gahetNA in the National Archives

Schim van der Loeff - Zoeken: jodenvervolging

3 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.21.389
J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
2010
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.389
Auteur: J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
2010
CC0

Periode:

1923-1998

Omvang:

1,10 meter; 239 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands, enkele in het Engels, in het Frans en in het Italiaans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, een enkele maal aangevuld met fotokopieën. Twee fotonegatieven in toegangnr. 39.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Mr. G.L. Schim van der Loeff was advocaat in bezettingstijd. Het merendeel van het archief bevat een door hemzelf gevormde selectie van stukken betreffende zijn werk als strafpleiter voor Duitse rechtbanken in bezet Nederland, aangevuld met documentatie betreffende het verzet en herdenking van de oorlog. Het archief bevat daarom belangrijke aanvullende oorlogsdocumentatie, te meer daar de dossiers van het justitiële apparaat voor een groot deel door de bezetter zijn vernietigd.

Archiefvormers:

  • Schim van der Loeff, G.L. (1915-1996)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Context: De rechtspraak en de positie van de strafadvocaat tijdens de bezetting

Een groot deel van het archief betreft de werkzaamheden van Schim van der Loeff als strafpleiter voor speciale tijdens de bezetting werkzame rechtbanken en als bemiddelaar bij Duitse autoriteiten. De rechtbanken waarvan hier sprake is zijn ingesteld door Seyss Inquart, rijkscommissaris voor de bezette gebieden, daarin bijgestaan door zijn Generalkommissar für Verwaltung und Justiz Friedrich Wimmer. Bij verordening van 8 juni 1940 (VOB 1940, p. 26-27) kregen de krijgsraden te velde van de Duitse Wehrmacht de bevoegdheid recht te spreken over misdaden, begaan tegen de Wehrmacht, haar leden, haar gebouwen en inrichtingen. Deze bevoegdheid, normaliter tijdens bezetting bedoeld tegen mogelijke franc-tireurs, werd ruim geïnterpreteerd: alle zaken die de Wehrmacht in gevaar konden brengen vielen daaronder, dus nagenoeg alle verzetshandelingen, zoals sabotage, spionage, maar ook overtredingen van door de Wehrmacht geïnspireerde bevelen en verboden. Een gelijkaardige bevoegdheid kreeg het SS- und Polizeigericht X in Den Haag (vanaf februari 1944 in Velp) voor misdaden tegen SS-ers of tegen politieagenten. De vonnissen van deze krijgsraden en het SS- und Polizeigericht konden gelijk staan aan die voor deserteurs in oorlogstijd: de doodstraf. Krijgsraden hadden de bevoegdheid Nederlandse advocaten de toegang tot het proces te ontzeggen, wanneer naar hun oordeel door de openbaarheid van het proces de belangen van het Duitse Rijk werden geschaad. Rechtsbijstand kreeg de verdachte dan van een Pflichtverwalter, die door de rechtbank werd aangewezen.

Bij verordening van 17 juli 1940 stelde Seyss Inquart twee Duitse rechtbanken in, het Deutsches Landesgericht en het Deutsches Obergericht in den besetsten niederländischen gebiete (, die zaken konden behandelen tegen Duitsers of "personen van daaraan gelijkgestelde nationaliteit", delicten tegen het Groot-Duitse Rijk, het Duitse volk, de NSDAP en haar instellingen.. Verder mochten zij recht spreken over gevallen van "plundering" en voor het algemeen belang gevaarlijke misdrijven (gemeingefärhliches Verbrechen), bijvoorbeeld het in gevaar brengen van de voedselvoorziening. Deze instanties mochten dus ook tegen Nederlanders recht spreken, met voorbijgaan van de Nederlandse rechterlijke instanties Bij het Landesgericht vonniste één rechter, die aanvankelijk slechts gevangenisstraffen lager dan vijf jaar mocht opleggen; vanaf 21 mei 1942 was de rechtsmacht van het Landesgericht uitgebreid tot alle vonnissen behalve levenslang of de doodstraf. Ook kon het Landesgericht zonder zitting vonnissen uitvaardigen in de vorm van Strafbefehle, waartegen dan bezwaar kon worden aangetekend (VO 56/42) . Bij het Obergericht besliste een kamer; dit gerecht had de bevoegdheid doodstraffen uit te spreken. Tegen uitspraken van het Landesgericht was beroep mogelijk bij het Obergericht, tegen uitspraken van het Obergericht was geen beroep mogelijk. Het Obergericht werd voorgezeten door een Duitser, de processen werden in het Duits gevoerd. Een verdachte die de taal niet machtig was en tijdens de procesvoering het slachtoffer werd van een onbetrouwbare tolk, kon slechts proberen door een verzoek om genade herziening van zijn vonnis te verkrijgen. Het werd nog erger als het Obergericht bij bepaalde politieke delicten als Sondergericht optrad: dat was een vorm van snelrecht, waarbij binnen 24 uur na een dagvaarding (normaal was dat een week) een rechtszitting kon houden.

