gahetNA in the National Archives

Schaik, van - Zoeken: colijn

9 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.21.151
A.E.M. Ribberink, M.J.V. van Schaik-Brouwers
Nationaal Archief, Den Haag
1963
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.151
Auteur: A.E.M. Ribberink, M.J.V. van Schaik-Brouwers
Nationaal Archief, Den Haag
1963
CC0

Periode:

1917-1961
merendeel 1917-1961(1965)

Omvang:

2,10 meter; 137 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Mr. J.R.H. van Schaik (1882-1962), rooms-katholiek staatsman. Was onder andere minister van Justitie (1933 - 1937) en voorzitter van de Tweede Kamer. In die rol ook protesteerde hij fel tegen de Duitse inval tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was ook adviseur en formateur voor verscheidene kabinetsformaties. Begon als advocaat en procureur in Arnhem en was later ook plaatsvervangend kantonrechter. Daarnaast was hij mede redacteur van "De Beiaard", waarvoor hij schreef over actuele vraagstukken, waaronder de strijd voor opheffing van het processieverbod. In 1917 werd hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Verder was hij nog een tijd lang president-curator van de Nijmeegse Universiteit (1951 - 1957).
Dit archief bevat stukken betreffende zijn functioneren als advocaat en procureur in Arnhem, zijn werkzaamheden voor "De Beiaard", stukken betreffende zijn periode als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, als minister van Justitie (1933 - 1937) en als voorzitter van de Tweede Kamer. Ook zijn er stukken te vinden betreffende zijn werkzaamheden als president-curator van de Nijmeegse Universiteit, stukken betreffende de Indonesische kwestie (1945-1952) en stukken die hij in dienst als algemeen adviseur voor Nederland voor de conferentie Nederland-Suriname-Nederlandse Antillen heeft verzameld.

Archiefvormers:

  • Mr. J.R.H. van Schaik (1882-1962)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Levensloop van Mr. J.R.H. van Schaik door Mevr M.J.V. van Schaik - Brouwers.

