gahetNA in het Nationaal Archief

Consulaat-Generaal Kaapstad - Zoeken: kaapstad

260 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.05.125
R. Spork
Nationaal Archief, Den Haag
1984
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.125
Auteur: R. Spork
Nationaal Archief, Den Haag
1984
CC0

Periode:

1938-1956

Omvang:

6,00 meter; 216 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van het Consulaat-Generaal in Kaapstad bevat de agenda’s van de ingekomen post, alsmede documenten van organisatorische en protocollaire aard. Daarnaast zijn er archivalia die voortvloeien uit handelsbetrekkingen, economische activiteiten, migratie en culturele aangelegenheden. Verder zijn er bescheiden aanwezig aangaande de oorlogsomstandigheden als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, de bezetting van Nederland en de installatie in 1942 van de Militaire Missie te Pretoria. Daaronder bevinden zich stukken betreffende (de)mobilisatie en de inzet van dienstplichtigen (incl. persoonsdossiers), de persoonsdossiers van voornamelijk vrouwelijke vrijwilligers voor de bevrijding en wederopbouw en enige stukken betreffende de politieke betrouwbaarheid van landgenoten. Voorts zijn er rapporten van de officieren belast met handelsbescherming, enkele bescheiden m.b.t. de evacuatie van de marinebasis Soerabaja naar Simonstown en stukken in relatie tot de waarneming van het Duitse consulaat tijdens de oorlog.

Archiefvormers:

  • Consulaat te Kaapstad (1938-1950)
  • Consulaat-Generaal te Kaapstad (1950-1956)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Eerste Nederlandse vertegenwoordiging te Kaapstad

In 1652 legde Jan van Riebeeck met de bouw van een fort aan de Tafelbaai de grondslag voor Zuid-Afrika 's oudste stad, Kaapstad.

Van de aanvang af was Kaapstad de hoofdstad van de Kaapkolonie, de zetel van de verschillende Hollandse en Britse gouvernementen en later van het parlement van de Unie van Zuid-Afrika.

Tijdens de parlementszitting, meestal gehouden van januari tot juni, verblijven de regering en de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigers te Kaapstad.

Reeds in 1857 (bij K.B. N° 45 van 25 maart) werd een consul der Nederlanden voor Kaapstad en de Oostelijke bezittingen benoemd. Bij K.B. N° 70 van 17 juli 1859 werd, buiten bezwaar van 's lands schatkist, een consul-generaal benoemd wiens ressort alle Britse bezittingen in Zuid-Afrika omvatte. Vanaf 1892 werden de Nederlandse consulaire ambtenaren te Kaapstad bezoldigd (

Register van onbezoldigde consulaire ambtenaren, deel 3 fol. 99

).

Verheffing van het Consulaat te Kaapstad tot Consulaat-Generaal en uitbreiding van het ressort

Ruim een halve eeuw later bij K.B. N° 49 van 31 augustus 1950 werd het consulaat verheven tot een consulaat-generaal.

Aan het ambtsgebied van het consulaat-generaal, dat alleen de Kaapprovincie omvatte, werden toegevoegd Oranje Vrijstaat, Basutoland (een Brits protectoraat waarvoor de Britse autoriteiten het exequatur verleenden) en Zuid West Afrika, terwijl de magistraatsdistricten Matatiele, Mount Currie en Umzimkulu (tot dusverre onder Kaapstad ressorterend) werden gevoegd bij het ressort van het consulaat te Durban.

Onder het consulaat-generaal te Kaapstad ressorteerden reeds de vice-consulaten te Kimberley, Oost-Londen en Port Elizabeth. Daar kwamen nu dus bij het vice-consulaat te Swakopmund en de consulaten te Windhoek en Bloemfontein.

Opeenvolgende Nederlandse vertegenwoordigers te Kaapstad (1938-1956)

Het in deze inventaris beschreven archief van het consulaat (-generaal) te Kaapstad 1938-1956, vormt voornamelijk de neerslag van de administratie van de navolgende personen:

G.R.G. van Swinderen

G.R.G. van Swinderen (geb. 2-8-1906 te Groningen; overleden 1954) was niet afkomstig uit de consulaire of diplomatieke dienst.

