gahetNA in het Nationaal Archief

Kaarten Leupe Suppl. - Zoeken: collectie%20Leupe

3 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

4.VELH
S.P. l'Honoré Naber
Nationaal Archief, Den Haag
1914
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

4.VELH
Auteur: S.P. l'Honoré Naber
Nationaal Archief, Den Haag
1914
CC0

Periode:

1617-1867

Omvang:

955 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een deel is gesteld in het Frans en in het Engels. Enkele kaarten zijn beschreven in het Latijn, Deens, Spaans en Italiaans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, gedrukte en getekende documenten. Het betreft een kaaartenarchief met zeeatlassen en zee -en kaarten, kust -en rivierkaarten en landkaarten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Inventaris der verzameling Kaarten berustende in het Algemeen Rijksarchief: Eerste Supplement (VELH) beschrijft kaarten uit de periode 1867-1886 die wel aanwezig waren maar ontbreken in de inventaris van P.A. Leupe uit 1867.
Het archief bevat zee-atlassen en wereldkaarten, de rubriek zee, kust -en rivierkaarten volgt de oostelijke route van de VOC-schepen vanaf Europa, via Afrika en Kaap de Goede Hoop naar de Perzische Golf, India en Oost- en Zuid-Oost Azië en de westelijke route van de WIC-schepen naar Amerika. De rubriek landkaarten is op dezelfde wijze ingedeeld maar begint met Afrika, er zijn geen Europese landkaarten in het archief bewaard gebleven. De kaarten dateren voornamelijk uit de achttiende en negentiende eeuw.
Het archief is vooral van belang door de aanwezigheid van het grootste deel van het VOC-kaartenarchief, dat apart gevormd is vanwege geheimhouding en formaat. Deze kaarten geven inzicht in de bloei van het kaartenmakersbedrijf in Amsterdam waar de kaartenmakers in opdracht van de VOC werkten zoals Willem Jansz. en Johannes Blaeu, Johannes Vingboons en de familie Van Keulen. De atlas van Isaac de Graaff is - weliswaar niet in zijn geheel, maar verspreid - in de verzameling terug te vinden.
De kaarten vormen de vroegste bronnen voor China, Japan, Thailand, Cambodja, India, Zuid-Afrika, Formosa, Australië en Nieuw-Zeeland en de eilanden van Indonesië, met het handelscentum van de Oostindische Compagnie in Batavia.
De kaarten van de Westindische Compagnie en de Sociëteit van Suriname vertellen het verhaal van de slavenhandel vanaf St George d'Elmina, het steunpunt in West-Afrika, naar de kusten van Zuid-Afrika en de Antillen. De Nederlanders zaten tientallen jaren in Brazilië met Johan Maurits van Nassau, veroverden Curaçao en voeren de rivieren van Suriname op om plantages in te richten. Ook maakten zij ontdekkingsreizen naar Chili en Peru. De posten in zowel West als Oost waren naar de laatste militaire inzichten gebouwd en vormden de steunpunten in het handelsimperium.
Uit de vroege 17de eeuw, toen de Nederlanders New York in Nieuw-Nederland stichtten zijn er kaarten van de noordoostkust van Amerika aanwezig.
Een belangrijke kaart is de "Vertooningh ofte aenwijsinghe der coursen, landen, eijlanden ende droochten beoosten Japan beseijlt door den E. Commandeur Mathijs Quast ende Abel Jansen Tasman gelijk in dese 2 platte caerten can worden beöogt." De kaart -afkomstig uit het toenmalige Rijksarchief- dook op op een veiling van Van Stockum in 1880 en kwam terug dankzij "de welwillendheid' van de erfgenamen van Prins Hendrik- geeft een overzicht van verschillen in gegevens van vroegere en latere data. In dit supplement op de collectie Leupe bevinden zich de wereldberoemde aquarellen van Johannes Vingboons, kaartmaker in dienst van Joan Blaeu. Deze unieke serie bevat aanzichten en vogelvlucht kaarten van steden en forten van Nederlandse handelsposten van de WIC en de VOC, maar ook die van concurrenten. De 17e eeuwse baaien en plattegronden van New York, Havanna, Kaap de Goede Hoop of Malakka vormen de eerste weergave van die handelsposten..Er zijn facsimilé-uitgaven van deze atlas verschenen.

