Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Cie. Opsporing Oorlogsmisdadigers - Zoeken: oorlogsmisdadigers

4331 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.09.61
Centrale Archief Selectiedienst, J.H. Kompagnie
Nationaal Archief, Den Haag
2002
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.61
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst, J.H. Kompagnie
Nationaal Archief, Den Haag
2002
CC0

Periode:

1942-1984
merendeel 1944-1949

Omvang:

82,80 meter; 4484 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands, in het Engels en in het Duits.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat enkele foto's.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archieven van de Commissies tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers (COOM) bevatten onder ander lijsten van oorlogsmisdadigers, verdachten en ooggetuigen, lijsten en vonnissen tegen Japanse oorlogsmisdadigers gewezen in Nederlands-Indië, correspondentie voornamelijk gevoerd met subcommissies bevattende informatie over van oorlogsmisdadigers verdachte personen, zonder dat er van actieve opsporing sprake is, dossiers inzake opsporing en aanhouding van oorlogsmisdadigers, documentatie betreffende diverse personen, voornamelijk bestaande uit kopieën van artikelen uit de 'Deutsche Zeitung in der Nierderlanden', stukken van de verschillende sub-commissies en dossiers inzake de opsporing en uitlevering van oorlogsmisdadigers.

Archiefvormers:

  • Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM) 1945
  • Nederlandse Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO) in Engeland 1944-1946
  • Nederlandse Missie Opsporing Oorlogsmisdrijven in Duitsland (NMOO) oftewel de Netherlands War Crimes Commission (NWCC) 1945-1949
  • Nederlandse Vertegenwoordiger bij de United Nations War Crimes Commission 1942-1946
  • Verbindingsofficier van de Nederlandse Commissie inzake Opsporing van Oorlogsmisdadigers bij de Central Registry of War Criminals and Security Suspects (CROWCASS) in Parijs, later Berlijn 1945-1946

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Introductie

De geallieerde landen in de strijd tegen nazi-Duitsland beschouwden de opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) als één der belangrijkste oorlogsdoelen. Deze dienden vastberaden ter hand te worden genomen. Leergeld hadden de geallieerden betaald met de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers na de Eerste Wereldoorlog, die bijna geen enkele veroordeling had opgeleverd. Al in 1941 pleegden verschillende geallieerde landen overleg over de te voeren strategie bij de opsporing en gerechtelijke vervolging van oorlogsmisdadigers. Er kwamen vele overeenkomsten tot stand, waaraan ook Nederland zich conformeerde door de instelling van verschillende commissies die het verzamelen van bewijsmateriaal en de daadwerkelijke opsporing ter hand moesten nemen.

Op 1 maart 1944 werd in Londen een Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven opgericht. De opsporing kwam pas goed van de grond na de bevrijding van geheel Nederland. Op 29 mei 1945 werd het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven ingesteld. In Duitsland zelf werd eveneens een commissie gestationeerd, de Nederlandse Missie Tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven oftewel de Netherlands War Crimes Commission.

In 1949 werden de opsporingswerkzaamheden officieel beëindigd. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd na een maatschappelijke discussie opnieuw een bureau opgericht dat moest trachten niet opgespoorde oorlogsmisdadigers alsnog te traceren.

In deze inleiding zal globaal op de verschillende aspecten van de opsporing van oorlogsmisdrijven worden ingegaan. Voor nadere studie van deze materie zij verwezen naar de opgenomen literatuur en archiefbronnen. Alleen van de commissies, wier namen op het titelblad staan vermeld, zijn de archieven in deze inventaris beschreven. ( Opgemerkt zij dat een aantal ontwikkelingen ten aanzien van de opsporing van oorlogsmisdrijven anders kunnen blijken te zijn geweest als hier geschetst, zodra het historisch onderzoek, dat de auteur van deze inleiding daarnaar doet, is afgerond. )

Internationale aspecten
De les van de Eerste Wereldoorlog

Bij de overwegingen die leidden tot het maken van stringente afspraken inzake de opsporing en vervolging van oorlogsmisdadigers na de Tweede Wereldoorlog, speelden de opgedane ervaringen van na de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol. Op 25 januari 1919 werd een geallieerde commissie ('Commission on the Responsibility of the Authors of the War on Enforcement of Penalties') van vijftien personen samengesteld die onderzoek moest doen naar schendingen van het internationale recht door Duitsland en zijn bondgenoten. Aanvankelijk werd voorgesteld zeer ernstige delicten door een Internationaal Tribunaal te laten berechten. Op grond van de artikelen 227 tot en met 230, opgenomen in het Verdrag van Versailles, zegden de Duitse autoriteiten hun medewerking toe bij de opsporing, arrestatie en uitlevering aan de geallieerden van nader aan te wijzen Duitse oorlogsmisdadigers. Naast een Internationaal Tribunaal zouden militaire gerechten worden belast met de berechting van oorlogsmisdadigers. Nederland werd in 1920 gevraagd de Duitse ex-keizer Wilhelm II uit te leveren, maar het land weigerde dat. De Duitse regering zelf wilde geen onderdanen uitleveren uit beduchtheid voor binnenlandse politieke en economische onrust, en daarom bood het aan de vervolging en berechting zelf ter hand te nemen van personen, die door de geallieerden van oorlogsmisdrijven werden beschuldigd.

Op 3 februari 1920 werden lijsten gepresenteerd met de namen van de belangrijkste oorlogsmisdadigers. Die lijsten bevatten zo'n negenhonderd namen. Daar voor de Weimar-regering uitlevering van Duitse onderdanen onbespreekbaar bleef gingen de geallieerden er inderdaad mee akkoord dat de berechting van oorlogsmisdadigers niet door een Internationaal Tribunaal maar door Duitse rechters voor het Gerecht in Leipzig zou plaatsvinden. Voor de juridische procedure zouden de Duitse wetten worden gevolgd en niet de instructies van de geallieerde mogendheden. Op 7 mei 1920 werd door de geallieerden een sterk verkorte lijst met de namen van 45 verdachten aan de Duitse regering gezonden, die evenwel verschillende voorwaarden aan de berechting verbond.

De rechtszitting in Leipzig begon op 23 mei 1921 en duurde tot 16 juli 1921. De procesgang verliep zeer moeizaam: er waren problemen met het bijeenbrengen van voldoende bewijsmateriaal, vele verdachten waren onvindbaar en verschillende getuigen weigerden naar Leipzig te komen of waren daartoe niet in staat. Van de zeven verdachten, door Engeland op de lijst van 45 geplaatst, waren er drie onvindbaar. Het resultaat van de Leipziger processen was dat van de lijst van 45 verdachten er slechts twaalf terechtstonden, van wie er zes veroordeeld werden. De zwaarste straffen waren voor twee onderzeebootofficieren, die ieder tot vier jaar gevangenisstraf werden veroordeeld; zij wisten echter kort daarna te ontvluchten. In januari 1922 adviseerde de commissie de processen maar stop te zetten. Ook hernieuwde pogingen om tot uitlevering van Duitse verdachten te komen, mislukten telkens weer. Toch behandelde het Hof in Leipzig, nu zonder waarnemers, een tweede groep van 93 beklaagden. Zes ervan werden veroordeeld tot lage straffen en 87 werden vrijgesproken. Voorts werden 692 zaken vluchtig behandeld, waarbij van verdere berechting werd afgezien. Wel werd door deze juridische exercities het principe van de individuele aansprakelijkheid vastgelegd en werden ook 32 verschillende oorlogsmisdrijven nauwkeurig gedefinieerd, op basis waarvan latere rechterlijke instanties makkelijker tot formuleringen kwamen van begane misdrijven tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Al met al werd de rechtspleging door Duitsers van Duitsers na de Eerste Wereldoorlog een bijna tragi-komische gebeurtenis, wat evenwel mede was veroorzaakt door de slechte voorbereiding aan de kant van de geallieerden. ( M.W. Mouton, Oorlogsmisdrijven en het internationale recht ('s-Gravenhage 1947) 9-14, 106-117. 'Memorandum voor mr. Peek' (Archief-NWCC, oud: doos 82, map 81; nu: inv.nr. 3910). Ondertekend door 'M' -van Mouton?- dateert van januari 1946; C.F. Rüter, Enkele aspecten van de strafrechtelijke reactie op oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid (Amsterdam 1973) 30. )

Londen: St.-James's Verklaring

Dat moest een volgende keer anders. En die volgende keer kwam sneller dan gedacht. Toen de Tweede Wereldoorlog met de inval in Polen op 1 september 1939 een aanvang nam werd al spoedig duidelijk dat individuele Duitsers en Duitsers als collectief zich aan wreedheden van verschillende aard te buiten gingen.

Op 25 oktober 1941 legden de Amerikaanse en Britse regeringsleiders, Franklin D. Roosevelt en Winston Churchill, tegelijkertijd verklaringen af waarin zij reeds gewag maakten van nazi-misdaden, zoals de fusillades van onschuldige gijzelaars. Churchill hekelde de 'atrocities' in onder meer Nederland en 'the butcheries in France' en noemde die laatste 'an example of what Hitler's Nazis are doing in many other countries under their yoke'. Hij betoogde voorts dat vergelding van deze misdaden een van de oorlogsdoeleinden zou zijn ('Retributions for these crimes must be henceforward take its place among the major purposes of the war'). Roosevelt liet zich in dat stadium wat terughoudender uit omdat de Verenigde Staten nog niet bij de oorlog betrokken waren.

In nota's van 27 november 1941 en 6 januari 1942 sprak minister van Buitenlandse Zaken Vyacheslav Molotov namens de Sovjet-Unie eveneens van nauwkeurige optekening van begane misdaden zoals mishandeling van Russische krijgsgevangenen, massamoorden, plunderingen, en ook hij refereerde aan 'wraak' die genomen zou gaan worden. ( .Mouton, Oorlogsmisdrijven, 141-143; B.A. Sijes, Berechting van oorlogsmisdadigers Voordracht gehouden op 27 oktober 1969 ter gelegenheid van de vijf-en-twintigste herdenking van de bevrijding van Bergen op Zoom (Amsterdam 1969) 7. ) Op initiatief van de Tsjechische en Poolse regeringen vonden in het najaar van 1941 besprekingen te Londen plaats tussen vertegenwoordigers van de regeringen van negen door Duitsland bezette landen. Dat resulteerde in een vervolgbijeenkomst op 13 januari 1942 in het St. James's Palace te Londen van die negen landen, waaronder Nederland, die in een verklaring vastlegden dat zij kennis hadden genomen van de verklaringen van Churchill en Roosevelt en daarmee geheel instemden. Zij onderstreepten hiermee hun voornemen de leiders van het Duitse rijk en degenen, die zich aan oorlogsmisdaden hadden schuldig gemaakt, langs gerechtelijke weg te willen vervolgen en bestraffen en zegden elkaar 'wederzijdsche steun en hulp' toe bij de opsporing en berechting. Dit voornemen werd vastgelegd in de zogenaamde 'Interallied Declaration on Punishment for War Crimes', waarbij veelvuldig werd verwezen naar het Haags Vredesverdrag en het Landoorlogreglement van 1907. De Nederlandse regering werd tijdens de bijeenkomst in St. James's Palace vertegenwoordigd door de Nederlandse gezant in Londen, E.F.M.J. Michiels van Verduynen.