Van 1 januari 1935 tot 1 juni 1936 werkte hij bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en daarna tot 1 augustus 1938 bij het departement van Economische Zaken.

In 1938 volgde hij, bij K.B. N° 61 van 15 september, A. Merens op als gezantschapssecretaris belast met de waarneming van het consulaat te Kaapstad.

In 1939, na de oorlogsverklaring van Groot-Brittannië aan Duitsland, verklaarde Zuid-Afrika op voorstel van generaal Smuts eveneens de oorlog aan Duitsland.

De belangen van de Duitse regering in Zuid-Afrika werden vanaf die tijd (tot 10 mei 1940) behartigd door de vertegenwoordigers van de Nederlandse regering aldaar. Bij de extra werkzaamheden die dit met zich meebracht werd G.R.G. van Swinderen geassisteerd door de heer H. Estarippa (

Zie inv.nr. 201

).

In december 1943 volgde de overplaatsing van Van Swinderen naar het consulaat-generaal te New York. Deze overplaatsing was voor de besturen van het Algemeen Nederlandsch Verbond, de Hollandsche Kring, de Nederlandsche Club, het Studiegenootschap voor Nederlandse Belangen en de Groep Personeel van het Marine-Etablissement Soerabaja aanleiding om de gezant te Pretoria het volgende te schrijven:

"(...) In de vijfjarige ambtsperiode alhier hebben Jhr. van Swinderen en zijne echtgenote zich een warme plaats in de harten van velen weten te veroveren.

In de zoo moeilijke oorlogsjaren hebben de Heer en Mevrouw van Swinderen, niet alleen de gemeenschap tot een hechtere eenheid gevormd, maar door zijn voorbeeld en energie velen voor de Nederlandsche zaak geïnspireerd, zoowel ten behoeve van onze strijdende landgenooten voor de bevrijding van ons Vaderland, als wat betreft de taak, die ons voor de opbouw na den oorlog beschoren zal zijn (...)" (

Archief van het Gezantschap/de Ambassade te Pretoria, Code 0 t/m 999, 1945-1954. Code 131.5 map 181 Gezantschapssecretaris G.R.G. van Swinderen, brief van 10 januari 1944

).

Met zijn aanstelling te New York trad Van Swinderen definitief toe tot de beroepsconsulaire dienst.

N.A.C. Slotemaker de Bruïne

Dr. N.A.C. Slotemaker de Bruïne (geb. 23-7-1895 te Ooststellingwerf; overleden 1969) werd bij K.B. N° 80 van 28 maart 1952 benoemd tot consul-generaal te Kaapstad.

Sedert 1959 was hij deken van het consulaire corps. In 1960 bood hij zijn ontslag aan uit de Buitenlandse Dienst in verband met zijn 65e verjaardag. Zijn pensionering volgde in 1961 (

Zie ook de inleiding van de inventaris van het archief van het consulaat-generaal te Kaapstad 2e blok

).

De Nederlandse gemeenschap

De Nederlandse kolonie te Kaapstad bestond in 1954 uit 1540 ten consulaat geregistreerde personen (

Archief Code 1, DBD 1945-1954. 10 Zuid-Afrika/Kaapstad Postreports deel I, 1953-1954

). Daar niet alle Nederlanders zich lieten inschrijven was het werkelijke getal veel groter (± 2250 personen). Rekent men ook de oud-Nederlanders (zij die de Zuid-Afrikaanse nationaliteit hadden aangenomen) mee, dan bestond de gemeenschap naar schatting uit 3000-3500 personen.

Te Kaapstad waren verschillende Nederlandse verenigingen actief. Van de volgende drie verenigingen was de consul-generaal ere-voorzitter:

De afdeling Kaapstad van het Algemeen Nederlands Verbond (opgericht in 1903) hield lezingen over onderwerpen van culturele aard en organiseerde uitstapjes.

De Hollandse Kring (sinds 1933) stelde zich de bevordering van het gezelligheidsleven ten doel.

