gahetNA in het Nationaal Archief

Eerens, de - Zoeken: wilhelmina

1 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.21.186
P.J. Aalders
Nationaal Archief, Den Haag
1977
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.186
Auteur: P.J. Aalders
Nationaal Archief, Den Haag
1977
CC0

Periode:

1636-1941
merendeel 1740-1941

Omvang:

1,52 meter; 126 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een gedeelte is gesteld in het Frans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van Dominique Jacques de Eerens bevat in hoofdzaak stukken betreffende zijn militaire loopbaan; De Eerens klom op van soldaat naar de Garde van Lodewijk Napoleon, werd benoemd tot directeur-generaal van oorlog en ten slotte tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In het archief zijn stukken te vinden in verband met zijn benoemingen en onderscheidingen, correspondentie met vorsten en militaire gezagsdragers en in mindere mate stukken van persoonlijke aard, waaronder memoires. Daarnaast bevat het archief stukken van persoonlijke aard afkomstig van andere leden van de familie De Eerens.

Archiefvormers:

  • De Eerens
  • Dominique Jacques de Eerens (1781-1840)
  • Geertruida Francisca van der Goes-de Eerens
  • mr. Maarten baron van der Goes, heer van Dirxland (1751-1826)
  • Petrus Paulus Eerens (1754-1821)
  • Dorothea Jeanne Hermine de Eerens-de Salve de Bruneton (1796-1847)
  • Pauline Maria Jeanne Wilhelmina de Eerens (1818-1875)
  • Emilia Maria Theresia de Eerens (1821-1870)
  • Martin François Jacques de Eerens (1822-?)
  • Charlotte Jacqueline de Eerens (1824-?)
  • Mr. Willem Frederik Carel de Eerens (1833-1883)
  • Dominique Jaques de Eerens (1781-1840)
  • Jacobus Eerens (1712-1778)
  • Petrus Paulus Eerens (1754-1821)
  • Dorothea Jeanne Hermine de Eerens-de Salve de Bruneton (1796-1847), echtgenote van D.J. de Eerens
  • Emilia Maria Theresia de Eerens (1821-1874)
  • Martin Francois Jaques de Eerens (1822-1879)
  • Dominique Jaques de Eerens (1846-1913), zoon van M.F.J. de Eerens
  • Jaqueline de Eerens-Rambaldo (1867-1945), echtgenote van D.J. de Eerens (1846-1913)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Dominique Jacques de Eerens (

Sedert het overlijden van G.F. van der Goes-de Eerens draagt D.J. Eerens de naam De Eerens. G.F. van der Goes-de Eerens was in 1787 in de deense adelstand verheven en sedertdien werd aan haar meisjesnaam "de" toegevoegd. (Zie inventarisnummer 67).

) werd op 17 maart 1781 te Alkmaar geboren als zoon van Petrus Paulus Eerens en Johanna Cramer. Zijn moeder overleed enkele dagen na zijn geboorte, hetgeen voor zijn vader aanleiding was om in de geestelijke stand te treden.

Dominique werd de eerste zes jaar opgevoed door zijn tante Francisca Eerens. In 1787 vertrok zij naar Kopenhagen, alwaar zij huwde met mr. Maarten baron van der Goes. Dominique verhuisde naar zijn vader, die inmiddels pastoor te Vlodrop was geworden.

Op zeventienjarige leeftijd trad De Eerens in dienst als soldaat bij het derde bataljon van de zesde halve brigade onder bevel van de luitenant-kolonel A.B. Cartaret. Snel klom De Eerens op de militaire ladder: in juli 1799 werd hij benoemd tot fourier, in welke hoedanigheid hij deelnam aan de veldtocht tegen de Engelsen in Noord-Holland, vervolgens tot sergeant (1799), tot cadet (1800) en tot tweede luitenant (1801).

