Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Centrale Raad van Beroep - Zoeken: colijn

1 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.09.39
J. Westrik
Nationaal Archief, Den Haag
1987
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.39
Auteur: J. Westrik
Nationaal Archief, Den Haag
1987
CC0

Periode:

1903-1946
merendeel 1903-1939

Omvang:

51,80 meter; 307 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste bestuursrechter die oordeelt in hoger beroep over geschillen op het terrein van de sociale zekerheid en ambtenarenzaken. Dit zijn bijvoorbeeld geschillen tussen werknemers en hun werkgevers betreffende volksverzekeringen, bijstandswetgeving, ziektewet, (militaire) ambtenarenwet, werkloosheidswet en pensioenwetgeving. Het archief van de Centrale Raad van Beroep over de periode 1903-1939 bevat onder meer chronologisch geordende registers van aanhangig gemaakte zaken, audiëntiebladen, processenverbaal en uitspraken inzake geschillen over (de uitvoering van) sociale verzekeringswetten: de ongevallen-, pensioen-, ouderdoms- en invaliditeitswet. Ook een alfabetische index op persoonsnamen bevindt zich in dit archief.

Archiefvormers:

  • Centrale Raad van Beroep

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • Dit gedeelte - dat in juni 2010 is toegevoegd - bestaat uit de oude toegang 2.09.43.

    Ontwikkelingen in de wetgeving

    In de dertiger jaren zien we, dat de bevoegdheden van de Centrale Raad van Beroep een grote ontwikkeling ondergaan. De bevoegdheden in de jaren 1903-1929 waren primair gericht op de beoordeling van de uitvoering van de werknemersverzekeringen in hoogste instantie. In de twintiger jaren werd hier de beoordeling betreffende de pensioenwetgeving aan toegevoegd.

    Een grote verandering in de sociale structuur vond echter plaats in de dertiger jaren door de ontwikkeling van een wetsontwerp betreffende de regeling van de rechtstoestand van ambtenaren en militaire ambtenaren. Door deze regeling werden niet langer alleen de rechten van de werknemers gewaarborgd, maar werd deze waarborg ook uitgebreid ten opzichte van de ambtenaren.

    Ontstaan van de ambtenarenwetgeving.

    Sinds 1919 hield een staatscommissie zich bezig met een onderzoek om tot een regeling betreffende de rechtstoestand voor ambtenaren te komen.

    Van de zijde van de ambtenaar was er voor 1919 een grote behoefte ontstaan aan rechtsbescherming. Reden hiervoor was de enorme uitbreiding van de overheidstaken, waardoor er naast de echte ambtenaren ook arbeiders - ambtenaren en functionarissen met nevenfuncties binnen de overheid waren aangetrokken om de vergrote werkdruk aan te kunnen. Hierdoor ontstonden er grote verschillen in de rechten en plichten en in de geldelijke beloning tussen deze groepen.

    De staatscommissie was van mening, dat er behalve de vastlegging van de rechten en plichten van de ambtenaar (materieel recht) ook een wettelijke regeling moest komen, die de rechtsbescherming van de ambtenaar tegen de door het uitvoerende gezag genomen maatregel regelde (formeel recht). De staatscommissie kwam tot de conclusie, dat er in principe gekozen zou moeten worden voor vier aparte administratieve rechters, die elk afzonderlijk ongevallen-, belasting-, ambtenaren- en pensioenzaken beoordeelden.

    De minister was van mening, dat de Centrale Raad van Beroep als administratief appèlgerecht uitstekend had gefunctioneerd in beroepszaken betreffende de sociale verzekering en de pensioenzaken, waardoor deze van mening was dat de Centrale Raad van Beroep ook als appèlgerecht zou kunnen functioneren voor Ambtenarenzaken.

    Als procesrecht zou de Beroepswet dan als basis gebruikt kunnen worden met enkele specifieke aanpassingen voor ambtenarenzaken. Dit ontwerp is echter nooit wet geworden.

    De vraag naar een regeling voor de rechtstoestand van ambtenaren bleef echter bestaan.

