Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Justitie / DG Bijzondere Rechtspleging - Zoeken: collaboratie

24 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.09.08
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2000
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.08
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2000
CC0

Periode:

1945-1983
merendeel 1945-1952

Omvang:

71.50 meter; 2498 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De bijzondere rechtspleging was in het leven geroepen om Nederlanders die oorlogsmisdaden hadden gepleegd, die hadden gecollaboreerd of die zich op andere wijze onvaderlandslievend hadden betoond te bestraffen. Aan de basis lag het Besluit Buitengewoon Strafrecht (BBS) (D61) van 22 december 1943. Bijzonder was de rechtspleging in zoverre dat er sprake was van een mengeling van burgerlijk en militair recht, een speciaal voor dat doel in het leven geroepen opsporingsapparaat en Bijzondere Gerechtshoven. Bovendien kregen de veroordeelde politieke delinquenten te maken met een bijzondere strafmaat.
Na de bevrijding viel de arrestatie van 'foute Nederlanders' onder de verantwoordelijkheid van het Militair Gezag. In de praktijk verrichtte het verzet de meeste arrestaties (onder meer de Binnenlandse Strijdkrachten, BS), omdat zij over informatie beschikten en niet besmet waren. Daarover ontstond een conflict met de politie. Geleidelijk werd de rol van het verzet ingeperkt en de rol van politie en justitie versterkt.
Op 1 maart 1946 droeg het Militair Gezag zijn bevoegdheden op het gebied van de bijzondere rechtspleging over aan het speciaal voor dit doel in het leven geroepen Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging (DGBR), dat onder leiding stond van mr. B.I.A.A. ter Veer. Het Directoraat-Generaal coördineerde het hele opsporings- en vervolgingsbeleid tot aan de opheffing op 1 januari 1949. In januari 1946 zaten bijna 90.000 personen in voorarrest. De bijzondere rechtspleging bleek omvangrijk, arbeidsintensief en tijdrovend. Minister J.H. van Maarseveen besloot in te grijpen. Duizenden werden voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De procedures werden vereenvoudigd en versneld en de rechtszekerheid van de verdachten werd beter geregeld. In 1949 en 1950 werden de bijzondere gerechtshoven opgeheven en het werk overgedragen aan de reguliere rechtbanken. De resterende werkzaamheden werden overgedragen aan het Bureau Bijzondere Rechtspleging.
Het archief bevat circulaires en correspondentie en overige stukken betreffende de organisatie en administratie;; behandeling van gratieverzoeken; internering (van politieke delinquenten); stukken betreffende de coördinatie van alle activiteiten m.b.t. de opsporing en overdracht (ook vanuit het buitenland, speciaal Duitsland); collaboratierapporten; dossiers inzake bedrijven en organisaties, personen en overige onderwerpen; stukken m.b.t. de bewarings-en verblijfkampen, zoals klachten en inspecties; vervroegde invrijheidsstelling, vermindering van verbeurdverklaringen en herstel in rechten.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Justitie / Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging (DGBR) 1946-1949
  • Ministerie van Justitie / Afwikkelingsbureau Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging 1949-1958
  • Ministerie van Justitie / Bureau Bijzondere Rechtspleging 1949-1958

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De oprichting van het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging (DGBR)

Door de opheffing van het Militair Gezag, werd dat deel van de werkzaamheden, dat op de opsporing en bewaring van politieke delinquenten betrekking had, opgedragen aan het bij Koninklijk Besluit no. 58 van 1 november 1945 ingestelde Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging, ressorterend onder het Ministerie van Justitie.

Nadere vaststelling van taak en bevoegdheden van de eveneens bij voornoemd KB aangestelde Directeur-generaal mr. B.I.A.A. ter Veer, was neergelegd in Beschikking 413 van 19 december 1945 van het Ministerie van Justitie.

Hoofdzakelijk formele overwegingen waren oorzaak dat het DGBR als voortzetting van de Sectie II B.D. van het Militair Gezag eerst per 1 januari 1946 zijn werkzaamheden begon.

Praktisch hield dit in dat de functionarissen van Sectie II B.D. in het algemeen hun werkzaamheden voortzetten in dienst van het DGBR.

