie terug om het direktoraat te aanvaarden van het Rotterdamse kantoor der Amsterdamsche Bank. Tot dit besluit werkte, naast een aanzienlijke verbetering van zijn persoonlijke financiële positie (zijn inkomen werd aanstonds verviervoudigd!), ook zijn overtuiging mee, dat hij geen medewerking meer kon verlenen aan internationale vredesconferenties, die door de machtigsten voor eigen imperialistische doeleinden konden worden misbruikt. Wel heeft hij ook als zakenman incidenteel nog een rol gespeeld in de diplomatie; in 1915 intervenieerde hij officieus ten gunste van het kabinet-Cort van der Linden bij de Engelse regering. Intussen was hij op 12 november 1909 gehuwd met Mary Gervey, een Engelse, afkomstig uit Brits-Borneo. In december werd hij door zijn neef, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, H.A. van Karnebeek, benoemd tot minister-resident, toegevoegd aan de Nederlandse legatie te Parijs om daar samen met de direkteur der Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij, E. Heldring( Aantekeningen over Rochussen bevinden zich in Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring, uitgegeven door J. de Vries namens het Historisch Genootschap, Utrecht 1970, pag. 277-335. ), de Nederlandse belangen te behartigen tijdens de vredesonderhandelingen te Parijs inzake de aanvankelijk door Frankrijk gesteunde Belgische territoriale eisen. Rochussens arbeid was niet zonder sukses, en zijn bekwaam optreden voor de Nederlandse zaak maakte indruk. Hij had het overigens niet gemakkelijk, doordat zijn direkte chef, de gezant A.L.E. ridder de Stuers, hem als een dwarskijker beschouwde. Na de voltooiing van zijn missie zette Rochussen zijn direktoraat van het Rotterdamse kantoor van de Amsterdamsche Bank voort, totdat hij in 1922 om persoonlijke redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Sedertdien vestigde hij zich in Engeland. Op 5 november 1928 overleed hij aldaar in Barnes.
GESCHIEDENIS VAN HET ORGAAN. Na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 kwam het Kabinet in een spoedvergadering bijeen en besloot een afvaardiging van twee ministers naar Londen te sturen om daar de nodige contacten met de Engelse regering te leggen. Op maandagmorgen 13 mei 1940 werd in een informele kabinetsvergadering besloten het kabinet collectief naar Londen te verplaatsen. Diezelfde avond vetrokken de resterende ministers met de Engelse torpedobootjager "Windsor" en arriveerden 14 mei in Londen. Minister J.W. Albarda van het departement van Waterstaat had bij zijn aankomst in Londen geen personeel tot zijn beschikking. Hij bleef niet lang alleen, want twee weken later voegde J.W. Akkerman, een ingenieur van de Rijkswaterstaat, zich bij hem. Door overname van personeel van andere ministeries en door gebruik te maken van de diensten van in Londen wonende Nederlanders en Engelandvaarders kon hij zijn departement van personeel voorzien. Het departement nam na een verblijf van ongeveer twee weken in het Grosvenor-house intrek in het Stratton-house en verhuisde van daaruit in maart 1943 naar het Berkeley-house. TAAK. De werkzaamheden van het departement van Waterstaat waren bijna geheel gericht op Nederland, zodat de eigenlijke taak in Londen voor het merendeel niet kon worden uitgeoefend. Maar ondanks dat en ondanks de bezetting van Nederland behield ze haar bemoeienissen met betrekking tot de lucht- en scheepvaart. Luchtvaart Het departement had het toezicht op de burgerluchtvaart. Deze werd in Londen uitgeoefend door de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij. De directie van de KLM werd na de bezetting van Nederland opgedragen aan de directie van de KNILM te Batavia en wel op 4 juni 1940. Na de Japanse verovering van Oost-Indië volgde op 9 juli 1942 een zetelverplaatsing naar Curacao. Teneinde een beter contact met de KLM te krijgen werd het bestuur van de maatschappijen weer gesplitst waarna de KLM haar zetel in 1943 naar Londen verplaatste. Het herstel van de Nederlandse burgerluchtvaart bezorgde het departement veel moeilijkheden. Op politiek terrein waren veel activiteiten ondernomen, zoals het afsluiten van luchtvaartovereenkomsten, het verkrijgen van concessies voor nieuwe internationale luchtlijnen, de bevordering van de Nederlandse luchtvaartindustrie en internationaal overleg tot ordening van het internationaal luchtverkeer. Het departement had ten behoeve van de KLM en de Nederlandse regering enkele vliegtuigen kunnen kopen. Het departement opende in Engeland de gelegenheid examens af te leggen ter verkrijging van de diploma's die voor het Nederlands luchtvaartpersoneel vereist waren. De afgifte van luchtwaardigheids- en vliegbewijzen viel onder het departement. Op 25 maart 1943 werd in Londen de afdeling Luchtvaart ingesteld, onder leiding van de Hoofd-vlieger der 2e klasse J.W.F. Backer. Scheepvaart Onder het departement van Waterstaat ressorteerde de Scheepvaartinspectie, deze dienst had de zorg voor de veiligheid van schepen, bemanningen en ladingen. In Londen werd direct begonnen met het verstrekken en verlengen van de benodigde scheepspapieren. Tijdens de bezettingsjaren was in Londen een uitgebreide Scheepvaartinspectie ontstaan. Later werd deze uitgebreid met posten in Liverpool, New York, San Fransisco, Curacao, Durban, Sidney en Bombay. Door de oorlogsomstandigheden moesten de veiligheidsvoorschriften worden aangepast en in overeenstemming worden gebracht met die van de andere zeevarende geallieerde mogendheden. Het vernieuwde veiligheidsbesluit kwam op 23 oktober 1941 tot stand. Bij de Scheepvaartinspectie werd een Inspecteur in Buitengewone dienst voor de scheepvaart aangesteld. Deze inspecteur verrichtte alleen werkzaamheden ten behoeve van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart. Een van deze werkzaamheden was het instellen van een vooronderzoek naar de oorzaken van scheepsrampen. Als bleek dat er laakbare fouten begaan waren werd de zaak overgedragen aan de eerder genoemde raad, een speciale rechtbank voor het onderzoek van scheepsrampen ingesteld op 18 oktober 1940. Deze raad moest dan een oordeel uitspreken, de verantwoordelijke personen aanwijzen en eventueel voor deze schepelingen disciplinaire maatregelen bepalen. Behalve de uitvoering van Schepenwet en Schepenbesluit berustte bij het departement ook die van de Zeevaart-diploma-wet. Om het tekort aan gediplomeerde zeelieden bij de koopvaardij zoveel mogelijk te beperken, werden er in Engeland, Australië, Colombo en de Verenigde Staten Nederlandse examencommisies ingesteld ter verkrijging van de diploma's als stuurman of als machinist ter koopvaardij. -<h2>Herstel Het departement kreeg er vanaf begin 1941 een zeer belangrijke taak bij, n.1. de voorbereiding van de terugkeer naar - en het herstel van Nederland na de bevrijding. In een nota aan de minister-president berichtte minister Albarda dat het departement maatregelen aan het voorbereiden was ten behoeve van het herstel van Nederland na de bevrijding. Maar het duurde tot 15 september 1941 totdat er een afdeling Herstel, ook wel Terugkeer en Herstel genaamd, werd ingesteld onder leiding van de ingenieur J.W. Akkerman. Voor deze tijd was hij het hoofd van de huishoudelijke dienst van het Stratton-house. De taken van de afdeling waren: I. Het herstel van de openbare werken (havens, wegen, bruggen, inundaties enz.). II. Het herstel van het binnenlands verkeer en vervoer en de voorziening van vervoersmiddelen. III. De organisatie van het binnenlands transportwezen. IV. Het herstel van het mijnwezen. V. De electriciteitsvoorziening. Direct na de oprichting van de afdeling ontwikkelde Akkerman een plan voor het verzamelen van gegevens en het winnen van inlichtingen betreffende de vernielingen in - en de wederopbouw van Nederland. In het begin was de informatie schaars. Deze informatie kwam van de Engelandvaarders en uit de incidentele berichten die uit de neutrale landen werden ontvangen. Vanaf eind 1942 ging het beter, er kwamen verbindingen met het verzet totstand en via het Bureau Inlichtingen van het departement van Oorlog verkreeg men de benodigde informatie. Om de goederen, die bestemd waren voor het herstel van Nederland na beëindiging van de oorlog, te kunnen aanschaffen, werden er door de Engelsen en Amerikanen commissies ingesteld. De regering kon zonder de toestemming van deze commissies niets aanschaffen. Omdat er bij het Nederlands aankoopbeleid een groot gebrek was aan coördinatie werd op voorstel van minister Albarda een Interdepartementale Commissie voor Aankopen (meestal aangeduid als de "Ambtenarencommissie") ingesteld. Onder deze commissie kwam een uitvoerings-commissie, de Commissie van Drie, te staan. Door tegenwerking van één van de vertegenwoordigers van de Ambtenarencommissie kon de Commissie van Drie niet functioneren. Er werd toen een ministeriële commissie voor Relief en Rehabilitatie onder het voorzitterschap van minister Albarda ingesteld. In de eerste vergadering op 17 juni 1944 werd besloten om een onder deze commissie ressorterend bureau in te stellen. Op 10 juli 1944 werd toen onder leiding van N.A. de Gaay-Fortman de Administratie voor Relief en Rehabilitatie (A.R.R.) ingesteld, gelijktijdig werd de Commissie van Drie opgeheven. Omdat de naam niet zo goed klonk had men er algauw een Engelse naam voor bedacht: The Netherlands Office for Relief and Rehabilitation (N.O.R.R.). Dit werd de officiële benaming. De afdeling Herstel kon voor de wederopbouw van Nederland veel goederen aankopen zoals hout, gereedschappen, materieel ter bestrijding van de inundaties, vervoersmiddelen enz.. De grootste aankoop van de afdeling tijdens de oorlog was die van 50 locomotieven in Zweden ten behoeve van de Nederlandse Spoorwegen. In Londen was onder leiding van de heer P. Rijkens, directeur van de Unilever, een Studiegroep Reconstructie Problemen, ook wel de Commissie Rijkens genaamd, opgericht. Deze studiegroep had als doel zich bezig te houden met de problemen inzake de economische wederopbouw en de toekomst van Nederland na de oorlog. De studiegroep was samengesteld uit een aantal commissies die zich elk met een bepaald terrein bezig hielden. Door deze studiegroep werden talrijke rapporten naar de regering gestuurd. Het organisatieschema van deze studiegroep bevindt zich in inventarisnummer 170. NA TERUGKEER IN NEDERLAND Na de terugkeer van het departement van Waterstaat in Nederland werd bij K.B. F 66 d.d. 7 mei 1945 de naam veranderd in departement van Waterstaat en Wederopbouw. Bij K.B. F 113 d.d. 23 juni 1945 werd een ministerie van Verkeer en Energie en een ministerie van Wederopbouw ingesteld. Het departement van Waterstaat werd opgeheven. Ten behoeve van het aankoopbeleid van deze ministeries en van de afwerking van de lopende zaken was er in Londen een bureau achtergebleven. De naam van dit bureau was: Het bureau Londen van het voormalig departement van Waterstaat. Het departement van Waterstaat in Londen werd op 31 december 1945 geliquideerd. Het bureau Londen heeft nog tot medio maart 1946 haar werkzaamheden verricht. De afwerking van de comptabele zaken door de afdeling Financiële en Economische Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft tot 1950 geduurd.
Voorgeschiedenis Sumatra's Oostkust Tot in de tweede helft van de 19e eeuw was de Oostkust van Sumatra, het latere cultuurgebied van de grote tabaksmaatschappijen, een bestuurlijk terra incognita. De politiek van onthouding van het Nederlands-Indische gouvernement vond zijn oorzaak in het ontbreken van belangstelling voor het moerassige en dun bevolkte gebied. De Engelse ontkenning van de rechten van het gouvernement over het gebied en de opbloeiende cultures zouden in deze politiek echter spoedig verandering brengen. De landschappen van Sumatra's Oostkust waren nagenoeg zelfstandig. De vorsten (zelfbestuurders) van de landschappen vielen in het midden van de vorige eeuw binnen de invloedssfeer van het meer zuidelijk gelegen sultanaat Siak, dat oorspronkelijk deel uitmaakte van het vorstendom Johore in Malakka. De oudste Europese vestiging op Sumatra's Oostkust dateert uit 1689 toen de Verenigde Oost-Indische Compagnie een handelspost opende op een eiland in de monding van de Siakrivier. De handel was te weinig winstgevend om de nederzetting te handhaven. In het midden van de 19e eeuw maakte Nederland opnieuw aanstalten om zijn rechten in dit deel van de archipel tot gelding te brengen. Interne strijd in het sultanaat Siak was voor het Nederlands-Indisch gouvernement aanleiding om in te grijpen. In 1857 kreeg de resident van Riouw, Netscher, de opdracht om rust en orde te herstellen in Siak. Zijn missie werd een succes. De nieuwe orde werd bevestigd bij het Siak-traktaat van 1858. De sultan van Siak en Onderhorigheden droeg zijn rijk over aan het Nederlands-Indisch gouvernemen. Het Siak-traktaat lokte klachten uit van Engelse handelaren in Penang (Malakka), die zich door de interventie van het Nederlands-Indisch gouvernement bedreigd voelden in hun bestaan. De kwestie werd geregeld in 1871 toen het Sumatra-traktaat tussen Engeland en Nederland werd ondertekend, waarbij Engeland zijn aanspraken op Sumatra en Nederland zijn aanspraken op Malakka liet varen. Bovendien genoten Engelse handelaren ongehinderd toegang tot Sumatra's Oostkust. Pas de explosieve economische groei van de tabakscultuur leidde tot een grotere politiek-bestuurlijke betrokkenheid van de zijde van het gouvernement. Enkele feitelijke gegevens: in 1873 werd de Oostkust van Sumatra van de residentie Riouw afgescheiden en verheven tot een zelfstandige residentie met Bengkalis als hoofdplaats. In 1887 werd Medan, waar het hoofdkantoor van de Deli Maatschappij gevestigd was, de hoofdplaats van het gewest en zetel van het binnenlands en inlands bestuur. Planters en koloniaal bestuur De ontsluiting van Sumatra's Oostkust betekende een belangrijke schakel in de afbakening van het koloniale imperium in de Nederlandsch-Indische archipel. Het initiatief ging ditmaal uit van particuliere ondernemers uit voornamelijk Europa.(De Europese bevolking van Sumatra's Oostkust bestond in 1884 uit: 390 Nederlanders, 88 Engelsen, 123 Duitsers, 40 Zwitsers 12 Fransen en 11 Oostenrijkers.) Zij werden hierbij niet of nauwelijks gehinderd door een zich opdringend gouvernementeel bestuur. De particuliere ondernemers genoten een grote mate van autonomie. Bindingen met het koloniaal bestuur waren, gelet op het internationale milieu van de planters, gering. De economische en sociale kontakten waren vanouds gericht op Malakka. Zeker in de begintijd kwam alles wat de Europese bevolking op Sumatra's Oostkust nodig had uit Penang. Langs dezelfde weg bereikte de produktie van Sumatra's Oostkust de wereldmarkt. In tegenstelling tot de andere gewesten in de Nederlands-Indische archipel, met name Java en Madura, waar in een min of meer geordende samenleving de moderne groot-cultures en industrieën opkwamen, "....ontstond de tabakscultuur ter Oostkust van Sumatra vrijwel in en uit het onbewoonde oerbosch".(4) De uitbreiding van het overheidsapparaat kon het tempo waarin de openlegging van Sumatra's Oostkust plaatsvond slechts moeizaam bijhouden. Nog in 1920 constateert dr. T. Volker in zijn boek "Van oerbosch tot cultuurgebied": "Hier ligt dan ook de zwakke plek der Oostkust. Zij levert aan belastingen en dergelijke inkomsten, voor het overgrote deel verkregen door de cultures, een jaarlijksche bijdrage van tientallen miljoenen aan de schatkist. Gaat het echter om uitgaven ten behoeve van het gewest, dan luidt te vaak bij de Centrale Regeering het parool: men leeft in Zelfbestuursgebied....". Oprichting en organisatie Korte schets De tabaksbouw voor de exportmarkt aan de Oostkust van Sumatra nam een aanvang in 1864, toen de planter J. Nienhuys opvallende resultaten boekte in het landschap Deli, waar hij verkeerde op uitnodiging van de plaatselijke vorst. De Deli Maatschappij werd in 1869 opgericht nog voor de wettelijke afschaffing in 1870 van het Cultuurstelsel, die het partikulier initiatief in Nederlands-Indië toeliet. Er vestigden zich nadien vele ondernemers aan de Oostkust van Sumatra, die voor eigen rekening cultuurondernemingen oprichtten. Deze individuele planters werden tussen 1880 en 1900 voor een groot deel opgekocht door cultuurmaatschappijen, die door bun kapitaalkrachtigheid en betere organisatie de concurrentie en tegenslagen beter aankonden. In de daaropvolgende jaren bracht een concentratie het aantal zelfstandige ondernemingen snel terug. Uiteindelijk zou dit resulteren in de "Grote Vier", die de tabaksmarkt beheersten: de Senembah, de Deli-Batavia Maatschappij, de Tabak Maatschappij Arendsburg en de Deli Maatschappij. De Deli Maatschappij was hiervan veruit de grootste, terwijl haar belangen in de rubbercultuur ook van betekenis waren. Feitelijk vormden de "Grote Vier" een kartel, dat de prijzen kon bepalen door hechte samenwerking binnen de Deli Planters Vereeniging (opgericht 1879), door onderlinge benoemingen, door consignatieverkoop van tabak van andere maatschappijen en door de gemeenschappelijke oprichting van nieuwe ondernemingen (bijv. Cultuur Maatschappij De Oostkust in 1920). De centrale figuur, die de Deli Maatschappij groot zou maken, was J.T. Cremer, die van 1871-1883 administrateur was in Medan en nadien lid en voorzitter werd van de Raad van Bestuur. Tussen 1894 en 1901 trad hij op als minister van Koloniën; in 1907 zou hij benoemd worden tot president van de Nederlandsche Handel Maatschappij (NHM). Zijn verwevenheid met het grootkapitaal en het landsbestuur zijn van groot belang geweest bij de groei van de Deli Maatschappij. De maatschappij zou zich ontwikkelen tot een goed renderende en zeer kapitaalkrachtige vennootschap. Dit blijkt o.a. uit haar betrokkenheid bij de oprichting van diverse neven-bedrijven. Te noemen zijn: de Deli Spoorweg Maatschappij (1883), de Waterleiding Maatschappij "Ajer Beresih" (1903) en de Koninklijk Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij (1928). Hiervan was de Deli Maatschappij, veelal tezamen met de N.H.M., deels of geheel eigenaar. De na-oorlogse politieke ontwikkelingen in Indonesië dwongen de "Grote Vier" tot fusering over te gaan, totdat de naasting in 1958 een einde maakte aan de feitelijke exploitatie. Oprichting Op 1 november 1869 werd te Amsterdam door het driemanschap J. Nienhuys, G. Clemen, tabakshandelaar in Amsterdam en P. W. Janssen, met deelname van de Nederlandsche Handel Maatschappij, de N.V. Deli Maatschappij opgericht. De statuten van de maatschappij werden bij koninklijk besluit van 12 januari 1870 goedgekeurd. De Deli Maatschappij werd de eerste naamloze vennootschap werkzaam in Nederlands-Indië" en verbrak hiermee het destijds gebruikelijke stelsel van het exploiteren van cultuurondernemingen, waarbij de banken als geldschieters optraden. De Nederlandsche Handel Maatschappij trad niet op als bankier, maar uitsluitend als aandeelhoudster. Door deze organisatievorm was de continuïteit van het bedrijf in belangrijke mate verzekerd. Het statutaire doel van de maatschappij was: het ontginnen en bebouwen van de gronden, gelegen in en nabij Deli, ter Oostkust van Sumatra. Voorts het exploiteren van de daartoe behorende inrichtingen, het verwerken, vervoeren en verkopen van de produkten. het doen van mijnbouwkundige en geologische opsporingen, het ontginnen van mijnen en bronnen; het bedrijven van commissiehandel (consignatie) van de in sub a. bedoelde produkten; het deelnemen in en het financieren van andere ondernemingen, vennootschappen en consortia. Bestuur in Nederland Het hoofdbestuur van de maatschappij was gevestigd in Amsterdam en werd gevormd door een directeur en raad van commissarissen. De directie was belast met het bestuur van de vennootschap en het beheer van het vermogen. De directeur benoemde en ontsloeg de (hoofd)administrateur, die in Nederlandsch-Indië" met de leiding van de exploitatie was belast. De raad van commissarissen was namens de aandeelhouders belast met het toezicht op de werkzaamheden van de directie. Gewoonlijk werd een lid van de raad aangewezen om als gedelegeerd commissaris de dagelijkse kontakten met de directie te onderhouden. In 1945 werd het plan opgevat om de directie van de Deli Maatschappij uit meer dan een persoon te laten bestaan. Bovendien werd het nodig geacht op meerdere plaatsen en niet meer uitsluitend in Amsterdam een directie-zetel te installeren. In 1955 werd de directie van de Deli Maatschappij vervangen door een Raad van Bestuur. De kern van de Raad van Bestuur werd gevormd door een presidium. Doel van deze bestuurlijke reorganisatie was om de "kop van de maatschappij" te verbreden. De leden van de Raad van Bestuur werden gerecruteerd uit het bedrijf. Bij de bedrijfs-reorganisaties in 1958 werd de Raad van Bestuur wederom vervangen door een directie. Europees uitgezonden personeel De directie in Nederland werd in Nederlandsch-Indië" vertegenwoordigd door de administrateur (vanaf 1928 hoofdadministrateur) te Medan. In het kantoor van de maatschappij te Medan werd de (hoofd)administrateur bijgestaan door een uitgebreide staf van medewerkers, ondergebracht in de volgende afdelingen: Kas- en Inkoopafdeling, Boekhouding, Correspondentie, Landbouwkundige Dienst, Technische Dienst en Geneeskundige Dienst. De taak van de (hoofd)administrateur was veelomvattend. Niet alleen had hij de technische en administratieve eindverantwoordelijkheid, hij was ook uit hoofde van zijn functie lid van het bestuursorgaan van de Deli Planters Vereeniging, het Planters Comite" en lid van de Cultuurraad. Daarbij kwamen nog tal van representatieve verplichtingen. De ondernemingen van de Deli Maatschappij waren ingedeeld in drie administratieve ressorten: Deli, Langkat en "Overjarige Cultures" (OJC). Aan het hoofd van ieder ressort stond een inspecteur bijgestaan door een assistent. De inspecteur was belast met het toezicht op het beheer van de ondernemingen. Hij werd benoemd door de (hoofd)administrateur. De bedrijfsvoering op de cultuurondernemingen was opgedragen aan administrateurs, bijgestaan door vijf of zes assistenten. De administrateurs werden gerecruteerd uit het assistentenkorps. De uit Europa aangekomen assistent kreeg gedurende de eerste vier tot zes maanden een praktijkopleiding. In deze tijd moest de assistent zich verder bekwamen in de Maleise taal, zich inwerken in de ondernemingsadministratie en kennis nemen van de arbeidsverhoudingen. Als "veldassistent" verrichtte de assistent het voornaamste deel van zijn taak. De "veldassistent" voerde het beheer over een zgn. "afdeling" (een deel van het totale oppervlak, dat in een oogstjaar werd beplant), op aanwijzing van de administrateur. Het beheer van een "afdeling" omvatte ook de administratie daarvan, welke bestond uit het bijhouden van de loonboeken, werkboeken en het in kaart brengen van de "afdeling". (Zie bijlage 1, Organisatieschema van de N.V. Deli Maatschappij). De carrierelijn van de assistent verliep niet bijzonder snel, bovendien boden de arbeidsvoorwaarden de assistent weinig rechtszekerheid. Een schriftelijk kontrakt bij aanstelling was meer uitzondering dan regel. In de rechtspositie van assistenten trad pas een wezenlijke verbetering in na de totstandkoming van de zgn. "Assistentenregeling" in 1921. Aziatisch en inheems personeel Werving. Voor de eerste planters vormde de werving van voldoende arbeidskrachten een groot probleem. Dit probleem vond, zij het ten koste van hoge uitgaven, een aanvaardbare oplossing in de immigratie van werklieden uit naburige landen en gebieden met een grotere bevolkingsdichtheid. Aanvankelijk waren dat gebieden in Zuid-China en later Java. De Chinezen waren de eerste en meest gezochte werkkrachten in de tabakscultuur. Tot 1888 was de bemiddeling bij de werving van Chinese koelies in handen van "coolie brokers" (beroepswervers). Te Singapore en Penang zorgden Chinese firma's voor de aan- en afvoer van koelies. Toenemende vraag naar goede werkkrachten leidde tot felle concurrentie tussen de cultuurondernemingen onderling en tot opdrijving van de bemiddelingskosten door de beroepswervers. In 1888 werd op initiatief van de in 1879 opgerichte Deli Planters Vereeniging (een organisatie ten behoeve van de belangenbehartiging van cultuurondernemingen ter Oostkust van Sumatra) besloten de werving in eigen beheer te nemen door de stichting van het Immigranten Bureau. Vertegenwoordigers van het Bureau werden aangesteld in filialen te Swatow en Hongkong. De aangenomen koelies werden tijdelijk ondergebracht in "shops" en van daaruit op gecharterde boten overgebracht naar Deli. Naast bovenvermelde "eigen" werving werd ook vaak gebruik gemaakt van de zgn. "laukeh-werving", een wervingssysteem waarbij "laukehs" (oudgedienden) werden teruggestuurd naar China, die daarna terugkeerden met niet-kontraktueel gebonden "sinkehs" (nieuwelingen). In het eerste kwart van de 20e eeuw nam de migratie van Chinees werkvolk af. Weerstanden in het land van herkomst tegen de massale uitvoer van onderbetaalde arbeidskrachten namen toe. Omgekeerd raakte ook de Nederlands-Indische regering beducht voor de concentratie van een grote Chinese koeliepopulatie. De heffing van een belasting leidde uiteindelijk in 1931 tot een definitieve stopzetting van de China-migratie. De werving van Javanen vertoonde grote gelijkenis met die van de Chinezen. Ook de werving van Javanen was aanvankelijk in handen van particuliere werfkantoren in de havenplaatsen op Java. Misbruiken leidde ertoe, dat de werving in 1909 onder gouvernementstoezicht kwam. In 1915 werd, buiten de beroepswerving om, het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor (ADEK) geopend. In 1928 werd ter bevordering van de "laukeh-werving" de Vrije Emigratie der Deli Planters Vereeniging en de Algemene Vereeniging voor Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra (AVROS), kortweg VEDA, gesticht. Door de eigen organisaties van de planters was het arbeidsveld van de beroepswerving zeer klein geworden. In 1930 werd de beroepswerving afgeschaft. Reglementering. De eerste bepalingen van overheidswege met betrekking tot het arbeidsvraagstuk in de Buitenbezittingen dateren uit 1825, gewijzigd en aangevuld in 1868. De bepalingen betroffen algemene regels omtrent de registratie van in het buitenland geworven werklieden en de met hen te sluiten kontrakten. Het ontstaan van een in omvang en betekenis toenemende tabakscultuur maakte echter de totstandkoming van een afzonderlijke arbeidswetgeving wenselijk. In 1880 trad de eerste koelie-ordonnantie voor het gewest Oostkust van Sumatra in werking. Door het gebrek aan voldoende inheemse werkkrachten, waardoor de cultuurondernemingen genoodzaakt waren elders arbeiders te werven, kwam de regering tegemoet aan de wensen van de planters om de arbeidsregeling uit te breiden met strafbepalingen, die het nakomen van een arbeidskontrakt verzekerde.(De koelie-ordonnantie van 1880 (Ind.Stbl. 1880, nr.133), herzien in 1889 (Ind.Stbl. 1889, nr.138). Deze ordonnantie vond naar verloop van tijd in de meeste buitengewesten ingang en berustte op het beginsel, dat ook arbeiders van buiten Nederlands-Indië onder de (straf)bepalingen van die ordonnantie vielen.) De strafbepalingen (de zgn. "poenale sanctie"), opgenomen in de ordonnanties, brachten al snel pennen en gemoederen in beweging. Van de zijde van de critici werd gewezen op de eenzijdige bescherming van werkgeversbelangen en de onvoldoende garanties tegen misbruiken. De ondernemers van hun kant ijverden voor de instandhouding van de "poenale sanctie" op grond van de door hen opgedane ervaringen in de praktijk.( De poenale sanctie werd van kracht, wanneer de arbeider inbreuk maakte op zijn werkkontrakt, zoals: tijdstip, waarop hij op de onderneming moest zijn; desertie; voortgezette weigering om te werken. Overigens gold een soortgelijke regeling voor de Hindoestaanse en Javaanse kontraktanten in Suriname. ) De koelie-ordonnantie met de "poenale sanctie", in 1915 gewijzigd en aangevuld, bleef tot het eind van de jaren '20 van deze eeuw gehandhaafd. Toenemend verzet tegen arbeidskontrakten met strafbepalingen, zowel nationaal als ook internationaal (Internationale Arbeidsorganisatie te Genève) leidde tot een geleidelijke afschaffing van de "poenale sanctie". In 1936 werd de koelie-ordonnantie opnieuw herzien, waarbij verregaande beperkingen ten aanzien van de arbeidskontrakten met strafbepalingen werden ingesteld. In december 1939 waren nog slechts 297 arbeidskontraktanten werkzaam op Sumatra's Oostkust, die vielen onder de bepalingen van de koelieordonnantie met strafsancties. Arbeid en arbeidsomstandigheden. In de brochure: N.V. Deli Maatschappij, Hoe zij ontstond en groeide (Medan 1931) wordt slechts summier het een en ander vermeld over de specifieke taken van de koelies en de sterk hiërarchische organisatie op elk niveau binnen de ondernemingen. Uit de kring van koelies werd een beperkt aantal mensen naar voren gehaald met de opdracht werk te verdelen en toe te zien op de uitvoering. Aan het hoofd van het Chinese werkvolk stond een tandil en aan het hoofd van hen stond de hoofd-tandil; bij de Javanen was dat de "mandoer" en de hoofd-mandoer. Concessies De landbouwconcessies, die de N.V. Deli Maatschappij via de inlandse vorsten verwierf, waren in hoofdzaak gelegen in de zelfbesturende landschappen Deli, Langkat en Serdang ter Oostkust van Sumatra. Een sluitend overzicht van op de concessiegronden gevestigde cultuurondernemingen is niet te geven. Bestaande bronnen zijn onvolledig en onbetrouwbaar. Cultuurondernemingen werden tussentijds gesloten en later, soms onder een andere naam, heropend. Ook werden ondernemingen samengevoegd of werden op bestaande concessies nieuwe cultuurondernemingen begonnen. Lettend op de juridische aspecten van de totstandkoming van landbouwconcessies kunnen drie perioden worden onderscheiden: periode 1864-1876. periode 1877-1918. periode 1919-1957. De eerste periode wordt gekenmerkt door de grote mate van vrijheid, die planter en zelfbestuurder hadden bij het sluiten van een concessie-overeenkomst. De overeenkomst werd gesloten op basis van een persoonlijke verbintenis tussen de zelfbestuurder van het betreffende landschap en de planter. De bestuurlijke invloed van het gouvernement beperkte zich tot de goedkeuring van het concessiekontrakt door de resident. In de meeste gevallen had de goedkeuring van het kontrakt slechts de betekenis van een "opschortende voorwaarde" d.w.z. reeds voor de goedkeuring waren de beide partijen gebonden. De voorwaarden, waaronder de concessiekontrakten werden gesloten, waren zeer uiteenlopend. Van enige uniformiteit was geen sprake. De kontrakten bevatten doorgaans slechts summiere bepalingen omtrent de duur van het kontrakt (75, 99 jaar), omtrent de pachtsom en de huldegift (presen tanah) en omtrent het afstaan van gronden aan de plaatselijke bevolking. Van de pioniers van het eerste uur is bekend, dat zij de concessiegronden verwierven op voor hen uiterst voordelige voorwaarden. Een pachtsom werd bijvoorbeeld in de beginjaren niet of nauwelijks betaald. J. Nienhuys kon er op bogen, dat hij een overeenkomst was aangegaan voor de duur van 99 jaar, waarin als voorwaarde stond, dat hij zoveel grond mocht nemen als hij in 5 jaar kon bebouwen. Gebrek aan uniformiteit en de grote toename van uitgifte van concessiegronden waren voor het gouvernement aanleiding om de overeenkomsten aan vastgestelde regels te onderwerpen. Bij gouvernementsbesluit van 27 januari 1877 werd de uitgifte van landbouwconcessies gebonden aan zgn. model-akten van concessie, opgemaakt en gelegaliseerd door de resident. De model-akten werden, al naar gelang de praktijk dit vereiste, in de loop der jaren gewijzigd en aangevuld. Voor de geschiedenis van de model-akten kan worden verwezen naar de monografie van mr. H.J. Bool, De landbouwconcessies in de Residentie Oostkust van Sumatra. In deze publicatie zijn tevens voorbeelden van de model-akten van 1878, 1884 en 1892 opgenomen. In de laatste periode stond het vraagstuk van de conversie, omzetting van landbouwconcessies in erfpacht, centraal. Het vraagstuk werd gekenmerkt door een complex van historische, economische en juridische facetten. Het doel van de conversie was om het beter verhandelbare zakelijk recht van erfpacht in de plaats te stellen van de oude concessieovereenkomst. Vooral waar het ging om de toekenning van landbouwgronden aan de "rechthebbende" bevolking, hetgeen een onderdeel vormde van de door de zelfbestuurder en planter gesloten overeenkomst, dreigde een botsing van belangen. Het economisch belang (zomin mogelijk grondafstand) van de planter was onverenigbaar met het agrarisch belang van de plaatselijke bevolking.(In de regel had de inheemse bevolking recht op een deel van de "djaloerans" (afgeoogste tabaksvelden) en 4 ha akkerland. Aan deze plicht van de zijde van de concessionaris werd niet altijd voldaan, waardoor konflikten niet uitbleven. Zie tevens noot 23.) Ondanks de regulerende werking van de eerder genoemde model-akten van concessie bleven konflikten niet uit. Na langdurige voorbereiding kwam in 1919 de "erfpacht-ordonnantie voor de zelfbesturende landschappen buiten Java en Madoera" tot stand.( Bij K.B. van 6 mei 1915 vielen de agrarische aangelegenheden in de zelfbesturen.de landschappen onder de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van Nederlands-Indië". Als uitvloeisel van dit besluit kwam o.a. de Erfpachtordonnantie 1919 tot stand.) De invoering van de erfpachtordonnantie stuitte bij de zelfbestuurders van de landschappen Deli, Langkat en Serdang op grote bezwaren. De zelfbestuurders van genoemde landschappen ontleenden hun positie aan een omvangrijk politiek kontrakt, waardoor een eenzijdige invoering van de erfpachtordonnantie van de zijde van het gouvernement werd aangemerkt als aantasting van de bestuurlijke bevoegdheden van de zelf-bestuurders.( De bestuurlijke verhouding tussen gouvernement en de zelfbesturende landschappen werd bepaald door de zgn. politieke kontrakten, die het Gouvernement in de loop van de 19e eeuw had gesloten met de diverse vorstendommen in de Buitengewesten. Onderling weken deze kontrakten sterk af. Bij de politieke kontrakten met de "korte verklaring", waarbij de zelfbestuurder bereid bleek de door het gouvernement af te kondigen ordonnanties te respekteren, werd de erfpachtordonnantie van 1919 ingevoerd.) De op zichzelf begrijpelijke houding van de zelfbestuurders leidde tot een jarenlange vertraging van de conversie. In 1935 werd op aandringen van de regering het "Conversie Bureau" opgericht onder leiding van assistent-resident A.S.L. Spoor. Het Conversie Bureau moest trachten de betrokken partijen, gouvernement, planters en zelfbestuurders, tot elkaar te brengen. De onderlinge strijdpunten betroffen in hoofdzaak: bijstelling van de erfpachtordonnantie 1919, de grondafstand, de presen tanah (huldegift) en de hacil tanah (pacht, canon). Bijstelling van de erfpachtordonnantie werd bereikt door de inpassing van een "overeenstemmingsformule" in de ordonnantie, het geen inhield dat de uitvoering van de ordonnantie geschiedde met instemming van het zelfbestuur. De grondafstand vormde een aanzienlijk groter probleem. Zoals boven reeds aangegeven stonden bij dit probleem de belangen van de plaatselijke bevolking tegenover die van de cultuurondernemingen. Oplossing van het probleem werd bemoeilijkt door tal van juridische vraagstukken, o.a. welk deel van de bevolking kon worden aangemerkt als de "rechthebbende" bevolking.( "Rechthebbende" bevolking was de bevolking, die ten tijde van de uitgifte van concessiegronden de landbouwgronden occupeerden (rayat bumiputra sejati = eigenlijke rechthebbenden). Bij de grondafstand, als onderdeel van de conversie, werd het begrip "rechthebbende" bevolking ruimer gedefinifieerd. Bovendien wilden de cultuurondernemingen af van het "djaloeran-systeem".( Tabak was een gewas, dat de grond snel uitputte. Cultuurtechnisch onderzoek van het Deli Proefstation had uitgewezen, dat, om een kwaliteitsprodukt te leveren, de "djaloerans" (afgeoogste velden) gemiddeld 8 jaar braak moesten blijven liggen. In die periode dienden de velden teruggegeven te worden aan de plaatselijke bevolking, die ze vaak beplantte met gewassen, die volgens de Deli Maatschappij onvoldoende rust gaven aan de grond.) Bij de presen tanah en de hacil tanah stond vanzelf het kosten-baten aspekt centraal. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië kwamen op het moment waarop de meeste knelpunten in het overleg tussen de betrokken partners waren weggenomen. Sociale en politieke ontwikkelingen na de oorlog schiepen echter nieuwe problemen, waardoor het overleg stagneerde. In de na-oorlogse situatie kreeg de Deli Maatschappij te kampen met de z.g. "onwettige grondoccupaties" van de plaatselijke inlandse bevolking, die door nood gedwongen de gronden van de cultuurmaatschappijen waren gaan gebruiken voor de voedselproduktie. De kwestie van de conversie was hiermee geheel van de baan. Bij presidentieel besluit no. 195 van 1953 werd een staatscommissie ingesteld, die oplossingen moest voorstellen. Uiteindelijk kwam men tot een compromis, waarbij de cultuurmaatschappijen omvangrijke terreinen moesten afstaan aan de plaatselijke bevolking. Plantersorganisaties Al vroeg werd door de verschillende cultuurondernemingen een begin gemaakt met de gemeenschappelijke belangenbehartiging. Deze moest paal en perk stellen aan de onderlinge concurrentie tussen de maatschappijen. De grote initiatiefnemer was J.T. Cremer, van 1871 tot 1883 administrateur van de Deli Maatschappij.(Het bij de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief berustende familie-archief Cremer (codenummer inventaris 2.21A3) bevat waardevolle informatie over periode 1871-1883, waarin J.T. Cremer zijn funktie van administrateur van de N.V. Deli Maatschappij bekleedde.) Op zijn voorstel werden in 1877 en 1878 de eerste "planters-overeenkomsten" gesloten, waarbij de planters zich onderling verbonden tot gemeenschappelijke maatregelen ten aanzien van produktie van en handel in tabak en de arbeidswerving. De initiatieven van Cremer leidden in 1879 tot de oprichting van de eerste vereniging, de Deli Planters Vereeniging, kortweg DPV, die zich ten doel stelde de belangen van landbouw en industrie ter Oostkust van Sumatra te bevorderen. De dagelijkse leiding van de DPV werd toevertrouwd aan een comite, het Planters Comite. Het op de eerste vergadering gekozen comité bestond uit J.T. Cremer, M.J. Tiele en J. Cramer. Direkte aanleiding tot de oprichting van de DPV hing samen met de wens om bet geheel van arbeidsvoorwaarden te uniformeren. Een tweede organisatie, de Algemene Vereeniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra, kortweg AVROS, werd opgericht in 1910 en stelde zich ten doel door wetenschappelijke benadering van alle cultuurvraagstukken, de belangen van de landbouwcultures en aanverwante industrieën (met uitzondering van tabak) te behartigen. De leiding werd toevertrouwd aan 6-10 leden, waaronder een president. Een dagelijks bestuur behartigde de lopende zaken. De besluiten van de verenigingen waren voor alle leden bindend. De DPV en de AVROS zouden ieder op hun eigen terrein uitgroeien tot de officiële spreekbuis van de bij hen aangesloten tabaks- en rubbermaatschappijen. Vooral op het gebied van de arbeidswetgeving en de agrarische regelingen (conversie) speelden beide verenigingen als pressiegroepen een hoofdrol. In november 1917 werd op initiatief van de N.V. Deli Maatschappij in Amsterdam het "Informatiebureau voor de Tabakscultuur ter Oostkust van Sumatra", kortweg het "Tabaksbureau", opgericht. Het Tabaksbureau ging fungeren als het Nederlandse equivalent van de DPV in Nederlands-Indië. Als secretaris trad op mr. H.J. Bool, oud-secretaris van de DPV te Medan. Het Tabaksbureau bewoog zich voornamelijk op het gebied van de voorlichting over de instandhouding en ontwikkeling van de tabakscultuur ter Oostkust van Sumatra. Door het gratis verstrekken van inlichtingen en het beschikbaar stellen van literatuur e.d. trachtte het Tabaksbureau de soms "negatieve beeldvorming" in de media in Nederland ten aanzien van de cultuurmaatschappijen in Nederlands-Indië" te corrigeren. Produkt, transport en handel Produkt De eerste planters, waaronder de latere medeoprichter van de Deli Maatschappij, J. Nienhuys, legden zich toe op de teelt van en handel in tal van landbouwgewassen, zoals: nootmuskaat, zwarte peper, meekrap, koffie, cacao en tabak. Een snelle groei van de tabakscultuur werd in de pionierstijd (ca. 1863-1880) ondenkbaar geacht. Men had destijds de overtuiging en de ervaring, dat op dezelfde grond slechts eenmaal met succes tabak kon worden geplant. Proeven met herbeplanting van gronden, die gemiddeld drie tot vier jaar braak hadden gelegen, wettigden deze overtuiging. Het experimenteren met tal van andere landbouwgewassen was een middel om bij het mislukken van de tabakscultuur de bedrijfszekerheid te garanderen. Door de toepassing van verbeterde wisselcultuurtechnieken ging vanaf de beginjaren '80 de tabaksteelt een overheersende positie innemen ten koste van de overige landbouwgewassen. De explosieve groei van de tabaksteelt kan worden geillustreerd aan de hand van produktie- en opbrengstcijfers, in perioden van tien jarenblokken: OOGSTJAAR TOTALE PRODUKTIE in pakken DELI MIJ. in pakken Deli Mij. OPBRENGSTEN totaal 1874 12.895 4.499 1.066.803 2.850.000 1884 124.911 26.281 6.436.743 27.550.0 1894 193.334 56.655 10.959.343 37.600.000 1904 233.975 53.539 8.936.730 35.800.000 1914 246.543 60.725 9.378.369 35.800.000 1924 207.618 72.560 33.934.000 88.200.000 In het begin van de 20e eeuw werd door de N.V. Deli Maatschappij, zij het met de nodige terughoudendheid, een aanvang gemaakt met de aanleg van rubber-aanplantingen (gom-elastiek aanplant) op gronden van de concessie Batang Serangan. Door de overname van de Langkat Compagnie (1920) kreeg de Deli Maatschappij de beschikking over de rubberonderneming Tandjong Kleling. In dezelfde tijd werden proeven genomen met sisal, koffie, thee en oliepalmen. Vergeleken met de tabaksteelt speelden de genoemde gewassen een relatief onbeduidende rol. OVERZICHT VAN DE AANPLANTINGEN VAN DE GEZAMENLIJKE CULTUURMAATSCHAPPIJEN AAN DE OOSTKUST, 1914 Culture Aanplant in ha Produkt in ha Produktie in kg Rubber 75.093 16.579 6.431.773 Tabak 23.341 23.341 19.723.440 Thee - - - Palmolie - - - Kopra 5.144 - - Koffie 14.991 6.160 - OVERZICHT VAN DE AANPLANTINGEN VAN DE GEZAMENLIJKE CULTUURMAATSCHAPPIJEN AAN DE OOSTKUST, 1933 Culture Aanplant in ha Produkt in ha Produktie in kg Rubber 283.333 178.438 77.535.423 Tabak 16.812 16.812 13.387.628 Thee 22.117 19.534 13.327.775 Palmolie 62.771 39.321 80.941.775 Kopra 5.247 4.307 3.096.912 Koffie 3.539 2.960 1.099.866 Transport en handel De infrastruktuur van Sumatra's Oostkust (wegennet, communicatielijnen) verkeerde in de beginperiode (1863-1880) in een primitieve staat. De planters waren op zichzelf aangewezen. Het vervoer van de tabak en overige gewassen, bestemd voor de Europese en Amerikaanse markten, geschiedde aanvankelijk per ossekar en prauw. De export van de landbouwgewassen naar de westerse markten verliep via de grote havens Penang en Singapore. Op initiatief van J.T. Cremer, toen administrateur van de Deli Maatschappij, werd in 1883 de eerste partikuliere spoorwegmaatschappij, de Deli Spoorweg Maatschappij, opgericht. In het begin besloeg het spoorwegnet slechts 53 km, in 1907 was dat uitgebreid tot 263 km en in 1937 tot 553 km. Het spoorwegnet vormde al spoedig de ruggegraat van het gehele cultuurgebied voor afvoer van de voor de export bestemde landbouwgewassen. Door de ontwikkeling van de Deli Spoorweg Maatschappij en de in 1888 tot stand gekomen spoorwegverbinding tussen Medan en Belawan groeide de laatstgenoemde plaats uit tot een belangrijke aan- en afvoerhaven. De ontwikkeling van Belawan maakte de "omweg" naar Penang en Singapore overbodig. Het centrum van de tabakshandel in Sumatra-tabak was Amsterdam. Eenmaal vanuit Belawan aangekomen in Amsterdam werd de tabak opgeslagen in veempakhuizen. De pakhuizen van de Deli Maatschappij waren ondergebracht in het Purperhoedenveem, een dochter van de Deli Maatschappij. De tabak werd bij inschrijving verkocht. De verkoop vond plaats op geregelde tijden van maart tot oktober. Tabaksmakelaars beoordeelden en taxeerden de tabaksmonsters voor de inschrijving en deelden hun bevindingen mede aan de importeurs en cliënten. In 1939 werd de tabaksoogst bij inschrijving verkocht in Medan vanwege de onzekere politieke situatie in Europa. De rol van de Deli Maatschappij op de tabaksmarkt was toonaangevend. De tabaksproduktie werd via de door de Deli Maatschappij overeengekomen consignatiekontrakten op de markt gebracht. De kwalitatief mindere tabak, ongeschikt voor de westerse markten, werd verkocht in Nederlands-Indië" en de naburige landen in Oost-Azië door een van dat doel opgerichte "Centrale voor de Verkoop van Deli-tabak". Research Tot 1892 was de aandacht voor wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de tabakscultuur gering. Een hardnekkige ziekte (bibitziekte) vormde de aanleiding tot wetenschappelijk plantkundig onderzoek.( De "bibitziekte" werd veroorzaakt door een schimmel, die de zaadbedden aantastte. Zie ook D.J. Sanders, Handleiding voor de Deli-tabakscultuur, Amsterdam 1924, blz. 135. ) In samenwerking met de grote tabaksmaatschappijen werd een overeenkomst aangegaan met 's Lands Plantentuin. In 1895 vond de oprichting plaats van een Proefstation voor Deli-tabak. Het proefstation werd ondergebracht in de organisatie van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg. Al snel bleek dat het wetenschappelijk onderzoek belemmering ondervond door het feit, dat het onderzoek in Buitenzorg plaats vond, terwijl het veld van studie in Deli lag. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen werd in 1906 de vereniging "Het Deli-Proefstation" opgericht, met als standplaats Medan. Naast het zuiver wetenschappelijke werk van chemici en botanici werden landbouwkundigen aangetrokken, die door hun opleiding een algemeen inzicht hadden in de problematiek van de groot-cultures. Zij vormden een schakel tussen dagelijkse praktijk en wetenschap. In 1923 werd de vereniging "Het Deli-Proefstation" om administratieve redenen opgeheven en ondergebracht bij de Deli Planters Vereeniging. Onderzoeksresultaten en belangrijke vraagstukken werden gepubliceerd in de "Mededeelingen van het Deli Proefstation". Uitbreiding Bij de oprichting had de N.V. Deli Maatschappij de beschikking over een areaal van circa 7.000 ha (10.000 bouw). In de loop der jaren werd de totale oppervlakte belangrijk uitgebreid. In 1931 bedroeg het areaal inmiddels 180.000 ha (260.000 bouw), verdeeld in 31 ondernemingen: 26 tabaks- en 4 rubberondernemingen en 1 oliepalmonderneming. Een belangrijk deel van deze uitbreidingen is toe te schrijven aan de concentratie en fusie van (ondernemers)belangen. Een belangrijk jaar is in dit verband 1920. In dat jaar werden overgenomen: het landkontrakt Saint Cyr van de Deli-Langkat Tabak Maatschappij ; de concessie "Arnhemia" van de Rotterdam-Deli Maatschappij; de landkontrakten Rotterdam A en B en Soengei Sikambing van de N.V. Tabak Maatschappij Senembah; de Amsterdam-Langkat Compagnie. In hetzelfde jaar werd door de grote tabaksondernemingen de cultuurmaatschappij "De Oostkust" opgericht. Het ging om een samenwerkingsverband waarin de N.V. Deli Maatschappij, de Deli Batavia Maatschappij, de Senembah Tabak Maatschappij en Tabak Maatschappij Arendsburg voor gemeenschappelijke rekening de bezittingen van de Rotterdam-Deli Maatschappij overnamen. Deze aankoop had voornamelijk betrekking op een uitbreiding van de tabakscultuur. De navolgende tabel geeft een overzicht van geschat Westers kapitaal in cultuurondernemingen aan de Oostkust. Van het totaal der beleggingen -ruim 684 miljoen- was 54% Nederlands en 46% kwam voor rekening van andere nationaliteiten. De Britse beleggingen waren hoofdzakelijk gericht op de rubber- en theecultuur; de Amerikaanse uitsluitend op de rubberaanplant. De tabaks- en vezelcultuur was vrijwel geheel in Nederlandse handen. WESTERS KAPITAAL BELEGD IN CULTUURONDERNEMINGEN AAN DE OOSTKUST, 1920 (bedragen in duizenden guldens) Nationaliteit Rubber Tabak Olie palm Thee Klapper Vezel Totaal Nederl. 143.927 100.000 53.572 27.118 3.289 40.000 367.906 Brits 105.374 - 3.738 13.938 787 - 123.837 Amerik. 74.854 - - - - - 74.854 Fr/Belg. 47.920 3.000 30.926 - - - 81.846 Japans 9.478 - 2.515 - - - 11.993 Zwits. 3.508 750 - - - - 4.380 Duits 3.660 - 3.405 3.198 122 - 10.263 Andere 7.945 - - - - - 7.945 Totaal 396.666 103.750 94.156 44.254 4.198 40.000 683.024 Tot 1920 was het belang dat de Deli Maatschappij had in de "overjarige cultures" van ondergeschikte betekenis. Na 1920 zouden deze cultures meer aandacht krijgen. In 1923 nam de Deli Maatschappij deel in de N.V. Kota Pinang Cultuur Maatschappij. Deze maatschappij legde zich toe op de produktie van sisal, een vezelstof. De bedrijfsresultaten van deze maatschappij waren echter teleurstellend. In 1953 werd de N.V. Kota Pinang Cultuur Maatschappij opgeheven. In 1926 werd in samenwerking met de grote tabaksmaatschappijen de Cultuur Maatschappij Batang Sangir opgericht, gelegen in de afdeling Solok, residentie Sumatra's Westkust. Met de oprichting van deze maatschappij werd een begin gemaakt met de exploitatie van koffie-, thee- en kinacultures. De Cultuur Maatschappij Batang Sangir werd in 1953 opgeheven. Belangrijke uitbreidingen van de Deli Maatschappij na 1930 vonden plaats in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Het ging dan om fusies, die moeten worden gezien in samenhang met de afnemende aktiviteit in Indonesië na de soevereiniteitsoverdracht en de daaruit voortvloeiende reorganisatie van de N.V. Deli Maatschappij. Reorganisatie en herorientatie De jaren 1940-1945 kunnen worden aangemerkt als een interimperiode. De bedrijven in Indië stonden tijdens de Japanse bezetting op non-aktief. In mei 1940 werd de statutaire zetel van de Deli Maatschappij verplaatst van Amsterdam naar Medan. In 1942 werd de het hoofdkantoor van de maatschappij in Amsterdam onder beheer van de Duitse bezetter gesteld. Als beheerder werd aangesteld F. Jarl. Door de onderbeheerstelling werd de directie gedwongen tot samenwerking met de Duitse bezetter. Al snel werd duidelijk, dat de Duitsers belangstelling hadden voor de "know how" van de cultuurmaatschappijen op het gebied van landbouwcultures. Ze wilden de ervaring van de Indische cultuurondernemingen benutten bij de economische ontsluiting van Oost-Europa in het kader van de door hen gepropageerde "Ostkolonisation". Tot een daadwerkelijke exploitatie in Oost-Europa is het niet gekomen. Het door de Duitsers geëntameerde "Oekraine-projekt" kwam de voorbereidingsfase niet te boven. In januari 1944 werd de onderbeheerstelling opgeheven. De periode na de oorlog wordt gekenmerkt door afnemende aktiviteiten in Indonesië en daarmee samenhangende reorganisaties, die ten doel hadden de basis van de Deli Maatschappij te verleggen. Het navolgende overzicht geeft een inzicht in het verloop van de geografische belangen van de maatschappij in de periode 1940-1956, ontleend aan gepubliceerde balansgegevens: OMZET, 1940-1956 (in duizenden guldens) Indon. Amerika Nederl. Overige landen Totaal act-pass Kapitaal Eind 1940 15.126 - 23.317 - 38.443 25.654 % [perc] 39 - 61 - 100 Eind 1947 18.057 6.182 9.691 - 33.930 25.654 % [perc] 53 18 29 - 100 Eind 1948 25.470 6.182 21.095 - 52.747 40.000 % [perc] 48 12 40 - 100 Eind 1949 36.095 6.448 10.738 - 53.281 40.000 % [perc] 68 12 20 - 100 Eind 1950 30.124 6.235 16.854 261 53.474 40.000 % [perc] 56 12 32 - 100 Eind 1951 28.515 6.235 18.714 239 53.703 40.000 % [perc] 53 12 35 - 100 Eind 1952 28.500 9.254 16.151 239 54.144 40.000 % [perc] 53 17 30 - 100 Eind 1953 29.100 26.161 35.039 239 90.539 62.355 % [perc] 32 29 39 - 100 Eind 1954 31.644 35.685 24.082 713 92.124 64.537 % [perc] 34 39 26 1 100 Eind 1955 29.644 49.323 13.075 836 92.878 64.600 % [perc] 32 53 14 1 100 Eind 1956 29.644 55.582 8.864 1.788 95.878 65.507 % [perc] 31 58 9 2 100 Uit het overzicht valt af te lezen, dat de Deli Maatschappij haar werkterrein in de Verenigde Staten van Amerika gestadig uitbreidde. Deze tendens zette zich voort tot de beginjaren '60. In 1953 werd de fusie tussen de N.V. Deli Maatschappij, de Deli Batavia en de Deli-Batavia Rubber Maatschappij tot stand gebracht. De fusie tussen de drie maatschappijen was een logisch gevolg van de onderlinge samenwerking direct na de oorlog op het gebied van de tabaksproduktie en verkoop. De fusieprocedure werd met het oog op de kosten zo eenvoudig mogelijk gehouden. Er werd afgezien van een nieuw op te richten naamloze vennootschap. De aandeelhouders van de maatschappijen werd de mogelijkheid geboden om de aandelen van de maatschappijen om te ruilen in aandelen van de N.V. Deli Maatschappij, waarna de maatschappij haar naam veranderde in N.V. Verenigde Deli Maatschappijen (hierna afgekort als VDM). In 1954 werd de Tabak Maatschappij Arendsburg, die in liquiditeitsproblemen verkeerde, overgenomen. In de navolgende jaren leidde de onzekere politieke situatie in Indonesië tot ingrijpende reorganisatie van de VDM. Nadat door de Indonesische autoriteiten in december 1957 aan de VDM en haar dochterondernemingen het beheer van hun bedrijven werd ontnomen, volgde in begin 1959 de nationalisatie van de bedrijven door de Indonesische regering. In februari 1959 werd een overeenkomst gesloten tussen tabakshandelaren uit Bremen en de Indonesische regering, waarbij de verkoop van tabak, afkomstig van de VDM, werd toevertrouwd aan een voor dat doel opgerichte Deutsch-Indonesische Tabak Handelsgesellschaft m.b.H. te Bremen. De VDM startte daarop een procedure bij het Landesgericht te Bremen met het doel een gerechtelijk beslag te laten leggen op de inmiddels in Bremen aangevoerde tabak. Deze juridische strijd, bekend onder de naam "Het Bremenproces", sleepte zich jarenlang voort en werd uiteindelijk in der minne geschikt. Overigens werden de in 1958 verbroken kontakten van de Deli Maatschappij met de Indonesische regering in 1963 weer hersteld. Een jaar eerder had reeds een belangrijke herstructurering van de VDM plaatsgevonden. In 1958 werd de "Holding Company" N.V. Deli Maatschappij opgericht, welke houdster was van de aandelen van de ingebrachte werkmaatschappijen, die elk een eigen belangensfeer bestreken. Het doel van deze nieuwe structuur was het afscheiden van de belangen in Indonesië en het creëren van zuivere werkmaatschappijen, waarin als directieleden zitting hadden degenen, die feitelijk met het management belast waren. Investeringen werden in versneld tempo doorgevoerd om te trachten zo spoedig mogelijk tot een goed rendement van het kapitaal en de reserves te komen. Reorganisaties en aanpassingen bepaalden ook het beleid in de jaren '60, dat gepaard ging met initiëring van nieuwe projecten en afstoting van niet-renderende investeringen. In 1967 werd besloten een einde te maken aan de overvloedige experimenten, die het beleid na het verlies van de bezittingen in Indonesië in sterke mate hadden bepaald. In 1967 werden een aantal grote projecten afgestoten en werden de werkzaamheden geconcentreerd op terreinen, die decennia lang het sterkste deel van de maatschappij hadden gevormd.
