gahetNA in het Nationaal Archief

Colofon

Accountability: 

Deze database was een initiatief van het Nationaal Archief in het kader van de Historische Database Suriname, waarin het Nationaal Archief heeft samengewerkt met Amrit consultancy in Den Haag en het Instituut voor Maatschappij Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO) te Paramaribo. Concept en realisatie van deze website: Hic et Nunc te Rotterdam.
De gegevens over de manumissies en de emancipaties werden geleverd door de onafhankelijke onderzoekers O. ten Hove en H. Helstone.

De database Emancipatie werd in 1999 beschikbaar gesteld via een website die gemaakt was door Hic et Nunc. In 2010 is deze website overgezet naar de nieuwe website van het Nationaal Archief. In 2013 is een belangrijke toevoeging aan de index gedaan.
De database is gemigreerd van een MS SQL database naar een MySQL database. De technische details zijn opgeslagen in het Beheersysteem voor Nadere Toegangen van het Nationaal Archief.
Voor het tot stand komen van deze database vormden de in Paramaribo verzamelde gegevens van de emancipatieregisters het uitgangspunt. Deze gegevens uit de emancipatieregisters werden aangevuld met de gegevens afkomstig uit het archief van de Algemene Rekenkamer, zoals informatie over de beroepen en de geloofsovertuiging van de slaven en over de eigenaren.

De database emancipatie 1863 is gebaseerd op twee bronnen:

Emancipatielijsten

In de emancipatieregisters werden in Suriname de vrijgemaakte slaven per district ingeschreven. De slaven werden per familie onder de plantages waartoe zij behoorden of verbleven genoteerd. Vermeld werd de toegekende familienaam, de nieuwe voornamen, de slavennaam, de onderlinge familierelaties en de leeftijd c.q. geboortejaar. De onderlinge familierelaties werden niet altijd aangeven. Maar vanuit de wetgeving kan beargumenteerd worden dat ieder met een zelfde familienaam aan elkaar verwant moet zijn.
In Paramaribo werden 4.320 slaven verdeeld over twee registers ingeschreven. In de districten werden de slaven per plantages ingeschreven, behalve in Coronie. De gegevens van het district Coronie werden genoteerd in een lijst van 1975 individuen, zonder dat hierbij een verwijzing werd gemaakt naar een plantage of eigenaar. Hetzelfde geldt voor de twee lijsten van Paramaribo waarin 4320 personen zijn ingeschreven zonder nadere verwijzing naar eigenaar of plantage. Van de in Beneden Saramacca gelegen plantage Catharina Sophia met 407 slaven en de in Perica gelegen plantage Rustenburg met 191 slaven, zijn geen gegevens terug te vinden in de archieven van de Algemene Rekenkamer, omdat dit Gouvernementsplantages waren. Voor gouvernementsslaven werden geen vergoedingen uitgekeerd. In het emancipatieregister werden, in tegenstelling tot de borderellen van de Algemene Rekenkamer, wel gegevens opgenomen van de 369 personen die zich op het leprozeninstituut Batavia bevonden.
De geëmancipeerden werden in 17 verschillende registers ingeschreven:

District met aantal ingeschrevenen:

  1. Boven Suriname 1.320
  2. Beneden Suriname 3.378
  3. Boven Para 1.672
  4. Beneden Para 2.061
  5. Boven Commewijne 998
  6. Beneden Commewijne 2.274
  7. Boven Cottica 2.157
  8. Beneden Cottica 4.332
  9. Commetewane 2.243
  10. Perica 1.399
  11. Matappica 2.845
  12. Boven Saramacca 88
  13. Beneden Saramacca 1.729
  14. Coronie 1.975
  15. Nickerie 1.650
  16. Paramaribo I 2.172
  17. Paramaribo II 2.148

Totaal aantal ingeschrevenen 34.441

Gegevens uit het archief van de Algemene Rekenkamer

Algemene Rekenkamer

De Nederlandse staat betaalde een vergoeding aan de slaveneigenaren voor elke vrijgelaten slaaf. Het toekennen van deze vergoedingen werd gecontroleerd door de Algemene Rekenkamer. Door deze controlefunctie is er in het archief van de Algemene Rekenkamer een schat aan informatie over de slavenpopulatie in Suriname te vinden.