Deze inleiding wil de lezer niets anders bieden dan een benadering van de persoon van Joseph Robertus Hendricus van Schaik, zoals hij in het leven stond van 1882 tot 1962. Geboren te Breda op 31 januari 1882 als eersteling uit het huwelijk van Mr. Johannes Robertus Hendricus van Schaik en vrouwe Theodora Johanna Stephanie Deurvorst, groeide hij, naar mate de carrière van zijn vader in de rechterlijke macht vorderde, op te Druten, te Maastricht en te 's-Hertogenbosch.
Te Maastricht doorliep hij met zijn vriend Jules Alting von Geusau de lagere school. Deze vriendschap eindigde op 13 maart 1940 met de plotselinge dood van de generaal-majoor der artillerie Jhr. J.Th. Alting von Geusau gedurende legeroefeningen.
Te 's-Hertogenbosch, waarheen zijn vader benoemd was, volgde hij het gymnasium en ontving hij zijn eerste danslessen met een club aardige meisjes en jongelingen van z'n school en uit z'n ouders kennissenkring. Dat waren gelukkige jaren. Hij zag er de meisjes Rouppe van der Voort, Van Lanschot, Van Eibergen Santhagen, Serraris en Snoek en de jongelui Beelaerts van Blokland, Van Rijckevorsel, Rive e.m.a. Hij hield er de beste herinneringen aan en ontmoette er in zijn later leven nog velen van.
Na zijn eindexamen werd Van Schaik student in de rechten te Utrecht.
In 1898 werd zijn vader benoemd in het Hof te Arnhem en het gezin verhuisde naar Arnhem. Hij had een veelzijdige belangstelling en genoot van concerten, toneel, reizen, botanie enz. Door een bevriende relatie werd hij in de gelegenheid gesteld bootreizen te maken naar Rusland, Griekenland en Turkije. Het vele nieuwe was gretig voedsel voor zijn nauwelijks te verzadigen geest. Ook op botanisch gebied waren deze vreemde landen niet te versmaden en menig kruidje of plantje verdween naar Nederland, waar het gedetermineerd en beschreven, in een schrift geplakt werd met Nederlandse lotgenoten, tezamen een hele kist met schriften vol.
Te Utrecht was hij lid van het Corps en van Veritas. Zijn rode clublint draagt een zilveren kannetje,misschien als talisman bedoeld tegen de bekende wisselwerking van inhoud van kan en man op clubfeesten. Zijn clubbroeders waren De Witte en de Rode Beus (Van Beusekom), Van Voorst Vader, Van Lidt de Jeude, Rochat, Offers, Kan (later dominé in Treebeek in de buurt van Heerlen en als zoon uit een huwelijk gezegend met 8 jongens, zelf bedacht met 8 dochters), Cambier van Noten en Zijlstra. Met deze clubgenoten nam hij als ridder deel aan het lustrum. Tot zijn 78ste levensjaar bleef Van Schaik de jaarlijkse clubreunies bezoeken. Als mederedacteur van het Utrechtse studentenblad "De Vox" verzorgde hij afwisselend met de medestudent Van Gorkum de rubriek "Utrechtse theerandjes".
In 1905 promoveerde hij cum laude bij professor Hamaker op een proefschrift getiteld: "De overheid tegenover de art. 1401 e.v. burgerlijk wetboek".
Alvorens zich als advocaat in Arnhem te vestigen, gaf hij er op dringend verzoek van een zieke leraar, tijdelijk lessen in de staathuishoudkunde aan de hoogste klasse van het meisjeslyceum.
Na deze zonnige entrée vestigde hij zich ± 1906 als advocaat en procureur te Arnhem aan de Koningstraat 41. Hij had in Arnhem een grote kennissenkring en hij was in vele huizen een graag geziene gast door zijn prettige omgaansvormen en zijn met humor doorspekte en boeiende conversatie. Zondags avonds gaf hij voordrachten over sociale wetenschappen en handelsrecht voor een door hem te Arnhem opgerichte, ongeveer honderd leden tellende, jongelingsvereniging van jonge middenstanders. Verschillende hunner hebben in hun leven mooie posten bekleed en lang voeling gehouden met hun leermeester, die met voldoening hun ontwikkeling volgde. Hij werd lid en secretaris van de St.Vincentiusvereniging. In deze functie assisteerde hij o.m. bij 'het doden begraven', het in een eenvoudige kist neerleggen van de arme overledenen en het uit de woning dragen over de smalle, wankele trappen, waarbij men zeer dankbaar was als dit zonder ongelukken was volbracht.
Als adjunct-secretaris, later voorzitter van de Middenstands-enquêtecommissie kreeg hij inzicht in de bedrijfsmoeilijkheden van werkgever en werknemer, wat hem in de advocatenpraktijk zeer te stade kwam. Hij werd adj. secretaris van de Nederlandse Spoorwegen, lid van de notariële examencommissie, adj.secretaris van de tiendcominissie bestuurslid van de plaatselijke spaarbank en van het R..K. Weeshuis Insula Dei en plaatsvervangend kantonrechter. Hij was voorzitter van "Geloof en Wetenschap" en voorzitter van de Gelderse Kath. Dagbladpers. Als mede redacteur van "De Beiaard" schreef hij over actuele vraagstukken en streed hij o.m. voor opheffing van het processieverbod. Met Antoine baron Van Wijnbergen organiseerde hij de Gelderse Katholioke Dagen en hij voerde er ook meerdere malen, evenals van Wijnbergen, het woord.