Archiefvormers:

  • College ter Admiraliteit te Amsterdam, Commissie Bepaling Lengte op Zee Verbetering v. Zeekaarten
  • Comité tot de Oost-Indische Handel en Bezittingen
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika
  • Depot-Generaal van Oorlog
  • Directie ad interim voor de Westindische Koloniën
  • Directie van de Sociëteit van Berbice
  • Directie van de Sociëteit van Suriname
  • Ministerie van Koophandel en Koloniën
  • Ministerie van Koophandel en Koloniën, Algemene Directie
  • Ministerie van Marine en Koloniën
  • Ministerie van Marine en Koloniën, Hollandse Divisie
  • Oud Archief Suriname: Gouvernementssecretarie
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen
  • Raad der Aziatische Bezittingen en Etablissementen
  • Raad der Koloniën in West-Indië
  • Staten van Holland en West-Friesland
  • Verenigde Oostindische Compagnie, Kamer Amsterdam
  • Verenigde Oostindische Compagnie, Kamer Amsterdam, Departement van de Equipage
  • Verenigde Oostindische Compagnie, Kamer Zeeland
  • Westindische Compagnie, Kamer Amsterdam
  • Westindische Compagnie, Kamer Zeeland
  • Heneman, J.C. (kartograaf van de Sociëteit van Suriname, ca., 1740-1806)
  • Loten, J.G., (gouverneur van Ceylon, 1710-1789)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Een groot aantal van de schoonste nummers dezer verzameling is ook thans weder afkomstig van de dienaren der Oost-Indische Compagnie of van hare kaartenmakers. Sedert de Inventaris van 1867 in het licht verscheen is over deze laatsten veel nieuw licht opgegaan door de studiën van de heeren P.J.H. Baudet (

P.J.H. Baudet, Leven en werken van Willem Jansz. Blaeu, Utrecht 1871. (Met een naschrift van 1872).

) en G.D. Bom 2)(

2) G.D. Bom, Bijdr. tot de geschiedenis van het geslacht Van Keulen, Amst. 1885.

)
, zoodat het aanbeveling verdient hier ter plaatse de bijzonderheden aan te vullen, die Leupe in de inleiding tot zijnen Inventaris heeft medegedeeld.

Als vaststaande kan worden aangenomen dat de O.I.C. hare kaartenmakers (tevens leveranciers) had zoowel in Nederland als te Batavia. De taak der eersten kan geacht worden te hebben bestaan in het aanhouden van een voorraad leggers, die geregeld moesten worden bijgehouden, en in het gereed maken van de kaartenverstrekkingen voor uitgaande schepen, op grondslag van die leggers. De taak der laatsten zal hebben bestaan in het bijwerken van de kaarten, die door aangekomen schepen werden ingeleverd, om dan weder aan de thuisvaarders te worden medegegeven. Een teekenwerk zeker niet aan onvaardige handen toe te vertrouwen! Behalve hiermede zullen zij belast zijn geweest met het bijhouden en verstrekken van kaarten aan schepen, die reizen naar de kwartieren in en buiten den Archipel moesten doen, voor zooverre zij niet rechtstreeks uit Nederland derwaarts waren gezonden (Soeratte, Ceilon, Bengalen). In dit laatste geval diende er wel een vrij uitgebreide verstrekking uit Nederland te worden medegenomen.

Beschouwt men eerst de kaartenmakers in Nederland, dan is bekend (zie Inventaris Leupe) dat de voornaamsten onder hen zijn geweest die van de Kamer Amsterdam, en wel:

  • Augustus Robaert tot ongeveer 1617.
  • Hessel Gerritsz van 1617 tot ongeveer 1633.
  • Willem Jansz Blaeu van 1633 tot zijn dood 1638.
  • Mr. Joan Blaeu van 1638 tot zijn dood 1673.

Hier echter houden de mededeelingen op totdat in 1705 Isaac de Graaff als kaartenmaker wordt genoemd, welke betrekking hij tot zijn dood (1714) heeft waargenomen. Hoe deze gaping te verklaren? Wie bezorgde de kaartenverstrekkingen in de jaren tusschen 1673 en 1705?

Deze vraag is met een vrij hoogen graad van juistheid te beantwoorden -

aan de hand van hetgeen het Rijksarchief uit die jaren bezit. Men raadplege de nummers:

  • 352 Inv. Leupe, Jaartal 1635, Sign. J aan Blaeu,
  • 158 Supp. Inv., Jaartal 1694, Sign. Joan Blaeu,
  • 147 Supp. Inv., Jaartal 1674, Sign. Joan Jansz Blaeu.

