Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Achtergrond

Het handelsregister van de Kamer van Koophandel

Iedere onderneming wordt sinds 1921 geregistreerd in het Handelsregister, bijgehouden door de Kamer van Koophandel in de regio waar de onderneming is gevestigd. De enige uitzonderingen hierop vormen overheidsbedrijven, landbouwbedrijven die geen NV of BV zijn en straathandel.

Van iedere onderneming die in het Handelsregister is ingeschreven wordt een dossier aangelegd. Dit dossier bevat een aantal gegevens over de onderneming. Verandert er iets aan de structuur, de rechtsvorm, de taakstelling enz. van de onderneming, dan wordt dat in het dossier verwerkt. Wordt een onderneming opgeheven, dan wordt het dossier doorgehaald. Dat gebeurt ook als een onderneming verplaatst wordt naar een gemeente buiten de regio van de desbetreffende Kamer van Koophandel; soms ook als een bedrijf een nieuwe rechtsvorm krijgt of op een andere manier sterk verandert.

Doorgehaalde dossiers gaan in principe na twintig jaar naar een openbare archiefbewaarplaats van het rijk in de hoofdstad van de desbetreffende provincie. Voor de provincie Zuid-Holland fungeert het Nationaal Archief als zodanig.
Meer informatie over het zoeken naar dossiers in het Handelsregister vindt u in de onderzoeksgids Ik zoek het dossier van een bedrijf.

kleermakerij

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Geschiedenis van de Kamers van Koophandel 

Tot 1851

Overheidsinstellingen ter bevordering van de handel zijn er in Nederland vóór 1795 nauwelijks geweest. Ten gevolge van de Franse inval in ons land in dat jaar, werden er naar Frans voorbeeld, in de Nederlandse gewesten Comités van Koophandel en van Zeevaart opgericht, onder meer te Amsterdam en Rotterdam. Pas na de inlijving bij Frankrijk in 1810 echter werd de voorlichting en advisering op gebied van handel en nijverheid door de overheid structureel aangepakt en wettelijk geregeld. Dit resulteerde in de oprichting van Kamers van Koophandel te Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg en Vlissingen, die naast het geven van voorlichting en advies ook enkele uitvoerende taken op het gebied van de handel hadden.

Bij het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 bleven de genoemde organen bestaan. In 1815 werd de Franse regeling waarop zij berustten, vervangen door een Nederlandse, waarbij alleen de adviserende taak, uitsluitend voor en op verzoek van de (centrale) overheid, overbleef op het gebied van handel en nijverheid. De invloed van de centrale regering op de Kamers was groot. Zo werden bijvoorbeeld de leden en de secretarissen van de Kamers benoemd door de Koning. Voor de financiën waren de Kamers tot 1922 afhankelijk van de overheid, in hoofdzaak van de gemeenten.

1851-1920

In 1851 kwam er een geheel nieuw Reglement voor de Kamers van Koophandel en Fabrieken tot stand. De leden werden nu door de handelaren en fabrikanten uit hun midden verkozen. De Kamers kregen het recht om uit eigen beweging mededelingen te doen die zij in het belang achtten van het bedrijfsleven. Hun algemeen voorlichtende taak, die na 1920 steeds belangrijker zou worden, was hiermee begonnen. De werkzaamheden van de Kamers ontwikkelden zich in steeds grotere openbaarheid.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog brak het inzicht door dat de organisatie van de Kamers van Koophandel aan herziening toe was. Inmiddels was het aantal Kamers gegroeid tot 97, werkzaam voor 116 gemeenten, waardoor het voor de regering moeilijk was alle Kamers te raadplegen en aan al hun adviezen de nodige aandacht te schenken. Bovendien waren de adviezen vaak beperkt tot het plaatselijk belang. In ruim duizend gemeenten waren geen Kamers van Koophandel aanwezig. In 1917 werd een commissie ingesteld voor de reorganisatie. Tegelijkertijd werd een wetsontwerp ingediend voor de instelling van een handelsregister, waarvan de noodzaak zich had doen voelen tijdens de oorlog. Doordat men het beheer van een handelsregister wilde opdragen aan de Kamers, was een ingrijpende reorganisatie daarvan geboden.