Niemand zal het verbazen dat het hem moeite kostte trouw te blijven aan zijn bridgeclub en min of meer deel te nemen aan zijn societeitsmiddagen. Zijn feeling voor de kern van moeilijke problemen en situaties maakte hem tot een vlugge werker, wiens hiërogliefen een tot ontcijferen bekwame bureauchef vereisten evenals een a.s. echtgenote, die hetzelfde bereikte door zijn brieven ondersteboven te houden.
Mr. Van Schaik huwde in april 1913. Hij verplaatste nu zijn advocatenkantoor van Koningsstraat 41 naar zijn woonhuis: Eusebiusbuitensingel 44b.
Zijn verkiezing in 1917 tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij enkele candidaatstelling in het district Rheden als opvolger van Van Nispen tot Sevenaer deed de familie naar Den Haag verhuizen. De vergaderingen van de Kamer begonnen dinsdags en duurden tot vrijdagmiddag of vrijdagavond. De in de omgeving van Den Haag wonende Kamerleden konden 's avonds nog naar hun gezinnen terugkeren. De verderaf wonenden kregen echter het verzoek om met het oog op de precaire kolenpositie de reis heen en terug maar één maal per week te maken om de met minder wagons rijdende treinen niet te belasten. Dit betekende overbezette weekends, omdat er dan heel wat voorbereide kantoorstukken ter tekening of ter beoordeling lagen te wachten en de zaterdagen en maandagen voor persoonhijke en zakelijke afspraken en vergaderingen werden geboekt.
Na rijp beraad werd besloten de praktijk in Arnhem over te dragen en zich als advocaat en procureur in Den Haag te gaan vestigen. Dit geschiedde in 1919. Zijn vader hield het hart vast voor een dergelijke roekeloze onderneming met een gezin van 4 kinderen en met een zo mooie advocatenpraktijk. Het gezin echter had vertrouwen en wilde er alles voor over hebben een gezin te blijven.
In het voorjaar 1919 betrokken de Van Schaik's nr. 8 in de Van de Spiegelstraat te Den Haag. Het huis lag gunstig voor scholen, voor wandelingen naar Scheveningen en in "de Boschjes" en voor de regeringsgebouwen, die te voet in 20 minuten te bereiken waren. Deze onmisbare en noodzakelijke lichaamsbeweging gaf hem de mogelijkheid zo nu en dan tussen de zittingen van de Kamer door thuis te lunchen of te dineren.
Het advocatenkantoor werd thuis gevestigd met Mr.A.C.M. de Groot als medewerker.
De paters S.J. van de nieuwe parochie in de Elandstraat verzochten hem kerkmeester te worden. Hij nam dit aan en bleef 40 jaar, d.w.z. tot zijn dood, in deze functie. Hij werd lid van de onder de Elandstraatparochie ressorterende Sonsbeekstichting en regent van het ziekenhuis Johannes de Deo in het Westeinde, lid van de Sociale Raad en lid van de raad van Nederlandse ridderorden, lid van de notariële examencommissie, voorzitter van de Algemene Raad voor Psychopathenzorg, van het Centraal College voor Reclassering, van het college van toezicht op de ziektewet, van de tabakscommissie en van de Mijnraad 1932 - 1933.
In de Tweede Kamer, waar Monseigneur Nolens hem hartelijk welkom had geheten, was zijn bankbuurman Mr.Louis baron van Voorst tot Voorst uit Twello. Deze landelijke atmospheer, zoals Van Schaik het noemde, gaf hem frisse denkbeelden.
Als lid van de uit 4 of 5 kamerleden bestaande tabakscommissie nam hij, bij een conimissiebezoek aan Berlijn, het initiatief tot een bezoek aan een eerste modehuis, opdat de commissieleden, die alle gehuwd waren, verslag van de na-oorlogse Berlijnse mode zouden kunnen uitbrengen aan hunne echtgenoten. Wellicht bewonderden de tabakscommissieleden het meest de moed van de initiatiefnemer om uit de door mannequin's geshowde collectie inderdaad een japon te kopen.
In de Tweede Kamer leek het of Monseigneur Nolens door zijn geboorte in dezelfde stad als die waarin ook Van Schaik's echtgenote het levenslicht zag, enig recht op Van Schaik te kunnen doen gelden. Het verwerpen van de Vlootwet onder leiding van Van Schaik was een bittere tegenvaller. Nolens nodigde hem en revanche te dineren, sprak met geen woord over de Vlootwet en gaf hem bij het afscheid een doosje vreemde postzegels voor de verzameling van zijn oudste zoon.
