gahetNA in het Nationaal Archief

Isp. Militair Onderwijs - Zoeken: militair

75 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.13.62.02
H.H. Jongbloed
Nationaal Archief, Den Haag
1990
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.13.62.02
Auteur: H.H. Jongbloed
Nationaal Archief, Den Haag
1990
CC0

Periode:

1840-1913

Omvang:

2,90 meter; 31 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Speciale Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs bevat onder ander inspectierapporten, brievenboeken, naamlijsten van KMA-kadetten en "belangrijke stukken". Deze belangrijke stukken zijn nader omschreven in een bijlage. Het archief van de Inspecteur van het Militair Onderwijs bevat agenda's van ingekomen en uitgaande (geheime)stukken en een verslag van de Staatscommissie voor de reorganisatie van het militair onderwijs bij de landmacht.

Archiefvormers:

  • Inspecteur van het Militair Onderwijs, 1878-1913
  • Speciale Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs, 1840-1866

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

I n l e i d i n g
Institutionele geschiedenis in hoofdlijn

Bij Koninklijk Besluit (KB) van 25 mei 1826 nr. 27 werd, behalve de oprichting van de Koninklijke Militaire Academie (KMA) (

Voor de KMA zie: Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Inventaris van de archieven van de Koninklijke Militaire Akademie te Breda 1828-1941, de Hoofdcursussen te Kampen en 's-Hertogenbosch 1878-1923, de Cadettenschool te Alkmaar 1892-1924, en toegevoegde (fragment-)archieven 1816-1829, Den Haag 1989.

), de instelling van de Commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs gedekreteerd (

Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archieven van de Algemeene Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings met daarbij gedeponeerde archieven over 1813-1840, inv. nr. 2499.

)
. De bij dit KB genomen maatregelen waren het gevolg van de aanbevelingen van de bij KB van 13 december 1822 nr. 1 ingestelde kommissie tot het doen van aanbevelingen omtrent de inrichting van het militair onderwijs (

Zie ARA-2, KMA enz., inl. p. 17/18.

)
. De zeven leden tellende Commissie van Inspectie werd gesteld onder voorzitterschap van lt.gen. J.V. de Constant Rebecque, dezelfde die de kommissie van 1822 had voorgezeten. De taak van de Commissie van Inspectie werd summier omschreven: toezicht op 's Rijks militaire opvoedings- en wetenschappelijke inrichtingen.

Bij het reglement van de KMA, vastgesteld bij KB van 27 november 1827 nr. 159, werd aan de Commissie van Inspectie een concrete taak toebedeeld: aanwezigheid bij het afnemen van eindexamens aan de KMA (

ARA-2, KMA etc., inv.nr. 145.

). Vervolgens werd de kommissie bij KB van 15 december 1827 nr. 120 (

Staatssecretarie, inv. nr. 2877.

)
, eervol ontslagen. Een nieuwe gelijkwaardige kommissie werd niet samengesteld. Wel werd bij laatstgenoemd KB een "speciale commissie" tot waarneming van de taak inzake het KMA-eindexamen voorzien.

Het laat zich aanzien dat deze konstruktie tot 1840 is blijven bestaan, maar het is niet duidelijk of er jaarlijks een ad hoc kommissie werd benoemd, dan wel of over meerdere jaren steeds dezelfde kommissie optrad. Bij KB van 16 april 1840 nr. 97 (

Staatssecretarie, inv. nr. 4584.

) werd in die zin een wijziging aangebracht, dat er een vaste "Speciale Commissie" in het leven werd geroepen.

In 1857 werd de bij de KMA bestaande Raad van Examen, reeds kompetent voor het afnemen van overgangsexamens, eveneens belast met het afnemen van de eindexamens. De speciale kommissie had sindsdien geen bemoeienis meer met het KMA-eindexamen buiten haar algemene toezichthoudende bevoegdheid (

ARA-2, KMA etc., p. 14/15.

). Bij KB van 6 maart 1867 nr. 55 werd de speciale kommissie vervolgens opgeheven (

Kabinet des Konings, inv. nr. 1654.

)
.

In het bredere kader van reorganisaties van het militair onderwijs werd bij KB 14.3.1878 nr. 15 (Sb. 17) de funktie van Inspecteur van het Militair Onderwijs ingesteld. Bij KB van 26 april 1878 nr. 14 volgde de instruktie voor deze funktionaris (

Recueil Militair bevattende de wetten, besluiten en orders betreffende de Koninklijke Nederlandsche Landmagt (voortaan: RM) 1878 II p. 68.

). Deze stelde de Inspecteur onder onmiddellijk bevel van de minister van Oorlog en belastte hem met het toezicht over de Krijgsschool (

Zie noot 15.

