Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: Hudig en Blokhuyzen

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Achtergrond archieven (1)

Achtergrond archieven (1)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Tweehonderd jaar geleden werd de basis gelegd van de cargadoorsfirma, die tegenwoordig bekend is onder de naam Hudig Veder & Dammers B.V. In het gedenkwaardige jaar 1795 richtte Jan Hudig (1769-1858) met zijn zwager Cornelis Gerbrand Blokhuyzen (1773-1857) de firma Hudig & Blokhuyzen op. De originele oprichtingsakte is waarschijnlijk verloren gegaan. Het is zeker dat beide heren eerder, in 1794, met elkaar in zaken waren, want op een overgeleverde rekening-courant met een Engelse kapitein staan Hudig & Blokhuyzen vermeld. De oudste akte in het notarieel archief, waarin Hudig en Blokhuyzen genoemd worden, dateert van 9 mei 1795. Het betreft een charterpartij en Hudig en Blokhuyzen traden op als scheepsmakelaars bij de bevrachting van het brigantijnschip Industrie (140 ton laadvermogen). Al gauw trad een derde firmant toe, Christiaan van der Eb (geb. 1771, ov. ?). Zijn toetreding in mei 1795 blijkt uit de enig overgebleven akte van compagnieschap d.d. 29 december 1796. Na 1819, toen Van der Eb uittrad, zou de firmanaam Hudig & Blokhuyzen luiden. Wie waren deze ondernemers, die in het jaar van de Franse inval in de Nederlanden en het einde van de Republiek het risico van een nieuw bedrijf aandurfden? Alle drie waren geboren Rotterdammers en hadden patriotse sympathieën. Ze woonden bij elkaar in het havenkwartier; Van der Eb op de Zuidblaak, Blokhuyzen op de Geldersekade en Hudig op de hoek van de Geldersekade en Wijnhaven. Van der Eb had naast de compagnieschap met Hudig en Blokhuyzen, compagnieschappen in meekrap en verfwaren met resp. Dirk van der Eb en Adriaan Blom. Zowel Hudig als Blokhuyzen stamden uit koopmansgeslachten. Volgens de akte van compagnieschap d.d. 29 december 1796 hadden Jan Hudig en Christiaan van der Eb beiden een kapitaal van f. 4.000,- in de firma ingebracht. Het kantoor van Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb was gevestigd in het monumentale pand van de familie Hudig op de hoek van de Geldersekade en Wijnhaven. In dit huis was ook de firma Ferrand Whaley & Jan Hudig gevestigd, een bedrijf met belangen in Suriname en opgericht door de vader van Jan Hudig. J. Hudig en C.G. Blokhuyzen waren naast zakelijke partners bovendien zwagers. Op 4 april 1796 huwde C.G. Blokhuyzen met Johanna Vis (1770-1838) en bijna 2 jaar later, op 2 april 1798, werd J. Hudig met Francina Vis (1778-1853) in de echt verbonden. De vader van Johanna en Francina was Dirk Vis, een boekhandelaar met patriotse sympathieën. De verwantschapsrelatie tussen firmanten kwam in die tijd vaak voor. Begin 1819 trok Chr. van der Eb zich op eigen verzoek terug uit de compagnieschap. Op grond van de bestaande vriendschap en harmonie tussen de drie firmanten zou Van der Eb gedurende 8 jaar vanaf januari 1819 een jaarlijks aandeel van 15% van de netto-winst uit het cagadoorsbedrijf genieten tot een maximum van f. 2.500,-. Van der Ebs rol in de firma was niet helemaal uitgespeeld, zo blijkt uit de bepaling dat hij wel gedurende die 8 jaar bij de cargadoorsfirma moest blijven, anders zou de uitkering ophouden. Voor de nieuwe onderneming moeten de beginjaren moeilijk zijn geweest. Na de inlijving bij Frankrijk was de directe handel met Engeland vrijwel onmogelijk. De aantallen bij Brielle en Hellevoetsluis binnenvarende en uitvarende schepen daalden dramatisch. Na 1810 was de handel met het buitenland slechts mogelijk met keizerlijke licentie. Op allerlei manieren