gahetNA in het Nationaal Archief

BiZa / Zuivering Ambtenaren - Zoeken: illegaliteit

2 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.04.67
CAS 325
Nationaal Archief, Den Haag
1998
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.04.67
Auteur: CAS 325
Nationaal Archief, Den Haag
1998
CC0

Periode:

1940-1984
merendeel 1945-1959

Omvang:

109,00 meter; 34444 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief omvat, behalve stukken over de organisatie van de zuivering en het beleid, duizenden dossiers betreffende individuele ambtenaren, waarin documentatie, besluiten, beroepsprocedures en revisies zijn te vinden. Ambtenaren die tijdens de bezetting te zeer met de Duitse bezetter hadden meegewerkt, werden in het algemeen ontslagen. Behalve de centrale organen is er ook materiaal van diverse decentrale commissies te vinden.

Archiefvormers:

  • Adviescommissie voor de Zuivering van het Personeel van de Voormalige Nederlandse Arbeidsdienst (NAD)
  • Centraal Bureau inzake Antecedentenonderzoek van de Centrale Personeelsdienst
  • Centraal Orgaan op de Zuivering van Overheidspersoneel (COZO)
  • Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945
  • Commissie voor Zuivering van de Leden van Raad van Arbeid te Venlo
  • Documentatie-Commissie voor de Zuivering van Overheidspersoneel
  • Documentatie-Commissie voor de Zuivering van Overheidspersoneel; District Arnhem
  • Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Binnenlands Bestuur, Bureau Bestuurszaken
  • Ministerie van Binnenlandse Zaken: Afdeling Binnenlands Bestuur: Bureau Zuivering en Rechtsherstel
  • Zuiveringscommissie Gewestelijk Arbeidsbureau in Friesland
  • Zuiveringscommissie Rijkspersoneel Provincie Groningen
  • Zuiveringscommissie te Dordrecht
  • Zuiveringscommissie van het Gemeentepersoneel der Gemeente Utrecht
  • Zuiveringscommissie voor het personeel van het Departement van Binnenlandse Zaken

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

BIJZONDERE RECHTSPLEGING EN ZUIVERING

Tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog waren zowel de illegaliteit als de uitgeweken regering in Londen ervan overtuigd dat na de bevrijding alle 'foute' Nederlanders zwaar gestraft moesten worden. Ook koningin Wilhelmina liet zich meermalen in die bewoordingen uit: 'voor verraders is in een vrij Nederland geen plaats meer(

Radiorede op 10 mei 1941

). Daartoe werden in Londen voorbereidingen getroffen om deze 'foute' Nederlanders te weren uit de maatschappij en uit de door hen beklede functies en hun daden te bestraffen (bijzondere rechtspleging). De juridische grondslagen lagen in de in december 1943 gereed gekomen Besluiten Buitengewoon Strafrecht(

Besluit van 22 december 1943, Stb. D 61

)
en Buitengewone Rechtspleging(

Besluit van 22 december 1943, Stb. D 63

)
.

De coördinatie van de bijzondere rechtspleging was opgedragen aan de minister van Justitie. Een andere voorbereidende maatregel was gericht op een spoedige herinrichting van het binnenlands bestuur en op herstel van het vertrouwen van de burgers in de overheid. Daarom moest het ambtenarenkorps worden doorgelicht en ontdaan van 'foute' elementen. Niet alleen pro-Duitse figuren moesten worden verwijderd, maar men vond het noodzakelijk het gehele ambtenarenapparaat aan de tand te voelen, te 'zuiveren'. Deze term was voorheen niet bekend in het Nederlandse rechtsbestel, maar werd in de Londense wetgeving voor het eerst geïntroduceerd als term voor zuivering van bepaalde maatschappelijke functies, het verwijderen van onzuivere personen uit die functies. De juridische grondslag werd gelegd in het Zuiveringsbesluit 1944(

Besluit van 13 januari 1944 houdende vaststelling van het Zuiveringsbesluit,

Stb. nr. E 14

), dat naast ambtenaren ook gericht was op de leden van de rechterlijke macht. De coördinatie van de ambtenarenzuivering werd opgedragen aan de minister van Binnenlandse Zaken.

