gahetNA in het Nationaal Archief

Strafinstellingen 's-Gravenhage - Zoeken: gevangenis

30 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

3.05.04
G.J. Lasee, R.A.M. Vernooij
Nationaal Archief, Den Haag
1993
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.05.04
Auteur: G.J. Lasee, R.A.M. Vernooij
Nationaal Archief, Den Haag
1993
CC0

Periode:

1814-1985
merendeel 1814-1975

Omvang:

43,50 meter; 952 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat van een aantal strafinstellingen te Den Haag notulen, correspondentie, jaarverslagen en stukken betreffende de organisatie (reglementen, gebouwen en personeel). Met betrekking tot de gedetineerden zijn er verder inschrijvingsregisters met gegevens over gedetineerden, gedeeltelijk met indices. Tevens is er een uitvoerige documentatie-afdeling met reglementering, jaarverslagen, statistieken, verslagen en rapporten, vakliteratuur, tijdschriften en overige stukken.

Archiefvormers:

  • Commissie van Administratie, respectievelijk het College van Regenten over de Strafinstellingen te 's-Gravenhage, 1814-1942 Directeur van de Strafinstellingen aan de Prinsegracht, 1882-1902 Directeur van de Strafinstellingen aan de Pompstationsweg, 1887-1976 Geneesheer-directeur van het Rijksasiel "Kogelenbergh", (1953) 1955-1971 Hoofddirecteur van het Huis van Bewaring I aan de Casuariestraat, 1902-1967, het Huis van Bewaring II en Gevangenis II aan de Van Alkemadelaan, 1940-1969 (1985) en het Hulp-Huis van Bewaring aan de St. Jacobsstraat, 1942-1950 Directeur van het Huis van Bewaring aan de Van Alkemadelaan, 1970-1975 (1976) Directeur van het Jeugdhuis van Bewaring "De Sprang" aan de Stevinstraat, 1975

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Hoofdstuk 1: GESCHIEDENIS VAN HET GEVANGENISWEZEN IN NEDERLAND, HOOFDZAKELIJK IN DE NEGENTIENDE EN TWINTIGSTE EEUW.
(

De algemene inleiding is een bewerking van de inleiding van A. Versteege, Inventaris van de archieven van de strafinstellingen te Rotterdam, (1814) 1839-1975 (1985), 's-Gravenhage 1991. Het notenapparaat van de gehele inleiding werd totaal herzien en uitgebreid.

)

In de Republiek waren rechtspraak en gevangeniswezen geen generaliteitszaken. Het bestuur voor de gevangenissen werd uitgeoefend door gewestelijke of lokale overheden. Pas na de inlijving bij Frankrijk kwam eenheid van recht tot stand door invoering van het Franse Wetboek van Strafrecht (Code Pénal). Op 1 maart 1811 werd in Nederland, tegelijk met de Franse wetgeving, het "Arrêté sur l'Organisation des Prisons" van kracht.(

J.J. de Jongh, Verzameling van wetten, decreten, besluiten, reglementen, instructiën en bepalingen betrekkelijk het gevangeniswezen in de Nederland sedert de invoering van de Franse wetgeving tot en met den jare 1844 (De Jongh I), Leeuwarden 1846, p. 31-32. J.W. Eggink, De geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen, Assen 1958, p. 30-33. A. Hallema, Geschiedenis van het gevangeniswezen, hoofdzakelijk in Nederland, 's-Gravenhage 1958, p. 189-193, 201-204. M.A. Petersen, Gedetineerden onder dak. Geschiedenis van het gevangeniswezen in Nederland, bezien van zijn behuizing, z. pl. [Leiden] 1978, p. 78-79.

) Het gevangeniswezen werd volledig gecentraliseerd en het beheer van de gevangenissen werd een rijkstaak. Tot 1816 ressorteerde het onder het departement van Binnenlandse Zaken, van 1816 tot 1823 onder dat van Justitie, daarna opnieuw onder Binnenlandse Zaken om in 1843 weer onder Justitie te komen. Het Arrêté van 1811 bepaalde dat er vijf soorten gevangenissen moesten komen. De indeling die toen ontstond, hing nauw samen met de Franse rechterlijke indeling van Hoven van Assisen, Rechtbanken van Eerste Aanleg en Vredegerechten, en anderzijds met de driedeling van de Code Pénal. Deze onderscheidde de volgende inbreuken op de wet : overtredingen (contraventions), wanbedrijven (délicts) en crimes (misdaden). Het Arrêté onderscheidde verder de volgende gevangenissen:

  1. Maisons de Police Municipale (Huizen van Politie)
    Deze huizen moesten gevestigd zijn in ieder kanton en waren bestemd voor het opnemen van personen die door de vrederechter wegens overtredingen tot een gevangenisstraf van maximaal vijf dagen waren veroordeeld, van voor verhoor in verzekering gestelden en van gedetineerden, die op transport waren naar een andere inrichting (passanten).
  2. Maisons d'Arrêt (Huizen van Arrest)
    Deze huizen moesten gevestigd zijn in ieder arrondissement en waren bestemd voor het opnemen van personen die van wanbedrijven of misdrijven verdacht werden en die, in afwachting van berechting door een Rechtbank van Eerste Aanleg of een Hof van Assisen, in verzekerde bewaring waren gesteld.
  3. Maisons de Justice (Huizen van Justitie)
    Deze huizen moesten gevestigd zijn in ieder departement en waren bestemd voor het opnemen van personen die door een Hof van Assisen waren veroordeeld.
  4. Maisons de Correction (Huizen van Correctie)
    Deze huizen moesten gevestigd zijn (een of meer) in ieder departement en waren bestemd voor het opnemen van personen die door een Rechtbank van Eerste Aanleg tot een gevangenisstraf van maximaal één jaar waren veroordeeld, van gegijzelden wegens schulden, van personen opgesloten op last van de "police administrative", van kinderen, opgesloten op verzoek van hun familie, en van prostituees.
  5. Maisons de Détention (Tuchthuizen)
    Deze huizen moesten gevestigd worden op nog nader te bepalen plaatsen en waren bestemd voor het opnemen van personen die door Rechtbanken van Eerste Aanleg tot een gevangenisstraf van maximaal één jaar, of door Hoven van Assisen waren veroordeeld.

De administratie van en het beheer over de genoemde inrichtingen waren geplaatst onder het gezag en het toezicht van prefecten en onderprefecten. Een op voorstel van de prefect door de overheid aan te stellen "Conseil gratuit et charitable des Prisons" (plaatselijk college) was belast met de dagelijkse inspectie. De burgemeester was ambtshalve voorzitter van dit uit vijf leden bestaande conseil evenals de procureur des keizers (officier van justitie). Na het vertrek van de Fransen en het herstel van de onafhankelijkheid bleef de Code Pénal van kracht.

