Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Scheepstypen

Geschiedenis van de archiefvormer: 

De Nederlanders voeren op de Oostzee voornamelijk met een fluitschip, een galjoot, een katschip en een smak.

Het Fluitschip

Het fluitschip was van oorsprong een Nederlands koopvaardijschip uit vooral de zeventiende en achttiende eeuw, dat ook gebruikt werd in Duitsland, Vlaanderen, Frankrijk en Engeland. Het type groeide uit tot een van de voornaamste koopvaardijschepen in Europa. Het kon zeer economisch gevaren worden door een kleine bemanning, vooral dankzij de drievoudige tuigage.
De fluit had in tegenstelling tot de spiegelschepen een rond achterschip. Het voorschip was bij sommige schepen, vooral degene die naar het zuiden voeren, gebouwd met een galjoen. Andere soorten, zoals de Noordvaarders, hadden geen galjoen.
Kenmerkend voor de fluit was het sterk ingetrokken boord van het achterschip, waardoor het dek zeer smal werd. Deze opzettelijk smal gehouden dekbreedte was bedoeld om een voordelige tolberekening in de Sont te verkrijgen, daar dit geschiedde met de dekbreedte als basis. Toen in 1669 een nieuwe meetmethode werd ingevoerd, werden de dekken breder gebouwd. Het smalle achterkasteel gaf aan de fluit een buikig casco, waarboven een smal versierd hakkebord stond. De tuigage bestond uit drie masten, waarvan de fokke- en de grote mast vierkant getuigd waren met onderzeilen en marszeilen. De bezaansmast voerde een langsscheeps latijnzeil.

Het Fluitschip

De Galjoot

De galjoot was een kustvaarder die in gebruik was bij de Scandinaviërs, Duitsers, Nederlanders en Belgen. In de zeventiende eeuw was de galjoot een klein rondgebouwd schip met zijwaarden. Het tuig was een anderhalfmasttuig, waarvan de grote mast een gaffelzeil en fok voerde en de boegspriet een kluiver. Eventueel werd een topzeil bijgezet. De bezaansmast droeg een latijnzeil.
Sommige galjoten werden als adviesjacht gebruikt, waardoor zij slanker en met groter tuigage gebouwd werden. Er waren er ook in de vaart voor de visserij. In de loop van de achttiende eeuw evolueerde de galjoot in romp en tuigage. Het voorschip werd iets meer geveegd en het achterschip werd gepiekt, waardoor de zwaarden konden vallen. 

De Galjoot

Het Katschip

Het katschip, kortweg kat, was een scheepstype dat in de zeventiende en achttiende eeuw met name in de Republiek, maar ook in Engeland en Scandinavië in de vaart was als koopvaarder. De kat leek op een fluit, met het verschil dat de fluit een geheel rond, bolgebouwd schip was, terwijl bij het katschip het vlak plat was, de kimmen hoekig en het boord recht en openvallend tot op dekhoogte, waar het weer binnenwaarts helde. De kat had steilgaande stevens en een hoekige vorm. Op het dek was geen hut, wel een vooronder. Op het achterschip bevond zich een kajuit onder de overloop. De tuigage bestond uit drie korte paakmasten zonder mars. 

De Smak

De smak werd gebruikt als Nederlandse en Belgische kustvaarder, als Waddenvaarder en als binnenvaartuig voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië. Smakken waren reeds in de vaart in het begin van de zestiende eeuw. Ze werden ook gebruikt voor oorlogvoering. In de zeventiende eeuw waren het een soort buikige, zwaargebouwde hektjalken. De inrichting was meer die van een binnenvaarder dan van een zeeschip. In de achttiende eeuw werd het type verzwaard en bereikte de smak een laadvermogen van 140 ton.

De Smak

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in