gahetNA in het Nationaal Archief

Nederlandse overheid

Geschiedenis van de archiefvormer: 

Nieuwjaar 1950. Wie op 1 januari naar de radio luistert, kan minister-president Willem Drees in een toespraak horen verkondigen dat ‘een deel van ons volk het moet aandurven zoals in vroeger eeuwen zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan eigen land.’

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de Nederlandse regering-in-ballingschap zich laten informeren over de te verwachten behoefte onder de Nederlandse bevolking om te emigreren. Op grond van de voorziene bevolkingsgroei, de daarmee samenhangende problemen en het tekort aan bouwland luidt het advies om emigratie te bevorderen. In de eerste naoorlogse jaren van economische schaarste moeten echter vooral de mouwen worden opgestroopt voor de wederopbouw van Nederland. Arbeiders kunnen niet worden gemist, kapitaal mag niet worden uitgevoerd. Vanaf 1947 bieden de Verenigde Staten een financiële steun in de rug in de vorm van de Marshallhulp. Nadat het herstel rond 1949 is ingezet, kan de overheid plannen uitwerken voor de opbouw van een welvaartsstaat.

Nederlandse emigranten staan op vliegveld Schiphol klaar 
Nederlandse emigranten staan op vliegveld Schiphol klaar voor vertrek naar Australië, februari 1952

Kernthema’s van het economische beleid worden industrialisatie en export. Gezien de problemen in de agrarische sector en de toenemende bevolkingsdruk vindt de regering het ook noodzakelijk om gelijktijdig grootschalige emigratie te stimuleren. Het overschot aan beroepsbevolking kan zo worden ‘afgeroomd’. Daarbij sluit Nederland aan bij de internationale discussie over migratie. Het overleg richt zich op de vraag in hoeverre internationaal gereguleerde migratie vanuit overbevolkte Europese landen naar dunbevolkte Europese regio’s of andere werelddelen een oplossing kan bieden voor economische en demografische problemen van de diverse deelnemende landen. Hierbij staat voorop dat emigratie een persoonlijke aangelegenheid is en op vrijwillige basis moet plaatsvinden. De overheden scheppen vooral randvoorwaarden. Ze geven voorlichting; bieden cursussen aan, onderhandelen over vervoersvoorzieningen, sluiten verdragen met elkaar over opvang en verzorging en over subsidiëring van de overtocht.

De Nederlandse overheid heeft niet alleen rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau. Ook binnen Nederland bestaat zeer brede belangstelling voor de emigratieproblematiek. Landbouworganisaties, vrouwenorganisaties en de voor de oorlog opgerichte protestants-christelijke en katholieke emigratiecentrales komen op voor de belangen van hun leden die wensen te emigreren. Feitelijk achten zij zich het meest geschikt om hun begeleiding te verzorgen tijdens en na de emigratie, vooral de geestelijke. Zij wensen daarom een aandeel zowel in de beleidsvorming als in de uitvoering van de emigratieprocedure. Drie jaar duurt het politieke en maatschappelijke debat over deze kwestie. In 1952 krijgt het een voorlopig einde met het aannemen van de Wet op de Organen voor de Emigratie. Als compromis wordt een Raad voor de Emigratie ingesteld. Hierin hebben zowel de acht betrokken departementen als de maatschappelijke organisaties zitting. De Raad adviseert de minister van Sociale Zaken, die emigratie in zijn portefeuille heeft. Het eveneens gemengd samengestelde Emigratiebestuur, voorgezeten door de Commissaris voor de Emigratie, is verantwoordelijk voor de bepaling van het emigratiebeleid en de uitvoering ervan. Het wordt daarin bijgestaan door de Nederlandse Emigratiedienst, dat de taken van de Stichting Landverhuizing Nederland overneemt.

De contacten tussen de Nederlandse en de Australische regeringen over migratie worden ruim voor de afloop van de Tweede Wereldoorlog hervat. De afspraken van 1939 worden in 1946 herbevestigd. Na de onafhankelijkheid van Indonesië onderhandelt Nederland over de vestigingsmogelijkheden van Nederlandse burgers en ex-KNIL-militairen uit voormalig Nederlands-Indië. Ook subsidieert de Nederlandse regering in 1949 voor het eerst individuele emigranten naar Australië. Aanvankelijk komen vooral ongeschoolden zonder werk hiervoor in aanmerking. Spoedig daarna starten echter onderhandelingen om zoveel mogelijk Nederlanders in staat te stellen met financiële steun naar Australië te emigreren. Het in 1951 afgesloten ‘Netherlands Australian Migration Agreement’ biedt daartoe de mogelijkheid. Het aantal van bijna 16.000 emigranten dat in 1952 naar Australië vertrekt, betekent een absoluut hoogtepunt. Ondanks andere bilaterale steunverleningsprogramma’s en het wederzijds migratie- en vestigingsverdrag van 1965 zullen dergelijke vertrekcijfers naar Australië niet meer worden gehaald

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in