gahetNA in the National Archives

SZW / Emigratie Dienst - Zoeken: emigranten

105 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.15.72
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.15.72
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
CC0

Periode:

1916-1993
merendeel 1952-1993

Omvang:

11,70 meter; 422 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat stukken over de oprichting van de organisatie en de financiën. Verder zijn er stukken m.b.t. de voorlichting (het maandblad Elders); beleid (toepassing en wijziging van de Emigratie Bijslagregeling); onderzoek en documentatie (bv. wet- en regelgeving, knipselkranten), publiciteit en voorlichting (oa. voorlichtingsbijeenkomsten); scholing; financiën (bemiddeling in schulden, bijdrage in kosten); aanmelding en bemiddeling; speciale programma's; organisatie en kosten van vervoer; vertreklijsten en vertrekstaten; opvang; repatriëring. Verder zijn er op al deze terreinen tevens stukken per land.

Archiefvormers:

  • Nederlandse Emigratie Dienst

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Hoofdstuk 1: Algemene inleiding

Een speciale manier om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt met elkaar in overeenstemming te brengen is emigratie: het overschot aan arbeidskrachten wordt hiermee in wezen verplaatst naar buiten de nationale arbeidsmarkt. Het gaat dus om een bijzondere vorm van geografische mobiliteit.

Gegeven de aard van het instrument is het begrijpelijk dat regelgeving op dit gebied vooral is uitgevaardigd in tijden van grote werkloosheid. De Landverhuizingswet dateert dan ook uit de crisisjaren (Stb. 1936, 804). Deze wet regelde niet slechts de doortocht en het vervoer, maar ook andere, niet het minst voor landverhuizers uit Nederland gewichtige belangen, betreffende voorlichting en propaganda, werving en arbeidsbemiddeling, gezondheid en veiligheid. Er werden verschillende vergunningenstelsels geïntroduceerd: om informatie te mogen verstrekken over emigratie, om (buiten de organen der openbare arbeidsbemiddeling om) werknemers voor betrekkingen in het buitenland te werven, om emigranten te vervoeren, om buitengewone overeenkomsten met emigranten aan te gaan. Ook nam de overheid de taak over die de Stichting Landverhuizing Nederland voordien had uitgevoerd, namelijk het onderhandelen met buitenlandse overheden.

Ten tijde van de totstandkoming van de Landverhuizingswet werd er door de overheid weinig rechtstreekse aandacht aan de emigratie besteed. Zij verschafte subsidie aan een particuliere organisatie, de Stichting Landverhuizing Nederland, welke mede daardoor in staat was in brede kring bekendheid te geven aan mogelijkheden van de emigratie. Na 1945 ontwikkelde zich de denkbeelden in een andere richting. Behalve het gevaar van een op den duur onvoldoende werkgelegenheid werd ook de dreiging onderkend van een tekort aan ruimte - in allerlei opzichten - voor de sterk groeiende bevolking. De regering besloot derhalve om de emigratie rechtstreeks te stimuleren en de voorwaarden voor het welslagen daarvan te scheppen of indirect te vergroten.

Het Rijk stimuleerde dit door het verlenen van subsidies aan emigranten (voor het eerst in 1948) en aan de Stichting Landverhuizing Nederland. Het Rijksarbeidsbureau verrichte een taak als "aanmeldingskantoor" voor emigranten en verschafte in het algemeen voorlichting inzake emigratie.

Belangrijk was ook de ontwikkeling van de particuliere bemoeienis met de emigratie. Behalve op het gebied van de individuele voorlichting en de voorbereiding van de emigranten konden deze particuliere organisaties een belangrijke taak vervullen bij de bevordering van een goede plaatsing van tal van emigranten en meer in het algemeen bij de nazorg, waaraan de emigranten behoefte hebben tijdens hun aanpassingsperiode.

Door deze naoorlogse evolutie van de particuliere en openbare zorg voor de emigratie en voor de emigranten ontstond behoefte aan een wettelijke regeling ter zake.

In 1949 stelde de minister van Sociale Zaken een commissie in om hem te adviseren inzake de landbouwemigratie en de daarvoor benodigde organisatie (Commissie Landbouw Emigratie). Het belangrijkste vraagstuk van deze commissie was de vaststelling van de taak voor de overheid en voor de maatschappelijke organisaties en het aangeven van de juiste vorm van samenwerking tussen deze. Haar verslag verscheen in 1950.