Recht op vergoeding

Om voor een vergoeding in aanmerking te komen dienden de eigenaren van de slaven, of een gevolmachtigde, binnen dertig dagen na afkondiging van de wet in de kolonie in Suriname een borderel van aangifte in tweevoud bij de gouvernementssecretarie in Paramaribo in te leveren. In artikel 5 van de 'emancipatiewet' stond beschreven welke gegevens de eigenaren op dit borderel dienden te vermelden. Allereerst moesten zij de namen van de plantages waartoe de slaven behoorden vermelden. Vervolgens dienden de namen en de woonplaatsen van de eigenaren, of van hun gevolmachtigden, te worden vermeld. Per plantage dienden onderstaande gegevens ingevuld te worden:

  • Slavenroepnaam
  • Geslachtsaanduiding
  • Leeftijd of geboortejaar
  • Veelal een beroepsaanduiding
  • Veelal een religieuze aanduiding

Bij een enkeling de opmerking dat hij/zij ziek was, aan lepra leed, of Afrikaan was.
Bij de gouvernementssecretarie werden de borderellen vergeleken met de aldaar gedeponeerde slavenregisters. Vervolgens gingen in maart 1863 speciaal in het leven geroepen verificatiecommissies langs de plantages om de borderellen te vergelijken met de aanwezige slaven. De slaven die in de stad Paramaribo woonden dienden zich op vaste plekken in de stad bij een verificatiecommissie te melden. Elke verificatiecommissie bestond uit drie leden en een toegevoegde arts. De arts had tot taak de slaven te controleren op lepra en elefantiasis. Wanneer een slaaf aan een van deze ziektes leed werd hij naar Paramaribo gezonden voor een 'second opinion'.

Zij die bij deze herkeuring aan lepra of elefantiasis leden, werden uit de samenleving verwijderd en naar Batavia, een leprozeninstituut in Suriname, verbannen. Voor deze slaven ontving een eigenaar geen tegemoetkoming. Van een vergoeding werden eigenaren ook uitgesloten wanneer slaven meer dan een maand voor de dag van verificatie waren weggelopen. Slaven die binnen een maand voor de dag van verificatie waren weggelopen, werden derhalve wel voor vergoeding in aanmerking gebracht. Daarnaast sloot de koloniale overheid slaven uit die waren overleden in de periode tussen de indiening van het borderel en de dag van de verificatie. Verscheidene eigenaren spanden een rechtszaak aan met de motivatie dat het borderel uitgangspunt was. Zij werden in het gelijkgesteld en de tegemoetkoming werd per overledene met 300 gulden verhoogd. Bij eigenaren die geen rechtszaak aanspanden bleven de overleden slaven buiten beschouwing. Verder werd voor slaven die recht op manumissie hadden maar nog niet gemanumitteerd waren 60 gulden vergoed. Slaven die gemanumiteerd hadden moeten zijn, maar dat niet waren, werden voor vergoeding uitgesloten
De commissies maakten een proces-verbaal op van hun verificatie. In de periode tussen het inleveren van het borderel in september 1862 en de verificatie ter plekke was soms al weer het een en ander veranderd. Slaven waren geboren en overleden, sommigen bleken afwezig omdat ze verhuurd waren en anderen waren intussen weggelopen. Een tweede commissie was belast met de controle van de eigendomsbewijzen, de vaststelling van de eigendomsrechten en de toekenning van de tegemoetkoming. Eigenaren dienden namelijk bewijsstukken te overleggen dat de slaven van hen waren. De niet in Suriname of op de Nederlandse Antillen wonende eigenaren stuurden onder begeleiding van notariële akten bewijsstukken naar Suriname en benoemden gemachtigden die gerechtigd waren de in Suriname uit te betalen tegemoetkoming te innen. Het archief van de Algemene Rekenkamer bevat deze notariële akten, maar niet de ingestuurde bewijsstukken.