Het Militair Gezag (MG), als tijdelijk bestuur na de bevrijding van het Zuiden van Nederland in september 1944, begon voortvarend met de bijzondere rechtspleging en de zuivering. Na de bevrijding van de rest van Nederland in april/mei 1945 zijn de zaken in een stroomversnelling geraakt. Door aanloopproblemen kwam alles toen pas goed op gang al werd het twijfelachtig of de voor de zuivering gestelde einddatum 1 januari 1946 zou worden gehaald.

JURIDISCH KADER VAN DE ZUIVERING

Voor de zuivering van overheidspersoneel werd op 13 januari 1944 de basis gelegd toen het Zuiveringsbesluit tot stand kwam. Hierin werden maatregelen aangekondigd tegen ambtenaren die blijk hadden gegeven van ontrouw aan de zaak van het Koninkrijk, de Koningin en de regering en tegen ambtenaren van wie 'op grond van hun houding tijdens de bezetting niet de getrouwe medewerking aan het herstel van Ons Vaderland werd verwacht'. Evident foute personen moesten uit hun functie worden geschorst in afwachting van nadere maatregelen en personen over wie twijfel bestond kon worden bevolen zonder opgave van redenen de uitoefening van hun functie te staken, in afwachting van een onderzoek. De strafmaatregelen richtten zich voornamelijk op ontslag met verlies van alle rechtspositionele rechten; er was geen mogelijkheid tot beroep.

Het Zuiveringsbesluit 1944 voorzag dus niet in een nuancering van tucht- of strafmaatregelen, zodat ambtenaren bij de eerste procedures in het bevrijde Zuiden vaak strenger gestraft werden dan die in het later bevrijde deel van Nederland, wat deels nog kon worden ondervangen door het latere Zuiveringsbesluit 1945 van toepassing te verklaren op alle zuiveringsgevallen die waren beoordeeld naar maatstaven van het Zuiveringsbesluit 1944.

Na de vervanging in januari 1945 van mr. J.A.W. Burger door dr. L.J.M. Beel als minister van Binnenlandse Zaken, kwamen twee wetsbesluiten tot aanvulling van het Zuiveringsbesluit 1944 tot stand: het Koninlijk Besluit van 12 mei 1945(

Koninlijk Besluit nr. F 69

), waarin een mogelijkheid voor beroep was opgenomen en het Koninlijk Besluit van 2 augustus 1945(

Koninlijk Besluit nr. F 132, ook wel Zuiveringsbesluit 1945

)
waarin een nuancering in de strafmaat was aangebracht: naast ontslag konden ook andere tuchtmaatregelen uit het Ambtenarenreglement worden toegepast, b.v. overplaatsing, terugplaatsing in rang, ophouden van bevordering of een formele berisping.

In oktober 1945 werd opnieuw een wijziging aangebracht middels een Koninlijk Besluit(

Stb. nr. 221

), waarin een mogelijkheid tot 'eervol' ontslag was opgenomen.

ORGANISATORISCH KADER
Voorbereiding in Engeland; Militair Gezag; Bureaus Zuivering en Documentatie; Commissie van Advies inzake Ambtenarenzuivering

Om een gezagsvacuüm na de bevrijding van Nederland te voorkomen, werd eind januari 1943 bij beschikking van de minister van Oorlog in Londen het bureau Militair Gezag ingesteld. De bedoeling was om bij de terugtrekking van de vijand het ontruimde gebied, dat in bijzondere staat van beleg zou worden verklaard, een tijdelijk militair bestuur te geven; die taak werd opgedragen aan het Militair Gezag. Om tegen te gaan dat de inwoners van het land het recht in eigen hand zouden nemen en een grootscheepse klopjacht op in hun ogen 'foute' personen zouden beginnen (Bijltjesdag), werden eind 1943 besluiten (o.a. Besluit Buitengewone Rechtspleging en Besluit Buitengewoon Strafrecht) afgekondigd om de berechting van politieke delinquenten voortvarend ter hand te kunnen nemen.