Inleiding I Geschiedenis van de NHM in vogelvlucht De Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV [NHM] werd opgericht te 's-Gravenhage op 29 maart 1824 op initiatief van koning-koopman Willem I. Het bedrijf vestigde zich in aanvang aan het Noordeinde 64 te 's-Gravenhage. De koning zelf was groot-aandeelhouder en bemoeide zich tot zijn aftreden in 1840 actief met de gang van zaken van het bedrijf. Het doel dat de koning met de maatschappij voor ogen had was uiterst ambitieus. Kort gezegd kwam het er op neer dat de NHM de Nederlandse economie uit het dal moest halen waarin zij na de jaren van Franse overheersing was terechtgekomen. Centraal in deze doelstelling stond het herstel van de handel van Nederland met haar koloniën in Indië. Anders dan voorheen voor de VOC, die zich hoofdzakelijk beperkte tot aanvoer van Indisch product naar Nederland, was voor de NHM een wederzijdse handelsbeweging het uitgangspunt. Tegenover de import diende nu de afzet van Nederlands product in Indië te staan, maar ook in andere delen van de wereld. De NHM was met andere woorden bedoeld als importlichaam èn als lichaam dat een afzetmarkt moest creëren voor Nederlandse landbouw en nijverheid. In het verlengde hiervan diende de NHM zich actief op te stellen als financier van het bedrijfsleven. In de statuten tot 1850 springen twee verdere taken in het oog. Ten eerste moest de NHM gaan functioneren als een soort economische inlichtingendienst: in het binnenland via de naar regio samengestelde en met de diverse Kamers van Koophandel in contact staande Raad van Commissarissen, en in het buitenland via een wereldwijd net van agenten en correspondenten. Ten tweede verlangden de statuten nadrukkelijk een herstel van de oude theehandel met China; in verband hiermee was zelfs een agentschap te Kanton voorgeschreven. Geheel in de lijn van deze ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM in haar eerste jaren wereldwijd activiteiten. Zij vestigde zich uiteraard in de eigen koloniën, maar daarnaast ook op diverse plaatsen in Latijns-Amerika, in de Levant en in China. De meeste van deze ondernemingen brachten slechts verlies, en al vóór 1830 had de handelsactiviteit van de NHM zich in hoofdzaak beperkt tot Nederlands-Indië. Voor de uitvoering hiervan had zich in 1826 te Batavia een ondergeschikte tak van bestuur gevestigd, onder de naam Factorij. Deze hoofdzetel voor het Oosten zou in het verdere verloop van de NHM-geschiedenis het toezichthoudend en controlerend orgaan zijn voor een veelheid aan agentschappen in Nederlands-Indië, en tevens voor de buiten Nederlands-Indië gevestigde zogeheten buitenkantoren in onder meer Singapore, Maleisië, Japan, China, Hongkong, Brits-Indië, Birma en Oost-Afrika. Nadat de president in zijn aanspraak tot de Raad [een gezamenlijke vergadering van directie en commissarissen] in 1830 voor het eerst een positief geluid had kunnen laten horen en behoorlijke resultaten kon overleggen, leek de Belgische Opstand het einde van de onderneming in te luiden. De NHM wist de crisis echter te overleven. De Belgische component werd afgestoten en het hoofdkantoor werd verplaatst naar Amsterdam. De NHM werd met name gered door haar verbondenheid met de staat. Zij was al van aanvang af lucratieve contracten met de overheid aangegaan, maar met de invoering in 1830 van het cultuurstelsel in Indië door gouverneur-generaal Van den Bosch werd zij zowel bankier, commissionair als expediteur van staatswege. Zij voorzag de overheid van grote kredieten, en in ruil daarvoor werd zij belast met de verscheping en verkoop van zowel de producten die de overheid via het cultuurstelsel toekwamen als de producten uit de eigen vrije land- en mijnbouwnijverheid van het gouvernement. Daarenboven kreeg zij het transport van personeel [onder andere troepen] en materieel voor het Indisch gouvernement toegewezen. De relatie tot de overheid werd vastgelegd in contracten voor bepaalde tijd, die dus op gezette tijden werden vernieuwd. Deze rijksagentuur bracht de NHM een aantal decennia in een uiterst comfortabele positie en zorgde voor de nodige nijd bij andere ondernemingen. De bijnamen Niemand Handelt Meer en Kompenie Ketjil [kleine regering] zeggen wat dat betreft genoeg. In eigen land trad de NHM na 1830 op als participatie- en financieringsmaatschappij voor de nationale nijverheid en scheepvaart. Deze financiering geschiedde vooralsnog geheel uit eigen middelen. Van belang in dit opzicht zijn onder meer de bemoeienis met de opzet en uitbouw van de Twentse textielindustrie en de deelnemingen in [vooral aan de eigen activiteiten gerelateerde] ondernemingen als de Deli Maatschappij, de NV Koninklijke Paketvaart Maatschappij en de Zuid-Amerika Lijn/Koninklijke Hollandsche Lloyd. De comfortabele positie van de NHM vanaf 1830 had als keerzijde dat zij de handel voor eigen rekening schromelijk verwaarloosde. Toen het cultuurstelsel na het midden van de negentiende eeuw geleidelijk werd losgelaten en daarmee de baten van de rijksagentuur voor de NHM verminderden, kwam de onderneming opnieuw in moeilijkheden. Pogingen om het tij te keren door het weer activeren van de eigen handel, onder meer door het zoeken van nieuwe handelsgebieden [Japan], hadden geen of slechts tijdelijk succes. Toen in 1874 de [tweede] verlenging van de vennootschap aan de orde was, gingen zelfs weer stemmen op om de maatschappij op te heffen. Zover kwam het niet, maar de NHM zou vanaf dat jaar een grondige gedaantewisseling ondergaan, en geleidelijk transformeren van handelsonderneming naar handelsbank [of algemene bank]. De transformatie werd ingezet in 1874 met het schrappen uit de statuten van het verbod op het drijven van handel in wissels en effecten. Maar pas met de benoeming tot directeur van de bankier Balthazar Heldring [voormalig directeur van de Kas-Vereeniging] in 1880 veranderde er ook iets in de praktijk. Heldring begon met een reorganisatie van de Factorij. De handelsactiviteiten werden sterk ingekrompen en deels zelfs stopgezet en de Factorij ging zich bezig houden met kredietverlening, effectenorders en het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dit maakte het bankiersbedrijf in de moderne zin van het woord mogelijk: het verstrekken van geldmiddelen aan derden uit door derden beschikbaar gestelde middelen. Pas in 1903 werd ook in Nederland zelf overgegaan op het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dat jaar mag dan ook worden aangemerkt als dat van de afronding van het omschakelingsproces van de NHM tot algemene bank. De omschakeling betekende overigens niet dat het handelsbedrijf volledig werd verlaten. De NHM zou tot het einde een handelsafdeling behouden, hoewel in sterk afgeslankte vorm. Naast het oude handelsbedrijf en het nieuwe bankbedrijf ontplooide de NHM vanaf het midden van de negentiende eeuw activiteiten in het cultuurbedrijf. De ontwikkeling van de NHM in Indië als cultuuronderneming ging langs geleidelijke weg, en ook min of meer tegen wil en dank. De Factorij gaf al vanaf circa 1850 steun aan planters in de vorm van voorschotkredieten onder hypothecair verband van gebouwen [suikerfabrieken] of consignatie van de oogst, waarbij de oogst dus voor verkoop aan de NHM ter beschikking kwam. Via dit soort contracten werden een groot aantal cultuurondernemingen aan de NHM verbonden, de zogeheten cultuurrelaties. Dit bracht wel het 'gevaar' met zich mee dat bij faillissementen in tijden van crisis de NHM met 'de boedel kwam te zitten', en bij onverkoopbaarheid hiervan gedwongen was zelf de exploitatie ter hand te nemen. De suikerfabriek Wonopringgo werd op deze wijze in 1841 de eerste eigen cultuuronderneming van de NHM. Langs deze weg zouden de NHM nog meerdere ondernemingen toevallen. Samen met de zelf opgerichte ondernemingen, de exploitatie van ondernemingen voor gezamenlijke rekening met derden, de blote deelneming in het kapitaal van ondernemingen van derden en de al genoemde consignatie-relaties maakten zij van het cultuurbedrijf een belangrijke poot binnen het totale bedrijf der NHM. In Suriname ging het cultuurbedrijf van start in 1867 met de aankoop van de suikerplantage De Resolutie. Vanaf 1883 werd de suikerplantage en -fabriek Mariënburg geëxploiteerd. Het hoogtepunt van het eigen cultuurbedrijf der NHM lag in de periode 1880-1934. In dat laatste jaar zorgde de wereldcrisis en een daaruit voortvloeiende grootscheepse interne reorganisatie voor een drastische vermindering van het aantal eigen ondernemingen. De Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd bezorgden het cultuurbedrijf een nieuwe klap. Niettemin bleef de NHM in Indonesië een aantal cultuurondernemingen exploiteren, tot deze in 1959 onder beheer werden gesteld en vervolgens genationaliseerd. In Suriname werd het complex Mariënburg in 1964 verkocht. Voor de ontwikkeling tot algemene bank was een voldoende uitgebreid kantorennet onontbeerlijk, met name voor het emissiebedrijf. In Nederlands-Indië was aan die voorwaarde wel voldaan. De rem op de im- en exporthandel in 1882 had weliswaar geleid tot sluiting van veel agentschappen, maar het snelle succes van het bankbedrijf deed het aantal weer vlug toenemen. In Nederland had de NHM in 1910 naast het hoofdkantoor enkel agentschappen in Rotterdam en 's-Gravenhage. De andere agentschappen [feitelijk weinig meer dan opslagplaatsen] waren opgeheven. In 1916 werd een overeenkomst aangegaan met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waarmee de NHM de mogelijkheid kreeg gebruik te maken van het kantorennet van deze bank in het oosten van het land. In 1936 werd de GCV overgenomen en haar kantoren omgezet in NHM-agentschappen. De NHM beschikte vanaf dat moment over een eigen binnenlands kantorennet. Na 1936 zou dit net via eigen oprichtingen en overnames van regionale en lokale banken nog aanzienlijk worden uitgebreid. Gedurende de Tweede Wereldoorlog was het bedrijf der NHM gesplitst in een binnenlands en een buitenlands bedrijf. Al vóór de oorlog waren procedures vastgelegd voor het geval een bezetting zou plaatsvinden. Deze werden ook onverkort gevolgd. De statutaire zetel werd in 1940 verplaatst naar Batavia, en na de Japanse inval in Nederlands-Indië in 1942 naar Paramaribo. De directeuren in bezet gebied hadden enkel bevoegdheid ten aanzien van het Nederlands bedrijf. Het bedrijf overzee stond onder leiding van een directeur buiten bezet gebied, in de persoon van A.A. Pauw, die verblijf hield in respectievelijk Londen, New York en weer Londen. In 1945 werd de zetel weer naar Amsterdam verplaatst en de eenheid van bestuur hersteld. De kern van het bancaire bedrijf was en is de bemiddeling tussen vraag en aanbod van kapitaal. Dit wordt enerzijds gerealiseerd door het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant en het uitzetten van die gelden via verstrekking van kredieten, anderzijds via het emissiebedrijf. Met name de periode na de Tweede Wereldoorlog kenmerkte zich echter door uitbreiding van de dienstverlening, zowel door introductie van nieuwe vormen van bestaande diensten [bijvoorbeeld kredietverlening op lange termijn en huurkoop] als door toelegging op voor de NHM geheel nieuwe nieuwe vormen van dienstverlening [vermogensbeheer; belastingzaken voor derden; assurantiebezorging]. Voor een deel werden deze nieuwe activiteiten ondergebracht in 'zelfstandige' vennootschappen, zoals de NV Assurantiebedrijf der NHM, de NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn en de NV Auto-Crediet. Het einde van het Indonesisch bedrijf der NHM kwam in zicht toen het cultuurbedrijf daar in mei 1959 werd genationaliseerd. Het bankbedrijf had nog even respijt, tot in juli 1960 aan de Factorij haar status van deviezenbank werd ontnomen. Op 21 november 1960 werd het bankbedrijf van de Factorij en alle onder haar ressorterende kantoren in Indonesië onder beheer gesteld. De uiteindelijke nationalisatie had plaats op 5 december 1960. De activa en passiva werden ingebracht in de Bank Koperasi, Tani dan Nelajan. Op de buitengewone aandeelhoudersvergadering van 23 juli 1964 werd besloten de naam Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV te wijzigen in Algemene Bank Nederland NV. De naamswijziging werd geëffectueerd op 3 oktober 1964. Op dezelfde dag vond de op 4 juni al aangekondigde opname plaats van het bedrijf van De Twentsche Bank NV in het bedrijf van de ABN. II Oprichting Ten tijde van de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 verkeerde de Nederlandse economie in een deplorabele toestand. Twee decennia van Franse overheersing, en met name het in 1806 ingevoerde Continentaal Stelsel, hadden het land verregaand verarmd en de voorheen zo belangrijke Noord-Nederlandse handel nagenoeg stilgelegd. Een substantieel deel van de nijverheid was naar het buitenland uitgeweken. In de Zuidelijke Nederlanden was weliswaar een begin van zware industrie ontstaan, maar deze had met groot kapitaalgebrek te kampen. Koning Willem I zocht dan ook naarstig naar middelen om handel en industrie er weer bovenop te helpen. Hij had daarbij te maken met een aantal obstakels, waaronder de frictie tussen Noord en Zuid ten aanzien van protectie, het kapitaalgebrek in het Zuiden en de vlucht van Noord-Nederlands [met name Amsterdams] kapitaal naar het buitenland. Vanaf het eerste jaar van zijn regering kwam de koning met een serie initiatieven, die hem de bijnaam koning-koopman zouden bezorgen. Het begon in 1814 met de oprichting van De Nederlandsche Bank. Om het zuiden van krediet te voorzien werd in 1822, deels uit 's konings eigen middelen, de Algemeene Maatschappij ter begunstiging der Volksvlijt te Brussel opgericht. Verder was er onder zijn regering ruime aandacht voor de infrastructuur: er werden wegen aangelegd en verbeterd, er werden kanalen gegraven [Noord-Hollands Kanaal, Willemsvaart] en er werd een begin gemaakt met de aanleg van een spoorwegnet. In dit rijtje van koninklijke initiatieven past ook de oprichting in 1824 van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV. De oorsprong van de idee tot oprichting van de NHM lag in de wens tot 'herovering' en herstel van de handel op Indië, die in het begin van de negentiende eeuw tot een marginale bezigheid was gereduceerd en door de buitenlandse [met name Engelse] concurrentie was overgenomen. Het eigenlijke plan tot oprichting van een grote maatschappij voor dit doel en de uitwerking daarvan kan op naam worden geschreven van H.W. Muntinghe, lid van de Raad voor Indië. Met steun van de koning wist hij de particuliere handelaars en reders op Indië die er nog waren te bewegen tot cumulatie van hun kapitaal. De koning gaf het initiatief een flinke steun in de rug door de maatschappij in spé c.q. de aspirant-aandeelhouders een rente-garantie van 41/2% in het vooruitzicht te stellen, ingaand met het jaar 1825-1826 en op voorwaarde dat een behoorlijke reserve gevormd zou worden. De NHM werd in het leven geroepen bij KB no. 163 van 29 maart 1824. IV Interne organisatie IV.1 De afdelingen op het hoofdkantoor Algemeen Nadat meteen na de oprichting in 1824 onder leiding van de secretaris de Afdeling Secretarie was gaan draaien, vingen per 1 januari 1825 ook vijf uitvoerende afdelingen hun werkzaamheden aan. Zij kregen eenvoudigweg een numerieke aanduiding [Eerste Afdeling etc.], die zij vrijwel tot het eind zouden behouden. Pas in 1953 kregen zij een functionele benaming. Hoewel met de vele veranderingen in omvang en in aard van de werkzaamheden een groeiend aantal afdelingen op specifieke deelterreinen zou worden gevormd [Boekhouding; Kas etc.], zouden de in oorsprong gevormde afdelingen gedurende de gehele geschiedenis van de NHM de basis van de organisatie blijven vormen. Gedurende de negentiende eeuw bleef de interne organisatie op het hoofdkantoor tamelijk stabiel. Er vonden weliswaar de nodige taakverschuivingen plaats tussen de bestaande afdelingen onderling, maar nieuwe afdelingen werden niet gevormd. De afdelingen waren in deze periode voornamelijk administratieve en controlerende eenheden. Men begeleidde, administreerde en controleerde handelstransacties die voor het merendeel in Indië en omliggende gebieden plaatsvonden. Dit veranderde met de overschakeling van de NHM van handelsbedrijf naar bankbedrijf, met name toen in navolging van het Indisch bedrijf ook het hoofdkantoor in Amsterdam zich volledig als algemene bank ging profileren. Een in volume en diversiteit toenemend aantal transacties [opname van gelden in deposito en rekening-courant, kredietverlening, emissieactiviteiten, valuta- en effectenarbitrage] vond nu direct op het hoofdkantoor plaats. Tot de eeuwwisseling wist men dit nog in de bestaande afdelingsstructuur in de passen, maar vanaf 1904 [vorming afzonderlijke Kasafdeling] nam het aantal nieuwe afdelingen snel toe. Belangrijk in deze was met name de vorming van een Afdeling Algemene Zaken in 1908, feitelijk een afsplitsing van de Secretarie, waarmee voor het secretariaat als geheel een min of meer moderne verdeling werd gecreëerd tussen huishoudelijke zaken [Secretarie] en stafzaken [Algemene Zaken]. Belangrijke jaren in de organisatie der afdelingen waren verder 1828 [opgave van de zaken in de West], 1934 [algehele interne reorganisatie in het kader van een bezuinigingsoperatie] en de periode rond 1960 [nationalisatie bedrijf in Indonesië]. Hieronder wordt van alle afdelingen een korte karakteristiek gegeven. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de toelichtingen bij de betreffende rubrieken. Secretarie [1824-1964] Aanvankelijk verantwoordelijk voor alle werkzaamheden die niet aan een van de uitvoerende afdelingen waren toegewezen, dus alle werkzaamheden buiten de feitelijke vervulling van de statutaire doelstellingen. In de loop van de twintigste eeuw verloor de Secretarie een aantal taken aan andere afdelingen. Het meest van belang in dit verband was de overname in 1908 van de 'staftaken' door de nieuwe Afdeling Algemene Zaken. In 1958 werden de Secretarie en de Afdeling Algemene Zaken weer samengevoegd. Afdeling Algemene Zaken/Directiesecretarie [1908-1958] Gevormd in 1908, hoofdzakelijk als afsplitsing van de Secretarie, waarvan zij de 'staftaken' overnam [juridische zaken; onderzoek; gegevensverzameling relaties; handelsvoorlichting etc.]. In 1934 werd de afdeling in het kader van een algehele reorganisatie omgezet in een Directiesecretarie. Afgezien van de naam en toevoeging van een aantal taken veranderde echter niet veel. In 1943 kreeg de afdeling haar oude naam weer terug. In 1958 werd zij weer samengevoegd met de Secretarie. Provinciale Centrale [1936-1964] Gevormd in 1936 naar aanleiding van de overname van de Geldersche Credietvereeniging, waarmee de NHM een uitgebreid binnenlands kantorennet in bezit kreeg. De afdeling kreeg tot taak het verkeer met en het toezicht op deze nieuw verworven provinciale agentschappen en correspondentschappen. De 'oude' agentschappen Rotterdam en 's-Gravenhage bleven buiten het toezicht van de Provinciale Centrale. Afdeling Boekhouding [ca 1914-1964] Het precieze jaar waarin de boekhouding in een afzonderlijke afdeling werd ondergebracht is niet bekend. Vermoedelijk was dit 1914, het jaar waarin werd overgeschakeld op de dagelijkse manier van boekhouden. Gedurende de negentiende eeuw was de boekhouding ondergebracht bij één der uitvoerende afdelingen, achtereenvolgens de Vierde [1824-1827], de Vijfde [1827-1828] en de Derde Afdeling [1828-ca 1914 ]. Vanaf 1949 was de boekhouding geplaatst onder een Afdeling Boekhouding, Belastingzaken en Organisatie. Per 1 juli 1954 werd het onderdeel organisatie afgesplitst en resteerde dus een Afdeling Boekhouding en Belastingzaken. Afdeling Controle [1918- ] Gevormd in 1918, in eerste instantie opgezet om de agentschappen te controleren. Al spoedig werd hieraan de interne controle op het hoofdkantoor alsmede het kredietonderzoek bij relaties toegevoegd. Per 6 juli 1934 werd het afdelingshoofd behalve ondergeschikt aan de directie ook lasthebber van de Raad van Commissarissen, en nam hij onder de titel van Chef van de Controledienst een afzonderlijke plaats in het bedrijf in. Om te voldoen aan de eisen van het Nederlands Instituut van Accountants werd per 1 januari 1948 naast de eigen controledienst gebruik gemaakt van het 'externe' Accountantskantoor Drs. C. Bakker [tevens chef van de interne controledienst!]. Kasafdeling [1904-1964] Gevormd in 1904 als afsplitsing van de Vierde Afdeling. Zij omvatte het kasbedrijf in de ruimste zin, inclusief het disconteren van wissels, het beheer over de korte beleggingen van de NHM en de in- en verkoop van schatkistpapier. De afdeling kende de groepen of sub-afdelingen Kas, Clearing, Giro, Disconto's, Deposito's en Fiat. Afdeling Effecten [1912-1964] Gevormd in 1912. De afdeling hield zich bezig met de administratieve voorbereiding en afwikkeling van emissies. Dit betekende werkzaamheden als de afgifte van prospectussen, de afhandeling van inschrijvingen en toewijzingen en de couponadministratie [knippen]. Verder verzorgde de afdeling de bewaring van onderpanden en de bewaargeving van effecten, safe-deposits etc. Eerste Afdeling/Afdeling Binnenland [1825-1964] Fungeerde tot en met 1827 als [voorloper van het] Kabinet van de President. Van 1828 tot het einde van de negentiende eeuw was zij de afdeling voor de Oost. Tussen 1880 en 1919 transformeerde zij geleidelijk van Indische Afdeling naar een afdeling die zich specifiek met [voornamelijk binnenlandse] bankzaken bezighield. Per 1 januari 1953 veranderde haar naam in Afdeling Binnenland. Tweede Afdeling/Afdeling Cultures [1825-1960] Was tot en met 1827 de afdeling voor de Oost, en van 1828 tot 1880 de afdeling voor de 'zaken op Europa, de Levant en de West'. Wegens de geringe omvang van deze werkzaamheden werd de afdeling in 1880 opgeheven. De Surinaamse zaken werden ondergebracht bij de Eerste Afdeling, voor de zaken op Amerika werd een nieuwe Afdeling Amerikaanse Zaken gevormd. Al vanaf 1882 werd deze nieuwe afdeling weer aangeduid als Tweede Afdeling. Vanaf 1915 werd de Tweede Afdeling in een aantal stappen de afdeling voor cultuurzaken. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Cultures. Per 1960 werd zij samengevoegd met de Afdeling Producten [voorheen Vierde Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten. Derde Afdeling/Afdeling Bankzaken met het Oosten [1825-1959] Was tot en met 1827 de afdeling voor de zaken op Europa, de Levant en de West. Vanaf 1828 was haar pakket drieledig; een portefeuille comptabiliteit, een portefeuille stimulering economie en een portefeuille beheer eigen aandelen. Vanwege de sterke inkrimping van haar werkzaamheden werd zij per 1934 gecombineerd met de voormalige Tweede Afdeling Wissel- en Bankzaken tot een nieuwe Derde Afdeling, voornamelijk gericht op wissel- en bankzaken met het Oosten. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Bankzaken met het Oosten. In het kader van het streven naar een meer functionele indeling van de werkzaamheden op het hoofdkantoor werd in november 1959 besloten de afdeling op te heffen. Haar werkzaamheden werden verdeeld over de bestaande afdelingen Binnenland [Eerste Afdeling] en Buitenland [Vijfde Afdeling] en een nieuw gevormde Afdeling Documenten. Vierde Afdeling/Afdeling Producten [1825-1960] Had tot en met 1827 een blok comptabiliteit en een blok producten. In 1827 werd de comptabiliteitsportefeuille afgestoten naar de Vijfde Afdeling. In 1831 nam zij de behandeling der zaken van het voormalige agentschap Amsterdam over. De Vierde Afdeling was in feite gedurende haar hele bestaan in hoofdzaak de afdeling voor alle zaken aangaande het transport, de opslag, het beheer en de verkoop van producten. Per 1 januari 1953 werd haar naam dan ook gewijzigd in Afdeling Producten. Per 1960 werd zij samengevoegd met de Afdeling Cultures [voorheen Tweede Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten. Vijfde Afdeling/Afdeling Buitenland [1825-1827, 1924-1964] Was tot en met 1827 de afdeling voor comptabiliteit, stimulering van de Nederlandse economie en het beheer van de eigen aandelen. Opgeheven per 1828; haar taken werden overgenomen door de Derde Afdeling. In 1924 werd een nieuwe Vijfde Afdeling gevormd, voornamelijk gericht op het buitenlands betalingsverkeer. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Buitenland. Afdeling Centrale Buitenkantoren [Zesde Afdeling, 1953-1964] Gevormd per 1 januari 1953 als afsplitsing van de Derde Afdeling. De afdeling zou oorspronkelijk de naam Zesde Afdeling krijgen, maar in het kader van een per 1 januari 1953 doorgevoerde algehele naamswijziging van de afdelingen op het hoofdkantoor werd hiervan afgezien. De oprichting was een direct gevolg van een besluit uit september 1952 om de supervisie over de buitenkantoren, dat wil zeggen de overzeese kantoren minus die in Indonesië, aan de Factorij te ontnemen en naar Amsterdam over te brengen. Dit uit angst voor hinderlijke interventies van de Indonesische regering. De nieuwe afdeling voerde enkel de zakelijke en administratieve supervisie over de genoemde kantoren. Zij dreef dus geen bankzaken. Zij kende als onderafdelingen het Bureau Nieuw-Guinea, het Bureau Antwerpen en het Bureau Suriname en Antillen. Afdeling Documenten [1959-1964] Gevormd in 1959 na opheffing van de Derde Afdeling, waarvan zij een deel van de taken overnam. Deze lagen op het terrein van de verzorging van contacten van cliënten met het buitenland op grond van kredietopeningen en documentaire incassi. Afdeling Cultures en Producten [1960-1964] Gevormd per 1 januari 1960 door samenvoeging van de voormalige afdelingen Cultures [Tweede Afdeling] en Producten [Vierde Afdeling]. Afdeling Gouvernements-Goederen [1853-ca 1904] Tot en met 1852 fungerend als sub-afdeling van de Derde Afdeling, als zodanig vermoedelijk ontstaan rond 1830, toen de overeenkomsten met de staat een meer gestructureerd karakter kregen. In 1853 omgezet in een zelfstandige afdeling. De correspondentie van de afdeling bleef echter samengevoegd met die van de Derde Afdeling. Kort na 1904 werd de afdeling ingelijfd bij de Vierde Afdeling. De Afdeling Gouvernements-Goederen behandelde alle leveranties voor de Indische staatshuishouding, van de ontvangst tot verzending der goederen en de betaling ervan door het Departement van Koloniën. Afdeling voor Amerikaanse Zaken [1880-ca 1882] Gevormd in 1880, samenhangend met zowel de oprichting van een agentschap te New York in 1879 als de opheffing van de Tweede Afdeling in 1880, welke laatste tot dan de Amerikaanse zaken beheerde. Het agentschap New York werd al in 1881 weer opgeheven. Dit bezegelde waarschijnlijk ook het lot [in ieder geval in naam] van de afdeling. Al in 1882 is de naam Tweede Afdeling weer in zwang. Directiebesluiten ten aanzien van dit laatste zijn niet bekend. IV.2 De agentschappen Algemeen Vanaf haar oprichting bezat de directie van de NHM statutair de bevoegdheid om in alle belangrijke handelsplaatsen in binnen- en buitenland agenten te benoemen c.q. agentschappen te vestigen. Aanvankelijk werd hierbij wat de terminologie betreft nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen daadwerkelijke eigen vestiging enerzijds en vertegenwoordiging door in de betreffende plaatsen reeds gevestigde handelshuizen anderzijds. In beide gevallen sprak men van agenten. Pas de Artikelen van 1827 introduceren voor de laatste categorie de term correspondenten. De termen werden overigens ook na dat jaar nogal eens door elkaar gebruikt. De Artikelen van 1847 introduceren de term vaste agenten voor de agenten die geen andere posten, ambten of bedieningen met financiële tegenprestatie mochten bekleden, noch handel mochten drijven en deel mochten hebben in rederijen en fabrieken. De vaste agent is in 1874 weer verdwenen. Men spreekt voortaan enkel van agent; de term slaat dan louter op 'directeuren' van een eigen vestiging, volledig en exclusief in dienst van de NHM. Slechts in een beperkt aantal plaatsen stelden de statuten vestiging van een agentschap verplicht. In de periode 1824-1831 was dit het geval voor Antwerpen, Amsterdam en Rotterdam in het moederland, Batavia [Factorij] in Indië en Kanton in China. Vanaf 1831, dus na de afscheiding van België en de verhuizing van het hoofdkantoor naar Amsterdam, gold deze verplichting enkel Rotterdam en Batavia. De verplichting ten aanzien van Rotterdam verdween in 1934 uit de statuten. De statutaire verplichting om de Factorij te handhaven bleef bestaan tot de nationalisatie van het Indisch bedrijf in 1960 deze bepaling overbodig maakte. Alle agenten en correspondenten werden door de directie benoemd en zonodig door haar uit de dienst der NHM ontslagen. Zij werkten onder reglementen en instructies die tot 1850 werden vastgesteld door de Raad, daarna door de directie, gehoord de commisarissen. De agenten dienden Nederlanders te zijn, en in het bezit te zijn van een door de directie per geval te bepalen aantal aandelen. De agenten waren ten principale verantwoording verschuldigd aan de directie en correspondeerden rechtstreeks met de directie. De agenten mochten in principe enkel zaken van de NHM behartigen. De vestiging van een [vast] agentschap betekende doorgaans, maar niet zonder meer, ook vestiging in de zin van inrichting van een bedrijfspand. Deze panden waren in de negentiende eeuw weinig meer dan pakhuizen waar de voor im- en export bestemde goederen werden opgeslagen, aangevuld met enige ruimte voor de noodzakelijke administratie. Pas na de transformatie van de NHM van handelsonderneming in bankbedrijf was sprake van echte kantoorgebouwen. Binnenlandse agentschappen Geheel in de lijn der doelstelling van de maatschappij om in het moederland zoveel mogelijk plaatsen en regio's tot ontwikkeling te brengen werden een flink aantal agentschappen opgericht. Naast de statutair voorgeschreven agentschappen in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen waren dat Ath, Brugge, Brussel, Charleroi, Doornik, Gent, Kortrijk, Leuven, Luik, Luxemburg, Namen, Oostende, St. Niklaas en Verviers in het zuiden en Brouwershaven, Den Helder, Dordrecht, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Hellevoetsluis, Leeuwarden, Middelburg, Nijverdal, Schiedam, Vlissingen en Zierikzee in het noorden. De agentschappen in het zuiden werden na de afscheiding van Belgie in 1831 geliquideerd. De agentschappen in het noorden hebben nooit aan hun doelstelling beantwoord. Geen van de genoemde plaatsen, met uitzondering van Nijverdal, is door specifieke NHM-activiteiten tot ontwikkeling gekomen. In de na 1831 statutair bevoorrechte steden Middelburg, Dordrecht en Schiedam werden gouvernements-producten aangevoerd en opgeslagen omdat dit nu eenmaal was voorschreven, maar enige spin-off kwam hieruit niet voort, ook al omdat alle veilingen te Rotterdam en Amsterdam plaatsvonden. Toen eind negentiende eeuw de handelsactiviteiten werden gestaakt, kwam aan het bestaan van deze agentschappen al snel een einde. De directie hield ze nog enige tijd in stand omdat men er de regering een plezier mee dacht te doen. Dit bleek uiteindelijk niet meer het geval en na een statutenwijziging werd in 1909 besloten de laatst overgebleven agentschappen, Middelburg en Dordrecht, op te heffen. In 1910 werd dit besluit geëffectueerd. In Schiedam was na het overlijden van de agent in 1904 al geen opvolger meer benoemd. Pas in de Eerste Wereldoorlog, nadat de NHM volledig tot bankbedrijf was getransformeerd, kreeg zij voorzichtig weer belangstelling voor vestiging in de provincie. Dit had te maken met de snelle ontwikkeling van nieuwe activiteiten als het emissiebedrijf, waarvoor een kantorennet onmisbaar was, maar ook met een algemene concentratiegolf in het bankwezen, waarbij de grootbanken, bang om achter het net te vissen, een veelheid van regionale en lokale bancaire instellingen incorporeerden. De NHM deed het hierbij voorzichtig aan en hield het voorlopig bij een in 1916 gesloten overeenkomst van vriendschappelijke samenwerking met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waardoor zij van de diensten van het net van circa twintig kantoren kon beschikken dat de GCV in met name de oostelijke en zuidelijke provincies had. In 1936 werd het gehele bedrijf van de GCV in dat van de NHM geïncorporeerd. Na 1936 zou via andere overnames en eigen oprichtingen ['van de koude grond'] het binnenlands kantorennet nog fors worden uitgebreid. De 'oude' agentschappen te Rotterdam en 's-Gravenhage [opgericht 1910] hadden een status die afweek van de in 1936 verworven agentschappen. Zij legden rechtstreeks verantwoording af aan de directie en stonden in rechtstreeks contact met de diverse afdelingen van het hoofdkantoor en met de vestigingen overzee. Voor de nieuwe agentschappen, die de term provinciale agentschappen meekregen, was een in 1936 nieuw gevormde afdeling op het hoofdkantoor, de Provinciale Centrale, het aanspreekpunt. Naast, of feitelijk onder, de provinciale agentschappen kende de NHM na 1936 de zogeheten correspondentschappen, kleinere kantoren ressorterend onder een agentschap en veelal geen eigen administratie voerend. In 1962 werd de naam hiervan gewijzigd in bijkantoren. In de gevallen dat een kleiner kantoor in dezelfde stad gevestigd was als het agentschap waaronder het ressorteerde [dus met name in een aantal grote steden] sprak men vanouds van stadsbijkantoren. Verder waren er in een aantal kleine plaatsen zitdagen en waren er in Amsterdam en Rotterdam rijdende bijkantoren. (De terminologie van de NHM week af van andere banken als de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank, bij welke een lokale vestiging werd aangeduid als bijkantoor en een agentschap betrekking had op het verrichten door een zelfstandige lokale maatschappij van zekere diensten namens de genoemde banken.) Buitenlandse agentschappen Geheel getrouw aan de ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM gedurende de eerste jaren van haar bestaan werldwijd activiteiten. Dit leidde tot een reeks van vestigingen en correspondentschappen in onder meer Latijns-Amerika en de Levant. Een combinatie van onvoldoende mogelijkheden, oorlog en onveiligheid maakte aan deze activiteiten al snel een eind. Rond 1828 waren vrijwel al deze vestigingen en contacten weer verloren gegaan. Vanaf 1830 tot de Tweede Wereldoorlog was het overzeese bedrijf van de NHM hoofdzakelijk gericht op Nederlands-Indië en de omringende gebieden in Oost-Azië. Buiten dit gebied was men alleen actief in Suriname en tijdelijk in Noord-Amerika [New-York]. In Nederlands-Indië werden in de loop van de negentiende eeuw een groot aantal agentschappen gevestigd. De inkrimping en gedeeltelijke stopzetting van de handel als gevolg van de overschakeling op het bankbedrijf in 1882 zorgde voor een tijdelijke reductie, maar het succes van dit bankbedrijf zorgde er ook voor dat het aantal vestigingen weer snel toenam. De nationalisatie van het bankbedrijf in 1960 betekende het einde van alle vestigingen in Indonesië. Buiten Nederlands-Indië was het aantal agentschappen tot de overschakeling op het bankbedrijf beperkt tot Singapore [opgericht 1858] en een aantal tijdelijke vestigingen in Japan [1859-1880]. Omdat financiering van de handel van Nederlands-Indië een zeer belangrijk onderdeel van het nieuwe bankbedrijf was, en dit handelsverkeer in toenemende mate internationaal was georiënteerd, vestigde de NHM kantoren in de belangrijkste handelscentra in Brits-Indië, de Straits Settlements, China en Japan. De agentschappen buiten Nederlands-Indië werden aangeduid met de term buitenkantoren. Hoewel alle buitenkantoren waren gericht op het bankbedrijf, konden hun bezigheden, al naar gelang de omstandigheden, op onderdelen nogal uiteenlopen. Zo was het in 1921 opgerichte agentschap Bombay sterk gericht op de goud- en zilverhandel, het in 1903 geopende agentschap Shanghai op arbitragezaken en het in 1920 gestichte agentschap Kobe met name op de financiering van de Japanse export naar Nederlands-Indië. Omdat rond 1950 vanwege de politieke situatie de perspectieven in Indonesië en andere Aziatische gebieden moeilijk waren te beoordelen, ging de NHM op zoek naar steunpunten elders in de wereld. Men ging hierbij tamelijk voorzichtig te werk. Gebieden waar overbanking dreigde of waar men de kans liep om bevriende relatiebanken in de wielen te rijden werden zorgvuldig gemeden. Dit gold bijvoorbeeld voor Europa, Australië, Zuid-Afrika en met name ook de Verenigde Staten, waar enkel de vestiging te New York zeer behoedzaam tot ontwikkeling werd gebracht. Men richtte zich daarom bij voorkeur op gebieden als Oost-Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika. In Afrika werd een zestal vestigingen geopend in Tanzania, Kenia en Oeganda. In het Midden-Oosten vestigde de NHM zich in Saoedi-Arabië, Libanon en Iran. In Latijns-Amerika werd vooral gewerkt via belangen in bestaande bancaire instellingen. Geaffilieerde en gelieerde ondernemingen Behalve over de eigen kantoren kon de NHM nog beschikken over de diensten van een aantal instellingen waarin zij een groot belang had. Het betrof hier dus vaste deelnemingen. Het ging weliswaar om juridisch zelfstandige vennootschappen, die hun zaken dreven onder eigen naam, maar in hun functioneren mogen ze tot de NHM-agentschappen worden gerekend. Zij worden onderscheiden in geaffilieerde bedrijven, met een volledige of meerderheid van zeggenschap voor de NHM, en gelieerde bedrijven, waarin de NHM wel een belang, maar geen meerderheid had. Geaffilieerde ondernemingen Nederland NV Assurantiebedrijf der N.H.M. [zie toelichting rubriek 35] NV Auto-Crediet [zie toelichting rubriek 37] NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn; opgericht in 1956, om te voldoen aan de toenemende behoefte aan kredieten met middellange looptijden, in het bijzonder ter financiering van de export van kapitaalgoederen. Buitenland Société Hollandaise de Banque et de Gestion te Tanger; 100% NHM, opgericht door de NHM in 1948 omdat in Tanger niet de na-oorlogse deviezenrestricties golden. Het belang van de vestiging verminderde na de inlijving van Tanger bij Marokko in 1959. ( Tanger werd via het Verdrag van Algeciras van 1906 tot internationaal gebied verklaard, een status die in 1923 werd bekrachtigd. Na van 1940-1945 door Spanje bezet te zijn geweest, kwam de stad in 1945 weer onder internationaal bestuur. In 1959 kwam zij onder de Marokkaanse souvereiniteit. In 1962 werd zij vrijhaven, en in 1965 kreeg zij bijzondere economische faciliteiten.) Surinaamsche Bank te Paramaribo [zie toelichting rubriek 43] Edwards, Henriquez & Co's Bank NV te Curaçao; de NHM nam in 1952 een belang van 50% ofwel fl. 1.000.000,- in Antilliaanse guldens in deze vennootschap, waarin de bankzaken van de in 1856 opgerichte bankiersfirma Edwards, Henriquez & Co, inclusief haar meerderheidsbelang in de Aruba Commercial Bank te Willemstad, waren ondergebracht. De reden voor deze deelneming was met name de ligging van Curaçao nabij de olieproducent Venezuela, waar Shell een zeer grote raffinaderij exploiteerde, alsmede de exploitatie door de Amerikaanse groep Lago van een raffinaderij op Aruba. B.W. Blydenstein & Co te Londen; de NHM beschikte in Londen vanaf 1945 over een representative office. Een volwaardig agentschap werd gewenst geacht, maar bleek moeilijk realiseerbaar wat betreft het vinden van ruimte en personeel. Bovendien was men bang de relatie met Engelse banken te verstoren. Daarom werd in 1952 gekozen voor een participatie van 50% in B.W. Blijdenstein & Co, de affiliatie van De Twentsche Bank te Londen. De samenwerking ging in per 1 april 1953. In dit kader richtte de NHM de Netherlands Trading Society London Ltd op, die als non-personal partner van Blijdenstein zou optreden. De Twentsche Bank had op dezelfde voet De Twentsche Bank London Ltd. Mercantile Bank of Iran and Holland te Teheran; de voorbereidingen voor de oprichting van een bank in Iran begonnen in juli 1958, in samenwerking met de heren Vahabzadeh en anderen. De NHM nam aanvankelijk deel voor 25%. De opening van het kantoor van de MBIH had plaats op 5 april 1959. Het belang van de NHM ging nu omhoog naar 49% [de Perzische wet stond grotere buitenlandse deelname niet toe]. Ondanks haar minderheidsbelang had de NHM wel de leiding in deze onderneming. NV Internationale Handels- en Diamantbank te Antwerpen; vrijwel 100% NHM, na de oprichting in 1960 begon de bank haar werkzaamheden op 1 december van dat jaar. Zij was specifiek gericht op de relaties in de Antwerpse diamantindustrie en -handel. Vanwege de beperkte doelstelling opereerde de bank niet als agentschap, maar als afzonderlijke NV met beperkte vergunning. De NHM had ook niet de bedoeling om de zaken in België een uitgebreid karakter te geven. Gelieerde ondernemingen Banco de Montevideo te Montevideo; de NHM nam eind 1950 een belang in deze bank, die praktisch geheel toebehoorde aan de drie Zuid-Amerikaanse concerns Bemberg, Bunge & Born en Bracht. De NHM kreeg vertegenwoordigers in het bestuur, en kon jonge employé's bij de Banco ervaring laten opdoen. Banco Tornquist SA te Buenos Aires; opgericht met 50% deelname der NHM, ter voortzetting van de zaken van het bankiershuis Ernesto Tornquist & Co Ltd. De opening van het kantoor vond plaats op 14 november 1960. V Fusies, overnames, deelnemingen en commissariaten De termen fusie, overname en deelneming zijn termen die in het dagelijks gebruik niet altijd in dezelfde betekenis worden gehanteerd. In onderstaande worden zij in het kort nader omschreven, om in elk geval te verduidelijken hoe ze in deze inventaris zijn gebruikt. V.1 Fusies De term in fusie is in principe een overkoepelende term voor al die processen, waarbij twee eenheden worden samengevoegd. In die zin is dus in alle gevallen waarbij twee ondernemingen samengaan sprake van een fusie. In deze inventaris is, ter verduidelijking van het karakter van bepaalde transacties, de term wat beperkter gehanteerd voor het samengaan van twee gelijkwaardige grootheden. In deze zin wordt daarom het proces van samengaan in 1964 tussen ABN en De Twentsche Bank, in de media veelal omschreven als fusie, in deze inventaris beschouwd als een overname door de ABN van De Twentsche Bank. V.2 Overnames De NHM heeft in de loop van haar geschiedenis een groot aantal ondernemingen overgenomen. Kern van een overname is de overgang van de zeggenschap over een onderneming via een aandelentransactie, waarbij een meerderheid van de aandelen in handen van de overnemende partij komt. Zo'n aandelentransactie kan diverse vormen aannemen. De overnemende partij kan eenvoudigweg een meerderheid van de aandelen [indien aanwezig: de preferente -] opkopen en zo een meerderheidsbelang verwerven. Een andere mogelijkheid is de aandeelhouders van de over te nemen onderneming het aanbod te doen hun aandelen in te ruilen tegen 'eigen' aandelen. De NHM heeft beide methoden wel gehanteerd. Na een overname konden verschillende wegen worden bewandeld. Enerzijds kon het bedrijf van de overgenomen vennootschap volledig in het eigen bedrijf worden geïncorporeerd. De NHM deed dit onder meer in 1936 met het bedrijf van de Geldersche Credietvereeniging, waarvan de kantoren werden omgezet in NHM-agentschappen. De vennootschap Geldersche Credietvereeniging werd dus vrijwel volledig uitgekleed, maar werd niet ontbonden. Zij ging met een klein maatschappelijk kapitaal verder als 'huizenmaatschappij' van de NHM. In 1964 was sprake van eenzelfde proces, toen het bedrijf De Twentsche Bank in dat van de ABN werd opgenomen. Anderzijds kon men een overgenomen vennootschap als zodanig onder eigen naam laten doorfunctioneren, waarbij de NHM dan veelal [vrijwel] enig aandeelhouder was. De redenen hiervoor konden divers zijn, maar meestal speelden gevoeligheden bij de 'oude' clientèle een belangrijke rol. Voorbeelden van overnames in deze vorm zijn die van De Surinaamsche Bank in 1949 en van het commissionairshuis De Wed. Tjeenk & Co in 1948. Bleef een overgenomen instelling als juridisch zelfstandige onderneming doorfunctioneren, dan ging zij in feite behoren tot de groep van vaste of structurele deelnemingen van de NHM. Wanneer de overgenomen instelling onder eigen naam namens de NHM diensten verrichtte, dus in feite als NHM-agentschap fungeerde, behoorde zij tot de affiliaties. V.3 Deelnemingen Ook de term deelneming is een overkoepelende term, waarvan de betekenis niet altijd dezelfde is. Een deelneming kan globaal worden omschreven als het aangaan van een relatie met een andere onderneming door het aanhouden van effecten van die betreffende onderneming. De deelnemingen van de NHM zijn naar doelstelling te verdelen in drie categorieën. Ten eerste zijn er de [met name negentiende-eeuwse] deelnemingen in het kader van de financiering van bepaalde economische sectoren. Ten tweede zijn er de vaste deelnemingen met een langdurig karakter, expliciet gericht op uitbreiding van het eigen werkterrein en de invloed van de eigen onderneming. Ten derde zijn er de veelal zeer tijdelijke deelnemingen, gerelateerd aan het emissiebedrijf [zie hiervoor hoofdstuk VI.4 van deze inleiding]. De NHM heeft vanaf het begin langdurige belangen gehad in diverse andere ondernemingen. Dit was een min of meer logisch gevolg van haar doelstellingen, die onder meer bepaalden dat zij de nationale handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij en nijverheid moest bevorderen. Zij deed dit onder meer door deelname in het kapitaal van ondernemingen, met name door het rechtstreeks overnemen van aandelen. In veel gevallen gebeurde dit al bij de oprichting van de betreffende ondernemingen, en was de NHM mede-oprichtster. Deze vroege deelnemingen hadden dus vooral een bedrijfsondersteunende functie waarbij de NHM louter de rol van financieringsmaatschappij vervulde, zonder dat het streven naar winstgevende belegging op de voorgrond stond. Een voorbeeld hiervan is de steun van de NHM aan de Twentsche katoenindustrie. Ook veel deelnemingen in bijvoorbeeld transport- en overslagbedrijven en cultuurmaatschappijen hadden in oorsprong het karakter van bedrijfsondersteuning. De deelnemingen van de NHM waren volgens statutaire voorschriften tot 1884 gericht op sectoren die raakvlakken hadden met haar eigen werkterrein. Toen de NHM vanaf 1874 transformeerde van 'nationale' onderneming naar louter particulier bedrijf verdween geleidelijk de ideële grondslag onder de deelnemingen. De deelnemingen behielden in hun praktische uitwerking natuurlijk hun karakter van financiering, maar voor de NHM dienden ze nu in de eerste plaats tot versterking en uitbreiding van het eigen bedrijf. Vaste deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De NHM kon eenvoudigweg een belang nemen door een percentage van de aandelen op te kopen, meteen bij de oprichting van een onderneming of ook later. Zij konden ook voortkomen uit oprichting door de NHM zelf van nieuwe ondernemingen, waarbij de NHM veelal enig aandeelhoudster was. Dit was met name het geval na de Tweede Wereldoorlog, toen de NHM bepaalde [meest nieuwe] bedrijfsactiviteiten onderbracht in juridisch zelfstandige vennootschappen. Tenslotte zette de NHM diverse [met name cultuur-]ondernemingen voort die haar via faillissement waren toegevallen. Bleef het NHM-belang onder de 50%, dan was sprake van een minderheidsbelang. Was na aankoop het NHM-belang 50% of meer dan onstond een meerderheidsbelang ten gunste van de NHM. In feite had de NHM dan de zeggenschap over de betreffende onderneming en was er sprake van een overname. Er ontstond in dat geval een zogeheten moeder-dochter relatie. In het geval de NHM alle aandelen in een onderneming bezat, was sprake van een volledige of 100% deelneming. V.4 Commissariaten Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post[en] in de Raad van Commissarissen bij de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus NHM-gebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een NHM-functionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. In ieder geval vanaf 1927 speelde de Raad van Commissarissen van de NHM bij deze besluiten ook een rol. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers opgenomen in de rubriek overnames en deelnemingen [2.2]. VI Werkterrein Ondanks het feit dat zij zich gedurende haar hele geschiedenis handel-maatschappij is blijven noemen, heeft de NHM zich met zeer uiteenlopende activiteiten beziggehouden. Zij begon inderdaad als handelsonderneming, maar al bij haar oprichting was zij tevens voorbestemd om te dienen als financier van de te ontwikkelen nationale scheepvaart en industrie. Vanaf het begin hield zij zich tevens bezig met het cultuurbedrijf, en tot het einde was zij daarom ook, vaak tegen wil en dank, cultuuronderneming. En vanaf 1874 begon de ontwikkeling van de NHM naar volwaardig bankbedrijf. Radicale scheidslijnen zijn in deze ontwikkeling van het bedrijf niet te trekken. Hooguit kan gezegd worden dat de NHM in de periode 1824-1874 in hoofdzaak handelsonderneming was, dat in de periode 1875-1903 een geleidelijke omschakeling plaatsvond naar het bankbedrijf en dat de NHM in de twintigste eeuw in hoofdzaak een bancaire instelling was. Maar in de eerste fase trad de NHM ook op als financier, en de handelsactiviteiten werden ook gedurende de twintigste eeuw voortgezet, zij het op kleine schaal. Het cultuurbedrijf der NHM beleefde haar hoogtijperiode tussen circa 1860 en 1934, maar ook dit bedrijf werd daarna in afgeslankte vorm tot 1964 voortgezet. In onderstaande zullen de diverse werkterreinen nader worden beschreven. Voor vervolg zie de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
