Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: arnhem

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (95)

Archieven (95)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Inventaris van het archief van Secretarie Gemeente ArnhemGegevens inzake vreemdelingen o.a. Russische vrouwen (Repatriëring)Gelders Archief
Inventaris van het archief van Secretarie Gemeente ArnhemAanschrijving van het Departement van Binnenlandse Zaken betreffende demonstratieve handelingen, welke uiting geven aan sympathie voor de Sovjet-UnieGelders Archief
Inventaris secretarie Gemeente ArnhemVergunning aan de Centr. Groep tot leniging van den nood in Rusland tot plaatsing van reclame-cartons in de tramhuisjesGelders Archief
Inventaris secretarie Gemeente ArnhemInvordering van het Comité tot steun van hongerenden in Rusland van de kosten van vernieuwing van beschadigde struiken en planten in de tuin van Musis SacrumGelders Archief
Inventaris van het archief van Secretarie Gemeente ArnhemAanschrijving van Min.van Binn.Zaken betr.nationaliteit van personen afkomstig uit landen binnen de Russische invloedssfeer en uit Joegoslavië van de met hen gehuwde vrouwen en van hun kinderenGelders Archief
Inventaris van het archief van Scholtengoed RoerdinkProclamatie bij inval der RussenGelders Archief
Inventaris van het archief van Huis AerdtStukken betreffende de nalatenschap van Jan Meyer, koetsier bij de Russische gezant te 's-GravenhageGelders Archief
Inventaris Heidemij, publikaties en DocumentatieMAANEN, T. van. Onze reis naar RuslandGelders Archief
Inventaris KaartenverzamelingKaart van het westelijk deel van Rusland met onder ander Koerland, deel van Oost-Pruissen, en PolenGelders Archief
Inventaris Landgoed TongerenBrieven over de leverantie van grondstoffen voor medicamenten uit St. PetersburgGelders Archief
Inventaris van het archief van Parochie Sint Werenfridus te ElstEffecten (Russische en Hongaarse)Gelders Archief
Inventaris van het archief van Huizen Waardenburg en NeerijnenStukken betreffende de leveranties ten behoeve der Franse, Pruisische en Russische troepen in Tuil, Waardenburg en NeerynenGelders Archief
Inventaris van het archief Familie Bosch van RosenthalSpotdicht op de Napoleontische veldtocht tegen Rusland, parodiërend op Herodotus' rede van koning Xerxes der Perzen na zijn verloren veldslagen in Klein-AziëGelders Archief
Inventaris van het archief Familie Bosch van RosenthalDoorslag van een Franstalige lezing door Michael Wolonsky, ingekomen via illegale contacten bij L.H.N.Bosch van Rosenthal, betreffende de relatie godsdienst en communisme in de Sovjet-UnieGelders Archief
Inventaris van het archief Familie Bosch van RosenthalStaat, houdende overzicht van de strijdkrachten van Rusland in 1760, blijkens dorsale aantekeningen in het bezit van J.P.R. von RickersGelders Archief
Inventaris Hof van Gelre en ZutphenPolis voor Jan Gaspar Hattingh, koopman, betrekkelijk een scheepslading, te vervoeren van Archangelsk op AmsterdamGelders Archief
Inventaris van het archief Huis HackfortStukken betreffende zijn aanvraag voor een reis naar RuslandGelders Archief
Inventaris van Kaartencatalogus[Kaart van Europa, Noord-Afrika, Klein-Azie] Opgedragen aan de keizer van Rusland. Met bijbehorende Geografisch-historisch Tableau (in het Frans).Gelders Archief
Inventaris van Kaartencatalogus[Kaart van het westelijk deel van Rusland met onder ander Koerland, deel van Oost-Pruissen, en PolenGelders Archief
Inventaris Familie van RandwijckKoninklijk Besluit inzake de benoeming van Roline Wilhelmine van Randwijck tot hofdame van koningin Anna PaulownaGelders Archief
Inventaris Familie van RandwijckAkte van scheiding tussen Frederik Böthlingk, consul van Rusland te Amsterdam, en Elsebe Maria van der SchaafGelders Archief
Inventaris Landgoed TongerenAantekeningen over een zilveren doosje, geschonken door tsaar Peter de Grote aan Elisabeth Rauwenhoff, dat in 1900 in het bezit was van Anna Rauwenhoff te WenenGelders Archief
Inventaris van het archief van Stichting Bodemkartering (Stiboka)Stukken betreffende het opstellen van samenwerkingsovereenkomsten en programma's Staatscomité voor agro-industrie van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR)Gelders Archief
Inventaris van het archief van Arnhemsche Stoomsleephelling Maatschappij (ASM)Correspondentie betreffende mogelijke bouw van trawlers en vrachtschepen voor rekening van de Sovjet-UnieGelders Archief
Inventaris van het archief van Familie Van DelenRussisch paspoort voor Johan Jacob van Delen, zijn vrouw Charlotta (Euler) en zijn zonen Charles en Wilhelm, 1769. Met een Duitse vertaling. Hierbij gevoegd een Russisch paspoort van 1793Gelders Archief
Inventaris van het archief van Huis RuurloStukken betreffende een bezoek van prinses Anna PaulownaGelders Archief
Inventaris van het archief van Familie Van der CapellenStukken betreffende zijn dienst als commissaris voor de terugtocht der Russische legers uit FrankrijkGelders Archief
Inventaris van het archief van Instituut voor Bewaring en Verwerking van Landbouwprodukten (IBVL)Voedselbestraling in de USSR (verslag van een studiereis), 1970 Ulmann, R.M., Sparenberg, H., Zeeuw, D. deGelders Archief
Inventaris van het archief van Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN)Samenwerkingsovereenkomsten met Polen, Bulgarije, China, Indonesië, Tsjechoslowakije en de USSR op het gebied van het landbouwkundig onderzoekGelders Archief
Archief Bruno BeckerText of, and notes concerning ‘Rusland na 1917', lecture given in Amsterdam and ArnhemInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Inventaris van het archief van de Gemeente EwijkKennisgeving van het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis dat een Ewijkse SS-er sinds maart 1944 als vermist wordt beschouwd bij Narva in de Sovjet-UnieRegionaal Archief Nijmegen
Inventaris archief Familie van LyndenPakket, gemerkt "Cerimonieel", inhoudende, o.a. Afschriften van brieven en aanteekeningen betreffende het in acht te nemen ceremonieel bij het bezoek van den keizer van Rusland aan de Provincie GelderlandGelders Archief
Inventaris van het archief Huis HackfortBrief van de commissaris van het kwartier Zutphen waarin Borchard F.W. en zijn zoons worden opgeroepen deel te nemen aan een erewacht voor de keizer van RuslandGelders Archief
Inventaris van het archief Huis VerwoldeStukken betreffende de regeling van het vervoer van uit Rusland teruggekeerde Franse krijgsgevangenenGelders Archief
Inventaris Familie van RandwijckGenealogische aantekeningen over in Duitsland en Rusland wonende leden van de familie Böthlingk. opgemaakt in verband met aanspraken op de nalatenschap van Stephan von Adamowitsch, echtgenoot van Charlotte Pauline BöthlingkGelders Archief
Inventaris Familie van RandwijckBrieven, gericht aan Roline Wilhelmine van Randwijck van prinses Sophie van Oranje-Nassau, dochter van koning Willem II en koningin Anna PaulownaGelders Archief
Inventaris van het archief van de Stichting Gelderland, Instituut voor dienstverlening op maatschappelijk terreinGemengde commissie tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Sovjet-Unie ter uitvoering van het Nederlands-Russisch cultureel verdragGelders Archief
Inventaris van het archief van Huis RuurloKoninklijk Besluit waarbij haar toestemming wordt verleend een Russische onderscheiding aan te nemenGelders Archief
Inventaris van het archief van Familie Van Randwijck 1Stukken betreffende de nalatenschap van Johan Carel baron van Dieden, heer van Hurwenen, generaal-majoor in Russische dienstGelders Archief
Inventaris van het archief van Familie Brantsen"Lettre, ecrite à Son Altesse Electorale de Hanover par un gentilhomme qu'elle avoit envoié exprez a la cour de Moscou", 1709. Bijgevoegd een schrijven van de beheerder van het Kon. Staatsarchief te Kannover, die van mening is, dat dit stuk een vertaling is van een bericht van de Brunswijk-Wolfenbuttelse hofraad Von Braun, die in 1709 als speciaal gezant van de keurvorst van Hannover naar tsaar Peter de Grote is gezondenGelders Archief
Inventaris van het archief van de Legatie in RuslandCorrespondentie met Nederlandse particulieren in de Republiek. Afkomstig van en gericht aan: - directeuren van de Moscovische Handel te Amsterdam; - Pieter de Haan Pzn. in Amsterdam; - J.C. van Hasselt, momboir van Gelre en Zutphen, in Arnhem.Nationaal Archief
Inventaris van de Collectie ZwolleAlbum met naast hoofdzakelijk Zwolse en Overijsselse foto’s (opgenomen in de Beeldbank van het HCO) ook foto’s van de Duitse inval en het bombardement op Rotterdam in mei 1940, het Koninklijk Huis, aangespoelde zeemijnen en diepzeebommen, geallieerde bombardementen op Rotterdam (ongedateerd), Nijmegen (22 februari 1944) en Soest (1944), de Duitse terugtocht uit Rusland en de luchtlanding bij Arnhem (september 1944)Historisch Centrum Overijssel
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenMissive van de Gecommitteerden ter Generaliteit inzake een verzoek van handelaren in juchtleer op Rusland om vrijstelling van in- en uitvoerrechten. Verzoek van handelaren in linnen om verlenging van twee jaar van de resolutie van H.H.M. inzake vrijstelling van in- en uitvoerrechten.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenPropositie Lubbert Adolph Torck, extra-ordinaris raad, heeft voorgedragen de redenen van deze convocatie: o.a. Missive van de ambassadeur van de keizerin van Rusland over achterstallige betaling van subsidie voor de afmars van Russische troepen.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenRapport van Adriaan van Lynden en andere gecommitteerden over de Generale Petitie, de Staat van Oorlog van 1737, het rapport van de Gecommitteerden ter Generaliteit en de propositie van het Hof. H.E.M. bewilligen in de Staat van Oorlog met standpunten en adviezen over o.a. de militie, de erfopvolging in de hertogdommen Gulik en Berg en het Land van Ravenstein, betaling van de petities in de fortificaties, de middelen te water, het traktaat van commercie tussen Frankrijk en de Republiek, de geschillen tussen Spanje en Portugal; tussen Rusland en Turkije en tussen de vorst van Oost-Friesland en de stad Embden. Klachten van bewindhebbers van de West-Indische Compagnie over kaperij door Spaanse schepen.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenBeraadslagingen van H.E.M. over twee staten van betalingen aan Rusland door de respectieve provincies inzake subidies en voor de afmars van Russische troepen. Last aan de Gecommitteerden ter Generaliteit de drie ontbrekende staten bij H.H.M. op te vragen benevens overzicht van de verrichte betalingen door de provincies ten comptoire-generaal.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenRatificatie van de conventie tussen Rusland, Engeland en de Republiek.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenVerslag van de Gecommitteerden ter Generaliteit over een traktementsverhoging van de buitengewoon gezant aan het hof van Rusland en van de consul. Machtiging verleend aan de Gecommitteerden ter Generaliteit hierin te bewilligen.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenBeraadslaging van H.E.M. over het verzoek tot betaling van het aandeel in de subsidie voor de keizerin van Rusland. Machtiging verleend aan de Gecommitteerden ter Generaliteit om een regeling te treffen.Gelders Archief
Inventaris van de Gelderse LanddagsrecessenPropositie Johan Vijgh, eerste ordinaris raad, heeft voorgedragen de redenen van deze convocatie: o.a. Missive van de ambassadeur van de keizerin van Rusland over achterstallige betaling van subsidie en betaling voor de afmars van Russische troepen.Gelders Archief
Alle resultaten

Achtergrond archieven (49)

Achtergrond archieven (49)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
De oorspronkelijke eigenaren van de collecties hebben in beginsel ingestemd met het in bruikleen geven van de meeste collecties aan het Gelders Archief te Arnhem. De (persoonlijke) collecties zijn in het voorjaar van 2007 in bruikleen overgedragen aan het Gelders Archief in Arnhem.
Deze archieven werden respectievelijk in 1953, 1959 en 1962 overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief. Momenteel zijn deze archieven opgeborgen in het Hulpdepôt te Schaarsbergen(Arnhem) van het Algemeen Rijksarchief.
Het ASM- archief is in de periode vanaf 1979 tot 1989 in een aantal fasen aan het Gemeentearchief Arnhem overgedragen.
Johan Joseph Verhoeff was geboren 30 januari 1786 te Rondsdorff (Duitsland), datum van overlijden onbekend Johan Frederik George Verhoeff, geboren 21 februari 1815 te Deventer, overleden 31 mei 1906 te Arnhem.
Wat het familiearchief betreft, valt aan te nemen dat dit tot 1807 in het familiehuis te Nijmegen heeft berust. Daarna zal het overgebracht zijn naar hun Arnhemse huis in de Bakkerstraat en tenslotte opgeborgen zijn in het nieuwe slot te Rossum.
De oudste leden van het geslacht Van Lennep zijn aan te wijzen in het begin van de 16e eeuw, zij kwamen uit Arnhem en Emmerik. In de loop van de 17e eeuw trokken enkelen van hen naar Amsterdam.
In 1927 werd door Vrouwe A. gravin von der Goltz, geb. jonkvrouwe Brantsen en Vivian J.L.T. baron Brantsen het grootste gedeelte van het in hun bezit zijnde familiearchief Brantsen geschonken aan het Rijksarchief in Gelderland te Arnhem, terwijl de ambtelijke stukken, afkomstig van Mr. Gerard Brantsen, ambassadeur te Parijs, werden overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.
In 1939 werd een gedeelte van het oud-archief overgebracht van het Rijksarchief in Arnhem naar de nieuwe kluis in het oude ambtshuis te Elst. Na de ingebruikneming van het nieuwe ambtshuis te Elst in 1954 had men hier de beschikking over een goede kluis, waarin zowel de archieven van het district als de dorps- en buitenpolders goed bewaard konden worden. Na de opheffing van het polderdistrict Overbetuwe zijn deze archieven in het ambtshuis van het nieuwe polderdistrict Betuwe te Elst gebleven.
Ennius Harmen Bergsma werd geboren te Leeuwarden op 28 april 1811. Zijn militaire loopbaan begon hij op vijftienjarige leeftijd als cadet bij de Artillerie- en Genieschool te Delft. Na een studie van vier jaar werd hij op 15 oktober 1830 beëdigd als Tweede Luitenant Ingenieur. Op 10 november 1833 volgde zijn aanstelling als Luitenant bij de Staf van het Korps Ingenieurs. Van zijn hand zijn verscheidene plans en tekeningen van diverse vestingsteden. Bergsma bracht het tot de rang van majoor op 55-jarige leeftijd. Op 11 juli 1899 is hij overleden te Arnhem.
Willem Frederik, graaf van Nassau-Diez, werd op 7 augustus 1613, ruim één jaar na zijn broer Hendrik Casimir I, te Arnhem geboren uit het huwelijk van Ernst Casimir en Sophie Hedwig van Brunswijk-Lüneburg. Na de ontijdige dood van zijn broer in 1640 werd hij in Friesland tot stadhouder benoemd. Evenals bij zijn broer en zijn vader speelde de loopbaan van Willem Frederik zich hoofdzakelijk in het leger af. In het jaar waarin de Tachtigjarige oorlog beëindigd werd (1648) bereikte Willem Frederik de rang van generaal bij het wapen van de artillerie. Willem Frederik overleed te Leeuwarden op 31 oktober 1664 en werd aldaar in de Grote Kerk begraven.
Jo B. Meijer geboren in Dordrecht 1895, overleden in Arnhem 1969; lid van de Jongelieden Geheel-Onthoudersbond; wegens dienstweigering in de gevangenis in 1917-1918; leerde Clara Wichmann kennen via Bart de Ligt; zij trouwden in 1921; Clara stierf in 1922 bij de geboorte van hun dochter Hetty Clara; beide waren betrokken bij de Bond van religieuze Anarcho-Communisten (BRAC) en het Comité van actie tegen de bestaande opvattingen omtrent Misdaad en Straf (CMS), waarvan Jo Meijer het secretariaat voerde van 1922-1927; initiator en bestuurslid van de Nederlandse Vredes-Actie (NVA); actief in de Vereniging tot vernieuwing van de Opvattingen omtrent Misdaad en Straf (VOMS) 1947-1950; schreef artikelen en recensies voor bladen als `Vredesactie', `De Vlam', `Socialisme van onder op'.
Op 22 augustus 1857 werd als telg van de uit Rotterdam stammende, maar sinds ruim een eeuw in Hoorn woonachtige familie Messchaert, Johannes Martinus geboren. Zijn vader, Pieter Klaaszoon Messchaert, eigenaar van een winkel in ijzerwaren, had opmerkelijke gaven op artistiek gebied, getuige het jarenlange directeurschap van de zangvereniging Sappho en zijn composities, de laatste weliswaar van weinig betekenis. Naast zijn prestaties op muzikaal gebied tonen ook de tekeningen van zijn hand, dat hij niet onder de middelmaat bleef. Op dit gebied had hij veel met de familie van zijn vrouw, Maria Schouman, gemeen; het Dortse geslacht Schouman telde vele schilders onder haar leden: Izaäk,-de vader van Mevrouw Messchaert -, Martinus,-de vader van Izaäk -, en diens oudoom Aart. De omgeving, waarin Johan Messchaert opgroeide, moet van groot belang zijn geweest voor zijn latere leven. Aanvankelijk kreeg de jonge Messchaert na zijn schooltijd een opleiding voor het bloemkwekersvak in Arnhem. H.A. Meijroos, de vroegere Hoornse muziekmeester, die te Arnhem werkte en in wiens orkest Messchaert viool speelde, ontdekte, dat Messchaert een uitzonderlijke stem had. Hij spoorde Messchaert aan in de muziek te gaan. Het resultaat was een studietijd in Keulen en Frankfurt, waar hij onderwijs kreeg van o.a. Hiller, Raff, Japha, Schneider en Stockhausen. In 1878 begon Messchaert zijn carrière. Zijn optreden was veelzijdig: liederenavonden met Julius Röntgen, uitvoeringen met grote emsembles, lid en dirigent van het "Capella Koor", dirigent van de liedertafel "Euterpe" en oprichter en lid van het "Amsterdamsch Vocaal Kwartet". Met Julius Röntgen, Frans Coenen en Daniël de Lange richtte hij in Amsterdam het Conservatorium op, waaraan hij tevens leraar was. Zijn werkterrein als zanger, en ook als pedagoog verplaatste zich allengs meer naar Duitsland en Oostenrijk. Door geheel Europa verwierf hij grote bekendheid. Met vele prominenten uit zijn tijd stond hij in contact. Na gedurende een veertig jaar grote triomfen te hebben behaald, trok hij zich met zijn vrouw, Johanna Alma, en zijn beide dochters, de tweeling Mieke en Els, terug in Zürich, waar hij in 1922 stierf.
Op 29 december 1943 werden de papieren van Johannes van den Bosch, die verzameld waren door Jhr. W.J.P. van den Bosch, van het adres Nieuwe Schoolstraat 10, 's-Gravenhage, waar ze bewaard werden door Jkvr. H. van den Bosch, overgebracht naar het Koloniaal Instituut, thans Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Het archief van Johannes van den Bosch en zijn zoon Hendrik werd sinds 1888 door Willem Joannes Petrus in zijn huis aan de Nieuwe Schoolstraat in Den Haag bewaard. Van dit archief werd op 29 december 1943 een groot gedeelte naar het Koloniaal Instituut te Amsterdam overgebracht. Na de oorlog is het tenslotte op het Algemeen Rijksarchief terecht gekomen. De papieren die in 1943 in de Nieuwe Schoolstraat achterbleven, werden daar bijna dertig jaar bewaard, tot zij bij een verhuizing in september 1972 te voorschijn kwamen. Jonkheer W.F.G. Gevers, die samen met zijn tante Henriëtte van den Bosch het huis bewoonde, schonk deze aanvulling op 2 oktober 1972 aan het Algemeen Rijksarchief. In 1949 werd het archief door Jhr. J.M. van den Bosch te Arnhem in bewaring gegeven aan het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.
Beschrijving eener verzameling stukken betreffende het geslacht van Spaen. Deze stukken eener aan het geslacht Schimmelpenninck van der Oye verwante familie bestaan voor het meerendeel uit die, afkomstig van Alexander baron Van Spaen tot Cruisfoort, geboren 14 Januari 1619 te Cranenburg, overleden 25 October 1692 te Kleef, veldmaarschalk in dienst van den keurvorst van Brandenburg. De overige stukken zijn afkomstig uit het archief van den laatsten Van Spaen nl. Johann Friederich Wilhelm Alexander baron van Spaen van Rosande, geboren 15 Juni 1827 te Oldebroek, overleden 5 November 1885 te Arnhem, kommandeur der Duitsche Orde, Balye en Utrecht, aan baron Schimmelpenninck van der Oye geschonken. Zij bestaan uit copieën van stukken, afgeschreven door leden der familie naar origineelen, berustende in het archief van Willem Anne van Spaen (1750-1817, zie genealogische tabel), welke stukken zich bevonden in het archief van den Hoogen Raad van Adel. Het geslacht Van Spaen, oorspronkelijk uit het bisdom Minden, kwam in 1330 in de omstreken van Stadtlohn, tusschen Coesveld en de Zutfensche grenzen, en verspreidde zich van daar over Gelderland, Kleef en Marksland, in welke drie gewesten het van de oudste tijden af als riddermatig erkend is.
Dibbets kwam op 20-jarige leeftijd in lands-waterstaatsdienst; na een leertijd op verschillende plaatsen en een periode als provinciaal ingenieur van Noord-Brabant is hij van 1825 tot in 1845 provinciaal ingenieur in Gelderland met standplaats Zutphen geweest. Op de conduite-staat van 1818 merkt de inspecteur Van Ommeren Dibbets bepaaldelijk aan als "een goed teekenaar"; en wie zijn tekenwerk ziet, zal het beamen. Moet tegenover deze positieve eigenschap ook aan negatieve worden gedacht, en moet een in de Handelingen v.h. Kon.Inst.v.Ingenieurs over 1866 gemaakte opmerking over de zwakke bezetting van de ingenieurspost te Zutphen gedurende een reeks van jaren ook op Dibbets worden toegepast? Hoe dit zij, Dibbets heeft zijn voorkeur voor kartografisch werk getoond, o.a. door de uitgave ener kaart van de omstreken der stad Arnhem (van Wageningen tot Dieren), bij Nijhoff aldaar, in 1821.
In de 19e eeuw werden grintwegen aangelegd naar Arnhem en naar Doorn. De spoorlijn Amersfoort - Kesteren die in de jaren 1880-86 werd aangelegd liep deels over Leusdens grondgebied. Aan de Hamersveldseweg had Leusden een station. De halte werd in 1927 opgeheven. De spoorlijn werd na WO II tot 1972 nog slechts voor goederenvervoer gebruikt. Het gedeelte Amersfoort - autobedrijf Pon bleef ook hierna nog in gebruik. Ten behoeve van de afwatering van de Gelderse Vallei werd tussen 1937 en 1940 in werkverschaffing het Valleikanaal gegraven. Waar mogelijk maakte het gebruik van al bestaande waterlopen. Leusden bleef lange tijd een volledig landelijk gebied, gedomineerd door lintbebouwing en verspreide woningen. Woonkernen ontstonden in de loop van de 19e en 20 eeuw rond een kerk of ander centrumgebouw. In Hamersveld bij de kerk en het gemeentehuis. In Leusbroek rond de dorpskerk. Na 1950 veranderde Leusden van een plattelandsgemeente in een sterk verstedelijkte forensenplaats. Eerst vond de uitbreiding mondjesmaat plaats maar in de jaren 1960 ontstonden grootse plannen voor uitbreiding. Deze uitbreiding vond vooral na 1970 plaats.
Levensloop Gerard Brantsen was het tweede kind van Johan Brantsen en Hester Henrietta de Vree. Hij werd geboren den 10 Jan. 1735. Den 6 Mei 1760 werd hij aangesteld tot Burgemeester van Arnhem en resigneerde dit den 25 Jan.1788 op zijn broeders oudste zoon Johan Brantsen. Den 4 July 1768 werd hij in plaats van Mr.Johan Theodorus van Eck Raad van Jagtgerigt in het quartier van Veluwe en verzogt en bequam daarvan zijn ontslag in January 1788, wanneer genoemde Johan Brantsen mede hiertoe in zijn plaats werd aangesteld. Van den Jare 1764 tot 1788 toe, was hij Ordinaris Gedeputeerde wegens de Provincie van Gelderland ter vergadering van Hun Hoog Mogenden de Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden,en bekleede uit dien hoofden meermalen onderscheidene Generaliteits Commissien. Den 10 Maart 1779 werd hij aangesteld tot Generaal Meester van de Munten der Vereenigde Nederlanden, doch werd van dien post met de revolutie in Jan 1795 ontzet. Den 15 Augustus 1782 werd hij benoemd tot Minister Plenipotentiaris en in Mei 1783 tot Extraordinaris Ambassadeur en Plenipotentiaris van wegen deezen Staat aan t Hof van Frankrijk, en onderteekende in die qualiteit in 1783 te Parijs het tractaat van Vrede tusschen deeze Republicq en Engeland, gelijk hij voorts den 5 Nov. 1785 te Fontainebleau mede onderteekende het tractaat van defensive alliance tusschen deeze Staat en Frankrijk, als ook ten zelve daage en plaats het tractaat van Vreede tusschen deeze Republicq en den Keizer Joseph II. Na de voorgevallene revolutie in Frankrijk en de daaruit geprofueerde vijandelijkheden tegen deezen Staat, werd hij in de maand December 1794 opnieuw naar Parijs afgezonden om onderhandelingen van Vreede aan te gaan, ten einde het gevaar, waarmede het gansche land door het aannaderen van de Franschen, die reeds een groote gedeelte van hetzelve hadden inbezit genomen, bedreigd werd, zoo mogelijk voor te komen, dan de ongelukkige omstandigheden van dien tijd en speciaal de daarop volgende revolutie, in Jan. 1795 in deeze geheele Republicq voorgevallen, deede deeze Commissie vruchteloos aflopen, waarna genoemde Commissie werd ingetrokken en een ander Minister in desselfs plaats naar Parijs werd gezonden. Hij was ook op den 18 Febr. 1768 bij resignatie van zijn vader gekozen tot Broeder van stukken Nicolai Hospitaal. Den 17 Oct 1801 werd hij benoemd tot Lid van het, ingevolge de nieuwe Staatsregeling, nieuw gecreëerde Staatsbewind der Bataafsche Republicq, welke bij de revolutie in den Jaare 1805 gemortificeerd zijnde, verloor hij dien post en werd vervolgens door het nieuwe Gouvernement benoemd tot Ordinaris Ambassadeur bij den Keyzer der Franschen, waarna hij met dat caracter den 22 July 1805 naar Parijs vertrok. Hij was bij acte van den 20 July 1804 te voren door den Keyzer van Frankrijk benoemd tot Lid van het Legioen van Eer, en wierd als zoodanig met den Grooten Adelaar gedecoreerd, welke hij ook gestadig droeg. Den 4 July 1806,werd hij benoemd tot Groot Ceremonie Meester van den Koning van Holland; bij de creatie van de Koninklijke order van de Unie van Holland in Feb. 1807 werd hij Ridder Commandeur en Grootkruis van die order. Den 3 Febr. 1808 werd hij Grootmeester Kamerheer van de Koning van Holland en den 11 Maart daaraanvolgende bequam hij de groote Order van stukken Hubert van Beyeren, waarvan de Dispositie door den Koning van Beyeren aan den Koning van Holland was gegeven. In Sept. 1808 werd hij op zijn verzoek Groot Kamerheer Honorair van Z.M.den Koning van Holland en alzoo wegens zijne vorderende jaren gedispenseerd van den Dienst met behoud van zijn rang, tituls, praerogatieven en tractementen. Hij overleed te Arnhem op Donderdag den 21 Dec. 1809 's morgens om half vier uren, hebbende op weinige dagen den ouderdom van 75 jaren bereikt, aan een afneming van krachten en bijkomende koorts van 5 dagen, zijnde ongehuwd. Hij werd den 27 Dec. 's morgens vroegtijdig in de Groote Kerk te Arnhem in stilte begraaven, in de grafkelder van de familie van Brantsen gen.no. 11 op het binnenkoor. Politieke loopbaan Mr. Gerard Brantsen, in 1735 te Arnhem geboren, werd, na zijn studiën in Leiden voltooid te hebben, benoemd tot burgemeester van zijn geboortestad. Hij behoorde tot de partij der Patriotten, geheel in afwijking van zijn familieleden, die allen zeer Prinsgezind waren. Jarenlang vertegenwoordigde hij zijn gewest ter Staten-Generaal, o.a. als gedeputeerde tot de zaken van de Zee en als gedeputeerde tot de Buitenlandsche Zaken. Zoodoende had hij alle gelegenheid, in relatie te komen met de machtige Patriottische leiders, het z.g. Driemanschap van Pensionarissen: Van Berckel uit Amsterdam, Zeeberg uit Haarlem en De Gijselaar uit Dordrecht. Aan deze relaties dankte hij het, dat hij den 15en Augustus 1782 door de Staten-Generaal werd aangewezen, om als minister-plenipotentiaris de vredes-onderhandelingen te gaan bijwonen, die onder Fransche bemiddeling een einde moesten maken aan den Engelsch-Nederlandschen Oorlog. De ambassadeur bij het Fransche Hof, Matthijs Lestevenon, Heer van Berkenrode, was niet alleen zeer volgzaam, maar ook zeer Prinsgezind, en dus oordeelden de pensionarissen het verstandig, een vertrouwd, dus patriottisch onderhandelaar naar Parijs te zenden, om, zooals de instructie luidde, "neevens den ordinaris-ambassadeur den Heere Lestevenon van Berkenrode de aanstaande vreedensnegotiatien bij te wonen." Brantsen zou dus niet onder, maar naast den ambassadeur staan, en evenveel, zoo mogelijk méér, invloed mogen uitoefenen. 10 September 1782 arriveerde Brantsen te Parijs, en nam, met toestemming van den Franschen minister van Buitenlandsche Zaken, De Vergennes, aanstonds aan de beraadslagingen deel. De Koning was op reis, zoodat het November werd, voordat Brantsen de gelegenheid kreeg, zijn geloofsbrieven aan te bieden. Spoedig bleek, dat de pensionarissen een goede keus hadden gedaan. Lestevenon geraakte meer en meer op den achtergrond, en het was Brantsen, die namens de Republiek optrad. Als belooning voor zijn goede diensten verleenden de Staten-Generaal hem op 8 Mei 1783 den titel van Extra-ordinaris Ambassadeur. Na afloop van de onderhandelingen met Engeland, die overigens voor de Republiek weinig voordeelig waren, kreeg Branten de opdracht, ook de onderhandelingen met Oostenrijk over de positie der Zuidelijke Nederlanden te voeren. Tevens moest hij een verdrag met Frankrijk sluiten, wat reeds 10 November 1784 geschiedde. De onderhandelingen met Oostenrijk gingen niet zoo vlot. Dit was niet de schuld van Brantsen, maar van de Staten-Generaal, die een voor den Keizer onaannemelijk lage uitkeering voorstelden. Om de onderhandelingen niet geheel te doen mislukken, verhoogde Brantsen op eigen gezag de subsidie, maar wist tevens te bewerken, dat Frankrijk er het grootste gedeelte van zou betalen. Op deze voorwaarde werd 8 November 1785 de overeenkomst gesloten. Het optreden van Brantsen had de zaak gered, maar men was er hem in de Republiek niet dankbaar voor, en zijn vijanden grepen het als een voorwendsel aan, om hem ten val te brengen. Na het herstel van Prins Willem V in zijn ambten riepen H.H.M. bij resolutie van 4 October 1787 Brantsen uit Parijs terug, om zich te verantwoorden. In Januari 1788 gaf hij onder protest gevolg aan dezen oproep. Wel slaagde hij er in, zich te rechtvaardigen, maar hij werd niet meer in de Regeering opgenomen. Daarom keerde hij naar Parijs terug, waar hij tot September 1792 als particulier bleef wonen. De Fransche inval in de Republiek in 1794 bracht Brantsen weer op den voorgrond. De Staten-Generaal vaardigden hem met Mr. Ocker Repelaer af naar het Fransche leger voor 's Hertogenbosch, en daarna naar Parijs, om een wapenstilstand tot stand te brengen. De missie, die geen publiek karakter had, werd niet met succes bekroond. Dit weten de Staten-Generaal aan onwil van haar gezanten. Repelaer werd bij zijn terugkomst in de Republiek gevangen genomen; Brantsen, die wegens een hem overkomen ongeval in Parijs had moeten achterblijven, oordeelde het verstandiger, niet naar de Republiek terug te keeren. Met een korte onderbreking bleef hij tot 1798 in Parijs wonen. De veranderingen, die er in de volgende jaren in het staatsbestel van de Republiek plaats hadden, waren weer in zijn voordeel. Zoo werd hij in 1801 tot lid van het Staatsbewind gekozen, en vertegenwoordigde in 1803 met Bicker en Van der Goes dit Bewind bij het bezoek, dat de Eerste Consul aan Brussel bracht. Ook was hij afgezant van de Republiek bij de Keizerskroning in 1804. Van dit bezoek aan Parijs maakte hij gebruik, om oude vriendschapsbanden weer aan te knoopen. Het gevolg hiervan was, dat hij Schimmelpenninck, die in 1805 tot Raadpensionaris benoemd werd, opvolgde als extra-ordinaris envoyé en minister-plenipotentiaris te Parijs. Hij was lid van de commissie, die aan Lodewijk Napoleon de kroon van Holland aanbood, en bleef op verzoek van dien vorst gezant te Parijs. Tevens werd bij benoemd tot Groot-ceremoniemeester. Zijn hooge leeftijd dwong hem, in 1807 zijn ontslag in te dienen, dat hem in Januari 1808 werd verleend. Ruim een jaar later overleed hij.
Marcus van Blankenstein werd geboren te Ouderkerk a.d. IJssel op 13 juni 1880 als zoon van Heiman van Blankenstein( ten rechte Hijman van Blankenstijn ) en Judith Bekkers. Op 29 mei 1908 trad hij te Kopenhagen in het huwelijk met Nelly Lohr, geboren te Batavia op 27 december 1883, overleden te Wassenaar op 7 januari 1947, dochter van Christiaan Pieter Lohr en Sara Gijsberta van Gennep. Na zijn studie aan de Universiteit te Leiden promoveerde hij in 1911 cum laude op "Untersuchungen zu den langen Vokalen in der E-Reihe". Zijn journalistieke loopbaan begon hij in 1906 als correspondent bij de Nieuwe Rotterdamse Courant. Aanvankelijk schreef hij brieven uit Kopenhagen, waar hij verbleef i.v.m. de voortzetting van zijn filologische studie. Van 1909-1920 was hij correspondent te Berlijn, welke positie hij opgaf om te kunnen rondreizen als internationaal diplomatiek correspondent. Als zodanig woonde hij b.v. gewoonlijk de Volkenbonds-conferenties te Genève bij; een jaar lang was hij voorzitter van de internationale vereniging van bij de Volkenbond geaccrediteerde journalisten. Later werd hij bij de Nieuwe Rotterdamse Courant belast met het schrijven van de in de eerste wereldoorlog ontstane rubriek De Toestand. In 1936 werd hij benoemd tot adjunct-hoofdredacteur. Kort daarop trad hij, na een geschil van persoonlijke aard, in dienst bij het Utrechts Nieuwsblad. Daarnaast verschenen in verschillende andere bladen (Indépendance Belge, Soerabajasch Handelsblad, De Haagse Post) artikelen van zijn hand. Gedurende de tweede wereldoorlog verbleef dr. Van Blankenstein te Londen, waar hij hoofdredacteur was van Vrij Nederland. Na 1945 was hij aanvankelijk hoofdredacteur van de Stem van Nederland, daarna, sinds 1946, vast medewerker bij Het Parool. In 1952 verschenen vele bijdragen van hem in Indonesische bladen. Hij was lid van de Leidse Universiteitsraad en van de Commissie van Advies voor de instelling van een Regeringspersdienst. Bij Koninklijk Besluit van 12 juni 1950 no. 3 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Op 18 september 1964 overleed hij te Wassenaar. (ten rechte: Den Haag). Van Blankenstein is de schrijver van een indrukwekkende reeks beschouwingen, van belang voor de kennis van de politieke en diplomatieke geschiedenis. Als afzonderlijke publicaties kunnen vermeld worden: Suriname, Rotterdam 1923; Russische indrukken, Rotterdam 1925; De poenale sanctie in de practijk, Rotterdam 1929; Woelig België, Amsterdam 1937; Het getij der beschaving, Arnhem 1939; Indonesië nu, 's-Gravenhage 1953.
Bij Soevereine Besluit van 6 december 1813, nr. 18 werd de Heer W. N. Pesters van Cattenbroek benoemd tot commissaris-generaal bij de Russische en Pruissische troepen gedurende de tijd, dat dezen zich op het grondgebied van de Staat zouden bevinden. Hij vestigde zich te Utrecht. Artikel 2 van genoemd besluit bepaalde, dat de commissaris-generaal zich met de generaals en chefs van die Legers, alsmede met de commandanten van corpsen moest verstaan en de vereiste schikkingen maken voor de goede verzorging der vreemde troepen. In verschillende steden werden door hem magazijnen ingericht voor het opslaan van levensmiddelen etc. Te Utrecht kwam een hoofdmagazijn, dat bestemd was voor aanvulling van de hulpmagazijnen te Wijk-bij-Duurstede en te Schoonhoven. Ook te Arnhem ontstond een hoofdmagazijn, met hulpmagazijnen te Doesburg, Zutphen, Harderwijk, Wageningen en later nog te Doetinchem, Borculo en te Lichtenvoorde. Met aannemers werden contracten gesloten voor levering van het benodigde aan en uit de magazijnen. Toen de magazijnen gereed waren om daaruit de verstrekkingen te doen, gaf de commissaris-generaal hiervan kennis aan bovengenoemde generaals en commandanten, met last de requisitien voor de troepen te doen ophouden. De luitenant-kolonel Matthias werd hem toegevoegd, teneinde bij de uitvoering van zijn commissie behulpzaam te zijn. De commissaris-generaal was bevoegd personen aan te nemen voor het waarnemen van verschillende betrekkingen, t.w. onder-commissarissen, inspecteurs, opzichters der magazijnen, controleurs e.d. De benoeming van de adjunct-commissaris-generaal stond aan de minister van oorlog. Reeds na twee maanden werd de Heer Pesters ontslag verleend en in zijn plaats benoemd de Heer d'Ablaing van Giessenkerken. Toen de Heer d'Ablaing bij Soevereine Besluit van 20 april 1814, nr. 8 benoemd werd tot intendant-generaal bij het leger te velde, werd hem als commissaris-generaal ontslag verleend. Tevens werd toen bepaald, dat tengevolge der veranderde omstandigheden, zich thans weinig corpsen van meergenoemde legers zich op het grondgebied van de Staat bevonden, het niet meer nodig was een afzonderlijke administratie met die dienst te belasten. In verband hiermede werd besloten het commissariaat met de laatste april van het jaar 1814 te ontbinden. De zorg voor de verstrekking der levensmiddelen etc. werd toen opgedragen aan de aannemers. De afwerking der administratie van het commissariaat werd verder verricht door de adjudant-commissaris-generaal de Heer W.R. van Heeckeren van Brandenburg. Deze bleef tot 31 december 1814 in functie, doch heeft na die datum ook nog de nodige inlichtingen gegeven. Alhoewel in het Besluit betreffende de benoeming en werkzaam-heden van de commissaris-generaal vermeld staat, dat zijne werkzaamheden zich uitstrekten over het gehele grondgebied van de Staat, blijkt echter, dat hij evenwel met het gebied van het voormalig Staats-Brabant gene bemoeienis had. (Schrijven van de commisaris-generaal van oorlog, d.d. 18 december 1813). Voor dat gebied was aangewezen de Heer M.F. Broers met de titel van agentprincipaal, belast met de verzorging der levensmiddelen voor de Russische en Pruissische legers; hij trad 21 december 1813 in functie met Breda als standplaats. De heer Broers bleef tot 14 februari 1814 werkzaam. Archief van hem is niet aangetroffen.
Michiel ten Hove, geb. te Nijmegen 4-5-1585, overl. te Amsterdam 30-8-1614 (zoon van Nicolaes die "in die troubele tijden zijn woonplaets uijt Cleese naar Nijmeegen" overbracht, en van Clara Lamerts), vestigde zich in 1602 te Amsterdam als koopman op `t Water en handelde er o.a. onder de firma Gerrit Lemmen en Michiel ten Hove. Trouwde te Amsterdam 28-12-1610 Susanna Kromhuizen, geb. te Antwerpen 1588. overl. te Amsterdam 24-4-1622, dr. van Melchior en van Maria Timmerman. Zij hertrouwde 27-6-1617 Jacob Tiboel, geb. te Emmerik 1588, overl. te Amsterdam en begraven in de O.-kerk 6-10-1642, suikerbakker bij zijn overlijden wonende op de Keizersgracht "in de Schaepskoy". Hij hertrouwde 31-11-1626 Maria Geesters, ged.in de O-kerk 15-1-1601 en begr. in de O.-kerk 23-12-1680, dr. van Harmen en van Magdalena Gemart. Uit het eerstgenoemde huwelijk werden twee zoons geboren: a. Mr. Nicolaes ten Hove, geb. te Amsterdam 1-11-1611, overl. aldaar 15-10-1673. Gedeputeerde van de Staat, met mr. Gijsbert de Witt, aan de koning, de koningin-regentes en de regering van Portugal 1657; raad ter Admiraliteit te Amsterdam voor de provincie Gelderland 1675-1679; bewindhebber der W.I.C. voor de kamer Rotterdam. Trouwde te `s-Gravenhage 15-2-1637 Cornelia Fagel (Halfzuster van Caspar Fagel, raadpensionaris van Holland en West-Friesland.), geb. te `s-Gravenhage 20-6-1613, overl. te Amsterdam 1-11-1693, dr. van mr. François, raadsheer in de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland (1619) en van zijn eerste vrouw Maria Rose. Hun zes gehuwde kinderen waren: aa. Maria ten Hove, trouwde Antoine Warin. bb. Mr. Michiel ten Hove, geb. te `s-Gravenhage 24-2-1640, aldaar kinderloos overl. 24-3-1689. Advocaat der W.I.C.; pensionaris van Haarlem (volgde als zodanig zijn oom Gaspar Fagel op) 1672-1689; commissaris der Staten tot redres van `s Lands Tin 10-2-1685. Waarnemend raadpensionaris van Holland en West-Friesland (na de dood van zijn oom Fagel) 22-12-1688 (overleed vóór de Staten tot de definitieve benoeming van een raadpensionaris hadden kunnen overgaan); hoogheemraad van Rijnland 1680; Heer te Sloten 22-3-1672. Elisabeht Bebber, geb. te Dordrecht 1644, overl. te `s-Gravenhage 28-2-1704, wed. van Jehan Diercquens uit Middelburg, zeer vermogend koopman te Amsterdam, op de O.Z. Achterburgwal en eigenaar van de suikerraffinaderijen "Diercquens Paradijs" op de Houtgracht te Amsterdam, de "Rosbeijer" op de Haringkade te Middelburg en "de Wijnbergh" op de Wijnbergsche Kaai te Vlissingen. cc. Magdalena ten Hove, trouwde Joan van Beaumont de Jonge weduwnaar van Catharina Charles. dd. Françoise ten Hove, trouwde met Jan van Erpecum, hertrouwde met Arent van der Waayen. ee. Abigael ten Hove, geb. 9-2-1650, trouwde 2-12-1644 mr. François Doublet Heer van Groenevelt, overl. 7-6-1688. Schout van `s-Gravenhage 1679; burgemeester aldaar 1680; drossaard en dijkgraaf van Gorinchem en het land van Arkel 1686, zn. van Philips Heer van Groenevelt, burgemeester van `s-Gravenhage 1672, ontvanger-generaal en Catharina van Overrijn. Hij hertrouwde Maria Fagel, geb. 11-10-1649, overl. 30-11-1729, dr. van mr. Henrie, griffier der Staten-Generaal 1672 en van Margaretha Rosa. ff. Cornelis ten Hove, geb. 18-8-1658, overl. te `s-Gravenhage 6-7-1694. Commies-generaal der convooien en licenten ter Admiraliteit te Amsterdam 1679; secretaris der Generaliteitsrekenkamer 1684; bewindhebber der W.I.C. Trouwde te Haarlem 24-21682 Catharina Diercquens, ged. in de Hervormde Kerk 9-12-1664 te `s-Gravenhage, overl. 4-6-1715, dr. van Jehan (zie hiervóór) en Elisabeth Bebber (die hertrouwde met Michiel ten Hove). Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren waaronder de drie volgende zoons: aaa. Mr. Michiel ten Hove, geb. 3-9-1684, overl. te `s-Gravenhage 20-11-1751, secr. aldaar 1710-1751. Trouwde te Amsterdam 4-8-1712 met Anna Maria du Peyrou, geb. 30-1-1685, kinderloos overl. 11-2-1748, dr. van Jean en Anna Maria Vellepontoux. bbb. Mr. Johan ten Hove, geb. 22-2-1690, ongeh. overl. te `s-Gravenhage 8-11-1747. Schout van `s-Gravenhage 1715; burgemeester aldaar 1723; griffier van de Lenen van Holland en Westfriesland 1727. Ontvanger van de Societeit te `s-Gravenhage. ccc. Mr. Nicolaas ten Hove, geb. 15-10-1693, overl. 31-1-1738. Agent van Hare Hoog Mogenden 1720; raadsheer aan de Hoven van Holland, Zeeland en West-Friesland 12-7-1725; secretaris van de Raad van State 27-10-1725; thesaurier-generaal der Unie 4-4-1737. Trouwde 4-3-1725 met Maria Françoise Fagel, geb. 19-7-17-5, overl. 27-4-1773, dr. van Cornelis Gerard, raadsheer aan de Hoven van Holland, Zeeland en West-Friesland en van Elisabeth Leicquens. Hun drie kinderen waren: A. Mr. Cornelis Michiel ten Hove, geb. 2-6-1726, ongeh. overl. Griffier der Lenen van Holland en Westfriesland 1747-1795. B. Maria Françoise ten Hove, trouwde David ten Hove. C. Mr. Nicolaas ten Hove, geb. 11-9-1732, ongeh. overl. te `s-Gravenhage 26-3-1782. Commies ter Griffie van H.H.M. 1750-1767; raad en generaalmeester van de Munten der Verenigde Nederlanden 1767. b. Melchior ten Hove, geb. te Amsterdam 15-3-1614, vestigde zich te Nijmegen en werd er schout 1642; 2e burgemeester 1661; 1e burgemeester 1670 (Mededeling van de heer H.D.J. van Scherichaven, gemeente-archivaris te Nijmegen.). Gedeputeerde ter Staten-Generaal voor de provincie Gelderland; raad-ordinaris aan het Hof van Gelderland voor het kwartier Nijmegen 28-7-1654 ( Mededeling van mr. J.I. Bijleveld, rijksarchivaris te Arnhem.). Bewindhebber der V.O.C. van de kamer Amsterdam voor de provincie Utrecht 1669. Trouwde te Nijmegen apr. 1638 met Henrica Ingenhagen, overl. te Nijmegen 5-6-1661 en hertrouwde 29-10-1662 met Maria Gout wed. van Jonkh. Everard van Steenhuysen tot Zandhuysen. Uit het tweede huwelijk werden zes kinderen geboren; uit het eerste vijf waaronder: Dr. David ten Hove, Heer van Rhijnauwen, ged. te Nijmegen 21-10-1642, overl. te Amsterdam en begr. in de O.-Kerk 28-10-1727. Werd 14-2-1675 door stadhouder Willem III aangesteld tot momber des Furstendoms Gelderland, deed vanwege zijn ouderdom afstand van deze betrekking 27-10-1708 (Mededeling van mr. J.I. Bijleveld, rijksarchivaris te Arnhem.), waarna hij Arnhem verliet en zich metter woon vestigde te Amsterdam op de Kloveniersburgwal. Hij was zeer vermogend en kocht in 1718 het Huis te Rhijnauwen onder Rhijnauwen (prov. Utrecht). Trouwde in 1681 met Johanna van Soest, geb. te Amsterdam 1660, dr. van Abraham van Soest Jacquesz. van Antwerpen, koopman te Amsterdam op de Oude Turfmarkt en van Susanna Kromhuizen Melchiorsdr (Susanna Kromhuizen hertr. in het stadhuis te Amsterdam 8-6-1670 met Jan Annickhuysen, koopman op de Keizersgracht en weduwnr. van Anna Maria Roeland.). Mr. Melchior ten Hove, Heer van Rhijnauwen, Sleeburg en Nieuwwaal, geb. te Arnhem 5-5-1682, overl. te Amsterdam 30-4-1750. Woonde in 1742 als rentenier te Amsterdam op de Keizersgracht, Zuidz. tussen de Reguliersgracht en de Vijzelstraat in een huis, thans no. 672, dat hij 16-5-1736 voor ? 66.500 gekocht had. Hij hield in 1742 vier dienstboden, een buitenplaats (`t Huis te Rynauwen), een koets en vier paarden en werd geschat op een inkomen van ? 22 à ? 24.000. Kanunnik in het Kapittel van Oud-Munster te Utrecht 1703-1748. Trouwde te Amstelveen 3-8-1718 met Johanna Maria Kromhuizen, vrouwe van Den Bosch, ged. 25-3-1689 en overl. 31-10-1763 "laatende een seer grooten schat gelt nae" ( Johanna Maria Kromhuizen erfde bij de dood van haar broer Abr. Kromhuizen, heer van Den Bosch 12-8-1751 als diens universeel erfgenaam een vermogen van), dr. van Abraham Kromhuizen, schatrijk koopman en reder op de Oostzee en Noorwegen, wonend te Amsterdam op de Keizersgracht (Melchiorsz. en Jannetje Ablijn) en van Susanna van Gistele. Uit dit huwelijk werd één zoon geboren: David ten Hove, Heer van Sleeburg, Den Bosch, Den Breur en Nieuwwaal. Raad 1766-1783; op zijn verzoek werd hem i.v.m. ziekte zijn ontslag verleend als raad in de Vroedschap 22-1-1783. Commissaris 1749; kanunnik in de Kapittels van St. Maria 1748-1786, en van Oud-Munster 1748-1776 te Utrecht; kerkmeester 1749; meesterknaap van de houtvesterij van Brederode 1776. Woonde op de Herengracht tussen de Leidsestraat en de Nieuwe Spiegelstraat (in sep. 1787 door zijn erfgenamen verkocht voor ? 83.000) en was de eigenaar van de hofstede "Woestduyn" onder Heemstede en Vogelenzang (die zijn moeder in 1751 van haar broer Abraham Kromhuizen geërfd had en die door Ten Hove`s erfgenamen in 1787 verkocht werd voor ? 35.500). Hij was enige malen milionair. Geb. te Utrecht 8-3-1724, overl. te Amsterdam 27-5-1787. Trouwde 8-7-1749 Cornelia Adriana Sautijn, geb. 14-10-1724, overl. 4-9-1750, dr. van mr. Willem en van Wendela Eleonora Reael. Hertrouwde te `s-Gravenhage mrt. 1756 Maria Françoise ten Hove, geb. 16-6-1728, kinderloos overl. 1761, dr. van mr. Nicolaas en Maria Françoise Fagel. Trouwde voor de derde maal op 25-9-1763 Jacoba Graswinckel, geb. 7-1-1723, overl. te Heemstede 28-7-1771, wed. van Adriaan Temminck, dr. van mr. Jan en Johanna Graafland. Vierde huwelijk 20-4-1777 met Sophia Adriana Kerckrinck, geb. 1-4-1737, overl. 27-3-1778, dr. van mr. Joan Hendrik en Haasje van Collen. Kinderen: AA Uit het eerste huwelijk: Wendela Eleonora ten Hove, Vrouwe van Doorn, Den Bosch en Sleeburg, geb. 21-8-1750, overl. 26-2-1814. Trouwde met mr. Willem Munter (Elias no. 288), hertrouwde te Bloemendaal okt. 1780 mr. Jan Carel Godin, Graaf van het H.R., Heer van Boelestijn, geb. te Utrecht 26-6-1752, overl. De Bilt 14-3-1787. Raad van de stad Utrecht 1776; schout aldaar 1781; kanunnik in het Kapittel van St. Maria aldaar, zn. van Pieter Anthonij (Elias: aant. bij no. 37) en Isabella Lucretia Barchman Wuytiers. BB Sophia Adriana ten Hove. Trouwde met mr. Joan Huydecooper.
Inleiding Godert Willem van Dedem werd geboren op 11 juni 1914 te Bloemendaal. Na het behalen van het HBS-diploma vervulde hij zijn dienstplicht bij het Korps Motor Dienst (KMD) te Haarlem. In 1939 werd hij evenals zovele anderen gemobiliseerd en in de rang van reserve tweede-luitenant maakte hij in zijn standplaats Zeist de Duitse inval mee. Na de capitulatie zag hij zijn plan om naar Engeland te vluchten gedwarsboomd door een verbod van zijn regimentscommandant luitenant-kolonel De Nijs Bik. Reeds in de zomer van 1940 begon hij verzetsactiviteiten te ontwikkelen. Samen met - aanvankelijk - kapitein C. Hoogerland en onder meer E.B. Brune uit Purmerend coördineerde hij zijn verzetswerk in een groep die later opgenomen werd in de O.D. ("Orde­dienst"). In de jaren 1941 - 1942 dook hij herhaaldelijk voor een korte periode onder, omdat hij wist dat hij door de Sicherheitsdienst gezocht werd. Door verraad van de agent-provocateur Johnny den Droog werd G.W. baron van Dedem op 15 juli 1942 in Arnhem gearresteerd. Na verhoor in de strafgevangenis in Scheveningen en een kort verblijf in Vught stond hij terecht in het tweede zg. O.D.-proces samen met veel prominenten uit het verzet. Van Dedem werd viermaal ter dood veroordeeld. Als zogenaamde Nacht-und-Nebel Häftling werd hij naar het concentratiekamp Natzweiler in de Elzas gedeporteerd, en na de ontruiming van dit kamp, naar Dachau. Dankzij een enorme wil tot overleven en een forse dosis geluk overleefde hij deze hel. Oscar Mohr redde hem eenmaal letterlijk van de verbrandingsoven. Na de ineenstorting van Nazi-Duitsland keerde G.W. baron van Dedem terug in Nederland. Hij nam vrijwillig dienst bij het KMD. Hij werd binnen de landmacht en daarbuiten geconfronteerd met vele zaken die niet rijmden met de idealen die hij in het verzet en later in het concentratiekamp gekoesterd had. Met name het beleid - of liever de afwezigheid daarvan - inzake pensioenen voor slachtoffers van Duitse vervolging baarde hem veel zorgen. Van Dedem was van mening dat in het zadel teruggekeerde regeerders en ambtenaren, die slechts bij uitzondering zelf ervaring hadden met verzet en oorlogshandelingen, onvoldoende erkenning toonden voor degenen die daarbij betrokken waren geweest. Voorts werd er weinig gedaan aan opvang van slachtoffers van het Derde Rijk. De rustige militaire loopbaan van Van Dedem bij de Technische Dienst van de Koninklijke Landmacht werd na 1968 geheel overvleugeld door zijn inzet voor erkenning van de rechten van verzetsmilitairen. Van verschillende zijden ondervond Van Dedem tegenwerking bij dit streven. In 1975 mondden zijn inspanningen uit in de aanvaarding door de Staten Generaal van wetsvoorstel 13271, ingediend door mr. H. Koning (VVD): de Wet ter Verbetering van de Rechtspositie van Verzetsmilitairen. In de jaren 1968-1975 had G.W. baron van Dedem onder meer regelmatig contact met de directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie dr. L. de Jong en met prof. dr. J. Bastiaans die school maakte met zijn psychotherapeutische behandelingsmethode van postconcentratiekampsyndromen. G.W. baron van Dedem is erin geslaagd contact te leggen met vrijwel alle nog levende voormalige militairen die in het verzet aktief waren geweest. Bovendien had hij contact met veel vooraanstaande politici, onder meer Vonhoff (VVD), Schakel (CDA), Wolff (CPN) en Den Uyl (PvdA). Vanwege zijn inspanningen ten behoeve van oorlogsslachtoffers werd G.W. baron van Dedem honorair bevorderd tot luitenant-kolonel titulair. Ook daarna bleef G.W. baron van Dedem zich in verschillende commissies en verbanden inzetten voor de belangen van verschillende groepen oorlogsslachtoffers.
De gemeente Steenderen, sinds de gemeentelijke herindeling van 2005 gemeente Bronckhorst, omvatte het grondgebied van het vroegere richterambt van die naam, de voormalige bannerij Bronkhorst en het dorpje Olburgen. Tot het richterambt behoorden de dorpen Steenderen en Baak en de buurschappen Bakermark, Bakerweerd, Covik, Emmer, Luur, Rha en Toldijk. Bronkhorst werd bij de invoering van de Franse bestuursorganisatie bij de commune Steenderen gevoegd. Olburgen, dat eertijds deel uitmaakte van het richterambt Doesburg, werd in 1811 bij de commune Keppel gevoegd. Met ingang van 1 januari 1818 kwam het te ressorteren onder het schoutambt Steenderen. Tot de revolutie van 1795 was het richterambt Steenderen, wat de rechterlijke organisatie betreft, een der zes ambten onder het landdrostambt Zutphen. Het landdrostambt was een onderdeel van de Graafschap Zutphen. De andere samenstellende leden van de graafschap waren: het scholtambt Zutphen (met de gelijknamige stad), het richterambt Doesburg en het scholtambt Lochem. Tevens behoorden de steden Doetinchem en Groenlo en de heerlijkheden Verwolde en Keppel en de bannerij Bronkhorst tot de graafschap. Op zijn beurt vormde de graafschap met de heerlijkheden Borculo (met Lichtenvoorde) en Bredevoort en de bannerheerlijkheden Wisch, Bergh en Baer, het Kwartier van Zutphen Tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, waren de werkzaamheden van de ambtsrichter voornamelijk van justitiële aard. Hij was in zijn functie ondergeschikt aan de landdrost. De ambtsrichter werd in zijn werkzaamheden terzijde gestaan door een onderrichter en twee keurnoten, welke drie functionarissen, evenals de richter zelf werden aangesteld door de landdrost. Ook o.a. de gerichtsboden, armenjagers, schoolmeesters en vroedvrouwen werden door de landdrost benoemd. In het algemeen lag het zwaartepunt van de taak van de ambtsrichter in het handhaven van de openbare orde en veiligheid en in het uitvoeren van speciale instructies hem dienaangaande door de landdrost verstrekt. Hij was tevens belast met de zorg voor het onderhoud van de gemene wegen en de daarin voorkomende bruggen en duikers. Het doen verrichten der verplichte diensten en het innen der dienstgelden was hem ook opgedragen. Hoewel de ambtrichter niet zonder meer mag worden vergeleken met een bestuurder in moderne zin, benaderde zijn taak in een plattelandsgebied als Steenderen, in vrij hoge mate die van een hoofd van het plaatselijk bestuur. Binnen het richterambt vond men enige organisaties van geërfden, welke naast het behartigen van de specifieke markebelangen, verschillende overheidstaken hadden. Ze verleenden o.m. medewerking bij het werk der verponding en droegen zorg voor het onderhoud van de kerk en de school in hun gebied. Het waren de mark van Steenderen, van Baak en de mark van Rha en Luur. De vergaderingen van de mark van Steenderen vonden onder voorzitterschap van de landdrost van Zutphen als erfmarkenrichter meestal plaats in de kerk te Steenderen. Een niet onbelangrijke plaats werd in het richterambt ingenomen door de zogenaamde rotten, kleine organisaties van grondbezitters en/of grondgebruikers. Aan het hoofd ervan stond een rotmeester. De organisatie der rotten, stond voor zover uit de aanwezige archivalia is op te maken, los van die der marken. Het belang der rotten kwam onder meer tot uiting bij het innen van heffingen en omslagen, het uitvoeren van instructies van of namens de ambtsrichter en het verschaffen van gegevens de bevolking betreffende. Vooral in de bescheiden betrekking hebbende op diensten en dienstgelden zijn verschillende gegevens vermeld over de samenstelling der rotten in de tweede helft van de 18e eeuw. De laatste ambtrichter tijdens de Republiek was A.J. Aberson, die zijn functie uitoefende in de jaren 1770-1795. In maart van dat laatste jaar werd hij met zijn keurnoten Breukink en Addink door het Comité Revolutionair ontslagen. Zij werden vervangen door een provisionele, later vaste, municipaliteit. De staatsregeling voor de Bataafse Republiek van 1798 waarbij het Gelderse gebied werd verdeeld over de departementen van de Oude IJssel, van de Rijn en van de Dommel en de scheiding van de rechterlijke en uitvoerende macht werd ingevoerd, bracht ook voor Steenderen veranderingen. De werkzaamheden van de krachtens de staatsregeling opgeheven municipaliteit, werden waargenomen door zogenaamde buurmeesters, hiertoe aangesteld door het departementaal bestuur van de Rijn. In de staatsregeling werd voor het eerst de term gemeentebestuur gebruikt ter aanduiding van de plaatselijke administratieve bestuurders. De in 1801 van kracht geworden staatsregeling was in tegenstelling tot haar voorgangster decentraliserend. De oude grenzen en namen der gewesten werden hersteld. In 1802 werden vele nieuwe benoemingen gedaan in de gemeentebesturen der ambten. Te Steenderen werd A.J. Aberson aangesteld tot provisioneel richter. Deze werd het volgende jaar opgevolgd door H.W. Rasch. In 1805 en 1806 volgden nieuwe staatsregelingen, welke een meer centraliserend karakter hadden. In 1806 werd de Bataafse Republiek opgevolgd door het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. Rasch bleef in functie als richter van Steenderen. In 1809 werd hij als een der eersten in Gelderland aangesteld tot koninklijk notaris. Na de inlijving van het koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk in 1810, werd het land verdeeld in 7 departementen. Het voormalige Gelderse gebied ten noorden van de Waal kreeg de naam Département de l'Issel Supérieur, waarvan Arnhem de hoofdplaats werd. Dit departement was onderverdeeld in 3 arrondissementen: van Arnhem, van Zutphen en van Tiel. Aan het hoofd van het departement stond een préfect, die in de arrondissementen werd bijgestaan door een sous-préfect. Elk arrondissement was verdeeld in een aantal cantons, welke op hun beurt elk enige communes -ook wel mairies genoemd- omvatten. Steenderen (waarbij Bronkhorst was gevoegd) vormde met Doesburg, Angerlo en Keppel het canton Doesburg van het arrondissement Zutphen. Op 13 maart 1811 werd richter Rasch geïnstalleerd als maire. H. Addink en H. Keurschot traden op dezelfde dag in functie als adjunct-maires of adjointen. Als vertegenwoordiging van de burgerij werd een municipale raad gevormd van 20 leden. De zogenaamde municipale raden kwamen slechts bij speciale gelegenheden bij elkaar. Uit de aanwezige archivalia blijkt, dat ook in de commune Steenderen de maire in de eesrte plaats vertegenwoordiger was van een sterk gecentraliseerd bestuursgezag. Ook als keizerlijk notaris had Rasch bemoeienis met zeer vele zaken betreffende verkopingen en overdrachten, boedelscheidingen en voogdijzaken. In 1811 werd hij benoemd tot griffier bij het vredegericht in het canton Warnsveld. Bovendien fungeerde hij als ambtenaar van de burgerlijke stand van Steenderen, waar de eerste akte op 2 maart 1811 werd opgemaakt. Na de bevrijding van het Franse regiem werd Rasch burgemeester van de gemeente Steenderen, bijgestaan door Harmen Addink als vice-burgemeester. De municipale raad werd herdoopt in gemeenteraad. Bij de invoering van het Reglement op de Gelderse Platteland, vastgesteld bij KB van 11 februari 1817, werd Steenderen met ingang van 1 januari 1818 een schoutambt, waarvan Rasch schout werd. Bij het dagelijks bestuur stonden hem twee assessoren terzijde. De gemeenteraad bleef gehandhaafd. Het nieuwe reglement op de organisatie van het platteland van 1825 veranderde de schoutambten in gemeenten met een burgemeester, assessoren en gemeenteraad. De gemeentewet van 1851 regelde de toestand zoals deze heden ten dage nog grotendeels bestaat.
Namens de prinses van Oranje, stelde de raadpensionaris in 1754 aan de Staten van Holland en West-Friesland voor om professor Joh. Lulofs te benoemen tot inspecteur-generaal over 's lands rivieren in die provincies, die daartoe op 8 mei van dat jaar besloten, waardoor dus een meer algemeen beheer over de Waterstaat ontstond dan tot dusverre had bestaan. Wegens zijn zwakke gezondheid trad Lulofs in 1769 af en hij adviseerde de Staten om de algemene rivierbelangen toe te vertrouwen aan Christiaan Brunings, opziener van Rijnland, die 14 september 1769 tot die werkzaamheden gemachtigd en tot inspecteur-generaal over 's lands rivieren aangesteld werd. Brunings heeft met het Provinciaal Bestuur het beheer over dijken, wegen en waterwerken gevoerd totdat, ingevolge de Staatsregeling van 1798, het Uitvoerend Bewind op 27 maart 1798 (nr. 39) besloot dit beheer voortaan 'geattacheerd' te doen zijn aan het Agentschap van Politie en Binnenlandse Correspondentie, welk agentschap aan A.J. la Pierre werd opgedragen. Reeds 11 april 1798 (nr. 25) benoemde deze Chr. Brunings als president ter behering der zeeweringen, zeedijken en de waterstaat der Bataafse republiek, C.R.Th. Krayenhoff als chef de bureau en P. Lorentz als commies bij dat bureau, terwijl bij besluit van 7 april 1798 (nr. 14) de benoeming van C. Apostool tot commies-tekenaar bij het bureau van de Waterstaat volgde. Verder diende de agent een plan in ter behering van de Waterstaat, dat door het Uitvoerend Bewind werd goedgekeurd bij besluit van 24 mei 1798 (nr. 38). Daarbij werd vastgesteld dat er zouden zijn: 1e. Een Departement der Rivieren in de voormalige gewesten Gelderland, Overijssel, Utrecht, Holland en Brabant, onder beheer van drie daarvoor te benoemen leden, ervaren in de waterbouwkunde etc. 2e. Een Departement der Zeedijken en Zeeweringen, waarvoor benoemd zouden worden uit Groningen en Friesland vier leden, uit Zeeland vier leden, en uit Holland twee leden voor het Noorden en twee voor de eilanden benevens de kust van Overijssel en de Veluwe. Ook deze leden zouden ervaren in zee- en dijkwerken moeten zijn. Aan de veertien leden van dit departement werd tevens de superintendentie over de Heemraadschappen en Dijkcolleges opgedragen. Tot leden van de Binnenlandse Waterstaat werden benoemd F.J. Leemans en J. Sabrier, terwijl F.W. Conrad werd benoemd tot commies bij en ter assistentie van de president Chr. Brunings. Deze regeling hield stand totdat op voordracht van de agent van politie en Binnenlandse Zaken, d.d. 26 juli 1800 (nr. 48a) een reorganisatie plaats had. De republiek werd in acht departementen verdeeld onder bestuur van vijf commissies van commissarissen-inspecteurs, te weten: I en II: Eems en Oude IJssel, III: Rijn, IV en V: Amstel en Texel, VI en VII: Delf en Dommel, VIII: Schelde en Maas. Chr. Brunings werd benoemd tot eerste commissaris-inspecteur van de gehele Waterstaat en tot commissarissen-inspecteur werden aangesteld: In de departementen van de Eems en Oude IJssel: J. Sabrier en J. Stapert; In het departement van de Rijn: W. Beyerinck en W. van Ommeren; In de departementen van de Amstel en Texel: G.C. van Vladeracken, A.F. Goudriaan, F.W. Conrad en C.L. Brunings (deze tevens voor Rijn en Dommel); In het departement van de Delf, de Dommel en een deel van Schelde en Maas: J.D. Huichelbos van Liender, J. Blanken Jzn. en Chr. Brunings (tevens voor de Amstel en Texel). In het departement van de Schelde en Maas, voor zover zich het voormalig gewest Zeeland uitstrekt: A. Dingmans, J. Bosdijk en A. Schraver. Bij besluit van 25 augustus 1800 nr. 63 werd daaraan voor het departement van de Delf nog als vierde commissaris-inspecteur toegevoegd: M. Monsier, die tevens in de departementen Amstel en Texel zou fungeren. Het algemeen beheer van het Departement van de Waterstaat, dat van de agent van Inwendige Politie enz. op 1 september daaraanvolgend was overgegaan op de Raad van Binnenlandse Zaken, ging in oktober 1803 over op twee Commissies van Superintendentie. Op 14 maart 1803 (nr. 58) zijn de departementale besturen van Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel aangeschreven uit hun midden of anderszins leden te benoemen tot het vormen van een Commissie van Superintendentie over het werk der rivieren, en de departementale besturen van Holland, Zeeland, Friesland en Groningen voor het vormen van een Commissie van Superintendentie over het werk der zeehavens en zeegaten. Bij besluit van 2 september 1803 (nr. 31) werd een reglement voor deze beide commissies vastgesteld. Bij Staatsbesluit van 3 oktober 1803 (nr. 42) werden de commissarissen-inspecteurs met ingang van 1 november daaraanvolgend ontslagen, met opdracht om alle 'archieven, charters, kaarten en verdere stukken tot hun gewezen qualiteit betrekking hebbende en bij hen voorhanden zijnde aan de daarbij geconcerneerde Commissies van Superintendentie in te zenden'. Bij besluit van 10 oktober 1803 (nr. 19) werd Chr. Brunings benoemd tot directeur-generaal van de Nationale Rivier- en Zeewerken en 14 oktober daaraanvolgend (nr. 9) volgde daarop de aanstelling van inspecteurs. Als inspecteurs werden op 14 oktober 1803 (nr. 9) benoemd: Voor de rivieren: in het 1e district: W. van Ommeren en W. Beyerinck. in het 2e district:C.R.Th. Krayenhoff en C.L. Brunings, Voor de zeehavens en zeegaten: in het 1e district Zuid-Holland: J. Blanken Jzn; in het 2e district Noord-Holland: F.W. Conrad; in het 3e district Domeinen van Nassau, Brabant en Zeeland: A. Dingmans; in het 4e district Stad en Lande, Schokland, Friesland en Overijssel: K.J. Koers. Na het overlijden van de directeur-generaal Chr. Brunings werd bij besluit van de raadpensionaris, d.d. 10 juni 1805 (nr. 17) vastgesteld, dat voor hem in de plaats twee inspecteurs zouden worden benoemd, één uit de districten der rivieren en één uit die der zeehavens en zeegaten. Bij dit besluit werd eveneens bepaald om de Commissie van Superintendentie over de Waterstaat (die inmiddels uit de combinatie der beide bovengenoemde commissies ontstaan was) aan te schrijven het archief van de overleden directeur-generaal bij voortduring te doen completeren. Op 21 juni daaraanvolgend (nr. 38) werd een reglement vastgesteld voor de Commissie van Superintendentie. Art. 20 van dit reglement luidde: 'De directie en executie van alle waterwerken aan de behering of superintendentie der Commissie gesubjecteerd zal geschieden en verzekerd worden door een Directeur-generaal, wanneer de Commissie bij ondervinding mocht blijken de vervulling van dien post volstrekt noodzakelijk te zijn; wijders door inspecteurs, landmeters en opzienders'. Dientengevolge werd F.W. Conrad tot opvolger van Chr. Brunings benoemd. Artikel 22 bepaalde, dat de commissie zo spoedig mogelijk een voordracht zou inzenden nopens het getal en de jaarwedden der inspecteurs, landmeters en vaste opzichters. Ter voldoening aan dit artikel benoemde de commissie bij besluit van 8 juli 1805 (nr. 26) drie leden uit haar midden om een voordracht aan de raadpensionaris te doen omtrent het aantal inspecteurs etc. en hun traktementen. Van de indiening ener voordracht blijkt echter niets, en nog op 20 november 1806 wordt door de Commissie van Superintendentie een staat van traktementen over het 4e kwartaal ingediend, waarop dezelfde indeling der functionarissen, als in 1803 vastgesteld, voorkomt. Koning Lodewijk Napoleon nam op 20 november 1806 (inv.nr. 13) een besluit omtrent het beheer luidende: 'Il y aura un Directeur-général des digues, ponts et chaussées, assisté par un conseil permanent et un ou plusieurs Inspecteurs-généraux' en benoemde tegelijkertijd een commissie om een ontwerp organisatie in te dienen, bestaande uit de heren: Twent, van Stralen, Krayenhoff en Abbema, auditeur-secretaris. Bij Koninklijk Decreet d.d. 20 januari 1807 (nrs. 10 en 11) werd de Commissie van Superintendentie opgeheven en werd vastgesteld dat het algemeen bestuur van de Waterstaat zou worden opgedragen aan een directeur-generaal, bijgestaan door vijf administrateurs, een secretaris-generaal, een inspecteur-generaal en verschillende inspecteurs en geëmployeerden. Tot leden van de algemene administratie werden met ingang van 1 februari 1807 benoemd: Mr. A.P. Twent van Raaphorst, directeur-generaal, D.C. Gevers van Endegeest, J. van den Houte, F.W.E.J. van Pallandt van Barlhem, O. Repelaer en M. IJpey, administrateurs, E. van Vredenburgh, secretaris-generaal. F.W. Conrad, inspecteur-generaal en tot diens plaatsvervanger de generaal-majoor Van der Plaat. Verder is aan het decreet van 20 januari 1807 geen uitvoering gegeven, doch de nieuwe organisatie had plaats bij decreet van 30 maart 1808 (nr. 47). Hierbij werd bepaald, dat de administratie van de Waterstaat verdeeld zou worden in twaalf districten en dat in elk district een inspecteur zou zijn bijgestaan door opzichters enz.; alleen het zevende district zou twee inspecteurs krijgen. Aan het hoofd van de districten 1-7 en 8-12 zouden inspecteurs-generaal benoemd worden. De organisatie luidde als volgt: A.F. Goudriaan, inspecteur-generaal 1-7 district; A.H.J. van der Plaat, 1e district, Noord-Holland tot Naarden; J. Peereboom, 2e district, Den Helder, Texel, Vlieland, Terschelling en de eilanden; A.H.J. van der Plaat, 3e district, Naarden langs Harderwijk tot Deventer; J.W. Karsten, 4e district, Friesland; J. Bosdijk, 5e district, Groningen, Noordelijk Drenthe ( Bosdijks ontslag als directeur van de Mijdrechtse Droogmakerij is door de koning geweigerd en dientengevolge is hij niet in deze functie getreden. 1 augustus 1809 is Karsten ook belast met het beheer van het 5e district.); J.E. Wildeman, 6e district, Zuid-Drenthe en Overijssel langs de kust van de Zuiderzee. W. van Ommeren, 7e district, de IJssel, de Rijn, de Waal enz. tot de Grebbe. J. Blanken Jzn., inspecteur-generaal 8e-12e district; C.L. Brunings, 8e district, van de Grebbe over Utrecht naar Gorinchem tot Dordrecht enz. en geheel Brabant tot Grave enz. A. Blanken Jzn., 9e district, Naarden langs Muiden en Amsterdam, Rijnland, Delfland en Schieland, de Alblasserwaard langs de Merwede enz. tot achter Utrecht. A. Blanken Jzn., 10e district, van Scheveningen tot achter Breda en Bergen op Zoom en Goeree en Overflakkee. A. Schaver, 11e district, noordelijk deel van Zeeland enz. tot Bergen op Zoom. A. Dingmans, 12e district, zuidelijk deel van Zeeland. C. van Delen, algemene dienst. Bij Koninklijk Besluit van 28 december 1808 (nr. 2) werd het ambt van directeur-generaal van de Waterstaat opgeheven en de administratie verenigd met het Ministerie van Binnenlandse Zaken, ingaande 1 januari 1809, terwijl bij besluit van 22 mei 1809 nr. 6 een Ministerie van Waterstaat werd opgericht, ingaande 1 juni 1809. Tijdens de vereniging der Administratie van de Waterstaat met het Departement van Binnenlandse Zaken was aan de minister toegevoegd een Comité Centraal van de Waterstaat bestaande uit de leden: A. Blanken Jzn., C.L. Brunings, C. van Delen, A.F. Goudriaan, C.R.Th. Krayenhoff, J.W. Raven, J.H. van Swinden en P. Lorentz, benoemd bij Koninklijk Decreet van 22 januari 1809, waaraan bij besluit van 2 februari nr. 5 en van 6 februari nr. 1 J.F. van Beeck Calkoen werd toegevoegd. Na de inlijving werd het beheer van de Waterstaat opgedragen aan een rekwestmeester belast met de Dienst van Bruggen en Wegen (later directeur van Bruggen en Wegen genoemd). Bij Keizerlijk Decreet van 14 november 1810 nr. 33, werd een nieuwe organisatie vastgesteld. Dit decreet bepaalde onder andere dat de zeven Hollandse Departementen de 16e inspectie van de Franse Dienst van Bruggen en Wegen zouden uitmaken. Deze inspectie werd verdeeld in twee divisies: 1e Zuiderzee, Monden van de Maas en Bovenijssel; 2e Monden van de IJssel, Friesland, Wester-Eems en Ooster-Eems. De beide in functie zijnde inspecteurs bleven daarbij gehandhaafd en elk werd aan het hoofd van een divisie gesteld. In ieder departement zou een inspecteur of ingenieur gesteld worden en in ieder arrondissement een gewoon ingenieur. Met ingang van 1 april kwam deze organisatie tot stand. De plaatsing was als volgt: In de 1e divisie: J. Blanken Jzn., inspecteur-generaal; In de 2e divisie: A.F. Goudriaan, inspecteur-generaal. De eerste resideerde te Amsterdam en de tweede te Kampen. Verder waren geplaatst In het Departement van de Zuiderzee:: A.H.J. van der Plaat, ingenieur en chef te Amsterdam; D. Mentz, ingenieur-ordinair te Hoorn; P. Wellenbergh, ingenieur-ordinair te Amsterdam; C. de Beer, ingenieur-ordinair te Utrecht; A. Latensteyn, conducteur aan de Zaan; allen voor de gewone dienst, terwijl voor de droogmakerijen fungeerden: C. Brunings Jr. en J.H. Ferrand te Leiden. In het Departement van de Monden van de Maas: A. Blanken Jzn, ingenieur en chef te 's-Gravenhage; A. Goekoop, ingenieur-ordinair te Gorinchem; E. Stoelendrayer, ingenieur-ordinair te Rotterdam; A.C. Kros, ingenieur-ordinair te 's-Gravenhage; P.A. Overduin, ingenieur-ordinair te Brielle. In het Departement van de Boven IJssel: W. van Ommeren, ingenieur en chef te Arnhem; F. Beyerinck, ingenieur-ordinair te Arnhem; D.J. Thomkins, ingenieur-ordinair te Zutphen; J. Ferrand, conducteur te Zutphen. In het Departement van de Monden van de IJssel: J.E. Wildeman, ingenieur en chef te Zwolle; C. van der Meer, ingenieur-ordinair te Almelo; J.W. Thomeze, ingenieur-ordinair te Zwolle. In het Departement Friesland: J. Peereboom Bzn. ingenieur en chef te Leeuwarden; S. Tierens, ingenieur-ordinair te Workum. In het Departement van de Wester-Eems: J.W. Karsten, ingenieur en chef te Groningen; W. Nielsen, ingenieur-ordinair te Assen; P.Th. Grinwis, ingenieur-ordinair te Winschoten; A.N.H. de Man, ingenieur-ordinair te Groningen. In het Departement van de Ooster-Eems: P. van Diggelen, ingenieur en chef te Aurich; M.G. Beyerinck, ingenieur-ordinair te Emden. Deze organisatie bleef gedurende de Franse heerschappij voortbestaan. Na het herstel van Nederlands onafhankelijkheid kwam het beheer van de Waterstaat onder de directeur-generaal van Bruggen en Wegen. Bij het besluit van 6 mei 1814 nr. 2804A werd vastgesteld, dat het in functie zijnde personeel voorlopig ongewijzigd gehandhaafd zou blijven tot een definitieve reorganisatie zou hebben plaats gehad. Wel werd ten gevolge van het vervallen der verdeling van het land in departementen de indeling in districten weer aangenomen. Het Departement van de Zuiderzee werd 1e provisioneel district van de Waterstaat; de Monden van de Maas 2e; de Bovenijssel 3e; de Monden van de Rijn 4e; de Monden van de Schelde 5e; de Monden van de IJssel 6e; Friesland 7e; Wester Eems het 8e provisioneel district. De definitieve organisatie werd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 25 juli 1816 (nr. 36), terwijl de benoemingen plaats hadden bij Koninklijk Besluit van 25 december 1816 (La X, nr. 26) als volgt: 1e district, Noord-Holland en Utrecht: D. Mentz, hoofdingenieur te Amsterdam; J. Ant. Blanken, ingenieur; 2e district, Zuid-Holland: A. Blanken Jzn., hoofdingenieur 's-Gravenhage; 4e district, Noord-Brabant: A. Goekoop, hoofdingenieur te 's-Hertogenbosch. 3e district, Gelderland: F. Beyerinck, hoofdingenieur, Arnhem. 6e district, Overijssel; 7e district, Friesland; 8e district, Groningen en Drenthe: J.W. Karsten, hoofdingenieur te Groningen. 16e district, Luik en Limburg; 5e district, Zeeland en het voormalige Staats-Vlaanderen: A. Schraver, hoofdingenieur te Middelburg. 9e district, Antwerpen; 10e district, Oost-Vlaanderen; 11e district, West-Vlaanderen J. de Brock, hoofdingenieur te Brugge. 12e district, Zuid-Brabant: T. Teichman, hoofdingenieur te Brussel. 13e district, Henegouwen: P.J.L. Urban, hoofdingenieur te Bergen. 14e district, Namen: P. M. Bouesnel, hoofdingenieur te Namen. 15e district, Luxemburg: A de Behr, hoofdingenieur. De Koninklijke Besluiten van 17 december 1819 (nrs. 1 en 2) brachten wederom een reorganisatie, waarbij het beheer en bestuur over sommige waterstaats- en publieke werken aan de staten der respectievelijke provincies werd overgedragen. Verder werd daarbij bepaald, dat de indeling en het Corps Ingenieurs van de Waterstaat en de Publieke Werken geheel dezelfde zou blijven als in 1816 was vastgesteld, behalve dat met één der inspecteurs-generaal zou moeten worden volstaan. Hieraan werd echter geen gevolg gegeven, want de beide inspecteurs-generaal bleven gehandhaafd, tot bij Koninklijk Besluit van 28 september 1823 (nr. 102) Goudriaan werd aangesteld tot administrateur en Blanken dus alleen inspecteur-generaal bleef. Het Koninklijk Besluit van 17 december 1819 (nr. 2) kwam eigenlijk pas tot uitvoering door de Koninklijke Besluiten van 11 april 1822 (nrs. 22 en 23). Dientengevolge werd bij Ministeriële Beschikking van 18 mei 1822 (nr. 45) met ingang van 1 juli daaraanvolgend het Corps Ingenieurs als volgt ingedeeld: Hoofdingenieurs in algemene dienst: J.W. Karsten te 's-Gravenhage; J.B. Vifquain te Brussel. In Friesland: P. Wellenbergh, ingenieur 1e klas. In Groningen: D.J. Thomkins, ingenieur 1e klas. In Drenthe: J.W. de Thomeze, ingenieur 1e klas. In Overijssel: C. van der Meer, ingenieur 1e klas. In Gelderland: E. Beyerinck, hoofdingenieur. In Utrecht: J.A. Blanken, ingenieur 1e klas. In Noord-Holland: D. Mentz, hoofdingenieur. In Zuid-Holland: A. Blanken Jzn., inspecteur, fungerend hoofdingenieur 1e klas. In Zeeland: A. Schraver, hoofdingenieur tevens belast met de Dienst der Calamiteuze Polders. P. van Diggelen, hoofdingenieur belast met de dienst in Staats Vlaanderen. In Noord-Brabant: A. Goekoop, hoofdingenieur 2e klas. In Limburg: E. de Kruyf, hoofdingenieur 2e klas. In Zuid-Brabant: T. Teichman, hoofdingenieur 2e klas. In Antwerpen: J. de Bobbeler, ingenieur 1e klas. In Oost Vlaanderen: J.E. Noël, ingenieur 1e klas. In West Vlaanderen: J. de Bock, hoofdingenieur 2e klas. In Henegouwen: J.J.A. de Behr, hoofdingenieur 1e klas. In Luik: E. de Ketelbuter, hoofdingenieur 2e klas. In Namen: P.J.L. Urban, hoofdingenieur 2e klas. In Luxemburg: F.J. de Moor, ingenieur 1e klas. Bovendien werden daarbij de gewone ingenieurs aangewezen, die met de provinciale dienst belast werden. Na het overlijden van de inspecteur-generaal A.F. Goudriaan werd geen opvolger benoemd, doch de volgende indeling ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 26 juni 1829 (nr. 34) met ingang van 1 juli daaraanvolgend: 1e district Gelderland, Overijssel: W. van Ommeren, inspecteur; Drenthe, Friesland en Groningen: D.J. Thomkins, hoofdingenieur in Overijssel; C. de Beer, hoofdingenieur in Drenthe. 2e district Holland, Utrecht en Zeeland: D. Mentz, inspecteur. P.Th. Grinwis, hoofdingenieur in Noord-Holland. M.G. Beyerinck, hoofdingenieur in Zuid-Holland. 3e district Noord-Brabant, Limburg, Antwerpen, Oost- en West Vlaanderen: A. Goekoop, inspecteur, E. de Kruyf, hoofdingenieur. J. Sermois, hoofdingenieur. 4e district Zuid-Brabant, Henegouwen, Namen, Luxemburg: J.B. Vifquain, inspecteur. Na de afscheiding van België in 1830 bleef een eigenlijke reorganisatie achterwege; als provisionele maatregel werd aanvankelijk aangenomen, dat het Corps Ingenieurs zou bestaan uit: B.H. Goudriaan, hoofdingenieur te 's-Gravenhage; J.Ant. Blanken, hoofdingenieur te Utrecht; P.Th. Grinwis, hoofdingenieur te Haarlem; E. de Kruyf, hoofdingenieur te 's-Hertogenbosch; S. Tierens, hoofdingenieur te Middelburg; A. Goekoop, inspecteur te Arnhem; J.H. Ferrand, hoofdingenieur te Arnhem; J.W. Thomeze, hoofdingenieur te Zwolle; P. Wellenbergh, hoofdingenieur te Leeuwarden; A.C. Kros, hoofdingenieur te Groningen; A. Kommers, hoofdingenieur te Assen. Een reorganisatie van de Waterstaat en het Corps Ingenieurs werd ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 8 februari 1849 (Stb. nr. 6). Deze had ten doel in de samenstelling vereenvoudiging aan te brengen, welke tot bezuiniging zou leiden, maar tevens werd daarbij overwogen, dat de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 17 december 1819 hier niet meer in toepassing gebracht konden worden. Bij besluit van 8 februari 1849 werd alzo het Rijk verdeeld in elf districten en twee inspecties.