1921-1940

De nieuwe Wet op de Kamers van Koophandel 1920 trad samen met de Handelsregisterwet 1918 in 1921 in werking. In werkelijkheid maakten de Kamers oude stijl echter pas per 1 april 1922 plaats voor de nieuwe, gegrond op de nieuwe wetten.

Het aantal Kamers werd teruggebracht tot 36, wier districten tezamen het gehele grondgebied van het land besloegen. Behalve adviserende taken hadden de Kamers nu ook een uitvoerende taak in het bijhouden van het Handelsregister en het geven van voorlichting daaruit en wel voor het gehele Nederlandse bedrijfsleven: groot-, midden- én kleinbedrijf. Bovendien beschikten zij nu over eigen inkomsten, uit de inschrijvingen in het handelsregister. De rekening en verantwoording en de begroting moesten echter wel door de centrale overheid goedgekeurd worden. De bevoegde minister kon eventueel besluiten van de Kamers schorsen of vernietigen. De samenwerking tussen de Kamers werd mede bevorderd door de in 1924 opgerichte Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland.

1940-1950

In de Tweede Wereldoorlog werd door de bezetter een andere organisatie van het bedrijfsleven in het leven geroepen. Bedrijven werden ingedeeld in Hoofdgroepen en Vakgroepen, met een overkoepelende Raad voor het Bedrijfsleven. Deze op het leidersprincipe gestoelde organisatie van het bedrijfsleven diende de belangen van handel en industrie voor een groot deel te behartigen . Voor de Kamers was een regionale rol weggelegd. Het aantal Kamers werd door de bezetter teruggebracht tot één per provincie. De andere Kamers werden als ondergeschikt kantoor van de provinciale Kamers gehandhaafd. De voorzitters in de Kamers speelden - weer overeenkomstig het leidersprincipe - een belangrijke rol. Tot 1950 hebben de Kamers officieel onder de oorlogsregelingen gewerkt, zij het dat het leidersprincipe al spoedig in de praktijk losgelaten werd.

Vanaf 1950

In de wet op de Bedrijfsorganisatie 1950 en de wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963 werd de aanzet tot de moderne Kamers van Koophandel gegeven. De Kamer van Koophandel werd de regionale belangenbehartiger bij uitstek van het bedrijfsleven, in een netwerk van andere instanties die de bevordering van het economisch leven ten doel hebben. In 1976 werd de taak van de Kamers van Koophandel uitgebreid met het bijhouden van het Verenigingen- en Stichtingen Register, wat tot die tijd door het Ministerie van Justitie gedaan werd. De gegevens uit de handels-, verenigingen- en stichtingenregisters werden vanaf omstreeks 1980 gecomputeriseerd. In 1997 werd een nieuwe Handelsregisterwet van kracht waarbij bepaald werd dat er nog maar één Handelsregister, geldig voor heel Nederland, zou worden bijgehouden.

Publicaties: 

Een exposé over de Kamers van Koophandel is te vinden in:

  • B.W. Buenk, C.F.A. Eenhorst en C.W. Mark De Kamers van Koophandel in de Praktijk, 1969 Deventer
  • J.L.J.M. van Gerwen, J.J. Segers en S.W. Verstegen Mercurius' Erfenis. Een geschiedenis en bronnenoverzicht van de Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland. Uitgave NEHA, Amsterdam 1990.
  • J.F.L.M. Simons, Continuïteit in verandering: de Kamers van Koophandel als intermediair tussen overheid en bedrijfsleven. Amsterdam: Stichting Beheer IISG, [2001?].

In de tweede publicatie wordt een overzicht gegeven van de bestaande Kamers van Koophandel en de archiefbewaarplaatsen waarin hun archieven bewaard worden.

Voorts zij hier verwezen naar de inleidingen op de inventarissen van de secretariaatsarchieven van de Kamers van Koophandel aanwezig in het Nationaal Archief.

Al deze publicaties zijn in te zien in de studiezaal van het Nationaal Archief.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in