VOC - Zoeken: voc
17202 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.
1.04.02
M.A.P. Meilink-Roelofsz, R. Raben en H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1992
Beschrijving van het archief
Naam archiefblok:
Verenigde Oostindische Compagnie (VOC)
VOC
Periode:
1602-1811
merendeel 1602-1795
Omvang:
1269,60 meter; 15013 inventarisnummers.
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Nederlands, sommige stukken zijn in andere talen, o.a. Maleis, Chinees, Japans, Perzisch, Armeens, Portugees, Frans, Engels.
Soort archiefmateriaal:
Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Bevat
archieven van de Heren XVII en de kamer Amsterdam (onderling sterk vermengd),
de kamers Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Het archief van de
Heren XVII en de kamer Amsterdam bestaat voornamelijk uit resoluties, verbalen
van het Haags Besogne, brieven naar en overgekomen stukken uit de koloniën
(aparte series voor de Kaap en China), en na 1700 boekhoudkundige stukken en
monsterrollen en na 1700 scheepssoldijboeken. De briefwisseling binnen Europa,
scheepsjournalen, financiële stukken vóór 1700, monsterrollen en
scheepssoldijboeken vóór 1700, en de stukken van de departementen in Amsterdam
zijn geheel of voor een groot gedeelte verloren gegaan. Van het archief van de
kamer Zeeland zijn ongeveer dezelfde bestanden bewaard gebleven, hierin echter
nog enige Europese briefwisseling, doch minder boekhoudkundige stukken. Van de
archieven van de overige kamers zijn slechts fragmentarische resoluties,
scheepssoldijboeken na 1700 (alle kamers), en boekhouding (vooral Hoorn en
Enkhuizen) bewaard. Een deel van de briefwisseling met de koloniën zou te
reconstrueren zijn m.b.v. de in het Arsip National in Jakarta bewaarde
stukken.
Introduction in English.
Archiefvormers:
- Verenigde Oost-Indische Compagnie
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Geschiedenis van het archiefbeheer
J.C.M. Pennings
1. Tijdens het Compagniesbewind (1602-1795)
De werkzaamheden in de kamers van de Compagnie leidden tot de produktie van grote hoeveelheden papier. Aangezien de administratie (en de meeste andere activiteiten) door de zes kamers afzonderlijk werd verricht, bestond er geen centrale archiefbewaarplaats en was er geen uniform archiefbeheer. Iedere kamer droeg zorg voor zijn eigen papieren. Bovendien waren die papieren nog over verschillende afdelingen van een kamer verdeeld. Hoe groter en complexer de organisatie van een kamer was, hoe talrijker de plaatsen in de stad waren waar men archiefstukken kon aantreffen. De kamer Amsterdam bijvoorbeeld was verdeeld in vier departementen, waaronder enkele comptoiren (kantoren) stonden, die alle hun eigen papieren beheerden. De grootste massa stukken berustte bij de secretarie, een bureau dat in iedere kamer, hoe klein ook, bestond.
De archieven van de verschillende kamers bevatten niet alleen
stukken van de Compagniesadministratie in de Republiek. Alle kamers konden ook
rekenen op een gestage stroom papier uit het octrooigebied. Ieder jaar
arriveerden met de retourschepen journalen, missiven, resoluties, dagregisters,
monsterrollen en andere stukken van de gouverneur-generaal en raden in Batavia
en van de andere vestigingen in Azië en aan Kaap de Goede Hoop. De Heren
Zeventien verwachtten van de gouverneur-generaal en raden dat zij alle voor de
bewindhebbers belangrijke stukken lieten kopiëren en in zesvoud naar patria
stuurden, voor iedere kamer een exemplaar. Het kopieerwerk stapelde zich in de
generale secretarie in Batavia echter zo op, dat nooit alle kamers konden
worden voorzien. Dat leidde tot een aanhoudende reeks van klachten van de Heren
Zeventien aan het adres van de gouverneur-generaal en raden, overigens zonder
effect. In de praktijk konden alleen de kamers Amsterdam en Zeeland rekenen op
een regelmatige toezending
(
VOC, inv. nrs. 312-344, kopieboek van uitgaande brieven [...]
van de Heren XVII en de kamer Amsterdam aan de kantoren in Indië. Zie VOC, inv. nr. 741, kopie-resoluties van
gouverneur-generaal en raden, met name van 5 en 8 juni 1725.
Kamer Amsterdam
Van de zes kamers van de VOC beheerde de kamer Amsterdam zonder twijfel het grootste archief. Dit kwam in de eerste plaats door de omvang van het Amsterdamse Compagniesbedrijf. Volgens het octrooi nam de kamer Amsterdam immers de helft van alle activiteiten op zich. Verder hing de omvang van het archief ook samen met de bestuursinrichting van de Compagnie. De Heren Zeventien bezaten geen eigen ambtelijk apparaat, maar maakten gebruik van de administratie van de voorzittende kamer. Drie kwart van de tijd was dit Amsterdam, de resterende tijd Zeeland. Voorts was de advocaat van de Compagnie niet alleen in dienst van de Heren Zeventien, maar ook van de kamer Amsterdam. Zijn zetel was in Amsterdam. In de praktijk betekende dit alles dat in het archief van de kamer Amsterdam zich ook de meeste archiefstukken van de Heren Zeventien bevonden. Brieven gericht aan de Heren Zeventien werden bijvoorbeeld in dezelfde band gebonden als die aan de bewindhebbers van de kamer Amsterdam. Gedurende enkele jaren hield men ook een gemeenschappelijk kopieboek van uitgaande brieven bij.
Tekening van het Oostindisch Huis te Hoorn door Cornelis Pronk, 1727 (Collectie Westfries Museum te Hoorn):
Bladzijde uit de inventaris van documenten uit Indië naar de kamer Zeeland gestuurd, 1688-1703 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 13863):
Het archief van de kamer Amsterdam werd op verschillende
plaatsen in de stad gevormd en bewaard. De belangrijkste plek was het schrijf-
of klerkenkantoor in het Oostindisch Huis aan de Oude Hoogstraat. Het oudste
bekende reglement voor de klerken op het schrijfkantoor dateert van 1666
(
Pieter van Dam, Beschryvinge van de Oostindische Compagnie
eerste boek, deel I. F.W. Stapel ed. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote
serie 63 ('s-Gravenhage 1927) 395. VOC, inv. nr. 360, instructies van de kamer Amsterdam voor
haar ambtenaren; VOC, inv. nr. 7229, kopie-reglement voor de klerken op het
schrijfkantoor van de kamer Amsterdam d.d. 1763 april 25.
