gahetNA in het Nationaal Archief

Wet- en regelgeving

1. Van manumissio tot manumissie

De mogelijkheid een slaaf vrij te laten lijkt even oud als de slavernij zelf. Het Romeinse recht kende verschillende formele regelingen die het de eigenaar van de slaaf mogelijk maakten de servus uit de macht, de manus, van de patronus te ontslaan, heen te zenden, mittere. Deze manumissio was een formele handeling waarop de vrijgelatene zich moest kunnen beroepen, wilde hij zijn vrijheid tegenover een ieder kunnen waar maken. In het Corpus Juris Civilis van de Romeinse keizer Justinianus (527-565 na Christus) zijn de regels met betrekking tot slaven, hun vrijlating en de gevolgen daarvan, te vinden. 


Het zegel van de Society for the Abolition of the Slavetrade
Het zegel van de Society for the Abolition of the Slavetrade "Ben ik niet een mens en een broeder".

Die Romeinsrechtelijke regelingen maakten deel uit van het ook in de koloniën geldende Romeins-Hollandse recht. De manumissie is een bestaande rechtsfiguur in Suriname en op de Antilliaanse eilanden. In beginsel waren speciale nieuw wettelijke regelingen niet nodig, omdat de regels van het Corpus Juris van toepassing waren. Wanneer dan toch een 'reglement van manumissie' wordt gemaakt, zoals in Suriname op 28 juli 1733 (West Indisch Plakaatboek (WIP) Suriname I, 350), dan wil die regeling speciale ongewenste gevolgen van de vrijlatingen voorkomen. De ware bedoeling van het geven van de vrijheid aan een slaaf kan zijn dat de eigenaar zich wil bevrijden van de last aan die slaaf voedsel en onderdak te verschaffen. Zo klaagt directeur Jan van Beuningen in een brief aan de kamer Amsterdam uit 1720: 't' is deerlijk om aan [te] sien, hoe de rampsaalige verminkte oude slaave, om de duurte van de mais door haar onmedoogende meesters vrijgegeeve, weggejaagt en van honger langs de straate kruypende, met gekerm het ijnde van haar beclaaglik leeve, all brullende soeke. Met honde is meer deernis in Neerlant.'

2. De vrijlatingshandeling

Al in 1702 en 1707 wordt op de zogenaamde taxatielijsten, belastingaanslagen in verband met uit te voeren openbare werken melding gemaakt van drie negers en twee negerinnen die als vrije negers moeten worden aangemerkt. In 1711 schrijft directeur Jeremias van Collen aan de Heren Tien dat vrije slaven hoofdgeldplichtig zijn, 'want de voorn. vrije slaven niet meer als andere menschen van het voorn. hooftgelt niet meer geëxhimeert behoorde te wesen'. Zeker niet alle vrije negers zullen dat hoofdgeld hebben kunnen betalen, zoals al bleek uit de klacht van Jan van Beuningen. Hoe, wanneer en waarom deze 'vrije slaven' hun vrijheid hebben gekregen is vooralsnog niet duidelijk.

De oudste in de archieven gevonden vrijlatingshandeling is van 1722 (`Plakaten' OAC 168). De serie `Plakaten' bevat al die maatregelen die naar de mening van de overheid publiekelijk bekend gemaakt moeten worden. In de eerste plaats dus wetgeving, maar ook waarschuwingen tegen oorlogsdreiging of tegen het verbergen van met name genoemde voortvluchtige slaven, echtscheidingen, aanstellingen, paspoorten, zeebrieven en de manumissie- of vrijbrieven, veelal met bijlagen. Deze bijlagen bestaan uit onderhandse vrijbrieven, kwitanties en verzoeken aan de secretaris een vrijbrief op te willen maken. Voor de achttiende eeuw is dit de belangrijkste bron.

