gahetNA in het Nationaal Archief

Wet- en regelgeving

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Inleiding

Tot 1733 was manumissie in Suriname een zaak die meester en slaaf onderling konden regelen. Als een meester om welke reden dan ook een slaaf de vrijheid wenste te geven dan mocht hij dat. Hoeveel slaven zo gemanumitteerd zijn is onbekend, want in deze tijd vond nog geen systematische registratie van vrijgevingen plaats.

Manumissiereglement 1733

Omdat de planters meenden dat ‘vrije negers’ allerlei maatschappelijke overlast veroorzaakten als gevolg van losbandig gedrag en drankzucht – waarin zij ook de slaven meesleepten – werd getracht hun aantal te beperken. Dit resulteerde in het Manumissiereglement van 1733, waarin strikte voorwaarden voor vrijgeving werden vastgelegd en regels werden gesteld waaraan zowel de gemanumitteerden als hun voormalige meesters zich moesten houden. Dit reglement was dus geen uiting van verlicht denken, maar juist bedoeld om het aantal vrijverklaringen te beperken.

Het uitgangspunt van het reglement van 1733 was dat het verkrijgen van de vrijheid alleen mogelijk was met toestemming van de koloniale overheid. Een belangrijke regel  was dat die toestemming werd onthouden als de vrij te laten persoon niet in staat was in het eigen onderhoud te voorzien.

Door verdere sociale en politieke ontwikkelingen in de kolonie kreeg het reglement in de loop van de tijd allerlei wijzigingen en aanvullingen die beoogden de vrijheid van de gemanumitteerden verder aan banden te leggen, de veiligheid in de kolonie te bevorderen en het aantal nieuwe vrijen te beperken.

Reglementering 1826-1832

In de jaren twintig van de 19e eeuw kwam de overheidsbemoeienis met de Surinaamse bevolking, de slavenpopulatie en de manumissie van slaven in een stroomversnelling.

Nadat Suriname vanaf 1799 (met een korte onderbreking) onder Engels bestuur had gestaan, mocht het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in 1816 het roer in de oude West-Indische kolonie weer overnemen, onder meer op voorwaarde dat de slavenhandel zou ophouden.

Slavenregistratie 1826

Om te beginnen werden maatregelen genomen om tot een betere slavenregistratie te komen. In 1826 kwam er een officieel slavenregister en werden voorschriften voor de slavenregistratie opgesteld. Door systematische vastlegging van gegevens omtrent eigendom (koop en verkoop), verloop van de slavenpopulatie (sterfte, geboorte en afschrijving wegens manumissie en wegloperij)  kon nu effectief tegen de illegale slavenhandel opgetreden worden. Tevens werd de slavenregistratie door de overheid gebruikt bij de vaststelling van het ‘hoofdgeld’, een soort personele belasting voor slavenhouders. Vanzelfsprekend bracht manumissie met zich mee dat een slaaf uit het officiële slavenregister werd uitgeschreven.

Bevolkingsregistratie 1828-1831

Vervolgens werd in 1828 een verordening van kracht waardoor het verloop van de vrije bevolking in Suriname bijgehouden zou worden. Met de invoering in Suriname van zo’n registratie werd aangesloten op de Nederlandse situatie, waar sinds 1811, als gevolg van de inlijving bij Frankrijk, het systeem van de Burgerlijke Stand was ingevoerd. Deze registratie van geboorten, huwelijken en overlijdens was in de eerste plaats uitdrukking van de scheiding tussen kerk en staat; het waren immers vooral de kerkgenootschappen die voorheen (voor de eigen geloofsgemeenschap) dopen, huwelijken en sterfgevallen registreerden. Daarnaast was de Burgerlijke Stand een instrument voor de oproeping ten behoeve van de nieuwe militaire dienstplicht.

Plantage Suzannadal
plantage Suzannadal, 1887

Gelijktijdig met de wettelijke regeling van een bevolkingsregistratie voor Suriname werd ook een reglement van kracht om tot een nauwkeurige staat van de vrije bevolking van Paramaribo te komen. Er werden wijkregisters ingevoerd, waarin deze vrije bevolking werd vastgelegd: over de vier wijken van de stad werden twee wijkmeesters aangesteld die door middel van een volkstelling aan huis de vrije bevolking in Paramaribo in de wijkregisters dienden te noteren. Deze huis-aan-huis registratie diende elk jaar te worden herhaald.