Tot de dagelijks terugkerende activiteiten op het
schrijfkantoor, zoals is beschreven in enkele bewaard gebleven aantekeningen
uit de achttiende eeuw, behoorde onder andere het bijwerken van de kopieboeken
van uitgaande brieven van de kamer Amsterdam aan de andere kamers, de
resolutieboeken van de kamer, de kopie-resolutieboeken van de Heren Zeventien,
de indices op de resoluties en de uitgaande brieven van de Heren Zeventien, en
de indices op de resoluties van de kamer. Dit is slechts een willekeurige
greep. Zeer drukke dagen kenden de klerken op het schrijfkantoor in maart en
september, wanneer de vergaderingen van de Heren Zeventien plaatsvonden, en in
juni of juli, wanneer het Haags Besogne bijeenkwam. Voor de bijeenkomsten van
dit laatste college droegen de klerken er zorg voor dat de bewindhebbers van
alle kamers over de vergaderstukken beschikten en dat na afloop stukken zoals
de verbalen van het Haags Besogne en de kopieboeken van uitgaande brieven aan
de gouverneur-generaal en raden aan de kamers werden gezonden
(
VOC, inv. nr. 7230, concept-aantekeningen betreffende de
werkzaamheden van de klerken op het schrijfkantoor van de kamer Amsterdam.
Door alle werkzaamheden nam het archief van de kamer Amsterdam
snel in omvang toe, te meer daar ieder jaar ook nog een flinke hoeveelheid
archiefstukken uit het octrooigebied met de retourschepen arriveerde. Met name
het uitdijende aantal van deze zogenoemde 'overgekomen brieven en papieren'
begon in de loop der tijd de bewindhebbers van de kamer Amsterdam zorgen te
baren. In 1695 besloten zij een charterkamer in te richten, aangezien '... de
boeken en papieren, van tijt tot tijt, uyt Indien overgekoemen, tot sodanige
quantiteyt bereyts waeren gegroeyt, en 't welck alle jaaren nogh meerder stont
toe te neemen ...'
(
VOC, inv. nr. 244, resoluties van de kamer Amsterdam.
In deze jaren toog ook Pieter van Dam aan het werk. Hij kreeg in 1693 van de Heren Zeventien de opdracht een beschrijving te maken van de VOC, op basis van de archiefstukken. Het is niet duidelijk of de werkzaamheden van Pieter van Dam een rol hebben gespeeld bij de aanstelling van de eerste bibliothecaris van de charterkamer, in 1699. Gezien de jaartallen zou men het wel vermoeden.
Deze bibliothecaris, Pieter van Rijn genaamd, kreeg als taak de
charters en papieren van de Compagnie te beheren en te inventariseren
(
VOC, inv. nr. 245, resoluties van de kamer Amsterdam. VOC, inv. nr. 129, kopie-resoluties van de Heren XVII; VOC,
inv. nr. 259, resoluties van de kamer Amsterdam. VOC, inv. nr. 131, kopie-resoluties van de Heren XVII; VOC,
inv. nr. 269, resoluties van de kamer Amsterdam. VOC, inv. nr. 287, resoluties van de kamer Amsterdam. VOC, inv. nr. 294, resoluties van de kamer Amsterdam.
Behalve door de klerken op het schrijfkantoor in het Oostindisch
Huis werden ook door andere VOC-beambten stukken ontvangen en geschreven. Zo
maakte de opperboekhouder van de kamer Amsterdam, geassisteerd door klerken,
rekeningen en balansen op en hield hij onder andere journalen, memorialen,
grootboeken en aandelenregisters bij. Daarnaast had de kamer Amsterdam op het
soldijkantoor boekhouders in dienst, die de scheepssoldijboeken bijwerkten.
Boekhouders legden overigens bij hun indiensttreding een speciale eed af; zij
zwoeren niemand inzage te verlenen in hun boeken en papieren, tenzij zij
hiervoor toestemming kregen van de bewindhebbers. Op uitdrukkelijk verzoek van
de boekhouders zelf werd het hen echter wel toegestaan extracten uit papieren
te verstrekken zolang dat niet ten nadele van de VOC was
(
Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 371-388, 412,
413. Ibidem, 394.
Het archief dat aldus werd gevormd, werd niet alleen in de
charterkamer aan de Oude Hoogstraat bewaard. Waarschijnlijk bevonden zich ook
papieren van de kamer Amsterdam in het Zeemagazijn of Oostindisch Buitenhuis op
Oostenburg. Rondom dit grote magazijn lagen immers de meeste werven, pakhuizen
en andere gebouwen van de VOC
(
J.C. Overvoorde en P. de Roo de la Faille ed., De gebouwen
van de Oost-Indische Compagnie en van de West-Indische Compagnie in Nederland
(Utrecht 1928) 44. Volgens Overvoorde had de berging van een deel van de
VOC-archieven in het Oostindisch Buitenhuis als bezwaar dat de afstand naar het
vergaderlokaal aan de Hoogstraat te groot was.
In het bedrijf nam de kaartenmaker een speciale positie in. Hij
voorzag niet alleen de schepen van de kamer Amsterdam van kaarten en
stuurmansgereedschappen, maar ook die van de andere kamers. Alleen de kamer
Zeeland liet zelf ook wel kaarten vervaardigen. De kaarten werden samengesteld
op basis van de scheepsjournalen die werden meegevoerd door de retourschepen.
Bij aankomst van deze schepen was de kaartenmaker gerechtigd de journalen op te
eisen. Journalen en kaarten werden in een speciale ruimte in het Oostindisch
Huis bewaard, waar zij regelmatig door de kaartenmaker geïnventariseerd moesten
worden
(
VOC, inv. nr. 360, instructies van de kamer Amsterdam voor
haar ambtenaren; Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 402-404.; G.
Schilder, 'Het cartografisch bedrijf van de VOC' in: Patrick van Mil en Mieke
Scharloo ed., De VOC in de kaart gekeken: cartografie en navigatie van de
Verenigde Oostindische Compagnie, 1602-1799 ('s-Gravenhage 1988). Zie verder
hoofdstuk 5.
Kamer Zeeland
De situatie in de kamer Zeeland stak vrij gunstig af tegen die
in Amsterdam. Zo kende Zeeland een commissie voor de charterkamer, die toezicht
uitoefende op het beheer van het archief door de chartermeester. De eerste
vermelding van een chartermeester dateert van 1737. In dat jaar werd een
instructie voor de chartermeester Thomas Cunnegam (of Cunningham) 't Hooft
opgesteld
(
In 1737 werd de bewindhebber Radermacher tot een van de
commissarissen benoemd. In zijn persoonlijk archief is een aantal stukken
betreffende deze commissie voor de charterkamer bewaard gebleven. Archief
Radermacher, inv. nrs. 190 en 354.
Een andere bepaling in de instructie voor de chartermeester
luidde dat alle kisten met brieven en papieren die jaarlijks met de
retourschepen uit Indië werden gebracht door de chartermeester geopend en de
inhoud door hem geregistreerd moest worden. Daarna moesten de papieren voor
dagelijks gebruik worden neergelegd in de charterkastjes van de vergaderkamer
van de bewindhebbers. Van deze stukken hield de chartermeester het 'generaal
register van alle de Compagniesboeken die uyt India naar Patria herwaart werden
gesonden' bij. Dit register is de oudste inventaris van archiefstukken van de
kamer Zeeland die bewaard is gebleven. De hierin beschreven stukken lopen van
1612 tot 1794 en zijn alfabetisch ingedeeld naar aard van de stukken, zoals
'acteboeken', 'brieven en papieren ontvangen uit Indië', 'cassaboeken'
enzovoort
(
VOC, inv. nrs. 13862-13865 en 14924-14926,
(kopie-)inventarissen van stukken in het archief van de kamer Zeeland,
1612-1794.