Bij K.B. van 26 februari 1814, nr. 75, werd de "Provisionele Instructie voor de Colleges van Regenten over de gevangenissen" uitgebracht (

De Jongh, I, p. 49-52. Eggink, p. 58-59.

). De Conseils, inmiddels Commissies (Raden) van Weldadigheid (Liefdadigheid) geheten, werden vervangen door Colleges van Regenten bestaande uit zeven leden. Als voorzitter fungeerde de burgemeester van de standplaats. De officier van de rechtbank was eveneens een vast lid van het college. De colleges vergaderden tenminste één keer per maand en uit hun midden dienden zij een secretaris en een thesaurier aan te stellen. Alleen de secretaris werd gehonoreerd.

Bij K.B. van 4 november 1821, nr. 16, werd echter de organisatie van het gevangeniswezen op een enigszins nieuwe leest geschoeid.(

K.B. van 4 november 1821 nr.16 in: De Jongh, I, p. 120-128. Hallema, p. 220-225. Eggink, p. 59-60, 220-236. Petersen, p. 83-85. Herman Franke, Twee eeuwen gevangen. Misdaad en straf in Nederland, Utrecht 1990, p. 30-31, 46-47.

)

Naast de invoering van uniforme regels ten aanzien van voeding, kleding, verzorging en andere huishoudelijke zaken, werd grote nadruk gelegd op de produktieve arbeid van de gevangenen om zo de kosten te drukken. De reorganisatie resulteerde in gevangenissen die slechts weinig verschilden van de gevangenissen die hierboven zijn genoemd. Nieuw was de bepaling dat naast burgers voortaan ook militairen in de gevangenissen konden worden ondergebracht. De indeling van de gevangenissen werd nu als volgt:

  1. Gevangenissen voor langgestraften:
    1. Huizen van Correctie
      Bestemd voor het opnemen van personen die wegens wanbedrijven tot gevangenisstraf van meer dan vier à zes maanden waren veroordeeld (correctioneel veroordeelden).
    2. Huizen van Reclusie en Tuchtiging
      Bestemd voor het opnemen van personen die wegens misdrijven tot gevangenisstraf waren veroordeeld (crimineel veroordeelden), en van militairen, die een onterende straf moeten ondergaan.
    3. Huizen van Militaire Detentie
      Bestemd voor militairen die tot gevangenisstraf van meer dan vier a zes maanden waren veroordeeld.
  2. Gevangenissen voor onveroordeelden en kortgestraften:
    1. Huizen van Bewaring
      Hieronder behoorden de vroegere Politiehuizen, bestemd voor het opnemen van personen die wegens overtredingen tot gevangenisstraf (maximaal vijf dagen, sinds 1838 zes dagen) waren veroordeeld, en personen die wegens wanbedrijven (maximaal een maand gevangenisstraf) waren veroordeeld. Ook werden personen opgenomen die wegens verkwisting of wangedrag op verzoek van hun familie werden ingesloten, en verder gegijzelden wegens schulden en passanten. In elk kanton moest een Huis van Bewaring aanwezig zijn.
    2. Huizen van Arrest
      Bestemd voor het opnemen van personen die in verzekerde bewaring waren gesteld, omdat zij beschuldigd waren van misdrijven of wanbedrijven, en van personen die wegens wanbedrijven tot gevangenisstraf (maximaal zes maanden) waren veroordeeld. Huizen van Arrest moesten aanwezig zijn bij rechtbanken van eerste aanleg (sinds 1838 arrondissementsrechtbank).
    3. Huizen van Justitie
      Bestemd voor het opnemen van personen die in verzekerde bewaring waren gesteld, omdat zij beschuldigd waren van misdrijven of wanbedrijven, en van personen die wegens misdrijven of wanbedrijven tot gevangenisstraf (maximaal zes maanden) waren veroordeeld. Huizen van Justitie moesten aanwezig zijn bij een Hof van Assisen (sinds 1838 Provinciaal Gerechtshof).
    4. Provoosthuizen
      Bestemd voor het opnemen van militairen die verdacht of veroordeeld waren wegens misdrijven of wanbedrijven. Het betreft dus militairen die opgesloten waren om dezelfde redenen als burgers in de Huizen van Arrest of Justitie. Provoosthuizen moesten gevestigd zijn bij Krijgsraden (Militaire auditie's).

Huizen van Arrest, van Justitie en Provoosthuizen konden tot een "Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering" worden samengevoegd. Voor de afdelingen waar veroordeelden werden ingesloten, werd de term "Strafgevangenis" gebruikt.

In 1822 werd de "Provisionele Instructie voor de Colleges van Regenten" door een definitieve vervangen. Hierin worden twee benamingen, College van Regenten en Commissie van Administratie, voor hetzelfde bestuurscollege naast elkaar gebruikt. Volgens Eggink kregen de kleinere gevangenissen een College, de grotere een Commissie.(

J.W. Eggink, De geschiedenis van het Nederlands Gevangeniswezen, Assen 1958, p. 59.

) Hoewel er in 's-Gravenhage toch sprake was van grote gevangenissen, berustte het bestuur tot 1886 bij een Commissie van Administratie. Vanaf dat jaar tot de opheffing in 1953 as dit een College van Regenten. Het College of de Commissie diende tenminste uit vijf leden te bestaan. In 's-Gravenhage waren dit er zes in verband met de ingebruikneming van de Bijzondere Strafgevangenis.(

J.W. Eggink, De geschiedenis van het Nederlands Gevangeniswezen, Assen 1958, p. 59.

)
De vergaderingen vonden eenmaal in de veertien dagen plaats en werden formeel geleid door de Gouverneur of de Commissaris des Konings (na 1850), maar in de praktijk was dit alleen het geval in zijn residentie. De leden werden op voordracht van de burgemeester en door tussenkomst van de Gouverneur of Commissaris door de minister benoemd. Het bestuur was volledig verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichtingen. Het college stelde een reglement op dat door de gouverneur of commissaris goedgekeurd moest worden. Voor zaken die de dagelijkse dienst te boven gingen, had het bestuur toestemming nodig van hogerhand. De zelfstandigheid was dus beperkt. Al het gevangenispersoneel was aan het college ondergeschikt.(

De Jongh, I, p. 131. Eggink, p. 59-60.

)

De volgende belangrijke verandering, die in het gevangeniswezen plaats vond, betrof de toepassing van de celstraf. In 1851 werd het stelsel der eenzame opsluiting ingevoerd.(

Wet van 28 juni 1851, Staatsblad (Stb.) 68, in: De Jongh, II, p. 175-176. Zie verder: Hallema, p. 248-254, 274-276. Eggink, p. 250-254. Petersen, p. 243-247. Franke, p. 197-208.