    Een nieuwe poging tot verwezenlijking van deze ideeën kwam tot stand in 1927. Ook in dit ontwerp van wet kwam de minister tot de conclusie dat er een regeling moest komen, die de rechten van de ambtenaren waarborgde. Tot dan toe was alleen het pensioenrecht gewaarborgd bij de Centrale Raad van Beroep. De zaken betreffende de geldelijke aanspraken waren weliswaar ondergebracht bij de Burgerlijke rechter ingevolge het artikel 2 R.O., maar de minister was van mening dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door gedachten werd beheerst, die niet met de aard van de ambtenarenzaken strookte. Hierdoor werd de bescherming van het volledige ambtenarenrecht en de instelling van een bijzonder rechter voor ambtenarenzaken noodzakelijk. Aangezien de minister ook in dit wetsontwerp van mening was dat de Centrale Raad van Beroep als administratief appèlgerecht uitstekend had gefunctioneerd voor zaken betreffende werknemersverzekeringen en pensioenen, werd besloten om ook ambtenarenzaken in hoger beroep aan de Centrale Raad van Beroep toe te wijzen. Voor zaken in eerste aanleg werd een nieuw orgaan in het leven geroepen, het z.g Ambtenarengerecht.

    Als basis voor het procesrecht werd de Beroepswet gebruikt met aanpassingen voor zaken betreffende het ambtenarenrecht. Nieuw binnen de ambtenarenwetgeving was, dat indien één der partijen kon aantonen, dat: "gebleken was van enige omstandigheid, die bij de behandeling van het beroep aan het gerecht niet bekend was en die op zichzelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak", herziening van de uitspraak kon worden aangevraagd. De herziening werd verzocht aan het gerecht, dat de aangevallen uitspraak had gewezen. Buiten de regelingen voor de rechtstoestand van de ambtenaren vielen:

    1. Ministers.
    2. Leden van de Raad van State.
    3. Personen, die krachtens de grondwet of een wet voor hun leven waren benoemd.
    4. Militairen.

    Dit wetsontwerp werd uiteindelijk aangenomen krachtens de wet van 12 december 1929 (stbl.530) en werd bekend onder de naam Ambtenarenwet 1929. De wet tot regeling van de rechtstoestand van Militaire Ambtenaren kwam tot stand krachtens de wet van 19 december 1931 (stbl. 519).

    Centrale Raad van Beroep. Bevoegdheden

    De bevoegdheden van de Centrale Raad van Beroep bleven van 1930-1939 primair gericht op de beoordeling van de uitvoering van werknemersverzekeringen in hoogste instantie. Men duidt de Centrale Raad van Beroep dan ook aan als beroepsrechter. Het procesrecht vindt men in de Beroepswet.

    Gedurende de periode 1930-1939 had de beoordeling in hoogste instantie betrekking op de volgende wetten:

    • Ziektewet
    • Invaliditeitswet
    • Ouderdomswet
    • Ongevallenwet
    • Pensioenwet landmacht 1922
    • Pensioenwet zeemacht 1922
    • Pensioenwet 1922
    • Militaire Weduwenwet 1922
    • Land- en Tuinbouwongevallenwet
    • Pensioenwet personeel Koninklijke Marine reserve 1923
    • Pensioenwet reserve-personeel landmacht 1923
    • Pensioenwet reserve-personeel zeemacht
    • Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de Landstorm
    • Pensioenwet spoorwegambtenaren 1925
    • Ambtenarenwet 1929
    • Militaire Ambtenarenwet 1931

    Bij de uitvoering van de Ambtenarenwet en de Militaire Ambtenarenwet werden de bevoegdheden uitgebreid met de rechtspraak betreffende de besluiten, handelingen en weigeringen ten aanzien van ambtenaren als zodanig en de rechtverkrijgenden door een administratief orgaan genomen. Tevens werd ingevolge de Ambtenarenwet bepaald, dat de Centrale Raad van Beroep in eerste en enige aanleg oordeelde over besluiten in administratief beroep genomen.

    Onder administratief beroep zijn begrepen:

    1. besluiten door administratieve organen genomen, nadat een krachtens algemeen bindende regels optredende commissie in een zaak een advies of een uitspraak heeft gegeven.
    2. besluiten van een krachtens algemeen bindende regels optredende commissie, waaraan de beslissing met uitsluiting van een administratief orgaan is opgedragen.

