gahetNA in het Nationaal Archief

Manumissies in praktijk

Geschiedenis van de archiefvormer: 

 

Aantallen manumissies 1832-1863

Manumissie en toename van de vrije bevolking

Manumissie was geen bijzonderheid in de periode 1832-1863 in Suriname. Het getal van 6.364 vrijgelatenen in de database is veel op een Surinaamse bevolking die in 1863 zo’n 50 duizend personen telde (waaronder zo’n 30 duizend slaven).

De vele manumissies in de periode 1832-1863 leverden direct – door de vrijlating zelf – en indirect – door de voortplanting van de vrijgelatenen – een zeer grote toename op van het aantal vrije inwoners van de kolonie. In 1830 bedroeg dat aantal ongeveer 8.500 personen; in 1863 was dat (minus de immigranten, zoals de Chinezen uit Java) aangegroeid tot 17.500 personen. Die toename werd niet veroorzaakt door een groei van het aantal blanken. Dat aantal nam nauwelijks toe en bedroeg gedurende de hele periode waarschijnlijk niet meer dan 3.500 personen.

Al met al is het aantal vrije zwarten en kleurlingen in de jaren 1832-1863 dus toegenomen van ongeveer vijfduizend tot ongeveer 17.500, zonder immigratie. Hoe groot die toename zou zijn geweest als deze alleen afhankelijk zou zijn geweest van de natuurlijke aanwas van de vrije zwarten en kleurlingen (als gevolg van voortplanting binnen de eigen groep en van vermenging met de blanken) valt niet te zeggen. Maar dat de veelvuldige manumissies een zeer grote rol hebben gespeeld bij die toename is wel duidelijk.

Omvang van manumissies vóór en na 1832

Uit het relatief bescheiden getal van ongeveer 8.500 vrije zwarten en kleurlingen in 1830 kan worden opgemaakt dat manumissie in de jaren vóór 1832 veel minder frequent heeft plaatsgevonden dan in de periode 1832-1863. Dat klopt ook met eerder onderzoek naar Surinaamse manumissies door mevr. Brana-Shute. Zij rekent voor de periode 1760-1828 nog geen 2.500 vrijlatingen. Hoewel dit getal misschien niet helemaal vergelijkbaar is met het resultaat van het kwantitatieve onderzoek van Ten Hove (waar kinderen consequent zijn meegeteld) wijst dit cijfer erop dat manumissie in de laatste decennia vóór de Emancipatie veel frequenter voorkwam dan tijdens de voorgaande koloniale periode. Bij toevoeging aan deze site van een database van manumissies vóór 1832 zal dit kwantitatief kunnen worden bevestigd.

Welke rol het Manumissiereglement 1832 in dit verband heeft gespeeld, valt niet goed te zeggen. In elk geval waren de wettelijke mogelijkheden en de voorwaarden voor vrijlating onder het nieuwe reglement op zich niet veel gunstiger dan onder het regiem van de vorige regeling, uit 1733 (zie Wet- en regelgeving).

Een demografische factor lijkt bij de sterke toename van het aantal manumissies in de jaren 1832-1863 geen rol van betekenis te hebben gespeeld. Door het verbod op de slavenhandel (sinds 1816) en het actieve toezicht op het binnensmokkelen van slaven is het bijzonder onwaarschijnlijk dat de Surinaamse slavenpopulatie (die traditioneel leed onder een hoge sterfte) juist in deze jaren sterk zal zijn gegroeid. Er is dus weinig reden om te veronderstellen dat er in de jaren vanaf 1832 veel meer vrijlatingen voorkwamen omdat er toen ook veel meer slaven in Suriname zouden zijn geweest dan vroeger.

Wie werden vrijgelaten?

Kleur

Bijna alle Surinaamse slaven waren uiteindelijk van (West-)Afrikaanse afkomst. Het overgrote deel was zwart; er waren echter ook slaven die kleurling waren: geboren uit een zwarte slavin en een blanke man of vrucht van een volgende vermenging. Bovendien konden ook Indianen in Suriname als slaven werkzaam zijn. Hun aantal was in de negentiende eeuw echter niet groot. Het is opmerkelijk dat, ondanks dat de slavernij in essentie een zwarte aangelegenheid was, de laatste formeel gemanumitteerden in 1863 (deels) Indiaans waren.