trachtten ondernemingen het hoofd boven water te houden en de contacten met Engeland te laten voortduren. J. Hudig had juist sterke banden met Engeland en veel handelsrelaties in dat land. Via Engeland bleef Hudig & Blokhuyzen handelen met Suriname dat in de jaren 1799-1802 en 1804-1816 onder Engels bewind was gekomen. Hudig & Blokhuyzen hadden zelfs een naam opgebouwd in het ontduiken van het Continentale Stelsel. De Franse ambtenaar Marivault verdacht een door Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb gebouwde schokker ervan dat die gebruikt werd voor het smokkelen van brieven en passagiers naar Engeland. Bij een ander incident werd de bediende van de firma ondervraagd en concludeerde Marivault dat Hudig, Blokhuyzen & Van der Eb 'peuvent être placés au nombre des négociants de Rotterdam dont les relations avec Angleterre ont été les plus constantes'. Na de voor de handel moeilijke Franse tijd kwam de firma tot bloei. In Rotterdam waren nogal wat cargadoorsbedrijven, die elkaar flink beconcurreerden. Desondanks rekende R. Mees Hudig & Blokhuyzen in 1830 tot het één na belangrijkste cargadoorsbedrijf van Rotterdam. Uit de bijna dagelijks geplaatste advertenties van Hudig & Blokhuyzen in de Rotterdamsche Courant blijkt dat de zaken goed gingen. Sinds 1825 was Hudig & Blokhuyzen ook bij de scheepsrederij betrokken. In dat jaar begon Anthony van Hoboken zijn 'rederij van vier schepen', een intitiatief waaraan verschillende Rotterdamse firma's en particulieren deelnamen. Als boekhouders van de rederij fungeerden Vink & Co., D. Blankenheijm, Kuijper Van Dam & Smeer en Hudig & Blokhuyzen, ieder voor een schip. Hudig & Blokhuyzen hadden een aandeel van f. 10.000,- in de rederij, F.W. Hudig ( de oudste zoon van Jan Hudig) een aandeel van f. 1.000,-. Zelfs koning Willem I toonde zijn belangstelling voor de onderneming met een deelname van f. 20.000,-. Rond 1847 telde Rotterdam ca. 25 grote en kleine rederijen, die hun kantoren dicht bij elkaar aan de Wijnhaven, Scheepmakershaven, Leuvehaven, Nieuwehaven en Boompjes hadden. Tot de grotere rederijen behoorden C. Balguerie & Zoon, A. van Hoboken & Zonen, Hudig & Blokhuyzen, H. van Rijckevorssel, C. Serruijs, E. Suermondt & Zoonen, J.R. Veder en C. Vlierboom & Zoon. Behalve lading vervoerde Hudig en Blokhuyzen in de tweede helft van de negentiende eeuw passagiers, en wel emigranten naar de Verenigde Staten. Rotterdam was van oudsher een belangrijke haven voor landverhuizers. In de jaren 1846-1848 vertrokken ca. 9500 buitenlandse (meest Duitse) en ca. 8600 Nederlandse landverhuizers via Rotterdam naar Noord-Amerika. Op de heenreis vervoerden de schepen passagiers en als teruglading werd meestal graan ingeladen. De firma Wambersie was de belangrijkste cargadoor in dit opzicht, maar Hudig & Blokhuyzen nam ook een groot aandeel. Van de 145 schepen die in 1846-1848 vanuit Rotterdam op weg naar Noord-Amerika het Voorns kanaal passeerden, stonden 64 op naam van Hudig & Blokhuyzen als cargadoor (tegen 53 schepen op naam van Wambersie!). Tevens voer Hudig & Blokhuyzen zelf als reder op Noord-Amerika met schepen als de schoener Tropicus, de brigantijn Koophandel, de schoener Zodiac, de schoener Amphitrite en de schoener Polaris. J. Hudig was op 2 manieren betrokken bij de landverhuizers: als cargadoor en als lid van de in 1838 door de gemeente benoemde Commissie van Toezicht op de landverhuizers. Alle betrokken reders, scheepsmakelaars en cargadoors waren aan de commissie verantwoording schuldig. In 1850 trachtte Hudig & Blokhuyzen samen met andere firma's, die zich bezighielden met het vervoer van landverhuizers, een nieuwe markt aan te