Daarnaast moest na de bevrijding het ambtenarencorps gezuiverd worden van foute elementen: een eerste stap was de voorbereiding van de zuivering van burgemeesters en Commissarissen der Koningin; hiertoe werden door de minister van Binnenlandse Zaken het Bureau Zuivering en het Bureau Documentatie ingesteld. Deze stelden vele dossiers samen van gezagsdragers die in de bezettingstijd met de Duitsers hadden samengewerkt. Gegevens werden verkregen via de inlichtingendiensten en de Engelandvaarders. Op deze wijze werden ook vele gegevens verzameld omtrent ambtenaren en Nederlandse onderdanen die door hun politieke richting dan wel door hun houding en gedragingen tijdens de bezetting blijk hadden gegeven van ontrouw aan het Koninkrijk, de Koningin of aan de regering. Het Bureau Zuivering bracht adviezen uit over wat er naar zijn mening met deze personen diende te gebeuren. Indien deze adviezen gericht waren op ontslag, werd het dossier voorgelegd aan de Commissie van Advies inzake de Ambtenarenzuivering, ingesteld in juni 1943.

Militair Gezag

Na de bevrijding van het Zuiden van het land in 1944 werd het algemene bestuur daar tijdelijk uitgeoefend door het Militair Gezag. De taken waren gericht op handhaving van de openbare orde, het onderhouden van contacten tussen de plaatselijke en (via de Shaef-Mission) geallieerde militaire autoriteiten en het nemen van de noodzakelijke bestuursmaatregelen. Hierbij werd vooral rekening gehouden met de omstandigheid dat de centrale overheid zich nog in Londen bevond en een deel van de lagere burgerlijke overheid in Nederland ontbrak of niet betrouwbaar was.

Krachtens de op 11 september 1944 afgekondigde Bijzondere Staat van Beleg was het MG bevoegd tot het nemen van voorlopige zuiveringsmaatregelen en werd een begin gemaakt met de zuiveringsprocedures uitgevoerd door sectie I Binnenlands Bestuur onder leiding van mr. H.P. Linthorst Homan. Deze verliepen niet altijd even moeiteloos: de wetgeving was aanvankelijk niet toereikend om adequate maatregelen te treffen ten opzichte van ambtenaren die zich weinig principieel hadden gedragen, maar van wie niet kon worden gezegd dat ze 'fout' waren geweest.

Ook richtlijnen voor de uitvoering van het Zuiveringsbesluit waren niet aanwezig. Het MG voorzag zich op eigen houtje dan ook al spoedig van adviescommissies, waarin de oud- illegaliteit veel zeggenschap had. Deze commissies opereerden zowel op provinciaal als op plaatselijk niveau. Daarbij werd de volgende procedure gevolgd: indien het MG concludeerde dat het gedrag van een ambtenaar aanleiding tot klachten had gegeven, onderzocht een adviescommissie de zaak. Deze nam het besluit of het geval dermate ernstig was dat schorsing of staking moest worden bevolen. Besloot de commissie tot staking dan werd de ambtenaar met behoud van ambtelijke inkomsten op non-actief gesteld; was hij geschorst dan kreeg hij soms een minimale uitkering om in het levensonderhoud te voorzien in afwachting van een definitieve beslissing. Ter ondersteuning van de onderzoeken waren bij de bevrijding van Zuid-Nederland alle gegevens, verzameld door de Bureaus Zuivering en Documentatie meegegeven aan de Militaire Commissarissen. Deze Bureaus werden op 22 februari 1945 samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Tilburg gevestigd.

Ten aanzien van de zuivering van ambtenaren kwam men dus niet verder dan staking of schorsing, waarbij definitieve uitspraken moesten wachten op terugkeer van het burgerlijk gezag. Dit betekende dat gestaakte of geschorste ambtenaren lange tijd in onzekerheid waren over hun positie en in bepaalde gevallen zelfs verstoken van inkomsten. Ook grepen de adviescommissies soms de gelegenheid aan om van de ambtenaren de algemene geschiktheid te beoordelen, wat ambtenaren in ernstige verlegenheid kon brengen.