Slaven die kleurling waren hadden in de door raciale scheidslijnen doorkliefde samenleving in principe een grotere kans om te worden vrijgelaten dan zwarte slaven. In vrijwel elke maatschappelijke situatie (onderwijs, partnerkeuze, beroep) hadden zwarten, vrij of onvrij, minder mogelijkheden en kansen dan kleurlingen. De kleurlingen hadden naar gelang hun tint lichter was en er meer ‘blank bloed’  door hun aderen stroomde weer meer maatschappelijke kansen. Het aantal vrije kleurlingen was in vrijwel alle koloniën in Amerika dan ook aanmerkelijk groter dan het aantal vrije zwarten. In Suriname leefden in 1830 zo’n 5.000 vrije kleurlingen op iets meer dan 1.000 vrije zwarten.

Geslacht

In Latijns Amerika waren ongeveer twee van de drie gemanumitteerde slaven van het vrouwelijk geslacht. Het betrof meestal concubines en vrouwelijke huisbedienden van blanke mannen en de uit die verhoudingen geboren kleurling-kinderen. Het veelvuldig geboren worden van ‘gemengdbloedige’ kinderen bracht met zich mee dat onder vrijverklaarden meer mulatten voorkwamen dan naar verhouding van hun aandeel binnen de slavenbevolking.

vrouw

Er is geopperd dat meer vrouwen dan mannen werden gemanumitteerd omdat vrouwen ook na vrijlating door hun vrouw-zijn makkelijker in een afhankelijke positie konden worden gehouden. Eigenaren liepen dus minder risico dat ze het na vrijgeving zonder hun diensten moesten stellen. Mulatten-vrouwen genoten bij de blanke man op den duur de voorkeur bij zijn partnerkeuze en hadden zo weer meer kans op vrijheid dan zwarten.

Leeftijd

De mening dat gehandicapte of oude slaven werden gemanumitteerd, omdat zij de eigenaar tot last waren, ligt voor de hand maar wordt niet door alle onderzoek ondersteund. In Suriname lette de overheid erop dat manumissie door de slavenhouders niet werd gebruikt om zich van  zogeheten malinkers te ontdoen. Die politiek kwam niet zozeer uit goedertierenheid voort. De overheid voelde er niets voor om voor de kosten van levensonderhoud van deze mensen op te draaien.

Gegevens in de database

  • Blank – zwart
    Hoeveel van de Surinaamse gemanumitteerden in de periode 1832-1863 zwart en hoeveel kleurling waren, is niet uit de gegevens in de database te destilleren. De database geeft geen gegevens over huidskleur. Namen bieden geen aanknopingspunten.
  • Man – Vrouw
    Van de 6.364 gemanumitteerden in de database zijn 4.106 personen (64,5 procent) van het vrouwelijk geslacht. Dat klopt met wat in deze periode voor de Amerika’s in het algemeen opgaat. De oververtegenwoordiging van vrouwen is des te groter  tegen de achtergrond van de ondervertwoordiging van vrouwen binnen de Surinaamse slavenpopulatie. Dit spoort met wat bekend is over de categorieën slaven die bij voorkeur werden vrijgelaten: concubines en dienstpersoneel.
  • Leeftijd
    Hoewel leeftijdgegevens tamelijk fragmentarisch in de database beschikbaar zijn, bieden deze geen ondersteuning aan de opvatting dat bij voorkeur ‘afgeleefde’ slaven zonder  economische waarde werden vrijgelaten. Tot en met 1848 zijn vrijwel geen gegevens over leeftijd in de database aanwezig zijn.

U vindt hier een tabel op basis van de gegevens in de database betreffende geslacht en leeftijd van de gemanumitteerden per jaar in de periode 1832-1869.

Naar aanleiding van de tabel de volgende opmerkingen:

  • Het grote aantal vrijgevingen in 1862, aan de vooravond van de Emancipatie van 1863, is opvallend. De Emancipatie voorzag in een ‘Staatstoezicht’ op de geëmancipeerde slaven. Omdat men in 1862 in Suriname nog niet precies wist wat dit toezicht zou inhouden en de bevolking vreesde dat men daarbij als ex-slaaf slechter af was dan als gemanumitteerde, werden op de valreep veel aanvragen om manumissie ingediend en afgehandeld (ondanks de hoge kosten van manumissie!).
  • Te zien is dat ook na de emancipatie van 1863 nog een handvol personen is gemanumitteerd, als het ware met terugwerkende kracht. Het ging om mensen die door bijzondere omstandigheden niet in de emancipatieregisters voorkwamen, maar nog wel slaven waren.
    (Zie: Manumissies in Suriname, 1832-1863, p. 37.)