Textielindustrie De textielindustrie bevond zich voor de oorlog in een bloeiende positie, dankzij met name de afzet in het buitenland. In het begin van de bezetting van ons land, moest men in de meeste branches echter overgaan tot een aanzienlijke beperking van de produktie, als gevolg van de sterke rantsoenering van grondstoffen, die de Rijksbureaus instelden. Deze rantsoenering was noodzakelijk, omdat de invoer van overzee geheel stil kwam te staan., terwijl de Duitsers bovendien een deel van de voorraad grondstoffen innamen. Wat de afzet betreft vielen de defensie-orders en de voor sommige branches zo belangrijke overzeese export weg, maar hier kwamen Duitse opdrachten voor in de plaats, terwijl de binnenlandse vraag toenam door verwachtingen van distributiemaatregelen en door ophouden van de buitenlandse concurrentie. De produktie-mogelijkheden werden vervolgens steeds verder ingekrompen, doordat de Rijksbureaus gedwongen werden tot voortdurend scherpere rantsoeneringsmaatregelen. Deze maatregelen betroffen zowel de fabricage en de aflevering van produkten als de verwerking van grondstoffen. Aanvankelijk gaf het gebruik van vervangingsstoffen (zoals kunstzijde, kunstwol, melkwol, vlas, celvezel) een zekere verlichting, maar spoedig moest ook ten aanzien van de meeste van deze artikelen vergaande beperkingen opgelegd worden. Een intensiever gebruik van afvalstoffen gaf uit de aard der zaak evenmin belangrijke verbetering. In sommige industrieën (vnl. de katoenindustrie en de tapijt-, jute-, en touwfabricage) begon men met de verwerking van papier als grondstof; het gebruik hiervan steeg dermate, dat op den duur ook hiervoor beperkende voorschriften nodig bleken. Behalve met een gebrek aan grond- en vervangingsstoffen kampte men bovendien met een te beperken aanvoer van sommige hulpstoffen, vooral van diverse chemicaliën, terwijl na verloop van tijd in het bijzonder ook stagnatie werd ondervonden door onvoldoende toewijzing van kolen (tijdelijke stilstand van fabrieken, deels gebruik van dure vervangingsbrandstoffen). Mede ter besparing van energie en werkkrachten kwam het tenslotte midden 1942 in verschillende branches, o.a. in de katoen-, wol en tapijtindustrie, tot concentratie van produktie. Steeds meer fabrieken werden hierdoor stopgezet; de arbeiders hiervan werden in grote getale naar Duitsland gedeporteerd. De fabrieken, die met de Duitse orders (waaronder evenals in andere branches ook zgn. loonorders) bezet waren, konden vrij geregeld blijven doorwerken, omdat de beschikbare grond- en brandstoffen in de eerste plaats voor deze behoeftevoorziening moesten dienen. Toch liep ook hier de produktie gedeeltelijk terug. De produktie voor Nederlandse behoefte daalde inmiddels tot een minimum. En zelfs moest men van dit minimum in 1944 nog een belangrijk quantum afstaan voor de door bomaanvallen getroffenen in Duitsland. Ten gevolge hiervan was men genoodzaakt o.a. de voorziening met werkmanskleding nog sterker te beperken, terwijl zelfs de beschikbaarstelling van lakens en slopen gestaakt moest worden. De schaarste van textielgoederen bevorderde, zoals in zoveel branches, de zwarte handel. Om de schaarste zoveel mogelijk te beperken, verving men tegen het midden van 1943 het toen bestaande 'afleverings-quoterings-systeem' door een 'punt-punt-systeem'. Dit nieuwe systeem had de bedoeling het aan handelaren onmogelijk te maken, goederen af te leveren zonder het innemen van punten van de afnemers. Eind 1943 en begin 1944 kwam in de aanvoer van sommige vervangingsstoffen verbetering. Zo steeg de produktie van kunstwol door ruimere beschikking over lompen als gevolg van prijsverhoging en betere organisatie van de handel. De aanvoer van celvezel, vooral van betekenis voor de katoenindustrie, steeg als gevolg van de inwerkingstelling van een celvezelfabriek door de Algemene Kunstzijde Unie. Na de oorlog moest met de wederopbouw begonnen worden. Het grootste gedeelte van de Nederlandse textielondernemingen was gevestigd in Twente en de Twents-Gelderse Achterhoek. Aanvankelijk werd het standpunt ingenomen, dat het allereerst gewenst zou zijn de spinnerijen, vervolgens de weverijen en dan de confectie-industrie weer op gang te brengen. Aangezien echter de confectie-industrie nog belangrijke voorraden had en voor het afwerken hiervan slechts een beperkt quantum elektriciteit nodig was, werd door het Rijkstextielbureau besloten eerst de confectie-industrie weer een stroomtoewijzing te verschaffen. Voornamelijk werd werkkleding vervaardigd, grotendeels bestemd voor de mijnwerkers, alsmede civiele 'battle-dresses', bestemd voor gerepatrieerden. Daarnaast werden enkele weverijen ingeschakeld voor de fabricage van absoluut noodzakelijke artikelen (o.a. dekens). Eind juni 1945 werden de meeste textielbedrijven en confectiefabrieken weer in werking gesteld, zij het dat het toegewezen quantum elektriciteit aanvankelijk slechts een zeer geringe produktie toestond. Hoewel grondstoffen in voldoende mate aanwezig waren, was in de eerste jaren de beperkte energievoorziening en het gebrek aan arbeidskrachten de grootste probleem. Naarmate de hoeveelheid te gebruiken elektriciteit toenam, kon met het herstel van de vooroorlogse produktiviteit begonnen worden. Voor de wolindustrie was de periode na 1948 een gouden tijd. Inhaalvraag, Marshall-hulp en in de eerste vijf jaren na de oorlog een geleide loonpolitiek zorgden voor een opbloei. De aanvoer van grondstoffen was in het begin één van de problemen, maar dankzij voorzieningen, door de regering in Londen tijdig getroffen, was het mogelijk de produktie weer snel op gag te brengen. De katoenindustrie kreeg in 1949 een ernstige klap van de souvereiniteitsoverdracht van Indonesië. Met het verdwijnen van de schaarste aan distributie goederen, werden eerst secties en later ook het Rijksbureau overbodig en kon men tot opheffing overgaan. Rijksbureau voor Wol en Lompen Vanuit het Kernbureau Textiel-produkten (1938-1939) ontstond, krachtens een Beschikking van de Minister van Economische Zaken, in augustus 1939 het Rijksbureau voor Wol. Reeds binnen een maand werd deze Beschikking ingetrokken en werd het Rijksbureau voor Wol en Lompen opgericht ( Wol- en Lompenbeschikking 1939 nr 1, Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 27 september 1939, no. 52363 N. (Stcrt. 189). Ingetrokken bij de Textielbeschikking 1944. ). De Rijksbureaus werden opgericht om werkzaam te zijn op het gebied van regeling en controle van de produktie van wol en lompen en om toezicht te houden op de prijsvorming en prijsbeheersing. Wol en lompen werden aangewezen als distributiegoederen. Het Rijksbureau voor Wol en Lompen werd gevestigd te Tilburg, onder leiding van een directeur en een Commissie van Advies. Men hield zich voornamelijk bezig met de voorbereiding op eventuele schaarste in geval van een gewapend conflict, waar Nederland al dan niet bij betrokken zou zijn. Toen het land inderdaad in de oorlog betrokken werd, moesten de distributiemaatregelingen `in alle scherpte worden toegepast. Alle Rijksbureaus kwamen onder Duitse supervisie. De Wol- en Lompenbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 december 1940, no. 34515 Beschikking van de Secretaris Generaal van 12 januari 1942, no. 11S. Op dezelfde dag als de instelling van het Rijksbureau voor Wol en Lompen, werden twee Secties ingesteld: Sectie Wol: Deze Sectie werd met de Wolbeschikking 1939 nr 2 opgericht, voor ruwe wol, bewerkte wol, wollen garens, wollen weefsels en wolafval, alsmede van dierlijke haren en afvallen van dierlijke haren. De Wolbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 28 februari 1940, no. 11577 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 15 juni 1940, no. 31307 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 7 oktober 1940, no. 46441 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 december 1940, no. 47826 N.O. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 maart 1941, no. 5529 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 16 april 1941, no. 17661 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 28 juli 1941, no. 36730 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 februari 1942, no. 11434 H.A.F./N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 8 april 1942, no. 14394 Sectie Lompen: Deze Sectie werd met de Lompenbeschikking 1939 nr 1 opgericht, voor alle afvallen van wol, katoen, linnen, kunstzijde, jute, hennep, alsmede papier. De Lompenbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 28 februari 1940, no. 11578 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 december 1940, no. 47258 N.O. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 februari 1942, no. 11434 H.A.F./N.G. In 1940 werd bovendien een Sectie Confectie opgericht, die behalve een Sectie van het Rijksbureau voor Wol en Lompen, ook een Sectie van het Rijkstextielbureau (zie 3.3) was. Er werd bepaald dat het door derden in loon verwerken van textielstoffen, geheel of gedeeltelijk vervaardigd uit wol, kunstwol, katoen, linnen, zijde, kunstzijde en alle ter vervanging hiervan dienende textielstoffen, van 1 mei 1941 af, alleen was toegestaan aan ingeschrevenen. De Sectie was verantwoordelijk voor de grondstoffenvoorziening voor de Confectiefabrikanten uit de beschikbare weefsels, afkomstig uit de ondernemingen, aangesloten bij het Rijksbureau voor Wol en Lompen en het Rijkstextielbureau, en uit de import. Ook had de Sectie een taak in de distributie van weefsels aan niet tot de confectie-industrie behorende bedrijven, die textielweefsels in hun produktieproces als hulpmaterialen verwerkten. In 1941 verschenen er twee bijzondere Beschikkingen, nl.: Dierlijke Huidharenbeschikking nr 1/41 ):De volgende goederen behoorden tot deze Beschikking: huidharen van geiten, rundvee, paarden, varkens en hiermee aanverwante dieren, alsmede de afvallen van deze haarsoorten en borstels van varkens of wilde zwijnen. De Dierlijke Huidharenbeschikking werd bij de volgende beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 juni 1942, no. 226 N.P. Beschikking van de Secretaris Generaal van 5 november 1942, no. 56938 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 16 augustus 1944, no. 63467 N.G./J.Z. Lange Dierlijke Harenbeschikking nr 1/41 ):De volgende goederen behoorden tot deze Beschikking: Haren van paardenstaarten en -manen, van ossen- en koestaarten, alsmede soortgelijke dierlijke haren, afvallen van deze haren en staarten en oud matrashaar. De Lange Dierlijke Harenbeschikking nr 1/41 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 24 juni 1942, no. 266 N.P. Beschikking van de Secretaris Generaal van 5 november 1942, no. 56938 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 16 augustus 1944, no. 63467 N.G./J.Z. In augustus 1944 werden de Rijksbureaus, die met textiel te maken hadden, samengevoegd in het Rijksbureau voor Textiel. Hierdoor hield het Rijksbureau voor Wol en Lompen op te bestaan en werd het vervangen door de afdeling 'Kantoor Tilburg' van het Rijksbureau voor Textiel. Rijkstextielbureau Eveneens vanuit het Kernbureau Textielprodukten werd bij Ministeriële Beschikking het Rijksbureau voor Katoen en Jute opgericht. Deze beschikking werd ook reeds een maand later ingetrokken en er werd het Rijkstextielbureau opgericht. Het werd gevestigd te Arnhem, onder leiding van een directeur en een Commissie van Bijstand. Op dezelfde dag als de instelling van het Rijkstextielbureau werden vier Secties ingesteld nl.: Sectie Katoen: Deze Sectie werd met de Katoenbeschikking nr 2 opgericht voor: ruwe katoen, katoenen garens, katoenen weefsels en katoenafval. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Katoen. De Katoenbeschikking 1939 nr 2 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 12 maart 1940, no. 11380 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 januari 1941, no. 57141 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34329 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Sectie Jute: Deze Sectie werd met de Jutebeschikking 1939 nr 2 opgericht voor ruwe jute, jute garens, jutedoek en zakken van jute, vervangingsmiddelen van jute, jutelompen en jutegarenafvallen. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Jute. De Jutebeschikking 1939 nr 2 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 6 maart 1940, no. 9518 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 10 januari 1941, no. 1558 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 4 augustus 1941, no. 28550 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Sectie Linnen: Deze Sectie werd met de Linnenbeschikking 1939 nr 1 opgericht voor bewerkt en onbewerkt vlas, linnen garens, linnen weefsels en vlas- en linnenafval. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Linnen. De Linnenbeschikking 1939 nr 1 werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 5 maart 1940, no. 11349 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 januari 1941, no. 62514 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 18 januari 1943, no. 662 N.G. Sectie Kunstzijde: Deze Sectie werd met de Kunstzijdebeschikking 1939 nr 1 opgericht voor kunstzijde garens, stapelvezel-garens, kunstzijden weefsels en kunstzijden lompen en garenafvallen. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Kunstzijde. De Kunstzijdebeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Ministeriële Beschikking van 5 maart 1940, no. 11176 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 6 augustus 1940, no. 33236 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 maart 1941, no. 62517 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 november 1942, no. 51300 N.G. Daar werden later nog de volgende Secties aan toe gevoegd: Sectie Kapok: Deze Sectie werd met de Kapokbeschikking 1939 nr 1 opgericht voor bewerkt en onbewerkt kapok en vervangingsmiddelen bedveren, dons en zeegras. Ingesteld werd een Commissie van Bijstand voor de Sectie Kapok. De Kapokbeschikking 1939 nr 1 werd gewijzigd bij de volgende Beschikkingen: Ministeriële Beschikking van 5 maart 1940, no. 11379 N. Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 januari 1941, no. 62515 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 30 januari 1942, no. 2234 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 juli 1942, no. 34328 S. Sectie Plantaardige Vezels: Deze Sectie werd met de Plantaardige Vezel-Beschikking opgericht voor harde of zachte spinbare vezels, garens, weefsels en afvallen. De Plantaardige Vezel-Beschikking 1940 nr 1 werd gewijzigd bij de volgende Beschikking: Beschikking van de Secretaris Generaal van 15 maart 1943, no. 12490 N.G. Sectie Lompen: Deze Sectie nam de bevoegdheden van het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen m.b.t. de groothandel en tussenhandel in niet-wollen lompen over. De volgende lompen behoorden tot deze Sectie: Alle nieuwe en oude afvallen, die uit wol, kunst- of celwol, katoen, zijde, kunstzijde, linnen, jute, hennep of aanverwante vezelsoorten, in de vorm van vezels, touw, vilt, watten e.d. zijn samengesteld, met uitzondering van gewassen poetslappen. De bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot lompen van: Oude materialen- en afvalstoffenbesluit nr 1/40, Oude materialen- en afvalstoffenbeschikking nr 2/40, Oude materialen- en afvalstoffenbeschikking nr 3/40, die waren toegekend aan de directeur van het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen, gingen over op de directeur van het Rijkstextielbureau, voor zover het de handel in lompen door kleinhandelaren betrof. Regeling in Zake Gedragen Kleding: De Sectie Lompen werkte samen met het Rijksbureau voor Oude Materialen- en Afvalstoffen in de Regeling in zake gedragen kleding. Het doel van deze regeling was een sluitende regeling te krijgen voor de export van gedragen kleding naar Duitsland, welke centraal door een drietal groothandelaren geschiedde. Onder gedragen kleding verstond men oude gedragen kledingstukken, die na herstelling, zo nodig na gedeeltelijke vernieuwing, wederom overeenkomstig hun oorspronkelijke bestemming konden worden gedragen. Sectie Confectie: Deze Sectie was tevens een Sectie van het Rijksbureau voor Wol en Lompen. Katoen- en Textielgrondstoffen Bureau: De stichting Katoen- en Textielgrondstoffen Bureau (KABU) werd op 18 februari 1941 opgericht te Rotterdam. Deze stichting werd opgericht zodat katoenhandelaren en agenten ingeschakeld konden worden bij de grondstoffenimporten uit Duitsland. Deze inschakeling was gewenst om het voortbestaan van de, voor de oorlog goed georganiseerde, katoenhandel te verzekeren. De staat had door middel van het Rijkstextielbureau na mei 1940 de aankoop van de grondstoffen, nodig voor de Nederlandse katoenindustrie, zelf ter hand genomen. De KABU werd nu ingeschakeld bij de voorziening en de distributie van die grondstoffen en wel onder toezicht van het Rijkstextielbureau. Ook het Rijkstextielbureau hield in augustus 1944 op te bestaan. Het werd vervangen door de afdeling 'Kantoor Arnhem' van het Rijksbureau voor Textiel. Rijksbureau voor de Distributie van Textielprodukten door de Handel In september 1939 werd op eigen kosten het Centraal Bureau voor de Textielhandel door de gezamenlijke vakorganisaties uit de textielhandel opgericht en gevestigd in 's-Gravenhage. Hieraan werd deelgenomen door de organisaties van grossiers, grootwinkelbedrijven, importeurs en handelsagenten, naast de 3 middenstandsorganisaties en de voornaamste inkoopverenigingen. Regelmatig overleg over de belangen van de handel vond plaats via dit Bureau met het Rijksbureau voor Wol en Lompen en het Rijkstextielbureau in de verschillende Commissies van Bijstand. De registratie van bedrijven werd ter hand genomen en voorbereid, terwijl verder alle vragen welke in de Rijksbureaus aan de orde kwamen door het Bestuur van het Centraal Bureau voor den Textielhandel werden besproken en hiervoor namens de afnemersgroepen geadviseerd. Door het Departement van Economische Zaken werd einde mei 1940 deze organisatie omgevormd tot een Rijksbureau. Zo ontstond in mei 1940 het Rijksbureau voor de Distributie van Textielprodukten door de Handel (Distex). In september verscheen de Textielproduktenbeschikking 1940 II in de Staatscourant. Het Rijksbureau Distex werd opgericht voor de handel in alle dierlijke, plantaardige en/of kunstmatige vezels en/of garens, alsmede de goederen die hieruit vervaardigd waren. Doel van het Rijksbureau was het treffen van maatregelen op het gebied van de distributie van alle textielprodukten, zowel door de groothandel als door de kleinhandel. Onder textielprodukten werden hierbij verstaan alle, uit textielgrondstoffen vervaardigde artikelen, die voor uiteindelijke consumptie waren bestemd. Van deze artikelen kunnen onder meer worden genoemd: naai- en handwerkgarens, manufacturen, kleding, huishoudgoederen, dekens, tapijten en fournituren. Ook de controle op de inventarisatie en herdistributie van de in geliquideerde Joodse ondernemingen aanwezige voorraden, was in handen van het Rijksbureau Distex. In januari 1941 werd voor het Rijksbureau Distex een Commissie van Advies ingesteld. De Textielproduktenbeschikking werd bij de volgende Beschikkingen gewijzigd: Beschikking van de Secretaris Generaal van 3 maart 1941, no. 10610 N.G. Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 februari 1942, no. 11434 H.A.F./N.G. Het Rijksbureau Distex werd eveneens in augustus 1944 vervangen, nl. door de Sectie Distex van het Rijksbureau voor Textiel. Centrale Textiel Inspectie In verband met de grote schaarste aan textielgoederen bestond er een vrij belangrijke zwarte markt in deze goederen. Deze omstandigheden brachten het Rijksbureau voor Wol en Lompen, het Rijkstextielbureau, de Sectie Confectie van deze beide Rijksbureaus en het Rijksbureau Distex ertoe, een Centrale Textiel Inspectie te Amsterdam op te richten.In een vergadering van het Textiel-Directorium van 10 juni 1942 kreeg de oprichting van de Centrale Textiel Inspectie haar beslag. Er werd overeengekomen, dat deze inspectie zich zou belasten met de controle op de zwarte handel, de eenvoudige distributie-overtredingen (nl. die betreffende de aflevering en in ontvangstneming van grondstoffen en produkten) en de prijscontrole op de handel, terwijl zij ook nog enige bemoeienis had met het nemen van maatregelen tegen overtreders. Alle hiervoor in aanmerking komende fabrikanten en handelaren werden tot dit doel gecontroleerd. De volgende indeling werd gemaakt: Sectie Tilburg, Sectie Amsterdam, Sectie Arnhem, Sectie Den Haag, Sectie Niet-ingeschrevenen (zwarthandel). ROMEA kreeg een verbindingsambtenaar bij de Centrale Textiel Inspectie. De Buitendienst van de Rijksbureaus werd niet afgeschaft, maar bleef toezicht houden, met name ten aanzien van de technische controle in de fabrieken en wat daarmee samenhing, zoals kwaliteitscontrole. Buiten de Centrale Textiel Inspectie bleven dus, de controle op de meer ingewikkelde distributie-overtredingen en de prijscontrole behalve die op de handel. Wijziging van het herbevoorradingssysteem textielhandel De toenemende schaarste aan textielprodukten, o.m. als gevolg van de exportverplichtingen naar Duitsland en het daaraan gekoppelde probleem voor de juiste voorziening van de bevolking, maakte het de directeuren van de Rijksbureaus noodzakelijk behalve de produktie, ook de distributie van textiel zoveel mogelijk onder controle te krijgen, om zo meer en betere controle op de produktie en de verdeling van alle textielprodukten te krijgen. In verband hiermee werd een nieuw herbevoorradingssysteem voor de textielhandel doorgevoerd. Daartoe gaf mede aanleiding o.m. het feit dat, als gevolg van sluitingen van textielfabrieken en -handelszaken en de nadelige invloed op de leveringscapaciteit van de industrie door de uitvoering van Duitse orders, het bestaande afleverings-quoterings-stelsel steeds minder doorvoerbaar bleek. Het afleverings-quoteringssysteem had logisch aangesloten bij de voor 10 mei 1940 bestaande situatie. Als uitgangspunt voor dit systeem was het basisjaar gekozen, waarmee de verhoudingen zoals deze tussen leveranciers en afnemers bestonden, in ongewijzigde vorm werden overgenomen. Slechts werd door de quotering beoogd het volume van de handelsomzet aan te passen aan de omvang van de door de industrie geproduceerde textielgoederen. Gaandeweg had deze situatie echter een grondige wijziging ondergaan. In plaats van het afleverings-quoterings-stelsel werd de herbevoorrading van de handel gebaseerd op het zgn. punt-punt-systeem. Zo kon de handel zich uitsluitend herbevoorraden naar ratio van het aantal ingenomen punten. Hierdoor werd de produktie veel nauwer dan voorheen afgestemd op de voorziening van de bevolking en op de verplichte export van textielgoederen. Behalve het richten van wat in de eerste plaats moest worden gemaakt, kon de gelijke voorziening van bevolkingscentra veel sterker in de hand gehouden worden. Ook een voordeel van dit systeem was dat, het belangrijkste gedeelte (wat betreft de omzet) van de handel onder permanente controle kwam te staan en de voorraden steeds bekend waren. Rijksbureau voor Textiel In augustus 1944 werden alle Rijksbureaus van de textielsector samengevoegd tot een gemeenschappelijk orgaan, nl. het Rijksbureau voor Textiel. De uitvoerende taak werd gedecentraliseerd, de bestaande Bureaus en de verschillende instellingen werden hierbij omgezet in afdelingen van dit Rijksbureau voor Textiel: het Rijksbureau voor Wol en Lompen werd Kantoor Tilburg; het Rijkstextielbureau werd Kantoor Arnhem; de Sectie Confectie van het Rijksbureau voor Wol en Lompen en het Rijkstextielbureau werd de Sectie Confectie te Amsterdam; het Rijksbureau Distex werd de Sectie Distex te 's-Gravenhage; de Centrale Textiel Inspectie te Amsterdam. De volgende distributiegoederen behoorden tot het Rijksbureau voor Textiel: alle dierlijke, plantaardige en kunstmatige vezels, cellulose, bestemd voor de kunstzijde-industrie, spinpapier en bewerkt bolraap of vlasbaard, alsmede alle hieruit vervaardigde garens; alle goederen, welke geheel of gedeeltelijk uit de onder a bedoelde vezels en garens waren vervaardigd, m.u.v. verbandmiddelen in de zin van de Verbandmiddelenbeschikking 1939 nr 1; vervangingsmiddelen van kapok; afvallen in de vorm van vezels of garens; lompen, m.u.v. gewassen poetslappen. De volgende regeling inzake de ressorten van de genoemde kantoren van het Rijksbureau voor Textiel werd overeengekomen: Kantoor Arnhem: katoen, katoenen garens, cellulose, celvezels, celvezelgarens, kunstzijde, vlas, linnen garens, jute, jutegarens, papier, effilochées, plantaardige vezels, garens van plantaardige vezels, menggarens, weefsels, jutedoek, jutezakken, andere produkten dan weefsels, kapok, lompen. Kantoor Tilburg: alle dierlijke vezels, kunstwol, melkwol, garens en afvallen. Sectie Confectie: weefsels, naai-, rijg-, en borduurgarens. Sectie Distex: alle voor de consumptie gereedgekomen produkten, welke onder de drie bovengenoemde kantoren ressorteerden, alsmede andere voor de consumptie ter beschikking komende textielprodukten. De volgende Beschikkingen werden bij de Textielbeschikking 1944 ingetrokken: Textielproduktenbeschikking 1940 II Textielbeschikking 1939 nr 1 Katoenbeschikking 1939 nr 2 Jutebeschikking 1939 nr 2 Kunstzijdebeschikking 1939 nr 1 Kapokbeschikking 1939 nr 1 Linnenbeschikking 1939 nr 1 Beschikking van de Secretaris Generaal van 23 januari 1941 in zake de distributie van plantaardige vezels Plantaardige Vezel-Beschikking 1940 nr 1 Wol- en Lompenbeschikking 1939 nr 1 Wolbeschikking 1939 nr 2 Lompenbeschikking 1939 nr 1 De Textielbeschikking werd gewijzigd bij de volgende Beschikkingen: Ministeriële Beschikking van 13 maart 1946, no. 18510 HV/PD Ministeriële Beschikking van 29 maart 1946, no. 4952 J.Z. Ministeriële Beschikking van 21 augustus 1946, no. 58471 HV/PD Ministeriële Beschikking van 7 november 1946, no. 80843 HV/PD Ministeriële Beschikking van 24 oktober 1947, no. 60770 Bovendien werd de volgende Beschikking van kracht: Beschikking heffing bijdragen Rijksbureau voor Textiel 1946 van 4 oktober 1946, no. 71361 A.P. Distexvergunning: Dit was een regeling, die door de Sectie Distex werd getroffen, voor de teruggave van de vergunning aan teruggekeerde Joden (de textielindustrie was voor de oorlog voor een groot deel in handen van Joden geweest), om handel te drijven in textielartikelen. Begin 1950 werden de Rijksbureaus gehergroepeerd, i.v.m. een doelmatiger werkwijze. Per 30 januari werd de Sectie Confectie van het Rijksbureau voor Textiel overgebracht naar het adres van de Sectie Distex in Scheveningen. De werkzaamheden werden echter onder dezelfde directies voortgezet. Op 1 april 1950 werd het Kantoor Tilburg van het Rijksbureau voor Textiel opgeheven. In plaats daarvan werd een 'Sectie Wolindustrie' ingericht bij de andere Secties in Scheveningen. Op 1 december 1950 werd het Rijksbureau voor Textiel, voor zover dat gevestigd was in Scheveningen, opgeheven, te weten het secretariaat en directie van de Sectie Distex, de Sectie Confectie en de Sectie Wolindustrie. De resterende beleidswerkzaamheden gingen over naar het Ministerie van Economische Zaken. De werkzaamheden, die verband hielden met de afgifte van invoervergunningen, gingen over naar het Centraal Rijksbureau. Het Rijksbureau voor Textiel te Arnhem werd tenslotte per 31 maart 1955 opgeheven. Tijdelijk Rijksbureau voor Textiel Als gevolg van oorlogshandelingen werd de textielsector eind 1944 afgesneden van centrale bestuursorganen in het noorden en kwam het zuiden onder het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid te staan. Zo werd het Tijdelijk Rijksbureau voor Textiel opgericht, waarbij in Tilburg een afdeling Industrie en in Eindhoven een afdeling Handel werd gevormd. Het Bureau stond onder leiding van een tijdelijke directeur, die totdat de rest van Nederland bevrijd was, dezelfde volmachten had. De werkzaamheden van het Tijdelijk Bureau waren door de aard van de beschikking identiek aan die van het Rijksbureau voor Textiel. Toen na mei 1945 het gehele Nederlandse grondgebied bevrijd was, werden de bevoegdheden weer ingetrokken d.m.v. een verordening in het Publicatieblad van het Militair Gezag.
De naam Cremer (ook wel Kremer of Krämer) komt reeds vroeg in Zutphen voor: in de 14e eeuw wordt herhaaldelijk de naam Gerard Cremer als schepen vermeld. Als stamvader van het hier beschreven geslacht geldt echter Hendrik Cremer, woonachtig te Antwerpen, wiens zoon Jacob (ca. 1570-1649) van 1645 tot 1648 kerkmeester in Zutphen was. Diens oudste zoon Theodoor (1612-1662) was secretaris van deze stad; hij is de eerste Cremer van wie stukken in het archief bewaard bleven. Het geslacht Cremer speelde vervolgens een belangrijke rol in de magistratuur van de stad Doetinchem. Zowel Jacob Cremer (1649-1695), Derk Jan Cremer (1680-1709) als Johan Cremer (1713-1783) waren daar burgemeester. Zij bezaten veel landgoederen in de omgeving en leidden een welvarend bestaan. Een zoon van Johan Cremer Dirk Jan (1738-1797) werd rechter in Zutphen en ontvanger in Steenderen; diens broer Jan Hendrik (1755-1823) landmeter op de Veluwe. De zoon van laatstgenoemde, Jacob Theodoor Cremer (1798-1863) werd in 1813 ingelijfd bij de Garde d'Honneur van Napoleon en vervulde sedert 1815 de functie van inspecteur der belastingen.. Diens zoon, Jacob Theodoor Cremer (1847-1923) is wel het belangrijkste lid van het geslacht. Hij begon zijn carrièrre als jongste bediende bij een rederij in Arnhem, maar door zelfstudie wist hij zich een functie bij de Nederlandsche Handelmaatschappij te verwerven, waarvoor een examen was vereist. Van 1868 tot 1881 was hij werkzaam als vertegenwoordiger van de N.H.M en de Deli-maatchappij in Oost-Sumatra: hij bestudeerde zijn werkgebied grondig en leerde deze welhaast onontgonnen streek kennen als geen ander, hetgeen hem te stade kwam bij de exploitatie van haar rijkdommen. Terug in Nederland richtte bij in 1883 de Deli-Spoorwegmaatschappij op en in 1884 de Nederlandsche-Indische Landbouwmaatschappij. In 1881 reorganiseerde hij de Koninklijke Fabriek van Stoom- en Werktuigen tot Werkspoor. Tevens verschenen er tal van artikelen van zijn hand over Deli en over Indische problemen. Als Unie-liberaal vervulde hij van 1881 tot 1897 en van 1903 tot 1905 het tweede kamerlidmaatschap. In de tussentijd had hij zitting in het kabinet Pierson-Goeman Borgesius als minister van koloniën. Van 1907 tot 1912 was hij president-directeur van de Nederlandsche Handelmaatschappij en van 1918 tot 1920 gezant in Washington. Daarbij was hij nog van 1912 tot 1918 en van 1920 tot 1923 lid van de Eerste Kamer. Bovendien bleef hij zich met Nederlands-Indische aangelegenheden bezighouden, getuige o.m. zijn voorzitterschap van de Raad van Beheer van het Koloniaal Instituut. Een van zijn latere opvolgers als president-directeur van de N.H.M., E. Heldring, karakteriseert hem in zijn dagboek als "een sympathieke, robuuste persoonlijkheid". "Ik vond hem altijd van een zeer helder oordeel, zonder omwegen zijn meening en zijn bedoelingen te kennen gevende, het tegendeel van zijn opvolger aan de Nederlandsche Handelmaatschappij (C.J.K. van Aalst), met wien hij echter een groote ijdelheid gemeen had". In 1905 liet Cremer van zijn fortuin de luxueus ingerichte villa Duin- en Kruitberg bouwen, die een jaar later gereed kwam en een centrum werd van formele en informele politieke bijeenkomsten. Deze traditie werd door zijn oudste zoon Herbert (1873-1951) voortgezet. Herbert die lid was van de fa. Cremer en Heeren in Tabak te Amsterdam en verscheidene commissariaten bezat, was van 1916 tot 1950 directeur van de Deli-maatschappij. Van de aan het geslacht Cremer verwante geslachten verdienen de geslachten Engelen en Bricheau hier vermelding, het eerste, vanwege de bezittingen, aan de familie Cremer nagelaten, het tweede, omdat Jerôme Bricheau, een zwager van Cornelis Willem Cremer, een broer van Jacob Theodoor Cremer sr., papieren naliet over de stad Hattem, waarvan hij burgemeester was.
De familie De Monchy is waarschijnlijk uit de Zuidelijke Nederlanden of Frankrijk afkomstig. De eerste in de Nederlanden bekende De Monchy was René de Monchy (+ 1670), waarvan vermeld wordt dat hij uit Picardië afkomstig is. Hij wordt als stamvader van de Nederlandse De Monchy's beschouwd. René de Monchy is waarschijnlijk op jonge leeftijd om godsdienstredenen naar de Republiek gekomen en heeft als luitenant en kapitein in dienst van de W.I.C. in Brazilië gediend. Zijn zoon Wilhelmus (1648 - 1720) was vanaf 1678 notaris te Zoetermeer en secretaris te Zoetermeer en Benthuizen. In 1700 werd hij poorter van Gouda, waar hij een brouwerij bezat. Ook zijn tweede zoon François de Monchy (1689 - 1733) bezat een brouwerij en azijnmakerij in Gouda. Hij was gehuwd met Maria Walop, telg uit een aanzienlijke familie met adellijke voorouders. François kocht de brouwerij 'De twee leeuwen' in Rotterdam en vestigde zich in 1731 in die stad. Na zijn dood werd 'De twee leeuwen' voortgezet door de weduwe Maria Walop. De oudste twee zoons, Wilhelmus (1711 - 1786) en mr. Pieter (1713 - 1794) volgden in de brouwerij op. De derde zoon was de beroemde Rotterdamse stadsdokter professor Salomon (1716 - 1794). Na zijn studie en promotie in 1739 in Leiden, vestigde hij zich in Rotterdam. Van 1743 tot 1747 nam hij dienst in het Staatse leger. Daarna vestigde hij zich opnieuw in Rotterdam, waar hij van 1760 tot 1788 stadsgeneesheer en van 1770 tot 1788 professor aan de Illustere School te Rotterdam was. Met L. Bicker behoorde hij tot de oprichters van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam. Zijn zoon Michiel Marinus (1759 - 1818) was brouwer en brander en volgde zijn oom Francois als directeur van de brouwerij 'De twee leeuwen' op. In 1787 en van 1803 - 1818 speelde hij een rol in het stadsbestuur, uiteindelijk als burgemeester. Met zijn zoons Salomon (1792 - 1851) en Engel Pieter (1793 - 1883) deed hij zaken onder de naam M.M. de Monchy en Zonen. Engel Pieter is de vader van de vier 'staken', de zoons die tot in deze eeuw mannelijke nakomelingen hebben. De vier 'staken' zijn: Michiel Marinus (1820 - 1898), Salomon Jean René (1824 - 1917), Hendrik Willem (1830 - 1905) en Rudolf Adriaan (1841 - 1913). Hun vader vestigde zich in 1818 als Pakhuismeester en dreef handelszaken onder de firma E.P. de Monchy, vanaf 1851 de firma M&R de Monchy geheten. Hij bekleedde tevens de functie van president van de Nederlandse Handel Maatschappij en was lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ook zijn zoons Michiel Marinus en Salomon Jean René speelden een belangrijke rol in het Rotterdamse zakenleven. De door hen opgerichte firma M&R de Monchy bestaat nog steeds. Een kleinzoon van Salomon Jean René met dezelfde naam was burgemeester van 's-Gravenhage en Arnhem en lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Geinteresseerd in de familiegeschiedenis heeft hij veel onderzoek gedaan naar de familie en heeft hij lange tijd het familie-archief beheerd. Adriaan (1822 - 1912), de derde zoon van Engel Pieter, was directeur van het bijkantoor van de Nederlandse Bank te Rotterdam en wethouder. Zijn dochter Maria Johanna noemde de door haar in 1914 opgerichte Adriaanstichting voor lichamelijk gehandicapte kinderen naar hem. De derde 'staak' pakte de medische draad in de familie weer op. Dr. Hendrik Willem (1830 - 1905) richtte met een groep anderen het Sophia-Kinderziekenhuis te Rotterdam op. Hij was van 1863 - 1901 geneesheer-directeur van het ziekenhuis en heeft in die functie belangrijk werk verricht. Zijn zoon Lambertus Bernardus (1873 - 1932) was ook aan het ziekenhuis verbonden. Rudolf Adriaan (1841 - 1913), de vierde 'staak', vestigde zich in Twente en werkte als directeur van de Nederlandse Katoenspinnerij te Hengelo. In het bestuur van de N.K.S. bleven nakomelingen van hem zitten. In 1948 richtte een aantal familieleden de Stichting 'Familiefonds De Monchy' op, die als doel heeft 'de ondersteuning van in behoeftige omstandigheden verkerende leden der Nederlandse familie De Monchy (...) en de verkrijging en bewaring van papieren, portretten en andere zaken, welke op de familie De Monchy (...) betrekking hebben. Vanaf 1984 geeft de familie een familieblad uit.
Leusden strekt zich uit over de Utrechtse Heuvelrug en een deel van de Gelderse Vallei. Het landschap bestaat van west naar oost uit de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug, een vlak veengebied en tenslotte een gebied met dekzandruggen en laagten. De gemeente is ontstaan uit de samenvoeging van een aantal dorpen of kernen zoals Hamersveld, Leusbroek, Stoutenburg en Achterveld. In 1811 ontstond de gemeente Leusden uit de gerechten Asschat en Leusden. Het gerecht Leusden is een samenvoeging in 1715 van de gerechten Leusden, Leusbroek, Hamersveld, Snorrenhoef (of Zandbrink) en de exclave Donkelaar. In 1970 gingen Leusden en Stoutenburg samen als gemeente Leusden. Begin 19e eeuw bestond de gemeente Leusden voor een derde deel uit heide, vooral in het westelijke deel van de gemeente. Slechts 10% hiervan was bouwland. In de rest van de gemeente was dit meer dan 40%. De tabaksteelt die in de 17e eeuw was opgekomen was rond 1815 van geen betekenis meer. De Leusderheide was eeuwenlang in gemeenschappelijk gebruik. Rond 1880 kwam hieraan een eind. Een deel werd verhuurd en later verkocht aan Defensie. In 1889 werden de overgebleven gronden verdeeld onder de gerechtigde boerderijen. De Grebbelinie die liep van Spakenburg in het noorden tot Rhenen in het zuiden werd in de 18e eeuw aangelegd. Rond 1866 en in 1939-40 werd de linie uitgebreid, nadat in 1926 de linie grotendeels was opgeheven. De uitbreidingswerkzaamheden waren in mei 1940 nog niet af. Desondanks wist het Nederlandse leger de Duitsers ruim een etmaal tegen te houden. In 1951 werd de Grebbelinie opnieuw opgeheven. In de 19e eeuw werden grintwegen aangelegd naar Arnhem en naar Doorn. De spoorlijn Amersfoort - Kesteren die in de jaren 1880-86 werd aangelegd liep deels over Leusdens grondgebied. Aan de Hamersveldseweg had Leusden een station. De halte werd in 1927 opgeheven. De spoorlijn werd na WO II tot 1972 nog slechts voor goederenvervoer gebruikt. Het gedeelte Amersfoort - autobedrijf Pon bleef ook hierna nog in gebruik. Ten behoeve van de afwatering van de Gelderse Vallei werd tussen 1937 en 1940 in werkverschaffing het Valleikanaal gegraven. Waar mogelijk maakte het gebruik van al bestaande waterlopen. Leusden bleef lange tijd een volledig landelijk gebied, gedomineerd door lintbebouwing en verspreide woningen. Woonkernen ontstonden in de loop van de 19e en 20 eeuw rond een kerk of ander centrumgebouw. In Hamersveld bij de kerk en het gemeentehuis. In Leusbroek rond de dorpskerk. Na 1950 veranderde Leusden van een plattelandsgemeente in een sterk verstedelijkte forensenplaats. Eerst vond de uitbreiding mondjesmaat plaats maar in de jaren 1960 ontstonden grootse plannen voor uitbreiding. Deze uitbreiding vond vooral na 1970 plaats. Op 1 januari 1811 werd de Franse administratieve organisatie ingevoerd. Dit had tot gevolg dat aan het hoofd van de gemeente een maire kwam te staan, bijgestaand door twee adjoints en een conseil municipal. In het najaar van 1813 werd de functie van de maire vervangen door de schout die zich liet bijstaan door een gemeenteraad met een adviserende taak. Met de vaststelling van het reglement van het bestuur ten plattenlande van de provincie Utrecht d.d. 29-06-1816 werd deze situatie vastgelegd. De schout werd benoemd door de Koning, de vier raadsleden door Provinciale Staten. Ook de gemeentesecretaris en - ontvanger werden door de Staten benoemd. In 1825 kwam er een nieuw reglement voor de plattelandsbesturen. De gemeenteraad bestond nu uit 8 leden inclusief de burgemeester en wethouders. De burgemeester werd benoemd door de Koning, de assessoren door de Commissaris des Konings en de raadsleden door Provinciale Staten. In 1851 werd de Gemeentewet ingevoerd. Vanaf deze datum stond de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente. Het dagelijks bestuur werd gevormd door het college van burgemeester en wethouders. De wethouders werden gekozen door en uit de raad, de burgemeester werd benoemd door de Kroon.
De hierna beschreven Bas Veth is niet verwant aan de bekende Jan Pieter en Cornelis Veth: zij behoren beiden tot de Lekkerkerker tak van de familie Veth, in tegenstelling tot Bas, die deel uitmaakt van de Papendrechtse tak. Ook is deze Bas Veth niet identiek met de schrijver van het destijds geruchtmakende boek Het Leven in Nederlandsch-Indië (1900): naar alle waarschijnlijkheid is hij nooit in Indië geweest. Bastiaan Veth, gewoonlijk Bas genoemd, wordt op 12 maart 1861 te Arnhem geboren als eerste kind en enige zoon van Arie Veth en Elisabeth Gips, die het jaar tevoren in Dordrecht getrouwd waren. Arie was oprichter-firmant van de Carrosseriefabriek Heinrich en Veth, die beter bekend staat onder de naam van Arnhemsche Rijtuigfabriek. Na de dood van Arie in 1873 keert Elisabeth Veth-Gips met Bastiaan en twee jongere dochters in 1877 terug naar Dordrecht, waar zij datzelfde jaar nog hertrouwt met Pieter van der Slik, koopman. Van 1879 tot 1881 studeert Veth aan de Polytechnische School te Delft. De daaropvolgende jaren heeft hij ervaring in de handel opgedaan. Gaandeweg ontwikkelt hij zich tot beeldend kunstenaar: hij schildert, tekent en aquarelleert vooral landschappen, rivier- en zeegezichten. Werken van zijn hand bevinden zich in het Dordts Museum ("Grijze Dag" (1883) en de aquarel "Schepen in een haven bij winter"), het Frans Halsmuseum te Haarlem en in het Prentenkabinet van de Gemeentelijke Archiefdienst van Delft. Op 18 oktober 1887 treedt Veth te Dordrecht in het huwelijk met Maria Johanna Smits (Dordrecht 1865-Wiesbaden 1924); zij zullen vier kinderen krijgen (Willem Pieter 1888, Bastiaan Marius 1891, Josina Jeanette 1893 en Franz Herman 1897). In Dordrecht neemt Veth actief deel aan het politieke en culturele verenigingsleven: hij is werkend lid en een tijdlang voorzitter van het tekengenootschap "Pictura"; daarnaast werkt hij mee aan de voorbereiding van tentoonstellingen van de vereniging "Voor Vak en Kunst" (zie inventarisnummer 178). Tenslotte richt hij in 1892 samen met anderen de historische vereniging "Oud-Dordrecht" op, waarvan hij jarenlang bestuurslid is. Van 1892 tot 1903 fungeert hij bovendien als conservator van het museum van de vereniging boven de Groot-hoofdspoort. Na zijn aftreden wordt hij door de ledenvergadering tot erelid benoemd. In het bestuur van de liberale Kiesvereniging "Burgerplicht" bekleedt Veth tussen 1890 en 1899 de funkties van secretaris en voorzitter. Wellicht heeft zijn funktie van hoofd van het Persbureau te Dordrecht van het Algemeen Nederlandsch Verbond, dat ernaar streefde het saamhorigheidsbesef van alle nederlandssprekenden en hun stamverwanten te verlevendigen, hem in kontakt gebracht met dr. W.J. Leyds, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van de Zuidafrikaanse Republiek. Leyds is dan al de ziel van de pogingen om de sympathiserende bewegingen in West-Europa te bundelen en tot effectieve hulpverlening te komen ten behoeve van de Boerenrepublieken in Zuid-Afrika, die sinds 11 oktober 1899 de "Tweede Vrijheidsoorlog" tegen het Engelse Imperium voeren. Hoe Veth betrokken raakt bij Leyds' werk blijkt niet expliciet uit de in deze inventaris beschreven stukken. De eerste brief van Leyds aan Veth van 21 februari 1900 zoals die bewaard is in een brievenboek van Leyds (Collectie dr. W.J. Leyds, inventarisnummer 98) is vrijwel onleesbaar, maar lijkt Veths positie in dienst van het gezantschap vluchtig te regelen. Voortaan wordt hij met "medewerker" aangeduid, als hoedanig hij talloze activiteiten ontwikkelt, uiteenlopend van de aankoop en beproeving van explosieven en munitie tot het bijhouden van dossiers. Zo verricht Veth eveneens de taken van een militair attaché: hij onderhandelt over nieuwe wapens, rapporteert over de politieke situatie, legt internationale kontakten en volgt de pers nauwlettend; ook organiseert hij de uitzending van vrijwilligers naar Zuid-Afrika. Al zijn werkzaamheden staan in het teken van de Boerenoorlog, die vanaf februari 1900 voor Oranje Vrijstaat en de Zuidafrikaanse Republiek een kwade keer neemt, als de Engelsen onder lord Roberts en lord Kitchener de Boeren steeds meer tot een verbeten guerillataktiek op het platteland dwingen; de steden en de gehele infrastructuur vallen in Engelse handen, maar daarbuiten is het "veldt" van de commando's onder leiding van L. Botha, J.H. de la Rey en C.R. de Wet. Om ook hen in de ongelijke strijd van 450.000 tegen 88.000 man tot overgave te dwingen, ontziet Kitchener zich niet de burgerbevolking van het platteland onder te brengen in concentratiekampen, waar een hoge sterfte heerst en die de verontwaardiging van de wereld gaande maken; ook worden krijgsgevangenen naar St. Helena en verder gedeporteerd om hun verdere deelneming aan de strijd uit te sluiten. Grote aantallen Boeren vluchten de grens met Mozambique over en worden daar door de Portugese autoriteiten geïnterneerd; vanuit Europa zendt het gezantschap hun "hulpgoederen", waarbij ook Veth betrokken is. Dat gezantschap is dan afgesneden van zijn regering en voor kontakt met Zuid-Afrika aangewezen op komende en gaande "rapportgangers" en vrijwilligers. Weliswaar verandert dit met de komst van president Kruger, die op 22 november 1900 te Marseille van de "Gelderland" debarkeert, maar dan is het te laat om het verloop van de oorlog van buitenaf nog te beïnvloeden, daar met de val van Komatipoort ook de spoorlijn naar Delagoabaai door de Engelsen veroverd wordt. Tevoren bleek, ondanks de geheime anglo-portugese overeenkomst van 14 oktober 1899 die doorvoer van wapens via Lourenço Marques verbood, de smokkel van explosieven, munitie en wapens wél mogelijk. Als met de vrede van Vereeniging van 31 mei 1902 de beide Boerenrepublieken opgeheven zijn en opgenomen in het Britse imperium, zij het met de belofte van toekomstig zelfbestuur (artikel 7), rest Veth de liquidatie van het materiaal en de voorzieningen die nu hun zin verloren hebben. De expediteur L. Kohn is al eerder bereid gevonden de door hem naar Lourenço Marques verzonden goederen, die deels voor de daar geïnterneerde Boeren, deels ook voor de commando's bestemd waren, tegen een lage prijs terug te kopen; na de vrede echter weigert hij de rechtsgeldigheid van het contract met een niet langer existerende mogendheid te erkennen en pas na een reeks slepende processen Veth contra Kohn kan hij tot betaling worden gedwongen. Een tweede proces heeft Veth te voeren tegen een leverancier, de Société des Munitions de tir, de chasse et de guerre, over de eigendom van via stromannen bestelde ontstekingspijpjes; daar het aantal schakels tussen dr. Leyds en de Société groot was, kan geen bestelling zijnerzijds bewezen worden. Tenslotte moet het stoomschip "Roussillon" van de hand worden gedaan, dat in 1900 gekocht was door het gezantschap voor vervoer van materiaal tussen Lourenço Marques en Madagascar; het schip stond op naam van een firma, de Compagnie française de cabotage à vapeur de Madagascar, die uit louter stromannen bestond. Ook na het einde van Leyds' gezantschap onderhouden Leyds en Veth kontakt, dat dan echter formeel een ander karakter draagt. In de jaren na zijn werkzaamheden voor de Zuidafrikaanse Republiek gaat Veth weer in zaken. In mei 1902 is de familie Veth al van Dordrecht naar Den Haag verhuisd, waar zij aan de van Oldenbarneveldtlaan en het Frankenslag wonen. Het huwelijk van Bas Veth en Maria Johanna Smits wordt op 21 april 1911 ontbonden door echtscheiding krachtens vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 26 mei 1910. Van Veths verdere omzwervingen is alleen bekend, dat hij vóór 2 mei 1911 Den Haag verlaten heeft en dat hij op 4 april 1944 te Gouvieux, departement de l'Oise, veertig kilometer ten noorden van Parijs, overlijdt. De overlijdensakte vermeldt als zijn beroep "interprète" zonder vaste verblijfplaats; als zijn echtgenote wordt Ripert A.L. Mazouye genoemd.
Biografie ir. A. Groothoff 1883 Geboren op 1 mei te Gantoeng (Billiton). 1889 Toelating lagere school te Gouda. 1900 Eindexamen H.B.S. te 's-Gravenhage (Bleijenburg). Ingeschreven aan de Polytechnische school te Delft voor de studie van civiel ingenieur. 1904 Diploma civiel ingenieur. Buitengewoon opzichter bij de Gemeentelijke Havenwerken te Amsterdam. 1905 Ingenieur in dienst van de Perzische regering voor de opname van de Karoonirrigatiewerken bij Ahwaz in Z.W. Perzië. 1906-1907 Ingenieur bij de Hollandsche Maatschappij tot het maken van werken in gewapend beton (Hollandse Beton Maatschappij) te 's-Gravenhage. 1907-1912 Tijdelijk ingenieur bij de Provinciale Waterstaat in Zuid-Holland met standplaats 's-Gravenhage. 1912-1915 Ingenieur 1e klasse, sectiechef voor Aanlegwerken bij de Semarang-Cheribon Stoomtrammaatschappij met standplaats Pekalongan. 1915 Benoemd tot lid van de Gewestelijke Raad van Pekalongan. 1916 Als adviserend ingenieur begonnen met studies ten behoeve van het Nederlandsch-Indische Suikersyndicaat over waterschappen n.l. de Soebaks van Bali en Lombok en nieuwe waterschappen in de vorstenlanden (Java) alsook op Sumatra's Oostkust (Deli). Na terugkeer in Nederland tijdelijk belast met de uitvoering van verbeteringswerken aan de Drechterlandse Noorderdijk tussen Enkhuizen en Medemblik als ingenieur van het Hoogheemraadschap Drechterland. Oprichter en medefirmant van het Ingenieursbureau Dwars, Groothoff en Verhey (adviesbureau voor Bouw- en waterbouwkunde) te 's-Gravenhage, later gevestigd te Amersfoort als Ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey. 1917 Studiereis naar Zweden en Noorwegen ter bestudering van het waterkracht wezen (opsporing, ontginning en benutting van waterkrachten) in opdracht van de minister van Koloniën ten behoeve van de nieuwe dienst voor Waterkracht en Electriciteit in Nederlands-Indië. 1918 Studiereis op waterkrachtgebied in de Verenigde Staten tijdens heenreis naar Nederlands-Indië. Benoemd tot hoofdingenieur, chef der Hydrotechnische Afdeling van de dienst voor Waterkracht en Electriciteit te Bandoeng. 1920 Directeur van het Technisch-economisch Adviesbureau bij het departement van Gouvernementsbedrijven te Bandoeng. Tijdelijk regeringscommissaris bij de N.V. Gemeenschappelijk Electriciteitsbedrijf Bandoeng en omstreken. 1921 Opdracht ter zake van een nieuw tinbedrijf op Billiton. 1922 Regeringscommissaris in Nederlands-Indië bij de N.V. Billiton Maatschappij ter voorbereiding en uitvoering van de overgang der tinontginning op Billiton naar een nieuw gemengd bedrijf. 1924 Benoemd door de minister van Koloniën tot lid van de Raad van Beheer der N.V. Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij Billiton te 's-Gravenhage (bij verkorting G.M.B. genaamd ter onderscheiding van de B.M. de afkorting van de bestaande particuliere N.V. Billiton Maatschappij). Regeringsopdracht betreffende de opzet van een gemengd bedrijf tot exploitatie van de Kali-Kontowaterkrachtwerken in Oost-Java n.l. de N.V. Nederlandsch-Indische Waterkracht-Exploitatie-Maatschappij (N.I.W.E.M.). 1925 Bedrijfseconomisch adviseur,gevestigd te Amersfoort. 1931 Benoemd tot voorzitter van de Nederlands-Indische delegatie bij de Internationale Tin commissie te Londen. Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. 1934 Benoemd bij koninklijk besluit tot lid van de Commissie van advies inzake Contingenteringen (Crisisinvoerwet). Benoemd door de minister van Economische Zaken tot contactcommissaris voor het IJzergieterijbedrijf. 1933 Lid van de Economische Raad.-- Bestuurslid van de Centrale organisatie T.N.O. 1937 Regeringscommissaris voor de Industriële Verdedigingsvoorbereiding bij het departement van Defensie. 1937 t/m 1939 Directeur-voorzitter van het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen met opdracht van de minister van Defensie inzake de industriële reorganisatie van het bedrijf. 1940 Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Voorzitter Directorium centraal orgaan Voorzieningen Weermacht. 1940-1945 In verschillende functies werkzaam op verzoek van de betrokken Nederlandse instanties o.m. bij het departement van Economische Zaken (Bureau voor Non-ferro Metalen) en voor het departement van Binnenlandse Zaken (een technisch-economisch onderzoek van de Amsterdamse gemeentediensten) als-ook voor de Artillerie-Inrichtingen, aanvankelijk als lid van een directie-commissie van advies en later als commissaris van de N.V. Nederlandsche Machinefabriek Artillerie-Inrichtingen. 1946 Industrieel-economische studiereis naar Suriname, Brazilië en de Verenigde Staten. Hervatting werkzaamheden op internationaal tingebied, in het bijzonder als delegatievoorzitter bij de Internationale Tin Studiegroep. Voortzetting van zijn commissarisfuncties bij verschillende N.V.'s van de Billitongroep, de Nederlandsch-Indische Waterkracht-Exploitatie Maatschappij (N.I.W.E.M.) te Amsterdam, de Nederlandsche Machinefabriek Artillerie-Inrichtingen en de Nederlandsche Pacific Petroleum Maatschappij (Caltexgroep). 1948 In verband met de souvereiniteitsoverdracht van Indonesië op verzoek ontheven als voorzitter van de voormalige Nederlandsch-Indische Tindelegatie voor internationaal overleg. 1951 Medewerker van Nedeco (Nederlands Adviesbureau voor Ingenieurswerken in het Buitenland te 's-Gravenhage) voor technisch-economische oriëntering over Brazilië, waarheen weer reizen ondernomen in 1948, 1950 en 1957. 1954 Medewerking tot 1957 aan een uitgebreide Braziliaanse opdracht (via Nedeco) ter zake van de bevaarbaarmaking van de Rio Paranapanema, grensrivier van de staten Sao Paulo en Parana in Zuid-Brazilië. Einde van de bestuursfuncties bij de N.V. Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij Billiton (G.M.B.) en daarmee verbonden N.V.'s o.m. de Hollandsche Metallurgische Bedrijven te Arnhem, de Nederlands-Indische Bauxiet-Exploitatie-Maatschappij (N.I.B.E.M.) op Bintang (Riouw-Archipel) en de Singkep Tin Exploitatie-Maatschappij, een en ander als gevolg van de souvereiniteitsoverdracht van Indonesië in 1949. 1955 Voorzitter van de Nederlandse Werkgroep voor Internationale Tinaangelegenheden in verband met de instelling van de "International Tin Council" te Londen. 1956 Einde van commissarisfunctie bij het gemengde bedrijf de N.V. Waterkracht-Exploitatie Maatschappij Indonesië (te voren de N.I.W.E.M.) te Amsterdam, eveneens als gevolg van de souvereiniteitsoverdracht van Indonesië. 1957 Advies over de systeemkeuze voor een waterkrachtkadaster van Nederlands Nieuw-Guinea, uitgebracht in samenwerking met het Ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey te Amersfoort ingevolge een Nedeco-opdracht van het ministerie van Zaken Overzee. 1958 Trekt zich wegens zijn 75-jarige leeftijd terug als commissaris van het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen. 1967 Schrijft een artikel bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het door hem opgericht ingenieursbureau Dehave. 1968 Wordt bij zijn 85-jarige leeftijd gehuldigd. 1971 Overlijdt.
In september 1918 werden twee nieuwe departementen ingesteld, namelijk het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en het Ministerie van Arbeid. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken verloor hierdoor de volksgezondheidstaken. De afdeling Volksgezondheid en Armwezen (1910 1918) van dit ministerie werd opgeheven en een nieuwe afdeling Armwezen werd ingesteld. Deze afdeling heeft bestaan van 25 september 1918 tot en met 31 december 1947. De afdeling Armwezen nam in 1918 de volgende taken van de afdeling Volksgezondheid en Armwezen over: Opstelling van het verslag betreffende de toestand van het armwezen, bedoeld in artikel 201 van de Grondwet Toepassing van de Armenwet (1912) en zaken die hiermee in verband stonden Machtiging aan de besturen van niet kerkelijke instellingen van weldadigheid tot het aanvaarden van makingen en schenkingen Behandeling van verzoeken tot het inzamelen van gelden Toepassing van de Krankzinnigenwet (1884) Toepassing van de Pandhuiswet (1911) Toepassing van de Begrafeniswet (1869) In de loop der jaren kwamen daar nog bij: h Verstrekking van subsidies in de kosten van werkverschaffing en steunverlening in verband met crisiswerkloosheid i Toepassing van de Geldschieterswet (1932) j Toepassing van de Wet tot Bescherming van het Diploma van Ziekenverpleging, voor zover betreft het diploma B (Verpleging van zenuwlijders en krankzinnigen) (1921) k Beoordeling van de uitgaven voor burgerlijke armenzorg van noodlijdende gemeenten l Advisering over de verpleegtarieven in krankzinnigengestichten en inrichtingen voor armenzorg m Advisering over de verpleegtarieven in ziekenhuizen (in overleg met het Ministerie van Arbeid) De taak werkverschaffing en steunverlening (h) werd steeds belangrijker en ging zich onderscheiden van de normale armenzorg. Dit leidde in februari 1931 tot de instelling van een aparte onderafdeling Werkverschaffing en Steunverlening. Het logische sluitstuk van deze ontwikkeling was de onderbrenging van deze taak en daarmee de onderafdeling bij het Ministerie van Arbeid in juni 1933. Taak g werd in 1933 aan de afdeling Binnenlands Bestuur overgedragen. Na de Tweede Wereldoorlog was de hulpverlening aan oorlogsslachtoffers een belangrijke taak geworden van Binnenlandse Zaken, die in handen lag van de afdeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers. Omdat zowel de afdeling Armwezen als de afdeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers zich bemoeiden met behoeftige personen, werden de afdelingen op 1 januari 1948 samengevoegd tot de afdeling Maatschappelijke Zorg. De taken a, b, c, d, e (voor zover met de betaling van verpleegkosten verband houdende), f, i, k, l, en m werden toen overgedragen aan deze afdeling. De taken e (voor het grootste deel al per 1 januari 1947) en j gingen naar het Ministerie van Sociale Zaken. TAAKUITVOERING Bij de uitvoering van de taken met betrekking tot de armenzorg onderhield de afdeling veelvuldig contact met andere organen en instellingen. De daadwerkelijke ondersteuning van armen was geen taak van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, maar van plaatselijke instellingen van weldadigheid. Deze werden onderverdeeld in burgerlijke instellingen van weldadigheid (uitgaande van de gemeente), kerkelijke instellingen, bijzondere instellingen (alle niet burgerlijke en niet kerkelijke instellingen) en gemengde instellingen (instellingen waarin zowel de gemeente als de kerken en/of particulieren een aandeel hadden). Alleen indien een arme geen steun ontving van een kerkelijke, bijzondere of gemengde instelling mocht de gemeente steun verlenen. Dit gebeurde via de burgerlijke instelling in die gemeente of, indien deze er niet was, rechtstreeks door Burgemeester en Wethouders. Ten opzichte van de kerkelijke en bijzondere instellingen, die autonoom waren in hun doen en laten, had Binnenlandse Zaken nauwelijks bevoegdheden. De burgerlijke en gemengde instellingen waren afhankelijk van het gemeentebestuur. Alleen door de behandeling van beroepszaken raakte Binnenlandse Zaken rechtstreeks betrokken bij deze instellingen. De instellingen van weldadigheid konden samenwerking zoeken in een armenraad. Een dergelijke raad fungeerde als platform voor overleg en als centraal registratiepunt op plaatselijk niveau. Directe ondersteuning werd niet door de armenraad verleend. Op landelijk niveau was de Algemene Armencommissie werkzaam als adviescollege van de regering op het terrein van de armenzorg. De kosten voor de armenzorg werden in principe gedragen door de plaatselijke instellingen van weldadigheid en de gemeenten. Hierop waren echter uitzonderingen. Enkele groepen behoeftigen werden op rijkskosten ondersteund: de bewoners van het voormalige eiland Schokland (Schokkers), de staatswezen en de armlastige krankzinnigen voor wie geen woonplaats binnen het Rijk aangewezen kon worden. Ook behoeftige Nederlanders in het buitenland konden op rijkskosten ondersteund worden. Tengevolge van de inflatie in Duitsland nam het aantal aanvragen om ondersteuning enorm toe. De uitvoering was aanvankelijk verdeeld over de consulaten, hulpcomité's en de grenscommissarissen van rijkspolitie te Nieuweschans, Enschede, Zevenaar en Heerlen. Behoefte aan meer controle, aan meer eenheid en aan een betere sociale zorg leidde tot instelling in 1927 van de 'Rijksdienst ter ondersteuning van behoeftige Nederlanders in het buitenland ter voorkoming van hun uitleiding naar Nederland' (later 'Rijksdienst voor de ondersteuning van behoeftige Nederlanders in het buitenland'), gevestigd te Arnhem, welke onder toezicht van de afdeling Armwezen stond. Het werkgebied van de rijksdienst strekte zich uit over Duitsland, België en Frankrijk, maar omvatte in hoofdzaak het Westduitse industriegebied met omgeving. Dit gebied was verdeeld in twaalf kringen, in elk waarvan een armbezoeker de leiding had. Er werd steeds gewerkt in nauw contact met de Duitse armenzorg. De rijksdienst probeerde zoveel mogelijk gevallen buiten de ondersteuning te houden en uitleiding te voorkomen. In de vestigingsverdragen met Duitsland (1904) en met België (1933) werd bepaald, dat de onderdanen van de deelnemende landen zich ongestoord konden vestigen in het andere land, mits ze zich aan de wetten hielden en een geldig paspoort bezaten. De verdragsstaten konden echter onderdanen van de andere staat de vestiging of het verblijf ontzeggen, o.a. wanneer zij geen voldoende middelen van bestaan hadden. Tengevolge van de oorlogstoestand werd het vestigingsverdrag met Duitsland in 1941 door de rijkscommissaris onverbindend verklaard. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen de vrijwillige werkloosheidsfondsen onder grote druk te staan door de omvangrijke werkloosheid. Het rijk kwam met subsidies te hulp (Werkloosheidsbesluit, 1917). Daarnaast kwamen er steunregelingen voor niet verzekerde of uitgetrokken werklozen. De steun werd verstrekt door plaatselijke steuncomités en niet door instellingen van weldadigheid. Na de oorlog wilde de regering deze steun weer inkrimpen, maar dit bleek niet mogelijk door de voortdurende werkloosheid in bepaalde bedrijfstakken. In 1923 werd de economische situatie weer beter en trok het Rijk zich financieel terug uit de steunregelingen voor werklozen. De economische crisis van de jaren dertig noodzaakte het Rijk echter om weer bij te springen. Van principieel belang was, dat de werklozen werden gelicht uit het grote leger van armen en een eigen behandeling kregen. Werkloosheid werd steeds minder gezien als een armenzorgprobleem, maar als een probleem van arbeidsomstandigheden. Organisatorisch leidde dit er toe dat de behandeling van het werkloosheidsprobleem een aparte status kreeg binnen de afdeling Armwezen en later naar het Ministerie van Arbeid ging. Behoeftige buitenlanders dienden op grond van de Armenwet te worden ondersteund door plaatselijke instellingen van weldadigheid. De grote stroom in de Eerste Wereldoorlog naar Nederland komende Belgische vluchtelingen ging echter de financiële draagkracht van de plaatselijke instellingen van weldadigheid te boven. De vluchtelin gen die zelf voor woonruimte zorgden, werden op rijkskosten ondersteund door gemeenten en vluchtelingencomité's. De overige behoeftige vluchtelingen werden ondergebracht in vluchtoorden. Ook hun verzorging kwam voor rijksrekening. Naast de vluchtelingen kwamen er ook deserteurs en uit Duitsland gevluchte krijgsgevangenen naar Nederland. In principe hadden zij dezelfde rechten als andere vreemdelingen in Nederland. Tenslotte werden ook de gezinnen van de geïnterneerde buitenlandse militairen, die zich in de nabijheid van de interneringskampen vestigden, op rijkskosten ondersteund. In september en oktober 1918 kreeg ons land een nieuwe golf van vluchtelingen te verwerken, waaronder vooral veel Fransen uit het strijdgebied. Bovendien nam het aantal deserteurs en uit Duitsland gevluchte militaire en burgergevangenen, waaronder veel Russen, toe. Een aantal van hen werd vanwege hun onaangepast gedrag ondergebracht in het interneringskamp Bergen. In verband met deze grote toeloop van vreemdelingen werd door Binnenlandse Zaken een nieuwe dienst in het leven geroepen 'de Opperleiding van de nieuwe krijgsgevangenenkampen' (ook voor vluchtelingen en deserteurs) en werden er nieuwe kampen opgericht. Vanaf januari 1919 werden de meeste vreemdelingen gerepatrieerd en de kampen opgeheven. Pas na 1932 kwamen er weer grote groepen buitenlanders naar Nederland. Het ging hier vooral om Joodse vluchtelingen uit Duitsland. Een aantal werd in het vreemdelingenkamp te Westerbork geplaatst. Dit kamp werd door de Duitse bezetter in een doorgangskamp voor Joden omgezet. De zorg voor deze Joodse vluchtelingen werd uitgevoerd door een bureau of een ambtenaar dat/die hierarchisch onder de afdeling Armwezen was geplaatst. Een aparte taak op het terrein van de armenzorg was de genees kundige armenverzorging. Elke gemeente moest er voor zorgen, dat er een arts en een vroedvrouw waren voor de verzorging van de armen. De Kroon kon in beroepszaken een oordeel over deze gemeentelijke zorg uitspreken. Het Weeshuis te Buren en Maria Catharina van Dooren's vrouwengesticht te Rotterdam stonden in een bijzondere verhouding tot Binnenlandse Zaken. Het Weeshuis Buren, gesticht in 1612, werd beheerd door de Oranjes. Het van Dooren's vrouwengesticht werd in 1832 gesticht uit een legaat van M.C. van Dooren. Zij had bij testament het toezicht op het gesticht opgedragen aan de koning.De administratieve bemoeienis van het staatshoofd met beide instellingen werd gedelegeerd aan Binnenlandse Zaken. Het toezicht op de uitvoering van de Krankzinnigenwet was opge dragen aan het Staatstoezicht op krankzinnigen en krankzinnigenge stichten, dat werd gevormd door twee (later drie) inspecteurs. Zij adviseerden tevens de minister van Binnenlandse Zaken in alle aangelegenheden de krankzinnigenzorg betreffende. Krankzinnigengestichten konden slechts worden opgericht met toestemming van de Kroon. Ook kon de Kroon een gedeelte van een gesticht aanwijzen als inrichting die niet als krankzinnigengesticht werd beschouwd. Voor opname van een patiënt in een dergelijke open inrichting was geen machtiging van de kantonrechter nodig. Ge stichten vroegen bij uitbreiding, verbouwing en reorganisatie eerst toestemming aan Binnenlandse Zaken, omdat de Kroon bij onvoldoende verzorging van de patienten de gestichten kon sluiten. Bovendien stelde de Kroon op grond van de grootte van het gesticht het maximum aantal te verplegen krankzinnigen vast. Voor patiënten die voor rijksrekening werden verpleegd, moest door Binnenlandse Zaken verpleegruimte worden gecreëerd. Dit werd gedaan door contracten met gestichten af te sluiten en door oprich ting van rijksgestichten. In 1918 waren er drie van dergelijke gestichten: te Medemblik, te Grave en te Woensel. Het hogere personeel van deze gestichten werd benoemd en ontslagen door de Kroon of de minister van Binnenlandse Zaken. De benodigde gelden werden op de begroting van Binnenlandse Zaken gebracht. In 1922 werd het rijksgesticht te Medemblik overgedragen aan de provincie Noord Holland. Vanaf de jaren dertig werd het gesticht te Woensel ook wel als Eindhoven Woensel aangeduid. In de inventaris wordt consequent de naam Woensel gebruikt. De Geldschieterswet, de Pandhuiswet en de Begrafeniswet droegen de meeste uitvoerende taken op aan de gemeenten. Het ministerie trad algemeen regelend op en behandelde de beroepszaken.
De familie Morren, de stichter en de stichting Theodorus Morren, de stichter van het "Tehuis voor Archiefambtenaren" - geboren op 9 mei 1867 - trad in 1885 als volontair in dienst op het stedelijk archief te Utrecht. Hij heeft daarna van 1888 tot 1913 gewerkt op het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Voor een beschrijving omtrent zijn ambtelijke loopbaan - van volontair tot hoofdcommies - en andere door hem ondernomen niet-ambtelijke aktiviteiten, wordt verwezen naar de afzonderlijke mede in het kader van de cursus Voortgezette Vorming Archiefbeheer vervaardigde scriptie onder de titel: "Theodorus Morren als archivist, documentalist en publicist, 1888-1920". Vanaf het jaar 1913 was Morren vaak langdurig ziek. Zijn Moeder, Willemijntje Enderlé, was hem op 23 februari 1913 ontvallen. In dat jaar maakte Morren zijn testament (13 maart 1913). Uit zijn testament (inventaris nr. 1), blijkt het volgende: "Ik bestem mijne geheele nalatenschap tot vermogen der Stichting, die ik ten behoeve van ambtenaren aan de Rijksen Gemeentearchieven - buiten 's-Gravenhage en aangrenzende gemeenten wonende - door deze mijne uiterste wilsbeschikking, in het leven roep en waaraan ik den naam geef van TEHUIS VOOR ARCHIEFAMBTENAREN". Door de moeder van Theodorus Morren was, na de verhuizing uit Utrecht op 30 juni 1893 een pand gekocht aan de Celebesstraat 76 in 's-Gravenhage. Theodorus Morren is daar ook na de dood van zijn moeder blijven wonen. Hij bestemde dit pand tot Tehuis voor Archiefambtenaren. Regenten Morren regelde niet alleen de vestiging van een Tehuis, hij bepaalde tevens, dat er een Stichtingsbestuur moest zijn, College van Regenten genaamd, dat de Stichting in en buiten rechten zou vertegenwoordigen. Het College van Regenten bestaat sindsdien uit drie leden, t.w. de Chef der afdeling Kunsten en Wetenschappen van het departement van Binnenlandse Zaken (later het hoofd van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, thans de direkteur Musea, Monumenten en Archieven van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk), de Algemene Rijksarchivaris en de Gemeentearchivaris van 's-Gravenhage. Aan Regenten werd door Morren de bevoegdheid gegeven "om bij meerderheid van stemmen al zoodanige besluiten te nemen en al zoodanige regelen omtrent het Tehuis en de uitvoering van hunnen last vast te stellen als zij voor de verwezenlijking van het doel mijner Stichting zullen noodig en wenschelijk achten". Vanaf de oprichting van de Stichting hebben "de Chefs Kunsten en Wetenschappen" in het College van Regenten tot heden als voorzitter zitting gehad, t.w.: 1920-1925 1920-1925 1925-1939 1925-1939 1939-1949 1939-1949 1949-1951 1949-1951 1951-1952 1951-1952 1952-1965 1952-1965 1965-1972 1965-1972 1972-heden 1972-heden als leden waren vertegenwoordigd de Algemene Rijksarchivaris en de Gemeentearchivaris van 's-Gravenhage De Algemene Rijksarchivarissen 1920-1932 1920-1932 1933-1946 1933-1946 1946-1953 1946-1953 1953-1966 1953-1966 1966-1968 1966-1968 1968-heden 1968-heden De Gemeentearchivarissen van 's-Gravenhage 1920-1922 1920-1922 1923-1953 1923-1953 1953-1977 1953-1977 1977-heden. 1977-heden. Administrateur Door Morren was ook bepaald, dat Regenten een administrateur zouden aanstellen, die de goederen van de Stichting moest administreren, toezicht houden op het onderhoud van het huis en de zich daarin bevindende voorwerpen enz., "in één woord, dat hij zal zorgdragen voor alles waartoe een goed administrateur verplicht is". Als administrateur van het Tehuis werd de commies E.A. Kuipers aangesteld, die vanaf de ingebruikneming van het Tehuis, dit is vanaf 1 januari 1922, tot 1 mei 1957 het beheer heeft gevoerd. Nadat Kuipers in 1949 de troon van de Chef Kunsten en Wetenschappen had beklommen, tot november 1951, was er enkele jaren sprake van de dubbelfunktie van voorzitter van het Regentencollege en administrateur der Stichting. Hij werd in 1951 in eerstgenoemde funktie opgevolgd door mr. M.C. Bloemers en eerst in 1957 op eigen verzoek eervol van het beheer ontheven. In de funktie van administrateur werd Kuipers op 1 mei 1957 opgevolgd door de departementsambtenaar H.J. van Meerendonk. Door het College van Regenten werd op 17 juli 1963 besloten de funktiebenaming van administrateur van de Stichting te veranderen in die van direkteur. (inventaris nr. 69). Het Tehuis Na het noodzakelijke voorbereidende werk werd in 1922, ongeveer anderhalf jaar na de dood van Theodorus Morren, het Tehuis in gebruik genomen. Door de erflater was bepaald het verblijf in het Tehuis kosteloos te doen zijn, wanneer de geldmiddelen zulks zouden toelaten. Het nagelaten kapitaal was echter nauwelijks voldoende om uit de rente daarvan de exploitatie van het Tehuis mogelijk te maken. Het college zag zich daarom genoodzaakt een kleine vergoeding van de bezoekers te moeten vragen. Theodorus Morren benoemde in zijn testament tot huisbewaarster van het Tehuis zijn "meid-huishoudster Catharina Maria IJsebrands", die behalve kost en vrije woning, vuur en licht, ook een weekloon zou hebben, welk bedrag ook door hem was vastgesteld. Tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog werd de toestand ongunstiger voor de Stichting, door de verlaging van de inkomsten, de stijging van lonen en prijzen en de verhoging van de belastingen, maar voornamelijk door de sociale lasten, waardoor de uitgaven hoog opliepen. Het onderhoud van het huis met zijn inventaris werd beperkt tot het allernoodzakelijkste. Door deze maatregelen toe te passen kon de exploitatie van het Tehuis gedurende de eerste tien na-oorlogse jaren maar mondjesmaat voortgang vinden. Een groot probleem was echter de kosten te dekken, aangezien er geen voordelige saldi waren. Om dit toch te kunnen bereiken werden de pensionprijzen vaker verhoogd en werden er ook enkele giften in de vorm van officiële bijdragen van belangstellenden aangenomen. In de Haagsche Courant van 8 januari 1959 verscheen een artikel waarin gezegd werd dat "het huis inwendig nog de sfeer van 1900 ademt. Dit vanwege de aanwezigheid van: antieke kasten, stoelen, schilderijen, oude klokken, boekenruggen met gouden letters, porselein, wat verschoten gordijnen, donkere zware meubels en chinese beeldjes en in de hoek vindt de bezoeker zelfs een geweer met zeer lange loop, een snaphaan uit de 17e eeuw". De sfeer was wel aanwezig, maar er was sprake van een karig financieel beheer. Opheffing Tehuis Alhoewel het College van Regenten steeds ernaar gestreefd heeft de Stichting zoveel mogelijk in de geest van de erflater te runnen, is haar dit op den duur niet in de oorspronkelijke vorm gelukt. Na rijp beraad werd besloten over te gaan tot opheffing van het Tehuis, vanwege de zeer hoge onderhouds- en personele kosten. Het pand aan de Celebesstraat nr. 76 werd op 10 maart 1970 verkocht aan de op nr. 78 gevestigde Stichting "Deo Volente". Het 90 jaar oude pand is circa 50 jaren een "Tehuis" geweest voor vele Nederlandse archivarissen van buiten 's-Gravenhage. Ook vele buitenlandse archivarissen vonden hier een tijdelijk verblijf. De Stichting Aan het bestaan van de Stichting zelf kwam geen einde. Besloten werd de waardevolle inventarisgoederen tijdelijk veilig onder te brengen in een afzonderlijke ruimte in de archiefbunker te Schaarsbergen bij Arnhem, die nog als depot van het Algemeen Rijksarchief dienst doet. De opbrengst van de verkoop van het pand werd toegevoegd aan het nagelaten kapitaal van Morren, dat gunstig was belegd in onroerend goed en effecten. Heden ten dage wordt nog steeds door de direkteur van deze Stichting in samenwerking met enkele pensions en hotels voor logeergelegenheid gezorgd, overeenkomstig de wens van de Stichter. Ook bestaat er een goede samenwerking met het Cultureel Centrum "de Pauwhof" te Wassenaar, waardoor het de archivarissen gegeven is nog gebruik te maken van de voordelen hen nagelaten door Theodorus Morren. Zodra de nieuwe Haagse gemeentelijke archiefbewaarplaats met een vertrek zal zijn uitgebreid en de bouw van het nieuwe Algemeen Rijksarchief in 's-Gravenhage zal zijn voltooid (1979), zal toestemming worden gevraagd tot inrichting van zgn. Morrenkamers in deze gebouwen en zal verdeling van de inventarisgoederen plaats vinden. De Stichting staat er nu veel beter voor. Zelfs is het haar mogelijk geweest enige malen belangrijke bijdragen te leveren voor de organisatie van studiedagen voor archiefambtenaren. Fondsen Ook door middel van de fondsen Overvoorde, Gesprekcentrum en het Morrenfonds verricht zij haar werk in het belang van het archiefwezen. Mr. Dr. Jacob Cornelis Overvoorde, archivaris van de gemeente Leiden en direkteur van het Stedelijk museum "de Lakenhal" aldaar, verklaarde in zijn testament op 23 mei 1957, dat hij een zeker bedrag had vermaakt aan de Stichting Tehuis voor Archiefambtenaren te 's-Gravenhage, onder bepaling dat de inkomsten van dit legaat alleen zullen besteed worden ter betaling van de reis- en verblijfkosten van archiefambtenaren verbonden aan het Gemeentearchief te Leiden of dat te Dordrecht en van de hen vergezellende familieleden, die gebruik maken van de gelegenheid tot tijdelijk verblijf in het huis der Stichting. Jaarlijks wordt een klein bedrag gereserveerd in een fonds Gesprekcentrum voor het noodzakelijke overleg over archiefproblemen tussen archivarissen en registratoren. Dit overleg wordt door de vakgenoten zeer op prijs gesteld. Op 30 november 1977 werd het Morrenfonds in het leven geroepen. Dit fonds heeft tot doel degenen, die in het Algemeen Rijksarchief of in het Gemeentearchief van 's-Gravenhage wetenschappelijk onderzoek verrichten, waarvan het algemeen belang door Regenten wordt onderkend, huisvesting te verlenen.
Het gebied van de tegenwoordige gemeente Didam heeft, tot de revolutie van 1795, als heerlijkheid Didam deel uitgemaakt van de bezittingen van de heren, later graven, van den Bergh. Als vertegenwoordigers van de heer traden op: een drost, eertijds richter genoemd, een fiscaal en een landschrijver. Als plaatsvervanger van de drost fungeerde een stadhouder. De heer bezat ook het recht tot benoeming van de pastoor, later predikant, en de koster. De drost had in het algemeen tot taak de openbare orde en veiligheid te handhaven. Tot zijn ambtsplichten behoorde het doen opmaken van akten van transport van onroerende goederen en van akten van hypotheekstelling. Ook diende hij toe te zien op de goede behartiging van de belangen van weduwen en wezen en in verband daarmede akten van voogdijstelling en van boedelscheiding op te maken. Hij trad op als rechtsvorderaar in alle niet-criminele zaken, welke voor het gericht werden gebracht. Het gericht werd gevormd door twee zgn. gemeensmannen of gemeensluiden. Wat criminele zaken betreft, was de drost belast met het leiden van het vooronderzoek, waarna behandeling voor het Hof van Gelderland volgde. Een ander facet van de werkzaamheden van de drost werd gevormd door diens bemoeiing met het werk van de verponding. Deze belasting op onroerende goederen, en op de opbrengsten daarvan, werd in Didam omgeslagen met behulp van de geërfden. Daar de graven van den Bergh de meeste grond in Didam bezaten, trad de drost in zijn kwaliteit van vertegenwoordiger van de graven op als voorzitter van de geërfdenvergaderingen. Voor verdere bijzonderheden over de behartiging van zaken van algemeen belang op het territoir van de heerlijkheid Didam moge worden verwezen naar de inleiding tot de Inventaris van het Oud Archief der gemeente Didam (1626-1813), in 1957 samengesteld door de heer W. Zondervan. Toen in 1795 de Republiek der Verenigde Nederlanden was verdwenen en ons land een eenheidsstaat werd onder de naam Bataafse Republiek, kwam er wat de interne territoriale indeling van Gelderland betreft, voorlopig geen verandering. Er vormden zich in de kerspels voorlopige "regeringen", welke als municipaliteiten het bestuur in handen namen. De naam municipaliteit werd ook gebruikt ter aanduiding van het betrokken gebied. Bij publicatie van het Intermediair Administratief Bestuur van het voormalige gewest Gelderland d.d. 18 april 1798, werd bepaald, dat Didam met de andere, in 1795 "vernietigde" heerlijkheden Bahr en Lathum, Westervoort en Keppel, onder het gemeentebestuur van het ambt van Doesburg zouden worden gebracht. Het ambt van Doesburg, dat voorheen onder een richter had geressorteerd, omvatte tot 1795 de kerspels Angerlo, Drempt en Hoog-Keppel, alsmede de buurschappen Olburgen en Eldrik. In de praktijk is van deze zeer gezochte combinatie weinig terecht gekomen en werden over het algemeen de zaken min of meer op de oude voet voortgezet. Overigens kwam al vrij spoedig een verandering tot stand ten gevolge van het inwerking treden van de tweede staatsregeling van de Bataafse Republiek, in 1801. Krachtens deze staatsregeling werd, wat Gelderland betreft, de toestand in territoriaal opzicht in dezelfde staat gebracht zoals deze was vóór 1795. De provincie herkreeg onder de naam Departement Gelderland haar oude begrenzing. De vroegere heerlijkheden werden, wat hun gebied betreft, hersteld en als ambten onder een drost of richter geplaatst. Deze functionarissen werden door het departementaal bestuur benoemd. Tot drost en landschrijver van Didam werd Barthold van Hasselt benoemd (6 oktober 1802). De indeling, welke in de jaren 1802-1803 tot stand was gekomen, bleef tot de annexatie van ons land door Napoleon (1810) in hoofdzaak gehandhaafd, dus ook tijdens de periode van het koninkrijk Holland (1806-1810). Toen in 1811 de Franse bestuursorganisatie werd ingevoerd, kwamen ingrijpende veranderingen tot stand. Het tegenwoordige Gelderland werd voor het grootste gedeelte opgenomen in het Departement van den Boven-IJssel, onderverdeeld in de arrondissementen Arnhem, Zutphen en Tiel. Deze arrondissementen omvatten elk een aantal kantons waarin enkele mairies of communes waren samengevoegd. De vroegere heerlijkheid Didam vormde als commune met 's-Heerenberg en Zeddam het kanton 's-Heerenberg van het arrondissement Zutphen. Volgens een telling uit 1811 telde het dorp Didam 549 inwoners en de buurschappen Dijk 538, Greffelkamp 465, Holthuizen 372 en Loil 522 inwoners. Tot maire van Didam werd Gerrit Roemaat benoemd; Jan van Embden werd aangesteld als adjunct-maire. Als zgn. vertegenwoordiging van de burgerij werd een municipale raad ingesteld, welke uiteraard in het sterk gecentraliseerde bestuurssysteem weinig te betekenen had. Nadat Nederland in 1813 was bevrijd van het Franse regiem, werd de in 1811 ingevoerde bestuursorganisatie voorlopig gehandhaafd. De Franse terminologie werd vervangen door een Nederlandse vertaling. De commune Didam heette sindsdien gemeente Didam. Aan de voorlopige bestuursorganisatie kwam t.a.v. Gelderland een einde door het inwerking treden van de reglementen op het bestuur der steden en op het bestuur van het platteland, respectievelijk vastgesteld bij K.B. van 5 november 1815 en van 11 februari 1817. Het laatstgenoemde reglement trad op 1 januari 1818 in werking. Het bepaalde, dat het platteland van de provincie werd verdeeld in 17 districten of hoofdschoutambten, welke gezamenlijk 107 gemeenten of schoutambten omvatten. Het schoutambt Didam werd met de schoutambten Angerlo, Gendringen, Netterden, 's-Heerenberg, Zeddam en Wehl samengevoegd tot het hoofdschoutambt Doesburg, waarvan jonkheer H.J. van Loe tot Overdijk hoofdschout werd. De taak van hoofdschout, die door de koning werd benoemd, bestond globaal gezien uit het oefenen van toezicht op lagere overheidsorganen ten plattelande en het verstrekken van advies aan de gouverneur der provincie en de Provinciale Staten. Meer in het bijzonder was hem het toezicht opgedragen over de gemeentebesturen. De schout, wiens benoeming eveneens door de koning geschiedde, oefende in zijn gemeente het bestuur uit "...in alles, wat tot de handhaving en uitvoering der bestaande keuren, reglementen en andere verordeningen van plaatselijke policie, oeconomie, veiligheid en goede order, welvaart en nijverheid der ingezetenen, verbetering van zedelijkheid, wering van armoede en bedelarij, bevordering van gezondheid, de reinheid en zindelijkheid van publieke wegen, straten en grachten, waterleidingen en dergelijke en de verdere onderwerpen van de plaatselijke administratie en het huishoudelijk bestuur behoort..." (Artikel 36 van het Reglement op het bestuur van het platteland). Hij was in het bijzonder belast "...met de meest nauwkeurige nakoming van de grondwet en de onverwijlde uitvoering van alle de wetten en bevelen, welke hem vanwege den Koning door de hoofden der ministeriële departementen, den Gouverneur of de Staten der Provincie, onmiddellijk, of door den Hoofdschout, worden gegeven..." (Artikel 37 van het Reglement enz.). Ook het opmaken van de akten van de Burgerlijke Stand en het bijhouden der registers was hem opgedragen (Artikel 42 van het Reglement enz.). De schout werd als hoofd van het plaatselijk bestuur bijgestaan door twee leden van de gemeenteraad, die door de Provinciale Staten, de hoofdschout gehoord, op voordracht van de gemeenteraad werden benoemd. Zij kregen de titel assessor. De gemeenteraden bestonden uit vier of zes leden, die door de Provinciale Staten, de hoofdschout gehoord, werden benoemd uit dubbeltallen, opgemaakt door de sinds 1813 nog in functie zijnde voormalige municipale raden. Ten aanzien van de bevoegdheden der gemeenteraden werd o.m. bepaald: "...de gemeenteraad...raadpleegt in en besluit over de algemeene huishoudelijke en speciaal over de financiële belangen der gemeente, en maakt zoodanige plaatselijke verordeningen, keuren en ordonnantiën als dezelve noodig oordeelt..." (Artikel 68 van het Reglement enz.). Tot schout van Didam werd J. van Embden benoemd, terwijl G. Roemaat tot secretaris werd aangesteld. De reglementen voor het bestuur der steden en het platteland werden na betrekkelijk korte tijd vervangen door nieuwe en wel respectievelijk bij K.B. van 8 januari 1824 en 23 juli 1825. Het platteland bleef verdeeld in districten, welke een aantal gemeenten omvatten. De benamingen hoofdschoutambt en schoutambt en de analoge benamingen der hiervan aan het hoofd gestelde functionarissen vervielen. De taak der hoofdschouten werd opgedragen aan zgn. districtcommissarissen. De schout heette voortaan burgemeester. Het bestuur van elke gemeente werd gevormd door een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad, welke inclusief de assessoren uit zes of acht leden bestond. De benoeming van burgemeesters en assessoren geschiedde thans respectievelijk door de koning en namens deze door de gouverneur van de provincie. De ambtstermijn van burgemeester, assessoren en gemeenteraadsleden bedroeg zes jaren. De eerste burgemeester van Didam krachtens het nieuwe reglement was J. van Embden, die sinds 1818 als schout had gefungeerd. De bestaande indeling van het platteland bleef gehandhaafd zolang door de koning nog geen nieuwe was vastgesteld. Wanneer ergens een districtscommissaris vertrok of overleed, werd diens district gecombineerd met een naburig district. In 1831 werd het district Doesburg, waarvan zoals gezegd Didam deel uitmaakte, verenigd met de districten Bredevoort en Zevenaar. Bij K.B. van 6 augustus 1837 ten slotte kwam wederom een indeling van het platteland, thans in vijf districten, tot stand. De districten Doesburg en Zevenaar werden samengevoegd tot één district Doesburg & Zevenaar, waarvan jonkheer J.A.C.A. van Nispen van Sevenaer districtscommissaris werd. De inwerkingtreding van de Provinciale Wet van 1850 en de Gemeentewet van 1851 maakte een einde aan de districtsgewijze indeling van het Gelderse platteland. In het omvangrijke nieuw archief van de gemeente Didam heeft de ontwikkeling van de bestuursorganisatie duidelijke sporen nagelaten. De stukken daterende uit de eerste helft van de 19e eeuw weerspiegelen in menig opzicht de positie van achtereenvolgens de schout en de burgemeester (tot 1851) als uitvoerders van de rijks- en provinciale overheid, Ook hun persoonlijke bemoeiing met verschillende onderdelen van de gemeenteadministratie vond haar neerslag in zeer veel bescheiden.
In de landbrief, waarin de rechten en plichten vastgelegd zijn, in 1327 door graaf Reinald van Gelre opgesteld, wordt voor het eerst melding gemaakt van de splitsing tussen de Overbetuwe en Nederbetuwe. * De graaf stelde het Ambt van Overbetuwe in en belastte het ambtsbestuur met de rechtspraak, het algemeen bestuur en de waterstaatszorg. Die waterstaatszorg behelsde het toezicht op het onderhoud van de centrale waterafvoeren en waterkeringen. De bestuurlijke taak onder meer in het toezicht op de kerspelbesturen. Deze kerspels en vanaf 1838 de dorpspolders behielden, tot hun taken bij de opheffing in 1953 overgingen op het district, een grote autonomie. De ambtman, die tevens richter en dijkgraaf was, zat voor in het gericht, de ambtsvergaderingen en de dijkstoel. Als vertegenwoordiger van de landsheer had hij de rechten en belangen van de hertog te verdedigen. Dat hield in dat de ambtman zich onder meer bezig hield met visserij, middelzanden, onbeheerde goederen, landsverdediging, beveiliging van doorgaande wegen, het geven van vrijgeleide en inning van boeten. De volgende eeuwen geven een verschuiving te zien naar vervoer en verkeer, handelsbevordering, brandpreventie, medische en sociale zorg. Op het einde van de 18 eeuw deden zich een aantal niet onbelangrijke maatschappelijke verschijnselen voor, die ook voor de bestuurlijke en rechterlijke organisatie in de Overbetuwe gevolgen had. Het Hoogadelijk Gericht, bemand door adellijke personen, was moeilijk meer te bezetten door het afnemend aantal en de afnemende belangstelling van de ridderschap. Een andere belangrijke verandering was dat de dijkgraaf, sinds 1327 benoemd door de landsheer, vanaf 1795 door de mannelijke ingezetenen van de Overbetuwe gekozen werd. Vanaf 1802 kwamen daarbij de veranderingen in de taken van het Ambtsbestuur, het Hoogadellijk Gericht en de Hoge Dijkstoel. In 1802 kwamen de bevoegdheden die het gerecht had in criminele zaken te liggen bij het Departementaal Gerechtshof van Gelderland te Arnhem. In 1811 werd de rechterlijke macht geheel van het Ambtsbestuur gescheiden en neergelegd bij de pas ingestelde arrondissementsrechtbanken en vredegerichten. Veel van de overige taken en functies kwamen te liggen bij de gemeentebesturen, het ambtsbestuur had slechts de functie van waterschap behouden. In 1825 werd Ambt van Overbetuwe bij Koninklijk Besluit opgeheven, het bestuur waarmee de ambtsbesturen belast waren geweest ging over op de dijkstoel. De werkzaamheden van het ambtsbestuur gingen van 1825 tot augustus 1826 over op de Hoge Dijkstoel, tot de installatie van de hoofdingelanden. De kerspels werden bestuurd door een schout en twee buurmeesters, maar de grenzen van de begin negentiende eeuw nieuw gevormde gemeenten, als territoriale opvolgers van het vroegere schoutambt, kwamen zelden overeen met die van de kerspels. De kerspelbesturen, c.q. polderbesturen van de dorpspolders na 1838, bleven daardoor nog tot in de twintigste eeuw taken vervullen en belangen behartigen die tot die van de gemeenten gerekend konden worden. De invoering van het reglement op het beheer van de rivierpolders in Gelderland in 1838 bracht in het polderdistrict Overbetuwe dus een aantal bestuurlijke veranderingen teweeg. De Hoge Dijkstoel van het ambt Overbetuwe werd opgeheven en in de plaats daarvan kwamen een dijkstoel en een gecombineerd college. De dijkstoel, bestaande uit een dijkgraaf en vijf heemraden, fungerend als het dagelijks bestuur en het gecombineerd college, bestaande uit de dijkstoel en acht hoofdgeërfden, fungerend als algemeen bestuur. De dijkgraaf en de heemraden worden voor een periode van zes jaar door de koning/koningin benoemd, de hoofdgeërfden worden voor een periode van zes jaar gekozen door de stemgerechtigde geërfden. Als grondslag voor de kiezerslijsten dienen de kohieren of leggers van de bunder-/hectarentalen tot invordering van de polderlasten, opgesteld door het bestuur van de dorpspolders. Deze kohieren of leggers maken tevens de grondslag van de districtslasten uit Bij het voormalige ambt Overbetuwe werd in 1838 de dorpspolder Huissen gevoegd. Deze dorpspolder had een eigen beheer gevoerd sinds 1816, toen de stad en het ambt Huissen bij het Koninkrijk der Nederlanden gevoegd werden, als uitvloeisel van het vredestractaat dat werd gesloten op het Congres van Wenen. Er rees van de zijde van de geërfden in de dorpspolder Huissen al spoedig verzet tegen de aanslag in de districtslasten, voor zover deze nodig waren tot het aflossen van de oude schulden van het vroegere ambt Overbetuwe. Met ingang van het jaar 1841 is daarom een gescheiden administratie ingevoerd: het 'polderdistrict zonder Huissen' en het 'polderdistrict met Huissen'. Hierin werd onderscheiden het beheer van de eigendommen en aflossingen van de schulden van voor 1838 (het polderdistrict zonder Huissen), en van na 1838 (het polderdistrict met Huissen). De geërfden van Huissen werden uitsluitend in de tweede categorie aangeslagen, alle andere geërfden in beide categorieën. Met ingang van het boekjaar 1899/1900 is dit onderscheid opgeheven, aangezien toen alle schulden die voor 1838 waren aangegaan waren afgelost. De dorpspolders stonden onder toezicht van het gecombineerd college. Het polderdistrict staat zelf onder toezicht van gedeputeerde staten. Het toezichthoudende college keurt de begroting goed en stelt de rekening vast Elk jaar wordt een begroting opgemaakt waarin de te verwachten inkomsten en uitgaven worden opgenomen. In voorgaande eeuwen begrootte men de inkomsten en uitgaven niet, maar stelde na afloop van elk rekenjaar vast welke posten betaalbaar moesten worden gesteld en hoe zwaar elke morgen moest worden belast om de totale kosten van het vorig jaar te kunnen dekken. De omslag over alle land was morgen/morgensgelijk, dat wil zeggen enkel en alleen naar de grootte van het land, waarbij bebouwd/onbebouwd, hoogteligging, grondsoort en gebruik buiten beschouwing werden gelaten. De kosten gemaakt voor het besturen en beheren van dijken werden omgeslagen op binnendijks gelegen morgens, welk land door dijken beschermd en door weteringen afgewaterd werd. De kosten voor het algemeen bestuur sloeg het ambtsbestuur om over de ronde morgen, dit is het binnen- en buitendijks land. In 1838 werd op aanwijzing van gedeputeerde staten de begroting ingevoerd. Sindsdien worden de te verwachten uitgaven vooraf begroot en omgeslagen. Tot 1954 werd de grondslag voor de aanslag in de polderlasten enkel bemeten naar de grootte van de landeigendom. De lasten van de 24 opgeheven dorpspolders en de oprichting van het gezamenlijke Linge-waterschap zorgden voor meer verfijning in de omslag, sinds 1959 wordt ook de bebouwde eigendom in de aanslag betrokken. De waterschapstaak bestond aanvankelijk enkel uit het toezicht houden op het onderhoud van dijken en weteringen. Het onderhoud werd uitgevoerd door de dijkplichtigen, de dijkstoel schouwde en kon het onderhoud afdwingen. Elk jaar werden door de dijkstoel drie schouwen over de dijken gevoerd: de cierschouw in het voorjaar, de aardschouw in de zomer en de ruwaarschouw in de herfst. Tijdens de cierschouw werd het noodzakelijke onderhoud, in de winter onder meer door hoog water en ijsgang ontstaan, opgenomen in het bijzijn van de dijkplichtige, die beloofde dat hij aan de voorschriften van de ciering aan zijn dijkvak zal voldoen. De cierschouw werd daarom ook wel loofschouw genoemd. Was de dijkplichtige niet aanwezig, zodat er niet geloofd kon worden, dan werd het onderhoud tegen dubbele aanneemsom aanbesteed door de dijkstoel. Tijdens de aardschouw in de zomer werd gekeken of aan de ciering was voldaan en voldoende aarde tot herstel van de dijk op behoorlijke wijze was aangebracht Tijdens de ruwaar-, tuin- of spijkerschouw in oktober werd onderzocht of aan de ciering voldaan was en het nodige dijkbeslag op de dijken was aangebracht Op de dijken werden de punten, die het meest te lijden hadden van de uitschurende werking van het rivierwater, tegen de winter bekleed met gevlochten rijshout tuinen of spijker. Later werd deze afslag voorkomen door basalt- en betonbelegging. Het onderhoud van de dijken door de dijkplichtigen kon vanaf 1838 afgekocht worden en werd dan door het waterschap zelf uitgevoerd. Sinds 1925 behoort alle onderhoud van particuliere dijkplichtigen tot het verleden. De dijkstoel besteedt alle onderhoud zelf aan en laat dit uitvoeren onder toezicht van de technische dienst en oppertoezicht van haarzelf. Dit leidde uiteraard tot verhoging van de omslag. Dijkverhoging en -verbreding is pas in de negentiende eeuw systematisch aangepakt. Tussen 1839 en 1896 is 33 kilometer Rijndijk, tussen Lakemond en Sterreschans, verhoogd en verbreed, gevolgd door 28 kilometer Waaldijk in de jaren 1856 tot 1900. Deze verhogingen hebben een eeuw voldaan, waar men nu, na het hoogwater in 1994 en 1995, weer voor omvangrijke dijkverzwaringen staat. Om het meanderen van de rivier tegen te gaan en de aanwas van voorland aan de rivierzijde van de dijk te bevorderen werden er sinds de achttiende eeuw kribben in de rivier gelegd. De rivier wordt zo op enige afstand van de schaardijk gehouden. In de min of meer brede uiterwaarden tussen rivier en dijk liggen de buitenpolders, omgeven door zomerkaden. Deze vruchtbare buitenpolders, in gebruik bij landbouwers en steenfabrikanten, zijn in 1957 opgeheven. Eind achttiende eeuw werd ter bevordering van het handelsverkeer en door het toenemende verkeer over land, ten koste van het vervoer over water, het wegdek van de dijken door de dijkstoel met grind of grof zand verhard. Het onderhoud van het wegdek kwam aan de dijkplichtigen, het toezicht op dit onderhoud door de dijkstoel tijdens de gewone dijkschouw. Met het dijkonderhoud werd ook het wegenonderhoud in de twintigste eeuw door het district zelf overgenomen. De opheffing van de dorpspolders in 1953 betekende voor het polderdistrict ook het onderhoud van deze wegen. Deze, door het toenemende verkeer en veranderd gebruik, oneigenlijke taak van het waterschap is overgenomen door de gemeenten. Na de ruilverkaveling in de jaren zeventig heeft het waterschap enkel nog landbouwwegen in beheer en onderhoud. De Linge of Wetering is een afwateringskanaal dat loopt van Doornenburg in de Oostbetuwe via Tiel in de Nederbetuwe om uit te monden bij Gorinchem in Zuid Holland. Het onderhoud van de landweteringen werd van oudsher uitgevoerd door de buurschappen en kerspels, terwijl het toezicht berustte bij de dijkgraaf. De verschillende Lingebeheerders en tegenstrijdigheid in belangen tussen de verschillende aanliggenden zorgde al eeuwen voor problemen. Pas in negentiende eeuw kwam er enige verbetering in de afwatering door het graven van het kanaal van Steenenhoek in 1818 en door het in 1863 hierbij geplaatste stoomgemaal. Eind negentiende eeuw werden verschillende plannen gemaakt tot verbetering van de waterbeheersing, maar tot uitvoering kwam het niet. De oprichting van het waterschap van de Beneden-Linge in 1941 en de instelling van een Commissie van samenwerking tot verbetering van de Boven-Linge in 1943 resulteerde in de oprichting van het waterschap van de Linge in 1954. Naast de verbetering van de Weteringen werd, in samenhang met de ruilverkavelingen, een totaal detailontwateringsplan voor de gehele Betuwe uitgevoerd.