Op 27 april 1942 verscheen nog een derde nota van de hand van Molotov met dezelfde intentie als verwoord in zijn vorige verklaringen. In een gemeenschappelijke geallieerde nota van 21 juli 1942 werden opnieuw de wandaden van de Duitsers op een rijtje gezet. ( Sijes, Berechting, 7; Mouton, Oorlogsmisdrijven, 143-147. ) Op 17 december 1942 werd het vaste voornemen tot bestraffing van oorlogsmisdadigers te komen nog eens bekrachtigd in verklaringen die de regeringen van de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en de kleinere landen uitgaven. Aanleiding vormden de deportatie van joden naar Oost-Europa en de Duitse plannen voor de uitmoording van de joden. Ten slotte volgde op 5 januari 1943 nog een 'Inter-allied declaration' van dezelfde strekking. ( 'Memorandum voor mr. Peek' (Archief-NWCC, oud: doos 82, map 81; nu: inv.nr. 3910); Mouton, Oorlogsmisdrijven, 153-154; de volledige tekst van de St. James's Verklaring bevindt zich in: ARA, archief Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK), inv.nr. 2183. )

United Nations War Crimes Commission (UNWCC)

Toen die laatste verklaringen werden uitgegeven was in oktober 1942 al een concrete stap op weg naar bestraffing gezet door de oprichting van een specifiek opsporings- en vervolgingsapparaat. In Londen werd in die maand in het leven geroepen de United Nations Commission for the Investigation of War Crimes (UNCWC), later kortweg aangeduid als de UNWCC, de United Nations War Crimes Commission. ( Tom Bower, Blind eye to murder. Britain, America and the purging of Nazi Germany - A pledge betrayed (1e druk 1981; Londen 1995) 40. )

De UNWCC moest het nodige bewijsmateriaal tegen van oorlogsmisdaden verdachte personen verzamelen teneinde de verantwoordelijkheid en strafbaarheid vast te stellen van die verdachten. Nederland werd bij de UNWCC vertegenwoordigd door mr.dr. J.M. de Moor, de president van de Nederlandse rechtbank te Londen. ( George Ginsburgs, Moscow's Road to Nuremberg. The Soviet background to the trial (Den Haag, Boston, Londen 1996) 36. ) Eind mei 1945 overleed De Moor. Hij werd enige maanden later als gedelegeerde bij de UNWCC opgevolgd door kapitein-luitenant ter zee mr. M.W. Mouton. ( United Nations War Crimes Commission. National Offices Conference held at the Royal Courts of Justice, Londen. May 31st to June 2nd, 1945. Minutes and documents (Archief-NWCC, oud: doos 85, map 85; nu: inv.nr. 201) 3, 7. )

Ter gelegenheid van de (voorlopige) oprichting van de UNWCC op 7 oktober 1942 werden verschillende redevoeringen gehouden. Zo refereerde Viscount Maugham in zijn toespraak aan de lakse berechting door de Duitsers van oorlogsmisdadigers na de Eerste Wereldoorlog, waaruit geleerd moest worden dat de berechting niet aan de Duitsers zelf overgelaten kon worden. Ook de Lord Chancellor, Viscount Simon, alsmede Cecil Hurst, en Lord Lang of Lambeth spraken gloedvolle woorden, die getuigden van hun grote vastberadenheid ten aanzien van opsporing, vervolging en berechting. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 148-156. ) Aanvankelijk wilde ook de Sovjet-Unie toetreden tot de UNWCC, maar er ontstonden politieke wrijvingen tussen Oost en West doordat de Sovjet-Unie erop stond dat alle Sovjet-republieken UNWCC-lid zouden worden. Toen overeenstemming hierover uitbleef besloot de Sovjet-Unie niet meer deel te nemen aan de werkzaamheden van de Commissie. ( Sijes, Berechting, 8. ) Pas een jaar later, op 20 oktober 1943, startte de UNWCC concreet haar werkzaamheden en werd de oprichting een feit.

De werkzaamheden van de UNWCC bestonden voornamelijk uit 'to investigate and record the evidence of war crimes, identifying where possible the individuals responsible' en 'to report to the Govenments concerned cases in which it appeared that adequate evidence might be expected to be fortcoming'. De zetel van de UNWCC was gevestigd te Londen. Als eerste voorzitter trad op Cecil Hurst, vice-president van het Permanente Hof van Internationale Justitie, die begin 1945 overleed. In diens plaats werd benoemd Lord Wright, Lord of Appeal in Ordinary. In de UNWCC waren vertegenwoordigd de Verenigde Staten, Australië, België, Canada, China, Tsjechoslowakije, Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Indië, Luxemburg, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Polen en Joegoslavië. De regeringen van de aangesloten landen moesten zelf 'National Offices' in het leven roepen voor het verzamelen van prima-faciebewijsmateriaal. Onder prima-facie bewijs werden verstaan die gegevens en aanwijzingen, welke nodig waren om de UNWCC ervan te overtuigen dat er voldoende bewijzen waren, of ten tijde van de berechting aanwezig zouden zijn, om een vervolging te rechtvaardigen.

De taak van de UNWCC was aldus tweeledig. Ze moest nagaan of uit het aangeleverde materiaal voldoende was komen vast te staan dat voor het gerecht onomstotelijk zou kunnen worden bewezen dat de verdachte het feit waarvan hij werd verdacht, ook werkelijk had gepleegd en voorts, dat het ten laste gelegde feit een oorlogsmisdrijf opleverde. De vertegenwoordiger van het betrokken land, c.q. van het 'National Office' verdedigde een zaak in het comité dat met een zaak belast was. Werd de zaak aangenomen dan werden de namen der verdachten op een lijst geplaatst.

Het opsporings- en vervolgingsbeleid gold Duitsers en hun bondgenoten. Nederlanders, die in Duitse dienst waren getreden, hadden hun Nederlanderschap verloren. Hadden zij vervolgens de Duitse nationaliteit gekregen (dat gebeurde dan krachtens het Führer-Erlass van 19 mei 1943), dan werd die door Nederland niet erkend. Indien zij de Duitse nationaliteit niet hadden ontvangen waren ze statenloos en vielen dan juridisch gezien onder het nog te bespreken Besluit Opsporing Oorlogsmisdrijven (Stbl. F. 85), geldend voor anderen dan Nederlanders of Nederlandse onderdanen. Zij konden door de UNWCC op de lijst worden geplaatst indien hun verblijfplaats niet bekend was en het vermoeden bestond dat zij naar Duitsland waren gevlucht.

De eerste UNWCC-lijst kwam uit in december 1944. Op de eerste lijst van de door Nederland gewenste oorlogsmisdadigers stonden 41 namen, en op de tweede lijst acht. ( United Nations War Crimes Commission. National Offices Conference held at the Royal Courts of Justice, Londen. May 31st to June 2nd, 1945. Minutes and documents. (Archief-NWCC, oud: doos 85, map 85); Over hoe iemand (ver)wordt tot oorlogsmisdadiger zie o.a. Dick de Mildt, '"Nur ganz leise klopft mein Herz(". Genocideplegers in egodocumenten', in: Tiende Jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie '40-'45 (Zutphen 1999) 165-181. ) Op 1 januari 1947 waren in totaal 21.159 personen (verdachten én getuigen) op de lijsten geplaatst, waarvan de Duitsers met 19.302 namen verreweg de grootste groep uitmaakten. Nederland had op 1 november 1947 bijna duizend personen op de lijsten doen plaatsen. De UNWCC adviseerde om alle leden van de Gestapo en SS te arresteren. Krijgsgevangenen werden niet aangehouden, ondanks een advies hiertoe in februari 1945. Ook groepen als SS-eenheden of Gestapo-groepen konden dus worden berecht, indien deze collectief voor bepaalde misdrijven aansprakelijk konden worden gesteld. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, Afdeeling III De 'United Nations War Crimes Commission', 172-177. ) De eerste officiële vergadering van de UNWCC werd gehouden in januari 1944. De organisatie bleef actief tot 1948. De archieven van de UNWCC, zijn subcommissies en comités zijn ondergebracht in de United Nations Archives in New York.

Verklaring van Moskou

Naarmate de oorlog langer duurde en er meer bekend werd over het genocidebeleid van de Duitse overheid en velerlei misdragingen van Duitse militairen aan het licht kwamen, werden ook de verklaringen aan geallieerde zijde krachtiger. Na een Conferentie in Moskou volgde op 1 november 1943 de zogenaamde Verklaring van Moskou. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 158-160. Zie over die declaratie ook The Bulletin of International News van 13 november 1943. S.C. Kooijman, 'Verraders waarvoor in een bevrijd Nederland geen plaats zal zijn'. Institutioneel onderzoek naar de beleidsterreinen van de bijzondere rechtspleging, 1942-1952 (Den Haag 2000) 57, noemt als datum van proclamatie 30 oktober 1943. ) Toen kondigden Roosevelt, Churchill en Sovjet-leider Jozef Stalin namens de op dat moment in totaal 32 UNWCC-landen aan dat Duitsers, die zich aan wreedheden, massamoorden en executies hadden schuldig gemaakt, na de oorlog uitgeleverd zouden worden aan de regeringen van de landen waar zij hun misdaden hadden gepleegd. Daarbij zouden 'major war criminals whose offenses have no particular geographical location' vervolgd en bestraft worden 'by a joint decision of the Government of the Allies'. Deze uitspraak kreeg bekendheid als de Verklaring van Moskou en kon, met de St. James's Verklaring van januari 1942, worden beschouwd als de basis voor de berechting van oorlogsmisdadigers. ( 'Memorandum voor mr. Peek' (Archief-NWCC, oud: doos 82, map 81; nu: inv.nr. 3910). )

President Roosevelt sprak afzonderlijk namens het Amerikaanse volk in een redevoering op 12 juni 1944 opnieuw duidelijke taal: 'To the Hitlerites, their subordinates and functionaries and satellites, to the German people and to all other peoples under the Nazi yoke, we have made clear our determination to punish all participants in these acts of savagery'. ( Archief-NWCC, doos 43 (d). 'Secret'. UNWCC. 'Declarations by United Nations Governments and leaders on the subject of war crimes. Collection made by dr. Ecer with the help of the secretary general. Supplement. Extract from official text of president Roosevelt's statement of 12 June 1944'. )

De verklaring van Moskou voorzag zo in de gedwongen terugkeer van oorlogsmisdadigers naar de landen, waar zij hun misdrijven hadden begaan, teneinde in die landen te worden berecht.

Traktaat en Handvest van Londen

Ondertussen had inmiddels zo langzamerhand iedere regering in Londen een 'National Office' voor de opsporing en latere berechting van oorlogsmisdadigers opgericht. Op 8 augustus 1945 werd in Londen gesloten een 'Agreement for the prosecution and punishment of the major war criminals', dat werd getekend door Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en Frankrijk. Er zou worden opgericht een Internationaal Militair Tribunaal 'voor de berechting van oorlogsmisdadigers, wier misdrijven niet geographisch gelocaliseerd zijn, hetzij omdat zij individueel zijn aangeklaagd, of wel in hun hoedanigheid als leden van organisaties of groepen, of wel in beide hoedanigheden, de zgn. "Major War Criminals"'. Op basis van dit Traktaat kon de opsporing, vervolging en berechting van oorlogsmisdadigers ter hand worden genomen, 'acting in the interests of all United Nations and duly authorised there to'. Degenen, die voor het Tribunaal werden gedaagd, konden later nog terecht moeten staan voor een nationaal gerecht. De kleine naties konden zich formeel aansluiten bij het Traktaat door het afleggen van een diplomatieke verklaring. Nederland deed dat op 25 september 1945. ( Zie Stbl. 1946 G5. )

De Allied Control Council for Germany vaardigde ook verschillende wetten uit. Zeer belangrijk was Law nummer 10 (van 20 december 1945). Deze regelde de bestraffing van oorlogsmisdadigers in Duitsland, maar ook de uitlevering aan de bevrijde landen.

Oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid

In het Handvest, behorende bij het Traktaat van Londen, werden voor het eerst bepalingen inzake misdrijven tegen de menselijkheid ingevoerd. Eenvoudig gezegd werd het verschil tussen oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid uitgemaakt door de omstandigheden, de motivaties, het getal en de zwaarte van de misdrijven. Een oorlogsmisdrijf (ter onderscheiding van een misdrijf tegen de menselijkheid ook aangeduid als oorlogsmisdrijf in eigenlijke of engere zin) is een handeling, tijdens een oorlog begaan, die strafbaar is omdat zij in strijd is met de wetten en gebruiken van de oorlog, zoals vastgelegd in verschillende overeenkomsten. Het ombrengen van iemand tijdens de oorlog is niet noodzakelijkerwijs een oorlogsmisdrijf. Het doden van een gewonde of een krijgsgevangene daarentegen is niet in de eerste plaats een moord in de zin van de strafwet, maar een inbreuk op het oorlogsrecht en om die reden wel degelijk een oorlogsmisdrijf. Waar dus het doden in vredestijd in het algemeen een misdrijf is, is het doden van een vijand tijdens een gevecht in oorlogstijd geoorloofd. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 1-7; Rüter, Enkele aspecten, 85-87. )

Gezien de uniciteit van de door de nazi's bedreven misdrijven hadden de geallieerden bovendien behoefte aan de formulering van een volkenrechtelijk delict, waarvoor de staat, in wiens handen de verdachte zich bevond, de bevoegdheid had dat delict op basis van een oorspronkelijk volkenrechtelijke normstelling te berechten. Daartoe schiep men in het Verdrag van Londen van 8 augustus 1945 het misdrijf tegen de menselijkheid. Als een belangrijk verschil met een oorlogsmisdrijf werd bepaald dat het begane delict (het misdrijf tegen de menselijkheid dus) los van een oorlog en tegen iedereen (dus ook tegen eigen onderdanen) kon zijn begaan. Cruciaal was dat het plegen van het misdrijf gebeurde in het kader van een systematische vervolging en de betrokken overheid die vervolging duldde of zelfs leidde. Voorbeelden van misdrijven tegen de menselijkheid waren de uitroeiing van de joden, de moord op geesteszieken en de mishandeling van politieke gevangenen in concentratiekampen. Dergelijke misdrijven waren ook bijna alle overtredingen van het Duitse Wetboek van Strafrecht, dat ook gedurende de nazi-tijd van kracht gebleven was en waaronder na de oorlog bijna 6.300 Duitsers door Duitse rechters werden veroordeeld.

Oorlogsmisdrijven vinden bijna altijd plaats tijdens een oorlog, maar misdrijven tegen de menselijkheid staan vaak buiten een oorlogssituatie, waarbij de overheid altijd duidelijk partij kiest. Vaak leidt een van tevoren bedachte procedure tot een misdrijf tegen de menselijkheid. Een patroon dat bijvoorbeeld te ontwaren valt bij de jodenvervolging, zag er ongeveer als volgt uit: eerst was er de propaganda, die nauw samenhing met indoctrinatie, waardoor er een conflictsituatie ontstond; vervolgens werd de gelijkberechtiging van joden als burger ongedaan gemaakt, werden vermogens ontnomen en vond verwijdering plaats uit woonwijken, treinen en bussen; toen werden aparte organisatievormen gecreëerd met daarop veel invloed van de overheid en deed zich de 'historische noodzaak' voor tot het nemen van maatregelen tegen de betrokken groep; zij die hiertoe niet behoorden, werden gedwongen een keus pro of contra te maken; de ontrechting ging ondertussen alsmaar door, vooral versterkt door isolering ten gevolge van deportatie en uitmoording. Crimineel gedrag van burgers als bewakers en kapo's werd door de overheid niet tegengegaan maar integendeel, juist gestimuleerd. Zo werd bewust beleidsmatig een misdrijf tegen de menselijkheid gepland en vervolgens uitgevoerd. Dit alles had dus nauwelijks van doen met een werkelijke oorlog. Zo bestonden bijvoorbeeld in Duitsland de eerste concentratiekampen allang voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Moorden, gepleegd door Duitsers op Nederlandse joden, waren bovendien zowel een oorlogsmisdrijf als een misdrijf tegen de menselijkheid (daaraan werden de Duitse oorlogsmisdadigers Franz Fischer en Ferdinand Aus der Fünten dan ook schuldig bevonden en daarvoor werden ze berecht). Duitsers, die Duitse geesteszieken vermoordden, pleegden evenwel uitsluitend een misdrijf tegen de menselijkheid. ( Rüter, Enkele aspecten, 88-109. )

Nederlands beleid in Engeland
De wetgeving

Voortvloeiend uit de overeenkomst van St. James's Palace te Londen van januari 1942 schiep de Nederlandse regering in 1943 de juridische kaders waarbinnen opsporing en vervolging zouden moeten plaatsvinden. Er ontstond een bijzondere wetgeving die een bijzondere rechtspleging, afwijkend van het vigerende rechtssysteem, in het leven riep. Die bijzondere rechtspleging is van kracht geweest van 1945 tot 1952, toen het opsporings- en vervolgingsapparaat werd ontbonden. ( Wel werd later nog een Bijzondere Strafkamer in het leven geroepen voor de berechting van Pieter Menten. ) Nederlanders die op grond van hun daden of houding in de oorlog in het kader van de bijzondere rechtspleging werden vervolgd, werden aangeduid met de benaming politieke delinquenten. Duitsers die oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid hadden gepleegd heetten oorlogsmisdadigers, zij alleen immers konden als leden van de bezettende macht inbreuk maken op de wetten en gebruiken van de oorlog. ( Zie hierover Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van 'foute' Nederlanders 1945-1955 (z.pl., 1989) passim (vooral 41-48). )

Op 23 december 1945 werden in Londen de volgende besluiten afgekondigd:

  • het Besluit Buitengewoon Strafrecht (BBS Stbl. D 61)
  • het Besluit Bijzondere Gerechtshoven (BBG Stbl. D 62)
  • het Besluit Buitengewone Rechtspleging (BBR Stbl. D 63)
  • het Bijzonder Gratie-adviesbesluit (Stbl. D 64)

Krachtens het Besluit Buitengewoon Strafrecht werd het mogelijk rechtsregels met terugwerkende kracht van toepassing te verklaren op bepaalde misdrijven. Dit was niet onomstreden, daar als één van de fundamenten van het strafrecht gold dat geen feit strafbaar mag worden gesteld dan uit hoofde van een reeds bestaande wettelijke strafbepaling (het nulla poena sine lege-beginsel). ( Zie over nulla poena sine lege vooral: Mouton, Oorlogsmisdrijven, 406 e.v.; Vooral minister van Justitie mr. J.R.M. van Angeren had gepoogd zolang mogelijk vast te houden aan de bestaande Nederlandse strafbepalingen en bijzondere strafbepalingen zo mogelijk geheel achterwege te laten, zodat afwijking van de nulla poena sine lege-regel tot een minimum beperkt kon blijven. ) Voorts verzwaarde het Besluit de strafpositie van diverse delicten -zo werd de doodstraf ingevoerd- en vergrootte het de reikwijdte van de bestaande strafwetten, te weten het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht. ( A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Assen 1978) 20-33. )

Op grond van het Besluit Bijzondere Gerechtshoven werd de oorlogsmisdadiger die ingevolge de Verklaring van Moskou naar Nederland werd teruggevoerd, voor een Bijzonder Gerechtshof gebracht. Er waren vijf Bijzondere Gerechtshoven, die in de loop van 1949-1950 werden opgeheven. Daaraan verbonden en met de vervolging belast waren de procureurs-fiscaal, die als openbare aanklagers fungeerden.

In de praktijk bleek het toch lastiger dan in 1943 gedacht om, met het Besluit Buitengewoon Strafrecht in de hand, oorlogsmisdadigers te vervolgen. Deze werden weliswaar vanaf eind 1945 volgens dat Besluit berecht, maar de Bijzondere Raad van Cassatie stak hier op zeker moment een stokje voor. Het idee dat een oorlogsmisdrijf een commuun misdrijf was dat gewoon onder het Besluit Buitengewoon Strafrecht viel, werd lange tijd door de minister van Justitie aangehangen. De minister van Binnenlandse Zaken suggereerde juist een speciale commissie in te stellen voor de opsporing van dit soort misdrijven. In een brief van 7 februari 1945 reageerde de minister van Justitie, die hier niet voor voelde, als volgt daarop: 'De oorzaak der suggestie moet m.i. gezocht worden in een verkeerde opvatting omtrent de aard van een zgn. oorlogsmisdrijf. Door velen wordt dit beschouwd als een delict sui generis, al is er nog nooit iemand in geslaagd een sluitende definitie daarvan te geven. In wezen is echter naar mijn inzicht een zgn. oorlogsmisdrijf niets anders dan een gewoon delict onder bijzondere omstandigheden gepleegd en deswege onder de rechtsmacht van een bijzondere rechter gebracht'. ( Zie over dit alles ook bij Mouton, Oorlogsmisdrijven, 354 e.v. )

Toch bleef boven de berechting de vraag zweven of de Nederlandse rechter werkelijk bevoegd was oorlogsmisdadigers op grond van het Besluit Buitengewoon Strafrecht te vervolgen, een stelling die door de minister van Justitie verdedigd werd. Konden deze mensen inderdaad gewoon worden berecht wegens mishandeling, moord of onrechtmatige vrijheidsberoving, zoals ook Nederlanders voor deze misdrijven werden vervolgd, of lag dat toch gecompliceerder? Aan Duitsers kon bijvoorbeeld niet het verlenen van hulp aan de vijand verweten worden, welk delict wel door een Nederlander kon worden gepleegd.

Ook het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem vond in de lijn van de minister van Justitie dat misdaden, door Duitsers hier te lande begaan, onder het Besluit Buitengewoon Strafrecht van december 1943 vielen. Dit Gerechtshof veroordeelde op 10 december 1946 de Duitse militair Ludwig Heinemann ter dood, zonder recht van cassatie, wegens het fusilleren van gijzelaars, Engelse officieren en verzetsmensen. Op 10 februari 1947 werd het vonnis aan Heinemann voltrokken en maakte een vuurpeloton een eind aan zijn leven. Op 17 februari 1947, een week na die terechtstelling, wees de Bijzondere Raad van Cassatie evenwel arrest in de zaak van de Duitse militair Louis Wilhelm August Ahlbrecht, officier bij de Sicherheitsdienst (SD) in Arnhem. In dat arrest werd door de Bijzondere Raad vastgelegd dat de Nederlandse rechter niet zonder meer bevoegd was oorlogsmisdrijven, begaan door leden van de bezettende macht, te berechten. Een algemeen erkende volkenrechtelijke regel van gewoonterecht was, zo betoogde de Raad, dat militairen die met hun leger op het gebied van een andere staat dan hun eigen staat verbleven, niet onderworpen waren aan de rechtsmacht van de rechter van die andere staat, voorzover het door hen gepleegde feiten betrof die binnen de kring van hun bevoegdheid waren begaan. In die gevallen bleef de militair onderworpen aan de rechtsmacht van de krijgsraad van zijn eigen staat van herkomst. Hij kwam daar evenwel buiten te staan zodra hij bijvoorbeeld een vrouw verkrachtte of een diefstal pleegde en viel dan onder de rechtsmacht van de rechter in de staat waarin hij verbleef. Feitelijk was het ook in Nederland zo dat Duitse militairen en ambtenaren hun daden van terreur niet op eigen gezag verrichtten maar dat nagenoeg altijd deden op bevel of na machtiging van hun meerderen, waardoor de -in dit geval Nederlandse- rechters dus geen rechtsmacht over hen bezaten en ze dus niet gestraft zouden kunnen worden. Nu kon men van die volkenrechtelijke regel afwijken door het sluiten van een verdrag, maar men kon ook gewoon een wet uitvaardigen die de Nederlandse rechter alsnog rechtsmacht verleende om buitenlandse militairen, die op zijn grondgebied hadden vertoefd, te berechten wegens terreurdaden. De Nederlandse rechter had een dergelijke bevoegdheid nimmer ontvangen omdat er, nog steeds volgens de Bijzondere Raad van Cassatie, ten onrechte van was uitgegaan dat een moord, gepleegd in strijd met het oorlogsrecht, nooit binnen de kring van bevoegdheid van de dader kon zijn gepleegd en zodoende een gewone moord was, waarvoor de rechter geen bijzondere opdracht van rechtsmacht behoefde.