In de overgangsfase van het tijdelijk bestuur door het MG naar de terugkeer van het burgerlijk bestuur in de periode mei tot 1 september 1945 werd, na de instelling van het Centraal Orgaaan op de Zuivering van Overheidspersoneel (COZO), een nieuwe regeling ingevoerd en moest de zuiveringsprocedure als volgt gaan verlopen: klachten die over ambtenaren waren ingebracht, werden behandeld in adviescommissies, vervolgens werd door een documentatiecommissie een nader onderzoek ingesteld om lacunes op te vullen. Dan werd het COZO ingeschakeld en besloot dit tot ontslag over te gaan, dan moest eerst de Commissie van Advies inzake de Ambtenarenzuivering (ex artikel 5.4 van het Zuiverings-besluit) om advies worden gevraagd. Helaas waren de oude 'adviescommissies' van het MG vaak nog niet gereed met hun werkzaamheden toen de nieuwe documentatiecommissies al met nieuwe onderzoeken waren aangevangen, kortom: er werd in ernstige mate langs elkaar heen gewerkt wat uiteraard tot de nodige vertraging heeft geleid. Per 1 september 1945 werd het MG van zijn zuiveringstaken ontheven en werden de werkzaamheden overgenomen door het COZO.

Centraal Orgaan op de Zuivering van Overheidspersoneel

Om te komen tot een spoedige afdoening van de gevallen waarin ten aanzien van ambtenaren een zuiveringsmaatregel (staking of schorsing) werd genomen, heeft de minister van Binnenlandse Zaken op 21 april 1945 het Centraal Orgaan op de Zuivering van Overheidspersoneel ingesteld, alsmede onder dit orgaan ressorterende documentatie-zuiverings-commissies, elk gevestigd in de gezagsgebieden van de Districts Militaire Commissarissen van het Militair Gezag. De oud-minister van Algemene Zaken, H. van Boeyen, werd tot voorzitter van het COZO benoemd. Het Centraal Orgaan werd gehuisvest in de Sociëteit 'De Witte' in Den Haag.

Met de instelling van het COZO werden de Bureaus Zuivering en Documentatie geïncorporeerd in het Centraal Orgaan (later onder de éénhoofdige leiding van overste F.J. van de Kroon, vaak aangeduid als Bureau Zuivering en Documentatie) en in 1946 opgeheven. De documentatiecommissies werden belast met het onderzoek naar de gedragingen van ambtenaren die op grond van de bepalingen van het Zuiveringsbesluit waren geschorst of bevolen was de uitoefening van de functie te staken. De uitkomsten van deze onderzoeken werden vastgelegd in rapporten, die met alle relevante bescheiden naar het COZO werden gezonden om daar te worden behandeld. De andere taken van het Centraal Orgaan waren het voeren van de centrale administratie van de krachtens het Zuiveringsbesluit genomen beslissingen, leiding en richting geven aan het werk van de documentatiecommissies, zorgdragen voor een snelle voortgang van de onderzoeken en toetsing van de bevindingen van deze commissies. Na behandeling door het COZO moest eerst advies worden ingewonnen bij de Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945 (ex artikel 5.4) alvorens tot maatregelen te kunnen overgaan.

Het COZO stond een model van centrale zuivering voor, terwijl de minister wegens tijdgebrek (op 1 januari 1946 moest immers alles afgerond zijn) meer en meer overging tot decentralisatie en delegatie van bevoegdheden aan burgemeesters en Commissarissen der Koningin, die soms zelf nog niet gezuiverd waren. De leden van het Centraal Orgaan waren het niet eens met deze gang van zaken, veroordeelden dat snelheid prioriteit kreeg boven zorgvuldigheid en traden op 6 november 1945 af. Het COZO werd voorzien van een nieuwe voorzitter, dr. J. Nooteboom, en nieuwe leden die de decentralisatie en delegatie voortvarend oppakten, waardoor het mede mogelijk werd om de taak op 1 juli 1946 formeel te beëeindigen en tot opheffing van het Centraal Orgaan over te gaan.

Tot 1 januari 1947 werden de zaken behandeld door het Afwikkelingsbureau. Na opheffing op die datum werden enkele ambtenaren ondergebracht bij de afdeling Afwikkeling Bureau Zuivering van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De documentatiecommissies hebben op 1 oktober 1947 hun werkzaamheden gestaakt.

Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945

De Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945, ingesteld bij besluit van 21 juni 1945 en opvolger van de Londense Commissie van Advies inzake de Ambtenarenzuivering, had tot taak advies uit te brengen over een voordracht of beschikking tot ontslag op grond van het Zuiveringsbesluit. Voorzitter werd prof. mr. P. Scholten. Naast deze centrale Commissie van Advies waren in iedere provincie, na delegatie van taken in oktober 1945, ook provinciale adviescommissies, die zich met de lichtere gevallen gingen bezighouden. Voorstellen tot ontslag gingen via de centrale Commissie. De Commissie bleef, nadat op 1 januari 1947 het Afwikkelingsbureau COZO zijn werk had beëindigd, nog vele jaren een slapend bestaan leiden om de minister te kunnen adviseren over nagekomen kwesties en over revisiegevallen en is in april 1959 formeel opgeheven.

Commissies van onderzoek naar de gedragingen van functionarissen ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken tijdens de bezettingstijd.

Daar over de loyaliteit van enkele Commissarissen der Koningin op zijn minst twijfels aanwezig waren, werd in 1945 door de minister van Binnenlandse Zaken een commissie ingesteld om de houding van deze gezagsdragers nader te onderzoeken: de Commissie van onderzoek naar beleid en gedragingen van enige Commissarissen der Koningin (geen instellingsbeschikking).

Ook de houding van hogere functionarissen, werkzaam bij of ressorterend onder het ministerie die onder de bezetting in functie waren gebleven, werd onder de loep genomen. Daartoe was op 18 juni 1945 de Commissie onderzoek gedragingen tijdens de bezettingstijd van mr. dr. K.J. Frederiks e.a. ingesteld. Mr. Frederiks was de gehele oorlogsperiode onder Duitse bezetting werkzaam geweest als Secretaris-Generaal op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze commissie onderzocht ook de gedragingen van de voorzitter van de Pensioenraad, de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en van een lid van de Algemene Rekenkamer.

Bureau Zuivering en Rechtsherstel

Het Bureau werd ingesteld in juni 1945 en later aangeduid als Bureau Zuivering (niet te verwarren met het Bureau Zuivering dat in Londen werd ingesteld in 1943 en in 1945 werd geïncorporeerd in het COZO). Het Bureau Zuivering was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken organisatorisch geplaatst onder de afdeling Binnenlandsch Bestuur, Bureau Bestuurszaken, en hield zich bezig met het beleid voor de zuivering van overheidspersoneel en de redactionele voorbereiding van de uitspraken van het COZO; na opheffing van het COZO werden ook uitvoerende werkzaamheden verricht.

Na 1955 is de taak 'uitvoering Zuiveringsbesluit 1945' in de Staatsalmanakken niet meer terug te vinden onder de afdeling (in 1955 Directie) Binnenlandsch Bestuur. In de agenda's van de ingekomen en uitgaande stukken komt de aanduiding 'BB Bur. Zuiv.' na 1951 niet meer voor, maar werd het kenmerk 'BB Zuiv.' gebruikt. Vermoedelijk is het Bureau Zuivering bij de reorganisatie (toen de afdeling BB tot Directie BB werd) in 1955 opgeheven.

DELEGATIE VAN WERKZAAMHEDEN EN BEVOEGDHEDEN

Ondanks de vele maatregelen die genomen werden, bleek dit alles niet voldoende om de gang van zaken te versnellen. Minister Beel van Binnenlandse Zaken ging er vervolgens eind oktober 1945 toe over om de Commissarissen der Koningin en de burgemeesters van de vier grote steden bevoegd te verklaren om in lichte gevallen staking en schorsing op te heffen. Op de ministeries waren afdelingen of bureaus die zich met de zuivering van het eigen personeel bezig hielden.

Daarnaast fungeerden op de ministeries adviescommissies (ook zuiveringscommissies genoemd) tot zuivering van overheidspersoneel. De afdoening was in handen van het COZO en alle correspondentie liep via het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Om de procedure te versnellen stond de minister van Binnenlandse Zaken toe dat het COZO rechtstreeks correspondeerde met de betrokken ministers; echter van alle correspondentie diende hij een afschrift te ontvangen. Alle principiële zaken bleven via dit ministerie lopen.