    Bij de instelling van een hoger beroep of een verzoek om herziening werd ten behoeve van de Staat van de klager een griffierecht van Fl. 10,-- geheven, voor zover de klager niet een administratief orgaan of de Minister van Justitie was. Aan de partij, die in de uitspraak geheel of gedeeltelijk in het gelijk was gesteld, werden de griffierechten geheel of gedeeltelijk vergoed.

    Naast de hierboven beschreven bevoegdheden betreffende de beoordeling van de uitvoering in hoogste instantie, sprak de Centrale Raad van Beroep in de periode 1930-1939 tevens het ontslag, de schorsing en de opheffing van de schorsing van een lid van de Raad van Beroep uit op vordering van de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep (artikel 34 en 37 Ber. wet). Ingevolge een dergelijke regeling was de Centrale Raad van Beroep tevens gerechtigd het ontslag, schorsing of de opheffing van de schorsing van de leden van het Ambtenarengerecht uit te spreken. (de artikelen 10 en 12 Ambt.wet). Bovendien oefende de Centrale Raad van Beroep in 1930 tegenover de leden van deze Raad overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 11 t/m 13 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid van Justitie en tegenover de griffier overeenkomstig de bepalingen van artike1 13 van die wet de bevoegdheden uit, welke bij die artikelen aan de Hoge Raad ten aanzien van de leden van de rechterlijke macht waren toegekend.

    Indien de vordering in bovengenoemde artikelen tegen de voorzitter was gericht, werden de toegekende bevoegdheden en verplichtingen door een bijzonder gemachtigde onder-voorzitter uitgeoefend en vervuld. (artikel 47 Beroepswet). Bij de wet van 22 juli 1935 (Stbl. 421) werden de bepalingen betreffende de griffier geschrapt.

    Tevens waren op de Centrale Raad van Beroep de artikelen 16, 17, 19, 20 en 22 van de Ambtenarenwet mede van toepassing.

    Functionarissen

    De taken van de voorzitter werden tussen 1930 en 1939 uitgebreid met de volgende werkzaamheden:

    1. Binnen de Centrale Raad van Beroep
      • beslissing betreffende de vrijstelling van griffierecht voor onvermogenden (art. 57 AW).
    2. Buiten de Centrale Raad van Beroep
      • vordering tot ontslag, schorsing of opheffing van de schorsing van de leden van de Ambtenarengerechten (artikelen 10 en 12 van de Ambtenarenwet).

    Van 1930-1939 fungeerden als voorzitter:

    12-06-1919 - 01-04-1933Mr. H. Reuyl
    29-03-1933 - 01-04-1939Mr. A.I.M.J. Baron van Wijnbergen
    01-04-1939 - 01-01-1940Mr. Ch.M.A. Bijleveld

    De taak van de onder-voorzitter bleef gedurende de periode 1930-1939 min of meer hetzelfde als de voorgaande periode. Van 1930-1939 fungeerden als onder-voorzitters:

    17-09-1925 - 01-11-1932Mr. A. Burger
    02-01-1930 - 02-08-1932Mr. Dr. J.Th. Endtz
    18-10-1932 - 01-04-1939Mr. Ch.M.A. Bijleveld
    01-11-1932 - 29-03-1933Mr. A.I.M.J. Baron van Wijnbergen
    04-04-1933 - 03-01-1940Mr. Dr. E.J. Beumer
    04-04-1939 - 23-01-1947Mr. G.A.M. Smeenk

    Van 1930-1939 fungeerden als leden:

    28-09-1909 - 18-10-1932Mr. Ch.M.A. Bijleveld
    16-09-1941 - 02-01-1930Mr.Dr .J. Th. Endtz
    13-03-1917 - 01-11-1932Mr. A.I.M.J. Baron van Wijnbergen
    10-12-1925 - 04-04-1939Mr. G.A.M. Smeenk
    03-08-1928 - 04-04-1933Mr. Dr. E.J. Beumer
    13-02-1930 - 21-03-1940Mr. G.A. de Graag
    20-12-1932 - 01-03-1946Mr. J. Westhoff
    05-12-1932 - 28-01-1947Mr. D. Ragay
    28-04-1930 - 01-08-1946Mr. J.H. Kuiper
    22-04-1933 - 01-05-1965Mr. W.H. Van Basten Batenburg
    27-06-1939 - 16-07-1939Mr. H.L. Hoogenhuis