) Hier was een langdurige strijd aan voorafgegaan tussen voor- en tegenstanders van het cellulaire systeem. Aan de invoering van de cel lag de gedachte ten grondslag dat celstraf criminele besmetting en onzedelijkheid zou beperken. Correctioneel veroordeelden die tot een straf van maximaal één jaar waren veroordeeld, konden halvering van hun straf krijgen door deze in eenzame opsluiting te ondergaan. Veel leden van de Colleges van Regenten en gevangenisdirecteuren waren voor het cellulaire systeem omdat het de rust in de gestichten ten goede zou komen. De gevangenisdirecteuren koesterden wel enige vrees voor zelfmoord van gevangenen.(

Zie voor eigentijdse literatuur over de invoering hiervan en de latere overwegingen de inv.nrs. 911 en 924-929.

)

In 1886 werd een geheel nieuw Wetboek van Strafrecht ingevoerd, waarin gebroken werd met de Code Pénal van 1811. Het nieuwe Wetboek onderscheidde overtredingen en misdrijven, te bestraffen met geldboetes, hechtenis of gevangenisstraf. Hechtenis duurde tenminste één dag en ten hoogste één jaar en werd in gemeenschap ondergaan. Op verzoek van de veroordeelde kon de straf in afzondering worden ondergaan. Gevangenisstraf kon voor minimaal één dag en maximaal twintig jaar worden opgelegd. Een deel daarvan (maximaal vijf jaar) moest in afzondering worden ondergaan. De invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht maakte een algehele herziening van het gevangenisstelsel noodzakelijk. De wet van 3 januari 1884 "tot aanwijzing der gestichten, waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis werd ondergaan", werd gewijzigd bij wet van 28 augustus 1886.(

Wet van 3 januari 1884, Stb. nr.3, gewijzigd bij wet van 28 augustus 1886 Stb. nr.130, in: Verzameling van wetten, besluiten en voorschriften betreffende het gevangeniswezen 1880-1889, 's-Gravenhage (1890), p. 880 e.v. Hallema, p. 298-305. Eggink, p. 45-47, 81-82, 137, 157-158, 211. Petersen, p. 429-456. Franke, p. 340-376.

) Deze wet onderscheidde de volgende gevangenissen:

  1. Huizen van Bewaring
    Deze waren bestemd voor hen die straffen van hechtenis of van militaire detentie moeten ondergaan, en voor allen die op andere wijze door een rechterlijke uitspraak van hun vrijheid zijn beroofd (b.v. gijzeling); ook passanten konden hier worden opgesloten.
  2. Strafgevangenissen
    Deze zijn te verdelen in:
    • gewone strafgevangenissen voor de tenuitvoerlegging van burgerlijke en militaire gevangenisstraffen.
    • bijzondere strafgevangenissen voor de straffen van meer dan vijf jaar; gevangenen die jonger waren dan achttien of ouder dan zestig, alsmede zieken, werden hier opgenomen, omdat zij hun detentie niet in eenzaamheid mochten ondergaan.
  3. Passantenhuizen
    Deze huizen waren uitsluitend bestemd voor het tijdelijk onderbrengen van gedetineerden.

Vastgesteld kan worden dat de wet van 1886 toch voortbouwde op het Koninklijk Besluit van 1821. De huizen van bewaring 'nieuwe stijl' kunnen worden beschouwd als de logische voortzetting van de eertijds in de Burgerlijke Militaire Huizen van Verzekering samengevoegde gestichten en van de huizen van bewaring "oude stijl". De gewone en de bijzondere strafgevangenissen namen de functie van de Huizen van Reclusie en Tuchtiging over. Naast gevangenissen kwamen er Rijkswerkinrichtingen voor bedelaars, landlopers en souteneurs en Rijksopvoedingsgestichten voor minderjarigen. De in 1886 ingevoerde regels hebben, zij het steeds aangevuld en gewijzigd, lange tijd dienst gedaan. Ze werden eerst vervangen door de Beginselenwet Gevangeniswezen van 21 december 1951, die op 28 mei 1953 werd ingevoerd.

De algehele reorganisatie van het gevangeniswezen in 1886 liet ook de bestuursinrichting niet ongemoeid. Bij ministerieel schrijven van 24 augustus 1886 werden de commissarissen des Konings van hun voorzitterschap ontheven.(

Verzameling van wetten... in 1880-1889, p. 910.

) Vervolgens werd bij Koninklijk Besluit van 31 augustus 1886, Stb.nr.159 een "algemene maatregel van inwendig bestuur voor de Nederlandse gevangenissen" afgekondigd.(

Verzameling van wetten... in 1880-1889, p. 911-929. Petersen, 451-455.

)
Het beheer over de gestichten werd gevoerd door de directeur, onder de bevelen van de besturen, die nu weer Colleges van Regenten heetten. Deze colleges, waarvan de leden en de voorzitter op voordracht van de leden zelf door de koning werden benoemd, dienden uit tenminste drie personen te bestaan. De macht van de besturen bleef groot. Het college hield toezicht op alle aangelegenheden het gesticht betreffende. De directeur, die het dagelijks beheer voerde, was zoals al opgemerkt aan het college ondergeschikt. Hij was verantwoordelijk voor de bewaking en voor de veiligheid, orde en tucht. De positie van de directeur werd na 1886 geleidelijk aan versterkt ten koste van die van het bestuur. Zo kon hij sinds 1920 als adviserend lid deel uitmaken van het College van Regenten.(

Eggink, p. 66.

)
In 1941 werd bepaald dat alle werkzaamheden en beslissingen, krachtens de Gevangenismaatregel aan het gestichtsbestuur opgedragen, in het vervolg tot de competentie van de directeur zouden behoren.(

Circulaire Departement van Justitie, Derde Afd. A nr. 1102, d.d. 24 september 1941.

)
De in 1946 ingestelde commissie Fick kwam na lange discussie tot het advies om de Colleges van Regenten door Commissies van Toezicht te vervangen en het beheer over de gevangenissen volledig in handen van de directeur te leggen. In de Beginselenwet Gevangeniswezen van 1951 werden die suggesties overgenomen. De Colleges van Regenten maakten plaats voor Commissies van Toezicht, en de directeuren kregen de volledige verantwoordelijkheid voor het beleid in de gevangenissen toebedeeld.(

Eggink, p. 66-70.

)
De Commissies van Toezicht kregen alleen nog een adviserende taak. De directeur is tevens voorzitter van de gestichtsraad. De raad, die tot taak heeft de directeur te adviseren, bestaat verder uit de adjunct-directeur, de hoofden van de dienstsectoren en de aan het gesticht verbonden ambtenaren die in het bijzonder met de hulpverlening zijn belast.(

Wet van 21 december 1951, Stb. nr. 596, in: Eggink, p. 258-270.