Geslacht en leeftijd gemanumitteeerden

manvrouwM+V
jaar<1212-40>40?jrtotaaljaar<1212-40>40?jrtotaaltotaal
1832---6618322--202228
1833---48481833---6363111
1834---42421834---7575117
18351--41421835---6868110
1836---48481836---6363111
1837---36361837---7171107
1838---40401838---515191
1839---63631839---8181144
1840---78781840---118118196
1841---46461841---8585131
1842---66661842---9494160
1843---53531843---8888141
1844---69691844---9191160
1845---39391845---7575114
1846---63631846---106106169
1847---72721847---135135207
1848---71711848--8113113184
184912182711031849121745109146249
1850404413-971850487042-163260
1851626310-13518516586423196331
1852564115211418524182403168282
1853554412311418536480514188302
185448461831151854808030 2 213 328
1855404195951855475944 6 142 237
185639491621061856527548 4 175 281
18574034102861857413832 2 129 215
1858473816-1011858435937 1 135 236
18593731201891859596158 7 164 253
1860394516310318603679693155258
1861545316312618614857324167293
1862507125-146186247122-5243389
1863943194751863848-189164
1864-----1864---222
1865---111865-- 112
1869---111869-- --1
             
Totaal6296612179822489totaal693101361515543875636
             

Bron: Manumissies in Suriname 1832-1863,  p. 45.

Vrijverklaarden in categorieën

De database biedt geen inzicht in de motieven van vrijlating. Het onderstaande is dan ook in hoofdzaak slechts een algemene schets.

Voornamelijk drie categorieën slaven verwierven de vrijheid: 

  • concubines van (blanke) mannen en de uit die verhouding geboren kinderen.
  • slaven die wegens trouwe diensten werden vrijverklaard. 
  • slaven die door eigen arbeid geld bijeen brachten en zichzelf vrijkochten. 

Concubines

De meeste blanke mannen kwamen zonder vrouw of gezin in de kolonie, waar zij functies vervulden in dienst van de overheid (als ambtenaar of militair) of als administratief en dienstpersoneel bij particulieren (vooral op de plantages). Het aantal blanke vrouwen was klein. Indiaanse en zwarte slavinnen, en met het verstrijken van de tijd de ook uit die verhouding voortgekomen kleurlingenvrouwen, werden concubines.

vrouw

Vrijgelaten concubines traden (zowel voor als na 1832) soms met hun voormalige eigenaar in het huwelijk. De geëigende bronnen om dit terug te vinden zijn de burgerlijke en kerkelijke huwelijksregisters, die zich in Suriname bevinden.
De immigratie-experimenten vanaf 1853 met Chinese migranten uit Java leidden ertoe dat Chinese mannen die zich met slavinnen voortplantten aan deze vrouwen en/of kinderen de vrijheid gaven.

Trouwe bedienden

De tweede grote categorie vrijverklaarden kreeg de vrijheid wegens trouwe diensten. Zij waren  meestal degenen die in de directe omgeving van de meesters vertoefden, of die zich op de een of andere manier bijvoorbeeld aan een ziekbed in persoonlijk contact verdienstelijk hadden gemaakt.
Wegens de oververtegenwoordiging van vrouwen in verzorgende en dienstverlenende beroepen hadden slavinnen ook zonder dat zij concubine waren een grotere kans dan mannen de vrijheid te verwerven. Maar ook mannen konden een bevoorrechte positie binnen de slavenpopulatie innemen en daarvan profiteren. ‘Landsslaven’ kregen als beloning voor trouwe en goede diensten regelmatig de vrijheid.

Opmerkelijk zijn de sporadische manumissies die tot doel hadden trouwe bedienden als vrije personen hun meester(es) naar het buitenland, veelal Nederland, te laten vergezellen. Na het  Engels Tussenbestuur was (in 1816) de transatlantische slavenhandel verboden, zodat bedienden in principe alleen na manumissie mee konden reizen naar Europa. Overigens mocht een gemanumitteerde pas naar het buitenland een jaar en een dag na zijn manumissie, maar hiervoor was dispensatie mogelijk.

Zelfvrijkopers

De derde belangrijke categorie gemanumitteerden bestond uit slaven die door eigen arbeid geld spaarden en zichzelf daarmee vrijkochten. Eenmaal vrij zagen veel van deze vrijen het als een taak ook verwanten of relaties vrij te kopen. Dit type manumissie kwam vooral in de Spaanse en Portugese kolonies voor, waar de overheid deze vorm van manumissie steunde door wettelijke voorschriften.