Curriculum Vitae van ir C.J. Warners1. Name: Ir WARNERS, Cornelis, Jacobus. 2. Born: Leersum (Holland) 20th August 1900. 3. Lower school, High school, engineer in private companies; telegraph- and telephone services. (1918-1922); Technical University (Oct. 1922-Sept. 1924) for mechanical and electrical engineer; Sept. 1924 degree (doctoral) as grad. electrical engineer (Ir). 4. Oct. 1924-Oct. 1925 military service (Royal-Field-Artillery), 2nd Lieutenant Royal Netherlands Army Reserve. 5. 1926-1936 Engineer P.T.T.-Services in Netherlands Indies (Chief of research-laboratories, planning and construction-department; chief of several exploitation-districts; representative for N.E.I. at conference Comité Consultatif International de Radio-Lisbon (1934). 1936-1940 Chief-Engineer, Head of Telephone Services. 1936 Mission to Siam and Malaya. 1940- March 6th 1942 Director of Telegraph, Telephone and Radio-Services N.E.I.- Chairman of Permanent Radio - Commission in N.E.I. - Chairman of Communications- - Commission of Council for State - Mobilisation 6. 1934-1941 Study for promotion to Doctor in Technical Sciences. Object: Economic periodical phenomena". Studies unfinished by war; papers, calculations, statistics etc. lost by Japanese invasion and looting. 7. Military ranks and functions. See 4. - 1927 1st Lieutenant Field Art. Royal Neth. Ind. A. Res. - 1938 1st Lieutenant "Engineers" Royal Neth. Ind. A. Res. - 1938 Captain "Engineers" Royal Neth. Ind. A. Res. - 1941 Lt. Colonel, in activa service G.H.Q. Bandoeng. In charge of Military Authority over P.T.T. and Radio-broadcast service and organizations - 1942 Liaison Off. C.i.C. Abdacom (Gen. Wavell) - 1943 Colonel (See 8) - 1947 Dismissed from active service; back to Reserve 8. 1942-1945 March 1942 Capitulation of the N.E.I. By order of the Governor General (Jhr.Tj. van Starkenborg Stachouwer) left Java, together with others (Under command of Lt. Governor General Dr. van Mook) to proceed to London to be at disposal of the Netherlands Government (in exile). May 1942-May 1943 Counsellor-adviser of Dutch Prime Minister (Dr Gerbrandy) and Ministry of General Warfare. Main objects Broadcastpolicy in war; adviser Indonesian affairs; re-organization of (Dutch) Intelligence Services; reconstruction-planning for the return of Dutch Government to Holland. May 1943-April 1944 As colonel attached to Netherlands Representative at Combined Chiefs of Staff C, Washington and liaison-officer at Office of Strategic Services (Major General Donovan) for planning and organization of Intelligence services to/from (occupied) N.E.I. April 1944-Febr. 1945 Attached to Staff of C.I.C.S.E.A.C. (Adm. Mountbatten) as Chief of N.E.I.-Civil Affairs Section. Main objects planning of Civil government for Sumatra, Banka, Billiton and Riouw Archipelago (political, finance, medical services, import of supplies, communications, roads- and bridge-repair, railways, harbours, shipping, police and administration); psychological warfare. Febr. 1945 Delegate for N.E.I. at U.N.R.R.A.-conference at Lapstone (Australia). March 1945 Appointed Director of the Department "Verkeer en Waterstaat" (traffic, communications, public utilities) of the N.E.I.-Government at Brisbane, under Lt. Governor General Dr van Mook. Temporary Director of Economic Affairs (4 months), Main objects Technical supplies; rehabilitation of communications tin-mining, rehabilitation of oil-production, civil airtransport, motor-transport, harbours; construction of tugs and barges; purchase of war-surplus-material at Hollandia, Finchaven, Biak, Morotai. 9. 2 Oct. 1945 Arrival at Batavia. Director of the Department "Verkeer en Waterstaat". (Railway services, Civil Aviation and air-transport, harbours, roads and bridges, irrigation, power-supply, P.T.T.-services, Postsavingsbank, general import of technical supplies, mining, tin-exploitation, geology, coal-exploitation, meteorological and geophysical service, road-traffic, dredging, general reconstruction of towns and houses, planological service). All services had to be re-organized, re-equiped, re-financed, re-constructed. 10. March 1948 With the foundation of the Prae-federal-Government under Dr. van Mook some new departments were established and therefore a reshuffle of responsibilities and activities of the Civil Departments, the head of which became Secretary of State, took place. March 1948 Appointed Secretary of State for "Verkeer, Energie en mijnwezen" (Traffic, Powersupply and Mining, i.e. combined railway-services, civil-aviation, harbours, power-supply, P.T.T.-services, Postsavingsbank, mining, tin-exploitation, geology, coal-exploitation, meteorological and geophysical service, motor-transport-service, roadtraffic, dredging, technical supplies). 27 December 1949 Transfer of Souvereignty of Indonesia from the Kingdom of the Netherlands to the Republic of the Federal States of Indonesia. Return to Holland. 11. From Oct. 1945-Dec. 1949 several functions were exercised: a.Chairman of Directorate Army, Navy, Civil Air-transport. (The Directorate consisted of Secretarfy of State for "Verkeer en Waterstaat" (Chairman), Commander in Chief Royal Netherlands Indies Army and Commander in Chief of Royal Navy. Its task was the coordination of available aircraft for transportation of men and supplies). b.Chairmand of Tin-Council for Indonesia. (The Tin-Council, members of which were the Secretary of State for Economic Affairs, for Finance, Director of Billiton-Cy, Head of Banka-Tin-exploitation, Head of Mining-division, had been established to deal with all questions regarding the reconstruction of tin-mines, the commercial policy and the preparation of future organization of tin-exploitation). c.Chairman of Board of Directors of the Foundation for exploitation and liquidation of Supply Bases. (The Board consisted of Secretary of State for "Verkeer en Waterstaat" (Chairman), Secretary of State for Economic Affairs, Secretary of State for Finance, Quarter Master-General, President of Java Bank and others. Its task was to organise the exploitation and maintenance of the supply-bases, purchased from American surplus-material in Hollandia, Biak, Morotai, Woendi, Australia; the distribution of the material; the financial arrangements and control and the final liquidation). d.Member of the Financial-Economic Council. (The Financial-Economic Council consisted of Secretary of State for Economic Affairs (Chairman), Finance, Justice, Social Affairs, Internal Affairs, "Verkeer en Waterstaat", Treasurer General. Its task was to advise the Government regarding all matters relating to financial-economy affairs (Banking, agriculture, rice-procurement, general economic and financial policy in budgetary affairs, foreign-currency-policy), foreign trade, rehabilitation of domestic industries, fishery, rubber, tea, coffee, etc.; foreign loans; Marshall-help. e.Member and vice-chairman of the Council for foreign-currency-control. (The Council for foreign-currency-control consisted of Secretary of State for Economic Affairs (Chairman), Finance, "Verkeer en Waterstaat" and President of Java's Bank. Its functions may be well-known (control of import and export and the allocation of foreign-currency for procurement of supply for the various activities, reconstruction, etc). f.Member of the Council for Sea-traffic and -transport. (The Council for Sea-traffic and -transport consisted of Secretary of State for Shipping (Chairman), Secretary of State for Economic Affairs, Secretary of State for "Verkeer en Waterstaat", Secretary of State for Finance, Commander in Chief Royal Navy. Its task was the coordination of all means and ships for internal sea-traffic and the reconstruction of inter-insular shipping lines). g.Member of the Council for Transmigration and Emigration. (The Council for Transmigration and Emigration consisted of Secretary of State for Social Affairs (Chairman), Economic Affairs, "Verkeer en Waterstaat", Internal Affairs, Justice, Shipping. Its task was to study all problems involved in transmigration and emigration of population from Java to other islands and to advise the Goverment). h.Member of the Council for Housing. (The Council for Housing consisted of Secretary of State for Social Affairs (Chairman), Commander in Chief Royal Netherlands Indies Army, Secretary of State for Economic Affairs, "Verkeer en Waterstaat", Reconstruction of Towns and Housing, Internal Affairs, Its task was to give directions tot the local housing-commissions for the allocation of houses, office-buildings, barracks, hotels, etc.). i.Member of the Council for Restitutions of Right. (The Council for Restitution of Right consisted of Secretary of State for Economic Affairs, Finance, "Verkeer en Waterstaat", Justice, President of Java's Bank President of High Court of Justice, Chairman of Council of Enterprisors, Treasurer General. The Counsil dealt with all juridical questions in connection with the restitution of Right and the restoration of legal relations after the war). j.Member of the Council for War-damage. (The Council for War-damage consisted of Secretary of State for Economic Affairs, Internal Affairs, "Verkeer en Waterstaat", Social Affairs, President Java's Bank. Its task was to investigate all claims for war-damage and to prepare a complete survey of the damage and to advise the Government regarding all matters of compensation of war-damage). k.Member of the Council for Reconstruction and Prosperity. (The Council for Reconstruction and Prosperity consisted of Secretary of State for Economic Affairs, Finance, "Verkeer en Waterstaat", Reconstruction, Internal Affairs, Social Affairs, Treasurer General. Its task was to advise the Government regarding all planning for Reconstruction and Prosperity, initiated by the different Departments, or by the Council itself). l.Member of the Budget-Commission. (The Budget-Commission, under Chairmanship of the Governer General and Membership of the Secretary of State for Finance, Economic Affairs, "Verkeer en Waterstaat" and Treasurer General, had to scrutinize the proposed budgets of all departments and to prepare the final budget-act.). m.Member of the advisory commission for monetary questions. (The advisory commission for monetary questions consisted of Secretary of State for Finance, Economic Affairs, "Verkeer en Waterstaat", President Java's Bank, Treasurer General, Director "Deviezen-Instituut", advised the Government about general monetary policy). n.Curator of the University of Indonesia and acting President-Curator. o.Chairman of the Curatorium of the Technical Faculty at Bandoeng. p.Member of the Coordination-Committee The Netherlands - N.E.I. (The Coordination-Committee consisted of the Dutch Ministers for Finance, Economic Affairs, Overseas Territories and the Neth. Indies Secretaries of State for Finance, Economic Affairs and "Verkeer en Waterstaat". The College had to deal with all matters regarding financial-economic relations between Holland and Netherlands Indies (monotary relations, loans, im- and export programs, transfer, industrial programs etc.). 12. Since May 1951 Director-General of the Royal Netherlands Meteorological Institute at De Bilt. Permanent Representative for the Netherlands with W.M.O. (World Meteorological Organisation). 13. October 1965: ultimo 1970. Adviseur Chef Staf civiele Verdediging. (Ministerie van Algemene Zaken.
De familienaam Vosmaer komt reeds in de vijftiende eeuw in het graafschap Holland voor. Simon van Leeuwen vermeldt in zijn Batavia Illustrata dat een zekere Jan Muysz. van de Velde, lid van een ridderlijk geslacht uit Maasland, zich ook Vosmaer noemde. Hij was in 1401 schepen in Delft. Ook in de regeringen van 's -Gravenhage en Leiden bekleedden leden van de familie Vosmaer in die zelfde tijd ambten. Of zij in een rechtstreekse familierelatie stonden met de personen, wier archiefstukken in deze inventaris zijn beschreven, valt door gebrek aan bronnen uit deze periode niet te bewijzen. Sinds het midden van de zestiende eeuw leefden in Delft verschillende personen met de achternaam Vosmaer of Vosmeer van wie wij evenmin kunnen vaststellen of zij onderling verwant waren: de magistraat Michiel Corneliszoon Vosmeer, wiens zoons Tielman, Michiel en Sasbout bekendheid genoten als geleerden; een familie Vosmaer die goud- en zilversmeden voortbracht, en sinds het midden van de zeventiende eeuw de kunstschilders Christiaan, Daniël, Jacob en Nicolaas Vosmaer. De patroniemen doen vermoeden dat de schilders en de goud- en zilversmeden tot één familie behoorden. Van hen is de goudsmid Wouter Arentsz. Vosmaer te beschouwen als de stamvader van de leden van de familie Vosmaer, die onderwerp van deze inventaris zijn. Zijn nakomelingen behoorden tot het midden van de achttiende eeuw tot de gegoede middenstand. Jacob Vosmaer (1717-1781) was de eerste van de familie die openbare functies bekleedde. Door zijn vrouw, Louisa Maria Mosburger, wier familie een goede relatie onderhield met stadhouder Willem IV, kwam ook hij in contact met de stadhouderlijke familie. Deze goede verstandhouding werd na hem door verschillende familieleden onderhouden. Zo werd zijn broer Arnout (1720-1799) - vermaard verzamelaar van munten, penningen, prenten en voorwerpen van natuurlijke historie - in 1752 aangesteld als directeur van de stadhouderlijke Kabinetten van Natuurlijke Historie en in 1770 bovendien belast met het beheer van de stadhouderlijke menagerie op het Kleine Loo te Voorburg. Ook deze Willem Carel (1749-1818)[zoon van Jacob Vosmaer, broer van Wouter Arentsz.] was vurig aanhanger van de Oranjepartij. Als advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij het Hof van Holland kreeg hij te maken met aantijgingen tegen onder meer prinses Wilhelmina. Zijn orangistische houding in dezen werd hem noodlottig: hij werd in 1795 uit zijn ambten gezet. Dit zelfde lot trof ook de vader van zijn tweede vrouw, Isaac Scheltus; deze werd in dat jaar ontslagen als 's lands drukker. Isaac was het zevende lid van een geslacht, waarvan de leden van 1669 tot 1795 onafgebroken deze functie hadden vervuld. Dit hield in dat de particuliere drukkerij Scheltus de Staten van Holland ten dienste stond voor verzorging van publikaties. Aanvankelijk dreef Willem Carel de drukkerij "Vosmaer en Zoonen" met de twee zeer jeugdige jongste zoons uit zijn eerste huwelijk, Gualterus en Willem Carel jr. Toen hij tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon weer openbare functies mocht uitoefenen, droeg hij in 1809 de drukkerij over aan Gualterus, die haar zelfstandig voortzette. In de lijn van de familietraditie volbracht Gualterus in 1813 de riskante onderneming de befaamde proclamatie van Gijsbert Karel van Hogendorp te drukken. Was het deze uiting van trouw aan het huis van Oranje, die in 1814 werd beloond met zijn benoeming tot directeur van de in dat jaar opgerichte Algemeene Landsdrukkerij, of zou het feit dat hij de erfgenaam van de laatste landsdrukker was (het enigszins verwarde interregnum van de Franse tijd niet meegerekend) een rol hebben gespeeld bij zijn benoeming? Vaststaat dat Gualterus een solide man was, die een groot vertrouwen genoot, zowel in zijn ambtelijke betrekking als bij zijn familie. Dit laatste is, zoals wij zullen zien, van groot belang geweest voor de vorming van het familiearchief. Gualterus was in 1813 getrouwd met een dochter uit een vooraanstaand en gefortuneerd Zeeuws geslacht, Wilhelmina Dana Radermacher. Zij had, toen zij trouwde, vijf zusters en twee broers; niets deed toen vermoeden dat het geslacht spoedig in mannelijke lijn zou uitsterven. Ook voor zijn beide broers en zijn halfbroers en -zusters vervulde Gualterus [een] vertrouwensfunctie. Het voert in dit bestek te ver hen één voor één de revue te laten passeren. Enkelen genoten in hun eigen tijd een zekere faam; de neerslag van hun handelen rechtvaardigt daarom een nadere bespreking. Gualterus' al eerder genoemde oudste broer Jacob (1783-1824) ging na het verlaten van de Latijnse school medicijnen studeren. Hij was enige tijd als geneesheer werkzaam in Zutphen en Haarlem. In 1815 werd hij hoogleraar in de kruid-, schei- en artsenijkunde aan de Hogeschool te Harderwijk, in 1818 buitengewoon hoogleraar in dezelfde vakken aan de universiteit te Utrecht en in 1820 hoogleraar in de scheikunde, leer der geneesmiddelen en artsenijmengkunde aan de pas opgerichte Veeartsenijschool aldaar. Naast publikaties op zijn vakterrein heeft hij zich door zijn letterkundige geschriften een plaats verworven in de Nederlandse literatuur; zijn "mr. Maarten Vroeg" beleefde nog in 1978 een herdruk. Twee van Gualterus' halfbroers, Jan Henrik Gabriel en Jaques Nicolas trokken op betrekkelijk jonge leeftijd naar Nederlands-Indië en vervulden functies in het binnenlands bestuur. De eerste trouwde daar en werd de stichter van de Indische tak van de familie. De avontuurlijk ingestelde Jaques - zijn brieven aan de familie in Nederland getuigen daar van - nam spoedig na zijn aankomst in Indië deel aan acties van het gouvernement tegen inlandse vorsten; zijn verdienste ligt vooral in de door hem ondernomen ontdekkingstochten van de wateren om Celebes. Deze ontdekkingen, waarvan hij schriftelijk verslag deed, droegen mede bij tot de ontplooiing van de handel in dit gebied. Behalve in het familiearchief berust ook in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een dergelijk verslag. Carel Vosmaer (1826-1888), zoon van Willem Carel Vosmaer en Wilhelmina Dana Radermacher Over Carels leven en werk zij - daar het in dit bestek onmogelijk is daarvan een volledig overzicht te geven het volgende kortheidshalve vermeld: na zijn school tijd in Den Haag, waar hij een klassieke opvoeding genoot aan het Stedelijk Gymnasium, studeerde hij rechten in Leiden. De in hem aanwezige literaire en artistieke talenten kwamen in zijn studententijd al tot uiting. Aanvankelijk koos hij zich, na de afronding van zijn studie, een loopbaan in de rechterlijke macht: hij werd in 1853 griffier bij het kantongerecht in Oud-Beijerland. In datzelfde jaar trad hij in het huwelijk met Abrahamina Cornelia Charlotte Georgette Clant; uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie er één op jonge leeftijd overleed. De periode in Oud-Beijerland, waar het ambtelijk leven hem niet al te zeer in beslag nam, gebruikte hij ter verdere ontwikkeling en ontplooiing en ter voorbereiding van enkele essays die in de jaren daarna verschenen. Hij keerde in 1856 terug in Den Haag, waar hij benoemd was tot substituut-griffier bij het Gerechtshof van Zuid-Holland. Het culturele leven in Den Haag werd grotendeels bepaald door het letterkundig genootschap "Oefening kweekt kennis" en het schilderkundig genootschap "Pulchri Studio"; hun leden hadden een grote onderlinge band. Enkele van hen waren redacteur van de in Den Haag geredigeerde tijdschriften. Ook Carel Vosmaer was van beide genootschappen lid en leverde spoedig letterkundige en essayistische bijdragen aan die tijdschriften, zoals de Algemeene Konst- en Letterbode en het door hem met anderen in 1858 opgerichte De Tijdstroom. De redacties van deze tijdschriften verenigden zich in 1860 met de toen vier jaar oude De Nederlandsche Spectator. Ook van de redactie van dit progressief-liberale weekblad maakte Carel Vosmaer deel uit. In de eerste jaren van het bestaan ervan drukte vooral Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink zijn stempel op de Spectator. Na diens overlijden in 1865 werd Carel Vosmaer de toonaangevende figuur. De redactie gaf haar opinie over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals letterkundige, maatschappelijke, politieke, godsdienstige zaken, over kunsten en wetenschappen. Dat deed ze vooral in de rubrieken "Vlugmaren", "Pluksel" en de wekelijkse prent. Aanvankelijk werden de Vlugmaren door Gerard Keiler onder het pseudoniem "Flanor" geschreven. Na diens vertrek in 1864 nam Carel Vosmaer deze taak over en werd de nieuwe Flanor. Hij bleef redacteur tot zijn overlijden in 1888. Daarnaast redigeerde hij "De Schilderschool" (vanaf 1868) en de "Kunstkronijk" (1875-1876) en schreef hij talloze bijdragen voor andere periodieken, merendeels op het gebied van kunst, kunstgeschiedenis, archeologie en letterkunde. Kenmerkend voor Vosmaers liberale houding is dat hij anderen de ruimte gaf. Zo brak hij een lans voor Multatuli - met wie hij zeer bevriend was - in zijn artikelen in Het Vaderland, getiteld 'Een en ander' (later gebundeld onder de titel Een zaaier). Hij was een vaderlijke vriend voor de jonge generaties, inclusief de tachtigers, die hij desgevraagd van advies diende en aan wie hij bovendien de gelegenheid gaf in De Spectator te publiceren. Aanvankelijk combineerde hij het schrijven met het vervullen van zijn ambt; in 1866 had hij het griffierschap van het Gerechtshof verruild voor dat van de Hoge Raad. In 1873 nam hij evenwel ontslag om zich geheel in te kunnen zetten voor zijn publicistisch werk. Hij zette zich aan het vertalen in metrische verzen van Homerus; de Ilias verscheen in 1878, de Odyssee postuum in 1888. Hij maakte reizen naar Londen en Italië; de daarin opgedane indrukken - vastgelegd in reisdagboeken en schetsboeken - vormden stof voor zijn letterkundig werk als Londinias, Amazone, Nanno en Inwijding. Hij overleed vrij plotseling in Territet bij Montreux in 1888. Uit zijn papieren nalatenschap blijkt hoe groot zijn aanzien was in het culturele en wetenschappelijke leven van zijn tijd, waarin hij een sleutelpositie bekleedde. Hij onderhield een briefwisseling met vele vooraanstaande kunstenaars, met personen die zich bewogen op het gebied van kunst en kunstgeschiedenis, met letterkundigen, classici en verzamelaars. Carels weduwe bleef nog een aantal jaren wonen in het huis in de De Ruyterstraat in Den Haag, waar het gezin zich in 1866 had gevestigd. [Oudste zoon] Gualtherus woonde en werkte in die tijd als zoöloog aan de Nederlandse werktafel van het Zoölogisch Station in Napels. Deze had in Den Haag op de Hoogere Burgerschool zijn opleiding gekregen en had daarna in Leiden en Graz plant- en dierkunde gestudeerd. Toen hij met zijn studie begon, maakte vooral de dierkunde een grote ontwikkeling door. Tot het midden van de 19e eeuw hielden voornamelijk medici zich met de zoölogie bezig (Gualtherus zou zich later als hoogleraar beijveren voor het bestuderen van zijn vak door medici, zie inv. nr. 693). De evolutietheorie van Charles Darwin luidde een nieuwe tijd in. De wetenschap werd een specialisme; zij richtte zich op afstammingsonderzoek waarin vooral de morfologie belangrijk was. Bovendien stond de biologie van de zee volop in de belangstelling; onderzoek werd mogelijk gemaakt door uitrusting van expedities op zee en in zoölogische stations, die aan de kustplaatsen werden gevestigd. Het aantal diersoorten dat door deze onderzoeksmogelijkheden bekend werd, steeg enorm. Als typische exponent van zijn tijd bekwaamde Gualtherus zich tijdens zijn studie in kennis van sponzen. Na zijn studietijd in Leiden studeerde hij bij de spongioloog Franz Eilhard Schulze in Graz en rondde hij zijn studie af met het verdedigen van een Leidse dissertatie over sponzen. In 1880 werd hij door de Nederlandse regering uitgezonden naar Napels, waar hij, met een korte onderbreking in 1881, tot 1889 in het Zoölogisch Station van Anton Dohrn werkzaam was als onderzoeker van sponzen in de Baai van Napels. Dit onderwerp heeft hem zijn gehele leven bezig gehouden. Daarnaast bedreef hij - zijn opvoeding verloochende zich niet! - de geschiedenis van zijn vak. Hoewel hij niet op het gymnasium was geweest, evenaarde hij zijn vader later in kennis van de klassieke oudheid; hij beheerste Latijn en Grieks. Evenals zijn vader was hij zeer bedreven in het hanteren van potlood en tekenpen, hetgeen hem in de uitoefening van zijn vak van groot nut was. Zijn vader stimuleerde hem tot publiceren, waartoe hij hem ruimte in De Nederlandsche Spectator beschikbaar stelde. Daarnaast namen vele binnen- en buitenlandse tijdschriften artikelen van zijn hand op, veelal door hem zelf geillustreerd. Al in 1880 kondigde hij aan dat hij een spongiologische bibliografie had samengesteld, waarvan het oudste werk uit 1551 dateerde. Spoedig na het overlijden van zijn vader keerde hij naar Nederland terug en werd privaat-docent aan de universiteit van Utrecht. In 1904 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Leiden als opvolger van zijn leermeester C.K. Hoffmann. Eén van zijn studenten, Catalina Suzanna Röell, werd in 1906 zijn vrouw. Zij bewoonden het pand Rapenburg 83 in Leiden.
Algemeen Voor de inleiding is gebruik gemaakt van de inv.nrs. 357 en 488: Het dagboek van dr. G.H.C. Hart, Londen mei 1940-mei 1941, uitgegeven door A.E. Kersten, Den Haag 1976 en van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog door dr. L. de Jong, deel 9 en 11. Op 10 mei 1940 vertrok de minister van Koloniën, Ch.J.I.M. Welter, samen met zijn ambtsgenoot van Buitenlandse Zaken naar Engeland om met de Britse en Franse regering besprekingen te houden over de situatie die ontstaan was na de Duitse inval. Na het vertrek op 13-14 mei van de Nederlandse regering naar Engeland trof Welter de nodige maatregelen om het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen vanuit Londen mogelijk te maken. De chefs van de ministeriële afdelingen I (Juridische Zaken, W.G. Peekema), II (Financiën en begroting, J. Hardeman), IV (West-Indische Zaken, A. Muhlenfeld) en VIII (Economische Zaken, G.H.C. Hart) werden met spoed naar Londen gedirigeerd. Bij deze groep voegde zich een aantal KNIL-officieren onder leiding van kolonel Verniers van der Loeff. Deze officier en lnt.kol. De Blieck zouden aan het hoofd gesteld worden van de koloniale militaire afdeling in Londen. De overige KNIL-officieren werden naar New York gezonden, waar zij deel gingen uitmaken van de Aankoop Commissie voor het KNIL. Voorts werden nog enige hoge ambtenaren in Londen bij het ministerie gedetacheerd, die zich min of meer toevallig in het buitenland bevonden tijdens de Duitse inval: J.H. Delgorge en P.H. Westermann (Delgorge bevond zich als Nederlands adviseur bij de conferentie voor internationale opiumzaken in Genève; Westermann als secretaris van de Internationale Rubbercommissie te Londen.). Deze personen zouden gedurende de oorlog de kern van het departement in Londen vormen. Het overige ministerie-personeel werd gerecruteerd uit in Londen aanwezige Nederlanders, Engelandvaarders, gestrande Indische verlofgangers en incidenteel uit gespecialiseerd personeel overgezonden uit Nederlands-Indië. Aldus werd naar analogie van het Haagse model een organisatie geschapen, die in staat was de administratieve taken voortvloeiend uit het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen onder verantwoordelijkheid van de minister van Koloniën te vervullen. Feitelijk kwamen hier nog enige taken bij, omdat ook een deel van de taken van het Commissariaat voor Indische Zaken (personele en materiële zaken voor de koloniën) in Londen vervuld diende te worden, alsmede de afzet van de koloniale produkten, hetgeen voordien aan het particulier initiatief werd overgelaten. Welter was na onenigheid met Gerbrandy in november 1941 teruggetreden als minister van Koloniën en Gerbrandy had diens functie op zich genomen. Op 21 mei 1942 nam Van Mook zijn taak als minister over en zou Gerbrandy naast minister-president tevens optreden als minister van het per genoemde datum opgerichte Ministerie van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk. Een belangrijk keerpunt in de organisatie en functievervulling van het ministerie vond plaats na de bezetting van Nederlands-Indië in maart 1942. Bij KB van 9 mei 1942 Stb. C39 werd het algemeen bestuur over Nederlands-Indië, voorheen een taak van de gouverneur-generaal, overgedragen aan de minister van Koloniën. De operationele zeggenschap over de strijdkrachten in het Oosten kwam echter onder de minister van Marine, admiraal Furstner, met C.E.L. Helfrich als bevelhebber in Australië(Overleg over militaire zaken tussen Furstner en Van Mook vond plaats binnen de Ministeriële Commissie Oorlogvoering.). Het beheer van de Indische koopvaardijvloot kwam in handen van de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Hiermee werd een scheiding aangebracht tussen de koloniale civiele en de militaire sector. Een groep Indische hoofdambtenaren onder leiding van H.J. van Mook had vlak voor de capitulatie Nederlands-Indië verlaten en hieruit was de Nederlands-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland onder leiding van Van der Plas gevormd. Een aantal ambtenaren ging met Van Mook mee naar Londen, waar zij in de koloniale adviescolleges werden opgenomen. Van Mook ging op basis van de taakuitbreiding en wegens de inpassing van zijn Indische adviseurs in augustus 1942 over tot herverdeling van werkzaamheden en reorganisatie van het ministerie. Hij werd bij de uitoefening van het algemeen bestuur over Nederlands-Indië terzijde gestaan door de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken, een adviesorgaan zoals voorheen de Raad van Nederlands-Indië. Ter behartiging van de Indische belangen in Amerika werd kort daarop de Commissie voor Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao opgericht, die deel uit maakte van de Missie voor Economische, Financiële en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk in Amerika. Omdat vrij veel adviserende leden in de jaren 1942-1944 verspreid raakten over Amerika en Australië bepaalde Van Mook, dat deze leden zowel deel zouden uitmaken van de Raad van Bijstand in Londen als van de Commissie in Amerika. De eind 1943 afgekondigde wetsbesluiten D65 en D66, die een voorlopige regeling troffen voor de terugkeer van de Nederlands-Indische regering, hadden voor de organisatie van het ministerie tot gevolg, dat er een Politieke Inlichtingendienst, annex wervingsbureau voor de Indische dienst werd opgericht. Stb. D65 is op 14 september 1944 van kracht geworden, de datum waarop Van Mook tijdelijk werd belast met de functie van luitenant-gouverneur-generaal. Alle bevoegdheden met betrekking tot het algemeen bestuur gingen over van de minister van Koloniën naar de luitenant-gouverneur-generaal. Dit werd definitief na Van Mooks aftreden als minister van Koloniën op 23 februari 1945. In september 1944 werd getracht contact op te nemen met het Ministerie van Koloniën in Nederland, dat naar Zutphen was geëvacueerd. Wervingen voor de koloniale dienst verliepen vanaf 1944 via Sectie XV van het Militair Gezag, dat in Eindhoven gevestigd was. In het licht van de nieuwe staatkundige verhoudingen, zoals in het vooruitzicht gesteld door de rede van koningin Wilhelmina van 7 december 1942, werd bij KB van 12 april 1945 nr 16 de naam van het ministerie met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945 gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen werd bij beschikking van 21 juli 1945 nr. 1/Kabinet met ingang van 1 augustus 1945 opgeheven. In juli-augustus 1945 werd de verhuizing van het ministerie van Londen naar Den Haag voltooid en samengevoegd met in Den Haag, Zutphen en Eindhoven functionerende organen. Voor de afwikkeling van de vnl. militaire koloniale belangen in Engeland werd met ingang van 1 augustus 1945 het Londen Bureau van het Departement van Overzeese Gebiedsdelen (LBOG) opgericht. Medio 1946 kwam aan de taak van dit bureau een einde. Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië onder het bevel van P.H. Westermann bleef tot 1948, geïncorporeerd in de Nederlandse ambassade, in Londen gevestigd. Organisatie-overzicht Ministers van Koloniën Ch.J.I.M. Welter 10-08-1939 t/m 20-11-1941 prof.mr. P.S. Gerbrandy, ad interim 20-11-1941 t/m 25-02-1942 prof.mr. P.S. Gerbrandy 25-02-1942 t/m 21-05-1942 dr. H.J. van Mook 21-05-1942 t/m 23-02-1945 prof.ir. J.I.J.M. Schmutzer 23-02-1945 t/m 24-06-1945 Organisatie per 28 mei 1940 Zie beschikking van 1 juni 1940, nr. 30/B; mededeling aan de gouverneur-generaal en de gouverneurs van Suriname en Curaçao. secretaris-generaal: J. Hardeman Afd. A: Staatsrechtelijke en juridische zaken, internationale zaken (uitgezonderd monetaire en economische aangelegenheden): mr. W.G. Peekema Afd. B: Financiële en monetaire zaken: J. Hardeman Afd. C: Economische zaken in ruime zin, handel en scheepvaart, gouvernementsbedrijven handelspolitiek (ook politieke zaken Oost-Azië en Amerika): mr. G.H.C. Hart Afd. D: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld Afd. E: Personele zaken: J.H. Delgorge Afd. F: Agenda, archief en expeditie: J.H. Delgorge Afd. G: Militaire zaken en aanschaffingen (ook voor de burgerlijke departementen): kol.ir. H.J.W. Verniers van der Loeff Organisatie per 24 augustus 1942 Organisatie volgens beschikking 24 augustus 1952, nr. 649/IX.2. secretaris-generaal: J. Hardeman secretaris van de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken: mr. N.S. Blom Afd. I: Algemene en Juridische Zaken: mr. W.G. Peekema Afd. II: Kabinet en personele zaken, archief, expeditie: J.H. Delgorge Afd. III: Financiën, waaronder munt- en bankzaken: J. Hardeman Afd. IV: Comptabiliteit: H.J.M. Merhottein Afd. V: Economische en scheepvaartzaken: P.H. Westermann Afd. VI: Deviezen, burgerlijke luchtvaart: mr. D. Crena de Iongh Afd. VII: Rechtsverkeer (besluiten A1, A6 en C18, zetelverplaatsingen): prof.mr. J. Eggens Afd. VIII: Militaire zaken en aanschaffingen: generaal-majoor ir. H.J.W. Verniers van der Loeff Afd. IX: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld Afd. X: Informatie en publiciteit: mr. W.G. Peekem Organisatie per 14 juli 1943 Organisatie volgens beschikking van 14 juli 1943, nr. 101/B.16 geheim. Oprichting van het Bureau Inlichtingen voor Nederlands-Indië. Hoofd: ir. P.A. de Blieck; rechtstreeks onder de minister van Koloniën, uitoefenende het algemeen bestuur over Nederlands-Indië. verkrijgen van inlichtingen uit en over Nederlands-Indië; geheime berichtgeving en propaganda naar Nederlands-Indië; ondergrondse actie in Nederlands-Indië; aanwerving van personeel voor deze doeleinden en hun vervoer naar het verre oosten; afschaffing van materieel voor deze doeleinden en de verzending daarvan naar het verre oosten; onderhouden van contact met de overeenkomstige diensten van de Departementen van Oorlog en Marine; onderhouden van contact met de overeenkomstige Britse en Amerikaanse diensten; correspondentie met de met de onder a. t/m e. omschreven taak belaste Nederlandse of Nederlands-Indische organen buiten Engeland. Het Bureau Inlichtingen gaat per 21 december 1943 op in de Afdeling VIII-A. Organisatie per 21 december 1943 Organisatie volgens beschikking 21 december 1943, nr. 1068/IX.2A. Afd. V-A: Scheepvaartzaken en sociale zorg Indonesische zeelieden: L. Speelman Afd. VIII-A: Politieke Inlichtingen Dienst en Werving personeel voor de Indische Dienst: kol.ir P.A. de Blieck Organisatie per 23 februari 1945 Organisatie volgens KB van 12 april 1945, nr. 16 met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945. Naam van het ministerie gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Organisatie per 28 februari 1945 Organisatie volgens beschikking 28 februari 1945, nr. 306/IX.23. Afd. VIII-A: opgeheven m.i.v. 1 maart Afd. VIII: bureauindeling: Bureau Inlichtingen, alsmede olie-inlichtingen, aanschaffing (voor zover ver niet onder afd. V), bijzondere opdrachten. kol.ir. P.A. de Blieck. Bureau Algemene en Personele Zaken. lnt.kol. J. Klein Bureau Defensie en Organisatie. lnt.kol. A.L.A. Coppens. Bureau Militaire Administratie en Intendance. Lnt.kol. J.F. Snijdewint. Organisatie per 1 augustus 1945 Opheffing Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen m.i.v. 1 augustus 1945. Oprichting van het Londen Bureau van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Hoofd: kol. ir. P.A. de Blieck; onderhoofd: lnt.kol. P.G.H. van der Harst zorg voor de huisvesting, verpleging en verscheping naar hun bestemming van militaire en civiele landsdienaren van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao; behandeling van zaken betreffende Indische militaire organisaties in Engeland; contact met Nederlandse, Britse en geallieerde officiële en andere instanties aangaande militaire zaken en de Olie-Inlichtingendienst. afwikkeling van lopende aanschaffingen verricht door de voormalige afdeling VIII van het departement; alle verdere zaken, het Departement van Overzeese Gebiedsdelen betreffende, welke in Groot-Brittannië en Noord-Ierland dienen te worden behandeld, met uitzondering van economische en financiële zaken. Voor alle militaire zaken stond het Hoofd LBOG rechtstreeks onder de bevelen van het hoofd van de Afdeling Militaire Zaken van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag. Onder de bevelen van het hoofd LBOG stond de commandant van het Departement Europa van het KNIL en het overige niet tot dit detachement behorende personeel van het KNIL in Groot-Brittannië. Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië (hoofd P.H. Westermann) was tot juli 1945 samengevoegd met de Vijfde Afdeling van het ministerie. Bij beschikking van 21 juli 1945 nr.1/Kabinet werd het handelscommissariaat formeel ondergebracht bij de Nederlandse ambassade in Londen. De taken werden in het genoemde besluit als volgt omschreven: behartiging van de economische belangen van Nederlands-Indië in het Verenigd Koninkrijk; bemoeienis met het beheer van het Nederlands-Indisch deviezenvermogen in Groot-Brittannië; afwikkeling van gestrande ladingen; aanschaffing van goederen voor relief en rehabilitatie voor Nederlands-Indië. De handelscommissaris stond onder de bevelen van de Directeur van Economische Zaken in Batavia.