De vrijbrief of manumissiebrief is een akte waarin de gouverneur

'allen dengenen die dese sullen sien ofte horen leesen' doet weten, dat de eigenaar AA 'volkomen vrijgegeven en van alle slaafschen dienst ontslagen heeft' zijn of haar neger ... 'sulks voor eene zomma van ... pesos'. Een ieder dient 'op de verthoninge deses' de neger ... 'als een vrij gekogte persoon' te erkennen. Getekend door de gouverneur en voorzien van het zegel van de WIC.

Reden van vrijlating en Bijzondere voorwaarden

Vaak wordt aangegeven dat 'trouwe dienst', 'goede geneegenthijd' (1769 december 4, OAC 197. 116) of 'seekere consideratie' de reden is voor de vrijlating. Overigens wordt ook wel bepaald, dat de vrijgelatene zijn of haar meester nog diens leven lang zal moeten dienen. Uitzonderlijk lijkt de bepaling, dat de negerin Maria Martha gedurende de reis naar Holland 'zal blijven continueren in haar slaafse dienst', maar na terugkeer vrij zal zijn (OAC 190. 117).

OAC inv.nr. 190 (117)
OAC inv.nr. 190 (117)

Wanneer iemand bij testament de vrijlating van zijn slaaf of slaven heeft bepaald, dan zal de executeur-testamentair de vrijlating moeten uitvoeren. Als 'de testamentaire dispositie met den band van fideicommis [is] beswaard', dan zal de al gegeven vrijbrief alsnog ongedaan worden gemaakt, zoals het de negerin Mariana in 1759 overkwam (OAC 188. 13).
OAC 170 (132)
OAC 179 (132)

Een speciale vrijlating is die waarbij de eigenaar doet aantekenen:

'deese verleent pro forma om daar meede te moogen navigeeren'.

Het betreft hier slaven die als bemanning op (vissers)schepen waren aangemonsterd.

Op Curaçao is hij slaaf, maar buitengaats is hij vrij,

'ende de vrijbrief niet anders strekt als bij neeming van de voorn. neeger omme sig weeder alhier te transporteeren'.

Zo werd de neger Pedro Juan een vrijbrief

'pro forma verleent om gem. neger Pedro Juan uyt zijn gevankenis van d'Habana te verlossen' (OAC 179. 190).

Vrijkoopsom

De vrijkoopsom wordt betaald door de vrijgelatene zelf of door iemand, vaak een vrije neger of negerin, die in nauwe betrekkingen staat tot de gemanumitteerde. De koopsommen variëren van 10 tot 850 pesos. De vraag is of er sprake is van een bepaalde tarifering. Forse bedragen van 600 en 800 pesos zijn bepaald geen uitzondering. De slaaf moet dan toch wel over een flinke spaarpot (peculium) hebben kunnen beschikken.

3. Wetgevende maatregelen inzake vrijlating van slaven

De oudste aangetroffen wettelijke bepalingen in de Antillen hebben betrekking op het 'schriftelijk bewijs van hun vrijdom', dat vrije negers en mulatten moeten kunnen overleggen wanneer zij met de vissersboot de haven van Curaçao verlaten (1754 augustus 31: WIP Curaçao I. 239).

a. 1804 Bataafse instructie

De zogenaamde Bataafse instructie van 1804, opgesteld door het Bataafse bewind en op 18 oktober op Curaçao afgekondigd (WIP Curaçao II. 560), bepaalt in art. 16 dat de Raad van Politie zal

'cognosceeren over de manumissie van slaaven en dezelve naar bevindinge van zaken accordeeren of weigeren, edoch dezelve niet anders toe te staan dan onder de volgende conditien.