Met ingang van 1 januari 1946 werden 126 kampen en 67 opsporingsorganen onder leiding en beheer gesteld van voornoemd Directoraat.

Voorts werden per 1 april 1946 eveneens bij het DGBR ondergebracht de onder het Ministerie van Justitie ressorterende berechtingorganen t.w.:

  • 19 Tribunalen
  • 5 Hoge Autoriteiten
  • 5 Bijzondere Gerechtshoven
  • 1 Bijzondere Raad van Cassatie
Organisatie en administratie

In de ministeriële beschikking van 19 december 1945 werd de taak van de Directeur-generaal omschreven. Ter uitvoering van de uit deze taak voortvloeiende werkzaamheden inzake de berechting, opsporing en bewaring van politieke delinquenten, werd hij bijgestaan door drie afdelingen, t.w.:

  • Afdeling I. Algemene Zaken, verdeeld in:
    • Bureau A: Berechting en Algemene Zaken
    • Bureau B: Voorbereiding wetgeving en bijzondere taken.
  • Afdeling II. Opsporing, verdeeld in:
    • Bureau A: Politieke Recherche
    • Bureau B: Collaboratie
  • Afdeling III. Bewarings- en Verblijfskampen, verdeeld in:
    • Bureau A: Materiële verzorging
    • Bureau B: Geestelijke en Sociale Verzorging
    • Bureau C: Medische Verzorging
    • Bureau D: Arbeid en Productie
    • Bureau E: Buitenbewaking

De bijzondere werkzaamheden van technische en administratieve aard waren opgedragen aan de volgende acht diensten, rechtstreeks ressorterend onder de Directeur-generaal:

  • Dienst Secretariaat
  • Dienst Centrale Registratie en Statistiek
  • Dienst Personeelszaken
  • Dienst Financiën
  • Dienst Inkoop
  • Dienst Transport
  • Dienst Pers en Publiciteit
  • Dienst Gebouwen

Naast de hiervoor genoemde afdelingen en diensten was ten behoeve van de Directeur-generaal nog een Algemene Inspectie werkzaam ter uitvoering en behandeling van speciale opdrachten.

De Afdeling II werd in de loop der tijd nog uitgebreid met de volgende bureaus, die elk een zeer speciale taak hadden, t.w.:

  • Bureau Coördinatie: coördinerende werkzaamheden in verband met de opsporing van oorlogsmisdadigers van vreemde nationaliteit;
  • Bureau W: onderzoek naar en optreden tegen door ex-politieke delinquenten georganiseerde c.q. te organiseren acties;
  • Bureau Contact: onderhouden van contacten met het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Ten aanzien van het functioneren van deze organisatie wordt het volgende opgemerkt:

Zoals reeds werd vermeld was het DGBR in wezen een voortzetting van de Sectie II B.D. van het Militair Gezag. De door deze Sectie uitgevaardigde instructies bleven dan ook gehandhaafd behoudens uitdrukkelijke intrekking door het DGBR. Hierdoor werd niet alleen de continuïteit verzekerd, doch tevens de mogelijkheid geopend tot voortzetting van de herziening van de organisatie tot een normale overheidsdienst, die in staat was de verantwoordelijkheid te dragen voor de activiteiten van enkele honderden over het gehele land verspreide organen. Het geven van leiding door de Staf van het DGBR werd echter bemoeilijkt door de grote mate van zelfstandigheid van de organen. Dit laatste was het gevolg van het massale ontstaan van de organen tijdens de chaotische toestand na de bevrijding en de moeilijkheden ten aanzien van personeelsvoorziening huisvesting, voeding en transport.

De reeds tijdens de periode van het Militair Gezag aangevangen centralisatie van de leiding werd door de Staf DGBR voortgezet, waarvoor verschillende middelen werden toegepast, zoals algemene instructies, bijzondere aanwijzingen, periodieke rapporten door de organen, inspectie, technische en administratieve controle. De vele honderden uitgevaardigde losse instructies bleken echter lang niet altijd duidelijk en volledig te zijn als gevolg van onvoldoende toezicht op de samenstelling ervan, de grote spoed waarmee gewerkt moest worden en de enorme omvang van de te regelen vraagstukken. Aanvulling en nadere toelichtingen op deze instructies door middel van bijzondere aanwijzingen, die ten dele schriftelijk werden gegeven, deden uiteraard de werkzaamheden van de Staf toenemen.