Ook andere instanties konden straffen opleggen, zoals de plaatselijke politiepresident bij verkeersovertredingen de crisiscontroledienst of de Finanzdienst bij economische delicten. Omdat dit veelal administratieve maatregelen waren, kon in sommige gevallen met succes bezwaar worden aangetekend bij het Landesgericht.

De door Seyss Inquart ingestelde rechtbanken waren niet onafhankelijk. Het gehele rechtsstelsel werd namelijk gezien als een instrument ter verdediging van het Duitse Rijk tegen zijn tegenstanders, en misdadigers werden daaronder gerekend. De Rijkscommissaris had de bevoegdheid rechters te benoemen en te ontslaan; een rechter werd dus niet voor het leven benoemd, maar kon worden beoordeeld als een ambtenaar - volgens door Wimmer en Seyss-Inquart te stellen aanwijzingen in de geest van de Führer. In de praktijk betekende ontslag, zeker vanaf 1941, inlijving in de Arbeitseinsatz. Ook had de Rijkscommissaris rechtstreeks invloed op de rechtsgang. Misdrijven moesten bij hem worden aangemeld; hijzelf of zijn Generalkommissar für Verwaltung und Justiz wees dan de rechtbank aan die het oordeel moest vellen. In de praktijk betekende dit onzekerheid voor de verdachte en met name voor zijn naaste verwanten of advocaten, soms tot aan de procesdag. Dit laatste gebeurde regelmatig wanneer Seyss-Inquart of Wimmer vonden dat er een krijgsraad moest worden ingeschakeld. Tenslotte had dit duo de bevoegdheid - soms door de Führer opgelegde plicht - een vonnis van het Landes- of Obergericht te vernietigen. In dat geval moest er een nieuw proces gevoerd worden aan de hand van een door de Rijkscommissaris gedicteerde motivatie voor het vonnis.

Niet alleen strafrechtelijke vervolging kon reden zijn voor arrestatie en gevangenzetting. In Nederland werden ook de wet zum Schütz vom Volk und Staat (Reichsgesetzblatt 28 februari 1933 p. 83) toegepast, die in Duitsland thans nog steeds van kracht is. Personen, die een gevaar zijn voor de staat, kunnen hierdoor gevangen worden gehouden totdat het gevaar geweken is, zij zijn dan in Schützhaft gesteld. In theorie kan een Schütshaftbefehl voor een beperkte termijn gelden. In de praktijk van het Derde Rijk betekende dat een permanent proces van "heropvoeding door arbeid" in een concentratiekamp. De Geheime Staatspolizei (Gestapo) en de Sicherheitsdienst vaardigden daarvoor een Schütshaftbefehl uit, dat door de politie werd uitgevoerd zonder dat nabestaanden daarvan in kennis werden gesteld. Op den duur bleek dat voor specifieke antinationaalsocialistische handelingen als jodenhulp Schützhaft werd toegepast. Zelfs tijdens of na een proces kon de Duitse politie nog een verdachte abtrennen en alsnog in Schützhaft houden. Nederlandse concentratiekampen als Vught en Amersfoort waren overigens ook in gebruik bij langdurig voorarrest.

De advocaat

Werd een advocaat dus met een arrestatie geconfronteerd, dan moest hij eerst achterhalen of er sprake was van aanklacht en een proces. Tegen Schützhaft kon een advocaat niets anders dan bemiddelen voor mogelijke correspondentie of steun. Voor inlichtingen was hij afhankelijk van de medewerking van de Sachbearbeilter van de arrestant, meestal de rechercheur die het onderzoek leidde. Met hem bleef hij in contact totdat het proces voorkwam - of totdat bleek dat de Sicherheitsdienst de arrestant alsnog naar een kamp had afgevoerd. Via deze Sachbearbeilter kon de verdachte een volmacht opstellen waarbij de advocaat voor de rechtbank als zijn vertegenwoordiger kon optreden - mits althans deze rechtbank dat toeliet - bezoekafspraken proberen te maken, te achterhalen welke rechtbank Seyss Inquart wilde aanwijzen en processtukken te bemachtigen. Dat laatste bleek vaak moeilijk. Schim van der Loeffs Amsterdamse collega M.G.Th. Keune zegt van het over het algemeen behoorlijk functionerende Landesgericht: "processtukken kreeg je zelden" (

Van Bijlaarsdam p. 432.