1. dat 't verzoek en de designatie van den neger, negerinne of negers welke men wil manumitteeren gepubliceert en zes weeken lang werden geaffigeert ter plaatse alwaar men gewoon is publicatien en affixien te doen, teneinde diegeene welke daartegens eenig belang heeft 'tzelve zoude kunnen allegueren.
2. dat van ieder neger of negerinne welke vrijgemaakt worden werde betaald fl 150 ten behoeve van de landscassa (zuigelingen behooren bij de moeder).
3. dat een iegelijk die wil manumitteeeren, zonder onderscheid van rang of staat, cautie zal moeten stellen voor 't onderhoud van diegeene welke hij manumitteert en dat dezelve nimmer ten laste van 't algemeen zullen koomen.'

Dit artikel 16 (en nog 5 andere artikelen van de 51 artikelen tellende instructie) werd op 18 oktober in extenso gepubliceerd vanwege 'het onmiddelijk belang' voor alle burgers en inwoners van deze eilanden.

Secretariële vrijbrief versus onderhandse vrijbrief

Bovenstaande maatregelen die onder meer het vrijlaten (lees: het op straat zetten) van oude, zieke, niet meer werkende slaven wilden tegengaan, werkten een onderhandse manumissie in de hand, die dan ook prompt bij de publicatie van 25 april 1805 (WIP Curaçao II. 568 /OAC 520 nrs 6, 14, 19) aan banden werd gelegd. Bepaald wordt dat zij die vóór 18 oktober 1804 zonder een secretariële vrijbrief zouden zijn gemanumitteerd, in mei/juni 1805 voor twee commissarissen van de Raad van Politie moeten verschijnen,

'teneinde alle zodaanige bewijzen van vrijdom voor den 18 october l.l. verleend op het naauwkeurigst te examineeren...'

Op grond van de schriftelijke en/of mondelinge verklaringen kunnen commissarissen een attestatie afgeven, waarmede een secretariële vrijbrief kan worden afgehaald.

Op 14 september 1808 (WIP Curaçao II. 632 /OAC 523 nr 52) worden de vanaf 18 oktober 1804 verleende 'onderhandsche vrijbrieven' 'voor onwettig' gehouden. Zij die niet over een 'secretariële vrijbrief' beschikken en vóór 18 oktober 1804 zijn vrijgelaten, moeten die brief alsnog binnen 30 dagen aanvragen tegen overlegging van koopbrieven of andere akten. Het register OAC 415 is kennelijk naar aanleiding van dit laatste plakaat aangelegd. Het bevat een vijftiental 'overgangsgevallen', lopend over de periode 15 september 1808 - 12 januari 1810.

Op 25 september 1809 (WIP Curaçao II. 632 /OAC 524 nr 45) is bepaald dat voortaan geen onderhandse vrijbrieven meer op de secretarie en griffie geregistreerd mogen worden.

b. Regeringsreglementen van 1815 en 1828

Art. 36 van het Regeringsreglement van 1815 (op 4 maart 1816 van kracht) bepaalt dat de Raad van Politie zal

'... cognosceren over de manumissie van slaven, en dezelve steeds moeten toestaan, zoodra voldaan is aan de twee volgende voorwaarden:' ...

te weten de publicatie gedurende zes weken en de cautie-verlening.

Over de belasting van fl 150 wordt gezwegen. Wel wordt bij de publicaties van 17 juni 1823 en 15 juni 1824 (OAC 1636 nrs 108 en 121) in art. 2 bepaald dat de belasting van 75 ps (= fl 150) vervalt, in art. 4 dat de borgsom 600 ps zal bedragen, in art. 12(10) dat alleen een gemanumitteerde slaaf tot erfgenaam benoemd kan worden, wil hij 'al het vereischte deswegens ... kunnen verrigten' en in art. 13(11) dat zij die een onderhandse vrijbrief geven voor alle gevolgen van die 'onwettige daad' aansprakelijk zijn.

Art. 22 van het Regeringsreglement van 7 februari 1828 (op 1 maart van kracht) luidt:

'Aan den Raad van Policie zal worden opgedragen, alles wat de manumissie van slaven betreft, waar omtrent zal moeten worden gehandeld worden overeenkomstig een algemeen reglement, dienaangaande vasttestellen.'

