Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Achtergrond

Remissies en pardonnen

Remissies en pardonnen zijn vormen van gratie. Tegenwoordig wordt gratie verleend als bestuurlijke gunst door de Kroon. Daarbij blijft het delict bestaan en behoudt de dader een strafblad. Vóór 1848 kon gratie ook de uitwissing van een delict betekenen. Bovendien kon gratie worden verleend voordat het vonnis was uitgesproken.

Er bestonden meerdere vormen van gratie, zoals remissie, pardon, amnestie en abolitie. Abolitie betekende het stopzetten van de gerechtelijke procedure en met een verklaring van amnestie werden alle strafrechtelijke gevolgen van een misdrijf opgeheven. Remissie kon worden verleend voor misdaden met de dood tot gevolg terwijl brieven van pardon werden verleend bij misdrijven die geen dodelijke afloop hadden.

Het verlenen van remissie en pardon

Ten tijde van de Bourgondisch-Habsburgse vorsten werden brieven van remissie en pardon uit naam van de vorst verstrekt op voorwaarde van interinement bij het Hof van Holland. Het verzoek tot gratie werd al vóór de vonniswijzing ingediend en werd na controle en advies al dan niet toegewezen door de rekenkamer in Rijsel en vanaf 1507 door de zogenaamde Geheime Raad. Bij een positieve beschikking kreeg de aanvrager een remissiebrief die hij bij het provinciaal hof kon interineren.

Tijdens de Republiek behoorde het verlenen van gratie tot de bevoegdheden van de stadhouder, die na advies van provinciale justitiehoven, beschikte over gratieverzoeken. Vanaf de zeventiende eeuw hoefde men een remissiebrief niet meer interineren, maar volstond een registratie bij het provinciale hof van justitie. Voor Holland, Zeeland en West-Friesland was dit het Hof van Holland.

Remissies en pardonnen in het archief van het Hof van Holland

De interinementen zijn door het Hof van Holland bijgehouden in speciale registers. Dat geldt ook voor de latere registraties van verkregen graties. De inschrijving gebeurde op datum. Om het zoeken in de registers te vergemakkelijken is deze index gemaakt, waarin de inschrijvingen in de registers zijn opgenomen. Helaas zijn niet alle inschrijvingen bewaard gebleven. Er zijn hiaten in de registers.

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Het Hof van Holland

De Raad (het Hof) van Holland onder de Bourgondische hertogen, was de natuurlijke opvolger van de oude grafelijke raad die al ten tijde van de Beierse hertogen, en wellicht al eerder, functioneerde. Deze Raad was belast met het bestuur en de rechtspraak in het graafschap en groeide langzaam maar zeker uit tot een professionele instelling.

Als gevolg van ingrijpende institutionele veranderingen in 1445-1446 kwam de nadruk bij de activiteit van de Raad van Holland meer te liggen op de justitiële taak. Onder meer uit de registervorming blijkt dat de bestuurlijke en rechterlijke werkzaamheden van het Hof van Holland duidelijk werden gescheiden.

De stadhouder, die aangesteld was als plaatsvervanger van de graaf op het gebied van bestuur en rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland, was tevens de voorzitter van de Raad. Hij was ook de zegelbewaarder. De stadhouder had zowel rechterlijke als bestuurlijke bevoegdheden. Als rechter moest hij toezien op het goede verloop van de rechtsgang. Als bestuurder was hij verantwoordelijk voor het vernieuwen van de wet in de steden en het bijeenroepen van de Staten.

Samenstelling van het Hof

In de vijftiende eeuw bestond het Hof van Holland uit gemiddeld acht à negen bezoldigde raadsheren. Aanvankelijk speelden ook de raadsheren 'tot wederzeggen' en de onbezoldigde raadsheren uit de Raad een belangrijke rol in het Hof, maar deze verdwenen geheel in 1445. De belangrijkste taak van de raadsheren bestond erin te beschikken op de binnengekomen verzoekschriften (rekesten) die de president onder hen verdeelde.

Andere belangrijke functies bij het Hof van Holland werden uitgeoefend door de griffier, de procureur-fiscaal en de advocaat-fiscaal (later samengevoegd tot één functie) en de rentmeester-generaal. De rentmeester van de exploiten fungeerde als de kassier van het Hof.

De opeenvolgende Instructies voor het Hof van Holland wijdden vele artikelen aan de advocaten en procureurs van partijen. Zij waren degenen die de procespartijen in rechte vertegenwoordigden vóór het Hof. Hoewel zij formeel niet in dienst waren van het Hof, mochten zij alleen optreden vóór het Hof als zij officieel waren beëdigd.
Een gelijkaardige situatie gold voor de notarissen. Sinds de plakkaten van 1525 op het stuk van het notariaat in Holland en Zeeland oefende het Hof van Holland het toezicht uit op de aanstelling van notarissen in het graafschap.

Opheffing van het Hof van Holland

In 1811 werd in Nederland het Franse rechtssysteem ingevoerd. Door deze invoering werd het Hof van Holland, net als alle andere in Nederland bestaande gerechtelijke organisaties, opgeheven.

Publicaties: 

Inleiding van de archiefinventaris van het Hof van Holland, 3.03.01.01

M.C. le Bailly, Procesgids Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland. Studiezaal Nationaal Archief, signatuur S11 A52.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in