Kamers Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen
Over de archiefzorg in de kamers Delft, Rotterdam, Hoorn en
Enkhuizen is veel minder bekend. Gemiddeld hadden de kleine kamers niet meer
dan twintig ambtenaren in dienst
(
J.E. Heeres, 'De Oost Indische Compagnie' in: Encyclopaedie
van Nederlandsch-Indië I (2e druk; 's-Gravenhage en Leiden 1917) 505. Archief van de Raad der Aziatische bezittingen en
etablissementen (hierna: Archief Aziatische Raad), inv. nr. 87, 20 december
1800. De lijsten van archieven van de kamer Hoorn werden op 29
februari 1796 opgemaakt. Zie VOC, inv. nr. 14927. 'Register van de klerk Valensis van alle de boeken,
charters, missiven, documenten enz. welke voorhanden zijn geweest bij het
kantoor der voormalige Oostindische Compagnie ter Kamer Delft ...'[c. 1802];
VOC, inv. nr. 14928. Overvoorde en De Roo de la Faille ed., Gebouwen, 98; Roelof
van Gelder en Lodewijk Wagenaar, Sporen van de Compagnie. De VOC in Nederland
(Amsterdam 1988) 111.
2. Bataafs-Franse tijd (1796-1813)
Intensieve bemoeienis met de VOC-archieven
In 1795 kreeg de VOC een nieuwe directie. De bezittingen van de Compagnie gingen met haar schulden èn haar archieven aan de staat over. Op last van de Staten-Generaal werden alle papieren van de VOC die zich in Amsterdam bevonden op 30 januari 1796 overgegeven aan het Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen, kortweg het Oostindisch Comité genaamd.
Het Oostindisch Comité nam het beheer van de VOC-archieven
serieus op. Door toedoen van B.F. van Liebeherr, een van de leden van het
Comité, werden al vrij snel de 'secrete' papieren uit het voormalige
VOC-logement in Den Haag naar Amsterdam overgebracht
(
Archief van het Comité tot de zaken van de Oost-Indische
handel en bezittingen (hierna: Archief Oostindisch Comité), inv. nr. 11,
resoluties comité, 11 april 1796; Idem, inv. nr. 139a, notulen van het
departement van huishoudelijk bestuur in Indië en Kaap de Goede Hoop, 26 april
1796. Archief Oostindisch Comité, inv. nr. 11, resoluties Comité,
31 maart 1796; Idem, inv. nr. 154, notulen departement commercie en equipage,
31 maart 1796. Archief Oostindisch Comité, inv. nr. 11, resoluties Comité,
14 april en 9 mei 1796; Idem, inv. nr. 12, resoluties Comité, 4 juli 1797.
Volgens Overvoorde en De Roo de la Faille ed., Gebouwen, 44, werden meer dan
duizend kisten met archiefstukken van de VOC hier geborgen.
Centralisatie van bestuur en archieven
Het Oostindisch Comité werd in 1800 opgevolgd door de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen, of Aziatische Raad. Het streven van de Raad was zijn bestuur zoveel mogelijk in Amsterdam te concentreren. De kamers buiten Amsterdam werden sindsdien buitencomptoiren (-kantoren) genoemd. In 1802 werden de buitenkantoren Hoorn, Enkhuizen en Delft opgeheven; alleen de lopende zaken - meest soldijaanspraken - werden hier nog afgehandeld. De kantoren Rotterdam en Middelburg bleven bestaan.
Ten aanzien van de archieven van de voormalige VOC was het
beleid van de Aziatische Raad erop gericht zoveel mogelijk papieren naar de
'generale charterkamer' in het Oostindisch Binnenhuis in Amsterdam te laten
overbrengen. Dit gold voor papieren die zich nog op de buitenkantoren of elders
in Amsterdam bevonden. De secretarissen of opperboekhouders van de
buitenkantoren werd verzocht om binnen drie maanden registers van bij hen
berustende VOC-archivalia aan de chartermeester van de Aziatische Raad op te
sturen
(
Archief Aziatische Raad, inv. nr. 28, resoluties, 18
september 1800. Archief Aziatische Raad, inv. nr. 87, missiven van de
buitenkantoren, 20 december 1800; Idem, inv. nr. 34, resoluties, 29 augustus en
18 september 1804. VOC, inv. nr. 14928, inventaris van de klerk Vallensis.
Nergens blijkt dat bij die gelegenheid archiefstukken zijn
overgedragen. Dat gebeurde pas in 1804, toen de Aziatische Raad de
buitenkantoren aanschreef om vóór 1 november van dat jaar hun soldijboeken naar
Amsterdam op te sturen, waar een centraal soldijkantoor gevestigd zou worden
(
Archief Aziatische Raad, inv. nr. 34, resoluties, 25
september 1804. Idem , resoluties, 25 oktober en 23 november 1804; Idem,
inv. nr. 35, resoluties, 18 januari en 5 maart 1805. VOC, inv. nr. 14928, inventaris van de klerk Vallensis.
Een deel van het Delftse archief was reeds in 1803 naar
Rotterdam gezonden. De rest volgde enige jaren later, toen in 1807 het
Oostindisch Binnenhuis in Delft werd afgestaan aan het geneeskundig bestuur
over de Armee. Dit betekende dat er een oplossing moest worden gezocht voor de
aanmerkelijke hoeveelheid boeken en papieren ter plaatse. Het ministerie van
koophandel en koloniën gelastte hierop de opperboekhouder Smits van het kantoor
in Rotterdam om de charters en papieren die in het Oostindisch Binnenhuis in
Delft berustten naar Rotterdam over te brengen. Smits stelde zelf als
alternatief voor ingeval de nieuwe eigenaren in Delft geen gebruik wilden maken
van de charterkamer, deze eenvoudigweg te sluiten om zo de transportkosten te
besparen. De Aziatische Raad nam dit idee niet van hem over
(
Archief van het ministerie van Koophandel en Koloniën
(hierna: Archief min. K. & K.), inv. nr. 35, net-verbaal van de chef der
Eerste Divisie van het ministerie, 12 februari 1807.
In de reeds genoemde Delftse inventaris van de hand van de klerk Vallenis staat precies aangetekend welke stukken op 3 maart 1807 in Rotterdam arriveerden. Dit blijkt het grootste deel van het archief van de kamer Delft te zijn. In Rotterdam werden de stukken op drie plaatsen geborgen: in de zogenoemde Delftse kamer, in de grote charterkamer en op de foeliezolder.
Het voormalige kantoor Hoorn bleef tot 1809 in zijn oude gebouw
gehuisvest. In dat jaar moest men plaats maken voor de raad en
rentmeester-generaal van de domeinen in Noord-Holland. Bij deze gelegenheid
droeg De Blocquery een deel van de boeken en papieren van de oude kamer Hoorn
aan de Aziatische Raad over, namelijk die van het commerciekantoor
(
Archief van het ministerie van Marine en Koloniën (hierna:
Archief min. M. & K.), inv. nr. 72, verbaal 29 en 31 maart 1809.