)
, de KMA en de militaire scholen. Dat toezicht diende hij uit te oefenen met inachtneming van de noodzakelijke zelfstandigheid van de hoofden van die onderwijsinstellingen. Hij diende de minister van advies over alle onderwerpen van lager, middelbaar en hoger onderwijs bij het leger en was bevoegd tot het vragen van alle opgaven en verslagen van de hoofden van de onderwijsinstellingen. Hij had de bevoegdheid tot inspektie. Bepaald werd, dat de inzending van alle rapporten, voorstellen en konduitelijsten door de hoofden der onderwijsinstellingen aan minister diende te geschieden door tussenkomst van de Inspecteur. Deze diende jaarlijks een algemeen verslag uit te brengen over de toestand van de instellingen van militair onderwijs. De Inspecteur werd belast met het voorzitterschap van de jaarlijks te benoemen kommissie die de KMA inspekteerde, met het voorzitterschap van alle kommissies tot het afnemen van examens voor het verkrijgen van de officiersrang, alsook met het voorzitterschap van examenkommissies aan de Krijgsschool.

Beperkte wijzigingen in positie en instruktie van de Inspecteur van het Militair Onderwijs werden van kracht als gevolg van het KB van 24 juli 1880 (

RM 1880 I p. 282.

). Ingrijpender was, dat bij KB van 1 juni 1886 nr. 9 (

RM 1886 p. 126.

)
de hele funktie werd opgeheven, vermoedelijk als gevolg van bezuinigingen. Het toezicht over de tweede afdeling van de Krijgsschool werd opgedragen aan de Chef der Generale Staf, dat over het onderwijs bij de infanterie en artillerie aan de Inspecteurs van die wapens.

Bij de wet van 21 juli 1890 Sb. 126 tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht volgde herstel van de betrekking (

RM 1890 p. 286 e.v.

). Bij KB van 25 mei 1891 Sb. 98 (

RM 1891 p. 145.

)
werd opnieuw een instruktie voor de Inspecteur van het Militair Onderwijs vastgesteld. De Inspecteur was jegens de minister verantwoordelijk voor de gang van zaken bij de Hogere Krijgsschool, KMA, Hoofdcursus, Cadettenschool en de kursussen bij de infanterie (

Zie voor KMA, Hoofdcursus, Cadettenschool en cursussen bij de infanterie: ARA-2, archieven KMA etc. Voor de Hogere Krijgsschool: Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archief van de Hogere Krijgsschool en voorgangers (1868)1891-1940, Den Haag 1986.

)
. De hoofden van die instellingen werden opnieuw gesteld onder de direkte bevelen van de Inspecteur, die de noodzakelijke zelfstandigheid van die hoofden in acht diende te nemen. De Inspecteur diende toe te zien op de regeling van het onderwijs, met bijzondere aandacht voor het verband tussen voor- en (militaire) vakopleidingen, aanpassing van het onderwijs aan veranderende eisen, begrenzing van de leerstof der studievakken, oordeelkundige verstrekking van het onderwijs, en praktische vorming. Hij kon voorstellen en mededelingen in het belang van de onderwijsinstellingen en de (hogere) vorming van officieren aan de minister doen. Opnieuw werd de bevoegdheid tot inspektie verleend, die zich dienden te richten op: de uitkomsten van het theoretisch en praktisch onderwijs; opvoeding, karaktervorming, ijver en gedrag der leerlingen; de regeling van de inwendige, huishoudelijke en administratieve dienst; de verpleging en verzorging; de toestand van het materieel en de leermiddelen, gebouwen, lokalen en terreinen; de geschiktheid officieren- en burgerleraren voor hun taak. De Inspecteur behoorde een jaarlijkse begroting in te dienen, met voorstellen voor herstel en verbeteringen aan gebouwen en terreinen van de onderwijsinstellingen. Binnen zijn nader omschreven bevoegdheid kon hij op voorstellen, aanvragen, verzoeken en voordrachten van de hoofden der instellingen beslissen, zaken buiten zijn bevoegdheid diende hij door te zenden aan de minister. Van zijn gestie diende hij jaarlijks verslag uit te brengen. De Inspecteur werd belast met het voorzitterschap van de jaarlijks te benoemen examenkommissies bij de Hogere Krijgsschool.

Hernieuwde instruktie voor de Inspecteur kwam af bij KB van 4 dec 1909 Sb 376 (

RM 1909 p. 158.

), zonder dat inhoudelijk veel aan de taak werd gewijzigd. De inspecteurs zetten hun werkzaamheden met deze instruktie voort tot de opheffing van de betrekking per 1 april 1925 (

Legerorders bevattende wetten, besluiten, ministerieele beschikkingen, kennisgevingen en mededeelingen van belang voor de Nederlandsche Landmacht 1925 nr. 225, circulaire van de minister van Oorlog van 20 juni 1925 Ie afd. nr. 9.

)
.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in