Voorwaarde voor het zelf vrijkopen was natuurlijk een goede relatie tussen meester(es) en slaaf, zodat deze in de gelegenheid werd gesteld om voldoende inkomsten uit arbeid voor eigen rekening te verwerven en zo voor financiering van de eigen manumissie zorg te dragen. Het is onbekend hoeveel gemanumitteerden in de database op deze wijze vrijkwamen.

Beroepen van gemanumitteerden bij vrijwording

Uit vrees voor nog meer ‘werkloos rondlopende negers’ in de straten van Paramaribo kwam er in 1844 in Suriname een regeling tegen ‘lediggang en vagebondage’ (zie Wet- en regelgeving).
Hierbij werd onder meer bepaald dat alleen nog brieven van manumissie aan personen vanaf 16 jaar zouden worden verleend die een beroep of bedrijf uitoefenden. Wanneer de gemanumitteerde jonger was dan zestien jaar werd deze van de arbeidsplicht vrijgesteld. Wel werd ervoor gewaakt dat betrokkene bij het bereiken van het zestiende jaar alsnog daaraan voldeed.
De bedoelde regeling bracht met zich mee dat het opgegeven beroep sinds eind 1845 ook wordt vermeld in de bronnen die de gegevens leverden voor de database (zie Over deze database).

Onderstaand vindt u een tabel met gegevens over de beroepen van de vrouwen en over de beroepen van de mannen, zoals die uit de database zijn gedestileerd.
De beroepen bij vrijwording bieden natuurlijk slechts een momentopname. Na verloop van tijd kon een gemanumitteerde van beroep veranderen.

 Beroepen gemanumitteerde vrouwen

werkzaam als huisbediende122841,0%
werkzaam in de landbouw571,9%
werkzaam als naaister2277,5%
werkzaam als wasvrouw31610,5%
werkzaam als ambachtsvrouw20,1%
werkzaam als verkoopster431,4%
werkzaam als kindermeid100,3%
werkzaam als kerkbediende10,1%
werkzaam in de keuken311,1%
arbeidsongeschikt50,2%
te oud 381,3%
te jong 96032,1%
beroep onbekend   752,5%
   
Totaal2993 100%

Beroepen gemanumitteerde mannen

werkzaam als ambachtsman*34918,20 %
werkzaam in de landbouw824,27 %
werkzaam als huisbediende37819,60 %
werkzaam als kleermaker/ schoenmaker703,82 %
werkzaam in de handel552,86 %
werkzaam als zeeman/visser321,65 %
werkzaam in de gezondheidszorg40,20 %
werkzaam in het onderwijs10,05 %
werkzaam als kerkbediende50,25 %
werkzaam in de keuken60,30 %
te oud40,20 %
arbeidsongeschikt 20,10 %
te jong87145,40 %
beroep onbekend603,10 %
   
Totaal 100%

* waaronder 267 timmerlieden.

Bron: Manumissies in Suriname 1832-1863, p. 52-53.

Vrijlaters

Slaven in Suriname konden ook volgens de regeling van 1832 nooit tegen de zin van hun rechtmatige eigenaar worden vrijgelaten. Dat wil echter niet zeggen dat alle vrijlaters ook daadwerkelijk eigenaar waren van de te manumitteren slaaf. Wie waren dan de vrijlaters?

De database biedt op dit punt de volgende kerngegevens:

  • In een minderheid van de gevallen (45%) is de vrijlater geen eigenaar.
  • In een krappe meerderheid van de gevallen (55%) is de vrijlater tevens eigenaar. 

De vrijlater is geen eigenaar

Straatvoogd. In 531 gevallen in de database is de vrijlater een straatvoogd. Het gaat hierbij om de voogdij over ‘illegaal’ vrijgelaten slaven (piki-nyan). Sinds 1829 moest voor elke piki-nyan een straatvoogd worden benoemd, die tevens als zijn of haar vrijlater diende te fungeren.
De straatvoogdij kon aan iedere vrije inwoner worden opgedragen; bij voorkeur werd een (vrijgelaten) verwant gezocht – dus veelal een zwarte of kleurling. Er waren ook vrouwelijke straatvoogden: zo iemand werd straatvoogdesse genoemd. Als er geen geschikte vrije persoon gevonden kon worden, werd een ambtshalve straatvoogd benoemd door de ‘Raad Commissaris voor de Inlandsche Bevolking’. Daarbij kunt u dus denken aan een koloniale ambtenaar als straatvoogd.
Opvallend is dat de 531 manumissies die tussen 1832 en 1863 door tussenkomst van een straatvoogd werden gerealiseerd, vooral tot in het begin van de jaren 50 plaatsvonden. Sinds 1852 kwam dit nog maar enkele keren per jaar voor.