Op zaterdagmiddag en zondags met mooi weer was Nolens meestal op een bank op de boulevard of op de pier te Scheveningen te vinden. Daar filosofeerde hij in de zeelucht en ging zelden huiswaarts zonder een ontmoeting met een voor hem interessante Kamercollega of kennis. Hij woonde bij de Eerw. Zusters van Johannes de Deo op de Prinsengracht in Den Haag. Hij werd er uitstekend verzorgd en het was hem een vreugde aldaar als gastheer te kunnen optreden. Jhr. en Mevr. Octaaf van Nispen tot Pannerden - Serraris zaten zo nu en dan met de Van Schaik's aan zijn dis. Na gezellige kout aan een goede maaltijd gaf Nolens elk der dames een bloem en gingen de voldane gasten tijdig huiswaarts.
Van Schaik was een voorstander van het vrouwenkiesrecht. Met de vrouwelijke Kamerleden - Suze Groeneweg beet de spits af, daarna volgden o.m. Mevr. De Vries - Bruins, Mevr. Bronsveld-Vitringa, Mr. Frida Catz, Annie Meyer, Mevr. Fortanier de Wit en Mr. Bob Wittewaal van Stoetwegen en m.a. - en vooral met de laatste vijf onderhield hij gaarne contact. Ook nadat hij in 1929 node zijn goede, levendige plaats in de Tweede Kamer met de voorzitterszetel verwisseld had, bleef hij voor hen klaar staan.
Meer dan voorheen trachtte hij als voorzitter na de soms langdurige vergadering naar zijn huis te wandelen. Als minister van Justitie (1933 - 1937) word hij vaak verrast door een agent met politiehond tegenover zijn voordeur, die op zijn weg naar Justitie de achterhoede ging vormen.
Nadat hij in 1937, na zijn aftreden als minister, opnieuw voorzitter van de Kamer was geworden, werd hij op 11 april 1938 aangevallen door een Zwart Front-onverlaat, die hem molesteerde met de woorden: "Dat is voor Arnold Meyer". Tijdens de bezetting waren de Van Schaik's in 1944 gedurende drie dagen en drie nachten in Duitse gevangenschap. Van Schaik was op straat opgewacht en opgepakt en naar de Laan Copes van Cattenburch gebracht. Daar moest zijn, in haar woonhuis gearresteerde echtgenote, in de wagen naast hem plaatsnemen, waarop beiden naar het "Oranje Hotel" werden vervoerd. Van Schaik's dochter werd dezelfde dag op de drempel van een huis van de Ondergrondse gepakt, terwijl de groep, die ze daar wilde ontmoeten en waarbij zich haar oudste broer, een cavallerieofficier bevond, al naar het "Oranje Hotel" was gebracht. De jongste zoon zat in het concentratiekamp Amersfoort. Het waren bange dagen. Betere tijden braken echter aan. Het land was bevrijd. Door Hare Majesteit herbenoemd als voorzitter kreeg hij zijn broer, Ir. St. van Schaik, minister in het Kabinet Schermerhorn, hongerig op bezoek en kon hij deze onthalen op stamppot uit blik, gewarmd op het "majokacheltje".
Als vice-president en minister zondor portefeuille in het Kabinet Drees - Van Schaik waarvan hij de formateur was, maakte hij een reis naar Nederlands Indië waar hij zijn oudste zoon met vrouw en kleinzoon terugzag en tezamen met Mr. Stikker o.m. Soekarno en meerdere Indonesische kopstukken ontmoette, en drie reizen naar de West.
Hij ontwierp het eerste Statuut voor de Antillen. Als lid van de Raad van State zag hij dierbare Bossche jeugdherinneringen herleven, als hij zijn vice - president Beelaerts van Blokland, waarvan Marietje Fr. Snoek de lieve echtgenote geworden was, naar officiële gelegenheden begeleidde.
In 1950 bood Van Schaik met anderen het geschenk van katholiek Nederland, radio Anno Santo aan aan Z.H. paus Pius XII en in 1955 nodigde hij Mgr. Giobbe, de internuntius, het voltallige episcopaat, alle gemijterde abten en de premier Prof. Beel met minister Luns aan een lunch in hotel "De Witte Brug". Tot zijn voldoening werden er gewaardeerde contacten gelegd en was er een spontaan elkaar terugvinden.
Hij was voorzitter van de Dr. Schaepmanstichting van 1945 - 1962 en president-curator van de Nijmeegse Universiteit 1951 - 1957.
Zijn 75ste verjaardag op 31 januari 1957 maakte een einde aan zijn lidmaatschap van de Raad van State. Zelf had hij indertijd als minister van Justitie deze leeftijdgrens voorgesteld. Veel voldoening schonk het hem dat H.M. de Koningin hem als minister van Staat om raad bleef vragen.
Zijn zaterdagmiddagen en zondagen had hij van meet af aan voor zijn gezin gereserveerd.
Zijn heengaan op 23 maart 1962 betekende voor velen een groot verlies. Voor zijn allernaasten werd het het einde van een rijk en harmonieus leven, waarvan de warmte hun aller harten blijvend zal vervullen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in