gahetNA in the National Archives

Achtergrond

Filmkeuringsrapporten

In 1927 werd bij het Bioscoopbesluit de Centrale Commissie voor Filmkeuring in het leven geroepen. De commissie had tot taak de in Nederland aangeboden bioscoopfilms te keuren en onder te verdelen in vier categorieën.

  • Toegelaten voor personen van alle leeftijden
  • Toegelaten voor personen van 14 jaar en ouder
  • Toegelaten voor personen van 18 jaar en ouder
  • Niet toegelaten

Van elke gekeurde film werd een keuringsrapport opgesteld. Voor elke toegelaten film werd een keuringskaart uitgereikt, voorzien van het keuringsrapport en het aantal gemaakte coupures.

Dat de commissie een film had goedgekeurd, betekende nog niet dat de film in elke Nederlandse gemeente kon worden vertoond. Plaatselijke commissies en burgemeesters hadden het recht tot nakeuring.

Het archief van de Centrale Commissie Filmkeuring

De Centrale Commissie Filmkeuring heeft een archief van ruim 71 meter nagelaten. Naast jaarverslagen, notulen en correspondentie bestaat een groot deel van het archief uit de keuringsrapporten. Deze zijn per jaar genummerd opgeborgen. Van 1928 tot en met 1931 was de nummering doorlopend. Daarna werden er letters aan de codes toegevoegd en nummerde men elk jaar vanaf 1. Om het zoeken naar de rapporten te vergemakkelijken zijn de rapporten op titel in deze index geplaatst.

 

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Niet iedereen was even gelukkig met de opkomst van bioscoopfilm rond 1910 in Nederland. Veel gemeentebesturen, die toestemming moesten geven voor vertoning, duidden de films aan als het 'bioscoopgevaar'. Ook Minister van Binnenlandse Zaken Ruys de Berenbrouck maakte zich zorgen en stelde daarom in 1918 een staatscommissie in die het bioscoopvraagstuk moest bestuderen.

Centrale Commissie Filmkeuring

Na langdurig overleg tussen de confessionelen aan de ene en de liberalen en de socialisten aan de andere kant, werd in 1925 de 'Wet tot bestrijding van de zedelijke en maatschappelijke gevaren van de bioscoop' aangenomen. De uitvoering van de wet leidde tot de oprichting van de Centrale Commissie voor Filmkeuring.

De commissie bestond uit minimaal zestig leden die door de Minister van Binnenlandse Zaken werden benoemd. Alle voornaamste in Nederland voorkomende levens- en wereldbeschouwingen waren vertegenwoordigd.

Taakuitvoering

De commissie startte haar werkzaamheden op 1 maart 1928. Tot keuring werd overgegaan na inzending van een keuringsaanvraag voorzien van titellijsten en beschrijvingen van de betreffende film, aangevuld met het bijbehorende reclamemateriaal. Voor elke ter keuring aangeboden film werd een keurloon berekend. Voor elke, al dan niet gecoupeerde, film werd een keuringskaart uitgereikt, voorzien van het keuringsrapport en het aantal gemaakte coupures.

Vanaf de jaren vijftig werden er ook films op televisie vertoond. In eerste instantie mochten daarop alleen films voor alle leeftijden worden vertoond. Met de komst van buitenlandse zenders kwamen er echter ook ongekeurde films op televisie.

Opheffing

Vanaf de jaren zeventig werden er steeds minder films aangeboden voor keuring. Het parlement en verschillende leden van de commissie pleitten voor afschaffing van de keuring voor volwassenen.

Met de wet op de filmkeuring van 1977 werd de keuring van films voor volwassenen stopgezet en kwam er een nieuw systeem om films voor minderjarigen te keuren.De Centrale Commissie voor Filmkeuring werd op 5 juli 1977 opgeheven. 

Publicaties: 

Heidebrink, Iris, 'Verlokkingen en gevaren van het witte doek', in: De Bovenkamer: magazine van het Algemeen Rijksarchief, afl. 1 (1997), p. 5-9.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in