Familienamen

Een belangrijk onderdeel van de bevolkingsregistratie in Nederland en van de bevolkingsregistratie in Suriname was de vastlegging van familienamen. Van allen die al een familienaam droegen, werd deze in de registers nu ook officieel en volgens een vaste spelling vastgelegd. Bij geboorte werd de familienaam verplicht overgedragen.

Net als in Nederland moesten de vrije mensen in Suriname die bij de eerste registratie nog geen familienaam hadden, er toen een aannemen. Slechts met toestemming van de gouverneur, en na openbaarmaking van het verzoek in de koloniale bladen, kon de eenmaal gekozen familienaam worden veranderd. De in 1828 opgegeven familienamen werden, net als in Nederland, door geboorte overgedragen.

Manumissie en bevolkingsregistratie

Het ‘Burgerregister’ van Suriname werd in 1831 daadwerkelijk ingevoerd. Een belangrijk verschil met de Burgerlijke Stand in het moederland was natuurlijk dat in de Surinaamse slavenmaatschappij alleen vrije burgers in de registers werden opgenomen. Voor slaven waren er immers aparte registers. Het geregistreerd worden als burger was een noodzakelijke stap om als rechtspersoon te gelden, zowel politiek (stemrecht) als economisch (uitoefenen van beschermde beroepen of aankopen van onroerend goed).

Uitschrijving uit de slavenregisters bracht echter niet automatisch inschrijving in de bevolkingsregisters met zich mee: gemanumitteerde slaven konden, behoudens ontheffing van het gouvernement, pas na twee jaar en onder meer na overlegging van een bewijs van goed gedrag het burgerrecht verwerven en ingeschreven worden in de bevolkingsregisters.

Naar een nieuwe manumissieregeling

Naamgeving

Slaven hadden geen familienaam. Ze hadden hun roepnaam, die ze gekregen hadden van hun meester en bezaten daarnaast hun ‘eigen’ naam, waarmee ze bekend stonden bij hun medeslaven en die in hun verdere sociale contacten speelde.

De intussen vele malen herziene manumissieregeling van 1733 kende geen bepalingen over de toekenning van een familienaam: dat was immers ook voor vrije inwoners niet geregeld. Nu echter alle vrije personen sinds 1828 een vaste familienaam hadden moeten kiezen, diende er ook iets geregeld te worden voor de naamgeving van gemanumitteerde slaven. In plaats van op dit punt de zoveelste aanvulling op het reglement van 1733 te realiseren, besloot het gouvernement tot het ontwerpen van een geheel nieuw reglement.

Burgerschap

Bij deze keuze voor een nieuw reglement ging het niet alleen om de naamskwestie, maar om aanpassing van de manumissieregels aan de nieuwe regeling van het burgerschap in het algemeen. Daarbij kan men zich ook indenken dat de Nederlandse overheid, bezig met het ontwikkelen van nieuwe eigen wetboeken voor de jonge nationale staat, het niet meer passend vond dat belangrijke kwesties van burgerrecht, eigendomsrecht en vrijheid nog altijd werden afgedaan aan de hand van reglementen uit de tijd van het ancien régime.

Bovendien was het geboden dat actuele maatschappelijke knelpunten in verband met vrijgeving, die ‘ad hoc’ waren geregeld, een eigen plaats zouden krijgen in een nieuw breder kader.Een enkel van die actuele punten mag hier worden aangestipt:

Illegale vrijgeving

Hoewel verboden onder het geldende Manumissiereglement 1733 kwam het nog vaak voor dat een eigenaar een slaaf of slavin zonder verdere plichtpleging de vrijheid gaf, of in zijn testament liet opnemen dat na zijn dood een geliefde slaaf als vrij moest worden beschouwd. Ook maakten meester en slaaf vaak een onderhandse afspraak over vrijlating tegen betaling: voor de meester was de slaaf dan vrij als deze volgens afspraak de ‘vrijheidsprijs’ aan de meester had betaald.

Dit alles was niet alleen verboden, het scheelde het gouvernement ook inkomsten: ten eerste omdat sinds 1788 voor uitreiking van ‘brieven van manumissie’ een vergoeding aan de overheid was verbonden; ten tweede omdat de meester van een illegaal vrijgelaten slaaf zich voortaan vrijgesteld achtte van betaling van ‘hoofdgeld’ (een soort vermogensbelasting op slaven) voor de betrokken slaaf.

In 1829 had het gouvernement dan ook verordonneerd dat deze ‘piki-nyan’ verplicht waren zich (kosteloos) te laten registreren, waarna zij een straatvoogd dienden te vinden die voor hen brieven van manumissie wilde aanvragen. Als een illegaal gemanumitteerde zich niet had laten registreren kon deze als ‘landsslaaf’ te werk worden gesteld.