ROL VAN HET VOORMALIG VERZET

De voormalige illegaliteit, sinds 16 oktober 1944 georganiseerd in de Gemeenschap Oud-Illegale Werkers Nederland, was een fel voorstander van het steng bestraffen van 'foute' Nederlanders. Om de zuivering kritisch te kunnen volgen en de regering actief van advies te kunnen dienen, werd door de oud-illegalen de Grote Adviescommissie der Illegaliteit (GAC) ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van vele richtingen van het voormalig verzet. De GAC had zich een actieve rol toebedacht in de zuivering en een deel van de GAC had gehoopt door permanent overleg met leden van de regering invloed en controle op het beleid te kunnen uitoefenen.

Tijdens de periode waarin het Militair Gezag, dat veel oud-illegalen in zijn gelederen telde, opereerde, was deze invloed onmiskenbaar. De GAC verstrekte o.a. adviezen over wie er zitting konden nemen in zuiveringscommissies. Na de overgang naar het burgerlijk bestuur en na het aantreden van het Kabinet Schermerhorn/Drees in juni 1945 werd de GAC minder serieus genomen en enigszins als een sta in de weg ervaren. Adviezen in zuiveringskwesties werden van regeringswege niet meer gevraagd: de betrokken autoriteiten stippelden liever zelf hun zuiveringsbeleid uit. Bovendien was de uitvoering in handen gelegd van door de regering ingestelde en gecontroleerde organen.

In de zomer van 1945 bleek dat de aanvankelijk strenge normen die het voormalig verzet bij de zuivering wilde toepassen, mede door de nuancering aangebracht in de KB's F 69 en F 132 en het wetsbesluit F 221 aan het versoepelen waren. Tevens werd in de richtlijnen opgenomen dat mogelijk aanwezige bijzondere omstandigheden moesten worden onderzocht en bij de beoordeling meegewogen. De meeste leden van de GAC waren ernstig teleurgesteld en vonden de maatregelen te licht. Dit gevoel werd nog versterkt door het vermoeden dat bij de zuivering van hogere functionarissen protectie van bovenaf bestond. Meer en meer werd de GAC in de rol gedrongen van 'klachtenbureau' van de illegaliteit, waarbij gevoelens van ontevredenheid met het gevoerde beleid tot uiting kwamen. Uiteindelijk begrepen de oud-illegalen zelf dat hun rol was uitgespeeld indien men verder geen politieke ambities koesterde.

VERLOOP EN AFWIKKELING VAN DE ZUIVERING

De zuivering van overheidspersoneel had een wat grillig verloop. Bij de voorbereiding in Londen werden vele dossiers aangelegd met behulp van de Inlichtingendienst die gegevens van Engelandvaarders verzamelde. Omdat de bevrijding in fases verliep, zat men in het Zuiden aanvankelijk met het probleem dat het Militair Gezag slechts kon overgaan tot schorsen en staken en een verdere afwikkeling van de zuivering liet dan ook op zich wachten. Toen de andere provincies werden bevrijd, had in het Zuiden een kleine wildgroei plaatsgevonden die niet in de bedoeling van de regering in ballingschap had gelegen: deze wilde de zuivering centraal regelen en uitvoeren via het in april 1945 ingestelde Centraal Orgaan op de Zuivering van Overheidspersoneel en zonder de oud-illegalen.

Een voordeel van dit centraal regelen en uitvoeren was dat de toetsing uniform verliep en de adviezen juridisch op één lijn zaten. Een groot nadeel was dat centraal regelen heel veel tijd kostte en die tijd had minister Beel van Binnenlandse Zaken niet: hij had het volk immers beloofd dat de zuivering op 1 januari 1946 zou zijn beëindigd. Als hij daarin niet slaagde, zou de geloofwaardigheid van het gezag op het spel staan en dit was niet bepaald een stap op weg naar herstel van vertrouwen van het volk in het overheidsapparaat. De minister had dus haast en die haast bracht hem in conflict met het Centraal Orgaan, dat vond dat haast en delegatie van taken de zorgvuldigheid ondermijnde.