Het geslacht Mackay (van Ophemert). Evenals andere vorsten van hun tijd hoopten in de vroege Middeleeuwen ook de koningen van Schotland hun macht te verstevigen door het leenstelsel in te voeren. In de Hooglanden echter hadden de pogingen, die in die richting ondernomen werden, een averechtse uitwerking, daar de bevolking zeer gehecht bleek aan de traditionele, van oorsprong keltische, gezagsverhoudingen. Tot dusver had men zelf zijn stamhoofden gekozen en was de grond het eigendom van de stamgemeenschappen geweest. Door de feodalisering werden deze stamverbanden verbroken en heersers van buitenaf opgedrongen. Uit reactie daartegen groepeerde men zich nu in kleinere aantallen om vertrouwde inheemse aanzienlijken. Zo ontstond de samenlevingsvorm, die kenmerkend voor die streken zou worden: de "clan". Wat zulke clans bijeenhield, was een sterk gevoel van onderlinge solidariteit en vooral ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van allen aan de "chief". Deze werd door de clangenoten erkend als wetgever en opperste rechter, hief belastingen en verdeelde de terreinen, benodigd voor het levensonderhoud. Hij werd, in overeenstemming met het oude keltische gebruik, aangewezen door verkiezing, weliswaar in de praktijk steeds uit het geslacht van zijn voorganger, dus in feite toch wel door erfopvolging. Door de trouw van hun aanhang waren de clanhoofden vaak nagenoeg onafhankelijk van de koning. In later tijd ging men de verbondenheid met de chief ook tot uitdrukking brengen door de clan als geheel naar zijn geslacht te noemen. In het verzet tegen de pogingen van de schotse koningen om het gezag te centraliseren weerde zich met name de clan Morgan, aangevoerd door leden van het grafelijk huis van Moray, een prominent geslacht, verwant aan de koninklijke dynastie. Omstreeks 1160 werd deze clan tengevolge van een nederlaag in die strijd van het zuiden van het land verdreven naar het aan de zee grenzende Strathnaver, in het uiterste noordwesten, waar ze sedertdien gevestigd is gebleven. Chief was in de eerste helft van de dertiende eeuw Iye MacEth; naar hem en zijn nakomelingen heet de clan sedert het begin van de veertiende eeuw Mackay of Strathnaver. "Mackay" is de engelse vorm van de naam, die in het gaelic "Mac Aoidh" luidde, en "Mac Eth"is een van de oudere schotse varianten daarvan. Het is niet de bedoeling in deze inleiding een volledig overzicht van de geschiedenis van het geslacht Mackay te geven, maar slechts om de inventaris van het archief van Ophemert toe te lichten. Daarom is het hier niet nodig de verdere lotgevallen van de Mackays gedurende de Middeleeuwen gedetailleerd te beschrijven. We volstaan met te vermelden, dat zij hun goederenbezit zowel in Strathnaver als in de aangrenzende gebieden Sutherland en Caithness aanmerkelijk wisten uit te breiden, zodat dit omstreeks 1500 ongeveer 2500 km2 bedroeg. Dat bezit bleef overigens niet onbedreigd; toen en later zijn er ook grote verliezen geleden, merendeels tengevolge van strijd met rivaliserende geslachten. Na 1600 verminderde gaandeweg de maatschappelijke en politieke betekenis van het clanverband om in de achttiende eeuw vrijwel geheel te niet te gaan. Voortaan traden de Mackays meer als afzonderlijke individuen naar voren. Lye Du Mackay († 1572) ging over tot het calvinisme; zijn nazaten zijn deze confessie tot in onze tijd toe over het algemeen trouw gebleven. Zijn kleinzoon Donald Mackay (1590-1649) onderscheidde zich als een dapper en bekwaam militair. Hij bood tijdens de Dertigjarige Oorlog aan om Christiaan IV van Denemarken, die de "Winterkoning" van Bohemen steunde tegen de duitse Keizer, te helpen met een eigen regiment. Aan het hoofd van 3600 Schotten vocht hij onder de graaf van Mansfeld in Noord-Duitsland. Ter beloning van de daarbij bewezen diensten verhief koning Karel I hem op 20 juni 1628 tot peer van Schotland met de erfelijke titel van baron Reay of Reay. Het lijkt ietwat verwonderlijk, dat hij niet lord Strathnaver werd, maar die titel was al vergeven en wel in 1588 aan de toenmalige graaf van Sutherland, lord Gordon. De baronie van Reay was krachtens een koninklijke oorkonde van 19 januari 1862 gevormd uit een achttal landgoederen, deels in Strathnaver, deels in Caithness gelegen, die voordien hadden toebehoord aan lord Forbes en van deze waren aangekocht. De eerste lord Reay streed daarna nog onder Gustaaf Adolf in Pommeren; hij had in het bizonder een belangrijk aandeel in de verovering van Kolberg, ten oosten van Stettin. Op het einde van zijn leven werd hij betrokken in de britse burgeroorlog, waarin hij, ondanks zijn protestant-zijn, de zijde van de koning koos. Ook zijn zoon John Mackay (1612-1680), de tweede lord Reay, keerde zich tegen Cromwell en bleef deze nog lang na de onthoofding van Karel I bestrijden. Hij zat daardoor enige tijd gevangen en raakte een groot deel van zijn goederen kwijt. Zijn residentie, Tongue House, werd geheel verwoest. Onder Karel II werd hij weer in zijn macht en bezit hersteld. John Mackay trouwde tweemaal. Uit zijn tweede huwelijk, met zijn achternicht Barbara Mackay of Scoury, had hij o.a. drie zoons, van wie de oudste, Donald, de vader werd van George, derde lord Reay. Van de tweede, Aeneas, stamt de tak af, die nu nog in Nederland voortbestaat. Deze Aeneas ging op vijftienjarige leeftijd naar de Republiek om daar door zijn neef Hugh Mackay of Scoury - over wie nader in paragraaf II - te worden opgeleid tot officier. Sinds 1573 maakten schotse troepen deel uit van het leger van de Staten-Generaal en van 1628 tot 1782 waren hier te lande steeds drie regimenten, die tezamen bekend zijn gebleven als de schotse brigade. De hoofdofficieren van dat corps behoorden merendeels tot vooraanstaande schotse families. Velen trouwden met nederlandse vrouwen en werden zo in onze samenleving opgenomen, maar zij bewaarden daarbij toch wel de relaties met hun land van herkomst; zij bleven trouwens door een eed aan de koning van Groot-Brittannië verbonden. Het was niet ongewoon, dat uit één en dezelfde familie verscheidene officieren voor de brigade voortkwamen, soms generaties achtereen. Dit was ook bij de Mackays het geval. Aeneas werd op 28 november 1684 kapitein in het regiment, waarover zijn neef het bevel voerde. In 1688 riep Jacobus II uit vrees voor de plannen van zijn schoonzoon Willem III de brigade terug. De overgrote meerderheid van de officieren, waaronder Hugh en Aeneas Mackay, stond echter aan de kant van de prins van Oranje en weigerde aan de oproep gevolg te geven. Een bezoek, dat Aeneas in dat jaar aan zijn zuster in Schotland bracht, werd - te recht of ten onrechte - aanleiding om hem ervan te verdenken, dat hij een geheime opdracht van de stadhouder had; hij werd gevangen genomen en kon prins Willems invasie niet meemaken. Wel nam hij naderhand o.m. deel aan de veldslagen bij Killiecrankie (27 juli 1689), Cromdale (april 1690) en Athlone (2 juli 1691). Toen zijn neef gesneuveld was in augustus 1692 volgde hij hem op als commandant van zijn regiment. Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler is uit Tirol of Stiermarken afkomstig. Bij de verovering van Namen op 1 september 1695 werd Aeneas, die inmiddels tot brigadier-generaal was benoemd, zo ernstig gewond, dat hij zijn militaire loopbaan moest afbreken. Te Bath, waar hij herstel van gezondheid zocht, is hij in 1697 gestorven. Zijn weduwe bleef te Tiel wonen. Van hun drie kinderen trouwde Françoise Jacoba op 26 augustus 1727 met Jan Vijgh, heer van de Snor en de Appelenburg, raadsheer en later president van het Hof van Gelderland. Barbara overleed ongehuwd. De enige zoon, Daniël, vond zijn echtgenote, Arnolda Margaretha, in de Tielse regentenfamilie Van den Steen van Ommeren, waaraan hij al geparenteerd was. Ook hij werd officier in de schotse brigade. Hij bereikte de rang van kolonel en commandeerde als zodanig hetzelfde regiment, dat zijn vader en oudoom hadden gehad. Toen hij trouwde lag hij in garnizoen te 's-Hertogenbosch; in 1737 werd het regiment verplaatst naar Doornik en vandaar in 1741 naar Meenen. Zijn gezin voegde zich daar bij hem en heeft hem ook bij zijn verdere verhuizingen, naar Ath en Bergen, vergezeld. Hij sneuvelde in de Oostenrijkse Successieoorlog bij de verdediging van Doornik op 18 mei 1745. Na zijn dood keerde Arnolda Margaretha terug naar Tiel. Er waren uit haar huwelijk acht kinderen geboren, waarvan echter Arend Jacob, Geertruida Cornelia, Jacoba en Jan op jeugdige leeftijd stierven. Margaretha (1733-1815) - de enige, die tussen de omzwervingen van haar ouders door in Tiel was geboren - werd de vrouw van Friedrich Otto, Freiherr von Dörnberg-Heiden, die uit Wezel afkomstig was, maar de havezate Terborg bij Eelde kocht, in de ridderschap van Drenthe werd beschreven en zelfs lid van het hoogste rechtcollege in dat gewest, de Etstoel werd. Waarom hun nakomelingen, ofschoon zij in het Koninkrijk der Nederlanden recht zouden hebben gehad op de titel van baron, geen verzoek tot inlijving in de nederlandse adel hebben gedaan, is onbekend. De oudste zoon van Daniël en Arnolda Margaretha Mackay heette weer Aeneas. Hij heeft tot 1780 in Tiel gewoond. Aeneas zowel als zijn zoon Daniël en Frans, en ook zijn broer Daniël, zetten de traditie van dienst bij de schotse brigade voort, maar als laatsten, want juist in hun tijd kwam er een eind aan het bestaan van het corps. Onder de invloed van de aktie van de patriot Joan Derk van der Capellen ging een deel van de publieke opinie in de Republiek zich verzetten tegen het feit, dat de Staten-Generaal troepen in dienst hadden, die tevens in de eed van een vreemde vorst stonden. Dit werd acuut door het uitbreken van de vierde engelse oorlog en leidde er in 1782 toe, dat de schotse officieren voor de keus gesteld werden òf de loyaliteit aan de koning van Groot-Brittannië te verbreken òf ontslag te nemen. Aeneas diende in het regiment van zijn vader, dat na diens dood achtereenvolgens gecommandeerd werd door Alexander Marjoribanks (tot december 1773), Hugh Mackay (tot januari 1775) en John Houstoun. Toen de brigade werd ontbonden was hij sedert twee en een half jaar luitenant-kolonel. Met zijn zoons vertrok hij in 1783 naar Schotland, maar keerde na het sluiten van de vrede terug en vestigde zich in Nijmegen. Hij is nog tot kolonel bevorderd, heeft echter niet meer aktief als zodanig gediend en ook geen burgerlijke funkties van belang bekleed. Hij was trouwens een welgesteld man; de familie had sedert de vestiging in de Republiek een grote hoeveelheid landerijen in het kwartier van Nijmegen verworven. Het oude en al vroeg aanzienlijke geslacht, waaruit zijn echtgenote, Ursulina Philippina van Haeften stamde, zal in de volgende paragraaf uitvoerig ter sprake komen. Zijn broer Frans Mackay was ook officier, maar niet bij de schotse brigade. Hij vocht van 1793 tot januari 1795 tegen de Fransen. In de zomer van 1794 werd hij belast met het dekken van de aftocht van de troepen van de prins van Nassau-Weilburg uit Staats-Vlaanderen, nadat Moreau de vesting IJzendijke had veroverd. Al spoedig na de bezetting van de Republiek is hij uit het leger gegaan. Hij is vier jaar na de herkrijging van de onafhankelijkheid te Zutphen gestorven. Zijn vrouw was Maria Adelheid Elisabeth van Heeckeren tot Enghuizen. Zij hadden geen kinderen. De vijfde zoon van Daniël Mackay en Arnolda Margaretha van den Steen heette naar zijn vader. Hij werd in 1770 kapitein in het al genoemde regiment Marjoribanks en in 1780 majoor. Hij trouwde in 1772 Isabella Constantia de Geer, eerder weduwe van W.K.H. graaf van Quadt tot Wickradt, en overleed in 1782 te Jutphaas, vermoedelijk op Rijnhuizen, het huis van de familie De Geer. Uit zijn leven verdient vooral vermelding, dat hij bevriend was met de bekende Utrechtse hoogleraar Rijklof Michael van Goens, die van zich heeft doen spreken als bestrijder van de eerste patriottenbeweging. Daniël Mackay steunde Van Goens daarbij door het schrijven van pamfletten, waarvan de concepten voor een groot deel nog in het archief aanwezig zijn. De twee zoons van Daniël en Isabella Constantia hebben het grootste deel van hun leven in het buitenland doorgebracht en zijn ook beiden daar overleden: Daniël Alexander te San Domingo, Jean Louis te Doornik. Noch de een noch de ander heeft nakomelingen gehad. In Nederland zette Aeneas het geslacht voort. Uit zijn huwelijk met Ursulina Philippina van Haeften werden tien kinderen geboren, waarvan er drie kort na de geboorte stierven. Zoals al is aangestipt gingen twee zoons als officieren met hun vader in 1783 naar Schotland. Daniël, de oudste, bleef daar en stierf ongehuwd te Edinburgh in 1784. Frans, de derde zoon, keerde terug en overleed, eveneens ongehuwd in 1787. Margaretha Bartholda trouwde met Jan Willem van Imbyze van Batenburg, generaal-majoor der artillerie en groot-majoor van Oudewater, Theodora Anna Johanna Jacoba met Bernhardus Deodatus van Verschuer, kolonel der artillerie, en Arnolda Margaretha met haar neef Barthold de Cock van Haeften, heer van Blitterswijk en Wanssum, majoor der cavalerie bij de gardes. Cornelis Anne, Aeneas' vierde zoon, schijnt zich aanvankelijk ook voorgesteld te hebben een carrière bij het landleger te maken. In 1784 vinden we hem als kadet bij het regiment Houstoun. Merkwaardig genoeg, want, zoals we al gezien hebben, bestond de schotse brigade als afzonderlijk corps in feite toen al niet meer. Voor een aanhanger van de stadhouder lag het voor de hand naar de marine over te gaan. In 1799 werd de luitenant ter zee Mackay geplaatst op een vande schepen, waarvan de bemanning bij de Vlieter niet onder de patriotse admiraal Story had willen vechten, toen de Engelsen de vloot hadden opgeëist. In 1800 kreeg hij een aanstelling als kapitein-luitenant ter zee en bevel van Willem V vanuit Londen om in die kwaliteit te dienen op het schip Ambassade. In 1814 is hij uit de zeedienst gegaan; vervolgens was hij onder meer kantonrechter en wethouder te Zutphen en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Jacoba Alexandrina Helena Beata van Heeckeren en, na haar overlijden, met Sophia Constantia van der Muelen. In 1841 is hij kinderloos gestorven. De jongste uit het gezin van Aeneas en Ursulina Philippina was Barthold Johan Christiaan Mackay. Ook hij is in zijn jeugd zeeofficier geweest, maar heeft de marine al in 1795 vaarwel gezegd. De burgerlijke funkties, die hij daarna bekleed heeft, zijn vele, evenals de kerkelijke. In de bataafs-franse tijd woonde hij te Nijmegen, maar omdat hij land bezat te Bergharen had hij o.a. ook bemoeienis met het waterschapsbestuur van Maas en Waal. Behalve voor deze ambtelijke werkzaamheden vond hij nog tijd voor het drijven van een zeepziederij in compagnieschap met zijn achterneef D.R J. van Lynden, en bovendien voor het beheren van particuliere vermogens en nalatenschappen, wat hij deed in samenwerking met W.B. de Salve de Bruneton. Na in 1814 deel te hebben uitgemaakt van het provisioneel bestuur der stad Nijmegen en van het college van notabelen, dat zich moest uitspreken over de grondwet van dat jaar, werd Barthold Mackay in 1815 kassier-generaal der posterijen, en, toen die funktie werd opgeheven, in 1820 directeur van het postkantoor te Rotterdam. Hij is in die stad ook lange tijd lid van de raad en voorts lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland geweest. Van zijn talrijke nevenbetrekkingen noem ik hier alleen zijn lidmaatschap van de staatscommissie voor het dijkwezen.Ook aan kerkelijke bestuurszaken is hij zich blijven wijden. In het bizonder had de zending zijn belangstelling. Barthold huwde in 1802 Anna Magdalena Frederica Henriëtte van Renesse van Wilp. Zij kregen twee kinderen: Aeneas en Johan François Hendrik Jacob Ernestus, die beide te Nijmegen werden geboren. Hun moeder is in 1839 overleden, hun vader in 1954, hij op het kasteel Ophemert in de Tielerwaard, dat zijn nicht Margaretha Anna van Haeften hem in 1844 had gelegateerd. Op grond van het feit, dat zij van britse peers afstamden, hebben Cornelis Anne en Barthold verzocht om inlijving in de nederlandse adel. De Hoge Raad van Adel maakte daar bezwaar tegen, onder meer uit de overweging, dat in Groot-Brittannië geen wederkerigheid voor nederlandse edellieden verwacht mocht worden. Zij werden dus niet ingelijfd, maar verheven, en wel met het praedicaat jonkheer, hoewel zij in de kringen waarin zij zich bewogen in de praktijk als baron werden aangesproken. Bij Koninklijk Besluit van 4 juni 1822 nr. 73 verkregen zij die titel alsnog met recht van overgang bij eerstgeboorte. Bartholds oudste zoon, Aeneas baron Mackay van Ophemert, die evenals zijn vader aktief aan het openbare leven heeft deelgenomen, was een tijdgenoot van Thorbecke en Groen van Prinsterer. Hij was niet van het formaat van deze twee, maar heeft toch als staatsman wel iets meer betekend dan de gangbare litteratuur over onze negentiende eeuw doet vermoeden. Zijn loopbaan begon hij, na te Utrecht volbrachte studie in de rechten, als advocaat in Den Haag. Hij onderbrak zijn praktijk in 1831 om als tweede luitenant met de zuidhollandse schutterij uit te trekken tegen de Belgen. Belangrijker was, dat hij in 1835 werd verbonden aan het hof, eerst als kamerheer van de prins en de prinses van Oranje tezamen, en na de troonsbestijging van Willem II in dezelfde funktie bij koningin Anna Pawlowna alleen. Tot 1846 was hij kamerheer in gewone, sedertdien in buitengewone dienst. Daarnaast was hij van 1840 tot 1850 ambtenaar bij de Raad van State en vanaf 1843 gecommitteerde van de regering bij de Maatschappij van Weldadigheid. In 1843 ook werd hij beschreven in de ridderschap van Zuid-Holland; daardoor kreeg hij in 1846 zitting in de Provinciale Staten, en dat college koos hem in 1848 tot lid van de Tweede Kamer. Na de Kamerontbinding, die de consequentie was van de grote grondwetswijziging van dat jaar, werd Mackay weliswaar niet aanstonds herkozen. Gedurende de periode van 14 februari 1849-5 november 1850 bleef hij buiten de Kamer; hij nam toen zijn zetel in de Staten van Zuid-Holland weer in en werd daar al spoedig tot Gedeputeerde aangewezen. Maar na de invoering van de kieswet vaardigde Arnhem hem af en is hij voor dat district Kamerlid gebleven tot 1862. Hij behoorde tot de Réveilkring en vertegenwoordigde in de Kamer de antirevolutionaire richting. Hoewel het aantal van zijn "politieke vrienden" toen in het parlement niet heel groot was werd er toch meer rekening met deze groep gehouden dan men wellicht geneigd is te denken. In 1859 werd hij aangezocht voor het gouverneurschap van Suriname, wat hij om persoonlijke redenen afwees. Toen Thorbecke in 1862 de opdracht ontving om een kabinet te vormen overwoog hij aanvankelijk een samengaan van liberalen en antirevolutionairen. Mackay was daarbij de portefeuille van Financiën toegedacht. Dat plan is niet tot uitvoering gekomen, maar in hetzelfde jaar werd de Raad van State gereorganiseerd en Mackay op voordracht van Thorbecke tot vice-president benoemd. Hij heeft dit ambt vervuld tot zijn overlijden in 1876. Tweemaal kort achtereen is hij nog, zonder succes overigens, kabinetsformateur geweest, n.l, tijdens de crisis van 1868 na de val van het ministerie Heemskerk-Van Zuylen. Het vertrouwen, dat hij bij het Koninklijk Huis genoot, maakte hem bij uitstek geschikt om betrokken te worden bij de afwikkeling van de nalatenschappen van koning Willem II en diens gemalin. Zeer in het bizonder werd hij gewaardeerd door prinses Sophie, die hij ook nadat zij groothertogin van Saksen Weimar geworden was meermalen van advies diende. Niet alleen in de politieke strijd getuigde Mackay van zijn beginselen, maar ook op andere gebieden. Zowel charitatief als theologisch-polemisch en organisatorisch is hij werkzaam geweest. Zijn zorgvuldig bijgehouden dagboeken en zijn omvangrijke correspondentie met A.J. van Beeck Calkoen, J.J.L. van der Brugghen, de Capadoses, A.W. Bronsveld, O.G. Heldring H.C. Voorhoeve en vele anderen geven daar overvloedig blijk van. Met Groen van Prinsterer en P. Elout van Soeterwoude onderhield hij een intensief contact. Zij, die vóór Barthold Mackay het huis Ophemert hadden bezeten, hadden daarbij ook steeds de dagelijkse heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen gehad. Dat de heerlijke rechten afgeschaft waren zelfs al voordat zijn vader het huis erfde heeft Aeneas er niet van weerhouden zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken in de beide dorpen. Uiteraard moest hij wonen in Den Haag, maar hij was gewoon een groot deel van zijn niet-ambtelijke tijd op het kasteel door te brengen en leefde ook wanneer hij niet persoonlijk in hun midden kon zijn voortdurend met de dorpsbewoners mee. Het spreekt wel vanzelf, dat ook hierbij de kerkelijke aangelegenheden zijn speciale aandacht hadden. Aeneas trouwde met Maria C.A.J. Fagel, een dochter van de diplomaat Jacob Fagel. Zij hebben tot tweemaal toe een kind op jeugdige leeftijd moeten missen. Hun eerste, Anna Agneta, stierf vier maanden na de geboorte, hun derde, Johan Jacob als zeventienjarige, juist aan het begin van zijn opleiding op Willemsoord. Het moet voor de ouders een grote troost zijn geweest, dat de enige overgeblevene van de drie zich ontwikkelde tot een briljante persoonlijkheid, die in bekwaamheid voor zijn vader niet onderdeed en hem in veelzijdigheid zelfs overtrof. Donald Jacob Mackay studeerde niet als zijn vader te Utrecht, maar te Leiden. Hij promoveerde bij prof. I.E. Goudsmit in de rechten op een proefschrift over het bestuur van Daendels op Java. Enige tijd was hij attaché bij het nederlandse gezantschap te Londen en daarna kommies aan het departement van Koloniën. Daartussendoor maakte hij in 1866 een reis door de Verenigde Staten. Al vroeg heeft hij grote belangstelling getoond voor sociaal-economische vraagstukken. Hij werd een aktief en op de voorgrond tredend lid van de Vereniging ter bevordering van Fabrieksnijverheid in Nederland en heeft zich o.a. veel moeite gegeven voor het organiseren van de internationale nijverheidstentoonstelling, die in 1869 te Amsterdam werd gehouden. Na tijdens de frans-duitse oorlog het Nederlandse Rode Kruis in Zwitserland vertegenwoordigd te hebben ging hij in de politiek. Deze Mackay schaarde zich onder de liberalen, wat niet wil zeggen, dat hij voor het overige de protestants-christelijke traditie van zijn geslacht ontrouw werd. Zij die hem gekend hebben verzekeren, dat hij zijn leven lang een strenggelovig man gebleven is. Maar bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1871 stelde hij zich kandidaat tegenover een antirevolutionair. Mackay werd gekozen en bleef lid van ons parlement tot 21 maart 1877. Hij heeft zich daar vooral met koloniale, sociale en onderwijszaken bezig gehouden. Men kan hem, in de verhoudingen van die tijd, min of meer "links" noemen. Zo pleitte hij voor erkenning van het stakingsrecht en was hij ook de man, die, naar het getuigenis van Van Houten zelf, het eigenlijke initiatief tot de wet op de kinderarbeid heeft genomen. In 1875 overleed Eric Mackay, negende lord Reay, zonder nakomelingen. Zijn titel ging daardoor over op Aeneas Mackay, die hem echter maar korte tijd heeft gedragen en er ook niet toe gekomen is tot "chief of the clan" te worden uitgeroepen. Door de dood van zijn vader in het jaar daarop werd Donald Jacob de elfde lord Reay. Al eerder had hij in Groot-Brittannië de oude familiebanden hernieuwd en daar ook verscheidene andere relaties aangeknoopt. In 1877 trouwde hij meteen engelse - Francis Hasler, weduwe van A. Mitchell - en liet hij zich bovendien zelf naturaliseren tot brits onderdaan. Aan zijn leiderschap van de clan Mackay gaf hij enige tijd daarna een nieuwe inhoud door de Clan Mackay Society op te richten. Dit genootschap bedoelt leden van de clan financieel te steunen en datgene wat voor de clan van historische waarde is in één verzameling bijeen te brengen. Zijn vertrek uit Nederland hield niet in, dat Reay zijn politieke ambities opgaf. Hij koos, zoals trouwens geheel in zijn lijn lag, de partij van William E. Gladstone. Toen deze in 1880 voor de tweede maal premier was geworden zorgde hij ervoor, dat Reay benoemd werd tot peer van het Verenigd Koninkrijk, zodat hij de liberale groep in het Hogerhuis kon versterken. De titel, die hij geërfd had, gaf hem slechts recht op een peerschap in Schotland; daarom ontving hij nu die van baron Reay of Durness erbij. Zijn taak als lid van het Hogerhuis heeft hij consciëntieus vervuld, maar meer bekendheid heeft hij toch verworven, doordat hij van 1885 tot 1890 het district Bombay bestuurde. Hij heeft die opdracht opgevat in de zin, die Kipling bedoelde toen hij van "the white mans burden" sprak. Om het welzijn van de inheemse bevolking te bevorderen zocht hij samenwerking met de plaatselijke vorsten. Vooral voor het algemeen lager en technisch onderwijs heeft hij veel gedaan. In het laatste ministerie-Gladstone (1894-1895) was hij undersecretary of State voor India en heeft zich toen met name voor de aanleg van spoorwegen geinteresseerd. Na zijn terugkeer uit India aanvaardde hij het voorzitterschap van de Royal Asiatic Society. Tot 1916, toen hij als gevolg van een ongeval invalide werd, heeft lord Reay aan de zittingen van het Hogerhuis deelgenomen. Na 1895 evenwel heeft hij als politicus in eigenlijke zin niet meer van zich doen horen. Wel is hij aktief gebleven op andere terreinen. Zo heeft hij belangrijk werk verricht als lid van de Council of University te Londen, waar hij de studie van de oosterse talen invoerde, als rector van de universiteit van St. Andrews en als voorzitter van de London School Board. Hij werkte mee aan de stichting van de British Academy, het instituut, dat aan de beoefening van de historische en filosofische wetenschappen werd gewijd als complement van de reeds lang bestaande Royal Society, die zich uitsluitend met de natuurwetenschappen bezig houdt. Hij was gedurende twee bestuursperioden voorzitter van deze Academy. Naast de koloniale en educatieve problemen gingen ook die van het internationale recht hem zeer ter harte. Het institut de Droit International telde hem onder zijn ijverigste leden en in 1907 maakte hij deel uit van de britse delegatie naar de Vredesconferentie in Den Haag. Zijn leven lang heeft Mackay vele connecties in zijn oude vaderland in stand gehouden. Bevriend was hij o.a. met W.H. de Beaufort, W.K. van Dedem, J. Kappeyne van de Coppello, A.E.I. Modderman en Victor de Stuers. Zijn briefwisseling is een rijke bron voor de kennis van het laat-negentiende-eeuwse liberalisme ook in ons land. Donalds huwelijk bleef kinderloos. Dientengevolge kwamen bij zijn overlijden in 1921 èn de titel van lord Reay èn het huis Ophemert aan zijn achterneef Eric Mackay, een kleinzoon van Johan F.H.J.E. Mackay, de jongere broer van zijn vader. Jan Mackay is minder op de voorgrond getreden dan Aeneas, maar heeft toch ook een eervolle carrière gemaakt. Hij was achtereenvolgens burgemeester van de gemeente Wisch (Terborg), vrederechter en kantonrechter te Nijmegen en lid van de Provinciale en Gedeputeerde Staten van Gelderland. Uit zijn huwelijk met Margaretha Clara Françoise van Lynden had hij zeven kinderen, van wie hier in het bizonder Aeneas (1838-1909) vermeld dient te worden, omdat Eric op het kasteel ook stukken van zijn vader heeft bewaard, hoewel deze zelf daar nooit heeft gewoond. In tegenstelling tot zijn neef Donald - met wie hij overigens op zeer goede voet stond en wiens belangen in Nederland hij behartigde - was Aeneas weer antirevolutionair georiënteerd. In onze parlementaire geschiedenis heeft hij een niet onbelangrijke rol gespeeld, vooral in de strijd om de school en het kiesrecht. Hij was van 1875 tot 1905 lid van de Tweede Kamer en gedurende de zitting 1884-1885 en van 1901 tot 1905 zelfs - als eerste antirevolutionair - voorzitter daarvan. Met De Savornin Lohman, Schaepman en anderen bestreed hij in 1886 Heemskerks ontwerpen van grondwetsherziening, wat het ministerie ertoe bracht zijn ontslag aan te bieden. Mackay werd nu tot formateur aangewezen, maar weigerde, omdat hem de voorwaarde werd gesteld, dat de door de vorige regering gedane voorstellen niet zouden worden ingetrokken. Toen in 1888 de nieuwe grondwet tot stand was gekomen leverden de eerstvolgende verkiezingen een duidelijke overwinning voor de confessionele partijen op en verwachtte men, dat dr. Abraham Kuyper met de vorming van het kabinet zou worden belast. In plaats daarvan ontving Mackay de opdracht, hij stelde een ministerie samen, bestaande uit drie antirevolutionairen, twee katholieken en twee conservatieven. Zelf beheerde hij eerst de portefeuille van Binnenlandse Zaken en na het aftreden van Keuchenius in 1889 die van Koloniën. Het opmerkelijkste resultaat van zijn ministerschap is de wet op het lager onderwijs van 1889. Het kabinet-Mackay viel door de tegenstand, ook bij de coalitiegenoten, tegen de voorgenomen afschaffing van de plaatsvervanging bij de vervulling van de militaire dienstplicht. Al in de tijd van de formatie moet in de kiem de controverse zijn ontstaan tussen Kuyper en De Savornin Lohman, die tenslotte heeft geleid tot de splitsing in de antirevolutionairen en christelijk-historischen. Mackay heeft zich in dit conflict niet willen mengen, al was zijn sympathie wel aan de kant van Lohman. Van 1905 tot 1907 was hij nog lid van de Eerste Kamer en van 1907 tot zijn dood in 1909 lid van de Raad van State. Hij was gehuwd met Elisabeth Wilhelmina van Lynden Eric Mackay (1870-1921) was hun enige zoon. Hij is werkzaam geweest op de provinciale griffie van Gelderland en getrouwd met Maria B.J.Ch. van Dedem. Van hun vier kinderen zijn Maria Christina Elisabeth en Alexander Willem Rijnhard (laatstgenoemde thans onderdirecteur van de Nederlandse Bank) thans nog in leven. Aeneas Alexander, die zijn vader opvolgde als lord Reay en eigenaar van het huis Ophemert, begon als reserve-luitenant bij het corps rijdende artillerie te Arnhem, maar is in 1938 Brit geworden, nadat hij in 1936 gehuwd was met Charlotte Mary Younger. Hij heeft gewerkt op het Foreign Office en heeft voorts vanaf 1955 als "representative peer" voor Schotland zitting gehad in het Hogerhuis. De belangstellenden in de oudheidkunde heeft hij aan zich verplicht door zorg te dragen, dat het kasteel Ophemert en de daar bijeengebrachte verzameling familieportretten werden gerestaureerd. Op 13 maart 1963 is hij overleden te Nairobi in Kenya. Van zijn zoon Hugh William Mackay, de tegenwoordige lord Reay, bevinden zich geen stukken in het archief, voorzover dit op het Algemeen Rijksarchief berust. II. Aanverwante geslachten. Doordat de Mackays van Ophemert tenslotte naar hun stamland terugkeerden kwam ook het archief van de in Schotland gebleven hoofdtak in hun bezit. Een klein gedeelte van deze "Reay papers" werd vermengd met de stukken, die op het huis Ophemert aanwezig waren. Daarom volgen nu allereerst nog enkele mededelingen over de personen, van wie deze afgedwaalde archivalia afkomstig zijn. George Mackay, derde lord Reay, geboren in 1678, heeft enige tijd in Nederland vertoefd en wel bij zijn oom Aeneas. Hij is te Zaltbommel in 1702 in het huwelijk getreden met Margareta Mackay of Scoury. Zijn sterfjaar is niet bekend. Eric Mackay, zevende lord Reay (1773-1847) is ongehuwd overleden. Hij had twee broers, Alexander en Donald Hugh Mackay, en een zuster Anne Mackay. Eric heeft het "Reay estate" in 1829 moeten verkopen aan de markies van Stafford; het bracht £ 300.000.- op. Alexander erfde slechts de titel. Hij was militair - onder andere barrackmaster op Malta - en is getrouwd met Marion, dochter van kolonel Gall. Van hun twee zoons stierf George Alexander zeer jong en volgde Eric (1813-1875) hem op als negende lord Reay. Ook waren er nog zes dochters, t.w. Anne Marion Erskine, Sophia, Mary, Clara, Elisabeth Granville en Charlotte. Sophia trouwde met Charles Arthur Aylmer en Charlotte met John Drewer. Eric was aanvankelijk evenals zijn vader officier maar is naderhand zakenman geworden. Hiervoor is al vermeld, dat hij geen kinderen had en dat daardoor de titel aan Aeneas Mackay van Ophemert is gekomen. Bij de levensschets van de eerste nederlandse Mackay is terloops gesproken over zijn neef Hugh Mackay of Scoury. De Scoury-Mackays stammen af van lye Du Mackay, de grootvader van de eerste lord Reay. Lye Du had n.l. twee zoons, waarvan de oudste, Donald, zich Mackay of Scoury, naar een dorp in Strathnaver, is gaan noemen. Hugh Mackay of Scoury is een kleinzoon van deze Donald. Hij behoorde tot het regiment Dumbarton, dat Karel II aan Lodewijk XIV had uitgeleend, en was in het rampjaar 1672 bij het leger, dat de Betuwe binnenviel. Zijn inkwartiering bij Margareta de Bie, de weduwe van Arent de Bie, die burgemeester van Zaltbommel geweest was, leidde tot een huwelijk met Clara de Bie, haar dochter. Hugh Mackay nam nu ontslag uit hef franse leger en trad in de schotse brigade in de rang van kapitein (1673). In 1680 werd hij kolonel en weldra commandant van de gehele brigade. Van 1685 tot 1686 diende het corps tijdelijk in Groot-Brittannië; Hugh Mackay werd in die tijd bevorderd tot generaal-majoor en tevens benoemd tot "privy counsellor" van de koning in Schotland. Hoewel hij dus blijkbaar in aanzien stond bij Jacobus II werd hij desniettemin al spoedig een medestander van Willem III en zelfs een van diens voornaamste vertrouwelingen bij de voorbereidingen tot de "glorious revolution". Al voordat deze plaats vond was hij bevriend geraakt met John Churchill, de latere hertog van Marlborough; ook genoot hij de bizondere achting van bisschop Burnet. In de veldtochten van de koning-stadhouder, die hij voor het merendeel meemaakte, deed hij zich kennen als een zeer bekwaam hoofdofficier; zijn sneuvelen bij Steenkerken in 1692 werd dan ook ervaren als een gevoelig verlies. Hugh Mackay of Scoury had een zoon en een dochter. Hugh jr. werd eveneens officier; hij is overigens slechts achtentwintig jaar oud geworden. Anna Barbara huwde met de predikant Albertus Royaards. De zoon van Hugh jr., die weer dezelfde voornaam had, werd in 1745 luitenant-kolonel en in 1772 bevelhebber, met de rang van luitenant-generaal, van het regiment, dat Daniël Mackay indertijd gecommandeerd had. Met hem stierf in 1775 in Nederland het geslacht Mackay of Scoury uit. Niet over alle aan de Mackays verwante geslachten, die sporen in het archief-Ophemert hebben achtergelaten, behoeft hier te worden uitgeweid. Van de geslachten Puchler, Vijgh, Van der Steen, De Geer, Van Imbyze van Batenburg, Van Verschuer en Fagel en Van Lynden zijn er maar weinig stukken, die bovendien wel voor zichzelf spreken. Daarentegen is er vrij veel bewaard van de Van Haeftens en de Van Renesses, met daarbij nog heel wat van families, welke weer aan deze geparenteerd zijn. De tak van het geslacht Van Haeften waarmee we hier te maken hebben begint met Allard van Haeften, in de eerste helft van de veertiende eeuw. Mogen we aannemen, dat deze Allard de tweede zoon was van Johan de Cock van Waardenburg en Geertruid van Arkel, wier nakomelingen zich noemden naar de heerlijkheid Haaften, die Geertruid in haar huwelijk had ingebracht, dan gaat het geslacht terug op Rudolf de Cock of Cock, die in 1265 van graaf Otto II van Gelre vergunning kreeg om te Hiern in de Tielerwaard het kasteel Waardenburg te bouwen. Deze Rudolf werd de stamvader van een hele groep betuwse families (o.a. De Cock van Opijnen, De Cock van Neerijnen en De Cock van Delwijnen), die alle het wapen van de heren van Blois de Châtillonsur-Marne hebben gevoerd en dus, als is dit nog steeds niet volkomen bewezen, wel van deze franse dynasten zullen afstammen. De naam De Cock duidt mogelijk op de kwaliteit van ministerialis, d.w.z. van een oorspronkelijk onvrije dienstman. Dr. J.M. van Winter heeft de aandacht gevestigd op het feit, dat verscheidene ministerialen van de duitse keizer en van de aartsbisschop van Keulen bij de overdracht van de gebieden, waar zij gevestigd waren, in dienst van de graaf van Gelre zijn getreden en dat zij, vanwege de hogere rang van hun vroegere heer, terstond hetzelfde aanzien als de vrije edelen van het graafschap genoten. Dit zou ook voor Rudolf van Waardenburg hebben gegolden. Van Allard van Haeften, zijn zoon Otto (geboren omstreeks 1340) en zijn kleinzoon Allard (vermeld tussen 1424 en 1433) valt niet meer mee te delen dan dat zij goederen en rechten in de Tielerwaard hebben bezeten. De heerlijkheid Haaften zelf hebben zij nooit gehad; die behoorde aan de hoofdtak en kwam in de zestiende eeuw aan het geslacht Brederode. De achterkleinzoon van de eerste Allard, Otto van Haeften, verwierf in 1444 "de oude hoftad" te Herwijnen, ook genoemd Wayenstein, en verder nog, door zijn huwelijk met Jutta Pieck, de heerlijkheid Gameren. Zijn zoon Allard van Haeften erfde deze beide lenen; hij huwde met Aleid van Waardenburg. Op hen volgde Derk van Haeften, vanaf 1495 eveneens heer van Gameren en bezitter van het huis Wayenstein. Derk was de eerste van zijn familie die de funktie van ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard bekleedde. In Gelderland werd de rechtspraak namens het centrale gezag tot 1795 uitgeoefend door funktionarissen, die op de Veluwe en in het graafschap Zutphen drosten en in de streek van de grote rivieren ambtlieden heetten. Er waren ambtlieden van Maas en Waal, van Over- en Nederbetuwe en van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. De drie laatstgenoemde gebieden waren al vroeg tot één ambt samengegroeid. De ambtman hield er als rechter zitting te Zaltbommel, Tuil, Deil, Driel en Zuilichem. Oorspronkelijk werd hij daarin bijgestaan door burengerechten, maar al vóór 1327 door schepenbanken, hij kon zich doen vervangen door aan hem ondergeschikte richters. Verder vergaderde hij als vertegenwoordiger van de landsheer (later van de Staten) met de ridderschap van het ambt over bestuurszaken en was zijn funktie doorgaans gecombineerd met die van dijkgraaf. In de praktijk was de ambtmannie soms geruime tijd erfelijk in één familie. Zo zijn van 1421 tot 1494 continu leden van het geslacht Pieck ambtman geweest; na Derk van Haeften hebben wij nog verscheidene van zijn nakomelingen deze funktie vervuld. Derk voegde aan zijn bezit in 1525 nog het huis te Vuren toe; hij trouwde met Agnes van Broeckhuysen, eerder weduwe van Johan, heer van Voorst en Keppel, en overleed in 1538. Frederik van Haeften, zijn kleinzoon, verkreeg op zeer jeugdige leeftijd door koop in 1552 het huis Ophemert en de heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen; hij stierf echter reeds in 1558, en wel nog tijdens het leven van zijn vader Allard van Haeften, die toen daarmee werd beleend. Deze Allard verkocht in hetzelfde jaar Wayenstein. Hij had behalve de genoemde Frederik uit zijn huwelijk met Cunegonda van Keppel nog twee zoons, waarvan de oudste, Dirk van Haeften, Gameren en Herwijnen, en de jongste, Reinier, Ophemert erfde. Wat er na Allards overlijden in 1564 met het huis Vuren gebeurde blijkt niet duidelijk uit de leenregisters; in ieder geval behoorde het in 1735 niet meer aan de Van Haeftens. Welk lid van deze tak van het geslacht Van Haeften als eerste tot de hervormde godsdienst is overgegaan heb ik niet kunnen vaststellen. Te beginnen met Allard zijn ze, met slechts een enkele uitzondering, steeds beschreven in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen en daardoor was althans vanaf 1621 het lidmaatschap van de publieke kerk vereist. Reinier van Haeften, die in 1565 met Ophemert en Zennewijnen werd beleend, was schepen van de bank van Tuil; hij stierf in 1604. Hij heeft nooit gecompareerd op de landdagen van zijn gewest, hoewel hij daarvoor als aanzienlijk lid van de ridderschap toch zeker wel in aanmerking zou zijn gekomen, als niet de Tieler- en Bommelerwaard na 1572 door Holland op de vijand waren veroverd en tot respectievelijk 1593 en 1602 onder het bestuur van die provincie waren gebleven. Reiniers zoon daarentegen, Johan van Haeften, geboren uit zijn huwelijk met Anna Pieck, woonde de kwartiers- en landschapsvergaderingen, althans vanaf 1620, regelmatig bij. Johan was derhalve van Ophemert ook heer van Wolfswaard, een adellijk huis op het gebied van de tegenwoordige gemeente Beesd, dat overigens na zijn dood weer in handen van anderen is geraakt. Hij trouwde met Henrica van Haeften, een dochter van Walraven van Haeften en Sandrina (Zander) Pieck. Hun zoon, die naar zijn grootvader van moederszijde Walraven werd genoemd, is slechts van 1653 tot zijn overlijden in 1657 heer van Ophemert geweest, Hij was kapitein in het Staatse leger en heeft aan het bestuur van het nijmeegse kwartier niet deelgenomen. Hij was de eerste Van Haeften, van wie stukken in het archief- Ophemert bewaard zijn. Walraven trouwde met Fransina van Cockengen. Nu volgde weer een Reinier van Haeften (1646-1733), heer van Ophemert sedert 1659 en niet alleen afgevaardigde van de ridderschap naar de kwartiersdagen, maar ook gedeputeerde. De gedeputeerden hadden in de kwartieren van Gelderland dezelfde funktie als gecommitteerde raden in Holland. Door het huwelijk van deze Reinier met Adriana Maria de Cock van Delwijnen kwamen in dit archief stukken terecht van de geslachten De Cock van Delwijnen en Van Gent, die verderop ter sprake zullen komen. Reiniers oudste zoon, Walraven van Haeften, erfde aanvankelijk Ophemert; hij was dijkgraaf en ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Daar hij in 1746 kinderloos overleed ging Ophemert toen over op zijn jongere broer Barthold, die sinds 1725 reeds heer was van Wadenoyen, een bezitting afkomstig van zijn oom Johan de Cock van Delwijnen. Barthold was eveneens ambtman en bovendien gecommitteerde van Gelderland ter Staten-Generaal. Hij huwde met Margriet van Lynden. Behalve zijn dochter Ursulina Philippina, die de vrouw van Aeneas Mackay werd, had Barthold van Haeften twee zoons. De oudste, Johan Walraven, voeg de bij zijn geslachtsnaam die van De Cock, daarmee te kennen gevend, dat hij geloofde inderdaad van de heren van Waardenburg af te stammen. Ook hij was ambtman van Bommel, Tieler en Bommelerwaard en vertegenwoordigde Gelderland in de Generaliteit. Hij trouwde tweemaal, en wel eerst met Anna Ursulina van Lynden, waardoor zijn zoon Barthold de Cock van Haeften, majoor der cavalerie bij de gardes, de heerlijkheden Blitterswijk en Wanssum in Limburg erfde. Dit werd nu de voornaamste bezitting van de tak De Cock van Haeften; voortaan woonde deze op het kasteel Blitterswijk. Wadenoyen is in 1787 uit de familie geraakt. Bij zijn eerste echtgenote, Carolina Justina Huydecoper, had Barthold de Cock van Haeften geen kinderen. Twee jaar na haar overlijden, in 1790, hertrouwde hij, en wel, zoals reeds in paragraaf I is meegedeeld, met zijn nicht Arnolda Margareta Mackay. Zij kregen vier dochters. Anna Ursulina Margareta, de oudste, en Margareta Bartholda, de derde, bleven ongehuwd; Ursulina Philippina, de tweede, trouwde met G.H.F.S. von Hamelberg, overste in Hannoveraanse dienst, en Constantia Louisa Arnoldina, de vierde, met A.A. Quarles de Quarles, officier bij de nederlandse infanterie. De freules De Cock van Haeften werden bij het beheer van hun zaken meermalen bijgestaan door hun neven Mackay. Zelfs werd het archief van de heerlijkheden Blitterswijk en Wanssum in 1886 door Donald Jacob op Ophemert in bewaring genomen. Dit archief heeft enige tijd op het Rijksarchief te Arnhem berust en bevindt zich thans op het Rijksarchief te Maastricht. Reinier, de jongere broer van Johan Walraven, wordt nu eens De Cock van Haeften dan weer Van Haeften zonder bijvoeging genoemd. Hij was de laatste ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Die funktie moet hij echter wel gedurende het grootste deel van de tijd door een ander hebben laten waarnemen, daar hij jarenlang in het buitenland heeft vertoefd als gezant van de Staten-Generaal. Hij was achtereenvolgens geaccrediteerd te Stockholm, Lissabon, Constantinopel en Wenen. Tijdens zijn gezantschap bij de Keizer werd hem in augustus 1791, met voorbijgaan van de toenmalige gezant bij de Porte, opgedragen de Republiek te vertegenwoordigen bij onderhandelingen met de sultan van Turkije te Szisstow. In de patriottentijd toonde hij zich "staatsgezind", hij is na 1795 niet teruggeroepen. In 1800 is hij te Wenen overleden. Reinier van Haeften trouwde in 1778 te Marseille met Jeanne Cénie Kick, van wier afkomst niets naders bekend is. Hun vier dochters zijn geen van allen getrouwd. Zij heetten Anna Margareta, Elisabeth Cénie, Henriëtte Margareta Charlotte Ursuline en Victoire Sophie. Anna Margareta erfde Ophemert; door haar overlijden in 1844 kwam dit aan Barthold Mackay. We moeten nu iets zeggen over het geslacht De Cock van Delwijnen. Over de oorsprong daarvan is al opgemerkt, dat deze eveneens hoogstwaarschijnlijk gezocht moet worden in de stam De Cock van Waardenburg uit de dynastie van Blois. Overigens is niet met zekerheid uit te maken, hoe precies tot aan het begin van de vijftiende eeuw de genealogische samenhang is geweest; de pogingen, die daartoe wel gedaan zijn, hebben tot nu toe geen betrouwbaar resultaat opgeleverd. In ieder geval telden de heren De Cock van Delwijnen al vroeg mee onder de edelen van het hertogdom Gelre. Zo komt Arnt de Cock van Delwijnen voor onder de heren, die op 2 november 1376 de oorkonde zegelden, waarbij hertogin Mechteld en haar gemaal Jan van Blois zich verzoenden met degenen, die hun aanspraak op de opvolging hadden betwist na de dood van hertog Eduard. Ook bij het sluiten van de landvrede, die op 6 januari 1377 volgde, was deze Arnt betrokken. Of hij de heerlijkheid, waarnaar zijn geslacht zich noemde, zelf nog bezat, heb ik niet kunnen ontdekken. Uit het repertorium op de leenregisters van Vianen, waarvan de dagelijkse heerlijkheid van Delwijnen een leen was, viel dit niet op te maken, daar de in aanmerking komende plaatsen vrijwel onleesbaar zijn. Van Spaen zegt, dat de De Cocks maar korte tijd heren van Delwijnen zijn geweest. Van Arnts oudste zoon, ook een Arnt, weten we, dat hij in 1403 als minderjarige beleend werd met een tiend te Kerkwijk. Zijn zoon, die weer Arnt heette, wordt in 1458 genoemd als schepen van Zuilichem. Deze derde Arnt trouwde driemaal en had dertig kinderen. De oudste zoon uit zijn eerste huwelijk, Arnt de jonge, werd in 1492 door hertog Karel aangesteld tot schatmeester over Zaltbommel, Tieler- en Bommelerwaard, Beesd en Renooi. De vierde zoon, Johan, kocht van Johan van Balveren in 1468 het hoge huis te Delwijnen. Dit was niet een leen van Vianen, maar van de hertog. Volgens aantekeningen in het archief-Ophemert zouden zijn vader in 1462 en zijn broer Arnt in 1482 al met dit huis beleend zijn, maar deze bron, die ook later gedateerd is, zal wel minder betrouwbaar zijn dan het hertogelijk leenregister. Misschien hebben de heren De Cock de bijgedachte gehad naast de hofstad ook de jurisdictie over het dorp terug te krijgen. Dat is dan evenwel niet gelukt; sedert het midden van de zestiende eeuw vinden we met de heerlijkheid van Delwijnen de Turcks van Nederhemert en in later tijd o.m. leden van het geslacht Quadt beleend. Na de dood van Johan de Cock van Delwijnen vererfde het huis te Delwijnen op zijn stiefbroer uit het tweede huwelijk; Adriaen. Deze was schepen van Zuilichem en gehuwd met Hildegond van Auwrijn. Hij zal in of even voor 1553 gestorven zijn, omdat zijn zoon Johan in dat jaar het huis te Delwijnen in leen ontving. Johan was dijkgraaf van Bommelerwaard; hij stierf in 1550. Adriaen de Cock van Delwijnen, Johans zoon, werd lid van de ridderschap kort voor het uitbreken van de Opstand. Tweemaal werd hem door de gelderse landdag een zending opgedragen: in 1571 naar Brussel, in 1579 naar de aartshertog Matthias te Antwerpen. In datzelfde jaar 1579 schreef de spaansgezinde goeverneur van Tiel aan de Rekenkamer van de koning in Gelderland, dat hij de heer De Cock geschikt achtte en bereid had gevonden om in de plaats van de heer Vijgh als ambtman van Nederbetuwe op te treden, wat toen o.m. inhield, dat hij de verbeurd verklaarde goederen zou administreren. Adriaen stond dus toen wel aan de kant van Philips II; desniettemin bleef hij tot zijn dood in 1605 lid van de ridderschap. Hij trouwde eerst met Maria van Brakel, weduwe van Joachim van Giessen, en vervolgens in 1567 of 1568 met Maria van Hemert. Door zijn tweede huwelijk kreeg hij het vruchtgebruik van de heerlijkheid Wadenoyen, die Maria van haar vader, Frederik van Hemert, had geërfd. Uit zijn eerste huwelijk had Adriaen een zoon Joachim de Cock van Delwijnen, die niet door de ridderschap, maar door de stad Tiel naar de landschapsvergaderingen werd afgevaardigd. Hij liet twee dochters na: Maria, die huwde met Jan Willem Drummond (of Dromond) en Theodora, die ongehuwd bleef. Het huis te Delwijnen en het "dagelijks gericht" van Wadenoyen kwamen aan een zoon uit zijn huwelijk met Maria van Hemert: Johan. Deze Johan de Cock van Delwijnen was van 1606 tot 1620 lid van de ridderschap en woonde als zodanig in die jaren de kwartiers- en landdagen bij. Bij zijn tweede vrouw, Adriana van Beynhem, kreeg hij een zoon, Adriaen, die trouwde met Anna van Gent, dochter van Barthold van Gent, waardoor stukken van het geslacht Van Gent in het archief-Ophemert belandden. Adriaen de Cock van Delwijnen heeft wel in de Tielerwaard enige funkties bekleed - hij was o.a. schepen in de bank van Deil - maar hij heeft geen deel gehad aan het centrale bestuur van het kwartiet van Nijmegen. Zijn zoon Johan daarentegen mogen we wel beschouwen als een van de meest vooraanstaande regenten in het Gelderland van zijn tijd. Sedert 8 maart 1672 beschreven in de ridderschap van Nijmegen compareerde hij van 1679 tot 1724 op de kwartier- en landdagen. Weldra werd hij tot gedeputeerde van het kwartier verkozen. In 1702 werd hij als buitengewoon lid toegevoegd aan het Hof van Gelderland om uitspraak te doen in de geschillen, die op verscheidene plaatsen in het gewest waren ontstaan na de dood van de koning-stadhouder, de zgn. "plooierijen". Ook speelde hij een rol van enig belang in de Tweede Grote Vergadering van 1716 en 1717, waarin deputaties uit de zeven provinciën poogden - zij het tevergeefs - hervormingen in het bestuursstelsel van de Unie aan te brengen. Inmiddels was hij, in 1703, benoemd tot ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. De neerslag van zijn diverse ambtelijke aktiviteiten treft men voor een groot deel in het archief-Ophemert aan. Daar hij niet getrouwd was vermaakte hij de hofstad te Delwijnen aan zijn neef Walraven van Haeften en de heerlijkheid Wadenoyen aan diens broer. Johan en zijn zuster Adriana Maria van Haeften hadden nog een broer, Barthold de Cock van Delwijnen, van wie we niets meer weten dan dat hij omstreeks 1690 kapitein in het Staatse leger geweest is. Richten we nu onze aandacht op de familie van hun moeder: Van Gent. Cornelis van Gent, heer van Meinerswijk en naderhand ook van Loenen (in de Overbetuwe) was burggraaf en richter van Nijmegen, gedeputeerde van het kwartier en afgevaardigde ter Staten-Generaal. Hij stierf in 1614. Zijn oudste zoon, Godefroy van Gent, die huwde met Maria van Giessen, erfde Loenen, maar had geen nakomelingen. Barthold, Cornelis' tweede zoon, werd heer van Meinerswijk en, na het overlijden van zijn broer, ook van Loenen. Barthold van Gent heeft nog aanzienlijker betrekkingen vervuld dan zijn vader. Hij was successievelijk lid van de gelderse Rekenkamer, ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard en van 1644 tot 1648 een van de ambassadeurs van de Republiek bij de vredesonderhandelingen te Munster. Hij huwde met Elisabeth van Giessen en had, behalve zijn dochter Anna, die de vrouw van Adriaen de Cock van Delwijnen werd, drie zoons, t.w. Cornelis, Joost en Joachim van Gent. Cornelis van Gent, heer van Loenen en Neerijnen, werd in 1637 "waldgraaf", d.i. houtvester van het Nederrijkswald bij Nijmegen en was van 1654 tot 1682 ambtman van Bommel, Tieler-en Bommelerwaard, en tevens vanaf 1655 lid van de kwartiersvergadering. Joost van Gent was heer van Opijnen, gedeputeerde van het kwartier en schepen in de bank van Tuil; hij huwde met Lucia Brummer. Joachim van Gent, gehuwd met Helena Maria Drummond, erfde Meinerswijk en voerde omstreeks 1680 het bevel over een regiment infanterie. Tot zover over het geslacht Van Gent; in het archief-Ophemert komt verder nog voor de grootvader van moederszijde van de laatstgenoemde drie broers; Joost van Giessen, ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard en afgevaardigde van Gelderland in de Staten-Generaal in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt. Deze Joost van Giessen maakte o.m. deel uit van de commissie, die in 1610 naar Utrecht gezonden werd naar aanleiding van het daar toen uigebroken oproer. Hebben de lotgevallen van de geslachten Van Haeften, De Cock van Delwijnen en van Gent zich voornamelijk afgespeeld in de streken tussen Nederrijn en Maas, de personen, die we nu nog moeten behandelen, hebben bijna allen gewoond in het kwartier van de Veluwe. Het zijn de verwanten van Anna van Renesse van Wilp, de echtgenote van Barthold Mackay. De Van Renesses zijn zoals de naam aanduidt, uit Zeeland afkomstig, maar hebben zich al in de Middeleeuwen ook uitbuiten dat gewest verspreid; er bestaan nu nog takken in België en Duitsland. Door het huwelijk van Jan van Renesse in 1338 met Aleid van Lichtenberg kwam zijn tak in Utrecht; in 1505 verwierf die tak de heerlijkheid Wilp, tussen Apeldoorn en Voorst. Jan van Renesse, heer van Wulven en Wilp (1560-1609) was de eerste die in de ridderschap van de Veluwe werd beschreven. Zijn achterkleinzoon Johan Pieter van Renesse van Wilp, ambtsjonker van Rheden sedert 1730, trouwde met Judith, dochter van Coenraad van Wijnbergen. Ambtsjonkers van Rheden waren ook hun zoon Wijnand Maximiliaan Jacob en diens zoon Jan Pieter Hendrik Eleonard; beiden waren bovendien burgemeesters van Elburg. Wijnand was voorts gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe en gecommitteerde ter Generaliteit; het ambt van hoofdschout van Hattem, dat hij daarnaast nog had, liet hij door een substituut waarnemen. Hij trouwde eerst Sara Maria de Beyer, uit een nijmeegse regentenfamilie, en daarna Ernestina Lucretia van Reede van de Parkeler. Jan Pieter Hendrik Eleonard en Susanna Françoise van den Steen werden de ouders van Antje Mackay en van haar zusters Jacoba Maria, die huwde met J.D.L. Sweerts de Landas, en Wijnanda Maximiliana Susanna Jacoba, die niet trouwde. Van de aan de Van Renesses verwante geslachten komen nu alleen nog de Van Wijnbergens in aanmerking om nader besproken te worden. Zij hebben hun naam ontleend aan het goed Wimborch bij Doetinchem, dat zij vanaf 1402 bezaten. Maar al in 1460 treffen we hen aan op de noordelijke Veluwe, aanvankelijk te Harderwijk en sinds het begin van de zestiende eeuw te Elburg. De stamvader van de hier bedoelde tak is Johan van Wijnbergen, burgemeester van Elburg, in 1540 gehuwd met Alijt Dullinck. Zijn zoon Wichman van Wijnbergen, gehuwd met Wendela Ter Bruggen, was ook burgemeester van Elburg. Diens kleinzoon Johan van Wijnbergen tot het Zandt kwam in de ridderschap van de Veluwe en bracht het tot lid van de Raad van State en raadsheer in het Hof van Gelderland; hij trouwde met Geertruid van Dedem. De zoon van Johan en Geertruid, Coenraad van Wijnbergen tot de Glinthorst werd tot de ridderschap toegelaten in 1675 en was gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe van 1690 tot 1709. Coenraad huwde eveneens een freule Van Dedem en had zes kinderen, t.w. Johan, Wichman Joost, Geertruid, Judith, Henriëtte Josina en Johanna Wendelina. Johan was burgemeester van Arnhem, gecommitteerde ter Staten-Generaal, gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe, en, op het einde van zijn leven, richter van Wageningen, Zijn zuster Judith is hiervoor al genoemd als de echtgenote van Johan Pieter van Renesse. Rechten en goederen. De "dagelijkse heerlijkheid", d.w.z. de lagere jurisdictie over het dorp Ophemert was vanaf de vroegste tijden, waarover we gegevens hebben, steeds gecombineerd met die over het aangrenzende dorp Zennewijnen. Volgens Van Spaen ontving Rudolf de Cock van Waardenburg deze heerlijkheden in 1265 van de graaf van Gelre in leen. Ofschoon Van Spaen zijn bron niet nader opgeeft zal hij wel bedoelen, dat Ophemert en Zennewijnen begrepen zijn geweest in de lenen, waarvoor Rudolf op 5 augustus van dat jaar zijn bezittingen tussen Lek en Linge in ruil aan de graaf afstond; deze worden in de desbetreffende oorkonde omschreven als de hoven Hiern, Neer- en Opijnen en Meteren. De heren van Waardenburg gaven Ophemert en Zennewijnen naderhand als achterleen uit aan een jongere tak van hun eigen familie. De eerste achterleenman moet Zweder van Waardenburg geweest zijn, de tweede zoon van Johan de Cock, vierde heer van Waardenburg. Deze Zweder wordt vermeld in 1368 en is gestorven in 1404. In 1521 bracht zijn afstammelinge Johanna van Waardenburg de heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen in bij haar huwelijk met Johan Schenk van Nydeggen. Johanna's broer Dirk van Waardenburg kocht ze van hen in 1548, maar verkocht ze op zijn beurt in 1552 aan Frederik van Haeften, in wiens geslacht ze, zoals in paragraaf I is meegedeeld, zijn gebleven tot 1844, toen Barthold Mackay ze erfde. Het enige bijkomende heerlijke recht, dat de heren van Ophemert van het huis Waardenburg in leen hielden, was dat van de rosmolen. Het veer tussen Zennewijnen en Dreumel over de Waal behoorde niet bij dit leen; het werd pas in 1707 verworven door aankoop van Zeger van den Steenhuys en was een leen van de Staten van Gelderland. Het aantal bewaard gebleven stukken, dat betrekking heeft op de heerlijke rechten en de uitoefening daarvan is niet heel groot. Nog minder archivalia zijn hier aanwezig van de heerlijkheid Wadenoyen. Dit "dagelijks gericht" wordt als leen van Gelre voor het eerst vermeld in 1380; het komt dan in het bezit van een vrouwe van Langerak. In 1469 worden de Van Hemerts heren van Wadenoyen en blijven dat, totdat Johan de Cock van Delwijnen het leen erft van zijn moeder Maria van Hemert in 1605. In 1725 gaat Wadenoyen over aan de Van Haeftens, maar na de dood van Johan Walraven de Cock van Haeften verkopen diens erfgenamen het op 30 december 1786 aan Evert Jan van Nykerken en Nyvenheim. Het veer over de Linge bij Avezaath werd in 1698 door Johan de Cock van Delwijnen afzonderlijk aangekocht van de erfgenamen van Adriana van Maren en door de erfgenamen van Johan Walraven de Cock van Haeften in 1792 weer verkocht aan Gerrit van Goor. Ook dit veer was een leen van de Staten geweest. In vele plaatsen was de dagelijkse heer vanouds tevens patroon van de parochiekerk. Te Ophemert evenwel is hij dat pas in later tijd geworden. De eigenlijke kerspelkerk, die gewijd was aan Sint Lambertus, werd in 1028 door de bisschop van Utrecht geschonken aan het klooster Hohorst, de latere Sint-Paulusabdij. Deze abdij verkreeg na 1328 ook het patronaatsrecht van de Sint-Maartenskerk. Dit was oorspronkelijk de kerk van de commanderij der Duitse Orde, welke tot 1315 te Ophemert was gevestigd en vervolgens naar Tiel werd overgeplaatst. Terwijl de parochie als zodanig waarschijnlijk niet gesplitst werd zijn beide kerkgebouwen tot aan de reformatie door de parochianen gebruikt. Daarna is de Sint-Maartenskerk voor de hervormde eredienst bestemd en de Sint-Lambertuskerk in verval geraakt. De bezittingen van de abdij van Sint Paulus werden voortaan beheerd door de Staten van Utrecht en deze verkochten op 31 juli 1720 alle landen, tienden en tinsen van de abdij onder Ophemert en Driel aan Reinier van Haeften. In de akte van overdracht wordt het collatierecht weliswaar niet uitdrukkelijk genoemd, maar waar de verkoop ook de tienden omvatte zullen beide partijen stilzwijgend hebben aangenomen, dat dit recht mee overging. Van 1725 af althans begaven de heren van Ophemert de predikantsplaats zonder dat dit ooit aangevochten werd. Aeneas Mackay heeft omstreeks 1870 formeel afstand gedaan van dit collatierecht, nadat hij al enige tijd daarvóór van de feitelijke uitoefening ervan uit eigen beweging had afgezien. Anders was het gesteld met de collatie van de vicarieën, welke in de twee kerken van Ophemert hebben bestaan. Het waren er zes: die van Sint-Barbara, het Heilig Kruis, Sint Catharina en Onze Lieve Vrouwe in de Sint-Maartenskerk, nog een van O.L. Vrouwe in de Sint-Lambertuskerk en een Sint-Pietersvicarie, waarvan we niet weten in welke kerk ze gefundeerd was. Zijn de heren van Waardenburg de stichters van deze vicarieën geweest? In ieder geval beschouwden zij zich al vóór de reformatie als eigenaars en beleenden zij de dagelijkse heren van Ophemert ermee. De aanwezigheid van vicariegoederen kreeg in de zeventiende eeuw opnieuw betekenis, omdat de pastoriegoederen op verre na niet meer toereikend waren en de tractementen van predikant en schoolmeester en de middelen tot onderhoud van het kerkgebouw uit deze bronnen konden worden aangevuld. Op den duur verdween de herinnering aan de afzonderlijke stichtingen, zodat men sedert de tweede helft van de achttiende eeuw ging spreken van "de vicarie" van Ophemert in het enkelvoud. Ook werd gaandeweg het beheer van de vicariegoederen met die van de pastorie vermengd. Het voornaamste onroerend goed van de families, die het archief Ophemert gevormd hebben, is het kasteel van die naam. Dit was niet zoals de heerlijkheid een achterleen van Waardenburg; de hertogen en later de Staten van Gelderland beschikten er rechtstreeks over. Wel waren zij, die het huis in leen hielden, steeds dezelfde personen als de dagelijkse heren. Bij de belening van het huis behoorden de maalplicht van de windmolen en een aantal landerijen. Wanneer het huis gebouwd is is niet precies bekend, maar op grond van de oorspronkelijke vorm - die van een rechthoekige woontoren - mag men denken aan het einde van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw. Het aanvankelijk uiteraard kleine slot werd in de latere Middeleeuwen vergroot, maar die vergroting werd gedeeltelijk weer ongedaan gemaakt door een ingrijpende verbouwing, die in het laatste kwart van de zeventiende eeuw, waarschijnlijk wegens beschadiging tengevolge van de franse inval van 1672, werd ondernomen. Het kasteel kreeg toen de gedaante, welke het thans nog heeft. Het verkeert, na enige tijd minder goed bewoonbaar te zijn geweest, tegenwoordig weer in uitstekende staat, dank zij de grondige herstellingen, die in de jaren 1954-1957 met medewerking van de rijksdienst voor de Monumentenzorg werden uitgevoerd. Dat de Van Haeftens en de Mackays goederen en rechten bezaten te Ophemert en in de omgeving van die plaats ligt voor de hand. Daarnaast hebben zij, evenals de De Cocks van Delwijnen en de van Gents ook buiten de Tielerwaard vrijwat hofsteden, landerijen, tienden enz. verworven. Dit bezit lag verspreid in Gelderland, voornamelijk in de Bommelerwaard, het Land van Maas en Waal, en Over- en Nederbetuwe en het Rijk van Nijmegen, voor een kleiner deel ook in de graafschap Zutphen en voorts nog hier en daar in Zuid-Holland, Utrecht, Limburg en Noord-Brabant. De Van Renesses en de Van Wijnbergens waren gegoed op de Veluwe. Voor de meeste van die bezittingen zijn genoeg toelichtingen in de inventaris zelf te vinden; hier willen wij daarom alleen nog met een enkel woord spreken over twee goederen, die door hun bizondere aard op vallen, n.l. de havezate Merwijck te Bergharen (inv. nrs. 1243, 1247 en het tijnsland onder Randwijk (inv. nr. 1460, reg. nr. 17). Zie voor vervolg de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
Organisatie Nadat de geallieerden in 1944 België en Frankrijk hadden bevrijd, konden de Duitse legers zich aanvankelijk, in Nederland benoorden de grote rivieren, staande houden. De periode van september 1944 tot mei 1945 kenmerkte zich door het op grote schaal plunderen en stelen van Nederlandse eigendommen. Fabrieken werden systematisch leeggehaald en de goederen op transport gezet naar Duitsland. Ook steden en streken, zoals Arnhem en de Veluwezoom, werden ontruimd en geplunderd. Van alles wat uit Nederland is geroofd, is ongeveer negentig procent na september 1944 weggehaald. Voor deze datum werd er nog gevorderd met officiële vorderingspapieren; later gebeurde dit veelal zonder. De steeds groter wordende verkeerschaos in Duitsland, als gevolg van het herhaaldelijk bombarderen van spoorlijnen en wegen door de geallieerden, maakte het echter onmogelijk om alles wat uit Nederland geroofd was op de plaats van bestemming te doen belanden. Toen Duitsland in 1945 ineenstortte, lagen talloze uit Nederland afkomstige goederen door het land verspreid, zonder dat zij van enig belang waren geweest voor de Duitse oorlogseconomie. Reeds voor het einde van de Tweede Wereldoorlog werd door de Raad van Ministers van de Nederlandse regering te Londen besloten een commissariaat in te stellen, dat zich moest gaan bezighouden met de opsporing en terugvoering van de door de Duitsers gestolen goederen. Hiertoe werd op 18 april 1945, door de toenmalige Minister van Handel, Nijverheid en Landbouw, J.H. Gispen, het Commissariaat-Generaal voor de Nederlandse Economische Belangen in Duitsland (hierna: Commissariaat) ingesteld. Met ingang van deze datum werd de reserve-kolonel voor Algemene Dienst, W.Ch. Posthumus Meyjes, tot commissaris-generaal benoemd. Deze legde reeds in november 1945 zijn functie neer en werd opgevolgd door kolonel L.F. Otto, die zijn functie vervulde tot de opheffing van het Commissariaat in 1949. De taak die het Commissariaat van de minister kreeg opgedragen was een tweeledige: De zorg voor het namens de Nederlandse regering terugverkrijgen van uit Nederland weggevoerde goederen, of vervanging van die goederen welke niet meer opgespoord konden worden; De zorg voor de beveiliging van de overige Nederlandse economische belangen in Duitsland. Omdat er een intensief contact met het bedrijfsleven en de verschillende departementen werd onderhouden, werd Amsterdam vanwege zijn geografische ligging, door de heer W.Ch. Posthumus Meyjes als plaats van vestiging aangewezen. Tot juni 1947 was de organisatie van het Commissariaat steeds aan wijzigingen onderhevig geweest. Vanaf die datum was de organisatie definitief. Aan het hoofd van het Commissariaat stond de commissaris-generaal, bijgestaan door de staf. Onder de commissaris-generaal vielen zeven afdelingen. De afdeling restitutie (eerste afdeling), waaronder de secties industrie, landbouw en veeteelt, spoor- en tramwegen, scheepvaart, haveninstallaties, waarden, instrumenten en bijzondere gevallen vielen, en de afdeling restitutie kunst (tweede afdeling), waaronder de secties kunstschatten én bibliotheken en archieven vielen, hielden zich bezig met de opsporing van de gestolen goederen. In Amersfoort werd ter ondersteuning van de sectie landbouw en veeteelt van de afdeling restitutie een speciale sectie ingesteld, die zich alleen bezighield met de opsporing van paarden, wagens en tuigen. Deze sectie was verantwoording schuldig aan het hoofd van de sectie landbouw en veeteelt. De afdeling beheer (derde afdeling) was belast met de behartiging van de belangen van Nederlandse bedrijven, handelsondernemingen en particulieren in Duitsland. Dit betrof veelal onroerende goederen zoals fabrieken, huizen, grondbezit en mijn interessen, maar ook hypotheken, octrooien en licenties. De afdeling juridische en economische zaken (vierde afdeling) had tot taak economische en juridische problemen, die zich zowel bij de afdeling restitutie als bij de afdeling beheer konden voordoen, op te lossen. Het ging hier met name om problemen ten aanzien van eigendomsrechten. De afdeling transport (vijfde afdeling) was belast met de terugvoering van de Nederlandse goederen uit Duitsland. De afdeling interne dienst (zesde afdeling) was belast met het archief, de boekhouding, de post en de huishoudelijke dienst. Onder de afdeling militaire zaken (zevende afdeling) vielen de sectie motordienst, die verantwoordelijk was voor de eigen transportmiddelen, en het stafdetachement, dat de personele zaken behartigde. Deze afdeling had verder ook nog een taak ten aanzien van de verpleging, intendance en militaire administratie. Daar het hele restitutiegebeuren in Europa een militaire aangelegenheid was, kon het Commissariaat niet met burgerpersoneel werken. Daarom werden veel specialisten uit het bedrijfsleven gemilitariseerd en aangesteld als officieren civiele dienst. Organisatie Commissaris-Generaal Organisatie bureau Organisatie buitenland Contact met pers Sectie A: Industrie Sectie B: Landbouw en veeteelt Sectie C: Spoor- en Tramwegen Sectie D: Scheepvaart Sectie E: Haveninstallaties Sectie F: Waarden Sectie G: Instrumenten Sectie H: Bijzondere gevallen Sectie A: Kunstschatten Sectie B: Bibliotheken en archieven Grote bedrijven en handelsondernemingen Kleine bedrijven en handelsondernemingen Huizen, grondbezit, hypotheken, mijninteressen Octrooien en licenties Transport van vrijgegeven goederen per schip, per spoor per auto Boekhouding, Archief, Post en telefoon, Huishoudelijke dienst Sectie A: Stafdetachement Sectie B: Depot afd. Motordienst Militaire Administratie Verpleging Intendance Taakuitvoering Alvorens het Commissariaat daadwerkelijk met de opsporingswerkzaamheden in Duitsland kon beginnen, moesten er in Nederland eerst gegevens worden verzameld over de te restitueren goederen. Hiervoor stelde men zich in verbinding met de verschillende hoofd-, vak- en bedrijfsgroepen van het georganiseerde bedrijfsleven en met de Rijksbureaus voor Handel en Nijverheid. Deze verzamelden door middel van enquêtering bij bedrijven gegevens over vermiste goederen. Deze gegevens werden door het Commissariaat gebruikt om de Nederlandse goederen in Duitsland te kunnen identificeren. De gegevens werden gesplitst in goederen waarvan de vermoedelijke verblijfplaats bekend was en in goederen met een onbekende verblijfplaats. Tot de eerste categorie behoorden over het algemeen die goederen die met officiële papieren waren gevorderd. Tot de tweede categorie behoorden die goederen, die zonder vorderingspapieren waren weggehaald. Voor de opsporing en restitutie van de gestolen goederen in het door de geallieerden bezette Duitsland, moest het Commissariaat toestemming hebben van de bezettingsautoriteiten. Op 22 januari 1946 werden door de Geallieerde Bestuursraad te Berlijn (Allied Control Council) de restitutiebepalingen bekend gemaakt. Onder deze bepalingen vielen die goederen welke geïdentificeerd konden worden en die onder een vorm van dwang uit de door de Duitsers bezette landen waren weggevoerd. De voorschriften waaraan de landen zich moesten houden bij de restitutie van goederen waren in de restitutieregels uitgewerkt. Uit besprekingen met geallieerde officieren was gebleken dat vooral de Engelse en Amerikaanse zone voor Nederland erg belangrijk was. Het Commissariaat drong er bij deze twee bezettingsmachten dan ook sterk op aan om officieren naar de betreffende zones te mogen sturen. Op uitnodiging van de Amerikaanse bezettingsautoriteiten vertrok op 10 november 1945 een Nederlandse delegatie van vier officieren naar Hoechst in de Amerikaanse zone. Doel was het starten van een Nederlandse restitutiemissie bij de Restitution Control Branch, die een controlerende taak had ten aanzien van alle restitutiewerkzaamheden. Bijna tegelijkertijd werd een uitnodiging ontvangen om een restitutiemissie op te richten in de door de Amerikanen bezette Bremen-enclave, die in de Engelse zone lag. Hiervoor werden drie officieren uitgezonden. De twee missies werkten geheel zelfstandig, maar het algemene beleid van de missie Bremen viel onder de missie Hoechst. De Amerikaanse bezettingszone was verdeeld in 'Länder' met elk een eigen restitutiesectie, die gecontroleerd werd door bovengenoemde Restitution Control Branch. De aanvraagformulieren van het Commissariaat werden in Hoechst bij de Restitution Control Branch ingediend en vervolgens ter behandeling doorgestuurd naar de restitutieorganisaties in de 'Länder'. Daar onderzochten Amerikaanse officieren of door de Amerikanen aangewezen Duitse instellingen de gevallen en rapporteerden hun bevindingen aan de Restitution Control Branch. Deze schreef, als er geen bezwaar tegen vrijgave van de goederen was, een vrijgave (release) uit. De Restitution Control Branch deelde dit vervolgens mee aan de Nederlandse missie, die zich in verbinding stelde met de betreffende restitutieorganisatie in de zone om het transport naar Nederland te regelen. Toen aan het eind van 1946 de vondsten in Bremen minder en minder werden, werd de missie opgeheven en het nog te verrichten werk ondergebracht bij de missie Hoechst. De Engelse bezettingsautoriteiten volgden de Amerikaanse op de voet en gaven ook toestemming om officieren van het Commissariaat bij hun restitutieorganisatie, de Reparations, Deliveries and Restitution Division, te accrediteren. Bij de Engelse bezettingsautoriteiten had het Commissariaat twee verbindingsofficieren gestationeerd die alle aanvraagformulieren van het Commissariaat in ontvangst namen en bij het Engelse hoofdkwartier te Detmold indienden. Het hoofdkwartier zond de aanvraagformulieren door aan de verschillende districten binnen de Engelse zone: Bad Salzuflen, Hamburg, Hannover of Düsseldorf. Hierop gingen de daarvoor aangewezen Engelse officieren op onderzoek uit. Zij bezochten Duitse bedrijven die van tevoren een lijst hadden opgesteld van alle Nederlandse machines en goederen in hun bedrijf. Deze lijsten werden vergeleken met de door het Commissariaat ingediende aanvraagformulieren. De missies in de districten rapporteerden hun bevindingen aan het hoofdkwartier. Dat schreef, als er Nederlandse eigendommen waren aangetroffen een vrijgave uit en deelde dit mee aan de Nederlandse verbindingsofficieren, die op hun beurt een 'packing team' naar het betreffende district zonden om het transport naar Nederland te regelen. In april 1946 kreeg het Commissariaat van de Engelse autoriteiten toestemming om een eigen Nederlandse Reparations, Deliveries and Restitution missie te installeren. Het hoofdkwartier werd te Bad Salzuflen gevestigd, en de verbindingsofficieren werden vervangen door vier vaste vertegenwoordigers, de zogenaamde 'accredited members'. In elk district werd één vaste vertegenwoordiger aangesteld. De Nederlandse organisatie liep nu volkomen parallel met de Engelse en dit had tot gevolg dat het tempo van het werk kon worden opgevoerd. In de Franse zone werd de restitutie geregeld door de Directions des Reparation et Restitution. De officieren van het Commissariaat kregen de grootst mogelijke medewerking van de Fransen en mochten in deze zone ook zelf opsporingswerk verrichten. Tot hoofd van de Nederlandse militaire missie te Baden-Baden werd een officier benoemd die oorspronkelijk tot het Commissariaat behoorde. Aan hem werd de leiding van de restitutiewerkzaamheden toevertrouwd. In de Russische zone was een speciale afdeling, die te Berlijn gevestigd was, met de restitutie belast. De Russen voerden zelf alle restitutiewerkzaamheden uit en stonden de officieren van het Commissariaat slechts toe om de opgespoorde goederen officieel te identificeren en verzendklaar te maken. De Nederlandse Militaire Missie bij de Geallieerde Bestuursraad te Berlijn, die onder leiding stond van de vice-admiraal L.A.C.M. Doorman, had de algemene verantwoordelijkheid over het restitutiewerk in Duitsland. Omdat Duitsland in zones was verdeeld, had de missie tevens een vertegenwoordiging in elk der zones. Voor de restitutie van in Berlijn liggende goederen konden bij de Engelse, Amerikaanse en Russische bezettingsautoriteiten de aanvragen voor teruggave op de normale manier in de zone worden ingediend. De in Berlijn gestationeerde Franse autoriteiten behandelden de aanvragen afzonderlijk. Het transport van de goederen bleek een groot probleem, omdat het Duitse transportwezen volkomen gedesorganiseerd was. Auto's waren er vrijwel niet meer, het spoorwegennet was door de geallieerden bijna geheel weggebombardeerd en schepen konden niet varen vanwege de vernielde bruggen en vaarwegen. Volgens de restitutieregels kwamen de transportkosten van de vrijgegeven goederen tot aan de Duitse grens voor rekening van Duitsland. De kosten vanaf de grens tot aan de plaats van bestemming moesten door Nederland worden betaald. Maar gezien de toestand in Duitsland zou Nederland zelf voor de transportkosten moeten opdraaien. Daarom werd besloten eerst af te wachten hoe de situatie zich zou ontwikkelen, daar het voor de geallieerden ook van groot belang was om de infrastructuur in de kortst mogelijke tijd weer op orde te hebben. De voornaamste spoorwegverbindingen werden door de bezettende machten met de meeste spoed hersteld en al spoedig werden spoorwegwagons voor de restitutie van de goederen aan het Commissariaat ter beschikking gesteld. De door de Duitsers gevorderde Nederlandse schepen, die in grote getale in Duitsland aanwezig waren, werden met restitutiegoederen beladen en konden zodra de kanalen en rivieren weer bevaarbaar waren naar Nederland terugkeren. Indien het mogelijk was werd aan spoorwegvervoer de voorkeur gegeven. Alleen speciale partijen werden per schip vervoerd, zoals bijvoorbeeld grote partijen ijzer. Transport per auto vond bijna niet plaats, behalve zeer waardevolle zendingen of zeer gevoelige machines. Daar er zowel in België als in Frankrijk Nederlandse goederen werden aangetroffen en omgekeerd, werd er met deze landen een retroverse-restitutieovereenkomst gesloten. Dit hield in dat in Nederland aangetroffen Belgische en Franse goederen en omgekeerd naar het land van oorsprong werden teruggevoerd. Hiervoor werd op 19 oktober 1945 te Brussel een speciale missie ingesteld. Voor wat betreft de restitutie van goederen uit Frankrijk werd de missie in Brussel vanaf maart 1946 bijgestaan door een medewerker van de Nederlandse ambassade te Parijs. De Nederlandse goederen die in Oostenrijk werden aangetroffen, konden dankzij de goede samenwerking met de geallieerde autoriteiten in snel tempo worden gerestitueerd. Al in februari 1947 was het werk bijna afgerond, zodat het resterende restitutiewerk aan het Nederlandse gezantschap te Wenen werd overgedragen. In Tsjecho-Slowakije liep het restitutiewerk via het Nederlands gezantschap te Praag. Een officier van het Commissariaat deed het uitvoerende werk. Het Commissariaat kreeg van Tsjechoslowaakse kant alle mogelijke medewerking bij de opsporing en restitutie van de Nederlandse eigendommen. Als de goederen in Nederland waren aangekomen was de taak van het Commissariaat beëindigd. De goederen werden aan Rijksinstellingen overgedragen, die beslisten wat er verder met de goederen gebeurde. De goederen werden of aan de oorspronkelijke eigenaren teruggegeven, of aan personen die goederen waren kwijtgeraakt, welke niet waren teruggevonden. Als ontvanger in Nederland traden de volgende instellingen op: De Sectie Oorlogsbuit van het Ministerie van Financiën (voorheen Rijksbureau voor Metalen) voor alle machines, grondstoffen, transportmiddelen en dergelijke. Het Bureau Terugvoer Vaartuigen te Rotterdam (voorheen Marine Commissie Teruggave Vaartuigen) voor binnenschepen. Het Beheersinstituut (Nederlands-Indische Trust Maatschappij) voor waardepapieren, juwelen, diamanten en dergelijke. De Stichting Nederlands Kunstbezit voor alle culturele goederen. Met de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer werd een overeenkomst gesloten, dat de restitutiegoederen zonder formaliteiten de grens konden passeren, indien ze vergezeld waren van een speciale ladinglijst waarop vermeld stond dat het teruggevorderde goederen betrof. Vanaf 1948 werden de werkzaamheden van het Commissariaat belangrijk ingekrompen. Aan de ene kant omdat de verzoeken tot restitutie steeds minder werden en aan de andere kant omdat het onderzoek naar bepaalde goederen geen resultaat opleverde. Op 1 januari 1948 werkten er nog 27 officieren in Duitsland en telde het kantoor te Amsterdam nog 18 mensen. Op 1 januari 1949 waren er nog maar 12 mensen in Duitsland en 8 in Amsterdam werkzaam. Op 31 mei 1949 werd het nog resterende werk overgedragen aan het Bureau Herstelbetalingen en Recuperatiegoederen van het Ministerie van Financiën.