In Amsterdam werden de stukken uit Hoorn en Enkhuizen in het
pakhuis Batavia (op Rapenburg) geplaatst. De overige VOC-stukken berustten in
die tijd in de charterkamer van het Oostindisch Binnenhuis, in het Oostindisch
Buitenhuis en in het magazijn de Oude Werf
(
VOC, inv. nrs. 14929 en 14930, Inventaris van de koloniale
archieven berustende bij het departement van Marine en Koloniën te
Amsterdam.
Tegenwerking uit Zeeland
Een verhaal apart vormen de lotgevallen van het archief van de
kamer Zeeland. Ook het kantoor Middelburg werd in 1800 gevraagd om registers op
te sturen van de daar berustende VOC-archivalia en in 1804 om de soldijboeken
over te dragen. Het kantoor voldeed aan geen van beide verzoeken. Wel werd in
1804 een aantal door de Aziatische Raad gevraagde registers, charters en
'papieren tot de negotiatien' overgeleverd
(
Archief Aziatische Raad, inv. nr. 34, resoluties, 4 oktober
1804. Archief min. M. & K., inv. nr. 110, minuutverbaal van de
chef der 7e, later 4e divisie van het ministerie, 11 maart 1809.
Ondanks herhaald aandringen van de zijde van Amsterdam, bleef Middelburg volharden in zijn weigering het oude VOC-archief over te dragen. Pas in 1851 zwichtte Middelburg uiteindelijk. In deze touwtrekkerij speelde de ambtenaar P. Pous een bepalende rol. In 1797 was hij door het Oostindisch Comité aangesteld als substituut-secretaris. Ruim een halve eeuw bleven de papieren van de Compagnie onder zijn hoede. Hij waakte erover alsof het zijn eigen kinderen waren. Een voorbeeld van Pous' toewijding is zijn actie, in 1809, om het archief uit handen van de Engelsen te houden.
Het verhaal begint in 1809 met de bezetting door de Engelsen
van het eiland Walcheren, waarbij beslag werd gelegd op het Oostindisch Huis en
de zich daar bevindende papieren. De commissaris-directeur Lambrechtsen werd
door twee Engelse prijscommissarissen benaderd met de vraag '... of ik genegen
zou zijn van hen te koopen alle de boeken, charters en papieren die zig op het
Oostindisch Huis bevinden, in de onderstelling dat het Engelse gouvernement
dezelve nutteloos oordeelde voor dienst van de Engelse Oostindische Compagnie
en zulks alzoo zij voor hadden een ander gebruik te maken van het huis, dan
dusver was ...'
(
Archief min. M. & K., inv. nr. 111, minuutverbaal van de
chef der 7e, later 4e divisie, 30 september 1809, nr. 249. Archief min. M. & K., inv. nr. 65, minuutverbaal van de
minister, 17 oktober 1809. Archief van het ministerie van Koloniën (hierna: Archief
min. Kol.), inv. nr. 57, verbaal 9 december 1850, litt. A, nr. 5. M.A.P. Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar. Een
historiografische verkenning (Leiden 1970) 12. M.A.P. Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar. Een
historiografische verkenning (Leiden 1970) 12.
De Engelsen vertrokken in december van het jaar 1809; in mei
1810 kwamen de Fransen. Pous leidde in hoogst eigen persoon keizer Napoleon
rond op het eiland Walcheren, waarbij hij ook het Oostindisch Huis liet zien:
'... hij kwam toen ook op de charterkamer in welk groot en schoon locaal hij
dadelijk zin had niet om de daar aanwezige boeken, maar om er een ziekenzaal
van te maken ...'. Pous raadde het hem af omdat de charterkamer op de derde
verdieping was gelegen en bovendien in de winter zo koud was. Het gevaar leek
geweken totdat in januari 1814 zesduizend Franse militairen zich op Walcheren
terugtrokken en zij uit geldgebrek het archief als scheurpapier wilde verkopen.
Volgens Pous is er inderdaad veel door de Fransen vernietigd en verkocht
(
Archief min. Kol., inv. nr. 57, verbaal 9 december 1850, nr.
5; Idem, inv. nr. 841, verbaal 28 mei 1831, nr. 17.
Oprichting van een centraal archiefdepot in Parijs
Niet alleen de Zeeuwse archieven, maar ook die in Amsterdam hadden onder de Fransen te lijden. Het was de wens van Napoleon een centraal depot te stichten voor alle archieven van de door hem bezette landen. Dit zogenoemde ijzeren paleis zou in Parijs op het Champ de Mars worden gebouwd.
In juni 1811 arriveerde in Parijs de eerste en, wat later zou
blijken, enige lading koloniale archiefstukken uit Amsterdam
(
Buiten beschouwing blijft hier de verzameling kaarten, die
sedert 1806 in het depot-generaal van oorlog berustten en die in 1810
grotendeels naar het Franse Depot de la Marine werden overgebracht. Zie
hoofdstuk 5. Archief min. K. & K., inv. nr. 216; bevat onder andere
een nota uit het jaar 1811 van de heer Dozy, chef van de derde divisie van het
ministerie van koophandel en koloniën en toekomstig chef van de Hollandse
divisie bij het ministerie van marine en koloniën in Parijs, over de
wenselijkheid om de koloniale archieven naar Parijs te verplaatsen. Hierbij
voegde hij een lijst van stukken betreffende de Oost die zich op dat moment in
Nederland bevonden en daar ook zouden blijven. Deze lijst somt in totaal 8372
delen op; niet meegerekend zijn 7028 delen 'betreffende vestigingen'. Op een
andere lijst gaf hij aan welke stukken reeds voor Parijs waren verpakt. Dit
betreft de genoemde 21 kisten. Archief van de Hollandse divisie bij het
ministerie van Marine en Koloniën te Parijs, inv. nr. 6. Archief min. Kol., inv. nr. 111, verbaal 2 september 1815,
nr. 1252. Bevat een overzicht van de daadwerkelijk in 1811 in Parijs
gearriveerde stukken.
In 1812 werd een tweede operatie gepland. Hierbij betrof het heel wat meer stukken. Het Franse rijksarchief zond één van zijn ambtenaren naar Nederland, Tourlet genaamd, die de opdracht kreeg de meest interessante stukken uit de Nederlandse archieven te selecteren en naar Parijs te zenden. Voor de koloniale archieven werd hij te woord gestaan door Vollenhoven, die toen 'chef der divisie tot de liquidatie der zaken van de
koloniën' was. Op 2 juni 1812 nam Tourlet afscheid van
Vollenhoven, na een verklaring te hebben getekend welke archiefstukken van het
oude ministerie van marine en koloniën naar Parijs moesten worden overgebracht.