Voorts namen de werkzaamheden van het DGRB toe door de voortgang van het onderzoek, de berechting, de versnelde invrijheidstelling van gedetineerden en de wensen van diverse overheidsinstellingen. Hierdoor werd niet alleen de eigenlijke leidende en toeziende arbeid meer omvangrijk, doch werden bovendien de administratieve werkzaamheden van de Staf en de organen uitgebreid.

De uit de centralisatie voortvloeiende administratieve arbeid bestond uit het verwerken van de door de organen al dan niet periodiek ingezonden gegevens, ten einde te komen tot een centrale boekhouding van de organen, tot statistische overzichten en grafieken en tot centrale registratie van het personeel, de transportmiddelen, politieke verdachten, in kampen ingesloten personen en in ziekeninrichtingen verpleegde gedetineerden.

Hierdoor beschikte de Staf DGBR over gegevens, welke voor de uitoefening van de centrale leiding van groot belang waren.

Bovendien werd door de Staf een deel van de taak van de organen overgenomen, waarvan als voornaamste voorbeeld genoemd kan worden de materiële voorziening van deze organen, welke taak in principe werd opgedragen aan de Dienst Inkoop.

Gezien het belangrijke karakter van Afdeling II van het DGBR volgt hieronder een overzicht van de door deze afdeling verrichtte werkzaamheden.

In de aanvang van de werkzaamheden was de voornaamste taak van Afdeling II de controle op de Politieke Recherche Afdelingen en de ontslagregeling in de geleidelijke inkrimping van deze afdelingen.

Eind 1947 waren deze tot een aantal van 34 teruggebracht.

Voor de controle was aanvankelijk een inspectie-apparaat opgebouwd van 5 hoofdinspecteurs en enige inspecteurs, dat eind 1947 tot 2 inspecteurs was teruggebracht.

Halverwege 1946 had de organisatie van de opsporing van economische collaboratie zijn beslag gekregen. Bij 23 PRA's werd een PRAC gevoegd. Ook dit aantal is geleidelijk ingekrompen.

Organisatie en toezicht waren opgedragen aan een speciaal Bureau van Afdeling II: het Bureau Collaboratie, dat tevens het geven van inlichtingen op dit gebied aan organen buiten de Bijzondere Rechtspleging centraal verzorgde.

In overleg met de procureurs-fiscaal werd richting gegeven aan de opsporing.

In de loop van 1947 werden voorbereidingen getroffen voor de incorporatie van Politieke Recherche Afdelingen bij de plaatselijke politie. Deze incorporatie kreeg in de maand december 1947 haar beslag. Daar de economische collaboratie-onderzoeken nog niet rijp waren voor overneming door de politie in verband met hun speciaal karakter, werd besloten de PRAC's niet te incorporeren bij de politie. Het onderzoek in deze zaken werd vanaf 1 januari 1948 opgedragen aan vijf centrale PRAC's, voor iedere procureur-fiscaal één. Organisatie en toezicht berustte bij Afdeling II.

Daarnaast had Afdeling II bemoeienissen met de opsporing in het buitenland, aanvankelijk eerst wat de Nederlandse politieke delinquenten betrof, later ook met de opsporing van oorlogsmisdadigers, toen de werkzaamheden betreffende deze materie van het ministerie waren overgebracht naar het DGBR.

De gevallen van overbrenging van politieke delinquenten werden geleidelijk beperkt, terwijl voor het overbrengen van oorlogsmisdadigers rechtstreeks contact werd gezocht met de bevoegde geallieerde autoriteiten.

Het werk van de Nederlandse Vertegenwoordiger bij de United Nations War Crimes Commission te Londen, The Netherlands War Crimes Commission in Duitsland en het Bureau Opsporing Oorlogsmisdadigers te Amsterdam werd zoveel mogelijk gecoördineerd.