Johann Christoffel Escher (ca. 1685 - na mei 1749) De familie Escher is, voor zover bekend, afkomstig uit Kervenheim. Johann Christoffel moet omstreeks 1685 zijn geboren. Hij huwt op 17 november 1717 te Uedem am Nieder-Rhein de in 1686 geboren predikantsdochter Johanna Catharina Cochius. Uit het huwelijk worden zeven kinderen geboren: Johann Wilhelm (geb. 1720), Catharina Sophia (geb. 1722), Anna Louisa (geb. 1724), Regina (geb. 1726), David George (geb. 1728), Frans (geb. ca. 1730) en Frederik (geb. 1732). Johann Christoffel vervult de ambten van ontvanger der accijnzen (ca. 1720-1734) en burgemeester van Kervenheim (1728-1734). Hij was, volgens familie-overlevering, ook lijfwacht van Frederik Wilhelm I, koning van Pruisen. Johann Christoffel overlijdt na mei 1749. Op 18 mei 1749 vindt in de Nieuwe Kerk te Amsterdam het huwelijk plaats van zijn dochter Catharina Sophia met Alexander Wolters. Vader van de laatstgenoemde is vermoedelijk de ontvanger der accijnzen te Kalkar. Dr. David George Escher (1728-1768)De drie jongere broers van Catharina Sophia vertrekken op 2 februari 1756 met het VOC-schip De Sloterdijk (Kamer Amsterdam) naar Negapatnam. David George vertrekt als oppermeester, Frederik als tweedemeester en Frans als timmerman. De laatste blijft achter in Kaap de Goede Hoop, doch in een brief van 20 januari 1767, vermoedelijk aan de familie Wolters, schrijft hij, dat hij wil repatriëren als het hem goed gaat. De tijd waarin de broers vertrekken is niet gemakkelijk. In 1756 breekt de Zevenjarige Oorlog uit, waarbij de meeste Europese landen zijn betrokken. Engeland en Frankrijk strijden om de hegemonie ter zee en in de koloniën. Nederland blijft noodgedwongen neutraal, omdat er geen succes is behaald bij de legeraugmentatie en het vlootherstel. Aan de Coromandel-kust is het evenmin rustig: na de Portugezen en de Hollanders strijden nu de Engelsen en de Fransen om het specerijen-monopolie van de oriënt. Dr. David George Escher vestigt zich in Negapatnam als opperchirurgijn bij het militair hospitaal en als handelaar in sitsen. Op 1 april 1758 treedt hij in de Nederduits-hervormde kerk aldaar in het huwelijk met Geertruida Adriana Mattheus, dochter, van de onder-koopman en gouverneur van Paliacatta. Uit het huwelijk worden vier kinderen geboren: Johannes Petrus (1760-1839), Catharina Johanna (1762-1842), Geertruida (1763-1816), en David George (1767-1831). Reeds in 1765 is er sprake van terugkeer naar Holland. Begin 1768 keert dr. David George Escher om gezondheidsredenen terug naar Amsterdam. Zijn gezin vergezelt hem. Voor het definitieve vertrek wordt een acte van voogdij gepasseerd voor Balthasar Nicolaas Stoebbe, eerst gezworen klerk van politie en justitie op Ceylon. De reis aan boord van de Petronella Maria blijkt rampzalig te zijn voor het gezin. Tijdens de terugreis sterft dr. David George Escher. Zijn stoffelijk overschot wordt op circa 875 mijl ten noordoosten van St. Helena in een loden kist overboord gezet. Op 31 juli 1768, dertig uur na aankomst in Amsterdam, sterft ook de moeder. Zij wordt op 5 augustus begraven in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Tot tijdelijke directeuren hunner kinderen en goederen zijn de kapitein en stuurlieden benoemd. Na aankomst in Amsterdam wordt de voogdij overgedragen aan de familie: mr. Adrianus Canter Visscher, (oud-)raad van Nederlansch-Indië, grietman van Dantumadeel en bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie te Amsterdam; Jan Heemskerk, equipagemeester van de Admiraliteit te Rotterdam; Casparus Gerdts en Arij Ildijk, kooplieden te Amsterdam. Als curator voor de beide meisjes treedt op Daniël Canter Visscher, raad en vroedschap van Haarlem. De Amsterdamse weeskamer secludeert op 15 november 1768 de zaak, geheel volgens gebruik. Geertruida Escher huwt op 24 juni 1787 met ds. Hugh Mackay (1764-1847). Hierdoor wordt een scheiding van de nalatenschappen noodzakelijk. Op 16 juli 1787 wordt de acte van scheiding gepasseerd voor notaris De Waal Malefijt. De kinderen erven elk fl. 7302,70 en krijgen een jaarlijkse lijfrente van 320 livres, welke onder beheer van Johannes Petrus blijven. Met Johannes Petrus vangt tak a van de familie Escher aan. Deze zal in de inleiding verder buiten beschouwing worden gelaten. Zijn broer David George is de stamvader van tak b. David George Escher (1767-1831)Ondanks de ongelukkige start door het verlies van zijn ouders, verloopt het leven van dr. David George Escher redelijk succesvol. Hij wordt aanvankelijk opgevoed te Dokkum. Vervolgens wordt David George in 1782 ingeschreven als medisch student aan de universiteit van Groningen. Deze studie wordt in 1790 afgerond met een promotie. Bij request van 9 augustus 1790 verzoekt hij het stadsbestuur om binnen de stad Kampen medicijnen te mogen praktizeren. Het request wordt geaccordeerd. Het jaar 1791 luidt een versteviging van zijn maatschappelijke positie in. Op 17 augustus huwt hij Maria Adriana Wijnen (1769-1804). Zij is de dochter van de patriottische burgemeester van Hattem, Rudolph Antonius Wijnen. Twaalf dagen later verwerft dr. David George Escher het groot-burgerschap van Kampen. Dit opent nieuwe mogelijkheden voor hem. Bij request van 21 februari 1792 verzoeken dr. David George Escher en Broer Veenstra aan het stadsbestuur om een koornbranderij in het pand De Blauwe Handt te mogen oprichten. Het verzoek wordt ingewilligd. Lang heeft hij de koornbranderij niet gehad. In 1796 gaat de politieke carrière van dr. David George Escher van start: lid van de municipaliteit (1796-1798), schout van IJsselmuiden (1798-1811), maire van Zwartsluis (1811 - ca. 1814). Wellicht als gevolg van zijn verkiezing tot lid van de municipaliteit verkoopt hij op 1 october 1796 het in het ambt Oldebroek gelegen landgoed De Brand. Op 17 november daaraanvolgend verkoopt dr. David George Escher zijn deel van de koornbranderij en het pand aan het echtpaar Willem van der Hondt en Everdina van Ittersum. Dr. David George Escher wordt in 1798 tot schout verkozen, maar de beëdiging laat tot 30 maart 1803 op zich wachten. Dit wordt uitbundig gevierd. Tot één van de ambtsverrichtingen van dr. David George Escher als schout behoort het transport van het Hooge Huys te IJsselmuiden op 1 november 1803. In 1804 overlijdt zijn vrouw. Zij wordt, evenals de jong overleden kinderen, begraven in de Broerekerk te Kampen. Een jaar later hertrouwt dr. David George Escher met de koopmansdochter Maria van Olst (1773-1851). Uit dit huwelijk worden, behalve een jong overleden kind, vier zoons geboren: Berend George (1805-1864), Johannes Adrianus (1807-1892), Marthanus Petrus (1809-1875), en David George (1814-1876). Vermoedelijk heeft dr. David George Escher na 1814 geen openbare ambten meer bekleed. Na de Franse tijd is het politieke klimaat gewijzigd. Hij sterft op 23 april 1823 te Kampen. Berend George Escher (1805-1864)Berend George Escher is geboren in Kampen. In tegenstelling tot zijn voorouders kiest hij niet voor een universitaire studie. Bij Koninklijk Besluit van 29 mei 1820 wordt hij als buitengewoon adelborst geplaatst op De Dageraad. In die dagen is het niet-gemilitariseerde deel van de Nederlandse zeemacht onderverdeeld in Gouvernementsmarine, Koloniale Marine, en Auxiliair Eskader. De Gouvernementsmarine voert civiel-bestuurlijke taken ter zee uit. Het personeel is Europees. De thuishaven is Nederland. De Koloniale Marine heeft als voornaamste taak de bestrijding van de zeeroverij in de Indische Archipel. De bemanning is overwegend inlands; de hoogste rang is die van kapitein. De Koloniale Marine is permanent gevestigd in de Indische Archipel. Het Auxiliair Eskader is dat deel van de zeemacht, dat tijdelijk in de Indische Archipel is gedetacheerd. Met name tegen het midden van de 19e eeuw beginnen de reorganisaties in de marine op gang te komen. Na twee jaar varen legt Berend George Escher het examen voor adelborst der 1e klasse af. In 1824 volgen de examens voor luitenant der 2e klasse in de Middellandse Zee en in de Nederlanden. De rang van buitengewoon luitenant der 2e klasse wordt bereikt in 1827. Berend George heeft dan al verscheidene reizen achter de rug. De jaren 1830 en 1831 worden gekenmerkt door krijgsverrichtingen. Van 1 mei 1837 tot 21 juni 1840 wordt Berend George Escher gedetacheerd bij de Koloniale Marine. Hij wordt daar onder meer geplaatst op ZM schip Krokodil, dat hydrografische gegevens verzamelt voor de Commissie ter Verbetering van de Zeekaarten. Bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1838 nr. 3 wordt aan de kapitein-ter-zee J.C. Koopman de taak opgedragen om voorstellen te doen tot opheffing van de Koloniale Marine. Zij beantwoordt niet aan haar taak. Pas in 1840 wordt door zijn opvolger, de schout-bij-nacht E. Lucas tot feitelijke opheffing overgegaan. De schepen van de Koloniale Marine worden onder het bevel van de Gouvernementsmarine gebracht. Het Korps Zeeofficieren wordt omgevormd tot het Korps Mariniers. Op 9 juni 1842 treedt de luitenant-ter-zee der le klasse Berend George Escher in het huwelijk met Johanna Cornelia Pit. Uit het huwelijk worden, behalve twee vroeg overleden kinderen, vier kinderen geboren: George Arnold (1843-1939), Arnold August (1845-1877), Maria Johanna (1846-1898) en Johanna Adriana (1851-1901). Een jaar later wordt Berend George Escher benoemd tot adjudant bij de directeur en commandant der Marine te Vlissingen. Nog enige overplaatsingen volgen. De inmiddels tot kapitein-luitenant-ter-zee bevorderde Escher krijgt in 1853 het bevel over ZM instructiebrik Zeehond. De exercitie verloopt geheel naar wens van de minister. Escher's zoons maken beide de reis een keer mee. Een commissie bestaande uit de kapiteins Stavenisse de Brauw, Frucht, Vogelpoel, Steffens en de kapitein-luitenant Berend George Escher bieden in 1855 een rapport over de toestand van het Korps Zeeofficieren aan aan de minister van Marine. De commissie wijst onder andere op de nadelige gevolgen van het bevorderen door middel van overplaatsingen: er ontstaat geen hechte band tussen de bemanningsleden. Zij wijst tevens op het chronisch tekort aan goede zeeofficieren. Het jaar erop belandt hij in een lastig parket. Aan de minister van Marine, Smith van den Broeke, wordt wegens het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd eervol ontslag verleend. De Koning moet in de vacature voorzien. De keuze valt op Berend George Escher. Deze bereidt, op dat moment, als commandant van ZM Amalia een reis met Prins Willem Frederik Hendrik naar de Oostzee voor. De kapitein weigert de portefeuille van minister van Marine: er is een groot tekort aan goede zeeofficieren en hij ambieert geen politieke carrière. Bovendien heeft hij de rang van schout-bij-nacht nog niet bereikt. De Koning is gekrenkt. De situatie wordt gered door een ander in de vacature te benoemen, terwijl Berend George Escher directeur-generaal bij het departement van Marine wordt. Deze functie wordt al snel verwisseld voor die van inspecteur en adviseur voor het personeel en materieel der Marine. In 1857 wordt Berend George Escher benoemd tot directeur en commandant der Marine te Hellevoetsluis. De bevordering tot schout-bij-nacht komt in 1861 af. Hij zal nog eenmaal worden verplaatst, namelijk als directeur en commandant der Marine te Amsterdam in 1862. Op 1 juli 1864 wordt Berend George Escher als titulair vice-admiraal op pensioen gesteld. Acht dagen later overlijdt hij, geplaagd door reumatiek. Opvallend is de grote rol die het water heeft gespeeld in zijn gezin. Zijn zoon, de luitenant-ter-zee der le klasse Arnold August Escher, deed van 1873 tot 1875 dienst als chef de gamelle (toezicht op de scheepsrantsoenen) tijdens de Atjeh-oorlog. Zijn dochter Maria Johanna huwt op 25 juli 1867 de eerste luitenant der genie Willem Rooseboom (1843-1920). Na haar dood in 1898 wordt Willem Rooseboom benoemd tot Gouverneur-Generaal in Nederlandsch-Indië (1899-1904). Ook zijn zoon George Arnold Escher maakt van water zijn beroep. George Arnold Escher (1843-1939)De oudste zoon van Berend George Escher wordt geboren in 's-Gravenhage. George Arnold kiest niet voor het zeemansleven, maar wordt weg- en waterbouwkundig ingenieur. Hij wordt in 1859 ingeschreven aan de Koninklijke Akademie te Delft, waar hij in 1863 afstudeert. Ir. George Arnold Escher is een actief lid van het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs. Na zijn studie treedt hij in dienst bij de Staatsspoorwegen, waar hij meewerkt aan de aanleg van de spoorlijn Alkmaar-Nieuwendiep. In 1867 gaat ir. George Arnold Escher, na het afleggen van een vergelijkend examen, over naar Rijkswaterstaat. Een stap die beslissend is voor de rest van zijn leven. Hij wordt toegevoegd aan de hoofdingenieur van de Waterstaat te 's-Gravenhage. De eerste opdracht bestaat uit de vervaardiging van de waterstaatskaart van Nederland. Tot 1873 verlopen de overplaatsingen en bevorderingen volgens schema. Intussen heeft de Japanse regering aan ir. C.J. van Doorn verzocht om een ingenieur aan te trekken. De keus valt op ir. George Arnold Escher. Bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1873 gaat Escher met onbeperkt verlof met behoud van ancienniteit. In Japan werkt hij onder leiding van Van Doorn samen met de collega's Lindo en De Rijke. De taak bestaat uit het normaliseren van rivieren. Hiertoe zijn onder meer bevloeiingswerken nodig. I. George Arnold Escher wordt achtereenvolgens geplaatst te Osaka (25 september 1873 - 20 mei 1876), Mikuni (22 mei 1876 - 15 december 1876), Tokio (1877) en Shinanogawa (28 april 1877 - 31 juni 1878). De periode in Osaka wordt gekenmerkt door nevenprojecten. Op verzoek van de Engelse Kamer van Koophandel brengen Escher en De Rijke van 3 tot 25 augustus 1875 een bezoek aan Shanghai. Het doel is om tot een verbetering van de rivier de Wangpoo te komen. Het ontwerp hiervoor wordt later door Johan de Rijke ten uitvoer gebracht. Een tweede nevenproject omvat plannen voor het bevaarbaar maken van de riviermond te Karo (14 januari - 11 februari 1876). De rest van 1876 wordt doorgebracht in Mikuni. Mede op aandringen van Engeland wordt hier de haven verbeterd. Escher bouwt hier een pier. Tijdens zijn verblijf in Mikuni moet hij betrokken zijn geweest bij het ontwerp voor een school in traditionele stijl. In Tokio worden de gebruikelijke werkzaamheden verricht. Bovendien verschijnt een rapport over de hogedruk-waterleiding van Yokohama. Ir. George Arnold Escher heeft het leven in Japan uitvoerig beschreven in zijn memoires. Hij beschikt over een huishoudster/gezellin, O Matsu genaamd, en de tolk Kiyama. Zijn werk is zuiver technisch van aard; de administratie is in handen van de Japanse regering. De werkzaamheden van de Nederlandse ingenieurs zijn een aantal malen herdacht. In 1931 werd een standbeeld opgericht voor ir. C.J. van Doorn. Bij de inwijding van het Provinciaal Museum in de vroegere school te Mikuni, werd in 1981 ir. George Arnold Escher herdacht. Ter gelegenheid hiervan heeft de Japanse regering een delegatie van de familie Escher uitgenodigd. In juli 1878 wordt de terugreis naar Nederland aanvaard. De reis gaat via Hongkong, Singapore, Java, Egypte en Italië. Terug in Nederland stelt hij zich op de hoogte van de veranderingen. Hij engageert personeel voor de Japanse regering. Voorts verricht hij in Utrecht waarnemingen over kleuringen bij prof. Donders . Bij Koninklijk Besluit van 7 april 1879 wordt ir. George Arnold Escher weer opgenomen in het Korps Ingenieurs van de Waterstaat. Via Maastricht en Breda komt hij terecht in Gorinchem, waar hij wordt belast met de sectie Lek-Merwede van de aanleg van het Amsterdam-Merwedekanaal. In 1890 volgt de benoeming tot hoofdingenieur voor het district Friesland en Groningen, standplaats Leeuwarden. Tot zijn taken behoren de regeling van het bodempeil in Friesland en de verbetering van de haven van Delfzijl. Bij de verbetering van deze haven wordt, naar Frans voorbeeld, een kaaimuur voor zeeschepen gebouwd op een puttenfundering. In 1903 wordt Escher benoemd tot hoofdingenieur-directeur in de directie Gelderland. Wegens het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd wordt hem per 1 juli 1908 eervol ontslag verleend. Ir. George Arnold Escher heeft diverse maatschappelijke nevenfuncties bekleed. Hij is tweemaal gehuwd . Het eerst huwelijk met Charlotte Marie de Hartitzsch vond plaats in 1882. Uit dit huwelijk zijn twee zoons geboren: Edmond George (1883-1964) en Berend George (1885-1967). Zijn eerste vrouw overlijdt in 1885. Hij hertrouwt in 1892 met Sara Adriana Gleichman. Uit dit huwelijk worden nog drie zoons geboren: Johan George (1894-1969), Arnold August (1896-1925) en Maurits Cornelis (1898-1970). Ondanks de mooie carrière werpen het vroegtijdig overlijden van zijn eerste echtgenote en het verongelukken van zijn zoon Arnold August een schaduw over het leven van ir. George Arnold Escher. Hij overlijdt hoogbejaard in 1939. Berend George Escher (1885-1967)Berend George Escher is de te Gorinchem geboren tweede zoon uit het eerste huwelijk van ir. George Arnold Escher met Charlotte Marie de Hartitzsch. Zijn moeder overlijdt kort na zijn geboorte. Zijn vader schrijft hem, na de HBS, in aan de Eidgenossische Polytechnisch Hochschule van Zürich. Berend George promoveert aan deze hogeschool in 1911 op het proefschrift Ueber die praetriasische Faltung in den Westalpen, mit besonderer Untersuchung der Carbons an der Nordseite der Tödi. In hetzelfde jaar huwt hij de Zwitserse Emma Brosy (1888-1976). Uit het huwelijk worden behalve een jong gestorven zoon drie kinderen geboren: Rudolf George (1912-1980), Charlotte Adriana (geb. 1914) en Elisabeth (geb. 1918). Na een korte periode werkzaam te zijn geweest als privaatdocent, vertrekt dr. Berend George Escher voor de Bataafsche Petroleum Maatschappij naar Nederlandsch-Indië. Hier is hij betrokken bij de bodemkartering en opsporing van aardolie. Hij wordt in 1922 benoemd tot hoogleraar in de geologie, mineralogie, kristallografie en paleografie. In hetzelfde jaar wordt hij tevens directeur van het Rijksmuseum voor Geologie en Mineralogie te Leiden. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen biedt haar lidmaatschap aan in 1935. Een groot aantal publicaties verschijnt in de loop der jaren van zijn hand. Prof. dr. Berend George Escher bereikt het hoogtepunt in zijn loopbaan, wanneer hij in 1945 tot rector magnificus, wordt gekozen. Hij wordt bij zijn 25-jarig jubileum benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Na zijn emeritaat in 1955 blijven de banden met de universiteit bestaan. Na een werkzaam leven overlijdt Berend George Escher in Arnhem op 11 october 1967. Rudolf George Escher (1912-1980)De oudste zoon van prof. dr. Berend George Escher en Emma Brosy behoort tot de artistieke leden der familie. Rudolf George brengt zijn jongste jaren door in Nederlandsch-Indië. Het gezin keert terug naar Nederland in 1922 en gaat in Leiden wonen. Hier doorloopt hij de middelbare school. Rudolf George krijgt achtereenvolgens piano-, viool-, en schilderlessen, alsmede onderricht in harmonieleer. Hij is leerling aan het Toonkunst Conservatorium te Rotterdam. Hier krijgt hij compositieles van Willem Pijper. Zijn oeuvre begint in 1935 vorm aan te nemen. In 1937 huwt hij Beatrijs Jongert. Uit het huwelijk worden twee kinderen geboren. Bij het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 wordt het gehele werk van Rudolf George Escher vernietigd. Hij vlucht naar Reeuwijk. In de loop van de jaren verschijnen diverse publicaties van zijn hand over Debussy en Ravel. Ook in kranten, catalogi en naslagwerken publiceert hij artikelen. De composities van Rudolf George Escher worden meermaals bekroond. In 1941 krijgt Sinfonia in memoriam Maurice Ravel een eervolle vermelding bij de Alphons Diepenbrock-prijs. De stad Amsterdam eert hem met de Muziekprijs 1945 voor Musique pour l'esprit en deuil; Le vrai visage de la paix wordt in 1953 bekroond. De prof. van der Leeuw-prijs valt hem ten deel voor de compositie Le tombeau de Ravel. Zijn werk Sonate concertante voor piano en cello wordt met de Willem Pijper-prijs bekroond in 1967. Twee jaar later volgt de Visser-Neerlandia-prijs voor Quintetto à fiatti. Ten slotte ontvangt Rudolf George Escher de Johan Wagenaar-prijs voor zijn totale oeuvre. Rudolf George Escher is o.a. verbonden geweest aan het Amsterdamsche Conservatorium. Van 1964 tot 1977 is hij wetenschappelijk hoofdambtenaar aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Bij dit instituut heeft hij zich beziggehouden met audiologie en structuralistische musicologie. Rudolf George Escher heeft, op instigatie van de uitgever Balkema, in 1943 getracht om tot een artistieke samenwerking met zijn oom, de graficus Maurits Cornelis Escher, te komen. Deze samenwerking is mislukt. Rudolf George overlijdt, ernstig ziek, in 1980. Johan George Escher (1894-1969)Johan George Escher is de oudste zoon uit het tweede huwelijk van ir. George Arnold Escher met Sara Adriana Gleichman. Zijn eerste jaren brengt hij door in Leeuwarden. Na het gymnasium in Amersfoort meldt hij zich als vrijwilliger bij de landmacht voor een periode van twaalf jaar. Hij begint in hetzelfde jaar zijn studie rechten in Leiden. Johan George wordt in 1914 bevorderd tot reserve-korporaal, in 1916 tot reserve-sergeant. Hij slaagt in 1917 voor het kandidaatsexamen. Hij gaat van 1 december 1919 tot 9 augustus 1924 met groot verlof. Intussen wordt hij van de infanterie overgeplaatst naar de landweer. Op 19 juli 1926 loopt het dienstcontract af. Na het ontslag uit de militaire dienst treedt hij in het huwelijk met de onderwijzeres Emilie Cornelia Marie Nemitz (1899-1976). Uit het huwelijk worden twee zoons geboren: Arnold George (geb. 1931) en Johan George Balder (geb. 1935). Johan George legt in 1937 het doctoraal-examen rechten af. Hij wordt benoemd tot substituut-griffier bij het kantongerecht en het Gerechtshof in Amsterdam. Van mr. Johan George Escher zijn twee dichtbundels verschenen. De eerste, Het bezwaarde hart, dateert uit 1937. De tweede, Oude en nieuwe gedichten verschijnt vlak voor zijn dood in 1969. Maurits Cornelis Escher (1898-1972)Maurits Cornelis Escher is de jongere broer van bovengenoemde Johan George. Hij is evenals zijn broer in Leeuwarden geboren en brengt zijn eerste jaren door op het Princessehof aldaar. Het gezin verhuist in 1903 naar Arnhem. Hier doorloopt Maurits de middelbare school. Zijn opleiding tot graficus geschiedt aan de School voor Bouwkunst en Sierende Kunsten te Haarlem. Eén van zijn leermeesters is S. Jesserun de Mesquita. Na zijn studie kiest Maurits Rome als domicilie (1923-1935), vanwaar hij diverse studiereizen maakt door Italië, Spanje, Zwitserland en België. De eerste tentoonstelling in Nederland vindt plaats in 1924. Hij huwt in hetzelfde jaar de Italiaanse Giulia Umiker (geb. 1897). Uit het huwelijk worden drie zoons geboren: George Arnold (geb. 1926), Arthur Eduard (geb. 1928) en Jan Christoffel (geb. 1938). In het begin van de jaren dertig verschijnen enige boeken met houtsneden van Maurits Cornelis Escher. Een uitvoerige bestudering van de Moorse mozaïeken in het Alhambra te Granada leiden tot een keerpunt in zijn werk. Hij gaat over van landschappen naar beeldgedachten. Escher verplaatst zijn domicilie van Zwitserland, waar hij sinds 1935 woont, naar Brussel. Hij verhuist definitief naar Baarn in 1941. In 1958 verschijnt zijn boek Regelmatige vlakverdeling, een onderwerp, dat hem bijzonder boeit. In de jaren 1962 tot en met 1972 gaat zijn gezondheid snel achteruit. Een lezingen-cyclus in Amerika moet worden afgelast. Hij overlijdt te Hilversum in 1972. Over het werk van Maurits Cornelis Escher is veel geschreven. Tijdens zijn leven is hij tweemaal onderscheiden: ridder en officier in de Orde van Oranje-Nassau, respectievelijk in 1955 en 1967. De familie GleichmanDe grootgrondbezitters-familie Gleichman komt omstreeks 1760 naar Rotterdam. Zij verstevigt haar positie door huwelijken met leden van gevestigde handelsfamilies of die veel politieke invloed hebben. De bekendste telg uit dit geslacht is mr. Johan George Gleichman (1834-1906). Hij heeft vele functies en ambten bekleed: advocaat te 's-Gravenhage, agent (1867) en directeur-secretaris der Nederlandse Bank (1870), minister van Financiën (1877-1879), lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1880-1901), voorzitter dier Kamer (1891-1901), curator van de Rijksuniversiteit te Utrecht (1895-1897), minister van Staat (1898 -1906) en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (1901-1906 De naam Gleichman is verbonden aan een aantal belasting-maatregelen om de schulden, veroorzaakt door de Atjeh-oorlog, te dekken: de wet op het recht van successie en overgang in de rechte linie (1878 ); de effectenbelasting; en de wet tot herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen (1879). Zijn politieke faam heeft hij echter verworven als voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De familie BogaersDe familie Bogaers verhuist in de veertiger jaren van de 18e eeuw van Geldrop naar 's-Gravenhage. Adriaan Bogaers (1722-1809) en zijn zoons Jan (geb. 1765) en Frans (geb. 1786) maken carrière als ambtenaar bij de Raad van State. Het bekendste familielid is echter de zoon van Frans, Adriaan Bogaers (1795-1870). Adriaan krijgt extra wiskundelessen om een betere maatschappelijke positie te kunnen bereiken, indien hij in dienst moet. In dat kader legt hij ook het landmetersexamen af [1]. Vervolgens gaat hij rechten studeren om aan de conscriptie te ontkomen. Na een korte studie wordt hij advocaat te Rotterdam (1813 ); plaatsvervangend rechter (1829), lid van de arrondissementsrechtbank (1838), rechter-commissaris, vice-president van de rechtbank (1847). Toenemende doofheid maakt het hem in l853 onmogelijk om nog langer zijn vak uit te oefenen. Adriaan Bogaers is voornamelijk bekend om zijn vele dichtwerken en artikelen over taalkundige onderwerpen. De meest bekende hiervan zijn: De togt van Heemskerk naar Gibraltar (1837), Verhandeling over het wezen der uiterlijke welsprekendheid (1839), voorts werken over Bilderdijk en Anna Bijns. Hij is zijn hele leven actief geweest in literaire kringen en was intiem bevriend met Tollens. Adriaan Bogaers was meester in de Orde van de Vrijmetselarij. De dood van zij vrouw, Maria Elisabeth Gleichman (1804-1829), is hij nooit te boven gekomen.
1.1 Eerste organisatie: Geneeskundig Bestuur en Inspecteur-Generaal van de Geneeskundige Dienst [der Land- en Zeemacht] 1813-1822 Bij de organisatie van de geneeskundige dienst van het Nederlandse leger dat na de Restauratie van 1813 werd opgericht, werd in sterke mate teruggegrepen op de situatie zoals die voor 1813 had bestaan. Eerst werd, in een groot aantal organisatie- en formatiebesluiten, de omvang en samenstelling van de verschillende wapens en eenheden (korpsen) van de Landmacht geregeld, waarbij in het voetspoor van vroeger de aanwezigheid van geneeskundig personeel op bataljonsniveau werd bepaald. Ook in de "(militaire) hospitaalgeneeskunde" sloot men aan bij de van het vorige bestuur geërfde toestand. Het SB van 2 december 1814 nr. 122 regelde de inrichting van het garnizoensbataljon van 10 garnizoenscompagnieën (De compagnieën, ieder ter sterkte van een bataljon infanterie, zouden worden samengesteld uit personeel dat elders wegens langdurige dienst, opgelopen verwondingen of andere ongemakken niet in aktieve dienst kon blijven, en werden gelegerd te 's-Gravenhage, Woerden, Delfzijl, Breskens, Coevorden, Axel, Veere/Bath, Sluis, Sas van Gent/Philippine/Hulst, en Den Helder/Texel.) inklusief hun geneeskundig personeel, konstateerde het bestaan van "militaire hospitalen" en bepaalde dat waar die ontbraken, zo nodig "ziekenkamers" zouden worden ingericht. Het SB van 19 maart 1814 nr. 21 had reeds de traktementen bepaald van officieren van gezondheid en administratieve geëmployeerden bij hospitalen en hun indeling in klassen bestendigd ( Naast elkaar, en soms dooreen, vindt men de volgende termen in gebruik: chirurgijn-majoor = officier van gezondheid 1e kl. Aide-chirurgijn = officier van gezondheid 2e kl. Chirurgijn-élève = officier van gezondheid 3e kl). Bij rondschrijven van 16 april 1814 nr. 8 berichtte de minister van Oorlog, dat de chirurgijns-majoor weliswaar bij de korpsen waren gedetacheerd, doch aldaar vanaf 1 april 1814 niet meer in betaling zouden staan. Zij zouden vanaf die datum worden betaald ten kantore van de betaalmeester van Oorlog "alhier" of bij de betaalmeester van het leger te velde. Ook dienden chirurgijns-majoor, voorzover opgenomen in de monsterrollen der korpsen, vanaf 1 april daarvan te worden afgevoerd. Uitdrukkelijk bepaalde de minister, dat deze regelingen niet golden voor aide-chirurgijns en chirurgijn-élèves, welke bleven behoren tot de korpsen waar zij waren geplaatst en daar ook in betaling zouden blijven. Dit voorschrift kan worden beschouwd als het startpunt van de "militair-geneeskundige dienst" als een eigen formatie. De hogere leiding van het dienstvak was inmiddels reeds in handen gelegd van het "Geneeskundig Bestuur over de Armée", dat bij SB van 22 december 1813 nr. 3 ingaande 1 januari 1814 was ingesteld. Het zou bestaan uit drie genees- en heelkundigen, waarvan tenminste twee chirurgijn-majoors, en een secretaris die "schei- en artsenijmengkundige" diende te zijn. Het werd belast met "de zorg over de geneeskundige inrichtingen bij de geheele Armée van den Staat", en meer bepaald met alles wat, zowel bij de veld- als de sedentaire hospitalen als in de garnizoenen en garnizoenshospitalen, zowel in administratieve als geneeskundige zaken vereist was. Het Bestuur zou wel "afgescheiden" zijn van, maar tevens verantwoordelijk aan, het departement van Oorlog, en het zou de commissaris-generaal [minister] van Oorlog van advies dienen in alle zaken welke deze wenste voor te leggen. Het zou examens afnemen van kandidaat-officieren van gezondheid in ontleed-, genees- en heelkunde, en voordrachten indienen bij de minister voor hun aanstelling. Ook zou het Bestuur voordrachten indienen voor instrukties voor alle delen van de (geneeskundige) dienst, en door "correspondentie en visitatiën" op de korrekte uitoefening daarvan toezien. Het werd speciaal belast met het toezicht op en de voorziening van 's Lands Magazijn van Geneesmiddelen en 's Lands Magazijn van Hospitaalfournitures, beide in Den Haag gevestigd. Het Bestuur werd gemachtigd om veranderingen en verbeteringen in de geneeskundige inrichtingen bij de krijgsmacht rechtstreeks in te voeren dan wel voor te dragen. Bij SB van 14 oktober 1814 nr. 10 werd de Leidse hoogleraar S.J. Brugmans benoemd tot Inspecteur-Generaal over de Geneeskundige Dienst van de Armée in de Nederlandse en Belgische Provincies. Aan deze post werd verbonden het voorzitterschap van het Geneeskundig Bestuur. In het SB van 27 februari 1815 nr. 201, op voordracht van de minister van Oorlog van 6 februari 1815 nr. 4, werd verduidelijkt, dat de eerste benoeming van Brugmans betrekking had gehad op de Landmacht, terwijl hij nu ook werd aangesteld als Inspecteur-Generaal van de Geneeskundige Dienst van 's lands Zeemacht. Tegelijk werd een instruktie voor zijn twee betrekkingen vastgesteld. In deze instruktie werd de Inspecteur-Generaal van de Geneeskundige (IG) belast met het toezicht over de werkzaamheden van het Geneeskundig Bestuur der armee en over de verrichtingen van de officieren van gezondheid en van de administrateurs der hospitalen. Veel van wat eerder aan het Geneeskundig Bestuur was opgedragen, werd nu tot de taak van de IG gerekend. Diens opdracht was ook een samenhangend [geneeskundig] reglement voor de "Nederlandsche armee" voor te stellen. Zelf diende de IG de belangrijkste hospitalen van de armee en de marine één maal per jaar te inspekteren, terwijl hij de andere leden van het Geneeskundig Bestuur kon opdragen andere hospitalen aan inspektie te onderwerpen. Inspektiebevindingen dienden in een jaarlijks verslag van de staat van de gehele geneeskundige dienst der hospitalen en van de inrichtingen van quarantaine neergelegd te worden. Voordrachten tot aanstelling, bevordering, ontslag en pensionering van officieren van gezondheid en ambtenaren der geneeskundige dienst van de Landmacht zou de IG, na raadpleging van het Geneeskundig Bestuur, indienen bij het departement. Het staatshoofd hield in overweging om de IG dezelfde bevoegdheid toe te kennen ten aanzien van officieren van gezondheid aan boord van marineschepen. Het bestaan van 's Lands Magazijn van Geneesmiddelen en 's Lands Magazijn van Hospitaal-fournitures, beide te 's-Gravenhage gevestigd, was intussen in het instellingsbesluit van het Geneeskundig Bestuur gekonstateerd. Bepaald werd dat het Geneeskundig Bestuur voordrachten zou doen voor de leiding van beide magazijnen, waarbij voor het eerste een apotheker, en voor het tweede een magazijnmeester moest worden gezocht. Bij SB van 27 februari 1815 nr. 202 werd bovendien (her)opgericht de Kweekschool van Militaire Geneeskunde, te vestigen in het Militair Hospitaal te Leiden (Ook dit was een erfstuk uit de Bataafs-Franse tijd. Het Algemeen Militair Hospitaal te Leiden fungeerde toen, onder het Bureau van Gezondheid/Geneeskundig Bestuur, als instituut waar het praktische deel van het voorgeschreven examen voor chirurgijn-majoor werd gehouden. Vermoedelijk vanaf 1803 werd het onderwijs aan aspiranten der militaire geneeskunde er geconcentreerd, hetgeen het instituut de naam "Hospitaal van Instructie" opleverde. In 1808 werd het omgedoopt tot Groot Koninklijk Militair Hospitaal. Het hopsitaal werd, mogelijk mèt de daar ondergebrachte opleiding, in 1810 verplaatst naar het Binnenhof te 's-Gravenhage. Vanaf 1 januari 1814 was te Leiden, op dezelfde plaats als voorheen, weer een militair hospitaal gevestigd, waarin dus in 1815 de Kweekschool werd ingericht.). Leerlingen voor de geneeskundige dienst van Land- en Zeemacht zouden daar worden onderwezen in genees-, heel- en artsenij-mengkunde, door officieren van gezondheid werkzaam in het hospitaal te Leiden, alles volgens een nog vast te stellen reglement. Het bijzonder bestuur en toezicht over deze school werd opgedragen aan de IG, die halfjaarlijks aan de ministeries van Oorlog en Marine diende te rapporteren. Een deel van de leerlingen zou bezoldigd worden. Naar behoefte van Land- en Zeemacht konden verder vrijwillige (onbezoldigde) leerlingen in opleiding kunnen komen. Aangenomen leerlingen werden verplicht om voor elk jaar opleiding later drie jaar als officier van gezondheid te dienen. Detachering van reeds dienende officieren van gezondheid voor verdere opleiding was mogelijk. Bij KB van 20 maart 1817 Litt. N3, nr. 74 werd de eerste organisatie van de geneeskundige dienst veranderd. Ingaande 1 mei werd het Geneeskundig Bestuur opgeheven. De taak ervan zou worden uitgeoefend door de Staatsraad Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog, geassisteerd door een Inspecteur-Generaal en twee Inspecteurs. Dezen dienden gegradueerd te zijn in de natuur-, ontleed-, genees- en heelkunde, met ervaring in de artsenij-mengkunde, en zoveel mogelijk reeds dienend bij de "armee". Aan de Inspecteur-Generaal werd, onder de bevelen van de Intendant-Generaal, het algemene oppertoezicht over de geneeskundige dienst en het toezicht over de algemene Rijksapotheek opgedragen. De Inspecteurs werden, eveneens onder de bevelen van de Intendant-Generaal, belast met het onmiddellijk toezicht over de geneeskundige dienst in een aantal provincies. Zij zouden zetelen te Leiden en Leuven. De verhouding van de IG en de Inspecteurs tot de departementen van Marine en van Koophandel en Koloniën konden nader worden geregeld, op voordrachten in te dienen door deze departementen. Beschouwd in samenhang met de nadere uitvoeringsbeschikking van de Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog van 23 april 1817 nr. 25 en 26 is duidelijk dat de reorganisatie van 1817 geen drastische afwijkingen van de situatie voorheen behelsde. Tegen twee medeleden van het Geneeskundig Bestuur voorheen, had de IG nu te maken met twee onderhebbende Inspecteurs, aan wie een territoriaal ressort was toegewezen. Zijn taak en kompetentie bleven globaal genomen gelijk. Wel werd zijn bevelsbevoegdheid jegens alle lagere echelons van de geneeskundige dienst nu uitdrukkelijk geformuleerd. Het toezicht op 's Rijks Magazijn van Geneesmiddelen, inzake bevoorrading met medicijnen en chirurgische behoeften èn de comptabiliteit, was voorbehouden aan de IG. Het KB regelde de bezetting van het "groot laboratorium" in dat Magazijn, waar de bereiding van geneesmiddelen voor mens en dier werd verricht voor de Landmacht, de Marine en de koloniën. Een depot te Brussel van het Magazijn werd opgeheven; de gehele bevoorrading van de krijgsmacht zou geschieden vanuit het Algemene Magazijn te Den Haag. Uitdrukkelijk werd nu ook de veterinaire zorg bij de Landmacht tot de kompetentie van de IG en de Inspecteurs gerekend. Het KB regelde voorts het aantal officieren van gezondheid bij de korpsen en in de hospitalen (Blijkbaar behelsden de regelingen een reductie van het aantal officieren van gezondheid. De Intendant-Generaal schreef in zijn circulaire van 23 juni 1817 nr. 36 dat deze vermindering tot gevolg had dat deze officieren niet altijd bij alle exercities en inspecties aanwezig konden zijn, omdat hun aanwezigheid in de apotheken (voor het bereiden van medicijnen) en elders (voor "het meer ongelimiteerd soigneren (..) van de heeren officieren met derzelver vrouwen en kinderen") voorrang had.) alsmede dat van de hospitaal-geëmployeerden. Officieren van gezondheid dienden nu aan een bevoegde hogeschool te zijn gepromoveerd tot doctor in de medicijnen, terwijl apothekers bewijzen van voldoende bekwaamheid in het Latijn en in de schei- en artsenijmengkunde dienden te geven. Ook de toelating van leerling-apothekers tot het Rijks Magazijn van Geneesmiddelen werd geregeld. De benoeming van niet-militair personeel werkzaam in de militaire hospitalen geschiedde door de Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog dan wel op diens voordracht door de minister. Men herkent hierin een grondtrek van de organisatie van het militaire hospitaalwezen tot 1880: de geneeskundige zorg ressorteerde onder de IG, de huishoudelijke en comptabele direktie onder de militaire administratie. De officieren van gezondheid en de administrateurs bij de hospitalen zouden dan ook geen gezag over elkaar hebben, maar op voet van gelijkheid samenwerken. Het KB beval de vorming van een vast korps ziekenoppassers, dat op militaire voet zou worden ingericht. Bepaald werd, dat er te Leiden en Leuven een groot Rijkshospitaal zou worden geopend voor de behandeling van chronisch zieken. Deze hospitalen zou tevens dienen voor het genees- en heelkundig onderwijs aan de hogescholen ter plaatse. De eerste officier van gezondheid in beide hospitalen zou de titel voeren van professor in de medicijnen aan de hogeschool ter plaatse. Leerlingen zouden in deze twee grote Rijkshospitalen de dienst waarnemen van officieren van gezondheid en apothekers 3e klasse. De "commissaris-generaal [minister] voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen" [bedoeld werd de minister van Binnenlandse Zaken] en de Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog zouden gezamenlijk een nadere voordracht doen om de verdere inrichting van de twee grote hospitalen alsmede van garnizoenshospitalen in de vestigingsplaatsen van hogescholen in overeenstemming te brengen met de organisatie van het hoger onderwijs. Voorzien werd verder in de geleidelijke instelling van maximaal 20 garnizoenshospitalen, in plaatsen "alwaar (..) het garnizoen op den duur honderd of meer zieken oplevert (..)". Elders zouden zieken in "burger-gasthuizen" verpleegd moeten worden. Militaire geneeskundigen zouden, uitzonderingsgevallen daargelaten, niet civiel mogen praktiseren. Nog datzelfde jaar werd, bij KB van 20 maart 1817 litt. O3 nr. 75 een algemene korting van 11/2 % ingevoerd op officierstraktementen wegens de kosten van hun vrije geneeskundige verzorging. Bij KB van 30 november 1817 nr. 8 werd een "Reglement op het visiteeren van manschappen, of zij al of niet tot den militairen dienst geschikt zijn", vastgesteld. Daarmee was het eerste keuringsreglement voor de militaire dienst een feit. Vermoedelijk met het oogmerk om de inrichting van geneeskundige dienst te laten aansluiten op het Provisioneel Reglement van Administratie van de Landmacht en tegelijk de basis te scheppen voor noodzakelijk geworden bezuinigingen, werd de inrichting ervan bij KB van 24 april 1819 Litt. X2 opnieuw omschreven. Vooral t.a.v. het militaire hospitaalwezen werden wijzigingen ingevoerd. Ingevolge dit besluit werd bij ministeriële beschikking van 25 oktober 1819 een reglement op de administratie der hospitalen en ziekenzalen, ter sterkte van 347 artikelen, van kracht. Inmiddels was wel, ingevolge KB van 3 juni 1819 nr. 63, het aantal militaire hospitalen teruggebracht, terwijl bij KB van 10 juli 1819 nr. 139 in het aantal officieren van gezondheid en apothekers was geschrapt. Als gevolg daarvan werden de funkties van eerste officier van gezondheid in de grote Rijkshospitalen en Inspecteurs van de Geneeskundige Dienst ineengeschoven, echter met handhaving van de oorsponkelijke inspektietaak van de Inspecteurs. Bij KB van 9 december 1819 nr. 65 werden zij daarvan echter ontheven. Bepaald werd dat de Inspecteurs zich voortaan geheel zouden wijden aan hun werkzaamheden in de grote Rijkshospitalen en aan de advisering van de minister van Oorlog en de Inspecteur-Generaal van de Geneeskundige Dienst der Land- en Zeemacht (IGGDLZ ( Hoewel de Inspecteur-Generaal reeds vanaf februari 1815 kompetent was voor de Geneeskundige Diensten van Land- en Zeemacht, treft men in de regelgeving tot in 1819 zijn titel slechts aangeduid als Inspecteur-Generaal of Inspecteur-Generaal van de Geneeskundige Dienst. Vermoedelijk is de volledige vermelding in het hier aangehaalde KB het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling in het spraakgebruik.). Het ministerie van Oorlog kreeg opdracht om zo spoedig mogelijk een reglement voor de Geneeskundige Dienst [voor de Landmacht] op te stellen. Dat reglement werd, samen met een reglement op de administratie der garnizoensinfirmerieën, bekend gemaakt bij ministeriële circulaire van 9 februari 1821 nr. 41. Het Reglement op de Geneeskundige Dienst bepaalde dat het bestuur van die dienst konform het KB van 20 maart 1817 Litt. N3 nr. 74 werd uitgeoefend door het departement van Oorlog ( De funktie van Intendant-generaal van de Administratie van Oorlog, waarover het KB van 1817 nog repte, was inmiddels al geruime tijd opgeheven.), geassisteerd door de IGGDLZ. Het regelde de plichten, taken, onderlinge verhoudingen en ook de rapportages van het geneeskundige personeel van de Landmacht, waarbij met name aan het onderwerp "keuringen" ruime aandacht werd besteed. Daartoe refereerde het nog aan het keuringsreglement van 1817, hoewel bij KB van 15 januari 1821 nr. 59 reeds een vervangend keuringsvoorschrift was vastgesteld werd het reglement van 1821 opnieuw vervangen.). Ook de funktie van het Rijks Magazijn van Geneesmiddelen werd omschreven, nadat al bij KB van 10 mei 1820 nr. 27 de formatie daarvan opnieuw was vastgesteld. Het Reglement op de administratie der garnizoensinfirmerieën regelde het bestaan, inrichting en werkwijze van deze instituten, in plaatsen waar geen hospitalen of ziekenzalen maar wel troepen waren. T.a.v. de hospitalen en ziekenzalen bleef de regelgeving van 1817 en 1819 intakt. 1.2 Inspecteur(-Generaal) van de Geneeskundige Dienst der Land- (en Zee)macht, 1822-1852 Bij KB van 30 maart 1822 nr. 93 werden de grote Rijkshospitalen te Leiden en Leuven ingaande 1 juli 1822 opgeheven, evenals de twee Inspecteursfunkties aan het hoofd erven. De IGGDLZ gaf nu rechtstreeks leiding aan de dienst. Eén nieuw groot Rijkshospitaal te Utrecht werd voorzien, te vestigen in het gebouw van de garnizoensziekenzaal aldaar. Het hospitaal zou de bestemming en formatie hebben die in 1819 resp. 1817 waren bepaald voor de twee nu opgeheven hospitalen. Het aantal officieren van gezondheid en apothekers van de geneeskundige dienst werd opnieuw gereduceerd ( Als een soort "afvloeiingsregeling" werden bij KB van 23 november 1823 nr. 96 de regels verruimd volgens welke officieren van gezondheid, die na twintig of meer dienstjaren gepensioneerd of eervol ontslagen werden, zonder nader examen civiel konden praktiseren. Verdere verruiming vond plaats bij KB van 25 juni 1840 nr. 88, ongetwijfeld een voorbode van de bezuinigingen vanaf 1840.). Tot 1831 bleef de formatie van de geneeskundige dienst der Landmacht nagenoeg ongewijzigd. Bij KBs van 9 maart 1831 nr. 16, 10 mei 1831 nr. 14 en 18 augustus 1831 nr. 34 werd het geneeskundige personeel "tijdelijk" vermeerderd wegens de omstandigheden van de Belgische opstand. Bij ministeriële circulaire van 8 augustus 1831 nr. 5 werd vastgelegd dat ook deze tijdelijke officieren van gezondheid, en alle adjunkt-paarden-artsen, op de gewone wijze in de officiersstamboeken bij de korpsen dienden te worden ingeschreven. Eerder, bij KB van 23 januari 1831 nr. 21, was besloten tot de oprichting van een compagnie hospitaalsoldaten "op voet van oorlog". Inmiddels was bij KB van 1 oktober 1822 nr. 80 de organisatie en formatie van 's Rijks Magazijn van Geneesmiddelen weer herzien. Het onmiddellijk toezicht over het Magazijn werd opgedragen aan de eerste officier van gezondheid bij het bureau van de IGGDLZ, terwijl de financiële verantwoording werd opgedragen aan de eerste klerk verbonden bij dat bureau. De ontvangst, uitgifte en verantwoording van geneesmiddelen en andere artikelen zou door één van de twee apothekers worden verricht, terwijl de andere belast zou zijn met de werkzaamheden in het Laboratorium. Bij KB van 5 november 1823 nr. 125 werd vervolgens een voorziening getroffen voor de opleiding van militaire paarden-artsen door het scheppen van vier, naderhand zes, opleidingsplaatsen aan de in Utrecht reeds bestaande Rijks Veeartsenijschool. Het KB regelde toelating, studieduur en dienstverplichting van de leerlingen, en opende de mogelijkheid voor officieren van gezondheid en leerlingen studerend bij het Rijkshospitaal te Utrecht [in de humane geneeskunde dus] tot het volgen van veterinair nevenonderwijs. Bij rondschrijven van 22 mei 1824 nr. 11 van de minister van Oorlog werd zijn "Instructie ter regelmatige waarneming van den dienst der paarden-artsen (..)" bekendgemaakt, de veterinaire pendant van het Reglement op de Geneeskundige Dienst van 1821. Konform het KB van 20 maart 1817 litt. N3 nr. 74 werden paardenartsen gerekend tot de geneeskundige dienst van de armee en stonden zij onder toezicht van de IGGDLZ. 's Rijks Magazijn van Geneesmiddelen werd aangewezen voor de bevoorrading met veterinaire medicijnen en gereedschappen. In het tijdvak 1822-1841 moest het ministerie verschillende malen ingrijpen ter voorkoming van misstanden. Het KB van 26 juni 1825 nr. 120 trof voorzieningen waardoor de uitstroom naar de civiele praktijk van militair geneeskundigen die op Rijkskosten waren gepromoveerd, kon worden tegengegaan. Bij ministeriële beschikking van 8 september 1826 nr. 31 werd, verwijzend naar het KB van 20 maart 1817 litt. O3, nader omschreven voor wie het privilege van vrije geneeskundige verzorging gold. Bij KB van 10 maart 1827 nr. 146 werd paal en perk gesteld aan het willekeurig ontslag nemen door leerlingen bij het groot Rijks Hospitaal te Utrecht. Bij KB van 5 maart 1841 nr. 90 werd, ingaande 1 april 1841, de omvang van de geneeskundige dienst van de Landmacht opnieuw vastgesteld. Behalve in het aantal werd ook krachtig in de bezoldiging van officieren van gezondheid gesnoeid. De uitoefening van civiele praktijk door aktief dienende militaire geneeskundigen werd opnieuw verboden, behoudens bij consultatie door een civiele arts. Nieuw was de funktie Inspecteur van de Geneeskundige Dienst der Landmacht (IGDL), waarvan het bestaan eenvoudig werd gekonstateerd. Vervolgens werd bij KB van 5 maart 1841 nr. 91 aan de hoogleraar Bernard wegens gevorderde leeftijd eervol ontslag verleend als IGGDLZ. Tegelijk werd tot IGDL benoemd dr. P.L. Beckers, die tevens de werkzaamheden van IGGDLZ zou waarnemen zolang in die vakature niet zou zijn voorzien. Pas bij KB van 6 december 1845 nr. 3 werd Beckers benoemd tot IGGDLZ. Bij KB van 7 juni 1841 nr. 11, was onderwijl de organisatie van het departement van Oorlog opnieuw geregeld. In de afdeling Administratie werd het 3e bureau gevormd, o.m. belast met de "administratie van de geneeskundige dienst en der hospitaals etablissementen". Daarnaast zou door het departement worden voorzien in het verstrekken van officieren en beambten voor het bureau van de IGGDLZ, waartoe werden bestemd: 3 1e luitenants, 1 schrijver 1e klasse, 1 der 2e klasse en 1 der 3e klasse. Bij successieve reorganisaties van het departement blijkt steeds weer dat het bureau van de wnd. IGGDLZ (dus de IGDL) deel uitmaakte van de organisatie van het departement, zij het soms met wijziging van de samenstelling. Het KB van 1 december 1841 nr. 80 verstrekte een nieuw reglement voor toelating tot de Rijkskweekschool voor militaire geneeskundigen, waarin ook de bevorderingsregels voor officieren van gezondheid, apothekers en paardenartsen werden neergelegd. Aan het eind van de vierjarige kweekschool stond een vergelijkend examen, dat de weg opende naar voordracht tot officier van gezondheid der 3e klasse, hetzij bij de Landmacht, hetzij bij de Zeemacht, hetzij bij de overzeese bezittingen. Bevordering van geneeskundigen naar een hogere klasse geschiedde opnieuw na een met goed gevolg afgelegd vergelijkend examen. Bij KB van 10 november 1843 nr. 48 werd het militaire hospitaalwezen gereorganiseerd. Het grote Rijkshospitaal te Utrecht en de bestaande garnizoensinfirmerieën werden gehandhaafd, maar van de garnizoenshospitalen bleven er zeven over, terwijl de overigen, èn alle ziekenzalen, omgevormd werden tot infirmerieën. Omschreven werden de categorieën personeel, die voor verpleging in de hospitalen in aanmerking kwamen, mèt de kosten die hun daarvoor in rekening werden gebracht. Verpleging in de hospitalen van gedetineerde militairen terecht staande voor krijgsraden vond plaats op kosten van het departement van Justitie. Het toezicht werd uitgeoefend door de militaire intendanten, waardoor de onderbrenging van het hospitaalwezen onder de militaire administratie werd bestendigd. In plaatsen zonder militaire ziekeninrichting zouden zieke militairen verpleegd worden in burgerlijke etablissementen. In de jaren-1840 lijkt vervolgens afbrokkeling van het ressort van de IGGDLZ op gang te komen. Of de waarneming van die funktie door de IGDL daarbij van invloed is geweest, is niet duidelijk. Bij KBs van 27 april 1844 nr. 99 en 12 januari 1845 nr. 60 werden overeenkomstige regelingen getroffen voor de toelating tot de Rijkskweekschool voor militaire geneeskundigen van leerlingen bestemd voor resp. de Marine en het leger in Oost-Indië, waarin nog bepaald werd dat de voordrachten door de IGGDLZ zouden worden gedaan. Bij beschikking van de minister van Koloniën van 14 januari 1846 Litt. C nr. 29 werd echter een reglement vastgesteld voor de toelating van leerling-militaire apothekers voor Oost-Indië tot de opleiding bij de hoogleraar in de wis- en natuurkunde te Utrecht G.J. Mulder, waaraan de IGGDLZ in het geheel niet meer te pas kwam. En bij KB van 8 december 1848 nr. 103 werd vastgesteld het reglement voor de militaire geneeskundige dienst in Nederlands-Indië, op voordracht van de minister van Koloniën en zonder dat van enige bemoeienis van het ministerie van Oorlog blijkt. Art. 18 bepaalde slechts, dat correspondentie van de "Chef over de geneeskundige dienst" in Indië met de IGGDLZ uitsluitend kon handelen over onderwerpen van wetenschappelijke aard, en gevoerd zou worden door tussenkomst van het ministerie van Koloniën. De opheffing van de post van IGGDLZ volgde begin jaren 1850. Bij KB van 8 november 1850 nr. 63 werd de IGGDLZ Beckers gepensioneerd en bij KB van 31 januari 1851 nr. 10 werd bepaald dat de werkzaamheden van de IGGDLZ, zolang daarover niet nader was beschikt, waargenomen zouden worden door de IGDL. Met de werkzaamheden van IGDL werd belast -- zonder in de funktie benoemd te worden -- L.P.I. Snabilié. Uit de voordracht van de minister van Oorlog valt te lezen dat de funktie van IGGDLZ op de nominatie stond om te worden wegbezuinigd. Bij KB van 26 september 1851 nr. 60 werd dan ook, in het kader van een reorganisatie van de Geneeskundige Dienst van de Landmacht, de leiding en het bestuur van de Geneeskundige Dienst van de Land-en Zeemacht toegedacht aan een Inspecteur (IGDLZ), ter vervanging van de vroegere (en duurdere) Inspecteur-Generaal (IGGDLZ). Het traktement van deze IGDLZ zou voor 4/5 door het departement van Oorlog, en voor 1/5 door dat van Marine worden bekostigd. Lang duurde deze inrichting niet. Bij KB's van 30 november 1852 nrs. 101-104 werd, op voordracht van het ministerie van Marine, een einde gemaakt aan de Zeemacht-bemoeienis van de IGDLZ Snabilié en de funktie van Inspecteur van de Geneeskundige Dienst der Zeemacht (IGDZ) ingesteld, waarin benoemd werd G.F. Pop. Vermoedelijk omdat het toezicht op de Rijkskweekschool voor militaire geneeskundigen en 's Rijks Magazijn van Geneesmiddelen opgedragen bleef aan de IGDL, werd bij KB van 11 februari 1853 nr. 49 bepaald dat diens traktement voor 1/10 door het departement van Marine zou worden gedragen. Tenslotte werd bij KB van dezelfde datum nr. 50 Snabilié formeel benoemd tot IGDL. 1.3 Inspecteur van de Geneeskundige Dienst der Landmacht 1853-1914 1.3.1 Tot 1880 De grondtrekken van de organisatie der Geneeskundige Dienst van de Landmacht bleven tot 1880 goeddeels gehandhaafd. Periodiek werd de formatie van de dienst herzien met name voor wat de omvang betreft. De meest opvallende beweging was de korte periode (1857-1862) van verzelfstandiging van de veterinaire dienst onder een eigen Directeur, ingevoerd bij KB van 25 december 1856 nr. 54 en ongedaan gemaakt bij dat van 13 december 1862. Ook de formatie van 's Rijks Magazijn van Geneesmiddelen werd periodiek herzien. Nieuw was in 1864 de instelling van een contingent van 50 miliciens-ziekenoppassers ten dienste van de militaire hospitalen. Het onderwijs aan deze oppassers stond onder toezicht van de IGDL, overigens ressorteerden zij onder de hiërarchie van de militaire administratie. Overeenkomstig werd gehandeld bij de oprichting van, vooreerst twee, compagnieën hospitaalsoldaten bij de Infanterie, die onder toezicht van de Hoofdintendant bij de militaire administratie van het Leger werden gesteld, maar waarvan het onderwijs onder toezicht van de IGDL werd gebracht. Ingrijpender waren de ontwikkelingen bij de opleiding van militaire geneeskundigen. Aanvankelijk was slechts sprake van wijzigingen en vervangingen van het reglement op de toelating tot en bevordering bij 's Rijks kweekschool voor militaire geneeskundigen te Utrecht. Bij KB van 17 september 1868 nr. 5 werd de kweekschool ingaande 1 oktober 1868 verplaatst naar het garnizoenshospitaal te Amsterdam. Bij KB van 11 april 1869 nr. 17 werd daarop een nieuw toelatingsvoorschrift voor de opleiding vastgesteld. Art. 1 omschreef, dat het garnizoenshospitaal te Amsterdam, in verband met het onderwijs aan het Atheneum illustre ter plaatse, bestemd was voor de opleiding tot officier van gezondheid en militair apotheker. Dezelfde examens werden voorgeschreven als intussen bij civiele medische opleidingen waren ingesteld, maar gevolgd door specifieke "militair-geneeskundige" aanvullingsexamens, af te nemen door een commissie waarvan de IGDL q.q. voorzitter was. Het valt niet moeilijk in deze vernieuwingen het effekt te zien van de wetgeving op het Geneeskundig Staatstoezicht en de regeling van de staatsexamens tot verkrijging der bevoegdheden van geneeskundige, apotheker, hulp-apotheker, leerling-apotheker en vroedvrouw. Daarbij was bepaald dat tot officieren van gezondheid of militair apotheker voortaan slechts zouden worden benoemd personen die de civiele bevoegdheden krachtens de wet hadden verkregen. Men ziet hier dus het begin van het einde van de gescheiden opleiding van militaire geneeskundigen. Overgangsbepalingen werden dan ook getroffen voor reeds toegelaten leerlingen van de kweekschool van militaire geneeskundigen, en voor fungerende officieren van gezondheid. Nadat bij wet van 8 juli 1874 Sb. 97 de wet van 1 juni 1865 Sb 59 gewijzigd was, volgde integrale heruitvaardiging van het "Voorschrift nopens de admissie, enz. van studenten voor de militair geneeskundige en pharmaceutische dienst hier te lande en voor de geneeskundige dienst bij de Zeemagt en in de Koloniën en Bezittingen van het Rijk in andere werelddelen" bij KB van 19 maart 1875 nr. 21. De lokatie van de opleidingen in het Garnizoenshospitaal te Amsterdam werden gehandhaafd vanwege het hoger onderwijs dat in Amsterdam werd gegeven. Toelating, examens en toezicht bleven ruwweg gehandhaafd op de bestaande voet. Nieuw was dat toegelaten studenten bezoldigd werden, en wel door het ministerie van Koloniën met ? 700 per jaar, door Marine met ? 600 en door Oorlog met ? 500. Bij KB van 18 januari 1877 nr. 31 werd vervolgens wel de civiele uitoefening van de geneeskunde door (oud-)officieren van gezondheid verboden, met uitzondering van de gevallen waarin de wet van 1 juni 1865 Sb 59 reeds had voorzien. Ook de opleiding van militaire paardenartsen aan 's Rijks veeartsenijschool te Utrecht werd enkele malen herzien, overigens zonder dat aan de grondslagen ervan werd geraakt. Bij ministeriële beschikking van 11 september 1871 nr 60 P werd het "Reglement op de regelmatige waarneming van de veterinaire dienst bij het leger" gewijzigd, om dit meer in overeenstemming te brengen met de wet van 20 juli 1870 Sb. 131 regelend het veeartsenijkundig staatstoezicht. Bij KB van 25 maart 1862 Sb. 34 was onderwijl weer een nieuw reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water vastgesteld. 1.3.2 Vanaf 1880 Bij de wet van 2 augustus 1880 Sb. 145 tot regeling van de betrekkingen en rangen, de opleiding en bevordering van het personeel der geneeskundige dienst der Landmacht, en het uitvoerende KB van 15 augustus 1880 nr. 1, werd een geheel nieuw kader gesteld. Met name de plaats en rol van reserve-officieren van gezondheid en reserve militaire apothekers was nieuw. Bij mobilisatie zouden zij opkomen als tijdelijke officieren van gezondheid en tijdelijke militaire apothekers. De bestaande "eerste" officieren van gezondheid (in 3 klassen voorradig) alsmede de "eerste" apotheker en "eerste" paardenarts gingen "dirigerend" heten. Het aantal klassen dirigerende officieren van gezondheid werd tot twee teruggebracht, en het aantal dirigerende officieren 1e klasse werd op drie bepaald. Ieder daarvan zou hoofd zijn van alle militair-geneeskundige inrichtingen in één militaire afdeling. Aanneming als officier van gezondheid of militair apotheker verplichtte tot 6 jaar dienen in funktie, gevolgd door vier jaar beschikbaarheid als reservist. De minister kon jaarlijks een aantal studenten geneeskunde aan universiteiten toelaten, waarbij zij op nader te regelen wijze van Rijkswege tegemoetkoming in studiekosten zouden krijgen. Bij KB van 30 oktober 1880 Sb. 187 en 188 werden nadere regels gesteld voor de toelating aan universiteiten van studenten geneeskunde met verbintenis tot dienst als militair geneeskundige, en voor de toelating van militieplichtige studenten geneeskunde tot de verbintenis van reserve-officier. Bij KB van 29 april 1880 nr. 27 was reeds, ingaande 1 mei 1880, een nieuwe instruktie vastgesteld voor de IGDL. Deze bleef daarin onder onmiddellijke bevel van de minister. Zijn taakgebied was de eigenlijke geneeskundige, farmaceutische en veterinaire diensten van de Landmacht, de deugdelijkheid en instandhouding daarvan, zowel aangaande personeel en materieel, maar ook voor al hetgeen betrekking had op de algemene gezondheidstoestand van de Landmacht, daarbij inbegrepen het toezicht op de verpleging, huisvesting, voeding en ligging der troepen in kazernes en vooral op die van zieken in militaire ziekeninrichtingen. In vredestijd diende hij maatregelen te beramen voor behoorlijke geneeskundige verpleging in oorlogstijd. Onder bevel van de IGDL stonden de officieren van gezondheid, militaire apothekers en paardenartsen. De IGDL voerde het beheer over de militaire ziekeninrichtingen en het Magazijn van geneesmiddelen en had de kompagnieën hospitaalsoldaten onder zijn bevel. Voorstellen en voordrachten t.a.v. al dit personeel had hij in te dienen bij de minister. De eigen beslissingbevoegdheid van de IGDL werd nauwkeurig omschreven. Bij KB van 15 april 1880 nr. 38 werd de omvang van het bureau van de IGDL vastgesteld. Door de invoeging van het echelon van Dirigerende officieren van gezondheid eerste klasse bij de reorganisatie van augustus 1880 werd herziening van deze instruktie noodzakelijk. Bij KB van 27 oktober 1880 nr. 27 vond die herziening plaats en werd tevens de instruktie voor de Dirigerend officieren der 1e klasse vastgesteld. De IGDL werd daarbij in sterkere mate met de toezichthoudende taken jegens de geneeskundige dienst belast, terwijl aan de onder zijn direkt bevel staande Dirigerende Officieren 1e klasse de leiding van het overige geneeskundige personeel was opgedragen, evenals het toezicht op de algemene gezondheidstoestand van het leger. De ressorten en standplaatsen van de Dirigerend officieren vielen samen met de drie militaire afdelingen die bij KB van 23 februari 1880 nr. 1 waren ingesteld. Bij KB van 6 juli 1880 nr. 21 en ministerieel uitvoeringsbesluit van 26 juli 1880 nr. 58 werd ook het beheer van de militaire ziekeninrichtingen op nieuwe leest geschoeid, waarbij de oudst in rang zijnde officier van gezondheid aan het hoofd daarvan werd gesteld. Ten aanzien van zijn dienst en beheer stond hij onder toezicht van de IGDL. Controle en verificatie van geldelijk en materieel beheer bleef opgedragen aan het personeel der militaire intendance. Bij KB van 7 september 1880 nr. 9 werd de instelling van en het toezicht, directie en administratief beheer over de militaire ziekeninrichtingen bepaald, en bij ministeriële beschikking van 21 september 1880 nr. 79 werd met ingang van 1 januari 1881 een nieuw hospitaalreglement ingevoerd, dat na 1 jaar proeftijd door de IGDL herzien zou worden. In het kielzog van deze reorganisaties volgden verdere moderniseringen. Bij KB van 14 februari 1881 nr. 11 werd het aantal kompagnieën hospitaalsoldaten met één vermeerderd tot drie. Bij KB van 2 november 1883 Sb. 151 werd het ene reglement op het geneeskundig onderzoek daterend uit 1871 vervangen door drie nieuwe reglementen, te weten voor vrijwillig dienend personeel, militieplichtigen, en personeel bestemd voor de Schutterijen. Het nog uit 1821 daterende reglement voor de geneeskundige dienst bij de Landmacht werd door een nieuw vervangen bij ministeriële beschikking van 16 november 1881 nr. 108. En het bestaande verbod op het uitoefenen van civiele praktijk door militaire geneeskundigen werd bij KB van 23 juli 1881 nr. 18 ingetrokken: officieren van gezondheid in aktieve dienst van de Landmacht kregen, behoudens nader omschreven uitzonderingen, de bevoegdheid tot civiel praktiseren in tijd van vrede. Bij gehele of gedeeltelijke mobilisatie verviel deze echter. Vermoedelijk gedurende de gehele 19e eeuw en tot aan een niet gebleken tijdstip in de 20e eeuw, was de IGDL belast met het oppertoezicht over de geneeskundige dienst in penitentiaire inrichtingen (D.i.: gevangenissen, huizen van bewaring en passantenhuizen, Rijkswerkinrichtingen en Rijksopvoedingsgestichten.), terwijl, wanneer deze inrichtingen gevestigd waren in garnizoensplaatsen waar militaire geneeskundigen waren gestationeerd, deze geneeskundigen met de dienst in de plaatselijke gevangenissen waren belast. Ontbrak in de vestigingsplaats der gevangenis een militair geneeskundige, dan overlegde de minister van Justitie niettemin met de IGDL over de aanwijzing van een burgergeneesheer, die met de geneeskundige dienst in de betrokken gevangenis zou worden belast ( KB van 31 augustus 1886 Sb 159. Reeds bij KB van 22 februari 1816 nr. 70 uitgevoerd bij schrijven van de Intendant-Generaal van de Administratie van Oorlog aan het Geneeskundig Bestuur van 1 maart 1816 nr. 77 werd bepaald, dat militaire gedetineerden onder toezicht van het Geneeskundig Bestuur geneeskundig zouden worden behandeld "op den voorheen gebruikelijken voet", en dat deze geneeskundige behandeling voorzover plaatshebbend in provoosthuizen, èn de verdere verplegingsuitgaven voor gedetineerden in 's Rijks hospitalen, voor rekening van de Administratie van Oorlog zouden blijven, -- de bedoeling was denkelijk te verduidelijken dat uitgaven voor voeding e.d. niet ten laste van het departement van Oorlog maar van dat van Justitie dienden te komen. Bij opvolgende regelgevingen bleef deze bepaling gehandhaafd. Niet ondenkbaar is, dat het gegeven dat officieren van gezondheid toch eenmaal van doen hadden in penitentiaire inrichtingen, te eniger tijd geleid heeft tot de konstruktie om hen met de gehele geneeskundige dienst aldaar te belasten. Van al de bovengenoemde [5-daagse, 3-maandelijkse en jaarlijkse schr.] rapporten zullen kopieën bewaard worden, zo schreef de circulaire uit 1848 voor. In overwegende mate is daaraan geen uitvoering gegeven.). Integrale herziening van de organisatie volgde bij KB van 2 mei 1889 nr. 46, "ook in verband met de verplaatsing van het Magazijn van Geneesmiddelen van 's-Gravenhage naar Amsterdam". Aanvolgend werd bij KB van 9 juni 1889 nr. 31 de organisatie van 's Rijks Magazijn van Geneesmiddelen veranderd, terwijl bij ministeriële uitvoeringsbeschikking van 15 juni 1889 nr. 44 een instruktie voor de dienst aldaar werd vastgesteld. Over een verplaatsing van het Magazijn werd inmiddels hardnekkig gezwegen. De funktie van het Magazijn, t.a.v. de Landmacht, Zeemacht, de koloniën en eventueel diensten ressorterend onder andere departementen dan Oorlog, Marine en Koloniën, veranderde niet. Wel werd de funktie van de Dirigerende Apotheker/directeur duidelijker gemarkeerd, en de taakverdeling tussen de vier militaire apothekers bij het Magazijn omschreven, waarbij de apotheker-laborant toezicht en verantwoordelijkheid had over het laboratorium, de molen en de machinekamer en het daar werkzame personeel. De ontvangst en verzending van goederen alsook de financiële verantwoording werden nauwkeurig omschreven. Het KB van 27 februari 1893 nr. 43 herzag bovendien de formatie paardenartsen. Bij KB van 28 december 1894 nr. 18 werden nieuwe bepalingen gegeven over de instelling, toezicht en het beheer van militaire hospitalen, als gevolg waarvan bij ministeriële beschikking van 19 januari 1895 nr. 37 een nieuw hospitaalreglement kon worden ingevoerd. En bij KB van 6 november 1895 Sb 175 werd het KB van 19 juli 1867 nr. 60, waarbij de "Nederlandsche Vereeniging tot het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog genaamd het Nederlandsche Roode Kruis" was opgericht, in dier voege gewijzigd dat in vredestijd een geregeld overleg tussen de minister van Oorlog en het Hoofdcomité van de Vereniging werd ingesteld. Na een tussentijdse herziening van de formatie van het dienstvak ingevolge KB van 30 maart 1905 nr. 45 werd bij ministeriële beschikking van 10 maart 1906 nr. 161 een commissie ingesteld om te onderzoeken, in hoeverre door vereenvoudiging van de inrichting en werkzaamheden van de geneeskundige dienst der Landmacht beperking van uitgaven in het VIIIe hoofdstuk der Staatsbegroting mogelijk zou zijn. Bij ministeriële beschikking van 22 augustus 1908 nr. 367 werd de commissie ontbonden, nadat zij van haar bevindingen verslag had uitgebracht. Bij KB van 30 mei 1908 nr. 69 werd de formatie van de Geneeskundige Dienst in beperkte mate gewijzigd, terwijl bij KB's van 9 januari 1908 Sb 9 en 11 maart 1909 nr. 12 de toelating van militieplichtigen tot de verbintenis als reserve-officier van gezondheid resp. reserve-paardenarts werd herzien. Bij KB van 15 november 1910 nr. 47 werd tenslotte de instruktie van de IGDL vernieuwd. Ingrijpende verschuiving van taken en kompetenties trad daarbij niet op. Wel werd aan de IGDL overleg en samenwerking met het Nederlandsche Roode Kruis opgedragen. De IGDL diende ook kennis te nemen van de plannen van de Generale Staf voor omstandigheden van beschermde neutraliteit of oorlog, en de voorbereidingen voor uitvoering daarvan in zijn gehele dienstvak te organiseren. Een deel van de bevoegdheden inzake het personeel van het dienstvak, voorheen voorbehouden aan de minister, werden thans naar de IGDL gedelegeerd. Bij ziekte of afwezigheid zou de IGDL worden vervangen door de hem toegevoegde dirigerend officier van gezondheid. En bij mobilisatie zou de IGDL optreden als chef van de Geneeskundige Dienst bij het Algemeen Hoofdkwartier. 2 De archiefvormers 1914-1940: de Militair Geneeskundige Dienst van de Koninklijke Landmacht en de daaruit verzelfstandigde Militair Veterinaire Dienst en Militaire Pharmaceutische Dienst Nieuwe technieken, een vergroot leger ten gevolge van nieuwe legerwetten en een verandering van tactische opvattingen omtrent de inzet van het leger - mobiel optreden te velde in plaats van schuilen achter een waterlinie - hadden ook hun weerslag op de Militair Geneeskundige Dienst (MGD). 2.1 Mobilisatie 1 augustus 1914-1918/1919 Bij de mobilisatie vertoonde de geneeskundige dienst van het Nederlandse leger de organisatie waarvan de hoofdstructuur reeds uit 1880 dateerde. Aan het hoofd van het dienstvak stond de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst der Landmacht (IGDL), die rechtstreeks ressorteerde onder de minister van Oorlog. Hij had de algemene leiding van de geneeskundige, pharmaceutische en veterinaire dienst bij de landmacht. Het dienstvak omvatte officieren van gezondheid (OvG), militaire apothekers, paardenartsen en vier compagnieën hospitaalsoldaten, alsmede het verdere hospitaalpersoneel. De militair geneeskundige dienst (MGD) kende landelijk drie districten. Elk district stond onder leiding van een Dirigerend OvG die tevens chef was van het militair hospitaal in zijn standplaats. De bij de troepen ingedeelde OvG's en paardenartsen maakten deel uit van het legeronderdeel waarbij zij waren ingedeeld en stonden onder de bevelen van de onderdeelscommandant. Slechts voor zuiver technische zaken hadden zij zich te wenden tot de IGDL. In het rapport "Waarnemingen bij de gemobiliseerde landmacht" van de Legercommissie wordt verslag gedaan van de toestand van het leger gedurende de mobilisatie. Op 1 augustus 1914 waren er 115 beroeps- en 199 reserve-OvG's, en een formatief tekort van 161. Op 1 januari 1918 was het totaal aantal OvG's gestegen tot 412, volgens het rapport nog steeds een onvoldoende aantal. Wel verminderde het tekort van OvG's in latere oorlogsjaren. Ook was er een voortdurend tekort aan hospitaalsoldaten en ziekendragers. Uit het rapport blijkt dat een groot deel van de hospitaalsoldaten, die in 1914 bij dit onderdeel werd ingedeeld niet op hun taak was berekend. In 1916 schijnt de toestand in zoverre verbeterd te zijn dat de mate van geoefendheid van de hospitaalsoldaten in zijn totaliteit was toegenomen door het terugplaatsen van ongeschikte manschappen. Bij ministerieel besluit (MB) van 10 juli 1916 werd de Commissie tot onderzoek naar de werking van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht ingesteld. Aanleiding tot de instelling van deze commissie was een gebrek aan vertrouwen in de werking van de geneeskundige dienst. De commissie moest onderzoeken of de zieke soldaat in tijd van vrede dan wel in oorlogsomstandigheden een doelmatige verzorging kreeg. Zonodig diende de commissie met voorstellen ter verbetering van de situatie te komen. Bij MB van 23 december 1919, nr. 143 werd de commissie onder dankzegging ontbonden. Het belangrijkste resultaat van het werk van de commissie was uiteindelijk de verzelfstandiging, in 1921, van de Militair Pharmaceutische Dienst, waarover hieronder meer. In de loop van 1917 onderging de opleiding tot hospitaalsoldaat en ziekendrager alvast een verandering. Na hun militaire opleiding gingen zij over naar de verbandplaatsafdelingen. Hier kregen zij een opleiding van ongeveer drie maanden. De beste cursisten ontvingen vervolgens nog een vervolgopleiding gedurende 6 maanden bij de grotere militaire ziekeninrichtingen. Na afloop van de mobilisatie werd de opleiding tot hospitaalsoldaat weer teruggebracht naar de militaire ziekeninrichtingen. Met ingang van 31 maart 1917 werden de veldhospitalen opgeheven. Dit was een gevolg van het ter beschikking komen van relatief 'snel' vervoer, zoals de trein, auto en boot, en van een toename van goed geoutilleerde burgerziekenhuizen. Deze veldhospitalen, opgericht bij KB van 5 juni 1885 nr. 23, waren bestemd voor de verpleging van zieke en gewonde militairen ten tijde van oorlog en werden naast militaire hospitalen opgericht. Het materiaal van de veldhospitaalafdelingen werd na de opheffing tijdelijk aan de chefs verbandafdelingen van de betrokken divisies overgegeven. Veel werk verrichtte de MGD tijdens de mobilisatie ook in verband met de vluchtelingen die uitweken van België naar Nederland. Meer dan een miljoen Belgen vluchtten na de val van Antwerpen in oktober 1914 naar het zuiden van Nederland. Zo verbleven in Bergen op Zoom, dat in 1914 zo'n 17.000 inwoners telde, ongeveer 110.000 vluchtelingen. De OvG's vaccineerden vluchtelingen en boden geneeskundige en verloskundige hulp. Ziekenverplegers en ziekendragers reinigden en ontsmetten de verblijfplaatsen van de evacués. De vluchtelingen zelf werden onder leiding van militairen van de geneeskundige dienst aan het werk gezet bij de reiniging van de stad. Een tweede stroom vluchtelingen kwam eind 1918 op gang ten gevolge van de terugtrekking van de Duitse troepen. Verder werd er een onderzoek naar de legering en verpleging bij enige onderdelen in Zeeland, Gelderland, Overijssel, Groningen, Noord-Brabant, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht ingesteld. Voor het onderzoek naar de geneeskundige dienst werd een speciale subcommissie ingesteld. Bij de mobilisatie 1914-1918 waren er 18 beroeps militaire apothekers werkzaam, wat volstrekt onvoldoende was. De farmaceutische verzorging van de troepen verliep traag en deze werd verzorgd vanuit een vast punt, een militaire apotheek welke werd bevoorraad vanuit het Rijksmagazijn voor Geneesmiddelen. 2.2 Interbellum: de Geneeskundige Diensten 1918-1939 2.2.1 De Militair Geneeskundige Dienst Als gevolg van de afscheiding van achtereenvolgens de Militair Veterinaire Dienst en de Militair Pharmaceutische Dienst, waarover hieronder meer, bestond het dienstvak van de geneeskundige dienst der Landmacht met ingang van 15 augustus 1921 uit drie zelfstandige onderdelen. Tot de Militair Geneeskundige Dienst (in engere zin) behoorden de officieren van gezondheid, vier compagnieën hospitaalsoldaten en de militaire hospitalen. De militaire ziekeninrichtingen werden ingedeeld in militaire hospitalen, ziekenkamers en ziekenzalen. De militaire hospitalen werden vervolgens onderscheiden in 1e, 2e en 3e klasse. Militaire ziekenkamers waren gevestigd in garnizoenen waar geen militair hospitaal voorhanden was en waar ook geen overeenkomst was gesloten met burger-ziekenhuizen voor de verpleging van zieke militairen. Ziekenzalen waren bestemd voor zieke militairen waarvan de toestand niet ernstig genoeg was om opgenomen te worden in een hospitaal. In 1918 waren er militaire hospitalen 1e klasse gevestigd te Amsterdam, 's-Gravenhage en Utrecht, van de 2e klasse te Amersfoort, Arnhem, Assen, Breda, Bergen op Zoom en Venlo. Militaire hospitalen 3e klasse waren gevestigd in Harderwijk, Kampen en Naarden. In de jaren twintig werden geleidelijk militaire ziekeninrichtingen opgeheven uit bezuinigingingsoverwegingen. Er dienden evenwel voldoende militaire ziekenhuisinrichtingen te resteren om te voorzien in de opleiding van hospitaalsoldaten en ziekendragers. Ook de spreiding van deze inrichtingen over het gehele land diende in het oog gehouden te worden. In garnizoensplaatsen kon slechts tot opheffing van militaire ziekeninrichtingen worden overgegaan wanneer men ervan verzekerd kon zijn dat burgerziekenhuizen voldoende verpleegruimte voorhanden hadden. Op 22 maart 1924 werd voorts het militair hospitaal Amsterdam opgeheven, en op 1 oktober 1931 dat te Assen. In 1939 waren er nog militaire hospitalen gevestigd te Arnhem, Breda, Amersfoort, 's-Gravenhage en Utrecht. In 1927 stuurde de IGDL een brandbrief naar de minister van Oorlog. Hij schetste hierin de toenemende moeilijkheden in de uitoefening van de militair geneeskundige dienst als gevolg van "een niet te miskennen geest van depressie en ontevredenheid in het korps." Inkrimpingen, hogere eisen, lagere salariëring en een ongunstige pensioenregeling leidde tot een leegloop van de MGD. In 1928 werd er een proef genomen met de samenvoeging tot gecombineerde compagnie van de 1e en 2e compagnie hospitaalsoldaten. Blijkens rapport van de commandant van de 1e compagnie hospitaalsoldaten was dit geen gelukkige proef te noemen. De commandant over de beide onderdelen had een zware taak, de administratie door een persoon bleek ondoenlijk en het grote voordeel, dat "elke compagnie, als stamonderdeel, in de mobilisatie voorziet van de verbandplaats van zijn betrokken divisiegroep" ging verloren. Evenwel waren aan de samenvoeging ook voordelen verbonden. De proef werd voortgezet in 1929 waarbij de minister de IDGL opdroeg met name na te gaan of er een oplossing te vinden was voor de bezwaren van administratieve aard tegen samenvoeging van de vier compagnieën hospitaalsoldaten tot twee oefeneenheden. Op 1 augustus 1929 werd de 4e compagnie hospitaalsoldaten (HS) om reden van bezuinigingen overgeplaatst van 's-Gravenhage naar Breda. Een jaar later, op 1 juli 1930, ging de School voor Reserve-Officieren der Geneeskundige Dienst van start. Bij de herziening van de vredesorganisatie van 1930 werd als bijzondere bepaling betreffende de samenstelling van een compagnie hospitaal-soldaten opgenomen dat de commandanten van de 1e en 3e compagnie tevens optraden als commandant van respectievelijk de 2e en 4e compagnie. Op 1 januari 1936 werd een mobilisatiebureau ingesteld bij de compagnieën hospitaalsoldaten, om te komen tot een betere voorbereiding van een eventuele mobilisatie. Onderzoek naar deze voorbereiding bij de vorming van verbandplaatsafdelingen ten tijde van mobilisatie had uitgewezen dat personeel dat voor deze werkzaamheden verantwoordelijk was, overbelast was. Verder werd met ingang van 1 januari 1936 niet meer gesproken over hospitaalsoldaten maar over geneeskundige troepen. 2.2.2 Verzelfstandiging van de Militair Veterinaire Dienst, 1919 De Militair Veterinaire Dienst (MVD) kwam tot stand op grond van het KB van 17 januari 1919 nr. 43. De instructie van de chef van dit dienstvak werd gegeven bij MB van 24 december 1919 nr. 9, terwijl de instructies van de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst werden aangepast aan deze nieuwe situatie. De Chef MVD stond rechtstreeks onder de bevelen van de minister van Oorlog. Een reorganisatie vond plaats in 1920. Met ingang van 1 september 1920 werden in de garnizoenen 's-Gravenhage, Amersfoort en Breda bij wijze van proef veterinaire hospitalen opgericht. Zo bestond de Militaire Veterinaire Dienst sindsdien uit paardenartsen, de hoefsmidschool met als standplaats Amersfoort, en drie veterinaire hospitalen. Reeds in 1924 werd de vraag opgeworpen of de functie van chef van het dienstvak kon worden opgeheven om tot vereenvoudiging van de organisatie van het leger te komen -- de dieper liggende reden was de noodzaak tot bezuinigingen. De Legercommissie kwam in haar verslag betreffende de veterinaire dienst bij het Nederlandse leger tot de conclusie dat de leiding van de paardenartsen in één hand behoorde te blijven. De voorgestelde instelling van divisie-paardenartsen werd door de commissie ongewenst geacht aangezien dit feitelijk neerkwam op vier adviseurs voor de minister van Oorlog. Wel concludeerde de commissie dat het aantal paardenartsen kon worden ingekrompen. 24 paardenartsen op 4500 paarden werd te veel bevonden. De commissie meende dat een aantal van 11 voldoende moest zijn. 2.2.3 Verzelfstandiging van de Militaire Pharmaceutische Dienst, 1921 Bij ministeriële beschikking van 4 juli 1921 werd de Militaire Pharmaceutische Dienst, in afwachting van een definitieve wijziging van de samenstelling van het dienstvak van de geneeskundige dienst van de landmacht, voorlopig gesteld onder een eigen chef, luitenant-kolonel (lkol) J. van Riel. Deze kwam rechtstreeks te staan onder het bevel van de minister van Oorlog. In de beschikking van 15 augustus 1921 vindt men de voorlopige instructie van de waarnemend chef van de MPD. De MPD werd hiermee een zelfstandig onderdeel binnen het dienstvak van de geneeskundige dienst. Naast het Rijksmagazijn van Geneesmiddelen bestond dit dienstvak uit de militaire apotheken en het personeel der militaire apothekers en apothekersbedienden. Deze afsplitsing was waarschijnlijk een gevolg van het rapport van de al genoemde "Commissie tot onderzoek naar de organisatie en de werking van den militairen pharmaceutischen dienst". Deze commissie werd ingesteld naar aanleiding van één van de conclusies welke in het rapport van de "Commissie tot onderzoek naar den werking van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht" werd getrokken, nl. dat het "terrein van onderzoek" van de pharmaceutische dienst "ruim" was. De "Commissie tot onderzoek naar de organisatie en de werking van den militairen pharmaceutischen dienst" kon blijkens haar eindrapport niet tot een eensluidende eindconclusie komen. De ene helft van de commissie achtte het noodzakelijk het hoofd van de MPD onder bevel van de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst te plaatsen, terwijl de andere helft er de voorkeur aan gaf deze dienst om te zetten tot een zelfstandig onderdeel. Klaarblijkelijk heeft het laatste deel van de commissie meer gewicht in de schaal gelegd. De commissie werd op 30 augustus 1921 ontbonden. Reeds na pensionering van Van Riel, op 1 september 1921, werd wegens bezuinigingsredenen tot zijn waarnemend opvolger benoemd lkol W.F. van Privé, met behoud van zijn functie als directeur van het Rijks Magazijn van Geneesmiddelen. Deze samenvoeging en de hiermee samenhangende verplaatsing van standplaats van 's-Gravenhage naar Amsterdam had verstrekkende gevolgen. De chef MPD verloor het directe contact met de Haagse bestuurders, de zwaarte van de functie liet geen tijd toe om te lobbyen. Vele bezuininigingen troffen dan ook de MPD. Het aantal officieren liep terug van 35 naar zeven. In de tijd tussen januari 1938 en januari 1939 liep het aantal officieren echter weer op tot tien. In 1938 werd ook een moderne, mechanische administratie ingevoerd. 2.2.4 Rijks Magazijn van Geneesmiddelen, 1914-1938 Het Rijksmagazijn van Geneesmiddelen was sinds 1889 gevestigd te Amsterdam. De directeur van het Rijksmagazijn stond vanaf 4 juni 1921 -- zij het slechts zeer tijdelijk -- hiërarchiek onder de chef van de MPD. Reeds vanaf 1 september van dat jaar werd de functie van chef RMG en chef MPD in één functie verenigd. Met ingang van 1 september 1929 trad een nieuwe vredesinstructie in werking en werd Legerorder 1921 nr. 396, waarbij de tijdelijke vereniging van functies was ontstaan, ingetrokken. Tot de taken van het RMG in vredestijd behoorden de aanschaf, oplegging en afgifte van geneeskundig, pharmaceutisch en veterinair materiaal ten behoeve van diverse departementen. In vredestijd waren er militaire apotheken gevestigd te Amersfoort, Ede, Arnhem, Utrecht, Den Haag en Breda. Bij vòòrmobilisatie werden deze ook opgericht te Amsterdam, Harderwijk, Den Bosch en Bergen op Zoom. 2.2.5 Bataljon/Depot Geneeskundige Troepen, 1938 - 1939 Op 1 juni 1938 werden de compagnieën geneeskundige troepen opgeheven en tegelijkertijd het bataljon geneeskundige troepen opgericht. Na ruim één jaar en slechts enkele dagen voor de mobilisatie, namelijk op 24 augustus 1939, werd het bataljon omgevormd tot het depot geneeskundige troepen. Tevens werd het depot verplaatst van Gorinchem naar Amsterdam. 2.3 Algemene mobilisatie 28 augustus 1939 - 15 juli 1940 2.3.1 Geneeskundige Dienst Nadat op 24 augustus 1939 het oproepingstelegram voormobilisatie was verzonden, werd op 28 augustus het Nederlandse leger gemobiliseerd. Op het bureau van de IGDL waren 55 personeelsleden tewerkgesteld. Op de dag van de mobilisatie werden prof. dr. P.R. Michaël als consulterend chirurg en prof. dr. E.A.D.E. Carp als consulterend psychiater-neuroloog aan het bureau toegevoegd. Tevens werden dr. H.K.R.J. Offerhaus en W.J. Lucardie, leden van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis als hoofdcommissarissen aan de IGDL toegevoegd. Door een enorme taakverzwaring van de militaire hospitalen moesten de militaire hospitalen meteen burgerspecialisten en hulppersoneel aantrekken. Alle opgekomen dienstplichtigen moesten namelijk worden gekeurd en twijfelgevallen werden doorgestuurd naar de militaire hospitalen. Dit leidde op de eerste mobilisatiedagen tot een stroom van 1000 militairen die moesten worden opgevangen in het militair hospitaal te Utrecht. De geneeskundige dienst tijdens de mobilisatie werd geregeld naar het voorschrift betreffende de geneeskundige dienst bij de Koninklijke Landmacht op voet van oorlog. Zo werd per Legerkorps een verbandplaatsafdeling opgericht. 2.3.2 Militair Pharmaceutische Dienst 2.3.2.1 De Militair Pharmaceutische Dienst bij en in de mobilisatie De taak van de MPD in tijd van oorlog was niet in een voorschrift geregeld. Bij het afkondigen van de mobilisatie was de MPD volstrekt ondoelmatig georganiseerd en deze functioneerde dan ook gebrekkig. Een gebrek aan behoorlijk opgeleid dienstplichtig personeel, en ver doorgevoerde bezuinigingen waren hier mede debet aan. Bij het afkondigen van de mobilisatie was er bovendien geen 'schakel' in 's-Gravenhage aanwezig tussen de OLZ en de chef MPD. Een nieuwe oorlogsorganisatie werd september 1939 doorgevoerd. Bij mobilisatie werden achtereenvolgens militaire apotheken ter voorziening van depot- en vestingtroepen opgericht in: Bergen, Alkmaar, Hoorn, Haarlem, Leiden, Delft, Gouda, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg. De chefs militaire apotheken stonden aanvankelijk onder rechtstreeks bevel van de chef MPD. Aangezien dit leidde tot een stroom vragen van ondergeschikt belang werd de centrale bevelvoering gewijzigd. Met ingang van 10 januari 1940 werden de militaire apotheken groepsgewijs georganiseerd met aan het hoofd een hoofdapotheek. Tijdens de algemene mobilisatie werd een gedeelte van de magazijnvoorraden van het RMG overgebracht naar nieuw opgerichte magazijnen in Alkmaar en Delft. Achterliggende gedachte hierbij was de decentralisatie van de distributie van geneesmiddelen. Gebrek aan ingewerkt personeel hield de invoering hiervan op. 2.3.2.2 Veld-apotheken In een circulaire, aanwezig in het archief van de MPD, gedateerd 29 februari 1940 van de chef van de militair pharmaceutische dienst staat dat "ieder der veldapotheken administratief zal optreden als zelfstandige eenheid". Tot de taken van de veldapotheken behoorden: genees- en verbandmiddelenvoorziening van MGD en Militair Veterinaire Dienst voorziening van gasontsmettingsmiddelen controle op de deugdelijkheid van aanwezig geneeskundig en veterinair materieel en gasontsmettingsmiddelen spoedeisend analytisch onderzoek voor intendance, geneeskundige dienst en genie. De veldapotheken waren opgedeeld in 9 secties. De secties 1 tot en met 6 stonden onder bevel van de Opperbevelhebber der Land- en Zeestrijdkrachten. Sectie 7 en 8 stonden onder rechtstreeks bevel van de chef MPD. 2.3.2.3 Researchlaboratorium MPD Het researchlaboratorium ressorteerde onder de chef MPD. Er waren vestigingen te Delft, Leiden en Amsterdam. Tot de taken van het bovengenoemd researchlaboratorium behoorden: onderzoeken van mogelijkheden tot bereiding van niet in voldoende mate te verkrijgen geneesmiddelen verbeteren van de onderzoekmethoden militaire apotheker onderzoeken en toetsen van geneesmiddelen tegen blaartrekkende gassen. 2.3.3 Militair Veterinaire Dienst In Boskoop werd direct na de mobilisatie een veterinair hospitaal opgericht. Dit bestond uit een staf, een afdeling voor inwendige ziekten, een afdeling voor heelkundige ziekten en kreupelheden, de afdeling voor besmettelijke ziekten en ter voorbereiding voor het vertrek. Ten tijde van de mobilisatie was er bij de militair veterinaire dienst een tekort aan paardenartsen. In september 1939 meldt de chef een tekort van 15 paardenartsen bij zijn dienstvak. Ook in de burgermaatschappij was in meerdere streken een groot gebrek aan paardenartsen. Besmettelijke veeziekten als mond- en klauwzeer verhoogde de werkdruk van de burger-paardenartsen. Aangezien een gezonde veestapel niet alleen van groot economisch belang was, maar met het oog op de vleesvoorziening ook ten tijde van oorlog belangrijk was, werd door het ministerie van economische zaken op een regeling aangedrongen. Door middel van het verstrekken van zogenaamd zaken- of werkverlof van reserve-paardenartsen werd deze zaak opgelost. 2.4 10-14 mei 1940 Voor de wederwaardigheden van de diverse onderdelen wordt verwezen naar de verslagen, rapporten en oorlogsdagboeken welke in verscheidene archieven te vinden zijn. 2.5 Na 15 mei 1940 Met ingang van 16 september 1941 kwam de Militair Geneeskundige Dienst te ressorteren onder de afdeling Volksgezondheid van het departement van Sociale Zaken. Men ging verder onder de naam Geneeskundige Dienst en ook bij de onderscheidene hospitalen etc. diende men het woord 'militair' uit de benamingen te schrappen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het Rijksmagazijn van Geneesmiddelen niet-militaire taken uitvoeren onder de vleugels van het ministerie van Sociale Zaken. Zo verstrekte het onder andere medicijnen aan het kamp Westerbork.