Door het arrest-Ahlbrecht nu was de regering gedwongen een wet te maken, waarbij aan de Nederlandse rechter expliciet rechtsmacht werd toebedeeld ten aanzien van Duitse militairen en andere overheidsdienaren, die oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid hadden bedreven. Die wet kwam er inderdaad en werd op 10 juli 1947 van kracht. Zo werd een artikel 27a ingevoegd in het Besluit Buitengewoon Strafrecht, waarbij naar Nederlands recht strafbaar werd gesteld hij 'die gedurende de tijd van de huidige oorlog in krijgs-, staats- of publieke dienst bij of van de vijand zich schuldig had gemaakt aan enig oorlogsmisdrijf of enig misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 6 onder (b) of (c) van het handvest, behorende bij de overeenkomst van Londen van 8 augustus 1945, bekend gemaakt bij Ons Besluit van 4 januari 1946, Stb. G 5'. Betrokkene werd dan ook 'indien een zodanig misdrijf tevens bevat de bestanddelen van een strafbaar feit volgens de Nederlandse wet, gestraft met de daarop gestelde straf'. Bij het tweede lid van het artikel werd bepaald dat, als de overtreding van het oorlogsrecht niet de elementen van een Nederlands delict bevatte, de straf kon worden opgelegd die was gesteld op het Nederlandse delict waarmee het gepleegde feit de meeste overeenkomst (analogie) vertoonde. En ten slotte werd in het derde lid van artikel 27a bepaald dat ook de meerdere strafbaar was die opzettelijk toeliet, dat zijn mindere zich aan een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid schuldig maakte.

De juridische omgang met het begrip 'bevel is bevel' bleef evenwel problematisch. Wat te doen indien een militair of ambtenaar nadrukkelijk en al dan niet onder bedreiging slechts een bevel had uitgevoerd en zo voor zijn eigen gevoel -en voor dat van zijn advocaten- niet zelf aansprakelijk voor de gepleegde feiten gesteld kon worden? Jurisprudentie had eerder aangetoond dat een bevel om een strafbaar feit te plegen, nooit als een rechtmatig bevel kon worden beschouwd welke de strafbaarheid ophief. Kon een mindere evenwel aantonen dat hij geen weet had van het misdadige karakter van zijn handeling, dan kon hij een beroep doen op straffeloosheid. Zou men wel zonder meer een beroep op het ambtelijk bevel aanvaarden, dan zou immers, in het Duitse systeem van hiërarchische verhoudingen, iedereen, hetzij burger, hetzij militair, een beroep op zijn superieuren kunnen doen, die eveneens een beroep op hogere bevelen zouden doen, zodat men ten slotte zou terechtkomen bij de uitsluitende verantwoordelijkheid van de hoogste autoriteit, Adolf Hitler. Hitler zelf viel niet meer te berechten na zijn zelfmoord in april 1945, waardoor, indien deze redenering werd doorgetrokken, geen enkele bedrijver van misdaden veroordeeld zou kunnen worden. Dat nu werd voorkomen door de introductie van artikel 27a in het Besluit Buitengewoon Strafrecht.

Samenvattend: het heeft tot 10 juli 1947 geduurd voordat de juridische barrière tegen de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers was geslecht, hetgeen de berechting behoorlijk heeft vertraagd. Het duurde daarom zo lang omdat de regering (lees: de minister van Justitie) lange tijd van mening was dat een oorlogsmisdrijf in niets verschilde van een ander misdrijf. Pas na het arrest-Ahlbrecht onderschreef het ministerie met tegenzin de opvatting van de Bijzondere Raad van Cassatie dat een oorlogsmisdrijf in de eerste plaats moest worden gezien als een volkenrechtelijk delict en niet als een gewoon delict, onder bijzondere omstandigheden gepleegd. Had men toen de Bijzondere Raad niet gevolgd, dan was de gehele berechting van Duitse oorlogsmisdaden op losse schroeven komen te staan. ( Belinfante, In plaats van bijltjesdag, De rechtspraak VI paragraaf 'De Duitse oorlogsmisdadigers', 484-501; 'Memorandum voor mr. Peek' (Archief-NWCC, oud: doos 82, map 81; nu: inv.nr. 3910). ) Met Duitsers werden overigens bedoeld degenen die op 1 mei 1940 de Duitse nationaliteit bezaten (dus ook Oostenrijkers als Arthur Seyss-Inquart en Erich Rajakowitsch, wat vanuit de Nederlandse optiek dus niet gold voor Nederlanders die tijdens de oorlog in Duitse dienst waren getreden). ( Rüter, Enkele aspecten, 81. )

Bureau van de Nederlandse vertegenwoordiger bij de UNWCC

Zoals bleek maakten de geallieerden reeds in de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog plannen om na beëindiging van de oorlog te komen tot vervolging en berechting van hen die zich schuldig hadden gemaakt aan oorlogsmisdaden. Landen als de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie zetten al in een vroegtijdig stadium de toon door uitspraken van hun regeringsleiders, die dreigende woorden bevatten aan het adres van hen die zich schuldig maakten aan dergelijke misdaden. In oktober 1943 vond de definitieve oprichting plaats van de UNCWC, de United Nations Commission for the Investigation of War Crimes, ook en vooral aangeduid als de UNWCC (United Nations War Crimes Commission). In elk van de bij de UNWCC aangesloten landen werden nu nationale commissies of nationale bureaus opgericht ('National Offices'), die zich bogen over de wijze waarop bewijzen konden worden verzameld en de opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers ter hand konden worden genomen. De hoofden van deze nationale bureaus fungeerden doorgaans tevens als gedelegeerden van hun land bij de UNWCC.

Voordat het Nederlandse bureau onder de naam Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO) in maart 1944 gestalte kreeg, was mr.dr. J.M. de Moor, de president van de Nederlandse rechtbank in Londen, al aangewezen als vertegenwoordiger namens Nederland bij de UNWCC. De Moor werd later tevens voorzitter van de NCO, waardoor een personele unie ontstond (hij was dus zowel gedelegeerde bij de UNWCC als hoofd van de NCO). Het bureau van de gedelegeerde en de NCO werkten dan ook zeer nauw samen, waarbij hun werkzaamheden elkaar soms overlapten. Het bureau van de gedelegeerde bezorgde het ontvangen bewijsmateriaal van de NCO bij de UNWCC. De UNWCC besliste vervolgens of een verdachte wel of niet als oorlogsmisdadiger op een opsporingslijst terecht kwam.

Het Besluit Opsporing Oorlogsmisdrijven van 29 mei 1945 bevestigde in artikel 3 nog eens de mogelijkheid om in Londen na de bevrijding het bureau van de gedelegeerde bij de UNWCC aan te houden, c.q. nieuw leven in te blazen. Na het overlijden van De Moor nam M.W. Mouton diens plaats in als hoofd van het Bureau van de Nederlandse Vertegenwoordiger bij de UNWCC. Ook mr. W.C. Beucker Andreae was door de minister van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens, voor deze post benaderd. Beucker Andreae had zich bereid verklaard deze functie te vervullen, maar de ministerraad kon niet om de nadrukkelijke kandidatuur van Mouton heen, die dan ook eind september 1945 werd benoemd. ( ARA, archief-Van Kleffens, toegang 2.04.48.04, inv.nr. 131; Ministerie van Justitie, 1915-1955 Inv.nr. 12598 29-9-1945, 2A, nr.1115; archief Ministerie van Justitie, 1915-1955 Inv.nr. 12601;12-10-1945, 2A, nr. 1108 (exh. 8-10-1945 nr. 226). ) Toen waren aan het Bureau verbonden de Nederlandse vertegenwoordiger bij de UNWCC, een of meer leden van de NCO en een secretaris. ( Artikel 3 en artikel 4, lid 2 van het Besluit van 29 mei 1945. )

Per 30 oktober 1947 werd het Bureau van de Nederlandse gedelegeerde opgeheven. Voorkomende werkzaamheden werden vanaf die datum vanuit Den Haag voortgezet. ( ARA, Archief Ministerie van Justitie, Londen (toegang 2.09.06), inv.nr. 3098. ) Op 12 augustus 1950 werden de bescheiden van de UNWCC door mw. mr. J.M.C. Romeijn, hoofd van het Bureau Coördinatie, overgedragen aan de Tweede Afdeling van het ministerie van Justitie. ( ARA, Archief Ministerie van Justitie, Londen (toegang 2.09.06), inv.nr. 1207. )

Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO-Engeland)

Vanaf oktober 1943, in welke maand de UNWCC haar werkzaamheden begon, drong zij er bij de nationale regeringen op aan eigen commissies of bureaus ('National Offices') in het leven te roepen, die bewijsmateriaal konden verzamelen tegen van oorlogsmisdaden verdachte personen. De commissies werden dan ook wel als 'fact finding'-commissies aangeduid.

Bij ministerieel besluit van 1 maart 1944 werd voor Nederland ingesteld 'een Commissie tot bewerking van de gevallen, die, voor zooveel het Koninkrijk betreft, in aanmerking komen om te worden voorgelegd aan de "United Nations Commission for the Investigation of War Crimes"'. Nadien werd ze aangeduid als de Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (NCO). Naar buiten toe presenteerde de commissie zich onder de naam Netherlands War Crimes Commission (NWCC). De NCO, waarvan dus soortgelijke instellingen in de andere bij de UNWCC aangesloten landen werden opgericht, fungeerde als Nederlands 'National Office', dat nauw samenwerkte met de UNWCC.

De samenstelling was als volgt: voorzitter was de Nederlandse gedelegeerde bij de UNWCC, mr. dr. J.M. de Moor, die dus tevens president van de Nederlandse Rechtbank in Londen was. Tot secretaris werd benoemd J.H. Zeeman, waarnemend substituut-officier van Justitie bij de Nederlandse Rechtbank te Londen. Voorts waren er drie leden, te weten F.J. van der Kroon, majoor der Koninklijke Marechaussee, A. Wolters, luitenant ter zee tweede klasse van de Koninklijke Marine Reserve en C.H.J.F. van Houten, reserve-kapitein der artillerie.

Bij besluit van 17 april 1944 ontving de commissie het recht om getuigen en deskundigen onder ede te horen. ( ARA, archief Algemene Zaken voor het Koninkrijk (AOK) 2180, 469/G 92 (b), bij GB 374/44 en bij GB 660/44; ministerieel besluit 1-3-1944; United Nations War Crimes Commission. National Offices Conference held at the Royal Courts of Justice, Londen. May 31st to June 2nd, 1945. Minutes and documents (Archief-NWCC, oud: doos 85, map 85; nu: inv.nr. 201). Annex II: Information supplied by the National Offices as to their organisation and operation (9, 10). Het betreft een brief van 25 februari 1945 van de hand van J.M. de Moor (hierin de mededeling over het besluit van 17 april 1944); Mouton, Oorlogsmisdrijven, 173, 296. ) De NCO functioneerde slechts enkele maanden, tot juli-augustus 1944, redelijk. Daarna kreeg de secretaris andere functies en gingen de drie leden naar België en -later- Nederland. Het werk van de NCO stagneerde bovendien door de gedeeltelijke bevrijding van Nederland. Het kantoor in Londen werkte niet meer efficiënt, maar een volledig toegerust bureau opzetten in Nederland was na de voor de geallieerden zo desastreus verlopen 'Slag bij Arhem' evenmin mogelijk. ( ARA, archief ministerie van Justitie, Londen (toegang 2.09.06), inv.nr. 1206, dd 25-2-1945. ) Zo kwam het werk van de NCO in Londen zo'n zes, zeven maanden nagenoeg geheel stil te liggen. Gegevens kwamen niet meer binnen, ook niet uit bevrijd Zuidelijk Nederland. En juist de tijd vlak na de bevrijding was zo belangrijk om bewijsmateriaal te verzamelen, evenwel: 'van de Nederlandsche Justitie en Politie [is] nog geen enkel dossier of stuk binnen gekomen. Zelfs omtrent zulke geruchtmakende en gemakkelijk te onderzoeken objecten als "Vucht", "Heusden", "Putten", etc. heeft ons geen enkel gegeven bereikt'. Het NCO pleitte dan ook voor de instelling van een aparte commissie, die zich uitsluitend met de opsporing van oorlogsmisdadigers zou bezighouden en de parketten van het Openbaar Ministerie en de gewone politie in Nederland van deze taak zou ontheffen. Die laatste instellingen hadden hun handen al vol aan vele andere werkzaamheden, waaronder de aanhouding van 'onvaderlandslievende' Nederlanders. Dat slechte functioneren van de opsporingsinstanties en de stilstand in de werkzaamheden bezorgden voorzitter De Moor soms 'slapelooze nachten', zoals hij aan de minister van Justitie schreef. ( ARA, archief ministerie van Justitie, Londen (toegang 2.09.06), inv.nr. 1207 (Kenmerk: 17-2-1945; 617; dossier G92(b)II Datum: 5-2-1945); archief ministerie van Justitie, Londen (toegang 2.09.06), inv.nr. 1206; Kenmerk: 16-2-1945/591 G92; datum:14-2-1945. )

