Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Jus / OMD - Zoeken: oorlogsmisdadigers

37 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.09.106
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.106
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
CC0

Periode:

1945-2002
merendeel 1950-1995

Omvang:

10,40 meter; 281 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief betreffende oorlogsmisdadigers bevat archiefbescheiden over de uitvoering van het opsporings-, vervolgings- en gratiebeleid ten aanzien van oorlogsmisdadigers en andere politieke deliquenten ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, zoals ingekomen reacties van voor- en tegenstanders op een eventuele vrijlating van de drie van Breda. Daarnaast bevat het archief stukken betreffende het verlenen van gratie aan ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten en uitspraken van de rechtbank.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Justitie, Afdeling Staats- en Strafrecht
  • Ministerie van Justitie, Directie Gevangeniswezen
  • Ministerie van Justitie, Bureau Kabinet

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Wat is een oorlogsmisdadiger en wat een oorlogsmisdrijf?
( Bron: Nationaal Archief, Oorlogsgids )
Politieke delinquenten

Als wij in het verband van de Tweede Wereldoorlog zuiver juridisch spreken van een oorlogsmisdadiger, dan wordt daar een niet-Nederlander, dus meestal een Duitser, mee bedoeld. Een oorlogsmisdadiger is iemand die de wetten en gebruiken van de oorlog overtreedt welke het handelen van een bezettende mogendheid in een bezet land regelen en aan banden leggen. Een Nederlander kan daardoor in eigen land geen oorlogsmisdrijf plegen, hij behoort immers niet tot de bezettende macht.

Nederlanders, die samenwerkten met de Duitse bezetter en daardoor soms direct en indirect verantwoordelijk waren voor doodslag, moord, brandstichting, plundering en dergelijke, werden verraders, landverraders, collaborateurs, onbetrouwbare of onvaderlandslievende Nederlanders genoemd. In het latere spraakgebruik werden en worden zij echter gemakshalve vaak eveneens aangeduid met de term oorlogsmisdadiger. Na de oorlog werden deze Nederlanders berecht onder het regime van de bijzondere rechtspleging en het tribunaalbesluit en officieel met de verzamelnaam politieke delinquenten aangemerkt. Ook de (Duitse) oorlogsmisdadigers werden vanwege de bijzondere rechtspleging vervolgd en vielen daardoor eveneens in de categorie politieke delinquenten. Hieruit volgt dat elke veroordeelde Nederlander en Duitser een politieke delinquent is, maar niet dat elke politieke delinquent een oorlogsmisdadiger is.

Spraakgebruik

De aanduiding oorlogsmisdadiger heeft dus nogal eens voor begripsverwarring gezorgd. Minister van Justitie Job de Ruiter legde het opnieuw duidelijk uit in een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 oktober 1978, waarbij de oprichting van het bureau van de 'Landelijk Officier Opsporing Oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten' werd aangekondigd. De minister gaf toe dat in het spraakgebruik dikwijls degenen die onder de bijzondere rechtspleging waren vervolgd en veroordeeld, oorlogsmisdadigers worden genoemd. Maar er moet wel degelijk onderscheid worden gemaakt tussen oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten. Juridisch gezien kunnen slechts als oorlogsmisdadigers worden aangeduid zij die oorlogsmisdrijven hebben gepleegd. En van oorlogsmisdrijven kan slechts worden gesproken als er sprake is van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog. Deze term, opgenomen in de omschrijving van oorlogsmisdrijven in artikel 6, lid 2b, van het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal van Neurenberg, is ontleend aan de tijdens de Haagse Vredesconferenties van 1899 en 1907 opgestelde verdragen met betrekking tot de wetten en gebruiken van de landoorlog. Alleen een lid van de bezettende macht kan het oorlogsrecht schenden en dus een oorlogsmisdrijf begaan. Tot zover de uitleg van de minister.

Toch is hier wel een belangrijke nuancering op zijn plaats. Nederlanders, die in dienst traden bij de SS, de Wehrmacht en andere Duitse diensten, verloren daardoor hun Nederlanderschap en werden staatloos. Krachtens een Besluit van Hitler van mei 1943 evenwel kregen deze mensen automatisch de Duitse nationaliteit, wat niet door Nederland werd erkend. Worden deze Nederlanders als Duitsers beschouwd, dan kunnen ze dus wel degelijk met de term oorlogsmisdadigers worden aangeduid en hebben ze ook inderdaad oorlogsmisdrijven gepleegd. Daaruit volgt dat dan ook over zowel Duitse als Nederlandse oorlogsmisdadigers kan worden gesproken.