    Van 1930-1939 fungeerden als leden-plaatsvervangers:

    23-12-1918 - 01-08-1935Mr. G.J. Jannink
    23-12-1918 - 01-10-1939Mr. J. Ph. Suyling
    23-12-1918 - 01-07-1942Mr. J.R. Voute
    23-12-1918 - 01-07-1944Mr. Dr. F. Sleutelaar
    23-12-1918 - 01-08-1949Mr. Dr. S. van Brakel

    Van 1930-1939 fungeerden als griffier:

    14-02-1913 - 01-03-1939Mr. G.J. de Kempenaer
    02-05-1939 - 13-11-1946Mr. A. Blom
    Bezoldiging functionarissen van de Centrale Raad van Beroep (1930-1939)

    De jaarwedden van de leden, de griffier en de substituut-griffiers bij de Centrale Raad van Beroep bedroegen per 1 januari 1930 ingevolge het Koninklijk Besluit van 17 juli 1929 (stbl. 392):

    Tabel met zoekresultaten in archieven
    functionarissenjaarwedde
    voorzitterFl. 10.000,--
    onder-voorzitterFl. 9.000,--
    ledenFl. 8.000,--
    griffierFl. 6.500,--
    subst. griffiersFl. 3.400,--

    Tevens werd binnen het bovengenoemde besluit bepaalt, dat de wedde van de substituut-griffiers bij de Centrale Raad van Beroep iedere twee jaar, gedurende welke zij in één of meer in dat artikel genoemde rechterlijke betrekkingen werkzaam waren of geweest waren, met FL. 200,-- werd verhoogd. De verhoging bedroeg in zijn geheel Fl. 1.000,--.

    De jaarwedden van de leden, de griffier en de substituut-griffiers bij de Centrale Raad van Beroep bedroegen per 31 december 1939 ingevolge de Koninklijke Besluiten van 29 december 1933 (stbl. 776), 13 maart 1935 (stbl. 125) en 22 april 1936 (stbl. 245):

    Tabel met zoekresultaten in archieven
    functionarissenjaarwedde
    voorzitterFl. 8.500,--
    onder-voorzitterFl. 7.700,--
    ledenFl. 6.840,--
    griffierFl. 5.560
    subst. griffiersFl. 2.910,--

    Tevens werd binnen het bovengenoemde besluit bepaalt, dat de wedde van de substituut-griffiers bij de Centrale Raad van Beroep iedere twee jaar, gedurende welke zij in één of meer in dat artikel genoemde rechterlijke betrekkingen werkzaam waren of geweest waren, met FL. 170,-- werd verhoogd. De verhoging bedroeg in zijn geheel Fl. 850,--.

    Binnen het gebouw van de Centrale Raad van Beroep gevestigde andere instanties

    De Centrale Raad van Beroep was gedurende de periode 1930-1939 gehuisvest aan de Trans 19 te Utrecht en gedurende de periode 1930-1939 waren nog andere instanties in het gebouw van de Centrale Raad van Beroep gevestigd.

    Ingevolge het Koninklijk Besluit van 11 juni 1917 (Stbl. 460) was aan de Raad van Beroep te 's-Gravenhage de bevoegdheid betreffende de beoordeling van zaken in eerste instantie opgedragen in het ressort Utrecht en omstreken. Deze raad bleef zitting houden in het gebouw van de Centrale Raad van Beroep, wanneer het aanhangig gemaakte zaken betreffende het ressort Utrecht en omstreken betrof. Andere instanties die binnen het gebouw van de Centrale Raad van Beroep waren gevestigd, waren de Voogdijraad (vanaf 1915) en de Raad van Beroep der directe belastingen.

    De archiefbescheiden van de Centrale Raad van Beroep over de periode 1930-1939 werden aangetroffen in het archief van de tegenwoordige huisvesting van deze raad aan de Maliebaan 31 te Utrecht.

    De archiefbescheiden werden tot 1979 op de zolder van het gebouw aan de Trans 19 bewaard, geordend in stapels op tafels, respectievelijk in stellingen. Pas in 1979 werden de bescheiden als gevolg van de verhuizing naar de Maliebaan 31 in afzonderlijke archiefruimten ondergebracht.