Eind januari 1945 zond de secretaris-generaal van Justitie een ontwerp-beschikking aan het ministerie van Buitenlandse Zaken tot wijziging van de samenstelling van de NCO, die tevens een nadere taakomschrijving van de werkzaamheden van de NCO bevatte. Bij besluit van 22 januari 1945 werd eervol ontslag verleend aan Van der Kroon, Wolters, Van Houten en Zeeman, wier werkterrein in het bevrijde deel van Nederland kwam te liggen. Benoemd tot leden werden D. Bas Backer, reserve-kapitein der artillerie, C.L.W. Fock, eveneens reserve-kapitein der artillerie, M.W. Mouton, kapitein-luitenant ter zee en secretaris werd J. van den Bergh. Opnieuw werd de opdracht van de NCO omschreven: 'De taak der Commissie is: primair om uit het haar ten dienste staande bewijsmateriaal rapporten ten behoeve van de United Nations Commission for the Investigation of War Crimes samen te stellen, zulks met inachtneming van de algemeene richtlijnen door die "Commission" en den Minister van Justitie aangegeven, en subsidiair om langs den hierarchieken weg aanvullend bewijsmateriaal te verzoeken, waar zulks voor de samenstelling der rapporten nuttig of noodig mocht zijn'. ( ARA, archief AOK 2180, GB 72/45; 22-1-1945; Van: Secretaris-Generaal van Justitie (196/G.92(b); Aan: minister van Buitenlandse Zaken )

Onduidelijk is of de NCO in Engeland nog daadwerkelijk heeft gefunctioneerd na de volledige bevrijding van Nederland. Ze stond wel in contact met het tweede onderbureau van het tijdelijk Bureau Londen van het ministerie van Justitie, dat bij beschikking van 14 juni 1945 was ingesteld en onder leiding stond van mr. W. de Jager. ( Inleiding op de archieven van het ministerie van Justitie te Londen (ARA, toegang 2.09.06). ) Zoals bleek werd wel het bureau van de Nederlandse gedelegeerde bij de UNWCC aangehouden. Op 23 september 1946 kreeg secretaris J. van den Bergh zijn ontslag, evenals commissielid Fock. Bij diezelfde gelegenheid werd de Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven in Engeland officieel ontbonden. ( ARA, archief ministerie van Justitie, 1915-1955, inv.nr. 12722; 28-10-1946, 2A, nr. 1105; 23-9-1946 nr. 1198. )

De opsporing in de praktijk
Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM)

Op 5 mei 1945 capituleerde Duitsland en was de bevrijding van Nederland een feit. Kort reeds hiervoor, maar in versterkte mate na de bevrijding, gingen leden van de Binnenlandsche Strijdkrachten, individuele 'goede' politiefunctionarissen en anderen op jacht naar echte en vermeende oorlogsmisdadigers. In Zuid-Nederland gebeurde dat al na september 1944. Enige tijd na de bevrijding werden Politieke Opsporingsdiensten opgericht, nadien herdoopt tot Politieke Recherche Afdelingen, en kwam op 29 mei 1945 het Bureau voor Nationale Veiligheid tot stand. ( De archieven van de Politieke Opsporingsdiensten en de Politieke Recherche Afdelingen maken deel uit van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) en berusten bij het ARA (nummer toegang 2.09.09). Ook het archief van het Bureau voor Nationale Veiligheid is ondergebracht bij het ARA (nummer toegang 2.04.80). ) Al deze instanties hadden wel in meer of mindere mate van doen met oorlogsmisdadigers, maar hun eerste zorg betrof toch vooral de aanhouding van Nederlanders die landverraad hadden gepleegd of zich anderszins 'onvaderlandslievend' hadden gedragen. De Moor, Nederlands gedelegeerde bij de UNWCC en voorzitter van NCO-Engeland, had al enkele keren aangedrongen op de totstandkoming van een apart bureau dat zich uitsluitend met de opsporing van oorlogsmisdadigers zou bezighouden. Ook de regering erkende nu de noodzaak een dergelijk bureau in het leven te roepen. Er werden al voor 5 mei concept-besluiten gemaakt die de oprichting ervan regelden, met teksten die voortdurend werden gewijzigd naargelang de politieke ontwikkelingen dat vereisten. Op 29 mei 1945 werd dan bij Koninklijk Besluit F 85 in het leven geroepen het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM).

De nadere invulling van taak en organisatie van het BOOM werd geregeld bij beschikking van de minister van Justitie van 31 oktober 1945. Het BOOM ressorteerde als zelfstandig bureau onder het ministerie van Justitie. De primaire taak was het opsporen en naar een bewaringskamp of gevangenis overbrengen van oorlogsmisdadigers. Vele oorlogsmisdadigers verbleven in het buitenland. Daarom was medewerking vereist van de geallieerde bezettingsautoriteiten in Duitsland en van de bondgenoten, waartoe verbindingsofficieren en onderzoeksteams in Duitsland konden worden geplaatst. De hoofdvestiging van BOOM was ondergebracht in het Hoofdbureau van Politie te Amsterdam in het pand aan de Elandsgracht, numer 117 en stond onder leiding van mr. J.S. Bijl, commissaris van rijkspolitie eerste klas. Eind 1946 verhuisde het hoofdbureau naar Stadionweg nummer 135 in Amsterdam. Subcommissies werden ingesteld in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag en voorts in alle provinciale hoofdsteden. Ook werden er opsporingsambtenaren aangesteld. ( Artikel 6 van het Besluit van 29 mei 1945. )

Er waren zo dertien subcommissies actief. Als voorzitters van die subcommissies traden op de hoofden van de politieke recherche ter plaatse. Eerst was dat dus de Politieke Opsporingsdienst (POD), later, vanaf 1 maart 1946, de Politieke Recherche Afdeling (PRA). Het hoofd van iedere subcommissie was verantwoording schuldig aan het hoofd van het BOOM, J.S. Bijl. De subcommissies waren gehuisvest in de bureaus van de POD c.q. PRA. Behalve de voorzitter bestond een commissie uit ten minste twee rechercheurs van politie in de hoedanigheid van opsporingsambtenaar, verbonden aan de POD c.q. PRA, alsmede een secretaris.

Doorgaans was de gang van zaken als volgt: in de pers verschenen oproepen, uitgaande van de burgemeesters, die de burgers aanzetten tot het verstrekken van informatie over oorlogsmisdadigers. De lokale politie verzamelde de binnenkomende gegevens en zond die door naar de lokale of regionale subcommissie van BOOM. Die subcommissie nam vervolgens verhoren af en maakte processen-verbaal op en zond die op naar het hoofdbureau in Amsterdam of naar de procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof in het betreffende ressort. Grote misdrijven, begaan in bijvoorbeeld concentratiekampen, werden verder door het hoofdbureau in Amsterdam behandeld. De BOOM-instellingen trachtten zogenaamd prima facie-bewijs in handen te krijgen, dat wil dus zeggen zulk overtuigend bewijsmateriaal dat redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat tot een succesvolle vervolging zou kunnen worden overgegaan ( Volgens J.S. Bijl wettigt de zaak dan 'een redelijk vermoeden van daderschap' (zie 'Memorandum voor Mr. Peek'; Archief-NWCC, oud: doos 82, map 81; nu: inv.nr. 3910). ). De procureur-fiscaal van een Bijzonder Gerechtshof kon aan een subcommissie een aanvullende opdracht geven bepaalde zaken of facetten nader te onderzoeken.

Zodra het BOOM dan prima facie-bewijs verkregen had werd het door het hoofdbureau doorgezonden naar de Nederlandse vertegenwoordiger bij de UNWCC (vanaf september 1945 was dat J.M. Mouton), die de aanklachten (charges) in het Engels liet vertalen en de zaak verder doorgeleidde naar de UNWCC. Erkende ook Committee number 1 van de UNWCC de overlegde bescheiden als prima-faciebewijs, dan werd een verdachte op de internationale opsporingslijst geplaatst. De verdachtenlijsten werden ruim gedistribueerd. Ook ambtelijke instanties en organen werden uitgenodigd gegevens betreffende oorlogsmisdrijven met eventuele bijlagen naar Amsterdam te zenden. Was het prima-faciebewijs niet geleverd dan werd het dossier aan het BOOM geretourneerd met het verzoek verder onderzoek te verrichten. De UNWCC maakte ook uit of een verdachte als major war criminal diende te worden beschouwd of als minor war criminal. Een dergelijke aanwijzing had gevolgen voor de berechting, daar major war criminals voor het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg zouden worden gebracht en minor war criminals in de landen, waar zij hun misdrijven hadden gepleegd. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 295-296. )

Ten behoeve van de opsporing van de vermoedelijke daders moesten speciaal voor dat doel ontworpen formulieren worden ingevuld. In de bekendmaking van de burgemeesters waarin het publiek werd opgeroepen zijn medewerking bij de opsporing te verlenen, was vermeld dat bij het doen van aangifte gebruik kon worden gemaakt van die speciale formulieren. De tekst en indeling van de formulieren waren samengesteld door het Internationale Bureau voor Opsporing van Oorlogsmisdadigers te Parijs (Crowcass). Het formulier moest door de politie in tweevoud worden opgemaakt: een exemplaar diende te worden opgezonden naar de betreffende subcommissie inzake de opsporing van de oorlogsmisdrijven, het andere was bestemd voor de administratie van de politie zelf. ( Archief-NWCC inv.nr. 3986 (J.C. Tenkink aan R.P.J. Derksema, 28 november 1945 (afdeling A, nr. 1105; kenmerk 32; -of 52?-). )

Van de ontvangen aangiften kon reeds direct een aantal wegens het ontbreken van enig gegeven omtrent de dader of wegens het geringe belang van de toegebrachte schade, terzijde worden gelegd. De gevallen waarin de (mis)daad duidelijk was omschreven en de dader met name bekend was, moesten met spoed worden behandeld. Die spoed had in het begin ook te maken met de volgende overweging: 'Daar tot nu toe door Nederland slechts weinig zaken in Londen aanhangig zijn gemaakt, is het mede met het oog op ons internationale aanzien gewenscht, dat op korten termijn een aantal zaken wordt aangebracht'. Bij een ambtsedig proces-verbaal werd door de subcommissie een kort verslag opgemaakt, bevattende de inhoud van de aangifte en van een of meer getuigenverklaringen, de aanwezigheid van ander dan prima facie-bewijsmateriaal en eventueel van een verhoor van de verdachte. Het was dus niet nodig dat een onderzoek geheel voltooid was en de zaak rijp voor berechting was, voordat de bescheiden konden worden opgezonden. De stukken, benodigd voor de uitlevering, moesten dan, met het ingevulde formulier, zo spoedig mogelijk worden opgestuurd naar het BOOM te Amsterdam. Eventueel werd het onderzoek door de subcommissie daarna nog gewoon voortgezet. Was evenwel de uitlevering aan Nederland van oorlogsmisdadigers in beginsel al toegezegd, dan was opzending van stukken via BOOM naar de UNWCC onnodig.

Daarnaast mochten de subcommissies gebruik maken van de diensten van een rechercheur, die daartoe in elke gemeente werd aangewezen. De taak van die rechercheur moest wel worden beschouwd als een aanvullende werkzaamheid en bestond bijvoorbeeld in het horen van een getuige ter plaatse of het instellen van een nader onderzoek. Hij bleef echter volkomen in dienst van het korps, waartoe hij behoorde. Bepaald was dat de subcommissies zelf de hoofdgetuigen hoorden en het eigenlijke onderzoek verrichtten. Leden van de subcommissies begaven zich daartoe zonodig naar de plaats van het misdrijf, verrichtten confrontaties en hoorden de verdachten, zo deze aanwezig waren. Moesten in het buitenland inlichtingen worden ingewonnen, dan diende men zich tot het BOOM in Amsterdam te wenden. Indien het onderzoek zich uitstrekte buiten het eigen ressort dan moest de subcommissie in het betreffende ressort worden ingelicht teneinde te voorkomen dat langs elkaar heen werd gewerkt. Was een onderzoek beëindigd, dan werden de stukken in handen gesteld van de procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof binnen welks rechtsgebied het feit was begaan. Daarvan werd dan mededeling gedaan aan het Bureau in Amsterdam, met vermelding van het gepleegde feit, de namen van de 'gelaedeerden' (benadeelden) en de verdachten.