In totaal ging het om 3955 delen betreffende de Oost. Deze stukken zijn niet
verder gekomen dan het archiefmagazijn op de Turfgracht bij de Joodse synagoge
in Amsterdam. Het transport naar Parijs vond nooit plaats
(
Archief van de Hollandse divisie bij het ministerie van
Marine en Koloniën te Parijs, inv. nr. 6; Archief van de generale intendance
voor de Financiën en der Publieke schatkist, inv. nr. 955, minuut-notulen, 17
april 1812; Idem, inv. nr. 1032, brief van de transporteur Bruynseraede, 23
november 1813; Archief van het Algemeen Rijksarchief (hierna: Archief ARA),
inv. nr. 3, nrs. 270, 271, 274, 274a en 295; nr. 274a geeft een overzicht van
de stukken die volgens Tourlet naar Parijs zouden moeten worden
getransporteerd.
In 1813 herwon Nederland zijn onafhankelijkheid. Koning Willem
I besloot kolonel M.J. de Man, de voormalige onderdirecteur van het
depot-generaal van oorlog, te belasten met het terugbrengen van de Nederlandse
archieven uit Parijs. De Man zorgde er voor dat in de winter van 1815/1816 twee
kisten met archiefstukken afkomstig van het departement van koophandel en
koloniën naar Nederland werden teruggebracht. Zoals gezegd bevatten deze kisten
waarschijnlijk nauwelijks of geen VOC-stukken, afgezien van enige kaarten
(
Archief ARA, inv. nr. 4, nr. 37; Archief min. Kol., inv. nr.
119, verbaal 16 februari 1816, nr. 966; Archief van het ministerie van
Buitenlandse Zaken, Legatie Frankrijk, inv. nr. 80: bevat een lijst van de
teruggebrachte stukken en een catalogus van de kaarten die zich in 1810 in
Nederland bevonden en waarvan een deel naar Parijs werd overgebracht.
3. Ten tijde van het ministerie van Koloniën (1813-1856)
Verhuizingen en grootscheepse vernietigingen
In de zomer van 1816 werden op last van de directeur-generaal
van het departement van koophandel en koloniën, J. Goldberg, de uit Parijs
teruggehaalde stukken samen met andere charters, boeken en papieren van het
departement overgebracht naar de charterkamer op het Binnenhof in Den Haag. In
1815 droeg het depot in Amsterdam achttien kisten met archivalia, onder andere
resoluties van de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam, over aan het
departement. Ook deze stukken werden in de charterkamer op het Binnenhof
bewaard. Van de daar aanwezige stukken werd een inventaris opgemaakt, waaruit
blijkt dat het voornamelijk stukken uit de laatste periode van de achttiende
eeuw betrof
(
Collectie Goldberg, inv. nr. 124: bevat onder andere een
'inventaris der charters, boeken en papieren toebehoorende aan het Departement
van Koophandel en Koloniën, welke in de charterkamer van het zelve Departement
op het Binnenhof in 's-Hage zijn overgebragt, den 28 augustus 1816'; Archief
min. Kol., inv. nr. 37, verbaal 11 september 1816, nr. 5452a: bevat dezelfde
inventaris.
In Amsterdam werd het VOC-archief op verschillende plaatsen
bewaard. Een van die plaatsen was nog steeds het Oostindisch Binnenhuis, waar
de boeken en papieren van het soldijkantoor berustten. Een aanzienlijk deel van
de daar opgeslagen archivalia werd in de winter van 1821/1822 door het
ministerie aan de hoogste bieder verkocht. Het betrof zo'n 9500 à 10.000
banden, voornamelijk daterend van de zeventiende eeuw
(
Archief min. Kol., inv. nr. 300, verbaal 27 november 1821,
nr. 26/1; Idem, inv. nr. 302, verbaal 17 december 1821, nr. 25/1. Het ging om
28.920 kilo papier, wat volgens een aantekening van mevrouw Meilink-Roelofsz
9500 à 10.000 banden betrof.
In 1832 werd het ministerie van koloniën verzocht het
Oostindisch Binnenhuis te ontruimen, aangezien dit gebouw was aangewezen als
onderkomen van de administratie van de directe belastingen en accijnzen. Men
vatte het plan op alle papieren van de VOC in het Westindisch Slachthuis onder
te brengen. Dit pakhuis van de voormalige Westindische Compagnie was gelegen
aan de IJkant in Amsterdam. Hier lagen reeds archiefstukken van de VOC.
Aangezien de in het Westindisch Slachthuis berustende papieren in grote wanorde
verkeerden, liet de minister eerst een inventaris vervaardigen door de klerk
P.L. de Munnick, alvorens het startschot voor de verhuizing van de resterende
VOC-archieven uit het Oostindisch Binnenhuis te geven. Blijkens die inventaris
bevonden de papieren zich op de eerste en tweede charterzolder van het
Westindisch Slachthuis
(
VOC, inv. nr. 14931, 'Inventaris van het Oost Indische
Archief berustende in het Westindische Magazijn te Amsterdam opgemaakt
ingevolge resolutie van den Minister voor de Marine en Koloniën, 6 dec. 1828,
litt. G&H, nr.46'.
Van meet af aan was duidelijk dat het Westindisch Slachthuis de
omvangrijke VOC-archieven niet kon herbergen. In 1830 werd door de commissaris
voor de koloniën, J. van der Velden, een onderzoek ingesteld welke boeken en
papieren zonder bezwaar vernietigd of verkocht konden worden. De Munnick,
inmiddels gepromoveerd tot magazijnmeester, zette dit onderzoek in 1832 voort.
Beiden kwamen tot de conclusie dat twee derde van de aanwezige soldijboeken
zonder bezwaar gemist kon worden. In eerste instantie was men van plan alleen
de boeken en papieren van vóór 1750 op te ruimen, maar aangezien dit te weinig
opleverde, zouden ook de 'landboeken' van na 1750 eraan moeten geloven
(
Archief min. Kol., inv. nr. 841, 28 mei 1832, nr. 17. Bevat
onder andere gedetailleerde lijsten van de aanwezige en de op te ruimen boeken
en papieren van het soldijkantoor. Archief min. Kol., inv. nr. 841, verbaal 16 juni 1832, nr.
18.
Wat overbleef van het omvangrijke bestand waren de
monsterrollen en de scheepssoldijboeken, ook wel uitreisboeken genaamd. Van de
zogenoemde landboeken en thuisreisboeken is niets bewaard gebleven. Het is dan
ook moeilijk te bepalen wat de inhoud van deze stukken was
(
Thuisreisboeken waren waarschijnlijk een soort
scheepssoldijboeken, gehouden op de retourreis naar patria. Van de landboeken
is alleen bekend dat zij, althans in de kamers Amsterdam en Zeeland, per
vestiging waren ingericht en dat zij onder andere testamenten, en
boedelinventarissen en -rekeningen van VOC-personeel bevatten.
De criteria die men bij deze opruimingen hanteerde, waren vooral van praktische aard. In principe bewaarde men datgene wat voor nog lopende zaken van belang was, zoals de salarisadministratie die men nodig had voor het afwikkelen van salarisaanspraken. Tot de overige stukken die werden vernietigd behoorden onder andere het gehele geheime archief van de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam en het grootste deel van de stukken van het beheer van de Compagnie in de Republiek.