    Inventarisatie 1930-1939

    Bij de inventarisatie over de periode 1930-1939 is de aangetroffen structuur zoveel mogelijk gehandhaafd. Aangezien deze inventaris gezien kan worden als een vervolg op de inventaris van de periode 1903-1929, is besloten om de inventaris niet te beginnen met inventarisnummer 1, maar de nummering van de inventaris 1903-1929 en de supplement-plaatsingslijst d.d. 25 augustus 1986 voort te zeten. Hierdoor begint de inventaris over de periode 1930-1939 met inventarisnummer 215.

    Registers

    De a-quo registers betreffende de Ouderdomswet gedurende de periode 1930-1939 zijn niet in deze inventaris vermeld, aangezien het a-quo register over de periode 1920-1947 reeds in de inventaris over de periode 1903-1929 is opgenomen. Dit geldt eveneens voor de a-quo registers van de Invaliditeitswet tot 1933. Binnen de a-quo registers Ziektewet ontbreekt het eerste gedeelte. Het register Ziektewet begint dan ook pas bij nummer 1042. De reden hiervoor is onbekend.

    Wanneer een register of een onderdeel van een register tot na 1939 doorliep, is deze toch in de verzameling opgenomen. Hierdoor vinden we binnen de inventaris de a-quo registers Invaliditeitswet tot 1942, de Ongevallenwet tot en met 1941 en de registers betreffende de Ziektewet tot en met 1946.

    Tevens zal opvallen, dat de a-quo registers betreffende de Land- en Tuinbouw Ongevallenwet, de Militaire Ambtenarenwet en de Ambtenarenwet in de vorm van fotocopieën zijn toegevoegd. Reden hiervoor is, dat deze wetten waren ingeschreven in afzonderlijke registers, die respectievelijk de perioden tot 1972, 1965 en 1967 omvatten. De fotocopieën worden binnen de inventaris aangegeven met het teken *.

    Bij studie van de registers betreffende de ambtenarenzaken is tevens gebleken, dat in de registers van de ambtenarenzaken zowel beroepsschriften en klaagschriften voorkwamen (zie inv. nr. 244-245). Dit is te verklaren, omdat in bepaalde gevallen direct een beroepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep aanhangig gemaakt kon worden zonder eerst een andere beroepsinstantie te raadplegen (art. 3 Ambtenarenwet).

    Deze zaken werden klaagschriften genoemd.(zie voor verdere verduidelijking bladzijde 4). Zij worden binnen de inventaris aangeduid als A.W./K zaken (klaagschriften). De ambtenarenzaken in hoger beroep worden binnen de inventaris aangeduid als A.W./B (beroeps)zaken. Ditzelfde geldt voor de registers betreffende de Militaire Ambtenarenwet. Bij nader onderzoek is gebleken, dat binnen het zaakregister A.W./K de zaak A.W.1940/K 17 is aangegeven als A.W. 1939/K 17. Dit is waarschijnlijk een vergissing, die niet gecorrigeerd is.

    Tevens is gebleken, dat de zaakregisters niet per 10 jaar werden afgesloten. Zo kon het voorkomen,dat bepaalde registerdelen tot na 1939 doorliepen.

    Indien een registerdeel voor het grootste deel de periode na 1930-1939 besloeg, is de periode tot 1939 in de vorm van fotocopieën in de inventaris opgenomen.

    Dit betreft de volgende registerdelen (zie de inv. nrs. 217-245).

    • Land- en Tuinbouwongevallenwet.
    • Ouderdomswet.
    • Invaliditeitswet
    • Ambtenarenwet (B zaken).
    • Militaire Ambtenarenwetten. (B- en K- zaken)
    • Pensioenwet 1922.
    • Pensioenwet zeemacht.
    • Pensioenwet reserve-personeel landmacht.
    • Militaire Weeduwen- en weezenwet.
    • Pensioenwet personeel Marine-reserve.
    • Pensioenwet spoorwegambtenaren.

    Deze fotocopieën worden in de inventaris aangeduid met het teken *.

    Indien het grootste gedeelte van het register de periode voor 1939 besloeg, is het originele registerdeel in de verzameling opgenomen. Dit betreft de volgende registerdelen. (zie de inv. nrs. 217-245).

    • Ongevallenwet.
    • Ziektewet.
    • Ambtenarenwet (klaagschriften).
    • Pensioenwet landmacht.