Door het hoofdbureau in Amsterdam diende te worden aangelegd een kaartregister, behelzende de namen van alle in gevangenissen, huizen van bewaring en kampen in Nederland gedetineerde buitenlanders. Door de subcommissies konden bij het Bureau daaromtrent inlichtingen worden verkregen

In verschillende gevallen zou blijken dat reeds aangifte van bepaalde oorlogsmisdrijven was gedaan, bijvoorbeeld bij de geallieerde militaire autoriteiten of bij het Militair Gezag. Aan de politie was opgedragen die gevallen terstond naar de betreffende subcommissie door te geleiden. Nadat deze subcommissie had nagegaan bij welke instantie aangifte was gedaan en zoveel mogelijk de betreffende stukken had verzameld, werd het dossier opgezonden naar het BOOM in Amsterdam. ( Bij de hier behandelde instructie was die gedrukte tekst inzake de Uitvoering Besluit Opsporingsmisdrijven bijgesloten (departement van Justitie, 2e afdeling A, nr. 1103. Den Haag, 31 oktober 1945. Aan: de Hoofden van Plaatselijke Politie); Archief-NWCC inv.nr. 3986; 28-11-1945. Van Justitie; 2A nr. 1105; aan de subcommissies. Het gedrukte besluit van 31 oktober 1945 (dep. van Justitie, 2e Afd. A Nr.1103 Betreffende Uitvoering Besluit Opsporing Oorlogsmisdrijven), dat hier ook bijzit, wijkt af van deze instructie. ).

In november 1945 stipuleerde secretaris-generaal J.C. Tenkink van Justitie nog eens wat onder oorlogsmisdrijven moesten worden verstaan. Dat waren 'tijdens de oorlog gepleegde feiten, die verboden zijn naar Nederlands recht en verboden zijn in de wetten en de gebruiken van de oorlog, begaan door anderen dan Nederlanders of Nederlandse onderdanen'. Gedacht moest worden aan personen als Duitse militairen, politiefunctionarissen, bestuursambtenaren, 'Verwalters', enz., en aan delicten als moord, doodslag, verkrachting, mishandeling, plundering en roof. Verkregen materiaal moest worden gestuurd naar 'het Bureau van de Nederlandsche commissie inzake oorlogsmisdrijven, adres: Hoofdbureau van Politie te Amsterdam'. Hiermee lijkt de (nog te bespreken) NCO-Nederland vereenzelvigd te worden met het BOOM-hoofdbureau in Amsterdam. ( ARA, archief ministerie van Justitie, 1915-1955 Inv.nr. 12609; 19-11-1945, 2A nr. 1592 (gedrukt). )

Per 1 september 1948 werd het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven opgeheven en werden de voorkomende werkzaamheden uitgevoerd door het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging.

Het BOOM heeft ruim tweeduizend dossiers samengesteld. Slechts enkele honderden Duitse verdachten zijn vervolgd (zie verder bij Resultaten). Terzijde wordt hier even aangestipt de poging die werd ondernomen om tot een efficiëntere opsporing te komen, welke poging faliekant mislukte. Op voorstel van B.I.A.A. ter Veer, directeur-generaal van de Bijzondere Rechtspleging en in overleg met kolonel P.J. Six, adjunct-chef van het Militair Gezag, namen beide mannen eind oktober, begin november 1945 het initiatief te komen tot de instelling van een 'centraal register' voor het verzamelen van gegevens over gezochte Duitse oorlogsmisdadigers en hun slachtoffers. Vele personen en instellingen werden benaderd en verzocht hieraan mee te werken, die doorgaans inderdaad deze medewerking toezegden. Het bureau moest worden 'gezien als een nevenorganisatie van het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven'. Beoogd hoofd van de 'Centrale Registratie Oorlogsmisdadigers en Slachtoffers van Oorlogsmisdrijven' (CROESVO), zoals het bureau zou gaan heten, was B.C. Ooms uit Zaandam. Opvallend was dat hier dus ook gegevens over oorlogsslachtoffers zouden worden vastgelegd.

Vrij kort na de oprichting werden tijdens vergaderingen al de eerste sceptische geluiden gehoord over nut en noodzaak van CROESVO. Ook minister-president W. Schermerhorn was niet enthousiast omdat 'de registratie van oorlogsmisdadigers en oorlogsslachtoffers reeds de volle aandacht heeft van respectievelijk het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven te Amsterdam en de desbetreffende diensten van het Nederlandsche Roode Kruis, etc'. Op 24 januari 1946 besloot de ministerraad dan ook tot liquidatie van de CROESVO over te gaan. De initiatiefnemers probeerden nog in april 1946 het bureau nieuw leven in te blazen, maar zij slaagden daarin niet. Interessant maar onbeantwoord is de vraag of er meer oorlogsmisdadigers zouden zijn opgespoord als dit bureau wel levensvatbaar was gebleken. Het CROESVO, dat dus nimmer had gefunctioneerd, werd officieel per 31 mei 1946 geliquideerd. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327 november 1945; inv.nr. 1803; inv.nr, 493, inv.nr. 494 . CROESVO werd ook wel genoemd: CROMEOS, van Centrale Registratie van OorlogsMisdadigers En OorlogsSlachtoffers. )

Nederlandse Missie Tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers in Duitsland NMOO) oftewel de Netherlands War Crimes Commission (NWCC)

Het Besluit van 29 mei 1945, waarbij het BOOM werd opgericht, opende in artikel 11 de mogelijkheid om in Duitsland zelf functionarissen, rechtsgeleerde verbindingsofficieren genoemd, te stationeren, teneinde de opsporing te bevorderen in een land dat door vele oorlogsmisdadigers als het toevluchtsoord bij uitstek werd beschouwd. De wens hiertoe was al eerder geuit door het SHAEF (Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force), het geallieerde hoofdkwartier in Parijs. Op 21 april 1945 reageerde minister-president P.S. Gerbrandy in principe positief op zo'n verzoek. H.J. Kruls, chef-staf van het Militair Gezag ontving van hem het volgende telegram: 'machtig u twee Nederlandsche liaison officieren met spoed aan te wijzen stop juridische graad vereischt stop overigens te regelen naar uw inzicht = Gerbrandy stop'. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327 21-4-1945. Afschrift van telegram (NWM[?] 1786 Chef Staf MG) Betreft: II A T2260/19. )

Op 15 mei 1945, vijf dagen na de bevrijding, verzocht SHAEF opnieuw een tweetal officieren met een kleine staf bij de hoofdkwartieren van de 'Army Groups' in de 'National Zones' te detacheren. Het doel was bijstand te verlenen bij de opsporing van oorlogsmisdrijven. Secretaris-generaal Van Angeren van Justitie informeerde daarop bij NCO-Engeland of zodanige detachering zinvol was en of zij officieren 'van erkende bekwaamheden en ervaring' kende die hiervoor geschikt waren. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327, 15-5-1945 (nr. 1132/G.92(h); ander kenmerk: 4226/19 23/5). )

Begin juni werden twee luitenant-kolonels als verbindingsofficieren (liaison-officers) aangewezen. Kruls meldde midden juni: 'Daar van geallieerde zijde inmiddels op onverwijlde aanwijzing der Liaison-Officieren was aangedrongen, heb ik daartoe ondertusschen benoemd de Luit.Kol's Mr. Derksema en van der Kroon, van wie de laatste geen juridischen graad heeft, doch door zijn ervaring als officier der Koninklijke Marechaussee wel geacht kan worden ook juridisch voldoende geschoold kan zijn'. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327, 9-6-1945 (klad) en 15-6-1945 (IIA 3262/19) ) De eis, dat een juridische graad voor beiden een voorwaarde was om aangewezen te kunnen worden, was te laat gesteld. Overigens moest de benoeming worden gezien als te zijn gedaan door de minister van Oorlog.

Overste R.P.J. Derksema en overste F.J. van der Kroon hadden beiden al hun sporen verdiend als inlichtingenfunctionarissen in Engeland. Van een officiële instelling van een 'Nederlandsche Missie tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven in Duitschland' was overigens geen sprake, de Missie vloeide voort uit het verzoek van SHAEF aan de Nederlandse regering. Zelf afficheerde de Missie zich naar buiten toe als de Netherlands War Crimes Commission (NWCC), dezelfde Engelse naam die ook NCO-Engeland had aangenomen.

Op zaterdag 30 juni 1945 arriveerde Derksema bij het Headquarter in Main. Men was daar niet van zijn komst op de hoogte. Hij had de keuze uit vier huizen in het zogenaamde 'Allied Missions Camp'. Hij koos het perceel Hochstrasse 33 (voorheen Horst Wesselstrasse). Het huis was in zeer slechte staat nadat het door de Engelsen geplunderd was en het kostte dan ook een week om het bewoonbaar te maken. Organisatorisch moest er nog zeer veel worden gedaan. Zo pleitte Derksema onder meer voor het in het leven roepen van 'investigation teams'. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327, 11-7-1945. )

Ook overste Van der Kroon begaf zich enige tijd later naar Duitsland, in bezit van een marsorder, hem door SHAEF verstrekt, nadat hij eerst zijn staf had samengesteld en antwoord op vele door hem gestelde vragen had ontvangen. Luitenant G.G. Douwenga ging eveneens deel uitmaken van de Missie, die onder algehele leiding kwam te staan van Derksema. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327, 1-7-1945 (secr. 10.521; 6353/19); 14-7-1945 (nr. IIA, 4359/19). ) Nadien werd ook kapitein J.H. ter Spill aan de Missie toegevoegd. Hij werd gestationeerd in Wiesbaden, waar aanvankelijk het hoofdkwartier van de Missie was gedacht. ( Archief-NWCC inv.nr. 3986, 27-8-1945 (kenmerk: nr. F/129). ) Officieel waren allen toegevoegd aan het 'Headquarter British Army of the Rhine' (BAOR).

De genoemde verbindingsofficieren maakten deel uit van en gaven leiding aan onderzoeksteams (investigation-teams). De leden van de onderzoeksteams waren militairen. Er waren teams in elk van de drie door de Westerse geallieerden bezette zones. Het was moeizaam werk; de opsporingsinstantie in de Amerikaanse zone werd daarom ook wel de Haystack-Organization (hooiberg-organisatie) genoemd. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 302. ) Onderzoeksteams werden gevestigd in Herford, Hamburg, Iserlohn, Wiesbaden en München. De bezettingslegers aldaar fungeerden eveneens als opsporingsorganisaties. ( Artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 29 mei 1945. )

Zoals gezegd: het algemene hoofd van de Nederlandse Missie werd luitenant-kolonel R.P.J.. Derksema. Het hoofdkwartier van de Missie werd evenwel niet in Wiesbaden maar in Bad Salzuflen gevestigd, deels en tijdelijk ook in Bad Oeynhausen. Derksema, die advocaat in Zutphen was geweest, was op 14 mei 1940 vanuit IJmuiden naar Engeland gegaan.