).Slechts sporadisch slaagde een advocaat erin de verdachte uit de dodelijke klauwen van een krijgsraad te krijgen. Met name de krijsgraden van de Luftgau waren berucht omdat ze elke verdachte a priori als een te executeren volksvijand behandelden, en er openlijk blijk van gaven dat een strafproces voor hen een zinloze formaliteit was.

Na een eenmaal geveld vonnis kon de advocaat slechts door middel van een genadeverzoek aan de Rijkscommissaris proberen iets aan de zaak af te doen. Veelal was dat vergeefs. Alleen bij veroordelingen tot boete slaagde Schim van der Loeff erin om langs deze weg betaling van gedeelten in termijnen te bedingen en daarmee te voorkomen dat een veroordeelde door liquiditeitsproblemen in een Duits tuchthuis belandde, om daar onder streng regime tien uur per dag dwangarbeid te verrichten..

Met Hitlers Terror-und-Sabotage-Erlass van 30 juli 1944 kwam een einde aan de Duitse militaire strafrechtspraak over niet-militairen, wat feitelijk betekende dat deze procedure door standrecht werd vervangen. De eenheden van de Sicherheitsdienst opereerden op eigen inzicht volgens een door hun hoofd uitgevaardigd Niedermachingsbefehl van 11 september. Aan het einde van 1944 viel ook de rechtspraak van het Landesgericht en het Obergericht stil.

Geschiedenis van de archiefvormer en zijn archief

Gerard Leonard Schim van der Loeff werd op 26 februari 1915 in Den Haag geboren. In 1933 behaalde hij het diploma Gymnasium-ß, waarna hij rechten studeerde in Leiden. In 1938 behaalde hij zijn doctoraal examen, waarna hij zich als advocaat in Den Haag vestigde. Hij werd bestuurslid van De jonge balie, waar door kennisuitwisseling de advocatenpraktijk werd verbeterd en mogelijk ook werd gediscussieerd over de ethiek van het vak. Dat was nodig, want de rechtspraktijk werd voor een groot gedeelte gedicteerd door het regime van de bezetter. Van 1945 tot 1949 diende hij als reserveofficier bij de artillerie van het Koninklijke Nederlandsch-Indische Leger op West-Java. Na de soevereiniteitsoverdracht gerepatrieerd als reservemajoor kreeg hij een betrekking van de Afdeling Procedures bij het Nederlands Beheersinstituut. dat weldra werd geliquideerd. In 1952 hervatte hij zijn advocatenpraktijk in Den Haag. In 1960 werd hij deelgenoot van een advocatenkantoor in scheepvaartaangelegenheden in Rotterdam, waaruit hij zich in 1981 terugtrok om zaken uit zijn oude praktijk in Den Haag af te wikkelen. In 1986 trok hij zich definitief terug als advocaat. Hij overleed op 16 februari 1996. Zijn laatste jaren wijdde hij aan het maken van aantekeningen en het bijhouden van documentatie over de advocatuur tijdens de bezetting. Daarvoor bracht hij een nadere ordening aan in zijn archief. De procesdossiers uit de bezettingstijd bewaarde hij selectief met het oog op mogelijk onderzoek naar de rechtsgang in die jaren. Hij ontdeed de meeste dossiers van de vaak uitvoerige persoonlijke correspondentie met verwanten en over te verrekenen kosten en declaraties en behield wat naar zijn oordeel van belang was voor de kennis van de rechtsgang in de oorlog. De belangrijkste dossiers voorzag hij van nummers, waarnaar hij verwees in een index. Aan de stukken voegde hij niet zelden aantekeningen en fotokopieën van latere publicaties toe. Een enkele maal werden ook fotokopieën van elders achterhaalde processtukken, staf- of arrestatiebevelen toegevoegd, soms met de aantekening dat hij die tijdens het proces niet overhandigd had gekregen. Naast deze dossiers legde hij een verzameling vast van circulaires, manuscripten en tijdschriften van het verzet, die hij eveneens van een lijst voorzag. Nadat hij gesproken had met medewerkers van het Algemeen Rijksarchief stelde hij in 1989 een codicil op, waarbij hij zijn archief naliet aan het Algemeen Rijksarchief.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in