Bij Publicatie van 17/18 juli 1828 (Pb no 129 /NAC 376 bijlage 28) bepaalt de directeur ad interim dat, gelet op het genoemde art. 22, 'tot voorkoming van allen twijfel of verschil dienaangaande' wordt verklaard, dat

'alle verschillen over, en uitleggen van contracten van manumissie tusschen meesters en hunne slaven, ten aanzien van voorwaardelijk toegestanen of bedongen vrijdom, ... uitsluitend ter beoordeeling en beslissing van den Raad van Policie worden verstaan ..., voorbehoudens echter de regten van derden die, hetzij krachtens hypothecatie, ofwel uit hoofde van voorgewende insolventie van den manumittent, zouden vermeenen tegen de manumissie te mogen opkomen, ... [in welke gevallen] het publieke ministerie altoos als patronus servorum voor het belang der gemanumitteerden zal hebben op te treden en zich als daartoe gequalificeerd zal moeten beschouwen.'

Slaven zijn geld waard en maken deel uit van het vermogen van de eigenaar. Een eigenaar die zijn slaven voor minder dan hun marktwaarde vrijlaat, vermindert zijn vermogen. Schuldeisers hebben er dan ook belang bij te weten of door de manumissie het vermogen van hun schuldenaar wordt aangetast. De publicatie dient dan ook om de schuldeisers op de hoogte te stellen van de vrijlating, waartegen de crediteuren eventueel bezwaar kunnen maken. NAC 294, 295 bevat advertenties/publicaties uit de jaren 1828-1832 die inhouden dat er een vrijbrief zal worden gegeven. Een ieder die bezwaren heeft - ook de eigendom van een slaaf kan worden betwist - moet die binnen zes weken kenbaar maken. Na die periode wordt dan de manumissiebrief verleend, zoals uit de registers NAC 300-303 (over de jaren 1828-1832) blijkt. Nu komen in NAC 294, 295 elf publicaties voor waarin de vrijbrief wordt aangekondigd, zonder dat die vrijbrief in NAC 300-303 kon worden gevonden. De voor de hand liggende verklaring is dat de manumissiebrief wel is uitgegeven, maar dat de minuut-vrijbrief in het ongerede is geraakt en daarom niet in de later ingebonden verzameling minuut-vrijbrieven is opgenomen. Het kan ook zijn dat de zaak vertraagd is. Zo vond 'door tusschen beide gekomen hebbende omstandigheden' de uitreiking van de vrijbrief aan Maria Louisa Rosentak pas plaats op 13 oktober 1835 (NAC 9 nr 561), terwijl op het rekest al op 15 december 1831 een gunstige beschikking zou zijn gegeven. Onder uitdrukkelijke verwijzing naar het Rosentak-precedent wordt op 8 april 1840 (NAC 18 nr 155) een 'legale vrijbrief' en de nieuwe achternaam Jasmijn aan de mulattin Jenny en haar mestieze zoontje Artidore verleend. Haar rekest was van 16 februari 1832 (NAC 390 nr 7), de beschikking van 23 februari (NAC 380 fo 24v, 25) en de advertentie van 5 maart 1832 (NAC 295 nr 2).

Gestelde borgen kunnen niet geschikt bevonden worden, maar ook kunnen door derden bij de Raad van Politie ingediende bezwaren debet zijn aan de vertragingen.

In 1828 deed zich een wel heel merkwaardig geval voor. Wellicht had deze uitvoerig in de notulen van de Raad van Politie (NAC 376) opgenomen casus ook nog een wetgevingsstaartje.

Op het rekest dd 16 juli 1827 van de weduwe Minors om een vrijbrief voor de negerin Juana Petrona en haar twee kinderen Maria Josepha en Cecilia Martina, werd op 28 maart 1828 door de Raad van Politie gunstig beschikt. De advertentie/publicatie is van 10 april 1828 (NAC 294. nr 7). Zoals blijkt uit de notulen van de Raad van Politie (NAC 376) opponeerde op 22 mei 1828 op aandrang van de boedel-crediteuren de executeur-testamentair van de boedel van de inmiddels overleden weduwe Minors.

