gahetNA in the National Archives

Koloniale bevolking

Tot 1863 werd de belangrijkste indeling van de Surinaamse bevolking bepaald door een wettelijke status: je had slaven en niet-slaven.

De slaven kwamen hoofdzakelijk uit Afrika. Maar ook indianen konden slaaf zijn, zeker in de zeventiende eeuw. In de jaren 1678-1686 voerden de indianen oorlog met de kolonisten. Eén van de gevolgen van deze indianenoorlog was dat de stammen die bij de kust woonden (Arowakken en Caraïben) voortaan als vrije bewoners van de kolonie golden en dus niet in slavernij gebracht mochten worden. Indiaanse slaven waren sindsdien dan ook alleen afkomstig uit het binnenland, waar geen blanken woonden. Groot was het aantal Indiaanse slaven in de achttiende eeuw echter niet.

De vrije bevolking van Suriname bestond aanvankelijk alleen uit de vrije Indianen en 'blanke' kolonisten. De kolonisten zijn onder te verdelen in joden en christenen. De joden waren in familieverband gekomen en zijn weer onder te verdelen in Portugese joden (Sefardim) en joden uit Duitsland, Polen en Rusland (Ashkenazim). De christelijke bevolking bestond vooral uit gereformeerden (calvinisten). Maar er waren ook lutherse en rooms-katholieke gelovigen in Suriname. Naast planters bestond de christelijke bevolkingsgroep uit ambtenaren, militairen en voorlieden op de plantages. Een aparte groep onder de christenen vormden de volgelingen van de Herrnhutter zendelingen, die vanaf 1735 in Suriname preekten: de Evangelische Broedergemeente (EBG), ook wel bekend als de Moravische Broedergemeente.

Uit de slavenbevolking ontstonden in de slavernijperiode twee nieuwe groepen vrijen: gemanumitteerden en Marrons. 'Gemanumitteerd' wil zeggen 'vrijgegeven'. Het ging hierbij om slaven die door vrijlating door de eigenaar vrije burgers werden. Aanvankelijk bestond de groep gemanumitteerden vooral uit kleurlingen, maar in de negentiende eeuw werden ook veel zwarte slaven vrijgegeven. Marrons waren gevluchte slaven en hun nazaten. Vanaf het begin van de slavernijperiode kozen slaven voor de vrijheid door zich van de plantages te verwijderen. In het oerwoud slaagden zij erin levensvatbare gemeenschappen te vormen. In de jaren 1760 erkenden de Nederlanders zo'n 3.000 Marrons als 'vrije negers'.

Daarnaast arriveerden vanuit Europa tijdens de slavernijperiode enige kleine, vrij duidelijk af te bakenen groepen boerenkolonisten: in 1739 een aantal Duitsers, in 1747 gevolgd door een eveneens Duitse groep uit de Palts en in 1748 door een groep Zwitsers. Sinds 1751 vormden de restanten van deze kolonisaties zich tot een enkele groep: de 'kolonisten aan het pad van Rama'.
Daarna bleef het bijna een eeuw lang stil. Pas in 1845 en daaropvolgende jaren arriveerde een nieuwe groep kolonisten, ditmaal bestaande uit Nederlanders (vooral uit de omgeving van Veenendaal, Gld.). Deze boeren werden later bekend als de boeroes. Ten slotte kwam in 1853 wederom een groepje Duitse kolonisten aan, die naar hun leider wel de Kappler-Duitsers worden genoemd.

Een geheel andere groep migranten werd gevormd door de vrije (West-Indische) arbeiders, een beperkt aantal kleurlingen en zwarten die tegen het einde van de slaventijd in Suriname kwamen werken. Zij kwamen uit gebieden waar de slavernij al was afgeschaft.

Ten slotte immigreerden vanaf 1853 uit Azië groepjes Chinezen, die als contractarbeider waren aangeworven met het oog op het dreigende tekort aan arbeidskrachten bij de aanstaande afschaffing van de slavernij. De Chinezen zouden - na de afschaffing van de slavernij - worden gevolgd door een veel omvangrijker en langduriger immigratie van Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, die voortduurde tot in de 20e eeuw.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in