De organisatie De organisatie van de openbare arbeidsbemiddeling voor de tweede wereldoorlog, bestaande uit een centraal rijksorgaan met gemeentelijke arbeidsbeurzen in het land, was voor sommige insiders niet de ideale organisatievorm. Daarom werd er reeds toen over gedacht het bestaande stelsel om te buigen van gemeentelijke bemoeiing naar algehele rijkstaak. Dit leidde ertoe dat hierover aan de Centrale Commissie van Bijstand voor de Arbeidsbemiddeling en Emigratie advies werd gevraagd. Uit het rapport dat in mei 1940 werd uitgebracht bleek, dat deze commissie niet tot een eensgezind standpunt kon komen. De meeste leden stonden nog steeds gemeentelijke bemoeiing voor en slechts enkele bleken voorstander van rijkstaak. Toen de oorlog uitbrak was er wel gediscussieerd, maar nog niets besloten. E.e.a. was echter voor de Duitse bezettingsautoriteiten aanleiding om de reeds jaren geleden in Duitsland ingevoerde rijksarbeidsbemiddeling ook hier in het zadel te helpen. Het was met name de Geschaftsgruppe Soziale Verwaltung die op centralisatie aandrong en het duurde dan ook niet lang of de zaak werd doorgedrukt. Ingevolge een besluit van 24 September 1940 (zie verordeningenblad: stuk 30 nr. 166) van de Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken werd de openbare arbeidsbemiddeling m.i.v. 5 oktober 1940 rijkstaak. Met deze beschikking werden de artikelen 3 en 9 t/m 33 van de Arbeidsbemiddelingswet 1930, handelende over gemeentelijke en districtsorganen, buiten werking gesteld. Ingesteld werd een Rijksarbeidsbureau als afdeling van het Departement van Sociale Zaken. Met de leiding werd belast een directeur-generaal. Met de dagelijkse leiding werd een wnd. directeur-generaal belast, omdat de directeur-generaal tevens wnd. secretaris-generaal was. Het Rijksarbeidsbureau (voortaan alleen te gebruiken als naam van het hoofdbureau) bestond uit een departementaal hoofdbureau, 37 gewestelijke arbeidsbureaus en 144 bijkantoren. De gewestelijke arbeidsbureaus traden pas op 1-5-1941 in werking, zodat tot die datum de gemeentelijke arbeidsbeurzen intact bleven. De bijzondere arbeidsbemiddeling, met en zonder winstoogmerk, werd niet buiten de wet gesteld. De bemiddeling zonder winstoogmerk mocht uitgeoefend worden, indien men in het bezit was van een vergunning van de secretaris-generaal. Voor bemiddeling met winstoogmerk kreeg de secretaris-generaal de bijzondere bevoegdheid dat hij te allen tijde een verleende vergunning kon intrekken. Het is duidelijk dat arbeidsbemiddeling de voornaamste taak zou zijn van het R.A.B., maar daarnaast zouden beroepskeuzevoorlichting, vakopleiding, arbeids-registratie (o.m. Het Arbeidsboekje), documentatie en statistiek taken zijn ter ondersteuning van de hoofdtaak. Reeds in het begin dacht men aan het instellen van een vijftal inspecties in het land, maar dit vond voorlopig geen doorgang. Later, in 1943, werden 2 projecten in deze geest ten tonele gevoerd, maar deze kwamen maar zeer ten dele tot uitvoering. In november 1943 werden een aantal inspecties, bemand met N.S.B.-personeel, ingesteld, teneinde controle te kunnen uitoefenen op de dagelijkse werkzaamheden en de interne organisatie der arbeidsbureaus. Deze inspecties zijn echter niet practisch werkzaam geweest. In december van hetzelfde jaar werd een z.g. coördinatiedienst ingesteld teneinde een uniforme werkwijze bij de G.A.B.'s te bereiken. De mensen die tot deze dienst behoorden, ressorteerden onder het R.A.B., maar waren gestationeerd bij 6 G.A.B.'s. Door het R.A.B. werd al spoedig een contactcommissie ingesteld die als adviesorgaan zou moeten functioneren en die bestond uit een aantal directeuren van G.A.B.'s. Teneinde de directeuren der G.A.B.'s te instrueren t.a.v. hun nieuwe taak, de organisatie en inrichting der rijksarbeidsbemiddeling, werd in 1941 een cursus gegeven o.l.v. de wnd. Directeur Generaal, de heer Th. van Lier. Een dergelijke cursus werd in een 4-tal plaatsen ook gegeven voor de leiders der bijkantoren, de chefs der bemiddelingsafdelingen en de chefs van de afdelingen Sociaal-Economische Documentatie, Administratie en Comptabiliteit. Bij de instelling der G.A.B.'s werd t.a.v. de grensafbakening een sociaal-economische indeling gevolgd. Deze indeling werd bij de reorganisatie van 1943 echter weer verlaten om plaats te maken voor grenzen welke samenvielen met de provinciale grenzen. Het aantal G.A.B.'s werd toen ook teruggebracht van 37 tot 25. De bevrijding van het land op 5 mei 1945 betekende niet dat ook aan het Rijksarbeidsbureau een einde kwam. Als gevolg van een door de Nederlandse Regering te Londen uitgevaardigd K.B. van 17 juli 1944 bleef het Rijksarbeidsbureau gehandhaafd en keerde men dus niet terug tot de vooroorlogse organisatievorm. Het Duitse bestuur Het gehele R.A.B,-apparaat werd in feite "bestuurd" door Duitse autoriteiten, welke ressorteerden onder de Reichskommissar, maar de instructies veelal ontvingen van of namens de "Generalbevollmächtiger für den Arbeitseinsatz" Fr. Sauckel. Hij stond direct onder Hermann Göhring, die hem met deze taak belastte toen gebleken was dat de inspanningen van het Reichsarbeitsministerium niet het beoogde effect opleverden en er als gevolg van de enorme oorlogsinspanning een grote behoefte aan arbeidskrachten in Duitsland ontstond. Hij was de man die opdracht gaf om bedrijven uit te kammen en arbeiders te werven. In Nederland geschiedde dat tot november 1941 door de Geschäftsgruppe Soziale Verwaltung, daarna door de Hauptabteilung Soziale Verwaltung, voortaan H.S.V. te noemen. Deze H.S.V. ressorteerde onder het General Kommissariat für Finanz und Wirtschaft, m.u.v. de periode augustus 1942 - augustus 1944 toen het onder "Besondere Verwendung" viel. Het eerste hoofd was R. Jacob. Begin 1942 werd hij opgevolgd door H. Boening, die aanbleef tot 22-10-1942. Na Boening verscheen Dr. G.A. Apitz tot juni 1943. Gelijk met de komst van Apitz werden Beauftragten für den Arbeitseinsatz benoemd, die op dit terrein een coördinerende functie kregen. In Nederland werd W. Schmidt Beauftragte. Sinds 1943 was dr, W. Jütting hoofd van de H.S.V. De H.S.V. was in het hetzelfde gebouw gehuisvest als het R.A.B., wat het toezicht wel "ten goede" kwam. Dit bleek o.m. hieruit dat het R.A.B. sinds 1942 alle circulaires aan de G.A.B.'s ter goedkeuring moest voorleggen aan de H.S.V. De taak van de H.S.V. was de bevordering van de arbeidsinzet en het toezicht houden op R.A.B. en G.A.B.'s. De H.S.V. (voorheen dus G.S.V.) bestond uit 5 afdelingen, waaronder die van "Arbeitseinsatz Arbeitsbuch und Berufsnachwuchslenkung". Onder dit topapparaat ressorteerden 5 "Aussenstellen" in Groningen, Arnhem, Den Bosch, Amsterdam en Rotterdam. Deze waren belast met het rechtstreekse toezicht op de G.A.B.'s, hetgeen d.m.v. z.g. Fachberaters gebeurde. De "Aussenstellen" werden in april 1943 omgezet in 3 Inspektionen in Amsterdam, Rotterdam en Den Bosch. Fachberaters, ook wel Fachwerbers genoemd, werden geplaatst op de G.A.B.'s. Op sommige G.A.B.'s zat er maar een, op de andere bureaus meerderen. Zo waren er b.v. in Amsterdam 14, in "Den Haag 7 en in Den Bosch 3. De taakverdeling tussen een directeur en een Fachberater is niet altijd even duidelijk geweest. Eigenlijk was de Fachberater toegevoegd aan het G.A.B. om de opdrachten van de H.S.V. door te geven, maar in vele gevallen matigden zij zich veel meer aan dan was toegestaan. Voor de vrouwensector werden Fachberaterinnen aangesteld die dezelfde pretenties hadden. Medio 1944 werd de plaats van de Fachberater veel sterker ingevolge een circulaire van 26-8-1944 aan de G.A.B.'s, waardoor de leidingvan de Arbeitseinsatz in feite bij de Fachberater kwam te liggen. Het Rijksarbeidsbureau De leiding van het Rijksarbeidsbureau was, zoals reeds vermeld, in handen van een Directeur-Generaal en een wnd. Directeur-Generaal. Onder de D.G. ressorteerde de afdeling Arbeidsbemiddeling, waaraan was toegevoegd: de registratie van arbeidskrachten, w.o. het arbeidsboekje en de beroepskeuzevoorlichting, w.o. psychotechniek. In 1941 werd daaraan nog een Medische Dienst toegevoegd, waarop in een apart hoofdstuk wordt teruggekomen. Het Personeel De eerste Secretaris Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken gedurende de bezetting was mr.dr. A.L. Scholtens. Hij werd echter reeds kort na de bezetting, op 23-8-1940, ontslagen. Ir. R.A. Verwey werd met de waarneming belast. Hij was tot 4 mei 1945 tevens Directeur-Generaal van het Rijksarbeidsbureau. Van augustus 1940 tot maart 1941 was mr. H.J. Morren wnd. Directeur-Generaal. Wegens verzet tegen bepaalde maatregelen werd hij op 7-3-1941 gearresteerd, maar op 29 maart d.a.v. weer vrijgelaten. Hij werd toen benoemd tot hoofd van de afdeling Werkloosheidsverzekering van het R.A.B. Na het vertrek van mr. Morren als wnd. D.G. van het R.A.B. werd Th. van Lier benoemd, tot op die datum chef van de onderafdeling Arbeidsbemiddeling. Hij bleef in functie tot juli 1942. Op 10 juli n.l. vertrok hij wegens ziekte. Officieel werd hij pas op 1-11-1946 ontslagen. Na zijn vertrek werd J.A. Knetsch met de dagelijkse werkzaamheden belast, maar pas op 27-6-1944 benoemd tot wnd. Directeur-Generaal. Hij werd na de bezetting uit zijn functie ontheven. De medische dienst Medisch toezicht op ingeschreven werkzoekenden geschiedde reeds vóór de instelling van deze dienst bij het R.A.B. Op 12-9-1940 verscheen er n.l. een circulaire van de Rijksdienst der W.V. en A.B. welke begon met: "Teneinde een beter inzicht te verkrijgen in de arbeidsgeschiktheid van werklooze arbeiders hier te lande ...". Het doel van deze circulaire was om alle ingeschrevenen massaal te doen keuren teneinde inzicht te krijgen welke ingeschrevenen geschikt zouden zijn voor arbeid in kampen, arbeid in Duitsland e.d. Voor de uitvoering werd een beroep gedaan op de gemeentelijke geneeskundige diensten. Deze maatregel werd getroffen door de Duitse autoriteiten. Vele opgeroepenen gaven echter geen gehoor aan de oproep, waardoor zij niet meer in aanmerking kwamen voor een uitkering ingevolge de steunregeling of armenzorg dan wel voor plaatsing op werkverschaffingsobjecten. Naast de werkzoekenden werden ook de niet-ingeschrevenen opgeroepen, werkzaam op werkverschaffingsobjecten en zij die in het buitenland geplaatst wensten te worden. Op 22-7-1941 werd dr. J.H.Th. Koch, lid van de N.S.B., belast met de leiding van de medische dienst. Zijn taak bestond uit het adviseren van de Directeur-Generaal op medisch terrein en het leiding geven aan en toezicht houden op de geneeskundigen verbonden aan de G.A.B.'s. Onder zijn afdeling kwamen 5 districtsartsen te ressorteren, welke geplaatst zouden worden in dezelfde plaatsen waar de Duitse "Aussenstellen" waren gevestigd, n.l. Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Den Bosch en Groningen. Begin 1942 werden bij de Gewestelijke Arbeidsbureaus artsen geplaatst welke onder leiding stonden van de directeuren der G.A.B.'s maar hun instructies ontvingen van het hoofd van de Medische Dienst. Van de in totaal 70 voorgestelde artsen waren er slechts weinigen geen lid van de N.S.B. Deze artsen werden aangesteld op arbeidscontract en per keuring betaald. Voor een grote keuring mocht f. 1,50 en voor een kleine keuring f. 0,60 in rekening worden gebracht. Het waren veelal particuliere artsen, die er in vele gevallen ook nog een eigen praktijk op na hielden. Aan deze artsen werd nog een verpleegster toegevoegd, die bij sommige bureaus een dagtaak had, maar bij andere bureaus slechts tijdens de keuringen assisteerde. Daarnaast werd op een G.A.B. nog een administratieve afdeling Geneeskundig Onderzoek ingesteld. Het medisch onderzoek Leek het er in het begin nog op dat de medische dienst een sociale taak zou hebben, al heel spoedig bleek dat dit onderdeel geheel ingeschakeld zou worden ter bevordering van de z.g. Arbeidsinzet, hetzij in Duitsland, hetzij in Nederland. Het geneeskundig onderzoek werd gesplitst in grote en kleine keuringen. Grote keuringen zouden plaatsvinden: voor onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid; voor verplichte diensten in de werkverruiming; voor tewerkstelling, van langere duur, elders in het land; voor tewerkstelling in Duitsland, maar niet voor grensarbeid; voor werklozen waarvoor een grote keuring gewenst was. Voor grote keuringen werd gebruik gemaakt van een keuringskaart MD7. De ingevulde kaarten werden naar de bedrijfsafdelingen van het arbeidsbureau gezonden opdat men de uitslag op de stamkaart zou kunnen overnemen. Ze werden vervolgens opgeborgen bij de afdeling Geneeskundig Onderzoek in verband met het vertrouwelijk karakter ervan. Voor mannen waren de kaarten geel, voor vrouwen wit. Maximaal mochten 20 a 25 grote keuringen per dag per arts worden verricht. Kleine keuringen werden geadministreerd op kleine formulieren, z.g. "Ueberweisungsscheine" en werden verricht t.b.v.: grensarbeiders; grote aantal arbeiders voor Duitsland of de Werkverruiming, indien er voor grote keuringen geen tijd was. De G.A.B.'s De gewestelijke arbeidsbureaus zijn op 1 mei 1941 in werking getreden. Het waren er aanvankelijk 37. De oude naam Arbeidsbeurs moest plaats maken voor Arbeidsbureau, omdat het woord "beurs" teveel associaties opriep met handel. Het gebruikelijke lokettensysteem werd vervangen door bemiddelingskamers. Een arbeidsbureau stond onder leiding van een directeur en een plv. directeur en bestond verder uit: een afdeling Arbeidsbemiddeling, waaronder de vakafdelingen, de afdeling Vrouwen en de afdeling Jeugd ressorteerden. De taak van deze onderdelen was vrij duidelijk, n.l. bemiddelen van arbeidskrachten; een afdeling migratie; dit onderdeel was belast met de uitvoering van alle Duitse opdrachten t.b.v. de arbeidsinzet naar Duitsland; een afdeling Geneeskundig Onderzoek (zie hiervoor hoofdstuk 3b); een afdeling Sociaal Economische Documentatie; deze afdeling hield zich bezig met: bedrijfsstatistieken, statistische overzichten t.b.v. de eigen dienst, samengesteld aan de hand van de bemiddelingsadministratie en de werkloosheidsstatistieken t.b.v. het C.B.S.; het arbeidsbestel: d.i. de totale kennis van de arbeidende bevolking o.m. door middel van het in te voeren arbeidsboekje (zie pag. 15) en de stamkaartenregistratie; kennis van het bedrijfsleven in het gewest o.m. door werkgeversdocumentatie, rapporten, werkbezoeken, e.d.; vakliteratuur. De onderdelen administratie en comptabiliteit behoeven nauwelijks nadere toelichting. De taak van de afdeling Comptabiliteit komt nog ter sprake bij het hoofdstuk over loonovermakingen en loonvoorschotten. Ten behoeve van de registratie van arbeidskrachten werd een uniforme stamkaart ingevoerd, deze kaart was tevens bedoeld als documentatiekaart voor het in te voeren arbeidsboekje. De opberging geschiedde centraal. Daarnaast was de bemiddelingskaart het hulpmiddel voor de bemiddelaar. Hij bewaarde deze kaart in een bemiddelingskartotheek, waardoor hij steeds een overzicht had van het aanbod op de arbeidsmarkt. Voor beroepen met een sterk intercommunaal karakter werd een inschrijvingsformulier ingevoerd, dat door de werkzoekende eigenhandig moest worden ingevuld en dat centraal bij de registratiekaart werd opgeborgen. Aan de ingeschrevenen werd een inschrijvingskaart meegegeven. Voor mannen een gele, voor vrouwen een witte. Van de 37 in 1941 aangestelde directeuren waren er aanvankelijk slechts 9 lid van de N.S.B. Na de reorganisatie van 1943, toen het aantal arbeidsbureaus werd teruggebracht tot 25, waren er eerst 13 en later 16 directeuren lid van de N.S.B. De taak van het R.A.B. Ofschoon uit de organisatieopzet van 1940 wel blijkt dat het geenszins de bedoeling was om alleen arbeidsbemiddeling in het vaandel te voeren, is - door de omstandigheden waaronder men in de vijf oorlogsjaren heeft moeten werken de arbeidsbemiddeling of meer nog de arbeidsinzet verreweg de grootste taak geweest waarmee het R.A.B. en de G.A.B.'s te maken hebben gehad. Was arbeidsbemiddeling aanvankelijk de taak waarvoor men zich gesteld zag, de Duitse bezettingsautoriteiten bogen dit al heel spoedig om tot arbeidsinzet, geheel in dienst van de oorlogsvoering. Andere taken als vakopleiding en beroepskeuzevoorlichting kwamen nauwelijks ter sprake, hetgeen uit de volgende hoofdstukken zal blijken. De vakopleiding die er was werd evenals de arbeidsbemiddeling voornamelijk dienstbaar gemaakt aan de Duitse oorlogsinspanning. Registratie Arbeidsboekje Het regelen van de totale arbeidsvoorziening zal de Duitsers zeker voor ogen hebben gestaan, wanneer men ziet hoe zij zich al direct na de capitulatie op dit gebied aandienden. Een van de middelen waarvan zij zich wilden bedienen was de registratie van alle arbeidskrachten. Een prachtig middel daartoe was het reeds in 1935 in Duitsland ingevoerde "Arbeitsbuch". Een dergelijk boekje wenste men ook voor Nederland, immers men zou hierdoor het gehele arbeidspotentieel leren kennen, men zou over alle persoonlijke gegevens beschikken en het zou een belangrijk instrument zijn ter bestrijding van de werkloosheid en verder zou men over betere werklozencijfers beschikken. Het lag in hun bedoeling om op 1 September 1941 te beginnen met een bedrijfsgewijze registratie. De bouwvakkers zouden als eerste het spits moeten afbijten. Het arbeidsboekje zou worden uitgereikt door het arbeidsbureau à raison van 50 cent. De werknemer zou dan dit boekje aan de werkgever moeten geven op het moment dat hij daar in dienst trad. Na ontslag zou hij het weer terugkrijgen met alle bijgewerkte aantekeningen van de werkgever, die tegelijk dezelfde gegevens op een formulier zou moeten toezenden aan het arbeidsbureau. De verdere bedoelingen van de Duitsers met dit boekje lieten zich gemakkelijk raden en het gevolg was dan ook dat er van Nederlandse zijde bezwaren tegen werden ingebracht. Deze bezwaren waren voornamelijk van technische en financiële aard. De H.S.V. eiste dat het boekje geheel identiek zou zijn aan het Duitse arbeidsboek en zelfs zou het tweetalig moeten zijn. Het zou een uitnemend hulpmiddel zijn geweest t.b.v. het z.g. uitkammen van de bedrijven. De eis tot tweetaligheid was echter niet verstandig, want dit hield in dat er t.b.v. de beroepenaanduiding in het boekje een beroepen nomenclatuur in het Nederlands zou moeten verschijnen, een vertaling dus van de Duitse. Dit was een zeer omvangrijk werk met als gevolg dat de invoering op de lange baan werd geschoven. De Duitsers kregen steeds minder interesse, omdat zij de arbeidsinzet inmiddels langs andere wegen lieten uitvoeren, n.l. door middel van de z.g. Z.S.-Kartei, waarover later meer. Een registratie door middel van het arbeidsboek was van de baan. Toelating vreemdelingen De wet op het toelaten van vreemdelingen in Nederland van 1934 had ten doel te voorkomen dat de Nederlandse arbeidsmarkt overstroomd zou worden door vreemde arbeidskrachten. Deze wet had in de periode 1940-1945 echter nauwelijks enige betekenis. De Duitsers vestigden zich ook zonder vergunning in ons land en anderen kregen de kans niet omdat de Duitsers door middel van de arbeidsinzet naar Duitsland ook in de omringende landen de arbeidsmarkt afroomden. Ten aanzien van de procedure werd desondanks een meer uniforme werkwijze ingevoerd, waarbij het aantal in gebruik zijnde formulieren, mede als gevolg van de papierschaarste, werd beperkt. Bij het uitbrengen van adviezen door de G.A.B.'s diende voortaan naast de gebruikelijke vraag of er bezwaar bestond tegen toelating ook te worden vermeld of de werknemer of de werkgever Jood was. Vakopleiding a. De Centrale Werkplaatsen De vakopleiding in de oorlogsjaren was van zeer beperkte omvang en vrijwel geheel gericht op de Duitse oorlogsinspanning. Ten aanzien van de Centrale Werkplaatsen werd al in begin van 1942 bepaald dat alle aspirant deelnemers boven de 18 jaar (en zij die geen ambachtsschool hadden boven 19 jaar) zich dienden te verplichten om een jaar in Duitsland te gaan werken. Van het totale aanbod zou echter nog een derde deel worden vrijgesteld o.m. wegens huiselijke omstandigheden. Het plaatsen van deelnemers op de werkplaatsen was uitsluitend in handen van de G.A.B.'s. Deelnemers aan de cursussen ontvingen een z.g. slijtagevergoeding die al naar gelang de leeftijd varieerde van f. 0,50 tot f. 3,- per week. Later werd deze vergoeding voor 18, 19 en 20-jarigen veranderd in een uurvergoeding van 9 tot 19 cent per uur, terwijl aan deelnemers boven 20 jaar een loondervingsvergoeding werd gegeven. Deze loonderving werd vastgesteld op basis van het Besluit Loonbepaling voor de Werkverruiming waarop dan een kleine korting van enkele centen per uur werd toegepast. In 1943 werden de Centrale Werkplaatsen, die voortaan Rijkswerkplaats werden genoemd, benut om personeel van bedrijven, dat ingevolge het leerlingstelsel werd opgeleid en waarvoor de werkgever zelf geen plaats had, op te leiden. Met de controle hierop waren een drietal inspecteurs belast uit de rayons Den Haag, Amsterdam en Den Bosch. b. Ausbildungswerkstatte Dit waren scholingsinstituten voor de vliegtuigindustrie. Ze waren gevestigd in Amsterdam, Rotterdam, Hengelo en Utrecht. De opleiding duurde in het begin 3 maanden, maar werd later teruggebracht tot 6 weken. Er waren twee mogelijkheden: of men meldde zich vrijwillig, of men werd hiervoor door een arbeidsbureau aangewezen. De opleiding werd in deze vorm op 4 mei 1944 stopgezet. Voortaan konden arbeiders, die voor Duitsland geschikt waren bevonden, hier niet meer worden toegelaten. Wel was dit nog mogelijk voor hen die voor Duitsland waren afgekeurd om vervolgens in de Ruestungindustrie in Nederland geplaatst te worden. c. Vakopleiding in Duitsland In Maart 1943 werd de mogelijkheid opengesteld om Nederlandse jongens van 15 en 16 jaar een volledige vakopleiding in Duitsland te laten volgen. Aan deze opleiding was het gezelexamen verbonden. De cursus duurde aanvankelijk 3 jaar, maar later werden ook opleidingen gegeven van aanzienlijk kortere duur. Deze opleiding vond geheel plaats in Duitse bedrijven, terwijl de deelnemers werden ondergebracht bij particulieren, b.v. het gezin van de leermeester of in "Handwerkslehrheime". Vooraleer men werd toegelaten vond een voorselectie plaats, welke ongeveer 4 weken duurde en gedurende welke een test werd afgenomen door de afdeling Beroepskeuzevoorlichting. Voor dit doel heeft men enige tijd de beschikking gehad over het kasteel "De Haar" te Haarzuilens. Daarna ging men gebruik maken van het jeugdvormingsoord te Putten. De arbeidsbemiddeling a. Vóór de capitulatie Het plaatsen van Nederlanders in Duitsland voornamelijk in het grensgebied was in die tijd een zaak van werkloosheidsbestrijding. Jaarlijks werden tussen NederIand en Duitsland regelingen dienaangaande opgesteld. Dit leidde ertoe dat men het gaan werken in het Duitse grensgebied als "passend werk" was gaan beschouwen. Dit hield in dat, indien men "passend werk" niet accepteerde, men geen steun meer ingevolge de Steunregeling of uitkering krachtens de werkloosheidskassen kreeg. De genoemde overeenkomsten met Duitsland hadden voornamelijk betrekking op veenarbeiders, landarbeiders en melkers. De regelingen waren in feite het gevolg van een reeds jaren bestaande "trek" van deze mensen uit Friesland, Drente en Zeeuws-VIaanderen naar Duitsland. b. Na de capitulatie De arbeidsbemiddeling, die na de capitulatie weer op gang kwam, was aanvankelijk het voortzetten van een reeds bestaande lijn. Het beoogde doel, waarschijnlijk ook van de Duitsers, was het weer zo snel mogelijk op gang brengen van het bedrijfsleven, de landbouw etc. en dus ook bestrijding van de ontstane werkloosheid. Gaandeweg zien we echter dat de arbeidsbemiddeling gaat in de richting van arbeidsinzet waartoe allerlei maatregelen stap voor stap worden genomen, met als uiteindelijk doel het inschakelen van arbeidskrachten ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Naarmate de oorlog ongunstiger ging verlopen, nam de arbeidsinzet toe en derhalve ook de inschakeling der Gewestelijke Arbeidsbureaus. Deze Arbeidsbureaus waren in feite de enige bureaus waar bemiddeling kon en mocht plaatsvinden. Dienstverplichting Toen de Duitse autoriteiten zich na mei 1940 gingen bezighouden met het orgaan der openbare arbeidsbemiddeling rees hier en daar wel het vermoeden dat zich dit niet zou beperken tot het begrip bemiddeling alleen. Aldra bleek dan ook dat allerlei maatregelen als meldingsplicht, regeling van aanstelling en ontslag e.d. voorboden waren tot de z.g. "Arbeitseinsatz". Een sterk middel ten behoeve van deze "Arbeitseinsatz" was de dienstverplichting, immers hiermee kon men alle kanten uit. Men kon de mensen dus ook verplichten daar te gaan werken waar zij, de bezettingsautoriteiten, dat noodzakelijk vonden. De dienstverplichting zou men in 2 fasen kunnen indelen, n.l: dienstverplichting in Nederland (ingevolge verordening 42/1941); dienstverplichting naar Duitsland {ingevolge verordening 26/1942). ad. 1. De verordening 42/1941 hield in het kort gezegd de verplichting in tot het verrichten van bepaalde diensten en de mogelijkheid om het veranderen van betrekking te beperken. De verordening was alleen van toepassing op de bewoners van het bezette Nederlandse gebied. De verplichting tot het verrichten van diensten werd opgelegd door het Arbeidsbureau. De door het Arbeidsbureau aangewezenen werden aan een geneeskundig onderzoek onderworpen en aan de hand van de uitslag ingedeeld voor zwaar, halfzwaar of licht werk. Bij de tenuitvoerlegging werd een zekere rangorde aangehouden. Zo kwamen eerst de ongehuwden in aanmerking en vervolgens de gehuwden, dan de gezinshoofden met maximaal 2 kinderen en vervolgend de overigen. Sinds eind 1941 konden contractbrekers worden opgesloten door de S.D. in het "Durchgangslager" te Amersfoort, maar ook was vervolging door de Nederlandse Justitie mogelijk. ad. 2. Aan de dienstverplichting naar Duitsland gingen enkele andere besluiten vooraf, zoals: de verordening 14/1942 waarbij werd bepaald dat voor het bekorten van werk, van de 48-urige werkweek, de toestemming vereist was van de Directeur-Generaal van de Arbeid. Het gevolg hiervan was dat de bedrijven die minder dan 48 uur wilden gaan werken personeel overhielden, indien de vergunning geweigerd werd. het besluit van de Secretarissen-Generaal van Sociale Zaken en Justitie van 20-2-1942 dat een meldingsplicht voorschreef van mannen en ongehuwde vrouwen van 18-40 jaar, die werkloos waren. De beschikking was mede ondertekend door de Secretaris Generaal van Justitie, omdat berechting voor de economische rechter mogelijk was. Alle personen moesten geregistreerd worden in het beroep waarvoor zij geschikt werden bevonden. een tweede besluit van de beide Secretarissen-Generaal van 14-3-1942 betreffende het aanstellen van werknemers beneden 40 jaar. Hiervoor was voortaan de toestemming nodig van het Arbeidsbureau. Genoemde maatregelen gingen vooraf aan de verordening 26/1942, welke niet meer was dan een wijziging van de reeds genoemde dienstverplichtingsverordening 42/1941. De in deze verordening voorkomende passage "binnen het Nederlandse gebied" werd eenvoudig geschrapt, zodat de dienstverplichting voortaan ook kon worden toegepast voor plaatsing in Duitsland. Deze verordening, met de uitvoering waarvan de arbeidsbureaus werden belast en de directeuren de dienstverplichting moesten opleggen, betekende voor vele directeuren en andere ambtenaren een gewetensconflict. De deining die hierdoor veroorzaakt werd, was aanleiding om de contactcommissie voor overleg in te schakelen. Een aantal directeuren besloot ontslag in te dienen, vooral toen de eerst opdracht van Fr. Sauckel binnenkwam om 30.000 metaalarbeiders, desnoods door dienstverplichting in Duitsland te plaatsen. In het archief van het R.A.B. bevindt zich ook een tweetal niet verzonden brieven, waarin Ir. Verwey en de heer Knetsch mededelen ontslag te moeten nemen. Het alternatief van de dienstverplichting zou volgens de Duitsers het terugvoeren van krijgsgevangenen naar Duitsland zijn, waardoor het bedrijfsleven in grote moeilijkheden zou komen te verkeren. Ingevolge de dienstverplichtingsverordening kregen de arbeidsbureaus nu de volgende bevoegdheden: Werklozen en personen in de werkverruiming konden in Duitsland worden geplaatst; De z.g. a-socialen konden elders, b.v. in kampen, tewerkgesteld worden; De G.A.B.'s konden arbeiders onttrekken aan bedrijven, voorlopig met uitzondering van de Ruestungsbedrijven; Contractbrekers konden teruggezonden worden naar Duitsland; Dienstverplichting kon voor een jaar worden opgelegd ten aanzien van werk in Duitsland en voor bepaalde opdrachten in Nederland. In aanmerking kwamen mannen van 18-40 jaar. Het invoeren van deze maatregelen en de onrust die al was ontstaan door het heengaan van enkele directeuren had tot gevolg dat in Den Haag een vergadering van directeuren werd belegd, waarbij ook het hoofd van de H.S.V. Boening aanwezig was. Tijdens deze vergadering op 22 april kwam echter niets nieuws ter tafel. Het gevolg was, dat weer een paar directeuren hun ontslag indienden. In totaal meenden een twintigtal directeuren niet aan de maatregel te moeten medewerken. De deining die er door genoemde maatregel was ontstaan deed de Duitsers toch besluiten met een nieuwe verordening (48/1942) te verschijnen, welke in zoverre van de oude afweek, dat nu ook de Fachberaters dienstverplichting konden opleggen naast de directeuren die geen bezwaar maakten. Dit had tot gevolg dat, op een enkele na, de meeste directeuren hun ontslag introkken. Kort daarop eiste de H.S.V. hier en daar echter weer een verklaring van de directeuren dat zij bereid waren dienstverplichtingsformulieren te ondertekenen. Dit had tot gevolg dat de directeur van Rotterdam zijn weer ingetrokken ontslag alsnog indiende. Eenzelfde poging in het zuiden des lands liep op niets uit, zodat van het afleggen van verklaringen maar werd afgezien. Wel kwam hieruit nog voort dat sommige directeuren met ziekteverlof gingen, een tweetal werd ontslagen en sommigen zelfs werden gegijzeld. Inmiddels werd de maximum leeftijd verhoogd van 40 tot 45 jaar. Alhoewel als sanctie op het weigeren van dienstverplichting door de rechter maximaal een jaar gevangenisstraf kon worden opgelegd, kwam dit veelal neer op een geldboete indien het werkweigering in Nederland betrof. Betrof het werkweigering voor Duitsland, dan gaf de Fachberater de namen door aan de S.D. en later aan een speciaal hiervoor in het leven geroepen "Arbeitseinsatzpolizei". De mensen werden dan, als men ze kon vinden, gearresteerd en in strafkamp of Durchgangslager ondergebracht (Ommen en Amersfoort). Ook gewone agenten, die bij de arbeidsbureaus ter beveiliging waren gestationeerd, werden hiermee soms belast. In het bijzonder het Arbeitskontrollkommando te Ommen trad zeer willekeurig en zeker niet "volgens het boekje" op. Kontrollkommando's Deze groep werd in het leven geroepen in mei 1943 toen de "jaargangenactie", in het bijzonder die van 1924, niet het gewenste resultaat opleverde. Men ging ertoe over de in 1924 geboren mannen te controleren op het bezit van een Ausweis. Degenen die geen Ausweis bezaten werden gearresteerd en overgebracht naar het kamp Erica te Ommen. Dit kommando dat een soort hulppolitie voorstelde ging vrijwel steeds over de schreef. Instructies kregen zij van de Fachberaters. Behalve dat zij de jaargang 1924 controleerden, bezochten zij alle adressen die de Fachberater hun opgaf en zelfs hielden zij eigenmachtig razzia's. In april 1944 werd uit de bij de arbeidsbureau gestationeerde agenten van de vrijwillige hulppolitie een "Arbeitskontrollkommando" gevormd, eveneens voor het opsporen van contractbrekers, controle van Ausweise, enz. De deelnemers hieraan waren politiek fout en hun optreden was vanzelfsprekend schrikwekkend. Arbeidsbemiddeling in Nederland a. Werkverschaffing c.q. werkverruiming In het kader van de werkloosheidsbestrijding was de werkverschaffing een belangrijk middel. Het streven was om minder mensen in de steun en meer mensen op W.V.-objecten te krijgen. Voorheen waren er meer in de Steunregeling dan werkzaam in W.V.-verband, maar de kentering kwam na de capitulatie. De arbeidsbureaus moesten aanvankelijk langs vrijwillige weg trachten de gesteunden op W.V.-objecten geplaatst te krijgen. Het plaatsen op deze objecten kon sinds 27-6-1941 alleen nog plaatsvinden via de arbeidsbureaus. Voor tewerkstelling kwam iedere werkloze van 18 tot 65 jaar in aanmerking, mits hij bij het G.A.B. stond ingeschreven en hij medisch geschikt werd bevonden. Niet voor W.V. in aanmerking kwamen: de gesteunden ingevolge de Steunregeling voor kleine boeren en tuinders, want deze mensen zouden voornamelijk vrij moeten blijven voor de te verwachten tekorten in de landbouw; personen die werk in Duitsland weigerden; contractbrekers: mensen die de wettige opzegtermijn in Duitsland niet in acht hadden genomen of die niet van verlof waren teruggekeerd. De vrijwillige plaatsing stond primair, maar indien men niet vrijwillig ging kon de steun worden ingehouden en later kon ook tot dienstverplichting worden overgegaan (zie hoofdstuk Dienstverplichting). Dit vond plaats ingevolge de verordening 42/1941. In oktober 1941 rnoesten de G.A.B.'s, mede gebruik makend van deze verordening, 25.000 man plaatsen op W.V.-objecten. Hiervoor kwamen in aanmerking: werkloze ingeschreven mannen en ondersteunden ingevolge de gemeentelijke Steunregeling, de werklozenkassen en de bijzondere steunregeling (boeren en tuinders); zij die ondersteuning genoten van kerk- en/of armenzorg; werkloze ingeschrevenen die geen uitkering ontvingen, uitgezonderd contractbrekers; werkloze inwonende kinderen (m) boven 18 jaar van bovengenoemde groepen; de niet ingeschreven werkloze mannen boven 18 jaar. Ruim 3.000 man werden ingevolge de dienstverplichting direct geplaatst, voornamelijk contractbrekers. De plaatsing op W.V.-objecten nam echter zienderogen af als gevolg van de steeds driestere arbeidsinzet naar Duitsland en in Nederland bij de Ruestungindustrie, kustverdediging etc. b. Voor Duitse instanties Naast de werving voor Duitsland werden ook vele arbeidskrachten in Nederland tewerkgesteld ten behoeve van de Ruestungindustrie, op vliegvelden, bij de kustverdediging e.d. Opdrachten hiertoe werden aanvankelijk alle via de arbeidsbureaus geleid. In 1943 werden grote opdrachten geplaatst voor de Organisation Todt op Walcheren (1500 man), de marine in IJmuiden (146 man), de marine in Den Helder (500 man) en eind december 1943 600 man voor Zeeland. Al deze acties leverden echter niet het gewenste resultaat op, alhoewel velen op de vrij hoge lonen afkwamen. Voortaan mochten ook weigeraars voor Duitsland, als gevolg van de geringe resultaten, bemiddeld worden, uitgezonderd de contractbrekers. De laatst genoemde actie in Zeeland mocht ook buiten het G.A.B. om worden gevoerd, waardoor men wat meer aanbod verwachtte. Ook daarna mochten firma's die werk voor de O.T. uitvoerden arbeidskrachten in het kader van het "Sonderbauprogramm" buiten de G.A.B.'s om werven. De arbeidsbureaus dienden dan wel op de hoogte te worden gesteld van de wervingsresultaten. Anderzijds kregen de G.A.B.'s lijsten van particuliere firma's die werk in de burgersector verrichtten. Op deze lijsten werd door de Duitse autoriteiten aangetekend wie naar de O.T. (kustverdediging) moesten worden overgeheveld. Ten behoeve van deze werknemers werden ook de cultuurtechnische werken uitgekamd. Men werd steeds makkelijker met de wervingsnormen. Eerst werden de jaarklassen 1922-1924 acceptabel verklaard en in 1944 mochten eerst arbeiders van de Cultuur-Technische Dienst en later zelfs bouwvakarbeiders voor de O.T. worden bemiddeld. In 1942 werd bepaald dat bepaalde bouwvakarbeiders, voornamelijk ijzervlechters, niet naar Duitsland of Frankrijk bemiddeld mochten worden indien er opdrachten van de O.T. ten behoeve van de kustverdediging waren. Begin 1943 had men op Walcheren direct 1500 timmerlieden, ijzervlechters, betonarbeiders en grondwerkers nodig en de daaropvolgende opdracht bedroeg 2500 man. Teneinde verloop te voorkomen diende men direct tot dienstverplichting over te gaan. De mensen werden in kampen ondergebracht. De actie leverde in eerste instantie slechts weinig resultaat op, waarna ieder G.A.B. een aantal op kreeg dat direct "geleverd" moest worden. Zo'n opgave werd eerst in februari en daarna in maart verstrekt. De dienstverplichting werd steeds verlengd. Ondanks de vele mogelijkheden die geboden werden bleef het resultaat beneden de eisen welke van Duitse zijde werden gesteld. Dit leidde ertoe dat de z.g. "Gemeinde-einsatz" toegepast ging worden. Dit hield in dat burgemeesters arbeidskrachten dienden aan te wijzen voor werken die in hun gemeenten ten behoeven van de Wehrmacht werden verricht. Hiervoor kwamen personen in aanmerking van 18-50 jaar. De duur van de tewerkstelling bedroeg 14 dagen en later 1 maand. Het was een soort wisselsysteem, waarbij alle arbeiders als ongeschoolden werden beschouwd en ook als zodanig werden betaald. In begin 1944 werd bepaald dat de aanwijzing door de arbeidsbureaus zou plaatsvinden teneinde de burgemeesters, die overal protesteerden, buiten schot te houden. Wel zouden de gemeenten voor de nodige gegevens moeten zorgen. E.e.a. leverde toch weer te weinig resultaat op en mede daardoor gingen de Duitsers over tot de alom bekende razzia's, nu dan geheel buiten de G.A.B.'s om. Begin 1945 werden de arbeidsbureaus tegen een gemaakte afspraak in nogmaals ingeschakeld bij een "vrijwillige" wervingsactie van de Duitsers van mannen ten behoeve van defensiewerkzaamheden in de streek Meppel-Groningen. Men stelde eenvoudig in de wervingsadvertenties dat men zich kon melden bij de arbeidsbureaus. Dekens, kleren en eetgerei moesten worden meegenomen. Deze medewerking lokte bij de arbeidsbureaus nogal verzet op, hetgeen op het Arbeidsbureau te Amsterdam slachtoffers kostte. Ten slotte volgde na Dolle Dinsdag nog een dienstverplichtingsactie toen de Fachberaters opdracht kregen tot werving van ruim 3000 man in Dordrecht, Rotterdam en Den Haag voor Wehrmachtswerken in het oosten des lands. Door de G.A.B.'s is hieraan geen medewerking verleend. c. Landbouw Deze sector werd aanvankelijk het meest ontzien omdat hierbij direct de voedselvoorziening betrokken was. Om te voorkomen dat men elders ging werken, werd reeds eind 1940 bepaald dat landarbeiders, zowel in Nederland als in Duitsland, niet buiten hun beroep geplaatst mochten worden. In 1940 werden ten behoeve van de vlasoogst acties gevoerd om plukkers te werven waarbij voor de ongeschoolden een scholing van 1-2 weken was gepland. Ook werd ten behoeve van de oogstvoorziening een beroep gedaan op de jeugd. Om de moeilijkheden in de landbouw te bezweren, veroorzaakt door afvloeiing van veel personeel naar Duitsland, werd in 1942 een "Commissie arbeidskrachten voor de landbouw" ingesteld. Deze commissie bracht hetzelfde jaar nog een rapport uit waarvan de belangrijkste conclusie was: het inschakelen van arbeiders uit de cultuurtechnische werken en de werkverruiming in mobiele colonnes ten behoeve van de oogstvoorziening. De arbeidsbureaus moesten nagaan wie voor de colonnes in aanmerking kwamen. Het verzamelen van de aanvragen zou kunnen gebeuren door de plaatselijke bureauhouders of door de G.A.B.'s zelf. Daarna moest het G.A.B. nagaan of de aanvrager wel alle moeite had gedaan om gewone arbeidskrachten te krijgen. Het G.A.B. voldeed vervolgens aan de aanvraag of schakelde de vakkundige ambtenaren in die de opgaven weer doorgaven aan de inspectie voor de W.V., waarna de arbeiders zowel van Cultuurtechnische werken als de werkverruiming werden aangewezen. d. Jeugdhulpen in de landbouw In 1940 werd een actie op touw gezet om jongelieden voor 2 a 3 maanden te werven als hulp in de landbouw. Dit waren geen geoefende jongelui, zodat de boer geen al te grote verwachtingen mocht koesteren. Het ging hier desondanks toch wel om vrij zwaar werk. De jongelui kregen naast kost- en inwoning een zakgeld van f. 1,50 à f. 2,- per week. Er bestond een mogelijkheid van inwoning, maar als dit niet kon dan werd men ondergebracht in barakken. Medio 1941 waren er ongeveer 800 aanvragen binnengekomen. Deze moesten geselecteerd worden door de jeugd- of vrouwenbemiddelingsafdeling. De plaatsing werd centraal door het R.A.B. geregeld. Alhoewel er veel propaganda voor deze acties werd gevoerd was het succes niet groot. In de Wieringermeer waren er klachten van een drietal landbouworganisaties. De klachten kwamen hier op neer, dat een vreemde gast in het gezin verzet ontmoet, dat de jongelui voor het werk ongeschikt waren en er ook vaak niet de juiste instelling voor hadden en tenslotte was er vaak een te groot milieuverschil. Uit een enquete bij 75 pachters bleek dat er slechts een enkele bereid bleek landbouwhulpen te nemen. De meeste pachters vonden de jeugdhulp overbodig. Uit het algemeen overzicht over de actie bleek dat deze te laat is gestart, dat de jongelui dachten dat het om vacantie ging, dat de boeren meenden dat zij volwaardige krachten kregen en dat sommigen weer vertrokken voor de tijd erop zat. In 1942 liet men Polygoon een propagandafilm maken, welke door de arbeidsbureaus gebruikt zou moeten worden voor de wervingsacties. Het aantal aanvragers was echter nog geringer dan in 1941. Het resultaat was dan ook in de meeste gewesten gering. In 1943 ging het om een tijdvak van 4 weken. Er werd nog meer propaganda gemaakt, maar een succes is de actie nimmer geworden. Ze liep tenslotte dood als gevolg van de geringe instelling bij beide partijen. e. De Noordoostpolder De Noordoostpolder is voor vele landgenoten een oord geweest om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen, zowel legaal als illegaal. Men noemde de polder dan ook wel het "onderduikparadijs". De vraag naar arbeidskrachten begon in augustus-september 1941 toen met de ontginning van de polder een aanvang werd gemaakt. Benodigd waren uitsluitend landarbeiders bekend met akkerbouw. Aangezien de gehele polder nog in cultuur gebracht moest worden ging het om zware arbeid. De bemiddeling van gegadigden geschiedde door bemiddeling van de arbeidsbureaus. De eerste werving werd geleid via de vakkundige ambtenaren van het R.A.B. Huisvesting vond plaats in barakken. De vakkundige ambtenaren waren: J.K. Melse in Ginneken; N.J. Rempt in Haarlem; RJ. Edens in Groningen en A.C. Schuylenburg in Arnhem. Het aanvankelijke aantal tewerkgestelden bedroeg 1200 man, maar na februari 1942 zou dit worden opgevoerd tot 2700 man. Nu kwamen echter ook grondwerkers in aanmerking, indien zij bekend waren met de landbouwsector. Vervolgens zou men iedere maand respectievelijk 700, 600, 300, 800 en 600 man dienen te werven, maar in mei 1942 zat men al ver beneden de begroting. Medio 1942 werd ook de Ned. Heide Mij. ingeschakeld bij de werving van arbeidskrachten. Het blijvende grote tekort, mede veroorzaakt door voortijdig vertrek van degenen die klachten hadden, leidde ertoe dat de vertrekkers medio 1942 door middel van dienstverplichting weer tewerkgesteld werden. In ieder geval kwamen zij niet voor ondersteuning of werk ter plaatse in aanmerking. In September 1942 werden de arbeidsbureaus verplicht om bepaalde hoeveelheden arbeiders te leveren waarbij de geplaatsten waren vrijgesteld van de "Arbeitseinsatz" in Duitsland. Ondanks dat er bij aannemers in de N.O.P. veel contractbrekers werkzaam waren, was het tekort eind november 650 man. De bemiddeling vond tot november 1942 plaats door het G.A.B. Zwolle, daarna werd die taak opgedragen aan het "Arbeidsbureau N.O.P." te Kampen. Dit bureau ressorteerde rechtstreeks onder het R.A.B. Het bureau regelde verder ook alle bemiddeling voor de overige Zuiderzeewerken. In verband met de grote wervingsacties voor Duitsland was het tekort in oktober 1943 gestegen tot ±3000 man. In november daaraanvolgend bepaalde de Reichskommissar dat alle vrijkomende arbeidsdienstmannen van de lichting 1925 in de N.O.P. geplaatst moesten worden. In verband met de grote hoeveelheid vrijstellingen die verleend werden werd ook deze maatregel niet zo succesvol als men wel gehoopt had. Tenslote zij nog vermeld dat de N.O.P. voor velen toch wel een onderduikmogelijkheid bood, hetgeen weer blijkt uit de verschillende soorten beroepen en groepen die men hier aantrof w.o. joden, predikanten, e.d. Dit leidde ertoe dat de Duitsers op 17 en 18 november 1944 een razzia lieten uitvoeren door ± 4000 S.S.-mannen, waardoor de N.O.P. grondig werd uitgekamd en velen hiervan het slachtoffer werden. f. Vrouwen De vrouwen vielen aanvankelijk buiten de dienstverplichting met uitzondering van vrouwen woonachtig in de grensstreek. Ondanks het feit dat de dienstverplichting in het algemeen dus niet op vrouwen van toepassing was, is in 1941 en 1942 toch een relatief vrij grote groep vrijwillig naar Duitsland vertrokken, gestrikt door de propaganda en wellicht ook door andere oorzaken. Verdere dienstverplichting van vrouwen naar Duitsland is nimmer doorgevoerd, maar wel in Nederland zelf. Het was de bedoeling van de Duitsers dat de vrouwen de plaatsen zouden innemen van de naar Duitsland vertrokken mannen. E.e.a. liep tenslotte uit op een opdracht van de H.S.V. van 1-10-1942, waarbij dienstverplichting werd voorgeschreven voor textielarbeidsters in de grensstreek met de bedoeling dat zij dagelijks heen en weer zouden kunnen reizen tussen woon- en werkplaats of desnoods l x per week en personeel voor de confectie-industrie in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag in verband met het grote verloop aldaar. Deze dienstverplichting moest door het arbeidsbureau worden opgelegd. Een poging tot vrije werving van vrouwen buiten de G.A.B.'s om liep op niets uit. Op 7-6-1943 ontvingen de Fachberaterinnen van de H.S.V. de opdracht om meisjesstudenten, die de loyaliteitsverklaring niet hadden ondertekend, 6 maanden te plaatsen in een functie in de conservenindustrie of in de landbouw. De Fachberaterinnen hebben zich hierbij zeer actief getoond. De regeling van 1-10-1942 werd op 15-7-1943 uitgebreid en wel zodanig dat werving door middel van dienstverplichting ook zou kunnen plaatsvinden ten behoeve van bedrijven van vitaal belang zoals Ruestung- en kledingindustrie en voedselvoorzieningsbedrijven, terwijl schoolgaande meisjes bij de oogstwerkzaamheden ingeschakeld konden worden. E.e.a. had tot gevolg dat verkeerde elementen werkzaam bij sommige arbeidsbureaus lijsten van vrouwen gingen opvragen bij de afdeling Burgerlijke Stand van de Gemeenten, terwijl anderen warenhuizen, hotels en winkels gingen uitkammen teneinde deze vrouwen te kunnen tewerkstellen bij bovengenoemde vitale bedrijven. Op 7-12-1943 werd in Gouda een tehuis voor dienstverplichte meisjes geopend als gevolg van het grote aantal meisjes dat zich aan dienstverplichting trachtte te onttrekken. Het internaat was in feite een wasserij dat aan slechts 20 meisjes onderdak bood. In de loop van 1944 kwam de bepaling af dat vrouwen vanaf 18 jaar ook konden worden aangewezen ten behoeven van Wehrmachtswerken. Het laatste plan om een grotere greep op de vrouwen te krijgen bestond hierin, dat vrouwen van 17-45 jaar, zonder kinderen beneden 14 jaar, een verklaring van de Fachberaterin dat zij zich bij haar gemeld hadden moesten overleggen ter verkrijging van de nieuwe distributiestamkaart. Dolle Dinsdag onderbrak dit voornemen. g. Nederlandse Arbeidsdienst De taak van het arbeidsbureau bij een organisatie als de N.A.D. bestond voornamelijk uit het behulpzaam zijn van deze dienst ten aanzien van het verstrekken van allerlei gegevens, het voorkomen dat bepaalde groepen arbeidskrachten in de N.A.D. zouden worden opgenomen en het verlenen van voorrang bij bemiddeling aan oud N.A.D.-mannen. Zo diende men een opgave aan de N.A.D. te geven van alle personen uit de jaargangen 1922 en 1923, een maatregel van 20-5-1942. Geen medewerking mocht verleend worden aan het tewerkstellen in overheidsdiensten van N.A.D.-personeel dat was heengegaan uit solidariteit met de vertrekkende commandant majoor J.N. Breunese. Meisjes die zich meldden voor de N.A.D. dienden in het bezit te zijn van een verklaring van het arbeidsbureau, dat ze de laatste tijd niet gewerkt hadden. Gesloten was de N.A.D. voor personen afkomstig uit bepaalde vitale bedrijven zoals de mijn-, scheepvaart- en Ruestungindustrie. Ook werd gereglementeerd opgetreden ten aanzien van personen afkomstig uit de land- en tuinbouw of van de Organisation Todt. h. Joden Met de Duitse maatregelen ten aanzien van de joden hebben de G.A.B.'s weinig te maken gehad. Slechts op een punt kwam het arbeidsbureau met de joden als groep, als volksdeel, in aanraking. Het gewestelijk arbeidsbureau was n.l. reeds spoedig de centrale voor het plaatsen van werkloze joden in de W.V. In het begin van 1942 plaatste men ±1400 werkloze joden in W.V.-kampen. Om dit te bereiken moesten alle G.A.B.'s hun opgaven van aanwezige werkloze joden doorgeven aan de afdeling W.V. van het G.A.B. Amsterdam. Op 20-5-1942 werd de regeling uitgebreid tot niet-werkloze joden. Het geneeskundig onderzoek van deze mensen geschiedde aanvankelijk door joodse artsen, later door "arische" artsen. Voor de werving werd ook de Joodse Raad ingeschakeld. De leeftijdsgrens voor deze tewerkstelling wisselde nogal eens. Aanvankelijk betrof het de groep van 18-55 jaar, later van 14-60 jaar en vervolgens alle joden tot 65 jaar. Van deze tewerkstelling waren wel bepaalde groepen vrijgesteld zoals gemengd gehuwden, zij die een christelijk geloof beleden, of zij die een bepaald beroep hadden zoals onderwijzer of arts en tenslotte kon men vrijgesteld worden wegens sociale redenen. De Fachberater was hierbij niet ingeschakeld. De actie werd echter op 6 oktober daaraanvolgend al stopgezet. De Arbeidsinzet Alhoewel er in de jaren 1940-1945 naar Duitsland ook arbeidsbemiddeling heeft plaatsgevonden, is in deze oorlogsperiode de veel meer ingrijpender "Arbeidsinzet" zo overheersend geweest, dat het m.i. zeker verantwoord is de gehele "bemiddeling" naar Duitsland te betitelen met "Arbeidsinzet". De allereerste opzet, direct na de capitulatie hield een verlenging in van een bestaande traditie n.l. eerst werk vinden in Nederland; lukte dat niet dan kon men, als men in het grensgebied woonde, in Duitsland gaan werken. Voelde men daar niet voor, dan werd de steun ingehouden. Arbeid in Duitsland werd dan ook tijdens de bezetting al spoedig gerekend tot "passend" werk. E.e.a. blijkt uit een circulaire van 25-6-1940 van de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken aan de Gemeentebesturen, waaronder de "arbeidsbeurs" toen nog ressorteerde. Het betekende dat, als men niet in Duitsland wilde gaan werken, men niet voor steun of werkloosheidsuitkering in aanmerking zou komen. Uitzonderingen hierop waren: ernstige ziekte van huisgenoten, personen die fysiek of psychisch ongeschikt waren en vaders van 4 of meer kinderen beneden 10 jaar. Toch was dit nog niet de zo ingrijpende verplichting tot het aanvaarden van arbeid in Duitsland. Met enige goede wil is er dan ook nog wel een onderscheid te maken tussen de: vrijwillige arbeidsbemiddeling en de "vrijwillige" arbeidsbemiddeling met op de achtergrond steuninhouding; de verplichte arbeidsinzet. ad a. Door middel van propaganda en wervingsacties trachtte men aanvankelijk personeel te werven voor arbeid in Duitsland en Nederland, waarbij van Duitse zijde nadrukkelijk verzekerd werd dat men niet in de oorlogsindustrie terecht zou komen. Van deze verzekering is vrijwel niets terecht gekomen. De wervingsacties omvatten ongeveer het tijdvak mei 1940 april 1942. Bekende acties in die tijd waren: De z.g. Firmen-Einsatz; dit hield in dat Nederlandse krachten bij Nederlandse firma's in Duitsland geplaatst zouden worden. Metaalarbeiders: deze werden al direct na de capitulatie door de Geschäftsgruppe Soc. Verwaltung geworven bij werkgevers ten behoeve van grote machinefabrieken. De arbeiders mochten later weer bij hun oude werkgever terugkeren. De actie was geheel vrijwillig, maar indien deze niet zou slagen dan zouden "maatregelen genomen worden". Scheepsarbeiders: dit was een wervingsactie voor de Duitse werven van mannen tussen 20 en 50 jaar. De actie werd gevoerd door een commissie waarin o.m. de Fachberater zitting had en soms ook de metaalbemiddelaar van het G.A.B. Andere acties waren: ongehuwde landarbeiders, jeugdhulpen in de landbouw, personeel voor de mijnen, de Transportkolonne Speer, binnenschippers, personeel voor het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps (N.S.K.K.) enz. ad b. De meer ingrijpende acties die daarop volgden hadden weinig gemeen met "vrijwilligheid", alhoewel men zich nog steeds vrijwillig kon melden. Desondanks is er bij onderstaande wervingsacties weer onderscheid aanwezig in de mate van verplichting. We kunnen deze acties verdelen in vier groepen: De verschillende Sauckel-acties, zoals 1e Holland-actie, 2e Hollandactie, Rü-Nov-1942-actie en de "Stahl-und Eisen-Aktion". Deze acties vonden plaats in het tijdvak 1942-1943, waarbij tevens zij opgemerkt, dat alle hier genoemde en te noemen acties elkaar niet keurig opvolgden, doch elkaar overlapten, waarbij sommigen nog doorgingen toen latere acties al waren stopgezet. De meldingsplicht van alle mannen van 18-35 jaar en het "gesloten" oproepen daarna van de jaargangen 1922-1923 en 1924. Dit vond plaats tot eind 1943. Het Zurückstellungsverfahren (z.g. Z.S.-Verfahren) betekende een totale registratie van alle mannen van 18-45 jaar met uiteindelijk doel, uitzending naar Duitsland (1943-1944). De totale arbeidsinzet met de daarbij gehouden grote razzia's in verschillende steden vanaf oktober 1944. a. De Sauckel-acties Deze acties ontleende hun naam aan de uitvinder ervan, Hitler's Bevollmachtigter Fr. Sauckel. De principiële opzet hiervan was dat de bedrijven een opgave van hun personeel moesten indienen bij de Fachberaters. Hierbij moesten tevens de prioriteiten ten aanzien van de onmisbaarheid worden aangegeven. Degene die volgens de Duitse instanties wel misbaar waren, werden in de periode april 1942 - mei 1943 opgeroepen voor arbeid in Duitsland, maar hier en daar ging men ook daarna nog wel door met de uitkamming. Sommige grote bedrijven verspreid over het gehele land, zoals Albert Hein, Simon de Wit, Philips e.a. werden centraal behandeld door het daarvoor aangewezen arbeidsbureau. De P.T.T. en de Spoorwegen werden buiten de arbeidsbureaus om behandeld. De feitelijke aanwijzing geschiedde door Duitse instanties, commissies of Fachberater. De arbeidsbureaus waren met de uitvoering belast. De totale opzet van deze acties, buiten de dus eerder genoemde "vrijwillige" acties, was 200.000 man, waarvan een zeer groot gedeelte is vertrokken. b. 1e Holland-Aktion Met deze actie werd op 14 april 1942 begonnen. De opdracht was de werving van 30.000 arbeidskrachten voor de Duitse metaalindustrie. De door de bedrijven ingediende personeelsstaten werden beoordeeld door commissies van 3 man, waarin o.m. de Fachberater was opgenomen. Deze commissie bepaalde welke mensen voor de arbeidsinzet zouden moeten worden opgeroepen, waarbij weer een zekere volgorde in acht werd genomen, n.l. eerst ongehuwden, vervolgens de jongste gehuwden etc. Voor de administratieve verwerking en het op transport zetten zorgden de arbeidsbureaus. Dienstverplichting werd pas toegepast, als de aangewezenen niet bereid bleken te vertrekken. Was men na een geneeskundig onderzoek "Reichsausgleichfahig" bevonden, dan kon men vertrekken nadat de distributiebescheiden waren ingenomen. Daar deze actie niet het beoogde succes dreigde op te leveren, werden de aanvankelijk vrijgestelden in de Ruestungsindustrie in Nederland alsnog opgeroepen, waarna het beoogde aantal toch nog werd bereikt. c. 2e Holland-Aktion Zie voor verolg de website van het Nationaal Archief: www.gahetna.nl
INSTITUTIONELE ASPECTEN VAN DE SCHEPENBANK a. De samenstelling van de schepenbank - De schepenrichters Het Zutphense stadsrecht schakelde in de loop van de dertiende eeuw over op het systeem van de schepenrichters. Deze rechters in oude zin - de term "richter" wordt in de Gelderse rechtshistorische literatuur bij voorkeur gebruikt om het onderscheid met de moderne rechter aan te geven - werden steeds paarsgewijs voor een periode van twee opeenvolgende maanden uit het schepencollege gekozen. Over het hele zittingsjaar (lopende van 22 februari tot en met 21 februari) kwamen zo alle schepenen voor de vervulling van dit ambt aan de beurt. Vanwege deze tweemaandelijkse roulatie werden de schepenrichters dan ook veelal "richters in der tijd" genoemd. Zij werden de ambtsopvolgers van de grafelijke schout uit de twaalfde eeuw en de volgens Harenberg mogelijk reeds bij de stadsrechtverlening van 1191/1196 aangestelde stadsrichter (iudex civitatis). De schepenrichters vormden de top of "hoogste magistrature" binnen de stedelijke ambtelijke hiërarchie. Zij presideerden als voorzitters alle gerechts- en schepenvergaderingen, vorderden de vonnissen van de ter rechtzitting verschenen schepenen, doch velden deze niet zelf. Elke richter was gehouden niet alleen de stadsburgerzaken maar ook alle vreemde (niet door het stedelijk gerecht gewezen) oordelen te klaren. Ze moesten alle boeten ("breuken") in civiele en criminele kwesties innen en aan de schepenen ter klaring brengen, op straffe van verbeuring van hun toelage voor het zogenaamde breuken klaren. Boeten die na verloop van hun ambtsperiode nog nog niet of niet volledig waren geïnd moesten door hen alsnog worden afgehandeld. Een keur uit 1462 bepaalde onder meer dat de richters met de beide marktmeesters op de vlees- en vismarkt toezicht moesten houden. Voorts moesten zij er op letten dat het binnensteeds gebakken brood goed van kwaliteit was en volgens gewicht werd verkocht. Ze waren daarom ook verplicht binnen hun ambtsperiode tweemaal het brood te wegen. Ook moesten zij gedurende deze periode binnen het schependom of vrijheid woning houden en alleen in noodgevallen mochten zij de stad verlaten. Een resolutie uit 1623 bepaalde dat hun ambt bij absentie zou worden waargenomen door de volgende in rangorde (sequens). - De schepenen Bij de stadsrechtverlening in 1191-1196 werd de bestuurs- en rechtsmacht van Zutphen door graaf Otto in handen van een college van twaalf schepenen gelegd. Wie de schepenen verkoos wordt in de stadsbrief niet vermeld, maar in een akte uit 1330 bekrachtigde graaf Reinald een overeenkomst tussen schepenen waarin zij onderling hadden afgesproken dat zij zichzelf zouden kiezen zoals zij dat ook voorheen hadden gedaan ("dat dye scepene, dye dear yarlyks yarlyks scepene siin, alle yare eenewerve hoer scepene setten ende kyesen soelen by hem selven, also als sye hiirtho hebben ghedaen"). In hetzelfde schepenverdrag werd ook bepaald dat schepenen tot in de vierde graad geen naaste bloedverwanten van elkaar mochten zijn. De praktijk leert echter dat in verloop der eeuwen de verzwagering van de magistraatsgeslachten dermate toenam, dat deze bepaling steeds moeilijker viel te handhaven en derhalve ook geregeld werd geschonden. Er waren meerdere middeleeuwse voorwaarden waaraan men moest voldoen om tot schepen te worden benoemd. Zo mocht men geen horig of anderzins onvrij persoon zijn en bovendien was het omwille van de onafhankelijkheidsgedachte "zedelick ende gewoenlic" om geen beëdigde dienaren van de hertog of van een andere heer te kiezen. Uit 1589 dateert als gevolg van de benoeming tot schepen van de zijn burgerschap verwoond hebbende Berndt Horstinck, een besluit dat men deze weer kon verkrijgen om de schepeneed af te kunnen leggen. En later, in 1652, werd naar aanleiding van de verkiezing tot schepen van de buiten Zutphen geboren dr. Henrick van Lochteren besloten dat in gevallen waarbij iemand niet in Zutphen geboren was, deze eerst de burgereed zou moeten afleggen alvorens hij de schepeneed kon doen. Een deductie uit 1705 bepaalde dat men voor een schepenfunctie een geboren burger moest zijn, of al minstens twaalf jaar het burgerschap moest hebben en gedurende al die tijd in de stad een vaste woonplaats hebben gehad. De kandidaat-schepenen dienden bovendien minstens 24 jaar oud te zijn en de gereformeerde religie toegedaan te zijn. Jaarlijks trad de helft van het schepencollege af. De zes oud-schepenen werden dan raad (raadsvriend), terwijl over het algemeen de zes oude leden van de raad weer tot schepen werden gekozen. De schepenverkiezing had plaats op Petri ad Cathedram (22 februari) en was een geheime aangelegenheid waarbij niemand buiten de magistraat aanwezig mocht zijn. Volgens overlevering had de plechtigheid 's morgens om negen uur precies plaats; en als dit om een of andere reden niet exact op dit tijdstip mogelijk was, werd de klok op negen uur stilgezet. De bevestiging als schepen geschiedde nadat de nieuw gekozenen door de roededragers vanuit de kanselarij voor de gerichtsbank in de raadhuiszaal waren geleid en zij in aanwezigheid van de overige schepenen hun eed afgelegd. Iedere nieuwe schepen behoorde vervolgens zijn collega's een feestmaal ("de roetert") aan te bieden in de plaatselijke taveerne Vreden, het latere Wijnhuis. Benoeming in de magistraat gold in de praktijk voor het leven; want wie eenmaal op het kussen zat werd bijna altijd herkozen. Dit impliceerde dat men na twee jaar als schepen te hebben gefungeerd een jaar raad werd en vervolgens weer twee jaar schepen, enz. Het college van raden, in 1320 als zodanig voor het eerst vermeld, oefende geen bestuurlijke macht uit, maar had zoals de naam al aangeeft een adviserende taak. Haar leden werden - als oud-schepenen - vaak in onderscheidene aangelegenheden door die van de zittende schepenbank geconsulteerd. Op het gebied van rechtspraak speelden de raden een uiterst kleine rol. Alleen bij mondeling gevoerde civiele kwesties, waarbij het ging om bedragen tot 30 gulden en waarin geen afdoening door het schepengericht plaatsvond, werden zij ingeschakeld. Schepenen konden niet onder alle omstandigheden hun functie blijven bekleden. Hun waardigheid vereiste een onberispelijk gedrag. Overtredingen van de keuren op overspel, vechten met en uitschelden van collega's konden leiden tot hoge boeten en uitzetting uit hun functie. Maar een schepen verloor ook zijn zetel door vertrek uit de stad, bij het aannemen van een nieuwe functie elders en bij verschijving in de ridderschap. Een uiterst moeilijke tijd gold de periode 1572-1591, waarin Zutphen tweemaal door de Spanjaarden werd bezet. In dit tijdvlak wisselden roomsgezinde en hervormingsgezinde magistraten elkaar af; verlieten velen van hen - als ze al niet waren vermoord - de stad, en hadden de achtergebleven schepenen bestuurlijk nauwelijks of niets in te brengen. Eerst in 1591, na de herovering van de stad door prins Maurits, werden de oude gezagsverhoudingen hersteld. Nieuwe crisisjaren waren 1672-1674 tijdens de Franse bezetting. Na het vertrek van de Fransen kon de stadhouder Willem III in februari 1675 door de instelling van een regeringsregelement, waarbij hij zich de benoeming van de schepenen zonder voordracht of nominatie voor telkens drie jaar voorbehield, grote invloed uitoefenen op de samenstelling van het schepencollege. Na de afschaffing van dit reglement, op 8 april 1702, ontstonden er ongeregeldheden; de zgn. Plooierijen (1703-1705), tussen de aanhangers van de richting die herstel van de invloed van de gilden en burgercompagnieën op de magistraatskeuze eisten en diegenen die dit niet wilden. Hoe groot de invloed van de gilden en burgercompagnieën op de magistaatskeuze in het verleden was geweest is niet geheel duidelijk. Uit hun midden bestond reeds in 1330 een vertegenwoordigd lichaam, het college van gemeenslieden, dat aanwijsbaar vanaf de oproeren van 1526 en 1538 tot belangrijkste taak had de stedelijke financiën te controleren en te beheren. Bovendien was de invloed van de gemeenslieden op de verkiezing der schepenen tussen 1538 en de komst van Karel V in 1543 onmiskenbaar. Nadien is hun positie echter aanzienlijk verzwakt. Tussen 1702-1717 hadden de democratische Nieuwe Plooiers in Zutphen het heft in handen. De door hen gewenste volksinvloed op de magistraatskeuze resulteerde in een bepaling waarbij de schepenen tussen 1704-1717 dan ook steeds voor de duur van drie jaar werden gekozen. Een Statenplakkaat van 21 oktober 1717 dat de stedelijke regenten weer voor het leven aanstelde werd heftig aangevochten en de tussenkomst van het gemeensliedencollege bleef bij de schepenverkiezing gehandhaafd totdat de stadhouder hieraan op de Landdag van 9 oktober 1750 persoonlijk een einde aan maakte. In februari 1795, tijdens de bezetting door het Franse revolutionaire leger, werden in Zutphen verkiezingen voor een nieuw stadsbestuur georganiseerd, welke op 25 februari 1795 als College van representanten van de burgerij (Municipaliteit) voor het eerst aantrad. Het aloude schepencollege was daarmee definitief opgehouden te bestaan. In de daaropvolgende periode tot 1813 traden vele bestuurlijke veranderingen op; burgerrecht en stadsprivileges werden afgeschaft en de stedelijke rechtspraak werd toevertrouwd aan commissies uit de steeds onder andere namen optredende Municipaliteiten. b. Functionarissen van de schepenbank - De secretarissen In de Zutphense overrentmeestersrekening van 1378 komen we de eerste secretaris tegen. Aanvankelijk werd hij nog "scriver", "statsscriver" of "averste scriver" genoemd. Het is echter niet altijd uit de rekeningen op te maken welke van de twee functies de hierin genoemde lieden bekleden. In de late middeleeuwen moet het ambt nog niet zo erg veel om het lijf hebben gehad en zullen de schrijvers ter completering van hun inkomsten nog andere betrekkingen hebben gehad of was het schijversambt zelf een nevenbetrekking. Zo vernemen we over de onderschrijver Wilhelmus op het eind van de veertiende eeuw, dat hij bovendien apotheker en toezichthouder op de klok is geweest. En van de tussen 1430-1459 optredende secretaris Henricus van Sedem is bekend dat hij tevens priester was. In later eeuwen werd het secretarisambt steeds arbeidsintensiever. Het aantal gelijktijdig in functie zijnde stadssecretarissen schommelt dan tussen de twee, na 1593 drie, een enkele keer zelfs vier personen. Het ambt van secretaris werd dan ook een gebruikelijk maatschappelijk opstapje naar een magistraatsfunctie. Niet alleen de protokolleerden en schreven zij de akten van de stedelijke administratie en het gerecht, maar ook schreven zij alle akten en schrifturen van de Land- en Kwartiervergaderingen en van het Hoge Appellationsgericht. Tot 1644 waren de voornoemde bovenregionale aktiviteiten voorbehouden aan de oudste secretaris en werden de daaruit vloeiende emolumenten gelijkelijk over alle secretarissen verdeeld. Vanaf 1644 kwamen deze inkomsten alleen de oudste secretaris ten goede. Deze ongelijkheid werd in 1653 weer deels te niet gedaan door een resolutie die bepaalde dat voortaan niet meer automatisch de oudste secretaris de Land- en Kwartiervergaderingen en het Hoge Appellationsgericht zou waarnemen. De secretarissen moesten beurtelings wekelijks de raad- of schepenkamer en de kanselarij waarnemen en mochten daar niet eerder uit vertrekken totdat het gericht uiteenging. - De roededragers De roededragers van Zutphen kunnen we het beste omschijven als stedelijke gerechtsdeurwaarders. Zover tot nu toe gebleken is werden roededragers eerst vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw onder deze naam in de Zutphense bronnen aangetroffen. De stad heeft sedertdien altijd twee van deze door haar benoemde en betaalde ambtenaren in dienst gehad. De langst in functie zijnde werd eerste en de andere tweede roededrager genoemd. Bij beëindiging van zijn dienstverband (door dood of ontslag) van een eerste roededrager werd de tweede roededrager automatisch eerste. Een nieuwe aanstelling betrof dan ook altijd die van tweede roededrager; behoudens gevallen waarin beide functies tegelijk kwamen te vaceren. Een oude instructie op hun werkzaamheden is niet bekend. De inhoud van functies dienen we derhalve af te leiden uit losse aantekeningen en kleinere bepalingen, zoals die -over vele jaren verspeid- in de Memoriën en Resolutiën der magistraat zijn opgetekend. Daarnaast beschikken we over een instructie voor de beide exploiteurs/roededragers uit 1804, waarin de vervatte bepalingen waarschijnlijk voor het overgrote deel reeds van eeuwen her dateren. Aan de hand hiervan kunnen we constateren dat de eerste roededrager voor de uitoefening van zijn ambt de leeftijd van 25 jaar moest hebben bereikt; burger der stad en van goed zedelijk gedrag zijn en de Nederduitse taal kunnen lezen en schrijven. Hij exploiteerde alle akten, memoriën, wetten die van buiten in kwamen (vanaf de Franse tijd), geapostilleerde (van kantbeschikkingen voorziene) rekesten en alle andere stukken waarop moest worden gereageerd uitgezonderd die ten aanzien van panding en pandkering. Verder deed hij alle mondelinge en schriftelijke arresten en deed hij de aanpeil ten behoeve van de pachters der generale middelen over de stad en haar jurisdictie. Hij moest aanwezig zijn bij het zegelen van de transportbrieven op Petri (22 februari) en stond de secretarissen bij in het afschrijven van stukken. Hij deed zijn opwachting bij de gerichtsbank om op de aangegeven tijden de opening der zitting uit te roepen. Mede omdat hij en zijn jongere ambtgenoot een ordetaak binnen de gerechtskamer hadden werden zij ook wel kamerdienaren genoemd. Bij verschillende gelegenheden droegen zij als waardigheidstekens een notenhouten roede (staf) met zilverbeslag en met het ingegraveerde wapen van Gelderland. De thans nog bestaande roeden dateren uit de jaren 1573 en 1574. Deze werden gedragen bij de inleiding van executeurs-testamentair in een sterfhuis; tijdens de gerechtelijke uitspraken en bij de tenuitvoerlegging van criminele sententies en ter assistentie van de magistraat tijdens festiviteiten. Voorts lezen we in een resolutie van 13 november 1629 dat ze ook werden gedragen bij het doen van allerlei exploiten en bij het aanzeggen en uitnodigen van personen voor een begrafenis van iemand die het vergund was "met de roeden" te worden begraven. Een resolutie uit 1607 bepaalde dat voor een dergelijke begrafenis, waarbij de roededragers met de roeden in de lijkstoet voor de dode liepen - mogelijk zoals zijn Arnhemse collega, in het gaan naar de kerk met neerhangende roede en bij het huiswaarts keren met de roede omhoog - alleen overleden magistraatsleden, edelen uit de Graafschap en (in bijzondere gevallen) geestelijken in aanmerking kwamen. Niet alleen de roeden dienden tot hun distinctie, maar ook een bepaald embleem dat duidelijk zichtbaar op hun mantels bevestigd diende te zijn. Dat met dit laatste nogal de hand werd gelicht blijkt uit een verordening uit 1679, waarin de kamerdienaren, maar ook de boden te voet en te paard, werden aangezegd voortaan te zullen worden beboet als zij niet met duidelijk zichtbare 'litteren' op hun mantels het schepenhuis zouden betreden. De eerste roededrager mocht volgens de instuctie uit 1804 geen nevenfunties bekleden. Ook mocht hij zich op geen enkele manier in rechtsaangelegenheden mengen. Verder moest hij tijdens de magistraats- en gerechtsvergaderingen op het raadhuis aanwezig zijn. Tenslotte was hij verplicht van bepaalde werkzaamheden een register bij te houden. Aan de tweede roededrager werden dezelfde eisen gesteld. Zijn belangrijkste taak was het aanzeggen en bedienen der magistraatsvergaderingen, welke hij vanaf 1804 met de pander in onderling overleg mocht regelen. Hij diende voorts het dagelijks gericht bijeen te roepen en op te wachten en moest de Weeskamer en Desolate Boedelkamer assisteren. In 1625, kort na de instelling van de Weeskamer deden de beide roededragers dit nog gezamenlijk; en in de achttiende eeuw was het nog de taak van de eerste roededrager alleen om "op de Weeskamer te passen en partijen daartoe te citeren". Hij assisteerde de commissarissen van huwelijkszaken, deed de afroeping der huwelijksproclamaties en gaf daarvan de secretaris schriftelijk kennis. Bij diverse gelegenheden ging hij met de roede de magistraat vooruit en vroeg de assistentie in van de hellebaardiers bij de tenuitvoerlegging van criminele vonnissen. Hij assisteerde de eerste roededrager bij het exploiteren en verzorgde de verspreiding van publikaties en de vrijwillige verkopingen van onroerende goederen. Tenslotte moest hij in voorkomende gevallen de stadsboden assisteren en kreeg hij naast de gewone roede ook de kleine stadsroeden uitgereikt, waarvan hij er altijd een van bij zich moest hebben als er van gerechtswege een of andere akte werd gepasseerd. Naast een vast basissalaris kregen de beide gezworen roededragers (zij legden bij hun ambtsaanvaarding een eed af) toelagen voor dienstkleding, huishuur en voor het hebben van een stadswaar (=het recht om op de gemeenschappelijke stadsgronden twee stuks rundvee te mogen weiden). Verder genoten zij inkomsten uit de inning der boeten, bezegelingen, vredeverkondigingen, verpachtingen van stadslanderijen, domeinen, tienden en garvezaden, alsmede de afhoring van rekeningen; terwijl de tweede roededrager apart nog inkomsten genoot uit de berichtgevingen van vestenissen en royementen en uit alle voor het gerecht gepasseerde vrijwillige akten. - De pander Tot in de zeventiende eeuw werden de stadspanders tot de kamerdienaren gerekend. Regelmatig werden zij tegelijk met hun aanstelling tot stadspander ook tot cipier of kastelein aangesteld. Deze gecombineerde functie vormde met die van roededrager de top van de kleine groep van lagere gerechtsdienaren, dat volgens een hiërarchische lijn van voetboden (drie personen), rijdende boden (twee personen), pander (een persoon) en roededragers (twee personen) van onder naar boven was opgebouwd. Regelmatig waren de latere roededragers en panders eerst voetbode en daarna rijdende bode geweest. Elke bevordering bracht dan ook een financiële verbetering met zich mee. Als voorbeeld noemen we hier de standaardsalarissen uit een willekeurig gekozen jaar uit de achttiende eeuw; een eeuw waarin de salarissen overigens lange tijden op hetzelfde peil bleven steken. In 1743/44 ontving een voetbode ƒ 60,=, een rijdende bode ƒ 70,=, een pander in totaal circa ƒ 110,= en de beide roededragers in totaal circa ƒ 160,= (exclusief de emolumenten uit allerlei werkzaamheden). Een strakke bevorderingsregeling bestond er echter niet. Om het hoogste ambt te bereiken behoefde men niet verplicht eerst alle lagere functies te hebben bekleed. Evenzo behoefde een overstap van roededrager naar pander niet als degradatie te worden beschouwd. De extra emolumenten die uit het met het cipierschap gecombineerde panderambt konden worden verkregen konden de ogenschijnlijke financiële achterstand op de beide roededragers waarschijnlijk redelijk verkleinen. Het officie van stadspander behelsde het exploiteren van alle de voor het gerecht gepasseerde akten van panding en pandkering. Voorts deed hij de zogenaamde opbadingen inzake de met panding aangevangen rechtsvorderingen, maakte korte aantekeningen van bepaalde verrichtingen, bracht gepande personen de wethen van verwin en haalde bij hen de panden op. Bij dit laatste liet hij zich assisteren door zowel de rijdende- als de voetboden, en indien deze niet beschikbaar waren stuurde het gerecht hem de beide roededragers mee. Bij het afhalen (vorderen) van de panden droeg hij een roede die in zoverre van die van de roededragers afweek, dat deze - in 1602 - was bezet met een leeuwtje, houdende het stadswapen op een schildje. Tot 1689 werden de door de pander gevorderde goederen ook door hem in het openbaar verkocht. Daarna geschiedde dit door een vendumeester. Ook verrichtte de pander de openbare verkopingen van niet-verwonnen goederen; doch rond 1660 werd deze boedelverkopers- of erfhuismeesterstaak door een ander overgenomen. Voorts inde de pander bepaalde boeten en dagvaardde hij vanwege het gerecht burgers en andere ingezetenen van de stad en haar schependom. Maar volgens een ordonnantie uit 1612 mocht hij ook lieden van buiten het voornoemde territorium voor het gerecht dagen. Dit laatste recht wordt elders ook wel het recht van ingebod genoemd. Daarnaast bediende hij samen met de tweede roededrager de magistraatsvergaderingen, welke in 1804 tevens in toerbeurt met de laatste onderling mocht worden geregeld. Een veelal met het panderambt gecombineerd ambt was dat van gevangenbewaarder (cipier) of kastelein. Reeds in de stadsrekening van 1445 wordt melding gemaakt van een peinder (=pander) die een vergoeding genoot voor het verstrekken van voedsel aan een gevangene en voor het schoonmaken van de gevangenis de Apenstert. In 1603 kreeg de pander op stadskosten de beschikking over de "calenkamer" en de bewoning van een annex gelegen huisje. Daarmee verzekerde de magistraat zich niet alleen van een permanente bewaking van de gedetineerden in de calenkamer - een cel of cellencomplex in het stadshuis -, maar ook van een nachtelijke bewaking van her stadshuis zelf. Naast de wisselende inkomsten, verkregen uit ambtshalve verrichte werkzaamheden, ontving de pander een vast salaris dat werd aangevuld met een vergoeding voor dienstkleding, het hebben van een waar, het uitdelen van stro aan de stad passerende militie, het schoonhouden van het stadhuis, het vullen van de daar aanwezige stoven en (sinds 1710) het opwinden van het horlogie dat in dat jaar in de scheidingsmuur tussen de raadkamer en gedeputeerdenkamer in het stadhuis was aangebracht. Over de achtergronden van de benoeming van de pander is weinig bekend. Als stedelijk ambtenaar werd hij door de magistraat aangesteld, maar opmerkelijk is het feit dat in de eerste helft van de zestiende eeuw het landsheerlijk gezag nog pogingen ondernam om bepaalde kandidaten bij het openvallen van het pandersambt genomineerd te krijgen. In 1510 probeerde hertog Karel dit met de Zutphense burger Wessel van Groullo en in 1520 hertogin Elizabeth met een zekere Johan Scherenbeeck. Maar evenzovele malen besliste de Zutphense magistraat anders. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat in vroeger tijden de rol van het landsheerlijk gezag in de keuze van de panders - en mogelijk van andere stadsdienaren - groter was dan dat men op basis van het onafhankelijke beeld van Zutphen zou denken. - De scherprechter De Zutphense scherprechter (beul) is waarschijnlijk door zijn lugubere werkzaamheden een dankbaarder onderzoeksthema geweest dan bijvoorbeeld de roededragers en de pander. Er bestaat althans voldoende literatuur over deze stadsfuctionaris om een helder beeld van hem en zijn arbeid te kunnen vormen. Wij kunnen hier dan ook volstaan met het kortelijk aangeven van de belangrijkste aspecten van het scherprechtersambt. Tot 1464 had Zutphen geen eigen scherprechter in loondienst maar leende zij hem regelmatig van andere steden. Nadien volgde een hele reeks van veelal kortstondig optredende lieden die oorsponkelijk van elders - meest Duitsland - afkomstig waren. Het grote verloop van deze dienaren der justitie hing nogal eens samen met hun betrouwbaarheid, die over het algemeen niet groter was dan die van de personen die zij met hun beulswerktuigen hadden te berechten. De scherprechter trad op in criminele of strafrechtelijke procedures, tijdens de fase waarin een voor een zogenaamd "halsmisdrijf" in hechtenis genomen verdachte bleef ontkennen. De tortuur (pijnbank; ook wel: "quaed examen" genoemd) werd in verschillende graden toegepast om een hardnekkig ontkennende verdachte toch aan het praten te krijgen. Pijniging was overigens niet vaak nodig; alleen het tonen van de martelwerktuigen leidde meestal tot een bekentenis. Niet alleen tijdens de verhoren, maar ook aan het eind van het strafproces kwam ten gevolge van een lijfstraffelijke uitspraak de scherprechter in aktie. Veelvuldig voorkomende lijfstraffen waren geselen en brandmerken; met garden of roeden omhangen en aansluitend levenslang verbannen uit stad en schependom; onthoofden en aan de schandpaal stellen. Een enkele keer luidde het vonnis: vierendelen, verbranden, radbraken, verdrinken, oren afsnijden, ogen uitsteken en levend begraven. De tortuur vond plaats in de stadsgevangenis de Apenstert, een toren in de stadsmuur aan de Berkel bij de Barlheze. In de zestiende en zeventiende eeuw worden meerdere gevangenisplaatsen genoemd: de Drogenapstoren, de calenkamer en de Rutenberchskelder (beide laatste in het raadshuis) en de schultenstok op de markt (ten behoeve van het scholtambt Zutphen). De scherprechter genoot een vast salaris van de stad en ontving bovendien toeslagen voor zijn handelingen. Hoezeer deze in detail geregeld werden toont bijvoorbeeld een rekenig van de berechting van een zekere Jan Meulenkamp in 1671. Daarvoor ontving de scherprechter afzonderlijk vastgestelde bedragen voor het ter plaatse van de justitie brengen van de genoemde persoon, voor het dragen van de pot om het brandijzer te verhitten, voor de garden, voor het geselen, voor het tonen van het brandijzer in plaats van het brandmerk te zetten, voor het uit de stad leiden van de misdadiger en voor de toelage voor zijn assistent (de zogenaamde goltgrever). Het laatste door het schepengerecht gewezen vonnis dat door de scherprechter ten uitvoer moest worden gebracht, dateert van 19 juli 1794. In het volgende jaar brak met de komst van de Bataafse Republiek een overgangstijd aan die de strafrechtpleging op meerdere punten van gedaante deed veranderen. Zo verdween in Gelderland nog in het jaar 1795 de schavotstraf en pijnbank, terwijl dat voor de gehele Republiek eerst bij de staatsregeling van 1798 geschiedde. DE WERKZAAMHEDEN VAN DE SCHEPENBANK ALS STADSGERECHT VAN ZUTPHEN a. Het ressort van de schepenbankAan het eind van de twaalfde eeuw bepaalde het rechtsgebied van Zutphen zich nog alleen tot de oude stadskern. Na de stadsrechtverlening breidde de stad zich echter snel uit en ontstond in de loop van de dertiende eeuw over de Berkel aan de noordzijde van de oude stadskern de nieuwe stad of Nieuwstad. In 1312 verenigde graaf Reinald de Nieuwstad en de oude stad onder één gericht en schependom, zodat van toen af aan het rechts- en het bestuursgebied van Zutphen de oude en de Nieuwstad omvatte. In dezelfde tijd vormde zich bovendien aan de oostzijde van de stad de zogenaamde Spittaalstad, die lange tijd een landelijk karakter bleef houden. Daarnaast breidde de stad zich uit door aankoop in 1319 van het over de IJsel gelegen goed de Mars. En in 1321 verkreeg de stad uit handen van graaf Reinald het landgoed Wesse in de parochie Warnsveld. Deze en andere uitgestrekte landerijen en weiden om de stad, zoals Helbergen, de Worf en Zutphener enk, werden in 1372 door hertog Willem van Gulik en zijn vrouw bevestigd als rechtsgebied der schepenen van Zutphen. In deze hoedanigheid werd het gebied buiten de stadspoorten van Zutphen het schependom of ook wel de vrijheid der stad genoemd. Zo waren aan het einde der veertiende eeuw de grenzen van de stedelijke jurisdictie bereikt zoals die tot 1811 hebben gegolden. Buiten deze grenzen lagen binnen het overige deel van het Kwartier van Zutphen nog vier steden met eigen schepengerichten (Doesburg, Doetinchem, Groenlo en Lochem), terwijl het platteland in bestuurlijke en juridische zin was opgedeeld in vier districten; de scholtambten van Zutphen en van Lochem; het landdrostambt Zutphen en het richterambt Doesburg (zie bijlage IV). De oud-rechterlijke archieven van deze steden en territoria bevinden zich deels ter plaatse en deels in het Rijksarchief te Arnhem. b. Competentie en zitting van de schepenbank Het college van schepenen had een groot takenpakket. In de eerste plaats droeg zij zorg voor het bestuur van de stad en voorts oefende zij de wetgevende macht binnen de stad en haar schependom uit, alsmede de rechtspraak over de ingezetenen in cieviele (vanaf de twaalfde eeuw) en in criminele zaken (met zekerheid vanaf de zestiende eeuw). Bovendien certificeerde zij bij ontstentenis van het notariaat rechtshandeligen van voluntaire aard (vrijwillige rechtspraak). Tenslotte fungeerde zij als hoger rechts- en appèlcollege voor een aantal binnen en buiten de directe omgeving liggende steden. Door de arbeidsintensieve werkzaamheden waren binnen het schepencollege de taken zodanig verdeeld, dat de leden steeds paarsgewijs bepaalde functies uitoefenden. Zo kende men onder meer de ambten van richter, burgemeester/zegelaar, rentmeester, timmermeester, politiemeester en weg- en weidemeester. De meeste hiervan behoeven hier niet nader te worden toegelicht, doch op enkele zal in het kort worden ingegaan. De burgemeester, voor het eerst vermeld in 1378, vormden een klein college dat meestal uit twee personen (de twee oudste schepenen) bestond. Ieder voor zich trad om de twee jaar af. Blijkens een overeenkomst tussen schepenen, raden en gemeenslieden uit 1414 werden de werkzaamheden der burgemeesters zo geregeld, dat zij voortaan werden belast met het toezicht op verkeer, waterstaat en de verkoop van levensmiddelen. In 1462 kwam daar nog een representatieve taak bij, namelijk het ontvangen van gasten en brieven en het verstrekken van geleide aan boden en anderen. De burgemeesters waren als drager van de sleutel van de zegelkast tevens zegelaars. Als zodanig waren zij verantwoordelijk voor de beoorkondiging van juridische transacties, die opgespaard over het hele afgelopen ambtsjaar, tijdens de veertien dagen voorafgaande aan Petri ad Cathedram (22 februari) bezegeld werden. Daarnaast zat de oudste of president-burgemeester van Zutphen de vergaderingen van de Staten van het Kwartier van Zutphen voor. Ook werden jaarlijks uit de schepenen twee politiemeesters gekozen die toezicht moesten houden op de waag, gewichten, ellen en maten. Bovendien dienden zij minstens éénmaal per jaar in de stad visitatie te verrichten. De twee timmermeesters werden in de zestiende eeuw nog uit de schepenen gerecruteerd, maar reeds uit het stadsrecht van 1615 blijkt dat er "twee uyt den raede ghekoren" werden om toezicht te houden op de stedelijke bouwwerken, houtopstanden en overige begroeiingen. De weg- en weidemeesters tenslotte, waren belast met het toezicht op en het onderhoud van de stadsdomeinen die voornamelijk buiten de stadsmuren waren gesitueerd. Ten aanzien van de zittingen der schepenen kan het volgende worden opgemerkt. Behoudens zon- en christelijke feestdagen en tijdens recessen (waarop echter weer uitzonderingen bestonden) vergaderde het schepencollege naar eigen goeddunken. Veel over hun werkrooster is ons niet bekend. We weten alleen dat sedert 1554 pandingsprocedures op zaterdag geregeld werden. Vonnissen werden onder klokgelui en met open deuren op donderdag (marktdag), de oorspronkelijke rechtszittingdag, uitgesproken. Blijkens een klad-regelement op het houden van het gerecht, uit 1699, visiteerde het gerecht op dinsdag alleen processen en werden de - mogelijk - dagelijkse zittingen van 10 uur 's morgens naar 9 uur verschoven. In de veertien dagen voorafgaande aan 22 februari (de start van het nieuwe ambtsjaar) werden de stedelijke wetten (keuren) aangepast, nieuw ontworpen of buiten verwerking gesteld. In deze drukke tijd was het schepencollege dan ook in permanente vergadering en mocht er dan ook niemand van hen de stad verlaten. Wanneer deze werkzaamheden waren volbracht werden de privileges en de stadskeuren in het openbaar aan de Zutphense bevolking voorgelezen, opdat men zich er dan later nooit op kon beroepen van bepaalde regels geen weet te hebben. c. Opmerkingen over de procesgang te Zutphen - Het gastrecht De berechting van gasten (lieden van buiten Zutphen) was blijkens het privilege van graaf Reinald uit 1330 aan hemzelf of diens plaatsvervanger, de schout binnen en buiten Zutphen voorbehouden. Uit allerlei bepalingen in het Kondichboek blijkt dat de stad zich met het oog op dit grafelijke - later hertogelijke - recht, dan ook zoveel mogelijk buiten rechtskwesties met gasten hield. Als gevolg hiervan verhinderde het schepencollege gasten de mogelijkheid om zich enige invloed binnen de stad te verwerven, zoals door middel van een bepaling uit 1373 waarbij het de inwoners van Zutphen zonder toestemming van schepenen werd verboden om huizen binnen de stad aan gasten te verkopen of anderszins te vervreemden. In zaken van civiel recht mocht de gast wel voor de schepenbank verschijnen. Het zogeheten gastrecht typeerde zich als snelrecht. Een gast die een burger van Zutphen om schuld gerechtelijk wilde laten vervolgen kon de procedure zelfs binnen de "vacanciën" laten aanvangen. Op een eerste dagvaarding van de burger moest deze binnen drie dagen 's morgens om 11 uur voor het gerecht verschijnen. De gast formuleerde dan zijn aanklacht, waarop de burger met ja of nee moest antwoorden. Bekende de laatste enige of alle schuld, dan moest hij binnen drie dagen betalen. Wanneer hij dit niet deed mocht de gast aan hem panden voor hetgeen de burger aan schuld had bekend. Deze panden werden dan na drie dagen verwonnen. Indien de burger op eerste termijn verstek liet gaan, moest hij ongedaagd op de eerstvolgende werkdag en dezelfde tijd voor het gerecht verschijnen. Hij kreeg voor zijn wegblijven dan wel een boete. Verscheen hij echter wederom niet, dan volgde een nieuwe dagvaarding (exploit) van de roededrager voor een derde richtdag, wederom op hetzelfde tijdstip en in de regel drie dagen na de vorige verschijningsdag. Bleef de burger dan nog weg, dan had hij het gerecht gecontumaceerd (letterlijk: veracht) en mocht de gast zijn eis (intendit) overleggen. Wanneer deze voldoende was gestaafd werd de eis toegewezen - Rechtsingangen tot het civiel recht Om een proces te starten kende het Zutphense stadsrecht een viertal rechtsingangen, namelijk die volgens het erfhuisrecht; arrest of bezaat; panding en tenslotte bading. Rechtsvordering volgens het erfhuisrecht mocht vanwege het feit dat het een "summier" en "possessoir" (tot voorlopig eigendom) recht was, alleen plaatsvinden als er geen sprake was van aanspraken op grond van een testament, donatie, opvolging in horige (keurmedige), allodiale of leengoederen, of wanneer een goed tijdens het leven van de overledene op bijzondere titel of jaar en dag in rouwelijk (passief) gebruik was geweest. In overige gevallen mochten degenen die meenden erfgenaam te zijn of anderzins een erfhuis (nalatenschap) dachten te mogen opeisen, zich laten inleiden in het erfhuisrecht. De vorderaar moest dit recht binnen één jaar, zes weken en drie dagen na de dood van de erfhuisbezitter laten gelden, anders verloor hij definitief dit recht. Het erfhuisrecht moest plaatsvinden in de woonplaats van de overledene; dus niet in de plaats van overlijden als deze niet dezelfde als de woonplaats was. Een uitzondering gold voor studenten, koopmansgezellen, knechten, dienstmaagden en anderen die geen vaste woning binnen Zutphen hadden. Voor hen gold dan de plaats van overlijden. Lieten zij echter nog één of twee ouders na, dan moest het erfhuisrecht in de woonplaats van de laatste(n) plaatsvinden. De rechtsvorderaar moest zich voor het gerecht der stad borgstellen voor het maken van een redelijk testament en een overzicht der erfhuisschulden. Het gebeurde echter regelmatig dat iemand anders zich tegen zijn inleiding in dit recht te weer stelde en daartegen zogenaamde 'uitleiding' deed, of dat een mogelijk aanwezige erfuiter (de langstlevende huwelijkspartner, of de oudste zoon of dochter) de eiser niet alleen als erfgenaam wilde erkennen en daardoor weigerde behoorlijke erfuiting te doen. In dat geval kon op verzoek van partijen een gerichtsdag in het erfhuis worden gehouden, of met wederzijdse instemming, in de raadkamer voor het gericht en gezamenlijke schepenen. De rechtsvorderaar trad dan op als aanlegger (eiser), de wederpartij als verweerder. Een gerichtsdag resulteerde meestal in een daadwerkelijk proces, dat in grote lijnen overeenkwam met de hierboven geschetste procesgang. De gerichtsdagen voor de onderscheidene zaken lagen in de regel veertien dagen na elkaar. Christelijke feestdagen werden in deze termijnen inbegrepen, maar als een gerichtsdag op een dergelijke dag viel verschoof het gerecht de zitting naar een eerstvolgende werkdag. Expliciet vermeldt het stadsrecht dat na een ingediend dupliek het gerecht aanleiding kon vinden om de procedure te verlengen. Er kon dan nog in twee termijnen worden gediend van tripliek (door de aanlegger) en van quadrupliek (door de verweerder). Bezetting van of beslaglegging (arrest/bezaat) op roerende of onroerende goederen, of de aanhouding van in gebreke blijvende schuldenaren binnen de stad of het schependom van Zutphen mocht niet door eigenrichting van de schuldeiser plaatsvinden. Behalve wanneer de betrokkene voortvluchtig was of op het punt stond om onder meeneming van zijn goederen te vertrekken, moest de magistraat altijd van arrest of bezaat voorkennis hebben en toestemming hebben verleend. Deze vorm van rechtsvordering vond ingang met de overlevering van een gerechtelijke "wethe" (aanzegging) aan de geadresseerde zelf of diens huisgenoten. De gerechtsbode deed daarvan aantekening in het zogenaamde Gichtenboek. Als de betrokkene onvindbaar was en hij geen beheerder over zijn goederen had achtergelaten, werd de edictale dagvaarding of wethe gedaan in de laatst aangetroffen woonplaats. De klokken werden dan geluid en de afschriften van de wethe werden aan de stadspoorten of kerkdeuren geslagen, terwijl daarin tot driemaal toe de tijd werd vermeld binnen welke de schuldenaar zijn recht moest verdedigen ("ontzaat" doen). Beslaglegging geschiedde door de gerechtsdienaar die deze opdracht niet mocht weigeren op straffe van een boete ter hoogte van het bedrag waarvoor de beslaglegging geschiedde. Bij afwezigheid van een gerechtsdienaar mocht de beslaglegging worden gedaan door twee daartoe aangewezen burgers. Ook zij mochten deze opdracht niet weigeren op straffe van de voorgenoemde boete. Bezatigde personen konden hieruit worden ontslagen door het doen van behoorlijk ontzaat en borgtocht (betaling der schulden en bijkomende kosten). Indien de vrees bestond dat de bezatigde persoon zonder borgstelling uit het arrest zou ontsnappen, stond het de tegenpartij vrij om de arrestant op eigen kosten door de gerechtsdienaren in gijzeling te laten nemen. Was de schuldeiser geen geërfde of gegoed ingezetene der stad, dan moest hij zich zelf voor de onkosten borgstellen. Werd hij bovendien in het ongelijk gesteld, dan was hij tevens verplicht de verweerder voor alle onkosten schadeloos te stellen. Rechtsingang op basis van panding (ook: peinding) gold voor aanspraken op grond van schulden of renten, vastgesteld in zegel en brief; pacht en huur; schulden, bekend volgens gerichtsboeken of door eigenhandige ondertekening; in akten van huwlijkse voorwaarden en magescheiden vastgelegde financiële verplichtingen; verdiend loon; alle soorten etens- en drankwaren (magenaas), alsmede geconsumeerde waren (verteerde kosten). Panding (beslaglegging) als conservatoir middel van bewaring van het recht had als kenmerk dat de pandeiser eerst aan onroerende goederen van de schuldenaar moest panden en pas daarna aan (pandbare) roerende goederen. Omdat rechtsgedingen aangevangen met panding voorrang op andere zaken hadden, werd door een overeenkomst tussen schepenen van 21 februari 1554 geregeld, dat pandingen en pandkeringen op de zaterdag gestart en voltrokken zouden worden. De procedure kon als volgt verlopen: De pandeiser die op grond van één of meerdere van de hierboven genoemde aanspraken panding verlangt op bijvoorbeeld roerende en onroerende goederen van een in gebreke blijvende schuldenaar, liet zijn advocaat een akte van panding opstellen. Deze 'aanpeinding' werd dan door de pander (of bij ontstentenis daarvan, een andere gerechtsbode) aan de schuldenaar meegedeeld. Daarna voorzag de pander de akte van een korte opmerking over zijn bezoek aan de schuldenaar en het daarbij ontvangen antwoord. Vervolgens kon de schuldenaar opponeren. Vóór zonsondergang op donderdagavond moest hij dan een akte van pandkering hebben laten opstellen (waarin de reden van oppositie niet vermeld hoefde te worden) en aan het gerecht hebben overhandigd. Voor niet te Zutphen wonende, maar wel inlandige (= Gelderse) pandverweerders gold een oppositietermijn van veertien dagen. Uitlandige pandverweerders kregen hiervoor zes weken de tijd. Vond er echter geen pandkering plaats, dan kon de pandeiser de procedure laten vervolgen met een eerste opbading (bekendmaking dat tot gerechtelijke verkoop van roerend goed zal worden overgegaan) op de dag nadat pandkering had moeten plaatsvinden; dus op vrijdag. Deze eerste opbading werd in een apart register geprotokolleerd. Betaalde de schuldenaar dan nog niet of gaf hij nog geen pand, dan volgde een tweede opbading. Deze geschiedde volgens regel veertien dagen na de eerste opbading, doch de praktijk wijst uit dat dit ook na langere termijn kon plaatsvinden. In het protokol werd hiervan een marginale aantekening gedaan naast de akte van de eerste opbadingsakte. Dit gebeurde eveneens met de gerechtelijke aanzegging (wethe) van verwin, door de pander; één of enkele dagen na de tweede opbading. Enkele weken na de wethe van verwin werd de derde opbading van de schuldeiser voorgelezen, waarna wederom marginale aantekening in het protokol plaatsvond. Kort na de derde opbading ging de pander klein pand bij de schuldenaar ophalen en maakte men daarvan wederom notitie. Omdat in dit voorbeeld ook gepand werd aan onroerend goed is de procedure nog niet ten einde. Zoals gezegd mag pas in het laatste geval aan onroerend goed gepand worden. De procedure werd dan voortgezet met het voorlezen van een vierde opbading, nu dus inzake onroerend goed, en wel enkele dagen tot weken na het halen van klein pand. Weer werd daarvan notitie in het protokol gemaakt. Over het algemeen volgde een dag na de vierde opbading een wethe van verwin van onroerend goed, waarvan tenslotte eveneens marginale aantekening werd gemaakt. Een vierde rechtsingang was die volgens de badingsprocedure. Net als bij de pandingsprocedure was deze erop gericht om schuldvorderingen en gederfde inkomsten op een schuldenaar te verhalen door bepaalde delen van diens bezittingen via een gerechtelijke uitspraak te kunnen verkopen. De badingsprocedure onderscheidde zich evenwel van de andere doordat het zich uitsluitend richtte op de niet-pandbare goederen van de schuldenaar. Bading werd dan ook alleen gedaan aan erfgronden die de schuldenaar in eigendom of gebruik had; mits deze binnen de stad woning hield. De procedure startte met een dagvaarding van de schuldenaar, welke minstens drie dagen vóór een aanstaande gerichtsdag moest worden gedaan. Als deze verstek liet gaan volgde na veertien dagen een tweede dagvaarding. Indien de gedaagde wederom niet verscheen werd hij na veertien dagen voor de laatste maal gedagvaard. De gerechtsbode nam dan twee burgers als getuigen ("tot oirconde") mee naar de woning van de gedaagde. Als de laatste pas op de tweede of derde termijn verscheen werd hij niet eerder gehoord voordat hij bepaalde gerechtskosten had betaald. Bovendien moest hij tijdens de zitting directe antwoorden (stante pede in Judicio) geven. Aan deze restricties kon hij evenwel ontkomen indien hij kon aantonen dat hij op het eerste termijn was vehinderd door lijfs- of watersnood of door herengebod. Bleef een gedaagde ook op de derde termijn weg, dan mocht de aanklager zijn conclusie van eis, omkleed met behoorlijk bewijs, aan het gerecht overleveren, waarna bij toewijzing executoriale inwinning kon plaatsvinden. d. Desolate Boedelkamer In de loop van de zeventiende eeuw ontstond ten gevolge van de steeds ingewikkelder wordende afhandeling van met schulden en hypotheeklasten bezwaarde boedels en de daarmee gepaard gaande verhoging van de werkdruk, een toenemende behoefte aan een commissie die zich speciaal met executies van door het gerecht desolaat (failliet) verklaarde boedels zou gaan bezighouden. Derhalve werd in 1668 de Desolate Boedelkamer in het leven geroepen welke werd gecombineerd met de reeds vanaf 1624 bestaande Weeskamer. Volgens het daartoe dienende reglement ging de nieuw gevormde Kamer bestaan uit twee commissarissen die uit de magistraat werden gecommiteerd. Deze werden bijgestaan door een der twee jongste stadssecretarissen. In gevallen waarbij sprake was van gefailleerde of overleden debiteuren werden door de commissarissen twee van de belangrijkste, bekwaamste en meest geïnteresseerde schuldeisers tot curatoren aangesteld, of werd bij ontstentenis daarvan door hen zelf ex officio gehandeld. Daartoe hielden de commissarissen elke eerste vrijdagmorgen van de maand speciale zitting. De tot curatoren aangestelde personen moesten in de eerste plaats een iventaris van alle roerende en onroerende goederen uit de desolate boedel opmaken en deze aan de commissarissen overleggen, ten einde de bepande roerende goederen door de pander, de onbepande roerende goederen door de boedel- of erfhuismeester en de mogelijk aanwezige onroerende goederen ten overstaan van het gerecht op het Wijnhuis openbaar te kunnen verkopen. Vervolgens moesten de curatoren d.m.v. publikaties en muurbiljetten alle overige schuldeisers oproepen tot het overleggen van hun rekeningen. Deze moesten zich dan binnen de tijd van zes weken aanmelden, of - zoals het reglement uit 1742 bepaalde - indien het een omvangrijke boedel betrof of wanneer er crediteuren in het buitenland woonden, zes weken nadat een derde oproep in een van de couranten was geplaatst. Nadat deze zich hadden aangemeld moesten de curatoren binnen een termijn van drie weken een definitieve boedelinventaris opmaken, waarbij zij tevens een scheiding moesten aanbrengen tussen de zogenaamde geprivilegeerde crediteuren en de personele crediteuren. Onder de eersten werden de schuldeisers bedoeld met betrekking tot de kosten van het overlijden en begraven van de debiteur; de ontvangers van de stads- en landlaste (o.a. de verponding, het schoorsteengeld en het wachtgeld), alsmede - volgens het reglement van 1742 - de dienstboden van de overleden of gevluchte debiteur, wegens hun achterstallige loon tot uiterlijk twee jaar na dato. Onder de personele crediteuren genoot de stad, haar rentmeesters en de pachters van de stadspachten, schulden en accijnzen voorrang (preferentie). Dit gold tevens voor alle crediteuren met vorderingen op onderpand. Indien de opbrengst van de boedelverkoop niet toereikend was om de gehele schuldenlast aan de crediteuren van gelijke preferentie te voldoen moesten deze personen "missen pond- en schellings- wyse", dat wil zeggen zij ontvingen dan een aandeel in het totaal der schuldvorderingen. In de praktijk kon het ook gebeuren dat iemand zich tot erfgenaam van een desolaat verklaarde boedel verklaarde. De procedure was dan zo dat de erfgenaam een borgsom moest betalen en plechtig moest beloven dat hij een waarheidsgetrouwe boedelinventaris zou opstellen. Vervolgens moest hij binnen 30 dagen tegenover de door de secretaris ontboden crediteuren aantonen dat hij daarmee een aanvang had genomen. Daarna had hij nog 30 dagen de tijd om deze te voltooien. Als het dan zover was moest hij, nu hij wist hoe het er met de erfenis voorstond, verklaren of hij de erfenis accepteerde of van zijn aanspraak hierop afzag. Bij acceptatie nam hij dus niet alleen de lusten maar ook alle hierop rustende lasten op zich. In gevallen waarbij de debiteur of debitrice een weduwe of weduwnaar achterliet die tevens erfuiterse of erfuiter was, moest deze zelf een behoorlijke boedelinventaris opmaken. Indien deze om welke reden dan ook weigerde of naliet moest hij of zij gedogen dat op een door de erfgenamen en/of crediteuren bij het gerecht gedeponeerde aanklacht, na verloop van zes weken door de laatsten zelf een inventaris onder de hierboven vermelde voorwaarden werd opgemaakt. De praktijk wijst uit dat levende debiteuren dikwijls een deel van hun boedel trachtten te redden door deze te verbergen of door hun administratie (schuldbrieven, koopmansboeken) geheel of gedeeltelijk te laten verdwijnen. Naar aanleiding daarvan werd in 1775 besloten dat het de pandeisers voortaan vrij zou staan om hun frauduleuze schuldenaren van gerechtswege te laten ingijzelen op zes stuivers per dag. De gegijzelde werd dan net zolang vastgehouden totdat hij had bekend waar hij de verduisterde goederen en bescheiden had gelaten. Eventuele medeplichtigen en diegenen die de gezochte waren en bescheiden onderdak hadden verschaft konden tevens rekenen op een hoge boete. DE SCHEPENBANK ALS HOOFDGERECHT IN HOOFDVAART EN APPELZAKEN Landsvorsten die een plaats het stadsrecht verleenden ontwierpen daarvoor niet steeds volledig op de plaatselijke situatie toegesneden stadsrechtbrieven, maar volstonden nogal eens met een grotendeels herschreven tekst - en dus het recht - van een reeds bestaande stad. Deze praktijk stoelde meestal op de goede ervaring met de stadsrechtbrief van een "oudere" stad, maar het kon ook zijn dat beider plaatsen onder dezelfde heren vielen en/of dat er bijzondere betrekkingen van economische aard tussen de reeds met stadsrechten begiftigde stad en de nieuweling bestonden. Zutphen ontving als eerste Gelderse plaats stadsrechten en haar verlengbrief werd zodoende het model voor de brieven van een aantal andere plaatsen die in latere tijden het stadsrecht ontvingen. Op deze manier werd Zutphen in stadsrechtelijke zin de 'moederstad' van plaatsen als Arnhem, Amersfoort, Wageningen, Harderwijk, Doesburg, Elburg, Gendt, Doetinchem, Lochem, Emmerik, Nieuwstadt en Montfort, die binnen deze terminologie als dochtersteden kunnen worden bestempeld. Waarschijnlijk door de inmiddels opgebouwde kennis van en de ruime ervaring met het stadsrecht kwam het in 1312 zover, dat Reinald I in zijn hernieuwde stadsrechtverlening de hofvaart van verscheidene steden uit het graafschap Zutphen, het Kwartier van Veluwe en het Overkwartier op Zutphen voorschreef. Met hoofdvaart (of: hofvaart) wordt bedoeld, dat schepenen van de rechtzoekende dochterstad - soms ook kleindochterstad -, indien zij aangaande een ingewikkeld proces twijfelden over een te vellen vonnnis (zich als het ware 'niet wys genoech' achtten) dan verplicht waren "te hoofde" te gaan en de Zutphense schepenen om een uitspraak in het problematisch geding te vragen. De vaste werkwijze was dan zo, dat twee schepenen - voor elk der partijen een - de processtukken naar Zutphen moesten brengen en later de bezegelde en besloten 'vondenisse' konden komen afhalen om die in de eigen woonplaats aan partijen bekend te maken. Van een in hoofdvaart gewezen oordeel was geen beroep mogelijk, maar men kon wel in dezelfde zaak voor een tweede maal te hoofde gaan wanneer nieuwe bewijzen of getuigenissen boven water kwamen. In tegenstelling tot de overige genoemde plaatsen had het Overbetuwse Gendt naast hoofdvaart ook appèl op de Zutphense schepenbank. Het appèlrecht of hoger beroep onderscheidde zich van de hoofdvaart, doordat bij hoofdvaartzaken nog geen vonniswijzing door schepenen had plaatsgevonden en de plaatselijke magistraat zèlf om een vonnis verzocht; maar bij appèl waren het de procesvoerende partijen zelf die op een reeds afgewikkelde zaak een nieuw vonnis wensten. In verloop van de zeventiende eeuw is door de toegenomen behoefte aan een gerechtelijke autoriteit voor het hele gewest de hoofdvaart op Zutphen gaandeweg in ongebruik geraakt en vervangen door het appèl op het Hof van Gelderland te Arnhe