"Wie is deze Joan Blaeu?" aldus vraagt Leupe in een voetnoot bij blz. VI zijner inleiding. Ons nummer 147 maakt het reeds waarschijnlijk dat Joan Jansz niemand anders is dan de zoon van den in 1673 overleden Mr. Joan Blaeu. Dit vermoeden wordt tot zekerheid wanneer men uit de genealogie van het geslacht Blaeu (Baudet blz. 160) ontwaart, dat deze Joan de jongste (de derde) zoon is van den bekenden Joan, en zoo is het duidelijk dat deze de kaarten vervaardiging na den dood zijns vaders heeft voortgezet tot in de jaren 1685, 1694 en misschien wel tot 1705 (optreden van Isaac de Graaff), daar hij eerst in 1712 overleden is. Een tweede opmerking van Leupe (voetnoot blz. VI) kan thans ook tot klaarheid worden gebracht. Wij lezen daar dat er bij het Ministerie van Marine eene kaart aanwezig is, getiteld: "Pascaerte van alle de zeecusten van Europa, nieulijcx beschreven door Willem, Pieter en Joan Blaeu, Amsterdam 1677". Deze Willem, Pieter en Joan zijn de drie zoons van Mr. Joan, die dus aanvankelijk in combinatie de kaartenvervaardiging hebben voortgezet. Op grond van hunne nog voorhanden werken, aan welker echtheid niet valt te twijfelen, mag men dus aannemen dat het geslacht Blaeu de Compagnie heeft bediend in deze volgorde:

  • Willem Jansz Blaeu 1633 tot 1638.
  • Mr. Joan Blaeu 1638 tot 1673.
  • Willem, Pieter, Joan Jansz Blaeu 1673 tot 1677 of later 1).(

    Volgens Elias. De Vroedschap van Amsterdam I blz. 472, 473 stierf Willem Blaeu denkelijk te Hillegom in 1685. Van hetzelfde jaar dagteekent kaart 352 (Inv. Leupe) die alleen de signatuur van Joan draagt. Pieter Blaeu stierf in 1706, maar daar de kaarten van 1674 en 1694 ook alleen de signatuur van Joan dragen is het zeer goed denkbaar, dat de drie gebroeders in nog andere (onbekende) combinaties hebben gewerkt.

    )
  • Joan Jansz Blaeu (voornoemd) 1677 of later tot 1694 of misschien tot 1705.

In dat jaar werd laatstgenoemde opgevolgd door Isaac de Graaff, die in functie is gebleven tot 1714, maar over wiens opvolger Leupe zwijgt. Wie bezorgde de kaartenverstrekkingen na dien tijd?

Het antwoord hierop is te vinden in de studie van den heer Bom, die ons mededeelt (blz. 8), dat "kort na" het overlijden van De Graaff niemand minder dan de beroemde Gerard van Keulen tot kaartenmaker der Compagnieën werd aangesteld, en in zijn geslacht bleef de waardigheid lange jaren erfelijk. Er zou wel eenig bezwaar tegen zijn die mededeeling van den heer Bom zonder meer te aanvaarden, omdat de werkzaamheid van Van Keulen voor de Oost-Indische