    De uitspraken, die met de bovengenoemde registers van de aanhangig gemaakte zaken van de verschillende pensioenwetten corresponderen, zijn binnen de verzameling uitspraken Pensioenwet 1922 opgenomen (zie de inv. nrs. 282-284).

    Aangezien er een duidelijk verband bestaat tussen de zaaknummers en de uitspraken op uitspraakdatum, is besloten om de in de inventaris opgenomen perioden van de registers van aanhangig gemaakte zaken en de daarbij behorende uitspraken zoveel mogelijk parallel te laten lopen.

    Processen-verbaal

    De processen-verbaal van de jaren 1930-1939 zijn eveneens bewaard gebleven (zie de inv. nrs. 246-256). Onder een proces-verbaal verstaat men een verslag van de ter terechtzitting aanhangig gemaakte zaken.

    De processen-verbaal zijn op chronologische wijze gerangschikt, dat wil zeggen op wet en op datum van de terechtzitting. Indien een zaak bijvoorbeeld werd aangehouden, vinden we in het verdere verloop van de verzameling deze aangehouden zaak op het proces-verbaal van een andere zittingsdag terug.

    Bij nader onderzoek is tevens gebleken dat de processen-verbaal betreffende de aanhangig gemaakte zaken van de Landen Tuinbouwongevallenwet zijn opgenomen binnen de verzameling processen-verbaal van de Ongevallenwet. Deze zaken werden binnen de processen-verbaal aangegeven met het symbool L.T.O. Binnen de processen-verbaal betreffende de Ambtenarenwetten is bij de onderverdeling geen onderscheid gemaakt tussen B- en K-zaken. Hierdoor vinden we onder de titel Ambtenarenwetten alle uitspraken betreffende de Ambtenarenwetten B- en K-zaken en de Militaire Ambtenarenwetten B- en K-zaken.

    Binnen de verzameling processen-verbaal van de Pensioenwet 1922 waren tevens de processen-verbaal van de Militaire pensioenwetten en de Pensioenwet spoorwegambtenaren opgenomen. Ook deze laatstgenoemde wetten werden binnen de processen-verbaal aangegeven met symbolen, nl.:

    • Mar.res. (pensioenwet personeel Marine-reserve);
    • R.L. (reserve-personeel landmacht);
    • L. (pensioenwet landmacht);
    • Z. (pensioenwet zeemacht);
    • W. (militaire weduwenwet);
    • SP. (Pensioenwet spoorwegambtenaren).
    Ordening

    Aangezien de A-agenda's tot 1938 en de B-agenda's tot en met 1932 reeds in de inventaris van de periode 1903-1929 zijn vermeld, worden deze agenda's niet in deze inventaris aangetroffen. Wanneer de A- agenda's en B-agenda's of delen daarvan de periode na 1939 besloegen, zijn deze toch in de inventaris opgenomen. Zo beslaat de verzameling A-agenda's de periode 1938 tot en met 1946 en de verzameling B-agenda's de periode 1932 tot en met 1944 (zie inv. nr. 215).

    Bovendien werd één register van uitgaande brieven betreffende de Invaliditeitswet, Ziektewet en de Kinderbijslagwet van 1935 tot en met 1945 aangetroffen. De Kinderbijslagwet is pas in 1939 in werking getreden, maar aangezien dit register tevens de uitgaande brieven van de Ziektewet en Invaliditeitswet bevat, is dit register toch in deze inventaris opgenomen. De bijbehorende brieven zijn niet teruggevonden.

    De verzameling benoemingen en beëdigingen van de leden rechterlijke macht van de Centrale Raad van Beroep, Raden van Beroep en de Ambtenarengerechten is niet aangetroffen.

    De verzameling stukken betreffende de organisatie (organisatie dossier) werd geordend op chronologie van de data van de desbetreffende stukken. (zie inv. nr. 216).

    Van de periode 1930-1939 zijn alleen de a-quo registers teruggevonden. De daarbij behorende uitspraken van de Raden van Beroep zijn niet op te sporen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat deze in het verleden zijn vernietigd.

    De stukken van comptabele aard zijn niet in deze inventaris opgenomen, aangezien deze ingevolge het Koninklijk Besluit van 21 november 1984 (Stbl. 682) vernietigd konden worden.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in