gahetNA in the National Archives

Achtergrond

Boedelrekeningen

Het Hof van Holland had in de vijftiende eeuw taken op het gebied van het bestuur, de wetgeving en de rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland. Eén van die taken was het aanstellen van een curator wanneer bij iemands overlijden bleek dat de nalatenschap niet groot genoeg om de schulden te dekken. Deze curatoren hadden tot taak te bepalen welke schuldeisers er voorrang hadden bij de afrekening van de schuld. De curatoren dienden bij het Hof van Holland rekenschap af te leggen voor het werkzaamheden. Dit gebeurde door middel van de zogenaamde boedelrekeningen.

Dergelijke boedelrekeningen moesten niet alleen overlegd worden door curatoren. Ook door het Hof van Holland aangewezen voogden moesten op deze wijze rekenschap afleggen voor het door hen gevoerde beheer van de fondsen en goederen van de minderjarige over wie zij de voogdij voerden.  

Boedelrekeningen in het archief van het Hof van Holland

De boedelrekeningen zijn door het Hof van Holland bewaard. Zij zijn te vinden in het archief van het Hof van Holland, archiefinventarisnummer 3.03.01.01, onder de noemer preferenties. Om het zoeken in de boedelrekeningen te vergemakkelijken, zijn zij opgenomen in deze index.

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Het Hof van Holland

De Raad (het Hof) van Holland onder de Bourgondische hertogen, was de natuurlijke opvolger van de oude grafelijke raad die al ten tijde van de Beierse hertogen, en wellicht al eerder, functioneerde. Deze Raad was belast met het bestuur en de rechtspraak in het graafschap en groeide langzaam maar zeker uit tot een professionele instelling.

Als gevolg van ingrijpende institutionele veranderingen in 1445-1446 kwam de nadruk bij de activiteit van de Raad van Holland meer te liggen op de justitiële taak. Onder meer uit de registervorming blijkt dat de bestuurlijke en rechterlijke werkzaamheden van het Hof van Holland duidelijk werden gescheiden.

De stadhouder, die aangesteld was als plaatsvervanger van de graaf op het gebied van bestuur en rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland, was tevens de voorzitter van de Raad. Hij was ook de zegelbewaarder. De stadhouder had zowel rechterlijke als
bestuurlijke bevoegdheden. Als rechter moest hij toezien op het goede verloop van de rechtsgang. Als bestuurder was hij verantwoordelijk voor het vernieuwen van de wet in de steden en het bijeenroepen van de Staten.

Samenstelling van het Hof

In de vijftiende eeuw bestond het Hof van Holland uit gemiddeld acht à negen bezoldigde raadsheren. Aanvankelijk speelden ook de raadsheren 'tot wederzeggen' en de onbezoldigde raadsheren uit de Raad een belangrijke rol in het Hof maar deze verdwenen geheel in 1445. De belangrijkste taak van de raadsheren bestond erin te beschikken op de binnengekomen verzoekschriften (rekesten) die de president onder hen verdeelde.

Andere belangrijke functies bij het Hof van Holland werden uitgeoefend door de griffier, de procureur-fiscaal en de advocaat-fiscaal (later samengevoegd tot één functie) en de rentmeester-generaal. De rentmeester van de exploiten fungeerde als de kassier van het Hof.

De opeenvolgende Instructies voor het Hof van Holland wijdden vele artikelen aan de advocaten en procureurs van partijen. Zij waren degenen die de procespartijen in rechte vertegenwoordigden vóór het Hof. Hoewel zij formeel niet in dienst waren van het Hof, mochten zij alleen optreden vóór het Hof als zij officieel waren beëdigd. Een gelijkaardige situatie gold voor de notarissen. Sinds de plakkaten van 1525 op het stuk van het notariaat in Holland en Zeeland oefende het Hof van Holland het toezicht uit op de aanstelling van notarissen in het graafschap.

Opheffing van het Hof van Holland

In 1811 werd in Nederland het Franse rechtssysteem ingevoerd. Door deze invoering werd het Hof van Holland, net als alle andere in Nederland bestaande gerechtelijke organisaties, opgeheven.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in