Bij KB van 11 december 1950 no. 24, werd vervolgens de functie van Commissaris voor de Emigratie ingesteld. De Commissaris voor de Emigratie bereidde ondermeer het emigratiebeleid voor. Hij bereidde daarnaast de internationale overeenkomsten met emigratielanden voor. Hij onderzocht emigratiemogelijkheden in de diverse mogelijke bestemmingslanden en onderhield contacten met betrokken landen over bijvoorbeeld de aantallen emigranten, de algemene voorwaarden voor toelating en de status van de Nederlandse emigranten.

Hoofdstuk 2: Wet op de organen voor de emigratie 1951

Op 27 juli 1951 werd het ontwerp "Wet op de organen voor de emigratie" ingediend, waarmee onder meer de Raad voor de Emigratie, het Emigratiebestuur en de Emigratiedienst werden ingesteld.

Laatstgenoemde dienst was het centrale administratieve en uitvoerende orgaan voor de landverhuizing. Ze overlegde met andere landen, overzag de (door het Emigratiebestuur erkende) emigratie-aanmeldingskantoren, voerde subsidieregelingen ten behoeve van emigranten uit en verstrekte informatie.

Bij de emigratie in haar naoorlogse vorm zijn tienduizenden Nederlanders betrokken. Daarom was hier een taak voor de overheid weggelegd. Zij diende ervoor te waken, dat de wegen, waarlangs de migratoire beweging zich voltrekt, betrouwbaar waren. Om de migratiestroom in zo goed mogelijke banen te leiden en de samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijk organen in Nederland en het ontvangende op meest doeltreffende wijze te bevorderen leidden er toe dat verschillende migratieovereenkomsten werden gesloten.

De aspirant-emigranten werden voorgelicht door de openbare en niet-openbare bemiddelingsorganen. Zij kregen informatie over zaken die verband houden met het vertrek en kregen bijslag en vertrekbescheiden. Als openbaar bemiddelingsorgaan fungeerde het Rijksarbeidsbureau c.q. het gewestelijk arbeidsbureau.

Als aspirant-emigranten wilde emigreren werd een emigrantendossier aangelegd. Deze dossiers werden daarna door de bemiddelingsorganen naar de Nederlandse Emigratiedienst gestuurd waar de aanvraag verder werd behandeld.

De emigratie-attaché in het betreffende bestemmingsland speelde eveneens een belangrijke rol. Met name onderzocht de attaché de mogelijkheden tot vestiging van Nederlanders in zijn ambtsgebied. Daarnaast onderhield hij werkcontacten inzake emigratieaangelegenheden met de overheids- en andere instellingen in zijn ambtsgebied. Vervolgens diende hij de belangen van de Nederlandse emigranten.

In december 1951 werd in Brussel een Intergouvermenteel Comité tot bevordering van de emigratie uit Europese landen naar overzeese bestemmingen opgericht. Van dit Comité werden lid de Verenigde Naties van Noord-Amerika en de belangrijkste emigratielanden, waaronder Nederland. Het Comité verleende - op verzoek van en in overleg met betrokken regeringen - diensten o.a. op het gebied van voorlichting, vakscholing en taalonderricht.

Omstreeks 1960 had de voorspoedige economische ontwikkeling een situatie doen ontstaan, waarin de tot dan aan de emigratie toegekende plaats minder vanzelfsprekend was geworden.

Op grond hiervan oordeelde de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid het raadzaam een heroriëntatie in de ruimste zin te doen plaatsvinden.

De Raad voor de Emigratie werd verzocht advies uit te brengen over het in de toekomst te voeren emigratiebeleid, van de over een eventuele herziening van de Landverhuizingswet 1936. De Raad adviseerde in 1961 tot bestendiging van een positief emigratiebeleid, de intrekking van de Landverhuizingswet 1936, nadat enkele bepalingen daaruit in de Wet op de organen voor de Emigratie zouden zijn opgenomen. Later adviseerde de Raad de taak van de Raad voor de Emigratie over te laten nemen door een vaste commissie van de SER overeenkomstig het bepaalde in art. 43 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie.

Hoofdstuk 3: Emigratiewet 1967

In de Emigratiewet 1967 zijn de adviezen van de Raad voor Emigratie verwerkt.

Bij deze wet is ook een verandering gebracht in het meer direct bij de beleidsvorming betrokken overleg- en adviesorgaan, het Emigratiebestuur, in zoverre dat de figuur van Commissaris voor de Emigratie is komen te vervallen. De Voorzitter van het Emigratiebestuur zal worden benoemd door de Kroon, al dan niet uit het midden van het Bestuur.