Mr Gravenhorst, commissaris van politie en belast met het 'Publiek Ministerie' legt als patronus servorum de casus voor aan de Raad van Politie (NAC 376 bijlage 41 dd 18 september 1828). Het bijzondere is dat al op 18 januari 1798 deze slaven onderhands waren gemanumitteerd. Dat wil dus zeggen dat zij al meer dan dertig jaar de status van vrije personen genieten! Volgens de patronus servorum is het ondenkbaar dat die vrijheid door het ontbreken van een secretariële vrijbrief verbeurd zou kunnen worden.

De jurist Gravenhorst citeert teksten uit de Instituten en de Digesten, onderdelen van het Corpus Juris Civilis - de rechtsbron voor het slavenrecht - en stelt, dat alleen zij worden geacht in fraudem creditorum - ter benadeling van de schuldeisers - hun slaaf te hebben vrijgelaten qui vel iam eo tempore quo manumittit solvendo non est, vel qui datis libertatibus desiturus est solvendo esse (Digesten 40.9), wanneer de eigenaar op het tijdstip van de vrijlating al insolvent is of door die vrijlating insolvent dreigt te worden. In die gevallen wordt de derde, de schuldeiser door de vrijlating benadeeld.

Daar de weduwe bepaald niet onvermogend was, kan er geen sprake zijn van insolventie en van fraus creditorum. De schuldeisers zullen geen cent te kort komen. Bovendien - zo gaat de patronus servorum verder - moet de manumittent het 'bedriegelijke voornemen', het consilium fraudanti hebben gekoesterd, derhalve moeten de crediteuren én bedrogen én benadeeld zijn, beide elementen moeten aanwezig zijn, hetgeen niet het geval is. Zijn conclusie is dat de secretariële vrijbrief moet worden verleend.

Na het 'berigt' van de executeur-testamentair dd 16 oktober, besluit de Raad op 20 november dat wanneer Juana Petrona zich tot de Raad wendt, haar de secretariële vrijbrief zal worden verleend. Wat is er verder gebeurd? Wellicht zijn de brieven begin 1829 verleend, maar helaas bevinden zich in het archief pas vanaf juli 1829 weer minuut-vrijbrieven.

Het lijkt niet ondenkbaar, dat deze casus de aanleiding was voor de Directeur ad interim de hierboven genoemde publicatie van 17/18 juli 1828 te doen uitgaan. De verontwaardiging bij de Raad van Politie over de totaal ongegronde chicaneus lijkende oppositie van crediteuren moet wel heel groot geweest zijn.

In art. 36 van het reglement op de burgerlijke stand van 26 april 1831 (Pb 1831 no 156, 157) wordt de manumittent voorgeschreven

'binnen drie maal vier en twintig uren na het verleenen van den vrijbrief, ter secretarij van het gemeentebestuur aangifte te doen', de vrijbrief moet worden vertoond, waarna inschrijving in het geboorteregister volgt. (Zie ook bij Bevolkingsgegevens)

Voorbeeld van de wijze waarop de nieuwe achternaam van de slaaf vaak op de een of andere manier afgeleid werd  
Voorbeeld van de wijze waarop de nieuwe achternaam van de slaaf vaak op de een of andere manier afgeleid werd van meestal de achternaam, soms de voornaam van de eigenaar. Debrot werd Torbed, De Pool werd Van den Keerkring en de naam van de slaaf William Otter in dit voorbeeld is afgeleid van een voornaam: de eigenaar was Abraham Otto Römer.

c. 1832 Reglement op de Manumissie der slaven in de Nederlandsche West-Indische bezittingen