Daniel Adriaan Meerman van der Goes werd de 5de februari 1748 te Leiden geboren uit een Delfts regentengeslacht, waarvan leden reeds sinds het midden van de 15de eeuw functies uitoefenden. Hij was een zoon van mr. Adriaan van der Goes (1719-1759) en van Magdalena Hester van Eys (1717-1759), dochter van Daniel van Eys en Sara Dozy. Zijn vader was aanvankelijk lid van de Veertigraad (1747) en Schepen (1754) te Leiden en na het overlijden van diens vader, mr. Willem Adriaan van der Goes (1696-1751), ontvanger van Gemene Landsmiddelen over Leiden en Rijnland. Vermoedelijk werd Daniel genoemd naar zijn grootvader van moederszijde: Daniel van Eys, Adriaan naar zijn vader en Meerman naar de familienaam van zijn grootmoeder van vaderskant, Maria Allegonda Meerman (1689-1744), echtgenote van mr. Willem Adriaan van der Goes. Behalve de familienaam Van der Goes werd de naam Meerman door hem en zijn nakomelingen als familienaam gebruikt. Dit blijkt ook uit het wapen dat de tak Meerman van der Goes voerde: Gevierendeeld: I en IV: in zwart 3 zilveren bokkenkoppen met gouden hoorns, zijnde van der Goes; II en III: in zwart een zilveren meerman met de staart, waarin een slag, horizontaal naar links gericht, met zilveren stormhoed op het hoofd en in de opgerichte rechterhand een naar links gerichte zilveren gebogen Turkse sabel met gouden gevest en aan de linkerarm een ovaal zilveren schild met smalle gouden rand waarop een gouden kruis stond, zijnde Meerman. Helmteken en schildhouders waren als bij het wapen Van der Goes, d.i. helmteken: 3 zilveren bokkenkoppen tussen 2 zilveren fazantenveren, en schildhouders: 2 omkijkende bokken met gouden hoorns. Blijkens het "Album Studiosorum Academiae Lugduno Bataviae" (blz. 1066) werd Daniel Adrianus Meerman van der Goes, "Leidensis" en 12 jaar oud., de 17e maart 1760 als "honoris ergo" en de 3e juli 1765 (blz. 1085) als "juris studiosus" ingeschreven. Hij promoveerde te Leiden 18 september 1769 op het proefschrift "De Pactis Successoriis". Zijn dienst in de Oost-Indische Compagnie begon in 1776. Bij resolutie van de Heren Zeventien genomen binnen Middelburg in Zeeland op vrijdag 29 maart 1776, werd mr. Daniel Adriaan Meerman van der Goes benoemd tot adjunct-advocaat van de Compagnie op een jaarlijks tractement van fl. 1000,- ingaande de 1e april 1776, mits hij participeerde met fl. 3000,- kapitaal. Tegelijk met de benoeming van mr. F. W. Boers, tweede advocaat van de Compagnie tot eerste advocaat, volgde bij de resolutie van Heren XVII d.d. 7 april 1777 de benoeming van mr. D.A. Meerman van der Goes tot tweed advocaat op een tractement van fl. 2000,-, dat een jaar daarna bij resolutie van Heren XVII d.d. 9 oktober 1778 tot fl. 3000,- werd verhoogd. Na de benoeming tot tweede advocaat werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Heren XVII d.d. 1 oktober 1777 tot de secrete zaken gecommitteerd. Tijdens zijn ambtstermijn bij de Compagnie werd hem op verzoek van de kamer Amsterdam en bij resolutie van Heren XVII d.d. 21 oktober 1779 opgedragen de post van chartermeester bij genoemde kamer te nemen, tegen een jaarlijkse douceur van fl. 800,-. Het ambt van advocaat bij de Compagnie (ook wel "Minister" genoemd) werd in 1614 ingesteld. Oorspronkelijk had de Compagnie slechts één advocaat, doch de toenemende omvang van de werkzaamheden dwong spoedig tot de aanstelling van een tweede advocaat en later ook van een adjuct-advocaat. De eerste advocaat genoot een jaarlijks tractement van fl. 3100,-, een huishuur van fl. 1000,- en fl. 250,- voor briefporti, de tweede advocaat fl. 2000,- en de adjunct-advocaat fl. 1000,-. Om hun inkomsten te vermeerderen genoten ze verder nog velerlei voordelen, zoals bv. 1000 zilveren dukatons als verering, etc. De aanstelling van de advocaten van de Compagnie geschiedde op de voorwaarden genoemd bij de "Instructie voor de Advocaten van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost Indische Compagnie". Uit de Instructie van 1755 blijkt dat de functie van de advocaat voor het grootste deel bestond uit het secretariaat van de vergaderingen van Heren XVII en die van de kamer Amsterdam en zeker niet de thans gangbare betekenis van het woord advocaat dekt. Tot de werkzaamheden van de advocaat behoorden het bijwonen van de vergaderingen van de Heren XVII, de Haagse Besognes en Commissies, het aan de orde stellen van zaken in de vergadering, het lezen van missiven, requesten, remonstrantiën etc., het optekenen van de resoluties en het registreren in "Secreete boeken of notulen", die evenals andere geheime stukken en papieren door de advocaat werden bewaard. Hij moest de generale missiven van de Gouverneur-Generaal en Raden van Indië extraheren, doorlezen en zich een mening vormen over alle verbalen, dagregisters, resolutieboeken en brieven van de opperhoofden van de verschillende comptoiren. Aan de hand hiervan werden door hem voorts alle minuten voor de antwoorden van Heren XVII opgesteld. Hij nummerde alle ingekomen- en uitgaande stukken en schreef ze in registers en copieboeken. In de meeste en belangrijkste commissies had de advocaat zitting en een raadgevende stem. Vaak werden hem vertrouwelijke zendingen opgedragen, of vergezelde hij de gecommitteerde(n) naar de Staten Generaal of naar Engeland. Kwam de beurt van het voorzitterschap van Heren XVII aan de kamer Zeeland,dan werd hem door de Generale Compagnie verzocht bij de terugkeer van retourschepen aldaar aanwezig te zijn en de zaken van de Generale oostindische Compagnie waar te nemen. De plaats van de uitoefening van zijn functie was de kamer Amsterdam en hij was bovendien verplicht zijn diensten te verlenen aan deze kamer en aan de respectieven departementen van de kamer. Het voorbereiden van de particuliere vergaderingen van in-en in de kamer Amsterdam en de daarbij behorende werkzaamheden behoorde tot zijn taak. Want feitelijk was de advocaat van de Compagnie ook tevens de advocaat van de kamer Amsterdam. Volgens één van de voorwaarden voor zijn aanstelling moest hij minstens fl. 3000,- in de V.O.C. participeren, wat meestal neerkwam op deelname voor dit bedrag in de kamer Amsterdam. Bij aanvaarding van hun ambt moesten de advocaten de eed afleggen, dat zij gedurende hun diensttijd geen andere functies dan bij de Compagnie zouden vervullen. Voorts werd hun verboden giften, gaven of geschenken van Compagniesdienaren of van personen die bij de vergadering van Heren XVII of bij de respectieve kamers belang hadden, aan te nemen. Aangezien de werkkring waarin de advocaten zich bewogen zeer belangrijk was, konden zij, en dan vooral de eerste advocaat, veel invloed uitoefenen. De eerste en tweede advocaat van de Compagnie hadden de beschikking over enige klerken. Zo was Pieter van Duin als klerk aan de tweede advocaat, mr. D.A. Meerman van der Goes, toegevoegd; toen Pieter van Duin in 1780 tezamen met mr. Pieter Jacobus Guepin tot klerk van de eerste advocaat werd aangesteld, volgde Roelof Jacobus Dozy hem op als klerk van de tweede advocaat. De slechte toestand van de Oostindische Compagnie was in 1780 in een kritiek stadium gekomen. Op het einde van dat jaar verklaarde Engeland de oorlog aan de Republiek. Deze oorlog had voor de Oostindische Compagnie loodnottige gevolgen. In Azië gingen tal van forten en factorijen met de daar aanwezige voorraden en goederen verloren. Vele schepen, vaak met rijke ladingen, vielen in handen van de Engelsen. Anderen moesten naar neutralere havens uitwijken en/of een anderen route nemen dan gebruikelijk was. Zij bereikten daardoor pas na een jaar de Nederlandse havens. Uit vrees dat de Engelsen de schepen zouden veroveren, had gedurende de jaren 1781, 1782 en 1783 geen vervoer naar Nederland plaats. De goederen lagen daardoor te Batavia opgehoopt en in Amsterdam kwam een tekort aan contanten. Bij het uitbreken van de oorlog en vooral toen het gerucht in omloop kwam, dat er geen gelden voor aflossing van de anticipatiepenningen in voorraad waren, werd de druk op het opvragen van de anticipatiepenningen met de dag groter, vooral in Amsterdam, waar zich meer dan 2/3 van de anticipatiepenningen bevond. Gedwongen door de steigende nood, wendden de Bewindhebbers zich reeds in het begin van het jaar 1781 tot de Staten van Holland teneinde surseance van betaling te verkrijgen. Bij de Staten-Generaal werd aangedrongen tot versterking van convooi voor de Indië bestemde schepen. Dit liep tenslotte uit op een subsidie van de Generaliteit, ofschoon later bleek, dat alleen Holland zijn quota betaalde. Dit was het begin van een reeks subsidies en gegarandeerde negociaties door Holland verleend, doch ook het begin van een sterke controle op de Oostindische Compagnie, die langzamerhand tot een directe inmenging uitgroeide. Doordat de bewindhebbers hun toevlucht hadden genomen tot de Staten was het onmogelijk om de invloed van de Staat te weren. Bij de pogingen tot verbetering en hervorming van de Oostindische Compagnie konden de bewindhebbers zich niet onttrekken aan de politieke strijd die na de oorlog met Engeland steeds heviger werd. Het Vijfde Departement (Bij de reeds bestaande vier departementen, d.i. van de ontvangst, de equipagie of scheepsuitrusting, de rekenkamer en de handel, werd in 1786 op voorstel van de Staten van Holland (en niettegenstaande de protesten van de kamer Zeeland een nieuwe commissie toegevoegd, belast met het verzorgen van de correspondentie van -en naar Indië. Deze commissie, het z.g. "Preparatoir Besogne" of het Vijfde Departement werd later het Departement tot de Indische Zaken genoemd.) dat door de bemoeiingen van de Staten van Holland werd opgericht, bleef een doorn in het oog van de bewindhebbers. Mr. D.A. Meerman van der Goes heeft tot 1785 bij de Compagnie gediend. Bij resolutie van de Heren XVII d.d. 7 december 1781 werd hem dispensatie van de eed op het 11e artikel van de Instructie verleend, zodat hij na oktober 1781 tot en met november 1784, behalve advocaat van de Compagnietevens pensionaris van de stad Amsterdam was, welk ambt hij tot 1795 bekleedde. Hoewel hij na 1784 zijn advocaatschap bij de Compagnie had neergelegd, betekende dit niet dat zijn bemoeiingen zich niet meer tot de zaken van de Compagnie uitstrekten. Uit zijn collectie blijkt, dat hij stukken betreffende de Oostindische compagnie -lopende over de jaren 1785-1791- in zijn bezit had en de gang van zaken bijhield. Opmerkelijk is het nauwe verband tussen de regering van Amsterdam en het bewind van de Oostindische Compagnie, doordat veelal dezelfde personen zowel functies in de Amsterdamse magistraat bezetten, als zitting hadden in het bestuur van de V.O.C. Het overwicht van Amsterdam ten opzichte van de overige steden van Holland en van de Generaliteit in zijn algemeen was ook duidelijk te merken in de verhouding van de kamer Amsterdam tot de andere kamers (gevolg van overheersende financiële aandeel van de kamer Amsterdam in de Compagnie). Bij resolutie d.d. 17 november 1784 had de Presidiale Kamer ingestemd met het eervol ontslag verleend aan mr. D.A. Meerman van der Goes en als blijk voor zijn goede en trouwe diensten, werd hij met 1000 zilveren ducatons vereerd, ook ontving hij zijn leven lang een bewindhebbersportie specerijen en had hij het gebruik van de binnen -en buitenjachten van de Compagnie. Als tweede advocaat van de Compagnie werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Herem XVII d.d. 28 april 1785 vervangen door de adjunct-advocaat, mr. Pieter Graafland Jansz. Na het aftreden van mr. F.W. Boers als eerste advocaat hadden Heren XVII op voorstel van kamer Amsterdam, bij resolutie d.d. 12 juli 1787, mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste kandidaat en mr. S.C. Nederburgh (de tweede advocaat) als tweede, voor de opvolging voorgedragen. De Erfstadhouder/ Opperbewindhebber benoemde echter, bij zijn brief d.d. 14 juli 1787 mr. S.C. Nederburgh tot eerste advocaat. Na de afzetting van de pensionaris mr. E.F. Berckel, fungeerde mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste pensionaris van de stad Amsterdam. Bij resolutie d.d. 27 januari 1792, in aanmerking genomen hebbende "de ijver en de affectie waarmede de pensionaris Van der Goes die post nu seedert den jaare 1781 waargenomen en vele goede diensten aan de stad bewezen heeft", hadden Vroedschap en Burgemeesters van Amsterdam goed gevonden om zijn jaarlijkse tractement met een bedrag van fl. 1000,- te vermeerderen, ingaande primo augustus 1791. Tot en met 17 januari 1795 werden de notulen van de vergadering van de vroedschap en burgemeesters van Amsterdam door mr. D.A. Meerman van der Goes opgemaakt.
Horace Hugo Alexander van Gybland Oosterhoff werd op 26 mei 1887 geboren te Batavia als zoon van Wybe Jacobus van Gybland Oosterhoff, arts en officier van gezondheid bij het K.N.I.L., en Diane Susanne Jéhenne Frederique Neys. Op jeugdige leeftijd naar Nederland gekomen doorliep hij het gymnasium te Haarlem. Op 28 januari 1909 behaalde hij zijn doctoraalexamen in de rechten aan de universiteit te Amsterdam en promoveerde op 31 maart daaraanvolgend tot doctor. Na in maart van het daarop volgende jaar tot adjunct-commies aan de afdeling Arbeid van het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel te zijn aangestald behaalde hij op 23 mei 1911 zijn doctoraalexamen in de staatswetenschappen aan de universiteit te Utrecht. Ook hierin behaalde hij een doctorstitel en wel op 7 juni van het daarop volgende jaar. Op 1 maart 1913 verlegde hij zijn arbeidsterrein naar de Centrale Directie van de arbeidsinspectie in Den Haag. In augustus 1914 werd hij adjunct-secretaris belast met de dagelijkse leiding van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. Op 16 juni 1916 werd hij aangesteld bij de Bataafsche Petroleummaatschappij, vanaf 1918 was hij daar chef van de afdeling Algemene zaken en privésecretaris van dr. H. Colijn, die in die tijd behalve lid van de Eerste Kamer directeur van deze maatschappij was. Samen met dr. F.C. Gerretson, die in die tijd eveneens privésecretaris van Colijn was, jhr. W.F. van Lennep, C. Plokhooy, G.H.J. Gijsberti Hodenpijl en mr. W.F.M. Bosschart vormde hij een groep, die contra-actie voerde tegen de revolutionaire aktiviteiten van Troelstra c.s. in de novemberdagen van 1918. Van Van Gijbland Oosterhoff was het plan afkomstig de Landstorm te mobiliseren, hetgeen op 12 november, toen de provocatie van de S.D.A.P. er officiëel was, ook inderdaad geschiedde. Samen met Gerretson stelde hij een telegram op voor Colijn, die op dat moment in Londen verbleef, hetgeen deze de suggestie aan de hand deed, dat bij de te sluiten overeenkomst voor de levering van levensmiddelen van Entente-zijde zou worden gesteld dat geen levensmiddelen zouden worden geleverd aan een regering, die met geweld aan het bewind zou zijn gekomen. De gebeurtenissen in de periode van 8 tot en met 15 november van 1918 vormden een begin-gebeurtenis, die bepalend zijn voor heel het politieke denken en voelen van Van Gybland Oosterhoff. Dit manifesteerde zich vooral ná 1924 toen hij tot secretaris was geworden van de toen van de universiteit van Utrecht opgerichte Indologische faculteit. In dit denken stond een politiek, die gericht was op een nationale eenheid-zowel intern als van de rijksdelen onderling-en die voortbouwde op historische grondslag en zich schaarde om het huis van Oranje als nationaal volkssymbool, centraal. Deze politiek richtte zich tegen alles wat "rood" was, d.w.z. elke politieke richting, die zich richtte op een vaag illusionistisch internationalisme, die antikoloniaal, dus tegen de rijkseenheid was, die niet voortbouwde op een historische grondslag en daarom-voor zover het ons land betrof-antimonarchaal, anti-oranje was. Wij komen hier nog nader op terug. Tot 1920 bleef hij werkzaam bij de afdeling Algemene zaken van de Bataafsche Petroleummaatschappij en was hij als zodanig tevens secretaris van Colijn in Londen. In deze periode, vooral in de jaren 1915-1917 reisde hij veel, maakte o.a. een wereldreis en diende tijdens een verblijf in Nederlands-Indië het gouvernement aldaar van advies over de mijnordonnantie en de indische mijnwet. In 1920 werd hij uitgezonden naar Mexico om met de regering aldaar te onderhandelen over de mijnwetgeving. In februari 1920 werd hij opgenomen in de directie van de Corona, een dochtermaatschappij voor Mexico van de Koninklijke Petroleum Maatschappij. In Mexico-City was hij voorzitter van de Nederlandse vereniging. Weer terug in Nederland speelde hij in de jaren 1924-1925 een rol bij de oprichting van de Indologische faculteit aan de universiteit van Utrecht, waarvan hij secretaris van het college van curatoren werd alsmede secretaris van het voor de instandhouding van deze faculteit opgerichte Indologische fonds. In oktober 1929 verscheen het eerste nummer van De Rijkseenheid, een staatkundig en economisch weekblad ter versterking van de banden tussen Nederland en de Indiën. Het blad werd geredigeerd door mr. A.J.A.A. baron van Heemstra, A.J.W. Harloff en mr. dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff. Voor de Utrechtse indologische faculteit vormde De Rijkseenheid een belangrijke spreekbuis. Zowel de staatkundige ontwikkelingen als de cultuurbeweging in Zuid-Afrika werden op de voet gevolgd. In het bijzonder hield het weekblad zich bezig met de gebreken van onze defensiepolitiek en de daaruit voortvloeiende gevaren voor de verdediging van de rijksdelen overzee. Voor de rechtvaardiging van het nederlands gezag in Indië greep hij terug op de opvatting, die de toen overleden staatsman jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman daarover had. In het kort komt deze gedachtengang hierop neer. Een volk heeft niet het recht om de schatten, die het in zijn bodem bewaart, of die door zijn bodem worden voortgebracht, voor zichzelf te bewaren. Zomin een volk als een individu mag zichzelf een zodanig recht toekennen op de grond, dat de schatten, die de Schepper erin verborgen heeft, niet tot gemeen gebruik van allen kunnen worden gebezigd. Maar wanneer dat zo is, dan moet ook degene, die een bepaald land gaat exploiteren, dat kunnen doen en daarvoor van de overheid van dat land de nodige bescherming genieten. Schiet de overheid te kort, dan mag dat volk door zijn vertegenwoordigers zelf die taak overnemen. Als nu een volk in een vreemd land komt, welks regering niet in staat is het recht in zo voldoende mate te handhaven dat dit daar kan leven en handeldrijven, dan moet dat volk als sterker van aanleg, dat bestuur zelf wel gaan uitoefenen. De vreemdeling mag dus het gezag overnemen, maar dat gezag moet rechtvaardig zijn en aan zijn hoge roeping voldoen: handhaving van het recht. De oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel ontstond uit de kringen rondom De Rijkseenheid Reeds in 1932 werd er een beroep gedaan op professor dr. J.L. Pierson zich aan het hoofd te stellen van een groot nationaal front op de grondslag van de rijkseenheid. Hij belegde een bijeenkomst en hieruit ontstond een kerngroep van slechts weinigen, die geregeld overleg pleegden. In het nummer van 22 oktober 1932 van De Rijkseenheid stond een artikel over de "Nationaal-herstel"-concentratie, waarin de vraag gesteld werd of deze concentratie, die in dit artikel niet zozeer als een nieuwe partij gezien werd maar als een federatief verband van partijen, op basis van een christelijk-nationale politiek tot stand zou kunnen worden gebracht. Van Gybland Oosterhoff schreef op 28 oktober 1932 aan Bauduin dat hij bezig was "poolshoogte te nemen of met eerste klasse mensen een concentratie mogelijk is"; ook professor Gerretson meende dat hier autoriteit tegenover majoriteit gesteld moest worden. Terwijl men naarstig bezig was met de opstelling van een manifest vond juist de beruchte muiterij op de "Zeven Provinciën" plaats. De inhoud van het manifest werd hierop afgestemd door daarin te stellen dat door dit gebeuren het voor ieder weldenkend Nederlander duidelijk geworden moest zijn "welke noodlottige en voor het Nederlandsche volk beschamende gevolgen de bestaande verslapping van het gezag met zich medebrengt". Het manifest trok hierdoor in brede kringen de aandacht. De oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel vond hierna plaats op 21 februari 1933. Als voorzitter trad luitenant-generaal H.N.A. Swart op. Dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff was ondervoorzitter. De grootste aanhang verkreeg het Verbond uit de conservatief-oppositionele vleugels van de Christelijk-Historische Unie, waartoe ook Van Gybland Oosterhoff behoord had, en van de Liberale Vrijheidsbond. Voorts vond het Verbond in katholiek-nationale kringen aanhang; een van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze groep was pater Wouter Lutkie, die aan alle voorbereidende besprekingen van het Verbond deelnam. Generaal Snijders, die erevoorzitter van het Verbond was, steunde het door een oproep aan het Nederlandse volk in zijn radiorede van 29 maart 1933, welke vooral in militaire en intellectuele kringen weerklank vond. Anderzijds bleek al spoedig, dat de nationale gedachte van het Verbond, waar deze niet verbonden was met een sociale idee, geen aantrekkingskracht op de massa kon uitoefenen. De eigenlijke oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel had plaats op 21 februari 1933. Als doelstelling werd aangegeven het bevorderen van de nationale gedachte op een tiental grondslagen te weten: 1.Trouw aan het Oranjehuis, 2.Erkenning van het christelijk karakter van ons volksleven als de historische grondslag en de bezielende geest van onze nationale beschaving, 3.De nationale staat als de staatkundige verwerkelijking van de historische vrijheidsgedachte op geestelijk en stoffelijk gebied, 4.Krachtige handhaving van orde en gezag; wering van elke gezagsondermijning, 5.Handhaving en versterking van de band tussen de verschillende delen van het rijk, 6.Handhaving en versterking van de weerbaarheid des rijks tot wettige zelfverdediging, 7.Erkenning van de individuele bestaansverantwoordelijkheid, in zover deze strookt met de welvaart des volks in al zijn geledingen, 8.Verwerping van de klassenstrijd, 9.Aanvaarding van het organisch-corporatief element in onze staatsinrichting in het kader van de nationale gedachte als middel tot bestrijding van het verworden parlementair-democratische stelsel, 10.Aanvaarding van het beginsel van economische zelfbescherming, in verband van de rijkseenheid (Nederland en de Indiën), waar en wanneer dit door de economische ontwikkeling in de wereld noodzakelijk wordt gemaakt ter verdediging van het levensbestaan van het rijk. Het Verbond voor Nationaal Herstel werd door haar tegenstanders niet ten onrechte als een fascistische beweging gekarakteriseerd, al moet men daarbij bedenken dat fascisme een modewoord was in die tijd en niet die verwerpelijke betekenis had, die het door de Tweede Wereldoorlog gekregen heeft. De Verbondsleiding kon dan ook schrijven: "Wij hebben zelf ook gezegd, dat wanneer men onder "fascisme" verstaat de levenswil van een volk, dat niet ten onder wil gaan, wij ons dan ook "fascisten" noemen. Trouwens een man als prof. de Savornin Lohman is door de heer Mendels in de Eerste Kamer een"edel-fascist" genoemd. Van de N.S.B. distancieerde het Verbond zich in 1935 definitief: "Bij overeenstemming van sommige nationale doeleinden is het Verbond voor Nationaal Herstel van de N.S.B. gescheiden door het onoverkomelijk beletsel van het leidersbeginsel ...". Wel aanvaardde het Verbond onvoorwaardelijk de noodzaak van een corporatieve ordening, zoals deze door het fascisme in Italië en Portugal in praktijk werd gebracht, zij het dan een "corporatieve ordening in overeenstemming met volksaard en historie", zoals de titel van een door J.C. den Baars aan dit onderwerp gewijde brochure van het Verbond luidde. In het programma van het Verbond, zoals dat in de brochure "Alle hens aan dek" uiteengezet wordt, luidt één van de doelstellingen: "wijziging van het kiesrecht". Hierop wordt de volgende toelichting gegeven: "Er dient gebroken te worden met een stelsel, dat het aantal boven de hoedanigheid stelt. Met afschaffing van de evenredige vertegenwoordiging kome de adviserende, deskundige vertegenwoordiging van economische en geografische groepen". In het totaal worden in deze brochure 36 doelstellingen genoemd en wel de volgende: 1.Het verhogen en versterken van het nationale bewustzijn. 2.Trouw aan ons vorstenhuis als symbool der vaderlandse eenheid en onafhankelijkheid. 3.Afschaffing van het verworden democratische parlementaire stelsel. 4.Wijziging van het kiesrecht. 5.Bescherming van de gemeenschap tegen niet-nationale bedrijfsvoering van ondernemingen. 6.Beperking van de gemeentelijke autonomie, geen gelegenheid meer voor inflatoire politiek van openbare lichamen, centrale preventieve contrôle van alle openbare financiële aangelegenheden. 7.Bevordering van het particulier initiatief. 8.Beperking van vrijheid van drukpers, misbruik van deze vrijheid tot ondermijning van godsdienst, gezin en gezag kunnen niet langer worden geduld. 9.Een nationale omroep. 10.Verbod van marxistische en anarchistische partijen en organisaties. 11.Verwerping van de klassenstrijd. 12.Uitbreiding van de rijkspolitie. 13.Geen steun zonder productieve arbeidsprestatie. 14.Inperking der sociale wetgeving, wèl gemeenschapszorg voor ouden van dagen. 15.Dekking van begrotingstekorten door krachtige bezuiniging, niet door nieuwe lasten. 16.Handhaving van gezonde kapitaals-verhoudingen; bestrijding van het marxisme. 17.Aankweken van plichtsgevoel, verantwoordelijkheidsbesef en vertrouwen. 18.Loon en bevordering naar prestatie. 19.Afschaffing van de on-economische arbeidsbeperking. 20.Rijkseenheid. 21.Handhaving, versterking en centralisatie van alle gezag. 22.Bevordering van eenvoud en spaarzin. 23.Vrijheid van godsdienst. 24.Versterking van het gezinsverband. 25.Algemene dienst- en arbeidsplicht. 26.Snel en streng recht. 27.Regeling van de immigratie. 28.Bestrijding van de partijpolitiek. 29.Afschaffing van het stelsel van accumulatie van inkomens. 30.Bevordering van kunsten en wetenschappen in nationale zin en rekening houdend met de volksaard. 31.Bevordering van de kennis van onze vaderlandse geschiedenis. 32.Nationaal onderwijs, geen sectarisme, geen rode onderwijzers; stopzetting van scholenbouw. 33.Vaststelling van maximum en minimum loongrenzen. 34.Economische zelfbescherming. 35.Bevordering van de geestelijke kracht en economische waarde onzer landbouwbevolking. 36.Herziening van het belastingstelsel, vereenvoudiging van de wijze van aanslag en inning. Van Gybland Oosterhoff was als hoofdredacteur van het vanaf 20 maart 1933 verschijnende orgaan de ziel van het Verbond. Hoewel het Verbond zich aanvankelijk uitdrukkelijk als "beweging" manifesteerde, begaf het zich toch in de verkiezingsstrijd voor de Kamerverkiezingen van 1933. Generaal Snijders fungeerde als lijsttrekker, maar zou bij verkiezing niet in het parlement zitting nemen, maar zijn zetel ter beschikking stellen van de volgende kandidaat, mr. dr. W.M. Westerman. Inderdaad behaalde het Verbond één zetel in de Tweede Kamer, welke dus door Westerman, één van haar extreemste vertegenwoordigers, die later naar de N.S.B. zou overgaan, werd ingenomen. In 1934 voerde ir. Wigersma besprekingen met generaal Snijders over de mogelijkheid van een fusie met de N.S.B. Het initiatief ging geheel van de N.S.B. uit en leidde tot geen enkel resultaat, omdat het leidersbeginsel van de N.S.B.-en meer in het bijzonder de persoon van de leider-een beletsel bleef. Wel kwam het tot een nauwe samenwerking met Nationaal Jongeren Verbond, het Indo-Europees Verbond en de Vaderlandse Club, vooral ook omdat er ook in Nederlands-Indië een bloeiende afdeling van het Verbond was, onder de geïnspireerde leiding van de marineofficier J.A. van Gelder te Soerabaja, met wie Van Gybland Oosterhoff uitgebreidde contacten onderhield. Voor de Kamerverkiezingen van 1937 diende Nationaal Herstel voor de laatste maal een kandidatenlijst in. Wegens overgang naar de N.S.B. van mr. dr. Westerman was dit maal dr. W. Emmens lijstaanvoerder. Te midden van de voorbereidingen voor de verkiezingsveldslag stierf Van Gybland Oosterhoff plotseling aan een acute buikvliesontsteking op 21 januari 1937. Voor het Verbond liepen deze verkiezingen uit op een fiasco. Het verwierf slechts 6000 stemmen en verloor dus zijn enige zetel in de Tweede Kamer. Dit had een grote uittocht van leden tot gevolg. Toch bleef het Verbond nog voortbestaan tot 31 oktober 1940. Behalve politicus was Van Gybland Oosterhoff nog secretaris van de Ondernemersraad voor Suriname en voorzitter van de Nederlands-Mexicaanse kamer van koophandel. Daarnaast kunnen twee belangrijke particuliere activiteiten van Van Gybland Oosterhoff niet onvermeld blijven: zijn arbeid ter bestrijding van het communisme zowel op nationaal als internationaal niveau, vooral als deelgenoot aan de Entente internationale contre la IIIe internationale (Entente internationale anti-communiste), alsmede zijn inspanning om meer bekendheid te geven aan de nederlandse cultuur in Zuid-Afrika. Door zijn beschikking werd na zijn dood zijn uiterst uitgebreide verzameling voorwerpen, boeken, prenten, oude proclamaties, porcelein, meubels etc., alles betrekking hebbende op het Oranjehuis, geschonken aan het Nederlands Cultuurhistorisch Instituut van de universiteit van Pretoria. Daarbij bevindt zich o.m. de kerkbank waarin Willem van Oranje de kerkdiensten placht bij te wonen. Het geheel werd opgesteld in een afzonderlijke ruimte: de Van Gybland Oosterhoff-kamer. Deze "Oranje-collectie" werd ná 1945 aangevuld met een verzameling "Oorlog en bezetting van Nederland", waarvan de kern geschonken werd door mej. L.J. van Gybland Oosterhoffen waarvan de catalogus, na geregeld ontvangen aanvullingen, ruim 2500 nummers telt. Deze oorlogscollectie is daarmee een van de grootste, zo niet de grootste van die aard buiten Nederland. Tenslotte werden de door mr. dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff geschonken boeken over Nederlands-Indië en de vóóroorlogse ontwikkelingen aldaar nog aangevuld met een verzameling publicaties betreffende Indonesië in en na de oorlog. Eveneens werd na zijn dood ter zijner nagedachtenis een stichting in het leven geroepen ter bekroning van prestaties, van welke aard dan ook, die uitdrukking zouden geven aan de rijkseenheidsgedachte: de mr. dr. Horace Hugo Alexander van Gybland Oosterhoff-Stichting. In 1939 werd de gouden medaille van deze stichting voor het eerst uitgereikt aan dr. V.I. van de Wall voor zijn dissertatie over het hollandse-koloniale barokmeubel, van welk type meubelen de ouders van Horace een grote verzameling hadden aangelegd.
De Federatie van Verenigingen van Cultuurondernemingen. Vóór de oprichting van de Federatie van verenigingen voor Nederlands-Indische Bergcultuurondernemingen (de Federatie) was in 's-Gravenhage de Vertegenwoordiging der Bergcultures in Nederland gevestigd. Deze vertegenwoordiging was organisatorisch gezien niet betrokken bij de landbouwverenigingen die zich bezighielden met de belangenbehartiging voor Nederlands-Indische cultuurondernemingen. Maar in de jaren van de economische recessie bestond bij de landbouwverenigingen op het gebied van de rubber, de thee, de koffie, de cacao en de kina, een duidelijke behoefte om gemeenschappelijke werkzaamheden te laten verrichten door een overkoepelend orgaan. Op initiatief van deze landbouwverenigingen werd op 27 september 1935 de Federatie opgericht. De statuten werden goedgekeurd bij Koninklijk Besluit d.d. 19 december 1935, nr. 72 en werden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant van 22 januari 1936, nr. 15. De Federatie ving haar werkzaamheden aan op 1 januari 1936. Met ingang van die datum werd de Vertegenwoordiging der Bergcultures in Nederland opgeheven. Bij de oprichting van de Federatie traden als lid toe: de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur in Nederlands-Indië; de Vereniging voor de Theecultuur in Nederlands-Indië; de Koffie- en Cacao-Producenten Vereniging; de Vereniging voor de Kinacultuur. Op 9 april 1936 trad de in dat jaar opgerichte Vereniging voor de Kapok- en Cacao-cultuur in Nederlands-Indië tot de Federatie toe. Op 12 maart 1937 ging de Cacao-tak van de onder c genoemde vereniging over naar de nieuw opgerichte vereniging. Daarnaast kende de Federatie ereleden: personen die zich ten aanzien van het doel en de oprichting van de Federatie verdienstelijk hadden gemaakt. Alle leden kregen hun zetel ten kantore van de Federatie. Jhr. mr. W.J. de Jonge werd tot voorzitter van de Federatie benoemd. Hij aanvaardde zijn functie op 15 februari 1936. Tot die datum was hij voorzitter geweest van het Algemeen Landbouw Syndicaat (ALS), het Zuid-West Sumatra Syndicaat (ZWSS) en de Centrale Proefstations Vereniging (CPV) (zie bijlage 1). Hij werd tevens voorzitter van de lid zijnde verenigingen. Bij de oprichting werd een college van ondervoorzitters, vanaf 1956 het college voor de voorzitter, ingesteld, waarin de plaatsvervangende voorzitters van de verenigingen en de voorzitter van de Federatie vergaderden. Daarnaast kende de Federatie voor de leden twee verschillende soorten vergaderingen, namelijk: de gecombineerde ledenvergadering waarin alle leden van de verenigingen bijeenkwamen en de algemene ledenvergadering waarin de besturen van de verenigingen bijeenkwamen. Verder kende de Federatie nog twee vergaderingen voor de besturen, namelijk de bestuursvergadering voor het bestuur van de Federatie en de gecombineerde bestuursvergadering waarin de besturen van de onderscheiden verenigingen met het bestuur van de Federatie vergaderden. Het bestuur van de Federatie bestond uit een voorzitter en twee leden per lid zijnde vereniging. Eén van de leden was de plaatsvervangende voorzitter van een vereniging, het andere lid werd door en uit het bestuur van de onderscheiden verenigingen benoemd. Alle vergaderingen werden voorgezeten door de voorzitter van de Federatie. De geldmiddelen van de Federatie bestonden uit: de contributies van de leden (de verenigingen); donaties; toevallige baten. De algemene ledenvergadering stelde jaarlijks, op advies van het bestuur, de hoogte van de contributies voor de leden vast. De hoogte van de contributie was afhankelijk van de werkzaamheden die de Federatie ten aanzien van een lid in een bepaald jaar verrichtte. In 1968 werd de Federatie geliquideerd. Het werk van de Federatie werd gezien de internationale politieke en de economische situatie meer en meer overbodig. Bovendien was het bestuur bevreesd voor financiële consequenties en/of complicaties bij een eventuele onverwachte liquidatie. Vroegtijdig ingrijpen vond men daarom noodzakelijk. De Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur nam de lopende zaken van de Federatie waar en werd aangewezen als liquidatrice van de Federatie. Met de liquidatie van de Federatie werden ook alle aangesloten verenigingen geliquideerd met uitzondering van de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur. Deze vereniging was organisatorisch nauw verweven met de Rubber-Stichting. Bij de benoeming van de bestuursleden van de Rubber-Stichting speelde de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur namelijk een belangrijke rol. Daarom dienden eerst de statuten van de Rubber-Stichting gewijzigd te worden alvorens de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur kon worden geliquideerd. In 1981 werd de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur geliquideerd. De Rubber-Stichting bestaat nog steeds. Bij de liquidatie was de waarnemend voorzitter van de Federatie en ondervoorzitter van de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur ir. A.L.W. Seyffardt betrokken. Hij had de werkzaamheden van de voorzitter jhr. mr. W.J. de Jonge overgenomen toen deze het voorzitterschap in 1968 om gezondheidsredenen moest beëindigen. De Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur Op 6 december 1913 werd, voornamelijk op initiatief van ir. M. Sanders en mr. N.G.A. Swart, de eerste vergadering belegd ten behoeve van de oprichting van de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur in Nederlands-Indië. De aanwezigen vonden dat met de oprichting van deze vereniging voorkomen zou worden dat de verschillende landen die zich bezighielden met de rubbercultuur hun belangen ieder op eigen wijze zouden behartigen. Naast de samenwerking tussen rubberproducenten in Nederlands-Indië in de reeds bestaande ALS en de AVROS, wilde men ook in Nederland tot samenwerking komen. Ook buitenlandse rubberproducenten konden dan lid worden. Later was de strijd tegen de overproductie en de synthetische rubber de voornaamste reden tot samenwerking. In een tweede vergadering op 9 maart 1914 werden de statuten vastgesteld. Zij werden opgenomen in de Nederlandse Staatscourant van 27 augustus 1914, nr. 200. Als lid van deze vereniging konden zowel cultuurmaatschappijen, banken, verenigingen als individuele personen toetreden. Later moest men, om als lid tot deze vereniging te worden toegelaten, ook lid zijn van in Nederlands-Indië opgerichte landbouworganisaties. De hoogte van de contributie was afhankelijk van de grootte van het aantal beplante hectares grond per landbouwonderneming, of van het aantal personeelsleden dat een bepaalde instelling, niet zijnde een landbouwonderneming, in dienst had. Het kantoor van deze vereniging werd gevestigd te 's-Gravenhage. In de bestuursvergadering van 12 december 1922 werd besloten tot oprichting van een Propaganda-afdeling. Deze afdeling kwam vrij onafhankelijk van de vereniging te staan. Zij bracht bijvoorbeeld eigen jaarverslagen uit. In 1932 werd de naam van deze afdeling veranderd in Technische afdeling. In 1936 werd deze afdeling zelfstandig onder de naam Rubber-Stichting. In 1936 trad de vereniging als lid toe tot de Federatie. De zetel werd van 's Gravenhage naar het Federatiekantoor in Amsterdam verplaatst. De Rubber-Stichting Toen in 1934 de Internationale overeenkomst ter regulering van de export van rubber door de rubberexporterende landen werd gesloten tussen Engeland, Frankrijk en Nederland, constateerden deze landen dat het wetenschappelijk en technologisch onderzoek, alsmede de voorlichting en propaganda moesten worden gestimuleerd. In artikel 19 van de overeenkomst stond dat "de contracterende landen erkennen dat een natuurlijk herstel van het evenwicht tussen producten en consumptie kan worden bespoedigd door onderzoekingswerk, dat zich ten doel stelt de toepassing van rubber voor nieuwe doeleinden te ontwikkelen en voorts door middel van propaganda". Daarvoor was reeds een verregaande discussie binnen de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur gaande over een mogelijke oprichting van een Rubber-Stichting. In de vergadering van 7 oktober 1931 van het Propaganda Comité van de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur werd door prof. van Iterson reeds het idee naar voren gebracht om in verband met de Wet Went op het toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek een Rubber-Stichting op te richten. Dit alles leidde in 1936 in Engeland tot oprichting van de tweeledige organisatie, The British Rubber Producer's Association en The British Rubber Development Board, in Frankrijk tot oprichting van het Institut Français du Caoutchouc, en in Nederland tot oprichting van de Rubber-Stichting. De coördinatie van de werkzaamheden werd verzorgd door de door de drie landen opgerichte International Rubber Research Board en de daarmee nauw verbonden International Rubber Development Committee. In dezelfde tijd werden in de koloniën respectievelijk opgericht The Rubber Research Institute of Malaya te Kuala Lumpur, L'Institut des Recherches Caoutchouc en Indo-Chine te Saigon, en Het Indonesisch Instituut voor Rubberonderzoek te Buitenzorg op Java. De zetel van de Raad van Bestuur werd geplaatst ten kantore van de Federatie in Amsterdam. Het uitvoerende gedeelte kreeg haar laboratorium en kantoren in Delft. De Raad van Bestuur bestond uit acht leden waarvan er vier werden benoemd door de Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en vier door de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur. Voorzitter van de Raad van Bestuur was jhr. mr. W.J. de Jonge. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Rubber-Stichting samen met de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur een paar jaar na de liquidatie van de Federatie zouden worden geliquideerd. Dit is echter niet gebeurd. Thans is de Rubber-Stichting een onderdeel van de firma H.G.Th. Krone B.V., een dochteronderneming van de Handels Vereniging Amsterdam. De overige verenigingen De overige verenigingen zullen gezien hun vele overeenkomsten hierna gemeenschappelijk worden besproken. Bovendien waren zij voor wat betreft de belangrijkheid ondergeschikt aan de Internationale Vereniging voor de Rubbercultuur. De Vereniging voor de Thee-cultuur in Nederlands-Indië werd in 1918 opgericht. In 1926 werd de Koffie- en Cacao-Producenten Vereniging opgericht. In 1937 werden de cacao-taken ondergebracht bij de in 1936 opgerichte Vereniging voor de Kapok- en Cacao-cultuur in Nederlands-Indië. De naam werd veranderd in de Koffie Producenten Vereniging. De Vereniging voor de Kinacultuur werd in 1935 opgericht. Eigenaren van in Indonesië gelegen bergcultuurondernemingen konden als leden tot deze verenigingen toetreden. Zij konden slechts worden aangenomen indien zij voor al hun ondernemingen lid waren van een in Indonesië gevestigde landbouworganisatie, zoals: het ALS, het ZWSS en AVROS. De hoogte van de contributie was ook bij deze verenigingen afhankelijk van de grootte van het aantal beplante hectares grond per onderneming. Ook bij deze verenigingen trad jhr. mr. W.J. de Jonge op als voorzitter. Taakuitvoering De Federatie had de volgende taken: het voeren van de haar opgedragen administraties van de lidzijnde verenigingen in de meest uitgebreide zin van het woord; de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van twee of meer lidzijnde verenigingen. Naast deze twee taken had de Federatie samen met de lidzijnde verenigingen nog de volgende taken: het bevorderen van onderling overleg en samenwerking tussen de lidzijnde verenigingen; het samenwerken met of als lid toetreden tot andere verenigingen of organisaties met gelijk of verwant doel, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië; het voorstaan van de belangen van de lidzijnde verenigingen speciaal bij de Regering en haar organen; het verstrekken van juridische, sociale, fiscale of economische voorlichting aan de lidzijnde verenigingen; andere wettige middelen die aan het doel bevorderlijk kunnen zijn. De Rubber-Stichting had de volgende taken: het uitvoeren van fundamenteel wetenschappelijk en technologisch onderzoek; het propageren en stimuleren van het gebruik van natuurrubber in de meest ruime zin. Contacten met organisaties Een van de doelstellingen van de Federatie en de verenigingen was onder meer het samenwerken met of als lid toetreden tot andere verenigingen of organisaties met gelijk of verwant doel zowel in Nederland als in Nederlands-Indië. In art. 19 van het huishoudelijk reglement was dit verder uitgewerkt. Er diende te worden samengewerkt met het ALS, het ZWSS, de AVROS en het CPV. Daarom werd door de Federatie een nauw contact met de landbouworganisaties in Nederlands-Indië onderhouden. Bovendien was de Federatie belast met de behartiging van de belangen van in Nederlands-Indië gevestigde landbouworganisaties. Hierna volgt een korte uiteenzetting van het doel en de strekking van de bovenvermelde organisaties en van andere voor de bestudering van het archief interessante organisaties. Het Algemeen Landbouw Syndicaat (ALS) Op 24 September 1925 werden vier bonden van eigenaren van bergcultuurondernemingen opgericht, n.l.: de Rubberbond, de Koffiebond, de Theebond en de Kinabond. Deze cultuurbonden, die te Batavia waren gevestigd, bevorderden de belangen van de bergcultures op Java en Zuid-Sumatra. Deze Bonden vormden samen het ALS. (zie de Bonden) Het ALS had als doel de behartiging van de belangen van zijn leden. De wetenschappelijke cultuurtechnische voorlichting en commerciële belangen behartigde het ALS tot 1933. Daarna gingen deze taken over op respectievelijk het CPV en de Bonden. Als leden van het ALS konden eigenaren toetreden van op Java gelegen ondernemingen voor de overjarige cultures rubber, thee, koffie, cacao en kina. Het Zuid- en West-Sumatra Syndicaat (ZWSS) Dit Syndicaat had een gelijk doel als het ALS. Het ZWSS werkte, zoals de naam al aangeeft, ten behoeve van de ondernemingen die gelegen waren op Zuid- en West-Sumatra, en wel met name de Residenties der Lampongsche districten: Palembang, Benkoelen, Djambi, en Sumatra's Westkust. Bovendien behartigde het ZWSS nog de arbeidsvoorzieningen. De Bonden van Eigenaren van Nederlandsch-Indische Rubberondernemingen (Rubberbond), Koffie- en Cacao-ondernemingen (Koffie- en Cacaobond), Thee-ondernemingen (Theebond) en Kina-ondernemingen (Kinabond) (de Bonden) Deze Bonden hadden als uitsluitend doel de behartiging van de commerciële belangen van hun leden. Zij werden op 24 september 1925 opgericht. In 1933 namen zij de taak van het ALS voor wat betreft de commerciële belangenbehartiging over. Als leden konden worden ingeschreven de eigenaren van landbouwondernemingen die lid waren van het ALS of het ZWSS. Het lidmaatschap van een van de vier bonden vloeide automatisch voort uit het lidmaatschap van het ALS en/of het ZWSS en was gratis. Het was zelfs statutair verplicht. Het arbeidsveld van de bonden strekte zich evenals dat van het ALS en het ZWSS uit over Java en de residenties in Zuid- en West-Sumatra. Vaak strekten de behartiging van de commerciële belangen zich niet verder uit dan de restrictieaangelegenheden. De Centrale Vereniging tot beheer van Proefstations voor de Overjarige Cultures in Nederlands-Indië (CPV) Deze vereniging had tot doel het op wetenschappelijk gebied voorlichten van haar leden inzake cultuurtechnische aangelegenheden in de ruimste zin van het woord. Deze vereniging werd in 1938 opgericht en had de wetenschappelijke cultuurtechnische voorlichtingstaken (Proefstations) van het ALS overgenomen. De in die jaren toenemende daling van de prijzen deed vele leden besluiten voor het lidmaatschap van het ALS te bedanken. Het gevaar dat hieruit voortkwam was evenwel dat de cultuurtechnische en wetenschappelijke belangen ernstig in gevaar kwamen. De hulp van de regering werd zelfs ingeroepen om de wetenschappelijke waarde van de proefstations voor de landbouwondernemingen in Nederlands-Indië in stand te houden. In 1933 werd dan ook overgegaan tot het nemen van wettelijke maatregelen. Hierin werd bepaald dat elke ondernemer op Zuid- en West-Sumatra en Java verplicht was bij te dragen tot het in stand houden van de wetenschappelijke proefstationsarbeid in die gewesten. Uit deze wettelijke maatregelen kwamen de Crisis Rubber-, Thee-, Koffie- en Cacao-, en Kina-ordonnanties voort, welke weer geleid hebben tot de instelling van de Crisis Cultuur Centrales. (zie CCC) De CPV beheerde de volgende proefstations: Proefstation West-Java, Afdeling Buitenzorg, Afdeling Tjinjiroean, Afdeling Zuid- en West-Sumatra; Proefstation Midden- en Oost-Java; Besoekisch Proefstation. De Crisis Cultuur Centrales (CCC) De crisis cultuur wetgeving dateerde van 1933. Aanvankelijk was het 2 jaar geldig maar in 1935 werd de crisis cultuur wetgeving verlengd met 5 jaar. Instandhouding van de proefstations was het hoofdzakelijk doel. In de jaren van de economische teruggang was het voor veel bedrijven moeilijk gebleken nog te betalen voor de instandhouding van de proefstations die daarom meer en meer moesten inkrimpen. Als gevolg van de wetgeving werden in 1933 de CCC in het leven geroepen. Er kwamen 4 centrales, te weten: de Crisis Rubber Centrale, de Crisis Thee Centrale, de Crisis Kina Centrale en de Crisis Koffie en Cacao Centrale. Op het tijdstip dat de crisis cultuur wetgeving zou vervallen zouden de Centrales ophouden te bestaan. De vier Centrales zorgden voor de inning van de verplichte bijdragen van onder de Crisis Cultuur Ordonnanties vallende bergcultuurondernemingen. Zij betaalden de CPV op hun beurt jaarlijks de benodigde gelden voor de proefstations, nadat de begroting van de CPV was goedgekeurd door de CCC. Naast de taken voor het instandhouden van de proefstations werden er ook gelden beschikbaar gesteld voor propaganda voor rubber, thee en in 1936 ook voor de koffie. De Algemene Vereniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra (AVROS) Deze organisatie is wat betreft zijn werk en zijn doelstelling het best te vergelijken met de ALS van voor 1933, maar dan met een werkgebied op Sumatra's Oostkust. Zij behartigde de belangen van alle landbouwcultures en aanverwante industrieën, met uitzondering van de tabakscultuur. Deze vereniging beheerde haar eigen proefstations n.l. Het Algemeen Proefstation der AVROS te Medan. De leden van deze vereniging waren, in tegenstelling tot de leden van het ALS, altijd wel vrijwillig blijven bijdragen aan het in stand houden van de proefstationarbeid. Daarenboven behartigde zij nog de belangen van de werknemers en bevorderde de immigratie en kolonialisatie. De Ondernemersraad voor Nederlands-Indië Deze raad werd in 1921 opgericht en moet als tegenhanger van de Federatie worden beschouwd. Zij werd gevestigd in 's Gravenhage. Onder de leden van deze raad bevonden zich ook de leden van de Federatie. Zij behartigde de gemeenschappelijke belangen van haar leden op het gebied van belastingen en arbeidswetgevingen terwijl de Federatie meer in het leven was geroepen om de administraties van haar leden te voeren. In de praktijk overlapten de belangen en taken van de Ondernemersraad en de Federatie elkaar behoorlijk. De Indische Ondernemersbond Om een volledige belangenbehartiging voor de ondernemers mogelijk te maken werd op initiatief van de Ondernemersraad in 1923 de Indische Ondernemersbond opgericht. Deze bond was een soortgelijke instelling als de Ondernemersraad en was de overkoepelende organisatie voor de in Nederlands-Indië gevestigde ondernemersorganisaties, zoals het ALS en het ZWSS. Zodoende had men bijna een parallelle organisatie structuur gekregen in Nederland en Nederlands-Indië.
