Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Cie. Oud - Zoeken: colijn

1 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.04.83
M.P. Pieters, CAS 568
Nationaal Archief, Den Haag
2004
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.04.83
Auteur: M.P. Pieters, CAS 568
Nationaal Archief, Den Haag
2004

CC0

Periode:

1928-1961

Omvang:

2.60 meter; 244 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Commissie Oud, ingesteld ter verbetering en herstructurering van gemeentelijke en provinciale financiën, bevat de notulen, verslagen, (eind)rapporten, overzichten, correspondentie, statistieken en overige documentatie van de commissie en de door haar ingestelde subcommissies.

Archiefvormers:

  • Commissie inzake het Herstel van de Financiële Zelfstandigheid van de Gemeenten en de Provinciën (Commissie-Oud, 1946-1956)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

( Hiervoor werden vooral geraadpleegd: rapport Noodvoorziening Gemeentefinanciën van de Commissie-Oud (1947) (inv.nrs. 1 en 75). Hierin zijn opgenomen de notulen van de lste vergadering van de commissie op 13 februari 1946. in zijn installatierede geeft minister Beel een historisch overzicht van de toestand van de gemeentefinanciën vanaf 1929. van ongeveer dezelfde strekking zijn de gegevens in het eindrapport van de commissie uitgegeven in 1956 (inv.nr. 14). Evenzo het persbericht (proefdruk) door secretaris N.A. Nap gezonden aan de directeur van de staatsdrukkerij. Zie notulen van 23 november 1956; inv.nr. 8. )

De situatie van de gemeentelijke financiën was reeds vóór de Tweede Wereldoorlog ongunstig. De wet van 15 juli 1929 (Staatsblad 338), gericht op de herziening van de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten bracht geen verbetering. Oorzaken waren de economische depressie en de daarmee samenhangende grote werkeloosheid in de dertiger jaren.

De middelen van het Gemeentefonds ter bestrijding van de omvangrijke werkloosheidsuitkeringen waren ontoereikend. Ter bestrijding van de gemeentelijke werkloosheidskosten kwam een aantal subsidieregelingen tot stand, zoals de Wet op het Werkloosheidssubsidie-fonds in 1935 (Staatsblad 76). Gevolg was echter dat de meeste gemeenten praktisch geheel afhankelijk werden van het Rijk ( Zie eindrapport blz. 6. ). Gedurende de bezettingsjaren werd deze situatie er niet beter op omdat de inkomsten van de gemeenten nog werden verminderd door fiscale reorganisaties ( Reeds vóór 1940 gaf minister Van Boeyen van Binnenlandse Zaken opdracht tot voorbereiding van een regeling tot herstel van de financiële zelfstandigheid aan de gemeenten. Het Werkeloosheidssubsidiefonds had vele noodlijdende gemeenten als het ware onder curatele van het Rijk geplaatst. De oorlog verhinderde de totstandkoming van deze regeling. (Cf. toespraak Beel uit notulen van 13 februari 1946 invnr. 1.) ). Na 1945 trad geen verbetering op: ondanks de volledige vergoeding van de werkloosheids-uitgaven in 1947 hadden 637 gemeenten voor dat jaar een nadelige saldo. Gevoegd bij voorafgaande jaren was het totaal van deze tekorten op 31 december 1947 tot bijna f. 640 miljoen opgelopen ( Zie eindrapport blz. 10. Een rol speelde ook de verminderde koopkracht van het geld. ).

Wat de provinciale financiën betreft: deze baarden volgens minister Beel van Binnenlandse Zaken niet zoveel zorg ( Zie installatierede van minister Beel (inv.nrs. 1 en 75). ). Op 1 augustus 1947 bracht de Commissie-Oud reeds een rapport uit betreffende een herziening van de provinciale financiën, welke leidde tot een regeling op dit gebied die op 1 januari 1948 inging. Deze regeling werkte dermate gunstig dat de Commissie in 1956 in haar eindrapport geen aanleiding zag opnieuw de finan-ciële verhouding tussen Rijk en provinciën aan de orde te stellen ( Over de jaren 1948-1953 vertoonden alle provinciale rekeningen steeds een overschot. Slechts op enkele punten was een bijstelling wellicht nodig met name een verbetering in de verdeling der middelen van het Provinciefonds. Dit werd afhankelijk gesteld van inzichten die eerst uit de praktijk verkregen zouden kunnen worden. Zie eindrapport blz. 4 en 5. ).