Landoorlogreglement 1907

Van de vele verdragen met afspraken over de gewoonten en gebruiken in de oorlog is vooral Verdrag Nummer 4 (Verdrag inzake de wetten en gewoonten betreffende landoorlog) uit 1907 van belang. Beknopt gezegd leverde een overtreding van de hierin overeengekomen wetten en gewoonten (tezamen het oorlogsrecht vormend) een oorlogsmisdrijf op. Het oorlogsrecht regelde de verhouding tussen staten en hun onderdanen, die met elkaar in oorlog waren en gaf een aantal gedragsregels dat zowel op de strijd zelf als op de bezetting betrekking had.

In de juridische literatuur is veel aandacht besteed aan de verschillen tussen een oorlogsmisdrijf en een misdrijf tegen de menselijkheid. Dat laatste misdrijf werd pas in 1945 geformuleerd in het Handvest, behorende bij het Traktaat van Londen. Kortweg gezegd werd het verschil tussen beide misdrijven uitgemaakt door de omstandigheden, de motivaties, het getal en de zwaarte van de misdrijven.

Oorlogsmisdrijf

Een oorlogsmisdrijf (ook wel een oorlogsmisdrijf in eigenlijke of engere zin genoemd) is een handeling, tijdens een oorlog begaan, die strafbaar is omdat zij in strijd is met de wetten en gebruiken van de oorlog, vastgelegd in verschillende overeenkomsten, zoals het hiervoor genoemde Landoorlogreglement van 1907. Elke schending van het oorlogsrecht wordt in dit verband dus een oorlogsmisdrijf genoemd en zegt op zich nog niet zoveel over de ernst van een misdrijf. Het gaat vooral om misdrijven die begaan zijn 'tijdens de oorlog', waarbij 'oorlog' zo ruim mogelijk moet worden opgevat. 'Tijdens de oorlog' wil dan ook zeggen: tijdens de vijandelijkheden, waaronder ook daden begrepen worden, begaan vóór het doen uitgaan van een oorlogsverklaring en na het officieel beëindigen van een oorlog en het sluiten van vrede.

Een moord, begaan tijdens de oorlog, is niet noodzakelijkerwijs een oorlogsmisdrijf, maar kan een gewoon misdrijf in de zin van de strafwet zijn. Het doden van een gewonde tegenstander of een krijgsgevangene, daarentegen is niet in de eerste plaats een moord in de zin van de strafwet, maar een inbreuk op het oorlogsrecht en om die reden wel degelijk een oorlogsmisdrijf. Maar waar het doden in vredestijd, in het algemeen een gewoon misdrijf is, is het doden van een vijand tijdens een gevecht in oorlogstijd wel geoorloofd. Het oorlogsrecht verbiedt dan ook alleen het doden in bepáálde gevallen (bijvoorbeeld van krijgsgevangenen), en overtreding daarvan is pas een oorlogsmisdrijf.

De omvang en de gruwelijkheid van de misdrijven, bedreven tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers en hun bondgenoten, zetten de geallieerden er toe zich te beraden over de bestraffing van deze zware misdrijven na afloop van de oorlog. Het landoorlogreglement alleen voldeed in dat opzicht niet meer, vonden de geallieerde juristen. Zij hadden behoefte aan het formuleren van een volkenrechtelijk delict, waarbij de staat, in wiens handen de verdachte zich bevond, de begane delicten mocht berechten.

Tot 1945 was er ook geen regel die het een bezettende macht zoals de Verenigde Staten, die na de oorlog grote delen van Duitsland hadden bezet, toestond feiten te berechten die al vóór de aanvang van het gewapende conflict waren gepleegd of door - in dit geval- Duitsland tegen haar eigen onderdanen waren begaan. Het beginsel dat alleen recht mag worden gesproken als een wet, op het moment dat het feit gepleegd wordt, iets strafbaar stelt (het nulla poena sine lege oftewel geen straf zonder wet-principe) moest opzij worden gezet.

Misdrijf tegen de menselijkheid

Om dus toch de mogelijkheid te openen misdrijven te vervolgen waartegen geen rechtsregels bestonden toen ze werden begaan, schiep men in het Handvest bij het Traktaat van Londen van 8 augustus 1945 het zogenoemde misdrijf tegen de menselijkheid. Als een belangrijk verschil met een oorlogsmisdrijf werd bepaald dat het begane delict los van een oorlog en tegen iedereen, dus ook tegen de eigen onderdanen, kon zijn gepleegd. Cruciaal was daarbij dat het misdrijf was gebeurd in het kader van een systematische vervolging van politieke, raciale of godsdienstige aard en de betrokken overheid die vervolging duldde of zelfs leidde.