Nederland en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd In het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog, toen de val van Duitsland aanstaande leek, ging de Nederlandse regering er vanuit dat de eigen strijdkrachten een rol zouden spelen bij de herovering van Indië op de Japanners en de gezaghandhaving daarna. Door het verloop van de strijd kwam hiervan weinig terecht. Slechts één bataljon van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en twee squadrons van de Militaire Luchtvaart KNIL (ML-KNIL) vochten uiteindelijk aan Australische zijde mee bij de herovering van Tarakan en Balikpapan op Borneo. De onverwacht snelle capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 noodzaakte tot het bijstellen van alle plannen. Nederlands-Indië kwam, volgens afspraken gemaakt op de conferentie te Potsdam, diezelfde datum (15 augustus) te vallen onder het South-East Asia Command (SEAC), het bevelsgebied van de Britse admiraal lord Louis Mountbatten. De Britten hadden niet onmiddellijk troepen voor hun nieuwe bevelsgebied beschikbaar, de Nederlanders evenmin. Van deze gelegenheid konden de Indonesische nationalisten onder leiding van Soekarno en Mohammed Hatta profiteren. Laatstgenoemden riepen op 17 augustus onder druk van radicale jongerengroepen de Republiek Indonesië uit. Onder deze omstandigheden stelden de Britten zich zeer terughoudend op. Eind september arriveerden de eerste troepen, merendeels Brits-Indiërs, die nu de oorlog voorbij was, snel naar huis wilden. Zij richtten een aantal bruggenhoofden ter verdediging in: Batavia-Bandoeng, Semarang en Soerabaja op Java en Medan, Padang en Palembang op Sumatra. Als hun voornaamste taken beschouwden zij het ontwapenen en afvoeren van de Japanse militairen en bevrijden van de Nederlandse geïnterneerden en krijgsgevangenen op Java en Sumatra. Dit bleek echter een zeer zware opgave en de situatie escaleerde vanaf oktober zeer snel. In die maanden, ook wel de Bersiap genoemd, vielen groepen jonge revolutionairen Nederlanders, Britten, Chinezen, Molukkers en andere bevolkingsgroepen aan. Binnen en buiten de interneringskampen vielen enkele duizenden burgerslachtoffers. De Britten verloren 655 man aan gesneuvelden en 325 man aan vermisten, onder wie zich ook deserteurs bevonden. Deze gebeurtenissen bepaalden mede het negatieve Nederlandse beeld van de Indonesische republiek. De eerste troepen naar Indië De onverwacht snelle capitulatie van Japan en de uitroeping van de republiek brachten Nederland in militair opzicht in een lastig parket. Er was in Indië een revolutie uitgebroken. Al snel bleek dat er zeer veel troepen nodig zouden zijn om het Nederlandse gezag te herstellen. Het KNIL was voor deze taak nog lang niet gereed. Er was nog maar pas een begin gemaakt met de vorming van nieuwe, voornamelijk met ex-krijgsgevangenen gevulde KNIL-eenheden. Er moesten derhalve op zeer korte termijn troepen naar Indië worden gestuurd. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog had de Nederlandse regering met het oog op de bevrijding en herbezetting van de Indonesische archipel voorbereidingen getroffen voor het uitzenden van een expeditionaire macht en gezagsbataljons. Hoewel zich in Nederland hiervoor al duizenden oorlogsvrijwilligers (OVW'ers) hadden gemeld en een deel van hen een militaire opleiding had gekregen, verkeerde de Expeditionaire Macht (EM) nog in een embryonaal stadium, terwijl de vorming van gezagsbataljons was vertraagd. De eveneens tijdens de oorlog voor bezettingstaken in Duitsland opgerichte Light Infantery Battalions (LIB's) waren de enige beschikbare troepen. Deze vooral met OVW'ers gevulde eenheden werden daarom voor inzet in Indië bestemd. Uiteindelijk zijn er van september 1945 tot januari 1946 zeventien LIB's naar Nederlands-Indië verscheept. Deze OVW-bataljons gingen via Malakka, omdat ze toen nog geen toestemming hadden om op Java en Sumatra te landen. Vanaf maart 1946 werden deze bataljons toegelaten en gevolgd door nog eens zeven LIB's uit Nederland. Een bijzondere eenheid die gelijktijdig met de OVW-bataljons naar Indië was gezonden, was de voornamelijk met OVW'ers gevulde Mariniersbrigade die bestond uit drie bataljons. Evenals de LIB's kreeg deze brigade aanvankelijk ook geen toestemming om op Java en Sumatra te landen. De bijdrage van de Koninklijke Marine aan de strijdkrachten bestond overigens uit meer onderdelen. De Marine Luchtvaartdienst (MLD) had al in 1945 een squadron Catalina's beschikbaar. Ook kon de marine, die gedurende de Tweede Wereldoorlog in deze contreien operationeel was gebleven, schepen en onderzeeboten inzetten. Om al deze uitzendingen naar Nederlands-Indië te kunnen verwezenlijken, was de KM (evenals de KL) in belangrijke mate afhankelijk van de werving van OVW'ers. De Nederlandse troepen werden begin maart 1946 op Java toegelaten. De herbezetting van Sumatra zou nog enige maanden op zich laten wachten. Al snel werd duidelijk dat de samenstelling van de LIB's niet voldeed. Hoewel diverse LIB's reeds op Malakka waren gestart met de vorming van ondersteuningscompagnieën, misten zij de daarvoor vereiste zware bewapening en het overige materieel. Na een bezoek van kolonel M.R.H. Calmeyer aan Indië kwam daar verandering in en gingen er ook hulpwapens naar Indië (de zgn. Calmeyer-eenheden). Op zijn voorstel werden vanaf midden 1946 zes eskadrons pantserwagens, zes afdelingen veldartillerie, zeven pionierscompagnieën, acht compagnieën aan en afvoertroepen, enige verbindingsafdelingen, pelotons elektromechanische uitrusting, geneeskundige onderdelen en magazijnpersoneel als aanvullende eenheden naar Indië gestuurd. Met de tot normale (gevechts)infanteriebataljons omgevormde LIB's en de vanaf de herfst 1945 geformeerde KNIL-eenheden werden zeven brigades gevormd, aangeduid met de letters T tot en met Z. Zij werden aanvankelijk door KNIL-officieren gecommandeerd. De X-brigade en de Mariniersbrigade werden op hun beurt weer georganiseerd in de A-divisie en de V- en de W-brigade (en later ook de T-brigade) in de B-divisie. De U-, Y- en Z-brigade, die eind 1946 naar de drie bruggenhoofden op Sumatra werden overgebracht, werden niet in divisieverband georganiseerd. Alle troepen stonden vanaf 31 januari 1946 onder bevel van de legercommandant, luitenant-generaal (KNIL) S.H. Spoor. Onderhandelingen en verdere militaire opbouw Ondertussen waren er onder Engelse druk onderhandelingen op gang gekomen tussen Nederland en de Indonesische Republiek. De besprekingen liepen een aantal malen vast, maar mondden op 15 november 1946 uit in de parafering van het Akkoord van Linggadjati. Hoewel dit akkoord in maart 1947 door de parlementen van Nederland en de Republiek werd geratificeerd, bleek er toch geen echte overeenstemming te bestaan. De tekst van het akkoord bood namelijk ruimte voor verschillende interpretaties en van die ruimte werd dankbaar gebruik gemaakt door beide partijen, die rekening moesten houden met hun radicale achterban. Terwijl de onderhandelingen voortduurden, had Nederland zijn troepenmacht verder versterkt. Eind 1946 waren naast de genoemde eenheden van de KL en KM ook ruim 37.000 KNIL-militairen operationeel. Deze waren op dat moment in grote lijnen verdeeld over 23 infanteriebataljons, het Depot Speciale Troepen en de School Opleiding Parachutisten, 4 eskadrons lichte tanks, 3 artillerieafdelingen, 3 geniecompagnieën, het Vrouwenkorps, 7 squadrons van de ML-KNIL, het Korps Militaire Politie en diverse staven. Toen het begin 1946 duidelijk was geworden dat de politiek-militaire situatie in Indië niet snel zou verbeteren en er de komende jaren meer troepen zouden moeten worden uitgezonden, stond minister J. Meynen voor het probleem te bepalen welke daarvoor in aanmerking kwamen. Ten slotte koos de minister voor het oproepen van de nieuwe lichting 1945. De voor de 1e Divisie bestemde dienstplichtigen gingen in mei 1946 de kazernepoort binnen voor hun eerste oefening en werden vanaf september in enkele slagen naar Indië verscheept. Eind 1946 arriveerde de hoofdmoot van de 1e Divisie "7-December" op West-Java. De divisie, die in Indië de C-divisie genoemd werd en waarvan de 1e, 2e en 3e Infanteriebrigadegroep de operationele kern vormden, stond onder bevel van generaal-majoor H.J.J.W. Dürst Britt. Eind 1946, begin 1947 volgden twaalf bewakingsbataljons en nog enkele Calmeyer-eenheden. De 2e Divisie (D-divisie of "Palmboom-divisie genoemd), gevormd uit de lichting 1946, reisde in de periode maart - juni 1947 af. Zij bestond onder meer uit de 4e, 5e en 6e Infanteriebrigade. In november 1947 tot en met februari 1948 volgden de dienstplichtigen van de lichting 1947, die administratief als E-divisie werden aangeduid, hoewel zij niet in divisieverband werden uitgezonden. Daarna werden elk half jaar een zelfstandige infanteriebrigade en drie bataljons infanterie naar Indië gestuurd. Van juli tot en met september 1948 vertrok de 41e Zelfstandige Infanteriebrigade (ZIB), van januari tot en met april 1949 volgde de 42e ZIB en van juli tot en met september 1949 sloot de 43e ZIB deze rij. Deze drie brigades kregen in Indië respectievelijk de namen F-, G- en H-brigade. In totaal werden meer dan 120.000 KL-militairen ingezet, onder wie 95.000 dienstplichtigen. Hoewel het aandeel van de KM in getalsmatig opzicht bescheidener van omvang bleef had ook deze bijdrage vanaf 1946 een gestage groei doorgemaakt. Zij bestond in het voorjaar van 1947 naast de Mariniersbrigade uit vier torpedobootjagers, acht korvetten, acht mijnenvegers, zeven landingsvaartuigen en ruim dertig kleine patrouillevaartuigen. Verder een bijdrage door de MLD van een squadron Catalina's en 15 Dakota's. In totaal heeft de KM ruim 20.000 militairen ingezet: ongeveer 6.500 OVW'ers, 5000 beroepsmilitairen, 5.000 dienstplichtigen en reservisten en enkele duizenden Indonesiërs. Politionele acties, guerrilla en afbouw van de militaire macht De verdere versterking van de militaire macht na 1946 geeft al aan dat na de ratificatie van het Linggadjati-akkoord de moeizame onderhandelingen spaak liepen. Dit deed de Nederlandse regering besluiten tot een grootschalig militair optreden: de zogenoemde Eerste Politionele Actie (21 juli - 5 augustus 1947). Deze operatie die de codenaam Product droeg was bedoeld om de belangrijkste plantages en olievelden onder Nederlands gezag te brengen. De operatie liep volgens plan. De 'pacificatie' daarna leverde veel meer problemen op. Het Republikeinse leger, de Tentara Nasional Indonesia (TNI) en de vele zelfstandige Indonesische gevechtsgroepen legden zich steeds meer toe op een guerrilla. Tegelijkertijd kwamen er onder druk van de Verenigde Naties toch weer onderhandelingen op gang. Zij mondden op 17 januari 1948 uit in het Renville-akkoord, dat in grote lijnen dezelfde inhoud had als de Linggadjati-overeenkomst. Ook nu bleek uitwerking van de afspraken onmogelijk door onverzoenlijke uitgangspunten. De guerrilla nam weer toe en de tijd werkte in het voordeel van de Republiek. Van doorslaggevend belang was dat de Verenigde Staten de Republiek openlijk gingen steunen. De Amerikaanse beleidsmakers meenden dat de halsstarige houding van Nederland het communisme in Indië eerder in de kaart speelde dan tegenhield. Toen de Republiek er in september 1948 in slaagde een communistische opstand te beteugelen, was het voor hen duidelijk dat het conflict zo snel mogelijk moest worden beëindigd en dat de Republiek daarbij als partij moest worden gehandhaafd. Bovendien werd het voor Nederland financieel en militair steeds bezwaarlijker een grote strijdmacht in Indië op de been te houden. De wederopbouw in Nederland kostte veel geld en mankracht; bovendien moesten ook de strijdkrachten in patria worden opgebouwd. Eind 1948 besloot de regering daarom tot een Tweede Politionele Actie, een wanhoopsoffensief. De actie was in militair opzicht veel minder succesvol dan de eerste. Bovendien laaide de guerrilla daarna met ongekende hevigheid op. Ook in internationaal opzicht was de actie geen succes. Nederland stond alleen in de Verenigde Naties. Onder deze internationale druk en in het toenemend besef dat het conflict in een uitzichtloze patstelling was geraakt gaf Nederland tenslotte toe om weer te gaan onderhandelen met de Republiek. De in mei 1949 gesloten Van Roijen-Roem-overeenkomst bepaalde dat de soevereiniteit vrijwel onmiddellijk zou worden overgedragen. Midden augustus 1949 werd er een wapenovereenkomst afgekondigd. Op 27 december 1949 werd de soevereiniteit over Indonesië overgedragen aan de Verenigde Staten van Indonesië (VSI). Na december 1949 vertrokken de eenheden van de KL en KM naar Nederland en werd het KNIL ontbonden. Medio 1951 verlieten de laatste Nederlandse militairen Indonesië. Alleen de in het leven geroepen Nederlandse Militaire Missie in Indonesië (NMMI) bleef achter om een adviserende en instruerende (kleine) rol te spelen bij de opbouw van de Indonesische strijdkrachten. De missie werd in 1954 opgeheven. De hogere bevelvoering in Nederlands-Indië, 1945 - 1950 Landvoogd en commandanten leger en zeemacht in Nederlands-Indië Zoals eerder vermeld werd op de dag van de Japanse capitulatie, 15 augustus 1945, Nederlands-Indië toegevoegd aan het Britse bevelsgebied van admiraal Mountbatten, South-East Asia Command (SEAC). Zolang deze de scepter voerde over Nederlands-Indië stond ook de Nederlandse krijgsmacht onder Brits operationeel bevel. Als opperbevelhebber aan Nederlandse zijde - maar in operationele aangelegenheden dus ondergeschikt aan de Commander SEAC - fungeerde vanaf 15 augustus 1945 weer de luitenant-gouverneur-generaal (LtGG), H.J. van Mook. Onder de LtGG stond per 15 augustus 1945 de Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (BSO) admiraal C.E.L. Helfrich. Onder diens bevel stond vanaf die datum de Commandant van het KNIL, luitenant-generaal L.H. van Oyen. Deze gezagsverhoudingen die per 15 augustus 1945 van kracht werden, betekenden een gedeeltelijke terugkeer naar de gebruikelijke gezagsverhoudingen in Nederlands-Indië. Traditioneel stonden de legercommandant en commandant zeemacht in Nederlands-Indië namelijk onder het opperbevelhebberschap van de LtGG. Na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten in Indië op 9 maart 1942 was evenwel de functie van BSO in het leven geroepen. Deze bevelhebber over alle Nederlandse strijdkrachten in Azië was geen verantwoording schuldig geweest aan de landvoogd, maar aan de Nederlandse opperbevelhebber, luitenant-admiraal J.Th. Furstner. Hieraan kwam dus per 15 augustus 1945 een einde. De gezagsverhoudingen werden verder 'genormaliseerd' toen de Nederlandse regering eind december 1945 besloot Helfrich naar Nederland terug te roepen en de functie van BSO vooralsnog 'onvervuld' te laten. Tevens benoemde de regering Spoor als de nieuwe legercommandant en schout-bij-nacht A.S. Pinke als de Commandant Zeemacht in Nederlands-Indië (CZMNI). De eerste was tevens hoofd van het Departement van Oorlog, de tweede van het Departement van Marine in Nederlands-Indië. Beiden zouden als vanouds verantwoording schuldig zijn aan de landvoogd-opperbevelhebber. Hogere leiding landstrijdkrachten in Nederlands-Indië Om te komen tot een goede samenwerking en coördinatie tussen de troepeneenheden van de KL en het KNIL, werden met ingang van 15 maart 1946 de bevelsverhoudingen binnen de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië vastgesteld. De hogere legerleiding bestond uit drie instituten, te weten: Algemeen Hoofdkwartier; Hoofdkantoor van de Adjudant-Generaal; Hoofdkantoor van de Kwartiermeester-Generaal. Uitgangspunt bij dit alles was een scheiding aan te brengen tussen operationeel en administratief bevel. De Dienst van de Adjudant-Generaal werd met personeelszaken en administratieve handelingen belast, terwijl de Kwartiermeester-Generaal zich ontfermde over materiële zaken, d.w.z. de aankoop, verzorging, distributie, het beheer, transport van al het materieel. Aldus had de (Chef van de) Generale Staf de handen vrij voor de operationele aansturing van de troepencommando's en de diensten. Het Algemeen Hoofdkwartier was opgebouwd uit: Kabinet van de Legercommandant; Hoofdkantoor van de Generale Staf; Directoraat Centrale Opleidingen. Op 29 april 1947 werd de hiervoor vermelde samenstelling van het Algemeen Hoofdkwartier uitgebreid met het Hoofdkwartier van de Adjudant-Generaal in Nederlands-Indië, het Hoofdkwartier van de Kwartiermeester-Generaal in Nederlands-Indië, het Hoofdkwartier van de Genie in Nederlands-Indië, het Hoofdkwartier van de Militaire Luchtvaart in Nederlands-Indië en het Directoraat van de Centrale Militairen Inlichtingendienst. Vanaf 1 mei 1948 werd hieraan nog toegevoegd het Hoofdkwartier van de Militair Geneeskundige Dienst in Nederlands-Indië, waarmee de hogere legerleiding in Nederlands-Indië haar definitieve vorm had verkregen.
Tweehonderd jaar geleden werd de basis gelegd van de cargadoorsfirma, die tegenwoordig bekend is onder de naam Hudig Veder & Dammers B.V. In het gedenkwaardige jaar 1795 richtte Jan Hudig (1769-1858) met zijn zwager Cornelis Gerbrand Blokhuyzen (1773-1857) de firma Hudig & Blokhuyzen op. De originele oprichtingsakte is waarschijnlijk verloren gegaan. Het is zeker dat beide heren eerder, in 1794, met elkaar in zaken waren, want op een overgeleverde rekening-courant met een Engelse kapitein staan Hudig & Blokhuyzen vermeld. De oudste akte in het notarieel archief, waarin Hudig en Blokhuyzen genoemd worden, dateert van 9 mei 1795. Het betreft een charterpartij en Hudig en Blokhuyzen traden op als scheepsmakelaars bij de bevrachting van het brigantijnschip Industrie (140 ton laadvermogen). Al gauw trad een derde firmant toe, Christiaan van der Eb (geb. 1771, ov. ?). Zijn toetreding in mei 1795 blijkt uit de enig overgebleven akte van compagnieschap d.d. 29 december 1796. Na 1819, toen Van der Eb uittrad, zou de firmanaam Hudig & Blokhuyzen luiden. Wie waren deze ondernemers, die in het jaar van de Franse inval in de Nederlanden en het einde van de Republiek het risico van een nieuw bedrijf aandurfden? Alle drie waren geboren Rotterdammers en hadden patriotse sympathieën. Ze woonden bij elkaar in het havenkwartier; Van der Eb op de Zuidblaak, Blokhuyzen op de Geldersekade en Hudig op de hoek van de Geldersekade en Wijnhaven. Van der Eb had naast de compagnieschap met Hudig en Blokhuyzen, compagnieschappen in meekrap en verfwaren met resp. Dirk van der Eb en Adriaan Blom. Zowel Hudig als Blokhuyzen stamden uit koopmansgeslachten. Volgens de akte van compagnieschap d.d. 29 december 1796 hadden Jan Hudig en Christiaan van der Eb beiden een kapitaal van f. 4.000,- in de firma ingebracht. Het kantoor van Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb was gevestigd in het monumentale pand van de familie Hudig op de hoek van de Geldersekade en Wijnhaven. In dit huis was ook de firma Ferrand Whaley & Jan Hudig gevestigd, een bedrijf met belangen in Suriname en opgericht door de vader van Jan Hudig. J. Hudig en C.G. Blokhuyzen waren naast zakelijke partners bovendien zwagers. Op 4 april 1796 huwde C.G. Blokhuyzen met Johanna Vis (1770-1838) en bijna 2 jaar later, op 2 april 1798, werd J. Hudig met Francina Vis (1778-1853) in de echt verbonden. De vader van Johanna en Francina was Dirk Vis, een boekhandelaar met patriotse sympathieën. De verwantschapsrelatie tussen firmanten kwam in die tijd vaak voor. Begin 1819 trok Chr. van der Eb zich op eigen verzoek terug uit de compagnieschap. Op grond van de bestaande vriendschap en harmonie tussen de drie firmanten zou Van der Eb gedurende 8 jaar vanaf januari 1819 een jaarlijks aandeel van 15% van de netto-winst uit het cagadoorsbedrijf genieten tot een maximum van f. 2.500,-. Van der Ebs rol in de firma was niet helemaal uitgespeeld, zo blijkt uit de bepaling dat hij wel gedurende die 8 jaar bij de cargadoorsfirma moest blijven, anders zou de uitkering ophouden. Voor de nieuwe onderneming moeten de beginjaren moeilijk zijn geweest. Na de inlijving bij Frankrijk was de directe handel met Engeland vrijwel onmogelijk. De aantallen bij Brielle en Hellevoetsluis binnenvarende en uitvarende schepen daalden dramatisch. Na 1810 was de handel met het buitenland slechts mogelijk met keizerlijke licentie. Op allerlei manieren trachtten ondernemingen het hoofd boven water te houden en de contacten met Engeland te laten voortduren. J. Hudig had juist sterke banden met Engeland en veel handelsrelaties in dat land. Via Engeland bleef Hudig & Blokhuyzen handelen met Suriname dat in de jaren 1799-1802 en 1804-1816 onder Engels bewind was gekomen. Hudig & Blokhuyzen hadden zelfs een naam opgebouwd in het ontduiken van het Continentale Stelsel. De Franse ambtenaar Marivault verdacht een door Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb gebouwde schokker ervan dat die gebruikt werd voor het smokkelen van brieven en passagiers naar Engeland. Bij een ander incident werd de bediende van de firma ondervraagd en concludeerde Marivault dat Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb 'peuvent être placés au nombre des négociants de Rotterdam dont les relations avec Angleterre ont été les plus constantes'. Na de voor de handel moeilijke Franse tijd kwam de firma tot bloei. In Rotterdam waren nogal wat cargadoorsbedrijven, die elkaar flink beconcurreerden. Desondanks rekende R. Mees Hudig & Blokhuyzen in 1830 tot het één na belangrijkste cargadoorsbedrijf van Rotterdam. Uit de bijna dagelijks geplaatste advertenties van Hudig & Blokhuyzen in de Rotterdamsche Courant blijkt dat de zaken goed gingen. Sinds 1825 was Hudig & Blokhuyzen ook bij de scheepsrederij betrokken. In dat jaar begon Anthony van Hoboken zijn 'rederij van vier schepen', een intitiatief waaraan verschillende Rotterdamse firma's en particulieren deelnamen. Als boekhouders van de rederij fungeerden Vink & Co., D. Blankenheijm, Kuijper Van Dam & Smeer en Hudig & Blokhuyzen, ieder voor een schip. Hudig & Blokhuyzen hadden een aandeel van f. 10.000,- in de rederij, F.W. Hudig ( de oudste zoon van Jan Hudig) een aandeel van f. 1.000,-. Zelfs koning Willem I toonde zijn belangstelling voor de onderneming met een deelname van f. 20.000,-. Rond 1847 telde Rotterdam ca. 25 grote en kleine rederijen, die hun kantoren dicht bij elkaar aan de Wijnhaven, Scheepmakershaven, Leuvehaven, Nieuwehaven en Boompjes hadden. Tot de grotere rederijen behoorden C. Balguerie & Zoon, A. van Hoboken & Zonen, Hudig & Blokhuyzen, H. van Rijckevorssel, C. Serruijs, E. Suermondt & Zoonen, J.R. Veder en C. Vlierboom & Zoon. Behalve lading vervoerde Hudig en Blokhuyzen in de tweede helft van de negentiende eeuw passagiers, en wel emigranten naar de Verenigde Staten. Rotterdam was van oudsher een belangrijke haven voor landverhuizers. In de jaren 1846-1848 vertrokken ca. 9500 buitenlandse (meest Duitse) en ca. 8600 Nederlandse landverhuizers via Rotterdam naar Noord-Amerika. Op de heenreis vervoerden de schepen passagiers en als teruglading werd meestal graan ingeladen. De firma Wambersie was de belangrijkste cargadoor in dit opzicht, maar Hudig & Blokhuyzen nam ook een groot aandeel. Van de 145 schepen die in 1846-1848 vanuit Rotterdam op weg naar Noord-Amerika het Voorns kanaal passeerden, stonden 64 op naam van Hudig & Blokhuyzen als cargadoor (tegen 53 schepen op naam van Wambersie!). Tevens voer Hudig & Blokhuyzen zelf als reder op Noord-Amerika met schepen als de schoener Tropicus, de brigantijn Koophandel, de schoener Zodiac, de schoener Amphitrite en de schoener Polaris. J. Hudig was op 2 manieren betrokken bij de landverhuizers: als cargadoor en als lid van de in 1838 door de gemeente benoemde Commissie van Toezicht op de landverhuizers. Alle betrokken reders, scheepsmakelaars en cargadoors waren aan de commissie verantwoording schuldig. In 1850 trachtte Hudig & Blokhuyzen samen met andere firma's, die zich bezighielden met het vervoer van landverhuizers, een nieuwe markt aan te boren door een lijndienst met stoomschepen op Amerika op te zetten. Een comité gevormd door Wm Ruys JDzn., Corn. Balguerie & Zn., Wambersie & Crooswijck en Hudig & Blokhuyzen deed een beroep op Rotterdamse handel. Hudig & Blokhuyzen schreef zich in voor f. 20.000,-. Dit was tegen de zin van J. Hudig sr., die vond dat het steunen van een dergelijke onderneming tegen de belangen van Hudig & Blokhuyzen indruiste. Reders van Amerikaanse zeilschepen zouden zich immers afkeren van een firma die belangen had in de Rotterdamsch Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij. De nieuwe maatschappij werd op 13 november 1850 opgericht. Een kapitaal van f. 1.200.000,- was nodig voor het welslagen van de onderneming, maar dit kwam financieel niet rond. De plaatsing van de laatste f. 140.000,- vormde het struikelblok. Daarom werd op de vergadering van 17 november 1855 het besluit genomen het plan te stoppen. Hudig & Blokhuyzen had al vroeg het belang van stoomschepen onderkend en hadden een stoomsleepbootje De Zuid-Holland in bedrijf 'tot het slepen van zeeschepen op de vaarwateren van Zuid Holland en Zeeland en tot het slepen van zoodanige schepen in & uit de zee'. Van koning Willem I hadden ze in 1839 vergunning gekregen het schip in het buitenland aan te schaffen. Zelfs de vice-admiraal inspecteur-generaal van het loodswezen, A.C. Twent, informeerde bij J. Hudig of hij De Zuid-Holland kon bezichtigen in verband met haar bruikbaarheid voor het loodswezen. In 1851 trad de bejaarde Jan Hudig terug uit de firma, die werd voortgezet door zijn twee zoons Jan en Dirk Hudig. Zwager Blokhuyzen had zich al eerder in 1845 uit de firma teruggetrokken, maar had toestemming gegeven zijn naam te blijven voeren. Pieter Hudig, een kleinzoon van Jan Hudig sr., had op 15 november 1856 met G.S. Pieters, de vroegere hoofdkassier van Hudig & Blokhuyzen, een concurrerende cargadoorsfirma opgericht onder de naam Hudig & Pieters. Deze daad van P. Hudig werd begrijpelijkerwijs niet door iedereen in de familie gewaardeerd. Op 16 april 1857 nam Jan Hudig jr. zijn 19-jarige zoon Jan Jzn. als firmant in Hudig & Blokhuyzen op. De jonge firmant moest al wel heel snel op eigen benen staan, want op 28 mei 1857 overleed zijn vader. Om zijn positie te versterken ging J. Hudig met ingang van 1 september 1857 een compagnieschap aan met L.W. Veder, waarbij de vertrouwde naam van Hudig & Blokhuyzen gehandhaafd bleef. Van de familie Blokhuyzen werd toestemming verkregen hun familienaam in de firma te houden. In 1877 werd door J. Hudig en L.W. Veder een Amsterdams filiaal opgericht onder de naam Hudig & Blokhuyzen, later Hudig, Veder & Co geheten. Mogeljk trad Hudig & Blokhuyzen in 1887 als cargadoor op voor de Schotse bark Highland Forest, het schip, waarmee de schrijver J. Conrad naar Semarang vertrok? Rond 1880 was Hudig & Blokhuyzen actief als charterer in de vaart op Spanje. De firma huurde een stoomschip voor een aantal maanden en liet het in Spanje (Bilbao) bevrachten met ijzererts voor Rotterdam, dat in die tijd snel opkwam als doorvoerhaven voor het Duitse achterland. Naar Spanje werden via Engeland kolen vervoerd. Via Pinkney Sons & Clare werden meestal schepen gecharterd, waarvan het essentieel was dat ze 'light draft, strenght and speed' hadden. De rederijactiviteiten kregen nieuw leven toen J. Hudig en L.W. Veder in 1882 een rederij oprichtten onder de naam Hudig & Veder. Het eerste schip was het stoomschip Echo, dat gebouwd werd op de scheepswerf van Fop Smit te Slikkerveer. In 1884 volgde de te water lating van het s.s. Ino. De groei van de rederij zette door; zo schreef J. Hudig in 1888: 'Over de zaken mag ik in dit en het vorige jaar niet klagen: de crisis die zoo lang heeft geduurd is over (...) ik houd mij overtuigd dat voor de stoomvaart een betere tijd aanbreekt; dit heeft Veder en mij dan ook doen besluiten een schip van 2400 ton dat te Sunderland in aanbouw is aan te koopen; het zal 9 juni afloopen en Callisto heeten: hoofdzakelijk zullen wij er mede op de Zwarte Zee en Spanje varen.' De rederij was de in de achttiende en tot ver in de negentiende eeuw gebruikelijke 'partenrederij', waarbij een aantal investeerders een schip kocht of liet bouwen en deelde in winst of verlies. Hudig en Veder waren de boekhouders, de directeuren, en bezaten 8 van de 35 aandelen. Onder de andere aandeelhouders bevonden zich bevriende bedrijven of familie of relaties zoals J.R. Veder & Zonen (het koopmans- en redersbedrijf van Veders vader), het kassiersbedrijf Jan Havelaar & Zoon, Hendrik Veder (L.W. Veders oom), Ferrand Whaley Hudig (Hudigs broer) en directeur van gemeentewerken G.J. de Jongh. Hudig & Blokhuyzen, in 1795 opgericht als kleine firma door een paar compagnons, floreerde en schaalvergroting diende zich aan; in de kapitaalbehoefte werd voorzien, doordat verwanten of bekenden geld in de onderneming belegden. Aan het eind van de negentiende eeuw werd overgegaan tot de naamloze vennootschap als bedrijfsvorm. In 1899 vormden J. Hudig, zijn zoon W.C. Hudig en J.C. Veder (reders en cargadoors), mr. Ian Havelaar (kassier en makelaar) en Anthony Veder (toen agent der Crediet-Vereeniging en de oprichter van de Anthony Veder groep) de N.V. Hudig & Veder's Stoomvaart-Maatschappij. In 1912 werd naast bovengenoemde rederij de N.V. Maatschappij Zeevaart opgericht. J.C. Veder en W.C. Hudig waren directeuren en J. Hudig, A. Veder en mr. J. Havelaar commissarissen. Doel van de Maatschappij was het 'kopen, huren en verhuren en in het algemeen de exploitatie, in de meest ruime zin, van eigen of gehuurde schepen, alsmede het deelnemen in zaken van anderen die ditzelfde doel beogen'. De Maatschappij Zeevaart liet verscheidene schepen bouwen bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Haar eerste schip, het s.s. Arundo, werd in 1912 gebouwd, in 1914 volgde de levering van het s.s. Leto. In 1914 ging de N.V. Hudig & Veder's Stoomvaart-Maatschappij op in de N.V. Maatschappij Zeevaart, toen haar schepen, het s.s. Callisto en Themisto, door de N.V. Maatschappij Zeevaart werden overgenomen. De firmanaam Hudig & Blokhuyzen bleef tot 1903 gehandhaafd; vanaf dat jaar werden de zaken gevoerd onder de naam Hudig & Veder. Met gevoel voor traditie is in het telegramadres van Hudig & Veder c.q. Hudig Veder & Dammers, 'Blokhuyzen', is de band met een van de vroegere oprichters behouden gebleven. De Amsterdamse vestiging ging verder onder de naam Hudig, Veder & Co. Procuratiehouder J. Vink van het Amsterdamse kantoor schreef over deze naamsverandering aan de firmanten 'dat de firma Hudig & Blokhuyzen geheel zal verdwijnen, om plaats te maken voor Hudig & Veder, is wellicht voor u een punt van overweging geweest, maar de omstandigheden in aanmerking genomen, is het wellicht (...) een goede oplossing. Indien nu de firma Hudig & Veder de naam die de firma Hudig & Blokhuyzen steeds overal had, weet hoog te houden, dan zal het succes, zoodra weder betere tijden aanbreken ook wel volgen.' In 1919 richtte Hudig, Veder & Co. te Amsterdam samen met B.J. van Hengel, de wed. Jan Salm & Meijer, D. Burger & Zoon het Vereenigd Cargadoorskantoor (V.C.K.) op, dat werkte als reders, cargadoors, expeditie, assurantie te Amsterdam en Zaandam. Als cargadoors werd Hudig & Veder in de vooroorlogse jaren agent voor een aantal vooraanstaande maatschappijen, zoals de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij n.v., het Italiaanse '"Adria" soc. anon. di navigazione marittima' te Fiume, John. Holt & Co. ltd. te Liverpool, de Holland-Amerika Lijn te Rotterdam, de Holland-Ierland Lijn te Rotterdam, Illinois Central System te Chicago en The Ulster Steamship Cy Ltd. (G. Heyn & Sons ltd.) te Dublin. Als een van de weinige onder de cargadoorsbedrijven exploiteerde Hudig & Veder een eigen sleepboot, de Ino. Daartoe was op 30 juli 1923 door W.C. Hudig, J.C. Veder en J. Hudig de N.V. Maatschappij Riviervaart opgericht. De Maatschappij Riviervaart was een van de kleinste maatschappijen, die lid was van de Vereeniging van sleepdienstondernemers te Rotterdam. Ter ondersteuning van de cargadoorswerkzaamheden was in 1937 het Coöperatief Havenbedrijf "Korte Vaart", gevestigd aan de Merwehaven tot stand gekomen. Het was een samenwerking tussen P.A. van Es & Co., Hudig & Veder en Phs. van Ommeren Scheepvaart Bedrijf N.V. Bij de oprichting hadden zij direct economisch voordeel door samenwerking voor ogen en de mogelijkheid om in de toekomst een concentratie van de korte lijnvaartbedrijven te realiseren, waardoor reductie van de plaatsingskosten zou plaatsvinden en Rotterdam als haven sterker zou worden. Doel van dit stuwadoorsbedrijf was 'de gemeenschappelijke uitoefening van het bedrijf van haar leden in het laden en lossen van schepen in de korte vaart, het verwerken, opslaan en afleveren van lading van die schepen en de gemeenschappelijke exploitatie van de terreinen en hulpmiddelen'. In 1963 werd Korte Vaart geliquideerd. Ierland was vanouds een belangrijk vaargebied voor Hudig & Veder. In 1864 begon Hudig & Blokhuyzen regelmatig op Ierland te varen in een lijndienst met een frekwentie van één soms twee maal per week en deze lijndienst werd tot ver in deze eeuw onderhouden. Niet zonder reden was het consulaat van de Ierse Republiek in Rotterdam gevestigd in het pand van Hudig & Veder aan de Willemskade. Ook in de vaart op Amerika was Hudig & Blokhuyzen en later Hudig & Veder actief. Vanaf 1886 tot 1906 was de firma agent voor de Neptune Line of Steamships, die opereerde tussen Rotterdam en Baltimore, Antwerpen en Baltimore en Wear & Tyne en Baltimore. In 1903 werd met twee schepen aan de Hammond Line, een lijndienst New Orleans - Rotterdam, deelgenomen. Een vrij grote expertise werd opgebouwd, gezien dit citaat over Hudig & Blokhuyzen 'the brokers to undertake American consignments, seeing they have had the exclusive agency of the 'Neptune' Line & other American Lines for so many years'. Samen met de Holland-Amerika Lijn (Stoomvaart Maatschappij Amsterdam) exploiteerde Hudig & Veder met de schepen Callisto en Themisto vanaf 1905 een lijndienst op Florida (Savannah) onder de naam Burg Line. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een onderbreking van de lijndienst, maar aan het eind van de oorlog werd de Burg Line hervat. De laatste vaarten vonden plaats in 1921, toen de niet renderende lijn werd afgestoten. De in 1938 opgerichte motorbootmaatschappij Bynia was een zustermaatschappij van de N.V. Maatschappij Zeevaart. Haar eerste schip was het m.s. Koert, dat echter na vordering door de Duitsers in 1942 vergaan is. Hudig & Veder N.V. was in de jaren '60 tevens manager van de N.V. Ertslijn (N.V. Scheepvaartmaatschappij Zodiak i.s.m. Hüttenwerk Oberhausen A.G.), waarvoor de schepen Tweelingen en Kreeft voeren op ertshavens met thuishaven Rotterdam. Toen in mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen, lag het s.s. Theano in Rotterdam en waren de overige schepen van de Maatschappij Zeevaart buitengaats. De zetel van de Maatschappij Zeevaart was net op tijd verplaatst naar Batavia; in 1946 werd de vestigingsplaats weer Rotterdam. De door Nederlandse reders te Londen opgerichte Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie (N.S.H.C.) werd door de Nederlandse regering in ballingschap belast met het 'custodianship' over rederijen, wier directies in bezet gebied waren. De schepen werden tot na afloop van de oorlog op timecharter genomen door het Engelse Ministry of Shipping, later Ministry of War Transport. Aanvankelijk exploiteerde de N.S.H.C. de schepen voor rekening en risico van de rederijen, maar in juni 1942 werd de Nederlandse handelsvloot door de Nederlandse regering gevorderd. Aan de rederijen werd een vaste verbruiksvergoeding toegekend. Tot in maart 1946 bleef de vordering gehandhaafd; in dat jaar werd de United Maritime Authority (U.M.A.) opgeheven, die als doel had te zorgen voor een efficiënt gebruik van de scheepsruimte ten behoeve van de oorlogvoering en van de hulpverlening aan de bevrijde gebieden. Voor Hudig & Veder en Maatschappij Zeevaart heersten na de Tweede Wereldoorlog uiterst moeilijke omstandigheden. Het verlies van 41 bemanningsleden telde zwaar. De haven van Rotterdam was aan het eind van de oorlog door de Duitsers verwoest. Vier schepen van de Maatschappij Zeevaart waren in de oorlog verloren gegaan, te weten het s.s. Arundo (b.j. 1930; 9300 ton, getorpedeerd 28-4-1942 op de kust van New Jersey), het s.s. Leto (b.j. 1929, 8680 ton, getorpedeerd 11-5-1942 in de Golf van St. Laurens), het s.s. Trito (b.j. 1921, 1515 ton, verloren 27-9-1940 in het Kanaal) en het s.s. Theano (b.j. 1920, 1515 ton, gevorderd door de Duitsers januari 1942 en verloren december 1942). Dit liet de Maatschappij slechts de beschikking over het s.s. Themisto (b.j. 1928, 8615 ton) en het s.s. Colytto (b.j. 1926, 7450 ton). Na enkele wederopbouwjaren brak een periode van expansie aan. De vloot breidde zich weer uit, zodat zij in 1951 weer het vooroorlogse aantal van zes schepen telde, waarbij bovendien nog twee motorschepen in aanbouw waren. De Maatschappij was direct na de oorlog niet vrij in het bepalen van de te maken reizen. Het door de Nederlandsche Reedersvereeniging in het leven geroepen Allocatiebureau deelde in samenwerking met de betrokken ministeries de beschikbare tonnage in. Hudig & Blokhuyzen was aanvankelijk gevestigd in een pand op de hoek van de Geldersekade en de Wijnhaven, het woonhuis van de familie Hudig. In 1869 verhuisde de firma naar het Willemsplein nr. 8, waar ook de in 1882 opgerichte rederij Hudig & Veder was gevestigd. In 1912 is een nieuw pand aan de Willemskade 23 betrokken dat bij het bombardement van Rotterdam beschadigd werd. In de oorlogsjaren was het kantoor tijdelijk gevestigd aan de Westerkade 5, het huis van de familie Veder, terwijl de Willemskade gerestaureerd werd. Op 15 mei 1945 bestond Hudig & Veder 150 jaar, welk jubileum vanwege de oorlogsomstandigheden niet gevierd is. Wel keerde de firma in juli 1945 terug in het pand aan de Willemskade 23. Nauw verbonden met Hudig & Veder was John Hudig & Son B.V., dat sinds 1818 als agent van de verzekeringsmarkt Lloyd's te Londen optrad en ondermeer ook het Institute of London Underwriters vertegenwoordigde. De familie Hudig en de familie Veder traden deze eeuw uit de firma. In 1925 vond J.G.A. Fontein (1894-1977) als firmant een plaats in het bedrijf. Zijn zoon G.A. Fontein werd in 1951 mededirecteur van N.V. Hudig & Veder en firmant van John Hudig & Son. Inmiddels hebben de de zonen van G.A. Fontein de leiding overgenomen.