Nauw verband met deze werkzaamheden hielden de bemoeienissen met de vreemdelingen en krijgsgevangenen in de kampen. Waren aanvankelijk na de bevrijding vele vreemdelingen en krijgsgevangenen in de kampen van het DGBR terechtgekomen, zonder dat vaststond, dat zij alhier zouden worden berecht. Langzamerhand werd een schifting aangebracht. De krijgsgevangenen die hier niet terechtstonden werden door bemiddeling van Afdeling II afgevoerd naar Duitsland. De vreemdelingen werden overgeheveld naar de Rijksvreemdelingendienst, terwijl de van oorlogsmisdrijven verdachten, die buiten vervolging waren gesteld, aan de Netherlands War Crimes Commission werden teruggevoerd.

De regeling betreffende het verstrekken van inlichtingen omtrent de gedragingen in de bezettingstijd, werd herhaaldelijk onder de ogen gezien en vond haar neerslag in verschillende richtlijnen, die aan de politieke recherche werden verstrekt.

Onder toezicht van Afdeling II werd door de PRA Den Haag in de tweede helft van 1946 en in 1947 het documentatiemateriaal van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV) dienstbaar gemaakt aan de Bijzondere Rechtspleging. Per 1 juli 1947 werden de politieke en economische coördinatie Afdelingen van de PRA Den Haag onder de leiding van Afdeling II gebracht, zulks ter landelijke documentaire voorlichting van berechtende-, vervolgde,- en opsporende instanties van de Bijzondere Rechtspleging

Een lid van Afdeling II vertoefde in 1947 maandenlang in Berlijn om uit het Document-center aldaar materiaal voor de Bijzondere Rechtspleging te verzamelen.

Door Afdeling II werd geregeld contact gehouden met de Nederlandse vertegenwoordiger bij het Internationaal, later Amerikaanse, Militaire Tribunaal te Neurenberg, die op zijn verzoek door bemiddeling van Afdeling II geregeld werd voorzien van materiaal over de door de door dat Tribunaal te berechten oorlogsmisdadigers, ten aanzien van in Nederland begane oorlogsmisdrijven.

Ten aanzien van de bureaus W. en Contact zij nog opgemerkt, dat deze onder toezicht stonden van het Hoofd van de PRA Alkmaar. De uitgaven van het Bureau Contact werden ten laste van genoemde PRA gebracht, terwijl de uitgaven van de overige bureaus en van de diensten ten laste van de Staf DGBR werden gebracht.

Bureau Coördinatie

Op verzoek van de Afdeling II en van de procureurs-generaal werd aan het eind van 1947 een gedeelte van de hierboven omschreven werkzaamheden van Afdeling II afgesplitst en opgedragen aan het Bureau Coördinatie dat als afzonderlijk apparaat rechtstreeks onder de Directeur-generaal ressorteerde en werkte ten behoeve van de gezamenlijke procureurs-fiscaal. Het omvatte de afdelingen politieke en economische coördinatie het Bureau Contact bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, terwijl bij andere instanties, die over voor de Bijzondere Rechtspleging benodigd materiaal beschikten, eveneens contactpersonen werkzaam waren. De hierboven omschreven voorlichtende taak werd door dit bureau vervult. Het verleende zijn bemiddeling bij het doen afnemen van verhoren in Duitsland ten behoeve van in Nederland te behandelen zaken, verstrekte de voor Neurenberg benodigde gegevens en verwerkte het uit de Neurenbergse processen naar voren komende voor Nederland belangrijk materiaal.

Tevens werden aan de Spruchgerichte in Duitsland het benodigde bewijsmateriaal of de inlichtingen verstrekt ten einde te voorkomen, dat zij, die zich in Nederland misdragen hebben in Duitsland wederom een grote rol zouden gaan spelen.

Vele archieven werden doorgewerkt ten einde het daarvoor geschikte materiaal dienstbaar te maken aan de Bijzondere Rechtspleging. Kortom: het was een algemene vraagbaak.