De Nederlandse Club werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in het leven geroepen en verschafte een open huis met name aan Nederlandse zeelieden die Kaapstad bezochten. Vanf 1945 ontving de Club geen regeringssubsidie meer, maar werd in gereorganiseerde vorm toch in stand gehouden. Zij fungeerde als ontmoetingsplaats voor zo 'n 500 Nederlanders en 700 Engels of Zuid-Afrikaans sprekende Zuid-Afrikaanse burgers.

Naast genoemde drie verenigingen bestond sinds 1938 de Hollandsche Katholieke Vereniging St Dominicus, die zich ten doel stelde het geestelijk welzijn onder katholieke Nederlanders in Kaapstad en omstreken te bevorderen.

Een vooraanstaand lid van de Nederlandse gemeenschap was de auteur J. Greshoff (sinds 1939 in Zuid-Afrika). Hij raakte bevriend met Van Swinderen, met wie hij dagelijks koffie dronk in Markham's en later in de -volgens Jan Greshoff zeer gezellige- Nederlandse Club (

Sjoerd van Faassen (red.), J. Greshoff en Leo Vroman Brieven over en weer. Amsterdam 1977, blz. 19 en 38

). Bij hen voegden zich vaak De Graaff (van de Nederlandsche Bank), Bijker (van Cape Steel), Boosman (officier van de handelsbescherming), Kretschmar van Veen (de Nederlandse Club) e.a.

In 1940 bracht Van Swinderen Greshoff in kontakt met Leo Vroman die (gevlucht uit Nederland) op weg was naar Indië en zijn reis enkele dagen onderbrak voor een rustpauze te Kaapstad. Tussen hen ontstond een vriendschap die resulteerde in een uitvoerige briefwisseling bijgehouden tot in 1969, toen Greshoff door een tremor geplaagd niet meer zelf kon schrijven.

Eveneens in 1940 op weg naar Zuid-Afrika, zij het niet op doorreis maar met de bedoeling zich daar te vestigen, was de auteur H. Marsman. Greshoff had reeds een fonds gesticht ter ondersteuning van Marsman en zijn vrouw, die van alle inkomsten waren afgesneden. Het schip waarop zij zich bevonden werd echter getorpedeerd (

Zie inv.nr. 71

).

De militaire missie te Pretoria

In 1941 ging de Nederlandse regering over tot het recruteren van Nederlandse dienstplichtigen verblijvend buiten Groot-Brittannië, het door de Duitsers veroverde Nederlandse gebied en de Nederlandse koloniën. Daartoe werd het Koninklijk Besluit N° 9 van 28 februari 1941 uitgevaardigd waardoor alle in Zuid-Afrika aanwezige mannelijke Nederlanders geboren tussen 1-1-1904 en 1-1-1922 werden ingelijfd bij de Nederlandse strijdkrachten. Ter uitvoering van dit besluit zond de Nederlandse regering in 1941 een Militaire Missie naar Pretoria. Deze bestond uit vier personen, te weten: de gepensioneerde schout-bij-nacht J. Bosma, luitenant-kolonel dr. C.F. Koch, eerste-luitenant ir. W.M. Reuhl en kapitein-luitenant ter zee A. Boosman, die reeds vanaf 1940 als nautisch adviseur (later officier van de handelsbescherming) werkzaam was bij het consulaat te Kaapstad. Zie onder.

Het was de taak van de Missie d.m.v. doelmatige propaganda het dienstnemen bij de Nederlandse strijdkrachten in Groot-Brittannië of Canada en later ook in Nederlans-Indië te bevorderen. Men beschikte in eerste instantie namelijk niet over sancties om het dienstnemen bij de Nederlandse strijdkrachten af te dwingen. Wel werd aan dienstweigeraars iedere vorm van consulaire bijstand onthouden.

Vanaf 1942 beschikte men over de mogelijkheid dienstweigeraars naar Suriname te deporteren, waar zij werden geïnterneerd en berecht door een krijgsraad.

Voor op grond van hun religieuze overtuiging erkende dienstweigeraars bestond de mogelijkheid om administratieve werkzaamheden te verrichten in Groot-Brittannië.