Het bestuur van Harderwijk bestond van ouds uit 18 leden, namelijk 12 Schepenen (2 zestallen) en 6 Raden. In 1490 zijn hieraan Gemeenslieden toegevoegd waarover hieronder bijzonderheden worden medegedeeld. Het eene zestal Schepenen verwisselde het eerste jaar, het andere het volgende jaar zijn functie met de Raden, zoodat de Schepenen na 2 jaren aftraden, doch als Raden tot het bestuur bleven behooren. De Schepenen vergaderden op Maandag, Woensdag en Vrijdag. Zij werden door klokluiding daartoe opgeroepen. De Raden, die in bijzondere gevallen werden gehoord, liet men mondeling tot het bijwonen eener vergadering uitnoodigen. Vier keer in het jaar hielden de Schepenen, telkens gedurende 14 dagen, vacantie. De voorzitter kon evenwel ook in dien tijd, zoo dikwijls hij dit noodig achtte, vergaderingen beleggen. Van de 12 schepenen waren beurtelings één lid van het oudste en één lid van het jongste zestal, burgemeesters. Jaarlijks kozen de schepenen op Sint Paulsdag (25 Januari) op de plaats van hun gestorven of om andere redenen afgetreden ambtgenooten, nieuwe confraters. Het bestuur behartigde de zaken van politie, justitie en financiën. De recht- of schepenbank bestond uit 7 leden. Tengevolge van de overgave van de stad in 1528 aan keizer Karel, ontsloeg en verving hertog Karel van Egmond het volgende jaar haar bestuur en behield aan zich de bevoegdheid het elk jaar geheel of gedeeltelijk te ontslaan of te bevestigen en de 2 burgemeesters of voorzitters te kiezen. Dit aan de stad opgedrongen recht van hertog Karel, duurde tot zijn overlijden in 1538. Op Zaterdag 18 Mei kozen de gecommitteerden van de Staten van Gelderland, die de na te noemen geschillen over de keur en de bestemming van de boetegelden, ontstaan tusschen de schepenen t.e. en de burgerij t.a. zijde, moesten oplossen, weder 12 Schepenen en 6 Raden die, voorloopig tot den eerstvolgenden keurdag hunne functies verdeelden, doch van af dien dag de oude, bovengemelde bestuursinr ichting weder zelf regelden. De burgemeesters leidden de vergaderingen, voerden alle binnen de stad en het schependom voorkomende of de stad betreffende zaken uit en hadden het recht in lastige of zeer belangrijke gevallen, zich door een van de andere schepenen te laten adviseeren en bijstaan. Bovendien waren zij belast met en verantwoordelijk voor de invordering der boeten, die gedurende hun presidium aan bekeurden waren opgelegd. In 1568 werd het bestuur door 's konings stadhouder in Gelderland, door roomschgezinde- en in Juli 1578 door zijn opvolger Johan, graaf van Nassau, door staatsgezinde burgers vervangen. In Augustus 1673 week de geheele magistraat voor de fransche terreur uit de stad. Hierdoor ontstond een anarchistische toestand, welke aanleiding was dat een aantal ingezetenen den 23en November van dat jaar een tijdelijk bestuur koos. Deze regeering (ad interim) werd in Juni 1674 door gecommitteerden van den prins-stadhouder Willem III, voorloopig vervangen door een schout en 8 regenten, waarna Zijne Hoogheid, krachtens de hem bij het regeeringsreglement van Gelderland d.d. 9 Februari 1675 gegeven bevoegdheid, zelf aanstelde 2 burgemeesters, die elk jaar in hun ambt zouden worden bevestigd of vervangen en 10 schepenen, die 3 jaren in functie moesten blijven en daarna, of tusschentijds, door hem, zonder nominatie, gedurende denzelfden termijn, konden worden herbenoemd of ontzet. Te dien einde moest de Magistraat 14 dagen vóór den keurdag aan Zijne Hoogheid een lijst zenden van de nog in functie zijnde regenten. Doch indien een Schepen of Raad binnen het driejarig tijdvak overleed, mochten zijn ambtgenooten een dubbeltal nomineeren, waaruit Zijne Hoogheid dan een plaatsvervanger koos. Na het overlijden van den Prins op 19 Maart 1702 ontstonden in Gelderland de onder den naam plooierijen bekende regeeringsgeschillen, die in Harderwijk leidden tot het ontslag van de oude- en de aanstelling van nieuwe regenten door de gildemeesters en de gecommitteerden van de burgerij op 10 April 1703 en die aldaar werden gesloten met een regeeringsreglement dat den 17en Januari 1706 werd aangenomen. Dit reglement legde de keur van nieuwe schepenen in handen van de gemeenslieden en gilden en stelde den zittingsduur van de regenten op 3 jaren. Na afloop van dien termijn waren zij aan een nieuwe keur onderworpen. Riddermatige, ten landdage geadmitteerde personen en, volgens eene ampliatie van 22 October 1715 pausgezinde burgers, waren niet verkiesbaar. Dit en dergelijke aan de regenten van andere steden in Gelderland opgedrongen reglementen, leidden tot onr egelmatigheid in de zaken van politie, justitie en financiën, hetgeen de provinciale staten deed besluiten, bij plakkaat van 21 October 1717, de triënnale zitting van de magistraatsleden door een perpetuëele te vervangen. Ook de secretaris, die volgens het reglement slechts 3 jaren in functie mocht blijven, moest, voorbehoudens bijzondere gevallen, weder levenslang in zijn ambt worden geduld. De schepenen werden van hunnen eed, aan de burgerij gedaan, ontslagen en deden een nieuwen eed volgens het formulier dat vóór de stadhouderlijke regeering had bestaan. Het reglement van 1706 en dit plakkaat zijn den 5en October 1720 tot een nieuw regeeringsreglement van de stad verwerkt. Den 17en Januari 1748 droegen de Staten van Gelderland de stadhouderlijke waardigheid erfelijk, zoowel in de mannelijke als vrouwelijke linie, op aan Willem Carel Hendrik Friso, prins van Oranje. Voorloopig bevestigde Zijne Hoogheid bij schrijven van 3 April 1748, den in 1675 vastgestelden regeeringsvorm, doch kort daarna ontwierp hij een nieuw provinciaal reglement, dat de Staten den 17en October 1750 aannamen. Voor zoover de artikelen Harderwijk betreffen is deze ordonnantie woordelijk gelijkluidend met het reglement van 9 Februari 1675. Prins Willem IV overleed in October 1751. Krachtens het reglement van tutele dd. 13 Juni 1754, vulden, na het overlijden zijner gemalin op 12 Juni 1759, de Staten van Gelderland als plaatsvervangende voogden over den minderjarigen erfprins, de vacant gekomen schepenstoelen aan uit eene door de gemeenslieden en gilden den Magistraat aangeboden nominatie. De electie van de driejarige keur handhaafden de Staten, naar het schijnt, niet. In ieder geval eindigde hun recht hierop bij de meerderjarigheid van den prins-erfstadhouder Willem V op 8 Maart 1766. De voordracht van een dubbeltal, ingeval van vacatures, werd aan de gemeenslieden en gilden, ondanks hun protest, ontnomen en, althans sedert 1783, door den Magistraat zelf gedaan. Ten slotte werd het reglement van 1750 den 28en Juni 1788 geampliëerd en door het stedelijk bestuur opnieuw beëedigd. De schepenen paarden zich jaarlijks bij loting in commissiën of afdeelingen die met bijzondere werkzaamheden waren belast. Er waren waardijns, werkmeesters, weidemeesters, straatmeesters, serviesmeesters, beekmeesters, pootmeesters, keurmeesters, proefmeesters, schoolarchen, over-havenmeesters, over-kerkmeesters en over-provisoren van het gasthuis, het weeshuis, het pesthuis, het leprozen- of melatenhuis en andere stichtingen. Behalve het eigenlijke stadsbestuur bestond er te Harderwijk van 1490 tot 1795 een gezworen gemeente of college van gemeenslieden, dat in het eerstgenoemde jaar, toen de stad door den oorlog met schulden beladen was, ontstond. Den 18en Januari 1490 gaf de Magisstraat aan de burgerij het recht 24 personen te kiezen, die steeds, geroepen zijnde, in den Raad zouden verschijnen en volgens hun eed, het bestuur over zaken, de stad betreffende, moesten adviseeren. Zonder hunne toestemming mochten de schepenen geen oorlog voeren, noch de bezittingen der stad bezwaren of vervreemden en evenmin belastingen verhoogen of invoeren. Over de bevoegdheden van de gemeenslieden in bestuurszaken en de bestemming der boetegelden, ontstonden, onmiddellijk na het overlijden van hertog Karel van Egmond, geschillen tusschen dit college en Schepenen en Raden, welke door gecommitteerden van Ridderschap en Steden den 17en Mei 1538 werden geregeld. De gecommitteerden verminderden het aantal gemeenslieden tot 12 personen, bestemden de eene helft van de boeten voor de stad en de andere helft voor de schepenen en gaven aan de gemeenslieden de bevoegdheid, indien daarvoor gegronde redenen bestonden, verkozen schepenen te wraken. Aan deze regeling hielden de twistende partijen zich niet, tengevolge waarvan zij door den nieuwen landsheer, hertog Willem van Gulik en gecommitteerden van Ridderschap en Steden den 9en October 1539 werd geinterpreteerd en geampliëerd. Volgens deze uitspraak moesten de schepenen hunne vacatures zelf aanvullen, doch de gildemeesters van de in de stad bestaande gilden kregen het recht jaarlijks 24 burgers te nomineeren, waaruit de Hertog of zijn bevelhebber binnen de stad, 12 gemeenslieden zou kiezen, die, daartoe uitgenoodigd, Schepenen en Raden in zaken die de stad en haar burgerij betroffen, met raad en daad moesten bijstaan, doch zich niet mochten bemoeien met zaken die tot de competentie van hunne tegenpartij behoorden. De aldus gekozen gemeenslieden bleven één jaar in functie en waren in de eerstvolgende 2 jaren niet herkiesbaar. In bijzonder moeilijke gevallen, b.v. tijdens de vervolging van Schepenen en Raden wegens hunne bevordering van de kerkhervorming in 1567, lieten zij zich bijstaan door alle 24 genomineerden. Het electierecht van den landsheer of zijn bevelhebber ging in 1542 of 1543 over op den Magistraat, doch bij het regeeringsreglement van 9 Februari 1675 verviel het aan den Stadhouder van Gelderland. Dit reglement zegt verder, dat de gemeenslieden levenslang in functie konden blijven, dat de Stadhouder vacatures, zonder nominatie zou aanvullen en dat Schepenen en Raden binnen 14 dagen na het ontstaan van een open gekomen zetel, hiervan aan Zijne Hoogheid bericht moesten zenden. Bij het regeeringsreglement van 17 Januari 1706 werd de levenslange zitting van de gemeenslieden weer tot één jaar beperkt en hunne verkiezing uit eene door gequalificeerde gilden voorgestelde nominatie van een dubbeltal aan den Magistraat opgedragen. Verder lezen wij in dit reglement, dat de gemeenslieden den christelijk gereformeerden godsdienst moesten belijden, dat zij en de gequalificeerde gilden zouden voorzien in de tusschentijds openvallende schepenzetels en in de benoeming van den stadssecretaris, ingeval diens ambt binnen zijn driejarigen diensttijd vacant kwam en dat Schepenen en Raden evenals vroeger, hunne toestemming behoefden tot het zenden van vertegenwoordigers naar lands- en kwartiersvergaderingen. Het reglement van 5 October 1720 bracht in deze regeling geen verandering, doch den 17en October 1750 herstelde de stadhouder, prins Willem IV, de verkiezing en de perpetueele zitting van de gemeenslieden weder op den door zijn voorganger in 1675 voorgeschreven voet. Uit de 12 gemeenslieden werden, krachtens de hooger vermelde uitspraken van 1538 en 1539, jaarlijks 2 rentmeesters gekozen, 1 door Schepenen en Raden en 1 door de Gemeenslieden (anders dan vóór 1538, toen de rentmeesters door de schepenen alleen werden aangewezen) welke met de 2 van het vorige jaar de stadsinkomsten invorderden, op last van den Magistraat de schulden van de stad betaalden en jaarlijks van hun beheer rekening en verantwoording deden aan den Magistraat tot 1706 en daarna in tegenwoordigheid van 2 van de 8 andere gemeenslieden. Op dezelfde wijze leverde dit college 2 keurmeesters van droge- en 2 proefmeesters van natte waren. De hierboven meermalen genoemde gequalificeerde gilden waren ingesteld bij de uitspraak van 9 October 1539. Zij nomineerden, uitgezonderd ten tijde van de stadhouderlijke regeering, 24 gemeenslieden, namelijk de smeden en de mandenmakers ieder 1, de wol wevers, snijders of kleermakers, bijlhouwers, linnenwevers, visschers, dragers, kramers en het Barbaragilde ieder 2 en het Sint-Jorisgilde, dat de meeste leden telde, 6, zoodat er destijds 11 gequalificeerde gilden bestonden. Het linnenweversgilde bleek echter opgeheven te zijn, waarom in zijn plaats de schoenmakers bevoegd werden verklaard 2 gemeenslieden te nomineeren. Later nomineerden de smeden en mandenmakers ook ieder 2 gemeenslieden, kregen de linnenwevers een nieuwen gildebrief en vervielen de wolwevers- en Barbaragilden. Wanneer deze veranderingen plaats hadden is mij niet gebleken. Anders staat het met het Sint Jorisgilde. Door zijne vereeniging met andere broederschappen werd dit gilde feitelijk reeds in 1679 officieel opgeheven, doch eerst in 1706 hebben Schepenen en Raad zijn nominatierecht van 6 gemeenslieden verdeeld onder de schippers, voerlieden en de niet in een gilde vereenigde burgers. De stadhouderlijke regeering werd in 1795 afgeschaft. Bij de komst van het fransche leger vergaderde de burgerij den 30en Januari 1795 in de burgerzaal, zijnde het koor van de groote of hervormde kerk. Aldaar droegen zij aan eene commissie van 9 personen op de oude regenten en de gemeenslieden te ontslaan en eene nieuwe regeering. bestaande uit voorstanders der beginselen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, aan te stellen. Krachtens deze opdracht benoemde, installeerde en beëedigde de commissie den 2en Februari d.a.v. een college van Provisioneele Volksvertegenwoordigers, bestaande uit 13 personen, die uit hun midden zelf een secretaris kozen. Vervolgens ontwierp het lid van de commissie B. Nieuhoff een regeeringsreglement, dat, gewijzigd door de representanten, de burgers den 9en December 1795 goedkeurden. Het reglement was geldig, totdat eene algemeene grondstelling en een daaruit voortvloeiende andere regeeringsvorm in de republiek zou zijn ingevoerd. Het was gegrond op de rechten van den mensch en burger, zooals deze den 6en Februari waren afgekondigd door de vertegenwoordigers van het volk van Gelderland en die Harderwijk aannam den 2en Maart 1795. Het voorzag in de keuze, door stemgerechtigde burgers, op 20 Maart, van twee colleges, namelijk van Burgervertegenwoordigers (Raad, magistraat of gemeentebestuur) en Burgergecommitteerden. De Burgervertegenwoordiging of gemeenteraad bestond uit 12 leden, die na 2 jaren hun zetel voor 12 nieuw gekozen burgers moesten inr uimen. In de Burgercommissie zaten 8 personen, die 2 jaren in functie bleven, doch waarvan, na het eerste jaar de helft, bij loting aan te wijzen, door nieuwe leden moest worden vervangen Zij koos uit haar midden een voorzitter en een secretaris en vergaderde des Woendags in de gemeensmanskamer van het raadhuis en op andere dagen, zoo dikwijls als de voorzitter het noodig vond. De Burgercommissie installeerde en beëedigde de op hun voordracht, in tegenwoordigheid van eenige leden van den burger-krijgsraad, door de stemgerechtigde burgers gekozen raadsleden. De werkzaamheden van de Burgervertegenwoordigers of gemeenteraad bestonden uit de bevordering van rust, veiligheid en het algemeen welzijn van stad en land, de behartiging van de belangen der burgerij, de handhaving van wetten en instellingen, de zorg voor de stadsfinanciën en de rechtspraak. Evenals voor 1795 verdeelden zij de commissiën van werkmeesters, weidemeesters enz. De voorzitter of zijn plaatsvervanger was tevens politiemeester en hoofdofficier. De Raad bleef bevoegd de ambtenaren te benoemen die ter secretarie en elders in het raadhuis en het gericht werkzaam waren, doch in vacante andere ambten voorzag hij in overleg met de burgercommissie op voordracht of na goedkeuring door de stemgerechtigde burgers. De stemgerechtigden zelf kozen voor onbepaalden tijd 2 rentmeesters uit de hun door de Burgercommissie voorgestelde personen en 2 deskundige weidemeesters, die verantwoordelijk waren aan de uit en door den Raad aangewezen Overweidemeesters. Alle ambtenaren en bedienden werden door den Raad geïnstrueerd en beëedigd. Tot de taak van de Burgercommissie behoorden kort samengevat: a. de handhaving van de nieuw gevestigde volksvrijheid; b. de regeling der verkiezing van het gemeentebestuur; c. de regeling en leiding der vergaderingen en stemmingen van de burgerij en de uitvoering van de door haar genomen besluiten en d. de handhaving van de rechten die aan de voormalige gemeenslieden, ten aanzien van de vertegenwoordiging der stad op land- en kwartierdagen, het maken van oorlog en vrede en het invoeren van nieuwe belastingen, waren toegekend. Eenige dagen na de aanneming van dit reglement legden de den 2en Februari gekozen Provisioneele volksvertegenwoordigers hun ambt neer met de verklaring dat zij waren teleurgesteld in hunne verwachting van samenwerking, hier en elders in de republiek, tot doorvoering der beginselen waarop in het begin van dit jaar de omwenteling was tot stand gekomen, tengevolge waarvan zij gedeeltelijk den 28en en gedeeltelijk den 31en December werden vervangen door 12 Representanten van het Volk van Harderwijk. Dit nieuw bestuur bleef, met afwijking van de desbetreffende bepalingen van het reglement, in zijn geheel in functie tot 20 Maart 1797. Het presidium verwisselde bij toerbeurten om de twee maanden, doch de eerstaangewezen voorzitter bleef leider der vergaderingen tot 20 Maart 1796. De titel van het bestuur veranderde 11 Januari 1796 in Wethouders en Raden. Het plan van een provinciaal volksbestuur werd door de stemgerechtigden te Harderwijk den 16en September 1796 verworpen, aangezien zij den bestaanden regeeringsvorm wenschten te behouden tot tijde en wijle de verwachte algemeene constitutie daarin verandering zou brengen. In Maart 1797 had de eerste verkiezing volgens het reglement van 5 December 1795 plaats. Eerst kozen de stemgerechtigde ingezetenen in plaats van de aftredende leden 4 nieuwe burgergecommitteerden, waarna dit voltallig college met afgevaardigden van den burgerkrijgsraad en gecommitteerden uit de hoofddirectie der wijkvergaderingen, den 20en Maart den Raad ontsloeg en door nieuwe leden verving. Van de gekozenen namen er slechts 4 dadelijk en 1 later de benoeming aan; de anderen bedankten, welk voorbeeld den 21en April door nog één lid werd gevolgd, doch 4 dagen later koos men in hunne plaats 6 en den 18en Mei nog 2 leden, zoodat de Raad toen eerst weder voltallig was. Hierbij wordt opgemerkt, dat men de vergaderingen der burgers en de verkiezingen niet meer in de burgerzaal hield. De stad en haar schependom (Tonsel en Hierden) waren den 7en December 1796 in 5 wijken verdeeld. De bewoners dezer wijken vergaderden en stemden in afzonderlijke door den Raad aangewezen lokalen, volgens een den 2en Januari 1797 aangenomen reglement. De titel Wethouders en Raden veranderde den 25en April 1797 in Raad der gemeente. Den 22en Januari 1798 had te 's Gravenhage een staatsgreep plaats. Een Nationale Vergadering wierp zich op als het eenig Wetgevend lichaam van de eene en ondeelbare Bataafsche republiek. Zij decreteerde dat de gewestelijke besturen voortaan slechts administratieve colleges zouden zijn, ondergeschikt en verantwoordelijk aan het centraal bestuur. Verder continueerde zij o.a. alle gemeentebesturen in hunne bevoegdheden totdat eene geregelde en met het algemeen belang strookende maatregel daarin verandering zou brengen, benoemde 29 Januari d.a.v. een Uitvoerend Bewind en droeg dit op de provinciale en plaatselijke besturen te ontbinden en te reorganiseeren. Tevens gelastte zij aan de plaatselijke besturen het Uitvoerend Bewind te erkennen en zijn orders te gehoorzamen. Aan de zelfstandigheid van de gemeentebesturen was dus een einde gekomen. Tengevolge van deze gebeurtenissen en besluiten ontsloeg de Constitueerende vergadering den 29 Januari de departementale besturen en liet deze door agenten van het Uitvoerend Bewind vervangen door Intermediair administratieve besturen. Een commissie uit dit bestuur in Gelderland, ontsloeg daarop den 6en April den Raad en de Burgercommissie te Harderwijk en stelde op hunne plaats een gemeentebestuur, dat voorloopig uit 6 leden bestond. De secretaris, Mr. J. J. Elsevier, behield zijn ambt, doch de Burgercommissie werd opgeheven. Eerste voorzitter van dit nieuw bestuur was het lid J. H. Wiesell. Richters waren de vice-voorzitter en het op hem volgend lid. Alle ambten werden los verklaard, doch de gemeenteraad kreeg het recht de stadsofficianten te benoemen, terug. Al deze maatregelen waren evenwel van voorloopigen aard. Zij waren genomen om verwarring in de verschillende aan het Centraal gezag ondergeschikt gemaakte gewestelijke- en plaatselijke besturen te voorkomen totdat de reeds lang verwachte constitutie zou zijn aangenomen. Deze wet of staatsregeling werd den 23en April door het volk goedgekeurd en bekrachtigd en den 1en Mei 1798 geproclameerd. Door haar werden de beginselen der omwenteling van 1795 tot een geheel gebracht en geregeld voorgedragen en de veranderingen in de vroegere orde van zaken, welke tengevolge der heerschende begrippen reeds waren ingevoerd, verkregen door haar een staatsrechterlijken grondslag. Zij droeg aan het Uitvoerend Bewind op bij elk departementaal bestuur één en voor alle gemeentebesturen in één departement hoogstens drie commissarissen te benoemen, die moesten toezien en zorgen dat de wetten behoorlijk werden uitgevoerd. Zij regelde verder de centrale-, gewestelijke- en plaatselijke besturen en hunne bevoegdheden, verplichtingen en onderlinge verhoudingen, ontnam aan de gemeentebesturen de bevoegdheden en rechten die aan het einde van dit hoofdstuk afzonderlijk worden besproken en bepaalde aangaande de samenstelling van deze besturen dat het aantal en de jaarwedden der leden en de tijd en wijze hunner verkiezing, door het Vertegenwoordigend Lichaam, op voordracht van het Uitvoerend Bewind zouden worden gereglementeerd, dat van elk gemeentebestuur jaarlijks een derde gedeelte zou aftreden in eene, de eerste keer door het lot en verder naar ouderdom van dienst aangewezen volgorde, dat de aftredende leden éénmaal dadelijk en daarna 3 jaren na hunne aftreding herkiesbaar zouden zijn. Naar aanleiding van deze wettelijke regeling verving het Intermediair administratief bestuur van Gelderland, dat bij besluit van 15 Juni 1798 (no. 9) door het Uitvoerend Bewind was gereorganiseerd, bij resoluties van 3 en 19 Juli 1798 den president en 3 gewone raadsleden van Harderwijk en continueerde het 2 andere bestuursleden benevens den secretaris Elsevier, krachtens eene van het Uitvoerend Bewind bekomen machtiging dd. 19 Juni 1798 (nr. 28). Dit nieuw bestuur koos tot zijn eersten president het lid J. B. Heydendaal en verdeelde evenals vroeger, de commissies van werkmeesters, weidemeesters, enz. De secretaris Mr. Elsevier kreeg, op zijn verzoek, den 6en Juli eervol ontslag. In zijn plaats koos het gewestelijk bestuur den 19en Juli uit een door het gemeentebestuur opgemaakte voordracht, F. M. Raeber. In den 1en titel van de staatsregeling was het grondgebied van de Bataafsche republiek verdeeld in 8 departementen. Het 2e was het departement van den Ouden IJssel met de hoofdplaats Zwolle. Elk departement zou zoo spoedig mogelijk ten dienste der verkiezingen van departementale- en gemeentebesturen, worden verdeeld in 7, zooveel mogelijk gelijk bevolkte ringen en elke ring in gemeenten. Bovendien moest de geheele republiek worden gesplitst in grondvergaderingen en districten, geschikt tot algemeene verkiezingen en werkzaamheden des volks. Volgens den 2en titel (art. XVIII) bestond elke grondvergadering uit ongeveer 500 ingezetenen, die woonden in naast elkander gelegen wijken, buurten of huizen en vormden 40 grondvergaderingen één district. De verdeeling in grondvergaderingen en districten kwam tot stand bij decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam dd. 13 Mei 1799. Harderwijk met 7 grondvergaderingen werd hoofdplaats van het 28e district, dat verder bestond uit de gemeenten Nunspeet, Ermelo, Putten, Doornspijk, Heerde, Epe, Oenen, Vaassen, Nijbroek, Apeldoorn en Beekbergen. Het in de staatsregeling aangekondigd reglement voor de gemeentebesturen en de verdeeling der gemeenten in departementen en ringen werden door de 2e Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam gearresteerd 3 April (nr. 17) en door het Uitvoerend Bewind gepubliceerd 9 Juni 1800. Harderwijk kreeg een plaats in den 5en ring van het departement van den Ouden IJssel. Volgens het reglement, moest in de gemeenten met 6 tot 9 grondvergaderingen elke grondvergadering één raadslid kiezen. Het gemeentebestuur van Harderwijk zou dus bestaan uit 7 leden. Het reglement bevestigde de reeds in de staatsregeling voorkomende vereischten om tot lid van een gemeentebestuur verkiesbaar te zijn, de wijze van aftreding zijner leden en, ingeval van plichtsverzuim, hun schorsing door het departementaal bestuur en ontslag door het Uitvoerend Bewind. Het Uitvoerend Bewind zou jaarlijks op den 2en Dinsdag in October de grondvergaderingen oproepen tot vervulling van de opengevallen raadszetels. Op den laatsten Dinsdag in October moesten de aftredende raadsleden hun zetels aan de nieuw gekozen leden afstaan. In hunne eerste bijeenkomst moesten de leden een president kiezen.Hij behield deze functie 3 maanden, was direct herkiesbaar, doch daarna eerst weder 6 maanden na zijne aftreding. De Raad koos zelf een secretaris, wiens verplichtingen en werkzaamheden ook in het reglement zijn opgenomen, benevens de secretarieambtenaren en boden, doch de aanstelling van andere officianten en hunne bezoldiging moesten de hierna genoemde gevolmachtigden van de stemhebbende burgers goedkeuren en, indien deze de benoeming weigerden, beslistte het departementaal bestuur. Het gemeentebestuur riep het volk op volgens de wet, bepaalde uur en plaats van de te houden grondvergaderingen en zorgde voor de inschrijving van de stembevoegde burgers in een stemregister. Op den genoemden 2en Dinsdag in October kozen de grondvergaderingen ook plaatsvervangende raadsleden en een gelijk aantal (te Harderwijk dus 7) gevolmachtigden van de stemmende burgers. Over de bevoegdheden van deze gevolmachtigden is hooger reeds het een en ander gezegd. Er kan nog worden bijgevoegd, dat zij toezicht hielden op het beheer der geldmiddelen en jaarlijks op een door het departementaal bestuur te bepalen dag in Mei, aanwezig moesten zijn bij de rekening en verantwoording van de rentmeesters. Zij kregen dus bevoegdheden die de in 1798 niet herkozen burgergecommitteerden en de vroegere gemeenslieden hadden bezeten. Bij het reglement, dat eigenlijk instructie heet, was als bijlage A gevoegd een reglement op de verkiezing der gemeentebesturen en van de gevolmachtigde burgers, dat echter eerst den 20en October 1800 werd aangenomen en gepubliceerd. De artikelen van dit reglement behoeven hier niet afzonderlijk te worden besproken. In verband met hetgeen hooger gezegd is wordt alleen vermeld dat artikel 32 voorschreef dat de voorzitter en secretaris van de kiezersvergadering onmiddellijk na afloop eener verkiezing den uitslag ervan aan de municipaliteit en aan het departementaal bestuur moesten bekend maken . en dat dit bestuur het Uitvoerend Bewind er bericht van zou zenden. Ter voldoening van de in het reglement voor de gemeentebesturen aan den Raad opgelegde verplichting werden te Harderwijk aan de 7 grondvergaderingen ieder een apart lokaal of plaats van samenkomst aangewezen. Bij de nadere verdeeling van de departementen en ringen in gemeenten, welke het Uitvoerend Bewind den 22en Januari 1801 publiceerde, behield Harderwijk haar plaats in den 5en ring van het departement van den Ouden IJssel en de geringe veranderingen in de instructie en het reglement van 9 Juni 1800 door het Wetgevend Lichaam den 6en Februari 1801 gearresteerd en gepubliceerd zijn te onbelangrijk om er hier bij stil te staan, te meer omdat de centrale regeering op voordracht van het Uitvoerend Bewind, besloot de staatsregeling door eene nieuwe wet te vervangen. Deze nieuwe constitutie door het volk in de eerste dagen van October 1801 goedgekeurd en bekrachtigd, werd den 16en October door het Uitvoerend Bewind afgekondigd. Ingesteld werd een Staatsbewind met een algemeenen secretaris en Secretarissen van Staat voor de binnenlandsche zaken, financien en andere takken van het centraal bestuur. De artikelen 63 en 71-75 schreven voor, dat in elk departement een commissie van ingezetenen de inr ichting van zijn bestuur ontwerpen en ter onderzoek aan het Staatsbewind zenden moest waarna het ter goedkeuring aan de stemgerechtigden zou worden aangeboden; dat de departementale besturen, na de aanneming van het ontwerp-reglement, zoo spoedig mogelijk de gemeentebesturen moesten inr ichten op zoodanigen voet als de steden en dorpen hun zouden voorstellen, mits hun voordracht gegrond was op het beginsel van volkskeuze en eene geregelde afwisseling; dat de gemeenten de vrije beschikking hadden over hare huishoudelijke belangen en daarover plaatselijke voorschriften mochten maken. De inr ichting van de gemeentebesturen werd dus weder aan de plaatselijke keuze overgelaten, doch de departementale besturen konden haar goed- of afkeuren. Het ontwerp-reglement van Gelderland werd, nadat het den 29en April aan de gemeenten ter goedkeuring was gezonden en deze er in hadden toegestemd (te Harderwijk had de stemming plaats van 17 tot 24 Mei door het Wetgevend Lichaam bij besluit van 3 Juni 1802 (nr. 64) gearresteerd en den volgenden dag gepubliceerd. Aan de hand van de staatsregeling bepaalt het ten aanzien van de gemeenten o.a. dat het departementaal bestuur zou voorzien in de eerste keuze van de gemeentebesturen; dat deze aan het departementaal bestuur zouden voorstellen op welke wijze in het vervolg de keuze van- en de vervulling der vacatures in hun college zouden geschieden en dat van elk gemeentebestuur alle 3 jaren een gedeelte moest aftreden, doch dat de aftredende leden telkens weder herkiesbaar waren. De magistraat van Harderwijk zou bestaan uit 8 leden. Ter voldoening aan artikel 22 van de staatsregeling verdeelde het Wetgevend Lichaam den 18en Februari 1803 het Bataafsch gemeenebest in departementen, ringen en gemeenten, waarbij Harderwijk geplaatst werd in den 2en ring van het kwartier Veluwe in het departement Gelderland. Hooger is gezegd, dat het departementaal bestuur de eerste keuze van de magistraatsleden zou doen. Uit krachte van dien, benoemde het den 1en October 1802 te Harderwijk een nieuw bestuur van 8 leden en installeerde deze den 8en November d.a.v. Op denzelfden dag kozen de benoemden tot hun president het lid A. Schilders, tot zijn plaatsvervanger F. H. A. P. van Erckelens en tot gemeentesecretaris Mr. J. C. F. de Vries. De president of voorzitter was, volgens resolutie van 17 December 1802, tevens schout. Ter voldoening aan artikel 105 van het departementaal reglement droeg het gemeentebestuur, in zijne vergadering van 11 Februari 1803, aan 2 leden en den secretaris op een stadsregeeringsreglement te concipiëeren. Het opgesteld ontwerp werd, nadat het op verlangenvan het departementaal bestuur eenigszins was gewijzigd, goedgekeurd en den 29en Juni 1804 gepubliceerd. Overeenkomstig het departementaal reglement regelt het de verkiezing van 8 Schepenen en Raden, de vervulling van vacatures die langer dan 6 maanden zouden duren en de aftreding, telkens van 2 leden, in de jaren 1806, 1809, 1812 en 1815. De oude keurdag op 25 Januari, werd weder hersteld en de voorzitter herkreeg den titel van burgemeester. Den 26en November kozen de in de grondvergaderingen daarvoor aangewezen kiezers de in het reglement bedoelde 8 gecommitteerden uit de stemgerechtigde burgers. De nieuwe staatsregeling welke den 26en April 1805 werd gepubliceerd. stelde de Uitvoerende macht in handen van een Raadpensionaris als vertegenwoordiger van Hun Hoog Mogenden in alle zaken het gouvernement van den Staat betreffende. Hij werd bijgestaan o.a. door de hooger genoemde Secretarissen van Staat voor de departementen van algemeen bestuur. * Deze constitutie bevat ten aanzien van de gemeentebesturen nagenoeg dezelfde voorschriften als de wet van 1801. De departementale besturen, bij artikel 62 voorloopig in hunne inr ichting en gezag gehandhaafd, werden den 19en Juli 1805 door Hun Hoog Mogenden gereorganiseerd. De gemeentebesturen en hunne verkiezing bleven voorloopig op den bestaanden voet ingericht, doch de departementale besturen waren bevoegd dienaangaande de noodige algemeene bepalingen voor te dragen, met inachtneming van de constitutioneele wet en de uit krachte van dien gemaakte besluiten en verordeningen. O.a. werd bij de staatsbesluiten van 25 September 1805 (nr. 7) en 15 November 1805 (nr. 8) geordonneerd, dat van dringende vacatures in gemeentebesturen kennis behoorde te worden gegeven aan het departementaal bestuur en door dit college aan den Raadpensionaris teneinde in de opengevallen zetels te voorzien en dat de departementale besturen ook van de gewone en op vaste tijden bepaalde aftreding der leden van gemeentebesturen bericht moesten ontvangen. Den 20en December 1805 werd een algemeen reglement voor de gemeentebesturen gearresteerd, dat, volgens resolutie van den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken van 3 Januari 1806, vooral ten aanzien van de financien, zonder uitstel in werking moest treden. Het bevat een algemeen stelsel van belastingen en bevestigt de bevoegdheden van de gecommitteerden der stemgerechtigde burgers i.h.b. ten aanzien van de jaarlijksche rekening en verantwoording van de ontvangsten en uitgaven en het onbezwaard behouden van de vaste goederen der gemeenten. Geschillen die hierover ontstonden waren onderworpen aan de uitspraak van het departementaal bestuur. Den 5en Juni 1806 maakte de Bataafsche republiek plaats voor het koninkrijk Holland tengevolge waarvan den 7en Augustus d.a.v. weder eene nieuwe constitutie werd afgekondigd. Zij handhaafde de verdeeling van het Rijk in departementen, ringen en gemeenten en liet de regeling van het stemrecht en de wijze waarop het zou worden uitgeoefend over aan de wet. De kroon van Holland werd opgedragen aan Lodewijk Napoleon en zijn wettige mannelijke afstammelingen. De koning had bij uitsluiting en zonder restrictie, de volledige uitvoering der regeering en de macht om de uitvoering der wetten van den Staat te verzekeren, waarin hij werd bijgestaan door Ministers van Staat en andere dignitarissen. De gemeentebesturen waren bevoegd hunne huishoudelijke belangen te regelen op den voet en de wijze bij de wet bepaald. Naar aanleiding van de circulaire van den Minister van Binnenlandsche Zaken d.d. 8 Augustus 1806, noodigde het departementaal bestuur van Gelderland den 26en Augustus d.a.v. het gemeentebestuur van Harderwijk uit om vóór of op 1 November in te zenden een project-reglement van bestuur, dat gegrond moest zijn op het algemeen reglement van 20 December 1805. De gemeenteraad droeg de uitvoering van deze aanschrijving op aan eene Commissie, die daarop een regeeringsreglement ontwierp, dat men den 31en October 1806 verzond. Van dit ontwerp is in het gemeentearchief geen exemplaar te vinden. Ook is het mij niet gebleken dat het werd goed- of afgekeurd, wèl, dat naar aanleiding van het koninklijk besluit van 27 October 1806 (nr. 12) Harderwijk bericht kreeg, dat de periodieke aftreding der leden van plaatselijke besturen voorloopig was opgeschort en dat vacatures onvervuld moesten blijven, doch dat men in dringende gevallen zich met een voordracht kon wenden tot het departementaal bestuur. Deze provisioneele regeling bevestigde de Koning bij decreet van 30 Januari 1807 (nr. 33.) Zijne Majesteit verlangde dat de gemeentebesturen op denzelfden voet zouden blijven voortbestaan, totdat zij overeenkomstig de constitutioneele wetten opnieuw zouden zijn georganiseerd. De verwachte suppletoire wet is, ter voldoening aan Zijner Majesteits besluit van 7 April (nr. 1) gepubliceerd 13 April 1807. Zij verdeelde het Rijk in 10 departementen, die nader zouden worden onderverdeeld in kwartieren en gemeenten. In elk departement werd het bestuur opgedragen aan een Landdrost, met Assessoren en een Secretarisgeneraal. Onder den landdrost stonden kwartierdrosten. Landdrost en assessoren behartigden de zaken van politie en gedeeltelijk ook de justitie. De plaatselijke besturen waaraan de administratieve politie werd overgelaten, waren verplicht de orders en bevelen van den landdrost betrekkelijk zaken, waarover aan hem en zijn assessoren de beschikking en het toezicht was opgedragen, te respecteeren en te doen respecteeren, zoomede hen en den drost in hun kwartier te dienen van bericht, consideratien en advies op alle te dien einde in hunne handen gestelde stukken. De kwartierdrosten hadden het oppertoezicht op het bestuur van alle in hun ambtskring gelegen gemeenten en assisteerden, indien zij zulks noodig achtten en dan als voorzitter, in de vergaderingen der gemeentebesturen. De gemeenten werden in twee klassen verdeeld. Tot de eerste klasse behoorden de steden met meer dan 5000 inwoners. Het bestuur in de gemeenten der tweede klasse, waartoe Harderwijk behoorde, bleef ingericht op den bestaanden voet, voorhehoudens de veranderingen die de Koning noodzakelijk mocht achten. De jaarlijksche rekening en verantwoording van de rentmeesters moest den kwartierdrost worden aangeboden, die haar onderzocht en, indien hij er termen voor vond, aan den landdrost zond. Op een nader te bepalen dag zouden de departementale besturen worden ontbonden en de landdrosten c.s. hun ambten aanvaarden. Deze suppletoire wet en eene regeling der werkzaamheden van deze nieuwe bestuursambtenaren, ingediend 13 Februari 1807 heeft de Koning bij decreet van 29 April 1807 (nr. 3) bekrachtigd. Tevens verdeelde Zijne Majesteit de departementen in kwartieren en gemeenten waarbij Harderwijk een plaats kreeg in het eerste kwartier van het departement Gelderland. De landdrosten, assessoren en kwartierdrosten kregen hunne benoeming bij Kon. decreet van 8 Mei 1807 (nr. 40). Den 20en van Grasmaand 1809 werd weder eene nieuwe wet gepubliceerd. Zij verdeelde, door toevoeging van Oost-Friesland, het Rijk in 11 departementen en in kwartieren en gemeenten die de Koning nader zou bepalen en rangschikken. Ten aanzien van de gemeentebesturen wordt hierin gezegd, dat zij bestaan uit een burgemeester, benevens wethouders en vroedschappen; dat de burgemeester alleen belast en verantwoordelijk is voor de uitvoering van alle aan hem gezonden wetten en bevelen en de personeele politie; dat burgemeester en wethouders te zamen de plaatselijke belangen en geldmiddelen behartigen en beheeren en dat zij het oppertoezicht over de comptabiliteit moeten houden. De Koning zou later de wijze waarop burgemeester en wethouders plaatselijke keuren en reglementen konden maken en de bevoegdheden van de vroedschappen regelen. Deze schikking bleef evenwel onuitgevoerd. Den 3en Juli 1810 deed Lodewijk Napoléon afstand van den troon, waarna de Keizer den 9en Juli Holland inlijfde bij Frankrijk. Deze vereeniging had tengevolge, dat in 1810 en 1811 hier te lande fransche wetten aangaande het gemeentewezen executoir zijp verklaard. Met de vervanging der bestaande staatsinstellingen door de fransche werd de hertog van Plaisance, als gouverneur-generaal of Prins-algemeen stedehouder van den Keizer, belast. De hertog moest zijn taak volbrengen vóór 1 Januari 1811. Den 18en October 1810 verscheen het keizerlijk decreet nr. 6043, bevattende een algemeen reglement ter organisatie der hollandsche departementen van het fransche keizerrijk. Préfecten, Raden van préfecture en Onderpréfecten vervingen de Landdrosten, Assessoren en Kwartierdrosten. Het bestuur der gemeenten werd opgedragen aan burgemeesters, die in steden met meer dan 5000 inwoners door den Keizer en in plaatsen met een lager bevolkingscijfer, door de Préfecten werden benoemd. Het decreet verdeelde het grondgebied van Holland (zonder het gedeelte gelegen aan den linker Rijnoever, dat reeds 24 April 1810 bij Frankrijk was ingelijfd) in 7 departementen. Het derde in de rij, genaamd L'Issel Superieur, bestond uit het voormalig gewest Gelderland, waarvan een klein stuk bij het departement der Monden van den Rijn was gevoegd. Het had Arnhem tot hoofdplaats en was verdeeld in de arrondissementen Arnhem, Zutphen en Tiel. Naar aanleiding van artikel 30 verdeelde de Prins- algemeen stedehouder den 7en December 1810 de arrondissementen in kantons, waarbij hij Harderwijk aanwees als hoofdplaats van het gelijknamig kanton, waarin ook de gemeenten Ermelo en Nunspeet gelegen waren en besloot hij 25 December 1810 (nr. 5) dat de gemeenteraden na 1 Januari 1811 hunne functies moesten blijven bedienen, totdat de Keizer anders had geordonneerd. Intusschen veranderde hij de titels burgemeester in maire, wethouder in adjunct-maire, vroedschap in conseil-municipal en secretaris in griffier. De omschrijving der departementen in arrondissementen en van de arrondissementen in kantons en gemeenten heeft de Keizer bij decreet van 21 October 1811 (nr. 7378) definitief vastgesteld. Ter uitvoering van de hooger genoemde fransche decreten en besluiten werden te Harderwijk op last en aanschrijving van den Prefect a. den 13en Maart 1811 de den 4en Maart (nr. 16), bij eene gelijktijdige verdeeling van het departement in mairies, door hem aangestelden maire Mr. J. C. F. de Vries en de adjunct-maires Mr. J. Steenwinkel en R. W. H. baron van Broeckhuysen, door het gelijktijdig gedemitteerd gemeentebestuur geïnstalleerd. b. de den 18en April 1811 door den Keizer, op eene jaarwedde van 2400 francs, aangestelden commissaris van politie Pieter Albert van Dahne beëedigd c. den 8en Mei 1811 de den 19en April door den maire genomineerde en den 1en Mei door den Prefect benoemde 20 municipale raden geïnstalleerd en beëedigd * en d. den 20en September 1811 opdracht ontvangen de doopboeken en andere acten van den civielen staat van de predikanten en andere bezitters over te nemen. Verder benoemde de Préfect den 27en Maart 1811 tot adjunct-maire A. Schilders in de plaats van Mr. J. Steenwinkel die, als zijnde vrederechter, gelijktijdig geen ander ambt mocht bekleeden, den 1en Juni 1812 tot maire Jan Weijer van Overmeer Visscher, in plaats van Mr. De Vries, die, op verzoek, eervol ontslag had bekomen, den 22en Juni 1812 tot adjunct-maire Dr. Joh?. Jac?. van Loenen in plaats van A Schilders, die had bedankt en den 19en Augustus 1812 uit eene door den maire opgemaakte nominatie van 3 personen, tot gemeenteontvanger den oud-rentmeester en provisioneelen ontvanger Hendrik Verbeek, wiens jaarwedde bedroeg 5% van de ontvangsten beneden en 1% van hetgeen hij beurde boven de 20.000 francs. De municipale raad werd ter vergadering geroepen door den maire op order of met machtiging van den Préfect en slechts om over zekere urgente onderwerpen te beraadslagen. De maire was tevens secretaris. Hij of een zijner adjuncten teekenden de besluiten en uitgaande stukken en regelden alles, doch zij stonden onder controle van den préfect en den onder-préfect. Na de omwenteling in November 1813 bleven de fungeerende gemeentebesturen op denzelfden voet bestaan, totdat de grondwet van 29 Maart 1814 hunne samenstelling en bevoegdheden opnieuw regele. De titels maire en adjunct-maire waren echter den 21en December 1813 veranderd in burgemeester en vice-burgemeester. Tenslotte volgen nog de op blz. 19 toegezegde inlichtingen over de door de Staatsregelingen en daarop steunende reglementen aan de gemeentebesturen onttrokken bevoegdheden. Het kerkelijk toezicht De ap- en improbatie van de predikanten en de zorg voor hunne jaarwedden door de gemeentebesturen zijn door de den 5en Augustus 1796 geproclameerde scheiding van Kerk en Staat afgeschaft. Artikel 21 van de staatkundige grondregels der Staatsregeling van 1798 bepaalt, dat elk kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijn eeredienst, deszelfs dienaren en gestichten. Dientengevolge en voornamelijk krachtens de additioneele artikelen droeg het gemeentebestuur zijn toezicht op de kerk en haar beheer, leeraren en bedienden over aan de Commissie tot de zaken van het gereformeerd kerkgenootschap, dat in de stad was opgestaan. Dit genootschap kreeg vervolgens den eigendom van het kerkgebouw bij contract, gesloten tusschen de gereformeerde, roomsche en joodsche gemeenten den 22en October 1798. Aangezien echter eene nadere algemeene regeling van de kerkelijke zaken door de Centrale regeering uitbleef, hernam het gemeentebestuur, krachtens artikel 107 van het departementaal regeeringsreglement dd. 3 Juni 1802, den 25en November 1803, het oppertoezicht en droeg het op aan 2 raadsleden. Ook het verloren toezicht op de kerk en haar leeraar en bedienden te Hierden heeft de Magistraat den 14en December 1804 hernomen. Bij koninklijk besluit van 2 Augustus 1808 (nr. 26) werden eindelijk de betaling der jaarwedden van de predikanten door het Rijk en van de kosters en andere kerkdienaren door de kerkgenootschappen, zoomede den overgang van het beheer der kerkgebouwen aan de kerkelijke gemeenten, definitief geregeld, waardoor de Magistraat gedwongen was den 1en Januari 1810 voor goed van zijn toezicht op de kerken en kerkbesturen in de stad en te Hierden afstand te doen. Het eigendomsrecht van het kerkgebouw te Hierden, droeg de stad den 19en Januari 1810 over aan de kerkelijke gemeente aldaar Het toezicht op het armbestuur Artikel 48 der algemeene beginselen voor de Staatsregeling van 1798 gebood het regelen van het armbestuur in de geheele republiek door een bijzondere wet, welke den 15en Juli 1800 werd gepubliceerd. Aangezien echter de leden van het in deze wet genoemd algemeen bestuur nimmer zijn benoemd, er verschil van meening ontstond over de vraag of het in artikel 15 vermeld verbod der acten van borgtocht of indemniteit al of niet moest worden nagekomen en de publicatie van 8 Maart 1802 bekend maakte, dat dit verbod beschouwd moest worden als niet in werking te zijn, is deze wet nimmer geïntroduceerd. Te Harderwijk had dit tengevolge, dat de Magistraat den 9en. April 1802 het armbestuur in de stad en haar schependom terugbracht op den voet zooals het tot 1795 had bestaan, d.w.z. dat de diakenen hunne jaarlijksche rekening en verantwoording en alle andere armenzaken, weder moesten afleggen en behandelen ten overstaan van of met de Overprovisoren die het gemeentebestuur daarvoor uit zijn midden had aangewezen. Inmiddels had zich het armbestuur te Hierden (vóór Mei 1801) afgescheiden van dat der stad, doch de Magistraat hernam ook het oppertoezicht in deze buurtschap den 11en Februari 1805. De oude beginselen aangaande de verzorging van armen en de daarvoor bestaande inr ichtingen zijn bij de vereeniging van Holland en Frankrijk gehandhaafd en het souverein besluit van 17 Augustus 1814 liet de ondersteuning van behoeftigen nog over aan de plaatselijke armbesturen.
Hoofdstuk 1: Het Geslacht Van Bylandt De heren Van Bylandt stammen af van de Gelderse ridder Willem Doys, zoon van Theodoricus Doys, die in 1275 beleend werd door Diederik VIII graaf van Kleef met het slot Scathe bij Pannerden, genaamd Bilant. Deze naam werd door hem aangenomen als grondsof goedheer. Zijn nazaten splitsten zich in een tak, die door huwelijk verbonden werd met het huis Halt en een tak, die zich verbond met de heerlijkheid Rheydt. Dit geslacht heeft verscheidene funkties in het maatschappelijke leven bekleed, zoals blijkt uit de hieronder beschreven personen. Hoofdstuk 1.1: Alexander Graaf van Bylandt Alexander was een telg van het geslacht Van Bylandt-Halt; hij werd op 29 december 1743 te Nijmegen geboren als jongste zoon van Otto Roeleman Frederik en Anna Constantia van Sevenaer. Op zijn eenentwintigste jaar trouwde hij met Anna barones van der Duyn. Samen kregen zij vijf zoons en twee dochters. In zijn militaire loopbaan bracht hij het tot generaal-majoor van de infanterie en kreeg bij afwezigheid van stadhouder Willem V het bevel over het garnizoen van Breda. Deze stad zou hij bij de Franse belegering in 1793 te snel hebben overgegeven, daardoor werd hij vervallen verklaard van al zijn militaire charges en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, die overigens tot de Bataafse onwenteling duurde. Hij stierf, gescheiden van zijn echtgenote, in 1819. Hoofdstuk 1.2: Otto Anne Graaf van Bylandt De oudste zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren in 1766. Hij werd belast met het toezicht over de studie van de erfprins, de latere koning Willem I, aan de Leidse universiteit waar hij zelf gestudeerd had. In 1783 trad hij in dienst van het staatse leger en bracht het tot ritmeester. Hij trouwde met de Leidse burgemeestersdochter Agatha Wilhelmina Twent in 1791. Otto Anne was kamerheer bij Willem Frederik van Oranje in 1804, de koningin van Holland in 1806, koning Lodewijk Napoleon in 1810 en koning Willem I in 1822. In 1848 werd hij lid van de Eerste Kamer en hij overleed te Breda op 20 februari 1857. Hoofdstuk 1.3: Jean Charles Graaf van Bylandt De vierde zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren op 5 januari 1776 te 's-Gravenhage. Jean Charles werd in 1792 aangesteld als brigadier en ritmeester bij de lijfgarde van Willem V tot de omwenteling in 1795. Hij begaf zich naar Osnabrück, waar meer dan achthonderd officieren zich verzameld hadden onder prins Frederik om de oude orde te herstellen, wat mislukte. Daarna studeerde hij staatswetenschappen aan de universiteit van Leipzig. Door koning Lodewijk Napoleon werd hij gevraagd weer in militaire dienst te treden, wat hij weigerde. Op 11 maart 1807 werd hij benoemd tot minister-plenipotentiaris te München. Regelmatig liet hij weten, dat zijn inkomsten niet in overeenstemming waren met de kosten van levensonderhoud in Beieren. In 1813 behoorde hij tot diegenen, die voor herstel van het huis van Oranje ijverden. Hij werd aangesteld bij de vrijwillige lijfwacht te paard en in 1814 kwam zijn benoeming tot gewoon kamerheer, die gevolgd werd door een aanstelling tot hofmaarschalk van 's konings oudste zoon, de latere koning Willem II. In 1815 werd Jean Charles lid der Provinciale Staten en acht jaar later lid der Gedeputeerde Staten van Holland. Van 1831 tot zijn dood was hij lid der Eerste Kamer. In 1838 werd hij opperkamerheer en opper-intendant der koninklijke paleizen. Hij was gehuwd met Otteline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum op 28 oktober 1805 te 's-Gravenhage en kreeg twee zonen. Hij stierf in 1841. Hoofdstuk 1.4: Eugène Jean Alexander Graaf van Bylandt De oudste zoon van Jean Charles en Otheline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum werd geboren op 1 juli 1807 te 's-Gravenhage. Hij studeerde in Leiden en promoveerde in 1830.(Bylandt, Specimen antiqui juris publici.) In 1837 trouwde hij met Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken en zij kregen in 1840 een zoon, Carel van Bylandt. Eugène van Bylandt werd referendaris bij het Kabinet des Konings, gouverneur der provincie Zuid-Holland tot 1859, commissaris des konings in Overijssel in 1864, lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland, lid van de Raad van State, lid en president der Eerste Kamer, curator der Leidse Universiteit en kamerheer des konings. Nadat zijn vrouw in 1849 gestorven was, hertrouwde hij met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, staatsdame van koningin Anna Paulowna. Hij overleed op 21 februari 1876 te 's-Gravenhage. Hoofdstuk 1.5: Carel Jan Emilius Graaf van Bylandt Carel van Bylandt werd geboren op 8 januari 1840 te 's-Gravenhage; zijn ouders waren Eugène Jean Alexander en Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken. Nadat hij het gymnasium Haganum had doorlopen, studeerde hij rechten te Leiden en promoveerde in 1864 op 'Het regt van petitie'. Hij nam een betrekking aan als volontair op de Provinciale Griffie van Zuid-Holland. In 1866 kwam Carel van Bylandt op het Departement van Koloniën, waarna hij commies van staat bij de Raad van State werd van 1866 tot 1872. In 1872 werd hij benoemd tot referendaris bij het Kabinet des Konings, maar na een jaar vertrok hij, toen hij tot lid van de gemeenteraad van Den Haag werd gekozen (1873-1877). Het Departement van Buitenlandse Zaken bood Van Bylandt in 1875 een post aan, die hij ondanks zijn lidmaatschap van de gemeenteraad accepteerde. In mei 1878 werd hij door het kiesdistrict 's-Gravenhage gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1883 droegen de Staten hem het lidmaatschap op van de Gedeputeerde Staten. Carel van Bylandt was liberaal afgevaardigde voor het kiesdistrict Gouda in de Tweede Kamer van 1894 tot 1901. In de Kamer bemoeide hij zich hoofdzakelijk met vraagstukken betreffende het universitaire onderwijs; dit staat in direkt verband met zijn curatorschap aan de Leidse universiteit (1891-1901). Bovendien was hij lid van vele sociale en culturele verenigingen, zoals het schildersgenootschap 'Pulchri Studio', het provinciaal comité tot bevordering van de afschaffing van de slavenhandel en hij was voorzitter van de Nederlandse commissie op de internationale tentoonstelling te Antwerpen. Van Bylandt werd tot voorzitter benoemd van het comité voor de inhuldigingsfeesten van koningin Wilhelmina in 1898 en bij het huwelijk van de koningin in 1901 met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. De neerslag hiervan is te vinden in een groot aantal archiefstukken. Op 30 januari 1873 trouwde Carel van Bylandt met jonkvrouw Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil, die hofdame van Amalia, prinses van Saksen-Weimar-Eisenach, was geweest.(Echtgenote van de derde zoon van koning Willem II, prins Hendrik) Zij kregen twee dochters, waarvan de jongste op vijfjarige leeftijd al stierf. In Den Haag woonde Van Bylandt op de Lange Voorhout, maar hij verbleef ook veel in het buitenland. Hij erfde van zijn grootmoeder Elisabeth Henriette Emilia van Tuyll van Serooskerken geboren Collot d'Escury de heerlijkheid Sliedrecht en de landgoederen Oostduin en Waalsdorp. Na zijn dood in 1902 gingen deze goederen over op de laatste telg van deze tak van de familie Van Bylandt, Marie van Bylandt. Hoofdstuk 1.6: Marie Alexandrine Otheline Caroline Gravin van Bylandt De oudste dochter van Carel van Bylandt en Sophie van der Staal van Piershil werd geboren op 17 april l874. Zij tekende veel in haar jeugd en maakte met haar ouders reizen naar het buitenland. Haar moeder stierf jong en nadat ook haar vader was overleden, zette zij zijn liefdadigheidswerk voort en beheerde de vele bezittingen zorgvuldig. 's Winters woonde zij in het pand aan de Lange Voorhout; de zomers bracht ze door op Oostduin. Na de Ie Wereldoorlog verbleef ze uitsluitend op Oostduin en moest het in de jaren '40 op gezag van de Duitsers verlaten. ("De freule". Het Vaderland.) Na de oorlog heeft zij Oostduin af laten breken, omdat er van het terrein misbruik was gemaakt o.a. door er V-1's en V-2's te lanceren. Zij verkocht het terrein aan de Diakonie van de Hervormde gemeente, de Nederlandse Hervormde Synode en de Haagse Hervormde kerkvoogdij, die er het Haags Hervormd rusthuis Oostduin en het flatgebouw Arendsdorp bouwden. Zijzelf ging in Laren wonen. Vlak voor haar dood werd zij ter verpleging in genoemd rusthuis opgenomen. Na haar dood werd haar gehele vermogen in een stichting ondergebracht, waarvan de statuten werden vastgelegd bij akte van 17 maart 1964. De stichting kreeg de naam M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting en heeft tot doel steun te verlenen aan rechtspersonen, die het algemeen belang van mens en dier binnen het Rijk en Europa beogen. Hoofdstuk 2: Van Bylandt-Rheydt Over het geslacht Van Bylandt-Rheydt is niet veel te vinden. Hendrik (1500-na 1527) was degene, die de titel heer van Rheydt verwierf door vererving. Van zijn verre nazaten Willem Karel Frederik graaf van Bylandt, Carl Hermann graaf van Bylandt en Agnes Hilda Johanna Maria gravin van Bylandt staan enkele gegevens boven de inventarisnummers 395, 396 en 397. Hoofdstuk 3: Rechten en bevoegdheden Hoofdstuk 3.1: Het hoogheemraadschap de Alblasserwaard De Alblasserwaard is gelegen in Zuid-Holland en kan verdeeld worden in de Overwaard, omvattend het stroomgebied van de Giessen, en de Nederwaard, het stroomgebied van de Alblas. In 1277 kreeg de Alblasserwaard haar eerste onder algemeen bestuur gestelde dijk bij handvest van graaf Floris V. De naam Alblasserwaard werd niet eerder gebruikt dan nadat de landen van Alblas bedijkt werden in 1365. Naast het hoofdzakelijk met dijkzorg belaste dijkscollege bestonden er twee afzonderlijke colleges, die het beheer voerden over de Neder- en Overwaard. Het bestuur van het waterschap de Nederwaard bestond uit twee colleges van watergraaf en heemraden, ingesteld in 1320 en 1323, bijgestaan door twee waarslieden, een klerk of sekretaris die tevens penningmeester was, een fabriek-landmeter, twee sluismeesters en een bode. Het toezicht op het bestuur hadden gecommitteerden uit de dorpen en ambachten. Tot de Nederwaard behoorden o.a. de heerlijkheden Hofwegen, Naaldwijk, Papendrecht, Sliedrecht en Streefkerk. Het beheer van de uitwatering van het waterschap de Overwaard werd geregeld in een verdrag van 1366. Daaruit heeft zich het waterschap de Overwaard ontwikkeld. Een gezworen rechter, later ook wel erfwatergraaf genoemd, met zeven heemraden schouwden de dijken. Het bestuur werd bijgestaan door een klerk, ook collecteur, gadermeester of sekretaris-penningmeester genoemd, een bode, een fabriek-landmeter en een sluismeester. Het toezicht op het bestuur hadden commissarissen, die in tegenstelling tot de gecommitteerden van de Nederwaard geen afgevaardigden van de dorpen waren. In de Overwaard lagen o.a. de heerlijkheden Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld. De archiefstukken zijn waarschijnlijk bij het persoonlijk archief van Adriaan van Bleyenburg, heer van Naaldwijk in zijn funktie als penningmeester van de Alblasserwaard terechtgekomen. Via aanverwante families Van der Burch en Collot d'Escury is het bij de Van Bylandts beland. Hoofdstuk 3.2: De heerlijkheid Benthorn De heerlijkheid Benthorn, gelegen in Zuid-Holland werd in 1724 door de Staten van Holland, aan wie het door onvermogen van de vorige eigenaren vervallen was, verkocht aan Adam Adriaan van der Duyn, heer van 's-Gravenmoer.( Aa, Aardrijkskundig woordenboek, II, 279, 280. ) Sedertdien is de heerlijkheid in de familie Van der Duyn gebleven. Het is niet geheel duidelijk hoe deze stukken bij Carel van Bylandt terechtgekomen zijn. Waarschijnlijk ligt de oorsprong in familie-banden, die sinds het huwelijk van Alexander graaf van Bylandt met Anna barones van der Duyn bestaan. In 1846 werd Benthorn met Benthuizen verenigd. Hoofdstuk 3.3: De heerlijkheid Oud-Beyerland De polder Oud-Beyerland, gelegen in de Hoekse Waard in Zuid-Holland, werd genoemd naar Sabina van Beyeren, echtgenote van Lamoraal van Egmond. In 1556 werd een begin gemaakt met de bedijking door Lamoraal van Egmond, die de middelen voor de bedijking bij elkaar bracht door alvast het land te verkopen. Na de onthoofding van zijn vader in 1568, waarbij alle goederen verbeurd verklaard werden, kreeg Philips van Egmond de Beyerlanden (Oud- en Nieuw-Beyerland) bij de pacificatie weer in bezit. Hij ging door met het bedijken van Oud-Beyerland totdat hij de Spaanse zijde in 1579 gekozen had en zijn goederen in beslag werden genomen door de Staten van Holland. De vruchten van Oud-Beyerland werden genoten door Philip's zusters Françoise en Sabine van Egmond, die in de Noordelijke Nederlanden verbleven en gereformeerd waren. In 1589 stierf Françoise; het jaar daarop Philips, toen kwamen de rechten aan zijn broer Lamoraal. Hij droeg de rechten over aan Sabine in 1593; zij werd door de Staten van Holland met de hoge heerlijkheid beleend. Sabine overleed in 16l4 en in 1619 werden de Beyerlanden te koop aangeboden. Ze gingen voor een goede prijs van de hand en werden door de Staten van Holland genaast. Eén archiefstuk is in het bezit van de Van Bylandts gekomen via de aanverwante familie Van der Staal van Piershil. Hoofdstuk 3.4: De heerlijkheid Hofwegen De heerlijkheid Hofwegen, gelegen in de Alblasserwaard, was tot in het begin van de 15e eeuw in het bezit van het geslacht Van Brederode. Het werd in de 18e eeuw eigendom van de familie Van Hogendorp. Dit enige overgeleverde archiefstuk is waarschijnlijk meegekomen met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, die getrouwd was met mr. Eugène Jean Alexander graaf van Bylandt. Nadat de laatste heerlijke rechten in 1848 werden afgeschaft, ging de heerlijkheid op in de gemeente Bleskensgraaf. Hoofdstuk 3.5: De polder het nieuwland genaamd Den Andel De polder het Nieuwland is ontstaan door aanwas van gronden ten zuiden van Delfland in Zuid-Holland. In 1322 werd in een akte melding gemaakt van gorzen gelegen onder 's-Gravenzande tussen de Delflandse Dijk en de Maas genaamd Den Grooten Andel. Nadat het geslacht Van Voorne ermee beleend was door graaf Willem III in 1328, krijgt het Kapittel van St. Marie in Den Haag in 1371 Den Andel. Het Kapittel gaf de gorzen ter bedijking uit in 1414 aan zijn kanunnik Jan Gillisz van Wissenkerc, tevens deken van het Kapittel van St. Pieter in de Noordmonsterkerk te Middelburg. De confirmatie van 1415 bevat ook bestuurlijke bepalingen, zoals de instelling van een college van vijf hoofdingelanden, dat als uitvoerend orgaan een dijkgraaf en gezworenen aanstelde. Het bedijkte land werd later het Binnen-Nieuwland, het buitendijkse werd het Buiten-Nieuwland genoemd en het geheel heette het Nieuwland genaamd Den Andel. Het Kapittel van St. Marie behield het eigendom van een zevende deel, zowel binnen- als buitendijks met vrijdom van alle lasten, het zogenaamde "vrije zevende". Delfland was belast met het toezicht en de zorg voor de Kapittelduinen, waar het Nieuwland contributie voor betaalde. Regelmatig ontstonden er geschillen over ieders aandeel in de kosten van herstel en versterking van de zeewering. De konijnen vormden een bedreiging van de zeewering van binnenuit, daartegen werden maatregelen getroffen zoals te vinden is in diverse inventarisnummers. In 1852 werd de polder binnen de grenzen van het Hoogheemraadschap Delfland gebracht, dat de zorg en het onderhoud van de zeewering op zich nam. Via Hendrik Collot d'Escury kwamen de stukken betreffende het Nieuwland terecht bij de Van Bylandts. Hoofdstuk 3.6: De heerlijkheid Papendrecht Ook de heerlijkheid Papendrecht was gelegen in de Alblasserwaard. De Brederode's die de machtigste heren in dit gebied waren in de Middeleeuwen, bezaten Papendrecht, leengoed van de graven van Holland, tot het begin van de 15e eeuw. Na een jarenlang durend proces over de vererving tussen de dijkgraaf en de hoogheemraden van de Alblasserwaard aan de ene kant en de Van Muilwijks aan de andere kant kocht in 1625 Tielman van Muilwijk Papendrecht. In 1744 kwam de heerlijkheid in het bezit van Dordrecht. De stukken zijn waarschijnlijk via de aanverwante familie Van Bleyenburg op de familie Van der Burch en daarna op het geslacht Collot d'Escury overgegaan. Hendrik Collot d'Escury die geen stamhouder had, heeft zijn stukken betreffende heerlijkheden nagelaten aan Carel van Bylandt. Hoofdstuk 3.7: De heerlijkheid Piershil De heerlijkheid Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, is in de 17e eeuw in handen geweest van het geslacht Van Hesse. Hendrik Pelt kocht in 1721 de heerlijkheid van Gillis van Hesse, waarna Piershil vererfde via de familie Gevers, Meerman en Schoonhoven op Van der Staal. Tenslotte is de heerlijkheid via de echtgenote van Carel van Bylandt, Sophie Alexandrine op Marie van Bylandt overgegaan. Thans beheert de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting de laatste heerlijke rechten van Piershil. Het archief van de heerlijkheid bevindt zich op de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief in het archief van de familie Van der Staal van Piershil. Een aantal stukken zijn waarschijnlijk bij de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting achtergebleven en bij de papieren van de Van Bylandts terechtgekomen . Hoofdstuk 3.8: De heerlijkheid Sliedrecht Op het gebied van de gemeente Sliedrecht, gelegen in de Alblasserwaard, bestonden voor 1795 drie naast elkaar gelegen heerlijkheden, te weten Lokhorst of Oversliedrecht, Naaldwijk, en Niemandsvriend. Elk van de ambachten had dan ook zijn eigen schout en heemraden of schepenen, die door de ambachtsheer werden aangesteld. In 1853 erfde Carel Jan Emilius van Bylandt de drie samengevoegde heerlijkheden van Hendrik Collot d'Escury. Hoofdstuk 3.9: Lokhorst of Oversliedrecht Sliedrecht werd in de Middeleeuwen vaak aangeduid als Oversliedrecht, hiermee wordt Sliedrecht aan de overzijde van de Merwede in de Alblasserwaard onderscheiden van Sliedrecht bij Kraaiestein in de Grote Waard, dat met de St. Elizabethsvloed in 1421 verdronken is. Lokhorst is de naam, die leden van het geslacht Van Lockhorst aan deze heerlijkheid hebben gegeven, toen zij haar van de 14e tot in de 16e eeuw in leen hielden van de hofstede van de Merwede. Door huwelijk kwam het leen in 1597 aan Nicolaas van Schagen en Matenesse, waarna zijn leenopvolgers het in 1675 aan Johan Teding van Berkhout verkochten. Johan van der Burch verwierf de heerlijkheid in 1696; in 1759 werd Sliedrecht aan Simeon Petrus Collot d'Escury overgedragen. Hoofdstuk 3.10: Naaldwijk De naam van deze heerlijkheid was afkomstig van Willem van Naaldwijk, die haar in 1370 in leen kreeg. Naaldwijk blijkt van 1447 tot het eind van de 16e eeuw leenroerig te zijn aan de hofstede Brederode. Nadat de ambachtsheer de spade in de dijk had gestoken en het land verlaten had vanwege hoge dijklasten werd de Alblasserwaard eigenaar, die de heerlijkheid in 1625 overdroeg aan Adriaan van Bleyenburg. Naaldwijk ging over van het geslacht Van Bleyenburg naar het geslacht Van der Burch in 1730, waarna Simeon Petrus Collot d'Escury heer van Naaldwijk werd. Hoofdstuk 3.11: Niemandsvriend De naam Niemandsvriend, in de Middeleeuwen ook wel Colijnsambacht genoemd, is verbonden aan het tolhuis. In het begin van de 16e eeuw behoorde het ambacht Niemandsvriend aan de hofstede Nijenrode, die de helft in leen had uitgegeven. In 1771 verwierf Hendrik Collot d'Escury, de oudste zoon van Simeon Petrus, deze helft van Johan van der Burch; hij kocht de andere helft van het echtpaar Onderwater-Hoefft. Hoofdstuk 3.12: Het goed bij Klarenbeek De hof Ingen Elsen bij Klarenbeek was gelegen in het hertogdom Kleef. In 1437 schonk de hertog van Kleef het aan zijn natuurlijke zoon Johan van Kleef Blankenstein. Via zijn familie en de aanverwante geslachten Smullinck en Selbach is het goed in de 17e eeuw een leen van de Von Lützenraths geworden. Hoe het goed van het geslacht Von Lützenrath bij het geslacht Von Wartensleben terecht is gekomen is niet bekend, evenals hoe de stukken bij Van Bylandt-Halt in het archief zijn geraakt. Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln. Gorinchem, 1839-1851. Aa, C. van der. Geschiedenis van den jongst-geëindigden oorlog tot op het sluiten van de vrede te Amiëns, byzonder met betrekking tot de Bataafsche Republiek. 10 dln. Amsterdam, 1802-1808. Bos Jzn, W. Van hennepland tot huizenzee. Sliedrecht, 1978. Bosscha, J. Neêrlands heldendaden te land van de vroegste tijden af tot in onze dagen. 4 dln. Leeuwarden, 1834-1856. Bylandt, C.J.E. van. Het regt van petitie. 's-Gravenhage, 1864. Bylandt, E.J.A. van. Specimen antiqui juris publici Belgici inaugurale de Imperii Forma sub comitibus Hollandiae. Leiden, 1830. Die Lehnregister des Herzogtums Kleve. E. Dösseler, F.W. Oediger. Das Hauptstaatsarchiv Düsseldorf und seine Bestände. 8 dln. Siegburg, 1957-1974. Gouw, J.L. van der. De ring van Putten. 's-Gravenhage, 1967. Hardenberg, H. Oostduin en de graven van Bylandt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk. 's-Gravenhage, 1976. Hasselt, G. van. "Oorsprong van het geslacht Van Bylandt" in: Geldersche Byzonderheden, I-III. Arnhem, 1809. Isenburg, W.K. von. Stammtafeln zur Geschichte der Europäischen Staaten (Europäische Stammtafeln). 8 dln. Marburg, 1965-1980. Jansen, H.P.H. Kalendarium. Geschiedenis van de lage landen in jaartallen. Utrecht, 1974. Jansen, H.P.H.; Swart, K.W.; Deursen, A.Th. van,e.a. Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis. Alphen a/d Rijn, 1979. Kort, J.C. "Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Zuid-Holland, het land van Gelre, het Sticht van Utrecht, Putten en Heenvliet, 1199-1648" in: Ons Voorgeslacht, 1977. Groot Charterboek der graaven van Holland en Zeeland en heeren van Vriesland; beginnende met de eerste en oudste brieven van die landstreeken, en eindigende met den dood van onze gravinne, vrouwe Jacoba van Beyere. F. van Mieris. 4 dln. Leiden, 1753-1756. Molhuysen, P.C.; Blok, P.J.,e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. 10 dln. Leiden, 1911-1937. Nederland's Adelsboek. 10e jaargang. 's-Gravenhage, 1912. Nieuwe Nederlandsche jaarboeken of vervolg der merkwaardigste geschiedenissen, die voorgevallen zijn in de Vereenigde Provinciën, de Generaliteitslanden en de Volksplantingen van den staat. 33 dln. Leiden, 1748-1798. Teixeira de Mattos, L.F. De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland. 10 dln. in 14 bdn. 's-Gravenhage, 1906-1961. Het Vaderland, 13 augustus 1968. "De freule had het voor 't zeggen". Vey Mestdagh, J.H. de. "Het Nieuwland genaamd Den Andel" in: Rotterdams Jaarboekje, 1960. Vorsterman van Oyen, A.A.; Epen, Joh.D.G. van; Meulen, J.C. van der. Jaarboek van den Nederlandschen Adel. 5 dln. 's-Gravenhage, 1888-1891; Oisterwijk, 1893-1894.
Voorgeschiedenis Bij de bevrijding van ons land was een van de vele vraagstukken die opgelost moesten worden de regeling van de zich in ons land bevindende oorlogsbuit, die door de geallieerden werd aangeduid als 'war material'. In de verordening van de Chef van de Staf Militair Gezag (M.G.) van 28 oktober 1944 nr. 36 werd onder oorlogsbuit verstaan: roerende goederen welke deel hebben uitgemaakt van de voorraden of van de uitrusting van vijandelijke strijdkrachten. Het Militair Commissariaat Rechtsherstel (M.C.R.H.), ingesteld bij beschikking van de Chef Staf Militair Gezag van 18 december 1944, werd toen op 25 januari 1945 aangewezen als instantie voor de behandeling van de oorlogsbuit. Bij beschikking van de Chef Staf M.G. van 21 juni 1945 werd bepaald dat alleen de Afdeling War Material van het M.C.R.H. met uitsluiting van alle andere instanties oorlogsbuit mocht vorderen, distribueren enz. De M.C.R.H. heeft een instructie Al uitgevaardigd met als titel: 'Regeling voor oorlogsbuit en/of War material'. Volgens deze instructie is oorlogsbuit: 'Wapentuig, alsmede militaire uitrustingsstukken in de ruimste zin'. Onder 'war material' werd verstaan 'behalve hetgeen onder oorlogsbuit kan worden gerangschikt, alle voorraden, die behoorden tot, gebruikt werden door, of bedoeld waren voor aanwending door enigerlei vijandelijke militaire of paramilitaire organisatie of leden daarvan in verband met hun optreden'. Ook goederen voor gebruiksdoeleinden, levensmiddelen enz. konden hieronder vallen. In de praktijk zijn als oorlogsbuit behandeld alle goederen die vielen onder het begrip 'war material'. De Afdeling 'War Material' die oorspronkelijk gevestigd was in Tilburg, evenals het M.C.R.H., verhuisde na verloop van tijd naar Den Haag: Bachmanstraat 47. Het M.C.R.H. ging in augustus 1945 over in de Raad voor het Rechtsherstel. De Afdeling War Material werd toen op 15 augustus 1945 als Sectie IIE (Sectie Oorlogsbuit) een zelfstandig onderdeel van het M.G. Kapitein Roselaar was hoofd van deze sectie. Toen de taak van het Militair Gezag ten einde liep, bleek dat de Sectie Oorlogsbuit niet gereed was met haar werkzaamheden. Er werd toen besloten om ter liquidatie van de Sectie Oorlogsbuit van het M.G. het Bureau Oorlogsbuit op te richten dat zou komen te ressorteren onder het Ministerie van Financiën. Deze beslissing was mede genomen onder aandrang van de Algemene Rekenkamer die bij brief van 12 december 1945 aan de voorzitter van de Raad van Ministers geadviseerd had om een centraal orgaan op te richten die alle krijgsbuitaangelegenheden en de daarmee samenhangende kwesties zou moeten behandelen. Bij beschikking van de minister van Financiën d.d. 13 maart 1946 werd mr. J. Jolles met ingang van 1 maart 1946 aangewezen als hoofd van het Bureau Oorlogsbuit met als taak: 'de Sectie Oorlogsbuit van de Staf M.G. over te nemen en zo nodig te reorganiseren'. Organisatie en taakuitvoering Oorlogsbuit Toen ons land helemaal bevrijd was, kon pas echt aangevangen worden met de behandeling van het 'war material' dat beschermd moest worden tegen diefstal en onrechtmatig gebruik. Overal werden hiervoor bijkantoren van de Sectie Oorlogsbuit opgericht, die erg zelfstandig waren in hun doen en laten. Zo konden de hoofden van deze bijkantoren zelf personeel aannemen en ontslaan. De werkzaamheden van de bijkantoren bestonden uit het opsporen, het beheren en de verkoop van de oorlogsbuit. De Sectie Oorlogsbuit van het M.G. had op 1 maart 1946 in de volgende plaatsen bijkantoren: Alkmaar Amersfoort Amsterdam Apeldoorn Den Helder Emmen Enschede Gouda Groningen Haarlem Leeuwarden Middelburg Middelharnis Nijmegen Rotterdam Terneuzen Tilburg Utrecht Zierikzee Zwolle Al spoedig konden de bijkantoren in Amersfoort, Emmen, Haarlem, Leiden, Den Helder, Middelharnis en Zwolle worden opgeheven. In Valkenburg werd een nieuw kantoor geopend toen bleek dat in Zuid-Limburg nog geen oorlogsbuitgoederen waren opgespoord. Circulaire nr. 1 van 28 augustus 1945 van het hoofd van de Sectie Oorlogsbuit van de Staf M.G. bepaalde dat de opbrengsten uit de verkoop van de oorlogsbuitgoederen voortaan moesten worden overgemaakt op de rekening Oorlogsbuit bij De Nederlandsche Bank. Hoewel eigenlijk alleen de Afdeling 'War Material' van het M.C.R.H. gerechtigd was om oorlogsbuit te vorderen, te distribueren enz., hebben meerdere personen en instanties zich met het opsporen van de oorlogsbuit bemoeid: 1. de Militaire Commissarissen 2. de Rijksbureaus: Rijksbureau voor Aardolieproducten Rijksbureau voor Chemische Producten Rijksbureau voor Genees- en Verbandmiddelen Rijksbureau voor Huiden en Leer Rijksbureau voor Keramische Producten Rijksbureau voor Rubber Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten Rijksbureau voor Teer en Teerproducten Rijksbureau voor Wol en Lompen Rijksbureau voor Zeep Rijksbureau voor Hout Rijksbureau voor Metalen Rijksbureau voor Textiel Rijksbureau voor Kolen Rijksbureau voor Papier en Papierverwerkende Industrie 1 november 1946 heeft het Bureau Oorlogsbuit de werkzaamheden van de rijksbureaus voor wat betreft de oorlogsbuit overgenomen. Voor het Rijksbureau voor Metalen werd een andere regeling getroffen. Dit rijksbureau had een afzonderlijke afdeling gesticht voor door haar te behandelen oorlogsbuit: machinerieën, halffabrikaten en grondstoffen met de naam Wego (Weggevoerde Goederen). De distributiebureaus en het Rijksbureau voor Metalen waren tevens bijkantoren van de Afdeling Wego. Deze afdeling moest toen de rijksbureaus hun zelfstandige taak op het gebied van de oorlogsbuit beëindigden, nog veel werkzaamheden verrichten. Er is toen besloten om de Afdeling Wego onder te brengen bij het Bureau Oorlogsbuit daar het wenselijk werd geacht om de verantwoordelijkheid voor de oorlogsbuit uitsluitend bij het Bureau Oorlogsbuit te laten berusten. Tengevolge van deze reorganisatie werden de bijkantoren van het Rijksbureau voor Metalen, Afdeling Weggevoerde Goederen samengevoegd met de bijkantoren van het Bureau Oorlogsbuit. Onder de naam Inspectie-Bureaus Oorlogsbuit waren zij gevestigd te: Alkmaar Amsterdam Apeldoorn Breda Enschede Gouda Groningen Leeuwarden Nijmegen Rotterdam Utrecht Valkenburg De belangrijkste werkzaamheden van deze inspectiebureaus waren de opsporing van de oorlogsbuitgoederen. De verkoop mocht slechts in bepaalde gevallen plaatsvinden. De inspectiebureaus werden op hun beurt ook weer opgeheven of samengevoegd. Het laatste bureau dat overbleef was in 1951 het bureau in 's-Hertogenbosch dat werkzaamheden verrichtte voor het gehele land tot 1 januari 1952 toen het eveneens werd opgeheven. De onder 3 t/m 7 genoemde instanties werkten onder het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening: 3. Provinciale Voedselcommissarissen 4. Centrale Aan- en Verkoopbureaus voor de Voedselvoorziening te 's-Hertogenbosch, Maastricht en Zwolle 5. Aan- en Verkoopbureau voor Akkerbouwproducten te 's-Gravenhage 6. Rijksdienst voor Landbouwherstel 7. Stichting tot het Beheer van Landbouwgronden. Op het gebied van de motorvoertuigen waren werkzaam de onder 8 t/m 11 genoemde instanties: 8. Rijksverkeersinspecties 9. Regeringsdirectoraat voor Motorvoertuigen 10. Bureau Verwerking Krijgsbuit, Automobielen en Auto-onderdelen 11. Opsporingsdienst Motorvoertuigen Oorlogsbuit (O.M.O.) Per 16 november 1946 werd deze dienst van het Ministerie van Verkeer en Energie overgeheveld naar het Bureau Oorlogsbuit en in 1947 als aparte afdeling van het Bureau Oorlogsbuit geliquideerd. 12. De Technische Commissie voor Aannemersgereedschappen. 13. De Technische Commissie Smalspoor (T.C.S). Deze instantie werd onder auspiciën van de Afdeling Oorlogsbuit van de Staf M.G. in augustus 1945 ingesteld. Haar taak was smalspoormateriaal benevens draglines en excavateurs die tot de oorlogsbuit behoorden aan de eigenaren terug te geven dan wel te distribueren. De Technische Commissie Smalspoor werd in april 1949 opgeheven. 14. Regeringsgevolmachtigden voor de Kuststrook. Voor het beheren van bouwmaterialen en alle andere goederen die in de kuststrook werden gevonden, werden op 2 mei 1946 twee regeringsgevolmachtigden benoemd bij beschikking van de ministers van Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk, van Financiën, Oorlog, Marine, Openbare Werken en Wederopbouw, Verkeer en Energie, Handel en Nijverheid en Justitie. Zij waren gerechtigd om bouwmaterialen en alle andere goederen te onttrekken aan de verdedigingswerken in de kuststrook en deze voor het Rijk te vervoeren, op te slaan en te verkopen. Met de kuststrook werd bedoeld alle Noordzee eilanden en de Noordzeekust. De regeringsgevolmachtigden werkten nauw samen met het Bureau Oorlogsbuit omdat de hier bovenbedoelde goederen voor het grootste gedeelte tot de oorlogsbuit behoorden. Bij beschikking van de ministers van Financiën, Oorlog, Marine, Wederopbouw en Volkshuisvesting, Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken en Justitie d.d. 27 juni 1949 werd de bovengenoemde beschikking van 2 mei 1946 ingetrokken en onder andere bepaald dat de in deze beschikking aan de regeringsgevolmachtigden opgedragen taak per 1 juli 1949 overgedragen wordt aan het hoofd van het onder het Ministerie van Financiën ressorterende Bureau Hergo. De regeringsgevolmachtigden werden met ingang van 1 oktober 1949 eervol ontslagen. 15. Naval Disarmament Control Staff (N.D.C.S.) De N.D.C.S., een intergeallieerde instantie bestaande uit marineofficieren van de Nederlandse Koninklijke Marine, had tot taak zich te ontfermen over de zogenaamde 'marinekrijgsbuit' die afkomstig was van de Duitse Marine in ons land. De N.D.C.S. wees aan het Bureau Oorlogsbuit hiervan die goederen toe die niet geschikt waren voor de Koninklijke Marine. De Koninklijke Marine en de N.D.C.S. waren van mening dat ze zelf konden beschikken over deze 'marine krijgsbuit' en dat daarom dan ook geen verrekeningsplicht bestond met het Bureau Oorlogsbuit voor de goederen die aan de marine werden toegewezen. Het Bureau Oorlogsbuit was met deze stellingname niet eens. Uiteindelijk is het Ministerie van Marine toch tot verrekening met het Bureau Oorlogsbuit overgegaan. 16. De Technische Dienst Vliegvelden (T.D.V.) De Technische Dienst Vliegvelden werd kort na de oorlog door het Ministerie van Oorlog ingesteld om de op de vliegvelden aanwezige materialen te beheren. Deze dienst beschikte zelfstandig over deze materialen. Het Bureau Oorlogsbuit kreeg bijna geen gelegenheid om deze goederen te inventariseren. Het eveneens onder het Ministerie van Oorlog ressorterende Bureau Aanleg, Beheer en Onderhoud van Vliegvelden (B.A.B.O.V.) nam in 1948 de werkzaamheden van de Technische Dienst Vliegvelden over die toen werd geliquideerd. 17. Commissie Duitse Opstallen De minister van Financiën heeft bij beschikking van 15 maart 1948 de Commissie Duitse Opstallen ingesteld. Deze commissie had tot taak de minister te adviseren over de te nemen maatregelen inzake de door de Duitsers in de oorlog opgerichte opstallen waarop de Staat krachtens artikel 658 en volgende van het Burgerlijk Wetboek rechten kon doen gelden. In deze commissie waren vertegenwoordigd het Ministerie van Financiën, het Departement van Oorlog, het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, het Nederlands Beheers Instituut en het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Voor het Ministerie van Financiën hadden zitting in deze Commissie: de heer H. Bakker, directeur van 's Rijksbelastingen en Domeinen, tevens voorzitter, mr. J.C.W.M. Huysmans, referendaris van de Generale Thesaurie en mr. J. Jolles, hoofd van het Bureau Hergo. Secretaris was mr.dr. A. Spanjer, medewerker van het Bureau Hergo. Bij beschikking van de minister van Financiën van 22 mei 1950 werd de Commissie Duitse Opstallen opgeheven. Naast het opsporen, beheren en verkoop van oorlogsbuitgoederen was een taak van het Bureau Oorlogsbuit het vastleggen van gegevens met betrekking tot de eigendomsrechten van deze goederen en het ontwerpen van een wettelijke regeling hiervoor die uiteindelijk gestalte kreeg in de 'Wet houdende voorzieningen onder de vijand aangetroffen goederen' van 24 april 1947. Alleen de status van de roerende goederen die na 9 mei 1945 al dan niet rechtmatig uit Nederlands bezit in handen van de vijand zijn overgegaan, werd in deze wet geregeld. De Staat der Nederlanden kreeg het eigendomsrecht krachtens bovengenoemde wet voor: alle goederen welke door de Nederlandse Strijdkrachten in handen van de vijand zijn aangetroffen en in bezit zijn genomen; alle hier te lande aangetroffen goederen welke door de vijand werden afgezonderd om ten behoeve van de oorlogsvoering te dienen; alle goederen, welke hier te lande in de handen van de vijand zijn aangetroffen en door de geallieerden aan de Nederlandse instanties zijn overgedragen. Het Bureau Oorlogsbuit heeft in maart 1946 een aparte Afdeling Scheepszaken ingesteld voor het behandelen van kwesties met betrekking tot schepen en scheepstoebehoren voor zover deze als oorlogsbuit konden worden aangemerkt. De werkzaamheden van deze afdeling werden in 1947 uitgebreid met de afwikkeling van de uit Duitsland teruggekomen restitutieschepen. De belangrijkste taak in deze periode was om het daartoe te leiden dat alle werkzaamheden op het gebied van de oorlogsbuit alleen zouden worden verricht door het Bureau Oorlogsbuit. Toen op 16 november 1946 de Afdeling Vego van het Rijksbureau voor Metalen samengevoegd werd met het Bureau Oorlogsbuit van het Ministerie van Financiën begon een tweede fase in het bestaan van het Bureau Oorlogsbuit. Na deze reorganisatie was het Hoofdbureau Oorlogsbuit verdeeld in de volgende afdelingen die belast waren met de daarbij vermelde werkzaamheden: Afd. I - Afwikkelingsbureau Oorlogsbuit van het Ministerie van Financiën Afd. I-A - Nieuwe gevallen oorlogsbuit Afd. II - Afwikkelingsbureau Rijksmetalen, Afd. Wego Afd. III - Algemene administratie en financiën Afd. IV - Schepen Afd. V - Juridische zaken en onroerende goederen Afd. VI - Buitendienst Afd. VII - Restitutiegoederen Afd. VIII - Vijandelijk vermogen Afd. IX - Personeelszaken Afd. X - Intern transport Afd. XI - Herstelbetalingen Afd. XII - Motorvoertuigen De taken van het bureau waren toen de volgende: 1. De liquidatie van de oorlogsbuit De behandeling van de dossiers die door bovengenoemde instanties niet waren afgehandeld, moest ter hand worden genomen. Bovendien moesten de controlerapporten die door verschillende accountants-diensten/accountantskantoren uitgebracht waren over de werkzaamheden van onder andere deze rechtsvoorgangers behandeld worden. 2. Recuperatie Als basis voor de restitutie van goederen die in de oorlog uit de door Duitsland bezette landen zijn verdwenen, kan genoemd worden de op 5 januari 1943 door de geallieerde regeringen te Londen afgekondigde verklaring waarvan de officiële benaming is: 'Inter-Allied Declaration against Acts of Dispossession committed in Territories under Enemy Occupation and Control' ook wel de 'Declaration Solennelle' genoemd en aangehaald als de 'Joint Declaration'. Deze verklaring vond bevestiging in de resolutie betreffende de ongedaanmaking van de gevolgen van de plundering die aangenomen werd op de van 1-22 juli 1944 te Bretton Woods gehouden United Nations Monetary and Financial Conference. Eind 1945 werd in Parijs een conferentie gehouden van landen die van Duitsland schadevergoeding eisten. Was in de Declaration Solennelle nog sprake van het recht om alle weggevoerde goederen terug te eisen, in de op deze conferentie aangenomen resolutie werd deze restitutie beperkt tot: Alle goederen die op de datum van de bezetting bestonden, onverschillig de manier waarop deze zijn weggevoerd. De goederen die gedurende de oorlog zijn geproduceerd voor zover deze onder dwang zijn weggevoerd. De oorzaak van deze veranderde houding was gelegen in de gewijzigde ideeën ten opzichte van de restitutie veroorzaakt door de economische situatie in Duitsland. Op 21 januari 1946 werd de definitie van de term restitutie door de bezettingsmachten gepubliceerd. De restitutiegoederen werden verdeeld in: Goederen, die bestonden ten tijde van de bezetting en 'taken by force'. Goederen geproduceerd gedurende de bezetting en 'obtained by force'. Alle goederen weggevoerd door de vijand 'to the extent consistent with reparations'. Goederen van uniek karakter. De Engelse, Amerikaanse en Russische autoriteiten eisten bij de restitutie een vorm van dwang, terwijl de Franse autoriteiten alle goederen restitueerden die in de oorlog weggevoerd waren. Een uitzondering voor de Engelse en Amerikaanse autoriteiten wat betreft de dwang vormden de culturele goederen. Op 23 juli 1947 werd toen bepaald dat alle gedurende de oorlog naar Duitsland gevoerde culturele goederen restituabel zijn onafhankelijk van de manier waarop de Duitsers deze verkregen hebben: 'Restitution may be admitted whether or not the element of duress is proved'. In de Franse zone zijn de culturele goederen altijd op deze basis gerestitueerd. Zie verder voor de restitutie van culturele goederen de inventaris van de Stichting Nederlands Kunstbezit. De minister van Handel en Nijverheid benoemde op 18 april 1945 een commissaris-generaal als hoofd van het toen ingestelde Commissariaat-Generaal voor de Nederlandsche Economische Belangen in Duitsland (C.G.R.). De taak van deze commissaris-generaal was de terugverkrijging van de in de oorlog uit Nederland weggevoerde goederen (recuperatie) of het verkrijgen van andere goederen ter vervanging van de weggevoerde (herstelbetalingen). De C.G.R. bracht de in Oostenrijk, Duitsland, Tsjecho-Slowakije, Polen, België en Frankrijk opgespoorde goederen tot aan de grens waarna de Afdeling Wego van het Rijksbureau voor Metalen - welk bureau op 11 maart 1946 door de minister van Handel en Nijverheid hiervoor was aangewezen - voor het in ontvangst nemen, de teruggave aan de eigenaar en de distributie van deze goederen zorgde. Het Bureau Oorlogsbuit nam deze taak van de Afdeling Wego over toen op 16 november 1946 de Afdeling Wego een onderdeel werd van het Bureau Oorlogsbuit. De naar Nederland gerestitueerde goederen zijn in de volgende categorieën te onderscheiden: Machines en grondstoffen; Kleding, meubelen en dergelijke; Transportmateriaal: spoorwegmateriaal. trammateriaal en wegmateriaal; Haveninstallaties: laadbruggen, kranen en bokken; Juwelen, diamanten; Paarden en vee; Schepen; Culturele goederen. Voor al deze goederen gold dat ze om voor restitutie in aanmerking te komen, moesten voldoen aan bepaalde eisen waarvan wel de belangrijkste was dat ze geïdentificeerd moesten kunnen worden. Dit laatste was voor veel goederen bijvoorbeeld grondstoffen, paarden in veel gevallen niet mogelijk. Zo bevond zich onder de teruggevoerde diamanten een partij die door de Duitsers zo door elkaar gemengd was dat het niet mogelijk was de tot deze partij behorende diamanten aan de oorspronkelijke eigenaren terug te geven. De eigenaren hadden hun diamanten in de oorlog bij het Rijksbureau voor Diamant moeten inleveren. Het rijksbureau had toen deze diamanten vervolgens in de Amsterdamsche Bank te Arnhem ondergebracht waaruit de Duitsers ze later hebben gestolen. De minister van Financiën heeft toen mr. J. Jolles, hoofd van het Bureau Hergo gemachtigd om voor hem op te treden bij het ten overstaan van notaris L.W.A. Duynstee te Den Haag op 3 november 1948 verlijden van de akte van oprichting van de Stichting Teruggevoerde Diamant die onder auspiciën van het Bureau Hergo de liquidatie van deze partij diamanten moest regelen. Een van de leden van het bestuur van de stichting was mr. J. Jolles. De stichting heeft toen de tot deze partij behorende gerecupeerde diamanten verkocht. De opbrengst werd ter beschikking gesteld aan de oorspronkelijke eigenaren. Ook heeft de Stichting Teruggevoerde Diamant ten gunste van de middelen van het Bureau Hergo diamanten verkocht die eigendom van de Nederlandse Staat waren geworden doordat de oorspronkelijke eigenaren deze diamanten in de oorlog aan de Duitsers hadden verkocht. In de brief van de minister van Financiën van 4 mei 1957 werd goedkeuring verleend aan het in de vergadering van de stichting van 10 april 1957 genomen besluit tot opheffing van de stichting. Op 11 november 1946 heeft de Afdeling Beheer van de Raad voor het Rechtsherstel een commissie ingesteld die tot taak kreeg het vraagstuk van de recuperatiegoederen te bestuderen. Twee van de conclusies van deze commissie waren: 1. De Staat is eigenaar, althans fiduciair eigenaar, krachtens volkenrecht. 2. De Staat is houder als zaakwaarnemer van een deel der goederen ten behoeve van personen hier te lande; hij is door toe-eigening eigenaar van de rest. De teruggave van de goederen aan de eigenaar vond alleen plaats nadat het eigendomsrecht onomstotelijk door de eigenaar was aangetoond bijvoorbeeld door overlegging van eigendomspapieren. De eigenaar moest een verklaring tekenen waarin hij onder andere verklaarde geen schadeloosstelling te hebben ontvangen dan wel mededeelde een bepaald bedrag te hebben ontvangen als schadeloosstelling. Ook moest hij beloven de Schade Enquête Commissie op de hoogte te zullen stellen van de ontvangst van de goederen. 3. Herstelbetalingen Het Intergeallieerde Agentschap voor Herstelbetalingen te Brussel (I.A.R.A.) heeft de door Duitsland te leveren Herstelbetalinggoederen verdeeld onder de hiervoor in aanmerking komende landen. Deze goederen bestonden uit twee categorieën: Categorie A. Elke vorm van herstelbetalingen uitgezonderd die van Categorie B. Het Nederlandse percentage bedroeg hiervan 3,9%. Categorie B. Industriële outillage en schepen. Het Nederlandse percentage was hiervoor 5,6%. Het C.G.R. zorgde voor verzending van deze goederen tot aan de Nederlandse grens. Het Bureau Oorlogsbuit/Hergo had voor de centrale opslag loodsruimte in Rotterdam gehuurd. De eerste verkoop van herstelbetalingmachines aan de Nederlandse industrie vond plaats op 5 december 1946. In het begin werden de gegadigden aangewezen door de minister van Economische Zaken die hiervoor de betrokken bedrijfsgroepen hoorde. Vanaf 18 mei 1949 werden de machines openbaar op veilingen verkocht. Met ingang van 1 juli 1948 was het Hoofdbureau Oorlogsbuit verdeeld in de volgende afdelingen: Afd. I - Algemene Zaken Afd. II - Oorlogsbuit, bestaande uit: IIa: oorlogsbuit IIb: afwikkeling Afdeling Wego Afd. III - Comptabiliteit en administratie Afd. IIIa - Administratie diamanten Afd. IV - Schepen Afd. V - Onroerende goederen Afd. VII - Restitutie goederen Afd. IX - Personeelszaken Afd. XI - Motorvoertuigen Afd. XII - Herstelbetalingen Bovenstaande indeling verdient de volgende toelichting: Met ingang van 1 juli zijn vervallen de Afdelingen Ia, VI, VIII en X. De afdeling II bestaat uit: Afd. IIa, welke in de plaats is getreden van Afdeling Ia Afd. IIb, welke de afwikkeling van de Afdeling Wego oorlogsbuit behandelt Nieuw gecreëerd is de afdeling IIIa De voormalige Afdeling X valt 1 juli onder de afdeling XI Bij beschikking van de minister van Financiën d.d. 26 augustus 1948 werden de taak en de bevoegdheden van het Bureau Oorlogsbuit nader vastgelegd. Tevens werd om de naam van het Bureau Oorlogsbuit meer in overeenstemming te brengen met de aan dit bureau toevertrouwde werkzaamheden, de naam van het Bureau Oorlogsbuit gewijzigd in het Bureau Herstelbetaling- en Recuperatiegoederen (Hergo). De derde fase ving aan met de overname door het Bureau op 1 juni 1949 van de werkzaamheden van de C.G.R. die eind mei 1949 geliquideerd werd. Tevens werd het bureau belast met de liquidatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit. De Stichting Nederlands Kunstbezit was in 1945 opgericht door de ministers van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën met als taak de recuperatie van de in de oorlog uit ons land verdwenen kunstvoorwerpen. In 1948 geraakte de stichting in moeilijkheden door een justitieel onderzoek naar onregelmatigheden die bij de stichting plaats zouden hebben gevonden. Het hoofd van het bureau werd benoemd tot directeur van de stichting. Deze benoeming lag voor de hand omdat beide instanties zich bezighielden met het beheer, teruggave en verkoop van gerecupereerde goederen: economische goederen, respectievelijk kunstvoorwerpen. Op 1 juli 1950 werden de werkzaamheden van de Stichting Nederlands Kunstbezit aan het Bureau Hergo overgedragen. De medewerkers werden toen arbeidscontractanten van het Ministerie van Financiën. Het Bureau Hergo bestond na de overname van de werkzaamheden van het C.G.R. uit een Afdeling Directie en 5 afdelingen, respectievelijk de Afdelingen 2, 3, 4. 5 en 6: Afdeling Directie Algemene Zaken Personeelszaken Huishoudelijke Dienst Post, Archief en Telefoondienst Afdeling 2 Alle oorlogsbuitaangelegenheden Afwikkeling oorlogsbuit Rijksmetalen en wat daarmede samenhangt Contact met de buitendienst (voor zover niet betrekking hebbende op restitutie en herstelbetalingen) Debiteuren Uitwerking van de accountantsrapporten Afdeling 3 Comptabele werkzaamheden Afdeling 4 Scheepszaken Afdeling 5 5a Voortzetting werkzaamheden van het C.G.R. voor wat betreft restitutie 5b Ontvangst, opslag en taxatie restitutiegoederen: rechtsherstel of verkoop, administratieve behandeling en de S.E.C. meldingen Afdeling 6 6a Voortzetting van werkzaamheden van het C.G.R. voor wat betreft herstelbetalingen 6b Ontvangst, opslag en taxatie van herstelbetalinggoederen verkoop en administratieve afwikkeling Liquidatie Eind 1950 begon de vierde fase van het Bureau Hergo: de liquidatiefase. Bij ministeriële beschikking van 17 juli 1952, Generale Thesaurie, Directie Bewindvoering, nr. 105 werden in verband met de geleidelijke liquidatie van het Bureau Hergo de werkzaamheden van de Afdeling Scheepszaken per 1 augustus 1952 overgedragen aan de Directie Bewindvoering van het Ministerie van Financiën (de huidige Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken). Bij ministeriële beschikking van 29 januari 1953 werd het Bureau Hergo per 1 februari 1953 opgeheven. De werkzaamheden van het bureau werden overgenomen door de Directie Bewindvoering van het Ministerie van Financiën.