In 1802 overwoog De Eerens om naar de Kaapkolonie te gaan; daartoe schreef hij zijn oom Maarten van der Goes aan, die op dat moment het ambt van minister van buitenlandse zaken bekleedde. Dankzij de bemiddeling van Van der Goes werd De Eerens benoemd tot kapitein bij het tweeëntwintigste bataljon Kaapse Infanterie doch onder druk van zijn tante Francisca weigerde De Eerens deze benoeming te aanvaarden. Kort daarna volgde zijn benoeming tot adjudant-majoor, in welke rang hij in 1805 overging tot de Garde van de Raadpensionaris en een jaar later tot de Garde van Koning Lodewijk Napoleon.

Na zijn officiële intocht nam koning Lodewijk Napoleon een aantal besluiten ten aanzien van het leger. De Garde van de Raadpensionaris werd benoemd tot de garde van de koning, daarnaast reorganiseerde hij het leger. Ten gevolgde van deze reorganisatie, die tevens een uitbreiding inhield van het aantal manschappen, werd een groot aantal franse soldaten en officieren ingelijfd.

Op 25 augustus 1809 werd De Eerens benoemd tot luitenant-kolonel en opperhoofdman van de eerste kompagnie; door deze benoeming werd hij belast met het onderwijs aan adspirant officieren van Linie. Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het franse Keizerrijk (juli 1810) werd De Eerens tot lid benoemd van de deputatie die ter gelegenheid van de inlijving naar keizer Napoleon gezonden zou worden.

In september van dat jaar werd de oude garde van koning Lodewijk ingelijfd bij de keizerlijke garde. De Eerens werd bij de zgn. jonge Garde geplaatst, welke in Spanje was gelegerd. Tijdens zijn verblijf in Spanje kwam hij vooral in contact met de gewone bevolking van dit deel van het franse keizerrijk, dat zich nogal vijandig opstelde tegenover de troepen en tegenover het bewind van Bonaparte. Over deze vijandigheid kunnen we het volgende in het dagboek van De Eerens lezen:

"Gedurende deze marsch ondervond ik dat de geest der bewoners van dit gedeelte des franschen rijks nog weinig ten voordeele der Keyzers gestemd was; Deze wierd in de conversatie meestal Bonaparte genoemd, en altijd van hem gesproken meer als een vreemd, zich toevallig aan het hoofd der zaken bevindend personaadje, dan wel als den souverein van het land." Ten aanzien van het conscriptiestelsel dat door Napoleon ook in Spanje was ingevoerd merkte De Eerens op: "Ook zag men de landen meestal door vrouwen bebouwen en van het mannelijke geslacht niet dan oude mannen en even boven de kindschheid gewassene jongelieden.-- Dit kon wel mede eene reden zijn van de weinige gehechtheid aan den Keyzer, wien men, en wel niet geheel ten onregte, als de oorzaak des voortdurenden menschenverslindenden oorlogs aanzag."

In maart 1812 keerden De Eerens en zijn manschappen terug en trokken via Parijs naar Mainz, alwaar hij het bevel kreeg om zich klaar te maken voor een tocht van twee jaren. Tijdens de opmars naar Moskou werd De Eerens benoemd tot ridder van net Rijk met een dotatie van vierduizend franken op de goederen van de prins De la Paz in het koninkrijk Valencia in Spanje. Tijdens zijn verblijf in Rusland maakte De Eerens de intocht van Napoleon in Moskou mee en leidde o.a. de onderzoekingen naar de stichters van de branden in Moskou. Na ruim een maand zag Napoleon zich genoodzaakt om zich met zijn leger terug te trekken.

Na een tocht vol ontberingen keerde De Eerens op 20 januari 1814 terug op nederlandse bodem. Dankzij de bemiddeling van Karel van der Goes, broer van Maarten van der Goes, en de kolonel Robert Fagel, eerste adjudant van de souvereine vorst, verkreeg hij zijn benoeming tot luitenant-kolonel met de opdracht het kommando van de vesting 's-Hertogenbosch op zich te nemen, voorts de landmilitie en de landstorm te organiseren en tevens een bataljon infanterie van linie te formeren. In het kader van de heropbouw van het leger inspecteerde De Eerens in juni 1814 het korps hanzeatische troepen te Bremen en Hamburg, dat de wens te kennen had gegeven in nederlandse dienst over te gaan.