boren door een lijndienst met stoomschepen op Amerika op te zetten. Een comité gevormd door Wm Ruys JDzn., Corn. Balguerie & Zn., Wambersie & Crooswijck en Hudig & Blokhuyzen deed een beroep op Rotterdamse handel. Hudig & Blokhuyzen schreef zich in voor f. 20.000,-. Dit was tegen de zin van J. Hudig sr., die vond dat het steunen van een dergelijke onderneming tegen de belangen van Hudig & Blokhuyzen indruiste. Reders van Amerikaanse zeilschepen zouden zich immers afkeren van een firma die belangen had in de Rotterdamsch Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij. De nieuwe maatschappij werd op 13 november 1850 opgericht. Een kapitaal van f. 1.200.000,- was nodig voor het welslagen van de onderneming, maar dit kwam financieel niet rond. De plaatsing van de laatste f. 140.000,- vormde het struikelblok. Daarom werd op de vergadering van 17 november 1855 het besluit genomen het plan te stoppen. Hudig & Blokhuyzen had al vroeg het belang van stoomschepen onderkend en hadden een stoomsleepbootje De Zuid-Holland in bedrijf 'tot het slepen van zeeschepen op de vaarwateren van Zuid Holland en Zeeland en tot het slepen van zoodanige schepen in & uit de zee'. Van koning Willem I hadden ze in 1839 vergunning gekregen het schip in het buitenland aan te schaffen. Zelfs de vice-admiraal inspecteur-generaal van het loodswezen, A.C. Twent, informeerde bij J. Hudig of hij De Zuid-Holland kon bezichtigen in verband met haar bruikbaarheid voor het loodswezen. In 1851 trad de bejaarde Jan Hudig terug uit de firma, die werd voortgezet door zijn twee zoons Jan en Dirk Hudig. Zwager Blokhuyzen had zich al eerder in 1845 uit de firma teruggetrokken, maar had toestemming gegeven zijn naam te blijven voeren. Pieter Hudig, een kleinzoon van Jan Hudig sr., had op 15 november 1856 met G.S. Pieters, de vroegere hoofdkassier van Hudig & Blokhuyzen, een concurrerende cargadoorsfirma opgericht onder de naam Hudig & Pieters. Deze daad van P. Hudig werd begrijpelijkerwijs niet door iedereen in de familie gewaardeerd. Op 16 april 1857 nam Jan Hudig jr. zijn 19-jarige zoon Jan Jzn. als firmant in Hudig & Blokhuyzen op. De jonge firmant moest al wel heel snel op eigen benen staan, want op 28 mei 1857 overleed zijn vader. Om zijn positie te versterken ging J. Hudig met ingang van 1 september 1857 een compagnieschap aan met L.W. Veder, waarbij de vertrouwde naam van Hudig & Blokhuyzen gehandhaafd bleef. Van de familie Blokhuyzen werd toestemming verkregen hun familienaam in de firma te houden. In 1877 werd door J. Hudig en L.W. Veder een Amsterdams filiaal opgericht onder de naam Hudig & Blokhuyzen, later Hudig, Veder & Co geheten. Mogeljk trad Hudig & Blokhuyzen in 1887 als cargadoor op voor de Schotse bark Highland Forest, het schip, waarmee de schrijver J. Conrad naar Semarang vertrok? Rond 1880 was Hudig & Blokhuyzen actief als charterer in de vaart op Spanje. De firma huurde een stoomschip voor een aantal maanden en liet het in Spanje (Bilbao) bevrachten met ijzererts voor Rotterdam, dat in die tijd snel opkwam als doorvoerhaven voor het Duitse achterland. Naar Spanje werden via Engeland kolen vervoerd. Via Pinkney Sons & Clare werden meestal schepen gecharterd, waarvan het essentieel was dat ze 'light draft, strenght and speed' hadden. De rederijactiviteiten kregen nieuw leven toen J. Hudig en L.W. Veder in 1882 een rederij oprichtten onder de naam Hudig & Veder. Het eerste schip was het stoomschip Echo, dat gebouwd werd op de scheepswerf van Fop Smit te Slikkerveer. In 1884 volgde de te water lating van het s.s. Ino. De groei van de rederij zette door; zo schreef J. Hudig in 1888: 'Over de zaken mag ik