Manumissiereglement 1832

Zo volgt in 1832 een nieuwe regeling op de manumissie voor de Nederlandse West-Indische bezittingen, bijna honderd jaar na het  Manumissiereglement 1733. Alle bestaande regelingen worden vervangen door dit reglement, dat op 23 maart 1832 te Paramaribo werd gearresteerd (KB 23 oktober 1831, no 83). Het reglement trad in werking op 1 april 1832.De gedrukte originele tekst in het Publicatie Blad kunt u hier lezen.

  
manu_reglement02    manu_reglement01 manu_reglement03
eglement op de Manumissie der Slaven in de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. (klik op afbeelding om te vergroten)

Inhoud

Het Manumissiereglement 1832 omvat 35 artikelen.
De inhoud is niet schokkend nieuw: het meeste gaat terug op de Manumissieregeling 1733, zoals sindsdien gewijzigd en aangevuld, of op bepalingen in verwante regelingen.

Voorop staat dat manumissie nog altijd een gunst is. Vrijgeving is alleen mogelijk krachtens beschikking van de (voormalige) meester.  Voorts kan geen manumissie plaatsvinden zonder dat de overheid goedgunstig beschikt op een daartoe strekkend verzoek. Wel kan worden geconstateerd dat de nieuwe regeling, áls er eenmaal een voornemen tot manumissie is, erop gericht is dat deze ook voortgang vindt en inderdaad wordt geëffectueerd: van ‘ontmoediging’ is geen sprake.

Volgens artikel 2 van het nieuwe reglement kan manumissie geschieden uit kracht van:

  1. Een besluit van de levende meester, als daad van goede wil jegens zijn slaaf.
  2. Een overeenkomst (van de vrijlater) met een (vorige) meester.
  3. Een testamentaire bepaling van een overleden meester.

De eerste optie gaat ervan uit dat de meester ook als vrijlater optreedt en als zodanig zelf een verzoek om manumissie bij het gouvernement indient. Deze figuur wordt in de regeling niet verder uitgewerkt.

De tweede optie betreft de situatie dat een slaaf van een vorige eigenaar ‘om den vrijdom’ is gekocht door een nieuwe eigenaar, die welbewust als zijn of haar vrijlater optreedt. Hierbij is niet alleen te denken aan een (agent van een) filantropische instelling, maar ook aan een reeds vrijgelaten relatie van een slaaf, die op zijn of haar beurt zorgt voor de vrijlating van een verwant of kennis. Deze optie wordt behandeld in de artikelen 3 t/m 9: deze schrijven voor hoe een dergelijke overeenkomst moet worden vastgelegd en behandeld en wat de werking is.
Zo bepaalt artikel 5 dat na het sluiten van de overeenkomst en het indienen van het manumissieverzoek door de vrijlater hooguit drie jaar mag verstrijken. Bij overschrijding wordt van overheidswege een curator-ad-hoc aangesteld die de procedure overneemt en dus als vrijlater optreedt.

De derde optie, manumissie uit kracht van een testamentaire beschikking van de (overleden) meester, wordt behandeld in de artikelen 10 t/m 14. Ook hier geldt dat uiterlijk binnen drie jaar na aanvaarding van het testament het verzoek tot manumissie moet worden ingediend bij de overheid. Blijft de erfgenaam, executeur of boedelredderaar wat dat betreft in gebreke, dan wordt ook in dit geval van overheidswege een curator ad hoc aangesteld, die de uitvoering van de bepaling tot vrijgeving op zich zal nemen door middel van het indienen van een officieel verzoek.

In het kader van deze mogelijkheid wordt (in artikel 12) ook ingegaan op de nietigheid van bepalingen in een testament, of wat voor akte dan ook, waarbij de slaaf vrijheid wordt beloofd of voorgehouden buiten de wettelijke regeling om. Dit artikel verwijst dus naar de praktijken die hebben geleid tot het voorkomen van piki-nyan (‘illegale vrijen’).

riviergezicht 
riviergezicht Paramaribo, 1817

Na aldus de verschillende ‘ingangen’ voor een verzoek om manumissie te hebben behandeld, gaat het volgende artikel (15) in op de vereisten waaraan een verzoek om manumissie, in te dienen door de vrijlater, moet voldoen:

  • Lid 1 schrijft voor dat de vrijlater een personele borg stelt óf een cautie stort (fl 300 - fl 500). Bij de aanvraag tot manumissie moest een bewijs van storting van de borgsom worden overhandigd óf een verklaring waarbij de borg zich met zijn bezit garant stelde. Dit werd geëist opdat een gemanumitteerde die zou blijken niet in eigen onderhoud te kunnen voorzien, niet tot last van bestuur of gemeenschap zou vervallen.
  • Lid 2 bepaalt dat bewijs moet worden geleverd dat de slaaf ‘in eenig erkend kerkgenootschap is opgenomen’. (Daartoe behoorde trouwens ook de Joodse gemeente.) ‘Heidenen’ konden dus niet worden gemanumitteerd!
  • Lid 3 eist een bewijs dat de vrij te laten persoon is ingeschreven in de slavenregisters.