Liquidatie

Als gevolg van de centralisatie werd reeds in 1946 een aantal kleine en minder belangrijke kampen en PRA's door het DGBR opgeheven.

Naarmate de werkzaamheden in verband met de opsporing en de berechting vorderden en de politieke delinquenten werden vrijgelaten c.q. ondergebracht in de gevangenissen, werd een aanvang gemaakt met de liquidatie van alle organen.

Per 1 januari 1948 werden de werkzaamheden van de nog bestaande PRA's, met uitzondering van de collaboratiezaken, overgedragen aan de gemeentepolitie in de verschillende plaatsen.

De afwikkeling van de collaboratieonderzoeken werd per dezelfde datum geconcentreerd in een vijftal daartoe opgerichte gewestelijke PRAC's, welke instellingen per 30 juni 1948 werden opgeheven.

Op 1 juli 1948 werd het beheer van de 12 nog bestaande kampen voor politieke delinquenten overgenomen door de 3e Afdeling (Gevangeniswezen) van het Ministerie van Justitie. De afwikkeling van deze kampen werd evenwel verzorgd door het DGBR. Slechts het kamp Mariënbosch te Nijmegen, bestemd voor het onderbrengen van naar Duitsland uitgewezen vreemdelingen, bleef tot de opheffing op 1 december 1948 onder beheer van het DGBR.

Voorts werden de werkzaamheden van de tribunalen bij de Wet Overgang Bijzondere Rechtspleging (Stb. I 186) per 1 juni 1948 overgedragen aan de kantonrechter- plaatsvervangers; die van de Bijzondere Gerechtshoven in de loop van 1949 aan de Arrondissementsrechtbanken. De werkzaamheden van de Hoge Autoriteiten werden beëindigd per 1 augustus 1948, terwijl het beheer van de Bijzondere Raad van Cassatie per 1 januari 1950 door het Ministerie van Justitie werd overgenomen.

In de plaats van het DGBR werd met het besluit van het Ministerie van Justitie van 17 januari 1949, Kabinet Bureau B. no. 1060 A. 22, met ingang van 1 januari 1949 een Afwikkelingsbureau van het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging ingesteld, met gelijktijdige benoeming van de heer A.A. Schaberg tot hoofd. De algemene leiding van het Afwikkelingsbureau werd opgedragen aan de Directeur-generaal mr. B.I.A.A ter Veer, die bij besluit van 23 mei 1949 Kabinet Bureau B. no. 1060 A. 25 met ingang van 31 mei 1949 werd opgevolgd door de Oud-Raadadviseur H. Sieperda. Deze werd per 1 februari 1950 belast met de dagelijkse leiding.

Tot de taak van het Afwikkelingsbureau DGBR kon worden gerekend de administratieve afwikkeling van het DGBR als geheel, ten einde te komen tot een verantwoording van de door het Ministerie van Justitie aan voornoemd Directoraat verstrekte gelden.

Bij de opheffing van een orgaan werd in het algemeen de administratieve afwikkeling opgedragen aan een of meer personeelsleden van het betrokken orgaan. Overeenkomstig een desbetreffende instructie van de Dienst Financiën beperkten deze personen zich tot de afvoer van de goederen en het afsluiten van de boekhouding, waarbij de activa en passiva werden overgedragen aan de Staf DGBR.

De afvoer van roerende goederen vond plaats in samenwerking met de Dienst Inkoop; de afwikkeling van kwesties verband houdende met de oplevering van onroerende goederen geschiedde door de Dienst Gebouwen.

Eerst in 1948 werd door de Staf DGBR een aanvang gemaakt met de verwerking van de door de liquidateurs van de opgeheven kampen verstrekte gegevens, waarbij speciaal voor de afwikkeling van deze organen als onderdeel van de Dienst Financiën een bureau voor de afwikkeling van de kampen werd opgericht, dat tot augustus 1948 gevestigd was in Kamp Kanaalweg te Rotterdam en daarna werd overgeplaatst naar Den Haag.

De administratieve liquidatie van de opsporings- en berechtingorganen werd eerst medio 1949 aangevangen.