in dit en het vorige jaar niet klagen: de crisis die zoo lang heeft geduurd is over (...) ik houd mij overtuigd dat voor de stoomvaart een betere tijd aanbreekt; dit heeft Veder en mij dan ook doen besluiten een schip van 2400 ton dat te Sunderland in aanbouw is aan te koopen; het zal 9 juni afloopen en Callisto heeten: hoofdzakelijk zullen wij er mede op de Zwarte Zee en Spanje varen.' De rederij was de in de achttiende en tot ver in de negentiende eeuw gebruikelijke 'partenrederij', waarbij een aantal investeerders een schip kocht of liet bouwen en deelde in winst of verlies. Hudig en Veder waren de boekhouders, de directeuren, en bezaten 8 van de 35 aandelen. Onder de andere aandeelhouders bevonden zich bevriende bedrijven of familie of relaties zoals J.R. Veder & Zonen (het koopmans- en redersbedrijf van Veders vader), het kassiersbedrijf Jan Havelaar & Zoon, Hendrik Veder (L.W. Veders oom), Ferrand Whaley Hudig (Hudigs broer) en directeur van gemeentewerken G.J. de Jongh. Hudig & Blokhuyzen, in 1795 opgericht als kleine firma door een paar compagnons, floreerde en schaalvergroting diende zich aan; in de kapitaalbehoefte werd voorzien, doordat verwanten of bekenden geld in de onderneming belegden. Aan het eind van de negentiende eeuw werd overgegaan tot de naamloze vennootschap als bedrijfsvorm. In 1899 vormden J. Hudig, zijn zoon W.C. Hudig en J.C. Veder (reders en cargadoors), mr. Ian Havelaar (kassier en makelaar) en Anthony Veder (toen agent der Crediet-Vereeniging en de oprichter van de Anthony Veder groep) de N.V. Hudig & Veder's Stoomvaart-Maatschappij. In 1912 werd naast bovengenoemde rederij de N.V. Maatschappij Zeevaart opgericht. J.C. Veder en W.C. Hudig waren directeuren en J. Hudig, A. Veder en mr. J. Havelaar commissarissen. Doel van de Maatschappij was het 'kopen, huren en verhuren en in het algemeen de exploitatie, in de meest ruime zin, van eigen of gehuurde schepen, alsmede het deelnemen in zaken van anderen die ditzelfde doel beogen'. De Maatschappij Zeevaart liet verscheidene schepen bouwen bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Haar eerste schip, het s.s. Arundo, werd in 1912 gebouwd, in 1914 volgde de levering van het s.s. Leto. In 1914 ging de N.V. Hudig & Veder's Stoomvaart-Maatschappij op in de N.V. Maatschappij Zeevaart, toen haar schepen, het s.s. Callisto en Themisto, door de N.V. Maatschappij Zeevaart werden overgenomen. De firmanaam Hudig & Blokhuyzen bleef tot 1903 gehandhaafd; vanaf dat jaar werden de zaken gevoerd onder de naam Hudig & Veder. Met gevoel voor traditie is in het telegramadres van Hudig & Veder c.q. Hudig Veder & Dammers, 'Blokhuyzen', is de band met een van de vroegere oprichters behouden gebleven. De Amsterdamse vestiging ging verder onder de naam Hudig, Veder & Co. Procuratiehouder J. Vink van het Amsterdamse kantoor schreef over deze naamsverandering aan de firmanten 'dat de firma Hudig & Blokhuyzen geheel zal verdwijnen, om plaats te maken voor Hudig & Veder, is wellicht voor u een punt van overweging geweest, maar de omstandigheden in aanmerking genomen, is het wellicht (...) een goede oplossing. Indien nu de firma Hudig & Veder de naam die de firma Hudig & Blokhuyzen steeds overal had, weet hoog te houden, dan zal het succes, zoodra weder betere tijden aanbreken ook wel volgen.' In 1919 richtte Hudig, Veder & Co. te Amsterdam samen met B.J. van Hengel, de wed. Jan Salm & Meijer, D. Burger & Zoon het Vereenigd Cargadoorskantoor (V.C.K.) op, dat werkte als reders, cargadoors, expeditie, assurantie te Amsterdam en Zaandam. Als cargadoors werd Hudig & Veder in de vooroorlogse jaren agent voor een aantal vooraanstaande