Alle bestaande regelingen worden door het Reglement op de manumissie vervangen, dat op 23 maart 1832 te Paramaribo werd gearresteerd (KB 23 oktober 1831, no 83; 17/27 april 1832, Pb no 165). De artikelen 3 en 4 bepalen, dat de notariële akte, houdende het verzoek tot manumissie binnen drie dagen aan de secretaris van de Raad van Politie 'ten fine van videring' moet worden aangeboden. Art. 15 schrijft in het eerste lid het stellen van een borg of het storten van een cautie (fl 300 - fl 500) voor en in het tweede lid, dat bewijs moet worden geleverd dat de slaaf 'in eenig erkend kerkgenootschap is opgenomen'; art. 16 bepaalt dat drie maal een advertentie in de Curaçaose Courant moet worden geplaatst, waarvan de standaardtekst in model lit. A no 1 is opgenomen. Wanneer binnen drie weken na de eerste advertentie geen bezwaren zijn binnengekomen, dan worden de brieven van manumissie verleend (art. 20; model lit. B no 1). Geen andere dan de in Nederland gebruikelijke voornamen komen in aanmerking, terwijl bij het verlenen van de achternaam niet de familienaam van de voormalige meester, maar ook het gebruik van de familienaam 'van eenig in de respectieve kolonien woonachtig geslacht of individu' vermeden moet worden (art. 22).

De Gezaghebber/Gouverneur publiceert in de Curaçaosche Courant, volgens model lit. C, dat brieven van manumissie zijn verleend. Bij de opstelling van dit standaard-model heeft men gebruik gemaakt van in Suriname gebruikelijke namen.

Uit de publicatie van 19/20 juni 1834 (Curaçaosche Courant van 21 juni) blijkt, dat de verzoeker tot verkrijging van een vrijbrief f 15.- moet betalen aan de koloniale secretaris, die daaruit de kosten van de advertenties voldoet.

d. Regeringsreglementen van 1833 en 1848

Art. 72 van het Reglement- 1833 volstaat met te bepalen, dat de slavenbevolking in de bijzondere zorg van het koloniaal bestuur wordt aanbevolen.

De blijkbaar in Suriname bestaande regel, dat gemanumitteerden pas na 'jaar en dag' de kolonie mogen verlaten, werd op 10 mei 1837 (Pb 1837 no 201) op de Benedenwinden van kracht. In de praktijk wordt vaak dispensatie verleend.

Papiamentse versie van de proclamatie van de opheffing van de slavernij
Papiamentse versie van de proclamatie van de opheffing van de slavernij in de Nederlandse West-Indische koloniën van 1 juli 1863.

Bij Publicatie van 21/22 augustus 1843 (Gb 1843 no 7) en 21 september 1843 (NAC 25 fo 63-65) werden de cautie en de borgstelling van art. 15 van het Reglement op de manumissie van 1832 afkoopbaar gesteld en werd een maximum bedrag vastgesteld voor manumissiebrief en advertentie; van 2 januari 1850 (Pb no 298) is de 'Publicatie, waarbij al de kosten wegens de manumissie van slaven op Curaçao en onderhoorigheden worden opgeheven.

Art. 58 van het Reglement-1848 herhaalt 'met nadruk' de bijzondere zorg van art. 72 van het Reglement-1833, maar eindigt met deze kryptisch aandoende zin:

'Gepaste maatregelen worden beraamd, om den stoffelyken en zedelyken toestand der slaven te verbeteren, en om de manumissiën te doen strekken tot nut der koloniën.'

e. De emancipatie van 1 juli 1863

Bij de wet van 8 augustus 1862 (S.165) werd de slavernij opgeheven; op 1 juli 1863 werd die opheffing een feit (Pb 1862 no 15). Vooralsnog is het niet duidelijk waarom na de 1e juli toch nog manumissiebrieven zijn verleend.

 Allegorische voorstelling op de afschaffing van de slavernij in 1863
Allegorische voorstelling op de afschaffing van de slavernij in 1863. Anonieme litho.

 

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in