Voorts werd hij aangewezen als lid van de commissie belast met het ontwerpen van een complete inrichting van het militaire wezen. Deze commissie moest niet alleen voorstellen tot reorganisatie van het leger doen, maar ook adviseren inzake werving en vermindering van de kosten van het leger in vredestijd. Aan de leden van deze commissie De Eerens en Dibbets werd tevens de opdracht gegeven om het reglement van exercitiën van de infanterie, ingesteld door koning Lodewijk Napoleon te herzien en aan te vullen.

Bij de reorganisatie van het leger in 1818 werd De Eerens het kommando van de provincie Noord-Brabant opgedragen. Tezamen met het kommando van Antwerpen en Zuid-Brabant vormden zij het vierde groot militair kommando onder de bevelen van luitenant-generaal Van der Plaat. In de komende jaren kreeg De Eerens meerdere malen opdrachten om legeronderdelen te reorganiseren; voorts werd hij belast met de overdracht van het nassause regiment lichte infanterie (28 juli 1820).

Bij Koninklijk Besluit van 25 december 1829 nr. 83 kvam er een reorganisatie tot stand van net bestuur van de land- en zeemacht. Dit besluit bepaalde dat aan twee directeuren-generaal het beheer van de zaken van de land- en zeemacht werd opgedragen. Zij zouden dit uitoefenen onder het bevel van de admiraal en kolonel-generaal, die tevens belast zou worden met het algemeen toezicht op de land- en zeemacht en met de inspectie der troepen, vestingwerken e.d.

Tot admiraal en kolonel-generaal werd prins Frederik benoemd, tot directeur-generaal van marine de schout bij nacht J.C. Wolterbeek, tot directeur-generaal van oorlog de luitenant-generaal D.J. de Eerens.

Tijdens zijn bestuursperiode als directeur-generaal van oorlog moest hij zich voornamelijk bezig houden met de belgische kwestie (1 januari 1830-1 oktober 1834).

Voor De Eerens geheel onverwacht werd hij in 1834 benoemd tot luitenant gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, met de bedoeling dat hij in deze functie eerst een jaar onder de gouverneur ad interim J.C. Baud zou werken alvorens benoemd te worden tot gouverneur-generaal.

Direkt na zijn benoeming nam De Eerens contact op met de minister van koloniën, J. van den Bosch, zelf oud gouverneur-generaal en commissaris-generaal van Nederlands-Indië, om zich op de hoogte te stellen van het bestuur in Nederlands-Indië. Ook tijdens zijn verblijf in Nederlands-Indië correspondeerde hij regelmatig met minister Van den Bosch en wisselde met hem van gedachten, niet alleen over het cultuurstelsel, maar ook over de organisatie en inrichting van het leger in Nederlands-Indië.

Gedurende het eerste jaar van zijn verblijf hield De Eerens zich niet alleen met staatszaken bezig, maar ondernam hij ook een inspectietocht over Java, waarbij voornamelijk militaire objecten werden bezocht. Een maand nadat De Eerens was benoemd tot G.G. trad een nieuw regeringsreglement in werking. Dit reglement bepaalde dat het hoogste gezag in Nederlands-Indië berustte bij de G.G. Voorts werd de Raad van Indië ingesteld, een adviescollege dat alleen geraadpleegd zou worden bij algemene en bijzondere bestuursaangelegenheden. De G.G. was verplicht de bevelen door of vanwege de koning na te volgen.

Tijdens zijn bestuur stonden niet alleen de zorg en de uitbreiding van de gouvernementskultures centraal, maar ook de reorganisatie van het leger. Ook op het gebied van kunsten en wetenschappen was De Eerens actief. Hij was mede-oprichter van het Tijdschrift van Nederlands-Indië, en liet o.a. het Statistiek Bureau te Buitenzorg oprichten. Door deze activiteiten werd hij beschermheer van het Bataviasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.

Op 30 mei 1840 overleed hij te Buitenzorg.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in