Curator. In plaats van de eigenaar vermeldt de database regelmatig een curator als vrijlater.
Voor een deel gaat het hierbij om een ‘gewone’ curator, dat wil zeggen een ambtshalve boedelbeheerder, die zich als zodanig ook heeft te bemoeien met de eventuele manumissie van een slaaf (onderdeel van de boedel!).
In andere gevallen staat de term curator voor een zogeheten curator ad hoc. Dit was volgens het Manumissiereglement 1832 een ambtshalve vrijlater, benoemd door de ‘Raad Commissaris voor de Inlandsche Bevolking’. Hij werd ingeschakeld als een verzoek om manumissie dat zou moeten zijn ingediend door een nieuwe eigenaar, als gevolg van een testament ván of een overeenkomst mét de vorige eigenaar, niet binnen drie jaar was ingediend. De in gebreke gebleven nieuwe eigenaar kan dus een erfgenaam zijn geweest van de vorige eigenaar; maar bijvoorbeeld ook een eigenaar ‘om den vrijdom’, die de slaaf via overeenkomst met de vorige eigenaar speciaal voor de vrijlating had gekocht.

In opdracht van de eigenaar. Voor het overgrote deel lijken de vrijlaters die zelf geen eigenaar waren, simpelweg in opdracht van die eigenaar te zijn opgetreden. Waarom een eigenaar voor de vrijlating van een slaaf een tussenpersoon inriep kan zeer verschillende redenen hebben gehad.
In elk geval lag het inzetten van een tussenpersoon voor de hand in die gevallen, waar de slaaf op een bedrijf werkte waarvan de (blanke) eigenaar geen bemoeienis had met het beheer van het bedrijf. Dit kan althans worden aangetoond voor al die vrijlatingen (18% van het totaal) waarbij de overheid of een ‘anonieme’ onderneming de eigenaar was: in vrijwel al deze gevallen was de vrijlater niet de overheid of de onderneming zelf, maar een tussenpersoon. Die vrijlater kan als directeur, agent, administrateur, etc. in dienst zijn geweest bij de eigenaar dan wel door hem of haar zijn ‘ingehuurd’ als vertegenwoordiger of zaakwaarnemer. Om hier voor wat betreft Paramaribo achter te komen zou men de beroepen van vrijlaters in de Wijkregisters moeten opzoeken (zie: Wet- en regelgeving).
Het inzetten van een tussenpersoon was ook logisch in die gevallen waarin slaven werkzaam waren op een bedrijf dat eigendom was van een individuele (blanke) particulier die buiten de kolonie woonde, met name in Nederland. In deze periode werden de meeste van die plantages namelijk niet meer door de bezitter zelf bestierd, maar door een betaalde directeur of agent. De slaven in kwestie kunnen zelfvrijkopers zijn geweest.

De vrijlater is eigenaar

Omdat juist plantages en andere (grote) bedrijven, inclusief de overheid, voor manumissie van hun slaven in de regel een vertegenwoordiger als vrijlater inschakelden (zie boven) moet u bij  deze situatie niet in eerste instantie denken aan een plantageslaaf die wordt vrijgelaten door een (blanke)plantagehouder. Wel gaat het hier om de vele gevallen waarin eigenaren (die op hun beurt in dienst konden zijn van de overheid, een onderneming of een plantagehouder) de vrijlating verzorgen van hun vertrouwde dienstbaren of concubines. In deze gevallen werd een slaaf dus inderdaad  persoonlijk vrijgelaten door de (blanke) man of vrouw die hem of haar zelf als eigendom had geëxploiteerd.

De meeste slaven die door de eigenaar zelf werden vrijgelaten lijken echter speciaal te zijn aangekocht met het oog op manumissie, dus niet om economisch te worden geëxploiteerd.
De bronnen waaruit de gegevens voor de database zijn gehaald, vermelden sinds 1846 of een vrijlater eigenaar is geworden ‘om den vrijdom’. In de periode 1846-1863 komt deze vermelding bij 1.354 manumissiegevallen voor. Dat is zo’n 57% van alle gevallen over deze jaren waarin de vrijlater tevens de eigenaar was. Om zeker te weten of een verkoop diende tot manumissie moeten de verzoeken om  manumissie bestudeerd worden. De aanvragen over de periode 1832-1845 liggen hiervoor in het Nationaal Archief te wachten op historisch onderzoek.