Inleiding I Geschiedenis van de NHM in vogelvlucht De Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV [NHM] werd opgericht te 's-Gravenhage op 29 maart 1824 op initiatief van koning-koopman Willem I. Het bedrijf vestigde zich in aanvang aan het Noordeinde 64 te 's-Gravenhage. De koning zelf was groot-aandeelhouder en bemoeide zich tot zijn aftreden in 1840 actief met de gang van zaken van het bedrijf. Het doel dat de koning met de maatschappij voor ogen had was uiterst ambitieus. Kort gezegd kwam het er op neer dat de NHM de Nederlandse economie uit het dal moest halen waarin zij na de jaren van Franse overheersing was terechtgekomen. Centraal in deze doelstelling stond het herstel van de handel van Nederland met haar koloniën in Indië. Anders dan voorheen voor de VOC, die zich hoofdzakelijk beperkte tot aanvoer van Indisch product naar Nederland, was voor de NHM een wederzijdse handelsbeweging het uitgangspunt. Tegenover de import diende nu de afzet van Nederlands product in Indië te staan, maar ook in andere delen van de wereld. De NHM was met andere woorden bedoeld als importlichaam èn als lichaam dat een afzetmarkt moest creëren voor Nederlandse landbouw en nijverheid. In het verlengde hiervan diende de NHM zich actief op te stellen als financier van het bedrijfsleven. In de statuten tot 1850 springen twee verdere taken in het oog. Ten eerste moest de NHM gaan functioneren als een soort economische inlichtingendienst: in het binnenland via de naar regio samengestelde en met de diverse Kamers van Koophandel in contact staande Raad van Commissarissen, en in het buitenland via een wereldwijd net van agenten en correspondenten. Ten tweede verlangden de statuten nadrukkelijk een herstel van de oude theehandel met China; in verband hiermee was zelfs een agentschap te Kanton voorgeschreven. Geheel in de lijn van deze ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM in haar eerste jaren wereldwijd activiteiten. Zij vestigde zich uiteraard in de eigen koloniën, maar daarnaast ook op diverse plaatsen in Latijns-Amerika, in de Levant en in China. De meeste van deze ondernemingen brachten slechts verlies, en al vóór 1830 had de handelsactiviteit van de NHM zich in hoofdzaak beperkt tot Nederlands-Indië. Voor de uitvoering hiervan had zich in 1826 te Batavia een ondergeschikte tak van bestuur gevestigd, onder de naam Factorij. Deze hoofdzetel voor het Oosten zou in het verdere verloop van de NHM-geschiedenis het toezichthoudend en controlerend orgaan zijn voor een veelheid aan agentschappen in Nederlands-Indië, en tevens voor de buiten Nederlands-Indië gevestigde zogeheten buitenkantoren in onder meer Singapore, Maleisië, Japan, China, Hongkong, Brits-Indië, Birma en Oost-Afrika. Nadat de president in zijn aanspraak tot de Raad [een gezamenlijke vergadering van directie en commissarissen] in 1830 voor het eerst een positief geluid had kunnen laten horen en behoorlijke resultaten kon overleggen, leek de Belgische Opstand het einde van de onderneming in te luiden. De NHM wist de crisis echter te overleven. De Belgische component werd afgestoten en het hoofdkantoor werd verplaatst naar Amsterdam. De NHM werd met name gered door haar verbondenheid met de staat. Zij was al van aanvang af lucratieve contracten met de overheid aangegaan, maar met de invoering in 1830 van het cultuurstelsel in Indië door gouverneur-generaal Van den Bosch werd zij zowel bankier, commissionair als expediteur van staatswege. Zij voorzag de overheid van grote kredieten, en in ruil daarvoor werd zij belast met de verscheping en verkoop van zowel de producten die de overheid via het cultuurstelsel toekwamen als de producten uit de eigen vrije land- en mijnbouwnijverheid van het gouvernement. Daarenboven kreeg zij het transport van personeel [onder andere troepen] en materieel voor het Indisch gouvernement toegewezen. De relatie tot de overheid werd vastgelegd in contracten voor bepaalde tijd, die dus op gezette tijden werden vernieuwd. Deze rijksagentuur bracht de NHM een aantal decennia in een uiterst comfortabele positie en zorgde voor de nodige nijd bij andere ondernemingen. De bijnamen Niemand Handelt Meer en Kompenie Ketjil [kleine regering] zeggen wat dat betreft genoeg. In eigen land trad de NHM na 1830 op als participatie- en financieringsmaatschappij voor de nationale nijverheid en scheepvaart. Deze financiering geschiedde vooralsnog geheel uit eigen middelen. Van belang in dit opzicht zijn onder meer de bemoeienis met de opzet en uitbouw van de Twentse textielindustrie en de deelnemingen in [vooral aan de eigen activiteiten gerelateerde] ondernemingen als de Deli Maatschappij, de NV Koninklijke Paketvaart Maatschappij en de Zuid-Amerika Lijn/Koninklijke Hollandsche Lloyd. De comfortabele positie van de NHM vanaf 1830 had als keerzijde dat zij de handel voor eigen rekening schromelijk verwaarloosde. Toen het cultuurstelsel na het midden van de negentiende eeuw geleidelijk werd losgelaten en daarmee de baten van de rijksagentuur voor de NHM verminderden, kwam de onderneming opnieuw in moeilijkheden. Pogingen om het tij te keren door het weer activeren van de eigen handel, onder meer door het zoeken van nieuwe handelsgebieden [Japan], hadden geen of slechts tijdelijk succes. Toen in 1874 de [tweede] verlenging van de vennootschap aan de orde was, gingen zelfs weer stemmen op om de maatschappij op te heffen. Zover kwam het niet, maar de NHM zou vanaf dat jaar een grondige gedaantewisseling ondergaan, en geleidelijk transformeren van handelsonderneming naar handelsbank [of algemene bank]. De transformatie werd ingezet in 1874 met het schrappen uit de statuten van het verbod op het drijven van handel in wissels en effecten. Maar pas met de benoeming tot directeur van de bankier Balthazar Heldring [voormalig directeur van de Kas-Vereeniging] in 1880 veranderde er ook iets in de praktijk. Heldring begon met een reorganisatie van de Factorij. De handelsactiviteiten werden sterk ingekrompen en deels zelfs stopgezet en de Factorij ging zich bezig houden met kredietverlening, effectenorders en het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dit maakte het bankiersbedrijf in de moderne zin van het woord mogelijk: het verstrekken van geldmiddelen aan derden uit door derden beschikbaar gestelde middelen. Pas in 1903 werd ook in Nederland zelf overgegaan op het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dat jaar mag dan ook worden aangemerkt als dat van de afronding van het omschakelingsproces van de NHM tot algemene bank. De omschakeling betekende overigens niet dat het handelsbedrijf volledig werd verlaten. De NHM zou tot het einde een handelsafdeling behouden, hoewel in sterk afgeslankte vorm. Naast het oude handelsbedrijf en het nieuwe bankbedrijf ontplooide de NHM vanaf het midden van de negentiende eeuw activiteiten in het cultuurbedrijf. De ontwikkeling van de NHM in Indië als cultuuronderneming ging langs geleidelijke weg, en ook min of meer tegen wil en dank. De Factorij gaf al vanaf circa 1850 steun aan planters in de vorm van voorschotkredieten onder hypothecair verband van gebouwen [suikerfabrieken] of consignatie van de oogst, waarbij de oogst dus voor verkoop aan de NHM ter beschikking kwam. Via dit soort contracten werden een groot aantal cultuurondernemingen aan de NHM verbonden, de zogeheten cultuurrelaties. Dit bracht wel het 'gevaar' met zich mee dat bij faillissementen in tijden van crisis de NHM met 'de boedel kwam te zitten', en bij onverkoopbaarheid hiervan gedwongen was zelf de exploitatie ter hand te nemen. De suikerfabriek Wonopringgo werd op deze wijze in 1841 de eerste eigen cultuuronderneming van de NHM. Langs deze weg zouden de NHM nog meerdere ondernemingen toevallen. Samen met de zelf opgerichte ondernemingen, de exploitatie van ondernemingen voor gezamenlijke rekening met derden, de blote deelneming in het kapitaal van ondernemingen van derden en de al genoemde consignatie-relaties maakten zij van het cultuurbedrijf een belangrijke poot binnen het totale bedrijf der NHM. In Suriname ging het cultuurbedrijf van start in 1867 met de aankoop van de suikerplantage De Resolutie. Vanaf 1883 werd de suikerplantage en -fabriek Mariënburg geëxploiteerd. Het hoogtepunt van het eigen cultuurbedrijf der NHM lag in de periode 1880-1934. In dat laatste jaar zorgde de wereldcrisis en een daaruit voortvloeiende grootscheepse interne reorganisatie voor een drastische vermindering van het aantal eigen ondernemingen. De Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd bezorgden het cultuurbedrijf een nieuwe klap. Niettemin bleef de NHM in Indonesië een aantal cultuurondernemingen exploiteren, tot deze in 1959 onder beheer werden gesteld en vervolgens genationaliseerd. In Suriname werd het complex Mariënburg in 1964 verkocht. Voor de ontwikkeling tot algemene bank was een voldoende uitgebreid kantorennet onontbeerlijk, met name voor het emissiebedrijf. In Nederlands-Indië was aan die voorwaarde wel voldaan. De rem op de im- en exporthandel in 1882 had weliswaar geleid tot sluiting van veel agentschappen, maar het snelle succes van het bankbedrijf deed het aantal weer vlug toenemen. In Nederland had de NHM in 1910 naast het hoofdkantoor enkel agentschappen in Rotterdam en 's-Gravenhage. De andere agentschappen [feitelijk weinig meer dan opslagplaatsen] waren opgeheven. In 1916 werd een overeenkomst aangegaan met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waarmee de NHM de mogelijkheid kreeg gebruik te maken van het kantorennet van deze bank in het oosten van het land. In 1936 werd de GCV overgenomen en haar kantoren omgezet in NHM-agentschappen. De NHM beschikte vanaf dat moment over een eigen binnenlands kantorennet. Na 1936 zou dit net via eigen oprichtingen en overnames van regionale en lokale banken nog aanzienlijk worden uitgebreid. Gedurende de Tweede Wereldoorlog was het bedrijf der NHM gesplitst in een binnenlands en een buitenlands bedrijf. Al vóór de oorlog waren procedures vastgelegd voor het geval een bezetting zou plaatsvinden. Deze werden ook onverkort gevolgd. De statutaire zetel werd in 1940 verplaatst naar Batavia, en na de Japanse inval in Nederlands-Indië in 1942 naar Paramaribo. De directeuren in bezet gebied hadden enkel bevoegdheid ten aanzien van het Nederlands bedrijf. Het bedrijf overzee stond onder leiding van een directeur buiten bezet gebied, in de persoon van A.A. Pauw, die verblijf hield in respectievelijk Londen, New York en weer Londen. In 1945 werd de zetel weer naar Amsterdam verplaatst en de eenheid van bestuur hersteld. De kern van het bancaire bedrijf was en is de bemiddeling tussen vraag en aanbod van kapitaal. Dit wordt enerzijds gerealiseerd door het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant en het uitzetten van die gelden via verstrekking van kredieten, anderzijds via het emissiebedrijf. Met name de periode na de Tweede Wereldoorlog kenmerkte zich echter door uitbreiding van de dienstverlening, zowel door introductie van nieuwe vormen van bestaande diensten [bijvoorbeeld kredietverlening op lange termijn en huurkoop] als door toelegging op voor de NHM geheel nieuwe nieuwe vormen van dienstverlening [vermogensbeheer; belastingzaken voor derden; assurantiebezorging]. Voor een deel werden deze nieuwe activiteiten ondergebracht in 'zelfstandige' vennootschappen, zoals de NV Assurantiebedrijf der NHM, de NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn en de NV Auto-Crediet. Het einde van het Indonesisch bedrijf der NHM kwam in zicht toen het cultuurbedrijf daar in mei 1959 werd genationaliseerd. Het bankbedrijf had nog even respijt, tot in juli 1960 aan de Factorij haar status van deviezenbank werd ontnomen. Op 21 november 1960 werd het bankbedrijf van de Factorij en alle onder haar ressorterende kantoren in Indonesië onder beheer gesteld. De uiteindelijke nationalisatie had plaats op 5 december 1960. De activa en passiva werden ingebracht in de Bank Koperasi, Tani dan Nelajan. Op de buitengewone aandeelhoudersvergadering van 23 juli 1964 werd besloten de naam Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV te wijzigen in Algemene Bank Nederland NV. De naamswijziging werd geëffectueerd op 3 oktober 1964. Op dezelfde dag vond de op 4 juni al aangekondigde opname plaats van het bedrijf van De Twentsche Bank NV in het bedrijf van de ABN. II Oprichting Ten tijde van de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 verkeerde de Nederlandse economie in een deplorabele toestand. Twee decennia van Franse overheersing, en met name het in 1806 ingevoerde Continentaal Stelsel, hadden het land verregaand verarmd en de voorheen zo belangrijke Noord-Nederlandse handel nagenoeg stilgelegd. Een substantieel deel van de nijverheid was naar het buitenland uitgeweken. In de Zuidelijke Nederlanden was weliswaar een begin van zware industrie ontstaan, maar deze had met groot kapitaalgebrek te kampen. Koning Willem I zocht dan ook naarstig naar middelen om handel en industrie er weer bovenop te helpen. Hij had daarbij te maken met een aantal obstakels, waaronder de frictie tussen Noord en Zuid ten aanzien van protectie, het kapitaalgebrek in het Zuiden en de vlucht van Noord-Nederlands [met name Amsterdams] kapitaal naar het buitenland. Vanaf het eerste jaar van zijn regering kwam de koning met een serie initiatieven, die hem de bijnaam koning-koopman zouden bezorgen. Het begon in 1814 met de oprichting van De Nederlandsche Bank. Om het zuiden van krediet te voorzien werd in 1822, deels uit 's konings eigen middelen, de Algemeene Maatschappij ter begunstiging der Volksvlijt te Brussel opgericht. Verder was er onder zijn regering ruime aandacht voor de infrastructuur: er werden wegen aangelegd en verbeterd, er werden kanalen gegraven [Noord-Hollands Kanaal, Willemsvaart] en er werd een begin gemaakt met de aanleg van een spoorwegnet. In dit rijtje van koninklijke initiatieven past ook de oprichting in 1824 van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV. De oorsprong van de idee tot oprichting van de NHM lag in de wens tot 'herovering' en herstel van de handel op Indië, die in het begin van de negentiende eeuw tot een marginale bezigheid was gereduceerd en door de buitenlandse [met name Engelse] concurrentie was overgenomen. Het eigenlijke plan tot oprichting van een grote maatschappij voor dit doel en de uitwerking daarvan kan op naam worden geschreven van H.W. Muntinghe, lid van de Raad voor Indië. Met steun van de koning wist hij de particuliere handelaars en reders op Indië die er nog waren te bewegen tot cumulatie van hun kapitaal. De koning gaf het initiatief een flinke steun in de rug door de maatschappij in spé c.q. de aspirant-aandeelhouders een rente-garantie van 41/2% in het vooruitzicht te stellen, ingaand met het jaar 1825-1826 en op voorwaarde dat een behoorlijke reserve gevormd zou worden. De NHM werd in het leven geroepen bij KB no. 163 van 29 maart 1824. IV Interne organisatie IV.1 De afdelingen op het hoofdkantoor Algemeen Nadat meteen na de oprichting in 1824 onder leiding van de secretaris de Afdeling Secretarie was gaan draaien, vingen per 1 januari 1825 ook vijf uitvoerende afdelingen hun werkzaamheden aan. Zij kregen eenvoudigweg een numerieke aanduiding [Eerste Afdeling etc.], die zij vrijwel tot het eind zouden behouden. Pas in 1953 kregen zij een functionele benaming. Hoewel met de vele veranderingen in omvang en in aard van de werkzaamheden een groeiend aantal afdelingen op specifieke deelterreinen zou worden gevormd [Boekhouding; Kas etc.], zouden de in oorsprong gevormde afdelingen gedurende de gehele geschiedenis van de NHM de basis van de organisatie blijven vormen. Gedurende de negentiende eeuw bleef de interne organisatie op het hoofdkantoor tamelijk stabiel. Er vonden weliswaar de nodige taakverschuivingen plaats tussen de bestaande afdelingen onderling, maar nieuwe afdelingen werden niet gevormd. De afdelingen waren in deze periode voornamelijk administratieve en controlerende eenheden. Men begeleidde, administreerde en controleerde handelstransacties die voor het merendeel in Indië en omliggende gebieden plaatsvonden. Dit veranderde met de overschakeling van de NHM van handelsbedrijf naar bankbedrijf, met name toen in navolging van het Indisch bedrijf ook het hoofdkantoor in Amsterdam zich volledig als algemene bank ging profileren. Een in volume en diversiteit toenemend aantal transacties [opname van gelden in deposito en rekening-courant, kredietverlening, emissieactiviteiten, valuta- en effectenarbitrage] vond nu direct op het hoofdkantoor plaats. Tot de eeuwwisseling wist men dit nog in de bestaande afdelingsstructuur in de passen, maar vanaf 1904 [vorming afzonderlijke Kasafdeling] nam het aantal nieuwe afdelingen snel toe. Belangrijk in deze was met name de vorming van een Afdeling Algemene Zaken in 1908, feitelijk een afsplitsing van de Secretarie, waarmee voor het secretariaat als geheel een min of meer moderne verdeling werd gecreëerd tussen huishoudelijke zaken [Secretarie] en stafzaken [Algemene Zaken]. Belangrijke jaren in de organisatie der afdelingen waren verder 1828 [opgave van de zaken in de West], 1934 [algehele interne reorganisatie in het kader van een bezuinigingsoperatie] en de periode rond 1960 [nationalisatie bedrijf in Indonesië]. Hieronder wordt van alle afdelingen een korte karakteristiek gegeven. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de toelichtingen bij de betreffende rubrieken. Secretarie [1824-1964] Aanvankelijk verantwoordelijk voor alle werkzaamheden die niet aan een van de uitvoerende afdelingen waren toegewezen, dus alle werkzaamheden buiten de feitelijke vervulling van de statutaire doelstellingen. In de loop van de twintigste eeuw verloor de Secretarie een aantal taken aan andere afdelingen. Het meest van belang in dit verband was de overname in 1908 van de 'staftaken' door de nieuwe Afdeling Algemene Zaken. In 1958 werden de Secretarie en de Afdeling Algemene Zaken weer samengevoegd. Afdeling Algemene Zaken/Directiesecretarie [1908-1958] Gevormd in 1908, hoofdzakelijk als afsplitsing van de Secretarie, waarvan zij de 'staftaken' overnam [juridische zaken; onderzoek; gegevensverzameling relaties; handelsvoorlichting etc.]. In 1934 werd de afdeling in het kader van een algehele reorganisatie omgezet in een Directiesecretarie. Afgezien van de naam en toevoeging van een aantal taken veranderde echter niet veel. In 1943 kreeg de afdeling haar oude naam weer terug. In 1958 werd zij weer samengevoegd met de Secretarie. Provinciale Centrale [1936-1964] Gevormd in 1936 naar aanleiding van de overname van de Geldersche Credietvereeniging, waarmee de NHM een uitgebreid binnenlands kantorennet in bezit kreeg. De afdeling kreeg tot taak het verkeer met en het toezicht op deze nieuw verworven provinciale agentschappen en correspondentschappen. De 'oude' agentschappen Rotterdam en 's-Gravenhage bleven buiten het toezicht van de Provinciale Centrale. Afdeling Boekhouding [ca 1914-1964] Het precieze jaar waarin de boekhouding in een afzonderlijke afdeling werd ondergebracht is niet bekend. Vermoedelijk was dit 1914, het jaar waarin werd overgeschakeld op de dagelijkse manier van boekhouden. Gedurende de negentiende eeuw was de boekhouding ondergebracht bij één der uitvoerende afdelingen, achtereenvolgens de Vierde [1824-1827], de Vijfde [1827-1828] en de Derde Afdeling [1828-ca 1914 ]. Vanaf 1949 was de boekhouding geplaatst onder een Afdeling Boekhouding, Belastingzaken en Organisatie. Per 1 juli 1954 werd het onderdeel organisatie afgesplitst en resteerde dus een Afdeling Boekhouding en Belastingzaken. Afdeling Controle [1918- ] Gevormd in 1918, in eerste instantie opgezet om de agentschappen te controleren. Al spoedig werd hieraan de interne controle op het hoofdkantoor alsmede het kredietonderzoek bij relaties toegevoegd. Per 6 juli 1934 werd het afdelingshoofd behalve ondergeschikt aan de directie ook lasthebber van de Raad van Commissarissen, en nam hij onder de titel van Chef van de Controledienst een afzonderlijke plaats in het bedrijf in. Om te voldoen aan de eisen van het Nederlands Instituut van Accountants werd per 1 januari 1948 naast de eigen controledienst gebruik gemaakt van het 'externe' Accountantskantoor Drs. C. Bakker [tevens chef van de interne controledienst!]. Kasafdeling [1904-1964] Gevormd in 1904 als afsplitsing van de Vierde Afdeling. Zij omvatte het kasbedrijf in de ruimste zin, inclusief het disconteren van wissels, het beheer over de korte beleggingen van de NHM en de in- en verkoop van schatkistpapier. De afdeling kende de groepen of sub-afdelingen Kas, Clearing, Giro, Disconto's, Deposito's en Fiat. Afdeling Effecten [1912-1964] Gevormd in 1912. De afdeling hield zich bezig met de administratieve voorbereiding en afwikkeling van emissies. Dit betekende werkzaamheden als de afgifte van prospectussen, de afhandeling van inschrijvingen en toewijzingen en de couponadministratie [knippen]. Verder verzorgde de afdeling de bewaring van onderpanden en de bewaargeving van effecten, safe-deposits etc. Eerste Afdeling/Afdeling Binnenland [1825-1964] Fungeerde tot en met 1827 als [voorloper van het] Kabinet van de President. Van 1828 tot het einde van de negentiende eeuw was zij de afdeling voor de Oost. Tussen 1880 en 1919 transformeerde zij geleidelijk van Indische Afdeling naar een afdeling die zich specifiek met [voornamelijk binnenlandse] bankzaken bezighield. Per 1 januari 1953 veranderde haar naam in Afdeling Binnenland. Tweede Afdeling/Afdeling Cultures [1825-1960] Was tot en met 1827 de afdeling voor de Oost, en van 1828 tot 1880 de afdeling voor de 'zaken op Europa, de Levant en de West'. Wegens de geringe omvang van deze werkzaamheden werd de afdeling in 1880 opgeheven. De Surinaamse zaken werden ondergebracht bij de Eerste Afdeling, voor de zaken op Amerika werd een nieuwe Afdeling Amerikaanse Zaken gevormd. Al vanaf 1882 werd deze nieuwe afdeling weer aangeduid als Tweede Afdeling. Vanaf 1915 werd de Tweede Afdeling in een aantal stappen de afdeling voor cultuurzaken. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Cultures. Per 1960 werd zij samengevoegd met de Afdeling Producten [voorheen Vierde Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten. Derde Afdeling/Afdeling Bankzaken met het Oosten [1825-1959] Was tot en met 1827 de afdeling voor de zaken op Europa, de Levant en de West. Vanaf 1828 was haar pakket drieledig; een portefeuille comptabiliteit, een portefeuille stimulering economie en een portefeuille beheer eigen aandelen. Vanwege de sterke inkrimping van haar werkzaamheden werd zij per 1934 gecombineerd met de voormalige Tweede Afdeling Wissel- en Bankzaken tot een nieuwe Derde Afdeling, voornamelijk gericht op wissel- en bankzaken met het Oosten. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Bankzaken met het Oosten. In het kader van het streven naar een meer functionele indeling van de werkzaamheden op het hoofdkantoor werd in november 1959 besloten de afdeling op te heffen. Haar werkzaamheden werden verdeeld over de bestaande afdelingen Binnenland [Eerste Afdeling] en Buitenland [Vijfde Afdeling] en een nieuw gevormde Afdeling Documenten. Vierde Afdeling/Afdeling Producten [1825-1960] Had tot en met 1827 een blok comptabiliteit en een blok producten. In 1827 werd de comptabiliteitsportefeuille afgestoten naar de Vijfde Afdeling. In 1831 nam zij de behandeling der zaken van het voormalige agentschap Amsterdam over. De Vierde Afdeling was in feite gedurende haar hele bestaan in hoofdzaak de afdeling voor alle zaken aangaande het transport, de opslag, het beheer en de verkoop van producten. Per 1 januari 1953 werd haar naam dan ook gewijzigd in Afdeling Producten. Per 1960 werd zij samengevoegd met de Afdeling Cultures [voorheen Tweede Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten. Vijfde Afdeling/Afdeling Buitenland [1825-1827, 1924-1964] Was tot en met 1827 de afdeling voor comptabiliteit, stimulering van de Nederlandse economie en het beheer van de eigen aandelen. Opgeheven per 1828; haar taken werden overgenomen door de Derde Afdeling. In 1924 werd een nieuwe Vijfde Afdeling gevormd, voornamelijk gericht op het buitenlands betalingsverkeer. Per 1 januari 1953 werd haar naam gewijzigd in Afdeling Buitenland. Afdeling Centrale Buitenkantoren [Zesde Afdeling, 1953-1964] Gevormd per 1 januari 1953 als afsplitsing van de Derde Afdeling. De afdeling zou oorspronkelijk de naam Zesde Afdeling krijgen, maar in het kader van een per 1 januari 1953 doorgevoerde algehele naamswijziging van de afdelingen op het hoofdkantoor werd hiervan afgezien. De oprichting was een direct gevolg van een besluit uit september 1952 om de supervisie over de buitenkantoren, dat wil zeggen de overzeese kantoren minus die in Indonesië, aan de Factorij te ontnemen en naar Amsterdam over te brengen. Dit uit angst voor hinderlijke interventies van de Indonesische regering. De nieuwe afdeling voerde enkel de zakelijke en administratieve supervisie over de genoemde kantoren. Zij dreef dus geen bankzaken. Zij kende als onderafdelingen het Bureau Nieuw-Guinea, het Bureau Antwerpen en het Bureau Suriname en Antillen. Afdeling Documenten [1959-1964] Gevormd in 1959 na opheffing van de Derde Afdeling, waarvan zij een deel van de taken overnam. Deze lagen op het terrein van de verzorging van contacten van cliënten met het buitenland op grond van kredietopeningen en documentaire incassi. Afdeling Cultures en Producten [1960-1964] Gevormd per 1 januari 1960 door samenvoeging van de voormalige afdelingen Cultures [Tweede Afdeling] en Producten [Vierde Afdeling]. Afdeling Gouvernements-Goederen [1853-ca 1904] Tot en met 1852 fungerend als sub-afdeling van de Derde Afdeling, als zodanig vermoedelijk ontstaan rond 1830, toen de overeenkomsten met de staat een meer gestructureerd karakter kregen. In 1853 omgezet in een zelfstandige afdeling. De correspondentie van de afdeling bleef echter samengevoegd met die van de Derde Afdeling. Kort na 1904 werd de afdeling ingelijfd bij de Vierde Afdeling. De Afdeling Gouvernements-Goederen behandelde alle leveranties voor de Indische staatshuishouding, van de ontvangst tot verzending der goederen en de betaling ervan door het Departement van Koloniën. Afdeling voor Amerikaanse Zaken [1880-ca 1882] Gevormd in 1880, samenhangend met zowel de oprichting van een agentschap te New York in 1879 als de opheffing van de Tweede Afdeling in 1880, welke laatste tot dan de Amerikaanse zaken beheerde. Het agentschap New York werd al in 1881 weer opgeheven. Dit bezegelde waarschijnlijk ook het lot [in ieder geval in naam] van de afdeling. Al in 1882 is de naam Tweede Afdeling weer in zwang. Directiebesluiten ten aanzien van dit laatste zijn niet bekend. IV.2 De agentschappen Algemeen Vanaf haar oprichting bezat de directie van de NHM statutair de bevoegdheid om in alle belangrijke handelsplaatsen in binnen- en buitenland agenten te benoemen c.q. agentschappen te vestigen. Aanvankelijk werd hierbij wat de terminologie betreft nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen daadwerkelijke eigen vestiging enerzijds en vertegenwoordiging door in de betreffende plaatsen reeds gevestigde handelshuizen anderzijds. In beide gevallen sprak men van agenten. Pas de Artikelen van 1827 introduceren voor de laatste categorie de term correspondenten. De termen werden overigens ook na dat jaar nogal eens door elkaar gebruikt. De Artikelen van 1847 introduceren de term vaste agenten voor de agenten die geen andere posten, ambten of bedieningen met financiële tegenprestatie mochten bekleden, noch handel mochten drijven en deel mochten hebben in rederijen en fabrieken. De vaste agent is in 1874 weer verdwenen. Men spreekt voortaan enkel van agent; de term slaat dan louter op 'directeuren' van een eigen vestiging, volledig en exclusief in dienst van de NHM. Slechts in een beperkt aantal plaatsen stelden de statuten vestiging van een agentschap verplicht. In de periode 1824-1831 was dit het geval voor Antwerpen, Amsterdam en Rotterdam in het moederland, Batavia [Factorij] in Indië en Kanton in China. Vanaf 1831, dus na de afscheiding van België en de verhuizing van het hoofdkantoor naar Amsterdam, gold deze verplichting enkel Rotterdam en Batavia. De verplichting ten aanzien van Rotterdam verdween in 1934 uit de statuten. De statutaire verplichting om de Factorij te handhaven bleef bestaan tot de nationalisatie van het Indisch bedrijf in 1960 deze bepaling overbodig maakte. Alle agenten en correspondenten werden door de directie benoemd en zonodig door haar uit de dienst der NHM ontslagen. Zij werkten onder reglementen en instructies die tot 1850 werden vastgesteld door de Raad, daarna door de directie, gehoord de commisarissen. De agenten dienden Nederlanders te zijn, en in het bezit te zijn van een door de directie per geval te bepalen aantal aandelen. De agenten waren ten principale verantwoording verschuldigd aan de directie en correspondeerden rechtstreeks met de directie. De agenten mochten in principe enkel zaken van de NHM behartigen. De vestiging van een [vast] agentschap betekende doorgaans, maar niet zonder meer, ook vestiging in de zin van inrichting van een bedrijfspand. Deze panden waren in de negentiende eeuw weinig meer dan pakhuizen waar de voor im- en export bestemde goederen werden opgeslagen, aangevuld met enige ruimte voor de noodzakelijke administratie. Pas na de transformatie van de NHM van handelsonderneming in bankbedrijf was sprake van echte kantoorgebouwen. Binnenlandse agentschappen Geheel in de lijn der doelstelling van de maatschappij om in het moederland zoveel mogelijk plaatsen en regio's tot ontwikkeling te brengen werden een flink aantal agentschappen opgericht. Naast de statutair voorgeschreven agentschappen in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen waren dat Ath, Brugge, Brussel, Charleroi, Doornik, Gent, Kortrijk, Leuven, Luik, Luxemburg, Namen, Oostende, St. Niklaas en Verviers in het zuiden en Brouwershaven, Den Helder, Dordrecht, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Hellevoetsluis, Leeuwarden, Middelburg, Nijverdal, Schiedam, Vlissingen en Zierikzee in het noorden. De agentschappen in het zuiden werden na de afscheiding van Belgie in 1831 geliquideerd. De agentschappen in het noorden hebben nooit aan hun doelstelling beantwoord. Geen van de genoemde plaatsen, met uitzondering van Nijverdal, is door specifieke NHM-activiteiten tot ontwikkeling gekomen. In de na 1831 statutair bevoorrechte steden Middelburg, Dordrecht en Schiedam werden gouvernements-producten aangevoerd en opgeslagen omdat dit nu eenmaal was voorschreven, maar enige spin-off kwam hieruit niet voort, ook al omdat alle veilingen te Rotterdam en Amsterdam plaatsvonden. Toen eind negentiende eeuw de handelsactiviteiten werden gestaakt, kwam aan het bestaan van deze agentschappen al snel een einde. De directie hield ze nog enige tijd in stand omdat men er de regering een plezier mee dacht te doen. Dit bleek uiteindelijk niet meer het geval en na een statutenwijziging werd in 1909 besloten de laatst overgebleven agentschappen, Middelburg en Dordrecht, op te heffen. In 1910 werd dit besluit geëffectueerd. In Schiedam was na het overlijden van de agent in 1904 al geen opvolger meer benoemd. Pas in de Eerste Wereldoorlog, nadat de NHM volledig tot bankbedrijf was getransformeerd, kreeg zij voorzichtig weer belangstelling voor vestiging in de provincie. Dit had te maken met de snelle ontwikkeling van nieuwe activiteiten als het emissiebedrijf, waarvoor een kantorennet onmisbaar was, maar ook met een algemene concentratiegolf in het bankwezen, waarbij de grootbanken, bang om achter het net te vissen, een veelheid van regionale en lokale bancaire instellingen incorporeerden. De NHM deed het hierbij voorzichtig aan en hield het voorlopig bij een in 1916 gesloten overeenkomst van vriendschappelijke samenwerking met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waardoor zij van de diensten van het net van circa twintig kantoren kon beschikken dat de GCV in met name de oostelijke en zuidelijke provincies had. In 1936 werd het gehele bedrijf van de GCV in dat van de NHM geïncorporeerd. Na 1936 zou via andere overnames en eigen oprichtingen ['van de koude grond'] het binnenlands kantorennet nog fors worden uitgebreid. De 'oude' agentschappen te Rotterdam en 's-Gravenhage [opgericht 1910] hadden een status die afweek van de in 1936 verworven agentschappen. Zij legden rechtstreeks verantwoording af aan de directie en stonden in rechtstreeks contact met de diverse afdelingen van het hoofdkantoor en met de vestigingen overzee. Voor de nieuwe agentschappen, die de term provinciale agentschappen meekregen, was een in 1936 nieuw gevormde afdeling op het hoofdkantoor, de Provinciale Centrale, het aanspreekpunt. Naast, of feitelijk onder, de provinciale agentschappen kende de NHM na 1936 de zogeheten correspondentschappen, kleinere kantoren ressorterend onder een agentschap en veelal geen eigen administratie voerend. In 1962 werd de naam hiervan gewijzigd in bijkantoren. In de gevallen dat een kleiner kantoor in dezelfde stad gevestigd was als het agentschap waaronder het ressorteerde [dus met name in een aantal grote steden] sprak men vanouds van stadsbijkantoren. Verder waren er in een aantal kleine plaatsen zitdagen en waren er in Amsterdam en Rotterdam rijdende bijkantoren. (De terminologie van de NHM week af van andere banken als de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank, bij welke een lokale vestiging werd aangeduid als bijkantoor en een agentschap betrekking had op het verrichten door een zelfstandige lokale maatschappij van zekere diensten namens de genoemde banken.) Buitenlandse agentschappen Geheel getrouw aan de ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM gedurende de eerste jaren van haar bestaan werldwijd activiteiten. Dit leidde tot een reeks van vestigingen en correspondentschappen in onder meer Latijns-Amerika en de Levant. Een combinatie van onvoldoende mogelijkheden, oorlog en onveiligheid maakte aan deze activiteiten al snel een eind. Rond 1828 waren vrijwel al deze vestigingen en contacten weer verloren gegaan. Vanaf 1830 tot de Tweede Wereldoorlog was het overzeese bedrijf van de NHM hoofdzakelijk gericht op Nederlands-Indië en de omringende gebieden in Oost-Azië. Buiten dit gebied was men alleen actief in Suriname en tijdelijk in Noord-Amerika [New-York]. In Nederlands-Indië werden in de loop van de negentiende eeuw een groot aantal agentschappen gevestigd. De inkrimping en gedeeltelijke stopzetting van de handel als gevolg van de overschakeling op het bankbedrijf in 1882 zorgde voor een tijdelijke reductie, maar het succes van dit bankbedrijf zorgde er ook voor dat het aantal vestigingen weer snel toenam. De nationalisatie van het bankbedrijf in 1960 betekende het einde van alle vestigingen in Indonesië. Buiten Nederlands-Indië was het aantal agentschappen tot de overschakeling op het bankbedrijf beperkt tot Singapore [opgericht 1858] en een aantal tijdelijke vestigingen in Japan [1859-1880]. Omdat financiering van de handel van Nederlands-Indië een zeer belangrijk onderdeel van het nieuwe bankbedrijf was, en dit handelsverkeer in toenemende mate internationaal was georiënteerd, vestigde de NHM kantoren in de belangrijkste handelscentra in Brits-Indië, de Straits Settlements, China en Japan. De agentschappen buiten Nederlands-Indië werden aangeduid met de term buitenkantoren. Hoewel alle buitenkantoren waren gericht op het bankbedrijf, konden hun bezigheden, al naar gelang de omstandigheden, op onderdelen nogal uiteenlopen. Zo was het in 1921 opgerichte agentschap Bombay sterk gericht op de goud- en zilverhandel, het in 1903 geopende agentschap Shanghai op arbitragezaken en het in 1920 gestichte agentschap Kobe met name op de financiering van de Japanse export naar Nederlands-Indië. Omdat rond 1950 vanwege de politieke situatie de perspectieven in Indonesië en andere Aziatische gebieden moeilijk waren te beoordelen, ging de NHM op zoek naar steunpunten elders in de wereld. Men ging hierbij tamelijk voorzichtig te werk. Gebieden waar overbanking dreigde of waar men de kans liep om bevriende relatiebanken in de wielen te rijden werden zorgvuldig gemeden. Dit gold bijvoorbeeld voor Europa, Australië, Zuid-Afrika en met name ook de Verenigde Staten, waar enkel de vestiging te New York zeer behoedzaam tot ontwikkeling werd gebracht. Men richtte zich daarom bij voorkeur op gebieden als Oost-Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika. In Afrika werd een zestal vestigingen geopend in Tanzania, Kenia en Oeganda. In het Midden-Oosten vestigde de NHM zich in Saoedi-Arabië, Libanon en Iran. In Latijns-Amerika werd vooral gewerkt via belangen in bestaande bancaire instellingen. Geaffilieerde en gelieerde ondernemingen Behalve over de eigen kantoren kon de NHM nog beschikken over de diensten van een aantal instellingen waarin zij een groot belang had. Het betrof hier dus vaste deelnemingen. Het ging weliswaar om juridisch zelfstandige vennootschappen, die hun zaken dreven onder eigen naam, maar in hun functioneren mogen ze tot de NHM-agentschappen worden gerekend. Zij worden onderscheiden in geaffilieerde bedrijven, met een volledige of meerderheid van zeggenschap voor de NHM, en gelieerde bedrijven, waarin de NHM wel een belang, maar geen meerderheid had. Geaffilieerde ondernemingen Nederland NV Assurantiebedrijf der N.H.M. [zie toelichting rubriek 35] NV Auto-Crediet [zie toelichting rubriek 37] NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn; opgericht in 1956, om te voldoen aan de toenemende behoefte aan kredieten met middellange looptijden, in het bijzonder ter financiering van de export van kapitaalgoederen. Buitenland Société Hollandaise de Banque et de Gestion te Tanger; 100% NHM, opgericht door de NHM in 1948 omdat in Tanger niet de na-oorlogse deviezenrestricties golden. Het belang van de vestiging verminderde na de inlijving van Tanger bij Marokko in 1959. ( Tanger werd via het Verdrag van Algeciras van 1906 tot internationaal gebied verklaard, een status die in 1923 werd bekrachtigd. Na van 1940-1945 door Spanje bezet te zijn geweest, kwam de stad in 1945 weer onder internationaal bestuur. In 1959 kwam zij onder de Marokkaanse souvereiniteit. In 1962 werd zij vrijhaven, en in 1965 kreeg zij bijzondere economische faciliteiten.) Surinaamsche Bank te Paramaribo [zie toelichting rubriek 43] Edwards, Henriquez & Co's Bank NV te Curaçao; de NHM nam in 1952 een belang van 50% ofwel fl. 1.000.000,- in Antilliaanse guldens in deze vennootschap, waarin de bankzaken van de in 1856 opgerichte bankiersfirma Edwards, Henriquez & Co, inclusief haar meerderheidsbelang in de Aruba Commercial Bank te Willemstad, waren ondergebracht. De reden voor deze deelneming was met name de ligging van Curaçao nabij de olieproducent Venezuela, waar Shell een zeer grote raffinaderij exploiteerde, alsmede de exploitatie door de Amerikaanse groep Lago van een raffinaderij op Aruba. B.W. Blydenstein & Co te Londen; de NHM beschikte in Londen vanaf 1945 over een representative office. Een volwaardig agentschap werd gewenst geacht, maar bleek moeilijk realiseerbaar wat betreft het vinden van ruimte en personeel. Bovendien was men bang de relatie met Engelse banken te verstoren. Daarom werd in 1952 gekozen voor een participatie van 50% in B.W. Blijdenstein & Co, de affiliatie van De Twentsche Bank te Londen. De samenwerking ging in per 1 april 1953. In dit kader richtte de NHM de Netherlands Trading Society London Ltd op, die als non-personal partner van Blijdenstein zou optreden. De Twentsche Bank had op dezelfde voet De Twentsche Bank London Ltd. Mercantile Bank of Iran and Holland te Teheran; de voorbereidingen voor de oprichting van een bank in Iran begonnen in juli 1958, in samenwerking met de heren Vahabzadeh en anderen. De NHM nam aanvankelijk deel voor 25%. De opening van het kantoor van de MBIH had plaats op 5 april 1959. Het belang van de NHM ging nu omhoog naar 49% [de Perzische wet stond grotere buitenlandse deelname niet toe]. Ondanks haar minderheidsbelang had de NHM wel de leiding in deze onderneming. NV Internationale Handels- en Diamantbank te Antwerpen; vrijwel 100% NHM, na de oprichting in 1960 begon de bank haar werkzaamheden op 1 december van dat jaar. Zij was specifiek gericht op de relaties in de Antwerpse diamantindustrie en -handel. Vanwege de beperkte doelstelling opereerde de bank niet als agentschap, maar als afzonderlijke NV met beperkte vergunning. De NHM had ook niet de bedoeling om de zaken in België een uitgebreid karakter te geven. Gelieerde ondernemingen Banco de Montevideo te Montevideo; de NHM nam eind 1950 een belang in deze bank, die praktisch geheel toebehoorde aan de drie Zuid-Amerikaanse concerns Bemberg, Bunge & Born en Bracht. De NHM kreeg vertegenwoordigers in het bestuur, en kon jonge employé's bij de Banco ervaring laten opdoen. Banco Tornquist SA te Buenos Aires; opgericht met 50% deelname der NHM, ter voortzetting van de zaken van het bankiershuis Ernesto Tornquist & Co Ltd. De opening van het kantoor vond plaats op 14 november 1960. V Fusies, overnames, deelnemingen en commissariaten De termen fusie, overname en deelneming zijn termen die in het dagelijks gebruik niet altijd in dezelfde betekenis worden gehanteerd. In onderstaande worden zij in het kort nader omschreven, om in elk geval te verduidelijken hoe ze in deze inventaris zijn gebruikt. V.1 Fusies De term in fusie is in principe een overkoepelende term voor al die processen, waarbij twee eenheden worden samengevoegd. In die zin is dus in alle gevallen waarbij twee ondernemingen samengaan sprake van een fusie. In deze inventaris is, ter verduidelijking van het karakter van bepaalde transacties, de term wat beperkter gehanteerd voor het samengaan van twee gelijkwaardige grootheden. In deze zin wordt daarom het proces van samengaan in 1964 tussen ABN en De Twentsche Bank, in de media veelal omschreven als fusie, in deze inventaris beschouwd als een overname door de ABN van De Twentsche Bank. V.2 Overnames De NHM heeft in de loop van haar geschiedenis een groot aantal ondernemingen overgenomen. Kern van een overname is de overgang van de zeggenschap over een onderneming via een aandelentransactie, waarbij een meerderheid van de aandelen in handen van de overnemende partij komt. Zo'n aandelentransactie kan diverse vormen aannemen. De overnemende partij kan eenvoudigweg een meerderheid van de aandelen [indien aanwezig: de preferente -] opkopen en zo een meerderheidsbelang verwerven. Een andere mogelijkheid is de aandeelhouders van de over te nemen onderneming het aanbod te doen hun aandelen in te ruilen tegen 'eigen' aandelen. De NHM heeft beide methoden wel gehanteerd. Na een overname konden verschillende wegen worden bewandeld. Enerzijds kon het bedrijf van de overgenomen vennootschap volledig in het eigen bedrijf worden geïncorporeerd. De NHM deed dit onder meer in 1936 met het bedrijf van de Geldersche Credietvereeniging, waarvan de kantoren werden omgezet in NHM-agentschappen. De vennootschap Geldersche Credietvereeniging werd dus vrijwel volledig uitgekleed, maar werd niet ontbonden. Zij ging met een klein maatschappelijk kapitaal verder als 'huizenmaatschappij' van de NHM. In 1964 was sprake van eenzelfde proces, toen het bedrijf De Twentsche Bank in dat van de ABN werd opgenomen. Anderzijds kon men een overgenomen vennootschap als zodanig onder eigen naam laten doorfunctioneren, waarbij de NHM dan veelal [vrijwel] enig aandeelhouder was. De redenen hiervoor konden divers zijn, maar meestal speelden gevoeligheden bij de 'oude' clientèle een belangrijke rol. Voorbeelden van overnames in deze vorm zijn die van De Surinaamsche Bank in 1949 en van het commissionairshuis De Wed. Tjeenk & Co in 1948. Bleef een overgenomen instelling als juridisch zelfstandige onderneming doorfunctioneren, dan ging zij in feite behoren tot de groep van vaste of structurele deelnemingen van de NHM. Wanneer de overgenomen instelling onder eigen naam namens de NHM diensten verrichtte, dus in feite als NHM-agentschap fungeerde, behoorde zij tot de affiliaties. V.3 Deelnemingen Ook de term deelneming is een overkoepelende term, waarvan de betekenis niet altijd dezelfde is. Een deelneming kan globaal worden omschreven als het aangaan van een relatie met een andere onderneming door het aanhouden van effecten van die betreffende onderneming. De deelnemingen van de NHM zijn naar doelstelling te verdelen in drie categorieën. Ten eerste zijn er de [met name negentiende-eeuwse] deelnemingen in het kader van de financiering van bepaalde economische sectoren. Ten tweede zijn er de vaste deelnemingen met een langdurig karakter, expliciet gericht op uitbreiding van het eigen werkterrein en de invloed van de eigen onderneming. Ten derde zijn er de veelal zeer tijdelijke deelnemingen, gerelateerd aan het emissiebedrijf [zie hiervoor hoofdstuk VI.4 van deze inleiding]. De NHM heeft vanaf het begin langdurige belangen gehad in diverse andere ondernemingen. Dit was een min of meer logisch gevolg van haar doelstellingen, die onder meer bepaalden dat zij de nationale handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij en nijverheid moest bevorderen. Zij deed dit onder meer door deelname in het kapitaal van ondernemingen, met name door het rechtstreeks overnemen van aandelen. In veel gevallen gebeurde dit al bij de oprichting van de betreffende ondernemingen, en was de NHM mede-oprichtster. Deze vroege deelnemingen hadden dus vooral een bedrijfsondersteunende functie waarbij de NHM louter de rol van financieringsmaatschappij vervulde, zonder dat het streven naar winstgevende belegging op de voorgrond stond. Een voorbeeld hiervan is de steun van de NHM aan de Twentsche katoenindustrie. Ook veel deelnemingen in bijvoorbeeld transport- en overslagbedrijven en cultuurmaatschappijen hadden in oorsprong het karakter van bedrijfsondersteuning. De deelnemingen van de NHM waren volgens statutaire voorschriften tot 1884 gericht op sectoren die raakvlakken hadden met haar eigen werkterrein. Toen de NHM vanaf 1874 transformeerde van 'nationale' onderneming naar louter particulier bedrijf verdween geleidelijk de ideële grondslag onder de deelnemingen. De deelnemingen behielden in hun praktische uitwerking natuurlijk hun karakter van financiering, maar voor de NHM dienden ze nu in de eerste plaats tot versterking en uitbreiding van het eigen bedrijf. Vaste deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De NHM kon eenvoudigweg een belang nemen door een percentage van de aandelen op te kopen, meteen bij de oprichting van een onderneming of ook later. Zij konden ook voortkomen uit oprichting door de NHM zelf van nieuwe ondernemingen, waarbij de NHM veelal enig aandeelhoudster was. Dit was met name het geval na de Tweede Wereldoorlog, toen de NHM bepaalde [meest nieuwe] bedrijfsactiviteiten onderbracht in juridisch zelfstandige vennootschappen. Tenslotte zette de NHM diverse [met name cultuur-]ondernemingen voort die haar via faillissement waren toegevallen. Bleef het NHM-belang onder de 50%, dan was sprake van een minderheidsbelang. Was na aankoop het NHM-belang 50% of meer dan onstond een meerderheidsbelang ten gunste van de NHM. In feite had de NHM dan de zeggenschap over de betreffende onderneming en was er sprake van een overname. Er ontstond in dat geval een zogeheten moeder-dochter relatie. In het geval de NHM alle aandelen in een onderneming bezat, was sprake van een volledige of 100% deelneming. V.4 Commissariaten Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post[en] in de Raad van Commissarissen bij de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus NHM-gebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een NHM-functionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. In ieder geval vanaf 1927 speelde de Raad van Commissarissen van de NHM bij deze besluiten ook een rol. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers opgenomen in de rubriek overnames en deelnemingen [2.2]. VI Werkterrein Ondanks het feit dat zij zich gedurende haar hele geschiedenis handel-maatschappij is blijven noemen, heeft de NHM zich met zeer uiteenlopende activiteiten beziggehouden. Zij begon inderdaad als handelsonderneming, maar al bij haar oprichting was zij tevens voorbestemd om te dienen als financier van de te ontwikkelen nationale scheepvaart en industrie. Vanaf het begin hield zij zich tevens bezig met het cultuurbedrijf, en tot het einde was zij daarom ook, vaak tegen wil en dank, cultuuronderneming. En vanaf 1874 begon de ontwikkeling van de NHM naar volwaardig bankbedrijf. Radicale scheidslijnen zijn in deze ontwikkeling van het bedrijf niet te trekken. Hooguit kan gezegd worden dat de NHM in de periode 1824-1874 in hoofdzaak handelsonderneming was, dat in de periode 1875-1903 een geleidelijke omschakeling plaatsvond naar het bankbedrijf en dat de NHM in de twintigste eeuw in hoofdzaak een bancaire instelling was. Maar in de eerste fase trad de NHM ook op als financier, en de handelsactiviteiten werden ook gedurende de twintigste eeuw voortgezet, zij het op kleine schaal. Het cultuurbedrijf der NHM beleefde haar hoogtijperiode tussen circa 1860 en 1934, maar ook dit bedrijf werd daarna in afgeslankte vorm tot 1964 voortgezet. In onderstaande zullen de diverse werkterreinen nader worden beschreven. Voor vervolg zie de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
Introductie De geallieerde landen in de strijd tegen nazi-Duitsland beschouwden de opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) als één der belangrijkste oorlogsdoelen. Deze dienden vastberaden ter hand te worden genomen. Leergeld hadden de geallieerden betaald met de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers na de Eerste Wereldoorlog, die bijna geen enkele veroordeling had opgeleverd. Al in 1941 pleegden verschillende geallieerde landen overleg over de te voeren strategie bij de opsporing en gerechtelijke vervolging van oorlogsmisdadigers. Er kwamen vele overeenkomsten tot stand, waaraan ook Nederland zich conformeerde door de instelling van verschillende commissies die het verzamelen van bewijsmateriaal en de daadwerkelijke opsporing ter hand moesten nemen. Op 1 maart 1944 werd in Londen een Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven opgericht. De opsporing kwam pas goed van de grond na de bevrijding van geheel Nederland. Op 29 mei 1945 werd het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven ingesteld. In Duitsland zelf werd eveneens een commissie gestationeerd, de Nederlandse Missie Tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven oftewel de Netherlands War Crimes Commission. In 1949 werden de opsporingswerkzaamheden officieel beëindigd. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd na een maatschappelijke discussie opnieuw een bureau opgericht dat moest trachten niet opgespoorde oorlogsmisdadigers alsnog te traceren. In deze inleiding zal globaal op de verschillende aspecten van de opsporing van oorlogsmisdrijven worden ingegaan. Voor nadere studie van deze materie zij verwezen naar de opgenomen literatuur en archiefbronnen. Alleen van de commissies, wier namen op het titelblad staan vermeld, zijn de archieven in deze inventaris beschreven. (Opgemerkt zij dat een aantal ontwikkelingen ten aanzien van de opsporing van oorlogsmisdrijven anders kunnen blijken te zijn geweest als hier geschetst, zodra het historisch onderzoek, dat de auteur van deze inleiding daarnaar doet, is afgerond.) Internationale aspecten De les van de Eerste Wereldoorlog Bij de overwegingen die leidden tot het maken van stringente afspraken inzake de opsporing en vervolging van oorlogsmisdadigers na de Tweede Wereldoorlog, speelden de opgedane ervaringen van na de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol. Op 25 januari 1919 werd een geallieerde commissie ('Commission on the Responsibility of the Authors of the War on Enforcement of Penalties') van vijftien personen samengesteld die onderzoek moest doen naar schendingen van het internationale recht door Duitsland en zijn bondgenoten. Aanvankelijk werd voorgesteld zeer ernstige delicten door een Internationaal Tribunaal te laten berechten. Op grond van de artikelen 227 tot en met 230, opgenomen in het Verdrag van Versailles, zegden de Duitse autoriteiten hun medewerking toe bij de opsporing, arrestatie en uitlevering aan de geallieerden van nader aan te wijzen Duitse oorlogsmisdadigers. Naast een Internationaal Tribunaal zouden militaire gerechten worden belast met de berechting van oorlogsmisdadigers. Nederland werd in 1920 gevraagd de Duitse ex-keizer Wilhelm II uit te leveren, maar het land weigerde dat. De Duitse regering zelf wilde geen onderdanen uitleveren uit beduchtheid voor binnenlandse politieke en economische onrust, en daarom bood het aan de vervolging en berechting zelf ter hand te nemen van personen, die door de geallieerden van oorlogsmisdrijven werden beschuldigd. Op 3 februari 1920 werden lijsten gepresenteerd met de namen van de belangrijkste oorlogsmisdadigers. Die lijsten bevatten zo'n negenhonderd namen. Daar voor de Weimar-regering uitlevering van Duitse onderdanen onbespreekbaar bleef gingen de geallieerden er inderdaad mee akkoord dat de berechting van oorlogsmisdadigers niet door een Internationaal Tribunaal maar door Duitse rechters voor het Gerecht in Leipzig zou plaatsvinden. Voor de juridische procedure zouden de Duitse wetten worden gevolgd en niet de instructies van de geallieerde mogendheden. Op 7 mei 1920 werd door de geallieerden een sterk verkorte lijst met de namen van 45 verdachten aan de Duitse regering gezonden, die evenwel verschillende voorwaarden aan de berechting verbond. De rechtszitting in Leipzig begon op 23 mei 1921 en duurde tot 16 juli 1921. De procesgang verliep zeer moeizaam: er waren problemen met het bijeenbrengen van voldoende bewijsmateriaal, vele verdachten waren onvindbaar en verschillende getuigen weigerden naar Leipzig te komen of waren daartoe niet in staat. Van de zeven verdachten, door Engeland op de lijst van 45 geplaatst, waren er drie onvindbaar. Het resultaat van de Leipziger processen was dat van de lijst van 45 verdachten er slechts twaalf terechtstonden, van wie er zes veroordeeld werden. De zwaarste straffen waren voor twee onderzeebootofficieren, die ieder tot vier jaar gevangenisstraf werden veroordeeld; zij wisten echter kort daarna te ontvluchten. In januari 1922 adviseerde de commissie de processen maar stop te zetten. Ook hernieuwde pogingen om tot uitlevering van Duitse verdachten te komen, mislukten telkens weer. Toch behandelde het Hof in Leipzig, nu zonder waarnemers, een tweede groep van 93 beklaagden. Zes ervan werden veroordeeld tot lage straffen en 87 werden vrijgesproken. Voorts werden 692 zaken vluchtig behandeld, waarbij van verdere berechting werd afgezien. Wel werd door deze juridische exercities het principe van de individuele aansprakelijkheid vastgelegd en werden ook 32 verschillende oorlogsmisdrijven nauwkeurig gedefinieerd, op basis waarvan latere rechterlijke instanties makkelijker tot formuleringen kwamen van begane misdrijven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al met al werd de rechtspleging door Duitsers van Duitsers na de Eerste Wereldoorlog een bijna tragi-komische gebeurtenis, wat evenwel mede was veroorzaakt door de slechte voorbereiding aan de kant van de geallieerden. Londen: St.-James's Verklaring Dat moest een volgende keer anders. En die volgende keer kwam sneller dan gedacht. Toen de Tweede Wereldoorlog met de inval in Polen op 1 september 1939 een aanvang nam werd al spoedig duidelijk dat individuele Duitsers en Duitsers als collectief zich aan wreedheden van verschillende aard te buiten gingen. Op 25 oktober 1941 legden de Amerikaanse en Britse regeringsleiders, Franklin D. Roosevelt en Winston Churchill, tegelijkertijd verklaringen af waarin zij reeds gewag maakten van nazi-misdaden, zoals de fusillades van onschuldige gijzelaars. Churchill hekelde de 'atrocities' in onder meer Nederland en 'the butcheries in France' en noemde die laatste 'an example of what Hitler's Nazis are doing in many other countries under their yoke'. Hij betoogde voorts dat vergelding van deze misdaden een van de oorlogsdoeleinden zou zijn ('Retributions for these crimes must be henceforward take its place among the major purposes of the war'). Roosevelt liet zich in dat stadium wat terughoudender uit omdat de Verenigde Staten nog niet bij de oorlog betrokken waren. In nota's van 27 november 1941 en 6 januari 1942 sprak minister van Buitenlandse Zaken Vyacheslav Molotov namens de Sovjet-Unie eveneens van nauwkeurige optekening van begane misdaden zoals mishandeling van Russische krijgsgevangenen, massamoorden, plunderingen, en ook hij refereerde aan 'wraak' die genomen zou gaan worden. Op initiatief van de Tsjechische en Poolse regeringen vonden in het najaar van 1941 besprekingen te Londen plaats tussen vertegenwoordigers van de regeringen van negen door Duitsland bezette landen. Dat resulteerde in een vervolgbijeenkomst op 13 januari 1942 in het St. James's Palace te Londen van die negen landen, waaronder Nederland, die in een verklaring vastlegden dat zij kennis hadden genomen van de verklaringen van Churchill en Roosevelt en daarmee geheel instemden. Zij onderstreepten hiermee hun voornemen de leiders van het Duitse rijk en degenen, die zich aan oorlogsmisdaden hadden schuldig gemaakt, langs gerechtelijke weg te willen vervolgen en bestraffen en zegden elkaar 'wederzijdsche steun en hulp' toe bij de opsporing en berechting. Dit voornemen werd vastgelegd in de zogenaamde 'Interallied Declaration on Punishment for War Crimes', waarbij veelvuldig werd verwezen naar het Haags Vredesverdrag en het Landoorlogreglement van 1907. De Nederlandse regering werd tijdens de bijeenkomst in St. James's Palace vertegenwoordigd door de Nederlandse gezant in Londen, E.F.M.J. Michiels van Verduynen. Op 27 april 1942 verscheen nog een derde nota van de hand van Molotov met dezelfde intentie als verwoord in zijn vorige verklaringen. In een gemeenschappelijke geallieerde nota van 21 juli 1942 werden opnieuw de wandaden van de Duitsers op een rijtje gezet. Op 17 december 1942 werd het vaste voornemen tot bestraffing van oorlogsmisdadigers te komen nog eens bekrachtigd in verklaringen die de regeringen van de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en de kleinere landen uitgaven. Aanleiding vormden de deportatie van joden naar Oost-Europa en de Duitse plannen voor de uitmoording van de joden. Ten slotte volgde op 5 januari 1943 nog een 'Inter-allied declaration' van dezelfde strekking. United Nations War Crimes Commission (UNWCC) Toen die laatste verklaringen werden uitgegeven was in oktober 1942 al een concrete stap op weg naar bestraffing gezet door de oprichting van een specifiek opsporings- en vervolgingsapparaat. In Londen werd in die maand in het leven geroepen de United Nations Commission for the Investigation of War Crimes (UNCWC), later kortweg aangeduid als de UNWCC, de United Nations War Crimes Commission. De UNWCC moest het nodige bewijsmateriaal tegen van oorlogsmisdaden verdachte personen verzamelen teneinde de verantwoordelijkheid en strafbaarheid vast te stellen van die verdachten. Nederland werd bij de UNWCC vertegenwoordigd door mr.dr. J.M. de Moor, de president van de Nederlandse rechtbank te Londen. Eind mei 1945 overleed De Moor. Hij werd enige maanden later als gedelegeerde bij de UNWCC opgevolgd door kapitein-luitenant ter zee mr. M.W. Mouton. Ter gelegenheid van de (voorlopige) oprichting van de UNWCC op 7 oktober 1942 werden verschillende redevoeringen gehouden. Zo refereerde Viscount Maugham in zijn toespraak aan de lakse berechting door de Duitsers van oorlogsmisdadigers na de Eerste Wereldoorlog, waaruit geleerd moest worden dat de berechting niet aan de Duitsers zelf overgelaten kon worden. Ook de Lord Chancellor, Viscount Simon, alsmede Cecil Hurst, en Lord Lang of Lambeth spraken gloedvolle woorden, die getuigden van hun grote vastberadenheid ten aanzien van opsporing, vervolging en berechting. Aanvankelijk wilde ook de Sovjet-Unie toetreden tot de UNWCC, maar er ontstonden politieke wrijvingen tussen Oost en West doordat de Sovjet-Unie erop stond dat alle Sovjet-republieken UNWCC-lid zouden worden. Toen overeenstemming hierover uitbleef besloot de Sovjet-Unie niet meer deel te nemen aan de werkzaamheden van de Commissie. Pas een jaar later, op 20 oktober 1943, startte de UNWCC concreet haar werkzaamheden en werd de oprichting een feit. De werkzaamheden van de UNWCC bestonden voornamelijk uit 'to investigate and record the evidence of war crimes, identifying where possible the individuals responsible' en 'to report to the Govenments concerned cases in which it appeared that adequate evidence might be expected to be fortcoming'. De zetel van de UNWCC was gevestigd te Londen. Als eerste voorzitter trad op Cecil Hurst, vice-president van het Permanente Hof van Internationale Justitie, die begin 1945 overleed. In diens plaats werd benoemd Lord Wright, Lord of Appeal in Ordinary. In de UNWCC waren vertegenwoordigd de Verenigde Staten, Australië, België, Canada, China, Tsjechoslowakije, Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Indië, Luxemburg, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Polen en Joegoslavië. De regeringen van de aangesloten landen moesten zelf 'National Offices' in het leven roepen voor het verzamelen van prima-faciebewijsmateriaal. Onder prima-facie bewijs werden verstaan die gegevens en aanwijzingen, welke nodig waren om de UNWCC ervan te overtuigen dat er voldoende bewijzen waren, of ten tijde van de berechting aanwezig zouden zijn, om een vervolging te rechtvaardigen. De taak van de UNWCC was aldus tweeledig. Ze moest nagaan of uit het aangeleverde materiaal voldoende was komen vast te staan dat voor het gerecht onomstotelijk zou kunnen worden bewezen dat de verdachte het feit waarvan hij werd verdacht, ook werkelijk had gepleegd en voorts, dat het ten laste gelegde feit een oorlogsmisdrijf opleverde. De vertegenwoordiger van het betrokken land, c.q. van het 'National Office' verdedigde een zaak in het comité dat met een zaak belast was. Werd de zaak aangenomen dan werden de namen der verdachten op een lijst geplaatst. Het opsporings- en vervolgingsbeleid gold Duitsers en hun bondgenoten. Nederlanders, die in Duitse dienst waren getreden, hadden hun Nederlanderschap verloren. Hadden zij vervolgens de Duitse nationaliteit gekregen (dat gebeurde dan krachtens het Führer-Erlass van 19 mei 1943), dan werd die door Nederland niet erkend. Indien zij de Duitse nationaliteit niet hadden ontvangen waren ze statenloos en vielen dan juridisch gezien onder het nog te bespreken Besluit Opsporing Oorlogsmisdrijven (Stbl. F. 85), geldend voor anderen dan Nederlanders of Nederlandse onderdanen. Zij konden door de UNWCC op de lijst worden geplaatst indien hun verblijfplaats niet bekend was en het vermoeden bestond dat zij naar Duitsland waren gevlucht. De eerste UNWCC-lijst kwam uit in december 1944. Op de eerste lijst van de door Nederland gewenste oorlogsmisdadigers stonden 41 namen, en op de tweede lijst acht. Op 1 januari 1947 waren in totaal 21.159 personen (verdachten én getuigen) op de lijsten geplaatst, waarvan de Duitsers met 19.302 namen verreweg de grootste groep uitmaakten. Nederland had op 1 november 1947 bijna duizend personen op de lijsten doen plaatsen. De UNWCC adviseerde om alle leden van de Gestapo en SS te arresteren. Krijgsgevangenen werden niet aangehouden, ondanks een advies hiertoe in februari 1945. Ook groepen als SS-eenheden of Gestapo-groepen konden dus worden berecht, indien deze collectief voor bepaalde misdrijven aansprakelijk konden worden gesteld. De eerste officiële vergadering van de UNWCC werd gehouden in januari 1944. De organisatie bleef actief tot 1948. De archieven van de UNWCC, zijn subcommissies en comités zijn ondergebracht in de United Nations Archives in New York. Verklaring van Moskou Naarmate de oorlog langer duurde en er meer bekend werd over het genocidebeleid van de Duitse overheid en velerlei misdragingen van Duitse militairen aan het licht kwamen, werden ook de verklaringen aan geallieerde zijde krachtiger. Na een Conferentie in Moskou volgde op 1 november 1943 de zogenaamde Verklaring van Moskou. Toen kondigden Roosevelt, Churchill en Sovjet-leider Jozef Stalin namens de op dat moment in totaal 32 UNWCC-landen aan dat Duitsers, die zich aan wreedheden, massamoorden en executies hadden schuldig gemaakt, na de oorlog uitgeleverd zouden worden aan de regeringen van de landen waar zij hun misdaden hadden gepleegd. Daarbij zouden 'major war criminals whose offenses have no particular geographical location' vervolgd en bestraft worden 'by a joint decision of the Government of the Allies'. Deze uitspraak kreeg bekendheid als de Verklaring van Moskou en kon, met de St. James's Verklaring van januari 1942, worden beschouwd als de basis voor de berechting van oorlogsmisdadigers. President Roosevelt sprak afzonderlijk namens het Amerikaanse volk in een redevoering op 12 juni 1944 opnieuw duidelijke taal: 'To the Hitlerites, their subordinates and functionaries and satellites, to the German people and to all other peoples under the Nazi yoke, we have made clear our determination to punish all participants in these acts of savagery'. De verklaring van Moskou voorzag zo in de gedwongen terugkeer van oorlogsmisdadigers naar de landen, waar zij hun misdrijven hadden begaan, teneinde in die landen te worden berecht. Traktaat en Handvest van Londen Ondertussen had inmiddels zo langzamerhand iedere regering in Londen een 'National Office' voor de opsporing en latere berechting van oorlogsmisdadigers opgericht. Op 8 augustus 1945 werd in Londen gesloten een 'Agreement for the prosecution and punishment of the major war criminals', dat werd getekend door Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en Frankrijk. Er zou worden opgericht een Internationaal Militair Tribunaal 'voor de berechting van oorlogsmisdadigers, wier misdrijven niet geographisch gelocaliseerd zijn, hetzij omdat zij individueel zijn aangeklaagd, of wel in hun hoedanigheid als leden van organisaties of groepen, of wel in beide hoedanigheden, de zgn. "Major War Criminals"'. Op basis van dit Traktaat kon de opsporing, vervolging en berechting van oorlogsmisdadigers ter hand worden genomen, 'acting in the interests of all United Nations and duly authorised there to'. Degenen, die voor het Tribunaal werden gedaagd, konden later nog terecht moeten staan voor een nationaal gerecht. De kleine naties konden zich formeel aansluiten bij het Traktaat door het afleggen van een diplomatieke verklaring. Nederland deed dat op 25 september 1945. De Allied Control Council for Germany vaardigde ook verschillende wetten uit. Zeer belangrijk was Law nummer 10 (van 20 december 1945). Deze regelde de bestraffing van oorlogsmisdadigers in Duitsland, maar ook de uitlevering aan de bevrijde landen. Oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid In het Handvest, behorende bij het Traktaat van Londen, werden voor het eerst bepalingen inzake misdrijven tegen de menselijkheid ingevoerd. Eenvoudig gezegd werd het verschil tussen oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid uitgemaakt door de omstandigheden, de motivaties, het getal en de zwaarte van de misdrijven. Een oorlogsmisdrijf (ter onderscheiding van een misdrijf tegen de menselijkheid ook aangeduid als oorlogsmisdrijf in eigenlijke of engere zin) is een handeling, tijdens een oorlog begaan, die strafbaar is omdat zij in strijd is met de wetten en gebruiken van de oorlog, zoals vastgelegd in verschillende overeenkomsten. Het ombrengen van iemand tijdens de oorlog is niet noodzakelijkerwijs een oorlogsmisdrijf. Het doden van een gewonde of een krijgsgevangene daarentegen is niet in de eerste plaats een moord in de zin van de strafwet, maar een inbreuk op het oorlogsrecht en om die reden wel degelijk een oorlogsmisdrijf. Waar dus het doden in vredestijd in het algemeen een misdrijf is, is het doden van een vijand tijdens een gevecht in oorlogstijd geoorloofd. Gezien de uniciteit van de door de nazi's bedreven misdrijven hadden de geallieerden bovendien behoefte aan de formulering van een volkenrechtelijk delict, waarvoor de staat, in wiens handen de verdachte zich bevond, de bevoegdheid had dat delict op basis van een oorspronkelijk volkenrechtelijke normstelling te berechten. Daartoe schiep men in het Verdrag van Londen van 8 augustus 1945 het misdrijf tegen de menselijkheid. Als een belangrijk verschil met een oorlogsmisdrijf werd bepaald dat het begane delict (het misdrijf tegen de menselijkheid dus) los van een oorlog en tegen iedereen (dus ook tegen eigen onderdanen) kon zijn begaan. Cruciaal was dat het plegen van het misdrijf gebeurde in het kader van een systematische vervolging en de betrokken overheid die vervolging duldde of zelfs leidde. Voorbeelden van misdrijven tegen de menselijkheid waren de uitroeiing van de joden, de moord op geesteszieken en de mishandeling van politieke gevangenen in concentratiekampen. Dergelijke misdrijven waren ook bijna alle overtredingen van het Duitse Wetboek van Strafrecht, dat ook gedurende de nazi-tijd van kracht gebleven was en waaronder na de oorlog bijna 6.300 Duitsers door Duitse rechters werden veroordeeld. Oorlogsmisdrijven vinden bijna altijd plaats tijdens een oorlog, maar misdrijven tegen de menselijkheid staan vaak buiten een oorlogssituatie, waarbij de overheid altijd duidelijk partij kiest. Vaak leidt een van tevoren bedachte procedure tot een misdrijf tegen de menselijkheid. Een patroon dat bijvoorbeeld te ontwaren valt bij de jodenvervolging, zag er ongeveer als volgt uit: eerst was er de propaganda, die nauw samenhing met indoctrinatie, waardoor er een conflictsituatie ontstond; vervolgens werd de gelijkberechtiging van joden als burger ongedaan gemaakt, werden vermogens ontnomen en vond verwijdering plaats uit woonwijken, treinen en bussen; toen werden aparte organisatievormen gecreëerd met daarop veel invloed van de overheid en deed zich de 'historische noodzaak' voor tot het nemen van maatregelen tegen de betrokken groep; zij die hiertoe niet behoorden, werden gedwongen een keus pro of contra te maken; de ontrechting ging ondertussen alsmaar door, vooral versterkt door isolering ten gevolge van deportatie en uitmoording. Crimineel gedrag van burgers als bewakers en kapo's werd door de overheid niet tegengegaan maar integendeel, juist gestimuleerd. Zo werd bewust beleidsmatig een misdrijf tegen de menselijkheid gepland en vervolgens uitgevoerd. Dit alles had dus nauwelijks van doen met een werkelijke oorlog. Zo bestonden bijvoorbeeld in Duitsland de eerste concentratiekampen allang voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Moorden, gepleegd door Duitsers op Nederlandse joden, waren bovendien zowel een oorlogsmisdrijf als een misdrijf tegen de menselijkheid (daaraan werden de Duitse oorlogsmisdadigers Franz Fischer en Ferdinand Aus der Fünten dan ook schuldig bevonden en daarvoor werden ze berecht). Duitsers, die Duitse geesteszieken vermoordden, pleegden evenwel uitsluitend een misdrijf tegen de menselijkheid. Nederlands beleid in Engeland De wetgeving Voortvloeiend uit de overeenkomst van St. James's Palace te Londen van januari 1942 schiep de Nederlandse regering in 1943 de juridische kaders waarbinnen opsporing en vervolging zouden moeten plaatsvinden. Er ontstond een bijzondere wetgeving die een bijzondere rechtspleging, afwijkend van het vigerende rechtssysteem, in het leven riep. Die bijzondere rechtspleging is van kracht geweest van 1945 tot 1952, toen het opsporings- en vervolgingsapparaat werd ontbonden. (Wel werd later nog een Bijzondere Strafkamer in het leven geroepen voor de berechting van Pieter Menten.) Nederlanders die op grond van hun daden of houding in de oorlog in het kader van de bijzondere rechtspleging werden vervolgd, werden aangeduid met de benaming politieke delinquenten. Duitsers die oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid hadden gepleegd heetten oorlogsmisdadigers, zij alleen immers konden als leden van de bezettende macht inbreuk maken op de wetten en gebruiken van de oorlog. Op 23 december 1945 werden in Londen de volgende besluiten afgekondigd: het Besluit Buitengewoon Strafrecht (BBS Stbl. D 61) het Besluit Bijzondere Gerechtshoven (BBG Stbl. D 62) het Besluit Buitengewone Rechtspleging (BBR Stbl. D 63) het Bijzonder Gratie-adviesbesluit (Stbl. D 64) Krachtens het Besluit Buitengewoon Strafrecht werd het mogelijk rechtsregels met terugwerkende kracht van toepassing te verklaren op bepaalde misdrijven. Dit was niet onomstreden, daar als één van de fundamenten van het strafrecht gold dat geen feit strafbaar mag worden gesteld dan uit hoofde van een reeds bestaande wettelijke strafbepaling (het nulla poena sine lege-beginsel). Voorts verzwaarde het Besluit de strafpositie van diverse delicten -zo werd de doodstraf ingevoerd- en vergrootte het de reikwijdte van de bestaande strafwetten, te weten het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht. Op grond van het Besluit Bijzondere Gerechtshoven werd de oorlogsmisdadiger die ingevolge de Verklaring van Moskou naar Nederland werd teruggevoerd, voor een Bijzonder Gerechtshof gebracht. Er waren vijf Bijzondere Gerechtshoven, die in de loop van 1949-1950 werden opgeheven. Daaraan verbonden en met de vervolging belast waren de procureurs-fiscaal, die als openbare aanklagers fungeerden. In de praktijk bleek het toch lastiger dan in 1943 gedacht om, met het Besluit Buitengewoon Strafrecht in de hand, oorlogsmisdadigers te vervolgen. Deze werden weliswaar vanaf eind 1945 volgens dat Besluit berecht, maar de Bijzondere Raad van Cassatie stak hier op zeker moment een stokje voor. Het idee dat een oorlogsmisdrijf een commuun misdrijf was dat gewoon onder het Besluit Buitengewoon Strafrecht viel, werd lange tijd door de minister van Justitie aangehangen. De minister van Binnenlandse Zaken suggereerde juist een speciale commissie in te stellen voor de opsporing van dit soort misdrijven. In een brief van 7 februari 1945 reageerde de minister van Justitie, die hier niet voor voelde, als volgt daarop: 'De oorzaak der suggestie moet m.i. gezocht worden in een verkeerde opvatting omtrent de aard van een zgn. oorlogsmisdrijf. Door velen wordt dit beschouwd als een delict sui generis, al is er nog nooit iemand in geslaagd een sluitende definitie daarvan te geven. In wezen is echter naar mijn inzicht een zgn. oorlogsmisdrijf niets anders dan een gewoon delict onder bijzondere omstandigheden gepleegd en deswege onder de rechtsmacht van een bijzondere rechter gebracht'. Toch bleef boven de berechting de vraag zweven of de Nederlandse rechter werkelijk bevoegd was oorlogsmisdadigers op grond van het Besluit Buitengewoon Strafrecht te vervolgen, een stelling die door de minister van Justitie verdedigd werd. Konden deze mensen inderdaad gewoon worden berecht wegens mishandeling, moord of onrechtmatige vrijheidsberoving, zoals ook Nederlanders voor deze misdrijven werden vervolgd, of lag dat toch gecompliceerder? Aan Duitsers kon bijvoorbeeld niet het verlenen van hulp aan de vijand verweten worden, welk delict wel door een Nederlander kon worden gepleegd. Ook het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem vond in de lijn van de minister van Justitie dat misdaden, door Duitsers hier te lande begaan, onder het Besluit Buitengewoon Strafrecht van december 1943 vielen. Dit Gerechtshof veroordeelde op 10 december 1946 de Duitse militair Ludwig Heinemann ter dood, zonder recht van cassatie, wegens het fusilleren van gijzelaars, Engelse officieren en verzetsmensen. Op 10 februari 1947 werd het vonnis aan Heinemann voltrokken en maakte een vuurpeloton een eind aan zijn leven. Op 17 februari 1947, een week na die terechtstelling, wees de Bijzondere Raad van Cassatie evenwel arrest in de zaak van de Duitse militair Louis Wilhelm August Ahlbrecht, officier bij de Sicherheitsdienst (SD) in Arnhem. In dat arrest werd door de Bijzondere Raad vastgelegd dat de Nederlandse rechter niet zonder meer bevoegd was oorlogsmisdrijven, begaan door leden van de bezettende macht, te berechten. Een algemeen erkende volkenrechtelijke regel van gewoonterecht was, zo betoogde de Raad, dat militairen die met hun leger op het gebied van een andere staat dan hun eigen staat verbleven, niet onderworpen waren aan de rechtsmacht van de rechter van die andere staat, voorzover het door hen gepleegde feiten betrof die binnen de kring van hun bevoegdheid waren begaan. In die gevallen bleef de militair onderworpen aan de rechtsmacht van de krijgsraad van zijn eigen staat van herkomst. Hij kwam daar evenwel buiten te staan zodra hij bijvoorbeeld een vrouw verkrachtte of een diefstal pleegde en viel dan onder de rechtsmacht van de rechter in de staat waarin hij verbleef. Feitelijk was het ook in Nederland zo dat Duitse militairen en ambtenaren hun daden van terreur niet op eigen gezag verrichtten maar dat nagenoeg altijd deden op bevel of na machtiging van hun meerderen, waardoor de -in dit geval Nederlandse- rechters dus geen rechtsmacht over hen bezaten en ze dus niet gestraft zouden kunnen worden. Nu kon men van die volkenrechtelijke regel afwijken door het sluiten van een verdrag, maar men kon ook gewoon een wet uitvaardigen die de Nederlandse rechter alsnog rechtsmacht verleende om buitenlandse militairen, die op zijn grondgebied hadden vertoefd, te berechten wegens terreurdaden. De Nederlandse rechter had een dergelijke bevoegdheid nimmer ontvangen omdat er, nog steeds volgens de Bijzondere Raad van Cassatie, ten onrechte van was uitgegaan dat een moord, gepleegd in strijd met het oorlogsrecht, nooit binnen de kring van bevoegdheid van de dader kon zijn gepleegd en zodoende een gewone moord was, waarvoor de rechter geen bijzondere opdracht van rechtsmacht behoefde. Door het arrest-Ahlbrecht nu was de regering gedwongen een wet te maken, waarbij aan de Nederlandse rechter expliciet rechtsmacht werd toebedeeld ten aanzien van Duitse militairen en andere overheidsdienaren, die oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid hadden bedreven. Die wet kwam er inderdaad en werd op 10 juli 1947 van kracht. Zo werd een artikel 27a ingevoegd in het Besluit Buitengewoon Strafrecht, waarbij naar Nederlands recht strafbaar werd gesteld hij 'die gedurende de tijd van de huidige oorlog in krijgs-, staats- of publieke dienst bij of van de vijand zich schuldig had gemaakt aan enig oorlogsmisdrijf of enig misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 6 onder (b) of (c) van het handvest, behorende bij de overeenkomst van Londen van 8 augustus 1945, bekend gemaakt bij Ons Besluit van 4 januari 1946, Stb. G 5'. Betrokkene werd dan ook 'indien een zodanig misdrijf tevens bevat de bestanddelen van een strafbaar feit volgens de Nederlandse wet, gestraft met de daarop gestelde straf'. Bij het tweede lid van het artikel werd bepaald dat, als de overtreding van het oorlogsrecht niet de elementen van een Nederlands delict bevatte, de straf kon worden opgelegd die was gesteld op het Nederlandse delict waarmee het gepleegde feit de meeste overeenkomst (analogie) vertoonde. En ten slotte werd in het derde lid van artikel 27a bepaald dat ook de meerdere strafbaar was die opzettelijk toeliet, dat zijn mindere zich aan een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid schuldig maakte. De juridische omgang met het begrip 'bevel is bevel' bleef evenwel problematisch. Wat te doen indien een militair of ambtenaar nadrukkelijk en al dan niet onder bedreiging slechts een bevel had uitgevoerd en zo voor zijn eigen gevoel -en voor dat van zijn advocaten- niet zelf aansprakelijk voor de gepleegde feiten gesteld kon worden? Jurisprudentie had eerder aangetoond dat een bevel om een strafbaar feit te plegen, nooit als een rechtmatig bevel kon worden beschouwd welke de strafbaarheid ophief. Kon een mindere evenwel aantonen dat hij geen weet had van het misdadige karakter van zijn handeling, dan kon hij een beroep doen op straffeloosheid. Zou men wel zonder meer een beroep op het ambtelijk bevel aanvaarden, dan zou immers, in het Duitse systeem van hiërarchische verhoudingen, iedereen, hetzij burger, hetzij militair, een beroep op zijn superieuren kunnen doen, die eveneens een beroep op hogere bevelen zouden doen, zodat men ten slotte zou terechtkomen bij de uitsluitende verantwoordelijkheid van de hoogste autoriteit, Adolf Hitler. Hitler zelf viel niet meer te berechten na zijn zelfmoord in april 1945, waardoor, indien deze redenering werd doorgetrokken, geen enkele bedrijver van misdaden veroordeeld zou kunnen worden. Dat nu werd voorkomen door de introductie van artikel 27a in het Besluit Buitengewoon Strafrecht. Samenvattend: het heeft tot 10 juli 1947 geduurd voordat de juridische barrière tegen de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers was geslecht, hetgeen de berechting behoorlijk heeft vertraagd. Het duurde daarom zo lang omdat de regering (lees: de minister van Justitie) lange tijd van mening was dat een oorlogsmisdrijf in niets verschilde van een ander misdrijf. Pas na het arrest-Ahlbrecht onderschreef het ministerie met tegenzin de opvatting van de Bijzondere Raad van Cassatie dat een oorlogsmisdrijf in de eerste plaats moest worden gezien als een volkenrechtelijk delict en niet als een gewoon delict, onder bijzondere omstandigheden gepleegd. Had men toen de Bijzondere Raad niet gevolgd, dan was de gehele berechting van Duitse oorlogsmisdaden op losse schroeven komen te staan. Met Duitsers werden overigens bedoeld degenen die op 1 mei 1940 de Duitse nationaliteit bezaten (dus ook Oostenrijkers als Arthur Seyss-Inquart en Erich Rajakowitsch, wat vanuit de Nederlandse optiek dus niet gold voor Nederlanders die tijdens de oorlog in Duitse dienst waren getreden). Bureau van de Nederlandse vertegenwoordiger bij de UNWCC. Zoals bleek maakten de geallieerden reeds in de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog plannen om na beëindiging van de oorlog te komen tot vervolging en berechting van hen die zich schuldig hadden gemaakt aan oorlogsmisdaden. Landen als de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie zetten al in een vroegtijdig stadium de toon door uitspraken van hun regeringsleiders, die dreigende woorden bevatten aan het adres van hen die zich schuldig maakten aan dergelijke misdaden. In oktober 1943 vond de definitieve oprichting plaats van de UNCWC, de United Nations Commission for the Investigation of War Crimes, ook en vooral aangeduid als de UNWCC (United Nations War Crimes Commission). In elk van de bij de UNWCC aangesloten landen werden nu nationale commissies of nationale bureaus opgericht ('National Offices'), die zich bogen over de wijze waarop bewijzen konden worden verzameld en de opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers ter hand konden worden genomen. De hoofden van deze nationale bureaus fungeerden doorgaans tevens als gedelegeerden van hun land bij de UNWCC. Voordat het Nederlandse bureau onder de naam Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO) in maart 1944 gestalte kreeg, was mr.dr. J.M. de Moor, de president van de Nederlandse rechtbank in Londen, al aangewezen als vertegenwoordiger namens Nederland bij de UNWCC. De Moor werd later tevens voorzitter van de NCO, waardoor een personele unie ontstond (hij was dus zowel gedelegeerde bij de UNWCC als hoofd van de NCO). Het bureau van de gedelegeerde en de NCO werkten dan ook zeer nauw samen, waarbij hun werkzaamheden elkaar soms overlapten. Het bureau van de gedelegeerde bezorgde het ontvangen bewijsmateriaal van de NCO bij de UNWCC. De UNWCC besliste vervolgens of een verdachte wel of niet als oorlogsmisdadiger op een opsporingslijst terecht kwam. Het Besluit Opsporing Oorlogsmisdrijven van 29 mei 1945 bevestigde in artikel 3 nog eens de mogelijkheid om in Londen na de bevrijding het bureau van de gedelegeerde bij de UNWCC aan te houden, c.q. nieuw leven in te blazen. Na het overlijden van De Moor nam M.W. Mouton diens plaats in als hoofd van het Bureau van de Nederlandse Vertegenwoordiger bij de UNWCC. Ook mr. W.C. Beucker Andreae was door de minister van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens, voor deze post benaderd. Beucker Andreae had zich bereid verklaard deze functie te vervullen, maar de ministerraad kon niet om de nadrukkelijke kandidatuur van Mouton heen, die dan ook eind september 1945 werd benoemd. Toen waren aan het Bureau verbonden de Nederlandse vertegenwoordiger bij de UNWCC, een of meer leden van de NCO en een secretaris. Per 30 oktober 1947 werd het Bureau van de Nederlandse gedelegeerde opgeheven. Voorkomende werkzaamheden werden vanaf die datum vanuit Den Haag voortgezet. Op 12 augustus 1950 werden de bescheiden van de UNWCC door mw. mr. J.M.C. Romeijn, hoofd van het Bureau Coördinatie, overgedragen aan de Tweede Afdeling van het ministerie van Justitie. Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO-Engeland) Vanaf oktober 1943, in welke maand de UNWCC haar werkzaamheden begon, drong zij er bij de nationale regeringen op aan eigen commissies of bureaus ('National Offices') in het leven te roepen, die bewijsmateriaal konden verzamelen tegen van oorlogsmisdaden verdachte personen. De commissies werden dan ook wel als 'fact finding'-commissies aangeduid. Bij ministerieel besluit van 1 maart 1944 werd voor Nederland ingesteld 'een Commissie tot bewerking van de gevallen, die, voor zooveel het Koninkrijk betreft, in aanmerking komen om te worden voorgelegd aan de "United Nations Commission for the Investigation of War Crimes"'. Nadien werd ze aangeduid als de Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO). Naar buiten toe presenteerde de commissie zich onder de naam Netherlands War Crimes Commission (NWCC). De NCO, waarvan dus soortgelijke instellingen in de andere bij de UNWCC aangesloten landen werden opgericht, fungeerde als Nederlands 'National Office', dat nauw samenwerkte met de UNWCC. De samenstelling was als volgt: voorzitter was de Nederlandse gedelegeerde bij de UNWCC, mr. dr. J.M. de Moor, die dus tevens president van de Nederlandse Rechtbank in Londen was. Tot secretaris werd benoemd J.H. Zeeman, waarnemend substituut-officier van Justitie bij de Nederlandse Rechtbank te Londen. Voorts waren er drie leden, te weten F.J. van der Kroon, majoor der Koninklijke Marechaussee, A. Wolters, luitenant ter zee tweede klasse van de Koninklijke Marine Reserve en C.H.J.F. van Houten, reserve-kapitein der artillerie. Bij besluit van 17 april 1944 ontving de commissie het recht om getuigen en deskundigen onder ede te horen. De NCO functioneerde slechts enkele maanden, tot juli-augustus 1944, redelijk. Daarna kreeg de secretaris andere functies en gingen de drie leden naar België en -later- Nederland. Het werk van de NCO stagneerde bovendien door de gedeeltelijke bevrijding van Nederland. Het kantoor in Londen werkte niet meer efficiënt, maar een volledig toegerust bureau opzetten in Nederland was na de voor de geallieerden zo desastreus verlopen 'Slag bij Arhem' evenmin mogelijk. Zo kwam het werk van de NCO in Londen zo'n zes, zeven maanden nagenoeg geheel stil te liggen. Gegevens kwamen niet meer binnen, ook niet uit bevrijd Zuidelijk Nederland. En juist de tijd vlak na de bevrijding was zo belangrijk om bewijsmateriaal te verzamelen, evenwel: 'van de Nederlandsche Justitie en Politie [is] nog geen enkel dossier of stuk binnen gekomen. Zelfs omtrent zulke geruchtmakende en gemakkelijk te onderzoeken objecten als "Vucht", "Heusden", "Putten", etc. heeft ons geen enkel gegeven bereikt'. Het NCO pleitte dan ook voor de instelling van een aparte commissie, die zich uitsluitend met de opsporing van oorlogsmisdadigers zou bezighouden en de parketten van het Openbaar Ministerie en de gewone politie in Nederland van deze taak zou ontheffen. Die laatste instellingen hadden hun handen al vol aan vele andere werkzaamheden, waaronder de aanhouding van 'onvaderlandslievende' Nederlanders. Dat slechte functioneren van de opsporingsinstanties en de stilstand in de werkzaamheden bezorgden voorzitter De Moor soms 'slapelooze nachten', zoals hij aan de minister van Justitie schreef. Eind januari 1945 zond de secretaris-generaal van Justitie een ontwerp-beschikking aan het ministerie van Buitenlandse Zaken tot wijziging van de samenstelling van de NCO, die tevens een nadere taakomschrijving van de werkzaamheden van de NCO bevatte. Bij besluit van 22 januari 1945 werd eervol ontslag verleend aan Van der Kroon, Wolters, Van Houten en Zeeman, wier werkterrein in het bevrijde deel van Nederland kwam te liggen. Benoemd tot leden werden D. Bas Backer, reserve-kapitein der artillerie, C.L.W. Fock, eveneens reserve-kapitein der artillerie, M.W. Mouton, kapitein-luitenant ter zee en secretaris werd J. van den Bergh. Opnieuw werd de opdracht van de NCO omschreven: 'De taak der Commissie is: primair om uit het haar ten dienste staande bewijsmateriaal rapporten ten behoeve van de United Nations Commission for the Investigation of War Crimes samen te stellen, zulks met inachtneming van de algemeene richtlijnen door die "Commission" en den Minister van Justitie aangegeven, en subsidiair om langs den hierarchieken weg aanvullend bewijsmateriaal te verzoeken, waar zulks voor de samenstelling der rapporten nuttig of noodig mocht zijn'. Onduidelijk is of de NCO in Engeland nog daadwerkelijk heeft gefunctioneerd na de volledige bevrijding van Nederland. Ze stond wel in contact met het tweede onderbureau van het tijdelijk Bureau Londen van het ministerie van Justitie, dat bij beschikking van 14 juni 1945 was ingesteld en onder leiding stond van mr. W. de Jager. Zoals bleek werd wel het bureau van de Nederlandse gedelegeerde bij de UNWCC aangehouden. Op 23 september 1946 kreeg secretaris J. van den Bergh zijn ontslag, evenals commissielid Fock. Bij diezelfde gelegenheid werd de Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven in Engeland officieel ontbonden. De opsporing in de praktijk Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM) Op 5 mei 1945 capituleerde Duitsland en was de bevrijding van Nederland een feit. Kort reeds hiervoor, maar in versterkte mate na de bevrijding, gingen leden van de Binnenlandsche Strijdkrachten, individuele 'goede' politiefunctionarissen en anderen op jacht naar echte en vermeende oorlogsmisdadigers. In Zuid-Nederland gebeurde dat al na september 1944. Enige tijd na de bevrijding werden Politieke Opsporingsdiensten opgericht, nadien herdoopt tot Politieke Recherche Afdelingen, en kwam op 29 mei 1945 het Bureau voor Nationale Veiligheid tot stand. (De archieven van de Politieke Opsporingsdiensten en de Politieke Recherche Afdelingen maken deel uit van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) en berusten bij het ARA (nummer toegang 2.09.09). Ook het archief van het Bureau voor Nationale Veiligheid is ondergebracht bij het ARA (nummer toegang 2.04.80).) Al deze instanties hadden wel in meer of mindere mate van doen met oorlogsmisdadigers, maar hun eerste zorg betrof toch vooral de aanhouding van Nederlanders die landverraad hadden gepleegd of zich anderszins 'onvaderlandslievend' hadden gedragen. De Moor, Nederlands gedelegeerde bij de UNWCC en voorzitter van NCO-Engeland, had al enkele keren aangedrongen op de totstandkoming van een apart bureau dat zich uitsluitend met de opsporing van oorlogsmisdadigers zou bezighouden. Ook de regering erkende nu de noodzaak een dergelijk bureau in het leven te roepen. Er werden al voor 5 mei concept-besluiten gemaakt die de oprichting ervan regelden, met teksten die voortdurend werden gewijzigd naargelang de politieke ontwikkelingen dat vereisten. Op 29 mei 1945 werd dan bij Koninklijk Besluit F 85 in het leven geroepen het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM). De nadere invulling van taak en organisatie van het BOOM werd geregeld bij beschikking van de minister van Justitie van 31 oktober 1945. Het BOOM ressorteerde als zelfstandig bureau onder het ministerie van Justitie. De primaire taak was het opsporen en naar een bewaringskamp of gevangenis overbrengen van oorlogsmisdadigers. Vele oorlogsmisdadigers verbleven in het buitenland. Daarom was medewerking vereist van de geallieerde bezettingsautoriteiten in Duitsland en van de bondgenoten, waartoe verbindingsofficieren en onderzoeksteams in Duitsland konden worden geplaatst. De hoofdvestiging van BOOM was ondergebracht in het Hoofdbureau van Politie te Amsterdam in het pand aan de Elandsgracht, numer 117 en stond onder leiding van mr. J.S. Bijl, commissaris van rijkspolitie eerste klas. Eind 1946 verhuisde het hoofdbureau naar Stadionweg nummer 135 in Amsterdam. Subcommissies werden ingesteld in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag en voorts in alle provinciale hoofdsteden. Ook werden er opsporingsambtenaren aangesteld. Er waren zo dertien subcommissies actief. Als voorzitters van die subcommissies traden op de hoofden van de politieke recherche ter plaatse. Eerst was dat dus de Politieke Opsporingsdienst (POD), later, vanaf 1 maart 1946, de Politieke Recherche Afdeling (PRA). Het hoofd van iedere subcommissie was verantwoording schuldig aan het hoofd van het BOOM, J.S. Bijl. De subcommissies waren gehuisvest in de bureaus van de POD c.q. PRA. Behalve de voorzitter bestond een commissie uit ten minste twee rechercheurs van politie in de hoedanigheid van opsporingsambtenaar, verbonden aan de POD c.q. PRA, alsmede een secretaris. Doorgaans was de gang van zaken als volgt: in de pers verschenen oproepen, uitgaande van de burgemeesters, die de burgers aanzetten tot het verstrekken van informatie over oorlogsmisdadigers. De lokale politie verzamelde de binnenkomende gegevens en zond die door naar de lokale of regionale subcommissie van BOOM. Die subcommissie nam vervolgens verhoren af en maakte processen-verbaal op en zond die op naar het hoofdbureau in Amsterdam of naar de procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof in het betreffende ressort. Grote misdrijven, begaan in bijvoorbeeld concentratiekampen, werden verder door het hoofdbureau in Amsterdam behandeld. De BOOM-instellingen trachtten zogenaamd prima facie-bewijs in handen te krijgen, dat wil dus zeggen zulk overtuigend bewijsmateriaal dat redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat tot een succesvolle vervolging zou kunnen worden overgegaan (Volgens J.S. Bijl wettigt de zaak dan 'een redelijk vermoeden van daderschap' (zie 'Memorandum voor Mr. Peek'; Archief-NWCC, oud: doos 82, map 81; nu: inv.nr. 3910).). De procureur-fiscaal van een Bijzonder Gerechtshof kon aan een subcommissie een aanvullende opdracht geven bepaalde zaken of facetten nader te onderzoeken. Zodra het BOOM dan prima facie-bewijs verkregen had werd het door het hoofdbureau doorgezonden naar de Nederlandse vertegenwoordiger bij de UNWCC (vanaf september 1945 was dat J.M. Mouton), die de aanklachten (charges) in het Engels liet vertalen en de zaak verder doorgeleidde naar de UNWCC. Erkende ook Committee number 1 van de UNWCC de overlegde bescheiden als prima-faciebewijs, dan werd een verdachte op de internationale opsporingslijst geplaatst. De verdachtenlijsten werden ruim gedistribueerd. Ook ambtelijke instanties en organen werden uitgenodigd gegevens betreffende oorlogsmisdrijven met eventuele bijlagen naar Amsterdam te zenden. Was het prima-faciebewijs niet geleverd dan werd het dossier aan het BOOM geretourneerd met het verzoek verder onderzoek te verrichten. De UNWCC maakte ook uit of een verdachte als major war criminal diende te worden beschouwd of als minor war criminal. Een dergelijke aanwijzing had gevolgen voor de berechting, daar major war criminals voor het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg zouden worden gebracht en minor war criminals in de landen, waar zij hun misdrijven hadden gepleegd. Ten behoeve van de opsporing van de vermoedelijke daders moesten speciaal voor dat doel ontworpen formulieren worden ingevuld. In de bekendmaking van de burgemeesters waarin het publiek werd opgeroepen zijn medewerking bij de opsporing te verlenen, was vermeld dat bij het doen van aangifte gebruik kon worden gemaakt van die speciale formulieren. De tekst en indeling van de formulieren waren samengesteld door het Internationale Bureau voor Opsporing van Oorlogsmisdadigers te Parijs (Crowcass). Het formulier moest door de politie in tweevoud worden opgemaakt: een exemplaar diende te worden opgezonden naar de betreffende subcommissie inzake de opsporing van de oorlogsmisdrijven, het andere was bestemd voor de administratie van de politie zelf. Van de ontvangen aangiften kon reeds direct een aantal wegens het ontbreken van enig gegeven omtrent de dader of wegens het geringe belang van de toegebrachte schade, terzijde worden gelegd. De gevallen waarin de (mis)daad duidelijk was omschreven en de dader met name bekend was, moesten met spoed worden behandeld. Die spoed had in het begin ook te maken met de volgende overweging: 'Daar tot nu toe door Nederland slechts weinig zaken in Londen aanhangig zijn gemaakt, is het mede met het oog op ons internationale aanzien gewenscht, dat op korten termijn een aantal zaken wordt aangebracht'. Bij een ambtsedig proces-verbaal werd door de subcommissie een kort verslag opgemaakt, bevattende de inhoud van de aangifte en van een of meer getuigenverklaringen, de aanwezigheid van ander dan prima facie-bewijsmateriaal en eventueel van een verhoor van de verdachte. Het was dus niet nodig dat een onderzoek geheel voltooid was en de zaak rijp voor berechting was, voordat de bescheiden konden worden opgezonden. De stukken, benodigd voor de uitlevering, moesten dan, met het ingevulde formulier, zo spoedig mogelijk worden opgestuurd naar het BOOM te Amsterdam. Eventueel werd het onderzoek door de subcommissie daarna nog gewoon voortgezet. Was evenwel de uitlevering aan Nederland van oorlogsmisdadigers in beginsel al toegezegd, dan was opzending van stukken via BOOM naar de UNWCC onnodig. Daarnaast mochten de subcommissies gebruik maken van de diensten van een rechercheur, die daartoe in elke gemeente werd aangewezen. De taak van die rechercheur moest wel worden beschouwd als een aanvullende werkzaamheid en bestond bijvoorbeeld in het horen van een getuige ter plaatse of het instellen van een nader onderzoek. Hij bleef echter volkomen in dienst van het korps, waartoe hij behoorde. Bepaald was dat de subcommissies zelf de hoofdgetuigen hoorden en het eigenlijke onderzoek verrichtten. Leden van de subcommissies begaven zich daartoe zonodig naar de plaats van het misdrijf, verrichtten confrontaties en hoorden de verdachten, zo deze aanwezig waren. Moesten in het buitenland inlichtingen worden ingewonnen, dan diende men zich tot het BOOM in Amsterdam te wenden. Indien het onderzoek zich uitstrekte buiten het eigen ressort dan moest de subcommissie in het betreffende ressort worden ingelicht teneinde te voorkomen dat langs elkaar heen werd gewerkt. Was een onderzoek beëindigd, dan werden de stukken in handen gesteld van de procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof binnen welks rechtsgebied het feit was begaan. Daarvan werd dan mededeling gedaan aan het Bureau in Amsterdam, met vermelding van het gepleegde feit, de namen van de 'gelaedeerden' (benadeelden) en de verdachten. Door het hoofdbureau in Amsterdam diende te worden aangelegd een kaartregister, behelzende de namen van alle in gevangenissen, huizen van bewaring en kampen in Nederland gedetineerde buitenlanders. Door de subcommissies konden bij het Bureau daaromtrent inlichtingen worden verkregen In verschillende gevallen zou blijken dat reeds aangifte van bepaalde oorlogsmisdrijven was gedaan, bijvoorbeeld bij de geallieerde militaire autoriteiten of bij het Militair Gezag. Aan de politie was opgedragen die gevallen terstond naar de betreffende subcommissie door te geleiden. Nadat deze subcommissie had nagegaan bij welke instantie aangifte was gedaan en zoveel mogelijk de betreffende stukken had verzameld, werd het dossier opgezonden naar het BOOM in Amsterdam. In november 1945 stipuleerde secretaris-generaal J.C. Tenkink van Justitie nog eens wat onder oorlogsmisdrijven moesten worden verstaan. Dat waren 'tijdens de oorlog gepleegde feiten, die verboden zijn naar Nederlands recht en verboden zijn in de wetten en de gebruiken van de oorlog, begaan door anderen dan Nederlanders of Nederlandse onderdanen'. Gedacht moest worden aan personen als Duitse militairen, politiefunctionarissen, bestuursambtenaren, 'Verwalters', enz., en aan delicten als moord, doodslag, verkrachting, mishandeling, plundering en roof. Verkregen materiaal moest worden gestuurd naar 'het Bureau van de Nederlandsche commissie inzake oorlogsmisdrijven, adres: Hoofdbureau van Politie te Amsterdam'. Hiermee lijkt de (nog te bespreken) NCO-Nederland vereenzelvigd te worden met het BOOM-hoofdbureau in Amsterdam. Per 1 september 1948 werd het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven opgeheven en werden de voorkomende werkzaamheden uitgevoerd door het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging. Het BOOM heeft ruim tweeduizend dossiers samengesteld. Slechts enkele honderden Duitse verdachten zijn vervolgd (zie verder bij Resultaten). Terzijde wordt hier even aangestipt de poging die werd ondernomen om tot een efficiëntere opsporing te komen, welke poging faliekant mislukte. Op voorstel van B.I.A.A. ter Veer, directeur-generaal van de Bijzondere Rechtspleging en in overleg met kolonel P.J. Six, adjunct-chef van het Militair Gezag, namen beide mannen eind oktober, begin november 1945 het initiatief te komen tot de instelling van een 'centraal register' voor het verzamelen van gegevens over gezochte Duitse oorlogsmisdadigers en hun slachtoffers. Vele personen en instellingen werden benaderd en verzocht hieraan mee te werken, die doorgaans inderdaad deze medewerking toezegden. Het bureau moest worden 'gezien als een nevenorganisatie van het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven'. Beoogd hoofd van de 'Centrale Registratie Oorlogsmisdadigers en Slachtoffers van Oorlogsmisdrijven' (CROESVO), zoals het bureau zou gaan heten, was B.C. Ooms uit Zaandam. Opvallend was dat hier dus ook gegevens over oorlogsslachtoffers zouden worden vastgelegd. Vrij kort na de oprichting werden tijdens vergaderingen al de eerste sceptische geluiden gehoord over nut en noodzaak van CROESVO. Ook minister-president W. Schermerhorn was niet enthousiast omdat 'de registratie van oorlogsmisdadigers en oorlogsslachtoffers reeds de volle aandacht heeft van respectievelijk het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven te Amsterdam en de desbetreffende diensten van het Nederlandsche Roode Kruis, etc'. Op 24 januari 1946 besloot de ministerraad dan ook tot liquidatie van de CROESVO over te gaan. De initiatiefnemers probeerden nog in april 1946 het bureau nieuw leven in te blazen, maar zij slaagden daarin niet. Interessant maar onbeantwoord is de vraag of er meer oorlogsmisdadigers zouden zijn opgespoord als dit bureau wel levensvatbaar was gebleken. Het CROESVO, dat dus nimmer had gefunctioneerd, werd officieel per 31 mei 1946 geliquideerd. Nederlandse Missie Tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers in Duitsland NMOO) oftewel de Netherlands War Crimes Commission (NWCC) Het Besluit van 29 mei 1945, waarbij het BOOM werd opgericht, opende in artikel 11 de mogelijkheid om in Duitsland zelf functionarissen, rechtsgeleerde verbindingsofficieren genoemd, te stationeren, teneinde de opsporing te bevorderen in een land dat door vele oorlogsmisdadigers als het toevluchtsoord bij uitstek werd beschouwd. De wens hiertoe was al eerder geuit door het SHAEF (Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force), het geallieerde hoofdkwartier in Parijs. Op 21 april 1945 reageerde minister-president P.S. Gerbrandy in principe positief op zo'n verzoek. H.J. Kruls, chef-staf van het Militair Gezag ontving van hem het volgende telegram: 'machtig u twee Nederlandsche liaison officieren met spoed aan te wijzen stop juridische graad vereischt stop overigens te regelen naar uw inzicht = Gerbrandy stop'. Op 15 mei 1945, vijf dagen na de bevrijding, verzocht SHAEF opnieuw een tweetal officieren met een kleine staf bij de hoofdkwartieren van de 'Army Groups' in de 'National Zones' te detacheren. Het doel was bijstand te verlenen bij de opsporing van oorlogsmisdrijven. Secretaris-generaal Van Angeren van Justitie informeerde daarop bij NCO-Engeland of zodanige detachering zinvol was en of zij officieren 'van erkende bekwaamheden en ervaring' kende die hiervoor geschikt waren. Begin juni werden twee luitenant-kolonels als verbindingsofficieren (liaison-officers) aangewezen. Kruls meldde midden juni: 'Daar van geallieerde zijde inmiddels op onverwijlde aanwijzing der Liaison-Officieren was aangedrongen, heb ik daartoe ondertusschen benoemd de Luit.Kol's Mr. Derksema en van der Kroon, van wie de laatste geen juridischen graad heeft, doch door zijn ervaring als officier der Koninklijke Marechaussee wel geacht kan worden ook juridisch voldoende geschoold kan zijn'. De eis, dat een juridische graad voor beiden een voorwaarde was om aangewezen te kunnen worden, was te laat gesteld. Overigens moest de benoeming worden gezien als te zijn gedaan door de minister van Oorlog. Overste R.P.J. Derksema en overste F.J. van der Kroon hadden beiden al hun sporen verdiend als inlichtingenfunctionarissen in Engeland. Van een officiële instelling van een 'Nederlandsche Missie tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven in Duitschland' was overigens geen sprake, de Missie vloeide voort uit het verzoek van SHAEF aan de Nederlandse regering. Zelf afficheerde de Missie zich naar buiten toe als de Netherlands War Crimes Commission (NWCC), dezelfde Engelse naam die ook NCO-Engeland had aangenomen. Op zaterdag 30 juni 1945 arriveerde Derksema bij het Headquarter in Main. Men was daar niet van zijn komst op de hoogte. Hij had de keuze uit vier huizen in het zogenaamde 'Allied Missions Camp'. Hij koos het perceel Hochstrasse 33 (voorheen Horst Wesselstrasse). Het huis was in zeer slechte staat nadat het door de Engelsen geplunderd was en het kostte dan ook een week om het bewoonbaar te maken. Organisatorisch moest er nog zeer veel worden gedaan. Zo pleitte Derksema onder meer voor het in het leven roepen van 'investigation teams'. Ook overste Van der Kroon begaf zich enige tijd later naar Duitsland, in bezit van een marsorder, hem door SHAEF verstrekt, nadat hij eerst zijn staf had samengesteld en antwoord op vele door hem gestelde vragen had ontvangen. Luitenant G.G. Douwenga ging eveneens deel uitmaken van de Missie, die onder algehele leiding kwam te staan van Derksema. De genoemde verbindingsofficieren maakten deel uit van en gaven leiding aan onderzoeksteams (investigation-teams). De leden van de onderzoeksteams waren militairen. Er waren teams in elk van de drie door de Westerse geallieerden bezette zones. Het was moeizaam werk; de opsporingsinstantie in de Amerikaanse zone werd daarom ook wel de Haystack-Organization (hooiberg-organisatie) genoemd. Zoals gezegd: het algemene hoofd van de Nederlandse Missie werd luitenant-kolonel R.P.J.. Derksema. Het hoofdkwartier van de Missie werd evenwel niet in Wiesbaden maar in Bad Salzuflen gevestigd, deels en tijdelijk ook in Bad Oeynhausen. Derksema, die advocaat in Zutphen was geweest, was op 14 mei 1940 vanuit IJmuiden naar Engeland gegaan. In Londen kwam hij in dienst te staan van de Centrale Inlichtingen Dienst (CID) en werd daar de opvolger van F. van 't Sant. Daar heel veel archiefmateriaal in handen van de geallieerden was gevallen moest ook in dergelijke archieven veelvuldig onderzoek door de teams worden verricht. Die documenten bevatten veel incriminerend materiaal tegen tal van verdachten. Het Research Office van de UNWCC had ook veel van zulke dossiers verzameld. Eveneens werd bewijsmateriaal verzameld op verzoek van de SHAEF door de liaison-officieren in de bezettingszones in Duitsland. Die verbindingsofficieren legden hun onderzoeksresultaten vast in rapporten en processen-verbaal. Bood een dossier voldoende aanknopingspunten voor een vervolging van een oorlogsmisdadiger die in Nederland actief was geweest, dan moest men in de meeste gevallen de verdachte naar Nederland zien te krijgen, want slechts enkele Duitse oorlogsmisdadigers bevonden zich aan het eind van de oorlog nog in het land. Andere van oorlogsmisdrijven verdachte Duitsers waren, nadat zij een tijdlang in Nederland hadden gewerkt en daar hun misdrijven gepleegd, overgeplaatst naar posten elders in Europa, wat de opsporing sterk bemoeilijkte. De Nederlandse Missie in Duitsland moest telkens proberen uit te vinden waar een opgevraagde verdachte zich bevond. Ook moest aan de UNWCC te Londen worden verzocht de betrokken verdachte ter beschikking te stellen van de Nederlandse justitie. De opsporing verliep al met al vaak zeer moeizaam. In Nederland kostte het al moeite de namen en verblijfplaatsen van verdachte Duitsers te achterhalen, maar in Duitsland zelf was het gezien de aldaar na de oorlog heersende chaotische toestanden helemaal ingewikkeld de verblijfplaats te weten te komen van degenen, van wie men in ieder geval de namen kende. Uit de NRC van 25 maart 1946 valt enigszins op te maken hoe problematisch het doen van dat opsporingswerk was. Kamerlid Frans Goedhart informeerde er toen naar. De minister van Justitie antwoordde dat het strafrechtelijk optreden nog grotendeels in het stadium van het opsporingsonderzoek verkeerde. 'Voor zoover over voldoende gegevens inzake de identiteit der daders wordt beschikt - van velen hunner zijn vooralsnog namen noch nadere bijzonderheden bekend -, wordt de opsporing met kracht ter hand genomen. Daar de meeste verdachten niet in Nederland verblijven, moet hun overbrenging aan de bevoegde Geallieerde autoriteiten worden gevraagd, hetgeen veel en tijdroovend overleg vereischt'. Intussen verzwaarden de bezettingsautoriteiten in Duitsland de uitlevering van opgevraagden aanzienlijk. Ook uitleveringen vanuit de Amerikaanse en Franse zones verliepen naar verloop van tijd steeds stroever. In de Britse zone werd met ingang van 1 januari 1948 een 'contradictoire' behandeling van uitleveringsverzoeken ingevoerd voor een in Hamburg gevestigd tribunaal, waarbij de verdachten door Duitse advocaten zouden worden bijgestaan. In feite werden toen de uitleveringen stopgezet en kon het voortbestaan van de Nederlandse Missie tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven in Duitsland worden beëindigd. Aangehouden en uitgeleverde oorlogsmisdadigers werden overigens naar de Strafgevangenis te Vught overgebracht. In verband met de beëindiging van de Bijzondere Rechtspleging werden in 1949 maatregelen genomen tot liquidatie van de onder de auspiciën van het ministerie van Justitie nog werkende Nederlandse Missie, nu gevestigd te Herford. De liquidatiewerkzaamheden zouden worden beëindigd per 8 oktober 1949. Nog lopende kwesties werden overgedaan aan de Nederlandse Militaire Missie 'en wel speciaal aan de Hoofdverbindingsofficier in de Britse Zone, de Kolonel der Cavalerie A.D.C. van der Voort van Zijp in Bad Salzuflen'. Het personeelsbestand was nogal gewijzigd, vier jaar nadat de Missie met haar werkzaamheden was begonnen. Hoofd tijdens de liquidatie was mr. F.A. Groeninx van Zoelen, sedert 6 augustus 1947 aan de missie verbonden, die in die functie J.P.G. van Velzen was opgevolgd, die op zijn buurt met ingang van 8 november 1946 het werk van Derksema had overgenomen. Zie voor vervolg de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
De familie Nourij en de familie van der LandeDe familie Nourij Jean Baptiste Lenourrij uit Saint Remy des Landes, een plaatsje aan de Normandische kust, is de oudst bekende voorvader van de familie Nourij. Samen met zijn oom Jacobus Lenourrij vertrok hij in 1741 uit zijn dorp naar elders op zoek naar werk. Waarheen hij vertrok en verbleef tot aan zijn huwelijk is niet bekend. In de lijst van Deventer huisgezinnen uit 1748 komt zijn naam niet voor. Zijn zuster Maria trouwde in 1760 met Jacob Aziv de la Rivière en woonde daarna op het nu nog bestaande kasteel Taillefer bij Saint Remy des Landes. De familienaam Nourij bleef tot het uitsterven van het geslacht in 1879 door het overlijden van Franciscus Gustavus Nourij gewoonlijk met een ij geschreven. Vanaf de oprichting van de firma in 1838 spelde men in het bedrijf de naam, doorgaans in samenstelling met Van der Lande, met een y. Op 12 april 1751 trouwde Jean Baptiste Lenourrij, onder zijn Nederlandse naam Jan Nourij, te Deventer met Johanna Erica Meijer(s). Het paar vestigde zich in de Nieuwstraat op de hoek van de Tibbensteeg in een huis dat eigendom was van Anna Tiers, de ongetrouwde tante van Johanna. Johanna of Janna was op 19 januari 1723 katholiek gedoopt als dochter van Wijte Meijer en Geertruid Tiers. Uit de nalatenschap van haar in 1749 overleden tante werd Johanna het hoekhuis en pakhuis aan de Nieuwstraat toegewezen. Haar tante had het huis in 1728 van Janna's vader overgenomen. Anna Tiers verkocht er koffie en thee. Jan en Johanna zetten de winkel voort en begonnen daarnaast ook te handelen in katoenen garens, omdat op koffie, thee, cacao en tabak accijns werd geheven. Deze genotmiddelen werden als luxeartikelen beschouwd waarop een heffing of impost gerechtvaardigd was. Maar Jan had de inning van de accijns gepacht en de zaken verliepen voorspoedig, zodat hij rond zijn winkel verschillende panden kon kopen. Geleidelijk kwam hij zo in bezit van een gesloten complex gebouwen tussen de Nieuwstraat, de Tibbensteeg en de Bruynssteeg. Verspreid over de stad bezat hij nog meer onroerend goed. De familie zou tot aan haar uitsterven in de Nieuwstraat blijven wonen. Jan en Johanna kregen vijf kinderen. Antonius Jacobus (1762-1810) zou als jongste zoon de zaak van zijn vader overnemen. In hun testament van 1789 hadden zijn ouders vastgelegd dat Antonius aan zijn twee broers en twee zusters in totaal 1900 gouden Carolus guldens moest betalen om de winkel en de handel te mogen overnemen. Antonius Jacobus trouwde in 1790 te Weerselo met Catharina Johanna Kock, dochter van Theodorus Bernardus Kock, een vermogend wijnkoopman en handelaar in leer te Oldenzaal. Toen Catharina in 1795 overleed had zij haar man twee kinderen geschonken: Anna Baptista (1791-1852) en Derk Theodorus Bernardus (1792-1868). Antonius trouwde op 10 september 1796 voor de tweede keer met Maria Elisabeth Seegers (1768-1821), schoondochter van de burgemeester van Elten. Bij haar zou hij vijf kinderen krijgen, de latere Erven A.J. Nourij. Zijn vader Jan Nourij overleed enkele maanden later en werd 23 december 1796 begraven. Met de komst van de Fransen verdwenen voor de katholieken de vroegere beperkende bepalingen voor deelname in het openbaar bestuur. Zo werd Antonius al in 1794 opgenomen in het college van provisoren (bestuur) van het Grote Gasthuis. Tot zijn dood in 1816 zou hij "Opziender en bestierder van de godshuizen" blijven. De winkel en de handel in katoenen garens werden na zijn dood door zijn vrouw Maria overgenomen tot zij in 1821 overleed. De kinderen uit het eerste huwelijk van Antonius Jacobus, Anna Baptista en Derk Theodorus Bernardus, verhuisden naar familie in Oldenzaal. Anna Baptista bleef ongehuwd; haar broer trouwde in 1838 met Johanna Christina Essink (1818-1891), dochter van Anna Catharina van Coevorden. De vijf kinderen uit het tweede huwelijk, de Erven A.J. Nourij, bleven in de Nieuwstraat wonen. Naast de handel in garens begonnen zij zich ook te specialiseren in het verven van de katoen. Voor de fabricage van de verfstoffen werd een pakhuis in de Tibbensteeg ingericht. Door vermenging van het blauwe poeder, gemaakt door vermaling van de kristallen die ontstaan door indamping van zwavelzuurkoper, met lijnolie verkreeg men een uitstekende donkere verf. De benodigde lijnolie bracht hen in contact met Gerardus Johannes Lebuinus van der Lande. Uit de samenwerking tussen de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande ontstond zo in 1839 de firma Noury en Van der Lande. De familie Van der Lande De oudst bekende voorvader van de huidige familie Van der Lande, waarvan het bestaan en de identiteit met zekerheid bewezen kan worden, is Frerick Willemsen. Van hem stammen alle latere katholieke Van der Landes in Deventer af in rechtstreekse lijn. Van alle andere dragers van de achternaam Van der Lande kan dit niet bewezen worden. Frerick was omstreeks 1640 geboren en kocht op 24 juli 1663 het kleinburgerrecht van Deventer. Op 23 augustus van dat jaar trouwde hij met Marritge Dirx (Derks, Dircks), weduwe van Henrick Pieters. Het echtpaar woonde in de Smedenstraat. In het register van namen van de groot- en kleinburgers van Deventer is zijn inschrijving terug te vinden onder "Frerick Willemsz van der Laen, van Delden geboortich". Pas in 1675 wordt hij in het kohier van hoofdgeld vermeld als "Frederick van der Lande en sijn Vrouwe in de Smedenstraat". Vergelijking van bijnamen, woonplaats, leeftijd en naam van de echtgenote moeten in deze tijden van naamsveranderingen en spellingswisselingen uitsluitsel geven over de ware identiteit van de betrokkene. Frederik was katholiek en kon dank zij het verworven burgerschap zijn beroep (blijven) uitoefenen. Aan katholieken kon officieel geen burgerschap verleend worden, zodat zij geen lid van een gilde konden worden en dus hun beroep niet mochten uitoefenen. Op 2 augustus 1727 werd Frederik begraven op het kerkhof naast de Broederenkerk. Zijn oudste zoon Willem (1672-1755) was reeds uurwerkmaker van beroep. Hij trouwde op 20-2-1701 met Lijsbeth Berghuijs van de Stromarkt. Toekenning van het burgerschap was een voorwaarde om aan het openbare leven en het stadsbestuur te kunnen deelnemen. Het recht van openbare godsdienstuitoefening zou te Deventer pas in 1751 worden toegestaan. Tot die tijd moesten de katholieken zich behelpen met schuilkerken. Deze onderdrukking door de kerk van de ware religie maakt het begrijpelijk dat de katholieke Van der Landes sympathie ontwikkelden voor de patriottenbewegingen aan het einde van de achttiende eeuw. Deze beloofden een einde te maken aan de discriminatie van de katholieke gemeenschap in het openbare leven. Zo zetten Gerrit van der Lande (1722-1792) en zijn zoon Willem (1758-1820) hun handtekeningen onder de petities aan het stadsbestuur voor opname van meer bevolkingsgroepen in de magistraat. Willem van der Lande trouwde in 1791 met de rijke Berendina Olthof uit Heeten in het kerspel Raalte. Hij had vertrouwen in de toekomst en kocht in 1793 van de familie Outhuis een huis en erf aan de Brink, het eeuwenoude, grote marktplein in Deventer. Tot dan toe had de familie Van der Lande steeds aan de Smedenstraat gewoond. Met de komst van de Fransen in 1795 verdwenen de beperkende bepalingen voor de katholieken en kwam er een einde aan hun achterstelling bij de gereformeerden. In 1796 werden eindelijk alle godsdiensten voor de wet gelijkgesteld en kwam de scheiding tussen kerk en staat tot stand. In 1799 kregen de katholieken de Broederenkerk toegewezen. De oudste zoon van Willem, Gerrit Johannes Lebuinus (1792-1854), zou de eerste Van der Lande worden met de naam van de stadspatroon van Deventer in zijn doopnamen. Vele latere zonen en ook dochters zouden gedoopt worden met de naam Lebuinus. Willem verkocht in zijn winkel aan de Brink kruidenierswaren, tabak en sterke drank en leverde en repareerde daarnaast ook uurwerken. Later handelde hij tevens in hout en was vooral gespecialiseerd in doodskisten. Hij behoorde duidelijk tot de maatschappelijke bovenlaag van de bevolking, want na zijn overlijden in 1820 werden zijn bezittingen gewaardeerd op 7400, wat een heel kapitaal was in die tijd. De akte van scheiding en deling van zijn nalatenschap geeft het oudste bewaarde overzicht van de bezittingen van de familie Van der Lande. Zijn zoon Gerrit zette de winkel voort en trouwde nog in het jaar van het overlijden van zijn vader op 31 augustus 1820 met de molenaarsdochter Wilhelmina Rensen uit Heeten. Ook hij repareerde uurwerken en breidde het assortiment handelswaren uit met granen, peulvruchten, specerijen en veevoeders. Anders dan zijn vader, die een slordige boekhouding bijhield, was Gerrit veel nauwkeuriger in het administreren van de financiën. Overal waar hij kwam maakte hij aantekeningen van de prijzen van zijn handelswaar. De klantenkring breidde zich gestaag uit buiten Salland, Twente, de Veluwe en de Achterhoek toen hij de eerste handelscontacten met Duitsland en de Aanstreek legde. Toch speelde de economische malaise ook hem parten en zag hij zich gedwongen zijn handelswaar gedeeltelijk zelf te produceren. In 1834 kocht hij daarom met een hoge hypotheek van de gezusters Van Calker een pakhuis en vier woonhuizen in de Bergstraat. Met de paardenmolen perste hij hier uit zaden raapolie voor de olielampen en lijnolie. Dit laatste product bracht hem in contact met de Erven A.J. Nourij, die al langere tijd handelden in verfstoffen. Toen de Erven ook zelf de verfstoffen wilden fabriceren door middel van uitdamping van zwavelzuurkoper, wat grote blauwe kristallen opleverde, die - na vermalen en gemengd te zijn met lijnolie - een uitstekende donkere verfstof opleverden, keken zij uit naar een geschikte handelspartner die hen deze olie kon leveren. In het kleine Deventer moesten beide katholieke families elkaar wel tegenkomen en lag samenwerking tussen hen voor de hand. In 1838 kochten G.J.L. van der Lande en de Erven A.J. Nourij de twee olie-, pel- en cementmolens De Eendragt en De Hoop van Pieter van Delden voor slechts 19.300. Aan de Brink werd het monumentale pakhuis "De drie vergulde Haringen" uit 1575 gekocht om als kantoor te dienen. Op 6 februari 1839 passeerde voor notaris D.J.R. Jordens de oprichtingsakte van de firma Noury en van der Lande. Door de samenwerking met de Erven Nourij verbeterde Gerrit zijn boekhouding en profiteerde hij van de vele handelscontacten die de familie Noury hem verschafte. Johannes Petrus Noury zou zijn handelspartner worden; hij liep stad en land af als handelsreiziger. Zijn technische belangstelling en passie voor wiskunde deden Gerrit al vroeg het grote belang van de nieuwe stoommachine inzien. In 1848 werd dan ook de eerste kolengestookte stoommachine met een vermogen van 19 pk aangeschaft. Dankzij de aanleg van spoorwegen konden in Deventer vanaf 1865 vanuit Arnhem en in 1888 vanuit alle richtingen per trein kolen aangevoerd worden, onafhankelijk van de lage waterstand van de IJssel. G.J.L. van der Lande overleed op 11 oktober 1854 en werd in de firma opgevolgd door zijn oudste zoon Antonius Lebuinus. Antoon stootte de uurwerkhandel af en was, anders dan zijn vader, meer internationaal georiënteerd. Hij maakte vele buitenlandse reizen en was hierdoor goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op handelsgebied. Zo reisde hij in 1855 met zijn vriend, de eerste commies en locosecretaris Jan Poelhekke, naar de wereldtentoonstelling in Parijs waarvan hij een uitgebreid reisverslag maakte. In 1858 was Antoon getrouwd met Anna Maria Borgmeijer uit Zwolle en een jaar later had hij zijn drie zusters uit de firma gekocht. Op 10 juni 1870 was hij reeds voor de helft eigenaar van het bedrijf. In 1871 werd de akte van oprichting van de firma uit 1839 ontbonden en werd een nieuwe firma opgericht. Het aantal vennoten moest verminderd worden. Van de Erven Nourij was alleen Theresia Apolonia Catharina op 33-jarige leeftijd getrouwd met Hermanus Rooseboom. Op 6 oktober 1842 werd hun dochter Hermanna Maria Elisabeth geboren en het liet zich aanzien dat zij de enige erfgenaam van de Erven Nourij zou worden. Op 8 juli 1868 trouwde zij met Everhardus Theodorus Jacobus Wilhelmus Krepel, maar overleed kinderloos in 1871. Toen tussen 1871 en 1875 drie van de vier Erven Nourij kinderloos overleden bleef Franciscus Gustavus Nourij, de Deventerse huisarts, als enige over. Van de beide kinderen uit het eerste huwelijk van zijn vader met Catharina Johanna Kock waren hem vele bezittingen toegekomen. In 1877 maakte hij zijn testament en benoemde A.L. van der Lande als universeel erfgenaam. Toen F.G. Nourij op 26 maart 1879 overleed was Antoon van der Lande voor 19/20 deel eigenaar van de firma. Voor het resterende deel kocht hij de familie Krepel uit op 17 januari 1880. Antoon was nu de enige firmant. In het zakenleven kende hij grote successen en werd hij een rijk man. In zijn huwelijksleven kende hij echter vele tegenslagen. Zo stierven zeven van zijn tien kinderen voor ze de leeftijd van zes jaar hadden bereikt; sommigen stierven al na enkele dagen of maanden. Een dergelijke hoge kindersterfte was heel normaal in deze tijd. Antoon was maatschappelijk actief in de gemeenteraad, de Kamer van Koophandel en de Commissie van Toezicht voor de gemeentelijke gasfabriek. Hij nam deel aan het werk van de Commissie inzake het slopen van de vestingwerken. Daarnaast was hij nog collectant en kerkmeester in de Broederenkerk, regent van het St. Jozef Gesticht en bemiddelde bij de verkoop van grond aan de Cisterciënzer-monniken van de latere abdij Sion bij Diepenveen. Zijn vrouw Anna Maria voerde correspondentie met Mgr. Henricus van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, over de vorming van een tweede parochie in Deventer. In 1904 kwam zodoende de parochie van het Heilig Hart van Jezus tot stand. Antoon had zijn in 1866 geboren zoon Johannes Christiaan Lebuinus voorbestemd om hem in het bedrijf op te volgen. In 1886 deed Johannes (Jan) zijn intrede en toonde zich een ijverige leerling, bewust van zijn toekomstig leiderschap. Zijn jongere broer Wilhelmus Antonius Lebuinus was door zijn vader niet geschikt bevonden leiding te geven aan de firma. Het jaar 1888 werd voor de familie Van der Lande een rampjaar en een keerpunt voor het bedrijf. Terwijl zijn vader in een kuuroord te Wiesbaden probeerde te herstellen van een zenuwontsteking in zijn hoofd, brandden in juli van dat jaar de olie- en meelfabriek in Deventer tot de grond toe af. Jan was net door zijn vader op 11 april 1888 gemachtigd namens hem alle wissels en graancontracten te tekenen en hij moet dan ook met lood in de schoenen naar Wiesbaden zijn vertrokken om het slechte nieuws te vertellen. Op dezelfde plek verrees een grotere en meer moderne meelfabriek dan voorheen. Pas per 1 mei 1894 werd Jan naast zijn vader medevennoot in de firma en mocht hij na diens dood de firma alleen voortzetten. Antoon moest zich in augustus 1895 wegens gezondheidsredenen moest terugtrekken en hij stierf op 19 maart 1896. A.L. van der Lande had een persoonlijk vermogen opgebouwd van bijna 1,5 miljoen gulden, terwijl hij na het overlijden van zijn vader in 1854 maar ruim 8000 had geërfd. J.C.L. van der Lande was op 2 oktober 1889 in Schiedam getrouwd met Wilhelmina Elisabeth Maria Jansen. In 1890 werd hun eerste zoon geboren en tot 1908 zou zijn vrouw nog elf kinderen ter wereld brengen, waarvan er geen enkele op jonge leeftijd zou overlijden, zoals in de vorige generatie. Bij de scheiding en deling van de nalatenschap van zijn vader tekende Jan een schuldbekentenis van 150.490,62 voor zijn jongere broer Willem, die zo uit de firma werd gezet. Jan ergerde zich aan de inzet van zijn broer in het bedrijf. Willem raakte door zijn verkwistende manier van leven ondanks zijn vele geld toch nog in ernstige financiële problemen, zodat hij op verzoek van zijn vrouw Christina Helena Hendrika ten Pol in 1901 onder curatele werd gesteld. Zijn broer Jan en notaris Theodoor George ten Pol, broer van Christine, werden tot curatoren benoemd. Tot zijn dood op 16 augustus 1909 zou Willem in hotel-pension Holtzem te Kleef verblijven onder het waakzame oog van Theodor Sievert. Na het overlijden van zijn moeder op 29 september 1913 werden aan J.C.L. alle roerende zaken van het bedrijf toegewezen, zoals vastgelegd in de akte van scheiding en deling tussen A.L. van der Lande en zijn vrouw. Zijn broer zou een kwart ontvangen, dat aan zijn beide dochters Anna Maria (1895-1977) en Carolina Clotilda Maria (1898-1992) werd toegewezen. Christine hertrouwde in 1914 met Raymond Marquis de Laâge de Meux en verhuisde met haar kinderen naar Bordeaux. J.C.L. van der Lande vervulde in zijn leven tal van maatschappelijke functies. Zo was hij van 1908 tot 1915 voorzitter van de Vereeniging voor de Verbetering van den IJssel. Van 1913 tot 1916 en van 1920 tot 1932 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal voor de Roomskatholieke Staats Partij en hij werd in 1924 benoemd tot voorzitter van de Staatscommissie inzake het Drankvraagstuk. Voor deze verdiensten werd hij in 1926 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Groot was zijn inspanning voor de overbruggingen van de IJssel bij Deventer, van de Waal bij Nijmegen en de Rijn-Schelde-verbinding van Antwerpen. Na het huwelijk van zijn tweede zoon Petrus Lebuinus Maria in 1918 te Tilburg met Maria Justina Straeter maakte Jan met zijn vrouw op de terugweg naar Deventer een tussenstop bij Nijmegen en zagen zij in het nabij gelegen Ubbergen een mooie villa te koop staan. Al langere tijd speelden zijn vrouw en hij met de gedachte te verhuizen uit Deventer naar een plek in Nederland waar hun kinderen meer kans hadden een geschikte katholieke huwelijkskandidaat te ontmoeten. Jan had een afkeer van de omgang van zijn kinderen met andersdenkenden en ongelovigen. Het echtpaar werd het eens en kocht de villa Waalheuvel in Ubbergen van de aan het einde van de Eerste Wereldoorlog geruïneerde Duitse bankier Alfred Hethey. De miljonair had vanaf 1916 de vroegere villa Eik en Berg en pleisterplaats Het Roode Hert grondig verbouwd, uitgebreid en uitermate luxueus ingericht. Het kleine paleis lag ideaal onder aan een beboste heuvelrug langs de Rijksstraatweg van Nijmegen naar Kleef met een prachtig uitzicht over het Nijmeegse rivierenlandschap. Hun dochter Maria Hubertina Wilhelmina trouwde van hier uit in 1927 met Jan Eduard de Quay, de latere minister-president en president-commissaris van Noury en Van der Lande. Na haar zouden nog vele kinderen van Jan en Mina bij hun huwelijk op het bordes van Waalheuvel gefotografeerd worden. Tot hun verhuizing in 1940 naar het pand Oranjesingel 41 in Nijmegen zouden J.C.L. en zijn vrouw er blijven wonen. In 1941 verkocht hij de villa voor de spotprijs van ( 40.000 aan de Nijmeegse aannemers Berntsen en Braam, die het kapitale pand als tussenpersoon voor dezelfde prijs doorverkochten aan de Congregatie van de Zusters van de Choorstraat. Nadat hij in 1935 als directeur was afgetreden vierde Jan in 1936 op grootse wijze zijn 70e verjaardag. Bij die gelegenheid werd hij tot ereburger van Deventer benoemd en onderscheiden als Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Bij hun gouden huwelijksfeest in 1939 telde het echtpaar Van der Lande-Jansen meer dan 50 kleinkinderen. Vanaf 1941 was J.C.L. vaak langere tijd aan zijn bed gekluisterd en op 20 februari 1943 overleed hij te Nijmegen. Zijn stoffelijk overschot werd na de uitvaartdienst in Nijmegen per trein naar Deventer vervoerd, waar onder grote belangstelling vanaf het kantoor aan de Brink een lange rouwstoet vertrok naar de Roomskatholieke begraafplaats, waar zijn lichaam werd bijgezet in het familiegraf. J.C.L. van der Lande is zonder twijfel de belangrijkste man in de geschiedenis van het bedrijf Noury en Van der Lande geweest. Onder zijn leiding groeide de NV uit tot een groot wereldwijd bekend concern. Na zijn overlijden werd door de Duitse autoriteiten M.H.H. Franssen aangesteld als Verwalter en belast met het beheer van het vermogen van de deelgerechtigden in de boedel van J.C.L. van der Lande die in de vijandelijke gebieden woonden. De afwikkeling van de boedelscheiding zou nog jaren op zich laten wachten omdat de preferente B-aandelen, die recht gaven op een bindende voordracht bij de benoeming van directieleden en commissarissen, tot de onverdeelde boedel gingen behoren. Na het overlijden van W.E.M. van der Lande-Jansen op 17 maart 1954 werden deze aandelen gelegateerd aan de naar haar genoemde Stichting. Op 1 juli 1958 kon de boedelscheiding worden afgerond met de oprichting van de NV Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen. Van de zonen van J.C.L. van der Lande heeft Petrus Lebuinus Maria (1891-1979) de meeste stukken in het familiearchief nagelaten. Hij trad vooral in de voetsporen van zijn vader en kwam al in 1913 in het bedrijf te werken. Al spoedig werd Piet directeur van de Overijselsche IJzergieterij. Van 1916 tot 1919 vervulde hij deze functie bij de NV Bergerode. In 1919 werd hij in de directie van Noury en Van der Lande opgenomen en was vanaf 1921 belast met de leiding van de olie- en meelsector. Tussen de beide Wereldoorlogen was hij o.a. directeur van Novadel Deventer en de Handelsmaatschappij en commissaris van vele andere NV's. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij een volledige volmacht van de NV bij de leiding van de wederopbouw van de verwoeste Oelwerke in Emmerich. Van 1952 tot 1957 steeg het aantal werknemers bij de Oelwerke van 10 naar 220. Evenals zijn vader was Piet in zijn 43-jarige loopbaan bij Noury en Van der Lande lid van talrijke verenigingen en commissies op sociaal-economisch gebied. Een greep uit de vele functies die hij bekleedde laat dit zien: medeoprichter van de Jonge Katholieke Werkgeversvereniging, lid van de gemeentelijke Commissie voor de Volksconcerten, bestuurslid van de Deventer Oranje Vereniging, vicevoorzitter van het Centrum voor Katholiek Sociaal Werk. Belangrijk voor het bedrijf waren zijn bestuursfuncties bij de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten en de Vereniging voor Inheemse Tarweafnemers. Op 13 mei 1931 werd hij door Koningin Wilhelmina benoemd in de Commissie van Advies voor de uitvoering van de Tarwewet 1931. Voor al deze verdiensten werd hij in 1938 bij het 100-jarig bestaan van het bedrijf benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. In 1957 nam Piet op 65-jarige leeftijd afscheid van de NV. De W.E.M. van der Lande-Jansen Stichting Na het overlijden van J.C.L. van der Lande op 20 februari 1943 werden de in totaal 3000 gewone A-aandelen eigendom van zijn vrouw en zijn twaalf kinderen. W.E.M. van der Lande- Jansen erfde 58 B- of preferente aandelen. Aan de 60 B-aandelen was het recht verbonden van het opmaken van een bindende voordracht van twee personen bij de benoeming van een directeur of een commissaris. De AVA was verplicht uit de voordracht te kiezen. Daarnaast waren besluiten van de AVA over het aantal directeuren, commissarissen en wijziging van de statuten onderworpen aan de goedkeuring van de houders van B-aandelen. In 1932 had J.C.L. van der Lande al twee B-aandelen overgedragen aan de commissarissen J.C.Th. Resius en H. Kronenberg. Deze oligarchische clausule in de statuten was door Van der Lande bedoeld om zich zelf en na zijn overlijden zijn vrouw een zekere zeggenschap te geven bij de benoeming van de directeuren van de NV. Wanneer er na het overlijden van beiden geen (groep van) personen of stichting zouden zijn, die een natuurlijk recht op het bezit van de preferente aandelen konden laten gelden, dan zou hun bestaansrecht ophouden. Om dit te voorkomen en om haar kinderen toch te verzekeren van een grote zeggenschap over deze aandelen moest er tijdens het leven van W.E.M. van der Lande-Jansen een stichting opgericht worden waaraan de B-aandelen gelegateerd konden worden. Op deze manier kon worden voorkomen dat de aandelen gelijk over de twaalf kinderen verdeeld raakten en in de toekomst mogelijk door verkoop in handen van derden zouden raken. In 1945 kwam er een J.C.L. van der Lande Fonds tot stand. In de stichtingsakte van de Nijmeegse notaris H.C.W. van Schaik uit 1946 was bepaald dat W.E.M. van der Lande-Jansen gedurende haar leven enige bestuurster zou zijn en dat de stichting niet vóór haar dood opgeheven kon worden. Doel van de stichting was "de maatschappelijke handhaving van het geslacht Van der Lande en behartiging hunner moreele en finantieele belangen" (art. 2). Na het overlijden van mevrouw Van der Lande zou het bestuur berusten bij een college van vijf natuurlijke personen bestaande uit twee commissarissen, een directeur van NL en twee A-aandelenhouders, die tevens bloedof aanverwanten van de stichteres moesten zijn (art. 13). De grote macht die aan de kleine hoeveelheid van 60 B-aandelen toekwam maakte het noodzakelijk dat ze in stand gehouden moesten worden om in de toekomst NL uit handen van derden te houden. De stichting moest de aandelen beheren en vóór de vergaderingen van aandelen B-houders bepalen hoe er gestemd diende te worden door de leden. Een voorstel van de heer Resius uit 1947 het aantal bestuursleden van de stichting uit te breiden tot 17 (twaalf kinderen en vijf commissarissen werd niet door notaris Van Schaik overgenomen in zijn nieuwe ontwerp voor een stichtingsakte. Bij deze op 14 april 1948 verleden akte werd door de inmiddels 79-jarige mevrouw Van der Lande de Van der Lande Stichting opgericht. De doeleinden van de stichting waren onveranderd gebleven. Gedurende het leven van de stichteres en zolang zij houdster van de B-aandelen was kon de stichting niet opgeheven worden. Na het overlijden van de heer Resius in 1951 werd zijn aandeel B een jaar later overgedragen aan commissaris B.H.A. van Kreel. In 1953 gaf een driemanschap bestaande uit de heren P. van Berkum, B.J.M. van Spaendonck en J. Kraayenhof mevrouw Van der Lande op haar verzoek het advies opnieuw een stichting op te richten waarvan het bestuur ditmaal uit zeven personen zou bestaan: twee directeuren van NL, twee vertegenwoordigers van de twaalf staken en drie complete buitenstaanders, die ook niet aan de familie verwant mochten zijn. Lid van een staak was ieder kind van J.C.L. van der Lande en de gezamenlijke afstammelingen van dat kind in rechte lijn en de echtgenoot van dat kind of afstammeling. De bedrijfsjurist van NL, de heer R.M. Lievaert, maakte vervolgens een ontwerp voor een stichtingsakte, die op 8 juli 1953 passeerde bij notaris Van Schaik. Een door de familievergadering ingestelde commissie bestaande uit Prof. Dr. J.E. de Quay, Mr. L.N. Deckers, Ir. W.H.F. Coebergh en P.L.M. en W.J.L. van der Lande besloot op 17 augustus 1953 mevrouw Van der Lande te verzoeken artikel vier te laten wijzigen, zodat uit de Raad van Commissarissen drie leden benoemd zouden worden in het bestuur van de stichting. Omdat W.E.M. van der Lande-Jansen op 85-jarige leeftijd haar einde voelde naderen drong zij aan op eensgezindheid onder haar kinderen. B.L.M. van der Lande wilde zelfs de rechter vragen de nietigheid van de stichting uit te spreken. Na een volgende familievergadering op 17 december 1953 besloot mevrouw Van der Lande weer enkele nieuwe bepalingen in de nieuwe stichtingsakte op te nemen, die op 20 januari 1954 werd verleden. Het doel van de W.E.M. van der Lande-Jansen Stichting was nu volgens artikel 2: "1. De bevordering van de bloei en de welvaart van de ondernemingen van de Koninklijke Industrieele Maatschappij Noury & Van der Lande NV [...] en [...] gelieerde en onderhorige maatschappijen; 2. te bevorderen, dat de mannelijke nakomelingen van wijlen de heer J.C.L. van der Lande [...], die zelf de naam Van der Lande dragen, zoveel mogelijk in de leiding van de vennootschap worden opgenomen, echter alleen voor zover zulks mede bevorderlijk is voor het bereiken van het onder 1. genoemde doel." Het College van Bestuurders bestond nu uit zeven leden: drie commissarissen van NL, twee directieleden en twee leden aangewezen uit de houders van de elf stichtingsbewijzen die leden van de staken zijn en waarvan geen lid tevens directeur is van de vennootschap. Uitgezonderd A.L.M. van der Lande, de oudste zoon van mevrouw Van der Lande, werden alle kinderen van J.C.L. van der Lande en de weduwe van de in 1949 overleden J.A.L. van der Lande ingeschreven in het stichtingsregister. Op 17 maart 1954 stierf W.E.M. van der Lande-Jansen en werd J. Kraayenhof aangesteld als executeur-testamentair in haar nalatenschap. Na het overlijden van de heer Kronenberg in hetzelfde jaar bood zijn weduwe het aandeel B no. 59 ter overname aan bij de Stichting. Met ingang van 1 januari 1957 trad de Wet op de Stichtingen in werking. Een stichting mocht voortaan niet meer als doel hebben het schenken van uitkeringen aan de oprichters, tenzij deze uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Artikel 14 van de statuten, waarin geregeld werd dat het batig saldo van een kalenderjaar uitgekeerd moest worden aan de stichtinghouders, diende aangepast worden vóór 1 januari 1960. Na de statutenwijziging van 1959 kon het batig saldo voortaan ook bestemd worden aan "doeleinden, overeenstemmend met de godsdienstige of maatschappelijke overtuiging, welke de oprichtster heeft aangehangen." Het aandeel B van de heer Van Kreel werd in 1959 aangekocht zodat de Stichting nu alle preferente aandelen in haar bezit had. Voor de uitwerking van artikel twee van de statuten werd Prof. Dr. J.E. de Quay, getrouwd met een dochter van J.C.L. van der Lande, gevraagd een gedragslijn te ontwerpen voor de beoordeling van de geschiktheid van de mannelijke nakomelingen van J.C.L. van der Lande voor een leidinggevende topfunctie bij NL. In 1961 werd de richtlijn vastgesteld. In het vervolg bracht de beoordelingscommissie van de Stichting over elke sollicitant uit de familie Van der Lande een niet bindend advies uit aan de directie over de geschiktheid van de kandidaat voor een leidinggevende functie binnen het bedrijf. Dragers van de familienaam Van der Lande kregen bij gelijke geschiktheid voorrang boven anderen. Afstammelingen van J.C.L. van der Lande die niet de naam Van der Lande droegen werden gelijk gesteld met alle andere sollicitanten. Hoofddoel van deze richtlijn was het voorkòmen van de benoeming van minder geschikte leden van de familie op belangrijke posten binnen de NV. De Quay werd na de beëindiging van zijn minister-presidentschap voorzitter van de beoordelingscommissie, waarbij hem zijn kennis van de psychologie goed van pas kwam. In 1979 werden de statuten van de Stichting geheel gewijzigd en opnieuw vastgesteld door het enig overgebleven bestuurslid De Quay. Gelijktijdig met de benoeming van Petrus Bernardus Lebuinus Maria, Erik Johannes Petrus Lebuinus en Maarten Louis Bernard van der Lande in het bestuur zou De Quay aftreden. Het dienen van de familiebelangen van de nakomelingen van mevrouw W.E.M. van der Lande- Jansen door het bevorderen van de onderlinge familiebanden zou voortaan het doel van de Stichting zijn. Zij tracht dit te bereiken door het bijhouden van een familieregister en het verzamelen en in stand houden van het familiearchief. P.B.L.M. van der Lande werd door de andere bestuursleden aangewezen als voorzitter van de Stichting en hij heeft deze functie tot zijn dood in 1998 vervuld. Geschiedenis van het bedrijfDe Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande De firma Noury & Van der Lande werd 6 februari 1839 opgericht. Op deze datumpasseerde voor notaris D.J.R. Jordens te Deventer de akte van oprichting van de firma. Nourij werd voortaan geschreven met een y. Als begindatum werd 6 september 1838 aangemerkt omdat op deze dag door de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande de olie-, pel- en cementmolens "De Hoop" en "De Eendragt" op gezamelijke rekening werden aangekocht voor slechts ( 19.300. Beide molens lagen buiten de Deventer vestingmuren ten zuiden van de stad op de Teuge langs de Koerhuisbeek. "De Eendragt" zou al spoedig worden verkocht, afgebroken en herbouwd te Dordrecht. Met de pel- en oliemolen "De Hoop" werd uit raap- en lijnzaad olie geperst. Het restprodukt verwerkte men tot veekoeken. Daarnaast werd er gerst gepeld en Andernacher steen tot cement vermalen. De aanleiding tot het aangaan van een samenwerkingsverband tussen de Erven A.J. Nourij en G.J.L. van der Lande vormde de wederzijdse belangstelling voor de productie van lijnolie. De Erven hadden een winkel en dreven handel in katoenen garens. In verband met de economische crisis, die ook Deventer teisterde in de jaren twintig van de 19e eeuw, besloten de Erven andere mogelijkheden te onderzoeken. Ze begonnen handel te drijven in verfstoffen en startten al spoedig met de fabricage daarvan. In hun pakhuis in de Tibbensteeg te Deventer werd begonnen met uitdamping van zwavelzuurkoper, ook blauwe vitriool genoemd. Er ontstond door dit proces een blauw poeder dat vermengd met lijnolie een waterbestendige verfstof opleverde die uitstekend geschikt was voor het bewerken van scheepsrompen tegen de aangroei van algen en schelpdieren. Het was hun wens naast de productie van de verfstof ook de verf te gaan maken met zelf geproduceerde lijnolie. De behoefte aan het ontbrekende product lijnolie bracht hen zo in contact met G.J.L. van der Lande. Hij bezat een winkel in kruidenierswaren gunstig gelegen aan de Brink, het grote marktplein in Deventer. Al snel verkocht hij ook allerlei artikelen als lijn- en raapkoeken, maïs, grutten, bloem, bonen en aardappelen. Rond 1825 begon hij op de markten in de omtrek van Deventer graan, oliezaden, bonen e.d. te kopen met de bedoeling deze producten te verhandelen. Ook G.J.L. ondervond hinder van de economische crisis. Door de dalende koopkracht van de boeren en burgers was het handeldrijven niet meer rendabel genoeg en moest ook hij naar andere inkomstenbronnen omzien. In 1834 kocht Van der Lande aan de Bergstraat een pakhuis met erf en twee ernaast gelegen woonhuisjes. Met een primitieve paardenmolen werden raap- en lijnzaden verwerkt tot respectievelijk raap- en lijnolie en werden van het overblijvende schroot veekoeken vervaardigd. De Erven en G.J.L. besloten samen de gok te wagen. Buiten de pel- en oliemolens kochten zij het op de Brink te Deventer gelegen monumentale historische pand "De drie vergulde Haringen" om er hun kantoor in te vestigen. De Nourij's brachten ruime administratieve kennis in en hadden veel Duitse handelscontacten. G.J.L. was de technicus en pragmaticus en tevens degene die het grootste stempel op de onderneming drukte. Hij was een veelzijdig man en behield zijn kruidenierswinkel, waar hij ook het beroep van horlogemaker uitoefende. Zijn privéhandel bleef bestaan, hoewel zijn aandacht steeds meer door de firma in beslag werd genomen. Om de arbeiders bij aanhoudende windstilte aan het werk te houden kocht de firma in 1846 bij Haarle in de gemeente Hellendoorn 45 bunder heide, woeste grond en bos die zij dan konden ontginnen. Het probleem van de niet draaiende molen werd opgelost door de aanschaf van een stoommachine in 1848. G.J.L. van der Lande toonde hiermee zijn vooruitziende blik in een tijdperk waarin de stoommachine nog als een werktuig van de duivel werd gezien! In Aken werd een tweedehands stoommachine van 19 pk gekocht die met paard en wagen naar Deventer vervoerd moest worden in deze tijd zonder spoorwegen. De firma bezat nu een der eerste door stoomkracht aangedreven olieslagerijen en meelfabrieken in Nederland. Het bedrijf kon nu onafhankelijk van de wind tarwemeel malen, het personeel beter aan het werk houden en zodoende de productie sterk uitbreiden. Op het terrein naast de molen "De Hoop" werd een fabrieksgebouw gevestigd. De firmanten noemden zich geen molenaar meer maar fabrikant. Iedere fabrikant had in die tijd een eigen afzetgebied; Nederland was in regio's verdeeld en men respecteerde elkaars klantenkring. Het was een ongeschreven wet dat men geen klanten probeerde te winnen buiten het eigen gebied. Er bestond geen keiharde concurrentie en de fabrikanten gingen dan ook vriendschappelijk met elkaar om. Door onderlinge huwelijken werden de banden nog nauwer aangehaald. In dit kleine wereldje zou de volgende generatie Van der Lande het roer overnemen. De Erven A.J. Nourij en A.L. van der Lande Van 1838 tot 1854 werd het bedrijf hoofdzakelijk geleid door J.P. Nourij en G.J.L. van der Lande. In 1853 had de firma 6 man personeel. De toekomstperspectieven voor de zoon van G.J.L. van der Lande waren nog steeds niet erg gunstig: de IJssel zorgde door zijn lage waterstand al tientallen jaren voor problemen. Hierdoor bleven de Rijn en het Duitse achterland slecht bereikbaar. De aanleg van de eerste spoorwegen zou nog lang op zich laten wachten, zodat het vervoer grotendeels over de slechte wegen moest geschieden. Op 11 oktober 1854 overleed G.J.L. van der Lande en werd zijn zoon Antonius Lebuinus firmant. Onder zijn leiding breidde het bedrijf zich sterk uit. Hij had het geluk echter aan zijn kant toen in 1855 de accijns op het gemaal werd afgeschaft. Meteen besloot hij over te gaan op het malen van tarwemeel. Meer dan zijn vader was hij internationaal georiënteerd en maakte vele buitenlandse reizen. Zo was hij goed op de hoogte van nieuwe handelsgebruiken, marktprijzen en technieken. Ook had A.L. van der Lande zijn tijd mee toen eindelijk werd besloten de IJssel tot een groter vaardiepte uit te baggeren. In 1859 liet hij de eerste door hem gecharterde graanschepen naar Dantzig varen. Het onderhouden van de contacten met commissionairs en handelaren liet hij voortaan over aan zijn vertegenwoordigers. In plaats van persoonlijke gesprekken met zijn afnemers gaf hij eigen prijscouranten uit en voerde eigen handelsmerken in. Toch bleef hij zeker de eerste decennia meer handelaar dan fabrikant. Rechtstreeks of via importeurs werd graan uit Amerika ingevoerd en werden contracten gesloten met firma's in Amsterdam, Antwerpen, New Orleans, Philadelphia en New York. In 1868 brandden de meelfabriek en de molen tot de grond toe af. De molen werd niet meer herbouwd. Een grotere fabriek, die nu uitsluitend werd aangedreven door stoomkracht, verrees op dezelfde plek en in 1876 had de firma 25 man in dienst. De meelfabriek zou in de komende decennia nog ettelijke keren worden uitgebreid. In 1871 kocht Anton zijn drie zusters uit de firma en ging een nieuw vennootschapscontract aan met de Erven A.J. Nourij. In dit contract werd bepaald dat hij na het overlijden van het laatste lid van de Erven Nourij de firma alleen mocht voortzetten. Toen in 1879 F.G. Nourij als laatste mannelijke nazaat der Nourij's stierf werd hij aldus de enige firmant. Wel zou de naam Noury in het bedrijf blijven voortleven in produkt- en bedrijfsnamen. De privéhandel ging vanaf dat moment geheel in de firma op. In 1878 werd het pand Brink 13 uitgebreid en verbouwd tot een groot winkel-woonhuis annex graanpakhuis. De omzet van de handel in granen, zaden en veevoeder nam zo sterk toe dat Anton in 1887 op het Pothoofd te Deventer aan het Overijssels Kanaal een groot pakhuis liet neerzetten. Tevens werden er in Zutphen, Zwolle en Groningen graandepots aangelegd. Hij werd een vermogend man en behoorde tot de aanzienlijke burgers van Deventer. In de zomer van 1888 sloeg echter het noodlot opnieuw toe. Zowel de olie- als de tarwemeelfabriek werden geheel in de as gelegd. Na deze ramp besloot Anton tot herbouw van de meelfabriek in Deventer op de Teuge. De oliefabriek werd echter in Kleef in Duitsland opnieuw gebouwd. Tot de bouw van de oliefabriek "Hollandia" in Kleef aan het Spoykanaal, net over de Duitse grens, werd besloten omdat in Nederland een grote concurrentie op het gebied van olieproductie en -afzet was ontstaan en de buurlanden de eigen markt gingen beschermen door het heffen van hoge invoerrechten. De afdeling veevoederfabricage werd overgebracht naar een nieuw ingerichte fabriek aan de Handelskade te Deventer. Hier werd het restproduct van het vermalen lijnzaad, dat vanuit de Duitse oliefabriek werd aangevoerd, tot veekoeken verwerkt. Samengevat kan gezegd worden dat A.L. van der Lande, als eerste echte moderne industrieel, het degelijke fundament heeft gelegd onder NL. Zijn zoon zou hierop het bedrijf tot volle ontwikkeling brengen. J.C.L. van der Lande De zoon van A.L. van derLande werd op 4 april 1894 door middel van een onderhandse akte tot medevennoot van de firma verklaard. Johannes (Jan) kwam in 1886 in de firma te werken tegen het salaris van een klerk, maar was door zijn vader voorbestemd de leiding van de onderneming over te nemen. Jan was sinds de tweede helft van de jaren tachtig gemachtigd zijn vader bij afwezigheid te vervangen. Op 19 maart 1896 stierf Antoon en werd Jan directeur van het bedrijf. Door de opkomst van de coöperatieve in- en verkoopverenigingen konden de boeren voortaan gezamenlijk grote hoeveelheden granen en veevoeders inkopen en zodoende lagere prijzen bedingen, waardoor de graanhandel weinig lucratief meer was geworden voor de firma. In 1905 besloot J.C.L. dan ook de handel in granen af te stoten, zodat het accent nu geheel kwam te liggen op de olieproductie, het malen van graan en het veredelen van graanprodukten. Het graanpakhuis aan het Pothoofd werd in 1912 verkocht aan de firma Kappelle. Een directe kanaalverbinding van de meelfabriek met de IJssel kwam in 1898 gereed. De schepen konden nu in de eigen haven gelost worden met elevators die het graan rechtstreeks via de transportband in de opslagsilo's brachten. In dit jaar werkten er 42 arbeiders in de meelfabriek. Zij maakten lange dagen van 's morgens 8 uur tot 's avonds 7 uur met een lange pauze van twee uur in totaal. Pas in 1902 kreeg het kantoorpersoneel drie vakantiedagen per jaar en in 1922 werd de vrije zaterdagmiddag ingevoerd. Rond de eeuwwisseling kon er 67 ton tarwe per dag gemalen worden en hadden de silo's een totale opslagcapaciteit van 2.500.000 kilo. Automatische brandmeldings- en blusinstallaties moesten vanaf 1907 rampzalige branden voorkomen. In 1905 werd besloten tot de bouw van een oliefabriek te Emmerik aan de Rijn in Duitsland, die op 1 maart 1908 in gebruik werd genomen. Aangezien het bedrijf te Kleef danig uit zijn voegen begon te barsten en het stadsbestuur bovendien niet erg bereidwillig reageerde op verzoek van NL het Spoykanaal op een grotere vaardiepte te brengen was de maat vol voor J.C.L. van der Lande. Door de lage waterstand in het kanaal was de fabriek immers meerdere keren per jaar onbereikbaar voor de schepen. Voor het vervoer van de olie had de firma de twee tankschepen Taventa en Embrica in de vaart. Later werden daar nog de Alhena en de Davo aan toegevoegd. Deze schepen werden ingezet om het hoofdafzetgebied in Zuid-Duitsland te kunnen bevoorraden. In 1897 werden er in Mannheim aan de Neckarhaven en in 1907 aan de haven van Karlsruhe oliedepots gebouwd. Van firma naar naamloze vennootschap en multinational Het jaar 1911 vormt een mijlpaal in de geschiedenis van het bedrijf Noury & Van der Lande. In dat jaar werd de firma omgezet in twee afzonderlijke N.V.'s. Het bedrijf te Deventer heette vanaf dat moment de N.V. Industriële Maatschappij Noury & Van der Lande. De oliefabriek te Emmerik werd voortgezet onder de naam Oelwerke Noury & Van der Lande GmbH. Organisatorisch veranderde er niet zo veel, want J.C.L. bleef directeur over beide fabrieken. Vóór 1911 was er al sprake van een omvangrijke uitbreiding van het bedrijf, maar na 1911 kwam de onderneming pas echt in een ware stroomversnelling terecht. Vanaf die tijd werden er allerlei dochtermaatschappijen in het leven geroepen en werd het toch wat eenzijdige pakket aan producten sterk uitgebreid. In 1913 vierde het bedrijf zijn 75-jarig bestaan en werd er een jubileumboek uitgegeven. Ook kwamen er in 1911 acht silo's bij de meelfabrieken waarmee de opslagcapaciteit steeg tot zestig miljoen kilo graan. De nieuwe B-molen bij de meelfabriek kwam in 1915 gereed. De productie steeg tot 180 ton gemalen graan per dag. Het personeelsbestand groeide na de Eerste Wereldoorlog sterk, zodat in december 1918 de drie ploegendienst werd ingevoerd, tegelijk met de achturige werkdag. In dit jaar schafte het bedrijf ook de eerste vrachtwagens aan. Met hun ijzeren banden veroorzaakten zij veel geluidshinder en daarom mocht er vaak niet sneller dan 10 kilometer per uur mee gereden worden over de nog steeds gebrekkige wegen. Het wachten was op een goede spoorwegaansluiting van het bedrijf. Na jarenlange onenigheid met de gemeente Deventer over de financiering van de aansluiting van de meelfabriek op het spoorwegennet kwam in 1928 de spoorlijn tot stand. De fabriek in Emmerik was al in 1926 met de Gelderse Stoomtram vanuit Deventer via Zutphen, Doetinchem en 's-Heerenberg bereikbaar geworden. In de periode 1913-1938 maakte de onderneming een enorme groei door. In Nederland werd de bruinkoolgroeve Bergerode in 1917 verworven en tot exploitatie gebracht ter voorziening in het dreigende brandstoftekort. De stoomolie- en veekoekenfabriek "Friesland" werd opgericht. Er werden een hele serie dochterondernemingen opgericht: de Overijselsche IJzergieterij, de Handelsmij., Novadel, Mercator, ECI Roermond, Trecma, Nourypharma en Demba Deventer. In België begon de verkooporganisatie Demba België haar werkzaamheden en in Duitsland ontstond Oxydo als volle dochter- onderneming van de Oelwerke. In Engeland begon NL met een verkoopkantoor Novadel Ltd. te Londen dat al snel werd uitgebreid met een fabriek en laboratorium te Gillingham. In Frankrijk werd in 1931 te Venette aan de Oise (bij Compiègne) de oliefabriek La Nourylande opgericht, die twee jaren later werd uitgebreid met de gistfabriek Socine en een perboraatfabriek. J.C.L. van der Lande had voor iedere zoon een bedrijf in gedachten waar deze directeur kon worden. In de Verenigde Staten en Canada was NL in die jaren actief met het bouwen van fabrieken voor de productie van meelverbeteringsmiddelen. In 1938 had het bedrijf ongeveer 25 dochterondernemingen in binnen- en buitenland, wat een goede reden vormde het 100-jarig bestaan in dat jaar op grootscheepse manier te vieren. Er werd opnieuw een jubileumboek uitgegeven en het personeel en de zakenrelaties vermaakten zich op een speciale feestdag. De directie kreeg van het personeel een serie door Joep Nicolas ontworpen gebrandschilderde ramen aangeboden, die in de hal van het Deventer hoofdkantoor werden aangebracht. Op de plaats waar de vroegere molen had gestaan werd een bronzen gedenkplaat onthuld, het tastbare resultaat van een inzamelingsactie onder het gehele personeel. Ook werd een startkapitaal gestort in het bedrijfspensioenfonds. In 1939 werd NL het predicaat "Koninklijke" verleend. Samenvattend kan gesteld worden dat in de periode tussen de twee wereldoorlogen de bedrijfstakken van de olie- en meelindustrie werden uitgebreid en de chemische tak opkwam en zich sterk uitbreidde. J.C.L. van der Lande was zich goed bewust van het grote belang van het baanbrekend onderzoek door bekwame chemici in de eigen laboratoria van NL. Onder zijn bezielende leiding was NL uitgegroeid tot een groot concern en multinational. De Tweede Wereldoorlog kwam NL niet zonder kleerscheuren door. Op 25 augustus 1940 werd de meelfabriek getroffen door een gericht Engels bombardement dat grote schade aanrichtte. De fabriek was namelijk gedwongen tarwemeel aan Duitsland te leveren en als zodanig een strategisch doelwit geworden. In de latere oorlogsjaren bleef de meelfabriek gespaard en kreeg zij een belangrijke rol bij de voedselvoorziening. De Oelwerke te Emmerik werden toen door de geallieerden wel als een vijandig object beschouwd. Op 14 juni 1944 werd de oliefabriek bij een aanvalsgolf door een bommenregen voor een groot deel verwoest. Van de 50 aanwezige arbeiders vonden er 22 de dood in het puin en de vlammenzee. J.C.L. van der Lande maakte dit niet meer mee; hij overleed op 20 februari 1943. Enkele personeelsleden van NL moesten hun actieve deelname aan verzetshandelingen met de dood bekopen: zij werden als saboteurs terechtgesteld. Bij de bevrijding van de omgeving van Roermond zagen de wegvluchtende Duitsers nog kans op 28 februari 1945 de waterkrachtcentrale van de ECI op te blazen. Pas op 10 mei 1948 kon de herbouwde centrale weer in gebruik genomen worden. Van Noury naar AKZO De veranderde omstandigheden na de oorlog noodzaakten NL tot diverse aanpassingen in de organisatie van het bedrijf. De chemische bedrijfstak werd steeds belangrijker. Er kwamen nog enkele dochter-NV's bij zoals Lispin in Herkenbosch en OCI in Deventer, gehuisvest in de gebouwen van de inmiddels opgeheven Overijselsche IJzergieterij bij de meelfabriek. Andere dochtermaatschappijen veranderden van naam: de Handelmaatschappij werd ECI Deventer en de Exploitatiemaatschappij ging verder onder de naam Kemias, toen de productie en verkoop van insecticiden en onkruidverdelgers gestopt werd. Verder werden er enkele joint-ventures aangegaan, zoals Noury-Baker, Noury-Rumianca en Noury-Fluminenze. Deze joint-ventures worden opgericht wanneer er aan de bedrijfsvoering bij toepassing van nieuwe technieken grote risico's zitten. De betrokken partijen richten in zo'n geval een gemeenschappelijke dochteronderneming op waarin de benodigde technische kennis en financiën samengebracht worden. In 1958 werd een belangrijke reorganisatie doorgevoerd op basis van het rapport Luyck. Om de aandelen van de vennootschap in het bezit van de familie Van der Lande te regelen werd de NV Gemeenschappelijk Bezit van Aandelen NL opgericht. Het 125-jarig bestaan van NL in 1963 werd gevierd met een feestelijke bijeenkomst in de Deventer Schouwburg en diverse plaatselijk culturele instellingen werden gesteund door donaties. Er werd een geldinzamelingsactie georganiseerd voor de bouw van een Rode Kruisgebouw aan de Calcarstraat. Er kwam een bedrijfsfilm tot stand getiteld "Facetten van een veelzijdig bedrijf. 125 jaar Noury en van der Lande" en de gemeente Deventer schreef het bedrijf bij in het Gulden Boek van de stad. Medewerkers in binnen- en buitenland boden een staande klok aan; de vergaderkamer van directie en commissarissen werd opnieuw ingericht in het nieuwe hoofdkantoor bij de meelfabriek. Vele jubileumgeschenken hebben tegenwoordig een plaats gekregen in het stadhuis of het museum "De Waag" aan de Brink. Toen de heer X.F. Walboomers zich in 1962 tot de directie van NL richtte met het verzoek om in het kader van zijn studie geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een doctoraalscriptie te schrijven over de ontwikkeling van NL tot 1900 kreeg hij hiervoor al gauw toestemming. Men liep bij NL al enige tijd met de gedachte rond de geschiedenis van het bedrijf op schrift te stellen. Toen de heer Walboomers zijn doctoraalexamen behaalde in 1964 besloot de Raad van Beheer op 14 mei 1965 hem toestemming te verlenen tot het schrijven van een proefschrift over de geschiedenis van NL in de periode 1838 tot 10 mei 1965 (datum besluit tot fusie van NL met KZO), gezien tegen de achtergrond van de sociaaleconomische verhoudingen in Nederland in het algemeen en Deventer in het bijzonder. Overeengekomen werd dat de studie over het bedrijf tot 1965 verricht zou worden. Tot een promotie van de heer Walboomers op de geschiedenis van NL is het echter niet gekomen. In 1970 verscheen er van zijn hand een boekje getiteld De familie Nourij en de familie Van der Lande, dat verzonden werd aan alle familieleden boven de 14 jaar (inv. nr. 403). De veranderingen in de organisatie van bedrijven volgden elkaar in steeds sneller tempo op in de jaren vijftig en zestig. De economische groei en de groeiende concurrentie dwongen tot een proces van steeds verder gaande samenwerking en schaalvergroting om het hoofd boven water te kunnen houden. NL was in 1965 een groot concern geworden met een totaal personeelsbestand van 845 mensen. 10 mei 1965 fuseerde NL met de NV Koninklijke Zwanenberg-Organon groep (vleeswaren en geneesmiddelen; KZO I), waarin ook de wasmiddelenfabrikant Kortman & Schulte was opgegaan. Er ontstond een Chemische Divisie NL, waarin alle chemische activiteiten van KZO werden ondergebracht. De farmaceutische activiteiten werden overgebracht naar Organon Chemical Oss en Apeldoorn. De familievennootschap ruilde haar aandelen om voor KZOaandelen en was dus opgegaan in een open vennootschap waarvan de aandelen voortaan op de Beurs verhandelbaar waren. Op 1 mei 1966 traden W.J.L. en J.P.L. van der Lande af als lid van de Raad van Bestuur, terwijl L.A.L. van de Lande zijn functie als adviseur van de Raad van Bestuur neerlegde. Zij namen plaats in de Raad van Commissarissen van de divisie NL. In 1967 kwam een volgende fusie tot stand tussen de KZO-groep en de Koninklijke Zout- Ketjen groep genaamd Koninklijke Zout-Organon (KZO II). Samen met Ketjen, Hoesch- Chemie (Düren) en Pure Chemicals Ltd. (Liverpool) vormde NL in het vervolg de Chemische Divisie KZO. De aparte Raad van Commissarissen voor NL werd opgeheven en daarmee kwam een einde aan de rechtstreekse band van 130 jaar van vier opeenvolgende generaties Van der Lande met het bedrijf NL. De derde fusie in augustus 1969 tussen KZO II en de Algemene Kunstzijde Unie (AKU) werd het begin van het concern AKZO. NL werd onderdeel van AKZO Chemische Divisie locatie Deventer. Nourypharma werd onderdeel van AKZO-Pharma. Research en productie bleven grotendeels in Deventer geconcentreerd, terwijl de verkoopactiviteiten in april 1980 naar het hoofdkantoor van AKZO-Chemie te Amersfoort werden verplaatst. De leegstaande meelfabriek was in 1965 al verkocht aan Cebeco-Handelsraad te Rotterdam. De haven bij de meelfabriek bleef nog tot 1987 in gebruik voor de aanvoer en opslag van granen in de silo's. Omdat de IJsseldijken in het kader van de Deltawet op grotere hoogte gebracht moesten worden werd de haven na dit jaar gesloten. Het markante kolossale gebouw en de silo's kwamen leeg te staan en raakten in verval. In 1986 was AKZO Chemie reeds eigenaar geworden van het gebouwencomplex en in september 1987 werden de enorme groen verlichte letters "CEBECO-HANDELSRAAD", die 's avonds al van ver te zien waren voor het verkeer op de A-1 snelweg, van het dak van de meelfabriek verwijderd. Op 4 januari 1988 werd begonnen met de sloop van het gebouw, waarvan het oudste gedeelte was gebouwd na de grote brand in 1888. Enkele maanden later was deze plaats veranderd in een grote vlakte. Ter herdenking van het 150-jarig bestaan van de locatie Deventer van AKZO Chemische Divisie verscheen op 6 september 1988 voor de derde keer een gedenkboek geschreven door A. Leemans, bijgestaan door een redactiecommissie met o.a. G.J.J. van der Laan (tot eind 1963 directeur van de Meelfabrieken) onder de titel Van Molen tot Moleculen. Van Noury tot AKZO. De ontwikkeling van de verschillende bedrijfstakken Met de meel- en oliefabricage als basis ontplooide NL vanaf 1911 vele activiteiten behorende tot verschillende bedrijfstakken. Ten eerste de bedrijfstak van de olieproductie. De verf- en vernisindustrie was de voornaamste afnemer van lijnolie. NL specialiseerde zich in het maken van deze olie als grondstof voor deze industrie en van olie voor de fabricage van onder andere drukinkt, wasdoek, linoleum en lakleder. Langzamerhand werden steeds meer technici aangetrokken voor research en voorlichting aan de klanten. Later werden er ook industriële oliën geproduceerd bij de Oelwerke, Friesland, Nourylande en Novadel Ltd. NL was dus bekend met de verfindustrie en had zelf de nodige onderzoeksmogelijkheden in huis. Naast lijnolie ging het bedrijf in 1938 ook andere grondstoffen voor de verfindustrie maken zoals loodwit, titaanwit en siccatieven (versnellers van het droogproces van verf). Met deze producten belandde NL vanuit de olieproductie in de chemische bedrijfstak. De tweede bedrijfstak kwam voort uit de meelproductie, die in 1848 startte en door ging tot 1966. In dit laatste jaar kon er door de grote concurrentie niet meer lonend gewerkt worden. In de 118 jaren die de meelfabriek bestond werden er op het laatst allerlei meelproducten gemaakt van zelfrijzend bakmeel tot puddingpoeder. De winstperspectieven waren door fusies van grote meelfabrieken in Nederland sterk teruggelopen, terwijl ook de broodconsumptie geleidelijk verminderd was. Nadat in 1965 NL was samengegaan met KZO behoorden de werkzaamheden in de meelfabriek niet meer tot de kernactiviteiten van het nieuwe concern. Aan de concurrentie werd het afzetcontingent voor bloem voor de Nederlandse markt en de inventaris verkocht. De silo's werden verhuurd en in 1988 werd het markante gebouwencomplex van de meelfabriek gesloopt. Vanuit de bedrijfstak olie belandde NL onvermijdelijk in de chemische bedrijfstak. De latere ontwikkeling van de toepassing van peroxiden ontstond uit de kennis die men ontwikkelde bij het bleken van plantaardige oliën, zoals lijnolie. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de Engelse chemicus J.G. Sutherland door NL van het laboratorium te Emmerich overgeplaatst naar Deventer, waar hij de opdracht kreeg een methode te ontwikkelen die het vergelen en het teruglopen in kwaliteit van tarwebloem moest tegengaan. Door de oorlogsomstandigheden moest er voornamelijk met inlandse tarwe en andere graansoorten van mindere kwaliteit gewerkt worden en kon men niet meer over de superieure Amerikaanse en Canadese tarwe beschikken. Het kwaliteitsverschil tussen de graansoorten kwam met name aan het licht bij de vergelijking van de geïmporteerde Amerikaanse tarwebloem met de bloem die in Nederland uit Amerikaans graan werd geproduceerd. De geïmporteerde bloem was blanker van kleur en er kon mooier wit brood van gebakken worden. Witbrood was al lang zeer gewild bij velen en geleidelijk aan een soort statusvoedsel geworden, waarmee de rijken zich konden onderscheiden van de volksmassa, die vooral het goedkopere donkere (rogge) brood at. Omdat de geschiktheid van de bloem uit alle werelddelen steeds constant moest zijn voor het bakken van brood van gelijke kwaliteit, werd er ijverig gezocht naar een meelverbeteraar, die de teruggang in de kwaliteit van de bakaard van de bloem kon stoppen en witter brood als resultaat zou opleveren. Onderzoek wees uit dat de Amerikaanse bloem na het malen een lange tijd per schip onderweg was naar Europa en in die tijd een verouderingsproces onderging, dat men bij NL tevergeefs probeerde na te bootsen met een warmtebehandeling. In die tijd herinnerde J.C.L. van der Lande zich een voorval uit omstreeks 1900, toen een bakker hem vertelde dat deze door het bijmengen van wat zure bloem zulk mooi blank deeg had gekregen. Dit leidde tot de ontdekking dat oxydatie door zuurstof in de lucht grotendeels verantwoordelijk was voor het verouderingsproces van de bloem. Na enige experimenten zag Sutherland in 1920 dat benzoyl-peroxide, ook toegepast bij het bleken van plantaardige oliën, in een lage concentratie met het meel vermengd, de natuurlijke gele kleurstof in het meel omzette in een kleurloze verbinding, die geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid had, terwijl ook de bakaard van de bloem nog verbeterd werd. Door de oxyderende werking van het bij splitsing van benzoyl-peroxide vrijkomende zuurstof (oxygenium) wordt het meel gebleekt, terwijl de onschadelijke natuurlijke stof benzoëzuur overblijft. Dit procédé werd verder uitgewerkt en wereldwijd geoctrooieerd. Op de markt verscheen het meelbleekmiddel Novadelox (Noury & Van der Lande Oxygenium), waarvoor in verschillende landen verkooporganisaties werden opgericht (Novadel, Novadel Ltd., Novadel Agene Corporation). Omdat benzoylperoxide in zuivere toestand zeer explosief is, (vergelijkbaar met buskruit) moest het met meelvriendelijke stoffen als voedingszouten of zetmeel vermengd worden tot een ongevaarlijk product. In Emmerik vielen in 1934 twee doden bij een explosie in de peroxidefabriek en in 1952 stierf een medewerker op het laboratorium aan de Emmastraat te Deventer bij een enorme ontploffing. In de jaren zeventig vielen bij meerdere incidenten nog diverse slachtoffers. De enorm gestegen omzet van het benzoylperoxyde-preparaat op de grote Noord-Amerikaanse markt noodzaakte het eigen verkoopkantoor van NL in Buffalo tot het starten van een eigen productie op dit continent. In 1926 werden de Novadelox-patenten voor de Verenigde Staten en Canada verkocht aan een groep Amerikaanse bedrijven verenigd in de Novadel Agene Corporation te Newark in New Jersey. De uitvinding werd in alle richtingen onderzocht om de toepassingsmogelijkheden te vervolmaken. In Deventer ontstond een Chemisch Laboratorium als onderdeel van de meelfabriek, later als zelfstandige afdeling. De grondstoffen voor de meelverbeteringsmiddelen werden rond 1920 nog aangekocht, later ging NL er toe over deze zelf te produceren in de eigen chemische bedrijven (Oxydo, ECIRoermond, Novadel Ltd., Noury-Italia). Dit onderzoek naar bakverbeteraars resulteerde in het product Multaglut dat in 1923 op de markt werd gebracht. Multaglut werkt specifiek in op de tarwe-eiwitten (gluten) en verbetert zonder bleken de bakkwaliteit van het meel. Als chemisch product mocht het in enkele landen niet aan het meel worden toegevoegd en om die reden kocht NL in 1935 van de Dansk Gearings Industri het octrooi voor het product ascorbinezuur (vitamine C), dat ook de eigenschap bezit de bakaard van het meel te verbeteren, een uitvinding van de Deen Holger Jörgensen. Onder de naam Multafort werd het verkocht in België, Frankrijk, Zwitserland en in Zuid-Amerika. Zie voor vervolg de website van het stadsarchief van Deventer (www.stadsarchiefdeventer.nl).
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in