Bij de afwikkeling waren moeilijkheden van velerlei aard te overwinnen, o.m. als gevolg van talrijke verschillen in de rekening-courantverhouding tussen de Staf en de organen.

Vanzelfsprekend stonden deze moeilijkheden het opmaken van een totale verantwoording in de weg. Het resultaat van de afwikkelingswerkzaamheden werd vastgelegd in zgn. aanvullende liquidatierapporten per orgaan.

Bij eerder genoemd besluit van 1 januari 1949 werd eveneens het Bureau Bijzondere Rechtspleging (BBR) ingesteld. De algemene leiding werd opgedragen aan het hoofd van de Tweede Afdeling van het Ministerie van Justitie.

Uit een in het archief aangetroffen notitie kunnen we lezen wat de werkzaamheden van het BBR in 1950 waren:

  1. Executie van de maatregel van internering. Het ontslag van geïnterneerden volgens artikel 2, lid 3 van het Tribunaalbesluit;
  2. De beoordeling of er aanleiding bestaat een opgelegde internering niet ten uitvoer te leggen ten aanzien van personen, die zich rechtmatig in vrijheid bevinden, omdat dit onnodig hard zou zijn, volgens artikel 2, lid 4 van het Tribunaalbesluit;
  3. Hervatten van internering, indien de voorwaarden niet worden nagekomen, die gesteld zijn bij een vervroegd ontslag;
  4. Het herstel in rechten, waaruit politieke delinquenten zijn ontzet, volgens de artikelen 3 en 4 van de Regeling ontzetting rechten (Stb. No. G. 218);
  5. Het bevelen, dat door een tribunaal (kantonrechter) opgelegde verbeurdverklaring niet of niet geheel zal worden ten uitvoer gelegd, dan wel restitutie zal plaats hebben na de tenuitvoerlegging van zodanige verbeurdverklaring, volgens artikel 8, lid 3 van het Tribunaalbesluit;
  6. Het registreren van de ontzettingen van rechten, opgelegd door een Tribunaal of kantonrechter, Bijzonder Gerechtshof, Raad van Cassatie en bij beslissing door een procureur-generaal tot voorwaardelijke buitenvervolgstelling;
  7. Het verzamelen van statistische gegevens over de werkzaamheden van de Bijzondere raad van Cassatie de Bijzondere Gerechtshoven, de Bijzondere Strafkamers bij arrondissementsrechtbanken, Kantongerechten en Hoge Autoriteiten belast met het verlenen van het fiat-executie.

In een andere notitie uit januari 1958 lezen we dat het BBR deel uitmaakt van de Afdeling Staats- en Strafrecht van de Hoofdafdeling Publiekrecht. Het Bureau telde op dat moment nog negen functionarissen. Het archief bevond zich aan de Zwarteweg, terwijl het BBR in de Jan van Nassaustraat was gevestigd.

De taken van het BBR vielen in drie delen uiteen:

Behandeling van verzoeken en klachten van politieke delinquenten

De verzoeken hadden betrekking op: kwijtschelding van internering, vermindering van verbeurdverklaring, herstel in rechten en kwijtschelding van boete.

De klachten betroffen voornamelijk onderwerpen als: vermeende onschuldige veroordeling, eisen tot schadevergoeding e.d.

Uitvoering van artikel B 3 van de Kieswet.

Wanneer een Nederlander uit het actieve en/of passieve kiesrecht wordt ontzet, wordt hiervan door de griffie of parketten bericht gezonden aan de Minister van Justitie.

In de praktijk bleek dat hierbij nogal eens onjuiste opgaven werden verstrekt. Daarom controleerde het BBR of de opgegeven termijn van ontzetting in overeenstemming was met de hieromtrent geldende wettelijke bepalingen De juiste opgaven werden vervolgens doorgezonden aan de burgemeester van de betreffende gemeente.

Met de uitoefening van artikel B 3 van de Kieswet hielden verband de werkzaamheden welke door het BBR werden verricht in verband met de verlening van het Nederlanderschap.

De Hoofdafdeling Privaatrecht vroeg regelmatig inlichtingen over politieke delinquenten, die een verzoek om herstel van het Nederlanderschap hadden ingediend. Het BBR verschafte de gegevens uit de cartotheek of uit het archief.