1813(1913)-1937 Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw hadden de Nederlands-Britse betrekkingen zich voornamelijk beperkt tot de handel, een ontwikkeling die in de eerste decennia van de 20e eeuw versterkt voortgezet werd, in de vorm van een toenemende economische vervlechting. De Nederlands-Britse handel kwam vanaf het midden van de 19e eeuw steeds meer in het teken van de vrijhandel te staan, met als mijlpalen de afschaffing van de Britse Acte van Navigatie in 1849, de liberalisering van de Nederlandse scheepvaartwetgeving, inclusief de beëindiging van de bevoorrechting van de Nederlandse vlag in Indië in 1850, de opheffing van de Britse protectionistische graanrechten, en de totstandkoming van de Nederlandse Tariefwet van 1862, die een periode van wederzijdse tariefverlagingen afsloot. Overigens werkte de vrijhandel lange tijd vooral in het voordeel van Groot-Brittannië: in de 19e eeuw bleef de Nederlandse export naar Groot-Brittannië belangrijk achter bij de Nederlandse import uit dat land, waardoor de bilaterale handelsbalans voor ons land dus negatief was. Pas na de Eerste Wereldoorlog veranderde de bilaterale handelsbalans in het voordeel van Nederland. Maar wat goederen en producten betrof, bleef de samenstelling van het wederzijdse handelspakket tot 1940 in grote lijnen gelijk aan de situatie in de 19e eeuw: Nederland exporteerde ook in de 20e eeuw nog vooral zuivelproducten, vlees en groenten naar het Verenigd Koninkrijk, en importeerde voornamelijk nog altijd steenkool, ijzer en staal, machines, en wol. Na 1870 nam de aanwezigheid van grote Nederlandse ondernemingen in Groot-Brittannië geleidelijk toe, een ontwikkeling die o.a. leidde tot de oprichting in 1873 van de Hollandse Club in Londen. In 1890 gebruikte de Nederlandse consul-generaal te Londen, H.S.J. Maas, dit forum om felle kritiek te leveren op de Nederlandse exporteurs van boter, kaas en groenten, die als gevolg van hun gemakzucht en de gebrekkige kwaliteit van hun producten hun marktaandeel in Groot-Brittannië dreigden te verliezen aan buitenlandse concurrenten. Het optreden van Maas leidde in 1891 tot de oprichting van de Nederlandse Kamer van Koophandel in Londen, die in de volgende jaren veel heeft bijgedragen aan het herstel van de goede naam van Nederlandse producten op de Britse markt. Een actieve rol ter bevordering van de Nederlandse economische belangen werd daarbij vervuld door F.C. Stoop, die tot ver na de Eerste Wereldoorlog in Londen zowel president van de Hollandse Club als voorzitter van de Nederlandse Kamer van Koophandel was. In de 20e eeuw uitte de toenemende vervlechting van Nederlandse en Britse economische belangen zich in de vorming via fusies van grote gezamenlijke multinationale ondernemingen, met als belangrijkste voorbeelden de Koninklijke Shell (1907) en Unilever (1929). In hun wederzijdse economische betrekkingen bleven Nederland en Groot-Brittannië tot de grote wereldcrisis van de jaren dertig vasthouden aan het vrijhandelsprincipe. Toen de Nederlandse exporteurs echter grote problemen kregen door de devaluatie van het Britse pond, ging de Nederlandse regering uiteindelijk over tot het instellen van invoerbeperkingen. Inmiddels was de omvang van de Nederlandse export naar Groot-Brittannië teruggelopen van 382 miljoen gulden in 1930 tot 142 miljoen in 1935, terwijl de import uit dat land in dezelfde periode daalde van 227 miljoen gulden tot 87 miljoen. Maar na de devaluatie van de gulden in 1936, herstelde de Nederlands-Britse handel zich weer krachtig. In tegenstelling tot de economische relaties, waren de politieke betrekkingen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk lange tijd veel minder intensief. Dit ondanks de functie van belangrijk internationaal politiek centrum, die Londen in de 19e en het begin van de 20e eeuw vervulde. Zo werd bijvoorbeeld het scheidingsverdrag tussen Nederland en de nieuwe Belgische staat in 1839 in de Britse hoofdstad getekend, terwijl daar in de daarop volgende eeuw nog vele internationale conferenties, diplomatieke bijeenkomsten en verdragen zouden volgen. Wel waren er soms bilaterale contacten tussen Nederland en Groot-Brittannië, beide immers zeevarende en koloniale mogendheden, over de koloniën. Zo droeg Nederland in 1872 zijn laatste bezittingen aan de West-Afrikaanse Goudkust, met als belangrijkste vestiging het fort Elmina, aan de Britten over. Daarvoor was een jaar eerder de zogenoemde Sumatra-overeenkomst gesloten, een drievoudig verdrag, waarbij Engeland de Nederlandse Goudkust-bezittingen over nam, terwijl Nederland de vrije hand kreeg in Atjeh, en bovendien de beschikking kreeg over contractarbeiders uit Brits-Indië voor de plantages in Suriname. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in Zuid-Afrika ontstond overigens in de Nederlandse publieke opinie gedurende lange tijd een sterke anti-Britse gezindheid. Zo wekte de eerste strijd van Transvaal en Oranje-Vrijstaat tegen de Engelsen in 1877 veel Nederlandse sympathie voor de Zuid-Afrikaanse Boeren op, hoewel de Nederlandse regering toen geen stappen of bemiddelingspogingen ondernam. Tijdens het volgende conflict, de grote Boerenoorlog van 1899-1901, nam Nederland wel enkele initiatieven. Zo werd in 1900 een kruiser naar Laurenço Marques gestuurd om president Krüger uit Transvaal op te halen, en werd er enige diplomatieke hulp verleend ter beëindiging van de strijd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de oude anti-Engelse gezindheid in het neutrale Nederland al snel plaats voor een meer anti-Duitse gezindheid, als gevolg van de Duitse inval in België in 1914. Tijdens de oorlogsjaren had vooral de Nederlandse scheepvaart veel te lijden van het optreden van beide oorlogvoerende partijen: in totaal gingen 121 Nederlandse koopvaardijschepen en 96 vissersschepen verloren door torpedo's en mijnen, waarbij bijna 1200 opvarenden omkwamen. In juni 1916 brachten de Britten de volledige Nederlandse vissersvloot op de Noordzee op, omdat er teveel vis aan de Duitsers zou worden verkocht. Pas nadat Nederland zich verplicht had voortaan nog maar een klein deel van de visvangst te zullen exporteren, werden de schepen weer vrijgegeven. In maart 1918 werden bovendien alle Nederlandse koopvaardijschepen in Britse en Amerikaanse havens, tegen een schadevergoeding, in beslag genomen, hetgeen grote opwinding in Nederland veroorzaakte. In de periode van het Interbellum (1918-1939) was er daarentegen sprake van goede bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Groot-Brittannië.Toen bijvoorbeeld België na de Eerste Wereldoorlog de annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg nastreefde, ondervond het Nederlandse standpunt meer begrip in Londen dan in Parijs. In 1913, het jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, stond de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Groot-Brittannië en Ierland al jaren lang onder leiding van buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister mr. K.W.P.F. baron Gericke van Herwijnen (sinds 18 november 1899). Het adres van de Nederlandse legatie was: Londen SW, 8 Grosvenor Gardens. Per 1 oktober 1913 werd als nieuwe Nederlandse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister benoemd, jhr. mr. R. de Marees van Swinderen. Direct voor zijn benoeming tot Nederlands gezant in Londen, "aan het Hof van St.-James", zoals de officiële benaming luidde, was De Marees van Swinderen minister van buitenlandse zaken geweest (1908-1913). Van Swinderen, geboren in 1860 te Groningen, had voor zijn ministerschap al carrière gemaakt in de diplomatieke dienst, met als laatste standplaats Washington, waar hij van 1904 tot 1908 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister was. De positie van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Londen, die in de jaren daarvoor van steeds minder belang was geworden, kreeg door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor het neutrale Nederland plotseling groot gewicht. Tijdens zijn lange periode als gezant in Londen (1913-1937), kreeg De Marees van Swinderen al snel de reputatie sterk pro-Brits te zijn. Zo was hij tijdens die oorlog erg kritisch over de Nederlandse neutraliteitsverklaring van 30 juli 1914. En in augustus 1916 werd Van Swinderen zelfs door minister Loudon van buitenlandse zaken terechtgewezen, omdat de gezant de verontwaardiging in ons land over de inbeslagneming van de Nederlandse vissersvloot door de Engelsen ongerechtvaardigd had genoemd. Na de Eerste Wereldoorlog, toen er sprake was van mogelijke Belgische territoriale eisen ten koste van Nederland, speelde Van Swinderen echter, dankzij zijn goede contacten met Britse en Franse staatslieden en diplomaten, een belangrijke rol bij de voor Nederland gunstige uitkomst van het internationale overleg over de herziening van de verdragen van 1839 met België (Zie voor een overzicht van gesloten verdragen, bijlage 2). Ook daarna bleef Van Swinderen tijdens de jaren twintig en dertig zijn stempel drukken op de, toen goede, Nederlands-Britse bilaterale betrekkingen. Na zijn pensionering in 1937 bleef de oud-gezant aanvankelijk in Londen wonen: aan Eaton Square, naast de voormalige Britse premier Baldwin. Later verhuisde Van Swinderen naar Washington, maar na de Tweede Wereldoorlog keerde hij weer naar Londen terug. Pas begin 1955 zou De Marees van Swinderen, op 94-jarige leeftijd, overlijden. Veel Nederlandse diplomaten bleven overigens hoogstens maar enkele jaren op het gezantschap in Londen werkzaam. Enkele andere diplomaten daarentegen bleven vele jaren aan het gezantschap verbonden. Zo was H.N. Brouwer tot 1929 (sinds 1914) directeur van de kanselarij, terwijl gezant De Marees van Swinderen (sinds 1913) en handelsattaché s'Jacob (sinds 1918) zelfs in 1937 nog in Londen in functie waren. Overigens trad dat jaar, met ingang van 16 juli, een nieuwe Nederlandse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen aan: mr. J.P. graaf van Limburg Stirum (Zie ook bijlage 1). In die jaren van het Interbellum verhuisde het Nederlandse gezantschap diverse malen in Londen: van Grosvenor Gardens naar 32 Greenstreet Mayfair (1922), naar 42 Seymourstreet W.I. (1923), naar 21 Portman Square (1928), weer terug naar 42 Seymourstreet W.I (1929), en weer naar 21-A Portman Square W.I. (1931). Tot het zeer uitgebreide ressort van het Nederlandse gezantschap te Londen behoorden in de periode 1913-1937, naast het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en (Noord-)Ierland (Na de oprichting van de Ierse Vrijstaat op 6 december 1921 had Ierland de status van dominion onder een Britse gouverneur-generaal, Noord-Ierland bleef deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, terwijl pas in 1949 de laatste banden met het Britse Gemenebest verbroken werden, toen Ierland een onafhankelijke republiek werd), ook de Nederlandse consulaten in de vele Britse autonome gebiedsdelen of dominions, koloniën, protectoraten en mandaatgebieden in Europa, Amerika, Afrika, Azië en Australië. Voor een overzicht van de vele tientallen Nederlandse consulaire vestigingen in die gebieden, kan verwezen worden naar de inventaris van het archief van het gezantschap te Londen, en naar de Staatsalmanakken voor het Koninkrijk der Nederlanden uit de betreffende periode. Ook met de Ierse Vrijstaat werden, als Brits dominion, door Nederland betrekkingen op consulair niveau onderhouden. Dat gold in de periode voor 1937 eveneens voor de Nederlandse betrekkingen met Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Brits-Indië. Wel vervulden de Nederlandse consulaten-generaal in de Britse koloniale gebieden in Azië, evenals in Australië en Nieuw-Zeeland, ook zonder officiële diplomatieke status, in de praktijk diplomatieke taken. Behalve met consulaire werkzaamheden en economische berichtgeving, hielden deze consulaire vestigingen zich namelijk ook bezig met het rapporteren over binnenlandse ontwikkelingen, en het namens de Nederlandse regering ondernemen van demarches bij de koloniale gouvernementen. Verder had Nederland alleen in het Britse dominion Zuid-Afrika, en in het onder sterke Britse invloed staande Egypte (Brits protectoraat van 1882 tot 1922, daarna in naam een onafhankelijke staat, hoewel Londen de controle hield over de Egyptische defensie, het Suezkanaal, de bescherming van minderheden en buitenlandse belangen, alsmede het bestuur van Soedan) diplomatieke vertegenwoordigers. In Egypte en Zuid-Afrika waren respectievelijk sinds 1922 en 1927 Nederlandse buitengewoon gezanten en gevolmachtigd ministers. 1937-1945 In vergelijking met de lange periode van, oud-minister van buitenlandse zaken, De Marees van Swinderen als chef de poste in Londen (1913-1937), vervulde zijn opvolger de functie van Nederlands buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Groot-Brittannië slechts korte tijd. Mr. J.P. graaf van Limburg Stirum, voormalig Nederlands gezant in Berlijn, werd benoemd op 16 juli 1937, maar twee jaar later, op 16 september 1939, volgde al de benoeming van een nieuwe buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen: jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen. Na de Duitse bezetting van het neutrale Nederland in mei 1940, ontstond een nieuwe situatie. Nederland werd een bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk in de oorlog tegen Nazi-Duitsland. Groot-Brittannië werd een toevluchtsoord voor de Nederlandse koninklijke familie, de Nederlandse regering, en in eerste instantie ongeveer 3000 andere Nederlandse vluchtelingen, onder wie zo'n 1400 militairen. Later voegden zich vanuit het bezette Nederland, vaak via lange omwegen, nog eens ongeveer 2600 "Engelandvaarders" bij hun landgenoten in het Verenigd Koninkrijk. Verder fungeerden in de loop van de Tweede Wereldoorlog de Britse havens als thuishavens voor een belangrijk deel van de Nederlandse koopvaardijvloot, en volgden enkele duizenden Nederlanders een militaire opleiding in Engeland, om daarna bij de geallieerde strijdkrachten te worden ingedeeld. Zo werd in 1943 de Nederlandse Irene-brigade in Engeland toegevoegd aan de, voornamelijk uit Britten en Canadezen bestaande, 21ste Army Group. In mei 1940 woonden er in en rond Londen 6000 Nederlanders, die veel hebben gedaan voor de opvang van hun nieuw aangekomen landgenoten. Tot degenen die zich verdienstelijk hebben gemaakt, behoorde bijvoorbeeld de president-directeur van Unilever, Paul Rijkens. Ook kon de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, bij de noodzakelijke opbouw van nieuwe departementen, putten uit het arbeidsreservoir van de al aanwezige Nederlandse kolonie, vooral voor administratieve krachten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren Nederland en Noorwegen de enige door Duitsland bezette landen, waarvan zowel de regering als het staatshoofd naar Engeland waren uitgeweken. Dat versterkte de Nederlandse positie in Londen aanzienlijk, evenals het feit dat de Nederlandse regering in ballingschap over een sterke marine kon beschikken. Na het verlies van Nederlands-Indië aan Japan in maart 1942 nam het belang van de Nederlandse bijdrage aan de geallieerde oorlogsinspanningen overigens af, waarmee ook de invloed van de Nederlandse regering op de Britse verminderde. Hoe belangrijk de nauwe relaties met de Britse regering voor het Nederlandse oorlogskabinet echter waren en bleven, bleek bijvoorbeeld uit de benoeming van de Nederlandse gezant in Londen, Michiels van Verduynen, tot minister zonder portefeuille, met ingang van januari 1942. Michiels van Verduynen, die tot 16 mei 1945 deel uitmaakte van het Nederlandse kabinet, bleef ook na de oorlog, tot zijn dood in 1952, de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het Verenigd Koninkrijk leiden. Overigens was er bij de aankomst van de Nederlandse regering in Londen aanvankelijk gevreesd voor het ontstaan van ernstige competentiegeschillen, omdat de regering in het algemeen en minister van buitenlandse zaken Van Kleffens in het bijzonder nu de mogelijkheid kregen, om direct met de Britse autoriteiten in contact te treden, en desgewenst de Nederlandse gezant te passeren. Deze vrees bleek echter ongegrond. Van Kleffens bleef in de praktijk zoveel mogelijk vasthouden aan de bestaande procedures: Michiels van Verduynen en zijn medewerkers bleven verantwoordelijk voor alle politieke contacten met de Britse regering, terwijl de verschillende Nederlandse vakdepartementen zich richtten op het overleg met de Britten over de technische aspecten van onderwerpen als scheepvaart, economische oorlogsvoering, financiën, en militaire en marinezaken. Mede om de positie van zijn gezant ook formeel te versterken, stelde minister-president Gerbrandy op 30 december 1941 voor Michiels van Verduynen te benoemen tot minister zonder portefeuille, hetgeen na de goedkeuring door kabinet en koningin op 1 januari 1942 gebeurde. Daardoor kon Michiels van Verduynen tijdens de oorlogsjaren, bij afwezigheid van de minister van buitenlandse zaken, automatisch als diens plaatsvervanger optreden. Vervolgens werden in mei 1942 de wederzijdse Nederlandse en Britse gezantschappen tot ambassade verheven. Daaraan was overigens een hele geschiedenis voorafgegaan. Al vanaf 1928 werd er door het Nederlandse parlement op aangedrongen om de diplomatieke betrekkingen met de grote mogendheden op het niveau van ambassadeurs te brengen. In 1815 was op het Congres van Wenen afgesproken, dat alleen tussen grote mogendheden onderling ambassadeurs werden uitgewisseld. Andere landen dienden zich te beperken tot ten hoogste het niveau van gezanten. Na de Eerste Wereldoorlog waren Groot-Brittannië en Frankrijk echter in enkele gevallen van deze diplomatieke regel afgeweken, waar het vroegere bondgenoten betrof. Verschillende leden van de Eerste en Tweede Kamer vonden daarom, dat Nederland nu niet langer kon achterblijven. Na allerlei binnenlands-politieke verwikkelingen (Zo verzette koningin Wilhelmina zich aanvankelijk tegen de oprichting van ambassades, uit vrees dat de Heilige Stoel dan een nuntius in Den Haag zou benoemen, die vervolgens doyen van het corps diplomatique zou worden), stelde minister van buitenlandse zaken De Graeff in 1935 eerst in Londen voor om de wederzijdse diplomatieke betrekkingen op ambassadeursniveau te brengen. Later zouden dan, wat Nederland betrof, Parijs, Washington, Berlijn, Rome en Tokio dit voorbeeld moeten volgen. Op 21 juni 1935 wees de Britse regering het Nederlandse voorstel echter af, terwijl ook de pogingen van gezant De Marees van Swinderen in de volgende jaren geen succes hadden. Zelfs nadat Nederland en Groot-Brittannië door de Duitse inval van mei 1940 bondgenoten waren geworden, bleef de Britse regering vasthouden aan haar besluit om geen nieuwe ambassades op te richten. Maar juist de deelname aan de oorlog vormde voor Nederland en andere kleine mogendheden een extra reden om opnieuw op de uitwisseling van ambassadeurs aan te dringen. De Nederlandse diplomatie richtte haar streven, in wat nu de "ambassadekwestie" werd genoemd, vervolgens op Washington. Deze strategie slaagde uiteindelijk: op 7 mei 1942 overhandigde Loudon als eerste Nederlandse ambassadeur in Washington zijn geloofsbrieven aan president Roosevelt. De Britse regering kon nu niet achterblijven, en maakte daarom al een dag later het besluit bekend ook de wederzijdse Britse en Nederlandse gezantschappen tot ambassades te verheffen. Daarna bood Michiels van Verduynen op 28 mei 1942 zijn geloofsbrieven als buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur aan koning George VI aan, terwijl de Britse ambassadeur, Sir Nevile Bland, op 2 september van dat jaar hetzelfde deed aan koningin Wilhelmina. Deze laatste ceremonie had enige vertraging opgelopen, door eerst ziekte en later een reis van de Nederlandse koningin naar de VS en Canada. Tijdens de oorlogsjaren concentreerde Michiels van Verduynen zich als Nederlands chef de poste in Londen op de algemene diplomatieke leiding, en op de behandeling van belangrijke politieke onderwerpen. Andere werkzaamheden, zoals de behandeling van economisch-politieke kwesties, liet hij veelal over aan zijn medewerkers. Veel van die, meer praktische en economische, taken werden uitgevoerd door gezantschapsraad (sinds 1943 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, ambassaderaad), jhr. mr. P.D.E. Teixeira de Mattos, en gezantschapssecretaris der eerste klasse (sinds 1943 eerste ambassadesecretaris), jhr. mr. A.P.C. van Karnebeek. Beide laatste diplomaten waren ook verantwoordelijk voor de Nederlandse vertegenwoordiging bij enkele andere regeringen in ballingschap in Londen. In 1940 en 1941 waren, als gevolg van de oorlogshandelingen, de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlandse regering in Londen en een groot aantal landen namelijk officieel of de facto verbroken. Weliswaar accrediteerde de Nederlandse regering in die jaren bij de andere Europese regeringen in ballingschap in Londen tijdelijk zaakgelastigden, maar aan de missie van de Nederlandse gezanten werd niet in al deze gevallen tegelijkertijd formeel een einde gemaakt. Afgezien van de Nederlandse missies bij de buitenlandse regeringen in ballingschap in Londen echter, waren er van de 21 Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Europa van mei 1940, in juli 1941 nog maar vijf overgebleven. Evenals in de jaren dertig, was de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de oorlogsjaren gevestigd op het adres: 21-A Portman Square. Inmiddels was in 1939 in het Britse dominion Canada, evenals al eerder in Zuid-Afrika, een apart Nederlands gezantschap opgericht, hetgeen in april 1942 ook in Australië gebeurde. Hoewel aanvankelijk eveneens voor Nieuw-Zeeland het aangaan van diplomatieke betrekkingen was overwogen, beperkte men zich uiteindelijk tot de instelling van een zelfstandig Nederlands consulair ressort voor dat land, waarvoor Nieuw-Zeeland losgemaakt werd van het Nederlandse consulaat-generaal in het Australische Sydney. 1945-1954 In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werden de Nederlands-Britse betrekkingen sterk beïnvloed door de herinnering aan de gezamenlijke strijd tegen Duitsland, terwijl in Nederland veel dankbaarheid bestond voor de Britse hulp tijdens en direct na de oorlog. Zo liggen er op Nederlands grondgebied ruim 18.000, bij de bevrijding van ons land omgekomen, militairen uit het Britse Gemenebest begraven. De bilaterale betrekkingen waren daardoor in 1945 uitstekend, maar deze goede verstandhouding werd al snel op de proef gesteld door de Indonesische kwestie. Aan het einde van de oorlog werden de geallieerde militaire operaties in Nederlands-Indië aan de Britse strijdkrachten toegewezen. Na de Japanse capitulatie duurde het echter nog enkele weken, voordat de eerste Britse troepen daar aankwamen. Inmiddels hadden de Indonesische nationalisten op Java de onafhankelijkheid uitgeroepen, en de Britse militaire commandant nam tot ontsteltenis van Nederland na zijn aankomst in Batavia contact op met de nationalistische republikeinen. Naar haar mening vond de Nederlandse regering in Londen onvoldoende begrip voor haar aanvankelijke standpunt, dat er geen sprake van enige samenwerking kon zijn met Soekarno en de overige Indonesische revolutionaire leiders. In het najaar van 1945 oefende de Britse regering juist sterke druk op Den Haag uit, om dat standpunt te wijzigen, en weigerde zelfs tijdelijk de toelating van Nederlandse troepen op Java. Nadat de Nederlandse regering eind 1945 echter instemde met overleg tussen alle bij de toekomstige status van Nederlands-Indië betrokken partijen, wees de Britse regering een bemiddelaar aan voor de besprekingen met de republikeinse leiders, terwijl de Britse strijdkrachten in Nederlands-Indië nu geleidelijk vervangen werden door Nederlandse troepen. De laatste Britse militairen vertrokken overigens pas, nadat de besprekingen onder Brits voorzitterschap in november 1946 hadden geleid tot het Akkoord van Linggadjati. Toen er in juli 1947 toch een Nederlandse politionele actie tegen de Republik Indonesia plaats vond, sprak de Britse regering direct haar hevige teleurstelling uit, en stelde bovendien een embargo in op wapenleveranties aan de Nederlandse strijdkrachten in Indië. Maar Londen onthield zich wel van steun aan een Australische resolutie in de Veiligheidsraad van de VN, waarin het Nederlandse optreden werd veroordeeld. Overigens speelde Londen na de beëindiging van de eerste politionele actie geen belangrijke rol meer in de Indonesische kwestie. Inmiddels was de Koude Oorlog begonnen, waardoor de westerse landen gedwongen werden tot een nauwere samenwerking. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Marshall, riep de Europese staten op zich te verenigen ter bestrijding van hun economische problemen, en lanceerde ter ondersteuning in 1947 zijn Marshall-plan. Daardoor werden vanaf 1948 ook de Nederlands-Britse betrekkingen sterk beheerst door de opbouw van, en samenwerking binnen, westerse en Europese organisaties. In die jaren werden door Frankrijk en Groot-Brittannië diverse initiatieven genomen voor meer samenwerking tussen alle niet-communistische Europese landen, niet alleen op economisch, maar ook op politiek en defensiegebied. In 1945 was immers het oude Europese veilgheidssysteem, dat was gebaseerd op de autonomie van de nationale staat, definitief ingestort, om te worden vervangen door de allesoverheersende tegenstelling tussen de beide supermogendheden, de VS en de Sovjet-Unie. In de volgende decennia beperkte de Koude Oorlog in hoge mate de manoeuvreerruimte van de Europese regeringen op het gebied van veiligheid en defensie. Na de Tweede Wereldoorlog al snel duidelijk geworden, dat de West-Europese landen elk voor zich niet in staat waren om tegelijkertijd hun economieën weer op te bouwen, en de door de beginnende Koude Oorlog noodzakelijke herbewapening te financieren. Een ander probleem vormde de toekomst van het na-oorlogse, democratische Duitsland: de kwestie van de heropname van de Duitse Bondsrepubliek in de Europese orde, en haar herbewapening, werd acuut. Eind 1947 was in Londen een conferentie van de Grote Vier (VS, Sovjet-Unie,Verenigd Koninkrijk en Frankrijk) over Duitsland mislukt. Tegen deze achtergrond reageerde Nederland positief op de Britse uitnodiging aan de Benelux-landen, geformuleerd door minister Bevin van buitenlandse zaken in een redevoering op 22 januari 1948 in het Lagerhuis, om samen met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk een militair pact te sluiten. Daarmee brak Nederland met zijn, voor de Tweede Wereldoorlog zo lang gevoerde, politiek van neutraliteit en zelfstandigheid. Daardoor kon op 17 maart 1948 bij het Verdrag van Brussel de Westelijke Unie (WU) door België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk worden opgericht. Dit multilaterale verdrag voorzag in samenwerking op economisch, militair en politiek gebied. In ruil voor hun steun voor de Westelijke Unie werden de Benelux-landen toegelaten tot het overleg van de drie grote westerse mogendheden over de toekomst van Duitsland. Dat gebeurde in de vorm van een gemeenschappelijke Benelux-delegatie, onder leiding van de Nederlandse ambassadeur in Londen. Op de van 26 februari tot 7 maart en 20 april tot 2 juni 1948 in Londen gehouden Zeslandenconferentie stond de politieke en economische opbouw van West-Duitsland centraal. Daarmee werd ook de deling van Duitsland, en van Europa, bezegeld: in 1949 werden de Bondsrepubliek en de DDR opgericht. De, aanvankelijk door Nederland nagestreefde, uitgebreide territoriale claims en economische compensaties ten koste van West-Duitsland (zoals die in januari 1947 bij de Grote Vier in Londen waren ingediend), pasten echter niet in het nieuwe internationale klimaat van de Koude Oorlog. Nederland moest zich daarom tevreden stellen met enkele kleine grenscorrecties (Elten en Tudderen), die in 1949 uitgevoerd werden, en in 1963 weer ongedaan werden gemaakt. Op de Nederlandse ambassade in Londen had chef de poste Michiels van Verduynen in 1947-1948 ambassadesecretaris Joseph Luns belast met de behandeling van het Duitse dossier. De latere minister van buitenlandse zaken werkte sinds november 1943 voor de Nederlandse overheid in Londen: eerst op de consulaire afdeling van het ministerie van buitenlandse zaken in ballingschap, en sinds 1944 op de ambassade. In 1949 zou Luns worden overgeplaatst naar de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties in New York. In 1949 werd vervolgens de NAVO opgericht, waarvoor de Westelijke Unie de eerste stap was geweest, en in 1950 brak de Koreaanse Oorlog uit. Door die oorlog ontstond voor het eerst (maar niet voor het laatst) het schrikbeeld van een mogelijke Amerikaanse militaire terugtrekking uit Europa, terwijl de Koude Oorlog bovendien de opbouw van een eigen defensiecapaciteit in West-Europa nog dringender maakte. Op 24 oktober 1950 stelde de Franse regering daarom, als volgende stap in het Europese samenwerkingsproces, de oprichting voor, van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG). Het ontwerpverdrag voor de EDG werd in 1952 ondertekend, om daarna aan de betreffende landen ter ratificatie te worden voorgelegd. Maar juist in Frankrijk bleek het verzet er tegen het sterkst, en op 30 augustus 1954 verwierp de Franse Nationale Vergadering dan ook de voorgestelde EDG. In plaats daarvan werd toen door de samenwerkende Europese landen besloten de, al bestaande, Westelijke Unie nieuw leven in te blazen, door deze organisatie op 23 oktober 1954 om te vormen tot de West-Europese Unie (WEU). Naast de vijf WU-landen traden nu ook West-Duitsland en Italië tot de nieuwe WEU toe. In die jaren bestonden in Nederland hoge verwachtingen over de Europese Beweging. Zo werd van 7 tot 10 mei 1948 in de Ridderzaal in Den Haag het Europees Congres gehouden, waar o.a. de Britse oppositieleider Winston Churchill een pleidooi hield voor een verenigd Europa. Dit congres, waar ook een Duitse delegatie aanwezig was, is van groot belang geweest voor de latere samenwerking in Europa op politiek, sociaal-economisch en cultureel gebied. Organisaties en initiatieven als de Raad van Europa, de EGKS, de EEG, het Europees Sociaal Handvest, het Europa College, en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zijn mede mogelijk geworden door het idealisme van 1948. Maar voorlopig bleken de Britten in de praktijk niet verder te willen gaan dan intergouvernementele samenwerking, terwijl in Nederland de bereidheid tot economische integratie bestond. Toen de Britse regering in juni 1950 het plan-Schuman, tot de vorming van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), afwees, wekte dat in Nederland grote teleurstelling. Nederland, dat de deelname van het Verenigd Koninkrijk onmisbaar achtte, heeft zich daarna krachtig ingespannen om de ontstane kloof te overbruggen. Zo begroette koningin Juliana tijdens haar eerste staatsbezoek aan Groot-Brittannië in november 1950 dit land als een essentieel lid van de Europese Gemeenschap. Maar de Britse regering bleek slechts bereid tot de vestiging van een permanente vertegenwoordiging bij de, in 1951 opgerichte, EGKS. Ook de latere Nederlandse pogingen om de banden tussen het Verenigd Koninkrijk en de zes EGKS-partners te verstevigen, zouden in de volgende jaren niet tot het gewenste resultaat leiden. Na de bevrijding van Nederland op 5 mei 1945 bleef jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen ons land nog tot zijn overlijden op 13 mei 1952 als buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur in Londen vertegenwoordigen. Als nieuwe ambassadeur trad daarna aan, mr. D.U. Stikker, die in de jaren daarvoor (1948-1952) minister van buitenlandse zaken was geweest. Op 29 oktober 1952 bood hij zijn geloofsbrieven aan. Al eerder in het jaar 1952, op 21 januari, had ook de nieuw benoemde Britse ambassadeur in Nederland, Sir Neville Butler zijn geloofsbrieven aan koningin Juliana aangeboden. Op 2 juni 1953 werd de kroning van de nieuwe Britse koningin, Elisabeth II, bijgewoond door een Nederlandse ambassade in bijzondere zending, onder leiding van prins Berhard. Als nieuwe Britse ambassadeur in Den Haag bood op 8 september 1954 Sir Paul Mason zijn geloofsbrieven aan. In 1945 was de Nederlandse ambassade verhuisd naar een nieuw adres: Hereford House, 117 Park Street, London W.1. In 1954 verhuisde de ambassade opnieuw, toen naar: 38 Hyde Park Gate, London S.W.7. Een belangrijk onderwerp van bilateraal overleg vormde in de eerste helft van de jaren vijftig de liberalisering van het Nederlands-Britse handelsverkeer. Al vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog werden daar regelmatig besprekingen over gevoerd, en na 1950 ontstonden enkele malen bilaterale problemen van economisch-politieke aard. Zo protesteerde de Nederlandse regering tegen de in november 1951 door Groot-Brittannië, wegens betalingsproblemen, ingestelde invoerbeperkingen. Op 20 mei 1954 kon echter in Londen een overeenkomst over de liberalisering van de handel worden ondertekend. Op 11 augustus 1954 volgde in Den Haag de ondertekening van een Nederlands-Brits verdrag over de sociale zekerheid. Hoewel in de periode 1945-1954, als gevolg van de eerste fase van het dekolonialisatieproces diverse Britse koloniën onafhankelijk werden (zoals India en Pakistan in 1947, waar aparte Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers kwamen), waardoor met het inkrimpen van het Britse wereldrijk ook het ressort van de Nederlandse ambassade in Londen kleiner werd, bleef er toch nog een zeer aanzienlijk aantal Britse gebiedsdelen en koloniën in Europa, Afrika, Azië, Oceanië en Amerika over. De vele Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in die gebieden ressorteerden in veel gevallen onder de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in onafhankelijke buurlanden in de betreffende regio's (zoals Egypte, Ethiopië, Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië, India, Australië, Nieuw-Zeeland, de VS, Venezuela), of rechtstreeks onder het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken, maar vielen in andere gevallen onder de Nederlandse ambassade in Londen. Voor een volledig overzicht van al deze Nederlandse consulaire posten, met hun vele wisselingen, ontbreekt hier de ruimte. Daarvoor kan verwezen worden naar de "Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden" en de "Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het Buitenland" (sinds 1951). Wel nam in het begin van de jaren vijftig het aantal, nog rechtstreeks onder de Nederlandse ambassade in Londen ressorterende Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in de Britse overzeese gebiedsdelen, snel af. Zo vielen in 1948 de volgende gebieden onder de Nederlandse buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Londen: Gibraltar, Malta, IJsland, Gambia, Sierra- Leone, de Goudkust, Nigeria, Liberia, St.-Helena, Ascension, Gough-eiland, en Tristan da Cunha; terwijl het in 1954 alleen nog maar ging om Nigeria, en het onder Brits mandaat gestelde gebied van Kameroen.
Wettelijke grondslag Bij koninklijk besluit van 28 juni 1940 S. A7, werd vastgesteld dat de functie van de Algemene Rekenkamer in Londen uitgeoefend zou worden door de minister van Financiën. In dit besluit werd bepaald, dat het financiële beheer der regering tijdens haar verblijf buiten het grondgebied in Europa zou worden vastgelegd in begrotingen. Ingevolge artikel 1 van dit KB werden onder begrotingen verstaan de Koninklijke besluiten, waarbij de begrotingen werden vastgesteld voor de uitgaven der regering en de middelen tot dekking daarvan gedurende haar verblijf buiten het grondgebied in Europa. De begroting van de uitgaven en die der middelen tot dekking werden volgens de artikelen 2 en 5 van het besluit A 7 verdeeld in hoofdstukken, die, voorzover mogelijk, werden gesplitst in 2 titels, en wel: Gewone dienst Kapitaaldienst De inrichting der begroting geschiedde met inachtneming van de door de minister van Financiën te stellen voorschriften. Het ontwerp der begroting werd door de minister van Financiën opgesteld en aan de Raad van ministers ter beoordeling voorgelegd (artikelen 6 en 7). Ingevolge artikel 8 was de minister van Financiën belast met het toezicht op de uitgaven ten laste van 's Rijks kas, voorzover de nodige gelden daarvoor op de begroting waren toegestaan. De eerste begroting liep, zoals was vastgesteld in artikel 11 van het besluit, over de periode van 1 juli tot en met 31 december 1940. Aan de eerste begroting moest in verband met de bijzondere omstandigheden een gespecificeerde opgave van uitgaven worden toegevoegd, welke door de Generale Thesaurie ten laste der verschillende departementen waren gedaan gedurende de periode van 15 mei tot en met 30 juni 1940. Hetzelfde gold voor de ontvangsten, welke er gedurende die periode geweest waren. In het archief van de Buitengewone Rekenkamer is dan ook aangetroffen een verzamelstaat der uitgaven en middelen over dit tijdvak. Ingevolge artikel 15 van genoemd besluit, dat blijkens artikel 29 kon worden aangehaald onder de titel van 'Comptabiliteitsbesluit', diende aan alle Departementen van Algemeen Bestuur en aan alle daaraan ondergeschikte administraties de boekhouding te worden ingericht en bijgehouden met inachtneming van de voorschriften, die terzake door of na overleg met de minister van Financiën zouden worden gegeven. Daarenboven werd aan het departement van Financiën nog een centrale boekhouding voor de dienst van 's Rijks schatkist ingericht en bijgehouden volgens voorschriften, door de minister van Financiën te geven. Deze afdeling fungeerde dus als Rekenkamer en stond onder leiding van de heer Rocke, een Engelse accountant van de firma Price Waterhouse & Co. Artikel 25 van het Comptabiliteitsbesluit bepaalde voorts, dat de taak en de werkzaamheden, die in Nederland door de Algemene Rekenkamer werden verricht, met inachtneming der buitengewone omstandigheden, voor zover zulks mogelijk en noodzakelijk was, uitgeoefend zouden worden door de minister van Financiën. Verschillende artikelen van de Comptabiliteitswet 1927, Staatsblad 259, betreffende de arbeid der Algemene Rekenkamer in Nederland werden daarbij van toepassing verklaard. In het Comptabiliteitsbesluit, Staatsblad A 7, waren zodoende in beknopte vorm vastgelegd algemene regelen, die de doelmatigheid en juistheid van het door de Nederlandse regering gevoerde financiële beheer gedurende haar verblijf buiten het grondgebied in Europa moest waarborgen. Ingevolge de bepalingen van het Comptabiliteitsbesluit had de minister van Financiën dus het toezicht op het door de andere Departementen van Algemeen Bestuur gevoerde financiële beheer, terwijl hij tevens, voorzover hij daartoe in staat was, ten aanzien van dit beheer de functie van de Algemene Rekenkamer uitoefende. Op het financiële beheer, zoals dit gevoerd werd door het ministerie van Financiën, was dus geen toezicht, behalve voorzover de betrokken minister zichzelf controleerde. Instelling Toen duidelijk werd dat het verblijf der Nederlandse regering in Engeland waarschijnlijk langere tijd zou gaan duren, bevredigde de ondergeschoven positie van de Rekenkamer niet langer. In feite bleek dat er sprake was van een onzuivere constructie: in de controle op het financieel beheer der regering ontbrak het element der onafhankelijkheid. Ook bleek alras dat het kleine departement aan de controle weinig had gedaan: er was niet eens een aparte afdeling voor. Controle diende men, aldus mr. Steenberghe, minister van Financiën a.i., aan een van de regering onafhankelijk orgaan toe te vertrouwen: een uit drie personen bestaande Buitengewone Algemene Rekenkamer, gepresideerd door iemand die door de ministers als hun gelijke zou worden beschouwd. Steenberghe dacht hierbij aan mr. Van Rhijn. Van Rhijn was pas minister geworden aan de vooravond van de Duitse invasie, louter om Steenberghe, die als minister van Economische Zaken een wel heel zware taak had, te ontlasten. Economische Zaken was toen gesplitst en aan van Rhijn, tevoren secretaris-generaal van Economische Zaken, was de portefeuille van Landbouw en Visserij toebedeeld. Met de landbouw behoefde hij zich in Londen niet bezig te houden en de zorg voor de enkele tientallen vissersschepen die overgekomen waren naar Engeland, had niet veel om het lijf. De Buitengewone Algemene Rekenkamer werd, aldus per 1 mei 1941 bij koninklijk besluit van 1 mei 1941, Staatsblad B 39 ingesteld en met ingang van diezelfde datum nam van Rhijn ontslag als minister en werd hij voorzitter van die Rekenkamer. In het instellingsbesluit stond vermeld dat het wenselijk was voor de duur van de destijds geldende buitengewone omstandigheden een van de regering onafhankelijk orgaan in te stellen, dat belast was met het toezicht op het beheer van 's Rijks financiën. Bij dit besluit werd tevens artikel 25 van het Comptabiliteitsbesluit vervangen door een nieuw artikel 25, terwijl werden ingevoegd de artikelen 25 a t/m 25m. Daarin werden op uitvoerige wijze de samenstelling, taak en werkwijze van de Buitengewone Algemene Rekenkamer vastgelegd. Inmiddels werden bij koninklijk besluit van 31 juli 1941, Staatsblad B 67, de regelingen van het financiële beheer der regering en het te houden toezicht daarop, zoals deze waren vastgelegd bij de Kb's A 7 en B 39, vervangen door een nieuwe regeling. In artikel 11 van dit nieuwe besluit, hetwelk ingevolge artikel 29 kon worden aangehaald onder de titel van "Comptabiliteitsbesluit 1941", is voor het eerst wettelijk vastgelegd, dat de begrotingen van uitgaven en die der middelen tot dekking van deze uitgaven opgemaakt dienden te worden voor opeenvolgende tijdperken van een half jaar. Het begrotingsjaar liep van 1 januari tot en met 30 juni en van 1 juli tot en met 31 december. De Comptabiliteitswet 1941 is na 31 juli van dat jaar de wettelijke basis geweest van het door de Nederlandse regering in Engeland gevoerde financiële beheer en was dit tevens ingevolge de artikelen 25 t/m 25 voor de samenstelling en de taak der Buitengewone Algemene Rekenkamer. Organisatie en personeel De organisatie van de Buitengewone Rekenkamer omvatte enerzijds de samenstelling en anderzijds het personeel van de Kamer. De Kamer bestond, zoals reeds eerder vermeld, uit een voorzitter en zonodig uit ten hoogste twee leden. Aanvankelijk bestond de Kamer alleen uit een voorzitter, doch men trachtte al spoedig zo veel mogelijk het in Nederland gehanteerde model te volgen. De Kamer in Nederland werkte ook als een college. Het bleek evenwel uiterst moeilijk, de geschikte personen voor deze arbeid te vinden. Uiteraard werd voorkeur gegeven aan Nederlanders, maar de keus was zeer beperkt en personen die als leidend accountant zouden kunnen optreden, ontbraken geheel. Ook Engels personeel was moeilijk te vinden, doordat velen voor militaire dienst waren opgeroepen en bovendien de Engelse administratieve oorlogsmaatregelen een grote vraag naar controlerend personeel hadden geschapen. Het gebrek aan kennis van de Nederlandse taal en van de hier te lande bestaande inzichten en verhoudingen, een factor, die bij een eventuele kritiek op de gedane Rijksuitgaven van veel belang is, maakte het moeilijk Engels personeel in dienst te nemen. Toch diende hiertoe te worden overgegaan, wilde men de werkzaamheid van de Buitengewone Algemene Rekenkamer mogelijk maken. Er werd dan ook Engels personeel aangesteld, ondanks de bezwaren, die dit met zich meebracht. ( Enquête-commissie Regeringsbeleid. ) Engels werd de werktaal van de Rekenkamer en men sprak van de Netherlands Financial Control Board. Naast enkele Engelse accountants die werden aangetrokken, liet Van Rhijn op aanraden van Van Steenberghe uit de Verenigde Staten een bij uitstek ervaren kracht overkomen: de heer Ph. Keller, die in de jaren'30 in Den Haag een leidende functie had gehad bij de Accountantsdienst van het departement van Economische Zaken en zich nadien in New York had gevestigd. Keller gaf nauwkeurig aan hoe de accountants van de Rekenkamer het best tewerk konden gaan. Bij die gelegenheid richtte hij voor het departement van Financiën het boekhoudkundige en administratieve beheer der rijksuitgaven opnieuw in. Toen hij naar Amerika terugkeerde, had Van Rhijn met Keller de afspraak gemaakt dat deze als 'controlerend accountant-generaal van de Nederlandse regering te New York' de Nederlandse overheidsuitgaven op het westelijk halfrond zou controleren. De structuur van de BAR was betrekkelijk eenvoudig. Eén sectie belast met algemene zaken, uit wier midden B. Rosenberg optrad als secretaris. Voorts bestonden er vijf gespecialiseerde secties, bestaande uit een accountant-sectieleider en enkele controlerende ambtenaren, die voor hun werkzaamheden waren ondergebracht bij het ministerie waarvoor zij verantwoordelijk waren. Het betrof een sectie voor Oorlog en Marine o.l.v. N. Cram Ridge, een voor Buitenlandse Zaken en Koloniën onder H.E. Farley en een sectie Thesaurie voor alle andere ministeries en daaronder ressorterende instellingen met E. Bartholomew als hoofd, later opgevolgd door de Nederlander J. Kuipers. Aanvankelijk bestond er ook een sectie Handel- en Scheepvaartcommissie, doch deze werd m.i.v. januari 1942 opgeheven nadat het toezicht door het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart was overgenomen. Het aantal personeelsleden van de Rekenkamer in Londen bleef beperkt tot ten hoogste 27, maar dit beperkte aantal vertegenwoordigde niet de gehele mankracht waarover zij voor haar werkzaamheden kon beschikken. Het personeel werd dus oorspronkelijk ingedeeld in 5, later in 4 secties. Deze indeling geschiedde naar de arbeid van de Departementen van Algemeen Bestuur en uiteraard wisselde de omvang der secties naar gelang de hoeveelheid arbeid die viel te verrichten. In december 1941 werd laatstgenoemde sectie opgeheven, omdat in over-eenstemming met de Buitengewone Algemene Rekenkamer de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart besloten had, dat m.i.v. 1 januari 1942 de omvangrijke controle op het financieel beleid van de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie zou worden gevoerd door de accountantsfirma Waterhouse & Co en genoemd departement. De Buitengewone Algemene Rekenkamer zou dan in het vervolg kennis nemen van de rapporten van deze controle-instanties. De secties der Buitengewone Algemene Rekenkamer werkten niet op het centrale punt, zijnde het bureau van de voorzitter, maar ter plaatse van de controle. Teneinde te voorkomen dat elke sectie teveel op zichzelf zou gaan werken, organiseerde de voorzitter wekelijks bijeenkomsten met de hoofdaccountant en de sectieleiders om een algemene lijn vast te stellen en te behouden. Taakuitvoering Voor de taak van de Buitengewone Algemene Rekenkamer werd als richtsnoer genomen die der Algemene Rekenkamer in Nederland, zoals deze werd uitgeoefend krachtens de Comptabiliteitswet 1927, Staatsblad no. 259. De belangrijkste onderdelen van deze taak waren: de verevening de adviezen de controle op Rijkseigendommen ad 1. Artikel 25 van de Comptabiliteitswet regelt de verevening. Krachtens dit artikel heeft de Kamer hierbij te onderzoeken: of de uitgaaf valt binnen de omschrijving van het begrotingsartikel, waarop zij is aangewezen; voorts of zij behoort tot het begrotingshalfjaar ten laste waarvan zij wordt gebracht en of het begrotingsartikel toereikend is of de schuldvordering niet was verjaard> of de overgelegde bewijsstukken naar waarheid zijn opgemaakt en voldoende zijn om het verkregen recht van de schuldeiser te staven of in het algemeen geen wet, Koninklijk besluit of ander wettelijk voorschrift de verevening in de weg staat. Ad 2. Het geven van adviezen de BAR is verplicht aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur alle voorstellen en mededelingen te doen, die volgens haar oordeel kunnen leiden tot vermindering der rijksuitgaven, tot vermeerdering der rijksontvangsten en tot verbetering of vereenvoudiging van 's Rijks geldelijk beheer zij is voorts gehouden aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur alle opmerkingen en bedenkingen mede te delen, die zij, met betrekking tot de ontvangsten en uitgaven, in het belang van 's Rijks schatkist nuttig achten zij is bevoegd, omtrent het in het eerste en tweede lid vermelde aan de minister van Financiën zodanige mededelingen te doen als zij in 's Rijks belang nodig oordeelt en naar aanleiding van die mededelingen moet deze nader overleg plegen. ad 3. het toezicht op de rijkseigendommen. Artikel 25 draagt de Kamer op, zoveel mogelijk na te gaan of de rijkseigendommen voldoende produktief zijn en of de daarop betrekking hebbende voorschriften worden nageleefd. Van de uitslag moet melding worden gemaakt in het verslag. De Kamer heeft bij deze rijkseigendommen onderscheid gemaakt tussen 3 categorieën, nl. de meubelen en artikelen in gebruik in de bureaus der Nederlandse regering; artikelen als auto's, die daarbuiten in niet-militair gebruik zijn; artikelen in militair gebruik. De oorlogsomstandigheden hadden met zich meegebracht, dat in de Verenigde Staten en in Canada een belangrijk aantal Nederlandse overheidsorganen arbeid verrichtte, waarbij toezicht op de financiële administratie vereist werd. De ambassade in Washington was het financiële knooppunt voor de geldvoorziening van de vertegenwoordiging in het buitenland. Dit toezicht diende eveneens te worden uitgeoefend door de Buitengewone Algemene Rekenkamer. Daar is vooreerst het Gezantschap te Washington. Voorts zijn er twee militaire organen werkzaam. Het Nederlands Registratiebureau te New York, belast met de werving van militairen, terwijl hun oefening in het Nederlands Legioen in Canada plaats vindt. In verband met de maatregelen van de regering om reeds thans (1941) voedsel aan te kopen voor het ogenblik dat Nederland bevrijd zal zijn, is in New York het Voedselinkoop Bureau werkzaam (o.l.v. C. van Stolk), onder toezicht van het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Onder dezelfde minister ressorteerde de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie te New York. De belangen van pers en propaganda werden behartigd door het Nederlands Informatie Bureau. De onkosten van dit Bureau worden voor de helft door Nederlands-Indië en voor de helft door de Nederlandse regering te Londen gedragen. Tenslotte moet nog genoemd worden de Netherland Purchasing Committee. Deze commissie regelt in de Verenigde Staten de militaire aanschaffingen voor Nederlands-Indië en de Nederlandse regering. De grote aandacht die de BAR in zijn werkzaamheden gaf aan het opsporen van mogelijkheden tot bezuiniging op de overheidsuitgaven impliceerde niet dat zij haar controle op de rechtmatigheid van de uitgaven verwaarloosde. De halfjaarlijkse verslagen die de Rekenkamer tot eind 1944 uitbracht, toonden dat dit deel van de taak zeer ernstig werd genomen. Naast signalering van kleine onrechtmatigheden in de boekhouding, meningsverschillen met ministers over de rechtmatigheid van bepaalde, doorgaans kleinere uitgaven, bleek uit de verslagen ook, dat de Rekenkamer bezorgd was over de slechte registratie van de rijkseigendommen en van aangegane verplichtingen. Dit laatste betrof zowel het beheer van de vloot, die de regering in juni 1942 in eigendom had gevorderd als de registratie van leveranties van goederen en diensten onder de Amerikaanse Leen- en Pachtwet van juni 1941, die met name aan de strijdkrachten ten goede kwamen. Toch kon de Rekenkamer haar taak niet ten volle uitvoeren, m.n. het ontbreken van specialistische kennis speelde haar daarbij parten. In enkele gevallen kon de Rekenkamer bij toeval over een deskundige beschikken, maar in het algemeen waren de omstandigheden er niet naar dat grondig onderzoek mogelijk was. Dit was echter niet de enige beperking die de Rekenkamer zich moest opleggen. In feite was de taak te omvangrijk voor het weinige personeel, dat zij tot haar beschikking had. Toen in 1942 de controle op de Nederlandsch-Indische uitgaven en die van Suriname en de Nederlandse Antillen eveneens aan de BAR werd toevertrouwd, kwam men opnieuw voor de beslissing te staan hoe deze controle ter hand te nemen. Aangezien de meeste Nederlands-Indische instanties die gecontroleerd moesten worden zich in de Verenigde Staten bevonden en L.F. Jansen voor de Gouvernements Accountantsdienst de administratie controleerde, kon de Rekenkamer volstaan met een zgn. supercontrole door het kantoor van Keller. Voor de controle van de financiën van Suriname en de Nederlandse Antillen benoemde Van Rhijn vaste ambtenaren ter plaatse. Buiten het controlebereik van de BAR bleef de financiële geste van de Nederlandse en Nederlands-Indische organen in Australië. Opheffing De Buitengewone Algemene Rekenkamer is gedurende de gehele periode van het verblijf der Nederlandse regering in Engeland en ook nog ruim een jaar, nadat deze in Nederland was teruggekeerd, blijven bestaan. Zij heeft omtrent haar werkzaamheden verslag uitgebracht tot en met 31 december 1944. Haar voorzitter, die nog voor de bevrijding van het noorden van Nederland naar het vaste land was overgestoken, heeft na afloop van de oorlog, toen hij inmiddels reeds werkzaam was als secretaris-generaal van het departement van Sociale Zaken, een bespreking gevoerd met de heer Th. Sanders, de voorzitter van de Algemene Rekenkamer in Nederland, teneinde te overleggen op welke wijze de Buitengewone Algemene Rekenkamer het spoedigst haar werkzaamheden zou kunnen beëindigen en hoe de Algemene Rekenkamer in Nederland de verantwoordelijkheid voor de controle buiten het Rijk in Europa zou kunnen overnemen. Daar het ongewenst was plotseling in te grijpen in de wijze, waarop tot dusver de BAR bovengenoemde controle had uitgeoefend en er dus gestreefd moest worden naar een geleidelijke overgang der werkzaamheden van dit college te Londen naar die der Algemene Rekenkamer in Nederland, bleef het personeel voorlopig belast met de taak, welke het tevoren had verricht, waarbij echter tevens het doel, deze werkzaamheden naar Nederland over te brengen, niet uit het oog werd verloren. Er kon evenwel wegens gebrek aan personeel bij de Algemene Rekenkamer niet aan worden gedacht de dagelijkse leiding van het personeel der Buitengewone Algemene Rekenkamer van Den Haag uit te regelen. Aan de heer Van Rhijn, die door de volledige bevrijding van Nederland beschikbaar was gekomen voor de vervulling van taken, welke niet te verenigen waren met die van voorzitter en controlerend orgaan, dat onafhankelijk van de regering behoort te zijn, was inmiddels bij KB van 24 juli 1945, no. 29, eervol ontslag verleend uit zijn ambt van voorzitter der Buitengewone Algemene Rekenkamer. In overleg met de heer Van Rhijn werd de heer Ph. Keller aangezocht om in samenwerking met de hoofdambtenaren van de Algemene Rekenkamer te Den Haag de dagelijkse leiding op zich te nemen van de Buitengewone Algemene Rekenkamer te Londen en de werkzaamheden van dit college geleidelijk over te brengen naar de Algemene Rekenkamer in Nederland. De heer Keller verklaarde zich bereid tot mei 1946 deze werkzaamheden te verrichten. Na mei 1946 heeft de Algemene Rekenkamer de opdracht aan de heer Keller slechts gehandhaafd, voor zoveel die met het oog op de afwikkeling van de werkzaamheden der B.A.R. nodig was. Van september 1945 tot september 1946 fungeerde de heer Ph. Keller als Algemeen Gemachtigde van de Algemene Rekenkamer te Londen. Nadat regelingen over de afronding van de werkzaamheden en de afvloeiing en overname van het Londens personeel waren getroffen, stelde het College van de Algemene Rekenkamer op 8 oktober 1945 aan de minister van Binnenlandse Zaken voor over te gaan tot opheffing van de B.A.R. Om overigens onduidelijke redenen duurde het tot september 1946 voordat dat gebeurde: bij KB van 14 september 1946, Stbl. G 268, werd met ingang van dezelfde datum de B.A.R. te Londen opgeheven. Geleidelijk was het personeel van de B.A.R. ontslagen of overgaagn in dienst van het bureau van de heer Ph. Keller. Vanaf juli 1946 was het in Londen aanwezige personeel niet meer beschikbaar voor afrondende werkzaamheden. Hoewel de administratie van de B.A.R. per 1 november 1946 formeel werden beëindigd werden tot juli 1947 de laatste nog resterende werkzaamheden verricht door de Auditor-General of the Netherlands Gouvernment Londen Office, zoals het bureau van de heer Keller officieel werd genoemd. Daarmee kwam een einde aan het bestaan van één van de vele tijdelijke Londense overheidsdiensten, die in het leven waren geroepen om het goed functioneren van het Nederlandse overheidsapparaat in ballingschap te waarborgen. De rol van de heer Keller Bij het uitbreken van de oorlog bevond de heer Keller zich in het westelijk halfrond, alwaar hij als particulier accountant deskundige bijstand verleende aan talrijke bedrijven en in verband daarmede arbeid verrichtte in Curaçao, Cuba, Zuid-Amerika, Noord-Amerika en Canada. In oktober 1940 vestigde hij een accountantskantoor te New York. Behalve de controle van en bijstand aan particuliere bedrijven (waaronder een scheepvaart maatschappij en een erts- en papierbedrijf) werd aan hem als public accountant de controle opgedragen van het Voedselbureau te New York, de Netherlands Purchasing Commission te New York, terwijl hij ook arbeid verrichtte voor de Commissie Rechtsherstel in Curaçao, voor de Ambassade Washington en het Deviezen Instituut. In mei 1941 ontving de heer Keller een telegrafische uitnodiging om lid te worden van de Buitengewone Algemene Rekenkamer, hetgeen hij van de hand wees, omdat hij na overleg met verschillende autoriteiten in Amerika van mening was, dat zijn arbeid aldaar niet kon worden gemist. Hij verklaarde zich echter bereid om voor het verstrekken van de nodige adviezen naar Engeland over te komen. Aan het eind van zijn Londens bezoek, eind 1941, werd hem door de regering gevraagd of hij bereid was zijn particuliere clinten in het westelijk halfrond op te geven en uitsluitend arbeid ten behoeve van de regering te verrichten. De heer Keller meende, dat hij als Nederlander verplicht was aan die uitnodiging gevolg te moeten geven. Hij verklaarde zich derhalve bereid deze arbeid op zich te nemen. Daartoe maakte hij zich geheel los van het accountantskantoor H.J. Vooren te Curaçao, waaraan hij tot dan toe was verbonden en richtte een eigen kantoor op, zonder tot de regering in ambtelijk verband te staan. Teneinde de heer Keller bij de vele reizen die hij zou moeten ondernemen, de nodige faciliteiten te kunnen waarborgen, verder als introductie bij buitenlandse autoriteiten en tenslotte ter ondersteuning van zijn gezag bij zijn arbeid tegenover de te controleren organen, werd na gepleegd interdepartementaal overleg besloten hem bij koninklijk besluit van 22 januari 1942, no. 6, de persoonlijke titel van Accountant-Generaal der Nederlandse Regering te verlenen. Tevens werd hij door de heer van Rhijn benoemd tot algemeen gemachtigde van de Bijzondere Algemene Rekenkamer te Londen voor haar controle-arbeid ten behoeve van Nederland in Amerika. Keller kwam daarvoor niet in dienst van de BAR, maar verleende zijn diensten op declaratiebasis. Deze benoeming werd op 22 mei 1943 ingetrokken. Vervolgens werd de heer Keller op dezelfde datum opnieuw benoemd tot controlerend accountant-generaal per 1 juni 1943. Het Koninklijk besluit, waarbij de heer Keller werd benoemd, was tot nu toe gecontrasigneerd door de minister van Financiën, in verband met de veronderstelling, dat de heer Keller en zijn bureau in het bijzonder voor deze minister werkzaam zouden zijn. De ontwikkeling is evenwel van dien aard geweest, dat dit slechts zeer betrekkelijk het geval was. Dit heeft mede tot gevolg gehad, dat een nieuw Koninklijk besluit werd bevorderd, te contrasigneren door de minister van Algemene Zaken a.i., Handel, Nijverheid en Scheepvaart en Koloniën, zijnde de departementen, waarmede de heer Keller bemoeienis had. Na het aanvaarden van de uitnodiging der Kamer en het verkrijgen van de opdrachten, die door de departementen werden gegeven, was het terrein van de werkzaamheden van de heer Keller afgezien van enkele incidentele opdrachten, als volgt verdeeld: te Londen: controle op het beheer van de Nederlandse regering aldaar gedurende de oorlog (Londense begrotingen tot en met 1945); in de rest van het buitenland: controle op de voortzetting van het zogenaamde Londense beheer (militaire- en aankoopapparaten, scheepvaart); Nederland: controle op de voortzetting en de liquidatie van dit beheer (scheepvaart, ladingen, etc. in afwikkeling van de Londense rijksboekhouding). Op deze wijze heeft de heer Keller gedurende 4 jaren in West-Indië, Amerika, Canada en Londen een taak vervuld, waardoor hij als geen ander een diepgaand inzicht heeft verkregen in het buitenlandse financiële beleid van de regering tijdens de oorlog. Reeds voor de bevrijding stelde de heer Keller zijn titel en taak ter beschikking van de regering en keerde naar Europa terug om een particuliere functie in Engeland te aanvaarden en om zijn werkzaamheden aan de daarvoor in aanmerking komende instanties in Nederland over te dragen. Daarop volgde de uitnodiging van de inmiddels ingestelde Centrale Accountantsdienst en de Kamer aan hem om zijn taak onder de titel van Accountant-Generaal voort te zetten ter verdere afwikkeling van het financieel beheer te Londen. ( Zie brief Algemene Rekenkamer d.d. 16 dec. 1946. ) De heer Keller vestigde zijn kantoor toen in Den Haag. Tevens stemde de Kamer ermee in, dat door het kantoor van de heer Keller tot nader order opdrachten tot bijstand en controle van andere rijksorganen werden uitgevoerd en zegde zij toe, dat de heer Keller in dat geval automatisch beschikte over een opdracht tot controle van hetzelfde orgaan namens de Algemene Rekenkamer. De genoemde overeenkomst tussen de Centrale Accountantsdienst, de Algemene Rekenkamer en de heer Keller gold voor een periode welke beëindigd zou worden per 1 juli 1949. Aangezien de afwikkeling van allerlei zaken duidelijk meer tijd in beslag bleek te nemen, werd de heer Keller uiteindelijk op voordracht van de minister van Financiën met ingang van 1 januari 1952 eervol ontslagen van zijn werkzaamheden als Accountant-Generaal. In mei 1952 beëindigde hij feitelijk zijn werkzaamheden. Samenvattend kan worden gesteld dat Ph. Keller op 1 februari 1942 begint als: Auditor-General of the Royal Netherlands Government (1 feb. 1942 - 15 juni 1945). Per 15 juni 1945, in verband met het vertrek van Keller naar Londen en Den Haag, wordt het bureau van Keller omgezet in: Auditing Bureau attached to the Plenipotentiary of the Minister of Shipping and Fisheries (15 juni 1945 - 30 april 1946). Het bureau was toegevoegd aan de Missie Steenberghe. Bij opheffing van deze missie werd het bureau weer overgenomen door Ph. Keller onder de naam: Auditor-General of the Netherlands Government, New York Office (1 mei 1946 - eind 1951). Het hoofdkantoor van Keller was in de periode 1942-1945 gevestigd te New York, terwijl het kantoor te New York sedert medio 1945 slechts van een bijkantoor was. Dr J.S. Hartog was hoofd van het bureau sedert het vertrek van Keller in 1945 naar Den Haag, alwaar hij zich vestigde als: Accountant-Generaal der Nederlandse Regering, 's-Gravenhage (november (?) 1945-april 1952). Enige tijd later nam hij het kantoor van de B.A.R. te Londen over en vestigde daar het: Accountant-Generaal der Nederlandse Regering, kantoor Londen (mei 1946-juli 1947). De archiefbescheiden van de onder a-c genoemde kantoren bevinden zich in de inventarisnummers 149-198. De stukken van de bureaus, vermeld onder d en e bevinden zich met elkaar vermengd in de inventarisnummers 1-148. De stukken afkomstig van het kantoor te 's-Gravenhage, zijn te herkennen aan de brief- en rapportnummers, waaraan een N voorafgaat. Huisvesting Het kantoor van de voorzitter van de Buitengewone Algemene Rekenkamer was eerst ondergebracht in Stratton House en later in Arlington House. De belangrijkste sectie, Thesaurie, die alle departementen omvatte behalve die van Oorlog, van Marine, van Buitenlandse Zaken en van Koloniën, hield kantoor in hetzelfde gebouw waar het ministerie van Financiën gevestigd was, nl. Pinners Hall. Gouvernements accountantsdienst Deze dienst is feitelijk een dienst van de Nederlands-Indische Regering. In oktober 1941 opgericht bij besluit van de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië als: Gouvernements-Accountantsdienst, kantoor New York (okt. 1941-aug. 1942), werd de dienst in augustus 1942 door de Minister van Koloniën, waarnemende het bestuur van Nederlands-Indië, omgezet in de: Gouvernements-Accountantsdienst van Nederlandsch-Indië voor Amerika (aug. 1942-c. 1947), welke naam als gevolg van de gewijzigde grondwet werd veranderd in: Gouvernements-Accountantsdienst van Indonesië voor Amerika (c.1947-31 dec. 1948). Op 31 december 1948 werd de dienst opgeheven, waarna de accountant S. Frankfort te New York in 1949 de laatste controles en rapporten voltooide. De accountants drs L.F. Jansen en S. Frankfort waren achtereenvolgens hoofd van dienst, onder de titel van Accountant-Generaal van Nederlandsch-Indië. Deze titel werd in 1946 door de directeur van Financiën te Batavia aan S. Frankfort ontnomen. De Engelse naam van de dienst luidde: Audit Office of the Netherlands Indies for America.