Het reglement behandelt vervolgens de procedure die het verzoek om manumissie ondergaat. De artikelen 16 t/m 19 betreffen de bezwaarprocedure van derden tegen een verzoek om manumissie. De artikelen 20 t/m 25 beschrijven de verdere procedure, wanneer tegen de voorgenomen vrijgeving geen bezwaren zijn gemaakt, tot en met de uitreiking aan belanghebbende van de brieven van manumissie. Pas met die uitreiking is de manumissie een feit. De procedure is als er geen bezwaren komen kort: er moet drie maal (volgens vastgesteld formulier) een advertentie in de krant worden geplaatst, maar als binnen drie weken na de eerste advertentie nog geen bezwaren zijn ingekomen, besluit het gouvernement dat brieven van manumissie worden verleend.

De artikelen 26 tot en met 34 gaan in op de gevolgen van de manumissie voor zowel de vrijverklaarde als de meester. Daarbij ligt het accent op de vervulling van het voogdijschap voor een minderjarige gemanumitteerde.

Ook wordt aangegeven dat een gemanumitteerde aanspraak kon maken op het burgerrecht, na een bepaalde termijn en onder bepaalde voorwaarden, zoals vastgelegd in het reglement op het burgerrecht. Verder worden de voorwaarden voor het gebruik door de overheid van de borgsom nader omschreven: deze is bestemd voor het dekken van eventuele onkosten als de gemanumitteerde tot armoede mocht vevallen. Expliciet wordt vermeld dat als de vrijgelatene overlijdt zonder dat gebruik van deze middelen noodzakelijk was, het bedrag teruggevorderd kon worden. 

Naamgeving

Van speciaal belang in verband met de database zijn de artikelen 21 en 22 van het Manumissiereglement 1832, die bepalen dat iedere gemanumitteerde, als vrije persoon, een familienaam dient aan te nemen. Deze officiële naamgeving maakte het ook zinvol dat alle gemanumitteerden vanaf 1832 in een apart ‘manumissie-register’ werden opgenomen (zie: Over deze database).

De nieuwe naam werd ook vermeld in de aan de vrijgelatene uitgereikte brieven van manumissie.
Hier kunt u een manumissiebrief na 1832 zien, waarin de achternaam wordt vermeld.
De originele brief bevindt zich in het Nationaal Archief (Archieven Suriname na 1828, Suriname Onbeheerde Boedels en Wezen 1828-1876, inv.nr. 575)

Bij manumissies vóór 1832 werd geen familienaam in een manumissiebrief vermeld. Dat wil niet zeggen dat gemanumitteerden toen geen achternaam droegen, deze was echter (op dat moment) nog niet officieel. De meeste gemanumitteerden kozen in die tijd voor de zogenoemde ‘van’-namen, waarbij achter het voorzetsel ‘van’ de naam van de voormalige eigenaar valt te herkennen. In tegenstelling tot dit gebruik stelt artikel 22 van het Manumissiereglement 1832 dat bij het verlenen van de achternaam juist niet de familienaam van de voormalige meester mag worden toegepast. Zelfs het gebruik van de familienaam ‘van eenig in de respectieve koloniën woonachtig geslacht of individu’ moest vermeden worden. Dit zelfde verbod gold ook eventuele (latere) naamsveranderingen. De regel dat geen bestaande naam toegekend mocht worden, ging echter niet op als de vrijlater verwant was aan de gemanumitteerde. Anderzijds was het weer niet toegestaan dat vrijgelaten ‘onwettige’ kinderen waarvan de natuurlijke vader gehuwd was, diens naam mochten dragen.

Het was de gouverneur als hoogste gezagdrager wie het toekwam om een gemanumitteerde van een familienaam te voorzien. In de praktijk lijkt het erop dat de vrijlater (al dan niet als spreekbuis van de vrij te verklaren persoon) in de regel een voorstel voor een naam deed. Dit blijkt ook wel uit de vele rekesten om ontheffing op het verbod tot het voeren van een bepaalde in de kolonie bestaande naam. Bekendmaking van een verzoek om manumissie of naamsverandering vond plaats in de koloniale kranten. Indien geen oppositie kwam van personen die deze naam al droegen, werd een  verzoek om een bepaalde naam veelal toch ingewilligd.