In de herfst van 1945 werd allengs duidelijk dat de zuivering niet op 1 januari 1946 gereed kon zijn en de minister kreeg van de Kamer nog enig respijt. Met name bij de behandeling in januari 1946 van de 'Nota omtrent een aantal punten van Regeringsbeleid' van 11 december 1945 in de Tweede Kamer waarin de zaken tamelijk rooskleurig werden voorgesteld en de indruk gewekt dat de zuivering bijna was beëindigd. Dit lokte kritische kamervragen uit en Beel moest een zekere vertraging in afdoening wel toegeven. De zuivering van lagere rijksambtenaren en personeel bij lagere overheden was immers nog maar pas begonnen. Door de verduidelijking in richtlijnen, de nuancering in strafmaatregelen en bovendien de vergaarde jurisprudentie maakten dat de werkzaamheden in een steeds hoger tempo konden worden uitgevoerd. Eind 1945 was men zelfs in staat 80 dossiers per dag te behandelen.

Er is veel kritiek geweest op de zuivering van ambtenaren:

  • in het begin zouden de straffen te zwaar zijn uitgevallen (b.v. ontslag met verlies van pensioenrechten)
  • de oud-illegalen vonden de straffen te licht en waren van mening dat mensen die zich niet principieel genoeg hadden opgesteld ook veroordeeld moesten worden
  • de straffen zouden voor gelijke gevallen niet uniform zijn
  • de zuivering heeft veel te (onnodig) lang geduurd en minister Beel hield het Parlement aan het lijntje
  • er zou sprake zijn van 'vriendjespolitiek': wie een invloedrijke relatie had die voor hem wilde opkomen, maakte een redelijke kans te worden vrijgesproken.

Bovendien was het moeilijk de grenzen van het toelaatbare te bepalen: van mensen die openlijk en opzettelijk landverraad pleegden of met de vijand collaboreerden, was duidelijk dat ze moesten worden berecht door de Tribunalen of de Bijzondere Gerechtshoven. Voor de twijfelgevallen kon niet worden ontkomen aan een zekere mate van subjectiviteit.

Gesteld kan worden dat driekwart van de zuivering van ambtenaren voor 1947 werd afgerond: vele duizenden dossiers waren behandeld en het COZO en de documentatie- en adviescommissies gepasseerd. Een tussenstand van 13 augustus 1946 naar aanleiding van vragen van het tweede kamerlid Jhr. M van der Goes van Naters: 27.000 gevallen aanhangig gemaakt, 8.000 nog niet afgedaan, gestaakt ca. 900 personen, geschorst ca. 6.300 personen en ontslagen 6.300 personen. Echter zij die het dagelijks leven op gang hielden, waren vaak ook dienstig aan de vijand en diens doeleinden (denk b.v. aan het spoorwegpersoneel). In hoeverre dit onder het begrip collaboratie viel, was soms moeilijk uit te maken.

Het Zuiveringsbesluit 1945 verschafte daarin allerminst duidelijkheid: 'indien de houding van betrokkene in verband met de bezetting zodanig is geweest dat hij niet in zijn betrekking kan worden gehandhaafd'. Het gevolg was dat ambtenaren die onder de bezetting hadden doorgewerkt min of meer als verdacht werden aangemerkt. Ook het feit dat iedere burger een klacht tegen een ambtenaar kon indienen bij de zuiveringscommissies werkte uiteraard de willekeur in de hand en heeft veel persoonlijk leed veroorzaakt: een niet-geliefde chef of collega, een onsympatiek bevonden ambtenaar of eigen promotievoordeel konden aanleiding zijn om een klacht in te dienen. Aanvankelijk werden de klachten behandeld met de namen van de aangevers, wat niet tot een omvangrijk resultaat leidde; naderhand werd de vertrouwelijkheid gewaarborgd, wat in de praktijk neerkwam op bijna anonieme aangiften.