hydrographie aanvankelijk niet alleen niet groot schijnt, maar ook omdat er kaarten voorhanden zijn die de signatuur van Isaac de Graaft dragen bij jaarcijfers 1728, 1735, 1736 en 1737. Deze moeilijkheid komt mij niet onoverkomelijk voor, en dat vooral omdat duidelijk blijkt dat Van Keulen reeds vóór het jaar 1720 betrekkingen met de O.I.C. moet hebben aangeknoopt. Omstreeks dat jaar toch verschenen bij zijne firma de onvolprezen kaarten: Insulae Javae Pars Orientalis & Insulae Javae Pars Occidentalis, bewerkt door Adriaan Reland. Mede omstreeks dien tijd kunnen er een paar kaarten van de Roode Zee zijne ateliers hebben verlaten, zoo goed als eene thans zeldzame kaart: Nova Tabula Terrarum Cucan, Canara Malabaria, Madura et Coromandelia cum Parte Septentrionali Insulae Ceylon edente Hadriano Relando (Catalogus Min. van Marine blz. 861). Wèl mag men zich dus afvragen waartoe Van Keulen kostbare kaartwerken van de Oostersche Zeeën zou ter perse hebben gelegd, zoolang hij zich niet van de koopers, dus van de Compagnie's schepen, zeker wist. Schijnt dan ook zijne werkzaamheid aanvankelijk niet groot, zijn ijver zal in een geheel ander licht verschijnen wanneer men bedenkt dat zijn zoon Johannes (IIe) in 1753 een nieuw (zesde) deel van den grooten "Zeefakkel" het licht deed zien, waaraan hij zijn eerste 25 jaren arbeids had ten koste gelegd en waarin hij door middel van 60 kaarten (waarvan er nog 3 door Gerard bezorgd waren) de geheele nautische kennis van de Indische Wateren vastlegde (Bom blz. 10). De Van Keulen's waren dus uiterst werkzaam geweest: terwijl er nog kaarten met de signatuur van De Graaff werden verstrekt, zwoegden zij aan het zesde deel van den Zeefakkel, waarvan misschien reeds afdrukken aan de schepen werden verstrekt naarmate de platen gereed kwamen. Maar toch moeten er redenen zijn geweest waarom er, ook na 1714, kaarten op naam van De Graaff werden verstrekt.

In de eerste plaats kan men aanvoeren: daar waren nog in 1726 geldelijke verbintenissen ten laste van den in 1743 overleden Isaac de Graaff (Bom blz. 9), maar wij weten niet door welke verplichtingen die verbintenissen werden opgewogen. Ook eigenliefde kan een woord hebben meegesproken. Van Keulen, die in 1753 het zesde deel van den Zeefakkel in het licht zou geven, moet reeds jaren te voren aan die omvangrijke uitgave hebben gewerkt en langen tijd aan de voorbereiding hebben gearbeid. Wel diende die arbeid te berusten op het werk van De Graaff, maar diens kaarten moesten dan toch alle in koper worden gestoken en teruggebracht worden op eene schaal, die ze voor opneming in een atlas geschikt maakte. Want Van Keulen zon op iets nieuws, dat een vooruitgang mocht heeten. Tot dusverre werden de Oost-Indische kaarten verstrekt, geteekend op perkament en fraai gekleurd, maar ook hier trok Van Keulen zijne beproefde kopergravure voor, zooals hij die voor kaarten van andere deelen der wereld reeds lang toepaste. Ofschoon het kaartwerk daardoor oppervlakkig beschouwd aan artistiek aanzien verloor, sprongen de voordeel en van de gravure in het oog en het is dus niet onwaarschijnlijk dat Van Keulen de perkamenten "overzeilers" als iets minderwaardigs beschouwde, die hij zelfs 1iever op naam van een ander dan van den zijnen voortging te verstrekken. Bij het inleiden zijner nieuwe gravures viel wellicht ook zekere weerzin te overwinnen, dien de weinig ontwikkelde schippers der Compagnie tegen al wat nieuw was zullen hebben betoond. Gewoon aan die rijkversierde kunstwerken van de Blaeu's en van De Graaff, zal het hun (en misschien ook wel aan sommige Bewindhebbers) moeite hebben gekost het schijnbaar eenvoudiger werk van Van Keulen als beter te erkennen, en deze zal, als een goed man van zaken, blijde zijn geweest dat hij het nieuwe slechts druppelsgewijze behoefde toe te dienen. Zoo laat zich wel eenigszins verklaren dat er kaarten zijn verschenen op naam van De Graaff, toen deze reeds jaren overleden was en Van Keulen hem in zijne betrekking van kaartenmaker was opgevolgd. Van deze zijn met name aanwezig:

  • No. 176 Supp. Inv., Jaartal: 1728.
  • No. 164 Supp. Inv., Jaartal: 1735.
  • No. 148 Supp. Inv., Jaartal: 1736.
  • No. 165 Supp. Inv., Jaartal: 1737.,

terwijl de heer Bom eene kaart van de kust van Guinea heeft aangetroffen, gemerkt 1722 (Bom blz. 8 voetnoot).