)

Een laatste wijziging in het gevangenisstelsel vond plaats in 1953. In dat jaar werden een nieuwe Beginselenwet en een nieuwe Gevangenismaatregel van kracht.(

Besluit van 23 mei 1953, Stb. 237, in: p. 271-289. Zie verder: Eggink, p. 70. Hallema, p. 341-343. Petersen, p. 907-911. Franke, p. 639-644.

) De Beginselenwet van 1951 onderscheidde:

  1. Huizen van Bewaring
    Deze huizen waren bestemd voor het ondergaan van hechtenis of militaire detentie, voor voorlopige hechtenis en andere vrijheidsberovingen door rechterlijk vonnis of beschikking. Daarnaast konden ook 'passanten' worden ondergebracht.
  2. Gevangenissen
    Deze huizen waren bestemd voor de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen, in bijzondere gevallen voor hen die hechtenisstraf of militaire detentie moesten ondergaan. Gevangenissen en Huizen van Bewaring mochten evenwel niet in hetzelfde gebouw gevestigd zijn.
  3. Rijkswerkinrichtingen
    Deze huizen waren bestemd voor opname van personen die als bijkomende straf tot plaatsing in een rijkswerkinrichting zijn veroordeeld.
  4. Rijksasielen voor psychopaten
    Deze huizen waren bestemd voor geestelijk gestoorden of ter beschikking van de regering gestelden.
Hoofdstuk 2: HET GEVANGENISWEZEN TE 'S-GRAVENHAGE IN DE NEGENTIENDE EN TWINTIGSTE EEUW
Hoofdstuk 2.1. Strafinstellingen aan de Prinsegracht
(

Kort overzicht van de Geschiedenis der Gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding vaan de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen, (uitgave: Departement van Justitie), z.pl. ['s-Gravenhage] 1912, p. 135-138. Petersen, p. 176-184.

)

's-Gravenhage beschikte na 1813 over drie gevangenissen:

  1. Huis van Arrest, gevestigd in de Gevangenpoort.
  2. Het Huis van Justitie, gevestigd in het voormalige Spin- en Tuchthuis aan de Prinsegracht.
  3. Het Militair Provoosthuis, gevestigd in de Ankerspoort aan de noordzijde van het Buitenhof.

Voordat ze naar één van deze gevangenissen werd overgebracht had een aantal gevangenen in afwachting van een vonnis al in de gevangenis van het raadhuis aan de Groenmarkt vast gezeten. Halverwege de vorige eeuw voldeed deze niet meer aan de gewijzigde inzichten van de verbeterde strafwetgeving. Nadat het Tuchthuis was gemoderniseerd en in 1861 enkele cachotten in het politiebureau waren gemaakt, werd deze gevangenis in 1881 gesloopt.(

J.C. Herpel, De gevangenis bij het oude raadhuis aan de Groenmarkt te 's-Gravenhage, in: Jaarboek Die Haghe 1967, p. 19-48; met name: p. 24-26, 44.

) Zestig jaar daarvoor, te weten in 1821 had de commissie tot onderzoek naar de toestand van de tucht- en gevangenishuizen voorgesteld om de drie hierboven genoemde gevangenissen te 's-Gravenhage samen te voegen in één gebouw. Het Huis van Justitie aan de Prinsegracht werd hiervoor geschikt bevonden, mits de eveneens in het gebouw gevestigde Bank van Lening, zijn gedeelte van het pand zou ontruimen. Bij Koninklijk Besluit van 12 mei 1823, nr. 99, werd de samenvoeging van de drie gebouwen gelast. Dit kon evenwel niet doorgaan, aangezien de Bank van Lening nog niet was verhuisd. Desondanks werd besloten tot het opheffen van het Huis van Arrest en het samenvoegen met het Militair Provoosthuis.(

De Jongh, I, p. 159 e.v.

)
De Commissie van Administratie toonde zich door deze maatregel verrast. Zij protesteerde heftig bij de gouverneur in Zuid-Holland, tegen de opheffing van het Huis van Arrest. Deze gevangenis was regelmatig met ca. 70 gevangenen bevolkt, die daar ruim waren gehuisvest. Aangezien het Provoosthuis veel kleiner was, vond de Commissie dat de bevolking van het Huis van Arrest daar niet kon worden ondergebracht. De regering toonde zich gevoelig voor deze bezwaren en schortte de uitvoering van voornoemd besluit op.

Het Rijk verkreeg in 1827 van de gemeente 's-Gravenhage onder andere het gebouw van de Stadsbank van Lening aan de Lombartstraat. De plannen tot inrichting van het voormalig Huis van Justitie en de Bank van Lening tot een Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering konden nu ten uitvoer worden gebracht. Tijdens de verbouwing werden de gevangenen van het Huis van Justitie in de Gevangenpoort ondergebracht. De gedetineerden uit de Gevangenpoort werden daarna op hun beurt op 15 november 1828 naar de verbouwde gevangenis overgebracht (

Dagblad van 's-Gravenhage, 14 november 1828.

). Op 1 januari 1829 volgden de militaire gevangenen uit het Provoosthuis. Dit laatstgenoemde huis kreeg in november 1830 weer een bestemming als hulphuis van Militaire detentie, omdat in verband met de Belgische Opstand, alle gedetineerde Belgische militairen naar 's-Gravenhage werden overgebracht.(

Die Haghe 1903, p. 252-253. Petersen, p. 181.

)

Op 7 augustus 1832 werd Jacobus Horsthoorn als cipier (directeur) van het Verenigd Huis van Arrest, Justitie en Provoosthuis aangesteld. Zijn aanstelling was echter van korte duur, want hij hielp één van de gevangenen, graaf Willem Gustaf Fredric Bentinck, naar Duitsland te ontsnappen. Deze was - hoogst waarschijnlijk-op verzoek van de Amsterdamse makelaar, Johannes Buys, wegens schulden voor een bedrag van ƒ 30.000,-gegijzeld. Op 23 november 1833 werd de directeur door het Hof van Assisen veroordeeld en op staande voet ontslagen.(

Inv.nr. 150. Zie ook: Die Haghe 1903, p. 254-257.

)

Uit het jaarverslag over 1837 van de Commissie van Administratie blijkt dat het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering toen aan 130 gevangenen plaats bood. Bij gebrek aan cellen verbleven de gedetineerden in zalen. De arbeid in het gesticht ging gepaard met grote moeilijkheden vanwege het kleine aantal veroordeelde gevangenen. Bovendien was er geen speciale werkzaal voorhanden. Dankzij bemiddeling van het "Nederlandsen Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen" had een aantal gevangenen toch tijdelijk werk. De mannen hielden zich bezig met spinwerk en de vrouwen breiden kousen en sokken.(

Inv.nr. 114: Jaarverslag 1837.

)

Het gebruik van sterke drank en het roken door gevangenen was ten strengste verboden. Jeugdige gevangenen ontvingen lager onderwijs en werden geheel afgescheiden geplaatst van de overige gedetineerden. Dit in tegenstelling tot de onveroordeelden, die niet afzonderlijk konden worden geplaatst.