maatschappijen, zoals de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij n.v., het Italiaanse '"Adria" soc. anon. di navigazione marittima' te Fiume, John. Holt & Co. ltd. te Liverpool, de Holland-Amerika Lijn te Rotterdam, de Holland-Ierland Lijn te Rotterdam, Illinois Central System te Chicago en The Ulster Steamship Cy Ltd. (G. Heyn & Sons ltd.) te Dublin. Als een van de weinige onder de cargadoorsbedrijven exploiteerde Hudig & Veder een eigen sleepboot, de Ino. Daartoe was op 30 juli 1923 door W.C. Hudig, J.C. Veder en J. Hudig de N.V. Maatschappij Riviervaart opgericht. De Maatschappij Riviervaart was een van de kleinste maatschappijen, die lid was van de Vereeniging van sleepdienstondernemers te Rotterdam. Ter ondersteuning van de cargadoorswerkzaamheden was in 1937 het Coöperatief Havenbedrijf "Korte Vaart", gevestigd aan de Merwehaven tot stand gekomen. Het was een samenwerking tussen P.A. van Es & Co., Hudig & Veder en Phs. van Ommeren Scheepvaart Bedrijf N.V. Bij de oprichting hadden zij direct economisch voordeel door samenwerking voor ogen en de mogelijkheid om in de toekomst een concentratie van de korte lijnvaartbedrijven te realiseren, waardoor reductie van de plaatsingskosten zou plaatsvinden en Rotterdam als haven sterker zou worden. Doel van dit stuwadoorsbedrijf was 'de gemeenschappelijke uitoefening van het bedrijf van haar leden in het laden en lossen van schepen in de korte vaart, het verwerken, opslaan en afleveren van lading van die schepen en de gemeenschappelijke exploitatie van de terreinen en hulpmiddelen'. In 1963 werd Korte Vaart geliquideerd. Ierland was vanouds een belangrijk vaargebied voor Hudig & Veder. In 1864 begon Hudig & Blokhuyzen regelmatig op Ierland te varen in een lijndienst met een frekwentie van één soms twee maal per week en deze lijndienst werd tot ver in deze eeuw onderhouden. Niet zonder reden was het consulaat van de Ierse Republiek in Rotterdam gevestigd in het pand van Hudig & Veder aan de Willemskade. Ook in de vaart op Amerika was Hudig & Blokhuyzen en later Hudig & Veder actief. Vanaf 1886 tot 1906 was de firma agent voor de Neptune Line of Steamships, die opereerde tussen Rotterdam en Baltimore, Antwerpen en Baltimore en Wear & Tyne en Baltimore. In 1903 werd met twee schepen aan de Hammond Line, een lijndienst New Orleans - Rotterdam, deelgenomen. Een vrij grote expertise werd opgebouwd, gezien dit citaat over Hudig & Blokhuyzen 'the brokers to undertake American consignments, seeing they have had the exclusive agency of the 'Neptune' Line & other American Lines for so many years'. Samen met de Holland-Amerika Lijn (Stoomvaart Maatschappij Amsterdam) exploiteerde Hudig & Veder met de schepen Callisto en Themisto vanaf 1905 een lijndienst op Florida (Savannah) onder de naam Burg Line. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een onderbreking van de lijndienst, maar aan het eind van de oorlog werd de Burg Line hervat. De laatste vaarten vonden plaats in 1921, toen de niet renderende lijn werd afgestoten. De in 1938 opgerichte motorbootmaatschappij Bynia was een zustermaatschappij van de N.V. Maatschappij Zeevaart. Haar eerste schip was het m.s. Koert, dat echter na vordering door de Duitsers in 1942 vergaan is. Hudig & Veder N.V. was in de jaren '60 tevens manager van de N.V. Ertslijn (N.V. Scheepvaartmaatschappij Zodiak i.s.m. Hüttenwerk Oberhausen A.G.), waarvoor de schepen Tweelingen en Kreeft voeren op ertshavens met thuishaven Rotterdam. Toen in mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen, lag het s.s. Theano in Rotterdam en waren de overige schepen van de Maatschappij Zeevaart