Met het verschijnen van het prachtige zesde deel van den Zeefakkel was ook de cartographie van de Indische Wateren in nieuwe banen getreden, en, wat nog meer zegt: de O.I.C. hield van nu af aan haar geographische kennis niet langer voor zichzelve alleen. De Van Keulen's hebben de Compagnie bediend tot haar uiteinde en het schijnt hier de plaats de voornaamste leden van dat geslacht te vermelden, die de betrekking van kaartenmaker hebben bekleed:

  • Gerard van Keulen 1714-1726.
  • Johannes van Keulen 1726-1755.
  • Gerard Hulst van Keulen met Johannes Buys van Keulen 1756-1778.
  • Gerard Hulst van Keulen (voornoemd) 1779-1801.

De firma Van Keulen heeft echter nog meerdere verdiensten voor de cartographie, waarover straks nader.

Minder goed dan omtrent de kaartenmakers in Nederland zijn wij ingelicht omtrent de titularissen in Indië. Leupe noemt er niet één. Thans kunnen er drie worden genoemd: Gerrit de Haan, Klaas de Lous en Wigle Sicma.

Van den eerstgenoemde bezit het Rijksarchief thans een atlas in handschrift bestaande uit twee deelen elk 25 kaarten bevattende (Supp. Inv. No. 156), en behoorende tot het fraaist denkbare dat de 18e eeuw heeft opgeleverd. Dit exemplaar, dat aan Melvill van Carnbee schijnt te hebben toebehoord, is voorzien van eenige aanteekeningen van zijne hand, die ik hier slechts letterlijk behoef over te nemen om alles weer te geven wat omtrent hem en zijn opvolgers is bekend geworden. Zij luiden als volgt:

"Uit het Indisch Naamboek is mij gebleken dat Gerrit de Haan toen (1760 & 1761) was Capitein-Luitenant ter Zee en Baas-Kaartenmaker: tevens dat hij Capitein-Luitenant reeds was sedert 1752 en kaartenmaker sedert 1747. In het Indisch Naamboek van Ult. Dec. 1768 vind ik De Haan ook nog als Capitein-Luitenant doch in het Indisch Naamboek van Ult. Dec. 1769 niet meer, maar hem, op de lijst der personen die met de retourschepen van 1769 naar Nederland vertrokken zijn, of nog te vertrekken staan. Als Baas-Kaartenmaker vind ik in dat jaar vermeld: Klaas de Lous, opperstuurman. In het naamboek van 1773 komt als Baas-Kaartenmaker voor Wigle Sicma, die onder de 'zeeofficieren' vermeld staat als schipper, sedert 1772. Zeker is het dus dat Gerrit de Haan van 1747 tot 1769 Baas-Kaartenmaker was te Batavia en dat hij als zoodanig is opgevolgd door Klaas de Lous."

Het komt mij voor dat de betrekking van kaartenmaker in Indië na die jaren veel van haar belang zal hebben verloren, omdat de schepen waarschijnlijk voorzien werden van het zesde deel van Van Keulen's Zeefakkel, waardoor de behoefte aan bekwame teekenaars op Batavia van zelve minder gevoeld werd.

De Atlas De Graaff van omstreeks 1700 met het zesde deel van den Zeefakkel van Van Keulen (1753) en deze met De Haan's Ligtende Zeefakkel (1760) zijn echter even zoovele bakens in de geschiedenis der Indische cartographie, die het geheele aardrijkskundige "weten" op een bepaald tijdstip doen kennen. Het ware wellicht mogelijk uit de voorhanden gegevens de algemeene kennis op eenig bepaald tijdstip op te bouwen zooals Joan Blaeu of Hessel Gerritsz die hebben bezeten, doch zoo volledige overzichten, zonder eenige lacune, zou men niet vermogen te geven.