De Rotterdamsche Bank NV werd opgericht in Rotterdam op 16 mei 1863 door een groep zakenlieden en bankiers, waaronder Marten Mees, firmant van R. Mees & Zoonen, die hiermee onbedoeld een toekomstige, geduchte concurrent voor zijn Rotterdamse kassiersbedrijf creëerde. De werkzaamheden startten op 1 oktober 1863. Het idee van de oprichters was om, onder meer naar Engels voorbeeld van de Colonial Bank, een kredietinstelling in het leven te roepen die zou voorzien in de groeiende kapitaalbehoefte van bedrijven in Nederlands-Indië. In januari 1864 werd de Commanditaire Vereeniging (kredietvereniging) opgericht als dochter van de Rotterdamsche Bank. Door een te ambitieuze opzet leed de bank forse verliezen in Indië. Daarnaast leverde de zogenaamde Pincoffs-affaire (1879) de Rotterdamsche Bank een schadepost op van circa ƒ 875.000,-. Wijs geworden beperkte de bank daarna haar activiteiten tot Nederland. Met de komst van directeur Willem Westerman in 1904 begon een periode van uitbreiding. Op 19 april 1911 fuseerden de Rotterdamsche Bank en de NV Deposito- en Administratie-Bank in Rotterdam tot de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De werkzaamheden van de bank startten op 1 juli 1911. Beide banken vulden elkaar goed aan; de Rotterdamsche Bank was vooral een handelsbank, de Deposito- en Administratie Bank een effectenbank en beide zochten bovendien toegang tot de Amsterdamse Effectenbeurs. De Rotterdamsche Bankvereeniging wist dit doel nog in datzelfde jaar te bereiken door de oude Amsterdamse firma Determeijer Weslingh & Zoon over te nemen. Dit wekte indertijd nogal wat beroering in financiële kringen, gezien de rivaliteit tussen hoofdstad en Maasstad. Twee jaar later werd Labouchere, Oyens & Co's Bank in Amsterdam, een voortzetting van de firma Ketwich & Voombergh, overgenomen, in december 1915 de Nationale Bank te `s-Gravenhage (gelieerd aan de Deposito- en Administratie Bank), gevolgd door vele lokale banken. De Rotterdamsche Bankvereeniging groeide in enkele jaren méér dan in de eerste vijftig jaar van haar bestaan en werd een van Nederlands grootste banken. Deze stappen van de bank gelden als het begin van de concentratie en concernvorming van de algemene banken in Nederland. De schaalvergroting bij de banken hield gelijke tred met die in het bedrijfsleven en ging veelal ten koste van de kleinere banken. De nieuwe filialen van de bank werden vanaf 1916 grotendeels verworven door het overnemen van kleine bankiersfirma's. Deze bedrijven werden aanvankelijk niet opgenomen in de eigen organisatie, maar ondergebracht in de dochterondernemingen de Nationale Bankvereeniging (Nato) in Utrecht of de Zuid-Nederlandsche Handelsbank (Zuidbank) in Tilburg. De Zuidbank ging per 1 december 1920 op in de Nato. Op 1 januari 1929 werd vervolgens het gehele bedrijf van de Nato ondergebracht in de Rotterdamsche Bankvereeniging. In dezelfde periode was de Rotterdamsche Bankvereeniging actief betrokken bij de oprichting van overzeebanken, waaronder de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika, de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee, de Bank voor Indië, de Hollandsche Bank voor West-Indië en de Russisch-Hollandsche Bank. Een overmatig optimisme, gebaseerd op de hausse na de Eerste Wereldoorlog die echter omsloeg in een baisse door de economische crisis in Duitsland, leidde in de jaren 1922-1925 tot een algemene bankcrisis. De Rotterdamsche Bankvereeniging was een van de meest opvallende slachtoffers. In de voorafgaande expansieperiode bleek de Rotterdamsche Bankvereeniging te veel krediet te hebben verleend, zonder voldoende reserves aan te leggen. Minister van Financiën Colijn gaf in 1924 persoonlijk opdracht aan De Nederlandsche Bank om de Rotterdamsche Bankvereeniging te hulp te schieten, waarna alle deelnemingen in banken met buitenlandse vestigingen werden afgestoten. Rond 1927 was de crisis bezworen en ging de bank verder, echter zonder president Westerman. Op 21 juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een vergaande samenwerking; door de oorlogsomstandigheden werden deze fusieplannen op 7 oktober 1939 afgeblazen. In oktober 1947 werd de oude naam 'Rotterdamsche Bank' weer ingevoerd. Op 28 oktober 1960 werd aangekondigd dat de Nationale Handelsbank zou werden overgenomen. Per 1 mei 1961 trad het personeel van deze bank in dienst van de Rotterdamsche Bank. De volledige integratie had in de daarop volgende jaren plaats. Door deze overname kreeg de Rotterdamsche Bank de beschikking over vestigingen in het Verre Oosten, alsmede een dochterbedrijf in Canada, The Mercantile Bank of Canada. Deze vestigingen werden echter allemaal vóór 1965 verkocht. In 1964 werden de oude contacten tussen Rotterdamsche Bank en Amsterdamsche Bank met succes weer opgepakt. Op 11 juni 1964 kondigden beide banken aan te gaan fuseren tot de Amsterdam-Rotterdam Bank NV. Voor de Rotterdamsche Bank was dit een logische ontwikkeling in het kader van het door haar zelf in gang gezette proces van bankconcentratie. De Rotterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Rotterdamsche Bank, als vennootschap, bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan. Oprichting, doel en kapitaal De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Tot deze groep behoort de Rotterdamsche Bank NV, opgericht in 1863. Het initiatief tot oprichting kwam van een groep Rotterdamse firma's, te weten de kassiersfirma's R. Mees & Zoonen, Jan Havelaar & Zonen, de Gebr. Chabot en Schaay en Madrij, alsmede de koopman en reder H. Müller Szn. En de handelsfirma J.W. Bunge. Zij belegden op 16 mei 1863 een vergadering met als doel de oprichting van een 'handelsbank'. De koninklijke goedkeuring van de statuten volgde op 28 juni. De vennootschap werd aangegaan voor vijftig jaar. De bank begon, onder de naam Rotterdamsche Bank NV, haar werkzaamheden op 1 oktober van dat jaar. De doelstellingen van de nieuwe vennootschap waren ambitieus. Naar het voorbeeld van een aantal buitenlandse bankinstellingen wilde men gaan fungeren als bank voor de koloniale handel en nijverheid, ofwel als bemiddelaar tussen het kapitaaloverschot in Nederland en de grote kapitaalbehoefte van de koloniale handel en de cultuur- en andere bedrijven in Nederlands-Indië. Hiervoor zou een agentschap of filiaalbank op Java in het leven (moeten) worden geroepen. Behalve de activiteiten ten aanzien van de koloniën, door de oprichters zonder meer als de primaire activiteiten beschouwd, zou de bank zich volgens de statuten verder moeten richten op het openen van geconfirmeerde kredieten, het opnemen van gelden à deposito tegen vergoeding van rente, de handel in edele metalen, bevordering van de oprichting van maatschappijen van handel, nijverheid en landbouw, het verstrekken van geldleningen aan bedrijven, overheidslichamen en andere openbare instellingen en verder alle bank- en geldoperaties in de ruimste zin des woords. Later werd dit in de statuten samengevat als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operatiën in het algemeen. Tot 1911 (oprichting van de Rotterdamsche Bankvereeniging) waren het nemen van aandeel in andere ondernemingen en maatschappijen en het drijven van handel in goederen of effecten voor eigen rekening uitdrukkelijk van de werkkring uitgesloten. Tot dat jaar was verder het deelnemen in syndicaten voor de uitgifte van leningen en van aandelen aan de goedkeuring van de commissarissen gebonden. Vanaf 1911 werd ook vermogensbeheer en het optreden als trustee bij obligatieleningen tot de werkkring gerekend. In de statuten van 1947 werd het bezorgen van assurantiën toegevoegd. Om de nieuwe instelling te financieren werden aandelen geëmitteerd. Het maatschappelijk kapitaal werd bij de oprichting vastgesteld op ƒ 15.000.000,-, gesplitst in drie series van ƒ 5.000.000,-. In eerste instantie werd de emissie beperkt tot één serie, waarvan ƒ 4.000.000,- bedoeld was voor de oprichters en ƒ 1.000.000,- werd geplaatst. Dat er bij het publiek vertrouwen bestond in de toekomst van het bedrijf blijkt uit het resultaat van de inschrijving van maar liefst ƒ 58.498.750,-, waardoor uiteindelijk slechts 1,709% van de inschrijvingen kon worden toegewezen! De tweede en derde serie aandelen werden in 1864 geëmitteerd. Vanwege de in 1873 inzettende crisis werd in 1875 het maatschappelijk kapitaal gereduceerd door terugkoop van eigen aandelen. In 1880 volgde een nieuwe reductie door de waarde van de aandelen van ƒ 250,- terug te brengen naar ƒ 200,- en die van ƒ 125,- naar ƒ 100,-. In de twintigste eeuw werd het kapitaal stelselmatig verhoogd tot ƒ 50.000.000,- in de vijftiger jaren, met name wegens aanpassing aan de sterk groeiende omvang van de deposito's en crediteuren. Reeds in 1872 werden de aandelen Rotterdamsche Bank genoteerd op Duitse beurzen. In 1912 volgde notering op de beurs van Parijs. Toezichthoudende organen Aandeelhouders De eigendom van en zeggenschap over de Rotterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. Of, zoals uitgedrukt in de statuten ten aanzien van de vergadering van aandeelhouders, zij 'vertegenwoordigt het gansche ligchaam der vennootschap'. De algemene vergadering van aandeelhouders of aanvankelijk, in termen van de statuten, de deelhebbers moest jaarlijks plaatsvinden, aanvankelijk in de drie eerste maanden van elk jaar, na de afsluiting van de balans, later in mei of uiterlijk in juni. Buitengewone vergaderingen vonden plaats zo vaak als commissarissen, directie of de vertegenwoordigers van een statutair bepaald deel van het kapitaal dit verlangden. De vergaderplaats was Rotterdam. Alle aandeelhouders waren tot het bijwonen van de vergadering gerechtigd. Stemgerechtigd waren aanvankelijk allen, die hun aandelen reeds een bepaald aantal maanden vóór uitschrijving van de vergadering bezaten, later allen die hun aandelen bij uitschrijving van de vergadering bezaten. Voor de toekenning van het aantal stemmen per aandeelhouder werd een bepaalde sleutel gehanteerd, die onder meer inhield dat niemand meer dan zes stemmen mocht uitbrengen, ook niet als gevolmachtigde van anderen. Besloten werd met meerderheid van stemmen, behalve bij wijziging van de statuten en enkele andere zaken, waarvoor afwijkende regels golden. De vergadering werd voorgezeten door de voorzitter van het college van commissarissen. Als secretaris fungeerde de directiesecretaris. De agenda van de vergadering bevatte doorgaans de volgende punten: kennisnemen van de balans, na goedkeuring hiervan door een daartoe samengestelde commissie (zie onder); kennisnemen van het door de commissarissen overlegde rapport over de toestand van de vennootschap; verkiezen van de commissarissen, en op voordracht van de commissarissen benoemen c.q. ontslaan van leden van de directie; kiezen van de commissie tot goedkeuring van de balans; besluiten over vergroting/verkleining van het maatschappelijk kapitaal of emissie van nieuwe series aandelen; besluiten over statutenwijziging en ontbinding der vennootschap; behandelen van en besluiten op voorstellen van commissarissen en directie alsmede van aandeelhouders (mits door een bepaald deel van het kapitaal gesteund). College van Commissarissen en het Comité uit Commissarissen De eerste commissarissen werden benoemd door de oprichters. Vervolgens werden zij benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, vanaf 1920 op voordracht van twee in functie zijnde commissarissen. Hun aantal werd aanvankelijk vastgesteld op tien. Via latere statutenwijzigingen werd dit aantal nogal eens veranderd. Meestal werd dan het minimum aantal op zeven bepaald, en varieerde het maximum aantal; de statuten van 1920 bijvoorbeeld stelden dit maximum op 25. Vanaf 1872 gold de regel dat een bepaald percentage in Nederland woonachtig moest zijn. Jaarlijks trad een deel van de leden af, volgens rooster. Ze waren dan wel herkiesbaar. Alle commissarissen dienden aanvankelijk 50 aandelen op naam te bezitten; in 1869 werd dit aantal teruggebracht tot 25, en bij de vorming van de Rotterdamsche Bankvereeniging in 1911 was deze voorwaarde uit de statuten geschrapt. Op verzoek van de commissarissen konden directieleden de vergaderingen bijwonen. Blijkens de notulen was dit over het algemeen het geval. Het college vergaderde aanvankelijk minstens eenmaal per week, in later tijd zovaak men dat nodig achtte. Vergaderd werd in Rotterdam. Vanaf 1905 werden taken en bevoegdheden in de statuten in tamelijk algemene termen omschreven: de commissarissen waren belast met het toezicht over het beheer van de vennootschap, met het geven van advies en voorlichting aan de directie, waar zij dit nodig achtten, en het bewaken van een trouwe naleving van de statuten. De oudere statuten waren wat uitvoeriger en noemden onder meer: toezien op de handelingen van de directie; waken voor een juiste naleving van de statuten en een goede exploitatie van de vennootschap; voordragen tot benoeming van directieleden en vaststellen van hun inkomen; schorsen en voordragen tot ontslag van directieleden; besluiten, op voordracht van de directie, inzake vestiging van filialen en agentschappen; vaststellen, op voordracht van de directie, van de balans en de hoogte van het dividend; bepalen van de handelwijze in buitengewone gevallen; goedkeuren van de deelneming in syndicaten en consortiums. Via een statutenwijziging in 1869 kreeg het college de bevoegdheid om uit haar midden een commissie van drie leden te benoemen, met de naam Commissie van Toezicht. Deze naam zou overigens in de loop der tijd nogal eens veranderen, in Commissie uit Commissarissen, Comité uit Commissarissen en in 1958 in Raad van Toezicht. Namens de commissarissen hield zij toezicht op de handelingen van de directie, rapporteerde zij aan de commissarissen over de toestand van de vennootschap, adviseerde zij desgevraagd de directie en besliste zij bij geschillen binnen de directie. Feitelijk fungeerde deze commissie als een soort dagelijks bestuur van het College van Commissarissen. De commissie vergaderde ten minste eenmaal per week, in of buiten tegenwoordigheid van de directie. Om de maand trad één der leden af, volgens rooster. Interne organisatie Over de interne organisatiestructuur van de Rotterdamsche Bank kan wat betreft de eerste vijftig jaar, wegens het ontbreken van relevant archiefmateriaal, weinig worden gezegd. Hooguit kan worden vermoed dat zij in die periode relatief nog niet zeer ingewikkeld was. Tot 1911 was er, afgezien van de tijdelijke agentschappen in het Verre Oosten, één kantoor. De afdelingsstructuur zal in hoofdzaak de door de bank verrichte functies weerspiegeld hebben. Na de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank in 1911 zou de structuur snel ingewikkelder worden. In 1911 werd een kantoor in Amsterdam gevestigd, dat als een tweede hoofdkantoor zou gaan fungeren. In 1914 werd een bijbank in 's-Gravenhage geopend. En door een reeks overnames van lokale banken en bankjes zou het aantal bijkantoren explosief groeien. Art. 1 van de statuten luidde na 1911 dan ook: ' …De vennootschap …heeft banken te Rotterdam en te Amsterdam, een bijbank te 's-Gravenhage en kan kantoren en correspondentschappen vestigen en zitdagen houden, waar zij zulks wenschelijk acht'. Het citaat weerspiegelt een hoofdstructuur met een verdeling in vier componenten. Ten eerste de 'moederbank' te Rotterdam, met onder haar ressorterend de Rotterdamse stadsbijkantoren, inclusief die in enkele direct aansluitende gemeenten. Ten tweede de bank te Amsterdam, in alle opzichten gelijkwaardig aan de bank te Rotterdam. Onder haar ressorteerden de Amsterdamse stadsbijkantoren. Ten derde de bijbank te 's-Gravenhage; zij werd bestuurd door een directie die, op voordracht van de commissarissen en in overleg met de [hoofd]directie, werd benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Onder de bijbank ressorteerden de Haagse bijkantoren, inclusief dat van Scheveningen. De vierde component vormden de bijkantoren in de provincie. Met de integratie van de Nationale Bankvereeniging in het moederberdijf in 1929 (zie onder) groeide dit aantal zo snel, dat in datzelfde jaar een speciaal bestuurslichaam in het leven werd geroepen, de Provinciale Centrale. Tot 1949 was deze ondergebracht in de kantoren van de bijbank te 's-Gravenhage, daarna verhuisde zij naar het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel. Later was 'de provincie' bovendien nog ingedeeld in districten, grotendeels samenvallend met de provinciale indeling. De directeuren van de banken te Amsterdam en Rotterdam, van de bijbank 's-Gravenhage en in later tijd ook die van de Provinciale Centrale vormden gezamenlijk de onderdirectie van de vennootschap. Elk van de vier componenten was in redelijke mate autonoom, en had haar eigen uitvoerende afdelingen op elk terrein alsmede eigen staf- en hulpdiensten. Met name de bank te Amsterdam nam een tamelijk eigen positie in. De bank te Rotterdam en de Provinciale Centrale kenden na het gereedkomen van het nieuwe hoofdkantoor en de verhuizing van de Provinciale Centrale daarheen wat betreft een aantal diensten een vermenging. Zo werkten de accountants en de afdeling Juridische Zaken van de Provinciale Centrale ook voor de bank te Rotterdam. Een duidelijk inzicht in de afdelingsstructuur kan alleen worden verkregen voor de periode ná 1949. Een aantal overzichten uit die tijd geeft aan dat de structuur van de banken te Rotterdam en Amsterdam in hoge mate identiek was, al weken de namen soms wat af. De Provinciale Centrale kende een afwijkende structuur. Voor een nadere beschrijving van de organisatie en taken van de afdelingen wordt verwezen naar rubriek A.1.4., inv.nr 94. Het uitgebreide net van provinciale vestigingen dat vanaf 1911 ontstond kwam via verschillende wegen tot stand: Door stichting van zelfstandige maatschappijen met eigen rechtspersoon. Een voorbeeld hiervan was de Nationale Bankvereeniging in Utrecht (1916), waar de Rotterdamsche Bankvereeniging een aantal vroegere overnames in onderbracht. Door deelneming in bestaande instellingen en\of door onderbrenging van een agentschap bij een bestaande instelling, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Rotterdamsche Bank verrichte. Vaak liep dit uit op overname van de betrokken instelling. Door overname van bestaande banken, bijvoorbeeld de Amsterdamse Bankiersvereniging Labouchere, Oyens & Co's Bank (1913) en de Nationale Bank te 's-Gravenhage (1915). Door fusie. De fusie met de Deposito- en Administratie Bank (1911) bracht belangen in diverse kleine bankinstellingen mee. Door directe oprichting van eigen vestigingen. Een vroeg voorbeeld is de vestiging van de bijbank te 's-Gravenhage (1914) en een depositokas aan het Bezuidenhout in dezelfde plaats (1915). De bevoegdheden van de bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten (zie het aantal circulaires) was voor 'grote handelingen' toestemming van hogerhand vereist; dit gold met name de verlening van krediet. Beslissende stappen in de vorming van het landelijk kantorennet waren de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank en met name de oprichting en latere volledige integratie van de Nationale Bankvereeniging met haar provinciale filialen. Daarna zou het aantal vestigingen blijven groeien, tot 118 in 1940, 194 in 1945, 300 in 1959 en 340 in 1962. De Rotterdamsche Bank was daarmee wat betreft haar kantorennet de grootste bank in Nederland. Naast de hoofdkantoren te Rotterdam en Amsterdam, de Provinciale Centrale, de bijkantoren en de zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van enkele hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen werden meestal opgericht ter uitvoering van een specifieke functie. De redenen om deze functies in aparte maatschappijen onder te brengen konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden. Of het ging om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, bijvoorbeeld het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening. Aparte vermelding verdienen nog de oprichting van een Vrouwenbank te Amsterdam in 1929 en de opening in 1939 van een vestiging in Brussel, de Comptoir Belgo-Hollandais SA/Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor NV. De Vrouwenbank, gevestigd aan het Rokin, was speciaal gericht op het groeiende aantal vrouwelijke cliënten. In 1971 werd ze als overbodig opgeheven. De NV Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor werd in 1947 geliquideerd. Bedrijfsmiddelen Personeel Directie en procuratiehouders De directie van de Rotterdamsche Bank bestond bij aanvang statutair uit een president-directeur, twee directeuren en een secretaris. De omvang van de directie zou in de loop der jaren gestaag toenemen. De statuten van 1947 bepaalden haar op minimaal vier en maximaal negen. Ook ten aanzien van de directie gold de eis, dat een bepaald percentage Nederlander moest zijn. De directie werd, op voordracht van de commissarissen, benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. De leden van de directie waren tot 1911 verplicht Rotterdam als vaste woonplaats te hebben. Tevens moesten zij tot dat jaar eigenaar zijn van minstens vijftig aandelen op naam. De directie voerde het dagelijks beleid en beheer over de vennootschap en vertegenwoordigde de vennootschap in en buiten rechte. Zij had daartoe al díe bevoegdheden, die niet uitdrukkelijk aan de aandeelhouders of de commissarissen waren toegewezen. De statuten van vóór 1911 geven hierbij nog een ietwat uitvoeriger omschrijving: de ordening van de administratie; benoeming van alle beambten en vaststelling van hun instructies; de leiding over alle operaties; het (doen) opmaken van de jaarlijkse balans en het voorleggen daarvan aan de commissarissen, begeleid door een verslag over de toestand van de vennootschap; eventuele liquidatie van de vennootschap, onder toezicht van de commissarissen. Na 1911 resideerde een deel van de directie in Rotterdam, en een deel in Amsterdam. In het jaarverslag van 1913 is voor het eerst sprake van onderdirecteuren. Deze groep was samengesteld uit de directies van de afzonderlijke onderdelen van de vennootschap, in volgorde van ontstaan de bank Rotterdam (1863), de bank Amsterdam (1911), de bijbank 's-Gravenhage (1915) en de Provinciale Centrale (1929). Al vanaf 1872 had de directie de bevoegdheid aan een of meer beambten procuratie te verlenen om voor de vennootschap te tekenen. In 1920 is sprake van de mogelijkheid tot aanwijzing, onder goedkeuring van commissarissen, van algemene en bijzondere procuratiehouders, en de aanstelling van bijzondere procuratiehouders tot directeur van een bijkantoor of depositokas. Overig personeel en personeelsorganen De personeelssterkte groeide in de eerste vijftig jaar van het bestaan van de bank slechts in geringe mate, zeker in vergelijking met de periode daarna. In 1865 bedroeg het aantal werknemers 23, in 1899 waren er 67. In 1911 bedroeg het aantal werknemers nog slechts 35. Daarna was de groei explosief: van 250 in 1914 en 490 in 1917 tot rond 700 in 1919. Eind 1963 tenslotte bood de bank werk aan circa 4800 mensen. Op 23 juli 1866 werd door en voor de ambtenaren van de bank een pensioenfonds in het leven geroepen. Na de fusie in 1911 werd dit fonds op 24 mei van dat jaar omgezet in de Stichting Pensioen- en ondersteuningsfonds der ambtenaren en bedienden van de Rotterdamsche Bankvereeniging. Het fonds had mede tot taak de oprichting en instandhouding van het in 1915 geopende Huize Erica te Nunspeet, een herstellings- en vakantieoord voor de ambtenaren en bedienden. Op 22 april 1927 vond opnieuw een aanpassing plaats via de oprichting van de Stichting Pensioenfonds van 1926. Vanwege een noodzakelijke aanpassing aan de bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet vond in 1954 een tweedeling plaats. De werknemers die reeds vóór 1 juli 1952 in dienst waren vielen voortaan onder de Stichting Pensioenfonds I. Zij die op of ná die datum in vaste dienst traden vielen onder de Stichting Pensioenfonds II. Op 26 juni 1956 vond de oprichting plaats van de Stichting Pensioenfonds III, bedoeld voor werknemers ònder de rang van (onder)directeur, maar met een jaarsalaris bóven ƒ 8500,-. Op 5 juni 1915 werd de Vereeniging Robaver opgericht. De koninklijke goedkeuring volgde op 17 oktober 1917. De statutair in Amsterdam gevestigde vereniging had tot doel '..den kameraadschappelijken omgang van het personeel der Rotterdamsche Bankvereeniging te bevorderen'. Dit wilde zij bereiken door gedurende de wintermaanden eens per maand clubavonden te organiseren voor het houden van lezingen en voordrachten, het spelen van schaak- en kaartspelen etc. Daarnaast bood zij gelegenheid tot het beoefenen van sport, muziek en toneel. De vereniging had een bestuur van ten minste zeven leden, die haar in en buiten rechte konden vertegenwoordigen. In 1955 vond de installatie plaats van een ondernemingsraad. Gebouwen Bij de start van haar werkzaamheden was de Rotterdamsche Bank gevestigd in het pand Geldersche Kade 50 te Rotterdam. In 1870 werd dit pand door de regering aangekocht wegens de voorgenomen spoorwegaanleg door de stad. De bank nam vervolgens haar intrek in het voormalige Grand Hotel des Pays Bas aan de Boompjes 77 te Rotterdam, in 1705 gebouwd als adellijke woning door Cornelis de Jonge van Ellemeet. In de meidagen van 1940 kwam het pand in de vuurlinie te liggen tijdens de gevechten om de Maasbruggen, en werd het volkomen verwoest. Het personeel werd voorlopig ondergebracht in het gehuurde kantoorpand Calandstraat 49. Pas in 1948 kon het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel 119 gedeeltelijk in gebruik worden genomen. Ook het bijkantoor Coolsingel 109 werd in 1940 door brand zwaar beschadigd. Het bedrijf kon hier echter na een noodverbouwing gedeeltelijk worden hervat. Voor het effectenbedrijf werd aan de Boompjes een noodgebouw geplaatst. De bank te Amsterdam werd bij de start in 1911 ondergebracht in de kantoren van Determeijer, Weslingh & Zoon aan de Keizersgracht 706. Op 24 juni 1912 werd de eerste paal geheid voor nieuwbouw aan het Rokin. Op 22 augustus van datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd. Op 20 oktober 1913 was het kantoorpand Rokin 33-47 gereed. In 1916/17 en 1925 volgden uitbreidingen waardoor het pand uiteindelijk Rokin 23-51 zou omvatten. Bedrijfsvoering Overnames, deelnemingen en commissariaten De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloedssfeer van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling. Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen ze uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer), of volledige overname van de betreffende instelling. Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten. Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Rotterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. Bij een fusie tenslotte werden de bedrijfsactiviteiten van de fuserende partners volledig geïntegreerd en ondergebracht in een geheel nieuwe maatschappij. Het jaar 1911 luidde voor het Nederlandse bankwezen het concentratietijdperk in. De grote verscheidenheid aan regionale en lokale bancaire instellingen werd vanaf die tijd geleidelijk opgeslokt door een, op zich zelf ook slinkend, aantal grote concerns. Al vóór de Tweede Wereldoorlog was sprake van vijf invloedssferen van 'grootbanken', in volgorde van ouderdom de Nederlandsche Handel-Maatschappij, De Twentsche Bank, de Rotterdamsche Bank, de Amsterdamsche Bank en de Incasso-Bank. De overname van de Incasso-Bank door de Amsterdamsche Bank in 1948 en de fusies van De Twentsche Bank met de Nederlandsche Handel-Maatschappij tot de Algemene Bank Nederland (ABN) in 1964, en van de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank tot de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in datzelfde jaar waren verdere stappen in het verdichtingsproces. Met de fusie tussen de Algemene Bank Nederland en de Amsterdam-Rotterdam Bank in 1991 vond de concentratie een (voorlopig) hoogtepunt. De Rotterdamsche Bank kan zonder bezwaar als initiator en gangmaker van de concentratiebeweging worden beschouwd. Vanaf 1911 kent haar geschiedenis een lange lijst van deelnemingen, overnames en fusies. Zij kunnen in dit bestek onmogelijk allemaal worden opgesomd, laat staan besproken. Hieronder volgen enkel wat opmerkingen over de voornaamste activiteiten op dit terrein. Voor het overige wordt verwezen naar overzicht IV. Op 1 april 1911 zette de Rotterdamsche Bank de stap tot fusie met de Deposito- en Administratie-Bank te Rotterdam. Beide banken gingen op in de nieuw opgerichte NV Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De beide fusiepartners vulden elkaar aan: de Rotterdamsche Bank was vooral handelsbank, de Deposito- en Administratie-Bank vooral effectenbank. Nog datzelfde jaar 1911 nam de Rotterdamsche Bankvereeniging een belang in de firma Determeijer, Weslingh & Zoon te Amsterdam. In hun pand aan de Keizersgracht 706 werd (tijdelijk) de bank te Amsterdam ondergebracht. Toegang tot de Amsterdamse beurs speelde bij deze operatie een belangrijke rol. Een zeer belangrijke stap, feitelijk de beslissende stap de provincie in, was de oprichting in 1916 van de Nationale Bankvereeniging, met Utrecht als zetel. De Rotterdamsche Bankvereeniging had hierin een meerderheidsaandeel van 75%. De nieuwe maatschappij had tot doel de uitoefening van het provinciale bankiers- en kassiersbedrijf. Een aantal eerdere overnames werd erin ondergebracht, met name de Bank van Huydecoper & Van Dielen te Utrecht, A. Bloembergen & Zonen's Bank te Leeuwarden, de Dordtsche Bank te Dordrecht en de Nationale Bank te 's-Gravenhage. In 1917 had de vereniging vestigingen in 59 plaatsen. In 1917 stelde de Rotterdamsche Bankvereeniging zich garant voor alle verbintenissen van de Zuid-Nederlandsche Handelsbank NV te Tilburg, met vestigingen in meerdere steden in het zuiden. Eind 1920 werd deze bank overgenomen door de Nationale Bankvereeniging. Per 1 januari 1929 werd het bedrijf van de Nationale Bankvereeniging volledig geïncorporeerd in de Rotterdamsche Banvereeniging. Van dat moment dateert dan ook de Provinciale Centrale binnen de bank. Grote plannen in 1939 om te komen tot verregaande samenwerking met de Amsterdamsche Bank konden vanwege de dreigende omstandigheden geen doorgang vinden. Een overname die wel doorging was die van de Nationale Handelsbank NV, tot 1950 Nederlandsch-Indische Handelsbank NV, op 28 oktober 1960. Het leverde de Rotterdamsche Bank onder meer een groot aantal belangen in het buitenland op, die echter binnen relatief korte tijd van de hand werden gedaan. In 1964 tenslotte volgde alsnog de fusie met de Amsterdamsche Bank. De Rotterdamsche Bank hield hiermee op te bestaan. De bedrijfsactiviteiten werden ondergebracht in de nieuw opgerichte maatschappij de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) NV. Dienstenpakket De Rotterdamsche Bank was vanaf haar oprichting opgezet als handelsbank, hoewel de oprichters primair de dienstverlening aan de koloniale handel voor ogen hadden. Dat de bank, nog versterkt door de in 1864 opgerichte en aan de bank verbonden commanditaire vereniging, zich al zeer spoedig ook richtte op het nemen van gelden à deposito tegen rente (met De Twentsche Bankvereeniging behoorde de Rotterdamsche Bank hierin tot de voorlopers), kredietverlening en rekening-courant was met name de kassiers onder hen uit concurrentieoverwegingen een doorn in het oog. De activiteiten ten aanzien van de financiering van de koloniale handel en cultuurmaatschappijen verliepen echter niet voorspoedig. De bank leed in Indië grote verliezen, en over het beleid ten aanzien van de koloniën bestond intern groot verschil van mening. In 1870 kwam aan het experiment overzee een eind. Al vóór dat jaar waren de in alle optimisme opgerichte agentschappen in Batavia, Soerabaja en Singapore weer gesloten. Men richtte zich voortaan voornamelijk op Nederland. De op het buitenland gerichte activiteiten bleven beperkt tot deelneming in de oprichting van een aantal maatschappijen, als de Russisch-Hollandsche Bank NV te Moskou (1916), de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika NV te Amsterdam (1914) en de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee NV te Amsterdam (1919). Pas met de fusie met de Nationale Handelsbank in 1960 krijgt men weer uitgebreide belangen in het buitenland (Azië, en in Canada de Mercantile Bank of Canada te Montreal). Deze werden echter allemaal na korte tijd afgestoten. Dus, voerden in de eerste statuten de activiteiten ten aanzien van de koloniën nog de boventoon, latere statuten geven een ander beeld. De doelstellingen worden dan omschreven als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operaties in het algemeen, het beheren van vermogen voor anderen, het optreden als beheerder of trustee, het deelnemen in syndicaten en consortiums en het bezorgen van assuranties. Wat betreft de medefinanciering binnen de grenzen zag men al zeer snel de mogelijkheden van Rotterdam als transitohaven. Dit uitte zich ondermeer in deelneming aan de oprichting van de NV Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij Holland-Amerika Lijn te Rotterdam en de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Daarnaast was men onder meer betrokken bij de oprichting van de Amsterdamsche Bank. Vanaf circa 1870 ging de Rotterdamsche Bank zich, in combinatie met andere banken, bezighouden met de emissie van nieuwe fondsen. Het depositobedrijf, het in bewaring nemen van gelden van derden, bleef tot circa 1895 kleinschalig. Van een uitgebreide vaste cliëntèle kon tot dan dus niet worden gesproken. Na 1895 zou het aantal deposito's en crediteuren echter explosief groeien. Eind negentiende eeuw raakte ook de rekening-courantrekening ingeburgerd. Aanvankelijk was het acceptbedrijf, het verlenen van wisselkrediet, het meest aangewezen terrein voor de handelsbanken. Dit bedrijf zou tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke functie en winstbron zijn. Nog in de jaren twintig was de Rotterdamsche Bank betrokken bij de oprichting van accepthuizen, waaronder de Nederlandsche Accept-Maatschappij NV te Amsterdam en de NV Wolfinancierings Maatschappij te Amsterdam, vanaf 1924 de Wolbank. Ten gevolge van de crisis en de opkomst van de moderne communicatietechniek zou het acceptkrediet vanaf de jaren dertig nagenoeg geheel uit het zicht verdwijnen. De wissel werd vervangen door het rekening-courantkrediet ('giraal geld'). De crisis zorgde ook voor de opkomst van het documentair krediet, omdat de banken waren gedwongen, vanwege de anarchie op de valutamarkt, bij kredietverlening aan de internationale handel nieuwe garanties te eisen. Een belangrijke activiteit was verder het vermogensbeheer. Hiertoe werd behalve de administratie over het bij de bank in bewaring gegeven vermogen ook gerekend executele van nalatenschappen en bewindvoering. Aan deze activiteit gerelateerd was de belastingadministratie voor cliënten en het geven van advies op diverse terreinen. De jaren vijftig van de twintigste eeuw brachten de komst van een aantal nieuwe vormen van dienstverlening. Deels werden hiervoor door de bank aparte dochtermaatschappijen opgericht. Ten eerste kwam het afbetalingskrediet (huurkoop) voor duurzame gebruiksgoederen als auto's en wasmachines in zwang. Dit werd het werkterrein van de Handelmaatschappij Mundus NV, in 1961 ondergebracht in de nieuw opgerichte NV Financieringsinstituut Mundus-Eurocredit. In 1962 nam de Rotterdamsche Bank deel in de Nederlandse Financieringsmaatschappij van 1929 Welvaert NV, die zich richtte op het consumptieve afbetalingskrediet. Ook deze maatschappij werd ondergebracht in Mundus-Eurocredit. Daarnaast richtte de bank zich op de markt van de middellange kredietverlening, via de NV Financiering-Maatschappij voor Investeringen (Fimavi). Eind 1959 opende de Rotterdamsche Bank de mogelijkheid tot het openen van spaarrekeningen tegen speciale rente. Met deze activiteiten zette een zekere mate van branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.
1.1 Het gewestelijk gezagSedert de opstand van 1572 berustte in Holland het gewestelijk gezag aan twee zijden, bij het 'Gouvernement' en de 'Staten'. Het gouvernement: het oude grafelijke gezag, waarvan de opstand zich had meester gemaakt, thans, zij het besnoeid, in stand gehouden en in handen gelegd van de prins; de staten: eertijds gezagloze vertegenwoordigers van de steden, die echter door hun economische positie allengs invloed hadden weten te verwerven en na de opstand in versnelde mate daarin waren voortgegaan; en verder die van de ridderschap, welke in aanzien herwon, wat haar te voren door de Spaanse adel was afhandig gemaakt. 1.01 De oorsprong der Financie uit de drievoudige Raad van StateNadat in de te Dordrecht gehouden vergadering van 19 juli en volgende dagen van het jaar 1572 aan Marnix was beloofd de prins van Oranje 'getrouwelick bij te staen ende nyet te verlaten tot den eynde toe' en daarop op 25 juli te Rotterdam nog eens nader werd bevestigd, dat ook deze laatste stad 'als bij den anderen steden binnen Dordrecht was gedaen, zijluyden oeck den voorsz. Heere Prince -- annaemen ende bekenden' en hem 'behoorlicke reverentie ende gehoersaemheyt' zouden betonen, werd op 28 juli te Delft 'geadvyseert', 'dat men eenighe gequalificeerde personen, daertoe nut ende bequaem wesende, stellen zal neffens Z(ijne) G(enade) (L=Lumey), omme met Zijne (G(enade) te besongeren ende depescheren de zaecken, staande ten Gouvernemente ende depèsche van Zijne G(enade)'. Alzo een regeringsraad voor Lumey, waaraan uiteraard een slechts kort bestaan is beschoren geweest, maar zoals daarna ook aan de prins van Oranje werd toegevoegd en waartoe eveneens te Rotterdam in een dezer zittingen werd besloten. Daaraan toch wordt herinnerd in de zitting van de Staten van Holland van 20 september 1575, toen de kwestie 'Landraad en Raden nevens Z.E.' aan de orde was gesteld, namelijk, dat 'de ordre ende forme van de regeringe, welcke bij Ons geconcipieert ende bij de Staten ende Gemeenten (werd) geïnstitueert tot Rotterdam', uit die tijd dateerde. Verschillende aanwijzingen zijn er, dat reeds terstond pogingen zijn aangewend de beoogde raad in het leven te roepen, doch het schijnt, dat deze tot onvruchtbaarheid zijn gedoemd geweest. In elk geval is het zeker, dat de oprichting van de raad nevens Z.E. in meer definitieve vorm dateert van 3 november 1572, toen de prins, na zijn aankomst op Hollandse bodem en zijn tocht door het Noorderkwartier, te Haarlem arriveerde, waar de staten met hem waren bijeengekomen en waar hij als 'stadthouder ende capiteyn-generael over Hollandt, Zeelandt, Westvrieslandt etc., oversien hebbende de personen, Zijne Excellentie bij geschrifte overgelevert, omme daer uyt te verkiesen seecker getal, die, uyt den name ende als volcomelyck geautoriseert van de Staten van Hollandt ende Westvrieslandt, meest continuelijck neffens Zijne Extie souden wesen, omme met deselve te besoigneren', een college van een tiental raden verkoos, namelijk drie uit de edelen, één vertegenwoordiger uit elk der 'groote' steden Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden (Amsterdam was Spaans) en Gouda, benevens een tweetal uit de zgn. 'smalle' steden, allen vooraanstaande figuren en vertrouwensmannen van de steden en de adel (Commissieboek van de raad nevens de prins, Holland 1788, fol. 21), die daar met name worden genoemd. Deze raad, waarin de prins zelf voorzat, werd op 6 juni 1573 nog met een elfde lid uitgebreid, toen deze, wegens zijn persoonlijk aandeel aan het ontzet van Haarlem 'uuyt deser stede van Delff voor eenen tijt zullen moeten trecken, willende nochthans, dat gedurende onse absentie bij die van den Raide van Staten neffens ons wesende, alle voorvallende zaecken, soewel den lande int generael als den inwoonderen desselfs in 't particulier aengaende, getracteert ende gehandt werden', als zijn plaatsvervanger voor het presidentschap Paulus Buys aanwees (aldaar, blz. 25vo). Dat deze raad inderdaad in werking trad, zij het misschien nog niet ten volle, en verder hoe de bezetting was, zoals die bij de instelling zich vertoonde, blijkt wel uit de commissie voor Pieter Hanneman als rentmeester-generaal van de domeinen van 'Noord-Holland', welke op 28 april 1573 bij advies 'van den luyden van Raide van Staeten neffens ons wesende', door de prins werd uitgegeven (aldaar fol. 59). Dat verder de staten de arbeid van deze raad waardeerden, zou kunnen blijken uit het antwoord, dat zij op 12 november 1574, zij het dan ook nolens volens, gaven op de bekende, enigszins spijtig gestelde memorie van de prins van 20 oktober, waarin zij spraken van 'sijne gelucksalige regeringe met het Collegie van den Rade van State nevens hem wesende' (resoluties van de Staten van Holland 1 november 1574). De 'commissie' voor deze raad, als die zo genoemd mag worden, welke op 3 november 1572 in het even vermelde commissieboek werd opgenomen, is weinig zeggend en niet in overeenstemming met de uitgebreide bevoegdheden, die de raad had verkregen of althans wist te verkrijgen en die er schijnbaar op gericht was de politieke invloed van het hof te niet te doen, wat meermalen tot ernstige verhoudingen en geschillen tussen beide lichamen aanleiding gaf. Een dergelijke vage omschrijving van rechten en bevoegdheden kan onmogelijk het enige desbetreffende document zijn, dat daaromtrent werd uitgegeven, al schijnt een ander niet te bestaan. Het blijkt echter, dat Bor een instructie of iets van dien aard onder het oog heeft gehad, waardoor hij in staat was een opsomming te geven van de bemoeiingen, die hij ongetwijfeld aan dit document moet hebben ontleend, 'Desen Raed', zo deelt hij mede [1], 'werd gegeven volkomen macht, last en autoriteit om op alle voorkomende saken te disponeéren, daer in en overal te gebruiken den name van den Prince van Orangiën van wegen de Coninclijcke Majesteit, onvermindert en blijvende de kennisse van 't Hof van Holland in 't geheel; souden oock de voorsz. Raden hebben volkomen macht over alle gouverneurs, capiteinen, oversten en soldaten, om deselve te corrigeren van haerluyden delicten, mesusen en ongeregeltheden; souden ook hebben volkomen macht om te disponeren op alle geannoteerde en geconfisqueerde goederen, daervan te composeren, transigeren ende voorts alles te doen wes daeraen soude mogen dependeren. De voorsz. (eyde) Raden waren gehouden alle dagen, uitgenomen den Sonnendach en Donderdag, te vergaderen en ordinarie te besoigneren voor den noenen van acht uren tot elven, en na noen van drie uren tot sessen, en voorts extra-ordinaris tot alle uren en tijden, als hemluiden hetselve bij Zijne Excellentie gedenuntieert soude worden, of de sake sulcx soude vereisschen. Alle haerluyden sententiën, commissiën, bevelen en ordonnantiën souden effect sorteren in allen schijn of die bij Zijne Excellentie gegeven waren'. Deze omschrijving van de bevoegdheden van de raad wordt bevestigd door de resoluties van de Staten van Holland van 9 november 1574, toen in verband met 's prinsen vertrek naar Zeeland een tijdelijke overdracht van het gouvernement op de drie raden plaats had. Deze waren toen namelijk gemachtigd 'gesamenlijck bij dese anderen te vergaderen ende op alle voorvallende saecken van oorlogh ende politique regeeringhe van wegen Sijne Excellencie te mogen disponeren ende ghebieden over alle steden, capiteynen ende ingesetenen, derwelcker ordonnantiën ende bevelen voornoemde Staten ook willen ende begeeren, dat in alles geobidieert, volkomen ende achtervolght worden'. Deze resolutie doet verder zien, dat de gestelde 'Raad' een drievoudig lichaam was, dat wil zeggen een lichaam, dat in drie groepen arbeidde aan de voor ieder gereserveerde taak en eigenlijk in drie min of meer zelfstandige raden uiteen viel. Als aanvulling werd verder daarbij bepaald, dat 'mede geduyrende denselven tijdt uyt elck van de groote steden een gedeputeerde alhier gehouden sal worden, die procederen sullen tot hooringe ende sluytinge van alle reeckeninghen volgende voorgaende resolutie, die goede correspondentie met de voornoemde drie collegiën sullen houden, omme in alle saecken te helpen adviseren ende assisteren, daertoe zijluyden versocht sullen mogen worden'. Hoe nu de onderlinge verhouding van de drie raden was, schijnt bij gebrek aan gegevens niet uit te maken. Dat ze gezamenlijk een organisme vormden, met andere woorden dat de ene de andere completeerde, staat vast uit de wijze, waarop ze gezamenlijk worden aangehaald als de drie colleges nevens zijne excellentie, waarvan die betreffende het algemeen bestuur meer speciaal als Raad van State wordt aangeduid, terwijl die van Financiën en Admiraliteit door hun naam voldoende hun functie verraden. Schijnt het soms, dat alle drie zelfstandig zijn, andere uitlatingen van die tijd wettigen het vermoeden, dat de Raad van Admiraliteit en die van Financiën onderdelen zijn van de Raad van State of regeringsraad nevens de prins in pleno. Het was deze overweging, dat een korte schets van de drie raden hier gegeven is, waar feitelijk de Raad van Financiën ons hier in het bijzonder bezighoudt. 1.02 Raad van AdmiraliteitAls tweede in het trio behoort hier dan te worden genoemd de Raad van Admiraliteit, die speciaal de belangen van de vloot behartigde. Een commissie werd daarvan niet aangetroffen, noch is er enige aanwijzing, dat die ooit zou hebben bestaan, wat er op zou kunnen wijzen, dat wij hier met gedelegeerden uit de Algemene Raad nevens de prins te doen hebben. Ook de samenstelling kan slechts benaderd worden door de combinatie van de namen der ambtsdragers, die voor en na in de resoluties der staten, in de rekeningen en dergelijke worden genoemd, zoals bijvoorbeeld Adr. v.d. Mijle, Cornelis van de Bockhorst, Pauli, Adr. Robrechts, Gerard van Wijngaerden en Nic. Kamerling, die in de Statenresoluties als Raad van Admiraliteit nevens Z.E. voorkomen (resolutie 13 september 1574). Het college had eigen equipagemeesters (Klaes Joosten de Bije, res. 14 september 1574), eigen ontvangers van de licenten (mr. Hendrik Meyster, resoluties 22, 25 september en 4 oktober 1574), die door de commies-generaal der licenten, Hendrik Duyst in verschillende steden werden gesteld (resolutie 30 september 1574), had eigen middelen dus, die uit de konvooien nader werden gestijfd, en verder uit de opbrengst der behaalde prijzen (resolutie 2 oktober 1574), de besomming van de impost op de granen en andere verpachte middelen, de morgentalen etcetera (resolutie 21 juni 1576). De raden zorgden voor de aanbouw van de vloot, gaven dienovereenkomstig adviezen (resoluties 25 augustus, 3 september en 4 oktober 1574), handhaafden de tucht onder de schepelingen van hoog tot laag, waarover ze recht spraken met behulp van een der raadsheren van den Hove (29 september 1576). Voor hun vergaderingen hadden ze een eigen afzonderlijk gebouw - in april 1576 het huis van Hillegont Claesdr. te Delft (resolutie 13 april 1576) -, dat echter moeilijk constant kon zijn, omdat de raden steeds gevestigd waren dáár, waar ook de staten en de prins verblijf hielden, teneinde met hen aan de beraadslagingen te kunnen deelnemen. 1.03 Raad van FinanciënDe Raad van Financiën, die voor het onderwerp, dat deze inventaris betreft, een meer uitgebreide bespreking verdient, verzorgde oorspronkelijk de financiën, dat wil zeggen de financiën van het 'Gouvernement': van de 'Gouverneur' in zijn nevenfunctie van stadhouder, namelijk de baten, voor de krijgsaangelegenheden alléén bestemd, en die dus - ook daarvoor hadden de raden te waken - niet voor andere doeleinden mochten worden benut: de konvooi- en licentgelden (oorspronkelijk baten, die aan het gewest ten goede kwamen en voor de vloot werden gebezigd), de imposten, die tot een behoorlijke serie waren uitgedijd (resoluties 25 november, 3, 4, 6 en 10 december 1574) en in maart vijfenveertig duizend gulden per maand besomden (resoluties 15 en 16 maart 1575), maar door de thesaurier Taffin en de Raad van Financiën met moeite konden worden binnengehaald ondanks de medewerking van de deurwaarders van de raad (resolutie 29 september 1574). Het vrije en onbelemmerde beheer over deze middelen was door de prins van de staten afgeëist, teneinde niet steeds afhankelijk te zijn van de toesteming der staten bij het aanvragen van nieuwe fondsen, terwijl hij bij de aanvaarding van het vernieuwde gouverneurschap over Holland en Zeeland opnieuw zijn eis had gesteld onder aanwijzing van de bronnen (resoluties 12 en 19 mei en 10 juni 1575). Waren deze echter niet bij machte het benodigde te verschaffen, dan werd door heffingen, leningen en dergelijke in de nood voorzien, terwijl in 1577 zelfs veertigduizend pond werd verkregen, door de muntmeester Jacques Clautier aan de arbeid te zetten (resolutie 6 juli 1577). Ook de uitbetaling der soldaten berustte bij de Raad van Financiën (resoluties 12 en 14 februari en 2 maart 1575). Het kostte die raad echter moeite onder de druk der staten, die als regel ook over een lege kas beschikten, deze bestemming der middelen in het oog te houden, zodat de prins het de staten als een grief aanrekende, 'dat de financie ende de gemeene penningen confuselijck ende sonder goede ordeninge bedient ende aenghelegt worden, uyt dier oorsaecke, dat de Staten de uytreyckinge der penningen onder den anderen vermengen, betalende met die penningen, die tot der knechten betalinghe gedestineert zijn, eenighe andere nootdruftigheydt, hetzij victuaillien ofte andersints, ofte daermede afkortende ende lossende de assignatiën van de oude schulden', (resoluties van de Staten van Holland 1 november 1574), op welke memorie, die het karakter van een ultimatum had, de staten met schrik bewilligden en verklaarden, dat de prins zou hebben 'volkomen macht ende seggen van de domeynen ende innekomen des Graeffelyckheydts van Hollandt ende oock van bewillighde contributiën, subventiën ende beeden, bij de Staten geconsenteert, mitsgaders paspoorten en alle andere ordinaris ende extra-ordinaris inkomen, dispensatie ende dispositie van alle des voorseyt is, gebruyckt sal worden den dienst van het Collegie van Finantie, sonder dat de Staten, steden ofte yemandt anders hun dies sal mogen onderwinden, hetsij met assignatie, kortinge ofte oock bewijsinge op de voorsz. penningen te doen; alle hetwelcke ook voor nul ende van onwaerden ghehouden sal worden; uytgesondert den impost, daervan de dispositie sal competeren de Staten onder haerluyder ordonnantie, waervan de ontvanger-generael alle veertien dagen ghehouden sal wesen staet te leveren in handen van de Financie: welvaststaande, dat in den hoogh-dringenden noot Sijne Excellentie deselve sal mogen aantasten en daer op ordonneren'. 