buitengaats. De zetel van de Maatschappij Zeevaart was net op tijd verplaatst naar Batavia; in 1946 werd de vestigingsplaats weer Rotterdam. De door Nederlandse reders te Londen opgerichte Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie (N.S.H.C.) werd door de Nederlandse regering in ballingschap belast met het 'custodianship' over rederijen, wier directies in bezet gebied waren. De schepen werden tot na afloop van de oorlog op timecharter genomen door het Engelse Ministry of Shipping, later Ministry of War Transport. Aanvankelijk exploiteerde de N.S.H.C. de schepen voor rekening en risico van de rederijen, maar in juni 1942 werd de Nederlandse handelsvloot door de Nederlandse regering gevorderd. Aan de rederijen werd een vaste verbruiksvergoeding toegekend. Tot in maart 1946 bleef de vordering gehandhaafd; in dat jaar werd de United Maritime Authority (U.M.A.) opgeheven, die als doel had te zorgen voor een efficiënt gebruik van de scheepsruimte ten behoeve van de oorlogvoering en van de hulpverlening aan de bevrijde gebieden. Voor Hudig & Veder en Maatschappij Zeevaart heersten na de Tweede Wereldoorlog uiterst moeilijke omstandigheden. Het verlies van 41 bemanningsleden telde zwaar. De haven van Rotterdam was aan het eind van de oorlog door de Duitsers verwoest. Vier schepen van de Maatschappij Zeevaart waren in de oorlog verloren gegaan, te weten het s.s. Arundo (b.j. 1930; 9300 ton, getorpedeerd 28-4-1942 op de kust van New Jersey), het s.s. Leto (b.j. 1929, 8680 ton, getorpedeerd 11-5-1942 in de Golf van St. Laurens), het s.s. Trito (b.j. 1921, 1515 ton, verloren 27-9-1940 in het Kanaal) en het s.s. Theano (b.j. 1920, 1515 ton, gevorderd door de Duitsers januari 1942 en verloren december 1942). Dit liet de Maatschappij slechts de beschikking over het s.s. Themisto (b.j. 1928, 8615 ton) en het s.s. Colytto (b.j. 1926, 7450 ton). Na enkele wederopbouwjaren brak een periode van expansie aan. De vloot breidde zich weer uit, zodat zij in 1951 weer het vooroorlogse aantal van zes schepen telde, waarbij bovendien nog twee motorschepen in aanbouw waren. De Maatschappij was direct na de oorlog niet vrij in het bepalen van de te maken reizen. Het door de Nederlandsche Reedersvereeniging in het leven geroepen Allocatiebureau deelde in samenwerking met de betrokken ministeries de beschikbare tonnage in. Hudig & Blokhuyzen was aanvankelijk gevestigd in een pand op de hoek van de Geldersekade en de Wijnhaven, het woonhuis van de familie Hudig. In 1869 verhuisde de firma naar het Willemsplein nr. 8, waar ook de in 1882 opgerichte rederij Hudig & Veder was gevestigd. In 1912 is een nieuw pand aan de Willemskade 23 betrokken dat bij het bombardement van Rotterdam beschadigd werd. In de oorlogsjaren was het kantoor tijdelijk gevestigd aan de Westerkade 5, het huis van de familie Veder, terwijl de Willemskade gerestaureerd werd. Op 15 mei 1945 bestond Hudig & Veder 150 jaar, welk jubileum vanwege de oorlogsomstandigheden niet gevierd is. Wel keerde de firma in juli 1945 terug in het pand aan de Willemskade 23. Nauw verbonden met Hudig & Veder was John Hudig & Son B.V., dat sinds 1818 als agent van de verzekeringsmarkt Lloyd's te Londen optrad en ondermeer ook het Institute of London Underwriters vertegenwoordigde. De familie Hudig en de familie Veder traden deze eeuw uit de firma. In 1925 vond J.G.A. Fontein (1894-1977) als firmant een plaats in het bedrijf. Zijn zoon G.A. Fontein werd in 1951 mededirecteur van N.V. Hudig & Veder en firmant van John Hudig & Son. Inmiddels hebben de de zonen van G.A. Fontein de leiding overgenomen.
Meer resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in