De kaartenverzameling van het Rijksarchief vertoont niet alleen de hooge voortreffelijkheid van het Nederlandsche kaartwerk in de zeventiende en in de achttiende eeuw, zij doet tevens het plotseling verval zien dat in de tweede helft der 18e eeuw begon, en zij is zelfs reeds volledig genoeg om een eervol getuigenis te verstrekken van den wederopbloei onzer cartographie na het midden der 19e eeuw. De verzameling is echter, vooral wat de sedert 1850 verschenen Nederlandsche en Indische zeekaarten betreft, in geen enkel opzicht volledig genoeg om een beeld te kunnen geven van hetgeen er dààr, gedurende de laatste zeventig jaren, is verricht; en misschien zal men eerst over een kleine twintig jaren, namelijk wanneer de opneming der Ned. Indische kusten voltooid kan zijn, dien arbeid naar waarde kunnen schatten. Het bovenbedoeld plotseling verval is echter duidelijk afgeteekend en het zal misschien nuttig zijn de oorzaken daarvan nader aan te wijzen. Het was toch geenszins de veelbesproken (en niet altijd juist uitgelegde) "geest" van die eeuw, die medebracht dat de Nederlandsche cartographie in weinige jaren door die der Engelschen geheel werd overvleugeld; het komt mij voor dat de uitvinding van twee instrumenten, waarvan de Engelschen zich aanstonds bedienden omdat zij door Engelschen uitgevonden waren, hun eenen voorsprong verzekerde die door de Hollanders niet kon worden ingehaald en dat vooral niet, omdat de vlag zich van verschillende deelen des aardbols begon terug te trekken, terwijl de Engelsche scheepvaart zich met den dag uitbreidde. Noch gebrek aan wakkerheid der uitgevers noch eenige mindere bekwaamheid der graveurs was de oorzaak van het verval; de firma Van Keulen was zoo ijverig als ooit en ging voort met het in het licht zenden harer uitgaven, die als kunstgewrochten in geen enkel opzicht voor uitheemsch werk behoefden te wijken.

Om echter kaarten te kunnen vervaardigen, behoort men behalve met de breedte ook bekend te zijn met de lengte der voornaamste punten, terwijl de juistheid der détails slechts kan worden gewaarborgd wanneer er, tot in onderdeelen toe, met nauwkeurigheid is getrianguleerd. Aan groote onnauwkeurigheden in de lengteverschillen der te bezeilen kusten was de zeeman der zeventiende eeuw als gewoon. De chronometers, door Huygens uitgedacht en in 1690 aan boord van een Compagnie's schip gemonteerd, brachten daarin wegens den dood des uitvinders verandering noch verbetering, en de kaarten bleven de kenmerken dezer leemte dragen. Al ware dat anders geweest, veel dagelijksch voordeel zou de zeeman van het gebruik der uurwerken niet hebben kunnen trekken, zoolang een doelmatig hoekmeetinstrument, tot het bepalen van zons- of stershoogten of tot het meten van hoeken in een horizontaal dak, tot de onvervulde wenschen bleef behooren. Zulk een instrument werd in 1730 in Engeland verkrijgbaar toen Hadley den spiegelsextant van Newton zoodanig wijzigde dat zij een voor scheepsgebruik doelmatigen vorm verkreeg. De uitvinding van de eigenlijk gezegde chronometers, door Harrison in 1762, zette de kroon op het werk, want met die beide instrumenten was het bepalen van nauwkeurige lengteverschillen zoowel als het uitvoeren van triangulaties binnen den kring van het voortaan mogelijke getrokken. De Engelschen maakten alras een goed gebruik van hunne uitvindingen en de eerste "real survey ever made by British officers" werd verricht onder leiding van Captain Cook, in 1765 aan de kusten van New Found Land (het stuk is nog te zien in de verzameling van het Hydrographic Department der Admiralty). Nergens echter blijkt dat de Nederlanders getracht hebben hunne "overzeilers" aanstonds te verbeteren door het bepalen van de lengteverschillen der voornaamste punten(

Men zou hier eenig voorbehoud moeten maken voor de waarnemingen te Batavia door den predikant Mohr verricht, die in 1770 de lengte van Batavia op 106 graden 50 minuten bepaalde, zie Johan Maurits Mohr door P.J. Veth (De Gids 1885, III.

). De lengte van de Kaap was door La Caille in 1751 bepaald op 18 graden 30 minuten. of door het verrichten van triangulaties, die de waarde hunner détailkaarten hadden kunnen verhoogen. Zoo bleef het Nederlandsche kaartwerk te lang op het oude berusten en de kaarten, hoewel zij veelal zoo juist waren als met behulp van peilkompassen, breedtebepalingen en koers- en vèrheidsrekeningen mogelijk was, moesten wel in een reuk van mindere juistheid komen te staan indien men ze vergeleek met het Engelsche werk, dat gaandeweg naar betere systemen werd opgezet en in artistieke behandeling op den duur niet behoefde onder te doen voor hetgeen er te Amsterdam uitkwam. En met de verbeteringen, die de Engelsche kaarten ondergaan hadden, kon de scheepvaart ook hooger eischen gaan stellen. Getrianguleerde kaarten, die op goede lengteopgaven berustten, maakten niet alleen een juiste plaatsbepaling door lengte- en breedtewaarnemingen ten opzichte van omliggende kusten mogelijk; ook de plaatsbepaling door "kruispeilingen" kon beter worden toegepast, omdat de punten op de kaart in goed onderling verband lagen. Het lijdt geen twijfel, of men besefte in Nederland zeer goed waar de fout schuilde. De in 1787 ingestelde (en eerst in 1850 opgeheven) "Commissie tot de zaaken het bepalen der lengte op zee en de verbetering der zeekaarten betreffende",(

Een overzicht van haar werkzaamheden, bij Bom, blz. 60-69.