Plattegrond Paramaribo

Het kopen van slaven ‘om den vrijdom’ geschiedde wel door of namens (blanke) ‘verlichte’ filantropen. Maar wat vooral uit de database naar voren lijkt te komen is dat vrijgelatenen na verloop van tijd verwanten of kennissen die nog slaven waren, zelf in eigendom verwierven om deze vervolgens te kunnen vrijlaten. Het is natuurlijk ironisch dat mensen om slaven te kunnen vrijlaten, daarvoor wel eerst zelf slavenhouder moesten worden.
In dit verband spreekt Ten Hove in het boek Manumissies in Suriname, 1832-1863 over ‘kettingmanumissie’. In de bronnen vond hij verschillende typen kettingmanummissies. Soms was de vrijgever familie van de gemanumitteerden, meestal kon over verwantschap niets met zekerheid gevonden worden. Er zijn globaal drie verschillende vormen kettingmanumissies:

  • door één persoon op één tijdstip;
    voorbeeld: de gemanumitteerde vrouw Kamperbeek liet in 1841 in één keer haar dochters vrij.
  • door één persoon op verschillende tijdstippen;
    voorbeeld: de in 1839 vrijgegeven Adolphina Bergeik verzorgde in 1850 de manumissie van Marianna Dorinda en haar zoon Lodewijk Chrispijn Bergeik en in 1856 van Leendert Paulus Bergeik.
  • de laatst gemanumitteerde verzorgt de volgende manumissie;
    voorbeeld: een mooie ketting begon in 1840 met W. van J. de Meza die Maria Louisa Proefblad manumitteerde. Zij op haar beurt manumitteerde negen jaar later Maria Sophia Proef. Zeven jaar later kocht deze vrouw Johanna Fanny Roef vrij.

Hoe regelden vaak onbemiddelde mensen de kostbare manumissie van hun ex-lotgenoten? Welke constructies werden bedacht, welke afspraken, beloften en verwachtingen speelden er, wie vergoedde wat aan wie in welke vorm: het laat zich alleen maar raden.

Een intrigerend voorbeeld van een ex-slaaf die zich voor de vrijwording van zijn lotgenoten beijverde was Jan Houthakker. In 1838 werd de slaaf Flink onder de naam Jan Houthakker gemanumitteerd. Deze zag vervolgens kans om in zeventien jaar tijd 129 slaven te manumitteren. Hoe speelde hij dat klaar en wat bewoog hem? Ten Hove oppert vijf mogelijke verklaringen, waaronder dat Houthakker slaven kocht met de bedoeling dat zij voor hun eigen vrijdom moesten werken.

Vrijlaters: blanke mannen of niet?

Tot in de tweede helft van de achttiende eeuw waren het in Latijns-Amerika vooral blanke mannen die de vrijheid verleenden. Er is door onderzoekers betoogd dat het aantal blanke mannen als gevers van de vrijheid in de negentiende eeuw steeds kleiner werd en op termijn werd overtroffen door blanke vrouwen, en door mannen en vrouwen die zwart of kleurling waren. Wat levert de database hierover  aan gegevens?

  • Man – Vrouw:
    In bijna 23% van de gevallen is de vrijlater een vrouw; in bijna 61% gevallen is deze van het mannelijk geslacht. In de overige gevallen (16%) kon het geslacht van de vrijlater niet vastgesteld worden. In 1832-1863 waren dus hoe dan ook de meeste vrijlaters mannen. Daarbij moet wel worden bedacht dat vele vrijlaters in de database niet ook eigenaar zijn, maar alleen optreden als zijn of haar vertegenwoordiger.
  • Blank – zwart:
    De namen van vrijlaters in de database zijn geen betrouwbaar hulpmiddel voor een indeling. Veel namen die op het eerste gezicht op een blanke herkomst duiden, betreffen personen die zelf gemanumitteerden zijn gebleken, of vrijgeboren gekleurden.
    In een beperkt aantal gevallen heeft Ten Hove kunnen vaststellen dat de  de vrijlater gekleurd was (rond de 22% van het totaal aantal manumissies). Daar in alle andere gevallen de kleur onbekend is gebleven, vormt hun aandeel gekleurden dus een absoluut minimum.

 

 

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in