Op 18 januari 1946 werd bij gemeenschappelijke beschikking van de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, respectievelijk dr. L.J.M. Beel en prof. mr. P. Lieftinck, een commissie ingesteld onder voorzitterschap van prof. mr. P.J. Oud. De installatie volgde op 13 februari 1946 in de grote vergaderzaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken op het Binnenhof ( Voor een volledig verslag van deze zitting zie Rapport Noodvoorziening Gemeentefinanciën van de Commissie-Oud. ). In zijn installatierede omschreef minister Beel de opdracht aan de commissie als volgt: "het beramen van maatregelen tot herstel van de financiële zelfstandigheid van de gemeenten en de provinciën daarbij in het bijzonder aandacht schenkende aan de vraag:

  1. of bij de bestaande taakverdeling tussen het Rijk de provinciën en de gemeenten wijziging wenselijk en mogelijk was in de verdeling van de financiële lasten dan wel of terwille van een betere financiële verhouding wijziging in die taakverdeling nodig was; en
  2. of het gewenst was te streven naar inkrimping van het gemeentelijk budget door uitgaven van de gemeenten naar het Rijk over te hevelen."

Tot lid-voorzitter werd benoemd prof. mr. P.J. Oud, oud-burgemeester van Rotterdam, oud-minister van Financiën in het eerste en tweede kabinet-Colijn, lid van de Tweede Kamer voor de Vrijzinnig-Democratische Bond ( Over de figuur van prof.mr. P.J. Oud zie de literatuuropgave. ). Lid-ondervoorzitter was prof. mr. C.W. de Vries, oud-voorzitter van de Rijkscommissie van Advies voor de Gemeentefinanciën.

Lid-secretaris was de heer N.A. Nap, directeur van Financiën Binnenlands Bestuur bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Tot commissie-leden werden benoemd een aantal burgemeesters, voorts leden van Gedeputeerde Staten, hoge functionarissen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Financiën, hoogleraren en anderen ( Voor volledige opsomming zie bijlage 4.1. ).

Nadat de Commissie was geïnstalleerd benoemde zij uit haar midden subcommissies die speciale onderwerpen toegewezen kregen om tezamen met het secretariaat te bestuderen. Later werden de werkzaamheden uitgebreid zodat er nog enige andere subcommissies zoals werkcommissies, ad hoc-commissies en een sleutelcommissie gevormd werden. Bovendien onderhield de Commissie relaties met de centrale overheidsorganen, lagere publiekrechtelijke lichamen, reeds bestaande commissies en ambtelijke personen van buiten haar kring voor hulp en medewerking ( Zie eindrapport blz. 13-14. ).

Ten aanzien van de provinciale financiën werd reeds op 1 augustus 1947 een rapport uit-gebracht. Zoals onder paragraaf 1.1. van de voorgeschiedenis werd aangegeven bleken de voorstellen die op 1 januari 1948 tot regeling waren geworden een bijzonder gunstige uitwerking te hebben.

Met betrekking tot de gemeentelijke financiën kwam de Commissie op 1 juni 1947 met een rapport Noodvoorziening Gemeentefinanciën aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën ( Zie brief van 30 juni 1947 vermeld in het eindrapport blz. 10. ). Hierin stonden voorstellen tot verbetering van de gemeentefinanciën en de aanzet tot een betere regeling hiervan. Daarna hield de Commissie zich bezig met het zoeken naar maatregelen waardoor in het kader van het herstel der financiën de zelfstandigheid der gemeenten in een nieuw perspectief zou komen te staan ( Zie eindrapport blz. 25. ). De Commissie werd echter zodanig met allerlei problemen geconfronteerd dat in afwachting van een definitieve voorziening op 2 juli 1950 en op 12 september 1952 wederom tot voorlopige regelingen werd geadviseerd. De laatste regeling bevatte reeds de aanzet tot de definitieve regeling van 1956. De hiervoor genoemde noodvoorzieningen bevatten elementen die in overeenstemming konden worden geacht met de zelfstandigheid der gemeenten.

De Commissie bleef zoeken naar maatregelen waardoor de positie van de gemeenten gewaarborgd en beschermd zou zijn. Daarbij liet zij zich leiden door een drietal overwegingen:

  1. de instelling van een gemeentefonds
  2. de verbetering van de doeluitkeringen uit 's Rijks kas en
  3. de vergroting van het belastinggebied der gemeenten door invoering van een woonplaatsbelasting.

Met deze voorstellen hoopte de Commissie de haar opgedragen. taak te hebben voltooid en de financiële zelfstandigheid der gemeenten te hebben hersteld. Vandaar dat zij dit rapport dan ook als haar "Eindrapport" beschouwde ( Voor de volledigheid wordt verwezen naar het eindrapport blz. 28. ). De Commissie was echter van oordeel dat haar voorstellen geen definitief karakter hadden. Deze vormden slechts een aanzet. In de praktijk zou de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten voortdurend moeten evalueren en zou deze - naargelang de omstandigheden - wijzigingen behoeven. Daarvoor is een adviesorgaan nodig. De Commissie zag dit niet als haar taak maar die van een nieuw orgaan: een Raad voor de Gemeentefinanciën. Tenslotte werd een permanent orgaan de Raad voor de Gemeentefinanciën ingesteld, die de werkzaamheden van de Commissie-Oud overnam.

Het eindrapport van de Commissie, gedateerd 24 september 1956, werd - met het toegevoegde wetsontwerp - op 12 november 1956 aangeboden aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën, die de Commissie onder dankzegging voor de verrichte arbeid opgeheven verklaarden ( Bij gemeenschappelijke beschikking van 7 december 1956 nr. U 22995 inventarisnummer 8. ).