Met ingang van 1 januari 1840 werd een gedeelte in het bijgebouw in dienst gesteld als Huis van Bewaring. In 1856 verzocht de Commissaris des Konings van Zuid-Holland naar aanleiding van het inspectieverslag van de Inspecteur der Gevangenissen, Mr. P.W. Alstorphius Grevelink, plannen te ontwerpen voor noodzakelijk aan te brengen vernieuwingen.(

Inv.nr. 153.

) In 1858 bezocht de Inspecteur van de Gevangenissen de gevangenis te 's-Gravenhage opnieuw. In zijn rapport van 30 december 1858 merkte hij , gedeeltelijk voor de tweede maal, op: "... dat er nauwelijks gelegenheid bestond om cellen in de gevangenis aan te brengen, de vrouwen geen lucht konden scheppen dan 's zomers om de veertien en 's winters om de acht dagen, er niet voldoende werkzalen waren, de gelegenheid tot wassen slecht was, er geen lokaal was voor de godsdienstoefening, de gevangenen in drie lagen boven elkaar in hangmatten sliepen waar ze soms uitraakten en de veroordeelden en onveroordeelden door elkaar zaten." Tenslotte constateerde hij dat de verwarming en verlichting gebrekkig waren. Hij pleitte dan ook voor een nieuw gebouw. De Commissie van Administratie ontraadde echter dit voorstel met het oog op de onzekere toestand in verband met de aanstaande wijziging van de strafwetgeving. Wel klaagde zij over een tekort aan bewaarders.(

Die Haghe 1903, p. 259. Petersen, p. 183.

)

Ondanks enkele daarna aangebrachte verbeteringen, zoals de bouw van een aantal cellen, bleef het gesticht zijn gebreken behouden. Op verzoek van de Minister van Justitie, A.E.J. Modderman, gaf de Commissie in 1876 een opsomming van alle gebreken. In de eerste plaats was er het gebrek aan voldoende capaciteit, waardoor sommige gedetineerden op de grond moesten slapen. Verder waren er niet voldoende cellen, zowel voor gevangenen in preventieve hechtenis als ook voor veroordeelden tot korte gevangenisstraffen. Tenslotte vormde de onvoldoende ventilatie van de werkzalen en de slaapgelegenheid een gevaar voor de gezondheid (

Petersen, p. 182-183. Inv.nr. 47: brief van de Commissie van Administratie aan de Minister d.d. 12 april 1876 (no. 669) en brief van de Commissaris des Konings aan de Minister d.d. 22 april 1876 (no. 2760).

). Hoewel de Minister voor de bouw van een nieuwe gevangenis was, bleek de Tweede Kamer hier weinig voor te voelen. Dit alweer in verband met de onzekerheid over de wijziging van het strafstelsel. Toen het gesticht aan de Prinsegracht op grond van de nieuwe Gestichtswet van 1884 als Huis van Bewaring werd aangewezen, voldeed het in het geheel niet meer aan de eisen die de nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen stelde.(

Petersen, p. 184.

)
Nadat op 4 juli 1902 een nieuw gebouwd Huis van Bewaring aan de Casuariestraat gereed was gekomen, werd dit op 15 juli 1902 aan de Minister van Financiën overgedragen. In het jaar 1908 werd het gebouw aan de Prinsegracht gesloopt.(

Kort overzicht, p. 136-137, 195. Petersen, p. 184.

)

Hoofdstuk 2.2. Strafinstellingen aan de Pompstationsweg

2.2.1 Strafgevangenis en Cellenbarak

(

Kort overzicht, p. 166-170. Petersen, p. 542-559. ARA, Tweede Afd., Archief van het Ministerie van Justitie, afd. Gebouwen, doos 174. R.H.J. de Vries, Schetsen uit de strafgevangenis. Reportage uit de gevangenis I te 's-Gravenhage, in: Balans, 5e jrg. nr. 1 (januari 1974), p. 4-9 (Inv.nr. 952).

)

In 1880 besloot de Minister van Justitie een cellulaire gevangenis te bouwen op een terrein dat toentertijd nog viel onder de gemeente Wassenaar.(

Kort overzicht, p. 166. Zie voor de bouw en latere verbouwingen van de strafgevangenis: ARA, Tweede Afd., Archief van het Ministerie van Justitie, afd. Gebouwen, doos 174, en: ARA, Afd. Kaarten en Tekeningen, Tekeningenarchief van de Rijksgebouwendienst en diens rechtsvoor-gangers in de periode 1824-1945, inv.nr. 164.

) De keuze viel op een stuk duinterrein ten westen van de Pompstationsweg, dat werd overgenomen van het Departement van Financiën. De Minister van Justitie, A.E.J. Modderman, voelde het meest voor de bouw van een koepelgevangenis. De Commissie van Administratie wees de ronde bouwvorm evenwel af, en adviseerde de nieuwe gevangenis daarentegen te bouwen volgens het zogenaamde kruissysteem. De Commissie had een aantal bezwaren tegen de koepelvorm, zoals het feit dat de cellen zich over vier lagen uitstrekten, hetgeen problemen opleverde met het toezicht op en het verschaffen van arbeid aan de gedetineerden. Verder had zij bedenkingen tegen de ronde gevangenis, omdat de concentratie van het lawaai zich in een gevangenis met vleugels beter zou kunnen verspreiden. Voornoemde bezwaren brachten de Minister ertoe om op zijn oorspronkelijke besluit terug te komen. De nieuwe gevangenis zou nu uit vier vleugels gaan bestaan.(

Petersen, p. 542-546.

)

Met de bouw van de gevangenis werd in 1883 begonnen. Het faillissement van de aannemer zorgde nog voor enige vertraging bij de oplevering. Toch kon de gevangenis na het in werking treden van de Nieuwe Gestichtswet op 15 augustus 1886 in gebruik worden genomen. Bij Koninklijk Besluit van 11 juni 1886, nr. 30, werd zij met ingang van 1 september 1886 aangewezen tot Strafgevangenis en Hulp-Huis van Bewaring.(

De Jongh, I, p. 904.

) De gevangenis telde 204 cellen, waarvan tien voor vrouwelijke gevangenen. Er was in het gebouw een aparte kerk- en ziekenzaal. Het gebouw werd electrisch verlicht en aangesloten op het gasleidingnet van de gemeente 's-Gravenhage. In 1889 werden nog zes woningen voor bewaarders bij de Strafgevangenis gebouwd. Op 6 oktober 1890 richtte het College van Regenten zich tot de Minister met het verzoek om de aanleg van enige ondergrondse strafcellen toe te staan, omdat er problemen waren met betrekking tot de geluidsoverlast, die sommige gedetineerden veroorzaakten. De Minister stond dit niet toe, omdat hij de overtuiging had gekregen dat de directeur voornamelijk zelf schuldig was aan deze problemen.(

Petersen, p. 552. Zie ook: Inv.nr. 115.