)
waarin ook de Van Keulens en later de firmant Jacob Swart zitting hadden, bewijst reeds door haren naam, dat men niet alleen het kwaad had verkend maar ook wel begreep hoe de middelen tot verbetering moesten worden aangewend, doch het was toen te laat. De Engelschen kregen in korteren tijd meer en beter gegevens van hunne zich steeds uitbreidende vloot dan de Hollanders konden krijgen van een scheepvaart die eer kwijnde dan bloeide, en daarmede moest het kaartwerk der Nederlanders, dat zich zooveel jaren op het hoogste peil had gehandhaafd, plaats maken voor dat der buren aan de overzijde van de Noordzee en zelfs tijdelijk (en om soortgelijke redenen) voor dat van de Franschen. Het zal ook op den duur niet hebben gestrekt tot verhooging van den lust der opvolgers van Van Keulen, dat de uitgave der kaarten gaandeweg onder de voogdij van eene Commissie was gesteld, maar men mag betreuren dat zij hunne bakens niet wisten te verzetten toen het getij was verloopen. Van uitgevers van zeekaarten hadden zij vervaardigers van moderne atlassen kunnen worden, even goed als een vorig uitgeversgeslacht met de atlassen was begonnen om zich, naar de eischen des tijds, meer op de verspreiding van zeekaarten toe te leggen. In het détail der atlassen hadden zij wellicht onbeperkt meester kunnen blijven zonder dat een oogenschijnlijk nieuwe industrie elders behoefde op te komen, hetgeen toch omstreeks het begin der 19e eeuw geschiedde: juist in den tijd toen de zeekaartenindustrie hier te lande noodlijdend was.

Eerst omstreeks het midden der 19e eeuw kwam de Nederlandsch-Indische cartographie weer op soliede basis te staan, want toen begon de Regeering te toonen dat zij inzag, hoezeer hoekmeetinstrument en uurwerk de eerste onmisbare hulpmiddelen waren om den grondslag te leggen voor bruikbare land- en zeekaarten. Door de ontbinding der Commissie tot verbetering der zeekaarten werd, hoe goede diensten zij ook bewezen had, als stilzwijgend erkend dat het verzamelen en bewerken der gegevens, die noodig zijn tot de vervaardiging van moderne kaarten, de krachten van eene uitgeversfirma te boven gaat, al wordt zij door eene bevoegde Commissie voorgelicht. Integendeel werd er door die daad erkend dat de opneming, die aan kaarteering vooraf dient te gaan, slechts een tak van Staatsdienst kan zijn. Datgene wat in de eerste plaats noodig was: astronomische bepaling van hoofdpunten, werd van stonde aan met kracht ter hand genomen (

Zie F. Kaiser, De sterrekundige plaatsbepalingen in den O.I. Archipel, Amst. 1851.

), en daarmede was de eerste stap gezet op den weg, die de cartographie tot vernieuwden bloei kon brengen. Opnemingen, zoo te water als te land, volgden, maar de oude firma's verdwenen van het tooneel. Van Keulen liquideerde de zaken in 1885 en de Staat trok niet alleen plaatsbepaling, verkenning en opmeting maar ook het technisch en artistiek gedeelte van het oude bedrijf aan zich (Top. Bureau, Top. Inrichting, Afd. Hydrographie Ministerie van Marine enz.).

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Een aantal van de Surinaamse kaarten in de inv. Leupe behoorden ooit tot het oude grondarchief van Suriname. Verreweg het grootste deel van dat archief wordt bewaard in het Nationaal Archief Suriname. Een deel daarvan (ongeveer 3000 kaarten) is ingescand en kan worden bekeken op de volgende link :
https://drive.google.com/folderview?id=0B88mZFitv8emcXZjNjlwMjVheEE&usp=...

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in