Literatuur

  • Eindrapport betreffende een regeling van de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten voor 1958 en volgende jaren van de Commissie inzake het herstel van de financiële zelfstandigheid van gemeenten en provinciën, 's-Gravenhage, 1956
  • Rapport Noodvoorziening Gemeentefinanciën van de Commissie voor het herstel van de financiële zelfstandigheid van de gemeenten en provinciën, s.l., 1947.
  • Nijhoffs Geschiedenislexicon (met name de blz. 443-444), 's-Gravenhage - Antwerpen 1981
  • Vonhoff, H.J.L.: Bewegend verleden, Alphen aan den Rijn, 1969
  • Mr. P.J. Oud gezien door zijn tijdgenoten, Rotterdam, 1951.

Samenstelling van de Commissie-Oud

  • Bestuur:
    • Lid-voorzitter: prof. mr. P.J. Oud, oud-burgemeester van Rotterdam
    • Lid-ondervoorzitter: prof. mr. C.W. de Vries, oud-voorzitter van de Rijkscommissie van Advies voor de Gemeentefinanciën
    • Lid-secretaris: N.A. Nap, directeur afdeling Financiën Binnenlands Bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
  • Leden:
    • J. de Bruin, burgemeester van Rheden
    • mr. J.P. van Franeker, inspecteur van 's Rijks belastingen
    • B. Funk, burgemeester van Oudenbosch
    • M.F.G.M. van Grunsven, burgemeester van Heerlen;
    • mr. J.M. Kan, secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
    • mr. A. Kleyn, burgemeester van Meppel
    • Jac. Rustige, lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland
    • prof.mr. D. Simons, buitengewoon hoogleraar aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam
    • mr. M.A. Stufkens, griffier der Staten van Noord-Holland
    • mr. G.W. Toebes, adjunct-directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
    • J.D.A. Visser, oud-administrateur bij het Centraal Bureau voor de Statistiek
    • A. Vogel, directeur van de N.V. Bank voor Nederlandsche Gemeenten
    • mr. J.E. Ysebaert, raadadviseur bij het Ministerie van Financiën
    • P. Zegwaard, chef van de derde afdeling der provinciale griffie van Zuid-Holland
  • Adjunct-secretarissen:
    • R.A. Bruggink, referendaris bij het Ministerie van Financiën
    • dr. P.J. van Leeuwen, referendaris bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken
  • Bovendien heeft sinds 1955 aan het secretariaat meegewerkt:
    • drs. H.M.G.J. van den Ven, referendaris 2e klasse bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken
  • Sedert de instelling hebben daarenboven aan de commissie meegewerkt als lid:
    • N. Arkema, directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
    • J.M. van Bommel van Vloten, lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland
    • mr. H.A.M. van den Dries, plv. thesaurier-generaal
    • J.H. Kamerbeek, chef van de derde afdeling der provinciale griffie van Noord-Brabant
    • mr. F.J.J.C.M. van Meerwijk, plv. thesaurier-generaal
    • dr. J. Ridder, thesaurier-generaal
    • prof.dr. B. Schendstok, directeur van 's Rijks belastingen en domeinen
    • N.H. Schouwstra, inspecteur van 's Rijks belastingen
    • dr. A.J. van den Tempel, hoofd van de afdeling Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën
  • Als adjunct-secretaris:
    • mr. G.W. baron van der Feltz, administrateur bij het Ministerie van Financiën
    • F. de Goede, referendaris bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken
    • mr. G.F.W. Hartung hoofdcommies bij het Ministerie van Financiën

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Op de eerste vergadering van de plenaire commissie op 13 februari 1946 werd een werkcomité gevormd. Dit werkcomité stelde een leidraad samen voor de werkzaamheden van de commissie. Zij stelde voor om een viertal sub-commissies te vormen. Aan de werkzaamheden van deze subcommissies diende door alle leden deelgenomen te worden zodanig dat elk lid deel uit zou maken van twee subcommissies.

      Elk van deze commissies had de bevoegdheid deskundigen aan te trekken eventueel na verkregen machtiging van de ministers.

      Op de vergadering van de plenaire commissie op 9 januari 1948 werden twee subcommissies ingesteld: één voor de belastingen, die zich bezig zou houden met de vraag welke belastingen theoretisch en technisch voor toewijzing aan de gemeenten in aanmerking zouden komen; daarnaast een subcommissie voor het bijdragestelsel, die zowel de bijdragen uit de 's Rijks kas en als uit het Gemeentefonds zou bestuderen. De eerste subcommissie bestond eerder in 1946 als subcommissie III. Deze commissie werd gehandhaafd en uitgebreid met enkele leden.

      De laatste subcommissie werd gesplitst in een viertal werkcommissies respectievelijk voor het wegenvraagstuk, het onderwijs, de volksgezondheid en de volkshuisvesting en voor overige aangelegenheden.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in