)
Al in 1892 dreigden de muren rond de wandelplaats, waar de gevangenen werden gelucht, in te storten. De vier meter hoge muur werd afgebroken en opnieuw opgetrokken. In 1897 werden de duinen bij de Strafgevangenis afgegraven, omdat het publiek vanaf enige hoge duinen contact zocht met de gedetineerden. De vrouwenafdeling werd in 1902 opgeheven. De nu vrijkomende ruimte werd ingericht tot magazijn. In 1909 kreeg de gevangenis de beschikking over een drukkerij, die door de vele orders zo floreerde, dat drie jaar later een drietal nieuwe lokalen ten behoeve daarvan werd gebouwd.(

Kort Overzicht, p. 167. Petefsen, p. 553-557.

)
De Strafgevangenis werd na een korte onderbreking in de jaren zeventig opnieuw aangewezen als gevangenis voor langgestraften. Er werden nadien bouwkundige verbeteringen aangebracht.(

Petersen, p. 932. Zie voor de inrichting in 1980: E.J. Besier, Het hvb voor volwassen mannen in Scheveningen, in: Balans, 11e jrg. nr. 8 (1980), p. 1-9, met namep. 3.

)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een groot gebrek aan celruimte. Om hierin te voorzien werden in 1918 de zogenaamde Cellenbarak gebouwd. Deze, overigens stenen barak, was bedoeld als noodgevangenis voor de talloze veroordeelde smokkelaars. Het gebouw werd op 13 oktober 1919 in gebruik genomen en telde 501 cellen.(

Petersen, p. 863-865. Inv.nr. 138.

) Nog maar net in 1922 gesloten, werd deze weer als hulpgevangenis voor militairen in gebruik genomen voor dienstweigeraars. Dit laatste duurde ongeveer anderhalf jaar. Daarna Werd het gebouw tot 1929 opnieuw gesloten. Vanaf die tijd werd het gebruikt voor veroordeelden tot korte straffen dan wel voor gevangenen met hechtenis. Er werd aan het begin van de oorlog een nieuwe barak bijgebouwd. De barakken dienden vanaf mei 1940 tot aan de capitulatie als huisvesting voor krijgsgevangenen. In de Strafgevangenis werd de Deutsche Untersuchungs- und Strafgefängnis (later tevens de Kriegswehrmachtgefängnis) en de Polizeigefängnis ondergebracht. De Polizeigefängnis stond overigens onder leiding van de Sicherheitspolizei. Medio maart 1941 tot aan de bevrijding, werd de Polizeigefängnis gehuisvest in de Cellenbarakken. In de volksmond kregen deze de veelzeggende bijnaam van "Oranjehotel". Hiervan is cel 601, de dodencel, wel het bekendst geworden.(

Petersen, p. 867. L. de Jong, dl. 8. Eerste helft (wetenschappelijke uitgave), p. 262-279. E.P. Weber, Gedenkboek van het Oranjehotel, celmuren spreken, gevangenen getuigen, Rotterdam 1946, p. 20.

)

2.2.2 Bijzondere Strafgevangenis

(

Kort overzicht: p. 178-179. Petersen, p. 773-795. ARA, Tweede afdeling, Archief van het Ministerie van Justitie, afd. Gebouwen, doos 190.

)

In 1907 werd een plan ontworpen tot bouw van een strafgevangenis voor mannen, die ongeschikt waren voor afzonderlijke opsluiting. Dit ter vervanging van de Bijzondere Strafgevangenis te 's-Hertogenbosch, omdat deze niet meer voldeed aan de eisen, die aan de behandeling van de psychisch gestoorden gesteld moesten worden. De nieuwe Bijzondere Strafgevangenis zou ook veroordeelde mannen van boven de 60 jaar moeten huisvesten. Bovendien zou de gevangenis een afdeling voor tuberculose patiënten krijgen, aangezien zij minder goed in de gewone gevangenissen konden worden verpleegd. Bij de bouw werd gekozen voor een paviljoensysteem. De bevolking van elk paviljoen werd in kleine groepen verdeeld om "zedelijke besmetting te voorkomen en een individuele behandeling mogelijk te maken".(

Petersen, p. 775.

) Plaatsing nabij een gewone strafgevangenis verdiende de aanbeveling van het College van Regenten, opdat een gevangene na terugplaatsing nog enige tijd onder psychiatrisch toezicht kon blijven. Het nieuwe gesticht zou in een gezonde streek moeten liggen. Dientengevolge viel de keuze op een daartoe geschikt stuk duin-grond nabij de bestaande gewone Strafgevangenis. Op 1 november 1911 werd de Bijzondere Strafgevangenis in gebruik genomen. Als "geneeskundige" gevangenis verschilde het in ieder opzicht van de gewone strafgevangenis. De vier paviljoens van het gebouw waren onderverdeeld in een observatie- en een ziekenpaviljoen, een paviljoen voor oude mannen en een paviljoen voor gedetineerden, die ongeschikt bevonden waren voor cellulaire gevangenschap. Het observatiepaviljoen telde 24 plaatsen en werd gebruikt voor die gedetineerden waarvan men vermoedde dat ze geestelijk gestoord zouden kunnen zijn. Het ziekenpaviljoen bestond uit twee afdelingen, waarvan de een voor t.b.c- patiënten. Beide afdelingen boden plaats aan twintig gevangenen. Het paviljoen voor oude mannen kon 40 gedetineerden huisvesten en het paviljoen van "ongeschikten voor de cel" bood plaats aan 72 gedetineerden. (

J.W. Deknatel, Besonderes Strafgefangnis für Manner im Haag (Holland), in: Illustrationswerk "Heil- und Pflegeanstalten für Psychische Kranken", Halle a. S. 1914 (Inv.nr. 936). Petersen, p. 789-791.

)
De dagelijkse leiding berustte bij de penitentiair directeur en een inwonend adjunct-directeur. Aangezien laatstgenoemde ook de Geneesheer-directeur was, bleef het medisch toezicht voldoende verzekerd.

In een brief van 3 april 1912 wezen de regenten op de onbekendheid en ongeoefendheid van het bewakingspersoneel met de hun ter beschikking gestelde revolver en karabijn. In verband hiermee drongen zij aan op de aanleg van een schietbaan in de tuin van het oude mannenpaviljoen. Deze zou in eigen beheer verzorgd kunnen worden. De Minister van Justitie gaf toestemming tot de aanleg hiervan. Vanwege de voorgenomen bouw van de Cellenbarakken werd de schietbaan in 1917 afgebroken en elders door een nieuwe vervangen.(

Petersen, p. 793.