Toevoegingen en wijzigingen op het reglement van 1832

Hieronder volgt een beknopte opsomming van de wijzigingen die het Manumissiereglement 1832 in de periode tot aan de Emancipatie van 1863 onderging.

In 1843 werden de borgsommen voor manumissie verlaagd en ontstond de mogelijkheid de geldelijke borg (cautie) of de persoonlijke borgstelling af te kopen.

Vanaf 1844 werden gemanumitteerden vanaf 16 jaar verplicht een beroep uit te oefenen en werden de opgegeven beroepen ingeschreven in het Nijverheidsregister. Gemanumitteerden onder de zestien jaar waren van de arbeidsplicht vrijgesteld, maar na het zestiende levensjaar moest dan wel alsnog registratie plaatsvinden.

In 1850 werd de procedure tot manumissie vereenvoudigd. De boetes bij overtreding werden verlaagd en de gouverneur mocht in bijzondere gevallen een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van betaling van de kosten voor borgtocht of andere kosten geven.

Bij de herziening van 1850 werd ook een oud gebruik vastgelegd, dat de gouverneur recht gaf een slaaf die zich bijzonder trouw had betoond te kopen voor een bedrag tot 1.200 gulden en die persoon vervolgens de vrijheid te schenken.

Nieuw in 1850 ook was de vastlegging van de verantwoordelijkheid van de vrijlater, degene op wiens aanvraag een vrijbrief werd verstrekt, voor de toekomst van de gemanumitteerde. Bepaald werd dat de aanvrager, eigenaar of voogd met zijn of haar verzoek ‘wordt gehouden zich te hebben verbonden om, gedurende tien jaren, over de vrijgemaakte te voeren patronaat, ten einde hem met raad en daad bij te staan in de vervulling der voorwaarde, waarop hij de vrijheid heeft verkregen’.

In principe (behoudens dispensatie) konden gemanumitteerden zelfs niet opteren voor het burgerrecht voordat het tienjarig patronaat was opgehouden. De gemanumitteerde mocht zich intussen niet blootgeven aan ‘lediggang of vagebondage’. Bij overtreding van dit verbod verviel deze weliswaar niet meer terug tot slavernij, maar kon men worden veroordeeld tot werkzaamheden ‘ter openbaar nut’, te verrichten voor een periode van twee tot twaalf maanden. Indien de straf niet het gewenste effect had, kon hij voor dezelfde termijnen in een strafinrichting tewerk worden gesteld.

Vrije arbeiders

Een aparte groep gemannumiteerden is die van de zogenaamde 'vrije arbeiders'. In 1814 werd de trans-Atlantische slavenhandel verboden. Nadat Nederland het beheer over Suriname terugkreeg accepteerde men dit verbod, maar dit betekende niet dat er geen slaven meer werden ingevoerd. Om de illegale slavenhandel tegen te gaan richtte men onder meer in 1818 in Paramaribo het Brits-Nederlands Gemengd Geregtshof ter wering van de slavenhandel op en werden binnengesmokkelde slaven deels onderschept. Vrije arbeiders werden ze eufemistisch genoemd maar door het koloniaal bestuur als slaven behandeld en onder de gouvernementsslaven ondergebracht. De smokkel stopte in 1826 bij de invoering van de slavenregisters.

In de ogen van de Britten waren deze mensen geen slaven en zij zetten zich in voor hun lot. In de jaren veertig van de negentiende eeuw besloot de koloniale overheid maatregelen te nemen om deze mensen in vrijheid te stellen. De in 1847 in leven zijnde vrije arbeiders en de uit vrouwen behorende tot deze groep in Suriname geboren kinderen ontvingen een certificaat van manumissie en een achternaam. Deze achternamen zijn opgenomen in de database Manumissies in Suriname, 1832-1863. De vrije arbeiders waren afkomstig van de slavenschepen Valverde, Eliot en La Legere en van plantage A la Bonheur. De groep bestond in 1846 uit 417 personen.

Slaven die tijdens de slavernij in vrijheid werden gesteld ontvingen een manumissiebrief waarin hun vrijlating was opgetekend. De vrije arbeiders ontvingen een certificaat van manumissie, ofwel een bewijs van vrijheid waarmee de koloniale overheid impliciet aangaf dat het altijd al vrije mensen waren geweest.

 

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in