Enkele voorbeelden van misdrijven tegen de menselijkheid waren misdrijven als de uitroeiing van de joden en de moord op geesteszieken en de mishandeling van Duitse politieke gevangenen in concentratiekampen, hetgeen in vele gevallen al vóór het uitbreken van de oorlog plaatsvond. Dergelijke misdrijven waren overigens eveneens overtredingen van het Duitse Wetboek van Strafrecht, dat ook gedurende de nazi-tijd (1933-1945) van kracht bleef en waaronder later zo'n 6.300 Duitsers door West-Duitse rechters werden veroordeeld.

Vaak leidde een van tevoren uitgedachte procedure tot een misdrijf tegen de menselijkheid. Een patroon dat bijvoorbeeld te ontwaren viel bij de jodenvervolging, zag er ongeveer als volgt uit: eerst was er de propaganda, die nauw samenhing met indoctrinatie, waardoor een conflictsituatie ontstond; vervolgens werd de gelijkberechtiging van de joden als burgers ongedaan gemaakt, werden hen hun vermogens ontnomen en vond hun verwijdering plaats uit woonwijken, treinen en bussen; vervolgens werden aparte organisatievormen voor hen gecreëerd met veel invloed van de overheid en deed zich steeds meer de 'historische noodzaak' voor tot het nemen van maatregelen tegen deze groep. Zij die hiertoe niet behoorden, werden zo gedwongen een keus pro of contra te maken. De ontrechting ging ondertussen door, mede versterkt door verdere isolering en verzwakking van de groep, en mondde uit in deportatie en uitmoording. Door dat laatste kreeg de genocide het aanzien van een oorlogshandeling, gedaan uit landsbelang. Ook crimineel gedrag van bijvoorbeeld bewakers en kampoudsten werd door de overheid niet tegengegaan maar, integendeel, gestimuleerd. Zo werd bewust en beleidsmatig een misdrijf tegen de menselijkheid gepland. Dit alles had dus in werkelijkheid niet of nauwelijks iets van doen met een oorlog of met oorlogsvoering.

Aansprakelijkheid

Dat bedrijvers van dergelijke misdrijven wel degelijk individueel aansprakelijk konden worden gesteld, was al vastgelegd in het Verdrag van Versailles van 1919 en bevestigd in de Declaratie, afgelegd in St. James's Palace op 13 januari 1942 en het Traktaat van Londen van 8 augustus 1945. De tot 1919 geldende verdragen bevatten daaromtrent geen expliciete regelingen of voorschriften; veelal werden de staten verantwoordelijk gesteld, die verplicht werden tot het betalen van een schadevergoeding. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog werden zo'n 32 soorten misdrijven onderscheiden, die door de United Nations War Crimes Commission als basis werden gebruikt voor de formulering van oorlogsmisdrijven. Door die persoonlijke aansprakelijkheid van individuen werd een beroep op het 'Befehl-ist-Befehl-'principe lang niet altijd meer als excuus voor het bedrijven van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid aanvaard.

Trage berechting

In 1945 dachten de meeste Nederlanders dat oorlogsmisdadigers, collaborateurs, jodenverraders, foute politiemannen en meelopers snel zouden worden berecht. Dat gebeurde echter niet, omdat de overheid niet over het apparaat beschikte om de 450.000 dossiers van foute Nederlanders en 120.000 geïnterneerden snel te behandelen. Pas in 1951 was de berg weggewerkt.

Van de 15.000 gevonnisten kregen 190 de doodstraf op grond van de bijzondere strafwet, die direct na het einde van de oorlog werd ingevoerd. Van hen zijn 34 terechtgesteld, van de anderen is de straf omgezet in levenslang. Zo'n 50.000 delinquenten werden veroordeeld tot boetes of internering. Van bijna 90.000 anderen werd de zaak ''administratief'' afgehandeld, dat wil zeggen dat ze ontzet werden uit hun burgerrechten en tijdelijk onder toezicht werden gesteld. Velen werden echter veroordeeld bij verstek of hun zaak werd heropend, waardoor opsporing en vervolging tot nog tientallen jaren voortduurt.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in