gahetNA in het Nationaal Archief

Achtergrond

Decreten van het Hof van Holland

Het Hof van Holland had in de vijftiende eeuw taken op het gebied van bestuur, de wetgeving en de rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland. Tot die taken behoorde ook het verlenen van decreten. Deze decreten werden ingesteld bij de verkoop of overdracht van onroerend goed. Daarbij werd verschil gemaakt tussen willige en onwillige decreten. Onwillige decreten kwamen voort uit gedwongen verkopingen of executies.

De nieuwe bezitter van een onroerend goed kon zich door middel van een willig decreet vrijwaren van eventuele renten of erfdienstbaarheden die nog op het goed stonden. Tijdens de procedure van willig decreet werd een ieder opgeroepen die rechten op het verkochte goed zou kunnen opeisen. Indien zich niemand aanmeldde of opponeerde, verleende (interponeerde) het Hof willig decreet. Het decreet zelf werd in de registers van decreten geregistreerd, terwijl de sententie waarin het Hof het decreet verleende in de registers van interposities werd bijgeschreven.

Gedwongen verkopingen werden gedaan ten overstaan van commissarissen (ter rol) van het Hof van Holland. Het onroerend goed werd dan aan de koper overdragen bij onwillig decreet. Tijdens een procedure van onwillig decreet werd een executeur aangewezen. In het onwillig decreet werden behalve de executeur ook de geëxecuteerde, het onroerend goed en het bedrag van de opbrengst van de gedwongen verkoop vermeld.

Decreten in het archief van het Hof van Holland

De door het Hof van Holland verleende decreten werden ingeschreven in de regsiters van Decreten. Deze registers zijn te vinden in de inventarisnummers 3259-3500 van het archief van het Hof van Holland, archiefinventaris 3.03.01.01. Deze registers zijn in het archief alleen ontsloten op datum. Om het zoeken in de decreten te vergemakkelijken, zijn ze in deze index opgenomen onder de namen van de verkopers, de kopers en een beschrijving van het verkochte (on)roerend goed.

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Het Hof van Holland

De Raad (het Hof) van Holland onder de Bourgondische hertogen, was de natuurlijke opvolger van de oude grafelijke raad die al ten tijde van de Beierse hertogen, en wellicht al eerder, functioneerde. Deze Raad was belast met het bestuur en de rechtspraak in het graafschap en groeide langzaam maar zeker uit tot een professionele instelling.

Als gevolg van ingrijpende institutionele veranderingen in 1445-1446 kwam de nadruk bij de activiteit van de Raad van Holland meer te liggen op de justitiële taak. Onder meer uit de registervorming blijkt dat de bestuurlijke en rechterlijke werkzaamheden van het Hof van Holland duidelijk werden gescheiden.

De stadhouder, die aangesteld was als plaatsvervanger van de graaf op het gebied van bestuur en rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland, was tevens de voorzitter van de Raad. Hij was ook de zegelbewaarder. De stadhouder had zowel rechterlijke als bestuurlijke bevoegdheden. Als rechter moest hij toezien op het goede verloop van de rechtsgang. Als bestuurder was hij verantwoordelijk voor het vernieuwen van de wet in de steden en het bijeenroepen van de Staten.

Samenstelling van het Hof

In de vijftiende eeuw bestond het Hof van Holland uit gemiddeld acht à negen bezoldigde raadsheren. Aanvankelijk speelden ook de raadsheren 'tot wederzeggen' en de onbezoldigde raadsheren uit de Raad een belangrijke rol in het Hof, maar deze verdwenen geheel in 1445. De belangrijkste taak van de raadsheren bestond erin te beschikken op de binnengekomen verzoekschriften (rekesten) die de president onder hen verdeelde.

Andere belangrijke functies bij het Hof van Holland werden uitgeoefend door de griffier, de procureur-fiscaal en de advocaat-fiscaal (later samengevoegd tot één functie) en de rentmeester-generaal. De rentmeester van de exploiten fungeerde als de kassier van het Hof.

De opeenvolgende Instructies voor het Hof van Holland wijdden vele artikelen aan de advocaten en procureurs van partijen. Zij waren degenen die de procespartijen in rechte vertegenwoordigden vóór het Hof. Hoewel zij formeel niet in dienst waren van het Hof, mochten zij alleen optreden vóór het Hof als zij officieel waren beëdigd.
Een gelijkaardige situatie gold voor de notarissen. Sinds de plakkaten van 1525 op het stuk van het notariaat in Holland en Zeeland oefende het Hof van Holland het toezicht uit op de aanstelling van notarissen in het graafschap.

Opheffing van het Hof van Holland

In 1811 werd in Nederland het Franse rechtssysteem ingevoerd. Door deze invoering werd het Hof van Holland, net als alle andere in Nederland bestaande gerechtelijke organisaties, opgeheven.

 

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in