)

Tijdens de mobilisatie in 1918 bouwde de Genie op het terrein van de Strafgevangenis een zogenaamd Provoosthuis voor Militairen. Vanaf 1 juli 1921 werd het gebouw van het inmiddels opgeheven Provoosthuis in dienst gesteld als Hulp-gevangenis voor Militairen. Het was bestemd voor de opname van alle veroordeelde en onveroordeelde dienstweigeraars en voor de opname van alle veroordeelde militairen uit het Eerste Militaire Arrondissement. Het beheer van deze militaire gevangenis werd aan het College van Regenten opgedragen. Op 17 maart 1923 besliste de minister van Justitie dat hier voortaan alleen dienstweigeraars zouden worden opgesloten.(

Petersen, p. 793.

) Toen hierdoor het aantal gevangenen terugliep, werd besloten dezen in het oude mannenpaviljoen in de Bijzondere Strafgevangenis onder te brengen. De oude mannen werden op hun beurt naar het ziekenpaviljoen verplaatst. De directeur van de Bijzondere Strafgevangenis werd in 1928, als gevolg van een bezuinigingsmaatregel, uiteindelijk tevens met het beheer van de Strafgevangenis belast.(

Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer, 1927/28, Bijl. A IV (2), p. 2. Zie voor de plannen hiervoor inv.nr. 119.

)
Deze maatregel werd pas na de Tweede Wereldoorlog beëindigd. Nadien werd de gevangenis voor een groot gedeelte bevolkt door politieke delinquenten. Na 1953 veranderde de Bijzondere Strafgevangenis van naam in Centrale Penitentiaire Inrichting (C.P.I.). In 1960 werd deze instelling opgeheven. In 1973 werd de vernieuwde B-vleugel onder de naam "Oosthoek" als Gevangenis en Huis van Bewaring aangewezen voor de opname van gedetineerden, die moesten worden afgezonderd. Verder was deze bestemd voor de opvang van gedetineerden uit huizen van bewaring, die een sterke beveiliging en individuele aandacht nodig hadden. Deze afdeling, die dezelfde directie had als de Strafgevangenis, werd in 1974 al weer opgeheven.(

Petersen, p. 932. De Vries, Balans, 5e jrg. nr. 1 (1974), p. 6.

)

Hoofdstuk 2.3. Rijksasiel "Kogelenbergh"

In 1953 werd de in 1912 binnen het complex van gestichten in Scheveningen gebouwde bijzondere strafgevangenis als noodasiel in gebruik genomen.(

Zie voor de bouw in de periode 1909-1911: Petersen, p. 789-791.

) Het was toen nog een afdeling van de Bijzondere Strafgevangenis (CPI). De leiding en verantwoording lag toen in handen van de penitentiaire directeur. Hier werden met name psychisch gestoorde delinkwenten behandeld. Op 15 oktober 1955 werd de geneesheer tevens directeur. De voornoemde afdeling kreeg bij beschikking van het Ministerie van Justitie van 31 december (no. 338/355) de status van Rijksasiel voor ter beschikking van de regering gestelden.(

Inv.nr. 509: Jaarverslag 1955.

)

Dit Rijksasiel kreeg overigens pas in 1964 de naam "Kogelenbergh". Dit naar aanleiding van een verzoek van de geneesheer-directeur aan de gemeentearchivaris van 's-Gravenhage, die deze naam voorstelde op basis van een oude kaart van de nabijgelegen duinen uit 1712.(

Inv.nr. 508: Brief van de gemeentearchivaris d.d. 3 februari 1964.

) Het was één van de meest gesloten inrichtingen. Deze was bestemd voor ter beschikking van de regering gestelden (t.b.r.-mensen), die voor een snelle reclassering in aanmerking kwamen. In dit gebouw werden met name mensen geplaatst, die enerzijds een te grote vrijheid in de praktijk niet aankonden, maar anderzijds tot de minder gevaarlijke delinkwenten gerekend moesten worden. De "Kogelenbergh" voldeed als verouderd gebouw ook materieel steeds minder. Bovendien werden de eisen voor behandeling van de delinkwenten mettertijd gewijzigd en ging de rechterlijke macht minder snel over tot het opleggen en verlengen van t.b.r. Dit alles was voldoende reden te besluiten om de "Kogelenbergh" met ingang van 1 januari 1972 op te heffen. Vanaf die tijd worden t.b.r.- mensen elders in Nederland behandeld.(

"Kogelenbergh" per 1 januari dicht, in: Balans, 2e jrg. no. 2 (juni 1971), p. 29. Geen taak meer voor R.A. "Kogelenbergh", in: Balans, 3e jrg. no. 3 (maart/april 1972), p. 76 (Inv.nr. 944).

)
Het voormalige rijksasiel kreeg een nieuwe bestemming als kantoor.

Hoofdstuk 2.4. Huizen van bewaring aan de Casuariestraat en aan de Van Alkemadelaan en het Hulp-huis van Bewaring aan de St. Jacobsstraat
(

Kort overzicht, p. 17-18. Petersen, p. 661-670. Zie voor het bestek en bouw van het Huis van Bewaring: inv.nr. 130, en: ARA, Tweede Afd., Archief van het Ministerie van Justitie, afd. Gebouwen, doos 202.

)

In 1900 werd het Paleis aan de Korte Voorhout tot gerechtshof en arrondissementsrechtbank verbouwd. In het bestek voor de verbouwing was tevens de bouw van een nieuw Huis van Bewaring aan de Casuariestraat opgenomen. Het ontwerp van ingenieur-architect, W.C. Metzelaar, werd met een brief om advies naar het College van Regenten gestuurd.(

Inv.nr. 135.

) Het college twijfelde of de geplande capaciteit van 163 plaatsen op den duur niet te klein zou blijken. Verder werd het aantal van twee, in de vleugels gelegen strafcellen, te weinig geoordeeld. Het aantal luchtplaatsen was naar de mening van de regenten te gering, terwijl een stalling voor het cellulair rijtuig eveneens werd gemist. De architect kon evenwel aan de meeste wensen van de regenten voldoen, waardoor op 4 juni 1902 het nieuwe Huis van Bewaring officieel aan voornoemd College kon worden overgedragen. Het administratiegebouw lag, samen met een woning voor de directeur en drie bewaarders woningen, aan de Casuariestraat. In het eerstgenoemde gebouw bevond zich op de tweede etage het kerklokaal, waar plaats was voor 118 gevangenen, die elk een eigen afgescheiden ruimte hadden om onderling contact tegen te gaan. Evenwijdig aan dit gebouw lag de verblijfsvleugel voor de mannelijke gedetineerden. Deze telde 48 cellen voor gedetineerden in preventieve hechtenis, negentien cellen voor veroordeelden en zestien dag- en nachtzalen. In het verlengde van voornoemde vleugel lag de vrouwenafdeling. Deze telde negen cellen en twee gemeenschapszaaltjes.(

Petersen, p. 661-663.