1.04 Unie met Zeeland 1574Zo hadden dan tot de zomer van 1575 de drie raden nevens de prins gezamenlijk hun beste krachten gegeven, toen er een verandering dreigde, die aan hun bestaan een einde zou maken. De aanleiding was een streven naar verandering van het verbond met Zeeland, dat, hoewel naar het schijnt, niet schriftelijk vastgelegd, sedert het begin van de opstand had bestaan en sedert dien allengs nauwer aangehaald was geworden. De energieke strijd der Zeeuwen tot behoud van Vlissingen en het bezit van Middelburg was door Holland krachtig gesteund, waarvan de rekening van Alard Pieters van Hoencop wegens de proviandering van de oorlogsschepen onder Willem Bloys van Treslong tot assistentie van Vlissingen over februari tot augustus 1573 daarvan duidelijk rekenschap aflegt. Toch hadden de Zeeuwen dit verbond slechts node doen voortbestaan, daartoe genoopt door het gemis aan voldoende kracht om de vijand alleen te kunnen weerstaan. Wanneer de prins zich in het najaar van 1573 naar Zeeland begeeft, begint echter de waardering toe te nemen. Reeds op 9 januari 1574 had hij, teneinde 'goede correspondentie te houden met dien van Hollandt ende andere onse goede vrienden ende bondgenoten', de gouverneurs en gedeputeerden van Zierikzee, Veere en Vlissingen ter beraadslaging te Vlissingen bijeengeroepen en als resultaat daarvan werd bij instructie van 2 maart 1574 het gouvernement bij zijn afwezigheid opgedragen aan het college van de drie gouverneurs en de raden Anthonis van der Zickele, Jacob Campen en Cornelis Wercken dit Lievenssen, gedeputeerden respectievelijk van de steden Vlissingen, Veere en Zierikzee, te vermeerderen met nog een zevende lid, die de prins daaraan uit Holland zou toevoegen. De samenstelling van deze raad duidt op het streven naar gelijkvormigheid met Holland: door de prins gekozen raden, voorgedragen door de steden en belast met het gouvernement in zijn afwezigheid. Echter met een verbindingsschakel: het lid uit Holland. Dit laatste echter bleef een utopie. Zowel de Raden van Holland als die van Zeeland bleven slechts het gewest vertegenwoordigen en tot 7e lid werd gekozen de gouverneur van het weldra overgegeven Middelburg. Maar de actie tot versteviging van het contact had de prins daarmee niet opgegeven en blijkens artikel 32 van de boven aangehaalde commissie van 2 maart 1574 had hij reeds een eenparige heffing der licenten op het oog, die op de aanstaande vergadering der Staten van Holland en Zeeland aan de orde zou komen, terwijl ook de regeling der imposten gemeenschappelijk behoorde te geschieden. Blijkens de notulen van gouverneurs en raden van 20 maart 1574 werd echter verklaard, dat de heffing der imposten, zoals die door Holland werden geheven en ook voor Zeeland werden voorgesteld, voor Zeeland te bezwarend was, waarom de vergaderden besloten - 'opdat de Unie, bij die van Hollant ende Zeelandt gemaeckt, niet geledeert en zoude werden' - de bemiddeling van de prins in te roepen, teneinde de lasten voor Zeeland te matigen, maar dat zij, indien Holland onverzettelijk bleek, 'met eeren de Unie meughen repudieeren, nemende een eerlijck afscheyt ende seggende: wij zullen ons zelven helpen'. Van elders weten wij, dat deze unie op de verenigde dagvaart, die dus begin maart 1574 te Dordrecht moet gehouden zijn, tot stand kwam. Reeds Van Wijn heeft gewezen op een plaats in de notulen van de Goudse vroedschap van 12 mei 1574, waarin gesproken wordt van het verslag, gedaan door de gedeputeerden naar de desbetreffende Dordtse Statenvergadering betreffende 'de propositie, die d'Excellentie van den Prinche van Oraingnen... in der voorsz. vergaderinghe gedaen heeft, mitsgaders 't verbont daer uuyt gevolcht ende bij den gemeenen Staten van Hollandt, Zeelant, Noordelant, Bommel ende Buyren onder elckanderen gemaeckt ende de middelen, geconcipieert ende voorgeslagen tot den onderhoudinge ende beleyt des jegenwoordigen chrijchs'. Dat deze middelen, vastgesteld bij plakkaat van 10 mei 1574 ter Statenvergadering van Holland en Zeeland te Dordrecht en opgenomen in de bekende hiaat van de resoluties van Holland, niet slechts door Zeeland zijn aanvaard, maar ook - althans gedeeltelijk - zijn geheven, blijkt uit de notulen van gouverneurs en Raden van Zeeland van 27 mei 1574. En dat tot deze gemeenschappelijke lasten ook de licenten behoren, blijkt uit een uitlating ter vergadering van 7 augustus 1574, waar er sprake van is, dat men het tarief daarvan door bespreking met de raden nevens de prins en de Staten van Holland zal trachten te verminderen, hoewel Zeeland blijkt prijs te stellen op een gezamenlijke oorlogsvloot van Holland en Zeeland ten behoeve van de bescherming van de haringvangst. Dat echter de financiën van Holland en Zeeland reeds gedeeltelijk onder één beheer stonden, nog vóór het verbond van maart 1574 was gesloten, zou kunnen blijken uit de rekening van mr. Joos van Alblas van het beheer der geannoteerde goederen in Voorne over 1573 - de uitgaven lopen ook over het volgende jaar - die op fol. 270 een betalingsorder van de raad nevens de prins boekt, die 27 februari 1574 uitgereikt aan Nic. van der Laen als 'ontvanger-generaal van de Financie van Holland en Zeeland'. 1.05 De Unie van 1575De Unie van 1574 scheen echter niet in alle delen te voldoen aan de verwachting van Holland en de prins. Waarschijnlijk achtten beide de band te los en zo namen de Staten van Holland in het najaar van 1575 het initiatief ter voorbereiding van een nader verbond. Op 19 april hadden zij daartoe aan de gecommitteerden van enige steden van Noord- en Zuid-Holland order gegeven tot het opstellen van een concept-traktaat van unie tussen de beide gewesten en reeds de volgende dag kwamen de 'artikelen van verbondt' ter tafel. Na enige deliberaties kreeg op 17 mei een commissie opdracht het geheel aan te vullen met een 'ordonnantie ende instructie, dienende op 't stuck van den gouvernemente en beleydt van den oorloge', een omschrijving dus van de macht en de taak van de prins als gouverneur van beide gewesten. Dank zij ongetwijfeld de hulp van Buys waren de ontwerpers, vertegenwoordigers van Holland en Zeeland: Jacob van der Does, Charles Boisot, gouverneur van Zeeland, Arend van Dorp, Nicolaas van der Laan en Hendrik Duyst, reeds de volgende dag met hun opdracht gereed en werden op die vergadering de 'poincten ende articulen van de Generale Staten van Hollandt ende Zeelandt geraemt nopende de regeeringhe der selver landen ende het generale gouvernement van Sijne Excellencie', aan de staten overgelegd. 1.06 Instelling van de landraad, ter vervanging van de drie radenDe macht van de prins werd daarin omschreven, de rechtspraak en de religie geregeld, terwijl vervolgens het 21e en laatste artikel voorschreef, dat de Staten van Holland en Zeeland uit 'de voornaemste ende principiaelste der landen' een 'gemeenelandsraedt' zouden samenstellen 'tot beleydinghe ende conservatie van alle andere des gemeenelandts saecken ende unie, -- dewelcke nae de ordonnantie, authorisatie ende instructie -- met alle officieren Sijne Excellentie oock sullen assisteren nae haer vermogen met raedt ende daedt, daertoe bij Sijne Excellentie vermaent sijnde'. Eigenaardig is, dat van het vervangen van de drie raden nevens de prins door de geprojecteerde landraad, gelijk inderdaad de bedoeling was, met geen woord wordt melding gemaakt en slechts van een door hen te stellen adviserend college wordt gerept. Met het 'concept van de instructie van eenen gemeenen landraedt ter beleydinghe ende vorderinge der gemeene saecke volgende den last van de generale staten van Hollant ende Zeelandt' tot welke samenstelling in de statenzitting van 18 mei opdracht was gegeven en dat reeds in de vergadering van de 19e daaropvolgend ter tafel was gekomen, was het niet anders gesteld. Niettemin betreedt het ontworpen college in alle delen het terrein van de drie raden, waardoor deze automatisch zouden vervallen. De behandeling van de beide voorstellen, die betreffende de unie en die betreffende het gouvernement en dan te stellen landraad kostte veel hoofdbrekens en een uitgebreide behandeling, die echter weinig beslissends boekt, totdat de Statenvergadering van 13 mei - 15 juni 1575, met blijkbare instemming van de Zeeuwse gedeputeerden, Holland besloot de voorgestelde lijst van belastingen ten bate van de oorlog te aanvaarden. Alleen de voorstellen ten opzichte van het verenigd gouvernement en de daarvoor te stichten landraad voor de beide gebieden zou nog een eindeloze reeks van zittingen eisen, tot eindelijk deze voorstellen, vooral door de tegenstand van Zierikzee en Leiden, bleken te zijn afgestemd. Holland had echter reeds met de benodigde voortvarendheid, die de enthousiaste voorstander kenmerkt, enige bezwaren van het Noorderkwartier ten spijt, de 28e juli 1575 het concept van de instructie voor de landraad aanvaard, waarbij besloten werd tot het samenstellen van een kandidatenlijst voor de landraad, die de 29e ter tafel kwam. Rotterdam wist de zaak nog enige tijd slepende te houden, dat de 5e augustus de prins aanleiding gaf van zijn 'quaedt genoegen' getuigenis af te leggen, dat 'het langher vertreck van de constitutie des gemeenen landtraadts' hem gegeven had, tot de 9e augustus de instructie werd getekend voor de gecommitteerden, die de inmiddels reeds samengestelde voordracht aan de prins zouden ter hand stellen. Daarmee was de landraad, voorzover Hollands Zuiderkwartier betreft, ten slotte samengesteld, waarvan de leden, blijkens mededeling in de Statenzitting van 26 augustus 1575, toen reeds de eed aan de prins hadden afgelegd onder voorbehoud, dat binnen tien dagen de steden wederkering hun trouw aan de raad zouden hebben betuigd. Reeds op 27 augustus zien wij in de resoluties van Holland de landraad in actie, als deze met de staten enige gecommitteerden last geeft zich in Leiden op de hoogte te stellen van de verdedigbaarheid der stad. Het blijkt dan zijn taak te hebben verdeeld over vijf afdelingen, namelijk 1e voor de politieke zaken, 2e voor de financiën, speciaal 'omme het oog op alle inkomsten te hebben', 3e voor de admiraliteit, 4e voor het toezicht op de fortificaties en het toezicht op de administratie der ammunitie, 5e voor het toezicht op de victualie en proviand in het algemeen. 1.07 Wederinstelling van de Financie en de andere raden wegens afschaffing van de landraadIntussen was de verbetering, die men door het nieuwe college had gehoopt te verkrijgen, vooral nu het in Zeeland zijn evenknie niet vond, uitgebleven. Een volle maand was het op de proef gesteld, en die praktijk had de prins de overtuiging geschonken, die door Leiden reeds tijdens de beraadslagingen was uitgesproken. Op 26 september 1575 deelde de prins de Staten van Holland mede, dat de landraad, die hij zelf niet voorgesteld noch begeerd, maar tenslotte aanvaard had, 'weynigh nuts ende voordeels ende niet alsulcke vruchten als men wel gemeent hadde in de voorvallende landtssacken is brengende, uyt oorsaecke, dat de authoriteyt ende macht van dien met meenighvuldige restrictiën besneden ende gelimiteert ende in vele saken tot vergaderinge van de Staten verbonden is ende dat ook geen sekere ordre ofte regel daerinne gestelt ende noch veel weyniger gehouden kan worden op het fait van de Financie, van de Admiraliteyt, van de Politie ofte eenighe andere saecken, overmidts de groote meenichvuldigheydt van diversse saken, dagelycks langhs soo meer voorkomende, die al t' samen bij 't geheele collegie van den voorsz(eyden) Landraadt niet en kunnen op eenen tijdt gerapporteert, gehoort ende geëxpedieert werden, hebbende niemant van denselven Raedt, Waerinne hij absolutelyk ende alleenlijk hem ordinaire, soo in ordinaris als extra-ordinaris voornoemde landtssaaken sal gebruycken, waerdoor op de landtssaken nimmermeer eenige vaste ofte sekere resolutie en kan genomen worden', waarbij verder beoogd werd, dat zo op die weg werd voortgegaan, alle zaken 'tot confusie ende uyterste bederf' zouden komen. Daarbij kwam, dat deze landraad oorspronkelijk was bedoeld als een orgaan, dat de zaken van de beide geünieerde provincies zou verzorgen, maar dat tot die tijd alleen was gecommitteerd door Holland en uitsluitend uit Hollandse leden bestond, terwijl ook - ongetwijfeld ten gevolge van de handelwijze van een paar steden, die de gilden en de schutterijen niet hadden geraadpleegd - enkele 'gemeenten ofte schutterijen' bezwaren hadden doen horen. Dat was de oorzaak, dat de prins voorstelde de landraad eenvoudig te ontbinden, terwijl de staten het gehele gouvernement op zich zouden nemen door middel van een orgaan, de Raad van State, voor een jaar te kiezen uit de stedelijke vertegenwoordigers, die snel en zonder ruggespraak zouden kunnen besluiten in zaken van de Financie, admiraliteit en binnenlandse politiek, omdat door de vroegere langwijlige werkwijze 'veel goede occasien meenichmaal voorbij gegaen ende onse en der Staten goede voorslagen illusoir gemaeckt werden, tot groote achterdeel van den lande'. En om tot een praktische oplossing te komen en terstond zaakkundige personen aan het roer te hebben, zou men in die raad kunnen opnemen de leden van de op te heffen landraad, terwijl een gedeelte van die raad als gedelegeerd college, omvattende zes personen, 'in materie van financie gestileert', de desbetreffende aangelegenheden zouden verzorgen en het toezicht zouden hebben op de belastingen, waarbij aan een andere sectie van eveneens zes leden de zorg zou worden toevertrouwd 'van de saecken der admiraliteyt ende die ten onderwinde van de fortificatiën'. Tegen de voorgestelde aanvaarding van het gouvernement hadden de staten blijkens hun antwoord ernstig bezwaar en ze verzochten de prins integendeel van zijn kant 'het absolute gouvernement ende beleydinge der saken van denselven lande als vooren bij provisie ende soo lange aen te nemen' met 'volkomen authoriteyt' tot het heffen van de middelen ten bate van den oorlog, 'de geheele ende volkomen regeringe, eerste overigheyt ende gouvernement der landen van Hollandt ende Zeelandt, onder sulcken titul als daertoe baquaemelyckst met de meeste aensien ende authorityt soude mogen dienen, ja als grave van Hollandt'. Wat echter betrof het opheffen van de landraad, moesten de Staten erkennen, dat de huidige oplossing niet de juiste was. Een uitnodiging tot een bespreking, aan enige uit het lid der edelen en de ridderschap werd op 21 september verzonden, maar hoewel op de dagvaart, op 1 oktober 1575 en volgende dagen te Rotterdam weder met het oog daarop uitgeschreven, de 3e van die maand wel weer de zaak van het gouvernement ter sprake kwam, blijkt uit de gehouden notulen niet, wat betreffende de landraad werd beslist. Toch blijkt de zaak in deze dagen te zijn afgehandeld. Van de landraad verneemt men voorlopig niets en alles wat er lag op het terrein van zijn werkzaamheid, werd in de komende dagen door de staten verricht. Half oktober heeft de landraad zeker ten volle afgedaan; blijkens een Statenresolutie van 15 oktober 1575 behoefde een door de raad afgegeven betalingsorder reeds de bekrachtiging van de Staten. Welke maatregelen er echter ter voorziening genomen werden, blijkt uit de komende resoluties niets. Echter is men half oktober reeds gedeeltelijk geslaagd met een nieuwe organisatie. De Admiraliteit, waaraan zeker naast de Financie het meest behoefte werd gevoeld, nu sedert eind september Zierikzee gevaar liep en men noodzakelijk gewapenderhand diende in te grijpen, is de 18e oktober weer in wezen, hoewel eerst de 29e daaropvolgend order wordt gegeven tot het ontwerpen van een ordonnantie voor de afzonderlijke colleges: Buys met Van der Laen en Loncq, bijgestaan door Geniets - die weer als te voren aan de Financie verbonden blijkt - voor de Finantie; de gedeputeerden van de Admiraliteit voor hun college, terwijl de graaf van Culemborg met Asperen betreffende de regeling van de 'Politie' - de schikking omtrent aan Raad van State, die het bestuur voor zijn rekening zou nemen - met de prins zou spreken. Op 2 november 1575 wordt inmiddels de door de prins goedgekeurde ordonnantie op de Finantie door de staten gearresteerd en ingeschreven in het door dat college gehouden memoriaal. Ook voor de Admiraliteit zou dat, toen of later, eveneens zijn geschied, althans de Admiraliteit ging door met haar beschikkingen en dezelfde 2e november zien wij het college in actie betreffende het leveren van balken voor de 'reparatie van de kercke aan 't logis van Sijne Excellentie' te Rotterdam, die door de staten in gebruik zou worden genomen. Het zou de moeite lonen deze ordonnantie op de Financiën in het bovenbedoelde 'memoriaal', indien het nog ware bewaard gebleven, na te gaan. Echter is er een uittreksel van bekend, vergezeld van een begeleidend schrijven van de Staten van Holland van 15 november 1575, waaruit niettemin het juiste karakter van de Financie voor het eerst in haar gehele omvang aan de dag treedt en dat is opgenomen in één der memorialen van de rekenkamer der domeinen van Holland (nr. 26, fol. 28vo). De rekenkamer toch, die de 'domeinen' beheerde en dus de bronnen, waaruit mede de baten voor de oorlog vloeiden, stond als zodanig eveneens onder toezicht van de Financie en had met de toenmalige ordonnantie evenzeer te doen, zodat de opneming van deze ordonnantie in haar memorialen voor de hand lag. Uit dit uittreksel blijkt, dat de staten, gecommitteerd ter Financie, zouden hebben 'de volcomen handelinge, bewindt ende administratie' van 's lands middelen, zowel de 'geaccordeerde contributiën van Acchijnsen ende imposten als van de domeynen, geannoteerde goeden ende alle andere ordinaris ofte extra-ordinaris incommen' (namelijk de middelen voor de krijg gereserveerd). Betalingsorders zouden verder alléén door de Financie worden afgegeven, met deze uitzondering slechts, dat ook de prins en het Statencollege daartoe bevoegd waren, maar ook dan de uitgegeven bevelschriften slechts konden gehonoreerd worden, indien zij van het visum van de Financie waren voorzien. Zonder de gecommitteerden ter Financie zou de rekenkamer zelfs niet bevoegd zijn 'quytscheldinge ofte atternimatie te verleenen, noch ook eenige uutgevinge in erfpachte', opdat dit besluit zou kunnen worden aangetekend op de staat van de ontvanger, die daarmee door zijn rekening betrokken was. De gecommitteerden zouden maandelijks van de ontvangers van de gemenelands accijnzen en imposten opgave ontvangen van de door hen geïnde penningen, om die op de bedoelde staat te kunnen aantekenen, waarna deze maandstaten naar de rekenkamer ('Hollandsche' rekenkamer of rekenkamer ter auditie) werden overgezonden, teneinde daar te worden bewaard ter verificatie van de in te leveren driemaandelijkse rekening. Het resterende, dat uitsluitend de rekenkamer der domeinen betreft, heeft voor de beschouwing van de werkzaamheid der Financie geen verder belang. Maar het geciteerde geeft ons toch enig meerder inzicht in de betekenis en de bemoeiing der Financie, zoals die zich voor de afschaffing van de landraad vertoonde. Het resterende wordt gedeeltelijk belicht door de Statenresoluties van Holland. Als te voren werden bijvoorbeeld de rekeningen der ontvangers, voor zover die niet bij de staten waren overgelegd, weder bij de Financie ingeleverd (resolutie 2 november 1575) en wat de inning der door de ontvangers der vijf kwartieren (namelijk Zuid-Holland, Delfland en Schieland, Rijnland, Gouda, Brielle) als onbetaald opgegeven posten door haar ter hand genomen (resolutie 29 november 1575), terwijl het hier en daar opgespoorde kerkzilver als voorheen bij dit college zou worden gedeponeerd (resolutie 22 februari 1576). Dat echter de opvraging der kohieren van de ontvangers der geannoteerde goederen, bestemd voor het onderhoud van de Leidse Hogeschool, en de deponering daarvan bij de daarvoor aangewezen nieuwe rentmeester Claes Dirks van Montfoort aan hof en rekenkamer was opgedragen (resolutie 8 november 1575), zal hierin zijn oorzaak vinden, dat men de sterke arm (hof, procureur-generaal met de 'officier' en de magistraten der stad Leiden ) zonder meer in actie kon stellen, in geval er 'onwilligheydt ofte vertreck' werd gepleegd. Maar Lodewijk van Treslong, die het ontvangerschap bekleedde van de ook voor dit doel bestemde decanie-, canonisie-, proostdij-, pastorie- en vicariegoederen van de Leidse Sint-Pancraskerk, moest toch jaarlijks, hoewel hij de baten behoorde af te dragen aan de genoemde Claes Dirks, de rekeningen inleveren bij de staten, gecommitteerd ter Financie (resolutie 23 februari 1576). Echter keerde men spoedig terug tot het blijkbaar voor korte tijd losgelaten oude beginsel van nauwe samenwerking tussen de rekenkamer en de Raad van Financiën zoals die geregeld werd bij de ordonnantie op de beide colleges van 10 augustus 1576 (2e Witte Register, Rekenkamer, fol. 54). 1.08 De Unie in 1576Zo was dan alles, wat in 1575 was beproefd om Holland en Zeeland tot een hechte en innige unie te komen mislukt en verder door herstel van het oude ongedaan gemaakt, wat in verband daarmee in het Hollandse regeringsstelsel was gewijzigd. Maar het beleg van Zierikzee en de vermeestering van een deel van Overflakkee en St. Philipsland hadden sedert het einde van september 1575 de geesten beziggehouden. Tussen Holland en Zeeland dreigde een wig gedreven te worden, gevaarlijker dan Haarlem en Amsterdam er een vormde tussen Hollands Noorderkwartier en Zuiderkwartier. Inniger samenwerking was plotseling een gebiedende eis geworden en in januari 1576 zou men, thans niet door Zierikzee gehinderd, de pogingen tot het sluiten van een innig verband hernieuwen, een poging, door Holland beraamd en door de prins gesteund. In de Hollandse Statenvergadering van 30 januari 1576 werd toch mededeling gedaan, dat de prins met advies van de staten de steden van Noord-Holland en Zeeland had aangeschreven hun afgevaardigden te zenden 'met volkomen ende absolute magt, omme eenen vasten ende eenparigen voet te nemen op het accordt ende verbondt van de Unie tot Dordrecht gesolemiseert ende genomen, sonder dat die gedeputeerden daarop eenig rapport sullen mogen nemen'. Het onderstreepte is wel merkwaardig. Immers het verraadt duidelijk 's prinsen overtuiging, waar de oorzaak lag, waardoor de vorige poging niet ten volle tot haar recht was gekomen. Op 13 maart 1576 kwamen de afgevaardigden te Delft bijeen: die van de ridderschap, de edelen en de steden van Hollands Zuider- en Noorderkwartier met die van Middelburg, Zierikzee, Vlissingen en Veere, waarbij de 13e ook Zaltbommel zich voegde. Thans, nu de nood ernstiger dreigde, had alles een sneller verloop en op 23 maart 1576 werd de akte van het verenigd gouvernement onder de prins van Oranje aan de staten om rapport ter hand gesteld. Over de unie verneemt men dan voorlopig niets meer, al had men de overtuiging, dat men het vorig jaar daaromtrent zijn standpunt had bepaald, tot op 25 april een concept, zowel betreffende de unie als het gouvernement, werd gearresteerd en getekend. Het geheel was een zakelijke samenvatting van het ontwerp-unie, zoals dat in 1575 ter statenvergadering was aanvaard, aangevuld met de bepalingen omtrent het gouvernement, zoals dit in 1575 aan de orde was, hier en daar echter omgewerkt naar het voorbeeld van het concept van 23 maart 1576, en stempelde zichzelf tot een bevestiging van 'den vaargaanden tractate, verplichtinge ende verbonde, tusschen de voornoemde staten ende de steden op den 4en Juni 1575 laatsleden met malcanderen aangegaen'. 1.09 Vervolg raden nevens de prinsWel eigenaardig is het, hoe de inzichten aangaande het bestuur inmiddels zich hadden gewijzigd. Het concept-gouvernement van 1575 sprak in artikel II van 's prinsen recht om te beslissen in alle krijgszaken 'met advies van dengenen, die Sijne Excellencie gelieven zal 't allen tijden daertoe te gebruycken', terwijl die kwestie nader werd aangeduid in art. XVIII, namelijk dat de prins tot 'sijnen Raede ende assistentie' verkiezen zou 'Gequalificeerde persoonen, Nederlanders, ende het meerendeel Hollanders ende Zeelanders wesende'. Evenzo zouden de Staten van Holland en Zeeland gezamenlijk (art. XX) uit de 'principaelste' inwoners 'eene gemeene Landts Raedt tot beleydinghe ende conservatie van alle anderen des gemeene landts saecken ende Unie' ... 'constitueerden', die met instructie van de staten en daartoe aangezocht door de prins, dezen met zijn advies mocht ter zijde staan. In het concept-gouvernement van 1576 is de opvatting reeds anders, natuurlijk in verband met het echec, dat de landraad in 1575 geleden had. Er zou dus voortaan zijn een eigen raad voor Zeeland, één voor Holland en één voor het Noorderkwartier, terwijl alle drie een vertegenwoordiger zouden hebben in elk der andere gewesten. Het was de opvatting van de prins, neergelegd in art. I van de instructie voor de landraad van Zeeland van 2 maart 1574, waaraan toen echter niet de hand gehouden is. Dus zegt nu art. III van het concept-gouvernement van 1576, dat, om alle 'jalousie ende quade presumptiën' te voorkomen, naast degenen, 'die Sijne Excellencie alhier gebruyckende is tot beleydinge van de saecken, eenige geschickt sullen werden uyt het Noorderquartier ende Zeelandt', terwijl naast hen 'die in het Noorderkwartier de saecken sullen beleyden', enige gekozen zouden worden uit het Zuiderkwartier en Zeeland, zoals ook ten opzichte van Zeeland en Bommel. zou geschieden. Een vrijwel gelijke toon spreekt uit de unie zelf. Ook daar keert het motief van de gewestelijke 'jalousie' terug, maar waar thans een gemene raad voor de beide gewesten definitief vervalt, heeft men blijkbaar na gezet overleg bepaald, dat naast degenen, 'die Zijne Excellencie ende de Staten alhier gebruyckende zijn tot beleydinge van de gemeene saecke, drie uyt den Noorderquartiere ende drie uyt Zeelandt geschickt ende gehouden sullen werden', terwijl naast hen, die in het Noorderkwartier en in Zeeland waren aangewezen, enige uit het Zuiderkwartier zouden worden gekozen, met de toevoeging, dat zulks zou geschieden 'ter nominatie van de gedeputeerden van de Staten ende steden binnen elcken quartiere en bij verkiesinge van Sijne Princelijcke Excellencie', welke commissarissen overal, waar in een kwartier de 'gemeene zaak' aan de orde was, toegang hadden en 'goede correspondentie' zouden houden met hun mederaden in de andere kwartieren. Onverminderd, deze aangelegenheid wordt echter in alinea 14 nog gesproken van 's prinsen recht tot het inwinnen van het advies in krijgszaken 'van dengeenen, die Sijne Excellentie gelieven sal 't allen tijden daertoe te gebruycken'. Deze raden zouden hun instructie ontvangen van de prins en de staten, toegang hebben onder andere tot de Statenzittingen en correspondentie houden met hun kwartier van herkomst. Ze zouden verder, zo bepaalt de unie, voorzieningen treffen inzake de regeling der gemene middelen en ordonnanties, zorg dragen voor de gelden, bestemd voor leger en vloot, welke vanaf 1 mei 1576 zou worden gestort en waartoe zij iedere veertien dagen of iedere maand aan de prins een overzicht van de staat der financiën zouden overleggen. Eigenaardig is het, dat de aanvulling van de bestaande raden, die een product der unie waren, reeds gereed was, toen de unie zelf nog in voorbereiding bleek. Op 20 april 1576 was de nominatie ter Statenvergadering van Holland geschied van enige gecommitteerden 'nevens degene, die de gemeen saecke aldaer beleydende zijn' - het zijn woorden, door de unie aan hen gewijd - namelijk jhr. Johan van Woerden van Vliet, mr. Sebastiaen Loosen, Wybout de Wael en Jacob van Beveren, die aan de raad in Zeeland zouden kunnen worden toegevoegd. Mr. Gerhard van Wijngaerden, Nic. Kamerling, Thomas Thomas en Frederik Otte, die deel zouden kunnen uitmaken van de raad in het Noorderkwartier, waaruit blijkens resolutie van 22 april 1576 aan de onderstreepte personen door de prins commissie werd verleend, onder toevoeging voor het Noorderkwartier van Claes Jansz., burgemeester van Grootebroek. De commissarissen Dirk Jansz. Loncq en Brasser, die leden van de oude raad in Holland waren en als zodanig reeds toegang tot de statenvergaderingen, schijnen deze aangelegenheid met de prins te hebben behandeld. Hun bezoldiging zou geschieden blijkens de resolutie van 27 april overeenkomstig de instructie, samengesteld voor de Financie van Noord-Holland. Een soortgelijke nominatie voor het Zuiderkwartier werd wederkerig door Zeeland gedaan, terwijl het verder nog bij resolutie van 25 april gemachtigd werd aan zijn drietal gecommitteerden een vierde toe te voegen, die van de commissie voor het Noorderkwartier zou deel uitmaken. 1.10 De Financie ook in dienst der statenInmiddels was de Financie - óók de andere delen van de raad nevens de prins, doch in verband met het doel van deze inleiding hebben wij hier slechts oog voor de Raad van Financie - ten opzichte van de staten in een gewijzigde positie gekomen en was haar werk niet meer beperkt tot het beheer van en het toezicht op het formeren van de penningen uit de opbrengsten der domeinen, der geestelijke goederen en de andere inkomsten, die tot het onderhoud van leger en vloot waren bestemd. Allengs was haar taak meer omvattend geworden en werd zij zelfs gemoeid in aangelegenheden, die het ambtsgebied der staten zelf betroffen en welke niet zelden ter beoordeling en ter controle aan haar werden voorgelegd. Van de zijde der staten was dat een informaliteit, die begrijpelijk was. Sedert lang toch gaven de staten mede leiding in financiële aangelegenheden betreffende die zaken, welker regeling de prins en zijn raden toekwam. Deze van zijn zijde had daartoe aanleiding gegeven door hun gaarne deze vrijheid te laten, zolang het niet de hoofdzaken betrof, die hem beperkten in de uitoefening van zijn krijgstaak en die van het gouvernement, welke eerste vooral hem na aan het hart lag. Zo kon het zelfs gebeuren, dat de staten het initiatief hadden genomen om met 's prinsen 'Raad' (de Financie inbegrepen) enige 'Commissarissen' te benoemen ter uitvoering van 's prinsen besluiten (resoluties der Staten van Holland van 3 september en 4 oktober 1574) en was weldra de Financie op haar beurt gemoeid in tal van zaken, die alleen de staten raakten, wellicht een gevolg hiervan, dat de staten de begeerde gegevens betreffende de financiële zaken beter en vlugger aan de Financie konden ontlenen, óók waar deze niet lagen op het speciale terrein, waarop de Financie zich ambtshalve bewoog, en daar niet zelden de voorlichting zochten, zo het hun zelf aan financiële deskundigen ontbrak of deze - rentmeester ontvangers-generaal en kwartiersontvangers - over de gegevens niet beschikten. De leden van de Financie toch waren in alle opzichten over het gehele financiële en fiscale terrein ter zake kundig, daar zij met de raad van State nevens Z.E. en die van Admiraliteit ingevolge het statenbesluit van 2 september 1574 de statenzittingen konden bijwonen. Een juiste oplossing was het benutten van deze raden (Raad van State, Raad van Financie en die van Admiraliteit) voor hun speciale bemoeiingen niet en ook de prins had - het moge hem in dit geval al niet gehinderd hebben - voor het vermengen van bevoegdheden en verplichtingen een open oog, getuige de 'propositie' aan de staten van 20 oktober 1574 (resoluties der Staten van Holland 1 november 1574), waarin hij het wenselijk betoogde van een juiste opvatting 'beyde van de saecken des politycken gouvernements ende des krijghs, opdat een yeghelijck mochte weten, aen wien hij hem behoordt te addresseren ende wat een yeghelijck te doen heeft'. 1.11 Gecommitteerde radenEen plotselinge keer was er gelegen in de oprichting van het college van gecommitteerde raden, het voorzien in een behoefte, die zich allengs duidelijker had doen gevoelen. Gedurende de eerste jaren van de opstand toch was in het gemis van een permanent lichaam, dat het statencollege bij absentie vertegenwoordigde en dat tevens in staat was te adviseren in belangrijke aangelegenheden, voorzien door de aanwijzing van enkele leden, die men tot die taak bereid en bekwaam oordeelde. Begin 1582 begon er echter een wijziging in te treden, waarvan het verloop niet al te ingewikkeld is, maar toch niet zó voor de hand ligt, dat terstond een oplossing wordt gevonden en waarop tot heden vrijwel nimmer de aandacht gevestigd is geweest. Een college van gecommitteerde raden met een aaneengesloten reeks van resoluties van 1582 af. Mag men aannemen, dat het dus in 1582 werd opgericht en - zichzelf gelijk gebleven - tot 1795 bleef bestaan als gedelegeerden ter vervanging van de Staten van Holland? De meningen liepen tot heden uiteen en juist daardoor is verwarring gesticht. Hoewel de samensteller van de 'Tegenwoordigen Staat' (Holland, deel IV, blz. 161) tot 1584 teruggrijpt, neemt Fruin (Fruin-Colenbrander, 1e uitgave, blz. 219) in navolging van de Batavia Illustrata (blz. 1544) het jaar 1590 aan als de tijd, waarin het college ontstond en wijst dan op de instructie van 22 januari, waarbij de opmerking wordt gevoegd, dat reeds in 1584 de noodzakelijkheid van een permanente deputatie werd geconstateerd, doch geen vast college ontstond. Het een noch het ander is juist, al benadert Cassa de waarheid het meest. Het volgende wil trachten de zaak tot meerdere klaarheid te brengen. 1.12 Voorgeschiedenis van de instelling van gecommitteerde radenIn de resoluties van de Staten van Holland is van het delegeren van hun arbeid tijdens hun reces oudtijds geen sprake. Vóór de opstand zou dat geen zin hebben gehad en ook in de eerste jaren na 1572 is daarvan niets te bespeuren, tenzij dan, dat aan bepaalde commissies ad hoc een zeer bepaald omschreven opdracht werd verleend. Wanneer echter op 24 juli 1581, toen ter statenzitting 'op den salette van Sijne Excellentie' in het stadhouderlijk kwartier in Den Haag de prins en de staten elkander wederkerig trouw zwoeren ter gelegenheid van de vervallenverklaring van Philips II als graaf van Holland en de 'continueering van den gouvernemente van Sijne Excellentie' en bovendien een algehele versteviging van de organisatie van het bestuur werd ondernomen, zegt de prins 'ordre' gesteld te hebben 'op de vergaderinge van de Gecommitteerden, die in het collegie van de Staten van Hollandt bij Sijne Excellencie zijn geordonneert', welke hun zittingen zouden 'continueeren' en toezien op de 'vordernisse ende redres der ghemeene saecken', zoals hun instructie voorschreef, maar 'voor het eerste' opdracht hadden 'te comparaeren in één collegie'. Zij waren verder belast te doen 'effectueren alle de resolutiën, die bij de Staten -- zijn ghenomen', doch zouden daarna - alle hetzelfde volkomen ende geeffectueert zijnde - weer in drie colleges bijeengekomen en hun zaken afdoen volgens hun instructie. Deze akte, 24 juli 1581 gedateerd 'ten burele van Sijne Princelijcke Excellentie' en door Nic. Bruyninck gecontrasigneerd, houdt dus in de vestiging van een permanent drievoudig college, dat als eenheid - althans voorlopig - tot taak had de besluiten der staten uit te voeren en daartoe 'in het college van de Staten' waren opgenomen. Welk college wordt daarmee bedoeld? Dat het verband houdt met de opdracht, diezelfde dag aan de staten gegeven, dat zij namelijk 'die van den Collegie van de Staten haerluyden vergaderinge in train doen stellen --, omme bij hun gebesoigneert te mogen worden achtervolgende de instructiën, daarop bij de Staten gearresteert, daertoe deselve Gecommitteerden bij Sijne Excellencie sullen worden belast', is duidelijk. Maar wie gold die opdracht? Tussen alle maatregelen tot opbouw van het bewind, dat de bestuursmachine voor de komende tijd in gang moest houden en die alle in juli werden getroffen, trekken de aandacht, die, welke de nieuwe 'Landraad voor Holland' in het leven roepen. Deze 'Landraad', die gevormd was naar het voorbeeld van de oude raden nevens de prins en niet anders dan een algehele reorganisatie blijkt te zijn, zou thans een bijzondere betekenis krijgen. De 20e maart waren namelijk 'eyndelijck gearresteert de instructiën, geconcipieert op de vergaderinge van de Gecommitteerden van de Staten nevens Sijne Excellencie', verder van die 'op het stuck van de Financie, midtsgaders van de Admiraliteyt', echter zonder dat deze nog door de prins waren getekend en gezegeld. Het geheel was een uitvloeisel van de besprekingen, de 17e maart 1581 in Den Haag 'in het Hof van Sijne Princelijcke Excellencie' door de staten gehouden, toen de 'ordonnantie' op de vergadering van de Staten van Holland was gearresteerd en de hierboven bedoelde 'ordonnantie op de vergaderinge van de collegiën van de Gecommitteerde Raden nevens Sijne Excellencie, op het stuck van de Financie ende Admiraliteyt' was 'geresumeert' geworden. Er was daarbij door de edelen de opmerking gemaakt, dat drie colleges duur zouden blijken te zijn en bovendien de 'goede correspondentie' door de veelheid van de instructies zou worden verstoord, waarom zij meenden, dat de gemenelandszaken 'met meerder kennisse ende minder kosten' aan één college behoorden te worden toevertrouwd, terwijl het Noorderkwartier verklaarde, dat ondanks de beoogde benoeming het 'College van de Gedeputeerden van de Staten binnen denselve quartier sal gehouden worden, sulcks als tot noch toe is gedaan'. Het college kwam echter ondanks de opmerking van de edelen, ook ondanks de raad van Amsterdam en de inzichten van de prins, die eveneens aan een enkelvoudig lichaam de voorkeur had gegeven, als een drieledig tot stand. Het blijkt echter, dat in het eerste college 'den Collegie van de Gecommitteerden van de Staten nevens Sijne Excellencie', hetwelk reeds bij voorbaat het meest aangewezen zou zijn om ter vervanging van de staten te dienen, 'met advies van Sijne Excellencie', slechts acht personen zouden worden gesteld, wat, nu tot drie colleges was besloten. Amsterdam bracht tot het voorstel, dat in ieder der colleges zouden worden gekozen één afgevaardigde uit elk der zes grote steden, één uit de edelen, één uit het Noorderkwartier, terwijl de twee resterende zouden worden gesteld door de gezamenlijke kleine steden van het Zuiderkwartier. De resolutie van 20 maart houden verder de volledige instructies in, namelijk: I. 'Instructie, waer naer de Gecommitteerden van Sijne Princelijcke Excellentcie ende de Staten van Hollandt tot Raden nevens Sijne Excellencie hem sullen hebben te reguleren'; II. die voor de 'Gecommitteerden van Sijne Princelijcke Excellencie ende de Staten van Hollandt ter Financie van Hollandt'; III. die voor 'Gecommitteerden van Sijne Princelijcke Excellencie ende de Staten van Hollandt tot Raden van de Admiraliteyt nevens Sijne Excellencie'. Het duurde echter geruime tijd voor de benoeming geschiedde. In de vergadering van de Staten van Holland van 18 juli 1581 verscheen 's prinsen raadsheer Bruninck, die de 'denominatie van de persoonen, welke in drie collegiën souden besoigneren', aan de Staten inleverde, waarbij deze de mededeling deed, dat het de prins raadzaam voorkwam, dat de beide eerste colleges, die 'van den Rade van State ende van de Financie', voor een tijd van enkele weken samen zouden vergaderen, 'tot dat de saken in goeden train sullen zijn gebracht'. Het geheel was van deze inhoud (allen bekende namen uit de stedelijke vertegenwoordigers): De benoemde personen blijken echter niet geestdriftig gestemd te zijn geweest tot het aanvaarden van hun taak, waartoe wellicht de moeilijkheden als gevolg van de karakterverandering van het vernieuwde, maar thans op geheel nieuwe leest geschoeide college het hare zullen hebben bijgedragen. Op 31 juli 1581 dringen daarom de staten er op aan, dat deze de leden Wijngaerden, Mathenus en Govert Willems Brasser zou gelasten 'sonder verder excuse' mede te compareren, terwijl een vierde lid, Jan Jans Steenhuysen uit Alkmaar, die blijkbaar bedoeld was tot het houden van contact met het Noorderkwartier, wegens 'debiliteyt' door een ander zou worden vervangen. Het duurde echter tot 6 december 1581, eer de Staten met 'die van den Collegie' een gecombineerde zitting zouden houden. Weldra zouden dan deze hun taak zelfstandig aanvatten. Nadat op 7 december de moeilijkheden met de magistraat van Dordrecht, die Cornelis van Beveren als burgemeester had aangewezen, hoewel deze als 'Gecommitteerde Raedt van Sijne Excellencie ende de Staten van Hollandt' in het 'Collegie' was opgenomen, waar zijn aanwezigheid bij voortduring werd vereist, onder het oog waren gezien, was de eerstvolgende resolutie van 'die van den Collegie', die welke genomen was in hun vergadering van 11 december 1581, betreffende een confiscatie-kwestie, een zaak, die in voorafgaande jaren het 'gouvernement' alléén aanging, en waarvan men verwacht zou hebben, dat ze zou genomen zijn door de raad nevens de prins. Daarna zien wij de notulen van de gecommitteerden betreffende de meest verscheiden aangelegenheden in de resolutieboeken van de Staten van Holland regelmatig opgenomen, zowel op 8 januari 1582, wanneer de januari-vergadering van de staten nog niet is aangevangen, als op 3 en 9 februari, toen deze reeds weder voor enkele dagen hun zitting hadden onderbroken. De gecommitteerde raden, zoals zij van 1581 tot 1584 bestonden, hadden dus, hoewel gekozen uit de edelen en de afgevaardigden der steden, hun verkiezing aan de prins te danken. Hoe en op welke wijze moge uit het voorgaande niet overduidelijk blijken, meer licht geeft de statenresolutie van 12 september 1582, waarin het voornemen tot uiting komt, dat op de eerstvolgende zitting enige kandidaten zouden worden aangewezen voor 'de vergaderinge van den collegie van de Staten', waaruit de prins de bekwaamste zou verkiezen, 'die in collegie souden mogen dienen'. Het door de prins in 1581 verkozen college was inmiddels niet onveranderd gebleven. Ter statenvergadering van 2 maart 1582 compareert het met acht personen, waaronder één van de edelen, zes uit de Zuidhollandse steden en één uit het Noorderkwartier. (Fr. Maelson uit Enkhuizen) In deze vorm schijnt het college tot oktober te hebben dienst gedaan, de maand, waarin gedurende de eerstvolgende jaren in de vernieuwing van het college werd voorzien. De resolutie van 12 september 1582 maakt melding van het voornemen der staten op de eerstvolgende vergadering enige kandidaten aan te wijzen voor 'de vergaderinge van den collegie van de Staten', waaruit de prins weer de bekwaamste zou verkiezen, 'die in collegie souden mogen dienen'. Wie door de staten werden genomineerd blijkt niet, wel echter, hoe de prins daarop reageerde. Op 15 oktober 1582 was ter statenzitting ingekomen een missive van de prins ten geleide van de lijst der nieuwe aangewezenen. 'Verstaan hebben bij de brieven van de Gecommitteerde Raeden van Hollandt van den eersten dagh ter tegenwoordige maendt, hoe dat den tijdt van haren dienst thans is expirerende ende daer benevens gezien de nominatie, bij de edelen en de steden van Hollandt gedaen --', vermeldde zijn 'nominatie van de personen uyt de edelen ende steden van Hollandt, bij Sijne Excellencie gecommitteert tot Raden van State van Hollandt ende van Sijne Excellencie, den tijdt van een geheel jaar, beginnende in dese tegenwoordige maendt van October vijfthien hondert twee en tachtich', die het volgende beeld geeft: uit de edelen: Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen Johan van Mathenesse, heer van Riviere, waarnaast 'uit de steden' werden aangewezen: Willem Stoop Dirksz. (Dordrecht), Mattheus Steyn (Haarlem), mr. Cornelis Koninck (Delft), mr. Paulus Vos (Leiden), Cornelis Boulisz. (Amsterdam), mr. Johan van Rosendael (Gouda), mr. Willem Andriesz. van Goedereede (Rotterdam), Job van Ruwen Pietersz. (Gorinchem), Leonard Jorisz. van der Burgh (Schiedam), Jan Commersz. (Brielle), mr. Reuynier Matthijsz. (Schoonhoven), Pieter Florisz. (Hoorn?) en dr. François Maelson (Enkhuizen), een college dus van vijftien personen, die naast hun gewone taak de Staten zouden moeten vervangen. Dit geschiedde tegen het decemberreces. Op 27 november zijn de Staten nog in pleno bijeen (tweeënveertig afgevaardigden), de 30e blijken reeds een tiental van hen te zijn vertrokken en wanneer zij, weer in aantal aanzienlijk gedund, op 1 december 1582 na het afhandelen van hun arbeid zijn uiteengegaan en 'die van den Collegie' de lopende zaken zullen afdoen, zijn deze de 3e daaropvolgend weder in vergadering bijeen 'uytgesondert de edelen' en wordt een besluit genomen door 'Gecommitteerde Raden van Sijne Excellencie ende de Staten van Hollandt', zoals hun officiële titel blijkt te luiden, terwijl de resolutie van 5 december 1582 uitwijst, dat het college vertegenwoordigd is door zeven leden plus de vertegenwoordigers van den adel. 1.13 Gecommitteerde raden gekozen zonder medewerking van de prinsToen echter door de moord op de prins van Oranje (10 juli 1584) de staten voorlopig zelf de leiding in handen moesten nemen en daarbij niet afkerig bleken van vergroting van hun invloed op de gang van zaken ten koste van het gouvernement, zoals het de overleden stadhouder in handen was gelegd en weldra zou worden bezworen, stonden zij in september 1584 voor het feit, dat in de keuze van nieuwe gecommitteerde raden moest worden voorzien, daar het najaarsreces weer aanstaande was. Reeds lang vóór de moord was hiervan sprake geweest en ter zitting van 23 juni 1584 werd een college geconcipieerd en opdracht tot de samenstelling van een instructie gegeven. Vandaar dat zij, thans geheel zelfstandig, op het einde van een plenale zitting, toen waarschijnlijk de gedeputeerden van het Noorderkwartier reeds waren heengegaan. zijn blijkbaar bedoeld de zaken van het Zuiderkwartier alleen, daar anders de vertegenwoordiging van het Noorderkwartier, die blijkbaar als trait-d'-union is gedacht, wat al te beperkt moet worden aangemerkt, terwijl bovendien het Noorderkwartier meer dan eens blijk had gegeven op eigen gecommitteerde raden prijs te stellen, terwijl blijkens de resolutie van 18 september 1583, toen de nieuwe gecommitteerden zouden worden aangewezen, rekening werd gehouden met een eigen vertegenwoordiging van het Noorderkwartier. De toen door hen voorbereide instructie, in totaal omvattende vijfenvijftig artikelen, geeft een beeld van ingrijpende wijzigingen. De titel 'Gecommitteerde Raden van Zijne Excellentie en de Staten' blijkt dan vervallen en met het aandeel van het gouvernement in de aanstelling is het voorgoed gedaan. Artikel 1 schrijft voor, dat het 'collegie van Gedeputeerden ofte Gecommitteerden van de Staten van Hollandt sal bestaen uit seven personen', terwijl de desbetreffende resolutie van 12 oktober 1594, toen het ontwerp aan de leden werd aangeboden, laat zien, op welke wijze edelmogenden zich de samenstelling toen hadden gedacht, namelijk één uit de edelen (Adr. van Swieten) als president, benevens een vertegenwoordiger van de steden Dordrecht (Corn. van Beveren), Haarlem (Thomas Thomasz.), Amsterdam (Claes Simonsz. van Heemskerk), Gouda (Dirck Jansz. Loncq, tevens thesaurier), Schiedam (Adr. Duyst van Santen Corneliszoon) en Enkhuizen (François Maelson), waarbij bepaald werd, dat de gekozenen, voorzover die ter vergadering aanwezig waren, voorlopig het ingekomen ontwerp der instructies als leidraad zouden gebruiken en de 22e de eed afleggen teneinde hun arbeid aan te vangen. Ruim vier maanden hadden de benoemden op het concept van 12 oktober 1594 hun taak verricht, toen hun vervanging op een inmiddels gearresteerde nieuwe instructie voor de deur stond. Ter statenvergadering van 19 februari 1585 was namelijk het inmiddels weer gewijzigde ontwerp in de nieuwe vorm onveranderd gearresteerd (52 art.). De voor enkele maanden benoemde leden bleken daarbij vrij vast in het zadel gezeten te hebben, althans de zeven personen, die op 20 februari 1585 op grond van de nieuwe instructie werden verkozen, 'omme als Gecommitteerde Raedt van de Staten voor den tijdt van een jaer, innegaende den eersten Sept. laetsleden, te besoigneren, ende dat uyt desen quartiere van Hollandt', geven een vrijwel ongewijzigd aspect. Ook het getal van zeven leden bleef dus gehandhaafd, terwijl Loncq als thesaurier werd gecontinueerd. Het aldus in het leven geroepen college van gecommitteerde raden was echter geen noviteit in de Hollandse Staatsmachine. Het Noorderkwartier namelijk, hoewel in het college van gecommitteerde raden vertegenwoordigd, bezat reeds terstond na de opstand, door de noodzakelijkheid gedwongen op eigen benen te staan, vooral toen door de val van Haarlem en de afzijdige houding van Amsterdam in het Hollandse gebied een diepe wig gedreven was, die het noordelijk deel isoleerde van het overige deel van Holland, niet alleen een eigen statencollege, maar ook een afzonderlijk college van gecommitteerde raden, dat te Hoorn in een eigen en afzonderlijk gebouw vergaderde (waar ook op het einde der 18e eeuw de 'eerste klerk' van het college zijn woning had) en dat zijn bestuurs- en administratieve maatregelen vastlegde in een ononderbroken serie van 'Resoluties' van 1574 af tot 31 januari 1795, en verder bij wijze van uitwisseling in het bezit was van de resoluties van de gecommitteerde raden van het Zuiderkwartier.
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in