Plan tot inrichting van het Oostindisch Huis te Amsterdam voor het Ministerie van Marine en Koloniën met onder de letters I, K en L de charterkamer, ca.1825 (ARA Afdeling Kaarten en Tekeningen, MTSH, inv.nr. 889):
Portret van Pieter Pous, beheerder van de archieven van de voormalige kamer Zeeland der VOC door Cornelis Kimmel (Privécollectie):
Verplaatsing van het archief van de kamer Zeeland naar Amsterdam in 1851
Het grootste deel van het archief van de kamer Zeeland bleef
voor vernietiging gespaard, dank zij de hardnekkige weigering van de Zeeuwen,
in het bijzonder van Pous, om het archief aan Amsterdam over te dragen
(
Desalniettemin werden ook in Zeeland stukken door de
administratie opgeruimd, zoals brievenboeken, dagregisters, resoluties en
verbalen uit Batavia. Archief min. Kol., inv. nr. 74, verbaal 27 februari 1851,
nr. 13. Archief min. Kol., inv. nr. 49, verbaal 2 november 1850,
litt. A, nr. 6.
In de loop der jaren had Pous telkens andere beletsels tegen
overdracht naar voren gebracht wanneer Amsterdam liet weten het Middelburgse
archief te willen ontvangen. Zo schreef Pous in 1830 dat zijn hoofd op dat
moment niet stond naar het overbrengen van de papieren, in een tijd '... waarin
ik in ons eiland zelfs reeds aan de overzijde de vlag van oproer en
ondankbaarheid kan zien wapperen ...'. Hierbij beriep hij zich op de wensen van
de gewone man: 'Want om dat alles in massa in te laden, daartoe zoude ik
tenminste in dezen tijd ongaarne de hand leenen; de gemeene man toch, en deze
classe is het, die zoo hier als elders de meeste onrust kan veroorzaken, is aan
den ouden naam van de Oost Ind.Compagnie nog te veel verbonden, om niet met
droefheid te zullen aanzien, dat men de Compagnies boeken en papieren, voor
welke het, als het ware, nog een heiligen eerbied koestert, in massa vervoerde
...'
(
Archief min. Kol., inv. nr. 841, verbaal 28 mei 1832, nr.
17. Archief min. Kol., inv. nr. 64, verbaal 13 januari 1851,
litt. A, nr. 1. Archief min. Kol., inv. nr. 74, verbaal 27 februari 1851,
nr. 13.
Ontstaan van de historische belangstelling voor de VOC-archieven
Het grote publiek was in die dagen volstrekt onkundig van de inhoud en waarschijnlijk zelfs van het bestaan van de VOC-archieven. Dit lag voor de hand aangezien op het departement nog steeds het oude stelsel van geheimhouding werd gehanteerd, waarbij de archieven slechts dienden tot eigen voorlichting. Bezoekers werden nauwelijks tot de depots toegelaten. Dit stond in tegenstelling tot de praktijk in het rijksarchief, waar overheidsarchieven sinds 1829 beperkt openbaar waren. In die dagen was de historische belangstelling voor de VOC-archieven echter niet erg groot.
Dit veranderde in de jaren veertig van de negentiende eeuw,
toen uit Indië de wetenschappelijke belangstelling voor Nederlands-Indische
betrekkingen overwaaide. Men begon de historische waarde van de VOC-archieven
te ontdekken en vroeg het departement om onderzoek op de archiefzolders te
mogen verrichten. De grote opruimingen in de Compagniesarchieven en de wijze
waarop de stukken werden beheerd,werden in die jaren bekend en wekten
verontwaardiging
(
Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar, 12-14. J. Romeyn Brodhead, Documents relative to the colonial
history of the State of New-York, [1603-1678], procured in Holland, England and
France I. E.B. O'Callaghan ed. (Albany 1856) xxv.
Ook de bekende antiquaar Frederik Muller, een regelmatig
bezoeker van het Westindisch Slachthuis, maakte zich boos over de wijze waarop
de VOC-archieven werden beheerd. Tijdens één van zijn bezoeken kwam hij het
eerste aandeelhoudersregister van de VOC op een ongebruikelijke plaats tegen:
'Dit boek werd daar bij wijze van grendel gebruikt om het gedurig opengaan der
deur te beletten!'
(
Fred. Muller, 'Ervaringen in Nederlandse archieven', De
Nederlandse Spectator 11 juli 1874, 225-229. J.J.F. Noordziek, Archiefwezen 1826-1852. Met eene korte
opgave van den inhoud van eenige boekerijen ('s-Gravenhage 1853) 66-71.
Dat Noordziek in staat was een overzicht te geven van de inhoud
van de koloniale archieven had hij geheel te danken aan één man, de jurist
L.C.D. van Dijk. Hij was de eerste Nederlandse academicus die voor zijn
proefschrift een onderwerp uit de Nederlandse koloniale geschiedenis koos en
hiervoor origineel bronnenonderzoek verrichtte
(
L.C.D. van Dijk, Specimen Politico-juridicium Inaug,
continens Historiam inquisitionis in delicta a praefectis atque officialibus in
India cum orientalitum occidentali commissa (Utrecht 1847). Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar, 14-16; Archief
min. Kol., inv. nr. 152, verbaal 22 januari 1852, nr. 4. Muller, 'Ervaringen', 228. Frederik Muller kan niemand
anders dan Van Dijk en De Munnick hebben bedoeld.
4. Het archief van de VOC en het Rijksarchief
Overdrachten
Erg lang duurde deze situatie niet. Ondanks verzet van de
minister van koloniën Ch.F. Pahud werden in 1856 de VOC-archieven aan het
rijksarchief in 's-Gravenhage overgedragen. De tijd was er rijp voor. In de
voorafgaande jaren was door de openbare behandeling van Indische
aangelegenheden in de Tweede Kamer het publiek geattendeerd op het bestaan van
de oude koloniale archieven en begon men zich hiervoor te interesseren. In deze
bewustmaking speelde de Bataviase predikant W.R. van Hoëvell, oprichter van het
historisch getinte Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, een belangrijke rol.
Samen met de pas benoemde rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink pleitte
hij voor toegankelijkheid van de VOC-archieven. Het was hun stellige
overtuiging dat de openbaarheid het best gewaarborgd zou zijn in de nieuwe
behuizing van het rijksarchief aan het Plein in Den Haag. Bakhuizen achtte de
toegankelijkheid van de op het ministerie berustende koloniale stukken namelijk
volstrekt onvoldoende. Voor hem was de overdracht van de Compagniesarchieven
aan het rijksarchief een soort testcase voor de openbaarheid van archieven.
Zijn nieuw te ontwerpen archiefwet zou ook de overname van de nog onder de
departementen berustende archieven moeten regelen
(
Meilink-Roelofsz, Van geheim tot openbaar, 16-19; R. Fruin,
De gestie van R.C. Bakhuizen van den Brink als archivaris des Rijks, 1854-1865
('s-Gravenhage 1926) 65-78.