Vervolgens ontving het BBR maandelijks mededeling van de Hoofdafdeling Privaatrecht van personen aan wie het Nederlanderschap is verleend. Aan de hand van deze mededelingen ging het BBR na welke termijnen voor uitsluiting van kiesrecht van kracht zijn, waarna dit aan de burgemeester van de betreffende gemeente werd medegedeeld.

Het verstrekken van inlichtingen

De voornaamste taak van het BBR bestond uit het verstrekken van inlichtingen over politieke delinquenten. De inlichtingen werden verstrekt aan:

  • Het bureau Documentatie van de Hoofdafdeling Publiekrecht ten behoeve van de emigratie-autoriteiten;
  • Andere overheidsinstellingen, als de BVD, PTT, provinciale en gemeentelijke griffies en diverse departementen;
  • Particulieren.
Aan deze laatste categorie werden inlichtingen slechts bij hoge uitzondering verstrekt.

Het BBR beschikte over twee informatiebronnen:

1. De cartotheek van het BBR

Hierin bevonden zich persoonskaarten van politieke delinquenten, die:

  • Voorwaardelijk buiten vervolging waren gesteld; in dat geval stond op de kaart slechts vermeld de aard en datum van de veroordeling;
  • Veroordeeld waren door het tribunaal of door het bijzonder gerechtshof; behalve aard en datum van de veroordeling stonden ook de strafbare feiten op de kaart vermeld.

2. Het archief van het BBR

Hierin bevonden zich de dossiers van alle categorieën van politieke delinquenten.

De cartotheek omvatte ca. 160.000 kaarten, het archief ca. 500.000 dossiers.

Ten aanzien van het eerder genoemde Bureau Coördinatie kan nog gemeld worden dat dit bureau per 1 september 1950 werd opgeheven (Bekendmaking Ministerie van Justitie, 2e Afdeling A, no. 2324).

De werkzaamheden van dit Bureau werden met ingang van genoemde datum voor zover het de afvoer van vreemdelingen-oorlogsmisdadigers betrof, overgenomen door het Bureau Rijksvreemdelingendienst van de Afdeling Politie van het Ministerie van Justitie.

De overige werkzaamheden van het Bureau Coördinatie zomede het archief van dat Bureau werden overgenomen door de Tweede Afdeling, Bureau A van het Ministerie van Justitie.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Voor het in kaart brengen van alle voorzover bekende internerings- en bewaringskampen zoek ik de exacte lokatie en omvang van deze kampen. Van lang niet al deze kampen is dat in de lokale archieven te achterhalen. Mogelijk dat in dit archief van de CABR daar wel meer gegevens over te vinden zijn.
Maar helaas, het is "volledig beperkt openbaar (B)" en kan daardoor niks inzien? Ik zal het morgen toch proberen.
Zie voor de kaart:
https://maps.google.nl/maps/ms?msid=201746320018826291025.0004dc823cb4e1...

Mvgr.
Hans van der Veen

Ik zoek informatie en foto's over/ van een NSB-vrouwen/ meisjeskamp in Neerijen. Helaas beschikt het regionale rachief in Tiel en de provinciale in Arnhem hier niet over.
Heeft iemand een hint voor mij?

Groet,
Richard

Doe genealogisch onderzoek naar mijn familienaam: Zwankhuizen.
Zou graag gegevens willen inzien c.q. ontvangen vaan Laan-Zwankhuizen, waarvoor staan ze geregistreerd bij oorlogsmisdaden.
Graag nadere gegevens

Geachte heer Zwankhuizen. Uw vraag is doorgestuurd naar de afdeling dienstverlening. U ontvangt per e-mail een reactie.

Informatie over mijn vader Hendrikus Gerardus Maria Wittenburg die na de oorlog gevangen heeft gezeten in Hilversum, ik neem aan Lommerrijk. Hij was actief in de Winterhulp en was tijdens de oorlog in Polen met zijn gezin.