De door eigenaren ingezonden borderellen bevinden zich in het archief van de Algemene Rekenkamer. Dit instituut in Nederland diende achteraf vast te stellen of de berekening en de toekenning van de tegemoetkoming op een juiste wijze was gebeurd. In dit archief zijn geen gegevens opgenomen van slaven die de koloniale overheid zelf in bezit had, de zogenaamde gouvernementsslaven. De reden voor het ontbreken van de gouvernementsslaven in de administratie van de Algemene Rekenkamer is dat de koloniale overheid zelf geen tegemoetkominggelden ontving voor de slaven die ze in bezit had gehad. In het archief van de Algemene Rekenkamer zijn ook geen gegevens te vinden over de slaven die verbleven in het leprozeninstituut Batavia of in de verscheidene wegloperskampen. De slaven op Batavia werden uit de samenleving verwijderd en van de slaven in de wegloperskampen zijn geen eigenaargegevens bekend. Omdat er geen gelden mee gemoeid waren hoefden deze lijsten niet door de Algemene Rekenkamer gecontroleerd te worden. Dat is ook de reden dat van een aantal personen in Paramaribo geen eigenaargegevens konden worden vastgesteld.

In het archief van de Algemene Rekenkamer zijn de slaven in twee groepen onderverdeeld:

  • Plantageslaven
  • Privé-slaven

Deze omschrijving zegt niets over de werkzaamheden van de slaven. Het is een juridische aanduiding. Een plantageslaaf behoorde tot de boedel van een plantage. Een privé-slaaf stond in de slavenregistratie bekend onder de naam van een particulier of privé-persoon. Het wonderlijke kon zijn dat groepen privé-slaven werkzaam waren als plantageslaaf en dat plantageslaven (de juridische omschrijving) werkzaam waren in de stad of op de plantage als ambachtsslaaf of als huisslaaf.

Ontstaan database

Het Nationaal Archief in Den Haag is de samensteller van de database betreffende de slaven van Paramaribo, historicus drs. Okke ten Hove, zeer dankbaar dat hij zijn gegevens belangeloos ter beschikking heeft gesteld voor publicatie op internet. Deze dank geldt ook Heinrich Helstone die samen met Okke ten Hove verantwoordelijk is voor de samenstelling van de database betreffende de plantageslaven.

Tevens is het Nationaal Archief dank verschuldigd aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) voor het kosteloos beschikbaar stellen van illustratiemateriaal.

Op zijn beurt heeft drs. Ten Hove bij zijn archiefonderzoek hulp gehad van diverse personen die niet onvermeld kunnen blijven.
Dhr. drs. Robert Ramdas bracht de onderzoeker in contact met zijn broer Iwan Mahabir. Deze stelde Ten Hove onderdak beschikbaar tijdens zijn onderzoek in Suriname.
Bij het Centraal Bureau voor Burgerzaken in Suriname waren mw. H.J. Merkus, hoofd van de afdeling Stamboom en Familieboek, en de medewerkers dhr. S.J. Nankoe, mw. S.R. van Ams, dhr. K.A. Wens, mw. R.P.F. Klei, mw. M.J. Adams en mw. M.W.J. Ritfeld bijzonder behulpzaam bij het onderzoek. Bij onderzoek in het Landsarchief in Paramaribo ontving Ten Hove hulp en advies van de archivaris dhr. Herman Telgt.
Dankzij bemiddeling van Joop Vernooij is er een samenwerking tot stand gekomen tussen de onderzoeker en Heinrich Helstone die de emancipatieregisters van Suriname in digitale vorm voor dit onderzoek beschikbaar stelde.
Wat betreft de opbouw van het digitale databestand is veel dank verschuldigd aan dhr. Carel ten Hove, die de oorspronkelijke database heeft gebouwd.

De teksten en illustraties bij de database ‘Emancipatie 1863’ zijn in samenspraak met drs. Ten Hove samengesteld door drs. Rick D.H. van Velden, Nationaal Archief.
De aanvulling van de database en aanpassing van de website (2006) werd gecoördineerd door Arnold Oppelaar, Nationaal Archief. De bronbestanden voor de aanvulling werden bewerkt door Wim van Dongen, Nationaal Archief.

In 2013 werd nog een aanvulling op de database (gegevens van slaveneigenaren op de Nederlandse Antillen) gedaan. Ook deze gegevens werden door de heer Ten Hove belangeloos aan het Nationaal Archief ter beschikking gesteld.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in