In Londen kwam hij in dienst te staan van de Centrale Inlichtingen Dienst (CID) en werd daar de opvolger van F. van 't Sant. ( Derksema werd geboren op 25 februari 1901 en overleed op 26 augustus 1983. Hij was in 1948-1949 raadsheer bij het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem ( F.A.C. Kluiters, De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten ('s-Gravenhage 1993), 343; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage diverse jaren) vele verwijzingen -zie register-; Staatsalmanak 1947 (193); Overzicht Militair Gezag (47); Bijlagen I en II van de inleiding op de archieven van het ministerie van Justitie te Londen). )

Daar heel veel archiefmateriaal in handen van de geallieerden was gevallen moest ook in dergelijke archieven veelvuldig onderzoek door de teams worden verricht. Die documenten bevatten veel incriminerend materiaal tegen tal van verdachten. Het Research Office van de UNWCC had ook veel van zulke dossiers verzameld. Eveneens werd bewijsmateriaal verzameld op verzoek van de SHAEF door de liaison-officieren in de bezettingszones in Duitsland. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 297. ) Die verbindingsofficieren legden hun onderzoeksresultaten vast in rapporten en processen-verbaal. Bood een dossier voldoende aanknopingspunten voor een vervolging van een oorlogsmisdadiger die in Nederland actief was geweest, dan moest men in de meeste gevallen de verdachte naar Nederland zien te krijgen, want slechts enkele Duitse oorlogsmisdadigers bevonden zich aan het eind van de oorlog nog in het land. Andere van oorlogsmisdrijven verdachte Duitsers waren, nadat zij een tijdlang in Nederland hadden gewerkt en daar hun misdrijven gepleegd, overgeplaatst naar posten elders in Europa, wat de opsporing sterk bemoeilijkte. De Nederlandse Missie in Duitsland moest telkens proberen uit te vinden waar een opgevraagde verdachte zich bevond. Ook moest aan de UNWCC te Londen worden verzocht de betrokken verdachte ter beschikking te stellen van de Nederlandse justitie.

De opsporing verliep al met al vaak zeer moeizaam. In Nederland kostte het al moeite de namen en verblijfplaatsen van verdachte Duitsers te achterhalen, maar in Duitsland zelf was het gezien de aldaar na de oorlog heersende chaotische toestanden helemaal ingewikkeld de verblijfplaats te weten te komen van degenen, van wie men in ieder geval de namen kende. Uit de NRC van 25 maart 1946 valt enigszins op te maken hoe problematisch het doen van dat opsporingswerk was. Kamerlid Frans Goedhart informeerde er toen naar. De minister van Justitie antwoordde dat het strafrechtelijk optreden nog grotendeels in het stadium van het opsporingsonderzoek verkeerde. 'Voor zoover over voldoende gegevens inzake de identiteit der daders wordt beschikt - van velen hunner zijn vooralsnog namen noch nadere bijzonderheden bekend -, wordt de opsporing met kracht ter hand genomen. Daar de meeste verdachten niet in Nederland verblijven, moet hun overbrenging aan de bevoegde Geallieerde autoriteiten worden gevraagd, hetgeen veel en tijdroovend overleg vereischt'.

Intussen verzwaarden de bezettingsautoriteiten in Duitsland de uitlevering van opgevraagden aanzienlijk. Ook uitleveringen vanuit de Amerikaanse en Franse zones verliepen naar verloop van tijd steeds stroever. In de Britse zone werd met ingang van 1 januari 1948 een 'contradictoire' behandeling van uitleveringsverzoeken ingevoerd voor een in Hamburg gevestigd tribunaal, waarbij de verdachten door Duitse advocaten zouden worden bijgestaan. In feite werden toen de uitleveringen stopgezet en kon het voortbestaan van de Nederlandse Missie tot Opsporing van Oorlogsmisdrijven in Duitsland worden beëindigd. ( Belinfante, In plaats van bijltjesdag, 489-490. ) Aangehouden en uitgeleverde oorlogsmisdadigers werden overigens naar de Strafgevangenis te Vught overgebracht.

In verband met de beëindiging van de Bijzondere Rechtspleging werden in 1949 maatregelen genomen tot liquidatie van de onder de auspiciën van het ministerie van Justitie nog werkende Nederlandse Missie, nu gevestigd te Herford. De liquidatiewerkzaamheden zouden worden beëindigd per 8 oktober 1949. Nog lopende kwesties werden overgedaan aan de Nederlandse Militaire Missie 'en wel speciaal aan de Hoofdverbindingsofficier in de Britse Zone, de Kolonel der Cavalerie A.D.C. van der Voort van Zijp in Bad Salzuflen'. Het personeelsbestand was nogal gewijzigd, vier jaar nadat de Missie met haar werkzaamheden was begonnen. Hoofd tijdens de liquidatie was mr. F.A. Groeninx van Zoelen, sedert 6 augustus 1947 aan de missie verbonden, die in die functie J.P.G. van Velzen was opgevolgd, die op zijn buurt met ingang van 8 november 1946 het werk van Derksema had overgenomen. ( ARA, archief min. van Justitie, 1915-1955 Inv.nr. 13348; 7-10-1949, 2A/Bureau Coördinatie, nr. 2404. )

Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven in Nederland (NCO-Nederland)

Zoals bleek fungeerde de NCO in Londen zeker vanaf september 1944 zeer moeizaam. Voorzitter J.M. de Moor had aangedrongen op de instelling van een afzonderlijk opsporingsapparaat, dat er op 29 mei 1945 kwam met de oprichting van het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM). Gaandeweg kreeg ook de Nederlandse Missie tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers in Duitsland (NMOO) gestalte. Beide organisaties werden beschouwd als uitvoerende organen. Een overkoepelende beleidsinstantie daarboven ontbrak evenwel, of het moest zijn de verantwoordelijke Tweede Afdeling van het ministerie van Justitie, waaronder beide officieel vielen. De vraag werd dan ook actueel of NCO-Engeland, die onder Mouton in meer of mindere mate bleef functioneren, een pendant diende te krijgen in Nederland. Moest ook hier een Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven komen of functioneerden BOOM en NMOO ook wel zonder een dergelijk orgaan boven hen en behoefden ze geen aansturing door een afzonderlijke instantie?

Artikel 2 van het Besluit van 29 mei 1945 was duidelijk: 'Er bestaat een Nederlandsche Commissie inzake oorlogsmisdrijven'. Er werd nog iets over de samenstelling ervan gezegd, maar daar bleef het bij. Had artikel 2 nu betrekking op NCO-Londen of op een nog op te richten soortgelijke commissie in Nederland?

Duidelijk werd dat de autoriteiten die met de opsporing van oorlogsmisdadigers waren belast, graag nog een afzonderlijk NCO in Nederland opgericht wilden zien. Op 5 september 1945 berichtte de minister van Justitie aan het staatshoofd 'dat het wenschelijk is gebleken over te gaan tot de benoeming van leden der Nederlandsche Commissie inzake oorlogsmisdrijven, als bedoeld in art. 2 van het K.B. van 29 Mei 1945, Staatsblad F 85'. En: 'Het ligt voorts in zijn voornemen aan de commissie een bureau te verbinden, dat al het betrokken materiaal kan bewerken'. Hiermee kan het reeds opgerichte BOOM zijn bedoeld, ook kan evenwel worden geanticipeerd op de instelling van een nieuw bureau, waarvoor het niet-levensvatbaar gebleken CROESVO model stond. Bij de Tweede Afdeling van het ministerie van Justitie dacht men op dat moment aan het opzetten van een Centraal Documentatiebureau voor oorlogsmisdrijven, 'hetwelk aanvankelijk alle voor de opsporing van belang zijnde gegevens zal verzamelen en verwerken' (wellicht werd hiermee eveneens CROESVO bedoeld). De NCO zou daarbij de spin in het web zijn waarvandaan de algehele sturing zou plaatsvinden. ( ARA, archief Mil. Gezag 1327, 8-8-1945 (kenmerk: 9660/19 17-8-1945). )

Bij Koninklijk Besluit van 10 september 1945 nummer 47 werden dan de leden van de Nederlandsche Commissie inzake Oorlogsmisdrijven (die dus zelf al was geïnstitutionaliseerd bij artikel 2 van het Besluit van 29 mei 1945) benoemd. Voorzitter werd mr. A.M. Van Tuyll van Serooskerken, procureur-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie. Van Tuyll zou naderhand ook Nederlands vertegenwoordiger worden bij het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg en enige jaren later worden belast met het doen van onderzoek naar al dan niet vermeende misstanden in de kampen voor politieke gevangenen. Vice-voorzitter werd prof. dr. N.W. Posthumus, voorzitter van het Rijksbureau voor Oorlogsdocumentatie. Tot leden werden benoemd: kolonel mr. L. Einthoven, hoofd van het Bureau Nationale Veiligheid, majoor mr. S.M.S. Reitsma van de Staf van het Militair Gezag en mr. J.J. Woltman, hoofdcommies bij het Departement van Justitie, die tevens secretaris werd. Woltman hield er eind 1946 mee op, want de 'aan laatstgenoemde functie verbonden werkzaamheden [waren] zoodanig toegenomen, dat hij deze bezwaarlijk kan combineeren met zijn ambtelijke arbeid aan het Departement'. ( ARA, archief ministerie van Justitie, 1915-1955 Inv.nr. 12763, 3-1-1947; 227; inv.nr. 12763, Exh.12-12-1946, Kabinet, nr. 1571A ) Waar die werkzaamheden dan precies uit bestonden is tot op heden niet duidelijk geworden, daar NCO-Nederland bijna niet wordt vermeld in correspondentie die van BOOM, NMOO en ministeriële instanties als het Directoraat-Generaal van de Bijzondere Rechtspleging bewaard is gebleven.

Aangenomen mag worden dat de NCO, voorzover zij daadwerkelijk bestond en functioneerde, in 1948 is opgeheven, toen ook BOOM en NMOO ophielden te bestaan.

Nederlandse Vertegenwoordiger bij het Central Registry of War Criminals and Security Suspects (CROWCASS) in Parijs, later Berlijn

Van belang voor een efficiënte opsporing was samenwerking in internationaal verband nodig. In eerste instantie ging wat Nederland betreft het initiatief tot opsporing uit van de procureurs-fiscaal van de Bijzondere Gerechtshoven. Soms ook nam de UNWCC het initiatief hiertoe. Bij onduidelijkheid over de verblijfplaats van een verdachte was er voor de opsporende instanties de mogelijkheid zelf rechtstreeks inlichtingen in te winnen en de opsporing op gang te brengen. Daartoe was een Internationaal Bureau voor Opsporing van Oorlogsmisdadigers opgericht (Central Registry of War Criminals and Security Suspects , bekend geworden onder de afkorting Crowcass). Door toedoen van de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces (SHAEF) werd dit centraal registratiekantoor opgericht en in Parijs gevestigd. ( J.C. Tenkink, dep. van Justitie, 22-12-1945, aan NWCMission, AMC, HQ British Army of the Rhine, BAOR (Archief-NWCC inv.nr. 3986, kenmerk 45). )

Crowcass kon zijn werk doen doordat het opgaven kreeg van namen, signalementen en andere gegevens van personen, die waren gearresteerd op verdenking van het begaan van oorlogsmisdrijven. In Nederland werden vele gearresteerden vastgehouden door Sectie II BD van het Militair Gezag, welke sectie de supervisie had over alle bewarings- en verblijfskampen.

Bij Crowcass werden in kaart gebracht:

  • alle gezochten (wanted persons)
  • alle gedetineerden (detained persons)
  • alle krijgsgevangenen (Prisoners Of War; POW's dus)

Van belang was dan ook dat de belanghebbende landen bijzonderheden doorgaven van gezochte oorlogsmisdadigers in de wanted reports, maar dat zij tegelijkertijd meldden welke Duitsers zij onder arrest hadden, hetzij als krijgsgevangenen, hetzij om andere redenen (de detention reports). Crowcass vergeleek beide opgaven en kon dan soms traceren in welke gevangenissen of krijgsgevangenkampen bepaalde gevangenen zaten. Een ontslagen, berechte of geëxecuteerde gevangene moest eveneens bij Crowcass worden gemeld. Op zeker ogenblik beschikte Crowcass over gegevens van zo'n zeven miljoen Duitsers, die werden beheerd met behulp van het Hollerith-systeem, waarbij ponskaarten werden gebruikt.