Van de overdracht van de VOC-papieren aan het rijksarchief, in
1856, werden enige stukken uitgezonderd. Een aantal zogenoemde dubbelen werd
aan het gemeentearchief in Amsterdam in bruikleen gegeven, onder andere de
resoluties van de Heren Zeventien afkomstig van de kamer Zeeland
(
Fruin, Gestie, 76-77. Volgens Verslagen omtrent 's Rijks
Oude Archieven (hierna: VROA) 16 (1893) 7 werden deze stukken op een gegeven
moment weer met de Compagniesarchieven op het Rijksarchief verenigd. Archief ARA, inv. nr. 18, uitgaande brieven 1856, nr. 118.
Bakhuizen van den Brink schrijft dit als reactie op het voorstel van De Munnick
aan de minister van binnenlandse zaken. Archief min. Kol., inv. nr. 540, 10
september 1856, litt. A/1. Zo werd in 1862 nog een groot aantal registers opgeruimd.
Zie verslag over de inventarisatie van de financiële bescheiden van de VOC op
het Rijksarchief door Van Meurs: VROA 12 (1889) 6. Archief ARA, inv. nr. 64, nrs. 151, 183 en 224; VROA 7
(1884) 2.
Van de archieven van de kleine kamers was niet veel bewaard
gebleven. In het oud archief van de gemeente Rotterdam en het oud archief van
de gemeente Hoorn bleek zich nog wel een aantal archiefstukken van
respectievelijk de kamers Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te bevinden. Deze
stukken werden in 1901 aan het rijksarchief afgestaan
(
Archief ARA, inv. nr. 83, nr. 341; Idem, inv. nr. 113, nr.
333; VROA 24 (1901) 11-14.
Bewerking van de VOC-archieven
Met het beschrijven en ordenen van de VOC-archieven hielden zich
op het Algemeen Rijksarchief in de loop der jaren vele archivarissen bezig. Na
de overdracht in 1856 werd op het rijksarchief J.K.J. de Jonge als eerste met
het beheer van de VOC-archieven belast. Hij bezorgde zijn opvolgers veel werk
door banden met overgekomen brieven en papieren uit Indië aan de Heren
Zeventien en de kamer Amsterdam, tot het jaar 1690 uit elkaar te halen. Vanaf
1690 was het pas regel geworden inhoudsopgaven te vervaardigen op de
overgekomen brieven en papieren. Teneinde het raadplegen van de stukken van
voor 1690 te vergemakkelijken, sloopte De Jonge alle banden tot 1659 en de
banden uit de Westerkwartieren van 1660 tot 1690. Vervolgens herordende hij de
gelichte stukken per vestiging, waardoor de herkomst en het onderlinge verband
van de stukken niet meer te onderkennen waren. Rond de eeuwwisseling werd dit
werk door J.E. Heeres en H.T. Colenbrander ongedaan gemaakt
(
VROA 12 (1889) 4-5; VROA 21 (1898) 6.
De eerste inventaris werd in de jaren zeventig van de
negentiende eeuw vervaardigd door de oud-marineofficier P.A. Leupe. Een
inventaris mag men deze eigenlijk niet noemen. Het was meer een catalogus van
stukken uit niet alleen de VOC-archieven, maar ook uit andere Oostindische
archieven. De stukken werden willekeurig gerangschikt naar onderwerp. Zo stelde
Leupe uit archiefstukken van de kamer Amsterdam en van de Staten-Generaal een
verzameling journalen samen, bestaande uit beschrijvingen van
ontdekkingstochten, scheepsjournalen, instructies enzovoort
(
VOC, inv. nr. 14932, catalogus van losse stukken,
bijeengebracht uit de Oostindische archieven door Leupe, ca. 1875. VROA 14 (1891) 7; VROA 17 (1894) 6.
Na Leupe bewerkten Heeres en P.A.N.S. van Meurs tegelijkertijd
de VOC-archieven. Van Meurs hield zich bezig met het beschrijven van de
personeelsadministratie van de Compagnie. Hij maakte een overzicht van de
series scheepssoldijboeken, die in 1884 met de overdracht van papieren uit het
depot van het ministerie van koloniën in Amsterdam behoorlijk waren uitgebreid.
Van Meurs maakte tevens een uitgebreide beschrijving van de aard en inrichting
van de scheepssoldijboeken
(
VROA 11 (1888) 11; VROA 12 (1889) 5-6. Het overzicht bevindt
zich in VOC, inv.nr. 14933.
In de jaren tachtig nam Heeres de bewerking van het grootste deel van de VOC-archieven op zich. Van duidelijk afgebakende VOC-archieven was in feite geen sprake, omdat de stukken vermengd waren geraakt met andere koloniale archiefbestanden. Heeres begon zijn inventarisatiewerkzaamheden met het afsplitsen van stukken van particuliere herkomst van de eigenlijke archiefstukken van de VOC. Vervolgens beschreef hij eerst de archieven van de zogenoemde voorcompagnieën, waarna hij de inventarisatie van de VOC-archieven aanvatte. Bij de afbakening van het archief nam hij 1602, het oprichtingsjaar van de VOC, als begindatum en 1795, het jaar waarin het bestuur in staatshanden overging, als einddatum. In 1891 rondde hij de voorlopige inventarisatie van het archief van de kamer Amsterdam af en twee jaren later die van de kamer Zeeland. Van beide archieven had hij met name de overgekomen brieven en papieren beschreven. Tijdens de definitieve bewerking van de archiefstukken die bij de secretarie van de kamer Amsterdam hadden berust, werd Heeres in 1897 benoemd tot hoogleraar bij de Indische Instelling in Delft.
Zijn taak werd overgenomen door H.T. Colenbrander, die de
inventarisatie van het secretarie-archief van de kamer Amsterdam voltooide. In
de categorie ingekomen stukken uit Indië bracht Colenbrander een cesuur aan
tussen de stukken van vóór en na 1614. De stukken van vóór 1614 werden per
scheepstocht gerangschikt, identiek aan de wijze van inventarisatie van de
archieven van de voorcompagnieën door Heeres. De stukken van na 1614, toen er
een meer permanent centraal Indisch bestuur ontstond en de kamers in de
Republiek op een meer gestage papierstroom uit Batavia kon rekenen, werden
chronologisch geordend
(
VROA 21 (1898) 5-6.
Vervolgens bewerkte Colenbrander het archief van de kamer Zeeland. Allereerst ordende hij de ingekomen stukken per factorij en niet per jaar, zoals bij de kamer Amsterdam. Verder beschreef Colenbrander de stukken afkomstig van de drie departementen van de kamer Zeeland: die van de equipage, van de koopmanschappen en van de thesaurie. Een beschrijving van de financiële stukken ontbrak vooralsnog in deze inventaris.