Van de Nederlandse consuls in Zuid-Afrika werd verlangd, dat zij medewerking zouden verlenen aan de verschillende maatregelen betreffende het oproepen van dienstplichtigen, zoals het registreren van dienstplichtigen, het verzenden/doorzenden van formulieren inzake de keuring van dienstplichtigen, idem van aanvraagformulieren voor kostwinnersvergoeding.

De gezantschapssecretaris Van Swinderen en zijn opvolgers werden bij de uitvoering van deze werkzaamheden o.a. geassisteerd door sergeant-majoor J. Kalis.

In het ressort van het consulaat te Kaapstad bedroeg het aantal dienstplichtigen in 1943 ongeveer 375 personen (

Zie inv.nr. 170

).

De Militaire Missie te Pretoria werd 1 september 1947 opgeheven. De heer J.M.J. Noordendorp, die waarnemend chef van de Missie was, werd aan het gezantschap te Pretoria toegevoegd als hoofd van een militair bureau belast met de afwikkeling van talrijke zaken, meest van comptabele aard (leningen, onderstanden, pensioenen).

In verband met de aanwezigheid van oud-militairen in het ressort was ook de consul (-generaal) te Kaapstad nog jaren lang belast met de afhandeling van bovengenoemde zaken.

Het marine-etablissement Soerabaja

In maart 1942 werd als gevolg van de Japanse bezetting van Java het marine-etablissement Soerabaja geëvacueerd naar Simonstown in Zuid-Afrika.

Het etablissement ressorteerde onder de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en werd tijdelijk opgenomen in de "Naval Dockyard" te Simonstown en de Zuid-Afrikaanse oorlogsindustrie.

Het consulaat te Kaapstad verleende hulp bij de behartiging van de persoonlijke belangen van het personeel van genoemd etablissement.

De handelsbeschermingsofficieren

In 1940 werd luitenant ter zee A. Boosman als nautisch adviseur geplaatst bij het consulaat te Kaapstad ten einde koopvaardij-aangelegenheden te behandelen verband houdend met de oorlogstoestand en dus niet behorend tot de rechtstreekse en gebruikelijke werkzaamheden van de consuls (

Zie inv.nr. 194

).

Hij stond onder de orders van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten in Europa, de Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië en de oudst-aanwezend Zee-officier te Curaçao.

Na de val van Nederlands-Indië (voorjaar 1942) werd de dienst van de handelsbescherming gereorganiseerd. De verschillende handelsbeschermingsofficieren (HBO's) kwamen te ressorteren onder het hoofd van de handelsbescherming (HHB) te New York C.H. Brouwer. Deze was lid van de Nederlandse Commissie der Missie voor Economische, Financieele en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk voor het Westelijk Halfrond. De benaming "nautisch adviseur" werd vervangen door die van "officier van de handelsbescherming". De HBO A. Boosman werd in oktober 1942 overgeplaatst naar Durban. De HBO te Durban, E.B. Willemstijn, werd overgeplaatst naar Kaapstad en kwam rechtstreeks onder bevel te staan van A. Boosman.

Over de positie van de aan het consulaat toegevoegde HBO's ontspon zich een uitvoerige discussie tussen Buitenlandse Zaken en Marine, nadat sommige consulaire ambtenaren hun ongenoegen hadden geuit over het al te zelfstandig optreden van de HBO's.

Buitenlandse Zaken zwichtte voor de opvatting van Marine, dat het "met het oog op het militaire karakter der Handelsbescherming de voorkeur verdiende voortaan HBO's niet aan consulaire ambtenaren, die civiele autoriteiten zijn, toe te voegen" (

Albert Kersten, Buitenlandse Zaken in Ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945. Alphen aan den Rijn 1981, blz. 156

). De HBO's kregen een meer zelfstandige positie.

Dit had tot gevolg, dat een groot deel van de belangenbehartiging van individuele schepelingen door de consuls uit handen werd gegeven aan de HBO's, die de neiging hadden deze belangen ondergeschikt te maken aan het in de vaart houden van schepen krachtens de toen geldende vaarplicht (

Albert Kersten, Buitenlandse Zaken in Ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945. Alphen aan den Rijn 1981, blz. 157

).

De post van HBO te Kaapstad werd met ingang van 1 oktober 1945 opgeheven.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in