Begin 1946 werd het Crowcrass gesteld onder een directoraat van de Allied Control Council (ACC) te Berlijn en werd om die reden naar Berlijn verplaatst. De opening van de vestiging te Berlijn vond plaats op 7 augustus 1946. Tot december van dat jaar was het aantal geregistreerde gevangenen gekomen op 125.000 personen; het aantal gezochten (de wanted index) bedroeg toen 65.000; van 1350 personen kon met absolute zekerheid de identiteit worden vastgesteld en aan de inzenders van de wanted reports de plaats van detentie worden gemeld. ( Mouton, Oorlogsmisdrijven, 302-304. )

Bij de internationale opsporing van oorlogsmisdadigers werd uiteraard nauw met de geallieerde bezettingsautoriteiten in Duitsland samengewerkt. De geallieerden besloten met ingang van 31 december 1947 alle werkzaamheden inzake de opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers te beëindigen. Na die datum werden dan ook geen uitleveringsverzoeken voor oorlogsmisdadigers meer in behandeling genomen. Nederland besloot daarom prioriteiten te stellen en alleen nog uitleveringsverzoeken in te dienen voor die in Duitsland verblijvende personen, ten aanzien van wie redelijkerwijs te verwachten was dat een straf van meer dan tien jaar zou worden opgelegd. De uitlevering van collaborateurs (traitors) werd echter pas met ingang van 30 april 1949 gestaakt. ( Kooijman, 'Verraders', 21-22. )

Van Nederlandse kant werd in oktober 1945 overste F.J. van der Kroon, bijgestaan door enkele assistenten, bij Crowcass gedetacheerd. ( ARA, archief ministerie van Justitie, 1915-1955 Inv.nr. 12599, 5-10-1945, 2A, nr. 1529 (+ potlood-aantekeningen); J.C. Tenkink, dep. Van Justitie, 22-12-1945, aan NWCMission, AMC, HQ British Army of the Rhine, BAOR (Archief-NWCC inv.nr. 3986, kenmerk 45). )

Resultaten

Op de vraag: hoeveel oorlogsmisdadigers hadden wij willen berechten en hoeveel zijn er berecht, antwoordde minister Van Maarseveen eind november 1948 dat van 1431 personen om overbrenging naar Nederland was verzocht (inclusief Duitse getuigen).

Begin 1948, toen de opsporing steeds moeizamer verliep, gaf mr. J.S. Bijl van het BOOM een overzicht van zijn werkzaamheden aan de directeur van de Bijzondere Rechtspleging, zijn superieur. In totaal had het BOOM 2080 dossiers gevormd. Ook kamerlid L. Donker had geschat dat het in het voornemen van Nederland had gelegen zo'n tweeduizend Duitse oorlogsmisdadigers te willen berechten. ( Belinfante, In plaats van bijltjesdag, 490-492; Koos Groen, Landverraad. De berechting van collaborateurs in Nederland (Weesp 1984). )

Wat heeft nu het werk van NCO-Londen, NCO-Nederland, BOOM, NMOO, Crowcass en de Bijzondere Rechtspleging opgeleverd? De rechters van de Bijzondere Rechtspleging hebben vijf Duitsers ter dood veroordeeld die vervolgens ook daadwerkelijk zijn geëxecuteerd. Opgemerkt zij dat Arthur Seyss-Inquart, als Rijkscommissaris de hoogste Duitse autoriteit hier te lande, door het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg terdoodveroordeeld is geworden en op 16 oktober 1946 is opgehangen.

De door de Bijzondere Rechtspleging veroordeelden en geëxecuteerde Duitsers waren:

  • Ludwig Heinemann (28 jaar): wegens het neerschieten van illegalen en het leiding geven aan het executiepeloton
  • Hanns Albin Rauter (54 jaar): hoofd van de Duitse politie (hij was de Höhere SS- und Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen in Nederland); had onder meer een groot aandeel in de afzondering, concentratie en deportatie van de joden door het uitvaardigen van wettelijke voorschriften
  • Karl Peter Berg (42 jaar): commandant van het concentratiekamp Amersfoort; mishandelde zelf gevangenen en nam deel aan executies
  • Robert Wilhelm Lehnhoff (43 jaar): was SS-Hauptscharführer te Groningen; mishandelde gevangenen en was betrokken bij represaillemoorden
  • Wilhelm Artur Albrecht (45 jaar): commandant van de SD in Friesland (Aussenkommando Leeuwarden); liet gevangenen neerschieten en mishandelde arrestanten

Ter vergelijking: 34 mannen en één vrouw met de Nederlandse nationaliteit zijn voor het vuurpeloton gestorven na hun terdoodveroordeling.

In Nederland zijn in totaal 242 Duitsers terzake van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid vervolgd en berecht. Zo'n driehonderd Duitsers zijn op grond van het Besluit Politieke Delinquenten door het Openbaar Ministerie buiten vervolging gesteld. Van de 242 berechte Duitsers werden er 203 veroordeeld; 18 van hen kregen de doodstraf, zes werden tot levenslang veroordeeld en 179 delinquenten tot een tijdelijke gevangenisstraf, variërend van drie maanden tot twintig jaar. Ontslagen of vrijgesproken van rechtsvervolging werden 23 personen; dertien zaken werden anderszins geëindigd, bijvoorbeeld doordat het Openbaar Ministerie de zaak niet ontvankelijk verklaarde of omdat het hof niet bevoegd was. Van drie personen is onbekend hoe de gerechtelijke vervolging is afgelopen. Bijna alle Duitsers werden pas na 1947 berecht ten gevolge van het hiervoor besproken Ahlbrecht-arrest, wat voor de verdachten vaak in gunstige zin uitpakte, daar er toen doorgaans minder zwaar werd gestraft dan in de periode, direct na de oorlog, waarin de wraakzucht nog zeer sterk aanwezig was.

Over de tenuitvoerlegging van de opgelegde straffen het volgende. 179 Duitsers kregen dus vrijheidsstraffen die uiteenliepen van één tot twintig jaar; zes Duitsers werden weliswaar tot levenslang veroordeeld, maar de meesten werden gegratieerd. Van de achttien terdoodveroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers werden er zoals gezegd vijf daadwerkelijk geëxecuteerd; de overigen werden tot levenslang gegratieerd. Er waren vier verstekvonnissen. De langst vastzittenden waren de Vier van Breda: Willy Lages, Franz Fischer, Joseph J. Kotälla en Ferdinand H. aus der Fünten. ( Rüter, Enkele aspecten, 31, 109-147. ) Allen waren oorspronkelijk ter dood veroordeeld. Koningin Juliana, die eerst wel negentien doodvonnissen had ondertekend, weigerde onder invloed van enkele onderdanen in haar directe omgeving, hen daadwerkelijk te laten executeren. Zo ontstond het probleem van de Vier van Breda. In 1966 werd Lages wegens zijn slechte gezondheid op vrije voeten gesteld. Kotälla overleed in 1977 in de Koepelgevangenis te Breda, terwijl Fischer en Aus der Fünten in 1989 werden vrijgelaten. Geen ander enkel land heeft zo lang Duitse oorlogsmisdadigers gedetineerd gehouden als Nederland.

Kern van het betoog van C.F. Rüter over de berechting van oorlogsmisdadigers was dat degenen die vanachter hun bureaus oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid beraamden veel milder of in het geheel niet werden bestraft dan zij die de opdrachten daadwerkelijk uitvoerden. ( C.F. Rüter, 'De Bijzondere Rechtspleging - symbool of alibi?', Ars Aequi, Juridisch studentenblad XXI 7 (juli/augustus 1972) 346-374. )

Duitsland zelf had al in 1950 schoon genoeg van de gerechtelijke vervolgingen van landgenoten en wilde daar graag een eind aan gemaakt zien. Het land beschouwde de gevangen en veroordeelde Duitsers hier te lande als Kriegsgefängenen, wat volgens vele Nederlanders treffend het onvermogen van de Duitsers weergaf de begane misdrijven in het juiste perspectief te zien. ( Johan Willem Friso Wielenga, West-Duitsland: partner uit noodzaak. Nederland en de Bondsrepubliek 1949-1955 (Utrecht 1989) 453. ) Anderzijds realiseerde Nederland zich ook dat zijn economie ten nauwste was verbonden met die van (West-)Duitsland, waardoor enige terughoudendheid geboden leek.

De nasleep

De kwestie van de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers leek na 1952, toen de laatste Duitser was geëxecuteerd, opgelost te zijn. Wel liepen de emoties nog hoog op toen op Tweede Kerstdag 1952 zeven veroordeelde politieke delinquenten de Koepelgevangenis in Breda wisten te ontvluchten en gastvrij in Duitsland werden ontvangen, maar dat betrof Nederlanders, niet Duitsers.

In 1964 vestigden de Duitse autoriteiten de aandacht op het feit dat binnen afzienbare tijd verschillende delicten zouden zijn verjaard. Naar aanleiding daarvan maak Ben Sijes, medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, aan de hand van de archieven van BOOM en NMOO een lijst op van Duitsers, die nog nooit waren vervolgd. De lijst bevatte 307 namen, waarvan er 187 nog voor een eventuele vervolging in aanmerking kwamen. De Duitse Justitie deed onderzoek naar deze niet-veroordeelden, maar dat leverde geen resultaat op. ( Deze lijst wordt in het algemeen aangeduid als de lijst-Sijes en berust bij het NIOD; J.C.E. van den Brandhof, De besluitwetgeving van de kabinetten De Geer en Gerbrandy (Deventer 1986) 255; Jaarverslag over de periode 1980/1981. Landelijk Officier van Justitie belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinkwenten uit de tweede wereldoorlog. (Amsterdam december 1981) 46-54. )

In de loop van de jaren 1970 kwam de Tweede Wereldoorlog weer in het brandpunt van de belangstelling te staan door de maatschappelijke discussie over de vrijlating van de Drie van Breda (Lages was al in 1966 vrijgelaten), de verjaring van oorlogsmisdaden, waaromtrent in 1971 een wet verscheen en de zaak rondom Pieter Menten, die van oorlogsmisdaden in Oost-Europa werd verdacht. In 1979 stelde minister Job de Ruiter van Justitie een 'landelijk Officier van Justitie, belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten uit de Tweede Wereldoorlog' aan. Eerst was dat mr. L de Beaufort, nadien werd diens werk overgenomen door mr. P.M. Brilman. In 2001 werd mr. Marleen de Roos, verbonden aan de Rechtbank in Arnhem, met deze taak belast, waarmee het bureau in Arnhem gevestigd raakte. Daarvoor was het gehuisvest in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht in Amsterdam. ( Voor onderzoek naar de instelling van de speciale Officieren van Justitie en het Bureau van de Landelijke Officier van Justitie Oorlogsmisdrijven, zie NIOD, Collectie 281 -2 dozen (lijst-Sijes) en de jaarverslagen van de Landelijk Officier over zijn werkzaamheden; Kooijman, 'Verraders'; 225-226; Groen, Landverraad, 164. )

Uit de jaarverslagen van de Landelijk Officier, die lopen tot en met 1988 (over de periode daarna viel nauwelijks meer iets te melden) spreekt een sfeer van moedeloosheid. Het enige resultaat waarop het bureau kon bogen was dat enkele veroordeelden werden aangehouden, die kans hadden gezien hun straf te ontlopen en die nu alsnog hun gevangenisstraf moesten uitzitten. Duitsland weigerde uitlevering van eigen onderdanen en beschouwde als zodanig ook Nederlanders die in Duitse dienst waren getreden en dankzij het Führer-Erlass van mei 1943 de Duitse nationaliteit hadden verkregen.

Berechting door de Duitse autoriteiten van in Duitsland verblijvende verdachten van oorlogsmisdaden, leverde eveneens zeer weinig op. De definitie van 'moord' week daar sterk af van die in Nederland en als niet bewezen kon worden dat bepaalde misdragingen vanuit 'niedrige Beweggründe' waren begaan of 'nach allgemeiner sittlicher Anschauung verachtenswert' waren of 'heimtückisch' of 'grausam' waren uitgevoerd, volgde -en dat was in nagenoeg alle gevallen zo- ontslag van rechtsvervolging. ( Jaarverslag over de periode 1980/1981. Landelijk Officier van Justitie belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinkwenten uit de tweede wereldoorlog. (Amsterdam december 1981) passim. )

Nog steeds bestaat het bureau van de Landelijk Officier. Ook in 2001 kwam het nog in actie toen de politieke delinquent Dirk Hoogendam werd ontdekt in zijn schuilplaats nabij Frankfurt. Over enige tijd zal het bureau echt kunnen worden opgeheven omdat de generatie van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten dan is uitgestorven en ook de begane misdrijven zijn verjaard.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in