Ondanks genoemde tegenslagen en kritiek is minister Beel van Binnenlandse Zaken er in geslaagd zijn beleid inzake de zuivering van overheidspersoneel, zowel in de tweede kamer (begrotingsbehandelingen, kamervragen) als voor de burgerij (interviews, radiotoespraken) op uitstekende wijze te verdedigen. De zuivering van overheidspersoneel kreeg per 1 januari 1949, drie jaar na de beoogde datum, zijn beslag mede door het feit dat de minister van Financiën geen geld meer in zijn begroting beschikbaar wenste te stellen.

Ondertussen laaide in 1946 een discussie op over het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van zuiveringsmaatregelen. De directeur van het COZO schreef minister Beel in 1946 dat deze problematiek pas aan de orde kon komen als de zuivering was afgerond en alles in een rustiger vaarwater zou zijn gekomen. In de jaren die daarop volgden, werden de achtereenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken onder zware politieke druk gezet over de gevolgen van de ambtenarenzuiveringen. Daarbij stonden de herplaatsing, herstel van recht op pensioen en wachtgeld en de mogelijkheid op beroep en revisie van de uitspraken centraal. Dit bracht in november 1946 als eerste resultaat het herstel van pensioenrechten tot 70 %. De gezuiverde ambtenaren, verenigd in de 'Kring van oud-ambtenaren F221', durfden pas veel later schoorvoetend met een eis van rechtsherstel naar buiten te komen. Op 8 augustus 1947 werd de Commissie van Advies inzake herplaatsing van gezuiverde ambtenaren ingesteld (de Commissie Van Kinschot), die tot in het jaar 1954 de hoofden van de departementen van algemeen bestuur adviseerde over de (her)aanstelling van ambtenaren.

ZUIVERING VAN DE NEDERLANDSE ORDEN

Tijdens de werkzaamheden van de diverse zuiveringscommissies werd al snel de behoefte gevoeld om apert 'foute' gedecoreerde Nederlanders hun eerder toegekende onderscheiding te ontnemen. Daartoe werd in 1947 bij de Kanselarij der Nederlandse Orden gestart met voorbereidende werkzaamheden. Deze hielden in dat ca. 20.000 namen van personen die gezuiverd waren en vermeld in publicaties van de Nederlandse Staatscourant en ca. 62.250 namen voorkomende op de lijsten van het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging werden getoetst aan de namen aanwezig in de cartotheek van de Kanselarij.

Het wettelijk kader kwam op 18 september 1946 met de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden(

Stb. nr. G 261

) tot stand, waarna op 30 januari 1948 bij Koninklijk Besluit nr. 3 de Advies Commissie Zuivering Orde van de Nederlandse Leeuw en Orde van Oranje-Nassau werd ingesteld. Door de Kanselarij der Nederlandse Orden werden 153 dragers van genoemde orden ter zuivering aan de regering voorgelegd, waarvan 93 personen één der orden of beide werden ontnomen. Op 13 maart 1952 werd per Koninklijk Besluit no. 27 de Adviescommissie opgeheven.

Procedures van de zuivering
  • Per provincie een adviescommissie
  • Onderzoek klachten
  • Militaire Commissaris ging over tot staken of schorsen
  • Afdeling of bureau belast met zuivering
  • Adviescommissies: klachten ingediend door derden onderzocht; dossiers vormen over ambtenaren
  • Dossiers behandeld in het COZO; voorstel tot maatregelen als schorsing, berisping of ontslag
    Na opheffing COZO: afhandeling binnen eigen ministerie
  • Bij ontslag voorleggen aan Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945
  • Minister voert maatregelen uit
  • Commissarissen der Koningin: aparte commissie ingesteld door Binnenlandse Zaken
  • Dependances COZO
  • Documentatiecommissies: nader onderzoek gedragingen ambtenaren
  • Dossiers behandeld door afdelingen COZO
  • Bij ontslag voorleggen aan Commissie van Advies Zuiveringsbesluit
  • Deze verliepen centraal via de provincie met uitzondering van enkele grote steden, waar burgemeesters dezelfde bevoegdheden kreeg als de Commissaris der Koningin.

 

Later na decentralisatie: kleinere vergrijpen mochten behandeld worden door eigen zuiveringscommissies; de Commissaris der Koningin nam zelf maatregelen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in