Ik doe familie onderzoek en ik zoek informatie over de reden, aard en duur van de interneringsperiode van mijn opa, de heer G. (Giljam) Goetheer, destijds woonachtig in Harderwijk, die geïnterneerd is geweest gedurende de periode .. 1945 - 1946 (waarschijnlijk juni 1945 - oktober 1946). De veroordeling door het Tribumaal Harderwijk was op 10 oktober 1946.

Geachte heer Goetheer. Uw vraag is doorgestuurd naar de afdeling dienstverlening. U ontvangt per e-mail een reactie.

Ik doe onderzoek naar de famillie Knippers, graag zou ik de invormatie willen ontvagen/inzien die in deze stukken bekent zijn.

Geachte heer Knippers. Uw vraag is doorgestuurd naar de afdeling dienstverlening. U ontvangt per e-mail een reactie.

Ik lees bij de omschrijving van enkele dossiers (bijvoorbeeld. nr. 39327): Plaats ven tewerkstelling: Politieke Recherche afdeling Salland.

Wat hield die tewerkstelling in en waarom was dat?

Ik kan me herinneren dat mijn vader vertelde na de oorlog betrokken te zijn geweest bij de bewaking van opgepakte NSB-ers. Heeft het daarmee te maken?

Ik ben nu 82 Jaar ik kan me nog weet nog dat mijn Vader in een Kamp in Oud-Beijerland HBS heeft gezeten maar weet ver eigenlijk hier van niets ik denk voor lidmaatschap van de NSB, kan ook zijn Fort Buitensluis te Numansdorp.

Piet Ketting
Zijdewinde 68
3297 AW Puttershoek

p.ketting47@upcmail.nl

Ik ben op zoek naar gegevens van mijn opa Frits van der Bilt. Lang verzwegen in de familie dat hij lid was van de NSB en in kamp Amersfoort is geweest.

Geachte heer Ketting,

Ik heb uw vraag doorgezet naar de afdeling dienstverlening. Zo spoedig mogelijk neemt een collega contact met u op.

Met vriendelijke groet,

Het Nationaal Archief

Ik heb 11 maanden in resp. 6 'bewaringskampen' gezeten (Bilthoven, Amersfoort, Harderwijk, Wezep, Avegoor, Steenwijk) en werd plotseling vrij gelaten i.v.m bijzondere rechtspleging(?) Mocht bovendien 10 jaar niet meer stemmen... Ik was '43/'44 in de NAD. Heb nooit geweten wat nu eigenlijk de tenlastelegging is geweest. (was deel nemen in de Arbeidsdienst na de oorlog strafbaar?) bestaat er nog een document dat deze 'veroordeling' motiveert / vastlegt? (er waren wel twee onverklaarbare valse aangiften die geen enkele grond hadden en die ik vond in mijn dossier in het NA)
Bijzonder graag zo mogelijk alsnog een reactie waarvoor dank.
W.Bakkenes. geb. Nijmegen 14.03.1924.

Geachte heer Bakkenes,

Uw vraag is doorgegeven aan de afdeling Dienstverlening. Zij zullen met u via uw emailadres contact opnemen.

Bij mijn moeder ...Johanna Maria Baumgarte.... vond ik papieren van een kamp in Delft aan de Korte Geer.
Daar is zij geïnterneerd geweest geweest onder no 405/45. ontslagen op 26 januari 1946
ik kan nergens een aanklacht o.i,d. vinden
waarom is zij daar geweest? Haar geboorte datum staat fout op de 'beslissing buitenvervolgstelling".

Henk Corino

Geachte heer Corino,

Uw vragen zijn ter beantwoording doorgezet naar de afdeling Dienstverlening. Zo spoedig mogelijk neemt een collega per mail contact met u op.

Met vriendelijke groet,

Het Nationaal Archief

wil graag informatie over wim rommers is altijd vaag over gedaan in de fam
mijn ouders zijn overleden
hij zou nsb in de oorlog zijn geweest
en vast gezeten in scheveningen
vr gr

Geachte Itje,

Uw vraag is ter beantwoording doorgezet naar de afdeling dienstverlening. Zo spoedig mogelijk neemt een collega per mail contact met u op.

Met vriendelijke groet,

Het Nationaal Archief

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in