)

Op 19 juni 1914 ontving het College van Regenten bericht dat tot verbouwing van het administratiegebouw zou worden overgegaan om de Krijgsraad en de Militaire Auditie een betere huisvesting te geven. Datzelfde jaar werd als proefneming in het bezoekvertrek het traliewerk door dik spiegelglas vervangen. In 1918 vroeg de minister van Justitie het College van Regenten of het niet wenselijk zou zijn het Huis van Bewaring te vergroten. Dit in verband met de bevolkingsgroei van 's-Gravenhage. Het plan was om een nieuwe dwars vleugel te bouwen met plaats voor 64 tot hechtenis veroordeelden, terwijl de bestaande vleugel na verbouwing van de zalen 130 cellen zou bevatten. De regenten gingen met dit plan akkoord. Omdat het door de Genie op het terrein van de strafgevangenis gebouwde Provoosthuis voor de tot hechtenis veroordeelden vrijkwam, ging dit plan voorlopig niet door. Op 17 april 1925 stuurde het college een rapport aan het Ministerie van Financiën, waarin werd gewezen op het groeiend tekort aan celruimte. Twee jaar later wees de directeur eveneens op deze problematiek. Er waren namelijk slechts 43 cellen voor gevangenen in preventieve hechtenis ingericht. Daar er toen 80 van dergelijke gevangenen waren, moesten de gemeenschapszalen ook als celruimte gebruik worden gemaakt. In 1929 werd met de verbouwing van de dag- en nachtzalen op de tweede en derde verdieping tot 40 cellen begonnen. Omdat de capaciteit een probleem bleef, stelde het Ministerie van Financiën in 1933 voor om de Cellenbarakken aan de Pompstationsweg voor de huisvesting van tot hechtenis veroordeelden te gebruiken. Dit plan ging echter niet door, omdat minister van Justitie er niets in zag.(

Petersen, p. 663-669.

)

Tijdens de meidagen van 1940 werd het Huis van Bewaring door een Duits luchtbombardement zwaar getroffen. Hierbij kwamen één bewaker en vijf gevangenen om. De meeste bewakers waren ook ernstig gewond. Door het moedig optreden van onder andere de directeur konden pogingen van gevangenen om in de ontstane paniek te ontsnappen worden voorkomen. De vrouwenafdeling, de cellenvleugel en de ringmuur konden echter worden hersteld. De schade aan het administratiegebouw, het Krijgsraadgebouw en de aangrenzende directeurswoning was dermate groot, dat er besloten werd om van wederopbouw af te zien.(

Petersen, p. 670. Inv.nr. 116: Jaarverslag 1940.

)

In 's-Gravenhage kreeg een door de bezetter leeggehaald Joods bejaardentehuis aan de St. Jacobsstraat de bestemming van Hulp-Huis van bewaring. Hierin konden 150 gedetineerden worden ondergebracht.(

Petersen, p. 868-870.

) Na de Tweede Wereldoorlog werden de voormalige Cellenbarakken te Scheveningen als Huis van Bewaring voor politieke delinquenten gebruikt. Begin 1950 kreeg het de bestemming van Hulp-Huis van Bewaring en van een gevangenis voor volwassenen (Huis van Bewaring II). Een bestemming, die het tot 1970 zou blijven behouden. Dientengevolge werd een deel van het personeel van de Celleba-rakken toen en de komende jaren overgeplaatst dan wel eervol ontslagen. Als gevolg van deze maatregel werd het voornoemde Hulp-huis van Bewaring in de St. Jacobsstraat gesloten.(

Zie voor de politieke delinquenten: inv.nrs. 732-733. Voor de reorganisatie: inv.nr. 522: Jaarverslag 1950, en voor de gevolgen hiervan voor het personeel: inv.nrs. 526-528. Verder: Balans, llejrg. nr. 8 (1980), p. 2 (Inv.nr. 944).

)
Vanaf die tijd heette het Huis van Bewaring aan de Casuariestraat: Huis van Bewaring I. Dit werd op 18 augustus 1970 opgeblazen, omdat het plaats moest maken voor de nieuwbouw van het Ministerie van Financiën.(

Huis van Bewaring I Den Haag opgeblazen, in: Balans, le jrg. no. 5 (oktober 1970), p. 6 (Inv.nr. 944).

)
Hierdoor werd het aan de Van Alkemadelaan gelegen Huis van Bewaring II een zelfstandig huis van bewaring. Met het oog daarop onderging het een grondige renovatie. Behalve gevangenen in preventieve hechtenis werden er kort gestrafte volwassenen en jeugdige gevangenen opgenomen. In juni 1970 werd een zelfstandig Jeugdhuis van Bewaring, "De Sprang" geheten, in gebruik genomen (officiële ingebruikneming op 24 september). Hiervoor werd naast nieuwbouw een gedeelte van het Huis van Bewaring II verbouwd, waardoor men over cirica 185 cellen kon beschikken. De naam van dit jeugdhuis had evenals "Kogelenbergh" een geografische oorsprong. In 1874 werd er in verband met de watervoorzienning in de nabijgelegen duinen een diep kanaal gegraven. Deze hoofdsprang werd later verdiept en verlengd en kreeg talrijke zijsprangen. De naam van het jeugdhuis vormt hier een blijvende herinnering aan. Na de ingebruikneming werden de jeugdige gevangenen hierheen overgebracht.(

J. Allewijn, "De Sprang" officieel geopend, in: Balans, le jrg. no. 6 (november 1970), p. 3-9 (Inv.nr. 952). H. Rijksen, C. Kelk, M. Moerings, Achter slot en grendel, Alphen aan den Rijn/Brussel 19803, p. 63.

)
Deze was gehuisvest in de door de Duitsers tijdens de oorlog achter de celbarakken bijgebouwde barakken (Barak II). Sindsdien vormen de Gevangenissen I, II en III, samen met het Penitentiair Selectiecentrum, respectievelijk het Huis van Bewaring en het Penitentiair Ziekenhuis alsmede het Jeugdhuis van Bewaring, die alle drie onder een eigen directeur ressorteerden, een zeker samenwerkingsverband. In 1974 was de tot het Penitentiair Selectie Centrum behorende afdeling Klinisch Psychologisch Onderzoek in de voormalige D-vleugel geheel gerenoveerd.(

Petersen, p. 932. Rijksen, Kelk, Moerings, p. 58-60.

)
De voornoemde samenwerking blijkt onder andere uit het gebruik van een aantal gemeenschappelijke voorzieningen en diensten. Per 1 januari 1993 vormen zij samen een organisatie: het Penitentiair Complex Scheveningen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

zou mijn reservering voor 19 juni ook al op woensdg 18 aanwezig kunnen zijn. Ik ben donderdag verhinderd. Eventueel 20 juni kan ook.

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in