Daarnaast is het onderscheid tussen emigratie naar landen binnen Europa en die naar landen buiten Europa in de nieuwe Emigratiewet komen te vervallen.

Een nieuw element in de Emigratiewet van 1967 was de grondslag die in artikel 28 werd gegeven voor de financiële hulp aan emigranten. Onder vigeur van de Wet op de organen voor de emigratie werd reeds door het Rijk geldelijke steun verleend aan emigranten.

Sinds het begin van de vijftiger jaren werd van overheidswege aan emigranten een financiële bijdrage in de emigratiekosten verleend. Deze subsidieverlening is sinds 1956 gebaseerd op de Emigratie-bijslagregeling (Stcr. 1956. nr. 51). In deze bijslagregeling was opgenomen dat iedere emigrant recht had op financiële hulp bij emigratie, ook wanneer de hulp, gelet op de vermogenspositie van betrokkene, in het geheel niet noodzakelijk was. In de vijftiger jaren kwamen deze gevallen niet voor, in de zeventiger jaren kwamen zij echter wel voor. In de Emigratie-bijslagregeling 1982 is dit rechtgetrokken. De Emigratie-bijslagregeling hield in dat de bepalingen van de Emigratie-bijslagregeling uit 1956 opnieuw werden vastgesteld als algemene maatregel van bestuur, met invoering van een vermogenscriterium.

Daarnaast is in de Emigratie-bijslagregeling 1982 volstaan met aanpassing van slechts die bepalingen die duidelijk verouderd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat in art. 2, vijfde lid, een juridische basis is gelegd voor een afzonderlijke subsidieregeling ten behoeve van remigratie naar Suriname.

Over de remigratie wordt in het kader van het beleidsterrein arbeidsvoorziening het volgende opgemerkt. Het remigratiebeleid en de toepassing van de Basisremigratiesubsidieregeling 1985, alsmede van de Remigratieregeling 1985 waren opgedragen aan de Minister van Sociale Zaken. Het kabinet heeft besloten om de verantwoordelijkheid voor het remigratiebeleid en voor de bestaande remigratieregelingen met ingang van 1 januari 1997 op te dragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn functie van coördinerend minister voor het minderhedenbeleid. De reden was dat het remigratiebeleid en de toepassing van de betrokken regelingen niet meer tot de (kern)taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen worden gerekend. Voor de handelingen op het deelbeleidsterrein remigratie wordt verwezen naar het beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden.

Op 27 maart 1992 heeft het kabinet, in het kader van de herbezinning op de taken van de rijksoverheid, besloten om de bemoeienis van de rijksoverheid met emigratie geheel te beëindigen. De redenen hiervoor waren dat met voortzetting van de rijksbemoeienis met emigratie geen Nederlands belang meer werd gediend en de burger geacht kon worden zonder tussenkomst van de overheid te emigreren.

Op basis van dit kabinetsbesluit werd de Emigratie-Bijslagregeling 1982 in 1993 ingetrokken en werden van rijkswege geen financiële middelen meer beschikbaar gesteld voor het verlenen van een bijdrage aan emigranten in de kosten van hun emigratie.

In 1999 is de Remigratiewet (Stb. 1999, 232) in werking getreden, waarbij de Emigratiewet is ingetrokken.

Met de intrekking van de Emigratiewet is ook de rechtsgrondslag voor het bij wet ingestelde Emigratiebestuur komen te vervallen.

Hoofdstuk 4: Nederlandse Emigratie Dienst (NED)

De Nederlandse Emigratiedienst was belast met de uitvoering van de emigratie, en als zodanig ingesteld bij de Wet op de organen voor de emigratie (Stb. 1952, 279). Ze hield zich bezig met zowel de voorlichting en voorbereiding als de uitvoering van de emigratie. Voor deze laatste taak bestonden vijf bureaus (voor Australië, Canada, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en "overige landen", die -wanneer de voorbereiding eenmaal was afgerond- contact hielden met de overheden in de landen waarheen de landverhuizer wilde vertrekken. Zo werden bijvoorbeeld de dossiers van de aspirant-emigranten besproken met de buitenlandse emigratiediensten. Onder de taken van de NED viel ook de uitvoering van enkele subsidieregelingen.

Met de intrekking van de Emigratiewet (zie Remigratiewet (Stb. 1999, 232) is de grondslag voor de Nederlandse Emigratiedienst komen te vervallen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in