In de jaren 1898-1902 voerden Colenbrander en de toenmalige
rijksarchivaris Th.H.F. van Riemsdijk zeer regelmatig schriftelijk overleg over
de wijze waarop de VOC-archieven moesten worden geïnventariseerd. Beiden waren
van mening dat de inventaris zoveel mogelijk een afspiegeling moest vormen van
de inrichting van het bestuur van de VOC, maar dat er te weinig archiefstukken
bewaard waren gebleven om hieraan recht te kunnen doen. Het streven bleef,
geheel in de geest van Heeres, archiefstukken zoveel mogelijk naar hun plaats
van herkomst terug te brengen en stukken die niet in de VOC-archieven
thuishoorden eruit te verwijderen. Zo werden stukken afkomstig uit de sinds
1856 willekeurig gevormde collecties van de Oostindische afdeling van de
koloniale archieven, die niet tot de eigenlijke VOC-archieven behoorden, door
Colenbrander herleid tot archieven van bijzondere VOC-commissies
(
Zoals de Hollands-Zeeuwse Staatscommissie van 1790 en het
Commité van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland tot de
zaken van de Oostindische Compagnie van 1795. Deze archieven zijn beschreven in
de Inventaris van de Gewestelijke Besturen Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en
hiermee samenhangende commissies, 1782-1802 III ('s-Gravenhage z.d.)
545-609. VROA 24 (1901) 8-10.
Tekening uit het reisjournaal van het schip Gelderland, ca.1602 (ARA Eerste Afdeling, Voorcompagnieën, inv.nr. 135):
Mevr. M.A.P. Meilink-Roelofsz (r) met de minister van C.R.M. dr. M.A.M. Klompé in het depot van het Algemeen Rijksarchief aan het Bleyenburg, 1970 (Privécollectie):
In 1902 werd de commissie van advies voor 's-Rijks
Geschiedkundige Publicatiën ingesteld, waarvan Colenbrander secretaris werd. J.
de Hullu nam de beschrijving en de ordening van de financiële registers van de
VOC van Colenbrander over. In 1905 bracht De Hullu in de inventarissen van
Colenbrander een doorlopende nummering aan, de zogenoemde K.A.-nummering
(
Deze K.A.(Koloniaal Archief)-nummering is tot de recente
herinventarisatie en hernummering in gebruik gebleven.
Daarna werd het stil rondom de VOC-archieven. De archieven van de voorcompagnieën en van de zes kamers waren in die tijd allemaal voorzien van een inventaris in manuscriptvorm. Als wij enige werkzaamheden die R. Bijlsma verrichtte aan het archief van de kamer Amsterdam buiten beschouwing laten, was het pas mevrouw M.A.P. Meilink-Roelofsz die in 1937 de stilte verbrak. Zij werd belast met een nieuwe inventarisatie van het archief van de kamer Zeeland. Doordat bij de verhuizing van het rijksarchief van het Plein naar het Bleijenburg in 1901 de VOC-archieven niet volgens de inventaris van Heeres en Colenbrander waren genummerd, was de raadpleging van met name het Zeeuwse archief aan de hand van de bestaande inventaris zeer moeilijk geworden. Herinventarisatie was hierdoor gewenst. De meeste arbeid verrichtte mevrouw Meilink-Roelofsz aan de beschrijving van de series ingekomen stukken van de kantoren in Indië in het archief van de kamer Zeeland. Daarnaast bewerkte zij de manuscript-inventaris van Heeres en Colenbrander van het archief van de kamer Amsterdam, en (her)inventariseerde zij de financiële stukken en de zogenoemde losse stukken van beide kamers. In 1963 waren haar inventarisatiewerkzaamheden aan de VOC-archieven afgerond. Ruim honderd jaar nadat de bescheiden naar het Algemeen Rijksarchief waren overgebracht, was een integrale inventaris op de VOC-archieven beschikbaar. Enkele jaren later kregen de archieven, op basis van de nieuwe inventaris, een doorlopende nummering. De inventaris - negen delen in typoscript - heeft de toegankelijkheid van de VOC-archieven aanzienlijk vergroot en het onderzoek naar de Nederlandse overzeese en Aziatische geschiedenis een impuls gegeven.
Een belangrijk bestanddeel van de VOC-archieven, de overgekomen brieven en papieren, werden verder ontsloten. In de kamer Amsterdam waren deze bescheiden ten tijde van de VOC al toegankelijk gemaakt met behulp van inhoudsopgaven. Deze ontbraken echter vaak in de banden van vóór 1690. Mevrouw Meilink-Roelofsz liet deze vervaardigen. Zij droeg er ook zorg voor dat de inhoudsopgaven op alle overgekomen brieven en papieren in het archief van de kamer Amsterdam werden uitgetypt en aan het publiek ter beschikking werden gesteld.
Op 1 januari 1971 verliet mevrouw Meilink-Roelofsz het Algemeen Rijksarchief, nadat zij aan de Rijksuniversiteit van Leiden het ambt van bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de West-Europese expansie overzee had aanvaard. Hoewel zij zich ook toen intensief bleef bezighouden met de vroege Nederlands-Oostindische geschiedenis, heeft zij een boek over de organisatie van de VOC en een algemene inleiding op de inventaris van de VOC-archieven niet kunnen voltooien. Zij overleed in 1988, kort nadat de werkzaamheden aan de publikatie van haar inventaris waren aangevangen.
De verwerving van het archief
De rechtstitel is (nog) onbekend
Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.
De verwerving van het archief
Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.
Inhoud en structuur van het archief
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Beperkingen aan het gebruik
Materiële beperkingen
Andere toegang
Aanvraaginstructie
Citeerinstructie
Verwant materiaal
Bijlagen
Bijlage 1. Kaart van het octrooigebied
Bijlage 2. Kaart van Zuid-Azië
Bijlage 3. Kaart van de Indonesische Archipel
Bijlage 4. Lijst van octrooien van de VOC
Bijlage 5. Samenstelling van de bewindhebberscolleges van de kamers van de VOC in 1700
Bijlage 6. Organisatieschema van de VOC - algemeen
Bijlage 7. Organisatieschema van de kamer Amsterdam
Bijlage 8. Organisatieschema van de VOC in Indië
Bijlage 9. Bladzijdeïndeling van de generale land- en zeemonsterrollen, 1700-1789, kamers Amsterdam en Zeeland
Bijlage 10. Overzicht van de VOC-vestigingen vermeld in de inhoudsopgaven van de serie generale landmonsterrollen in de kamers Amsterdam en Zeeland, 1700 [1720] - 1791
Bijlage 11. Bladzijdeïndeling van de scheepssoldijboeken van de zes kamers van de VOC 1700-1795
Bijlage 12. Bladzijdeïndeling van de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren, 1701-1787, kamers Amsterdam en Zeeland
Bijlage 13. Vergelijkend overzicht van de gegevens in de generale land- en zeemonsterrollen, de scheepssoldijboeken en de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren
Bijlage 14. Overzicht van de kaarten- en tekeningen bestanden van de VOC
Concordans
Beschrijving van de series en archiefbestanddelen
Voor een toelichting zie hoofdstuk 3, p. .. en bijlage 11
Voor een toelichting zie hoofdstuk 3, p. .




Reacties